Er zijn drie manieren om debug-commando's te geven:
) onderaan
De essentie van debuggen is dat je het programma stap voor stap uitvoert. Op die manier kun je het programmaverloop precies volgen (bv. in een if/else kun je zien welk van beide er uitgevoerd wordt.
Tussen elke stap in kun je de waarde van bepaalde variabelen controleren.
Vergeet niet eerst te compileren (
of Ctrl-F9). Herhaal dit na elke programmawijziging!!
. Een breakpoint is een plaats waar de uitvoering stopt na "start debug" of "stap overslaan".
of F8. Indien je geen breakpoints hebt, wordt het programma volledig uitgevoerd.
Vooraleer je start kun je dus best een (geldig) breakpoint plaatsen, bv. op de eerste instructie van main (NA de accollade!)
. Deze lijn bevat de eerstvolgende uit te voeren instructie.
of F7. De volgende instructie wordt uitgevoerd. De "volgende lijn" (blauw) springt naar de eerstvolgende instructie (mogelijks op dezelfde lijn indien er meerdere instructies op die lijn staan).
Bij functie-oproepen wordt er niet naar de functie zelf gesprongen
of Shift-F7. Dit is interessant voor functie-oproepen indien je wenst in de functie te springen.
of Ctrl-F7. Alle instructies verder uitvoeren tot het volgende breakpoint (of tot het einde van het programma)
of Ctrl-Alt-F2.
Opmerkingen:
cin>>... wacht de debugger op invoer via DOS-venster. Daarna pas kun je verder debuggen.
Als je tijdens het debuggen met de muis over een variabele gaat, dan verschijnt zijn naam en waarde in het linkervenster.
De debugger is nog in ontwikkeling, en kan zich soms vreemd gedragen:
Goede raad: experimenteel zelf om te kijken wat mogelijk is.
[W. Schepens sept. 2006]