modelvragen computernetwerken III, reeks A
- A1.
- Configuratie van de netwerkinterface (§1.2) - Bridging (labonota's)
- Bespreek alle opdrachten (ook hun opties en hun output) en configuratiebestanden (inclusief locatie en inhoud) die onder Linux voor de configuratie van de netwerkinterface kunnen gebruikt worden. Vergeet de opstartbestanden niet. Wat is IP-aliasing en op welke manieren kan dit ingesteld worden ?
- Bespreek het equivalent onder Windows Server, zowel via de Command Prompt, als via de grafische interface.
- In welke opeenvolgende stappen bepalen een verzameling bridges, die diverse netwerksegmenten tot één enkel subnetwerk groeperen, welke van hun poorten moeten geblokkeerd worden ?
- Hoe kun je, via de uitvoer van één enkele opdracht, op een als bridge geconfigureerd Linux toestel op diverse manieren controleren dat de juiste poorten geblokkeerd zijn, en om welke reden de andere poorten mogen geactiveerd blijven ?
- A2.
- Statische routing (§1.3 zonder subsecties)
- Bespreek het doel van routing, de werking, en de belangrijkste componenten ervan. Behandel de terminologie en problematiek die het routing proces kenmerkt.
- Vergelijk statische en dynamische routing, zonder in detail in te gaan op specifieke routingprotocollen.
- Geef de verschillende alternatieven om de routingtabel van niet-routers te configureren. Indien er hiertoe op Linux of Windows bijzondere componenten moeten geïnstalleerd of geconfigureerd worden, bespreek hoe dit moet gebeuren.
- A3.
- Dynamische routing (§1.5)
- Bespreek het doel en de voordelen van dynamische routing. Behandel de terminologie en de problematiek die dynamische routing kenmerkt.
- Beschrijf het routing proces op Internet schaal (inclusief de relatie tot ISPs).
- Maak een classificatie van routingprotocollen, volgens twee criteria. Omschrijf de terminologie die je hierbij invoert. Geef van elke klasse de meest courante vertegenwoordigers. Het is niet de bedoeling in te gaan op een gedetailleerde vergelijking tussen de verschillende klassen en hun specifieke vertegenwoordigers.
- A4.
- RIP (§1.6 behalve §1.6.3 & §1.6.4)
- Geef een gedetailleerde beschrijving van de werking van RIP. Bespreek de mogelijkheden, beperkingen, en problemen. Bespreek in het bijzonder de gehanteerde metriek, en hoe RIP berichten verpakt worden (cfr. het OSI 7-lagen model).
- Wat wordt bedoeld met reductie van de convergentieperiode (inclusief oorzaken) ? Bespreek de verschillende technieken om dit te verwezenlijken.
- Bespreek de verschillende verbeteringen van RIPv2 ten opzichte van RIPv1.
- A5.
- OSPF (§1.8, enkel subsectie §1.8.1 inclusief)
- Geef een gedetailleerde beschrijving van de werking van OSPF, inclusief de diverse mechanismen van berichtenuitwisseling en de OSPF routers met een bijzondere functie, maar zonder in te gaan op de uitwerking van het algoritme van Dijkstra en het concept van OSPF area's.
- Beschrijf, o.a. aan de hand van een figuur, wat er precies gebeurt indien er een nieuwe router in een door OSPF gestuurd internetwerk wordt opgenomen.
- Hoe worden OSPF berichten verpakt (cfr. het OSI 7-lagen model) ?
- Wat is TOS routing, en in hoeverre ondersteunt OSPF dit ?
- A6.
- RIP , OSPF en EIGRP (§1.7 & §1.8.4)
- Van welke categorieën routingprotocollen zijn RIP en OSPF typische vertegenwoordigers ?
- Maak een gedetailleerde vergelijking tussen de mogelijkheden en beperkingen van deze twee categorieën.
- Tot welke categorie behoort EIGRP ? Bespreek de meerwaarde van dit protocol in vergelijking tot de andere vertegenwoordiger in deze klasse, en (in detail) hoe dit gerealiseerd wordt.
|
|