De Bijbel - Nederlandse Wilibrord vertaling OT GENESIS GEN 1:1 In het begin schiep God de hemel en de aarde. GEN 1:2 De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de Geest van God zweefde over de wateren. GEN 1:3 Toen sprak God: `Er moet licht zijn!' En er was licht. GEN 1:4 En God zag dat het licht goed was. God scheidde het licht van de duisternis; GEN 1:5 het licht noemde God dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de eerste dag. GEN 1:6 God sprak: `Er moet een uitspansel zijn tussen de wateren, een afscheiding tussen het ene water en het andere.' GEN 1:7 En God maakte het uitspansel; Hij scheidde het water onder het uitspansel van het water erboven. Zo gebeurde het. GEN 1:8 Het uitspansel noemde God hemel. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de tweede dag. GEN 1:9 God sprak: `Het water onder de hemel moet naar een plaats samenvloeien, zodat het droge zichtbaar wordt.' Zo gebeurde het. GEN 1:10 Het droge noemde God land, en het samengevloeide water noemde Hij zee. En God zag dat het goed was. GEN 1:11 God sprak: `Het land moet zich tooien met jong groen gras, zaadvormend gewas en vruchtbomen die ieder naar zijn soort hun vruchten dragen, met zaad erin.' Zo gebeurde het. GEN 1:12 En uit het land schoot jong groen op, gras, zaadvormend gewas, in allerlei soorten, en bomen die ieder naar zijn soort hun vruchten droegen, met zaad erin. En God zag dat het goed was. GEN 1:13 Het werd avond en het werd ochtend; dat was de derde dag. GEN 1:14 God sprak: `Er moeten lichten zijn aan het hemelgewelf, die de dag van de nacht zullen scheiden; zij moeten als tekens dienen, zowel voor de feesten als voor de dagen en de jaren GEN 1:15 en tevens als lampen aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten.' Zo gebeurde het. GEN 1:16 God maakte de twee grote lampen, de grootste om over de dag te heersen, de kleinste om te heersen over de nacht, en Hij maakte ook de sterren. GEN 1:17 God gaf ze een plaats aan het hemelgewelf om de aarde te verlichten, GEN 1:18 om te heersen over de dag en over de nacht, en om het licht en de duisternis uiteen te houden. En God zag dat het goed was. GEN 1:19 Het werd avond en het werd ochtend; dat was de vierde dag. GEN 1:20 God sprak: `Het water moet wemelen van dieren, en boven het land moeten de vogels vliegen langs het hemelgewelf.' GEN 1:21 Toen schiep God de grote gedrochten van de zee en al de krioelende dieren, waar het water van wemelt, soort na soort, en al de gevleugelde dieren, soort na soort. En God zag dat het goed was. GEN 1:22 God zegende ze en Hij sprak: `Wees vruchtbaar en word talrijk; gij moet het water van de zee bevolken, en de vogels moeten talrijk worden op het land.' GEN 1:23 Het werd avond en het werd ochtend; dat was de vijfde dag. GEN 1:24 God sprak: `Het land moet levende wezens voortbrengen van allerlei soort: tamme dieren, kruipende dieren en wilde beesten van allerlei soort.' Zo gebeurde het. GEN 1:25 God maakte de wilde beesten, soort na soort, de tamme dieren soort na soort, en alles wat over de grond kruipt, soort na soort. En God zag dat het goed was. GEN 1:26 God sprak: `Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend; hij zal heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt.' GEN 1:27 En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. GEN 1:28 God zegende hen, en God sprak tot hen: `Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk de aarde en onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt.' GEN 1:29 En God sprak: `Hierbij geef Ik alle zaadvormende gewassen op de hele aardbodem aan u, en alle bomen met zaaddragende vruchten; zij zullen u tot voedsel dienen. GEN 1:30 Maar aan alle wilde beesten, aan alle vogels van de lucht en aan alles wat over de grond kruipt, aan al wat dierlijk leven heeft, geef Ik al het groene gewas als voedsel. Zo gebeurde het. GEN 1:31 God bezag alles wat Hij gemaakt had, en Hij zag dat het heel goed was. Het werd avond en het werd ochtend; dat was de zesde dag. GEN 2:1 Zo werden de hemel en de aarde voltooid, en alles waarmee ze toegerust zijn. GEN 2:2 Op de zevende dag bracht God het werk dat Hij verricht had tot voltooiing. Hij rustte op de zevende dag van al het werk dat Hij verricht had. GEN 2:3 God zegende de zevende dag en maakte hem heilig, want op die dag rustte God van al het werk dat Hij scheppend tot stand had gebracht. GEN 2:4 Dit is de geschiedenis van het ontstaan van de hemel en aarde, zoals ze geschapen zijn. Toen Jahwe God de aarde en de hemel maakte, GEN 2:5 waren er op aarde nog geen wilde planten en groeide er geen enkel veldgewas, want Jahwe God had nog geen regen op de aarde laten vallen en er was nog geen mens om de grond te bebouwen, GEN 2:6 om het water uit de aarde omhoog te halen en de aardbodem te bevloeien. GEN 2:7 Toen boetseerde Jahwe God de mens uit stof, van de aarde genomen, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen. GEN 2:8 Daarna legde Jahwe God een tuin aan in Eden, ergens in het oosten, en daarin plaatste hij de mens die Hij geboetseerd had. GEN 2:9 Jahwe God liet uit de grond allerlei bomen opschieten, aanlokkelijk om te zien en heerlijk om van te eten; daarbij was ook de boom van het leven midden in de tuin en de boom van de kennis van goed en kwaad. GEN 2:10 Uit Eden stroomt de rivier die water geeft aan de tuin; hij splitst zich in vier armen. GEN 2:11 De naam van de eerste is Pison, hij stroomt om geheel Chawila heen, waar goud is; GEN 2:12 het goud van dat land is voortreffelijk; en ook balsemhars en edelstenen worden er gevonden. GEN 2:13 De tweede heet Gichon, hij stroomt om geheel Kus heen. GEN 2:14 De derde heet Tigris; hij loopt ten oosten van Assur. De vierde is de Eufraat. GEN 2:15 Toen bracht Jahwe God de mens in de tuin van Eden, om die te bewerken en te beheren. GEN 2:16 En Jahwe God gaf de mens dit gebod: `Van al de bomen in de tuin moogt ge vrij eten, GEN 2:17 maar van de boom van de kennis van goed en kwaad moogt ge niet eten, want op de dag dat gij daarvan eet, moet ge sterven.' GEN 2:18 Jahwe God sprak: `Het is niet goed dat de mens alleen blijft. Ik ga een hulp voor hem maken die bij hem past. GEN 2:19 Toen boetseerde Jahwe God uit de aarde alle dieren op het land en alle vogels van de lucht, en bracht die bij de mens, om te zien hoe zij ze noemen zou: zoals de mens ze zou noemen, zo zouden ze heten. GEN 2:20 De mens gaf dus namen aan al de tamme dieren en aan al de vogels van de lucht en aan al de wilde beesten; maar een hulp die bij hem paste vond de mens niet. GEN 2:21 Toen liet Jahwe God de mens in een diepe slaap vallen; en terwijl hij sliep, nam Hij een van zijn ribben weg en zette er vlees voor in de plaats. GEN 2:22 Daarna vormde Jahwe God uit de rib die Hij bij de mens had weggenomen, een vrouw, en bracht haar naar de mens. GEN 2:23 Toen sprak de mens: `Eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees! Mannin zal zij heten, want uit een man is zij genomen.' GEN 2:24 Zo komt het dat een man zijn vader en zijn moeder verlaat en zich zo aan zijn vrouw hecht, dat zij volkomen een worden. GEN 2:25 Zij waren beiden naakt, de mens en zijn vrouw, maar zij voelden geen schaamte voor elkaar. GEN 3:1 Van alle dieren, die Jahwe God gemaakt had, was er geen zo sluw als de slang. Ze zei tot de vrouw: `Heeft God werkelijk gezegd dat u van geen enkele boom in de tuin mag eten?' GEN 3:2 De vrouw zei tot de slang: `Wij mogen wel eten van de vruchten van de bomen in de tuin. GEN 3:3 God heeft alleen gezegd: Van de vruchten van de boom die midden in de tuin staat moogt ge niet eten; gij moogt ze zelfs niet aanraken; anders zult gij sterven.' GEN 3:4 Maar de slang zei tot de vrouw: 'U zult helemaal niet sterven! GEN 3:5 God weet dat uw ogen open zullen gaan als u eet van die boom, en dat u dan gelijk zult worden aan God, door de kennis van goed en kwaad.' GEN 3:6 Toen zag de vrouw dat het goed eten was van die boom, en dat hij een lust was voor het oog, en hoe aantrekkelijk het was er inzicht door te krijgen. Zij plukte dus een vrucht en zij at ervan; zij gaf er ook van aan haar man, die bij haar stond, en ook hij at ervan. GEN 3:7 Nu gingen hun beiden de ogen open en zij ontdekten dat zij naakt waren. Daarom hechtten ze vijgebladen aaneen en maakten daar lendenschorten van. GEN 3:8 Toen zij, bij het opkomen van de middagwind, de donder van Jahwe God in de tuin hoorden klinken, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor Jahwe God tussen de bomen van de tuin. GEN 3:9 Maar Jahwe God riep de mens en vroeg hem: `Waar zijt gij?' GEN 3:10 Hij antwoordde: `Ik hoorde uw donder in de tuin, en toen werd ik bang, omdat ik naakt ben; daarom heb ik mij verborgen.' GEN 3:11 Maar Hij zei: `Wie heeft u verteld dat gij naakt zijt? Hebt ge soms gegeten van de boom die ik u verboden heb?' GEN 3:12 De mens antwoordde: `De vrouw die Gij mij als gezellin gegeven hebt, zij heeft mij van die boom gegeven, en toen heb ik gegeten.' GEN 3:13 Daarop vroeg Jahwe God aan de vrouw: `Hoe hebt gij dat kunnen doen?' De vrouw zei: `De slang heeft mij verleid, en toen heb ik gegeten.' GEN 3:14 Jahwe God zei toen tot de slang: `Omdat ge dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt, onder alle tamme dieren en onder alle wilde beesten! Op uw buik zult ge kruipen en stof zult ge vreten, alle dagen van uw leven! GEN 3:15 Vijandschap sticht ik tussen u en de vrouw, tussen uw kroost en het hare. Het zal uw kop bedreigen, en gij zijn hiel!' GEN 3:16 En tot de vrouw heeft Hij gezegd: `Zeer zwaar zal ik maken de lasten van uw zwangerschap: met pijn zult gij kinderen baren. Naar uw man zal uw begeerte uitgaan, hoewel hij over u heerst.' GEN 3:17 En tot de man heeft Hij gezegd: `Omdat gij hebt geluisterd naar uw vrouw en hebt gegeten van de boom die Ik u had verboden, zal de grond vervloekt zijn omwille van u! Zwoegend zult gij van hem eten, alle dagen van uw leven. GEN 3:18 Distels en doornen zal hij voortbrengen, met veldgewas moet gij u voeden. GEN 3:19 In het zweet zult ge werken voor uw brood, tot gij terugkeert naar de grond, waaruit gij zijt genomen: gij zijt stof, en tot stof keert gij terug.' GEN 3:20 De mens noemde zijn vrouw Eva, want zij is de moeder geworden van alle levenden. GEN 3:21 En Jahwe God maakte kleren van huiden voor de mens en zijn vrouw en Hij deed hun die aan. GEN 3:22 En Jahwe God zei: `Nu de mens in de kennis van goed en kwaad als een van Ons is geworden, wil Ik voorkomen dat hij nog plukt van de boom van het leven; door daarvan te eten, zou hij eeuwig blijven leven!' GEN 3:23 Daarom verwees Jahwe God hem uit de tuin van Eden, en moest hij de grond gaan bebouwen waaruit hij was genomen. GEN 3:24 Hij verjoeg dus de mens uit de tuin, en aan de oostkant van de tuin van Eden plaatste Hij de kerubs en de vlam van het wentelend zwaard, om de weg naar de boom van het leven te bewaken. GEN 4:1 De mens had gemeenschap met zijn vrouw Eva; zij werd zwanger en bracht Kain ter wereld, en zij sprak: `Door Jahwe's gunst heb ik een mannelijk kind voortgebracht.' GEN 4:2 Vervolgens baarde zij Abel, zijn broer. Abel werd schaapherder en Kain landbouwer. GEN 4:3 Na verloop van tijd bracht Kain een offer aan Jahwe van de vrucht en van de grond. GEN 4:4 Ook Abel bracht een offer, de eerstgeborenen van zijn beste schapen. Jahwe zag genadig neer op Abel en zijn offer, GEN 4:5 maar op Kain en zijn offer sloeg Hij geen acht. Een wilde woede greep Kain aan, en zijn gezicht werd grimmig. GEN 4:6 Nu zei Jahwe tot Kain: `Waarom zijt gij woedend en waarom staat uw gezicht zo grimmig? GEN 4:7 Als gij het goede doet, is er opgewektheid; maar doet gij het goede niet, dan loert de zonde als belager aan uw deur, begerig u te grijpen. Zult gij hem meester kunnen blijven?' GEN 4:8 Daarop zei Kain tot zijn broer Abel: `Laten we gaan wandelen.' En toen zij buiten waren, viel Kain zijn broer aan en vermoordde hem. GEN 4:9 Nu zei Jahwe tot Kain: `Waar is uw broer Abel?' Hij antwoordde: `Ik weet het niet. Moet ik dan op mijn broer passen?' GEN 4:10 Toen zei Hij: `Wat hebt gij gedaan? Hoor, het bloed van uw broer roept uit de grond tot mij! GEN 4:11 Daarom zult gij vervloekt zijn, verbannen van de grond die zijn mond heeft geopend om uit uw hand het bloed van uw broer te ontvangen! GEN 4:12 De grond die gij bewerkt zal niets meer opbrengen; een zwerver en een vagebond zult ge zijn op de aarde!' GEN 4:13 Toen zei Kain tot Jahwe: `Die straf is te zwaar om te dragen. GEN 4:14 Gij verdrijft mij van de bebouwde grond, en ik zal ver van U moeten blijven. Ik zal een zwerver en een vagebond zijn op de aarde, en ieder die mij ontmoet kan mij doden.' GEN 4:15 Maar Jahwe antwoordde hem: `Neen! Wie het ook is die Kain doodt, hij zal het zevenvoudig boeten!' En Jahwe gaf Kain een merkteken, om te voorkomen dat ieder die hem ontmoette hem doden zou. GEN 4:16 Daarna trok Kain weg uit Jahwe's nabijheid en vestigde zich in het land Nod, ten oosten van Eden. GEN 4:17 Kain had gemeenschap met zijn vrouw; zij werd zwanger en baarde Henoch. Hij stichtte een stad, en noemde die stad naar zijn zoon Henoch. GEN 4:18 Aan Henoch werd Irad geboren. Irad verwekte Mechujaël; Mechujaël verwekte Metusaël, en Metusaël verwekte Lamech. GEN 4:19 Lamech huwde twee vrouwen; de ene heette Ada, de andere Silla. GEN 4:20 Ada baarde Jabal; hij werd de stamvader van allen die in veehoederstenten wonen. GEN 4:21 Zijn broer heette Jubal; hij werd de stamvader van allen, die op de citer en de fluit spelen. GEN 4:22 Ook Silla kreeg kinderen; zij baarde Tubal-kain, de stamvader van de smeden, van allen die het brons en het ijzer bewerken. De zuster van Tubal-kain, de stamvader van de smeden, van allen die het brons en het ijzer bewerken. De zuster van Tubal-kain heette Naama. GEN 4:23 Eens zei Lamech tot zijn vrouwen: `Ada en Silla, hoort wat ik zeg: vrouwen van Lamech, luistert naar mijn woord! Word ik gewond, dan dood ik een man; krijg ik een schram, dan neem ik een kind. GEN 4:24 Wordt Kain zevenvoudig gewroken. Lamech zevenenzeventigvoudig!' GEN 4:25 Adam had opnieuw gemeenschap met zijn vrouw; zij baarde een zoon en noemde hem Set. `Want,' zei ze, `God heeft mij een andere zoon geschonken in de plaats van Abel, die door Kain is vermoord.' GEN 4:26 Ook Set kreeg een zoon en hij noemde hem Enos. Dat was de tijd dat men de naam van Jahwe begon aan te roepen. GEN 5:1 Dit is de lijst van de nakomelingen van Adam. Op de dag dat God Adam schiep, maakte Hij hem op God gelijkend. GEN 5:2 Man en vrouw schiep hij hen; hij zegende hen en noemde hen mens, op de dag dat zij geschapen werden. GEN 5:3 Toen Adam honderddertig jaar was, verwekte hij een zoon, die op hem geleek en zijn beeld was, en hij noemde hem Set. GEN 5:4 Adam leefde na de geboorte van Set na achthonderd jaar, en hij kreeg zonen en dochters. GEN 5:5 Heel de levensduur van Adam bedroeg negenhonderddertig jaar. Toen stierf hij. GEN 5:6 Toen Set honderdvijf jaar was, verwekte hij Enos. GEN 5:7 Set leefde na de geboorte van Enos nog achthonderdzeven jaar, en hij kreeg zonen en dochters. GEN 5:8 Heel de levensduur van Set bedroeg negenhonderdtwaalf jaar. Toen stierf hij. GEN 5:9 Toen Enos negentig jaar was, verwekte hij Kenan. GEN 5:10 Enos leefde na de geboorte van Kenan nog achthonderdvijftien jaar, en hij kreeg zonen en dochters. GEN 5:11 Heel de levensduur van Enos bedroeg negenhonderdvijf jaar. Toen stierf hij. GEN 5:12 Toen Kenan zeventig jaar was, verwekte hij Mahalalel. GEN 5:13 Kenan leefde na de geboorte van Mahalalel nog achthonderdveertig jaar, en hij kreeg zonen en dochters. GEN 5:14 Heel de levensduur van Kenan bedroeg negenhonderdtien jaar. Toen stierf hij. GEN 5:15 Toen Mahalalel vijfenzestig jaar was, verwekte hij Jered. GEN 5:16 Mahalalel leefde na de geboorte van Jered nog achthonderddertig jaar, en hij kreeg zonen en dochters. GEN 5:17 Heel de levensduur van Mahalalel bedroeg achthonderdvijfennegentig jaar. Toen stierf hij. GEN 5:18 Toen Jered honderdtweeënzestig jaar was, verwekte hij Henoch. GEN 5:19 Jered leefde na de geboorte van Henoch nog achthonderd jaar, en hij kreeg zonen en dochters. GEN 5:20 Heel de levensduur van Jered bedroeg negenhonderdtweeënzestig jaar. Toen stierf hij. GEN 5:21 Toen Henoch vijfenzestig jaar was, verwekte hij Metuselach. GEN 5:22 Henoch leefde na de geboorte van Metuselach nog driehonderd jaar; hij richtte zijn schreden naar God, en hij kreeg zonen en dochters. GEN 5:23 Heel de levensduur van Henoch bedroeg driehonderdvijfenzestig jaar. GEN 5:24 Henoch richtte zijn schreden naar God; zo kwam het dat hij verdween, omdat God hem wegnam. GEN 5:25 Toen Metuselach honderdzevenentachtig jaar was, verwekte hij Lamech. GEN 5:26 Metuselach leefde na de geboorte van Lamech nog zevenhonderdtweeëntachtig jaar, en hij kreeg zonen en dochters. GEN 5:27 Heel de levensduur van Metuselach bedroeg negenhonderdnegenenzestig jaar. Toen stierf hij. GEN 5:28 Toen Lamech honderdtweeëntachtig jaar was, verwekte hij een zoon. GEN 5:29 Hij noemde hem Noach, want hij zei: Uit de grond die door Jahwe vervloekt is zal hij ons vertroosting brengen bij ons werken en zwoegen. GEN 5:30 Lamech leefde na de geboorte van Noach nog vijfhonderdvijfennegentig jaar, en hij kreeg zonen en dochters. GEN 5:31 Heel de levensduur van Lamech bedroeg zevenhonderdzevenenzeventig jaar. Toen stierf hij. GEN 5:32 Toen Noach vijfhonderd jaar was, verwekte hij Sem, Cham en Jafet. GEN 6:1 Toen de mensen talrijk begonnen te worden op de aardbodem en dochters kregen, GEN 6:2 zagen de zonen van God hoe mooi de dochters van de mensen waren, en zij kozen zich uit die dochters ieder een vrouw. GEN 6:3 Maar Jahwe zei: `Mijn levensgeest zal niet altijd bij de mens blijven, want hij is maar een nietig wezen; de duur van zijn leven zal honderdtwintig jaar bedragen.' GEN 6:4 In die dagen - en ook nog daarna - leefden er reuzen op de aarde, doordat de zonen van God gemeenschap hadden gehad met de dochters van de mensen die hun zonen hadden gebaard. Zij waren de befaamde geweldenaars van de oude tijd. GEN 6:5 Toen Jahwe zag hoezeer op de aarde de boosheid van de mensen was toegenomen en hoezeer de begeerte van hun hart de hele dag naar het kwade uitging, GEN 6:6 kreeg Hij spijt dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en Hij was er zeer verdrietig om. GEN 6:7 En Jahwe zei: `Ik ga de mens, die Ik geschapen heb, van de aardbodem wegvagen, zowel de mens als het vee en de kruipende dieren en de vogels in de lucht, want het spijt Mij dat Ik ze gemaakt heb.' GEN 6:8 Alleen Noach vond genade in de ogen van Jahwe. GEN 6:9 Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was een rechtschapen man; hij bleef te midden van zijn tijdgenoten een onberispelijk leven leiden en hij richtte zijn schreden naar God. GEN 6:10 Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafet. GEN 6:11 De aarde was voor de ogen van God verdorven en vol gewelddaden. GEN 6:12 En God zag hoe bedorven de aarde was, want alle mensen op de aarde gingen verkeerde wegen. GEN 6:13 God zei tot Noach: `De dagen van de mensen zijn geteld, want zij zijn er de schuld van dat de aarde vol gewelddaden is. Ik ga hen met de aarde vernietigen. GEN 6:14 Gij moet een ark van pijnhout bouwen; met riet moet gij de ark maken, en ze van binnen en van buiten met pek bestrijken. GEN 6:15 Als volgt moet gij ze maken: de ark moet driehonderd el lang zijn, vijftig el breed en dertig el hoog. GEN 6:16 Het dak dat gij op de ark aanbrengt moet een el naar buiten uitsteken. In een van de zijden moet gij een deur aanbrengen; ook moet gij een onderste, een tweede en een derde ruim maken. GEN 6:17 Want Ik sta op het punt een watervloed over de aarde te brengen, die alle levende wezens onder de hemel zal verdelgen; alles wat zich op de aarde bevindt, zal omkomen. GEN 6:18 Met u echter zal ik een verbond aangaan; gij moet u inschepen in de ark, met uw zonen, met uw vrouw en met de vrouwen van uw zonen. GEN 6:19 Van alle levende wezens moet gij verder een paar in de ark brengen, om ze met u samen in leven te doen blijven; een mannelijk en een vrouwelijk dier moet het zijn. GEN 6:20 Van de verschillende soorten vee, van de verschillende soorten dieren die over de grond kruipen, moet een paar met u meegaan en aldus in leven blijven. GEN 6:21 Breng verder allerlei etenswaar bijeen en leg daar een voorraad van aan, zodat gijzelf en de dieren te eten hebt.' GEN 6:22 Noach deed dit; alles wat God hem geboden had, voerde hij uit. GEN 7:1 Jahwe zei tot Noach: `Ga in de ark met heel uw gezin, want van dit geslacht zijt gij de enige die in mijn ogen rechtschapen is. GEN 7:2 Neem van alle reine dieren zeven paar, telkens een mannetje en een wijfje; maar van de onreine dieren een paar, telkens een mannetje en een wijfje; GEN 7:3 ook van de vogels in de lucht zeven paar, telkens een mannetje en een wijfje. Zo zult gij hun soort in stand houden op de gehele aarde. GEN 7:4 Want over zeven dagen laat Ik het regenen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten, en Ik ga alles wat bestaat, alles wat Ik gemaakt heb, van de aardbodem wegvagen.' GEN 7:5 En Noach deed alles wat Jahwe hem geboden had. GEN 7:6 Noach was zeshonderd jaar, toen de vloed over de aarde kwam. GEN 7:7 Om zich te beschermen tegen het water van de vloed gingen Noach, zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen de ark binnen. GEN 7:8 Van de reine en van de onreine dieren, van de vogels en van al wat over de grond kruipt, GEN 7:9 kwamen er telkens twee, een mannelijk en een vrouwelijk dier, bij Noach in de ark, juist zoals God geboden had. GEN 7:10 En op de zevende dag stortte het water van de vloed over de aarde neer. GEN 7:11 Het was in het zeshonderdste levensjaar van Noach, de zeventiende dag van de tweede maand; op die dag braken alle bronnen van de diepte los, de sluizen van de hemel gingen open, GEN 7:12 en regen viel op de aarde, veertig dagen en veertig nachten achtereen. GEN 7:13 Op die eigen dag ging Noach de ark binnen met Sem, Cham en Jafet, de zonen van Noach, en met zijn vrouw en de drie vrouwen van zijn zonen; GEN 7:14 en samen met hen kwamen ook al de verschillende soorten wilde beesten, al de verschillende soorten tamme dieren, al de verschillende soorten kruipende dieren, al de verschillende soorten vogels, al het gevogelte, alles wat vleugels heeft. GEN 7:15 Van alle levende wezens kwamen er telkens twee bij Noach in de ark. GEN 7:16 Er kwamen mannelijke en vrouwelijke dieren, van alle levende wezens, zoals God had geboden. En Jahwe deed de deur achter hem dicht. GEN 7:17 Veertig dagen lang hield de vloed over de aarde aan. Het water steeg en tilde de ark op, tot hoog boven de aarde. GEN 7:18 Het water nam toe en kwam hoog boven de aarde te staan, en de ark dreef op het water. GEN 7:19 Het water bleef zo toenemen op de aarde dat het al de hoge bergen onder de hemel bedekte. GEN 7:20 Vijftien el daarboven steeg het water, zodat het de bergen bedekte. GEN 7:21 Alle levende wezens die zich op de aarde bewogen, vogels, tamme en wilde dieren, en alle dieren die over de grond kruipen, en ook alle mensen kwamen om. GEN 7:22 Alles wat levensadem in zijn neus had, alles wat op het droge leefde, vond de dood. GEN 7:23 Al wat op de aardbodem bestond werd verdelgd: de mensen, de viervoetige dieren, de kruipende dieren en de vogels in de lucht werden van de aarde verdelgd. Alleen Noach, en die bij hem in de ark waren, bleven in leven. GEN 7:24 Het water bleef stijgen op de aarde, honderdvijftig dagen achtereen. GEN 8:1 Toen dacht God aan Noach, en aan al de wilde en tamme dieren, die bij hem in de ark waren. En God deed over de aarde een wind gaan, waardoor het water begon te zakken. GEN 8:2 De bronnen van de diepte en de sluizen van de hemel werden gesloten, en de regen uit de hemel hield op. GEN 8:3 Het water zakte gestadig van de aarde weg. Na verloop van honderdvijftig dagen begon het te verminderen. GEN 8:4 Op de zeventiende dag van de zevende maand kwam de ark op de bergen van Ararat te liggen. GEN 8:5 Het water nam geleidelijk af tot de tiende maand; op de eerste dag van de tiende maand werden de toppen van de bergen zichtbaar. GEN 8:6 Na verloop van veertig dagen opende Noach het venster dat hij in de ark had aangebracht. GEN 8:7 Hij liet een raaf los, die heen en weer bleef vliegen tot het water op de aarde was opgedroogd. GEN 8:8 Toen liet hij een duif los, om te zien of het water al van de aardbodem was weggezakt. GEN 8:9 Maar de duif vond geen plek waar haar pootjes konden rusten, en keerde bij hem terug in de ark; want het water bedekte nog heel de aardbodem. Noach stak zijn hand uit, pakte de duif en haalde ze weer bij zich in de ark. GEN 8:10 Nu wachtte hij nog eens zeven dagen, en liet toen opnieuw een duif uit de ark los. GEN 8:11 Toen de duif tegen de avond bij hem terugkwam, droeg zij een groen olijfblad in de bek. Toen begreep Noach dat het water van de aarde weggezakt moest zijn. GEN 8:12 Hij wachtte nog eens zeven dag en, en liet toen opnieuw een duif los; maar deze duif keerde niet meer bij hem terug. GEN 8:13 In het zeshonderdeneerste jaar, op de eerste dag van de eerste maand, begon het water boven de aarde op te drogen. Nu schoof Noach het dak van de ark opzij en keek naar buiten; en zie, de aardbodem was droog. GEN 8:14 Op de zevenentwintigste dag van de tweede maand was de aarde droog. GEN 8:15 Toen sprak God tot Noach en zei: GEN 8:16 `Ga uit de ark, met uw vrouw, uw zonen en de vrouwen van uw zonen. GEN 8:17 Laat alle dieren die bij u zijn mee naar buiten komen, alle levende wezens, vogels, viervoetige dieren en kruipende dieren; dan kunnen zij weer de aarde bevolken, weer vruchtbaar zijn en talrijk worden op de aarde.' GEN 8:18 Toen ging Noach met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen naar buiten. GEN 8:19 Ook alle viervoetige dieren, alle kruipende dieren, alle vogels en al wat op de grond kruipt, soort bij soort, verlieten de ark. GEN 8:20 Toen bouwde Noach een altaar ter ere van Jahwe; hij deed een keuze uit de reine dieren en uit de reine vogels, en droeg op het altaar brandoffers op. GEN 8:21 Jahwe rook de aangename geur en zei bij zichzelf: `Nooit meer zal Ik de aardbodem vervloeken vanwege de mensen: het hart van de mens is immers geneigd tot het kwade van jongs af aan. Ook de andere levende wezens zal Ik nooit meer treffen, zoals Ik nu gedaan heb. GEN 8:22 Zolang de aarde bestaat, blijft er zaaitijd en oogsttijd, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht. Nooit houdt dat op.' GEN 9:1 Toen zegende God Noach met zijn zonen en zei tot hem: `Wees vruchtbaar, word talrijk en bevolk de aarde. GEN 9:2 Er zal vrees en schrik voor u zijn bij alle dieren op de aarde, bij alle vogels in de lucht, bij alles wat op de grond kruipt en bij alle vissen in de zee; onder uw heerschappij zijn ze gesteld. GEN 9:3 Alles wat leeft en beweegt zal u tot voedsel dienen; dat alles schenk Ik u naast het groene gewas. GEN 9:4 Alleen vlees met de ziel - vlees met het bloed er nog in - moogt gij niet eten. GEN 9:5 Ook uw eigen bloed zal Ik terugeisen: van alle dieren zal Ik het terugeisen en ook van de mensen, van de mensen onderling, zal Ik het leven van de mens terugeisen. GEN 9:6 Wie het bloed van een mens vergiet, diens bloed wordt door mensen vergoten, want als zijn beeld heeft God de mens gemaakt. GEN 9:7 Wees dan vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en word er talrijk. GEN 9:8 God zei tot Noach en zijn zonen: GEN 9:9 `Nu ga Ik mijn verbond aan met u en met uw nageslacht, GEN 9:10 en met alle levende wezens die bij u zijn, met de vogels en de viervoetige dieren, met alle dieren van de aarde die bij u zijn, al wat uit de ark is gekomen, al het gedierte van de aarde. GEN 9:11 Ik ga met u een verbond aan, dat nooit meer enig levend wezen door het water van de vloed zal worden uitgeroeid, en dat er zich nooit meer een vloed zal voordoen om de aarde te verwoesten.' GEN 9:12 En God zei: `Dit is het teken van het verbond, dat Ik instel tussen Mij en u, en alle levende wezens die bij u zijn, voor alle geslachten. GEN 9:13 Ik zet mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde. GEN 9:14 Wanneer Ik op de aarde de wolken samenpak en de boog in de wolken zichtbaar wordt, GEN 9:15 dan zal Ik denken aan het verbond tussen Mij en u en alle levende wezens, alles wat leven heeft. De wateren zullen nooit meer zwellen tot een vloed om al wat leeft te verdelgen. GEN 9:16 Als de boog in de wolken staat, zal Ik hem zien en daarbij denken aan het altijddurend verbond tussen God en alle levende wezens, alles wat op de aarde leeft.' GEN 9:17 En God zei tot Noach: `Dat is het teken van het verbond dat Ik heb ingesteld tussen Mij en alles wat leeft op de aarde.' GEN 9:18 De zonen van Noach die met hem uit de ark gekomen waren, heetten Sem, Cham en Jafet; Cham is de vader van Kanaän. GEN 9:19 Deze drie waren de zonen van Noach, en door hen werd de gehele aarde bevolkt. GEN 9:20 Noach was landbouwer en hij was de eerste die een wijngaard plantte. GEN 9:21 Toen hij van de wijn gedronken had, werd hij dronken en kwam naakt in zijn tent te liggen. GEN 9:22 Cham, de vader van Kanaän, zag de schaamte van zijn vader en vertelde het buiten aan zijn twee broers. GEN 9:23 Maar Sem en Jafet haalden een mantel, legden die op hun schouders, liepen achteruit en bedekten met afgewend gelaat de schaamte van hun vader, zodat zij de schaamte van hun vader niet zagen. GEN 9:24 Toen Noach uit zijn roes ontwaakte en te weten kwam, wat zijn jongste zoon hem had aangedaan, GEN 9:25 zei hij: `Vervloekt zij Kanaän: de minste knecht zal hij zijn van zijn broers.' GEN 9:26 En hij vervolgde: Gezegend zij Jahwe, de God van Sem, Kanaän zal zijn dienstknecht zijn! GEN 9:27 Moge God ruimte geven aan Jafet; hij moge wonen in de tenten van Sem; Kanaän zal zijn knecht zijn!' GEN 9:28 Noach leefde na de vloed nog driehonderdvijftig jaar. GEN 9:29 Heel de levensduur van Noach bedroeg negenhonderdvijftig jaar. Toen stierf hij. GEN 10:1 Nu volgt de geslachtslijst van de zonen van Noach, van Sem, Cham en Jafet; dit zijn de zonen die hun na de vloed zijn geboren. GEN 10:2 Zonen van Jafet: Gomer, Magog, Madai, Jawan, Tubal, Mesek en Tiras. GEN 10:3 Zonen van Gomer: Askenaz, Rifat en Togarma. GEN 10:4 Zonen van Jawan: Elisa, Tarsis, de Kittiers en de Rodanieten; GEN 10:5 van hen stammen al diegenen af die zich over de eilanden verspreid hebben. Dat zijn dus de zonen van Jafet volgens hun land, taal, stam en volk. GEN 10:6 Zonen van Cham: Kus, Egypte, Put en Kanaän. GEN 10:7 Zonen van Kus: Seba, Chawila, Sabta, Rama en Sabteka. Zonen van Rama: Seba en Dedan. GEN 10:8 Kus verwekte Nimrod. Deze was de eerste machtige heerser op aarde; GEN 10:9 hij was een geweldig jager voor Jahwe. Vandaar dat men zegt: `Een geweldig jager voor Jahwe, net als Nimrod.' GEN 10:10 Oorspronkelijk lag zijn rijk in Babel, Erek, Akkad en Kalne, in Sinear; GEN 10:11 vanuit dat land trok hij naar Assur. Hij bouwde Nineve, Rechobotir. Kalach, GEN 10:12 en Resen, tussen Nineve - de grote stad - en Kalach. GEN 10:13 Egypte verwekte de Ludieten, Anamieten, Lehabieten, Naftuchieten, GEN 10:14 Patrusieten, Kasluchieten en Kaftorieten, waar de Filistijnen van afstammen. GEN 10:15 Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Chet, GEN 10:16 de Jebusieten, Amorieten, Girgasieten, GEN 10:17 Chiwwieten, Arkieten, Sinieten, GEN 10:18 Arwadieten, Semarieten en Hamatieten. Later hebben de Kanaänitische stammen zich verspreid. GEN 10:19 De grens van de Kanaänieten loopt van Sidon af over Gerar naar Gaza, en dan in de richting van Sodom, Gomorra, Adma en Seboim, tot Lesa. GEN 10:20 Dat zijn dus de zonen van Cham, volgens hun stammen, talen, landen en volken. GEN 10:21 Ook Sem kreeg kinderen. Hij was de stamvader van alle zonen van Eber en de oudste broer van Jafet. GEN 10:22 Zonen van Sem: Elam, Assur, Arpaksad, Lud en Aram. GEN 10:23 Zonen van Aram: Us, Chul, Geter en Mas. GEN 10:24 Arpaksad verwekte Selach, en Selach verwekte Eber. GEN 10:25 Eber kreeg twee zonen; de eerste heette Peleg, omdat in zijn tijd de aarde verdeeld werd; de tweede heette Joktan. GEN 10:26 Joktan verwekte Almodad, Selef, Chasarmawet, Jerach, GEN 10:27 Hadoram, Uzal, Dikla, GEN 10:28 Obal, Abimaël, Seba, GEN 10:29 Ofir, Chawila en Jobab, allen zonen van Joktan. GEN 10:30 Hun woonplaats in het gebied vanaf Mesa in de richting van Sefar, het gebergte in het oosten. GEN 10:31 Dat zijn dus de zonen van Sem, volgens hun families, talen, landen en volken. GEN 10:32 Dat zijn de families van de zonen van Noach, volgens hun geslachten; van hen stammen de volken af, die zich na de vloed over de aarde verspreid hebben. GEN 11:1 Alle mensen op aarde spraken eenzelfde taal en gebruikten dezelfde woorden. GEN 11:2 Nadat ze uit het oosten weggetrokken waren, vonden ze een vlakte in Sinear en vestigden zich daar. GEN 11:3 Zij zeiden tot elkaar: `Kom, laten wij tegels maken en ze harden in het vuur.' De tegels gebruikten zij als bouwstenen, met asfalt als mortel. GEN 11:4 Nu zeiden ze: `Laten wij een stad bouwen met een toren, waarvan de spits tot in de hemel reikt; dan krijgen wij naam en worden wij niet over de aardbodem verspreid.' GEN 11:5 Toen Jahwe neerdaalde om de stad en de toren die de mensen bouwden in ogenschouw te nemen, GEN 11:6 zei Hij: `Nu zijn ze een volk en spreken zij allen dezelfde taal. Wat zij nu doen is nog maar een begin; later zal geen enkel van hun plannen meer te stuiten zijn. GEN 11:7 Laten Wij neerdalen en verwarring brengen in hun taal, zodat de een niet meer verstaat wat de ander zegt.' GEN 11:8 En Jahwe dreef hen vandaar naar alle kanten de hele aardbodem over, en er kwam een einde aan de bouw van de stad. GEN 11:9 Daarom noemt men die stad Babel, want Jahwe heeft daar verwarring gebracht in de taal van alle mensen en hen vandaar over de hele aardbodem verspreid. GEN 11:10 Dit zijn de nakomelingen van Sem. Toen Sem honderd jaar was, verwekte hij Arpaksad, twee jaar na de vloed. GEN 11:11 Sem leefde na de geboorte van Arpaksad nog vijfhonderdvijfendertig jaar en hij kreeg zonen en dochters. GEN 11:12 Arpaksad was vijfendertig jaar toen hij Selach verwekte. GEN 11:13 Arpaksad leefde na de geboorte van Selach nog vierhonderddrie jaar en hij kreeg zonen en dochters. GEN 11:14 Toen Selach dertig jaar was, verwekte hij Eber. GEN 11:15 Selach leefde na de geboorte van Eber nog vierhonderddrie jaar en hij kreeg zonen en dochters. GEN 11:16 Toen Eber vierendertig jaar was, verwekte hij Peleg. GEN 11:17 Eber leefde na de geboorte van Peleg nog vierhonderddertig jaar en hij kreeg zonen en dochters. GEN 11:18 Toen Peleg dertig jaar was, verwekte hij Reu. GEN 11:19 Peleg leefde na de geboorte van Reu nog tweehonderdnegen jaar en hij kreeg zonen en dochters. GEN 11:20 Toen Reu tweeëndertig jaar was, verwekte hij Serug. GEN 11:21 Reu leefde na de geboorte van Serug nog tweehonderdzeven jaar en hij kreeg zonen en dochters. GEN 11:22 Toen Serug dertig jaar was, verwekte hij Nachor. GEN 11:23 Serug leefde na de geboorte van Nachor nog tweehonderd jaar en hij kreeg zonen en dochters. GEN 11:24 Toen Nachor negenentwintig jaar was, verwekte hij Terach. GEN 11:25 Nachor leefde na de geboorte van Terach nog honderdnegentien jaar en kreeg zonen en dochters. GEN 11:26 Toen Terach zeventig jaar was, verwekte hij Abram, Nachor en Haran. GEN 11:27 Dit zijn de nakomelingen van Terach. Terach verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot. GEN 11:28 Haran stierf nog bij het leven van zijn vader Terach in zijn geboorteland, te Ur in Chaldea. GEN 11:29 Abram en Nachor huwden beiden een vrouw. De vrouw van Abram heette Sarai en de vrouw van Nachor heette Milka; zij was de dochter van Haran, de vader van Milka en Jiska. GEN 11:30 Sarai was onvruchtbaar en had geen kinderen. GEN 11:31 Terach nam zijn zoon Abram en zijn kleinzoon Lot, de zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, de vrouw van zijn zoon Abram, met zich mee, weg uit Ur in Chaldea, en ging op weg naar Kanaän. Toen zij echter in Haran aangekomen waren, bleven zij daar. GEN 11:32 Heel de levensduur van Terach bedroeg tweehonderdvijf jaar. Toen stierf Terach in Haran. GEN 12:1 Jahwe zei tot Abram: `Trek weg uit uw land, uw stam en uw familie, naar het land dat Ik u aan zal wijzen. GEN 12:2 Ik zal een groot volk van u maken. Ik zal u zegenen en uw naam groot maken, zodat gij een zegen zult zijn. GEN 12:3 Ik zal zegenen die u zegenen, maar die u versmaadt zal Ik vervloeken. Door u zal zegen komen over alle geslachten op aarde.' GEN 12:4 Toen trok Abram weg, zoals Jahwe hem had opgedragen, en Lot ging met hem mee. Abram was vijfenzeventig jaar toen hij Haran verliet. GEN 12:5 Met zijn vrouw Sarai en met Lot, de zoon van zijn broer, met al hun bezittingen en met degenen die zij in Haran in dienst hadden genomen, ging Abram op weg naar Kanaän. In Kanaän aangekomen, GEN 12:6 trok Abram het land in, tot bij de heilige plaats van Sichem, de eik van More. Toentertijd waren de Kanaänieten nog in het land. GEN 12:7 Daar verscheen Jahwe aan Abram en zei: `Aan uw nageslacht zal Ik dit land in bezit geven.' Toen richtte hij daar een altaar op ter ere van Jahwe, die hem verschenen was. GEN 12:8 Vandaar trok hij verder naar het gebergte ten oosten van Betel, sloeg zijn tent op tussen Betel in het westen en Ai in het oosten, richtte een altaar op ter ere van Jahwe en riep de naam van Jahwe aan. GEN 12:9 Daarna trok Abram verder naar de Negeb toe. GEN 12:10 er eens hongersnood in het land kwam, begaf Abram zich naar Egypte om daar een tijdlang te blijven, want de hongersnood drukte zwaar op het land. GEN 12:11 Voor hij Egypte binnentrok, zei hij tot zijn vrouw Sarai: `Luister eens; ik weet dat je mooi bent. GEN 12:12 Als de Egyptenaren je zien en denken dat je mijn vrouw bent, zullen ze mij vermoorden en jou in leven laten. GEN 12:13 Zeg liever dat je mijn zuster bent; dan zal ik er goed afkomen en om jou in leven blijven.' GEN 12:14 Zodra Abram in Egypte kwam, zagen de Egyptenaren hoe uitzonderlijk mooi zijn vrouw was. GEN 12:15 De hovelingen van Farao die haar gezien hadden gaven tegenover Farao hoog van haar op. Toen liet Farao haar in zijn huis brengen. GEN 12:16 Omwille van haar behandelde hij ook Abram goed en schonk hem schapen, runderen en ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen. GEN 12:17 Maar Jahwe bracht Farao en zijn hovelingen zware slagen toe om wat er gebeurd was met Sarai, de vrouw van Abram. GEN 12:18 Toen ontbood Farao Abram en zei: `Wat hebt u mij aangedaan! GEN 12:19 Waarom hebt u mij niet verteld dat zij uw vrouw is? Waarom hebt u gezegd dat ze uw zuster is, zodat ik haar als vrouw heb genomen? Hier is uw vrouw, neem haar mee en ga heen!' GEN 12:20 In opdracht van Farao brachten enigen van zijn mannen Abram en zijn vrouw met al zijn bezittingen de grens over. GEN 13:1 Zo trok Abram met zijn vrouw en al zijn bezittingen uit Egypte weg, de Negeb in; Lot ging met hen mee. GEN 13:2 Abram was een rijk man die zeer veel vee, zilver en goud bezat. GEN 13:3 Van de Negeb trok hij verder naar Betel, naar de plek tussen Betel en Ai, waar zijn tent ook tevoren gestaan had, GEN 13:4 naar de heilige plaats, waar hij vroeger een altaar had opgericht; daar riep Abram de naam van Jahwe aan. GEN 13:5 Ook Lot, die met Abram was meegekomen, bezat schapen, runderen en tenten. GEN 13:6 Het land liet evenwel niet toe dat ze bij elkaar bleven, want hun bezit was zo omvangrijk, dat ze niet bij elkaar konden blijven. GEN 13:7 Dit veroorzaakte botsingen tussen de herders van Abram en die van Lot. Bovendien woonden toentertijd ook de Kanaänieten en de Perizzieten nog in het land. GEN 13:8 Daarom zei Abram tegen Lot: `Laten wij geen ruzie met elkaar maken en onze herders evenmin; wij zijn toch broers van elkaar. GEN 13:9 Het hele land ligt voor je. Het is werkelijk beter dat je weggaat; ga jij links, dan ga ik rechts; ga jij rechts, dan ga ik links.' GEN 13:10 Toen liet Lot zijn blik rondgaan; hij zag, hoe rijk aan water het land langs de Jordaan was. Want voordat Jahwe Sodom en Gomorra verwoest had, was deze streek, tot Soar toe, als de tuin van Jahwe, even waterrijk als Egypte. GEN 13:11 Daarom koos Lot al het land langs de Jordaan en ging oostwaarts. Zo scheidden de beide broers. GEN 13:12 Abram bleef in Kanaän wonen, maar Lot zocht zich een woonplaats bij de steden in de Jordaanstreek en sloeg zijn tent op in de nabijheid van Sodom. GEN 13:13 De Sodomieten bedreven veel kwaad en zondigden tegen Jahwe. GEN 13:14 Nadat Lot was weggegaan zei Jahwe tot Abram: `Laat uw blik rondgaan en kijk vanaf de plaats waar gij staat naar het noorden en het zuiden, het oosten en het westen. GEN 13:15 Al het land dat gij ziet, schenk Ik aan u en aan uw nageslacht, voor altijd. GEN 13:16 Ik zal uw nakomelingen maken als het zand op de aarde. Alleen iemand die het zand van de aarde kan tellen, zal uw nakomelingen kunnen tellen. GEN 13:17 Ga het hele land door in de lengte en in de breedte, want Ik schenk het aan u!' GEN 13:18 Toen sloeg Abram zijn tent op en ging wonen bij de eik van More te Hebron; daar richtte hij een altaar op ter ere van Jahwe. GEN 14:1 Het was in de dagen van Amrafel de koning van Sinear, van Arjok de koning van Ellasar, van Kedorlaomer de koning van Elam, en van Tidal de koning van Goim. GEN 14:2 Deze koningen waren in oorlog met Bera de koning van Sodom, Birsa de koning van Gomorra, Sinab de koning van Adma, Semeber de koning van Seboim, en met de koning van Bela, dat ook Soar heet. GEN 14:3 Deze koningen trokken gezamenlijk op naar het dal van Siddim, nu Zoutzee geheten. GEN 14:4 Na twaalf jaar aan Kedorlaomer onderworpen te zijn geweest, waren zij in het dertiende jaar in opstand gekomen. GEN 14:5 In het veertiende jaar rukte Kedorlaomer op, samen met de koningen die zijn bondgenoten waren. Zij versloegen de Refaieten bij Asterot-karnaim, de Zuzieten bij Ham, de Emieten in de vlakte van Kirjataim, GEN 14:6 en de Churrieten. Ze achtervolgden hen door het Seir-gebergte tot bij de eik van Paran, aan de rand van de woestijn. GEN 14:7 Daarna maakten zij een zwenking naar En-mispad, ook Kades geheten, en richtten een slachting aan in heel het gebied van de Amalekieten en onder de Amorieten in Chaseson-tamar. GEN 14:8 Toen trokken de koningen van Sodom, van Gomorra, van Seboim, en van Bela, ook Soar geheten, ten strijde, en in het dal van Siddim raakten zij slaags met hen, GEN 14:9 met Kedorlaomer de koning van Elam, Tidal de koning van Goim, Amrafel de koning van Sinear en Arjok de koning van Ellasar: vier koningen tegen vijf. GEN 14:10 In het dal van Siddim waren veel asfaltputten. De koningen van Sodom en Gomorra sloegen op de vlucht; daarbij vielen sommigen in die putten, terwijl de overigen de bergen in vluchtten. GEN 14:11 De vijand maakte zich meester van al het bezit van Sodom en Gomorra en van al hun voedselvoorraden. Daarna trok hij af. GEN 14:12 Bij zijn aftocht voerde hij ook Lot mee, de zoon van Abrams broer, met zijn bezittingen; Lot woonde namelijk in Sodom. GEN 14:13 Een vluchteling bracht het nieuws aan Abram, de Hebreeër, hij woonde op dat ogenblik bij de eik van Mamre de Amoriet, een broer van Eskol en Aner, beiden bondgenoten van Abram. GEN 14:14 Toen Abram vernam dat zijn broer gevangen was genomen, riep hij de geoefende mannen die in zijn huis waren geboren te wapen - het waren er driehonderdachttien -, en ging de vijanden achterna tot bij Dan. GEN 14:15 Met zijn dienaren viel hij hen in de nacht van verschillende kanten aan, versloeg hen en achtervolgde hen tot aan Choba, ten noorden van Damascus. GEN 14:16 Hij heroverde alle goederen; ook zijn broer Lot en diens bezittingen, alsmede de vrouwen en het krijgsvolk bracht hij terug. GEN 14:17 Na zijn terugkeer uit de slag tegen Kedorlaomer en zijn koninklijke bondgenoten trok de koning van Sodom Abram tegemoet tot in het dal van Sawe, ook het dal van de koning geheten. GEN 14:18 En Melchisedek, de koning van Salem, bood hem brood en wijn aan. Daar hij priester was van God de Allerhoogste, GEN 14:19 zegende hij hem met deze woorden: `Gezegend zij Abram door God de Allerhoogste, die de hemel en de aarde gemaakt heeft, GEN 14:20 en gezegend zij God de Allerhoogste, die uw vijand aan u heeft overgeleverd!' En Abram gaf hem van alles een tiende deel. GEN 14:21 De koning van Sodom zei tot Abram: `Geef mij alleen de mensen terug, de buit kunt u zelf houden.' GEN 14:22 Maar Abram zei tot de koning van Sodom: `Met opgeheven hand zweer ik bij Jahwe, God de Allerhoogste, die de hemel en de aarde gemaakt heeft: GEN 14:23 ik wil niets van u hebben, geen draad en geen schoenriem, niets van wat u toebehoort. U moet niet kunnen zeggen dat u Abram rijk hebt gemaakt. GEN 14:24 Niets daarvan. Ik vraag alleen maar wat de mannen verteerd hebben, en het deel van Aner, Eskol en Mamre, die met mij zijn uitgetrokken; laat hen nemen wat hun toekomt.' GEN 15:1 Na deze gebeurtenissen klonk het woord van Jahwe in een visioen tot Abram: `Gij moet niet vrezen, Abram, Ik zal uw schild zijn. Uw loon zal zeer groot zijn!' GEN 15:2 Toen zei Abram: `Jahwe, mijn Heer, wat baten mij uw gaven? Want ik blijf maar kinderloos en de Damasceen Eliezer zal de bezitter van mijn huis worden.' GEN 15:3 Abram zei: `Gij hebt mij toch geen nakomelingen geschonken, en een onderhorige zal mijn erfgenaam zijn.' GEN 15:4 Toen werd het woord van Jahwe tot hem gericht: `Niet hij wordt uw erfgenaam, uw erfgenaam zal iemand zijn die gij zult verwekken.' GEN 15:5 Hij leidde hem naar buiten en zei: `Kijk naar de hemel en tel de sterren, als ge kunt.' En Hij verzekerde hem: `Zo talrijk wordt uw nageslacht. GEN 15:6 Abram geloofde Jahwe, en deze rekende hem dat als gerechtigheid aan. GEN 15:7 Toen zei Hij tot hem: `Ik ben Jahwe, die u uit Ur in Chaldea heb geleid om u dit land in bezit te geven.' GEN 15:8 Abram vroeg: `Jahwe, mijn Heer, hoe kan ik weten dat ik het inderdaad zal krijgen?' GEN 15:9 Hij zei tot hem: `Haal een driejarige koe, een driejarige bok, een driejarige ram, een tortel en een jonge duif.' GEN 15:10 Hij haalde dit alles, sneed de dieren middendoor, en legde de stukken tegenover elkaar; alleen de vogels sneed hij niet door. GEN 15:11 Er kwamen roofvogels op de dode dieren af, maar Abram joeg ze weg. GEN 15:12 Bij zonsondergang viel Abram in een diepe slaap; hevige angst en duisternis overviel hem. GEN 15:13 En Jahwe zei tot Abram: `Gij moet goed weten dat uw nakomelingen als vreemden zullen wonen in een land dat niet van hen is. Zij zullen dienstbaar zijn en men zal hen onderdrukken, vierhonderd jaar lang. GEN 15:14 Maar het volk waaraan zij dienstbaar zijn zal Ik vonnissen, en daarna zullen zij wegtrekken met rijke bezittingen. GEN 15:15 Gij zelf zult in vrede tot uw vaderen gaan; pas in gezegende ouderdom zult gij begraven worden. GEN 15:16 Het vierde geslacht zal hier terugkeren, want dan is de maat van de schuld van de Amorieten pas vol.' GEN 15:17 Toen de zon was ondergegaan, en het helemaal donker was geworden, zag Abram een rokende oven en een vurige fakkel, die tussen de stukken door gingen. GEN 15:18 Op die dag sloot Jahwe een verbond met Abram. Hij zei: `Aan uw nakomelingen schenk Ik dit land, vanaf de beek van Egypte tot aan de grote rivier, de Eufraat, GEN 15:19 het gebied van de Kenieten, Kenizzieten, Kadmonieten, GEN 15:20 Hethieten, Perizzieten, Refaieten. GEN 15:21 Amorieten, Kanaänieten, Girgasieten en Jebusieten.' GEN 16:1 Sarai, de vrouw van Abram, had hem geen kinderen geschonken. Nu had zij een Egyptische slavin, die Hagar heette. GEN 16:2 Sarai zei tot Abram: `Je weet dat Jahwe mijn schoot heeft gesloten, zodat ik geen kinderen kan krijgen. Ga dus naar mijn slavin: misschien krijg ik een zoon van haar.' En Abram stemde in met Sarai's voorstel. GEN 16:3 Sarai, de vrouw van Abram, gaf dus Hagar, haar Egyptische slavin, aan haar man Abram als vrouw; Abram woonde toen al tien jaar in Kanaän. GEN 16:4 Hij had gemeenschap met Hagar en zij werd zwanger. Toen zij dat bemerkte, begon zij haar meesteres hooghartig te behandelen. GEN 16:5 Daarom zei Sarai tot Abram: `Jij bent aansprakelijk voor het onrecht dat mij wordt aangedaan. Ik heb mijn slavin in jouw armen gelegd; en nu zij ziet dat ze zwanger is word ik door haar hooghartig behandeld. Jahwe moge oordelen, wie van ons beiden in zijn recht staat.' GEN 16:6 Daarop zei Abram tot Sarai: `Je kunt over je slavin beschikken: doe met haar wat je wilt.' Toen begon Sarai haar het leven zo onaangenaam te maken dat zij van haar wegliep. GEN 16:7 De engel van Jahwe vond haar bij een waterbron in de woestijn, de bron die aan de weg naar Sur ligt. GEN 16:8 Hij zei: `Hagar, slavin van Sarai, waar komt gij vandaan en waar gaat gij heen?' Zij zei: `Ik ben weggelopen bij mijn meesteres Sarai.' GEN 16:9 De engel van Jahwe zei tot haar: `Ga naar uw meesteres terug en wees haar onderdanig.' GEN 16:10 De engel van Jahwe zei ook nog tot haar: `Uw nakomelingen zal ik zeer talrijk maken, zo talrijk dat zij niet meer te tellen zijn.' GEN 16:11 De engel van Jahwe verzekerde haar: `Gij zijt nu zwanger; bij zult een zoon baren en hem Ismaël noemen; want Jahwe heeft u verhoord in uw ellende. GEN 16:12 Een wilde ezel in de steppe wordt hij, zijn hand gaat omhoog tegen allen, de handen van allen tegen hem; al zijn broers trotseert hij!' GEN 16:13 Toen gaf zij Jahwe, die tot haar gesproken had een naam: `Gij zijt een God die ik zie.' Want, dacht zij, `ik heb God werkelijk gezien, en ik leef nog, nadat ik hem gezien heb.' GEN 16:14 Vandaar dat die put de put van Lachai-roi heet; hij ligt tussen Kades en Bered. GEN 16:15 Toen baarde Hagar aan Abram een zoon en hij noemde die zoon Ismaël. GEN 16:16 Abram was zesentachtig jaar, toen Hagar hem Ismaël baarde. GEN 17:1 Toen Abram negenennegentig jaar was, verscheen Jahwe hem en zei: `Ik ben God almachtig, richt uw schreden naar Mij en gedraag u onberispelijk. GEN 17:2 Ik wil een verbond met u aangaan en u zeer talrijk maken.' GEN 17:3 Toen wierp Abram zich ter aarde, en God sprak tot hem: GEN 17:4 `Dit is mijn verbond met u: Gij zult de vader worden van een menigte volken. GEN 17:5 Gij zult niet langer Abram heten; uw naam zal Abraham zijn, want Ik maak u tot vader van een menigte volken. GEN 17:6 Ik zal u zeer vruchtbaar maken, volken zal Ik van u maken, zelfs koningen zullen uit u voortkomen. GEN 17:7 Ik sluit een verbond met u en uw nakomelingen, geslacht na geslacht, een altijddurend verbond: Ik zal uw God zijn en de God van uw nakomelingen. GEN 17:8 Geheel Kanaän, het land waar gij nu als vreemdeling verblijft, zal Ik aan u en uw nakomelingen geven om het voor altijd te bezitten, en Ik zal hun God zijn.' GEN 17:9 Verder zei God nog tot Abraham: `Gij van uw kant moet mijn verbond onderhouden, gij en uw nakomelingen, geslacht na geslacht. GEN 17:10 Dit is mijn verbond, dat gij moet onderhouden, mijn verbond met u en uw nakomelingen: Alle mannelijke personen moeten besneden worden. GEN 17:11 Uw voorhuid moet gij besnijden: dat zal het teken zijn van mijn verbond met u. GEN 17:12 Al uw mannelijke kinderen moeten, als ze acht dagen oud zijn, besneden worden, geslacht na geslacht. Dit geldt ook voor degenen die niet van uw geslacht zijn, maar die in uw huis zijn geboren, of van vreemden gekocht zijn. GEN 17:13 Ieder die dus in uw huis is geboren of door u gekocht is moet besneden worden. Zo zal mijn verbond, in uw lichaam getekend, een blijvend verbond zijn. GEN 17:14 Iedere onbesnedene, iedere mannelijke persoon die zijn voorhuid niet heeft laten besnijden, moet uit zijn stam verwijderd worden; hij heeft mijn verbond gebroken.' GEN 17:15 Nu zei God tot Abraham: `Sarai, uw vrouw, moet gij niet meer Sarai noemen; haar naam zal Sara zijn. GEN 17:16 Ik zal haar zegenen, en ook uit haar zal Ik u een zoon schenken. Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken zal uitgroeien; koningen van volken zullen uit haar voortkomen.' GEN 17:17 Toen wierp Abraham zich ter aarde en lachte, want hij zei bij zichzelf: `Zou een man van honderd jaar nog een zoon krijgen, en zou Sara die negentig is nog een kind ter wereld brengen?' GEN 17:18 Daarom zei hij tot God: `Laat Ismaël liever uw gunst genieten.' GEN 17:19 God antwoordde: `Neen, uw vrouw Sara zal u een zoon baren, en gij zult hem Isaak noemen. Met hem en met zijn nakomelingen zal Ik een verbond aangaan, een altijddurend verbond. GEN 17:20 Maar ook uw verzoek betreffende Ismaël verhoor Ik. Ik zal hem zegenen, hem vruchtbaarheid geven en hem zeer talrijk maken. Twaalf vorsten zal hij verwekken en een groot volk zal Ik van hem maken. GEN 17:21 Maar mijn verbond zal Ik aangaan met Isaak, die Sara u het volgend jaar op deze tijd zal baren.' GEN 17:22 Toen God dit alles gezegd had, ging Hij van Abraham heen. GEN 17:23 Toen besneed Abarham zijn zoon Ismaël en allen die bij hem in huis geboren waren of die hij gekocht had, alle mannelijke personen in zijn huis; nog diezelfde dag besneed hij hun voorhuid, zoals God hem bevolen had. GEN 17:24 Abraham was negenennegentig jaar, toen zijn voorhuid besneden werd; GEN 17:25 zijn zoon Ismaël was dertien jaar, toen zijn voorhuid besneden werd. GEN 17:26 Op dezelfde dag werden Abraham en zijn zoon Ismaël besneden. GEN 17:27 Met hem werden ook al zijn huisgenoten besneden, degenen die in zijn huis geboren waren of die hij van vreemden had gekocht. GEN 18:1 Eens verscheen Jahwe aan Abraham bij de eik van Mamre, toen Abraham op het heetst van de dag bij de ingang van zijn tent zat. GEN 18:2 Hij sloeg zijn ogen op en zag plotseling drie mannen voor zich staan. Meteen liep hij van de ingang van zijn tent naar hen toe; hij boog diep GEN 18:3 en zei: `Wees zo welwillend, heer, uw dienaar niet voorbij te gaan. GEN 18:4 Ik zal water laten halen; was uw voeten en rust hier onder de boom. GEN 18:5 Nu u bij uw dienaar bent zal ik brood voor u halen om u te sterken voor uw verdere reis.' Zei zeiden: `Heel graag.' GEN 18:6 Abraham ging haastig de tent in naar Sara en zei: `Neem gauw drie schepel fijn meel, kneed het en bak er koeken van.' GEN 18:7 Daarna liep Abraham naar de kudde, zocht een lekker mals kalf uit en gaf het aan zijn knecht om het snel klaar te maken. GEN 18:8 Toen bracht hij hun wrongel en melk, en het kalf dat hij had laten toebereiden, en zette hun dat alles voor; terwijl zij aten bleef hij bij hen staan, onder de boom. GEN 18:9 Toen vroegen ze hem: `Waar is Sara, uw vrouw?' Hij antwoordde: `Daar, in de tent.' GEN 18:10 Toen zei Hij: `Over een jaar kom Ik weer bij u terug; dan zal Sara, uw vrouw, een zoon hebben.' Sara stond te luisteren bij de ingang van de tent, achter hem. GEN 18:11 Nu waren Abraham en Sara oud en bejaard, en Sara ging het niet meer naar de wijze van de vrouwen. GEN 18:12 Daarom moest Sara bij zichzelf lachen, want zij dacht: `Zal ik dan nog liefde genieten, nu ik verwelkt ben en ook mijn heer al oud is?' GEN 18:13 Maar Jahwe zei tot Abraham: `Waarom lacht Sara en vraagt zij zich af: Zou ik op mijn leeftijd werkelijk nog een kind krijgen? GEN 18:14 Is er voor Jahwe dan iets te moeilijk? Over een jaar, precies op deze tijd, kom Ik bij u terug, en dan zal Sara een zoon hebben.' GEN 18:15 Toen zei Sara: `Ik heb niet gelachen,' want zij was bang geworden. Maar Hij zei: `Jawel, gij hebt gelachen!' GEN 18:16 Toen de mannen verder trokken, zagen zij in de diepte Sodom liggen. Abraham ging met hen mee om hen uitgeleide te doen. GEN 18:17 Jahwe dacht: `Zou Ik voor Abraham geheim houden wat Ik van plan ben? GEN 18:18 Want Abraham wordt zeker een groot en machtig volk, en door hem zullen alle volken van de aarde zegen ontvangen. GEN 18:19 Ik heb hem immers uitverkoren; zijn zonen en zijn nageslacht moet hij leren, zich door een rechtschapen en deugdzaam leven aan de weg van Jahwe te houden, dan kan Jahwe zijn plan met Abraham verwerkelijken.' GEN 18:20 Daarom zei Jahwe: `Luid stijgt de roep om wraak uit Sodom en Gomorra op! Uitermate zwaar is hun zonde! GEN 18:21 Ik ga naar beneden om te zien, of hun daden werkelijk overeenstemmen met de roep die tot Mij is doorgedrongen; Ik wil het weten.' GEN 18:22 Toen gingen de mannen op weg in de richting van Sodom. Jahwe bleef echter nog bij Abraham staan. GEN 18:23 Abraham trad op Hem toe en zei: `Wilt Gij werkelijk met de boosdoeners ook de rechtvaardigen verdelgen? GEN 18:24 Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult gij die dan verdelgen? Zult Gij de stad geen vergiffenis schenken omwille van de vijftig rechtvaardigen die er wonen? GEN 18:25 Zoiets kunt Gij toch niet doen: de rechtvaardigen samen met de boosdoeners laten sterven! Dan zou het de rechtvaardigen vergaan als de boosdoeners; dat kunt Ge toch niet doen! Zal Hij, die de hele aarde oordeelt, geen recht doen?' GEN 18:26 En Jahwe zei: `Als Ik in Sodom vijftig rechtvaardigen in de stad vind, zal ik omwille van hen de hele stad vergiffenis schenken.' GEN 18:27 Abraham begon weer en zei: `Mag ik zo vrij zijn tot mijn Heer te spreken, ofschoon ik maar stof en as ben? GEN 18:28 Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf; zult Gij dan toch om die vijf de hele stad verwoesten?' En Hij zei: `Ik zal haar niet verwoesten, als Ik er vijfenveertig vind.' GEN 18:29 Opnieuw sprak hij tot Hem: `Misschien zijn er maar veertig te vinden.' En Hij zei: `Ik zal het niet doen, omwille van die veertig.' GEN 18:30 Nu zei hij: `Laat mijn Heer niet kwaad worden, als ik nog eens aandring: misschien zijn er maar dertig te vinden.' En Hij zei: `Ik zal het niet doen, als Ik er dertig vind.' GEN 18:31 Hij zei opnieuw: `Ik ben wel vrijpostig als ik bij mijn Heer blijf aandringen; maar misschien worden er maar twintig gevonden.' En Hij zei: `Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die twintig.' GEN 18:32 Hij zei: `Laat mijn Heer niet kwaad worden, als ik nog een keer spreek; misschien zijn er maar tien te vinden.' En Hij zei: `Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die tien.' GEN 18:33 Zodra Jahwe zijn gesprek met Abraham beeindigd had, ging Hij heen, en Abraham keerde naar zijn woonplaats terug. GEN 19:1 De twee engelen kwamen tegen de avond te Sodom aan, terwijl Lot bij de stadspoort zat. Toen Lot hen zag aankomen, stond hij op, ging hun tegemoet, boog diep GEN 19:2 en zei: `Ik bid u, mijne heren, neem uw intrek in het huis van uw dienaar en breng daar de nacht door; was uw voeten, dan kunt ge morgenochtend uw reis voortzetten.' Ze zeiden: `Neen, wij zullen buiten overnachten.' GEN 19:3 Maar hij bleef zo aandringen dat ze bij hem hun intrek namen. Toen zij in zijn huis gekomen waren, richtte hij met ongezuurde broden die hij had laten bakken een maaltijd voor hen aan en zij aten ervan. GEN 19:4 Zij hadden zich nog niet te rusten gelegd, toen de mannen van de stad, de Sodomieten, om het huis te hoop liepen, jong en oud, de hele bevolking, allemaal samen. GEN 19:5 Zij riepen Lot en zeiden: `Waar zijn die mannen, die voor vannacht bij u hun intrek hebben genomen? Breng ze naar buiten, dan kunnen wij omgang met hen hebben.' GEN 19:6 Lot kwam naar buiten, maar de deur deed hij achter zich dicht. GEN 19:7 Hij zei: `Doe toch geen kwaad, broeders. GEN 19:8 Luister eens; ik heb twee dochters, die nog nooit bij een man zijn geweest. Die wil ik wel naar buiten brengen; dan kunnen jullie met haar doen wat je wilt. Maar laat die mannen met rust, want zij staan onder de bescherming van mijn huis.' GEN 19:9 Ze zeiden: `Ga opzij.' En ze voegden eraan toe: `Dat is hier als vreemdeling komen wonen en wil nog de wet voorschrijven ook. Het zal je nog slechter vergaan dan die anderen.' Heftig duwden zij Lot achteruit en wilden de deur al openbreken. GEN 19:10 Maar de mannen binnen grepen Lot vast, trokken hem het huis in en deden de deur dicht. GEN 19:11 Degenen die voor de deur stonden, klein en groot, sloegen zij met blindheid, zodat zij de deur niet meer konden vinden. GEN 19:12 Nu zeiden de mannen tot Lot: `Hebt gij hier in de stad nog verwanten? Uw zonen en dochters en al de uwen moet gij naar buiten brengen, weg uit deze plaats. GEN 19:13 Wij gaan de stad verwoesten: de roep om wraak over de bewoners klinkt zo luid, dat Jahwe ons heeft gezonden om de stad te verwoesten.' GEN 19:14 Toen ging Lot praten met zijn toekomstige schoonzoons, de mannen die met zijn dochters wilden trouwen; hij zei: `Maak dat je wegkomt, vlucht uit deze plaats, want Jahwe gaat de stad verwoesten.' Maar zijn schoonzoons lachten hem uit. GEN 19:15 Toen de dageraad aanbrak, zetten de engelen Lot tot spoed aan en zeiden: `Vooruit, neem uw vrouw en uw beide dochters mee; anders wordt gij het slachtoffer van de bestraffing van de stad.' GEN 19:16 Toen Lot nog aarzelde, grepen de mannen hem zelf, zijn vrouw en zijn beide dochters bij de hand, want Jahwe wilde hem sparen, en zij brachten hem buiten de stad. GEN 19:17 En toen zij hen de stad uit gebracht hadden, zei een van hen: `Breng uzelf in veiligheid, want uw leven staat op het spel; kijk niet om, blijf nergens in de buurt staan, maar vlucht de bergen in, anders komt gij om.' GEN 19:18 Maar Lot zei tot hen: `Dat niet, heer! GEN 19:19 Zeker, gij zijt zeer goed voor uw dienaar geweest en hebt mij een grote weldaad bewezen door mij in leven te laten, maar ik kan onmogelijk naar de bergen vluchten. Daar zou het onheil mij achterhalen en zou ik toch de dood vinden. GEN 19:20 Kijk, daar ligt een stad niet ver van hier; daar wil ik wel heen vluchten: het is een kleine stad. Laat mij daarheen de wijk nemen; zij is toch maar klein. En dan zal ik het er levend afbrengen.' GEN 19:21 Hij sprak tot hem: `Ook hierin zal ik u terwille zijn; de stad die gij bedoelt zal ik niet verwoesten. GEN 19:22 Vlucht er nu haastig heen, want ik kan niets doen, zolang gij daar niet aangekomen zijt.' Zo komt het dat die stad Soar heet. GEN 19:23 Zodra de zon was opgegaan en Lot in Soar was aangekomen, GEN 19:24 liet Jahwe uit de hemel zwavel en vuur over Sodom en Gomorra neerregenen. GEN 19:25 Hij verwoestte die steden en de hele streek, met alle bewoners en al wat er groeide. GEN 19:26 De vrouw van Lot, die achter hem liep, keek om en veranderde in een zoutklomp. GEN 19:27 Vroeg in de ochtend begaf Abraham zich naar de plaats, waar hij met Jahwe gestaan had. GEN 19:28 Hij keek omlaag naar Sodom en Gomorra en heel de Jordaanstreek, en zag een walm van de aarde opstijgen, als de rook van een smeltoven. GEN 19:29 Zo hield God bij de verwoesting van de steden van die landstreek rekening met Abrahams wens en liet hij Lot ontkomen, toen Hij de steden verwoestte waar deze gewoond had. GEN 19:30 Lot verliet echter Soar en vestigde zich met zijn beide dochters in de bergen, omdat hij niet in Soar durfde blijven. Hij ging wonen in een grot, samen met zijn beide dochters. GEN 19:31 Nu zei de oudste tot de jongste: `Vader wordt oud; en er is geen man in het land die bij ons kan komen zoals dat overal elders gebeurt. GEN 19:32 Kom, wij laten vader wijn drinken en gaan bij hem liggen, in de hoop dat wij van hem kinderen krijgen.' GEN 19:33 Zij lieten dus hun vader die nacht wijn drinken, en de oudste ging bij haar vader liggen; hij merkte niets, noch toen zij kwam liggen, noch toen zij weer opstond. GEN 19:34 De volgende morgen zei de oudste tot de jongste: `De afgelopen nacht heb ik bij vader gelegen. Wij zullen hem ook vannacht weer wijn laten drinken, dan kun jij bij hem gaan liggen, in de hoop dat wij van hem kinderen krijgen.' GEN 19:35 Ook die nacht lieten zij hun vader wijn drinken, en nu ging de jongste bij hem liggen; hij merkte niets, noch toen zij kwam liggen, noch toen zij weer opstond. GEN 19:36 Zo werden de beide dochters van Lot zwanger van hun vader. GEN 19:37 De oudste baarde een zoon en noemde hem Moab; hij werd de vader van de huidige Moabieten. GEN 19:38 Ook de jongste baarde een zoon en noemde hem Ben-ammi; hij is de vader van de tegenwoordige Ammonieten. GEN 20:1 Abraham trok vandaar naar de Negeb; hij vestigde zich tussen Kades en Sur en woonde als vreemdeling in Gerar. GEN 20:2 Van zijn vrouw Sara vertelde Abraham dat ze zijn zuster was. Zo kwam het dat Abimelek, de koning van Gerar, haar liet schaken. GEN 20:3 Maar God kwam 's nachts in een droom tot Abimelek en zei hem: `De dood staat u te wachten, omdat gij deze vrouw ontvoerd hebt; want zij heeft al een man.' GEN 20:4 Abimelek had echter nog geen omgang met haar gehad. Daarom zei hij: `Heer, wilt gij een onschuldige doden? GEN 20:5 Hij heeft immers verklaard dat het zijn zuster is; en ook zij heeft beweerd dat hij haar broer is. Ik heb in alle onschuld en te goeder trouw zo gehandeld.' GEN 20:6 En God zei tot hem in de droom: `Ik wist wel dat gij dit in alle onschuld hebt gedaan; daarom heb Ik u ervoor bewaard tegen Mij te zondigen, en heb Ik u belet haar aan te raken. GEN 20:7 Geef dus die man zijn vrouw terug; hij is een profeet en zal voor u bidden dat gij in leven blijft. Maar als gij haar niet teruggeeft, weet dan, dat ge zult sterven, gij en al de uwen.' GEN 20:8 De volgende ochtend riep Abimelek al zijn hovelingen samen en vertelde hun alles; en zij werden door vrees bevangen. GEN 20:9 Toen liet Abimelek Abraham roepen en zei hem: `Wat hebt u ons aangedaan? Heb ik soms iets tegen u misdreven, dat u op mij en mijn koninkrijk zo'n zware schuld geladen hebt? Dat is toch geen manier van doen.' GEN 20:10 En Abimelek vroeg Abraham: `Met welke bedoeling hebt u dat toch gedaan?' GEN 20:11 Abraham antwoordde: `Ik dacht: veronderstel dat men hier God niet vreest, dan kon men mij wel eens om mijn vrouw vermoorden. GEN 20:12 Zij is trouwens inderdaad mijn zuster: zij is een dochter van mijn vader, maar niet van mijn moeder; zo is zij mijn vrouw geworden. GEN 20:13 En toen God mij ver van mijn verwanten liet rondzwerven, heb ik haar gezegd: Wees zo goed om overal waar wij komen te zeggen, dat ik je broer ben.' GEN 20:14 Toen gaf Abimelek aan Abraham schapen en runderen, slaven en slavinnen ten geschenke. Ook gaf hij hem zijn vrouw Sara terug. GEN 20:15 En Abimelek zei: `Mijn land ligt voor u open; u kunt gaan wonen waar u wilt.' GEN 20:16 En tot Sara zei hij: `Ik geef uw broer nu duizend zilverstukken; dan weet heel uw omgeving dat u onschuldig bent en blijft uw eer volkomen ongerept.' GEN 20:17 Abraham bad toen tot God, en God genas Abimelek, zijn vrouw en zijn slavinnen, zo dat zij weer kinderen konden krijgen, GEN 20:18 want Jahwe had iedere schoot in het huis van Abimelek gesloten, vanwege het gebeurde met Sara, de vrouw van Abraham. GEN 21:1 Jahwe begunstigde Sara, zoals hij gezegd had, en vervulde de belofte die hij haar gedaan had. GEN 21:2 Sara werd zwanger en schonk Abraham op zijn oude dag een zoon, op het tijdstip dat God genoemd had. GEN 21:3 Abraham gaf aan de zoon die hem geboren werd en die hem door Sara werd geschonken de naam Isaak. GEN 21:4 Volgens Gods bevel besneed Abraham zijn zoon Isaak, toen deze acht dagen oud was. GEN 21:5 Abraham was honderd jaar, toen zijn zoon Isaak geboren werd. GEN 21:6 Sara zei: `God heeft gemaakt dat ik lachen kon, en ieder die het hoort, zal meelachen.' GEN 21:7 En ze voegde eraan toe: `Wie zou Abraham hebben durven voorspellen, dat Sara nog kinderen zou voeden? En nu heb ik hem op zijn oude dag een zoon geschonken!' GEN 21:8 Het kind groeide op en werd van de borst genomen. Op de dag dat Isaak van de borst genomen werd, gaf Abraham een groot feest. GEN 21:9 Maar toen Sara de zoon die Hagar, de Egyptische, aan Abraham geschonken had, eens zag lachen, GEN 21:10 zei ze tot Abraham: `Jaag die slavin met haar zoon weg, want de zoon van die slavin mag geen mede-erfgenaam worden van mijn zoon Isaak.' GEN 21:11 Abraham vond deze eis zeer ongepast, omdat het toch om een zoon van hem ging. GEN 21:12 God echter zei hem: `Wat Sara ten aanzien van de jongen en uw slavin eist, moet gij niet als ongepast beschouwen. Luister naar alles wat zij u zegt: want alleen door Isaak krijgt gij een nageslacht dat uw naam draagt. GEN 21:13 Maar ook de zoon van de slavin zal Ik tot een volk maken, omdat ook hij een kind van u is.' GEN 21:14 Abraham voorzag Hagar de volgende morgen van brood en een zak water, zette het kind op haar schouder en zond hen weg. Maar onderweg verdwaalde zij in de woestijn van Berseba. GEN 21:15 Toen de waterzak leeg was, legde zij het kind onder een struik GEN 21:16 en ging op een boogschot afstand zitten, want zij dacht: `Ik kan mijn kind niet zien sterven.' Ze bleef daar zitten en schreide luid. GEN 21:17 God hoorde het schreien van de jongen en de engel van God riep uit de hemel tot Hagar: `Wat is er, Hagar? Wees niet bang, want God heeft in zijn verblijf het schreien van uw kind gehoord. GEN 21:18 Sta op, neem de jongen en houd hem goed vast, want Ik zal een groot volk van hem maken.' GEN 21:19 Toen opende God haar ogen, zodat zij een waterput zag; zij vulde de zak weer met water en gaf de jongen te drinken. GEN 21:20 En God beschermde de jongen. Toen hij groot was geworden, leefde hij in de woestijn en werd een ervaren boogschutter. GEN 21:21 Hij ging wonen in de woestijn van Paran, en zijn moeder koos voor hem een vrouw uit Egypte. GEN 21:22 In die tijd zei Abimelek - en zijn legeroverste Pikol - tot Abraham: `God staat u bij in alles wat u doet. GEN 21:23 Zweer daarom hier bij God, dat u mij, mijn geslacht en mijn stam, niet in de steek zult laten; u moet mij en het land waar u gastvrijheid geniet dezelfde vriendschap bewijzen die ik u bewezen heb.' GEN 21:24 En Abraham zei: `Dat zweer ik!' GEN 21:25 Abraham beklaagde er zich bij Abimelek over, dat diens knechten zich een waterput hadden toegeeigend. GEN 21:26 Abimelek zei: `Ik weet niet wie dat gedaan heeft; u hebt er mij nooit over gesproken en ik heb er tot nu toe niets over gehoord.' GEN 21:27 Daarop haalde Abraham schapen en runderen, bood die Abimelek aan, en zij sloten een verbond met elkaar. GEN 21:28 Maar Abraham zette zeven lammeren apart. GEN 21:29 Toen vroeg Abimelek: `Wat betekenen die zeven lammeren die u apart hebt gezet?' GEN 21:30 Hij antwoordde: `Deze zeven lammeren moet u van mij aannemen; zij moeten als bewijs dienen dat ik deze put gegraven heb.' GEN 21:31 Zo komt het dat deze plaats Berseba heet; want daar hebben zij beiden een eed gezworen. GEN 21:32 Nadat zij te Berseba een verbond hadden gesloten, keerde Abimelek met zijn legeroverste Pikol naar het land van de Filistijnen terug. GEN 21:33 Abraham plantte te Berseba een tamarisk en riep daar de naam aan van Jahwe, de God van eeuwigheid. GEN 21:34 En Abraham verbleef geruime tijd in het land van de Filistijnen. GEN 22:1 Hierna gebeurde het dat God Abraham op de proef stelde. Hij zei tot hem: `Abraham.' En hij antwoordde: `Hier ben ik.' GEN 22:2 Hij zei: `Ga met Isaak, uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, naar het land van de Moria, en draag hem daar, op de berg die Ik u zal aanwijzen, als brandoffer op.' GEN 22:3 De volgende morgen zadelde Abraham zijn ezel, nam twee knechten en zijn zoon Isaak met zich mee, en kloofde hout voor het brandoffer. Daarna begaf hij zich op weg naar de plaats die God hem aangewezen had. GEN 22:4 Op de derde dag zag Abraham in de verte de plaats liggen. GEN 22:5 Toen zei Abraham tot zijn knechten: `Jullie blijven hier bij de ezel; ik ga met de jongen daarginds heen. Nadat wij ons in aanbidding neergebogen hebben, komen wij weer terug.' GEN 22:6 Daarop gaf Abraham zijn zoon Isaak het hout voor het brandoffer te dragen; zelf droeg hij het vuur en het offermes. Zo gingen zij samen opweg. GEN 22:7 Toen zei Isaak tot zijn vader Abraham: `Vader.' Hij antwoordde: `Ja, mijn zoon.' Isaak zei: `Wij hebben wel vuur en hout, maar waar is het offerdier?' GEN 22:8 Abraham antwoordde: `God zelf zal wel voor het offerdier zorgen, mijn zoon.' En samen gingen zij verder. GEN 22:9 Toen zij de plaats bereikt hadden die God hem had aangewezen, bouwde Abraham daar een altaar, stapelde er het hout op, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, boven op het hout. GEN 22:10 Toen Abraham echter zijn hand uitstak naar het mes om daarmee zijn zoon de keel af te snijden, GEN 22:11 riep de engel van Jahwe hem van uit de hemel toe: `Abraham, Abraham!'En hij antwoordde: `Hier ben ik.' GEN 22:12 Hij zei: `Raak de jongen met geen vinger aan en doe hem niets! Ik weet nu dat gij god vreest, want gij hebt Mij uw zoon, uw enige, niet willen onthouden.' GEN 22:13 Abraham keek om zich heen en bemerkte een ram, die met zijn horens in het struikgewas vastzat. Hij greep de ram en droeg die als brandoffer op, in plaats van zijn zoon. GEN 22:14 Abraham noemde die plaats `Jahwe zal erin voorzien'; vandaar dat men nu nog zegt: `Op de berg van Jahwe zal erin voorzien worden.' GEN 22:15 Toen riep de engel van Jahwe voor de tweede maal uit de hemel tot Abraham GEN 22:16 en zei: `Bij Mijzelf heb Ik gezworen - spreekt Jahwe -, omdat gij dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet hebt onthouden, GEN 22:17 daarom zal Ik u overvloedig zegenen en uw nakomelingen even talrijk maken als de sterren aan de hemel en de zandkorrels op het strand van de zee. Uw nakomelingen zullen de poort van hun vijand bezitten. GEN 22:18 Door uw nakomelingen komt zegen over alle volken van de aarde, omdat gij naar mijn stem hebt geluisterd.' GEN 22:19 Daarop keerde Abraham naar zijn knechten terug; samen trokken zij naar Berseba. En Abraham bleef in Berseba wonen. GEN 22:20 Na deze gebeurtenissen kreeg Abraham dit bericht: Ook Milka heeft aan uw broer Nachor zonen geschonken: GEN 22:21 Us, zijn eerstgeborene, diens broer Buz, Kemuël, de vader van Aram, GEN 22:22 Kesed, Chazo, Pildas, Jidlaf en Betuël, GEN 22:23 die de vader werd van Rebekka. Deze acht kinderen schonk Milka aan Nachor, de broer van Abraham. GEN 22:24 Hij had ook een bijvrouw, Reuma genaamd, en deze schonk het leven aan Tebach, Gacham, Tachas en Maaka. GEN 23:1 Sara bereikte de leeftijd van honderdzevenentwintig jaar. GEN 23:2 Toen stierf zij in Kirjat-arba, ook Hebron geheten, in Kanaän. Abraham hield eerst de rouwklacht over Sara en beweende haar. GEN 23:3 Daarna liet hij zijn afgestorvene alleen en richtte het woord tot de Hethieten. GEN 23:4 Hij zei: `Ik ben hier maar een vreemdeling; daarom vraag ik u: Geef mij een eigen begraafplaats, waar ik mijn overleden vrouw kan begraven.' GEN 23:5 De Hethieten gaven Abraham ten antwoord: GEN 23:6 `Heer, luister naar ons: u bent voor ons een vorst van God; begraaf uw overledene in het mooiste graf dat wij hebben; niemand van ons zal u zijn graf weigeren of beletten dat u daarin uw overleden vrouw begraaft.' GEN 23:7 Toen stond Abraham op, boog diep voor de Hethieten, de ingezetenen van het land, GEN 23:8 en richtte het woord tot hen: `Als u er mee instemt dat ik mijn overleden vrouw begraaf, luister dan naar mij, en wend uw invloed aan bij Efron, de zoon van Sochar, GEN 23:9 dat hij de grot van Makpela, die zijn eigendom is en die aan de rand van zijn akker ligt, aan mij verkoopt; laat hij die in uw bijzijn voor de volle prijs aan mij verkopen, zodat ik een eigen begraafplaats heb.' GEN 23:10 Onder de aanwezige Hethieten bevond zich ook Efron zelf. En Efron de Hethiet gaf Abraham, ten aanhoren van alle Hethieten die zitting hielden bij de stadspoort, ten antwoord: GEN 23:11 `Geen sprake van, heer. Luister naar mij: Het stuk land schenk ik u, en de grot die erop ligt geef ik u ook; ten overstaan van mijn volksgenoten geef ik ze u: begraaf er uw dode.' GEN 23:12 Opnieuw boog Abraham diep voor de ingezetenen van het land; GEN 23:13 ten aanhoren van hen richtte hij het woord tot Efron: `Wees zo goed naar mij te luisteren. Ik wil voor de grond de volle prijs betalen. Neem die van mij aan; dan kan ik mijn dode daar begraven.' GEN 23:14 Maar Efron antwoordde Abraham: GEN 23:15 `Kijk eens, heer: een stuk grond van vierhonderd sikkel zilver, wat maakt dat nu uit voor mij of voor u? Begraaf dus uw dode.' GEN 23:16 Abraham ging op Efrons aanbod in en woog het zilver af, dat Efron ten aanhoren van de Hethieten genoemd had: vierhonderd sikkels, zoals ze in de handel gangbaar zijn. GEN 23:17 Zo werd in het bijzijn van alle Hethieten die zitting hielden bij de stadspoort, het stuk grond van Efron in Makpela, ten oosten van Mamre - de grond met de grot en al het geboomte op het gehele terrein - GEN 23:18 eigendom van Abraham. GEN 23:19 Daarop begroef Abraham zijn vrouw Sara in de grot op de akker van Makpela, ten oosten van Mamre of Hebron, in Kanaän. GEN 23:20 Zo werd het stuk grond met de grot door de Hethieten aan Abraham overgedaan en kreeg hij een eigen begraafplaats. GEN 24:1 Abraham was oud en hoogbejaard, en Jahwe had hem in alles gezegend. GEN 24:2 Nu zei Abraham tot zijn oudste dienaar, die het toezicht had over heel zijn bezit: `Leg je hand onder mijn heup. GEN 24:3 Bij Jahwe, de God van de hemel en de aarde, moet je mij zweren dat je voor mijn zoon geen vrouw zult zoeken uit de meisjes van Kanan waar ik woon, GEN 24:4 maar dat je zult gaan naar mijn land en mijn familie, om daar een vrouw voor mijn zoon Isaak te zoeken.' GEN 24:5 De dienaar zei: `En als er nu eens geen vrouw is die met mij mee wil gaan naar dit land? Moet ik dan uw zoon terugbrengen naar het land dat u verlaten hebt?' GEN 24:6 Abraham antwoordde: `Neen, dat niet, je mag mijn zoon daar nooit terugbrengen. GEN 24:7 Jahwe, de God van de hemel, heeft mij uit mijn familie en uit mijn geboorteland laten wegtrekken en mij beloofd, ja gezworen: Aan uw nakomelingen zal Ik dit land schenken. Hij zal zijn engel voor je uitzenden, en je zult daar een vrouw voor mijn zoon meekregen. GEN 24:8 Zou er geen vrouw met je mee willen, dan ben je ontslagen van de eed, die ik je laat zweren; maar in geen geval mag je mijn zoon naar dat land terugbrengen.' GEN 24:9 Toen legde de dienaar zijn hand onder de heup van zijn meester Abraham en beloofde onder ede wat hij gevraagd had. GEN 24:10 Toen begaf de dienaar zich met tien kamelen van zijn meester en met allerlei kostbare geschenken op weg; hij trok naar de stad van Nachor, in Aram-naharaim. GEN 24:11 Op een avond, tegen de tijd dat de vrouwen de stad uitkomen om water te putten, liet hij zijn kamelen neerknielen bij de put GEN 24:12 en zei: `Jahwe, God van mijn meester Abraham, laat mij heden slagen, en wees mijn meester Abraham gunstig gezind. GEN 24:13 Ik sta hier nu bij de waterbron en aanstonds komen de meisjes uit de stad water halen. GEN 24:14 Wanneer het meisje tot wie ik zeg: Reik mij uw kruik aan om te drinken, antwoordt: Drink maar gerust, en ik zal uw kamelen ook nog te drinken geven, dan zal dat het meisje zijn, dat gij voor uw dienaar isaak bestemd hebt; daaraan zal ik zien dat gij mijn meester gunstig gezind zijt.' GEN 24:15 Hij was nog niet uitgesproken, of daar kwam Rebekka aan, de dochter van Betuël, de zoon van Milka, de vrouw van Abrahams broer Nachor; zij droeg een kruik op haar schouders. GEN 24:16 Het was een mooi meisje; zij had de huwbare leeftijd, maar geen man had nog omgang met haar gehad. Zij daalde af naar de bron, vulde haar kruik en kwam weer naar boven. GEN 24:17 De dienaar van Abraham liep vlug naar haar toe en vroeg: `Mag ik alstublieft wat drinken uit uw kruik?' GEN 24:18 Zij antwoordde: `Drinkt u maar, meneer.' Meteen liet zij de kruik op haar hand glijden en gaf hem te drinken. GEN 24:19 Toen zij hiermee klaar was, zei ze: `Ik zal ook water halen voor uw kamelen, tot ze genoeg gedronken hebben.' GEN 24:20 Vlug goot zij haar kruik in de drinkbak leeg en liep opnieuw naar de put; zo haalde zij water voor al zijn kamelen. GEN 24:21 De man sloeg haar zwijgend gade om te zien, of Jahwe zijn reis met succes bekroond had of niet. GEN 24:22 Zodra de kamelen genoeg gedronken hadden, haalde hij een gouden neusring ter waarde van een halve sikkel te voorschijn en deed twee armbanden ter waarde van tien sikkel goud om haar polsen. GEN 24:23 Hij zei: `Vertel eens: Wiens dochter bent u? Zou er in het huis van uw vader plaats zijn om te overnachten?' GEN 24:24 Zij antwoordde: `Ik ben een dochter van Betuël, de zoon die Milka aan Nachor geschonken heeft.' GEN 24:25 Zij voegde er aan toe: `Stro en voer hebben wij in overvloed, en er is ook plaats om te overnachten.' GEN 24:26 Toen viel de man op zijn knieën, boog zich diep voor Jahwe neer GEN 24:27 en zei: `Gezegend zij Jahwe, de God van mijn meester Abraham, die hem zijn genade en trouw niet heeft onthouden en mij regelrecht naar het huis van de broer van mijn meester gebracht heeft.' GEN 24:28 Het meisje was reeds naar huis gesneld en had daar aan haar moeder verteld wat er gebeurd was. GEN 24:29 Nu had Rebekka een broer die Laban heette; deze Laban liep vlug naar de man bij de bron. GEN 24:30 Nadat hij de ring en de armbanden om de polsen van zijn zuster had gezien, en haar hele verhaal had gehoord, ging hij meteen naar hem toe; hij stond daar nog met zijn kamelen bij de bron. GEN 24:31 Laban zei: `Neem bij ons uw intrek, gezegende van Jahwe; waarom blijft u buiten staan? Ik heb het huis voor u in gereedheid gebracht en er is een stal voor de kamelen.' GEN 24:32 Toen ging de man mee naar zijn huis. Men zadelde de kamelen af, gaf ze stro en voer; voor hemzelf en de mannen die hem vergezelden bracht men water om de voeten te wassen. GEN 24:33 Maar toen het eten was opgediend, zei hij: `Ik wil niet eten voor ik mijn woord gedaan heb.' En Laban antwoordde: `Ga uw gang!' GEN 24:34 Hij zei toen: `Ik ben een dienaar van Abraham. GEN 24:35 Jahwe heeft mijn meester overvloedig gezegend, zodat hij rijk is. Hij heeft hem schapen en runderen, zilver en goud, slaven en slavinnen, kamelen en ezels geschonken. GEN 24:36 En Sara, de vrouw van mijn meester, heeft hem een zoon gebaard toen zij reeds oud was; al wat hij bezit heeft hij voor deze zoon bestemd. GEN 24:37 Mijn meester heeft mij een eed laten zweren en mij deze opdracht gegeven: Zoek voor mijn zoon geen vrouw onder de meisjes van Kanaän, waar ik woon. GEN 24:38 Je moet naar mijn ouderlijk huis en mijn familie gaan en daar een vrouw voor mijn zoon zoeken. GEN 24:39 Ik zei tot mijn meester: Misschien zal de vrouw niet met mij mee willen. GEN 24:40 Hij antwoordde mij: Jahwe, naar wie ik steeds mijn schreden richt, hij zal zijn engel met je mee zenden en je reis doen slagen. Je moet voor mijn zoon een vrouw zoeken uit mijn familie en mijn ouderlijk huis. GEN 24:41 Pas dan ben je van je eed ontslagen, wanneer je bij mijn familie bent geweest en men je daar geen vrouw heeft willen geven; in dat geval ben je van de eed ontslagen. GEN 24:42 Toen ik vandaag bij de bron gekomen was, zei ik: Jahwe, God van mijn meester Abraham, wil toch de reis, die ik ondernomen heb, met succes bekronen. GEN 24:43 Ik sta hier nu bij de waterbron; wanneer een meisje water komt halen en ik tot haar zeg: Mag ik alstublieft wat drinken uit uw kruik, GEN 24:44 en antwoordt: Drink eerst zelf, daarna zal ik ook voor uw kamelen water halen, dan zal dat meisje de vrouw zijn die Jahwe voor de zoon van mijn meester heeft bestemd. GEN 24:45 Ik was nog niet uitgesproken, of daar kwam Rebekka aan, met een kruik op haar schouder, en daalde af naar de bron om water te halen. Ik vroeg haar: Mag ik alstublieft wat drinken? GEN 24:46 Dadelijk liet zij de kruik van haar schouder glijden en zei: Drink maar gerust; en ik zal ook uw kamelen nog te drinken geven. Ik dronk; ook de kamelen gaf ze te drinken. GEN 24:47 Ik vroeg haar: Van wie bent u een dochter? Zij antwoordde: Van Betuël, de zoon van Nachor, die Milka hem geschonken heeft. Toen deed ik een ring in haar neus en armbanden om haar polsen. GEN 24:48 Ik viel op mijn knieën, boog mij voor Jahwe neer en zegende Jahwe, de God van mijn meester Abraham, die mij langs de juiste weg had geleid, zodat ik voor de zoon van mijn meester de dochter van diens broer mocht vinden. GEN 24:49 Als ik mijn meester uw vriendschap en trouw wilt betonen, zeg het mij dan; zo niet, zeg het dan eveneens; dan kan ik ergens anders gaan zoeken. ' GEN 24:50 Daarop antwoordde Laban en diens familie: `Dit is een beschikking van Jahwe; wij kunnen er niets tegen inbrengen. GEN 24:51 Rebekka staat voor u gereed; neem haar met u mee als vrouw voor de zoon van uw meester, zoals Jahwe geschikt heeft.' GEN 24:52 Toen de dienaar van Abraham dit antwoord hoorde, boog hij diep voor Jahwe neer. GEN 24:53 Daarna haalde de dienaar zilveren en gouden sieraden en gewaden te voorschijn en gaf ze aan Rebekka; ook aan haar broer en haar moeder overhandigde hij kostbare geschenken. GEN 24:54 Zij aten en dronken, hijzelf en de mannen die hem vergezelden, en brachten daar de nacht door. Zodra zij de volgende ochtend opgestaan waren, zei hij: `Laat mij naar mijn meester gaan.' GEN 24:55 Maar de broer en de moeder van het meisje zeiden: `Laat haar nog een dag of tien bij ons blijven; daarna kan zij vertrekken.' GEN 24:56 Maar hij zei tot hen: `Houd mij niet op, nu Jahwe mijn reis heeft doen slagen; laat mij vertrekken naar mijn meester.' GEN 24:57 Zij zeiden: `Wij zullen het meisje roepen en het haar zelf vragen.' GEN 24:58 Zij riepen dus Rebekka en vroegen haar: `Wil je met deze man meegaan?' Zij antwoordde: `Ik ga mee.' GEN 24:59 Toen lieten zij hun zuster Rebekka vertrekken, samen met haar voedster, en met de dienaar van Abraham en zijn mannen. GEN 24:60 Zij namen afscheid van Rebekka en wensten haar toe: `Zuster, moogt u worden tot duizendmaal tienduizend en moge uw nageslacht de poort van zijn vijanden bezitten!' GEN 24:61 Toen maakten Rebekka en haar slavinnen zich gereed; zij bestegen hun kamelen en volgden de man. De dienaar begaf zich met Rebekka op reis. GEN 24:62 Isaak was teruggekomen van de bron Lachai-roi; hij woonde toen in de Negeb. GEN 24:63 Bij het vallen van de avond ging hij buiten wat afleiding zoeken; toen hij zijn ogen opsloeg, zag hij ineens kamelen aankomen. GEN 24:64 Ook Rebekka keek op, en toen zij Isaak zag, liet zij zich van haar kameel glijden GEN 24:65 en vroeg aan de dienaar: `Wie is die man daar, die over het veld naar ons toekomt?' De dienaar antwoordde: `Dat is mijn meester.' Toen deed zij haar sluier voor. GEN 24:66 De dienaar vertelde aan Isaak alles wat hij gedaan had. GEN 24:67 Daarop bracht Isaak Rebekka in zijn tent en nam haar tot vrouw. Isaak kreeg haar lief en vond troost voor het verlies van zijn moeder. GEN 25:1 Abraham huwde nog een andere vrouw, Ketura genaamd. GEN 25:2 Zij schonk hem Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach. GEN 25:3 Joksan was de vader van Seba en Dedan. De zonen van Dedan zijn de Assurieten, de Letusieten en de Leummieten. GEN 25:4 De zonen van Midjan zijn Efa, Efer, Chanok, Abida en Eldaa. Dat zijn allen nakomelingen van Ketura. GEN 25:5 Abraham vermaakte alles wat hij bezat aan Isaak. GEN 25:6 Aan de zonen van zijn bijvrouwen gaf Abraham wel geschenken, maar hij zond ze nog tijdens zijn leven weg uit de omgeving van zijn zoon Isaak, naar het oosten toe. GEN 25:7 Abraham bereikte de leeftijd van honderdvijfenzeventig jaar. GEN 25:8 Toen gaf Abraham de geest en stierf in gezegende ouderdom, oud en verzadigd van jaren, en hij werd met zijn voorvaderen verenigd. GEN 25:9 Zijn zonen Isaak en Ismaël begroeven hem in de grot van Makpela, op de akker van Efron, de zoon van de Hethiet Sochar, ten oosten van Mamre. GEN 25:10 Het was de akker, die Abraham van de Hethiet gekocht had; daar werden Abraham en zijn vrouw Sara begraven. GEN 25:11 Na Abrahams dood zegende God zijn zoon Isaak. Isaak had zich bij de put van Lachai-roi gevestigd. GEN 25:12 Dit zijn de nakomelingen van Ismaël, Abrahams zoon, die Hagar, Sara's Egyptische slavin, aan Abraham geschonken had. GEN 25:13 Dit zijn de namen van Ismaëls zonen, opgenoemd naar hun geslachten; De eerstgeborene van Ismaël is Nebajot; dan volgen Kedar, Adbeel, Mibsam, GEN 25:14 Misma, Duma, Massa, GEN 25:15 Chadad, Tema, Jetur, Nafis en Kedema. GEN 25:16 Zo heten de zonen van Ismaël, afgaande op hun nederzettingen en kampementen, twaalf vorsten van twaalf stammen. GEN 25:17 Ismaël bereikte de leeftijd van honderdzevenendertig jaar. Toen gaf hij de geest en stierf, en werd met zijn voorvaderen verenigd. GEN 25:18 De Ismaëlieten woonden tussen Chawila en Sur, van vlak bij Egypte tot aan Assur toe. Al zijn broers trotserend had Ismaël daar vaste voet gekregen. GEN 25:19 Dit zijn de nakomelingen van Isaak, de zoon van Abraham. Abraham verwekte Isaak. GEN 25:20 Isaak was veertig jaar, toen hij Rebekka, de dochter van Betuël, de Arameeër uit Paddan-aram, de zuster van de Arameeër Laban, tot vrouw nam. GEN 25:21 Isaak bad tot Jahwe omdat zijn vrouw onvruchtbaar bleef. Jahwe verhoorde zijn gebed en zijn vrouw Rebekka werd zwanger. GEN 25:22 Toen echter de kinderen in haar schoot tegen elkaar stootten, dacht ze: `Als het zo gaat, wat staat mij dan te wachten?' Daarom ging zij Jahwe raadplegen. GEN 25:23 En Jahwe sprak tot haar: `Twee volken zijn het, die gij draagt; twee naties die uiteengaan reeds in uw schoot. Een van de twee zal machtiger zijn: de oudste dient de jongste.' GEN 25:24 Toen de tijd van de bevalling was gekomen, was er inderdaad een tweeling in haar schoot. GEN 25:25 De eerste die te voorschijn kwam was rossig en van top tot teen zo behaard als een mantel; hij kreeg de naam Esau. GEN 25:26 Na hem kwam zijn broer te voorschijn. Hij hield met zijn hand de hiel van Esau vast; om die reden kreeg hij de naam Jakob. Isaak was zestig jaar, toen zij geboren werden. GEN 25:27 Toen de jongens groot geworden waren, werd Esau een kundig jager, een man die er altijd op uit trok. Jakob daarentegen was een rustig man, die in zijn tenten bleef. GEN 25:28 Isaak had een voorkeur voor Esau, want hij at graag wildbraad; maar Rebekka hield meer van Jakob. GEN 25:29 Toen Jakob eens aan het koken was, kwam Esau uitgeput van een van zijn tochten terug. GEN 25:30 Hij zei tegen Jakob: `Geef mij eens gauw wat van die rode brij, want ik ben doodop.' Zo kreeg hij de naam Edom. GEN 25:31 Jakob antwoordde: `Dan moet je mij je eerstgeboorterecht verkopen.' GEN 25:32 Daarop zei Esau: `Man, ik ga dood, wat kan mij mijn eerstgeboorterecht schelen?' GEN 25:33 Jakob drong aan: `Zweer daar dan eerst een eed op.' En Esau legde de eed af en verkocht zo zijn eerstgeboorterecht aan Jakob. GEN 25:34 Toen gaf Jakob hem brood en linzenbrij. Hij at en dronk en ging weer weg. Zo weinig gaf Esau om zijn eerstgeboorterecht. GEN 26:1 Eens kwam er een hongersnood in het land - niet te verwarren met die uit de tijd van Abraham -, en Isaak begaf zich naar Abimelek, de koning van de Filistijnen, in Gerar. GEN 26:2 Hier verscheen hem Jahwe, die zei: `Trek niet naar Egypte, maar ga wonen in het land dat Ik u aanwijs. GEN 26:3 Vestig u in dit land hier, Ik zal met u zijn en u zegenen. Want aan u en aan uw nakomelingen zal Ik heel dit gebied geven, en Ik zal de eed gestand doen die Ik uw vader Abraham gezworen heb. GEN 26:4 Ik zal uw nakomelingen talrijk maken als de sterren aan de hemel, en aan uw nageslacht zal Ik heel dit gebied schenken. Door uw nakomelingen zal zegen komen over alle volken van de aarde, GEN 26:5 omdat Abraham geluisterd heeft naar mijn woord en zich heeft gehouden aan wat Ik hem voorhield, aan mijn geboden, verordeningen en wetten.' GEN 26:6 Zo kwam het dat Isaak zich in Gerar vestigde. GEN 26:7 Toen de burgers van die stad hem vragen stelden over zijn vrouw, zei hij: `Het is mijn zuster.' Hij durfde namelijk niet te zeggen dat het zijn vrouw was, want hij dacht: `Anders vermoorden de burgers van die stad mij omwille van Rebekka, want zij is een mooie vrouw.' GEN 26:8 Toen hij daar al geruime tijd woonde, keek Abimelek, de koning van de Filistijnen, eens door het venster naar binnen en zag tot zijn verbazing, dat Isaak zijn vrouw Rebekka aan het liefkozen was. GEN 26:9 Daarop ontbood Abimelek Isaak en zei tot hem: `Wat zie ik? Het is uw vrouw! Hoe hebt u dan kunnen zeggen dat het uw zuster is?' Isaak zei hem: `Ik was bang dat ik om haar mijn leven zou verliezen.' GEN 26:10 Toen zei Abimelek: `Hoe hebt u ons dat kunnen aandoen? Hoe licht had iemand van het volk met uw vrouw gemeenschap kunnen hebben, en dan had u schuld over ons gebracht.' GEN 26:11 En Abimelek gebood heel het volk: `Wie deze man of zijn vrouw te na komt, wordt onherroepelijk ter dood gebracht.' GEN 26:12 Isaak had in die streek gezaaid en hij oogstte dat jaar honderdvoudig, want Jahwe zegende hem. GEN 26:13 Hij werd steeds rijker en was ten slotte schatrijk. GEN 26:14 Hij bezat kudden schapen en runderen, en zoveel knechten dat de Filistijnen afgunstig op hem werden. GEN 26:15 Daarom verstopten de Filistijnen al de putten die de knechten van zijn vader Abraham indertijd gegraven hadden, en gooiden ze dicht met zand. GEN 26:16 En Abimelek zei tot Isaak: `Ga bij ons weg, want u bent ons veel te machtig geworden.' GEN 26:17 Toen trok Isaak daar weg. Hij sloeg zijn tent op in het dal van Gerar en bleef daar wonen. GEN 26:18 Hij groef de waterputten weer open, die men in de tijd van zijn vader Abraham gegraven had, en die de Filistijnen na Abrahams dood hadden dichtgegooid. Hij gaf ze dezelfde namen die zijn vader ze gegeven had. GEN 26:19 Terwijl nu Isaaks knechten in het dal van Gerar aan het graven waren, stootten ze daar op een put met stromend water. GEN 26:20 Maar de herders van Gerar kregen onenigheid met die van Isaak; zij zeiden: `Dat water is van ons.' Daarom noemde hij die put Esek, omdat ze daar ruzie gemaakt hadden. GEN 26:21 Toen zij een andere put groeven, kregen zij ook daarover onenigheid; om die reden noemde hij hem Sitna. GEN 26:22 Daarop verliet hij die plaats en groef een andere put; daarover kregen ze geen ruzie meer. Die put gaf hij de naam Rechobot, want hij zei: `Nu heeft Jahwe ons ruimte gegeven, zodat wij kunnen groeien in dit land.' GEN 26:23 Vandaar trok hij naar Berseba. GEN 26:24 Op een nacht verscheen hem Jahwe en zei: `Ik ben de God van uw vader Abraham; vrees niet, want Ik sta u bij. Ik zal u zegenen en uw nakomelingen talrijk maken terwille van mijn dienaar Abraham.' GEN 26:25 Isaak richtte op die plaats een altaar op en riep de naam van Jahwe aan. Hij sloeg daar zijn tent op en zijn knechten groeven er een put. GEN 26:26 Nu ging Abimelek vanuit Gerar naar hem toe, in gezelschap van zijn vertrouweling Achuzzat en zijn legeroverste Pikol. GEN 26:27 Isaak vroeg hem: `Waarom komt u naar mij toe? U bent mij toch vijandig gezind en u hebt mij toch weggejaagd?' GEN 26:28 Zij antwoordden: `Wij zien nu duidelijk dat Jahwe met u is, en wij dachten dat het goed zou zijn een verdrag met u te sluiten. Laat ons een verbond aangaan, GEN 26:29 dat u ons geen kwaad zult doen; wij hebben het u ook niet lastig gemaakt, doch u enkel goed gedaan en u ongedeerd laten gaan. En nu rust Jahwe's zegen op u.' GEN 26:30 Hierop richtte Isaak voor hen een feestmaal aan en zij aten en dronken. GEN 26:31 De volgende ochtend legden zij beiden hun eed af. Toen deed Isaak hen uitgeleide en zij gingen als vrienden bij hem vandaan. GEN 26:32 Diezelfde dag kwamen de knechten van Isaak met het bericht dat zij een put gegraven hadden en zeiden: `Wij hebben water gevonden.' GEN 26:33 Hij noemde die plaats siba; daarom heet die stad tot op heden Berseba. GEN 26:34 Toen Esau veertig jaar was, huwde hij Jehudit, de dochter van de Hethiet Beeri, en Basemat, de dochter van de Hethiet Elon. GEN 26:35 Deze vrouwen waren een kwelling voor Isaak en Rebekka. GEN 27:1 Isaak was oud geworden en zijn ogen werden zo zwak dat hij niet meer kon zien. Daarom riep hij zijn oudste zoon Esau bij zich en zei: `Mijn zoon.' Hij antwoordde: `Wat wilt u?' GEN 27:2 Isaak zei: `Hoor eens, ik ben een oud man en ik weet niet hoelang ik nog te leven heb. GEN 27:3 Neem daarom je wapens, je pijlkoker en je boog, ga erop uit en schiet een stuk wild voor mij. GEN 27:4 Maak dan een smakelijk maal gereed, zoals ik het graag heb, en dien het mij op, zodat ik ervan kan eten; daardoor zal ik de kracht krijgen om je mijn zegen te geven, voordat ik sterf.' GEN 27:5 Tijdens dat gesprek van Isaak met zijn zoon Esau had Rebekka staan luisteren. Zodra Esau erop uit was gegaan om een stuk wild voor zijn vader te schieten, GEN 27:6 zei Rebekka tot haar zoon Jakob: `Hoor eens, ik heb je vader tegen je broer Esau horen zeggen: GEN 27:7 Breng mij een stuk wild en maak een smakelijk maal voor mij gereed, zodat ik ervan kan eten; dan zal ik je met Jahwe's goedvinden mijn zegen kunnen geven, voordat ik sterf. GEN 27:8 Daarom, mijn zoon, moet je luisteren naar wat ik je zeg. GEN 27:9 Ga naar de kudden en haal daar twee malse geitebokjes; dan maak ik een smakelijk maal voor je vader, zoals hij dat graag heeft. GEN 27:10 Dat ga je dan aan je vader aanbieden, zodat hij ervan kan eten; daardoor zal hij de kracht krijgen om je zijn zegen te geven, voordat hij sterft.' GEN 27:11 Maar Jakob zei tot zijn moeder Rebekka: `Dat gaat niet; mijn broer Esau is ruigbehaard en ik helemaal niet. GEN 27:12 Als vader mij gaat betasten, denkt hij vast dat ik met hem spot, en in plaats van zegen zal ik dan vloek over mij doen komen.' GEN 27:13 Zijn moeder antwoordde hem: `Jongen, die vloek neem ik op me, luister naar mij en ga de bokjes halen.' GEN 27:14 Jakob ging ze dus halen en bracht ze aan zijn moeder; en zij maakte een smakelijk maal gereed, zoals zijn vader het graag had. GEN 27:15 Daarop haalde Rebekka de beste kleren van haar oudste zoon Esau, die zij in huis bewaarde, en liet haar jongste zoon Jakob die aantrekken. GEN 27:16 Over zijn handen en zijn gladde hals trok zij de vellen van de geitebokjes. GEN 27:17 Vervolgens gaf zij het smakelijke maal met het brood dat zij toebereid had haar zoon Jakob in handen. GEN 27:18 Die ging naar zijn vader toe en zei: `Vader.' Isaak antwoordde: `Ja, wie ben je, mijn zoon?' GEN 27:19 Jakob zei tot zijn vader: `Esau, uw eerstgeborene; ik heb gedaan wat u mij opgedragen hebt. Ga overeind zitten en eet van mijn wildbraad, dan zult u de kracht krijgen om mij uw zegen te geven.' GEN 27:20 Maar Isaak zei tot zijn zoon: `Hoe heb je dat wild zo gauw kunnen vinden, mijn zoon?' Jakob gaf ten antwoord: `Jahwe, uw God, heeft het op mijn weg gebracht.' GEN 27:21 Daarop zei Isaak tot Jakob: `Kom eens wat dichterbij, ik wil je betasten, mijn zoon, om te zien of je werkelijk mijn zoon Esau bent.' GEN 27:22 Jakob kwam bij zijn vader Isaak staan. Deze betastte hem en zei: `De stem is de stem van Jakob, maar de handen zijn de handen van Esau'. GEN 27:23 Hij herkende jakob niet, omdat diens handen even behaard waren als die van zijn broer Esau. Toen was hij bereid hem zijn zegen te geven, GEN 27:24 en vroeg nog eens: `Ben jij werkelijk mijn zoon Esau?' Hij antwoordde: `Dat ben ik.' GEN 27:25 Toen sprak Isaak: `Dien dan maar op. Ik wil eten van het wildbraad van mijn zoon; dan zal ik de kracht krijgen om je mijn zegen te geven.' Jakob diende op en zijn vader begon te eten; daarna bracht hij hem wijn en hij dronk. GEN 27:26 Daarop sprak zijn vader Isaak tot hem: `Kom hier, mijn zoon, en kus mij.' GEN 27:27 Hij kwam naderbij en kuste hem. Toen Isaak de geur van zijn kleren rook, sprak hij over hem deze zegen uit: `Ja, de geur van mijn zoon is als de geur van een akker die door Jahwe is gezegend, GEN 27:28 Dauw van de hemel zal God je geven, vruchtbare grond, met overvloed van koren en most. GEN 27:29 Volken zullen je dienen naties voor je buigen; je moet heersen over je broers, en de zonen van je moeder moeten voor jou buigen! Wie jou vervloekt, hij zij vervloekt; wie jou zegent, hij zij gezegend!' GEN 27:30 Toen Isaak over Jakob deze zegen had uitgesproken, ging Jakob weg bij zijn vader Isaak. Op datzelfde ogenblik kwam zijn broer Esau van de jacht terug. GEN 27:31 Ook hij maakte een smakelijk maal gereed. Toen hij het binnenbracht, zei hij tot zijn vader: `Kom overeind, vader, en eet van het wildbraad van uw zoon; dan zult u de kracht krijgen om mij uw zegen te geven.' GEN 27:32 Zijn vader Isaak vroeg: `Wie ben je?' hij antwoordde: `Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Esau.' GEN 27:33 Isaak schrok hevig en riep uit: `Maar wie was dan degene die dat ander stuk wild had geschoten en het mij gebracht heeft? Juist voor jij binnenkwam heb ik daarvan gegeten. Hem heb ik mijn zegen gegeven en die zegen zal hij ook houden.' GEN 27:34 Toen Esau dat van zijn vader hoorde, brak hij in luide en bittere jammerklachten uit en smeekte zijn vader: `Vader, geef mij ook uw zegen!' GEN 27:35 Maar hij antwoordde: `Je broer is met een listige leugen bij mij aangekomen en heeft zich van jouw zegen meester gemaakt.' GEN 27:36 Toen zei Esau: `Terecht heet hij Jakob, want hij heeft mij nu al tweemaal bedrogen. Eerst heeft hij zich mijn eerstgeboorterecht toegeeigend en nu bovendien nog mijn zegen.' En hij drong aan: `Hebt u dan voor mij geen zegen meer?' GEN 27:37 Isaak antwoordde en zei tot Esau: `Ik heb hem nu eenmaal tot heerser over jou aangesteld, ik heb al zijn broers tot zijn dienstknechten gemaakt en koren en most aan hem gegeven. Wat kan ik nog doen voor jou, mijn zoon?' GEN 27:38 Maar Esau zei tot zijn vader: `Was dat dan uw enige zegen, vader? Vader, geef mij toch ook een zegen!' En Hij begon luid te jammeren. GEN 27:39 Daarop nam zijn vader Isaak het woord en zei: `Ver van de vruchtbare grond zul je wonen, ver van de dauw uit de hemel van boven. GEN 27:40 Van je zwaard zul je leven, en je broers zul je dienen. Maar als je je losrukt, schudt je zijn juk van je nek!' GEN 27:41 Esau was hevig op Jakob gebeten vanwege de zegen die zijn vader over hem had uitgesproken. En Esau zei bij zichzelf: `De tijd is niet ver meer dat er over mijn vader gerouwd wordt; dan ga ik mijn broer Jakob vermoorden.' GEN 27:42 Toen Rebekka te weten kwam wat haar oudste zoon Esau van plan was, riep zij haar jongste zoon Jakob bij zich en zei hem: `Je broer Esau zint op wraak en wil je vermoorden. GEN 27:43 Luister dus naar mij, mijn zoon. Maak je gereed en neem de wijk naar mijn broer Laban in Haran. GEN 27:44 Blijf daar een tijdlang tot de woede van je broer bekoeld is. GEN 27:45 Als zijn woede over is, zal ik iemand sturen om je terug te halen. Waarom zou ik jullie alle twee op een dag moeten verliezen?' GEN 27:46 Rebekka zei eens tot Isaak: `Het leven valt mij zwaar met die Hethitische vrouwen. Als Jakob nu ook nog trouwt met meisjes van hier, met die Hethitische, dan heb ik helemaal geen GEN 28:1 Toen liet Isaak Jakob bij zich komen, zegende hem en gaf hem deze opdracht: `Je moet niet trouwen met een meisje uit Kanaän. GEN 28:2 Ga op reis naar Paddan-aram, naar het huis van Betuël, de vader van je moeder en huw daar met een van de dochters van Laban, de broer van je moeder. GEN 28:3 Moge God Almachtig je zegenen en je vruchtbaar maken en talrijk, zodat je uitgroeit tot een grote menigte volken. GEN 28:4 Moge Hij aan jou en je nakomelingen de zegen van Abraham schenken, zodat je het land in bezit kunt nemen waar je nu als vreemdeling vertoeft, het land dat God aan Abraham gegeven heeft.' GEN 28:5 Zo liet Isaak Jakob gaan, en deze begaf zich op weg naar Paddan-aram, naar Laban, de zoon van de Arameeër Betuël en de broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Esau. GEN 28:6 Esau merkte dat Isaak Jakob met zijn zegen naar Paddan-aram gestuurd had om er een vrouw te zoeken; hij kwam te weten dat hij hem bij zijn zegen verboden had een Kanaänitische vrouw te huwen, GEN 28:7 en dat Jakob daarom volgens de wens van zijn vader en moeder naar Paddan-aram was gegaan. GEN 28:8 Zo merkte Esau dat de vrouwen uit Kanaän zijn vader Isaak niet bevielen. GEN 28:9 Daarom begaf hij zich naar Ismaël en nam naast de vrouwen die hij reeds had, ook nog Machalat, een dochter van Abrahams zoon Ismaël en een zuster van Nebajot, tot vrouw. GEN 28:10 Jakob vertrok uit Berseba en ging naar Haran. GEN 28:11 Op een bepaalde plaats gekomen, wilde hij daar overnachten, nadat de zon reeds was ondergegaan. Een van de stenen die daar lagen nam hij als hoofdkussen en viel op die plaats in slaap. GEN 28:12 Hij kreeg een droom en zag een ladder die op de aarde stond en waarvan de top tot in de hemel reikte. Langs die ladder gingen Gods engelen op en af. GEN 28:13 Ineens stond Jahwe bij hem en zei: `Ik ben Jahwe, de God van uw vader Abraham en de God van Isaak. Het land, waar gij op ligt, zal Ik aan u en aan uw nakomelingen geven. GEN 28:14 Uw nageslacht zal zijn als het stof van de aarde; gij zult u uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden; door u en uw nakomelingen zal zegen komen over alle geslachten van de aarde. GEN 28:15 Ik ben met u; Ik zal u behoeden waar gij ook gaat, en u terugvoeren naar dit land. Want Ik zal u niet verlaten tot Ik mijn belofte heb vervuld.' GEN 28:16 Jakob werd wakker en riep uit: `Waarlijk, Jahwe is op deze plaats en ik wist het niet.' GEN 28:17 Hij werd bevreesd en zei: `Ontzagwekkend is deze plaats! Dit kan niet anders zijn dan het huis van God en de poort van de hemel.' GEN 28:18 De volgende morgen zette Jakob de steen waar hij met zijn hoofd op had gelegen, overeind als een wijsteen en goot er olie over uit. GEN 28:19 Hij noemde die plaats Betel; vroeger heette die stad Luz. GEN 28:20 Jakob legde de volgende gelofte af: `Als God met mij is en mij beschermt op de reis die ik nu onderneem, als hij mij voedsel geeft om te eten en kleding om mij te bedekken, GEN 28:21 en als ik behouden naar mijn ouderlijk huis terugkeer, dan zal Jahwe mijn God zijn. GEN 28:22 En deze steen, die ik als heilige steen opricht, zal het huis van God zijn; en van alles wat Gij mij schenkt, zal ik u tienden geven.' GEN 29:1 Toen Jakob zijn reis had hervat en verder trok naar het gebied van de Oosterlingen, GEN 29:2 zag hij op een gegeven ogenblik ergens in het veld een put. Drie kudden schapen lagen daar te wachten, omdat uit die put de kudden te drinken kregen. Op de put lag een grote steen, GEN 29:3 en pas als alle herders daar waren samengekomen, rolde men de steen van de opening; zodra men de schapen had laten drinken, legde men de steen weer op de put. GEN 29:4 Jakob vroeg hen: `Broeders, waar komt u vandaan?' Zij antwoordden: `Wij komen van Haran.' GEN 29:5 Hij vervolgde: `Kent u dan Laban, de zoon van Nachor?' Zij antwoordden: `Ja zeker.' GEN 29:6 Hij vroeg verder: `Hoe maakt hij het?' En zij antwoordden: `Uitstekend. Daar komt net zijn dochter Rachel aan met de schapen.' GEN 29:7 Toen zei hij: `Het is nog volop dag en nog lang geen tijd om de kudden bijeen te drijven: geef dus de schapen te drinken en laat ze dan nog wat grazen.' GEN 29:8 Zij zeiden: `Dat kunnen wij niet voordat alle schapen bijeen zijn: pas dan wordt de steen van de put afgerold en kunnen wij de schapen te drinken geven.' GEN 29:9 Hij stond nog met hen te praten, toen Rachel aankwam met de schapen van haar vader, want zij was herderin. GEN 29:10 Zodra Jakob Rachel zag, de dochter van zijn oom Laban, met de schapen van zijn oom, ging hij naar de put toe, rolde de steen weg en liet de schapen van zijn oom Laban drinken. GEN 29:11 Daarop kuste Jakob Rachel en weende luid. GEN 29:12 Toen Jakob Rachel bekend gemaakt had dat hij een bloedverwant van haar vader was, de zoon van Rebekka, ging rachel het gauw aan haar vader vertellen. GEN 29:13 Zodra Laban het nieuws over Jakob, de zoon van zijn zuster, gehoord had, liep hij vlug naar hem toe: hij omhelsde en kuste hem en nam hem mee naar huis. Daar vertelde Jakob Laban alles wat er gebeurd was. GEN 29:14 Toen zei Laban: `Waarlijk, jij bent mijn gebeente en mijn vlees.' En Jakob bleef een volle maand bij hem. GEN 29:15 Daarop zei Laban tot Jakob: `Al ben je van mijn familie, je hoeft toch niet voor niets bij mij te werken. Laat maar horen wat je wilt verdienen.' GEN 29:16 Nu had Laban twee dochters: de oudste heette Lea, de jongste Rachel. GEN 29:17 Lea had fletse ogen, Rachel was welgevormd en mooi, GEN 29:18 zodat Jakob verliefd was op Rachel. Daarom stelde hij voor: `Ik blijf zeven jaar bij u werken voor uw jongste dochter Rachel.' GEN 29:19 Laban zei: `Ik geef haar liever aan jou dan aan iemand anders; blijf dus maar bij mij.' GEN 29:20 Zo kwam het dat Jakob zeven jaar werkte om rachel te krijgen. Die jaren leken hem maar enkele dagen; zoveel hield hij van haar. GEN 29:21 Toen zei Jakob tot Laban: `Geef me mijn vrouw, want mijn tijd is om en ik wil met haar gaan samenleven.' GEN 29:22 Daarop nodigde Laban alle burgers van de stad uit en richtte een feestmaal aan. GEN 29:23 's Avonds echter bracht hij zijn dochter Lea bij Jakob; en deze had gemeenschap met haar. GEN 29:24 Laban schonk zijn slavin Zilpa aan zijn dochter Lea. GEN 29:25 De volgende morgen zag Jakob dat het Lea was. Nu zei hij tot Laban: `Wat hebt u nu met mij uitgehaald? Ik heb toch gewerkt om Rachel te krijgen? Waarom hebt u mij bedrogen?' GEN 29:26 Laban antwoordde: `Het is bij ons geen gewoonte, de jongste uit te huwelijken voor de oudste. GEN 29:27 Breng dus eerst met haar de bruiloftsweek door; de andere kun je ook krijgen, als je nog eens zeven jaar bij mij wilt werken.' GEN 29:28 Dat deed Jakob; hij bracht met Lea de bruiloftsweek door, en Laban gaf hem zijn dochter Rachel als vrouw. GEN 29:29 Laban schonk zijn slavin Bilha aan Rachel. GEN 29:30 Jakob had ook gemeenschap met Rachel; hij hield meer van haar dan van Lea. Zo werkte hij nog eens zeven jaar bij Laban. GEN 29:31 Toen Jahwe zag dat Lea minder bemind werd, opende Hij haar schoot, terwijl Rachel onvruchtbaar bleef. GEN 29:32 Lea werd zwanger, baarde een zoon en noemde hem Ruben; want, zei ze, `Jahwe heeft neergezien op mijn ellende; nu zal mijn man wel van mij gaan houden.' GEN 29:33 Zij werd opnieuw zwanger, baarde een zoon en zei: `Jahwe heeft gehoord dat ik minder bemind word; daarom heeft Hij mij ook dit kind gegeven.' En zij noemde hem Simeon. GEN 29:34 Zij werd nog eens zwanger, baarde weer een zoon en zei: `Ditmaal zal mijn man zich wel aan mij gaan hechten, want ik heb hem drie zonen geschonken.' Daarom kreeg hij de naam Levi. GEN 29:35 Zij werd nog eens zwanger, baarde een zoon en zei: `Ditmaal zal ik Jahwe prijzen.' Daarom noemde zij hem Juda. Daarna kreeg zij geen kinderen meer. GEN 30:1 Toen Rachel zag dat zij Jakob geen kinderen schonk, werd ze jaloers op haar zuster en zei tot Jakob: `Geef mij toch kinderen, anders ga ik dood.' GEN 30:2 Toen werd Jakob kwaad op Rachel en zei: `Neem ik soms de plaats in van God, die je geen kinderen laat krijgen?' GEN 30:3 Daarop zei ze: `Hier is mijn slavin Bilha; heb gemeenschap met haar; dan kan zij op mijn knieën baren en kan ik kinderen krijgen door haar.' GEN 30:4 Zij gaf hem dus haar slavin Bilha tot vrouw en Jakob had gemeenschap met haar. GEN 30:5 Bilha werd zwanger en schonk Jakob een zoon. GEN 30:6 Toen zei Rachel: `God heeft mij recht gedaan. Hij heeft mijn gebed verhoord en mij een zoon geschonken.' Daarom noemde zij hem Dan. GEN 30:7 Rachels slavin Bilha werd opnieuw zwanger en schonk Jakob een tweede zoon. GEN 30:8 Rachel zei: `Een harde strijd heb ik met mijn zuster gestreden en ik heb overwonnen.' Daarom noemde zij hem Naftali. GEN 30:9 Toen Lea merkte, dat ze geen kinderen meer kreeg, gaf zij haar slavin Zilpa aan Jakob als vrouw. GEN 30:10 En ook Zilpa, de slavin van Lea, schonk Jakob een zoon. GEN 30:11 Toen zei Lea: `Het geluk is gekomen.' Daarom noemde zij hem Gad. GEN 30:12 Lea's slavin Zilpa schonk Jakob een tweede zoon. GEN 30:13 Nu zei Lea: `Ik ben wel gelukkig, de meisjes zullen mij gelukkig prijzen.' Daarom noemde zij hem Aser. GEN 30:14 In de dagen van de tarweoogst ging Ruben er eens op uit en vond liefdesappels, ergens op het veld, en bracht die naar zijn moeder Lea. Nu zei Rachel tot Lea: `Geef mij ook een paar van die liefdesappels van je zoon.' GEN 30:15 Maar zij antwoordde: `Is het niet genoeg dat je me mijn man afneemt? Wil je nu ook nog beslag leggen op die liefdesappels van mijn zoon?' Rachel zei: `Als je mij de liefdesappels van je zoon geeft, mag Jakob vannacht bij jou slapen.' Toen Jakob dus 's avonds van het veld kwam, ging Lea hem tegemoet GEN 30:16 en zei: `Je moet bij mij komen slapen, want ik heb eerlijk voor je betaald met de liefdesappels van mijn zoon.' Die nacht ging hij dus bij haar slapen. GEN 30:17 En God verhoorde Lea: zij werd zwanger en schonk Jakob een vijfde zoon. GEN 30:18 Toen zei Lea: `God heeft mij beloond, omdat ik mijn slavin aan mijn man heb gegeven.' Daarom noemde zij die zoon Issakar. GEN 30:19 Lea werd nog eens zwanger en schonk Jakob een zesde zoon. GEN 30:20 Toen zei Lea: `God heeft mij een mooi geschenk gegeven; ditmaal zal mijn man wel bij mij blijven, want ik heb hem zes zonen geschonken.' En zij noemde die zoon Zebulon. GEN 30:21 Daarna bracht zij nog een dochter ter wereld en noemde haar Dina. GEN 30:22 Toen dacht God aan Rachel: Hij verhoorde haar en opende haar schoot. GEN 30:23 Zij werd zwanger, baarde een zoon, en zei: `God heeft mijn schande weggenomen.' GEN 30:24 Zij noemde hem Jozef, daarbij denkend: `Moge Jahwe mij nog een zoon toevoegen.' GEN 30:25 Toen Rachel Jozef gebaard had, zei Jakob tot Laban: `Laat mij teruggaan naar mijn woonplaats en vaderland. GEN 30:26 Geef mij mijn vrouwen en kinderen voor wie ik bij u gewerkt heb, en laat mij gaan; u weet zelf hoe hard ik voor u gewerkt heb.' GEN 30:27 Maar Laban zei tot Jakob: `Je moet toch ook met mij rekening houden; ik heb uit tekenen opgemaakt dat Jahwe mij om jou gezegend heeft.' GEN 30:28 En hij voegde eraan toe: `Zeg maar welk loon je van mij wenst, en ik geef het.' GEN 30:29 Jakob antwoordde: `U weet zelf hoe hard ik voor u gewerkt heb en hoe het onder mijn beheer met uw kudde gegaan is. GEN 30:30 Voor mijn komst was uw bezit maar klein; het heeft zich sterk uitgebreid, omdat Jahwe u gezegend heeft, bij elke stap die ik zette. Wanneer zal ik nu eens voor mijn eigen gezin kunnen werken?' GEN 30:31 Daarop zei Laban: `Wat moet ik je geven?' Jakob antwoordde: `U hoeft mij niets te geven; ik ben bereid opnieuw uw kudde te hoeden, als u het volgende voorstel aanvaardt. GEN 30:32 Ga vandaag al uw kleinvee langs, zet alle gevlekte en gespikkelde dieren bijeen en zonder ook alle zwarte schapen af. Als loon wil ik enkel de gespikkelde en gevlekte geiten. GEN 30:33 U kunt mij vertrouwen; als u in de toekomst mijn loon in ogenschouw komt nemen, mogen alle geiten, niet gevlekt of gespikkeld en alle niet-zwarte schapen gelden als door mij gestolen.' GEN 30:34 Laban zei: `Goed, ik neem je voorstel aan.' GEN 30:35 Nog diezelfde dag zette Laban de gestreepte en gespikkelde bokken en alle gevlekte en gespikkelde geiten bijeen, alles waar maar iets wits aan was, en ook alle zwarte schapen. Hij vertrouwde die kudde toe aan zijn zonen. GEN 30:36 Hij bepaalde dat er tussen hem en Jakob een afstand van drie dagreizen moest blijven; en Jakob mocht alleen het kleinvee van Laban weiden dat nog over was. GEN 30:37 Toen haalde Jakob verse takken van populieren, amandelbomen en platanen, en bracht er witte strepen op aan, door het wit van de takken bloot te leggen. GEN 30:38 De takken die hij zo bewerkt had, legde hij vlak voor het kleinvee in de troggen en drinkbakken. De dieren waren namelijk gewoon te paren als ze daar kwamen drinken. GEN 30:39 De dieren die bij de takken gepaard hadden wierpen gestreepte, gevlekte en gespikkelde jongen. GEN 30:40 De aldus verkregen jongen hield Jakob apart; met deze gevlekte en zwarte dieren liet hij Labans kleinvee paren en op deze wijze vormde hij zich een eigen kudde, die hij niet bij Labans kudde liet komen. GEN 30:41 Alleen voor de sterke dieren die bronstig werden legde Jakob zijn takken in de troggen, om ze bij die takken te laten paren. GEN 30:42 Voor de zwakke dieren legde hij ze er niet in. Zodoende kreeg Laban alleen zwakke dieren en Jakob sterke. GEN 30:43 Zo werd Jakob buitengewoon rijk. Hij kreeg grote kudden, slavinnen en slaven, kamelen en ezels. GEN 31:1 Eens hoorde Jakob dat de zonen van Laban zeiden: `Jakob heeft onze vader heel zijn bezit afhandig gemaakt, ten koste van hem heeft hij al die rijkdom verworven.' GEN 31:2 Jakob zag aan het gezicht van Laban dat deze hem niet meer zo goed gezind was als vroeger. GEN 31:3 Toen sprak Jahwe tot Jakob: `Keer terug naar het land van uw vaderen en naar uw bloedverwanten; Ik zal met u zijn.' GEN 31:4 Daarop riep Jakob Rachel en Lea naar buiten bij zijn kudde, GEN 31:5 en zei hun: `Ik zie aan het gezicht van je vader dat hij me niet meer zo goed gezind is als vroeger; maar de God van mijn vader is nu eenmaal met mij geweest, GEN 31:6 en jullie weten goed dat ik naar beste vermogen voor je vader gewerkt heb, GEN 31:7 ofschoon hij me bedrogen en mijn loon wel tienmaal gewijzigd heeft. Maar God heeft niet toegelaten dat hij me benadeelde. GEN 31:8 Toen Laban vaststelde dat de gevlekte dieren mijn loon zouden uitmaken, wierp al het kleinvee gevlekte jongen; toen hij bepaalde dat de gestreepte dieren mijn loon zouden zijn, wierp al het kleinvee gestreepte jongen. GEN 31:9 Op deze wijze heeft God de dieren aan jullie vader ontnomen en ze aan mij gegeven. GEN 31:10 In de tijd dat het vee paarde zag ik plotseling in een droom, dat de bokken die de schapen en geiten besprongen gestreept, gespikkeld of gevlekt waren. GEN 31:11 In die droom sprak Gods engel tot mij: Jakob. En ik antwoordde: Hier ben ik. GEN 31:12 En Hij zei: Kijk rond, en zie hoe alle bokken die de schapen en de geiten bespringen gestreept, gespikkeld of gevlekt zijn. Want Ik heb gezien hoe Laban u steeds weer behandelt. GEN 31:13 Ik ben de God van Betel, waar gij een heilige steen met olie begoten hebt en mij een belofte hebt gedaan. Trek daarom weg uit dit land en keer terug naar uw geboortegrond.' GEN 31:14 Rachel en Lea antwoordden hem: `Wij krijgen of erven toch niets meer uit het vaderlijk huis. GEN 31:15 Vader beschouwt ons immers als vreemdelingen, want hij heeft ons verkocht en het geld bovendien nog opgemaakt. GEN 31:16 Maar het vermogen dat God aan vader ontnomen heeft, behoort geheel aan ons en onze kinderen. Doe dus maar wat God van je vraagt.' GEN 31:17 Toen maakte Jakob zich reisvaardig, liet zijn kinderen en vrouwen plaats nemen op de kamelen, GEN 31:18 voerde zijn hele veestapel en alle bezittingen die hij in Paddan-aram verworven had, met zich mee en begaf zich op weg naar zijn vader Isaak in Kanaän. GEN 31:19 Terwijl Laban afwezig was om de schapen te scheren, pakte Rachel de huisgoden van haar vader weg. GEN 31:20 Ook Jakob bedroog de Arameeër Laban door zijn vlucht voor hem verborgen te houden. GEN 31:21 Jakob ging op de vlucht met al zijn bezittingen; hij stak de rivier over en trok in de richting van het gebergte van Gilead. GEN 31:22 Op de derde dag kwam Laban te weten dat Jakob gevlucht was. GEN 31:23 Met zijn verwanten zette hij hem na, zeven dagreizen, en haalde hem tenslotte in bij het gebergte van Gilead. GEN 31:24 Maar in die nacht verscheen God aan de Arameeër Laban en zei hem: `Wacht u ervoor dreigementen te uiten tegen Jakob.' GEN 31:25 Toen Laban Jakob had ingehaald, sloeg deze zijn tenten op in het gebergte; ook Laban en de zijnen sloegen in het gebergte van Gilead hun tenten op. GEN 31:26 Laban zei toen tot Jakob: `Wat heeft je toch bezield om mij zo te bedriegen en mijn dochters als gevangenen mee te voeren? GEN 31:27 Waarom ben je heimelijk gevlucht, waarom heb je mij bedrogen en mij niets gezegd? Met gejubel en gezang, met tamboerijn en citer zou ik je uitgeleide hebben gedaan. GEN 31:28 Je hebt mij niet eens de kans gegeven mijn zonen en dochters vaarwel te kussen. Je gedrag is wel zonderling! GEN 31:29 Ik zou het je zeer lastig kunnen maken, maar de God van je vader heeft mij vannacht gewaarschuwd: Wacht u ervoor dreigementen te uiten tegen Jakob. GEN 31:30 Als je overigens vertrokken bent omdat je zo vurig naar je ouderlijk huis verlangt, waarom heb je dan mijn goden gestolen?' GEN 31:31 Jakob gaf Laban ten antwoord: `Ik was bang dat u mij anders uw dochters zou ontnemen. GEN 31:32 Maar als u bij een van ons uw goden vindt, zal die het er niet levend afbrengen. In het bijzijn van onze verwanten moet u maar kijken of ik iets van u heb, en dat nemen.' Jakob wist namelijk niet dat Rachel de huisgoden had gestolen. GEN 31:33 Laban ging dus Jakobs tent binnen, en ook die van Lea en van de beide slavinnen, maar hij vond niets. Van de tent van Lea ging hij naar die van Rachel. GEN 31:34 Rachel echter had de huisgoden in het zadel van haar kameel verstopt en was erop gaan zitten. Laban doorzocht de hele tent, zonder iets te vinden. GEN 31:35 Ze zei tot haar vader: `Mijn heer, neem mij niet kwalijk dat ik blijf zitten, want ik ben ongesteld.' Hoe hij ook zocht, hij vond de huisgoden niet. GEN 31:36 Toen werd Jakob kwaad; hij voer tegen Laban uit en zei: `Wat heb ik misdreven, wat voor kwaad heb ik gedaan, dat u mij zo verwoed achtervolgt? GEN 31:37 U hebt nu mijn hele huisraad doorzocht. Hebt u iets gevonden dat van u is? Leg het dan voor mijn en uw verwanten neer en laat hen zeggen wie van ons beiden gelijk heeft. GEN 31:38 Twintig jaar ben ik nu bij u geweest; uw schapen en geiten hebben geen misdracht gehad en van de rammen van uw kudde heb ik nooit gegeten. GEN 31:39 Wat door wilde dieren verscheurd was, heb ik niet bij u gebracht, maar ik heb het zelf vergoed. Uit mijn eigen bezit hebt u teruggeeist wat mij overdag of's nachts ontstolen werd. GEN 31:40 Overdag verging ik van de hitte,'s nachts van de kou, en ik heb mijn ogen geen slaap gegund. GEN 31:41 Twintig jaar heb ik nu in uw huis doorgebracht; veertien jaar heb ik voor u gewerkt om uw twee dochters, zes jaar om uw vee; en wel tienmaal hebt u mijn loon gewijzigd. GEN 31:42 Als de God van mijn vader, de God van Abraham en de Gevreesde van Isaak, mij niet had bijgestaan, dan had u mij nu met lege handen weggestuurd. God heeft echter neergezien op mijn ellende en mijn zwoegen, en vannacht is hij tussenbeide gekomen.' GEN 31:43 Laban antwoordde Jakob: `Het gaat om mijn eigen dochters, mijn eigen kinderen en mijn eigen vee; al wat je hier ziet is wel van mij! Wat voor kwaad zou ik mijn eigen dochters of de kinderen die zij gebaard hebben willen aandoen? GEN 31:44 Kom, laat ons een verbond met elkaar sluiten, dan hebben wij beiden een bewijsstuk.' GEN 31:45 Toen zette Jakob een heilige steen overeind. GEN 31:46 En Jakob zei tot zijn verwanten: `Raap stenen bijeen.' Zij haalden stenen, maakten daar een steenhoop van, en hielden bij de steenhoop een maaltijd. GEN 31:47 Laban noemde hem Jegar-sahaduta, en Jakob noemde hem Galed. GEN 31:48 En Laban zei: `Deze steenhoop moet heden het bewijsstuk voor ons beiden zijn.' Daarom heet hij Gal-ed, GEN 31:49 en ook Mispa, omdat hij zei: `Moge Jahwe de wacht houden tussen mij en jou, wanneer wij uit elkaar zijn gegaan. GEN 31:50 Je mag mijn dochters niet slecht behandelen en geen andere vrouwen huwen. En al is er ook niemand die ons ziet, God is onze getuige.' GEN 31:51 En Laban zei tot Jakob: `Dit is de steenhoop, dit is de heilige steen, die ik heb opgericht tussen mij en jou. GEN 31:52 Bewijsstuk is deze steenhoop, bewijsstuk is deze gedenksteen: ik zal deze steenhoop nooit met kwade bedoelingen passeren om naar jou te komen en jij niet om naar mij te komen. GEN 31:53 De God van Abraham en de God van Nachor - de goden van hun vaders - mogen onze rechters zijn.' En Jakob legde zijn eed af bij de Gevreesde van zijn vader Isaak. GEN 31:54 Toen slachtte Jakob op de berg een offerdier en nodigde zijn verwanten bij de maaltijd uit. Na de maaltijd bleven zij op de berg overnachten. GEN 32:1 De volgende morgen kuste Laban zijn zonen en dochters vaarwel, gaf hun zijn zegen en keerde naar zijn woonplaats terug. GEN 32:2 Toen Jakob zijn reis voortzette, kwamen hem engelen van God tegemoet. GEN 32:3 En zodra hij die bemerkte, zei Jakob: `Het is hier de legerplaats van God.' Daarom noemde hij die plaats Machanaim. GEN 32:4 Nu zond Jakob boden voor zich uit naar zijn broer Esau in Seir, het gebied van Edom, GEN 32:5 met de opdracht: `Dit moeten jullie aan mijn heer Esau zeggen: Zo spreekt uw dienaar Jakob: Ik heb bij Laban gewoond en ben daar tot nu toe gebleven. GEN 32:6 Ik heb runderen, ezels en schapen, slaven en slavinnen verworven. Ik laat u dit weten om bij mijn heer een gunstig onthaal te vinden.' GEN 32:7 Bij hun terugkeer zeiden de boden tot Jakob: `We zijn bij uw broer Esau geweest; hij is nu al met vierhonderd man naar u onderweg.' GEN 32:8 Jakob schrok hevig, en in zijn angst verdeelde hij de mensen die bij hem waren, evenals de schapen, runderen en kamelen, in twee groepen. GEN 32:9 Hij dacht: `Als Esau op de ene groep afkomt en die neerslaat, dan kan de andere tenminste ontkomen.' GEN 32:10 En Jakob bad: `O God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Isaak, Jahwe die mij gezegd hebt: Keer terug naar uw land en uw verwanten, en Ik zal u weldoen: GEN 32:11 uw dienaar is al uw gunstbewijzen en al uw blijken van trouw niet waardig. Ik had alleen maar een stok, toen ik de Jordaan hier overtrok, en nu ben ik tot twee groepen uitgegroeid. GEN 32:12 Maar red mij nu ook uit de greep van mijn broer Esau, want ik ben bang, dat hij mij met moeder en kinderen komt neerslaan. GEN 32:13 Gij hebt mij toch beloofd: Ik zal u met weldaden overladen, en uw nageslacht zal Ik maken als het zand aan de zee, zo talrijk dat het niet te tellen is.' GEN 32:14 En hij bracht daar de nacht door. Toen nam hij uit zijn bezit geschenken voor Esau: GEN 32:15 tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd schapen en twintig rammen, GEN 32:16 dertig zogende kamelen met hun jongen, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezelshengsten. GEN 32:17 Dat alles verdeelde hij in afzonderlijke kudden en vertrouwde die toe aan zijn knechten, met de opdracht: `Trek voor mij uit, maar met telkens een afstand tussen de kudden.' GEN 32:18 en hij beval aan de voorste: `Als mijn broer Esau je tegenkomt en je vraagt bij wie je hoort, waarheen je gaat en van wie de dieren zijn die je voor je uitdrijft, GEN 32:19 dan moet je zeggen: Van uw dienaar Jakob; zij zijn een geschenk voor mijn heer Esau. Hij zelf komt achter ons aan.' GEN 32:20 Aan de tweede en de derde en aan allen die de leiding van de kudden hadden, gaf hij eveneens opdracht: `Zeg Esau hetzelfde, als jullie hem tegenkomen. GEN 32:21 Zeg hem: Uw dienaar Jakob komt achter ons aan.' Want hij dacht: `Laat ik hem gunstig stemmen door geschenken te sturen; als ik hem daarna onder de ogen kom, zal hij mij misschien vriendelijk ontvangen.' GEN 32:22 Zo gingen de geschenken vooruit, terwijl hijzelf die nacht nog in het kamp bleef. GEN 32:23 Maar tijdens die nacht stond hij op en stak met zijn twee vrouwen, zijn twee slavinnen en zijn elf kinderen het wed van de Jabbok over. GEN 32:24 Toen Jakob hen met zijn bezittingen over de rivier gebracht had, GEN 32:25 bleef hij alleen achter. En een man worstelde met hem, tot het aanbreken van de dageraad. GEN 32:26 Toen de man gewaar werd dat hij Jakob niet aankon, stootte hij hem bij de worsteling boven tegen de heup, zodat die ontwricht werd. GEN 32:27 Daarop zei de man: `Laat mij gaan, want de dageraad is aangebroken.' Maar hij antwoordde: `Ik laat u niet gaan, wanneer gij mij niet zegent.' GEN 32:28 Hij vroeg: `Hoe is uw naam?' Hij gaf ten antwoord: `Jakob.' GEN 32:29 Toen zei hij: `Voortaan zult gij geen Jakob meer heten, maar Israël, want gij hebt met God gestreden en met mensen en gij hebt hen overwonnen.' GEN 32:30 Nu vroeg Jakob: `Maak mij uw naam bekend.' Maar hij zei: `Waarom vraagt ge naar mijn naam?' Toen gaf hij hem ter plaatse zijn zegen. GEN 32:31 Jakob noemde die plaats Peniel, `want - zo zei hij - ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en ik ben toch in leven gebleven.' GEN 32:32 De zon ging op, zodra hij Peniel voorbij was. Sindsdien was hij mank aan zijn heup. GEN 32:33 Vandaar dat de Israëlieten tot op de huidige dag de spier die boven aan de heup ligt niet eten, omdat God Jakob boven tegen de heup, tegen de spier van het heupgewricht had gestoten. GEN 33:1 Toen Jakob opkeek, zag hij Esau met vierhonderd man op zich afkomen. Hij verdeelde zijn kinderen over Lea en Rachel en de twee slavinnen. GEN 33:2 De slavinnen met hun kinderen zette hij voorop, dan Lea met haar kinderen, en tenslotte Rachel met Jozef achteraan. GEN 33:3 Zelf ging hij voor hen uit en boog zevenmaal tot op de grond, tot hij bij zijn broer kwam. GEN 33:4 Esau snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem, en zij werden beiden tot tranen toe bewogen. GEN 33:5 Toen Esau opkeek en de vrouwen en kinderen zag, vroeg hij: `Wie zijn dat daar?' Jakob antwoordde: `Het zijn de kinderen die God uw dienaar geschonken heeft.' GEN 33:6 Toen kwamen de slavinnen met haar kinderen naderbij en bogen diep. GEN 33:7 Ook Lea met haar kinderen trad naderbij en boog diep; ten slotte kwamen Jozef en Rachel en ze bogen diep. GEN 33:8 Toen sprak hij: `Wat moeten toch al die kudden die mij tegemoet zijn gekomen?' Hij antwoordde: `Ik wilde mijn heer gunstig stemmen.' GEN 33:9 Maar Esau zei: `Ik ben rijk genoeg, mijn broer; wat van u is moet van u blijven.' GEN 33:10 Maar Jakob drong aan: `Geen sprake van! Als u mij werkelijk goed gezind bent, neem dan dit geschenk van mij aan. Ik heb tegen u opgezien, zoals men tegen God opziet, maar u hebt mij welwillend ontvangen. GEN 33:11 Aanvaard toch het huldeblijk dat ik u aanbied; God is goed voor mij geweest, zodat mij niets ontbreekt.' Toen hij zo bleef aandringen, nam Esau het aan. GEN 33:12 Toen zei deze: `Laten wij verder trekken; ik zal voor u uitgaan.' GEN 33:13 Maar Jakob zei hem: `Mijn heer weet, hoe teer de kinderen zijn. Ook heb ik nog zogende schapen en runderen bij me; als die dieren een dag teveel opgejaagd worden, bezwijken ze. GEN 33:14 Laat mijn heer voor zijn dienaar uitgaan; dan zal ik op mijn gemak mijn tocht vervolgen, en mij schikken naar het vee dat voorop gaat en naar de kinderen, totdat ik mijn heer in Seir treft.' GEN 33:15 Toen zei Esau: `Dan zal ik enige van mijn mensen bij u achterlaten.' Maar hij antwoordde: `Waarom toch? Ik ben al blij dat mijn heer zo welwillend voor mij is geweest.' GEN 33:16 Daarop aanvaardde Esau nog diezelfde dag de terugtocht naar Seir. GEN 33:17 Jakob echter trok de richting van Sukkot uit; daar bouwde hij een huis voor zichzelf, en voor zijn vee maakte hij hutten. Zo heeft die plaats de naam Sukkot gekregen. GEN 33:18 Vanuit Paddan-aram kwam Jakob behouden aan in de stad Sichem, in Kanaän; hij sloeg zijn tenten op ten oosten van de stad. GEN 33:19 Hij wist van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd geldstukken het land te kopen waarop hij zijn tent had neergezet. GEN 33:20 Hij richtte daar een altaar op en noemde het: `De God van Israël is God.' GEN 34:1 Dina, de dochter die Lea aan Jakob geschonken had, was eens op bezoek gegaan bij de meisjes van de streek. GEN 34:2 Toen Sichem, de zoon van de Chiwwiet Hemor, de vorst van het land, haar gezien had, ontvoerde hij haar, ging bij haar liggen en onteerde haar. GEN 34:3 Hij verloor zijn hart aan Jakobs dochter Dina; hij hield veel van het meisje en zocht haar genegenheid te winnen. GEN 34:4 Daarom zei hij tot zijn vader Hemor: `Zorg dat het meisje mijn vrouw wordt.' GEN 34:5 Nu had Jakob wel gehoord dat zijn dochter Dina onteerd was, maar omdat zijn zonen buiten bij de kudde verbleven, zei hij er niets van tot zij weer thuis waren. GEN 34:6 Hemor, de vader van Sichem, kwam met Jakob onderhandelen. GEN 34:7 Zodra Jakobs zonen van de zaak hoorden, kwamen zij van buiten terug. Zij voelden zich beledigd en waren woedend, want door het samenzijn met Jakobs dochter had Sichem een schanddaad in Israël begaan, iets ongehoords. GEN 34:8 Hemor sprak met hen en zei: `Mijn zoon Sichem is hevig verliefd op uw dochter; ik verzoek u haar aan hem ten huwelijk te geven. GEN 34:9 Knoop familiebanden met ons aan. Als u ons uw dochters ten huwelijk geeft, kunt u die van ons krijgen. GEN 34:10 U kunt ook bij ons blijven wonen: het land ligt voor u open. Blijf maar hier; u kunt rondtrekken of ergens gaan wonen.' GEN 34:11 En Sichem zei tot Dina's vader en tot haar broers: `Als u mij terwille bent, kunt u van mij krijgen wat u wenst. GEN 34:12 Al stelt u de bruidsprijs en het geschenk nog zo hoog, ik betaal wat u vraagt, als u mij het meisje maar geeft.' GEN 34:13 Toen gaven Jakobs zonen, wier zuster Dina onteerd was, aan Sichem en aan zijn vader Hemor dit arglistige antwoord: GEN 34:14 `Dat kunnen wij niet doen; wij kunnen onze zuster niet aan een onbesnedene geven, want dat is een schande voor ons. GEN 34:15 Slechts op een voorwaarde kunnen wij u terwille zijn: u moet worden zoals wij, en al uw mannen moeten zich laten besnijden. GEN 34:16 Dan zullen wij u onze dochters ten huwelijk geven en kunnen wij die van u nemen; dan blijven wij bij u wonen en worden samen een volk. GEN 34:17 Als u zich echter niet wilt laten besnijden, dan nemen wij onze dochter mee terug en gaan heen.' GEN 34:18 Hun voorstel beviel Hemor en zijn zoon Sichem; GEN 34:19 en de jonge man trachtte het onmiddellijk ten uitvoer te brengen, want hij had zijn zinnen gezet op Jakobs dochter en genoot veel aanzien in zijn ouderlijk huis. GEN 34:20 Hemor en zijn zoon Sichem begaven zich dus naar de stadspoort en richtten het woord tot de burgers van hun stad. Zij zeiden: GEN 34:21 `Deze mensen zijn ons goed gezind. Zij mogen in het land blijven wonen en er rondtrekken; er is immers ruimte genoeg voor hen in het land. Wij kunnen hun dochters tot vrouw nemen en hun onze dochters geven. GEN 34:22 Maar slechts op een voorwaarde zijn deze mensen bereid bij ons te blijven en met ons een volk te vormen: al onze mannen moeten zich laten besnijden, want zij zijn zelf ook besneden. GEN 34:23 Hun bezit, hun goederen en hun vee zullen ons eigendom worden. Laten we dus op hun voorstel ingaan; dan blijven zij bij ons.' GEN 34:24 Allen die toegang hadden tot de stadspoort gaven gehoor aan Hemor en zijn zoon Sichem en lieten zich besnijden. GEN 34:25 Maar op de derde dag, toen zij hevige pijn hadden, grepen Simeon en Levi, de twee zonen van Jakob die broers van Dina waren, naar hun zwaard, overvielen de op niets verdachte stad en vermoordden alle mannen. GEN 34:26 Ook Hemor en zijn zoon Sichem doodden zij met het zwaard. Daarop haalden ze Dina uit Sichems huis en trokken af. GEN 34:27 De zonen van Jakob stortten zich op de verslagenen en plunderden de stad, omdat men hun zuster onteerd had. GEN 34:28 Schapen, runderen en ezels, al wat in de stad of op het land was, maakten zij buit. GEN 34:29 Al wat zij bezaten, al hun kleine kinderen en hun vrouwen, namen zij gevangen en zij plunderden de huizen leeg. GEN 34:30 Toen zei Jakob tegen Simeon en Levi: `Jullie hebben mij in grote moeilijkheden gebracht door mij in opspraak te brengen bij de bewoners van het land, de Kanaänieten en Perizzieten. Ik heb maar weinig mannen tot mijn beschikking. Als zij gezamenlijk tegen mij optrekken, verslaan ze mij en brengen ze mij om, met mijn gezin.' GEN 34:31 Maar zij zeiden: `Moest hij dan onze zuster als een lichte vrouw behandelen?' GEN 35:1 God zei tot Jakob: `Trek naar Betel en vestig u daar. Richt er een altaar op voor de God die u verschenen is, toen gij vluchtte voor uw broer Esau.' GEN 35:2 Jakob sprak toen tot zijn gezin en tot allen die met hem meetrokken: `Doe de vreemde goden weg die jullie bij je hebben, reinig je en trek andere kleren aan. GEN 35:3 Wij gaan naar Betel; ik wil daar een altaar oprichten voor de God die mij verhoord heeft, toen ik in moeilijkheden verkeerde, en die mij beschermd heeft op mijn reis.' GEN 35:4 Toen gaven zij aan Jakob al de vreemde goden die zij hadden, en ook de oorringen die ze droegen; en Jakob begroef alles onder de terebint bij Sichem. GEN 35:5 Toen zij opbraken, werden de steden in de omtrek door God met schrik geslagen, zodat zij de zonen van Jakob niet durfden achtervolgen. GEN 35:6 toen Jakob met al zijn mensen te Luz - of Betel - in Kanaän was aangekomen, GEN 35:7 bouwde hij daar een altaar en noemde de plaats `God van Betel', omdat God zich daar aan hem geopenbaard had, toen hij op de vlucht was voor zijn broer. GEN 35:8 Daarna stierf Debora, de voedster van Rachel; zij werd begraven ten zuiden van Betel, onder de eik die Allon-bakut genoemd wordt. GEN 35:9 Toen Jakob uit Paddan-aram terugkeerde, verscheen God hem opnieuw en sprak deze zegen over hem uit: GEN 35:10 `Uw naam is Jakob; voortaan zult gij echter geen Jakob meer heten, maar Israël.' Zo gaf Hij hem de naam Israël. GEN 35:11 Ook sprak God tot hem: `Ik ben God Almachtig. Wees vruchtbaar en word talrijk, een volk, een menigte van volken zal uit u voortkomen, en koningen zullen uit uw lenden uitgaan. GEN 35:12 Het land dat Ik aan Abraham en Isaak heb gegeven, geef Ik aan u en ook aan uw nakomelingen.' GEN 35:13 God steeg op van de plaats waar Hij met hem gesproken had. GEN 35:14 Op de plaats waar God met Jakob had gesproken, richtte deze een heilige steen op; op deze steen goot hij een plengoffer van olie uit. GEN 35:15 Aan de plaats waar God tot hem gesproken had gaf Jakob de naam Betel. GEN 35:16 Na hun vertrek uit Betel, even voor Efrata, bracht Rachel een kind ter wereld. De bevalling was moeilijk. GEN 35:17 Tijdens die zware bevalling zei de vroedvrouw tot haar: `Wees maar niet bang, want u krijgt weer een zoon.' GEN 35:18 Toen het leven van haar week en zij op sterven lag, noemde zij hem Ben-oni; maar zijn vader gaf hem de naam Benjamin. GEN 35:19 Toen Rachel gestorven was, werd zij begraven langs de weg naar Efrata of Betlehem. GEN 35:20 Jakob plaatste een gedenkteken op haar graf; deze gedenksteen op het graf van Rachel staat er vandaag nog. GEN 35:21 Toen trok Israël verder, en hij sloeg even voorbij Migdal-eder zijn tent op. GEN 35:22 Terwijl Israël in dat gebied verbleef, had Ruben gemeenschap met Bilha, de bijvrouw van zijn vader; en Israël kwam dat te weten. Jakobs zonen waren twaalf in getal. GEN 35:23 De zonen van Lea waren Ruben, Jakobs eerstgeboren. Simeon, Levi, Juda, Issakar en Zebulon. GEN 35:24 De zonen van Rachel waren Jozef en Benjamin. GEN 35:25 De zonen van Bilha, de slavin van Rachel, waren Dan en Naftali. GEN 35:26 De zonen van Zilpa, de slavin van Lea, waren Gad en Aser. Dat zijn de zonen van Jakob, die in Paddan-aram geboren zijn. GEN 35:27 Jakob begaf zich naar zijn vader Isaak, te Mamre bij Kirjat-arba - ook Hebron geheten -, de woonplaats van Abraham en Isaak. GEN 35:28 Toen Isaak honderdtachtig jaar was, GEN 35:29 gaf hij de geest en stierf; oud en verzadigd van jaren werd hij met zijn voorvaderen verenigd; zijn zonen Esau en Jakob begroeven hem. GEN 36:1 Dit zijn de nakomelingen van Esau, ook Edom geheten. GEN 36:2 Esau was gehuwd met Kanaänitische vrouwen, met Ada, een dochter van de Hethiet Elon, met Oholibama, een dochter van Ana, de zoon van de Chiwwiet Sibon, GEN 36:3 en met Basemat, een dochter van Ismaël en een zuster van Nebajot. GEN 36:4 Ada schonk Esau Elifaz; Basemat schonk hem Reuël, GEN 36:5 en Oholibama schonk hem Jeus, Jalam en Korach. Dat zijn de zonen van Esau, die in Kanaän geboren werden. GEN 36:6 Esau nu verliet zijn broer Jakob, met zijn vrouwen, zonen en dochters en al zijn huisgenoten, met zijn bezittingen, met al zijn vee en alle eigendommen die hij in Kanaän verworven had, en trok naar een ander land. GEN 36:7 Hun bezit was zo groot, dat zij niet bij elkaar konden blijven; het land waar ze rondzwierven, kon hen en hun kudden niet onderhouden. GEN 36:8 Esau - ofwel Edom - vestigde zich in het Seirgebergte. GEN 36:9 Dit zijn de nakomelingen van Esau, de vader van Edom, in het Seirgebergte. GEN 36:10 De namen van Esau's zonen zijn Elifaz, zoon van Esau's vrouw Ada, en Reuël, de zoon van Esau's vrouw Basemat. GEN 36:11 Elifaz' zonen zijn Teman, Omar, Sefo, Gatam en Kenaz. GEN 36:12 Timna, een bijvrouw van Esau's zoon Elifaz, baarde Amalek. Dat zijn de zonen van Esau's vrouw Ada. GEN 36:13 Reuëls zonen zijn Nachat, Zerach, Samma en Mizza. Dat zijn de zonen van Esau's vrouw Basemat. GEN 36:14 Zonen van Esau's vrouw Oholibama, de dochter van Ana, de zoon van Sibon, zijn Jeus, Jalam en Korach. GEN 36:15 Dit zijn de stamhoofden van de zonen van Esau. De zonen van Elifaz, Esau's eerstgeborene, zijn de stamhoofden Teman, Omar, Sefo, Kenaz, GEN 36:16 Korach, Gatam en Amalek; deze zonen van Ada zijn de stamhoofden van Elifaz in Edom. GEN 36:17 Zonen van Esau's zoon Reuël zijn de stamhoofden Nachat, Zerach, Samma en Mizza; deze zonen van Esau's vrouw Basemat zijn de stamhoofden van Reuël in Edom. GEN 36:18 Zonen van Esau's vrouw Oholibama zijn de stamhoofden Jeus, Jalam en Korah; dit zijn de stamhoofden van Esau's vrouw Oholibama, dochter van Ana. GEN 36:19 Dat zijn dus de zonen van Esau of Edom, en dat zijn hun stamhoofden. GEN 36:20 Dit zijn de zonen van de Churriet Seir, de oorspronkelijke bewoners van het land: Lotan, Sobal, Sibon, Ana, GEN 36:21 Dison, Eser en Disan. Dit zijn de stamhoofden van de Churrieten, de zonen van Seir, in Edom. GEN 36:22 Zonen van Lotan zijn Chori en Hemam; Timna is Lotans zuster. GEN 36:23 Zonen van Sobal zijn Alwan, Manachat, Ebal, Sefo en Onam. GEN 36:24 Zonen van Sibon zijn Ajja en Ana; deze laatste ontdekte de hete bronnen in de woestijn, toen hij de ezels van zijn vader Sibon weidde. GEN 36:25 Zonen van Ana zijn Dison en Oholibama, eigenlijk Ana's dochter. GEN 36:26 Zonen van Dison zijn Chemdan, Esban, Jitram en Keran. GEN 36:27 Zonen van Eser zijn Bilhan, Zaawan en Akan. GEN 36:28 Zonen van Disan zijn Us en Aran. GEN 36:29 Zij allen zijn stamhoofden van de Churrieten: Lotan, Sobal, Sibon, Ana, GEN 36:30 Dison, Eser en Disan. Dat zijn de stamhoofden van de verschillende Churrietenstammen in Seir. GEN 36:31 En dit zijn de koningen, die in Edom geregeerd hebben, voordat de Israëlieten een koning hadden. GEN 36:32 Koning in Edom was Bela, zoon van Beor; zijn stad heette Dinhaba. GEN 36:33 Bela werd na zijn dood opgevolgd door Jobab, zoon van Zerach, uit Bosra. GEN 36:34 Jobab werd na zijn dood opgevolgd door Chusam, uit het gebied van de Temanieten. GEN 36:35 Chusam werd na zijn dood opgevolgd door Hadad, zoon van Bedad, die Midjan in de vlakte van Moab verslagen heeft; zijn stad heette Awit. GEN 36:36 Hadad werd na zijn dood opgevolgd door Samla, uit Masreka. GEN 36:37 Samla werd na zijn dood opgevolgd door Saul, uit Rechobot aan de rivier. GEN 36:38 Saul werd na zijn dood opgevolgd door Baäl-chanan, zoon van Akbor, GEN 36:39 Baäl-chanan, zoon van Akbor, werd na zijn dood opgevolgd door Hadad; zijn stad heette Pau; zijn vrouw heette Mehetabel; zij was een dochter van Matred, de dochter van Me-zahab. GEN 36:40 Dit zijn de namen van Esau's stamhoofden, gerangschikt naar familie, woonplaats en naam: Timna, Alwa, Jetet, GEN 36:41 Oholibama, Ela, Pinon, GEN 36:42 Kenaz, Teman, Mibsar, GEN 36:43 Magdiel en Iram. Dat zijn de stamhoofden van Edom met de woonplaatsen die ze in het land bezetten. Dat is de stam van Esau, de vader van de Edomieten. GEN 37:1 Jakob woonde in Kanaän, waar ook zijn vader rondgetrokken had. GEN 37:2 Dit is de geschiedenis van Jakob. Jozef was een jongeman van zeventien jaar, toen hij met zijn broers, de zonen van Bilha en Zilpa, de vrouwen van zijn vader, de kudde hoedde. Hij bracht de kwade geruchten die over zijn broers in omloop waren aan hun vader over. GEN 37:3 Israël hield meer van Jozef dan van al zijn andere zonen, omdat hij hem nog op zijn oude dag had gekregen. Hij had voor hem een prachtig kleed laten maken. GEN 37:4 De broers bemerkten dat hun vader meer van Jozef hield dan van hen, en zij gingen hem zo haten dat ze geen goed woord meer voor hem over hadden. GEN 37:5 Eens had Jozef een droom. Hij vertelde die aan zijn broers en daardoor gingen zij hem nog meer haten. GEN 37:6 Hij zei: `Hoor toch eens wat voor droom ik gehad heb. GEN 37:7 Wij waren aan het schoven binden op het veld. Mijn schoof kwam overeind en bleef rechtop staan; jullie schoven kwamen er omheen staan en bogen voor mijn schoof.' GEN 37:8 Zijn broers zeiden: `Wou je soms koning over ons worden of over ons heersen?' Zo raakten ze steeds heviger op hem gebeten vanwege de dromen die hij vertelde. GEN 37:9 Later had hij nog een droom en ook die vertelde hij aan zijn broers. `Ik heb weer een droom gehad,' zei hij. `Ik zag dat de zon, de maan en elf sterren zich voor mij bogen.' GEN 37:10 Toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, gaf zijn vader hem een berisping. Hij zei: `Wat moet dat met die droom van jou? Moeten ik, je moeder en je broers zich soms voor jou ter aarde buigen?' GEN 37:11 Daardoor werden zijn broers nog afgunstiger op hem, maar zijn vader onthield het gebeurde. GEN 37:12 Eens waren zijn broers bij Sichem de kudden van hun vader gaan weiden, GEN 37:13 toen Israël tot Jozef zei: `Je weet dat je broers de kudde weiden bij Sichem. Zou je niet naar hen toe willen gaan?' Hij antwoordde: `Dat wil ik graag doen.' GEN 37:14 Israël zei: `Ga dan eens kijken of alles in orde is met je broers en met het vee, en kom het mij dan vertellen.' Zo liet hij hem uit het dal van Hebron vertrekken. Toen hij in de buurt van Sichem kwam GEN 37:15 en daar buiten aan het ronddwalen was, kwam iemand op hem af en vroeg hem: `Wat zoekt u?' GEN 37:16 Hij antwoordde: `Ik ben op zoek naar mijn broers. Kunt u mij misschien zeggen waar zij hun kudde weiden?' GEN 37:17 De man antwoordde: `Ze zijn van hier vertrokken en ik heb ze horen zeggen: Laten we naar Dotan gaan.' Jozef ging daarop zijn broers achterna en vond hen inderdaad in Dotan. GEN 37:18 Zij hadden hem al in de verte zien aankomen, en voor hij bij hen was, smeedden zij het plan om hem te doden. GEN 37:19 Ze zeiden tot elkaar: `Daar komt hij aan, de grote dromer! GEN 37:20 Nu hebben we de kans. We vermoorden hem en gooien hem in een put. We kunnen zeggen dat een wild beest hem verslonden heeft. Dan zullen we eens kijken wat er van zijn dromen terecht komt!' GEN 37:21 Toen Juda dit hoorde, probeerde hij hem uit hun handen te redden en zei: `We mogen hem niet doden.' GEN 37:22 Ruben zei tot hen: `Vergiet toch geen bloed! Ginds in de steppe is een put; gooi hem daarin, maar sla niet de hand aan hem.' Hij wilde hem uit hun handen redden en bij zijn vader terugbrengen. GEN 37:23 Zodra Jozef bij zijn broers kwam, trokken zij hem het kleed uit, het prachtige kleed dat hij droeg, GEN 37:24 grepen hem en wierpen hem in de put. De put was leeg en er stond geen water in. GEN 37:25 Terwijl ze zaten te eten, zagen zij ineens een karavaan van Ismaëlieten, die van Gilead kwam. De kamelen waren beladen met gom, balsem en hars; zij waren op weg naar Egypte om de koopwaar daar af te leveren. GEN 37:26 Nu zei Juda tot zijn broers: `Wat hebben we eraan, die broer van ons te vermoorden en zijn bloed te bedekken! GEN 37:27 Laten wij hem liever aan de Ismaëlieten verkopen en niet de hand aan hem slaan; hij is toch een broer van ons, ons eigen vlees.' Zijn broers stemden daarmee in. GEN 37:28 Toen Midjanitische kooplieden voorbijkwamen, trokken de broers Jozef uit de put en verkochten hem voor twintig sikkel zilver aan de Ismaëlieten. De kooplieden voerden Jozef naar Egypte. GEN 37:29 Toen Ruben weer bij de put kwam en merkte dat Jozef er niet meer in zat, scheurde hij zijn kleren. GEN 37:30 Hij kwam terug bij zijn broers en zei: `De jongen is weg! Wat moet ik nu beginnen?' GEN 37:31 Zij namen het prachtige kleed van Jozef, slachtten een geitebokje en doopten het kleed in het bloed. GEN 37:32 Toen lieten zij het naar hun vader brengen met de boodschap: `Dit hebben we gevonden. Kijk eens goed. Is het misschien het kleed van uw zoon?' GEN 37:33 Hij herkende het en zei: `Het is het kleed van mijn zoon; een wild dier heeft hem verslonden. Jozef is vast en zeker verscheurd.' GEN 37:34 En Jakob scheurde zijn kleren, deed een zak om zijn lenden en treurde lange tijd om zijn zoon. GEN 37:35 Al zijn zonen en dochters deden hun best om hem te troosten, maar hij liet zich niet troosten en zei: `Treurend daal ik af naar mijn zoon in het dodenrijk.' En zijn vader bleef hem bewenen. GEN 37:36 Intussen hadden de Midjanieten Jozef in Egypte verkocht aan een zekere Potifar, een hoveling van Farao, de overste van de lijfwacht. GEN 38:1 In die tijd trok Juda van zijn broers weg en nam zijn intrek bij een man in Adullam, Chira genaamd. GEN 38:2 Daar zag Juda een Kanaänitische, Sua geheten; hij huwde haar en had gemeenschap met haar. GEN 38:3 Zij werd zwanger, baarde een zoon en noemde hem Er. GEN 38:4 Zij werd opnieuw zwanger, baarde een zoon en noemde hem Onan. GEN 38:5 Daarop baarde zij nog een zoon en noemde hem Sela. Juda bevond zich te Kezib, toen zij Sela baarde. GEN 38:6 Juda koos voor Er, zijn eerstgeborene, een vrouw die Tamar heette. GEN 38:7 Maar Er, Juda's eerstgeborene, was slecht in Jahwe's ogen, zodat deze hem liet sterven. GEN 38:8 Toen zei Juda tot Onan: `Ga naar de vrouw van je broer, sluit met haar een zwagerhuwelijk en zorg dat je een kind verwekt voor je broer.' GEN 38:9 Maar Onan wist dat dit kind niet van hem zou zijn; daarom liet hij, telkens als hij met de vrouw van zijn broer samen was, het zaad op de grond verloren gaan, om voor zijn broer geen kind te verwekken. GEN 38:10 Zijn gedrag was slecht in Jahwe's ogen, zodat deze ook hem liet sterven. GEN 38:11 Toen zei Juda tot zijn schoondochter Tamar: `Ga als weduwe naar het huis van je vader terug, totdat mijn zoon Sela volwassen is.' Want hij dacht: `Anders sterft ook hij, net als zijn broers.' Tamar ging dus naar het huis van haar vader terug. GEN 38:12 Geruime tijd later stierf Juda's vrouw Batsua. Toen de rouwtijd voorbij was, ging Juda eens naar Timna op bezoek bij de scheerders van zijn schapen, samen met zijn vriend Chira, uit Adullam. GEN 38:13 Toen Tamar vernam dat haar schoonvader naar Timna kwam om de schapen te scheren, GEN 38:14 legde zij haar weduwendracht af, hulde zich in een sluier, parfumeerde zich en ging bij de Enaimpoort aan de weg naar Timna zitten. Want zij had gemerkt dat Juda haar niet aan Sela tot vrouw gaf, ofschoon die de volwassen leeftijd bereikt had. GEN 38:15 Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een publieke vrouw, daar zij haar gezicht bedekt had. GEN 38:16 Hij ging naar haar toe, langs de weg, en vroeg: `Kan ik bij je terecht?' Hij wist niet dat het zijn schoondochter was. Zij antwoordde: `Wat geeft u mij, als u bij me mag komen?' GEN 38:17 Hij antwoordde: `Ik zal je een geitebokje van mijn kudde sturen.' Zij antwoordde: `Geef mij dan een pand, tot u mij het bokje gestuurd hebt.' GEN 38:18 Hij zei: `Wat voor een pand moet ik je geven?' Zij gaf ten antwoord: `Uw zegel, uw snoer, en de staf die u bij u hebt.' Hij gaf ze haar, had omgang met haar en zij werd zwanger. GEN 38:19 Daarop ging zij heen, legde haar sluier af en trok haar weduwendracht weer aan. GEN 38:20 Door bemiddeling van zijn vriend uit Adullam probeerde Juda de vrouw het geitebokje te doen toekomen, om het pand van haar terug te krijgen. Maar zijn vriend kon haar niet vinden. GEN 38:21 Hij deed navraag bij de inwoners van haar stad: `Waar is de publieke vrouw, die hier bij Enaim langs de weg zat?' Maar zij antwoordden: `Er is hier geen publieke vrouw geweest.' GEN 38:22 Toen hij bij Juda terugkwam, zei hij: `Ik heb haar niet kunnen vinden; en bovendien beweren de mensen uit de buurt dat daar geen publieke vrouw geweest is.' GEN 38:23 Toen zei Juda: `Dan moet ze het pand maar houden; anders maken wij ons nog belachelijk. Ik heb geprobeerd haar het bokje te geven; maar je hebt haar nu eenmaal niet kunnen vinden.' GEN 38:24 Ongeveer drie maanden later werd aan Juda meegedeeld: `Uw schoondochter Tamar heeft ontucht bedreven en ze is nu zwanger.' Juda sprak: `Breng haar dan weg om verbrand te worden.' GEN 38:25 Terwijl men haar wegbracht liet zij echter aan haar schoonvader zeggen: `Van de man, aan wie deze dingen behoren, ben ik zwanger.' En zij voegde eraan toe: `Ga eens na van wie dit zegel, dit snoer en deze staf zijn.' GEN 38:26 Juda herkende ze en zei: `Zij staat tegenover mij in haar recht, want ik heb haar niet aan mijn zoon Sela gegeven.' Verder heeft Juda geen gemeenschap met haar gehad. GEN 38:27 Toen de tijd van de bevalling gekomen was, bleek er een tweeling in haar schoot te zijn. GEN 38:28 Tijdens het baren stak een van de beide kinderen een handje naar buiten; de vroedvrouw greep die, bond er een scharlaken draad omheen en zei: `Deze is het eerst gekomen.' GEN 38:29 Maar het kind trok zijn hand terug, en toen kwam zijn broer te voorschijn. Toen sprak zij: `Jij hebt voor een flinke bres gezorgd.' Daarom noemde men hem Peres. GEN 38:30 Daarna kwam zijn broer met de scharlaken draad om zijn hand. Hem noemde men Zerach. GEN 39:1 Jozef werd naar Egypte gebracht en de Egyptenaar Potifar, een hoveling van Farao, de overste van de lijfwacht, kocht hem van de Ismaëlieten, die hem daar gebracht hadden. GEN 39:2 Jahwe was met Jozef, zodat het hem zeer voorspoedig ging. Terwijl hij in het huis van zijn Egyptische meester woonde, GEN 39:3 zag deze dat Jahwe met hem was en hem in al zijn ondernemingen deed slagen. GEN 39:4 Daardoor kwam Jozef bij hem in de gunst en werd zijn naaste medewerker. Hij gaf hem het toezicht over zijn huis, en heel zijn bezit vertrouwde hij hem toe. GEN 39:5 Vanaf het ogenblik dat hij hem had aangesteld over zijn huis en over heel zijn bezit, zegende Jahwe het huis van de Egyptenaar omwille van Jozef, en Jahwe's zegen rustte op alles wat hem toebehoorde, in huis en daarbuiten. GEN 39:6 Toen liet hij heel zijn bezit aan Jozef's zorgen over; nu hij hem had bemoeide hij zich nergens meer mee dan met zijn eten. Jozef was mooi en welgebouwd. GEN 39:7 Het duurde niet lang of de vrouw van zijn meester kon haar ogen niet meer van Jozef afhouden. Zij vroeg hem: `Kom toch bij me liggen.' GEN 39:8 Maar hij weigerde en antwoordde haar: `U weet toch dat mijn meester, nu ik in huis ben, zich nergens meer mee bemoeit en heel zijn bezit aan mij heeft toevertrouwd. GEN 39:9 Hier in huis is hij niet machtiger dan ik; niets heeft hij mij onthouden dan alleen u, zijn vrouw. Hoe zou ik dan dat grote kwaad kunnen bedrijven en zondigen tegen God?' GEN 39:10 En ofschoon zij dag in dag uit bij Jozef bleef aandringen, wilde hij niet ingaan op haar wens om bij haar te slapen en omgang met haar te hebben. GEN 39:11 Op zekere dag echter, toen hij het huis binnenkwam om zijn werk te doen, was er niemand anders in het huis. GEN 39:12 Toen greep zij hem bij zijn kleed en zei: `Kom toch bij me liggen.' Maar hij liet zijn kleed in haar handen achter, ging op de vlucht en rende naar buiten. GEN 39:13 Toen het tot haar doordrong dat hij zijn kleed in haar handen had achtergelaten en naar buiten was gevlucht, GEN 39:14 riep zij haar huisgenoten en zei tot hen: `Stel je voor, de Hebreeër die we nu in huis gekregen hebben, begint zich tegenover ons wel vrijpostig te gedragen. Hij kwam naar mij toe om met mij te slapen, maar hij begon hard te roepen. GEN 39:15 Toen hij hoorde dat ik begon te roepen, liet hij zijn kleed bij mij achter, sloeg op de vlucht en rende naar buiten.' GEN 39:16 Daarop legde zij het kleed naast zich neer, totdat zijn meester thuis kwam. GEN 39:17 Ook aan hem deed zij hetzelfde verhaal en zei: `Die Hebreeuwse slaaf die jij in huis gehaald hebt, is met oneerbare bedoelingen naar mij toegekomen. GEN 39:18 Maar toen ik luidkeels begon te roepen, liet hij zijn kleed bij mij achter en vluchtte naar buiten.' GEN 39:19 Toen de meester van zijn vrouw hoorde, hoe zijn slaaf haar behandeld had, werd hij woedend. GEN 39:20 Hij liet Jozef grijpen en in de gevangenis zetten, daar waar de gevangenen van de koning opgesloten zaten. Zo kwam Jozef daar in de gevangenis. GEN 39:21 Maar Jahwe was met Jozef. Hij bewees hem zijn goedheid door te zorgen dat hij bij het hoofd van de gevangenis in de gunst kwam. GEN 39:22 Deze vertrouwde allen die in de gevangenis zaten aan Jozef toe; alle werk dat daar verricht werd gebeurde onder Jozefs verantwoordelijkheid. GEN 39:23 Het hoofd van de gevangenis hoefde geen zorg te hebben over datgene wat aan Jozef was toevertrouwd. Want Jahwe was met hem en deed hem slagen bij alles wat hij ondernam. GEN 40:1 Enige tijd daarna begingen zowel de schenker van de koning van Egypte als de bakker een misstap tegen hun heer, de koning van Egypte. GEN 40:2 Farao werd zo kwaad op zijn beide hovelingen, de opperschenker en de eerste van de bakkers, GEN 40:3 dat hij ze in hechtenis zette in het huis van de overste van de lijfwacht, in de gevangenis waar Jozef opgesloten zat. GEN 40:4 De overste van de lijfwacht wees Jozef aan om voor hen te zorgen. Ze bleven lange tijd in hechtenis. GEN 40:5 De schenker zowel als de bakker van de koning van Egypte, die in de gevangenis zaten opgesloten, hadden beiden in dezelfde nacht een droom, ieder zijn eigen droom met een eigen betekenis. GEN 40:6 Toen Jozef 's morgens bij hen kwam, zag hij aanstonds dat ze somber gestemd waren. GEN 40:7 Hij vroeg de hovelingen van Farao, die met hem in het huis van zijn meester in hechtenis zaten: `Waarom kijkt u zo somber vandaag?' GEN 40:8 Zij antwoordden hem: `Wij hebben een droom gehad, en er is niemand die hem kan uitleggen.' Toen zei Jozef tot hen: `Alleen God kan uitleg geven. Laat mij de dromen eens horen.' GEN 40:9 De opperschenker vertelde toen zijn droom aan Jozef en zei: `Ik zag in mijn droom een wijnstok, GEN 40:10 en aan die wijnstok drie ranken. Zodra hij begon uit te lopen, zette hij bloesem en droegen zijn trossen rijpe druiven. GEN 40:11 Ik had Farao's beker in mijn hand, plukte de druiven, perste ze uit in de beker en reikte hem die aan.' GEN 40:12 Toen zei Jozef: `Dit is de verklaring: De drie ranken zijn drie dagen. GEN 40:13 Over drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen en u in uw ambt herstellen; dan zult u Farao opnieuw de beker reiken, zoals u deed toen u zijn schenker was. GEN 40:14 Maar als het u weer goed gaat, denk dan ook eens aan mij en bewijs ook mij een dienst; doe bij Farao een goed woord voor mij en zorg dat ik uit dit huis vandaan kom. GEN 40:15 Want ik ben met geweld weggesleept uit het land van de Hebreeën, en ik heb ook hier niets misdaan, waarvoor men mij in deze kerker moest opsluiten.' GEN 40:16 Toen de eerste van de bakkers zag hoe gunstig de uitleg was, zei hij: `Ik heb ook een droom gehad. In die droom zag ik drie broodkorven op mijn hoofd. GEN 40:17 In de bovenste korf lagen spijzen voor Farao, allerlei soorten gebak; maar de vogels pikten alles weg uit de korf die ik op mijn hoofd droeg.' GEN 40:18 Jozef antwoordde: `Dit is de verklaring: De drie korven zijn drie dagen. GEN 40:19 Over drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen en u aan een paal hangen, en de vogels zullen uw vlees verslinden.' GEN 40:20 Drie dagen later, op de verjaardag van Farao, richtte deze een feestmaal aan voor zijn hovelingen. Zowel van de opperschenker als van de eerste van de bakkers verhief hij het hoofd. GEN 40:21 De opperschenker herstelde hij in zijn ambt, om hem opnieuw de beker te reiken, GEN 40:22 maar de eerste van de bakkers hing hij op, volgens de uitleg die Jozef hun had gegeven. GEN 40:23 De opperschenker dacht echter niet meer aan Jozef; hij vergat hem gewoon. GEN 41:1 Twee jaar later kreeg Farao de volgende droom. Hij stond bij de Nijl GEN 41:2 en hij zag uit de Nijl zeven koeien omhoog komen, mooie welige dieren, die gingen grazen in het oevergras. GEN 41:3 Daarna kwamen zeven andere koeien uit de Nijl omhoog, lelijke, magere dieren; zij voegden zich bij de andere aan de oever van de Nijl. GEN 41:4 En de lelijke, magere dieren vraten de zeven mooie, welige op. Toen werd Farao wakker. GEN 41:5 Toen hij weer ingeslapen was, had hij opnieuw een droom. Uit een halm kwamen zeven zware, prachtige aren. GEN 41:6 Maar daarna groeiden zeven andere aren op, spichtig en door de oostenwind verzengd. GEN 41:7 En de spichtige aren slokten de zeven zware, volle aren op. Toen werd Farao wakker en hij begreep dat het een droom was geweest. GEN 41:8 De volgende morgen liet Farao, in hevige opwinding, alle geleerden van Egypte en alle wijzen uit het land bijeenroepen. Hij vertelde hun wat hij gedroomd had, maar er was niemand die uitleg kon geven. GEN 41:9 Toen sprak de opperschenker tot Farao: `Nu moet ik wel bekennen dat ik nalatig ben geweest. GEN 41:10 Indertijd is Farao vertoornd geweest op zijn hovelingen; hij heeft mij toen gevangen gezet in het huis van de overste van de lijfwacht, en samen met mij de eerste van de bakkers. GEN 41:11 In dezelfde nacht hadden wij beiden toen een droom, elk met een eigen betekenis. GEN 41:12 Nu was daar in ons gezelschap een jonge Hebreeër, een dienaar van de overste van de lijfwacht. Toen wij hem vertelden wat we gedroomd hadden, wist hij voor beide dromen de juiste uitleg te geven. GEN 41:13 En zoals hij het ons had uitgelegd, zo is het ook uitgekomen: ik ben in mijn ambt hersteld en hij is opgehangen.' GEN 41:14 Toen liet Farao Jozef ontbieden. Men haalde hem haastig uit de kerker, en nadat hij geschoren was en andere kleren had aan getrokken begaf hij zich naar Farao. GEN 41:15 En Farao sprak tot Jozef: `Ik heb een droom gehad en niemand kan hem uitleggen. Nu heb ik horen vertellen, dat u, zodra u een droom hoort, er de uitleg van kunt geven.' GEN 41:16 Jozef gaf Farao ten antwoord: `Uit mijzelf kan ik niets; maar God kan aan Farao bekend maken, wat goed voor hem is.' GEN 41:17 Nu zei Farao tot Jozef: `In mijn droom stond ik aan de oever van de Nijl, GEN 41:18 en zag zeven koeien, welige, mooie dieren, uit de Nijl omhoog komen. Zij gingen grazen in het oevergras. GEN 41:19 Daarna kwamen zeven andere koeien omhoog, lelijke magere scharminkels, zo lelijk als ik ze in heel Egypte nog nooit gezien heb. GEN 41:20 De magere, lelijke koeien vraten de zeven welige op. GEN 41:21 Nadat ze die hadden opgeslokt, was er niets van te merken; ze bleven er even erbarmelijk uitzien als tevoren. toen werd ik wakker. GEN 41:22 Nog iets anders zag ik in mijn droom. Uit een halm kwamen zeven aren op, vol en prachtig. GEN 41:23 Daarna schoten er zeven andere aren op, dor en spichtig en door de oostenwind verzengd. GEN 41:24 En de spichtige aren slokten de zeven prachtige aren op. Ik heb die dromen aan de geleerden verteld, maar niemand kan mij de uitleg geven.' GEN 41:25 Toen sprak Jozef tot Farao: `De twee dromen van Farao betekenen hetzelfde. God heeft Farao aangekondigd wat hij gaat doen. GEN 41:26 De zeven vette koeien zijn zeven jaren; de zeven volle aren zijn eveneens zeven jaren. De dromen betekenen hetzelfde. GEN 41:27 Ook de zeven magere, lelijke koeien, die daarna omhoog kwamen, zijn zeven jaren; en de zeven spichtige, door de oostenwind verzengde aren zijn eveneens zeven jaren, jaren van hongersnood. GEN 41:28 Ik heb al gezegd dat God daarmee aan Farao meedeelt wat hij gaat doen. GEN 41:29 Eerst komen er zeven jaren van overvloed in heel Egypte. GEN 41:30 Dan komen er zeven jaren van hongersnood, waarin heel de overvloed van Egypte vergeten raakt en hongersnood het land verteert. GEN 41:31 Zo groot zal de hongersnood zijn, dat er dan van de overvloed niets meer te bekennen valt. GEN 41:32 Dat Farao het twee keer gedroomd heeft, betekent dat Gods besluit onwrikbaar vaststaat en dat hij het spoedig ten uitvoer zal brengen. GEN 41:33 Laat Farao dus uitzien naar een verstandig en wijs man, en die aanstellen over heel Egypte. GEN 41:34 Farao moet maatregelen nemen en opzichters aanstellen in heel egypte, om tijdens de zeven jaren van overvloed in heel het land een vijfde van de opbrengst te vorderen. GEN 41:35 Al het voedsel van de komende goede jaren moeten zij verzamelen. Onder het beheer van Farao moeten zij het koren opslaan in de steden en het goed bewaren. GEN 41:36 Dat voedsel kan dan in de behoefte van het land voorzien tijdens de zeven jaren van hongersnood die Egypte te wachten staan; zo zal het land niet van honger omkomen.' GEN 41:37 Farao en al zijn hovelingen waren met dit plan zeer ingenomen. GEN 41:38 Hij vroeg zijn hovelingen: `Zou er wel iemand anders te vinden zijn die zo vervuld is van de geest van God als deze man?' GEN 41:39 En Farao zei tot Jozef: `Aangezien God u al die dingen heeft bekend gemaakt, is er niemand zo verstandig en wijs als u. GEN 41:40 U zult dus de leiding over mijn huis krijgen en aan uw bevel zal heel mijn volk zich onderwerpen; alleen door mijn koningstroon zal ik uw meerdere zijn.' GEN 41:41 Verder zei Farao tot Jozef: `Ik stel u hierbij aan over geheel Egypte.' GEN 41:42 En hij trok de zegelring van zijn vinger, stak die aan Jozefs hand, liet hem linnen kleren aantrekken en hing een gouden keten om zijn hals. GEN 41:43 Toen liet hij hem op zijn tweede wagen plaats nemen en voor hem uitroepen: `Breng hulde!' Zo stelde hij hem aan over geheel Egypte. GEN 41:44 En Farao zei tot Jozef: `Ik blijf Farao, maar buiten u om zal niemand in heel Egypte een hand verroeren of een voet verzetten.' GEN 41:45 Hij gaf Jozef de naam Safenat-paneach, en Asenat, de dochter van Potifera, een priester van On, gaf hij hem tot vrouw. Zo kreeg Jozef volmacht over heel Egypte. GEN 41:46 Jozef was dertig jaar, toen hij bij Farao, de koning van Egypte, in dienst kwam. Jozef verliet het paleis van Farao en trok Egypte door. GEN 41:47 In de zeven jaren van overvloed was de oogst in het land overstelpend groot. GEN 41:48 In de zeven jaren dat er overvloed was in Egypte, verzamelde Jozef alle mogelijke levensmiddelen; in elke stad sloeg hij het voedsel op dat de velden rondom die stad opbrachten. GEN 41:49 Jozef hoopte het koren op als het zand aan de zee; het was zo'n overvloed dat men ophield met meten; er was geen meten meer aan. GEN 41:50 Voordat het eerste jaar van de hongersnood kwam, kreeg Jozef twee zonen; het waren de kinderen die Asenat, dochter van Potifera, de priester van On, hem schonk. GEN 41:51 Jozef noemde de eerstgeborene Manasse, want hij zei: `Al mijn ellende en het gemis van mijn hele familie heeft God mij doen vergeten.' GEN 41:52 De tweede noemde hij Efraim, want hij zei: `God heeft mij vruchtbaar gemaakt in het land van mijn ongeluk.' GEN 41:53 Toen de zeven jaren van overvloed in Egypte verstreken waren, GEN 41:54 braken de zeven jaren van hongersnood aan, juist zoals Jozef voorspeld had. In alle landen werd honger geleden, maar in Egypte was overal voedsel. GEN 41:55 toen ook heel Egypte honger kreeg en het volk Farao om brood smeekte, zei Farao tot alle Egyptenaren: `Ga maar naar Jozef en doe wat hij u zeggen zal.' GEN 41:56 Toen er honger was in heel het land, stelde Jozef de hele voorraad koren ter beschikking en verkocht het aan de Egyptenaren, naarmate de honger in Egypte nijpender werd. GEN 41:57 Uit alle landen kwam men naar egypte om bij Jozef graan te kopen; want de hongersnood woedde hevig in de hele wereld. GEN 42:1 Toen ook Jakob hoorde dat er in Egypte graan te krijgen was, zei hij tot zijn zonen: `Wat zitten jullie elkaar aan te kijken? GEN 42:2 Ik heb gehoord dat er in Egypte graan te krijgen is. Ga daar toch heen om graan te kopen, zodat wij in leven blijven en niet sterven.' GEN 42:3 Zo gingen tien broers van Jozef op weg om in Egypte graan te kopen. GEN 42:4 Alleen Benjamin, de broer van Jozef, liet Jakob niet met zijn broers meegaan, want, dacht hij: `Er mocht hem eens een ongeluk overkomen.' GEN 42:5 Zo kwamen Israëls zonen graan kopen, evenals vele anderen: want er heerste hongersnood in Kanaän. GEN 42:6 Jozef was degene die toen het land bestuurde en aan al de bewoners graan verkocht; naar hem gingen de broers van Jozef dus toe en zij bogen voor hem tot op de grond. GEN 42:7 Zodra Jozef zijn broers zag, herkende hij hen, maar hij maakte zich niet aan hen bekend. Op strenge toon sprak hij hen toe: `Waar komt u vandaan?' Zij antwoordden: `Uit Kanaän, om graan te kopen.' GEN 42:8 Jozef had zijn broers wel herkend, maar zij hem niet. GEN 42:9 Denkend aan zijn dromen over hen, zei Jozef: `U bent spionnen; u probeert te weten te komen waar het land open en onbeschermd ligt.' GEN 42:10 gaven hem ten antwoord: `Geen sprake van, heer: uw dienaren komen voedsel kopen. GEN 42:11 Wij zijn allen zonen van een man en wij zijn betrouwbare mensen; uw dienaren zijn geen spionnen.' GEN 42:12 Maar hij zei tot hen: `Neen, neen! U probeert te weten te komen waar het land open en onbeschermd ligt.' GEN 42:13 Zij antwoordden: `Uw dienaren waren met zijn twaalven. Wij zijn broers, zonen van een man in Kanaän; de jongste is bij vader gebleven, en een is er niet meer.' GEN 42:14 Nu zei Jozef tot hen: `Ik blijf bij wat ik gezegd heb: U bent spionnen. GEN 42:15 Maar op een manier kan uw betrouwbaarheid blijken: Bij het leven van Farao, u komt hier niet vandaan, tenzij uw jongste broer hier verschijnt. GEN 42:16 Laat dus een van u die broer gaan halen; ondertussen blijven de anderen hier als gevangenen. Zo zal komen vast te staan of u inderdaad de waarheid spreekt. Zo niet, bij het leven van Farao, dan bent u spionnen.' GEN 42:17 Daarop liet hij ze voor drie dagen gevangen zetten. GEN 42:18 Op de derde dag zei Jozef tot hen: `Als u in leven wilt blijven, doe dan wat ik nu ga zeggen, want ik ben een godvrezend man. GEN 42:19 Als u betrouwbaar bent, laat een van uw broers dan achter in het huis waar u gevangen hebt gezeten; de anderen kunnen gaan en graan meenemen voor de honger van uw gezinnen; GEN 42:20 maar u moet uw jongste broer bij mij brengen. Dan zal de waarheid van uw woorden blijken en zult u niet sterven.' Dat deden zij. GEN 42:21 Ze zeiden tot elkaar: `Helaas, wij hebben dit aan onze broer verdiend. Wij zagen hoe hij angstig om genade smeekte, maar wij hebben niet willen luisteren. Daarom treft ons dit ongeluk.' GEN 42:22 En Ruben zei: `Ik had jullie toch gezegd, je niet aan de jongen te vergrijpen; maar jullie hebt niet willen luisteren. En nu zien we hoe zijn bloed wordt teruggeeist.' GEN 42:23 Omdat zij zich van een tolk bedienden wisten zij niet dat Jozef hen verstond. GEN 42:24 Hij wendde zich van hen af, en de tranen sprongen hem in de ogen. Maar daarna kwam hij bij hen terug en zette het gesprek met hen voort. Een van hen, Simeon, liet hij grijpen en voor hun ogen in boeien slaan. GEN 42:25 Nu gaf hij bevel hun zakken met graan te vullen maar in iedere zak het geld terug te leggen, en hun voor onderweg proviand mee te geven. Zo gebeurde het ook. GEN 42:26 Zij laadden het graan op de ezels en gingen op weg. GEN 42:27 Toen een van hen op de plaats waar zij overnachtten zijn zak openmaakte om zijn ezel te voeren, zag hij het geld zo maar boven in de zak liggen. GEN 42:28 Hij zei tot zijn broers: `Ik heb mijn geld terug; kijk maar, het ligt in mijn zak.' Zij stonden verslagen, en angstig zeiden zij tot elkaar: `Waarom heeft God zo met ons gedaan?' GEN 42:29 Toen zij bij hun vader Jakob in Kanaän terugkwamen, vertelden zij hem alles wat hun overkomen was. Zij zeiden: GEN 42:30 `Die man, de heer van het land, heeft ons bars toegesproken en ons voor spionnen uitgemaakt. GEN 42:31 Wij hebben hem geantwoord: Wij zijn betrouwbare mensen en geen spionnen. GEN 42:32 We zijn met zijn twaalven geweest, broers van elkaar en zonen van een vader, een van ons is er niet meer en de jongste is bij vader in Kanaän gebleven. GEN 42:33 Maar de man die het land bestuurt heeft ons gezegd: Om te bewijzen dat u te vertrouwen bent moet u een van uw broers bij mij achterlaten. U kunt voedsel meenemen voor de honger van uw gezinnen, GEN 42:34 maar u moet uw jongste broer bij mij brengen. Dan ben ik er zeker van, dat u geen spionnen bent, maar betrouwbare mensen. Dan zal ik uw broer teruggeven en zult u vrij door het land mogen trekken.' GEN 42:35 Toen zij dan hun zakken leegmaakten, vond ieder zijn buidel met geld in zijn zak; en toen zij en hun vader de buidels met geld zagen, werden zij bang. GEN 42:36 Hun vader Jakob zei tot hen: `Jullie maken mij kinderloos. Jozef is weg, Simeon is weg, en nu willen jullie Benjamin meenemen. Dat mij dat allemaal moet overkomen!' GEN 42:37 Maar nu zei Ruben tot zijn vader: `U mag mijn beide zonen doden, als ik Benjamin niet bij u terugbreng. Vertrouw hem aan mij toe, en ik zal hem bij u terugbrengen.' GEN 42:38 Maar hij gaf ten antwoord: `Mijn zoon gaat niet met jullie mee; zijn broer is al dood, en hij is de enige die ik nog over heb. Wanneer hem onderweg een ongeluk overkomt, zouden jullie de grijsaard die ik ben jammerend in het dodenrijk doen neerdalen.' GEN 43:1 De hongersnood bleef het land zwaar teisteren. GEN 43:2 Zodra zij het graan uit Egypte opgemaakt hadden, zei hun vader: `Jullie moeten nog eens proberen wat voedsel te kopen.' GEN 43:3 Juda antwoordde: `Die man heeft ons uitdrukkelijk gewaarschuwd: Kom mij niet onder ogen zonder uw broer. GEN 43:4 Als u dus onze broer met ons laat meegaan, zullen wij voedsel gaan kopen, GEN 43:5 maar als u hem niet mee laat gaan, vertrekken wij niet. Want die man heeft ons gezegd: Kom mij niet onder ogen zonder uw broer.' GEN 43:6 Israël antwoordde: `Waarom hebben jullie het mij zo moeilijk gemaakt door aan die man te vertellen dat je nog een broer hebt?' GEN 43:7 Zij antwoordden: `Die man stelde ons allerlei vragen over onszelf en over onze familie. Hij vroeg: Leeft uw vader nog? Hebt u geen andere broer meer? Wij hebben hem alles naar waarheid verteld. Konden wij soms weten dat hij zou zeggen: Breng uw broer hier?' GEN 43:8 Juda zei tot zijn vader Israël: `Laat de jongen gerust met mij meegaan en laat ons alstublieft vertrekken, dan blijven wij tenminste in leven en sterven wij niet met zijn allen, wij, uzelf en onze kleine kinderen. GEN 43:9 Ik blijf borg voor hem: van mij moogt u hem terugeisen. Als ik hem niet bij u terugbreng en weer voor u plaats, sta ik mijn verdere leven bij u in de schuld. GEN 43:10 Als wij niet zo lang gewacht hadden, waren wij al weer terug geweest.' GEN 43:11 Toen zei hun vader Israël: `Als het niet anders kan, doe het dan zo: Neem het beste van het land in je zakken mee en bied het die man als geschenk aan: gom en honing, parfum en hars, pimpernoten en amandelen. GEN 43:12 Neem ook twee keer zoveel geld mee, want ook het geld dat in je zakken teruggelegd was moet je mee terugnemen; misschien was het een vergissing. GEN 43:13 En neem ook je broer dan maar mee, en ga opnieuw naar die man toe. GEN 43:14 God Almachtig moge zorgen dat die man jullie goed ontvangt en dat hij je andere broer en Benjamin met jullie laat terugkeren. Als ik mijn kinderen toch moet verliezen, dan moet het maar zo zijn!' GEN 43:15 Met de geschenken, met de dubbele som geld en ook met Benjamin trokken de mannen naar Egypte. Zij werden door Jozef ontvangen, GEN 43:16 en toen deze zag dat Benjamin er ook bij was, zei hij tot zijn hofmeester: `Breng die mannen naar mijn huis, laat het nodige slachten en toebereiden, want zij zijn vanmiddag mijn gasten.' GEN 43:17 De hofmeester deed wat Jozef hem opgedragen had en bracht de bezoekers naar diens paleis. GEN 43:18 Maar de mannen werden bang, omdat zij naar het paleis van Jozef gebracht werden, en zeiden: `Ze houden ons hier vanwege het geld dat de vorige keer in onze zakken terechtgekomen is; ze willen ons overrompelen en overvallen, ons tot slaven maken en onze ezels in beslag nemen.' GEN 43:19 Zij gingen dus naar de hofmeester van Jozef toe en spraken hem aan bij de ingang van het paleis. GEN 43:20 Zij zeiden hem: `Met uw verlof, heer, wij zijn hier al eerder geweest om voedsel te kopen. GEN 43:21 Maar toen wij ergens overnachtten en onze zakken opendeden, lag daar ieders geld boven in de zak, bij elk van ons het volle bedrag. Dat hebben wij nu mee teruggebracht, GEN 43:22 en bovendien hebben wij ander geld meegenomen om voedsel te kopen. Wij weten niet wie dat geld in onze zakken gestopt heeft.' GEN 43:23 Hij antwoordde: `Alles is in orde: wees maar niet bang. Uw God en de God van uw vader heeft een schat in uw zakken verborgen; uw geld heb ik wel degelijk ontvangen.' Hij bracht simeon bij hen. GEN 43:24 Toen leidde hij hen het paleis van Jozef binnen, gaf hun water om zich de voeten te wassen en liet voer halen voor de ezels. GEN 43:25 Zij legden daarop hun geschenken gereed en bleven wachten tot Jozef 's middags thuiskwam, want zij hadden vernomen dat zij daar zouden blijven eten. GEN 43:26 Toen Jozef binnenkwam, boden zij hem de geschenken aan die ze bij zich hadden en bogen zich voor hem neer tot op de grond. GEN 43:27 Hij vroeg hoe het met hen ging en zei: `Hoe maakt het uw oude vader, over wie u mij gesproken hebt? Is hij nog goed gezond?' GEN 43:28 Zij antwoordden: `Onze vader, uw dienaar, maakt het goed en is nog gezond.' Daarop knielden zij en bogen zich neer. GEN 43:29 Toen hij rondzag en zijn jongste broer Benjamin bemerkte, de zoon van zijn moeder, zei hij: `En dat is dan uw jongste broer, over wie u mij gesproken hebt?' En hij zei: `God zij u genadig, mijn zoon.' GEN 43:30 Toen trok Jozef zich haastig terug, want zijn hart was geroerd bij het zien van zijn broer en hij zocht een gelegenheid om zijn tranen de vrije loop te laten. Hij begaf zich naar zijn kamer en huilde daar uit. GEN 43:31 voor hij de kamer verliet, waste hij zijn gezicht. Hij was zijn ontroering nu meester en beval de maaltijd op te dienen. GEN 43:32 Men diende afzonderlijk op voor Jozef, afzonderlijk voor zijn broers en afzonderlijk voor de Egyptenaren die bij hem te gast waren, want het is de Egyptenaren niet mogelijk met Hebreeën samen te eten; zij hebben daar een afkeer van. GEN 43:33 Toen de mannen, van de eerstgeborene af tot de jongste toe, op Jozefs aanwijzing een plaats kregen, precies volgens hun leeftijd, keken zij elkaar verwonderd aan. GEN 43:34 Men gaf hun van de gerechten die op Jozefs tafel stonden, maar de portie van Benjamin was vijfmaal zo groot als die van de anderen. Zij dronken met hem en werden vrolijk. GEN 44:1 Daarop gaf Jozef aan zijn hofmeester deze opdracht: `Laat de zakken van die mannen met voedsel vullen, zoveel zij kunnen vervoeren, en leg bij ieder het geld boven in de zak. GEN 44:2 Mijn eigen zilveren beker moet u boven in de zak van de jongste verbergen, bij het geld voor het graan.' De hofmeester deed wat Jozef hem opgedragen had. GEN 44:3 De volgende ochtend liet men de mannen met hun ezels vertrekken. GEN 44:4 Zij waren echter nog niet ver buiten de stad, of Jozef zei tot zijn hofmeester: `Ga vlug achter die mannen aan en als u ze ingehaald hebt, moet u zeggen: Waarom vergeldt u mij goed met kwaad? Waarom hebt u mijn zilveren beker gestolen? GEN 44:5 Het is nog wel die, waar mijn heer uit drinkt, en waarin hij de toekomst schouwt. Daar hebt u geen goed aan gedaan!' GEN 44:6 Toen de hofmeester hen had ingehaald, zei hij alles wat hem opgedragen was. GEN 44:7 Zij gaven ten antwoord: `Hoe is het mogelijk dat mijn heer zoiets kan zeggen? Uw dienaren zouden er nooit aan denken zoiets te doen! GEN 44:8 Wij hebben immers het geld dat wij boven in onze zakken gevonden hadden, uit Kanaän teruggebracht; hoe kunt u dan denken dat wij zilver of goud stelen uit het huis van uw heer? GEN 44:9 Als er bij een van uw dienaren iets wordt gevonden, zal hij sterven en zullen wij de slaven zijn van uw heer.' GEN 44:10 Toen zei hij: `Goed, het zal gebeuren zoals u zegt. Degene bij wie de beker gevonden wordt, zal mijn slaaf zijn; maar de overigen gaan vrij uit.' GEN 44:11 Ieder van hen haastte zich zijn zak op de grond te zetten en deed die open. GEN 44:12 Hij controleerde ze, te beginnen bij de oudste en eindigend bij de jongste. In de zak van Benjamin werd de beker ontdekt. GEN 44:13 Zij scheurden allen hun kleren, laadden hun zakken weer op de ezels en keerden naar de stad terug. GEN 44:14 Toen Juda en zijn broers in het paleis kwamen, waar Jozef nog aanwezig was, wierpen zij zich voorover op de grond. GEN 44:15 Jozef vroeg hun: `Waarom hebt u dat nu gedaan? Begrijpt u dan niet dat een man als ik verborgen dingen achterhaalt?' GEN 44:16 Juda antwoordde: `Wat kunnen wij tot onze heer zeggen, wat kunnen wij aanvoeren en hoe kunnen wij ons zelf rechtvaardigen? God heeft de schuld van uw dienaren aan het licht gebracht. Wij zijn dus de slaven van mijn heer, wij allen, samen met hem bij wie de beker gevonden is.' GEN 44:17 Maar hij antwoordde: `Dat in geen geval! Alleen de man bij wie de beker gevonden is, zal mijn slaaf zijn. De overigen kunnen ongedeerd naar hun vader terugkeren.' GEN 44:18 Nu trad Juda op hem toe en zei: `Heer, sta uw dienaar toe een enkel woord tot u te richten, zonder dat u kwaad wordt op uw dienaar, want u bent de gelijke van Farao. GEN 44:19 Mijn heer heeft aan zijn dienaren gevraagd: Hebt u nog een vader en een broer? GEN 44:20 Wij hebben toen onze heer geantwoord: Wij hebben een oude vader en er is nog een jonge zoon, die in diens ouderdom geboren is. Omdat zijn broer gestorven is, is hij de enig overgeblevene van zijn moeder, en zijn vader heeft hem lief. GEN 44:21 Toen hebt u tot uw dienaren gezegd: Breng hem bij mij, dat ik hem kan zien. GEN 44:22 Wij hebben onze heer geantwoord: De jongen kan zijn vader niet alleen laten; zijn vader zou sterven als hij door hem alleen gelaten werd. GEN 44:23 Maar u hebt tot uw dienaren gezegd: Als uw jongste broer niet met u meekomt, hoeft u mij niet meer onder ogen te komen. GEN 44:24 We zijn naar uw dienaar, onze vader, teruggekeerd en hebben hem verteld wat mijn heer gezegd heeft. GEN 44:25 En toen onze vader vroeg, opnieuw voedsel te gaan kopen, GEN 44:26 hebben wij geantwoord: Zo kunnen wij niet gaan. Alleen als onze jongste broer met ons meegaat, zullen wij vertrekken; want wij kunnen die man niet onder ogen komen, als onze jongste broer niet bij ons is. GEN 44:27 Toen zei uw dienaar, onze vader, tot ons: Jullie weten dat mijn vrouw mij maar twee zonen geschonken heeft. GEN 44:28 De ene is van mij weggegaan, en ik moet wel aannemen dat hij is verscheurd, want ik heb hem tot nog toe niet weergezien. GEN 44:29 Als jullie ook deze nog van mij wegnemen, en er zou hem een dodelijk ongeluk overkomen, dan zouden jullie de grijsaard die ik ben jammerend in het dodenrijk doen neerdalen. GEN 44:30 Wanneer ik dus bij uw dienaar, mijn vader, terugkom zonder de jongen, aan wie hij zo gehecht is, GEN 44:31 dan zal hij sterven, zodra hij ziet dat de jongen niet bij ons is. Dan zijn uw dienaren de oorzaak dat onze vader, uw dienaar, jammerend in het dodenrijk neerdaalt. GEN 44:32 Uw dienaar is bij mijn vader borg gebleven voor de jongen en heeft hem verzekerd: Als ik hem niet bij u terugbreng, sta ik mijn leven lang bij u in de schuld. GEN 44:33 Laat dus uw dienaar als slaaf van mijn heer achterblijven in plaats van deze jongen; maar laat hem terugkeren met zijn andere broers. GEN 44:34 Hoe zou ik zonder de jongen bij mijn vader durven terugkomen? Het leed dat mijn vader dan treft, zou ik niet kunnen aanzien.' GEN 45:1 Nu kon Jozef zich voor de overige omstanders niet langer goedhouden en hij riep uit: `Stuur iedereen weg.' Zo was er niemand meer bij, toen Jozef zich aan zijn broers bekend maakte. GEN 45:2 Hij huilde zo luid, dat de Egyptenaren het hoorden; ook in het huis van Farao werd het bekend. GEN 45:3 Jozef zei tot zijn broers: `Ik ben Jozef. Maakt vader het nog goed?' Maar zijn broers kon den geen woord uitbrengen, zo ontsteld waren zij over hem. GEN 45:4 Jozef echter zei tot zijn broers: `Kom toch dichterbij.' Toen ze dichterbij gekomen waren, zei hij: `Ik ben Jozef, de broer die jullie naar Egypte verkocht hebben. GEN 45:5 Je hoeft niet zo terneergeslagen te zijn en jezelf niet meer te verwijten dat jullie mij hierheen verkocht hebben, want God heeft mij voor jullie uitgezonden om jullie in leven te houden. GEN 45:6 Er heerst nu al twee jaar hongersnood in het land en er komen nog vijf jaren dat het ploegen geen oogst oplevert. GEN 45:7 God heeft mij vooruit gezonden, om jullie voortbestaan op aarde te verzekeren en om velen het leven te redden. GEN 45:8 Niet jullie hebben mij hier gebracht, maar God zelf. Hij heeft mij tot een vader voor Farao gemaakt, tot heer over heel zijn huis en tot heerser over heel Egypte. GEN 45:9 Ga haastig naar mijn vader en zeg hem: Zo spreekt uw zoon Jozef: God heeft mij aangesteld tot heer over heel Egypte; kom zonder uitstel naar mij toe. GEN 45:10 U kunt zich in Gosen vestigen; dan zult u dicht bij mij wonen, samen met uw kinderen en kleinkinderen, uw schapen en runderen en uw hele bezit. GEN 45:11 Ik zal zorgen, dat u daar niets te kort komt, want er komen nog vijf jaren van hongersnood; dan zult u niet tot armoede vervallen, noch uw familie of iemand van de uwen. GEN 45:12 Jullie hier en mijn broer Benjamin zien zelf dat ik in eigen persoon tot jullie spreek. GEN 45:13 Ga dus mijn vader vertellen hoe groot het aanzien is dat ik in Egypte geniet, en wat jullie allemaal is overkomen. Breng hem dan zo spoedig mogelijk hier.' GEN 45:14 Hij viel zijn broer Benjamin schreiend om de hals, en ook zijn broer Benjamin schreide terwijl hij hem omhelsde. GEN 45:15 Hij kuste zijn andere broers en schreide toen hij ze omhelsde. toen pas durfden zijn broers met hem spreken. GEN 45:16 Toen het nieuws van de komst van Jozefs broers in het paleis van Farao was doorgedrongen, was er grote blijdschap bij hem en bij zijn hof. GEN 45:17 En Farao zei tot Jozef: `Geef uw broers de volgende opdracht: Zadel de dieren, ga naar Kanaän, GEN 45:18 om uw vader en uw gezinnen te halen, en kom dan naar mij toe. Ik zal u het beste van Egypte schenken, en u zult eten van het vette van het land. GEN 45:19 Dring bij hen ook op het volgende aan: Neem uit Egypte wagens mee voor uw kleine kinderen en voor uw vrouwen; u moet er ook uw vader mee vervoeren en hierheen komen. GEN 45:20 Maak u geen zorgen om uw huisraad, want het beste van heel Egypte staat tot uw beschikking.' GEN 45:21 Zo deden de zonen van Israël. Jozef gaf hun op bevel van Farao wagens en proviand voor de reis. GEN 45:22 Aan elk van hen gaf hij een stel nieuwe kleren; maar aan Benjamin schonk hij driehonderd zilverstukken en vijf stel nieuwe kleren. GEN 45:23 Aan zijn vader zond hij eveneens geschenken: tien ezels, beladen met de beste gaven van Egypte, en tien ezelinnen, beladen met graan, brood en spijzen, als proviand voor zijn vader. GEN 45:24 Zo liet hij dan zijn broers vertrekken en bij het afscheid zei hij tot hen: `Maak je onderweg geen zorgen.' GEN 45:25 Zij vertrokken uit egypte en kwamen in Kanaän bij hun vader Jakob. GEN 45:26 toen zij hem vertelden: `Jozef leeft nog, en hij is heerser over heel Egypte', bleef hij bij dat nieuws onbewogen; hij kon het niet geloven. GEN 45:27 Toen zij hem echter meedeelden wat Jozef hun gezegd had, en toen hij de wagens zag die Jozef gestuurd had, en toen hij de wagens zag die Jozef gestuurd had om hem naar Egypte te brengen, leefde de geest van hun vader Jakob weer op. GEN 45:28 En Israël sprak: `Genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog: Ik wil naar hem toe en hem zien, voor ik doodga!' GEN 46:1 Toen ging Israël op weg met al de zijnen. Hij kwam in Berseba en droeg daar slachtoffers op aan de God van zijn vader Isaak. GEN 46:2 En God sprak tot Israël in een nachtelijk visioen: `Jakob, Jakob!' Hij antwoordde: `Hier ben ik.' GEN 46:3 God zei: `Ik ben God, de God van uw vader. Gij moet er niet tegen opzien naar Egypte te trekken; want Ik zal daar een groot volk van u maken. GEN 46:4 Ikzelf zal u naar Egypte vergezellen en Ik zal u ook weer terugbrengen. Jozef zal u de ogen sluiten.' GEN 46:5 Toen verliet Jakob Berseba, Israëls zonen lieten hun vader Jakob, hun kleine kinderen en hun vrouwen reizen op de wagens die Farao daarvoor had meegegeven. GEN 46:6 Ook hun veestapel en hun bezittingen namen ze mee, al wat ze in Kanaän verworven hadden. Zo trok Jakob met al zijn nakomelingen naar Egypte. GEN 46:7 Zijn zonen en kleinzonen, zijn dochters en kleindochters, al zijn nakomelingen nam hij mee naar Egypte. GEN 46:8 Dit zijn de namen van de zonen van Israël, die naar Egypte trokken, Jakob en zijn zonen. Jakobs oudste zoon was Ruben. GEN 46:9 Rubens zonen waren Chanok, Pallu, Chesron en Karmi. GEN 46:10 Zonen van Simeon waren Jemuël, Jamin, Ohad, Jakin, Sochar en Saul, de zoon van een Kanaänitische vrouw. GEN 46:11 Zonen van Levi waren Gerson, Kehat en Merari. GEN 46:12 Zonen van Juda waren Er, Onan, Sela, Peres en Zerach. Er en Onan waren in Kanaän gestorven. Zonen van Peres waren Chesron en Chamul. GEN 46:13 Zonen van Issakar waren Tola, Puwwa, Job en Simron. GEN 46:14 Zonen van Zebulon waren Sered, Elon en Jachleel. GEN 46:15 Dat waren de zonen die Lea in Paddan-aram aan Jakob geschonken had; verder was er nog zijn dochter Dina. Samen waren het drieëndertig zonen en dochters. GEN 46:16 Zonen van Gad waren Sifjon, Chaggi, Suni, Esbon, Eri, Arodi en Areli. GEN 46:17 Zonen van Aser waren Jimma, Jiswa, Jiswi en Beria; hun zuster was Serach. Zonen van Beria waren Cheber en Malkiel. GEN 46:18 Dat waren de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had; zij schonk hen aan Jakob. Het waren er zestien. GEN 46:19 Zonen van Jakobs vrouw Rachel waren Jozef en Benjamin. GEN 46:20 Jozef kreeg in Egypte de zonen die Asenat, dochter van Potifera, de priester van On, hem schonk: Manasse en Efraim. GEN 46:21 Zonen van Benjamin waren Bela, Beker, Asbel, Gera, Naaman, Echi, Ros, Muppim, Chuppim en Ard. GEN 46:22 Dat waren de zonen die Jakob bij Rachel kreeg, samen waren het er veertien. GEN 46:23 Zoon van Dan was Chusim. GEN 46:24 Zonen van Naftali waren Jachseel, Guni, Jeser en Sillem. GEN 46:25 Dat waren de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel had gegeven. Deze zonen had zij Jakob geschonken, samen zeven. GEN 46:26 De rechtstreekse afstammelingen van Jakob die met hem naar Egypte trokken - de vrouwen van Jakobs zonen worden dan niet meegerekend -, waren zesenzestig in getal. GEN 46:27 Daarbij komen nog de twee zonen van Jozef, die deze in Egypte gekregen had. De familie van Jakob die naar Egypte ging bestond uit zeventig personen. GEN 46:28 Jakob stuurde Juda naar Jozef met het verzoek, in Gosen bij hem te komen. Toen zij in Gosen aangekomen waren, GEN 46:29 liet Jozef zijn wagen inspannen en reed naar Gosen om zijn vader Israël te begroeten. Toen hij hem ontmoette, viel hij hem om de hals en bleef lange tijd op zijn schouders schreien. GEN 46:30 Israël sprak tot Jozef: `Laat de dood nu maar komen! Ik heb jou nu weer gezien en weet dat je nog leeft!' GEN 46:31 Daarop zei Jozef tot zijn broers en de familie van zijn vader: `Ik zal Farao gaan zeggen: Mijn broers en de familie van mijn vader, die in Kanaän woonden, zijn bij mij aangekomen. GEN 46:32 Het zijn schaapherders en veehouders; hun schapen en runderen en heel hun bezit hebben zij meegebracht. GEN 46:33 Als Farao jullie ontbiedt en naar je beroep vraagt, GEN 46:34 moeten jullie dus antwoorden: Uw dienaren zijn van jongs af veehouders geweest, evenals hun voorvaderen. Dan krijgen jullie wel verlof om in Gosen te gaan wonen; want de Egyptenaren hebben een afkeer van alles wat schaapherder is.' GEN 47:1 Jozef ging dus aan Farao melden: `Mijn vader en mijn broers zijn met hun schapen en runderen en met hun hele bezit uit Kanaän aangekomen en bevinden zich nu in Gosen.' GEN 47:2 Hij had vijf van zijn broers meegenomen en stelde hen aan Farao voor. GEN 47:3 Farao vroeg aan zijn broers: `Wat is uw beroep?' Ze gaven hem ten antwoord: `Uw dienaren zijn schaapherders, evenals hun voorvaderen.' GEN 47:4 Ze zeiden tot Farao: `Wij zijn gekomen omdat wij hoopten in dit land gastvrijheid te vinden. Want in Kanaän is geen weidegrond meer voor het vee van uw dienaren, omdat er grote hongersnood heerst. Uw dienaren zouden daarom graag in Gosen willen gaan wonen.' GEN 47:5 Daarop sprak Farao tot Jozef: `Uw broers en uw vader zijn nu bij u aangekomen. GEN 47:6 Egypte staat tot uw beschikking. Laat uw vader en uw broers in het beste deel van het land wonen en zich in gosen vestigen. Ziet u bekwame mannen onder hen, dan moet u die aanstellen over mijn eigen veestapel.' GEN 47:7 Jozef liet zijn vader Jakob halen en stelde hem aan Farao voor. Nadat Jakob Farao met een zegenwens begroet had, GEN 47:8 zei deze tot Jakob: `Hoe oud bent u?' GEN 47:9 Jakob gaf ten antwoord: `Honderddertig jaar duurt mijn zwerven; mijn levensdagen zijn kort en ongelukkig geweest en ik ben nog niet zo oud als mijn voorvaderen in hun tijd.' GEN 47:10 Toen nam Jakob afscheid van Farao en trok zich terug. GEN 47:11 Jozef wees zijn vader en zijn broers een woonplaats aan en volgens de wens van Farao schonk hij hun een stuk grond, in het beste deel van Egypte, in het gebied van Ramses. GEN 47:12 Jozef voorzag zijn vader en broers en heel de familie van voedsel tot de kleine kinderen toe. GEN 47:13 Door de zware hongersnood was er nergens in het land nog brood, en zowel Egypte als Kanaän raakten uitgeput van de honger. GEN 47:14 Door de graanverkoop kreeg Jozef al het geld in handen, dat zowel in Egypte als in Kanaän te vinden was, en hij stortte dat in de schatkist van het paleis. GEN 47:15 Toen al het geld in Egypte en Kanaän op was, kwamen de Egyptenaren bij Jozef en zeiden: `Geef ons brood! Moeten wij onder uw ogen sterven? Ons geld is op!' GEN 47:16 Jozef antwoordde: `Als u geen geld meer hebt, geef dan uw vee maar; in ruil daarvoor geef ik u dan brood.' GEN 47:17 Zij brachten dus hun kudden bij Jozef; en deze gaf brood in ruil voor hun paarden, hun schapen en hun ezels. Hij voorzag de mensen dat jaar van brood, in ruil voor al hun kudden. GEN 47:18 Toen dat jaar om was, kwamen ze het volgend jaar opnieuw naar hem toe en zeiden: `Wij behoeven voor onze heer niet te verhelen dat ons geld op is en dat onze veestapel in zijn bezit is overgegaan; wij kunnen onze heer alleen nog onszelf en onze grond aanbieden. GEN 47:19 Moeten wij onder uw ogen ontkomen, met grond en al? Neem onszelf en onze grond in ruil voor brood; met grond en al willen wij Farao dienstbaar zijn. Geef ons zaaigoed, dan zullen wij in leven blijven en niet sterven, en zal ook de grond niet onvruchtbaar worden.' GEN 47:20 Toen kocht Jozef al de grond van Egypte voor Farao op, want door de honger gedreven, deden alle Egyptenaren hun landerijen van de hand. Zo kwam het hele land in Farao's bezit, GEN 47:21 en bracht Jozef ook het volk in zijn dienst, van het ene eind van Egypte tot het andere. GEN 47:22 Alleen de grond van de priesters kon hij niet opkopen, want de priesters beschikten over een vaste toelage van Farao, en omdat ze konden leven van de toelage die Farao hun schonk, hoefden zij hun grond niet te verkopen. GEN 47:23 Nu zei Jozef tot het volk: `Ik heb nu u zelf en uw grond voor Farao gekocht; hier is zaaigoed om het land te bezaaien. GEN 47:24 Van de opbrengst moet u een vijfde aan Farao afstaan; vier vijfde kunt u zelf houden als zaad voor uw akkers en als voedsel voor uzelf, uw familie en uw kinderen.' GEN 47:25 En zij zeiden: `U hebt ons het leven gered. Blijf ons uw gunst schenken, heer, wij zullen Farao dienstbaar zijn.' GEN 47:26 Zo vaardigde Jozef de wet uit die hedentendage voor het akkerland van Egypte geldt, dat namelijk een vijfde voor Farao is. Alleen de grond van de priesters kwam niet in Farao's bezit. GEN 47:27 Israël vestigde zich in Egypte, in Gosen. Zij kregen daar vaste bezittingen, waren vruchtbaar en werden zeer talrijk. GEN 47:28 Jakob leefde nog zeventien jaar in Egypte, zodat hij honderdzevenenveertig jaar oud werd. GEN 47:29 Toen het ogenblik van zijn dood naderde, liet Israël zijn zoon Jozef roepen en zei hem: `Als ik een beroep mag doen op je genegenheid, zweer dan met je hand onder mijn heup dat je mij dit blijk van trouwe liefde zult schenken: begraaf mij niet in Egypte, GEN 47:30 maar laat mij rusten bij mijn vaderen. Je moet mij uit Egypte overbrengen en in hun graf begraven.' Hij antwoordde: `Ik zal doen wat u vraagt.' GEN 47:31 Hij drong aan: `Zweer het mij.' Hij zwoer het hem en Israël boog zich neer aan het hoofdeinde van het bed. GEN 48:1 Enige tijd daarna ontving Jozef bericht: `Uw vader is ziek.' Hij ging met zijn zonen Manasse en Efraim naar hem toe. GEN 48:2 En toen men Jakob zei: `Uw zoon Jozef is gekomen,' verzamelde Israël al zijn krachten en ging op zijn bed overeind zit ten. GEN 48:3 En Jakob zei tot Jozef: `God Almachtig is mij verschenen te Luz in Kanaän en heeft mij gezegend. GEN 48:4 Hij heeft mij gezegd: Ik zal u vruchtbaar maken en talrijk; een menigte volken zal Ik van u maken. Dit land zal Ik aan uw nageslacht voor eeuwig in bezit geven. GEN 48:5 Jouw beide zonen die in Egypte geboren zijn, voordat ik in Egypte bij je kwam, zijn mijn zonen: Efraim en Manasse zijn in mijn ogen gelijk aan Ruben en Simeon. GEN 48:6 Maar de kinderen die je daarna gekregen hebt, blijven jouw kinderen en zullen samen met hun broers erven. GEN 48:7 Toen ik uit Paddan-aram terugkwam, is je moeder Rachel mij in Kanaän dicht bij Efrat door de dood ontvallen; ik heb haar daar begraven aan de weg naar Efrat, dat is Betlehem.' GEN 48:8 Bij het zien van Jozefs beide zonen vroeg Israël: `Wie zijn dat?' GEN 48:9 Jozef zei tot zijn vader: `Dat zijn de zonen die God mij hier gegeven heeft.' Israël zei: `Laat ze bij me komen, ik wil hun mijn zegen geven.' GEN 48:10 Israëls ogen waren van ouderdom zo zwak geworden dat hij niet goed meer kon zien. Toen Jozef hen bij hem gebracht had, kuste en omhelsde hij hen. GEN 48:11 Israël sprak tot Jozef: `Ik had niet kunnen vermoeden dat ik je nog zou terugzien; en nu laat God mij ook nog je kinderen zien.' GEN 48:12 Toen verwijderde Jozef hen van zijn vaders knieën en boog met zijn gezicht tot op de grond. GEN 48:13 Daarop nam Jozef met zijn rechterhand Efraim vast - voor Israël was dat links - en met zijn linkerhand Manasse - voor Israël was dat rechts -; zo bracht hij beiden tot vlak bij hem. GEN 48:14 Toen strekte Israël de rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraim, ofschoon hij de jongste was; en zijn linkerhand legde hij op het hoofd van Manasse, - ofschoon Manasse de eerstgeborene was; hij kruiste dus zijn handen. GEN 48:15 Toen zegende hij Jozef en sprak: `De God naar wie mijn vaderen Abraham en Isaak hun schreden gericht hebben, de God die mij mijn leven lang tot heden toe geweid heeft, GEN 48:16 de engel die mij verlost heeft uit alle nood, moge deze jongens zegenen. Moge in hen mijn naam en de naam van mijn voorvaderen Abraham en Isaak voortleven, GEN 48:17 Toen Jozef merkte dat zijn vader de rechterhand op het hoofd van Efraim gelegd had, vond hij dat verkeerd; hij greep de hand om ze van Efraims hoofd te verwijderen en ze op het hoofd van Manasse te leggen. GEN 48:18 Hij zei tot zijn vader: `Niet zo, vader, want dit is de oudste; op zijn hoofd moet u uw rechterhand leggen.' GEN 48:19 Maar zijn vader weigerde en zei: `Ik weet het, mijn zoon, ik weet het. Ook hij zal tot een volk uitgroeien en groot worden, maar zijn jongere broer zal groter zijn dan hij, en zijn nageslacht groeit uit tot een menigte volken.' GEN 48:20 En hij sprak op die dag deze zegen over hen uit: `Met jouw naam zal Israël zegen afsmeken en men zal zeggen: God make u gelijk aan Efraim en Manasse.' Zo plaatste hij Efraim voor Manasse. GEN 48:21 Nu zei Israël tot Jozef: `Ik ga sterven; God zal je beschermen en je naar het land van je vaderen terugbrengen. GEN 48:22 Aan jou geef ik iets meer dan aan je broers: een bergrug, die ik met zwaard en boog op de Amorieten veroverd hebt.' GEN 49:1 Jakob ontbood zijn zonen en sprak: `Komt bij elkaar, ik ga jullie zeggen wat jullie wacht in de dagen die komen. GEN 49:2 Komt nu bijeen en luister, zonen van Jakob, luistert naar Israël, jullie vader. GEN 49:3 Ruben, jij bent mijn eerstgeborene, de eerste vrucht van mijn mannenkracht. Vooraanstaan moest je in hoogheid, vooraanstaan in macht; GEN 49:4 maar onstuimig ben je als water, je zult niet vooraanstaan! Want het bed van je vader heb je bestegen. de legerstee van zijn bijvrouw onteerd. GEN 49:5 Simeon en Levi zijn broers van elkaar, hun messen zijn moordtuig! GEN 49:6 Bij hen wil mijn ziel niet te rade gaan; waar zij bijeen zijn, laat ik mij niet zien. In hun woede hebben zij mannen vermoord, in hun moedwil die stieren verminkt. GEN 49:7 Vervloekt hun woede, zo hevig; vervloekt hun drift, zo wild! Verdelen zal ik hen over Jakob, hen over Israël verstrooien! GEN 49:8 Juda, jou prijzen je broers; jouw hand drukt de nek van je vijanden neer, voor jou staan de zoons van je vader gebogen. GEN 49:9 De welp van een leeuw is Juda; met roof ben je opwaarts gekomen, mijn zoon! Hij vlijt zich neer, hij ligt als een leeuw, als de koning der dieren; wie waagt hem te wekken? GEN 49:10 Van Juda zal de scepter niet wijken, de staf niet verdwijnen tussen zijn voeten, totdat hij verschijnt die hem voeren mag; hem zijn de volken gehoorzaam. GEN 49:11 Aan de wijnstok bindt hij zijn ezel, aan de wingerd zijn edele volbloed; hij wast zijn gewaad in de wijn, in het bloed van de druiven zijn mantel. GEN 49:12 Zijn ogen zijn donkerder dan wijn, zijn tanden witter dan melk. GEN 49:13 Zebulon woont aan de zeekant, hij woont aan het strand bij de schepen, zijn flank leunt aan tegen Sidon. GEN 49:14 Issakar is een bonkige ezel, die neerligt tussen zijn lasten. GEN 49:15 Hij ziet hoe heerlijk de rust is en hoe lieftallig het land; hij buigt zijn schouders om lasten te torsen, en wordt een slaaf, die werkt onder dwang. GEN 49:16 Dan is rechter over zijn volk, als een van Israëls stammen. GEN 49:17 Een slang op de weg moet Dan zijn, een adder op het pad, hij bijt het paard in de hiel en de wagenmenner slaat achterover. GEN 49:18 Op uw redding hoop ik, Jahwe! GEN 49:19 Gad: een troep valt hem aan, maar hij zit hen op de hielen! GEN 49:20 Aser: rijk is zijn brood; heerlijke spijzen biedt hij de vorsten. GEN 49:21 Naftali is een uitgelaten hinde, die schone jongen werpt. GEN 49:22 Een jonge stier is Jozef, een jonge stier bij een bron, die door de heining van zijn graaswei breekt. GEN 49:23 De boogschutters hebben hem getergd hem uitgedaagd en strijd met hem gezocht. GEN 49:24 Maar hun bogen werden gebroken door de Bestendige, de spieren van hun handen gescheurd door de handen van Jakobs Machtige, door Hem die zijn herder heet, Israëls rots. GEN 49:25 De God van je vader zal je helpen; God Almachtig zal je zijn zegen schenken: de zegen van de hemel boven, de zegen van de diepten beneden, de zegen van de borsten en de schoot. GEN 49:26 Je vaders zegen gaat verder nog dan de zegeningen van de oude bergen, dan het heerlijkste van de eeuwige heuvels. Op Jozefs hoofd kome die zegen, op de schedel van hem, de gewijde onder zijn broers. GEN 49:27 Benjamin is een verscheurende wolf, in de morgen verslindt hij zijn prooi, in de avond verdeelt hij zijn buit.' GEN 49:28 Dat zijn al de stammen van Israël, twaalf in getal, met de zegen die hun vader over hen heeft uitgesproken: aan ieder van hen gaf hij een eigen zegen. GEN 49:29 Daarna gaf hij hun de volgende opdracht: `Als ik met mijn voorvaderen verenigd word, begraaf mij dan bij mijn vaderen in de grot op de akker van de Hethiet Efron, GEN 49:30 in de grot op de akker van Makpela, ten oosten van Mamre, in Kanaän. Het is de akker die Abraham als eigen begraafplaats van de Hethiet Efron gekocht heeft. GEN 49:31 Daar zijn Abraham en zijn vrouw Sara begraven, daar zijn Isaak en zijn vrouw Rebekka bijgezet, en daar heb ik Lea begraven. GEN 49:32 De akker met de grot die erop ligt is gekocht van de Hethieten.' GEN 49:33 Toen Jakob zijn zonen deze laatste opdracht gegeven had, trok hij zijn voeten terug op het bed, gaf de geest en werd met zijn voorvaderen verenigd. GEN 50:1 Toen wierp Jozef zich op zijn vader, weende over hem en kuste hem. GEN 50:2 En hij gebood de geneesheren die in zijn dienst waren zijn vader Israël te balsemen; en de geneesheren deden dat. GEN 50:3 Dit nam veertig dagen in beslag, want zolang duurt de balseming. De Egyptenaren rouwden over hem, zeventig dagen lang. GEN 50:4 Toen de rouwtijd voorbij was, zei Jozef tot Farao's hovelingen: `Wees mij ter wille en doe voor mij een goed woord bij Farao. Zeg hem: GEN 50:5 Mijn vader heeft mij onder ede doen beloven: Ik ga nu sterven; je moet mij begraven in het graf dat ik in Kanaän heb uitgehouwen. Laat mij dus mijn vader gaan begraven; daarna kom ik terug.' GEN 50:6 Farao zei: `Ga uw vader begraven, zoals hij u heeft laten beloven.' GEN 50:7 Jozef ging dus zijn vader begraven; alle hovelingen van Farao, de oudsten van zijn huis, en alle oudsten van Egypte vergezelden hem; GEN 50:8 verder heel de familie van Jozef, zijn broers en de familie van zijn vader. Alleen de kleine kinderen en de schapen en runderen lieten zij in Gosen achter. GEN 50:9 Ook wagens en wagenmenners reden met hen mee, zodat het een indrukwekkende stoet was. GEN 50:10 Toen zij aangekomen waren bij de Doornendorsvloer, bij de Jordaan, hielden zij een grote, plechtige rouwklacht; zeven dagen lang liet hij over zijn vader rouw bedrijven. GEN 50:11 De Kanaänitische bewoners van het land zagen die rouwplechtigheden op de Doornendorsvloer en zeiden: Egypte houdt indrukwekkende rouwklachten; zo komt het dat die plaats aan de overzijde van de Jordaan Abel-misraim heet. GEN 50:12 Daarna volvoerden Jakobs zonen de opdracht die hij hun gegeven had. GEN 50:13 Zij brachten hem over naar Kanaän en begroeven hem in de grot op de akker van Makpela. Abraham had die akker ten oosten van Mamre als eigen begraafplaats gekocht van de Hethiet Efron. GEN 50:14 Nadat Jozef zijn vader begraven had, keerde hij naar Egypte terug, samen met zijn broers en allen die hem vergezeld hadden bij de begrafenis van zijn vader. GEN 50:15 Toen Jozefs broers zagen dat hun vader gestorven was, zeiden ze: `Als Jozef zich nu maar niet op ons gaat wreken en ons zwaar laat boeten voor het kwaad dat wij hem aangedaan hebben.' GEN 50:16 Daarom zonden zij naar Jozef de volgende boodschap: `Uw vader heeft voor zijn dood bevel gegeven: GEN 50:17 Dit moeten jullie Jozef zeggen: Ik smeek je, vergeef toch de misdaad en de zonde die je broers tegen jou bedreven hebben. Vergeef dus de dienaren van de God van uw vader hun misdaad.' Toen zij zo tot hem spraken, barstte Jozef in tranen uit. GEN 50:18 Toen kwamen zijn broers zelf, wierpen zich ter aarde en zeiden: `Beschik over ons, wij zijn uw slaven.' GEN 50:19 Maar Jozef zei hun: `Wees maar niet bang; bekleed ik soms de plaats van God? GEN 50:20 Jullie hebben kwaad tegen mij beraamd, maar God heeft het ten goede gekeerd, om te bewerken wat nu is geschied: het behoud van een talrijk volk. GEN 50:21 Wees dus niet bang: ik zal voor jullie en je kleine kinderen zorgen.' Zo stelde hij hen met hartelijke woorden gerust. GEN 50:22 Jozef bleef in Egypte wonen, samen met de familie van zijn vader, hij werd honderdtien jaar oud. GEN 50:23 Jozef zag het derde geslacht van Efraim; en ook de zonen van Makir, de zoon van Manasse, werden op zijn knieën geboren. GEN 50:24 Daarna sprak Jozef tot zijn broers: `Ik ga sterven, maar eens toont God zijn macht en leidt jullie van hier naar het land dat Hij onder ede beloofd heeft aan Abraham, Isaak en Jakob.' GEN 50:25 Jozef bezwoer de zonen van Israël: `Als God jullie zijn macht toont, dan moet je mijn gebeente van hier meevoeren.' GEN 50:26 Toen stierf Jozef, honderdtien jaar oud. Hij werd gebalsemd en in Egypte in een sarkofaag gelegd. EXODUS EX 1:1 Dit zijn de namen van de zonen van Israël die naar Egypte getrokken waren, - zij waren allen, met hun familie, meegekomen met Jakob -: EX 1:2 Ruben, Simeon, Levi, Juda, EX 1:3 Issakar, Zebulon, Benjamin, EX 1:4 Dan, Naftali, Gad en Aser. EX 1:5 Het aantal afstammelingen van Jakob bedroeg in totaal zeventig. Jozef was reeds tevoren in Egypte gekomen. EX 1:6 Jozef en al zijn broeders en alle mensen van dat geslacht stierven. EX 1:7 Maar de Israëlieten waren vruchtbaar en breidden zich uit, zij werden uitermate talrijk en sterk zodat het land vol van hen raakte. EX 1:8 Toen kwam er in Egypte een nieuwe koning aan het bewind, die van Jozef niet meer afwist. EX 1:9 Hij sprak tot zijn volk: 'Luister eens, die Israëlieten worden ons te talrijk en te sterk. EX 1:10 Wij dienen dus verstandige maatregelen tegen hen te nemen om te voorkomen dat zij nog talrijker worden. Als wij in oorlog raken sluiten zij zich bij onze tegenstanders aan, voeren strijd tegen ons en trekken uit het land weg.' EX 1:11 Toen stelden ze werkbazen over het volk aan om hen door dwangarbeid te onderdrukken. De Israëlieten moesten voor Farao de proviandsteden Pitom en Ramses bouwen. EX 1:12 Maar hoe men hen ook onderdrukte, ze bleven groeien in aantal en zich steeds meer vermenigvuldigen, zodat de Egyptenaren er bang van werden, EX 1:13 en de Israëlieten dwongen om zware arbeid te verrichten. EX 1:14 Ze maakten hun leven zuur door hen hard te laten werken in steenbakkerijen en op het land. Dat was het zware werk waar zij hen toe dwongen. EX 1:15 Ook richtte de koning van Egypte zich tot de Hebreeuwse vroedvrouwen, - de een heette Sifra, de andere Pua -, EX 1:16 en sprak: `Wanneer jullie de Hebreeuwse vrouwen helpen bij de bevalling, let dan goed op het geslacht van het kind; is het een jongen dan moet je hem doden, is het een meisje dan moet je het laten leven.' EX 1:17 Maar de vroedvrouwen vreesden God en gaven geen gehoor aan het bevel van de koning; ze lieten de jongens in leven. EX 1:18 Toen liet de koning van Egypte de vroedvrouwen bij zich komen en ondervroeg hen: `Wat moet dat, waarom laten jullie die jongens in leven?' EX 1:19 De vroedvrouwen gaven Farao ten antwoord: `De Hebreeuwse vrouwen zijn nu eenmaal niet zoals de Egyptische: ze baren zo vlug dat ze hun kind ter wereld brengen nog voordat de vroedvrouw er bij is.' EX 1:20 God zegende de vroedvrouwen; en het volk bleef zich maar uitbreiden en werd zeer talrijk. EX 1:21 Omdat de vroedvrouwen God vreesden, schonk Hij hun een nageslacht. EX 1:22 Toen gelastte Farao aan al zijn onderdanen: `Iedere jongen die geboren wordt moet ge in de Nijl gooien; de meisjes kunt ge in leven laten.' EX 2:1 Een man uit de stam Levi nam een meisje uit die stam tot vrouw. EX 2:2 De vrouw werd zwanger en bracht een zoon ter wereld. Toen zij zag hoe mooi het kind was, hield zij het drie maanden lang verborgen. EX 2:3 Maar toen zij geen kans meer zag hem nog langer verborgen te houden, nam zij een mandje van riet, streek het dicht met asfalt en pek en legde het kind erin. Toen zette zij het tussen het riet aan de oever van de Nijl. EX 2:4 Op enige afstand stelde de zuster van het kind zich verdekt op, om te zien wat er zou gebeuren. EX 2:5 Nu begaf de dochter van Farao zich naar de Nijl om te baden, terwijl haar dienaressen op en neer bleven lopen langs de oever van de rivier. Ineens zag zij het mandje tussen het riet en stuurde haar slavin om het te halen. EX 2:6 Zij maakte het open, keek en daar lag een schreiend jongetje. Vol medelijden riep zij: `Natuurlijk een Hebreeuws kind!' EX 2:7 Toen kwam de zuster van het kind aan de dochter van Farao vragen: `Zal ik bij de Hebreeuwse vrouwen een voedster gaan zoeken, om het kind voor u te voeden?' EX 2:8 De dochter van Farao antwoordde: `Ja, doe dat.' Het meisje snelde weg en haalde de moeder van het kind. EX 2:9 De dochter van Farao beval haar: `Neem dit kind mee en voed het voor mij; ik zal u er persoonlijk voor belonen.' Toen nam de vrouw het kind mee en voedde het. EX 2:10 En toen het kind opgegroeid was, bracht zij het terug naar de dochter van Farao. Deze nam hem als haar eigen zoon aan. Zij noemde hem Mozes, want zo zei ze, `ik heb hem uit het water getrokken.' EX 2:11 Toen Mozes opgegroeid was ging hij eens naar zijn broeders en was getuige van hun dwangarbeid. Hij zag hoe een Egypte naar een Hebreeër neersloeg, een van zijn broeders. EX 2:12 Hij keek naar alle kanten en toen hij zag dat er niemand in de buurt was sloeg hij de Egyptenaar neer en verborg hem onder het zand. EX 2:13 De dag daarop ging hij weer uit en zag twee Hebreeuwse mannen met elkaar vechten. Hij vroeg aan degene die ongelijk had: `Waarom sla jij je kameraad?' EX 2:14 De man antwoordde: `Wie heeft jou als heer en rechter over ons aangesteld? Ben je soms van plan mij ook te doden, net als die Egyptenaar?' Toen werd Mozes bang en dacht: `Het is dus toch bekend geworden.' EX 2:15 Ook Farao hoorde van het gebeurde en was er sindsdien op uit, Mozes te doden. Maar Mozes wist aan Farao te ontkomen en week uit naar Midjan. Eens zat hij bij de put. EX 2:16 Nu had de priester van Midjan zeven dochters. Deze kwamen water putten en de drinkbakken vullen om de kudde van hun vader te drinken te geven. EX 2:17 Maar er kwamen herders die de meisjes weg wilden dringen. Toen sprong Mozes op, kwam de meisjes te hulp en gaf de dieren te drinken. EX 2:18 Toen zij thuiskwamen vroeg hun vader Deuël: `Wat zijn jullie vroeg terug vandaag?' EX 2:19 Zij antwoordden: `Een Egyptenaar heeft ons in bescherming genomen tegen de herders; ook heeft hij water voor ons geput en het vee te drinken gegeven.' EX 2:20 Hij vroeg zijn dochters toen: `Waar is die man? Waarom hebben jullie hem daar laten staan? Ga hem uitnodigen om te komen eten.' EX 2:21 Toen Mozes besloten had bij die man te blijven, gaf deze hem zijn dochter Sippora tot vrouw. EX 2:22 Zij baarde een zoon die hij de naam Gersom gaf, want, zo zei hij, `ik ben gast in een vreemd land.' EX 2:23 In de loop van deze vele jaren was de koning van Egypte gestorven. Maar de Israëlieten zuchtten nog steeds onder hun dwangarbeid en zij klaagden luid. Vanuit hun slavenbestaan drong hun gejammer door tot God, EX 2:24 en God luisterde naar hun klagen; Hij was zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob indachtig. EX 2:25 God zag goedgunstig neer op de Israëlieten en Hij was met hen begaan. EX 3:1 Mozes hoedde de kudde van zijn schoonvader Jetro, de priester van Midjan. Eens dreef hij de kudde tot ver in de woestijn en kwam hij bij de berg van God, de Horeb. EX 3:2 Toen verscheen hem de engel van Jahwe, in een vuur dat opvlamde uit een doornstruik. Mozes keek toe en zag dat de doornstruik in lichter laaie stond en toch niet verbrandde. EX 3:3 Hij dacht: `Ik ga er op af om dat vreemde verschijnsel te onderzoeken. Hoe komt het dat die doornstruik niet verbrandt?' EX 3:4 Jahwe zag hem naderbij komen om te kijken. En vanuit de doornstruik riep God hem toe: `Mozes, Mozes.' `Hier ben ik,' antwoordde hij. EX 3:5 Toen sprak Jahwe: `Kom niet dichterbij en doe uw sandalen uit, want de plaats waar gij staat is heilige grond.' EX 3:6 En Hij vervolgde: `Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.' Toen bedekte Mozes zijn gezicht want hij durfde niet naar God op te zien. EX 3:7 Jahwe sprak: `Ik heb de ellende van mijn volk in Egypte gezien, de jammerklachten om zijn onderdrukkers gehoord; ja, Ik ken zijn lijden. EX 3:8 Ik daal af om mijn volk te bevrijden uit de macht van Egypte, om het weg te leiden uit dit land naar een land dat goed en ruim is, een land van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. EX 3:9 Het geweeklaag van de Israëlieten is nu tot Mij doorgedrongen en Ik heb ook gezien hoezeer de Egyptenaren hen onderdrukken. EX 3:10 Ga er dus heen, Ik zend u naar Farao. Gij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte leiden.' EX 3:11 Maar Mozes sprak tot God: `Wie ben ik dat ik naar Farao zou gaan en dat ik de Israëlieten uit Egypte zou leiden?' EX 3:12 God antwoordde hem: `Ik zal u bijstaan, en dit is het teken dat Ik het ben die u zendt: als gij het volk uit Egypte hebt geleid, zult ge mij vereren op deze berg.' EX 3:13 Maar Mozes sprak opnieuw tot God: `Als ik nu bij de Israëlieten kom en hun zeg: De God van uw vaderen zendt mij tot u, en zij vragen: Hoe is zijn naam? wat moet ik dan antwoorden?' EX 3:14 Toen sprak God tot Mozes: `Ik ben die is.' En ook: `Dit moet gij de Israëlieten zeggen: Hij-is zendt mij tot u.' EX 3:15 Bovendien zei God tot Mozes: `Dit moet ge de Israëlieten zeggen: Jahwe, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, zendt mij tot u. Dit is mijn naam voor altijd. Zo moet men Mij aanspreken, alle geslachten door. EX 3:16 Ga nu op weg, roep de oudsten van Israël bijeen en zeg hun: Jahwe, de God van uw vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Isaak en Jakob, met deze boodschap: Ik draag zorg voor u, want Ik zie wat men u in Egypte aandoet. EX 3:17 Daarom heb Ik besloten: Ik zal u uit de ellende van Egypte wegvoeren naar het land van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, een land van melk en honing. EX 3:18 Zij zullen luisteren naar wat gij zegt. Dan moet ge met de oudsten van Israël naar de koning van Egypte gaan en hem zeggen: Jahwe, de God van de Hebreeën, is tot ons gekomen. Laat ons daarom drie dagreizen ver de woestijn ingaan om offers op te dragen aan Jahwe onze God. EX 3:19 Ik weet dat de koning van Egypte u niet zal laten vertrekken, als geen sterke hand hem dwingt. EX 3:20 Daarom zal Ik mijn hand opheffen en Egypte treffen met allerlei wondertekenen die Ik er zal verrichten. Dan zal hij u wel laten gaan. EX 3:21 En Ik zal de Egyptenaren gunstig stemmen tegenover dit volk; als ge dan wegtrekt gaat ge niet met lege handen. EX 3:22 Laten alle vrouwen hun buren en huisgenoten vragen om gouden en zilveren sieraden en om kleding. Die moet ge uw zonen en dochters aandoen en er Egypte van beroven.' EX 4:1 Mozes gaf hierop ten antwoord: `Maar ze geloven me niet, ze zullen aan mijn woorden geen gehoor schenken; ze zullen zeggen dat Jahwe mij niet is verschenen.' EX 4:2 Toen vroeg Jahwe hem: `Wat hebt ge daar in uw hand?' Een staf,' antwoordde hij. EX 4:3 Toen beval Jahwe: `Laat hem op de grond vallen.' Mozes liet hem op de grond vallen en de staf werd een slang. Mozes sprong achteruit. EX 4:4 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Strek uw hand uit en grijp ze bij de staart.' Hij strekte zijn hand uit, pakte de slang vast en in zijn greep werd het weer een staf. EX 4:5 `Zo zullen ze geloven dat Jahwe u inderdaad verschenen is, de God van hun vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.' EX 4:6 Ook beval Jahwe hem nog: `Steek uw hand tussen uw kleed.' Hij stak zijn hand tussen zijn kleed. En toen hij ze er uittrok zat ze ineens vol witte uitslag, het leek wel sneeuw. EX 4:7 Jahwe sprak opnieuw: `Steek uw hand tussen uw kleed.' En toen hij ze er uittrok was ze weer als de rest van zijn huid. EX 4:8 `Als ze u niet vertrouwen en aan het eerste teken geen geloof hechten, dan zal het tweede hen overtuigen. EX 4:9 Laten zij zich door deze beide tekenen niet overtuigen en luisteren ze niet naar u, neem dan water uit de Nijl en giet dat uit op het land. Het water dat ge uit de Nijl genomen hebt, zal op het land bloed worden.' EX 4:10 Maar Mozes sprak tot Jahwe: `Neem mij niet kwalijk, Heer, maar ik ben geen redenaar. Ik ben dat nooit geweest, en ik ben het ook nu niet, al hebt Gij dan ook tot uw dienaar gesproken. Ik spreek moeilijk en traag.' EX 4:11 Jahwe gaf hem ten antwoord: `Wie geeft de mens een mond? Wie maakt stom of doof, ziende of blind? Doe Ik, Jahwe, dat niet? EX 4:12 Ga nu maar, Ik zal u bijstaan als ge spreekt en u ingeven wat ge moet zeggen.' EX 4:13 Maar Mozes bracht hier tegen in: `Neem mij niet kwalijk, Heer, zend liever iemand anders.' EX 4:14 Toen ontbrandde Jahwe's toorn tegen Mozes en Hij sprak: `Uw broer Aäron de leviet is er toch ook nog? Ik weet dat hij een goed spreker is! Hij gaat juist naar u op weg en zal blij zijn als hij u ziet. EX 4:15 Spreek met hem, leg hem uw woorden in de mond. Ik zal u beiden bijstaan als ge moet spreken en u ingeven wat ge moet doen. EX 4:16 Laat hem in uw plaats spreken tot het volk; hij zal uw mond zijn, gij zijn god. EX 4:17 Neem deze staf mee, daar moet ge de tekenen mee verrichten.' EX 4:18 Nu ging Mozes terug naar Jeter, zijn schoonvader, en zei hem: `Ik zou willen terugkeren naar mijn broeders in Egypte om te zien hoe zij het maken.' Jetro antwoordde hem: `Ga in vrede.' EX 4:19 Want Jahwe had in Midjan tot Mozes gezegd: `Ga terug naar Egypte, want allen die u naar het leven stonden zijn gestorven.' EX 4:20 Mozes liet zijn vrouw en zijn zoon plaatsnemen op de ezel en begaf zich op weg naar Egypte, met de staf van God in zijn hand. EX 4:21 Jahwe sprak tot Mozes: `Nu gij teruggaat naar Egypte, moet ge zorgen dat ge voor Farao al de wonderen verricht waartoe Ik u de macht gegeven heb. Ik zal hem dan halsstarrig maken, zodat hij het volk niet laat gaan. EX 4:22 En dan moet gij tot Farao zeggen: Zo spreekt Jahwe: Israël is mijn eerstgeboren zoon. EX 4:23 Ik had u bevolen mijn zoon vrij te laten vertrekken om Mij te vereren, maar gij hebt dat geweigerd. Daarom zal ik uw eerstgeborene doden.' EX 4:24 Toen Mozes onderweg ergens de nacht doorbracht kwam Jahwe op hem af en wilde hem doden. EX 4:25 Maar Sippora nam een scherpe steen, sneed de voorhuid van haar zoon af en raakte daarmee zijn benen aan. Zij sprak: `Jij bent mijn bloedige bruidegom.' EX 4:26 Toen liet Jahwe hem met rust. Zij had gezegd: `Mijn bloedige bruidegom,' in verband met de besnijdenis. EX 4:27 En Jahwe sprak tot Aaron: `Ga Mozes in de woestijn tegemoet.' Hij ging op weg en trof hem bij de berg van God, en hij omhelsde hem. EX 4:28 Mozes bracht Aäron op de hoogte van al de woorden die Jahwe tot hem gesproken had en van al de tekenen die Hij hem had opgedragen. EX 4:29 Toen ging Mozes met Aäron mee en zij riepen al de oudsten van Israël bijeen. EX 4:30 Aäron bracht verslag uit van al de woorden die Jahwe tot Mozes gesproken had en voor de ogen van het volk verrichtte hij de tekenen. EX 4:31 En het volk geloofde. Toen zij vernamen dat Jahwe zich het lot van de Israëlieten had aangetrokken en hun ellende gezien had, knielden zij neer en bogen zij zich ter aarde. EX 5:1 Daarna gingen Mozes en Aäron naar Farao en zeiden: `Zo spreekt Jahwe, de God van Israël: Laat mijn volk vertrekken om ter ere van Mij een pelgrimsfeest te vieren in de woestijn.' EX 5:2 Maar Farao antwoordde: `Wie is Jahwe dat ik naar Hem zou luisteren en Israël zou laten gaan? Ik ken geen Jahwe en ik laat Israël niet gaan.' EX 5:3 Toen zeiden zij: `De God van de Hebreeën is tot ons gekomen. Laat ons drie dagreizen ver de woestijn ingaan om offers op te dragen aan Jahwe, onze God. Anders slaat Hij ons met de pest of het zwaard.' EX 5:4 Maar de koning van Egypte voer tegen hen uit: `Waarom, Mozes en Aaron, waarom houden jullie de mensen van het werk? Vooruit, aan het werk!' EX 5:5 Farao voegde er aan toe: `Ze zijn nu al talrijker dan de bevolking van het land, en dan zouden jullie nog willen dat ze het werk neerleggen?' EX 5:6 Diezelfde dag nog gaf Farao aan de opzichters en beambten het volgende bevel: EX 5:7 `Voortaan moet u het volk geen stro meer geven voor de stenen, zoals tot nu toe; laat ze zelf maar op stro uitgaan. EX 5:8 Maar u moet wel dezelfde hoeveelheid stenen blijven eisen die zij tot nu toe maakten. Doe er niets af, want ze zijn lui en daarom schreeuwen ze: Laat ons gaan om offers op te dragen aan onze God. EX 5:9 Deze lieden moeten harder werken, dan hebben ze hun handen vol en luisteren niet naar leugenpraat.' EX 5:10 De opzichters en beambten gingen weg en maakten aan het volk bekend: `Zo spreekt Farao: Ik geef jullie geen stro meer, EX 5:11 jullie gaan het zelf maar zoeken. Maar je moet wel evenveel blijven afleveren.' EX 5:12 Toen liep het volk heel Egypte af om stoppels te verzamelen. EX 5:13 De opzichters joegen hen op met de eis: `Jullie moeten elke dag hetzelfde werk leveren als toen er nog stro werd gebracht.' EX 5:14 De Israëlitische voormannen, die de opzichters van Farao over hen hadden aangesteld, werden mishandeld. Men verweet hun: `Waarom hebben jullie vandaag en gisteren niet dezelfde hoeveelheid stenen afgeleverd als tevoren?' EX 5:15 Toen gingen de Israëlitische voormannen zich beklagen bij Farao en zeiden: `Waarom treedt u zo op tegen uw dienaren? EX 5:16 Uw dienaren krijgen geen stro meer, maar men blijft eisen: Levert stenen! Uw dienaren worden zelfs mishandeld. Zo misdoet u tegen het volk.' EX 5:17 Hij voer uit: `Luiaards zijn jullie, luiaards. Daarom zeggen jullie: Laat ons gaan om offers te brengen aan Jahwe. EX 5:18 En nu vooruit, aan het werk! Er wordt geen stro gebracht, maar het vastgestelde aantal stenen moeten jullie leveren.' EX 5:19 De Israëlitische voormannen begrepen dat ze er slecht aan toe waren, nu hij bevolen had: `Jullie moeten iedere dag evenveel stenen blijven afleveren.' EX 5:20 Toen de voormannen van Farao terugkwamen troffen ze Mozes en Aäron die hen stonden op te wachten. EX 5:21 Ze zeiden tot hen: `Moge Jahwe verschijnen om u te vonnissen, want u hebt het voor ons bedorven bij Farao en zijn hovelingen. U hebt hem het zwaard in de hand gegeven om ons te doden.' EX 5:22 Nu wendde Mozes zich weer tot Jahwe en sprak: `Mijn Heer, waarom behandelt Gij dit volk zo slecht? Waarom hebt Ge mij dan gezonden? EX 5:23 Sinds ik naar Farao gegaan ben om in uw naam tot hem te spreken behandelt hij dit volk nog slechter; en Gij doet maar niets om uw volk te redden.' EX 6:1 Maar Jahwe sprak tot Mozes: `Nu zult ge zien wat ik met Farao ga doen: door overmacht gedwongen zal hij het volk wegsturen, ja door overmacht gedwongen zal hij hen uit zijn land verjagen.' EX 6:2 Wederom richtte God het woord tot Mozes en sprak tot hem: `Ik ben Jahwe. EX 6:3 Aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob ben Ik verschenen als God Almachtig; mijn naam Jahwe heb Ik hun niet geopenbaard. EX 6:4 Met hen heb Ik mijn verbond gesloten: dat Ik hun Kanaän zou geven, het land waar zij als vreemdeling woonden. EX 6:5 Nu heb Ik het weeklagen gehoord van de Israëlieten die door de Egyptenaren tot slaven gemaakt zijn, en ben Ik mijn verbond indachtig. EX 6:6 Zeg daarom tot de Israëlieten: Ik ben Jahwe; Ik zal u wegvoeren uit de dwangarbeid van Egypte; Ik zal u bevrijden van hun overheersing; met uitgestrekte arm en onder toediening van zware straffen zal Ik u verlossen. EX 6:7 Ik zal u aannemen als mijn volk en Ik zal uw God zijn. Dan zult gij beseffen dat Ik het ben, Jahwe uw God, die u bevrijdt van de dwangarbeid van Egypte. EX 6:8 Ik zal u brengen naar het land dat Ik met opgestoken hand beloofd heb aan Abraham, Isaak en Jakob. Ik zal het u in bezit geven, Ik, Jahwe.' EX 6:9 Mozes bracht deze woorden aan de Israëlieten over. Maar zij luisterden niet naar hem omdat zij door de harde slavendienst de moed verloren hadden. EX 6:10 En Jahwe sprak tot Mozes: EX 6:11 `Ga aan Farao, de koning van Egypte, zeggen dat hij de Israëlieten uit zijn land moet laten vertrekken.' EX 6:12 Maar Mozes gaf Jahwe ten antwoord: `De Israëlieten luisteren nog niet eens naar mij. Zou Farao dan wel naar mij luisteren, onbesneden van lippen als ik ben?' EX 6:13 Jahwe sprak tot Mozes en Aäron en zond hen naar de Israëlieten en naar Farao, de koning van Egypte, met de eis dat hij de Israëlieten uit Egypte zou laten vertrekken. EX 6:14 Hier volgen de hoofden van de verschillende families. Zonen van Ruben, Israëls eerstgeborene: Chanok en Pallu, Chesron en Karmi. Dit zijn de geslachten van Ruben. EX 6:15 Zonen van Simeon: Jemuël, Jamin, Ohad, Sochar en Saul, de zoon van een Kanaänitische vrouw. Dit zijn de geslachten van Simeon. EX 6:16 De namen van de zonen van Levi, met hun afstammelingen: Gerson, Kehat en Merari. Levi werd honderdzevenendertig jaar oud. EX 6:17 Zonen van Gerson: Libni en Simi en hun families. EX 6:18 Zonen van Kehat: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. Kehat werd honderddrieëndertig jaar oud. EX 6:19 Zonen van Merari: Machli en Musi. Dit zijn dus de geslachten van Levi en hun afstammelingen. EX 6:20 Amram huwde met Jokebed, zijn tante, en zij baarde hem Mozes en Aaron. Amram werd honderdzevenendertig jaar oud. EX 6:21 zonen van Jishar: Korach, Nefeg en Zikri. EX 6:22 Zonen van Uzziël: Misaël, Elsafan en Sitri. EX 6:23 Aäron huwde met Eliseba, dochter van Amminadab en zuster van Nachson; zij baarde hem Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. EX 6:24 Zonen van Korach: Assir, Elkana en Abiasaf. Dit zijn de geslachten van de Korachieten. EX 6:25 Eleazar, zoon van Aaron, huwde met een dochter van Putiël en zij baarde hem Pinechas. Dit zijn de familiehoofden van de stam Levi, met hun geslachten. EX 6:26 Aan deze Mozes en Aäron had Jahwe de opdracht gegeven: `Leid de Israëlieten, in legers geordend, uit Egypte.' EX 6:27 Zij waren het ook die het woord voerden bij Farao, de koning van Egypte, en van hem eisten dat hij de Israëlieten zou laten wegtrekken uit Egypte, zij, Mozes en Aaron. EX 6:28 Toen Jahwe in Egypte het woord richtte tot Mozes, EX 6:29 sprak Hij: `Ik ben Jahwe. Deel Farao, de koning van Egypte, alles mee wat Ik tot u gesproken heb.' EX 6:30 Maar Mozes zei tot Jahwe: `Ik, onbesneden van lippen als ik ben? Farao luistert immers toch niet naar mij!' EX 7:1 Maar Jahwe sprak tot Mozes: `U breng Ik voor Farao als de god, en uw broer Aäron zal uw profeet zijn. EX 7:2 Hem moet ge alles zeggen wat Ik u opdraag; dan zal uw broer Aäron het woord voeren bij Farao om van hem gedaan te krijgen dat hij de Israëlieten uit zijn land laat wegtrekken. EX 7:3 Dan zal Ik Farao's gemoed verharden en in Egypte talrijke tekenen en wonderen doen. EX 7:4 Farao zal niet naar u luisteren, maar dan zal Ik Egypte mijn kracht laten voelen, en mijn legers, het volk van de Isralieten, wegleiden uit Egypte, dat Ik zwaar zal straffen. EX 7:5 De Egyptenaren zullen weten dat Ik Jahwe ben; zij zullen het beseffen als Ik mijn hand tegen hen uitstrek en de Israëlieten uit hun midden wegleid.' EX 7:6 Mozes en Aäron deden wat Jahwe hun bevolen had. EX 7:7 Ten tijde van de onderhandelingen met Farao was Mozes tachtig en Aäron drieëntachtig jaar oud. EX 7:8 Jahwe richtte het woord tot Mozes en Aäron en sprak: EX 7:9 `Als Farao u uitdaagt: Laat eerst maar eens een wonder zien, dan moet ge tot Aäron zeggen: Neem uw staf en laat hem voor Farao op de grond vallen. Het zal een slang worden!' EX 7:10 Mozes en Aäron gingen naar Farao en deden wat Jahwe hun had opgedragen. Aäron liet voor de ogen van Farao en van al zijn hovelingen zijn staf vallen en het werd een slang. EX 7:11 Maar Farao riep op zijn beurt de wijzen en tovenaars erbij, en ook zij, de magiers van Egypte, deden met hun toverkunsten hetzelfde. EX 7:12 Zij lieten allen hun staf vallen en het werden slangen. Maar de staf van Aäron verslond die van hen. EX 7:13 Toch bleef Farao halsstarrig en hij luisterde niet naar hen zoals Jahwe tevoren had gezegd. EX 7:14 Jahwe sprak tot Mozes; `Het hart van Farao is niet te vermurwen, hij laat het volk niet gaan. EX 7:15 Morgenvroeg moet ge naar hem toegaan, tegen de tijd dat hij zich naar de rivier begeeft. Treed hem dan tegemoet aan de oever van de Nijl, met de staf die in een slang verandert bij u. EX 7:16 Zeg hem dan het volgende: Jahwe, de God van de Hebreeërs, had mij tot u gezonden met het bevel: Laat mijn volk gaan om Mij in de woestijn te vereren. Tot nu toe hebt u daar geen gehoor aan gegeven. EX 7:17 Zo spreekt Jahwe: Hieraan zult gij weten, dat ik Jahwe ben: Met deze staf hier zal ik op het water van de Nijl slaan en het water zal bloed worden. EX 7:18 De vissen in de Nijl zullen sterven; de Nijl zal gaan stinken en de Egyptenaren zullen geen water uit de Nijl meer kunnen drinken.' EX 7:19 Vervolgens sprak Jahwe tot Mozes: `Zeg aan Aaron: Neem uw staf en strek uw hand uit over de wateren van Egypte: over zijn rivieren en stromen, over zijn moerassen en alle waterplassen; alles zal bloed worden. Bloed zal er zijn in heel Egypte, tot in de bomen en de bronnen toe.' EX 7:20 Mozes en Aäron deden wat Jahwe hun bevolen had. Voor de ogen van Farao en al zijn hovelingen hief hij zijn staf op, sloeg op het water van de Nijl en al het water van de Nijl werd als bloed. EX 7:21 De vissen in de Nijl stierven, de Nijl begon te stinken en de Egyptenaren konden het water uit de Nijl niet meer drinken. Bloed was er, overal in Egypte. EX 7:22 Maar omdat de Egyptische magiers door hun toverkunsten hetzelfde deden, bleef Farao halsstarrig; hij luisterde niet naar hen zoals Jahwe tevoren had gezegd. EX 7:23 Farao keerde hun de rug toe en ging naar zijn paleis; hij was ook deze keer niet gezwicht. EX 7:24 Alle Egyptenaren gingen nu overal in de buurt van de Nijl naar drinkwater graven, want het water uit de Nijl was niet meer te drinken. EX 7:25 Zeven dagen verliepen nadat Jahwe de Nijl geslagen had. EX 7:26 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga naar Farao en zeg hem: Zo spreekt Jahwe: Laat mijn volk gaan om Mij te vereren. EX 7:27 Als ge weigert hen te laten gaan zal Ik heel uw grondgebied teisteren door kikkers te sturen. EX 7:28 De Nijl zal wemelen van kikkers; ze zullen er uit komen en binnendringen in uw paleis, in uw slaapvertrek en in uw bed; in de huizen van uw hovelingen en uw onderdanen, in de ovens en de bakkerstroggen. EX 7:29 Ook zullen de kikkers opspringen tegen u, tegen uw onderdanen en uw hovelingen.' EX 8:1 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Zeg aan Aaron: Strek uw staf uit over de rivieren, stromen en moerassen en laat de kikkers over Egypte komen.' EX 8:2 Aäron stak zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er kwamen kikkers uit, die heel Egypte overstroomden. EX 8:3 Maar door hun toverkunsten deden de magiers hetzelfde en ook zij lieten kikkers komen over Egypte. EX 8:4 Toen ontbood Farao Mozes en Aäron en sprak: `Smeek Jahwe toch dat Hij de kikkers wegneemt van mij en van mijn onderdanen; dan zal ik het volk laten gaan om offers op te dragen aan Jahwe.' EX 8:5 Mozes antwoordde Farao: `Zegt u het maar; ik ga bidden voor u, uw hovelingen en uw onderdanen: Wanneer moeten de kikkers uit uw omgeving en uit uw huizen verdwijnen zodat er alleen in de Nijl nog overblijven?' EX 8:6 `Morgen', antwoordde Farao. En Mozes verzekerde hem: `Het zal gebeuren zoals u zegt. Dat zal u doen beseffen dat Jahwe onze God zijn gelijke niet heeft. EX 8:7 De kikkers zullen verdwijnen uit uw omgeving en uit uw huizen, uit die van uw hovelingen en uw onderdanen zodat er alleen in de Nijl nog overblijven.' EX 8:8 Mozes en Aäron gingen bij Farao weg en Mozes bad luid tot Jahwe en vroeg hem de kikkers weg te nemen, waarmee hij Farao getroffen had. EX 8:9 En Jahwe verhoorde Mozes' gebed. De kikkers stierven, in de huizen, op de binnenplaatsen, buiten op het land. EX 8:10 Men veegde ze bijeen, de ene hoop na de andere, zodat het land er van stonk. EX 8:11 Maar toen Farao zag dat er uitkomst gekomen was, werd hij weer onwillig. Hij luisterde niet naar hen, zoals Jahwe tevoren gezegd had. EX 8:12 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Zeg aan Aaron: Neem uw staf in de hand en sla in het stof op de grond: het zal in heel Egypte in muggen veranderen.' EX 8:13 Dat deden zij; Aäron nam zijn staf in de hand en sloeg in het stof op de grond. Meteen kwamen mensen en dieren onder de muggen te zitten: al het stof van de grond in heel Egypte was in muggen veranderd. EX 8:14 Met hun toverkunsten probeerden ook de magiers muggen te voorschijn te brengen, maar zij slaagden daar niet in. Mensen en dieren zaten onder de muggen. EX 8:15 Toen zeiden de magiers tot Farao: `Dit is de vinger van God!' Maar Farao bleef halsstarrig, hij luisterde niet naar hen, zoals Jahwe tevoren gezegd had. EX 8:16 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Begeef u morgenvroeg naar Farao, als hij naar de rivier gaat, en zeg hem: Zo spreekt Jahwe: Laat mijn volk gaan om Mij te vereren. EX 8:17 Want als gij mijn volk niet laat gaan, laat Ik steekvliegen komen over u, over uw hovelingen en uw onderdanen. Uw huizen, de huizen van alle Egyptenaren en de grond onder hun voeten zullen van de vliegen vergeven zijn. EX 8:18 Maar voor het land van Gosen, waar mijn volk woont, zal Ik op die dag een uitzondering maken; daar zullen geen vliegen zijn. Zo zult gij weten dat Ik, Jahwe, in uw land aanwezig ben, EX 8:19 want Ik zal onderscheid maken tussen mijn volk en uw volk. Morgen zal dit teken zich voltrekken.' EX 8:20 Zo deed Jahwe ook. Zwermen steekvliegen drongen het paleis van Farao binnen, de huizen van zijn hovelingen en heel Egypte. Het land was van de vliegen vergeven. EX 8:21 Toen ontbood Farao Mozes en Aäron en sprak: `Ga dan maar offers opdragen aan uw God; maar doe het hier in het land.' EX 8:22 Maar Mozes antwoordde: `Dat zou onmogelijk zijn. De offers die wij aan Jahwe onze God opdragen zijn voor de Egyptenaren een gruwel. Als wij onder de ogen van de Egyptenaren offers brengen die voor hen een gruwel zijn, zullen zij ons zeker stenigen. EX 8:23 Dan kunnen wij toch beter drie dagreizen de woestijn in gaan en daar aan Jahwe onze God de offers brengen die Hij van ons vraagt!' EX 8:24 Toen sprak Farao: `Dan laat ik u gaan om in de woestijn offers op te dragen aan Jahwe uw God; als u maar niet te ver wegtrekt. En u moet wel voor mij bidden.' EX 8:25 Mozes antwoordde: `Zodra ik van u weggegaan ben zal ik voor u bidden tot Jahwe. Morgen zullen de steekvliegen wijken van Farao, van zijn hovelingen en van zijn volk. Maar dan moet Farao geen bedrog meer plegen door het volk toch weer niet te laten gaan om offers te brengen aan Jahwe.' EX 8:26 Mozes ging van Farao heen en bad voor hem tot Jahwe. EX 8:27 En Jahwe deed wat Mozes vroeg: de steekvliegen weken van Farao, van zijn hovelingen en van zijn volk. Niet een bleef er over. EX 8:28 Maar ook deze keer werd Farao weer onwillig. Hij liet het volk niet gaan. EX 9:1 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga naar Farao en zeg hem: Zo spreekt Jahwe, de God der Hebreeën: Laat mijn volk gaan om Mij te vereren. EX 9:2 Want als ge weigert hen te laten gaan en hen nog langer tegenhoudt, EX 9:3 dan slaat de hand van Jahwe uw vee dat buiten graast met een verschrikkelijke pest, de paarden en de ezels, de kamelen en de runderen, de schapen en de geiten. EX 9:4 Daarbij zal Jahwe onderscheid maken tussen het vee van Israël en het vee van Egypte. Van de kudden der Israëlieten zal geen dier verloren gaan. EX 9:5 Jahwe heeft ook het tijdstip vastgesteld: morgen zal Jahwe dit alles aan het land voltrekken.' EX 9:6 De volgende dag deed Jahwe zijn woord gestand: al het vee van de Egyptenaren kwam om, maar bij de Israëlieten stierf geen enkel dier. EX 9:7 Farao liet navraag doen, en inderdaad was er bij de Israëlieten geen enkel dier gestorven. Toch bleef Farao onwillig en hij liet het volk niet vertrekken. EX 9:8 Toen sprak Jahwe tot Mozes en Aaron: `Neem een handvol roet uit een smeltoven. Mozes moet dat voor de ogen van Farao in de lucht werpen. EX 9:9 Het zal over heel Egypte stuiven en overal bij mens en dier builen veroorzaken die openbarsten en gaan etteren.' EX 9:10 Zij namen dus roet uit een smeltoven en verschenen daarmee voor Farao. Mozes wierp het roet in de lucht, en mensen en dieren kregen builen die openbarstten en gingen etteren. EX 9:11 Door de builen konden zelfs de magiers het niet meer bij Mozes uithouden; want ook zij zaten vol builen net als de andere Egyptenaren. EX 9:12 Maar Jahwe maakte Farao halsstarrig; hij luisterde niet naar hen, zoals Jahwe tevoren aan Mozes gezegd had. EX 9:13 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga morgenvroeg naar Farao en zeg hem: Zo spreekt Jahwe, de God der Hebreeën: Laat mijn volk vertrekken om Mij te vereren. EX 9:14 Want deze keer zal Ik mijn zwaarste plaag loslaten op u zelf, op uw hovelingen en uw onderdanen. Dan zult gij weten dat er op de hele wereld niemand aan Mij gelijk is. EX 9:15 Ik had al eerder mijn hand kunnen uitsteken en uw onderdanen kunnen slaan met de pest; dan zoudt ge van de aarde verdwenen zijn. EX 9:16 Maar Ik heb u in leven gelaten om u mijn kracht te laten zien en om mijn naam bekend te laten worden over heel de aarde. EX 9:17 Nog altijd vernedert gij mijn volk en laat het niet gaan. EX 9:18 Morgen om deze tijd zal Ik een zware hagelbui doen vallen, zo zwaar als er in Egypte nog nooit is geweest vanaf zijn ontstaan tot heden toe. EX 9:19 Haal uw kudden en alles wat gij buiten hebt binnen. Op alle mensen en dieren die buiten zijn en niet onderdak zijn gebracht, zal de hagel neerslaan en zij zullen omkomen.' EX 9:20 De hovelingen van Farao die Jahwe's woord vreesden brachten hun knechten en hun vee onderdak, EX 9:21 maar degenen die Jahwe's woord niet ter harte namen lieten hun knechten en hun vee buiten. EX 9:22 En Jahwe sprak tot Mozes: `Hef uw hand naar de hemel, en de hagel zal neerkomen over heel Egypte op mensen en dieren, op het veldgewas in heel Egypte.' EX 9:23 Mozes hief zijn hand naar de hemel en Jahwe liet het donderen en hagelen, bliksemstralen schoten naar de aarde. Jahwe liet de hagel neerkletteren op de Egyptische bodem. EX 9:24 Het hagelde, en bliksemstralen schoten tussen de hagel door. Zo'n zware hagelbui was er in heel Egypte nog nooit geweest, zolang het volk bestond. EX 9:25 Overal in Egypte sloeg de hagel neer op alles wat zich buiten bevond, op mensen en dieren. De hagel sloeg alle veldgewassen stuk en vernielde alle bomen van het land. EX 9:26 Maar er viel geen hagel in het land Gosen, waar de Israëlieten woonden. EX 9:27 Toen ontbood Farao Mozes en Aäron en sprak tot hen: `Deze keer beken ik mijn schuld. Jahwe staat in zijn recht, en ik en mijn volk zijn schuldig. EX 9:28 Bid voor mij tot Jahwe. Deze verschrikkelijke donder en hagel zijn al te erg. Ik laat u gaan, u hoeft niet langer te blijven. EX 9:29 En Mozes gaf hem ten antwoord: `Zodra ik buiten de stad ben hef ik mijn handen op naar Jahwe; dan zal de donder zwijgen en de hagel ophouden; dan weet u dat heel de aarde Jahwe toebehoort. EX 9:30 En toch ben ik er van overtuigd dat u en uw hovelingen Jahwe God nog niet vreest.' EX 9:31 - Het vlas en de gerst waren verhageld, want de gerst stond al in de aar en het vlas bloeide. EX 9:32 De tarwe en de spelt waren niet verhageld, want die zijn later in het seizoen. - EX 9:33 Mozes ging van Farao weg en begaf zich buiten de stad. Hij hief zijn handen op naar Jahwe, en de donder en de hagel hielden op, er stortte geen regen meer op de aarde. EX 9:34 Toen Farao bemerkte dat regen, hagel en donder opgehouden waren, herviel hij in zijn zonde; hij werd zeer onwillig, hij en zijn hovelingen. EX 9:35 Farao werd weer halsstarrig en liet de Israëlieten niet vertrekken, zoals Jahwe tevoren door Mozes gezegd had. EX 10:1 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga naar Farao, want hem en zijn hovelingen maak Ik onwillig om mijn tekenen voor hen te kunnen verrichten. EX 10:2 Dan kunt gij later aan uw kinderen en kleinkinderen verhalen hoe Ik tegen de Egyptenaren ben opgetreden en welke tekenen Ik daar verricht heb. Zo zult gij weten dat Ik Jahwe ben.' EX 10:3 Mozes en Aäron begaven zich naar Farao en zeiden tot hem: `Zo spreekt Jahwe, de God der Hebreeën: Hoe lang nog blijft gij weigeren u voor Mij te buigen? Laat mijn volk om Mij te vereren. EX 10:4 Als ge weigert mijn volk te laten gaan, zal Ik morgen over uw grondgebied sprinkhanen laten omen. EX 10:5 Ze zullen de oppervlakte van het land zo dicht bedekken dat er geen land meer te zien is. Wat de hagel u heeft overgelaten, zullen zij verslinden; alle bomen buiten op het land zullen ze kaalvreten. EX 10:6 Uw huizen, de huizen van al uw hovelingen en de huizen van heel Egypte zullen er vol van zijn. Uw vaders en uw verre voorvaderen hebben, zolang zij in het land wonen, nog nooit zo iets gezien, tot op heden toe.' Mozes keerde zich om en ging van Farao weg. EX 10:7 Nu zeiden de hovelingen van Farao tot hem: `Hoe lang moet die man nu nog een struikelblok voor ons zijn? Laat die mensen toch gaan om Jahwe hun God te vereren. Of wilt u Egypte helemaal ten onder zien gaan?' EX 10:8 Hierop werden Mozes en Aäron opnieuw bij Farao ontboden en deze sprak tot hen: `U kunt vertrekken en Jahwe uw God gaan vereren. Maar wie gaan er mee?' EX 10:9 Mozes antwoordde: `Wij gaan met onze kinderen en grijsaards, met onze zonen en dochters, met ons kleinvee en onze runderen. Want wij vieren een pelgrimsfeest ter ere van Jahwe.' EX 10:10 Maar Farao antwoordde: `Moge Jahwe dan evenzeer met u zijn als ik bereid ben u met uw kinderen te laten vertrekken! Wees gewaarschuwd, u gaat uw ondergang tegemoet. EX 10:11 Er komt niets van in! Alleen de mannen mogen Jahwe gaan vereren. Daar is het u toch om begonnen.' Daarop werden ze uit Farao's tegenwoordigheid verwijderd. EX 10:12 En Jahwe sprak tot Mozes: `Strek uw hand uit over Egypte, dan zullen de sprinkhanen er op neerstrijken. Alle veldgewassen, alles wat de hagel heeft overgelaten, zullen zij verslinden.' EX 10:13 Mozes strekte zijn staf uit over Egypte en Jahwe liet een oostenwind over het land waaien, heel die dag en heel die nacht. Toen de morgen aanbrak had de oostenwind sprinkhanen aangevoerd. EX 10:14 Overal in Egypte streken zij neer. Zoveel sprinkhanen waren er nooit geweest en zullen er nooit meer komen. EX 10:15 Ze bedekten heel de oppervlakte, zodat het land er zwart van zag. Ze vraten alle veldgewassen op en alle boomvruchten die de hagel had overgelaten. Aan bomen of veldgewas bleef in heel Egypte geen groen meer over. EX 10:16 Haastig liet Farao Mozes en Aäron ontbieden en sprak: `Ik heb gezondigd tegen Jahwe uw God en tegen u. EX 10:17 Ik smeek u, vergeef mij ook deze keer mijn zonde; bid voor mij tot Jahwe uw God, dat Hij deze vreselijke plaag van mij wegneemt.' EX 10:18 Mozes ging van Farao weg en bad smekend tot Jahwe. EX 10:19 Toen liet Jahwe een krachtige zeewind waaien; deze voerde de sprinkhanen mee en dreef ze de Rietzee in. In heel het grondgebied van Egypte bleef niet een sprinkhaan over. EX 10:20 Maar Jahwe maakte Farao halsstarrig: Hij liet de Isralieten niet gaan. EX 10:21 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Hef uw hand naar de hemel, dan zal over heel Egypte duisternis komen, zo dicht dat men ze kan tasten.' EX 10:22 Mozes hief zijn hand naar de hemel en een zware duisternis viel over Egypte, drie dagen lang. EX 10:23 De mensen konden elkaar niet zien en drie dagen lang kon niemand een voet verzetten. Maar waar de Israëlieten woonden bleef het licht. EX 10:24 Farao ontbood Mozes en Aäron en sprak: `Trek weg om Jahwe te gaan vereren. Alleen uw kleinvee en uw runderen moet u hier laten; de kinderen moogt ge meenemen.' EX 10:25 Maar toen zei Mozes: `Wilt u ons dan zelf brand- en slachtoffers ter beschikking stellen die wij aan Jahwe, onze God, kunnen opdragen? EX 10:26 Ook ons vee moet mee: geen hoef mag hier blijven. Wat wij Jahwe, onze God gaan aanbieden, moet uit ons eigen bezit komen. En voor wij ter plaatse zijn weten wij nog niet wat wij Jahwe moeten aanbieden.' EX 10:27 Maar Jahwe maakte Farao halsstarrig: hij wilde hen niet laten gaan. EX 10:28 En Farao zei tegen Mozes: `Verdwijn, en zorg dat u nooit meer onder mijn ogen komt. Als u nog een keer onder mijn ogen komt, betekent dat uw dood.' EX 10:29 Mozes antwoordde: `Met eigen mond hebt u het gezegd! Ik zal nooit meer onder uw ogen komen.' EX 11:1 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Nog een plaag zal Ik over Farao en Egypte laten komen. Daarna zal hij u laten vertrekken. Als hij u tenslotte laat gaan zal hij u zelfs met geweld van hier wegjagen. EX 11:2 Dring er bij het volk op aan dat iedere man van zijn buurman en iedere vrouw van haar buurvrouw gouden en zilveren sieraden vraagt.' EX 11:3 Want Jahwe had de Egyptenaren gunstig gestemd tegenover het volk. Ook Mozes zelf stond in Egypte hoog in aanzien bij de hovelingen van Farao en bij zijn onderdanen. EX 11:4 En Mozes zei: `Zo spreekt Jahwe: Tegen middernacht zal Ik rondgaan door Egypte. EX 11:5 Iedere eerstgeborene in Egypte zal sterven, van de eerstgeborene van Farao, die hem op de troon zal opvolgen, tot de eerstgeborene van de slavin die de handmolen draait; ook al de eerstgeborenen van het vee. EX 11:6 Dan zal er in heel Egypte luid gejammer opgaan, zo luid als er nog nooit is geweest en nooit meer zal zijn. EX 11:7 Maar bij de Israëlieten zal zelfs geen hond zijn tong durven roeren tegen mens of dier. Zo zult gij weten dat Jahwe onderscheid maakt tussen Egypte en Israël. EX 11:8 Dan zullen al uw hovelingen naar mij toekomen, zich voor mij neerbuigen en vragen: Vertrek toch, u en het volk dat u achterna loopt. En nu ga ik!' Ziedend van woede ging hij bij Farao weg. EX 11:9 Maar Jahwe sprak tot Mozes: `Farao zal niet naar u luisteren. Zo zullen mijn wonderen in Egypte nog talrijker worden.' EX 11:10 Mozes en Aäron verrichten al deze wonderen voor Farao, maar Jahwe maakte Farao halsstarrig; Hij liet de Israëlieten niet uit zijn land vertrekken. EX 12:1 Jahwe richtte het woord tot Mozes en Aäron in Egypte, en sprak: EX 12:2 `Deze maand moet gij beschouwen als de beginmaand, als de eerste maand van het jaar. EX 12:3 Maak aan heel de gemeenschap van Israël het volgende bekend. Op de tiende van deze maand moet ieder gezin een lam uitkiezen, ieder huis een lam. EX 12:4 Als een gezin te klein is voor een lam, dan moeten ze, rekening houdend met het aantal personen, samen doen met hun naaste buurman. Bij het verdelen van het lam moet er rekening gehouden worden met ieders eetlust. EX 12:5 Het lam moet gaaf zijn, van het mannelijk geslacht en eenjarig. Ge kunt er een schaap of een geit voor nemen. EX 12:6 Ge moet de dieren vasthouden tot aan de veertiende van de maand. Dan moet heel de verzamelde gemeenschap van Israël ze slachten in de avondschemering. EX 12:7 Vervolgens moet gij wat bloed nemen en dat uitstrijken over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur van alle huizen waar het lam gegeten wordt. EX 12:8 In dezelfde nacht moet het vlees gegeten worden, op het vuur gebraden. Het moet gegeten worden met ongezuurd brood en bittere kruiden. EX 12:9 Ge moogt het niet rauw eten of gekookt in water, maar alleen gebraden op het vuur, met kop, poten en ingewanden. EX 12:10 Zorg dat er niets van over is, als de zon opgaat. Wat bij zonsopgang nog over zou zijn moet ge verbranden. EX 12:11 En dit is de wijze waarop gij het lam moet eten: uw lendenen omgord, uw voeten geschoeid, en uw stok in de hand. Haastig moet ge het eten, want het is pasen voor Jahwe. EX 12:12 Deze nacht zal Ik door Egypte gaan en alle eerstgeborenen van Egypte, zowel mensen als dieren, zal Ik slaan. Aan alle goden van Egypte zal Ik het vonnis voltrekken. EX 12:13 Maar het bloed aan de huizen zal een teken zijn dat gij daar woont. Als Ik het bloed aan uw huizen zie, zal Ik u voorbijgaan. Geen vernietigende plaag zal u treffen als Ik Egypte sla. EX 12:14 Deze dag moet gij tot een gedenkdag maken, ge moet hem vieren als een feest ter ere van Jahwe. Van geslacht tot geslacht moet ge hem als een eeuwige instelling vieren. EX 12:15 Gedurende zeven dagen moet ge ongezuurd brood eten. Op de eerste dag moet ge het zuurdeeg uit uw huizen verwijderen, want als iemand een van die zeven dagen iets eet dat gezuurd is, dan zal die mens van Israël worden afgesneden. EX 12:16 De eerste en de zevende dag moet ge tot een heilige dag uitroepen. Op deze dagen moogt ge niet werken, behalve dan dat ieder de spijzen die hij nodig heeft mag toebereiden. EX 12:17 Houd het feest der ongezuurde broden in ere, want dit is de dag waarop Ik uw legerscharen heb weggevoerd uit Egypte. Als een eeuwige instelling moet ge deze dag van geslacht tot geslacht in ere houden. EX 12:18 In de eerste maand moet gij, vanaf de avond van de veertiende dag van de maand tot de avond van de eenentwintigste dag, ongezuurd brood eten. EX 12:19 Gedurende zeven dagen mag in uw huizen geen zuurdeeg gevonden worden, want als iemand gezuurd brood eet zal hij van de gemeenschap van Israël worden afgesneden, of hij nu een vreemdeling of een ingezetene is. EX 12:20 Niets wat gezuurd is moogt ge eten; waar ge ook verblijft, gij moet ongezuurd brood eten. EX 12:21 Toen riep Mozes al de oudsten van Israël bijeen en sprak tot hen: `Ga voor uw families de dieren halen en slacht het paaslam. EX 12:22 U moet ook een bundel hysop nemen en deze dopen in het bloed dat ge in een schaal hebt opgevangen. Dan moet u het bloed uit de schaal uitstrijken over de beide deurposten en over de bovenbalk van de deur. Tot aan de morgen mag niemand buiten de deur van zijn huis komen, EX 12:23 want als Jahwe rondgaat om Egypte te slaan en het bloed ziet aan de beide posten van de deur, dan zal Jahwe uw deur voorbijgaan en Hij zal de verderver niet toestaan naderbij te komen om uw huis te slaan. EX 12:24 U moet dit voorschrift blijven onderhouden als een eeuwige wet voor uzelf en voor uw kinderen. EX 12:25 Ook als u aangekomen is in het land dat Jahwe u, naar zijn woord, gaat schenken, moet u deze plechtigheid blijven vieren. EX 12:26 En als uw kinderen u de vraag stellen: Wat betekent deze plechtigheid? EX 12:27 dan moet u hun antwoorden: Dit is een paasoffer voor Jahwe, omdat Hij in Egypte de huizen van de Israëlieten voorbij is gegaan; terwijl Hij de Egyptenaren sloeg, heeft Hij onze huizen gespaard.' Toen knielde het volk neer en boog zich ter aarde. EX 12:28 De Israëlieten gingen uiteen en deden alles wat Jahwe aan Mozes en Aäron had voorgeschreven. EX 12:29 En het was midden in de nacht toen Jahwe al de eerstgeborenen van Egypte sloeg, vanaf de eerstgeborene van Farao die hem op de troon zou opvolgen, tot aan de eerstgeborene in de gevangenis; en ook al de eerstgeborenen van het vee. EX 12:30 Die nacht kwamen Farao en al zijn hovelingen en alle Egyptenaren overeind, en een luid geschreeuw klonk over Egypte, want er was geen huis zonder dode. EX 12:31 Die nacht nog liet hij Mozes en Aäron ontbieden en sprak: `Maak dat u bij mijn volk wegkomt, u en de Israëlieten. Ga Jahwe vereren zoals u gevraagd hebt. EX 12:32 Neem ook al uw kleinvee en runderen mee, zoals u gevraagd hebt. Ga weg en smeek ook voor mij zijn zegen af.' EX 12:33 De Egyptenaren drongen er bij het volk op aan zo spoedig mogelijk te vertrekken. `Anders sterven we allemaal,' zeiden ze. EX 12:34 Het volk nam het deeg mee nog voor het gezuurd was; ze wikkelden de troggen in hun mantels en namen ze op hun schouders. EX 12:35 De Israëlieten deden wat Mozes hun gezegd had en vroegen van de Egyptenaren gouden en zilveren sieraden en kleding. EX 12:36 Jahwe stemde de Egyptenaren gunstig ten opzichte van het volk zodat zij deze dingen afstonden. Zo beroofden de Isralieten Egypte. EX 12:37 De Israëlieten vertrokken vanuit Ramses in de richting Sukkot, en het aantal mannen die zelf liepen - de kinderen dus niet meegerekend - bedroeg ongeveer zeshonderdduizend. EX 12:38 Ook vele anderen trokken met hen mee en dan nog grote kudden kleinvee en runderen. EX 12:39 Zij bakten ongezuurde koeken van het deeg dat ze meegenomen hadden uit Egypte; dit was nog niet gezuurd. Zij waren immers uit Egypte weggejaagd zonder dat hun respijt werd gelaten en zelfs zonder dat ze voor proviand hadden kunnen zorgen. EX 12:40 Het verblijf van de Israëlieten in Egypte had vierhonderddertig jaar geduurd. EX 12:41 Juist op de dag dat deze vierhonderddertig jaar verstreken waren trokken al de legerscharen van Jahwe weg uit Egypte. EX 12:42 Jahwe waakte die nacht om hen uit Egypte weg te voeren. Daarom waken alle Israëlieten deze nacht voor Jahwe, al hun geslachten door. EX 12:43 Jahwe sprak tot Mozes en Aaron: `Voor het paasmaal gelden de volgende regels. Geen buitenlander mag er aan deelnemen. EX 12:44 Maar een slaaf die gij gekocht en besneden hebt, mag wel van het paasmaal eten. EX 12:45 Vreemdelingen en dagloners mogen echter niet deelnemen. EX 12:46 Het moet in een en hetzelfde huis gegeten worden, niets van het vlees moogt ge buitenshuis brengen en geen been van het lam moogt ge breken. EX 12:47 Heel de gemeenschap van Israël moet het vieren. EX 12:48 Wil een vreemdeling die bij u woont voor Jahwe het paasmaal vieren, dan moet hij eerst alle mannelijke leden van zijn gezin laten besnijden. Dan mag hij het gaan vieren, omdat hij geldt als een geboren Israëliet. Maar geen onbesnedene mag er van meeëten. EX 12:49 Voor de geboren Israëlieten en voor de vreemdelingen die bij u verblijven, gelden dezelfde voorschriften.' EX 12:50 De Israëlieten voerden alles uit wat Jahwe aan Mozes en Aäron had voorgeschreven. EX 12:51 En diezelfde dag nog leidde Jahwe de Israëlieten, in groepen geordend, weg uit Egypte. EX 13:1 Jahwe sprak tot Mozes en Aäron aldus: EX 13:2 `Wijd Mij alle eerstgeborenen toe; alles wat bij de Israëlieten de moederschoot opent, mens of dier, behoort Mij toe.' EX 13:3 Mozes sprak tot het volk: `Blijf deze dag gedenken, de dag waarop u weggetrokken bent uit Egypte, het slavenhuis. Want met krachtige hand heeft Jahwe u weggeleid. Gezuurd brood mag niet gegeten worden. EX 13:4 Vandaag, op deze dag van de maand Abib, trekt u weg. EX 13:5 Als Jahwe u dan weggebracht heeft naar het land van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Chiwwieten en Jebusieten, een land van melk en honing, het land dat Hij u geven zal zoals Hij aan uw vaderen onder ede beloofd heeft, dan moet u steeds in deze maand deze plechtigheid blijven vieren. EX 13:6 Zeven dagen lang moet u ongezuurd brood eten, en op de zevende dag is het feest voor Jahwe. EX 13:7 Ongezuurd brood moet men eten, zeven dagen lang; iets wat gezuurd is mag bij u niet gevonden worden. EX 13:8 Op die dag moet u aan uw zoon deze uitleg geven: Dit staat in verband met wat Jahwe voor mij gedaan heeft toen ik wegtrok uit Egypte. EX 13:9 Het moet voor u een merk op de hand zijn en een gedachtenisteken tussen uw ogen, zodat Jahwe's wet altijd op uw lippen is. Want met sterke hand heeft Hij u weggeleid uit Egypte. EX 13:10 U moet dit voorschrift ieder jaar op de vastgestelde tijd onderhouden. EX 13:11 Als Jahwe u geleid heeft naar het land van de Kanaänieten, dat Hij u en uw vaderen onder ede beloofd heeft, en u dat land in bezit heeft gegeven, EX 13:12 dan moet u alles wat de moederschoot opent afstaan aan Jahwe. Elke mannelijke eerstgeborene van het vee behoort toe aan Jahwe. EX 13:13 Elk eerstgeboren jong van een ezel moet u loskopen met een lam. Wilt u het niet loskopen dan moet u het de nek breken. Iedere mannelijke eerstgeborene van uw kinderen moet u vrijkopen. EX 13:14 Als uw zoon u later vraagt wat dit betekent, dan moet u hem antwoorden: Met krachtige hand heeft Jahwe ons weggeleid uit Egypte, het slavenhuis. EX 13:15 Toen Farao hardnekkig weigerde ons te laten gaan, heeft Jahwe alle eerstgeborenen van Egypte gedood, zowel de eerstgeborenen van de mensen als die van het vee. Daarom offer ik al het mannelijke dat de moederschoot opent aan Jahwe en koop ik elke eerstgeboren zoon vrij. EX 13:16 Dit moet voor u een merk op de hand zijn en een gedachtenisteken tussen uw ogen; want met krachtige hand heeft Jahwe ons weggeleid uit Egypte.' EX 13:17 Toen Farao het volk had laten vertrekken liet God hen niet door het gebied van de Filistijnen gaan, hoewel deze weg korter is. Want als het volk aangevallen zou worden, dacht God, zou het spijt kunnen krijgen en terugkeren naar Egypte. EX 13:18 God liet het volk dus de omweg door de Rietzeewoestijn maken. Geheel tot de strijd uitgerust trokken de Israëlieten weg uit Egypte. EX 13:19 Mozes nam het gebeente van Jozef mee. Deze had de Isralieten immers plechtig laten beloven dat te doen, toen hij zei: `Jahwe zal zeker eens genadig op u neerzien; neem dan mijn gebeente met u mee.' EX 13:20 De Israëlieten vertrokken van Sukkot en sloegen hun kamp op te Etam, aan de rand van de woestijn. EX 13:21 Jahwe ging voor hen uit; overdag in een wolkkolom,'s nachts in een vuurzuil om hun licht te zijn. Zo konden zij dag en nacht doortrekken. EX 13:22 Nooit week de wolkkolom overdag en de vuurzuil's nachts van de spits van het volk. EX 14:1 Jahwe sprak tot Mozes: EX 14:2 `Zeg aan de Israëlieten dat zij moeten omkeren en hun kamp opslaan voor Pi-hachirot, tussen Migdol en de zee. Voor Baäl-sefon moet gij aan de zee uw kamp opslaan. EX 14:3 Dan zal Farao denken: De Israëlieten zijn de weg kwijtgeraakt en nu zijn ze door de woestijn ingesloten. EX 14:4 En Ik zal Farao weer halsstarrig maken zodat hij hen gaat achtervolgen. Ik zal Mij verheerlijken ten koste van Farao en heel zijn legermacht. Dan zullen de Egyptenaren weten dat Ik Jahwe ben.' De Israëlieten deden naar dit bevel. EX 14:5 toen aan de koning van Egypte gemeld werd dat het volk gevlucht was, veranderden Farao en zijn hovelingen van gedachten en ze riepen uit: `Hoe konden we de Israëlieten toch uit onze dienst laten vertrekken?' EX 14:6 Hij liet dus zijn strijdwagen aanspannen en nam zijn manschappen met zich mee: EX 14:7 zeshonderd van de beste wagens en alle voertuigen van Egypte, alle met drie man bezet. EX 14:8 Want Jahwe had Farao, de koning van Egypte, weer halsstarrig gemaakt, zodat hij de Israëlieten ging achtervolgen die onder Jahwe's machtige bescherming vertrokken waren. EX 14:9 Met alle paarden en wagens van Farao, met zijn wagenmenners en zijn legermacht, zetten de Egyptenaren de achtervolging in. Zij haalden de Isralieten in terwijl zij gelegerd waren aan zee, bij Pi-hachirot, voor Baäl-sefon. EX 14:10 Toen Farao naderde, zagen de Israëlieten ineens dat de Egyptenaren hen achterna gekomen waren. Hevige angst maakte zich van hen meester en zij riepen luid tot Jahwe. EX 14:11 Maar tegen Mozes zeiden ze: `Waren er in Egypte geen graven dat je ons naar de woestijn gebracht hebt om te sterven? Hoe heb je het toch in je hoofd gehaald om ons weg te voeren uit Egypte? EX 14:12 Hebben wij je in Egypte al niet gewaarschuwd: Bemoei je niet met ons, laat ons maar in dienst blijven van de Egyptenaren? Het is beter hen te dienen dan te sterven in de woestijn.' EX 14:13 Mozes gaf het volk ten antwoord: `Vrees niet en blijf volhouden: dan zult u zien hoe Jahwe u vandaag nog zal redden. Want vandaag ziet u de Egyptenaren nog; daarna zult u ze niet meer zien, nooit meer! EX 14:14 Jahwe zal voor u strijden; zelf hoeft u geen vinger uit te steken.' EX 14:15 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Wat roept ge Mij toch. Beveel de Israëlieten verder te trekken. EX 14:16 Gij zelf moet uw hand opheffen, uw staf uitstrekken over de zee en ze in tweeën splijten. Dan kunnen de Israëlieten over de droge bodem door de zee trekken. EX 14:17 Ik ga de Egyptenaren halsstarrig maken, zodat zij hen achterna gaan. En dan zal Ik Mij verheerlijken ten koste van Farao en heel zijn legermacht, zijn wagens en zijn wagenmenners. EX 14:18 De Egyptenaren zullen weten dat Ik Jahwe ben, als Ik Mij verheerlijk ten koste van Farao, zijn wagens en zijn wagenmenners.' EX 14:19 De engel van God die aan de spits van het leger der Israëlieten ging, veranderde van plaats en stelde zich achter hen op. De wolkkolom ging weg van de spits en stelde zich achter hen op. EX 14:20 Zo kwam zij tussen het leger van de Egyptenaren en het leger van de Israëlieten. De wolk bleef die nacht donker zodat het heel die nacht niet tot een treffen kwam. EX 14:21 Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en Jahwe deed die hele nacht door een sterke oostenwind de zee terugwijken. Hij maakte van de zee droog land en de wateren spleten vaneen. EX 14:22 Zo trokken de Israëlieten over de droge bodem de zee door, terwijl de wateren links en rechts een wand vormden. EX 14:23 De Egyptenaren zetten de achtervolging in; alle paarden van Farao, zijn wagens en zijn wagenmenners gingen achter de Isralieten aan de zee in. EX 14:24 Tegen de morgenwake richtte Jahwe vanuit de wolkkolom en de vuurzuil zijn blikken op de legermacht van de Egyptenaren en bracht ze in verwarring. EX 14:25 Hij liet de wielen van de wagens scheeflopen zodat ze slechts met moeite vooruit kwamen. De Egyptenaren riepen uit: `Laten we vluchten voor de Israëlieten, want Jahwe strijdt voor hen tegen ons.' EX 14:26 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Strek uw hand uit over de zee, dan zal het water terugstromen over de Egyptenaren, hun wagens en hun wagenmenners.' EX 14:27 Mozes strekte zijn hand uit over de zee, en toen het licht begon te worden vloeide de zee naar haar gewone plaats terug. Daar de Egyptenaren er tegen in vluchtten, dreef Jahwe hen midden in de zee. EX 14:28 Het water vloeide terug en overspoelde wagens en wagenmenners, heel de strijdmacht van Farao die de Israëlieten op de bodem van de zee achterna was gegaan. Niet een bleef gespaard. EX 14:29 De Israëlieten daarentegen waren over de droge bodem door de zee heengetrokken, terwijl de wateren links en rechts van hen een wand vormden. EX 14:30 Zo redde Jahwe op deze dag Israël uit de greep van Egypte; Israël zag de Egyptenaren dood op de kust liggen. EX 14:31 Toen Israël Jahwe's machtige optreden tegen Egypte gezien had, kreeg het volk ontzag voor Jahwe; zij stelden vertrouwen in Jahwe en in Mozes zijn dienaar. EX 15:1 Toen hieven Mozes en de Israëlieten ter ere van Jahwe dit lied aan: Ik wil zingen voor Jahwe, want Hij is de hoogste: paard en berijder dreef Hij in zee. EX 15:2 Jahwe is mijn sterkte en kracht; Hij heeft mij gered: Hij is mijn God en Hem wil ik loven; de God van mijn vader, Hem zal ik verheffen. EX 15:3 Jahwe is een strijder, Jahwe is zijn naam. EX 15:4 Farao's wagens, zijn machtige legers. Hij wierp ze in zee; de keur van zijn mannen, de Rietzee verzwolg ze. EX 15:5 Zij zijn door de vloed overspoeld, als een steen naar de diepte gezakt. EX 15:6 Uw hand, Jahwe, heeft zich machtig getoond; uw hand sloeg de vijand terneer. EX 15:7 Die U weerstonden hebt Gij gebroken, groot in uw luister. Het vuur van uw toorn liet Gij gaan: het verslond hen als stro. EX 15:8 Uw neus heeft geblazen; de wateren stegen. de stromen bleven staan als een dam; de golven verstijfden, midden in zee. EX 15:9 `Ik ga ze achterna,' zei de vijand, `ik haal ze wel in; de buit zal ik delen, ik zal er in zwelgen; mijn zwaard zal ik trekken, mijn hand roeit hen uit.' EX 15:10 Maar Gij hebt geblazen, de zee heeft hen bedolven; zij zonken als lood in de machtige vloed. EX 15:11 Wie is van de goden als gij, o Jahwe? Wie is er als Gij, schrikwekkend en heilig. om roemvolle daden geducht, om wonder na wonder? EX 15:12 Uw hand heft gij op, de aarde verslindt hen. EX 15:13 Uw genade wees de weg aan het volk, door U verlost; uw kracht heeft het geleid, naar uw heilige plaats. EX 15:14 De volken vernamen het, zij beefden van angst; Filistea's bewoners, zij sidderden. EX 15:15 De vorsten van Edom, zij waren ontsteld; de heersers van Moab, door huiver Bevangen. Kanaän wankelde, al zijn bewoners. EX 15:16 Ontzetting en schrik kwam over hen neer; zij werden als steen door de macht van uw arm. tot voorbij was uw volk, o Jahwe, tot voorbij was het volk dat Gij hebt gemaakt. EX 15:17 Gij hebt hen gebracht; Gij hebt hen geplant op de berg die uw domein is, waar Gij, o Jahwe, uw verblijf hebt gevestigd, het heiligdom, Heer, dat uw hand heeft gemaakt. EX 15:18 Jahwe is koning, voor altijd en eeuwig! EX 15:19 Toen de paarden van Farao, met de wagens en de wagenmenners, in de zee gekomen waren, liet Jahwe de wateren van de zee over hen terugvloeien. Maar de Israëlieten waren over de droge bedding gegaan, midden in de zee. EX 15:20 En Mirjam, de profetes, een zuster van Aaron, pakte haar tamboerijn, en alle vrouwen volgden haar, dansend en spelend op de tamboerijn. EX 15:21 Mirjam zong het refrein: Zing voor Jahwe, want Hij is de hoogste; paard en berijder dreef Hij in zee. EX 15:22 Toen liet Mozes de Israëlieten van de Rietzee verder trekken naar de woestijn van Sur. Drie dagen trokken zij door de woestijn, zonder water te vinden. EX 15:23 Zij kwamen in Mara, maar het water van Mara was niet te drinken omdat het bitter was. Daarom heet die plaats dan ook Mara. EX 15:24 Het volk begon te morren tegen Mozes en vroeg: 'Wat moeten we drinken?' EX 15:25 Mozes smeekte Jahwe om hulp, en Jahwe wees hem een stuk hout aan. Hij wierp dat in het water, en het water werd zoet. Daar gaf hij hun regels en recht, en leerde hun daarmee te leven. EX 15:26 Hij hield hun voor: 'Als gij oprecht gehoorzaamt aan het woord van Jahwe, uw God, en als gij doet wat in zijn ogen goed is, als gij zijn voorschriften opvolgt en zijn verordeningen onderhoudt: dan zal geen van de ziekten die Ik over Egypte deed komen, u treffen. Ik ben Jahwe, uw geneesheer.' EX 15:27 Zij kwamen vervolgens te Elim, een plaats met twaalf bronnen en zeventig palmen, en legerden zich daar bij water. EX 16:1 Van Elim trok heel de gemeenschap van de Israëlieten verder en bereikte de woestijn van Sin, tussen Elim en de Sinaï. Het was de vijftiende dag van de tweede maand na hun vertrek uit Egypte. EX 16:2 Toen ze in de woestijn waren, begon heel de gemeenschap van de Israëlieten te morren tegen Mozes en Aaron. EX 16:3 De Israëlieten zeiden tegen hen: `Waren we maar door Jahwe's hand gestorven in Egypte, waar we bij de vleespotten zaten en volop brood konden eten. Jullie hebben ons alleen maar naar de woestijn gebracht om al deze mensen van honger te laten omkomen.' EX 16:4 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ik zal brood voor u laten regenen uit de hemel. De mensen moeten er dagelijks op uit gaan en de hoeveelheid voor een dag verzamelen. Dan kan Ik vaststellen of het mijn leiding wil volgen of niet. EX 16:5 Maar op de zesde dag moeten ze eens zo veel verzamelen en toebereiden als op andere dagen.' EX 16:6 Mozes en Aäron zeiden toen tot de Israëlieten: `Vanavond nog zult u weten dat het inderdaad Jahwe was die u heeft weggevoerd uit Egypte. EX 16:7 en morgenochtend zult u de heerlijkheid van Jahwe aanschouwen. Want Jahwe heeft het gemor tegen hem gehoord. Wie zijn wij, dat u zo mort tegen ons?' EX 16:8 Mozes zei verder: `Vanavond zal Jahwe zelf u vlees te eten geven en morgenochtend volop brood. Want Jahwe heeft uw gemor tegen hem gehoord. Wie zijn wij tenslotte? Niet tegen ons, maar tegen Jahwe ging uw gemor.' EX 16:9 En Mozes sprak tot Aaron: `Zeg aan heel de gemeenschap der Israëlieten het volgende: Nader tot Jahwe, want hij heeft uw gemor gehoord.' EX 16:10 Terwijl Aäron sprak, keerde heel de gemeenschap der Israëlieten zich maar de woestijn. En daar verscheen hun in een wolk de heerlijkheid van Jahwe. EX 16:11 Jahwe sprak tot Mozes: EX 16:12 `Ik heb het gemor van de Israëlieten gehoord. Dit moet ge hun zeggen: Tegen de avond kunt ge vlees eten en morgenochtend zult ge volop brood hebben. Dan zult ge weten dat Ik Jahwe, uw God, ben.' EX 16:13 En het was avond, toen de kwartels kwamen aangevlogen die neervielen over heel het kamp. De volgende morgen hing er dauw rondom het kamp. EX 16:14 En toen deze was opgetrokken lag er over de woestijn een fijne korrelige laag, alsof de grond met rijp was bedekt. EX 16:15 De Israëlieten zagen het en vroegen: `Wat is dat?' Ze wisten werkelijk niet wat het was. Mozes legde hun uit: `Dit is het brood dat Jahwe u te eten geeft. EX 16:16 En aldus heeft Jahwe bepaald: Ieder mag er zoveel van nemen als hij voor zijn familie nodig heeft: een omer per persoon. Maar ieder mag alleen maar nemen voor degenen die in zijn tent verblijven.' EX 16:17 De Israëlieten deden dat ook: de een verzamelde meer, de ander minder. EX 16:18 Als ze het met de omer namaten bleek een grote hoeveelheid nooit te groot en een kleine hoeveelheid nooit te klein, en had de man die veel had nooit te veel en de man die weinig had nooit te weinig. Iedereen had juist zoveel verzameld als hij nodig had. EX 16:19 Mozes vermaande hen: `Er mag niets bewaard worden voor de volgende dag.' EX 16:20 Maar sommigen stoorden zich niet aan Mozes' bevel en bewaarden toch iets tot de volgende dag; toen zat het vol wormen en het stonk afschuwelijk. Mozes was woedend op hen. EX 16:21 Iedere morgen opnieuw verzamelden zij het, ieder zoveel als hij nodig had. Zodra de zon warm begon te worden smolt het weg. EX 16:22 Op de zesde dag vonden zij een dubbele hoeveelheid brood, twee omer per persoon. Alle leiders van de gemeenschap kwamen het Mozes zeggen. EX 16:23 Deze legde hun uit: `Zo heeft Jahwe bepaald: Morgen is het sabbatdag, de sabbat die gewijd is aan Jahwe. Bat en kookt wat u nodig hebt. Wat overblijft moet u opzij leggen en bewaren voor morgen.' EX 16:24 Zij legden dus een gedeelte opzij voor de volgende morgen, zoals Mozes bevolen had. Deze keer stonk het niet en er zagen geen wormen in. EX 16:25 En Mozes zei: `Dit moet u vandaag gebruiken, want vandaag is het sabbat voor Jahwe. Vandaag zult u buiten niets vinden. EX 16:26 Zes dagen kunt u verzamelen, maar op de zevende dag, op de sabbat, is er niets.' EX 16:27 Sommige mensen gingen er de zevende dag toch op uit, maar zij vonden niets. EX 16:28 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Hoe lang blijft gij nog weigeren mijn voorschriften en bepalingen te onderhouden? EX 16:29 Denk er wel aan:: Jahwe heeft u de sabbat gegeven. Hij geeft u dan ook op de zesde dag brood voor twee dagen. Iedereen moet blijven waar hij is, niemand mag op de zevende dag zijn verblijfplaats verlaten.' EX 16:30 Zo hield het volk op de zevende dag rust. EX 16:31 Israël noemde het brood manna. Het was wit als korianderzaad en smaakte naar honingkoek. EX 16:32 Mozes sprak nog: `Dit heeft Jahwe bevolen: Bewaar een volle omer voor uw nageslacht. Dan kunnen zij zien welk brood Ik u te eten gegeven heb in de woestijn, toen Ik u wegvoerde uit Egypte.' EX 16:33 Mozes gaf Aäron de opdracht: `Neem een urn, doe er een volle omer manna in en zet die voor Jahwe, om ze voor het nageslacht te bewaren.' EX 16:34 Aäron deed wat Jahwe aan Mozes bevolen had en plaatste de urn ter bewaring bij de verbondsakte. EX 16:35 Veertig jaar lang aten de Israëlieten het manna, tot ze in bewoonde streken kwamen. Zij aten het manna tot ze de grenzen van Kanaän bereikt hadden. EX 16:36 Een omer is het tiende deel van een efa. EX 17:1 Heel de gemeenschap van de Israëlieten vertrok uit de woestijn van Sin, om naar Jahwe's aanwijzingen van kamp tot kamp verder te gaan. Toen ze hun kamp opsloegen in Refidim had het volk geen water te drinken. EX 17:2 Ze begonnen Mozes verwijten te doen en zeiden: `Geef ons water te drinken.' Mozes antwoordde: `Waarom doet u mij verwijten en waarom daagt u Jahwe uit?' EX 17:3 Maar de mensen leden daar hevige dorst; zij bleven tegen Mozes morren en zeiden: `Waarom hebt u ons weggevoerd uit Egypte als we toch met kinderen en vee van dorst moeten sterven?' EX 17:4 Mozes klaagde zijn nood bij Jahwe: `Wat moet ik toch aan met dit volk? Ze staan op het punt mij te stenigen.' EX 17:5 Jahwe gaf Mozes ten antwoord: `Ga met enkelen van Israëls oudsten voor het volk uit, neem in uw hand de staf waarmee ge de Nijl geslagen hebt en begeef u op weg. EX 17:6 Ik zal ginds, voor uw ogen, op een rots staan, op de Horeb. Sla op die rots: er zal water uitstromen zodat de mensen kunnen drinken.' Mozes deed dat in het bijzijn van Israëls oudsten. EX 17:7 Hij noemde de plaats Massa en Meriba vanwege de verwijten der Israëlieten en omdat zij Jahwe hadden uitgedaagd door zich af te vragen: `Is Jahwe nu bij ons of niet?' EX 17:8 Amalek kwam aanzetten om Israël in Refidim aan te vallen. EX 17:9 Toen zei Mozes tegen Jozua: `Kies manschappen uit en trek morgen ten strijde tegen Amalek. Zelf ga ik met de staf van God in mijn hand op de top van de heuvel staan.' EX 17:10 Jozua deed wat Mozes hem had opgedragen. Hij bond de strijd aan met Amalek, terwijl Mozes, Aäron en Chur de top van de heuvel bestegen. EX 17:11 En zolang Mozes zijn armen opgeheven hield waren de Israëlieten aan de winnende hand. Maar liet hij zijn armen zakken dan won Amalek. EX 17:12 Tenslotte werden Mozes' armen moe. Toen haalden ze een steen voor hem waar hij op ging zitten. Aäron en chur ondersteunden zijn armen, elk aan een kant. Zo bleven zijn armen omhooggeheven, tot zonsondergang toe. EX 17:13 En Jozua versloeg Amalek en zijn leger met het zwaard. EX 17:14 Daarop gaf Jahwe aan Mozes de opdracht: `Stel dit ter gedachtenis op schrift en prent het Jozua in: Ik ga de herinnering aan Amalek van de aarde wegvagen.' EX 17:15 Toen bouwde Mozes een altaar en noemde het Jahwe-banier. EX 17:16 Hij zei: `De handen omhoog naar Jahwe's troon. Jahwe strijdt tegen Amalek, alle geslachten door.' EX 18:1 Jetro, de priester van Midjan, de schoonvader van Mozes, hoorde alles wat God gedaan had voor Mozes en voor zijn volk Israël: dat Jahwe Israël uit Egypte had geleid. EX 18:2 Toen ging Jetro, de schoonvader van Mozes, met diens vrouw Sippora - die Mozes later teruggestuurd had - EX 18:3 en haar beide zonen, op weg. De ene zoon heette Gersom. Want, zo had hij gedacht, `ik verblijf in een vreemd land.' EX 18:4 De ander heette Eliezer: want `de God van mijn vader kwam mij te hulp en heeft mij gered van Farao's zwaard.' EX 18:5 Jetro, de schoonvader van Mozes, ging dus met diens vrouw en zonen op weg naar Mozes, naar de woestijn waar deze toen gelegerd was, bij de berg van God. EX 18:6 Hij liet weten: `Ik, uw schoonvader Jetro, ben naar u op weg. Uw vrouw en zonen zijn in mijn gezelschap.' EX 18:7 Toen ging Mozes zijn schoonvader tegemoet, boog voor hem en kuste hem. Zij vroegen elkaar hoe ze het maakten en gingen toen de tent binnen. EX 18:8 Mozes verhaalde zijn schoonvader uitvoerig wat Jahwe gedaan had met de farao van Egypte, ten gunste van Israël. Ook vertelde hij van alle moeilijkheden waarop ze onderweg gestuit waren en hoe Jahwe hen daaruit had gered. EX 18:9 Jetro was verheugd over de gunsten die Jahwe bij de bevrijding uit Egypte aan Israël bewezen had. EX 18:10 En Jetro sprak: `Gezegend zij Jahwe die u bevrijd heeft uit de macht van Egypte en uit de macht van Farao. Hij die het volk bevrijd heeft uit de onderdrukking van Egypte. EX 18:11 Nu weet ik dat Jahwe groter is dan alle andere goden.' EX 18:12 Jetro, de schoonvader van Mozes, bracht aan God brand- en slachtoffers. En Aäron en al de oudsten van Israël kwamen met de schoonvader van Mozes voor God de offermaaltijd houden. EX 18:13 De volgende dag hield Mozes rechtszitting. Van's morgens tot's avonds stonden er mensen om hem heen. EX 18:14 Toen zijn schoonvader zag hoeveel werk het volk hem bezorgde zei hij: `Is het nodig dat deze mensen je zo in beslag nemen? Waarom hou je alleen zitting terwijl de mensen zich van's morgens tot's avonds om je verdringen?' EX 18:15 Mozes antwoordde zijn schoonvader: `De mensen komen naar mij toe om Gods uitspraak te vernemen. EX 18:16 Als ze een geschil hebben komen ze bij mij, en ik moet uitspraak doen en hen op de hoogte stellen van Gods bepalingen en beslissingen.' EX 18:17 Mozes' schoonvader zei toen tot hem: `Toch doe je zo niet verstandig. EX 18:18 Het is te vermoeiend, zowel voor jezelf als voor de mensen die staan te wachten. Het is te zwaar voor je; dit kun je alleen niet aan. EX 18:19 Luister naar me, ik zal je een goede raad geven en God zal je bijstaan. Jij moet het volk vertegenwoordigen bij God en Hem de zaken voorleggen. EX 18:20 Je moet de mensen de bepalingen en wetten inprenten en hun leren welke weg zij moeten gaan en hoe zij moeten leven. EX 18:21 Maar kies daarnaast uit het volk een aantal mannen die bekwaam zijn, godvrezend, betrouwbaar en onomkoopbaar. Stel hen aan tot leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig, en leiders over tien. EX 18:22 Zij moeten zich steeds ter beschikking houden voor de rechtspraak. Iedere belangrijke zaak moeten ze aan jou voorleggen, in kleinere zaken kunnen ze zelf uitspraak doen. Het zal voor jou een verlichting betekenen als zij die last met je dragen. EX 18:23 Als jij, met Gods instemming, zo te werk gaat, dan kun je het volhouden en gaan ook al die mensen tevreden naar huis.' EX 18:24 Mozes ging op de raad van zijn schoonvader in en regelde alles zoals deze had voorgesteld. EX 18:25 Hij koos uit heel Israël bekwame mannen en stelde hen aan het hoofd van het volk: leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig en leiders over tien. EX 18:26 Zij hielden zich voor de rechtspraak van het volk steeds ter beschikking. De belangrijke zaken legden ze voor aan Mozes, in kleinere deden ze zelf uitspraak. EX 18:27 Toen deed Mozes zijn schoonvader uitgeleide en deze keerde terug naar zijn land. EX 19:1 Drie maanden na hun vertrek uit Egypte, op de dag af, bereikten de Israëlieten de Sinaï-woestijn. EX 19:2 Zij waren vertrokken uit Refidim en kwamen aan in de Sinaï-woestijn waar zij dicht bij de berg hun kamp opsloegen. EX 19:3 Mozes ging de berg op, naar God. Toen hij boven was sprak Jahwe hem daar aan en zei: `Dit moet gij zeggen tot het huis van Jakob en doen weten aan de zonen van Israël. EX 19:4 Met eigen ogen hebt gij gezien hoe Ik ben opgetreden tegen Egypte, hoe Ik u op arendsvleugelen gedragen en hier bij Mij gebracht heb. EX 19:5 Als gij aan mijn woord gehoorzaamt en mijn verbond onderhoudt, dan zult ge - hoewel de hele aarde Mij toebehoort - van alle volken op bijzondere wijze mijn eigendom zijn. EX 19:6 Gij zult mijn priesterlijk koninkrijk en mijn heilig volk zijn. Deze woorden moet gij de Israëlieten overbrengen.' EX 19:7 Mozes ging terug, riep de oudsten van het volk bijeen en deelde hun alles mee wat Jahwe hem had opgedragen. EX 19:8 Eenstemmig gaf het volk dit antwoord: `Alles wat Jahwe zegt zullen wij volbrengen.' Mozes bracht het antwoord van het volk weer over aan Jahwe. EX 19:9 Jahwe sprak nu tot Mozes: `Ik kom tot u in een dichte wolk zodat het volk Mij met u hoort spreken en voor altijd vertrouwen in u zal krijgen.' Mozes bracht het antwoord van het volk over aan Jahwe. EX 19:10 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Begeef u naar het volk en zorg er voor dat ze zich vandaag en morgen heiligen en hun kleren wassen. EX 19:11 Zij moeten zich gereed maken voor overmorgen, want overmorgen zal Jahwe voor de ogen van heel het volk neerdalen op de Sinaï. EX 19:12 Baken voor de mensen een terrein af en zeg hun: Wacht u op de berg te komen of zelfs zijn voet maar te betreden; wie op de berg komt wordt ter dood gebracht. EX 19:13 Zelfs met geen vinger mag zo iemand aangeraakt worden: hij moet gestenigd worden of doodgeschoten. Pas als de ramshoorn weerklinkt mogen zij de berg bestijgen.' EX 19:14 Mozes kwam van de berg af en droeg er zorg voor dat de mensen zich heiligden en hun kleren wasten. EX 19:15 Hij zei tegen het volk: `Maak u gereed voor overmorgen; niemand mag gemeenschap hebben met een vrouw.' EX 19:16 Op de derde dag, vroeg in de morgen, begon het te donderen en te bliksemen. Boven de berg hing een dichte wolk, machtig bazuingeschal weerklonk, en alle mensen in het kamp beefden van angst. EX 19:17 Toen voerde Mozes het volk uit het kamp naar buiten, God tegemoet. Aan de voet van de berg bleven zij staan. EX 19:18 De Sinaï was geheel in rook gehuld omdat Jahwe in vuur was nedergedaald. De rook steeg omhoog als de rook van een smeltoven. EX 19:19 Heel het volk was met ontzetting geslagen. Bazuingeschal weerklonk, luider en luider. Mozes sprak, en de stem van God antwoordde hem. EX 19:20 Want Jahwe was nedergedaald op de Sinaï, op de top van de berg. En Jahwe riep Mozes naar de top van de berg en Mozes ging naar boven. EX 19:21 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ga naar beneden en waarschuw de mensen dat zij niet op mogen dringen om Jahwe te zien; want dan zouden er velen sterven. EX 19:22 Ook de priesters, die anders naderen tot Jahwe, ook zij moeten op een afstand blijven; anders zal de toorn van Jahwe tegen hen losbarsten.' EX 19:23 Mozes antwoordde Jahwe: `Het volk kan de Sinaï niet bestijgen. Gij hebt ons zelf immers opdracht gegeven de berg af te zetten en tot heilig gebied te verklaren.' EX 19:24 Jahwe sprak tot hem: `Ga naar beneden en kom dan weer boven met uw broer Aaron. Maar de priesters en het volk mogen niet naar boven, naar Jahwe, opdringen; anders zal de toorn van Jahwe tegen hen losbarsten.' EX 19:25 Mozes daalde af naar het volk en sprak het toe. EX 20:1 Toen sprak God al de woorden die hier volgen. EX 20:2 `Ik ben Jahwe uw God, die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis. EX 20:3 Gij zult geen andere goden hebben, ten koste van Mij. EX 20:4 Gij zult geen godenbeelden maken, geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde. EX 20:5 Gij zult u voor hen niet ter aarde buigen en hun geen goddelijke eer bewijzen; want Ik, Jahwe uw God, Ik ben voor hen die Mij haten een jaloerse God die de schuld van de vaders wreekt op hun kinderen, tot het derde en vierde geslacht, EX 20:6 maar voor hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden een God die goedheid bewijst tot aan het duizendste geslacht. EX 20:7 Gij zult de naam van Jahwe uw God niet lichtvaardig gebruiken; want Jahwe laat degenen die zijn naam lichtvaardig gebruiken niet ongestraft. EX 20:8 Denk aan de sabbat; die moet heilig voor u zijn. EX 20:9 Zes dagen kunt gij werken en alle arbeid verrichten. EX 20:10 Maar de zevende dag is de sabbat voor Jahwe uw God. Dan moogt gij geen enkele arbeid verrichten: gij zelf niet, uw zoon niet, uw dochter niet, uw slaaf niet, uw slavin niet, uw dieren niet, zelfs niet de vreemdeling die bij u woont. EX 20:11 In zes dagen immers heeft Jahwe de hemel, de aarde, de zee met al wat er in is, gemaakt. Maar de zevende dag heeft Hij gerust en zo de sabbat gezegend en tot een heilige dag gemaakt. EX 20:12 Eer uw vader en uw moeder. Dan zult gij lang leven op de grond die Jahwe uw God u schenkt. EX 20:13 Gij zult niet doden. EX 20:14 Gij zult geen echtbreuk plegen. EX 20:15 Gij zult niet stelen. EX 20:16 Gij zult tegen uw naaste niet leugenachtig getuigen. EX 20:17 Gij zult uw zinnen niet zetten op het huis van uw naaste; gij zult uw zinnen niet zetten op de vrouw van uw naaste, niet op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, op niets wat hem toebehoort. EX 20:18 Overweldigd door de donderslagen, de bliksemflitsen, het bazuingeschal en de rokende berg, beefde heel het volk van angst en bleef op een afstand staan. EX 20:19 Ze vroegen aan Mozes: `Spreekt u toch met ons; wij zullen luisteren. Maar laat God niet tot ons spreken want dan sterven wij.' EX 20:20 Mozes antwoordde: `Wees maar niet bang. Want God is gekomen om u op de proef te stellen: dat u zo'n ontzag voor Hem zoudt krijgen dat u niet meer zondigt.' EX 20:21 Terwijl het volk op een afstand bleef staan, trad Mozes toe op de donkere wolk waarin God aanwezig was. EX 20:22 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Zeg de Isralieten het volgende: Gij hebt gezien hoe Ik vanuit de hemel tot u gesproken heb. EX 20:23 Gij moogt naast Mij geen goden van goud of zilver maken. Gij moogt die niet maken. EX 20:24 Gij moet voor Mij een altaar maken van aarde. Daarop kunt gij de brand- en meeloffers, de schapen en runderen opdragen. Op elke heilige plaats waar Ik mijn naam zal openbaren, zal Ik met mijn zegen tot u komen. EX 20:25 Als gij voor Mij een stenen altaar bouwt, maak het dan niet van behouwen steen. Door de stenen met een beitel te bewerken, ontwijdt gij ze. EX 20:26 Mijn altaar mag geen altaar zijn dat ge langs treden beklimt; want dan zou uw schaamte zichtbaar worden. EX 21:1 Hier volgen de rechtsregels die ge hun moet voorhouden. EX 21:2 Wanneer ge een Hebreeuwse slaaf koopt, dan moet hij zes jaar dienen, maar in het zevende jaar mag hij zonder betalen als vrij man weggaan. EX 21:3 Was hij alleen gekomen, dan moet hij ook alleen vertrekken. Had hij een vrouw, dan mag zijn vrouw met hem meegaan. EX 21:4 Heeft zijn meester hem een vrouw gegeven en heeft deze hem zonen of dochters geschonken, dan behoort de vrouw met haar kinderen toe aan de meester: de man moet dan alleen vertrekken. EX 21:5 Als hij echter verzekert: `Ik ben gesteld op mijn meester, op mijn vrouw en kinderen, ik wil niet als vrij man weggaan,' EX 21:6 dan moet zijn meester hem naar de godheid brengen, hem tegen de deur of de deurpost zetten en met een priem zijn oor doorboren. Dan zal die man voor altijd zijn slaaf blijven. EX 21:7 Wanneer iemand zijn dochter verkoopt als slavin, komt deze niet vrij zoals de mannelijke slaven. EX 21:8 Bevalt zij niet aan haar meester die haar voor zich bestemd had, dan mag hij haar verkopen. Maar hij heeft niet het recht haar te verkopen aan buitenlanders, omdat hij haar niet meer wenst. EX 21:9 Bestemt hij haar voor zijn zoon, dan moet hij haar de rechten van een dochter toekennen. EX 21:10 Neemt hij er nog een vrouw bij, dan mag hij de eerste niet minder voedsel en kleding geven en ook de omgang met haar niet beperken. EX 21:11 Doet hij haar in deze drie dingen tekort, dan mag zij weggaan zonder iets te vergoeden of te betalen. EX 21:12 Wie iemand zo slaat dat hij sterft moet ter dood gebracht worden. EX 21:13 Maar deed hij het niet met opzet en was het God die zijn hand leidde, dan zal Ik u een plaats aanwijzen waarheen hij vluchten kan. EX 21:14 Wie echter zijn naaste moedwillig aanvalt en hem vermoordt met voorbedachten rade, die moet gij zelfs van mijn altaar weghalen en ter dood brengen. EX 21:15 Wie zijn vader of moeder slaat moet ter dood gebracht worden. EX 21:16 Wie iemand ontvoert moet ter dood gebracht worden, zowel wanneer hij hem verkocht heeft als wanneer de ontvoerde nog in zijn bezit is. EX 21:17 Wie zijn vader of moeder vervloekt moet ter dood gebracht worden. EX 21:18 Wanneer mannen met elkaar in twist raken en iemand slaat zijn tegenstander zo met een steen of met de vuist dat de man er niet aan sterft maar toch het bed moet houden, dan geldt het volgende. EX 21:19 Komt die man weer op de been en kan hij met een stok buiten lopen, dan gaat degene die geslagen heeft vrijuit. Wel moet hij de gedwongen werkeloosheid vergoeden en zorgen dat de ander genezen kan. EX 21:20 Wanneer iemand zijn slaaf of slavin zo met een stok slaat dat deze op slag sterft, dan moet hij gestraft worden. EX 21:21 Blijft die persoon nog een of twee dagen in leven, dan behoeft er geen straf te volgen; hij is immers zijn eigendom. EX 21:22 Wanneer mannen in een gevecht gewikkeld zijn en daarbij een zwangere vrouw raken zodat zij een miskraam krijgt, dan geldt het volgende. Blijft de vrouw in leven dan moet aan de schuldige een geldboete worden opgelegd, vastgesteld door haar echtgenoot; het gerecht moet toezien dat hij betaalt. EX 21:23 Sterft zij echter, dan moet gij leven voor leven eisen. EX 21:24 Een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet. EX 21:25 Een brandplek voor een brandplek, een wond voor een wond, een striem voor een striem. EX 21:26 Wanneer iemand zijn slaaf of slavin zo in het oog raakt dat deze er niet meer mee kan zien, dan moet hij hem of haar vrijlaten als schadeloosstelling voor dat oog. EX 21:27 Als iemand zijn slaaf of slavin een tand uitslaat, dan moet hij hem of haar vrijlaten als schadeloosstelling voor die tand. EX 21:28 Wanneer een stier een man of een vrouw zulke stoten toebrengt dat de dood volgt, dan moet die stier gestenigd worden en mag het vlees niet worden gegeten. EX 21:29 Maar als de stier die een man of vrouw doodt tevoren reeds stotig was, terwijl de eigenaar dat wist en toch geen maatregelen nam, dan moet niet alleen de stier gestenigd maar ook de eigenaar ter dood gebracht worden. EX 21:30 Wordt hem een afkoopsom opgelegd dan moet hij alles betalen wat van hem geeist wordt: het is de losprijs voor zijn leven. EX 21:31 Stoot de stier een jongen of een meisje, dan moet tegen de eigenaar volgens dezelfde regels worden opgetreden. EX 21:32 Stoot de stier een slaaf of een slavin, dan moet de eigenaar aan de meester dertig zilveren sikkels betalen en moet de stier gestenigd worden. EX 21:33 Iemand heeft een put opengelegd of een put gegraven en hij heeft verzuimd deze af te dekken. Valt er een stier of ezel in, EX 21:34 dan moet de bezitter van de put de schade vergoeden en het geld aan de eigenaar van het dier uitkeren. Maar het dode dier is voor hem. EX 21:35 Wanneer iemands stier die van een ander zo stoot dat deze er aan doodgaat, dan moeten ze de levende stier verkopen en de opbrengst delen. Ook de dode stier moeten ze verdelen. EX 21:36 Maar als vaststaat dat de stier tevoren reeds stotig was terwijl de eigenaar geen maatregelen heeft getroffen, dan moet hij een andere stier als schadevergoeding geven. Het dode dier is dan echter voor hem. EX 21:37 Wanneer iemand een stier of een schaap steelt en het dier dan slacht of verkoopt, dan moet hij voor een rund vijf runderen teruggeven en voor een schaap vier schapen. EX 22:1 Als een dief bij inbraak betrapt en dan doodgeslagen wordt, dan is er geen bloedschuld. EX 22:2 Maar gebeurt het wanneer de zon al opgegaan is, dan is er wel bloedschuld. Een dief moet alles teruggeven. Kan hij dat niet, dan moet hij zelf verkocht worden om het gestolene te vergoeden. EX 22:3 Als het gestolene, rund, ezel of schaap, nog levend bij hem wordt gevonden, dan moet hij tweemaal het gestolene teruggeven. EX 22:4 Als iemand zijn vee laat grazen op een stuk land of in een wijngaard en het zo laat lopen dat het ook op het land van iemand anders graast, dan moet hij de schade vergoeden met het beste van zijn eigen land en het beste van zijn eigen wijngaard. EX 22:5 Als een vuur om zich heengrijpt, overspringt op doornstruiken en vervolgens een hoop garven, ongemaaid koren of een akker verbrandt, dan moet degene die het vuur heeft aangestoken de schade vergoeden. EX 22:6 Iemand geeft bij een ander geld of sieraden in bewaring en het wordt uit het huis van die ander gestolen: wordt de dief gepakt, dan moet hij het dubbele teruggeven; EX 22:7 wordt de dief niet gepakt, dan moet de heer des huizes voor God getuigen dat hij zijn hand niet heeft uitgestoken naar het eigendom van zijn naaste. EX 22:8 Als iemand een rund, ezel of schaap, een kledingstuk of een gevonden voorwerp in zijn bezit heeft, en een ander betwist dat bezit en zegt: `Dat is van mij,' dan moet de zaak voor God gebracht worden. Wie door God in het ongelijk gesteld wordt moet aan de ander het dubbele teruggeven. EX 22:9 Iemand geeft bij een ander een ezel, rund of schaap of enig ander dier in bewaring en het dier gaat dood, het breekt iets of wordt geroofd zonder dat iemand het ziet. EX 22:10 Dan moet een eed voor Jahwe de beslissing brengen. Als de bewaarder zich niet vergrepen heeft aan het eigendom van de ander, dan neemt de eigenaar het zijne en hoeft de bewaarder niets te vergoeden. EX 22:11 Werd het echter bij hem gestolen, dan moet hij de eigenaar schadeloos stellen. EX 22:12 Werd het door een roofdier verscheurd, dan moet hij het dode dier als bewijs overleggen. Hij hoeft het dan niet te vergoeden. EX 22:13 Wanneer iemand een dier leent en dit breekt iets of het zakt in elkaar terwijl de eigenaar er niet bij is, dan moet hij het volledig vergoeden. EX 22:14 Is de eigenaar er bij, dan hoeft hij het niet te vergoeden. Is hij een loonarbeider dan behoudt hij zijn loon. EX 22:15 Wanneer iemand een nog niet verloofd meisje verleidt en omgang met haar heeft, dan moet hij haar huwen en de bruidsprijs betalen. EX 22:16 Weigert de vader haar aan hem af te staan, dan moet hij toch een bedrag betalen gelijk aan de bruidsprijs voor een maagd. EX 22:17 Een tovenares moogt ge niet in leven laten. EX 22:18 Ieder die geslachtelijke omgang heeft met een dier moet ter dood gebracht worden. EX 22:19 Wie aan afgoden offert moet met de ban geslagen worden. EX 22:20 Gij moet een vreemdeling niet slecht behandelen en hem het leven niet moeilijk maken, want ge hebt zelf als vreemdeling in Egypte gewoond. EX 22:21 Weduwen en wezen zult ge geen onrecht aandoen. EX 22:22 Als ge hun tekort doet en hun klagen tot Mij opstijgt, dan zal Ik gehoor geven aan hun klagen. EX 22:23 Mijn toorn zal losbarsten en met het zwaard zal ik u doden: uw vrouwen worden weduwen, uw kinderen wezen. EX 22:24 Als gij aan iemand van mijn volk geld leent, aan een noodlijdende in uw omgeving, gedraag u dan niet als een geldschieter. Ge moet geen rente van hem eisen. EX 22:25 Als gij iemands mantel in pand neemt, dan moet ge die voor zonsondergang aan hem teruggeven. EX 22:26 Hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken, het is de beschutting van zijn blote lichaam, hij moet er in slapen. Roept hij tot Mij om hulp, dan zal Ik hem verhoren, want Ik ben vol medelijden. en het eten van verscheurde dieren EX 22:27 Gij zult God niet lasteren en de vorst van uw volk niet vervloeken. EX 22:28 Wees niet traag met de eerstelingen van uw dorsvloer en uw nieuwe wijn. Uw eerstgeboren zonen moet ge Mij afstaan. EX 22:29 Dit geldt ook voor uw runderen en uw kleinvee. De eerstgeborene mag zeven dagen bij zijn moeder blijven, op de achtste dag moet ge hem aan Mij afstaan. EX 22:30 Gij moet Mij toegeheiligd zijn. Eet daarom geen vlees van een verscheurd dier dat ge ergens buiten aantreft. Laat dat maar liggen voor de honden. EX 23:1 Laat u niet leiden door loze geruchten en kom geen schuldige te hulp door te getuigen ten gunste van onrecht. EX 23:2 Al zijn degenen die kwaad willen talrijk, gij zult u niet bij hen aansluiten. Bij een rechtsgeding moogt ge uw verklaring niet laten beinvloeden door de meerderheid en zo het recht verkrachten. EX 23:3 Bij een rechtsgeding moogt ge een onaanzienlijke niet voortrekken. EX 23:4 Als gij een weggelopen rund of ezel van uw vijand tegenkomt, moet ge het dier bij hem terugbrengen. EX 23:5 Ziet ge de ezel van iemand met wie ge in onmin leeft in elkaar zakken, dan zult gij hem niet aan zijn lot overlaten; ge moet hem de helpende hand bieden. EX 23:6 Wanneer een arme in het geding is, moogt gij het recht niet verkrachten. EX 23:7 Houd u ver van kwade zaken. Breng iemand die geen schuld heeft en in zijn recht staat, niet ter dood: wie zich aan zoiets schuldig maakt, laat ik niet vrijuit gaan. EX 23:8 Gij zult geen geschenken aannemen, want geschenken maken de zienden blind en de rechtvaardigen tot leugenaar. EX 23:9 Gij moet vreemdelingen niet slecht behandelen. Gij weet immers hoe een vreemdeling zich voelt, omdat ge zelf als vreemdeling in Egypte gewoond hebt. EX 23:10 Gedurende zes jaar kunt gij uw land bewerken en de opbrengst oogsten. EX 23:11 Maar tijdens het zevende jaar moet gij het niet bewerken en het braak laten liggen. Dan kunnen de behoeftigen van uw volk er van eten. Wat zij overlaten is voor de dieren die in het wild leven. Hetzelfde geldt ook voor uw wijngaard en uw olijftuin. EX 23:12 Zes dagen kunt gij werken, maar op de zevende dag moet ge uw werk laten liggen. Dan kunnen ook uw rund en uw ezel rusten, en kunnen de zoon van uw slavin en de vreemdeling op adem komen. EX 23:13 Hoed u voor alles waarvoor Ik u gewaarschuwd heb. De naam van vreemde goden moet gij niet uitspreken, ze mogen in uw mond niet gehoord worden. EX 23:14 Drie maal per jaar moet gij ter ere van Mij feestvieren. EX 23:15 Gij moet het feest van de ongezuurde broden vieren; zeven dagen lang moet ge ongezuurd brood eten, zoals Ik u heb bevolen, en wel op de voorgeschreven dagen van de maand Abib, want in die maand zijt gij uit Egypte weggetrokken. En ge moet niet met lege handen bij Mij komen. EX 23:16 Verder nog het feest van de oogst, als de eerstelingen van wat gij gezaaid hebt van het land komen. Tenslotte het oogstfeest, op het einde van het jaar, wanneer gij de opbrengst van uw arbeid van het land haalt. EX 23:17 Drie maal per jaar moeten al uw mannen verschijnen bij Jahwe de Heer. EX 23:18 Gij zult het bloed van een offerdier niet samen offeren met ongezuurd brood. Van de feestoffers mag geen vet overblijven tot de volgende morgen. EX 23:19 Het beste van de eerste vruchten van uw land moet gij naar het huis van Jahwe brengen. Een geitje zult gij niet koken in de melk van zijn moeder. EX 23:20 Zie, Ik zend mijn engel voor u uit om u onderweg te beschermen en u te brengen naar de plaats die Ik heb vastgesteld. EX 23:21 Heb aandacht voor hem en luister naar zijn woord. Kom niet tegen hem in opstand, want hij zou uw verzet niet vergeven. In hem immers is mijn naam tegenwoordig. EX 23:22 Als gij gehoorzaamt aan zijn woord en doet wat Ik u zeg, dan ben Ik de vijand van uw vijanden, de verdrukker van uw verdrukkers. EX 23:23 Mijn engel zal voor u uitgaan en u brengen naar de Amorieten, de Hethieten, de Perizzieten, de Kanaänieten, de Chiwwieten en de Jebusieten: Ik zal hen verdelgen. EX 23:24 Gij moogt u voor hun goden niet neerbuigen en hen niet vereren. Gij moet niet meedoen met die volken; gij moet ze uitroeien en hun wijstenen stukslaan. EX 23:25 Jahwe uw God moet gij vereren; dan zal Hij uw brood en water zegenen en ziekte ver van u houden. EX 23:26 Geen vrouw in uw land zal een miskraam hebben of onvruchtbaar zijn. Ik zal het getal van uw dagen vol maken. EX 23:27 Vrees voor Mij zal Ik voor u doen uitgaan. Alle volken die gij aantreft zal Ik in paniek brengen, al uw vijanden laat Ik voor u op de vlucht slaan. EX 23:28 Ik zend verslagenheid voor u uit. Die zal de Chiwwieten, de Kanaänieten en de Hethieten voor u verjagen. EX 23:29 Maar Ik verjaag ze niet in een jaar, anders zou het land een woestenij worden en de wilde dieren zouden zich tot uw schade vermenigvuldigen. EX 23:30 Maar Ik verjaag ze geleidelijk aan, tot gij u zo vermenigvuldigd hebt dat ge het land kunt bezetten. EX 23:31 Ik geef u een grondgebied. van de Rietzee tot aan de Filistijnenzee, van de woestijn tot aan de Rivier. Want Ik zal de bewoners van het land aan uw macht onderwerpen en ze voor u verjagen. EX 23:32 Met hen of met hun goden moet gij geen verbond sluiten. EX 23:33 Zij mogen niet in uw land blijven wonen. Ze zouden u er toe brengen tegen Mij te zondigen. Ge zoudt hun goden vereren en dat zou uw ongeluk betekenen. EX 24:1 Toen sprak Hij tot Mozes: `Ga naar boven naar Jahwe, samen met Aaron, met Nadab en Abihu en zeventig oudsten van Israël, en kniel op een afstand neer. EX 24:2 Mozes alleen mag Jahwe naderen, maar de anderen mogen niet naderbij komen, terwijl het volk niet eens met hem naar boven mag gaan.' EX 24:3 Mozes kwam terug en stelde het volk in kennis van alle woorden en bepalingen van Jahwe. Eenstemmig betuigde het volk: `Alle woorden die Jahwe tot ons gesproken heeft zullen wij onderhouden.' EX 24:4 Daarop stelde Mozes alle woorden van Jahwe op schrift. De volgende morgen bouwde hij aan de voet van de berg een altaar en stelde twaalf wijstenen op, naar de twaalf stammen van Israël. EX 24:5 Toen gaf hij jonge Israëlieten de opdracht, stieren op te dragen als brand- en slachtoffers voor Jahwe. EX 24:6 Mozes nam de helft van het bloed en deed dat in schalen, terwijl hij de andere helft uitgoot over het altaar. EX 24:7 Toen nam hij het verbondsboek en las dit voor aan het volk. En zij verzekerden: `Alles wat Jahwe zegt zullen wij doen en ter harte nemen.' EX 24:8 Vervolgens nam Mozes het bloed, sprenkelde dat over het volk en sprak: `Dit is het bloed van het verbond dat Jahwe, op grond van al deze woorden, met u sluit.' EX 24:9 Mozes besteeg de berg samen met Aaron, Nadab en Abihu en zeventig oudsten van Israël. EX 24:10 En zij aanschouwden de God van Israël. Onder zijn voeten was een soort platform van saffier, helder als het hemelgewelf. EX 24:11 Zijn hand kwam niet neer op de voorname Israëlieten: zij mochten God aanschouwen. Toen aten zij en dronken zij. EX 24:12 Jahwe sprak tot Mozes: `Kom tot Mij op de berg en blijf daar wachten. Ik zal u de stenen platen ter hand stellen, de wetten en bepalingen die Ik op schrift gesteld heb om ze hen in te prenten.' EX 24:13 Mozes begaf zich op weg, samen met zijn dienaar Jozua, en hij besteeg de berg van God. EX 24:14 Tot de oudsten zei hij: `Blijf hier op ons wachten tot wij bij u terugkomen. Aäron en Chur blijven bij u; wie een rechtszaak heeft kan zich tot hen wenden.' EX 24:15 Mozes besteeg de berg en de wolk overdekte de berg. EX 24:16 De heerlijkheid van Jahwe rustte op de Sinaï en de wolk bedekte de berg, zes dagen lang. Op de zevende dag riep Hij Mozes, vanuit de wolk. EX 24:17 De heerlijkheid van Jahwe leek voor de Israëlieten op een verterend vuur, boven op de berg. EX 24:18 Mozes trad de wolk binnen en besteeg de top. Hij bleef op de berg gedurende veertig dagen en veertig nachten. EX 25:1 Toen sprak Jahwe tot Mozes: EX 25:2 `Zeg aan de Israëlieten dat zij een bijdrage aan Mij moeten afstaan; van iedereen die daartoe bereid is moet gij voor Mij een bijdrage in ontvangst nemen. EX 25:3 Het volgende kunt gij van hen in ontvangst nemen: goud, zilver en brons, EX 25:4 paarse, karmijnrode en scharlaken wol, linnen, kleden van geitenhaar, EX 25:5 gelooide ramsvellen, fijn leer en acaciahout; EX 25:6 ook olie voor de verlichting, geurige kruiden voor de bereiding van zalfolie en welriekende wierook; EX 25:7 kornalijn en edelstenen voor de efod en de orakeltas. EX 25:8 Dan kunnen zij voor Mij een heiligdom bouwen en zal Ik in hun midden wonen. EX 25:9 Bij de woning en de hele inventaris moet gij u zorgvuldig houden aan het model dat Ik u tonen zal. EX 25:10 Ge moet een ark maken van acaciahout, twee en een halve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog. EX 25:11 Overtrek haar van binnen en van buiten met zuiver goud, en breng rondom een gouden lijst aan. EX 25:12 Giet voor de ark vier gouden ringen en bevestig die aan de vier poten, twee aan elke kant. EX 25:13 Maak ook draagstokken van acaciahout en overtrek die met goud. EX 25:14 Steek ze dan in de ringen aan de zijkanten van de ark, om die zo te kunnen dragen. EX 25:15 De draagstokken moeten in de ringen van de ark blijven; ze mogen er niet uitgenomen worden. EX 25:16 in de ark moet ge de verbondsakte neerleggen die Ik u zal geven. EX 25:17 Gij moet ook een dekplaat maken van zuiver goud, twee en een halve el lang, anderhalve el breed. EX 25:18 Maak ook twee kerubs, in goud gedreven, aan de beide uiteinden van de dekplaat, EX 25:19 een kerub aan het ene uiteinde en een aan het andere, in relief. EX 25:20 De vleugels van de kerubs moeten naar boven uitgestrekt zijn, zodat zij de dekplaat overhuiven. De kerubs moeten met hun gezicht naar elkaar toe gekeerd staan, hun gezicht moet op de dekplaat gericht zijn. EX 25:21 Gij moet de dekplaat boven op de ark plaatsen en in de ark de verbondsakte neerleggen die Ik u geven zal. EX 25:22 Daar zal Ik tot u komen, boven de dekplaat; vanaf de plaats tussen de beide kerubs die op de ark met de verbondsakte staan zal Ik u alle opdrachten voor de Israëlieten mededelen. EX 25:23 Maak een tafel van acaciahout, twee el lang, een el breed en anderhalve el hoog. EX 25:24 Overtrek die met zuiver goud en maak er een gouden lijst omheen. EX 25:25 Leg er een gouden band om, van een handbreed, en zet die af met een gouden lijst. EX 25:26 Maak vier gouden ringen en bevestig die aan de vier hoeken, bij de poten. EX 25:27 Deze ringen, bestemd voor de draagstokken waarmee de tafel gedragen wordt, moeten dicht bij de band zitten. EX 25:28 De draagstokken moet ge maken van acaciahout en overtrekken met goud. Daar moet ge de tafel mee dragen. EX 25:29 Maak ook de schotels, de schalen, de kannen en kommen, die nodig zijn voor de plengoffers. Ze moeten van zuiver goud zijn. EX 25:30 Zet op die tafel het toonbrood zodat Ik het altijd kan zien. EX 25:31 Gij moet ook een luchter maken, van zuiver goud. De luchter, met voetstuk en schacht, moet drijfwerk zijn waarin kelken met knoppen en bloemen zijn aangebracht. EX 25:32 Zes armen moeten van opzij uit de schacht omhoog gaan, drie aan elke kant. EX 25:33 In de eerste arm moeten drie amandelbloemen met knoppen en bladen gedreven worden. Op dezelfde wijze moeten alle zes armen van de luchter worden bewerkt. EX 25:34 In de luchter zelf moeten vier amandelbloemen met knoppen en bladen gedreven worden: EX 25:35 een knop onder het eerste paar armen, een onder het tweede en een onder het derde paar van de zes armen van de luchter. EX 25:36 De knoppen en armen vormen een geheel met de luchter: een stuk drijfwerk van zuiver goud. EX 25:37 Maak er lampen voor, en plaats die zo dat het licht aan de voorkant valt. EX 25:38 De snuiters en bakjes moeten eveneens van zuiver goud zijn. EX 25:39 Voor de luchter met toebehoren moet ge een talent zuiver goud gebruiken. EX 25:40 Zorg er voor dat ge u precies houdt aan het model dat u op de berg is getoond. EX 26:1 De woning moet ge maken van tien banen getwijnd linnen en van paarse, karmijnrode en scharlaken wol. Daarop moet een vakman kerubs borduren. EX 26:2 De lengte van een baan moet achtentwintig el bedragen, de breedte vier el. Alle banen moeten dezelfde afmetingen hebben, EX 26:3 en zij moeten vijf aan vijf worden samengevoegd. EX 26:4 Maak vervolgens paarse lussen aan de rand van de buitenste baan van beide stukken, EX 26:5 zodat de lussen precies tegenover elkaar zitten. EX 26:6 Maak ook vijftig gouden haken en bevestig de banen met deze haken aan elkaar, zodat de woning een geheel wordt. EX 26:7 Voor de tent over de woning moet ge banen vervaardigen van geitenhaar. Elf van zulke banen moet ge maken. EX 26:8 De lengte van een baan moet dertig el bedragen, de breedte vier el. Alle banen moeten dezelfde afmetingen hebben. EX 26:9 Hecht vijf banen aan elkaar, de overige zes eveneens. De zesde baan moet ge over de voorkant van de tent omslaan. EX 26:10 Maak vijftig lussen aan de rand van de buitenste baan van de beide stukken. EX 26:11 Maak ook vijftig koperen haken, doe ze in de lussen en voeg zo de beide tentdelen samen tot een geheel. EX 26:12 Wat het overschietende deel van de tentbanen betreft: de helft moet ge aan de achterkant van de woning laten afhangen. EX 26:13 De el die aan de lange kanten van de tentbanen overschiet moet ge aan beide kanten van de woning laten afhangen om die af te dekken. EX 26:14 Maak voor de tent ook nog een dak van gelooide ramsvellen en daaroverheen nog een dak van fijn leer. EX 26:15 Gij moet voor de woning rechtopstaande schotten van acaciahout maken. EX 26:16 Ieder schot moet tien el lang zijn en anderhalve el breed. EX 26:17 Aan ieder schot van de woning moeten ter verbinding twee tappen zitten. EX 26:18 Voor de zuidkant van de woning moet gij twintig schotten maken. EX 26:19 Onder de twintig schotten moet gij veertig zilveren voetstukken maken, twee voor elk schot, waar de beide tappen in passen. EX 26:20 Voor de andere kant van de woning, dus de noordzijde, ook twintig schotten, EX 26:21 met bijbehorende zilveren voetstukken, twee voor elk schot. EX 26:22 Voor de achterkant van de woning, de westzijde, zes schotten. EX 26:23 Maak ook twee schotten voor de hoeken aan de achterkant van de woning. EX 26:24 Deze moeten uit twee haaks op elkaar geplaatste delen bestaan; zij lopen van beneden tot bij de eerste ring. Ze zijn bestemd voor de beide hoeken. EX 26:25 Er moeten dus acht schotten zijn en zestien bijbehorende zilveren voetstukken, telkens twee voor een schot. EX 26:26 Maak ook verbindingsbalken van acaciahout: vijf voor de schotten van acaciahout: vijf voor de schotten aan de beide zijkanten van de woning, EX 26:27 en vijf voor de achterkant, de westzijde, van de woning. EX 26:28 De middelste balk moet, van de ene naar de andere kant, midden over de schotten lopen. EX 26:29 Overtrek de schotten met oud, maak voor de balken gouden ringen en overtrek ook de balken met goud. EX 26:30 Gij moet de woning maken volgens het model dat u op de berg is getoond. EX 26:31 Gij moet ook een voorhangsel vervaardigen, van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen. Daarop moet een vakman kerubs borduren. EX 26:32 Maak het met gouden haken vast aan vier kolommen van acaciahout die met goud overtrokken zijn en rusten op zilveren voetstukken. EX 26:33 Maak het voorhangsel vast met de haken. Daar, achter het voorhangsel, moet ge de ark met de verbondsakte plaatsen. Het voorhangsel vormt de afscheiding tussen het heilige en het allerheiligste. EX 26:34 Leg de dekplaat op de ark met de verbondsakte in het allerheiligste. EX 26:35 De tafel moet ge voor het voorhangsel plaatsen, en de luchter tegenover de tafel; de luchter aan de zuidzijde van de woning, de tafel aan de noordzijde. EX 26:36 Voor de ingang van de tent moet ge een tapijt laten maken van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen, rijk geborduurd. EX 26:37 Voor dit tapijt moet ge vijf kolommen van acaciahout maken, deze overtrekken met goud en voorzien van gouden haken. Ge moet hiervoor vijf bronzen voetstukken gieten. EX 27:1 Het altaar moet gij maken van acaciahout. Het moet vijf el lang en vijf el breed zijn - dus vierkant - en drie el hoog. EX 27:2 Op de vier hoeken moet ge horens aanbrengen die er een geheel mee vormen. Ge moet het bekleden met brons. EX 27:3 Maak er bakken voor de as bij, scheppen, schalen, vorken en vuurpannen. Al deze benodigdheden moeten van brons zijn. EX 27:4 Om het altaar moet ge als afrastering een bronzen hek aanbrengen, en op de vier hoeken van dit hek vier bronzen ringen. EX 27:5 Dit hek moet ge om de benedenrand van het altaar plaatsen en tot halverwege het altaar laten reiken. EX 27:6 Maak voor het altaar ook draagstokken van acaciahout en overtrek die met brons. EX 27:7 Om het altaar op te tillen steekt men de stokken in de ringen aan weerszijden van het altaar. EX 27:8 Maak het altaar van planken en laat het van binnen hol. Ge moet het maken volgens het model dat u op de berg is getoond. EX 27:9 Dan moet ge voor de woning nog een voorhof maken. De kleden voor de eerste zijde van de voorhof, de zuidkant, moeten van getwijnd linnen zijn en honderd el lang. EX 27:10 De twintig bijbehorende palen en voetstukken moeten van brons zijn, de haken aan de palen en de stangen van zilver. EX 27:11 Ook voor de noordkant zijn kleden nodig over een lengte van honderd el, twintig palen en voetstukken van brons, alsmede haken en stangen van zilver. EX 27:12 Voor de korte zijde van de voorhof, de westkant, zijn kleden nodig over een lengte van vijftig el, en tien palen en voetstukken. EX 27:13 Ook de korte zijde van de voorhof aan de oostkant is vijftig el lang. EX 27:14 Daar moeten aan de ene kant kleden komen over een lengte van vijftien el, met drie bijbehorende palen en voetstukken. EX 27:15 Ook aan de andere kant kleden over een lengte van vijftien el, met drie bijbehorende palen en voetstukken. EX 27:16 Aan de ingang van de voorhof komt een twintig el metend voorhangsel van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en getwijnd linnen, rijk geborduurd, alsmede vier palen en voetstukken. EX 27:17 Aan alle palen van de voorhof moeten zilveren stangen en haken zitten, de voetstukken moeten van brons zijn. EX 27:18 De voorhof moet honderd el lang zijn, vijftig el breed, vijf el hoog. De kleden moeten van getwijnd linnen zijn, de voetstukken van brons. EX 27:19 De benodigdheden voor de woning, welke bestemming ze ook hebben, ook de tentpinnen en de tentpinnen van de voorhof, moeten van brons zijn. EX 27:20 Geef de Israëlieten opdracht, u zuivere olie, uit gestoten olijven, voor de verlichting te brengen, zodat er altijd een lamp kan branden. EX 27:21 Aäron en zijn zonen moeten deze van de avond tot de morgen voor Jahwe brandend houden in de tent van samenkomst, buiten het voorhangsel waarachter de verbondsakte ligt. Dit is een blijvende verplichting voor de Israëlieten, al hun geslachten door. EX 28:1 Uit de Israëlieten moet gij uw broer Aäron en zijn zonen bij u ontbieden; Aäron en zijn zonen Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar moeten Mij als priester dienen. EX 28:2 Gij moet voor uw broer Aäron heilige gewaden vervaardigen die hem waardigheid en luister verlenen. EX 28:3 Geef aan bekwame vaklieden aan wie Ik kundigheid geschonken heb, de opdracht de gewaden voor Aäron te vervaardigen: dan kan hij gewijd worden en Mij als priester dienen. EX 28:4 De volgende gewaden moeten zij vervaardigen: een orakeltas, een efod, een mantel, een bewerkte tuniek, een hoofddeksel en een gordel. Zij moeten voor Aäron en zijn zonen heilige gewaden vervaardigen, want zij moeten Mij als priester dienen. EX 28:5 Zij moeten goud gebruiken, paarse, karmijnrode, en scharlaken wol, en linnen. EX 28:6 De efod moet door een kunstenaar gemaakt worden van goud, paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en van getwijnd linnen. EX 28:7 Aan de beide uiteinden moeten schouderbanden zitten om hem vast te maken. EX 28:8 Van dezelfde stoffen moet de gordel gemaakt worden die er een geheel mee vormt. EX 28:9 Vervolgens moet ge op twee kornalijnstenen de namen van de zonen van Israël graveren, EX 28:10 zes namen op de ene steen en zes op de andere, naar de volgorde van hun geboorte. EX 28:11 Gij moet de namen van de zonen van Israël in de twee stenen graveren, zoals men zegels snijdt, en de stenen vervolgens in gouden zettingen vatten. EX 28:12 Bevestig dan de beide stenen aan de schouderbanden van de efod: zij herinneren Jahwe aan de Israëlieten, door Aäron hun namen voor Jahwe op zijn schouderbanden draagt. EX 28:13 De zettingen moeten van goud zijn. EX 28:14 Ge moet ook twee kettinkjes maken van zuiver goud, in de vorm van gevlochten snoeren, en die aan de zettingen bevestigen. EX 28:15 Laat een kunstenaar een orakeltas vervaardigen; evenals de efod moet deze gemaakt worden van goud, van paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en van getwijnd linnen. EX 28:16 Ze moet vierkant zijn, een span lang en een span breed, en uit twee stukken bestaan. EX 28:17 Gij moet ze bezetten met vier rijen edelstenen: een robijn, een topaas en een smaragd vormen de eerste rij, EX 28:18 een karbonkel, een saffier en een jaspis de tweede, EX 28:19 een hyacint, een agaat en een ametist de derde, EX 28:20 een chrysoliet, een kornalijn en een onyx de vierde rij. Ze moeten in gouden kettingen gevat zijn. EX 28:21 Er moeten twaalf stenen zijn, zoals er twaalf namen zijn van de zonen van Israël. Op iedere steen moet de naam van een van de twaalf stammen gegraveerd worden, zoals men zegels snijdt. EX 28:22 Maak voor de orakeltas kettinkjes van zuiver goud, in de vorm van gevlochten snoeren, EX 28:23 en ook twee gouden ringen, die ge moet bevestigen aan de beide uiteinden van de orakeltas. EX 28:24 De twee gouden snoeren moet ge aan deze ringen vastmaken. EX 28:25 Het andere uiteinde van de snoeren moet ge vastmaken aan de twee zettingen en van voren aan de schouderbanden van de efod bevestigen. EX 28:26 Dan moet ge nog twee gouden ringen maken en deze bevestigen aan de uiteinden van de orakeltas, aan de binnenkant, tegen de efod aan. EX 28:27 Twee andere gouden ringen moet ge onder aan de voorkant van de beide schouderbanden van de efod bevestigen, vlak bij de band boven de gordel. EX 28:28 Dan moet ge een paars koord door de ringen van de orakeltas en die van de efod halen en de orakeltas zo aan de gordel van de efod binden dat ze er vast tegenaan zit. EX 28:29 Wanneer Aäron het heiligdom binnengaat moet hij op de orakeltas de namen van Israëls zonen dragen om Jahwe voortdurend aan hen te herinneren. EX 28:30 Doe in de orakeltas de oerim en de toemmim, zodat Aäron ze op zijn hart draagt in Jahwe's tegenwoordigheid. In Jahwe's tegenwoordigheid moet Aäron het orakel van Israël altijd op zijn hart dragen. EX 28:31 De efodmantel moet geheel gemaakt zijn van paarse wol. EX 28:32 In het midden moet een opening zijn om het hoofd door te staken, met een geweven rand als bij een wapenrok, om inscheuren te voorkomen. EX 28:33 Aan de hele zoom moet ge granaatappels bevestigen van paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en tussen die granaatappels gouden klokjes, EX 28:34 om en om. EX 28:35 Aäron moet deze mantel dragen als hij dienst doet, zodat men hem hoort wanneer hij het heiligdom binnengaat om voor Jahwe te verschijnen en Hem ook weer naar buiten hoort komen. Dan zal hij niet sterven. EX 28:36 Maak ook een bloem van zuiver goud en graveer daarin als in een zegel de woorden: Jahwe gewijd. EX 28:37 Maak ze met een paars koord vast op de voorzijde van het hoofddeksel. EX 28:38 Doordat Aäron ze op zijn voorhoofd draagt zal hij de ongerechtigheden wegnemen die de gewijde gaven van de Israëlieten zouden kunnen aankleven. Hij moet de bloem steeds op zijn voorhoofd dragen, dan zullen ze bij Jahwe welgevallig zijn. EX 28:39 Weef een tuniek en een hoofddeksel, beide van linnen, en maak een rijk geborduurde gordel. EX 28:40 Voor de zonen van Aäron moet ge tunieken, gordels en hoofddeksels maken die hun luister en heerlijkheid schenken. EX 28:41 Hiermee moet ge uw broer Aäron en zijn zonen bekleden; ge moet hen zalven, macht verlenen en wijden om Mij als priester te dienen. EX 28:42 Maak voor hen ook lendenschorten van linnen om hun naaktheid te bedekken. Ze moeten reiken van de heupen tot de dijen. EX 28:43 Aäron en zijn zonen moeten ze dragen als ze de tent van de samenkomst binnengaan of het altaar naderen om in het heiligdom dienst te doen. Dan lopen ze geen straf op en zullen ze niet sterven. Dit is een blijvend voorschrift voor hem en zijn nakomelingen. EX 29:1 Om hen tot priester te wijden moet gij het volgende met hen doen. Neem een jonge stier en twee gave rammen, EX 29:2 broden, met olie aangemaakte koeken en ronde koeken, met olie bestreken: alles ongezuurd en gebakken van tarwebloem. EX 29:3 Ge neemt die mee in een mand, ook de stier en de beide rammen voert ge mee. EX 29:4 Dan ontbiedt ge Aäron met zijn zonen bij de ingang van de tent der samenkomst en reinigt hen met water. EX 29:5 Dan bekleedt ge Aäron met de gewaden: met de tuniek, de efodmantel, de efod en de orakeltas; ge doet hem de gordel van de efod om, EX 29:6 zet hem het hoofddeksel op en bevestigt daarop de gewijde bloem. EX 29:7 Vervolgens giet ge over zijn hoofd zalfolie uit om hem te zalven. EX 29:8 Dan ontbiedt ge zijn zonen en bekleedt hen met de tunieken. EX 29:9 Ge doet Aäron en zijn zonen de gordel om en zet ze het hoofddeksel op. Zo zullen zij rechtens voor altijd het priesterschap bezitten dat gij hun verleend hebt. EX 29:10 Vervolgens laat gij de stier voor de tent van de samenkomst brengen en leggen Aäron en zijn zonen hun handen op de kop van het dier. EX 29:11 Dan slacht gij de stier voor Jahwe, bij de ingang van de tent der samenkomst. EX 29:12 Met uw vingers doet gij wat bloed aan de horens van het altaar, de rest van het bloed giet gij aan de voet van het altaar uit. EX 29:13 Ge doet het vet dat om de ingewanden zit, de leverkwab en de nieren met het vet eraan op het altaar in rook opgaan. EX 29:14 Maar het vlees van de stier, de huid en de ingewanden verbrandt gij buiten het kamp; het is immers een zondeoffer. EX 29:15 Daarna neemt ge een van de rammen en Aäron en zijn zonen leggen hun handen op de kop van het dier. EX 29:16 Gij slacht de ram, vangt het bloed op en sprenkelt dat rondom op het altaar. EX 29:17 Ge snijdt de ram in stukken, wast de ingewanden en de poten en legt deze bij de andere stukken en de kop. EX 29:18 Dan doet ge heel de ram op het altaar in rook opgaan: het is een brandoffer voor Jahwe, een geurige gave die hem behaagt. EX 29:19 Dan neemt ge de tweede ram, en Aäron en zijn zonen leggen weer hun handen op de kop van het dier. EX 29:20 Ge slacht de ram en doet wat bloed op de rechteroorlel van Aaron, de rechteroorlel van zijn zonen, op de duim van hun rechterhand en op de grote teen van hun rechtervoet. De rest van het bloed sprenkelt ge rondom op het altaar. EX 29:21 Dan neemt ge bloed van het altaar en zalfolie en besprenkelt daarmee Aäron en ook zijn zonen en hun gewaden. Zo zullen ze gewijd zijn. EX 29:22 Vervolgens neemt ge het vet van de ram, de wijdingsram, de staartkwab en het vet om de ingewanden, de leverkwabben, de nieren met het vet eraan en de rechterschenkel. EX 29:23 Uit de mand met ongezuurd brood die voor Jahwe staat neemt ge nog een plat brood, een met olie aangemaakte koek en een ronde koek. EX 29:24 Dit alles geeft ge aan Aäron en zijn zonen om het staande voor Jahwe als gewijd aandeel af te zonderen. EX 29:25 Dan neemt ge het weer uit hun handen en doet het op het altaar in rook opgaan; het is een brandoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt. EX 29:26 Daarop zondert gij, staande voor Jahwe, het borststuk van de ram voor de wijding van Aäron als gewijd aandeel af voor uzelf. Dit is uw deel van het offer. EX 29:27 Het borststuk van de ram en de schenkel moet gij apart houden. EX 29:28 Dit is het deel dat de Israëlieten aan Aäron en zijn zonen moeten afstaan, het is het gewijd aandeel van de slachtoffers van de Israëlieten, dat voor Jahwe is afgezonderd. EX 29:29 De heilige gewaden van Aäron zullen overgaan op zijn zonen; daarmee bekleed zullen zij gezalfd worden en de priesterlijke macht ontvangen. EX 29:30 De zoon die hem opvolgt en de tent van de samenkomst binnentreedt om dienst te doen in het heiligdom moet ze zeven dagen dragen. EX 29:31 Tenslotte kookt ge het vlees van het wijdingsram op een heilige plaats. EX 29:32 Aäron en zijn zonen nuttigen dat vlees en het brood uit de mand bij de ingang van de tent der samenkomst. EX 29:33 Maar alleen zij mogen het eten aan wie er de ritus der verzoening mee is voltrokken, toen zij macht ontvingen en gezalfd werden. Onbevoegden mogen er niet van eten, omdat het gewijd is. EX 29:34 Is er de volgende van het wijdingsvlees of van het brood nog iets over, dan moet ge dat verbranden. Men mag er niet meer van eten omdat het gewijd is. EX 29:35 Zo moet ge aan Aäron en zijn zonen nauwkeurig alles voltrekken wat Ik u heb opgedragen. De priesterwijding moet zeven dagen duren. EX 29:36 Iedere dag moet ge een stier offeren om verzoening te bewerken. Het altaar moet ge reinigen door een verzoeningsplechtigheid en wijden door zalving. EX 29:37 Deze verzoeningsplechtigheid en de wijding moet ge zeven dagen herhalen. Zo wordt het altaar hoogheilig. Alles wat er mee in aanraking komt is gewijd. EX 29:38 De volgende offers moet ge op het altaar opdragen: elke dag twee eenjarige lammeren, EX 29:39 het een's morgens, het ander tegen de avond. EX 29:40 Bij het eerste lam hoort een tiende issaron bloem, aangemaakt met een kwart hin gestoten olie en een plengoffer van een kwart hin wijn. EX 29:41 Het tweede lam moet ge offeren tegen de avond, met hetzelfde meel- en plengoffer als's morgens. Het is een geurige gave die Jahwe behaagt, EX 29:42 het dagelijks brandoffer voor Jahwe, dat al uw geslachten door wordt opgedragen aan de ingang van de tent der samenkomst, waar Ik tot u kom en met u spreek. EX 29:43 Daar kom Ik tot de Israëlieten, die plaats is heilig door mijn heerlijkheid. EX 29:44 Ik heilig de tent van de samenkomst en het altaar, en Aäron en zijn zonen zal Ik heiligen om mijn priesters te zijn. EX 29:45 Ik zal wonen onder de Israëlieten en hun God zijn. EX 29:46 Dan zullen zij weten dat Ik Jahwe ben, de God, die hen uit Egypte heeft geleid om onder hen te wonen. Ik, Jahwe hun God. EX 30:1 Maak ook een altaar van acaciahout, voor het branden van reukwerk, EX 30:2 een el lang, een el breed - vierkant dus - en twee el hoog. De horens moeten er een geheel mee vormen. EX 30:3 Ge moet het overtrekken met zuiver goud: de bovenkant, de zijvlakken en de horens, en er een gouden lijst omheen maken. EX 30:4 Ge moet aan beide zijden onder de lijst twee gouden ringen maken die bestemd zijn voor de draagstokken waarmee men het altaar optilt. EX 30:5 De draagstokken moet gij maken van acaciahout en overtrekken met goud. EX 30:6 Het altaar moet staan tegen het voorhangsel waarachter de ark met de verbondsakte zich bevindt, voor de dekplaat waar Ik tot u kom. EX 30:7 Aäron moet er welriekende wierook op branden, iedere morgen als hij de lampen in orde brengt, EX 30:8 en tegen de avond als hij de lampen aansteekt. Dit is het dagelijks reukoffer voor Jahwe. EX 30:9 Ge moogt op dit altaar geen profaan reukwerk offeren en evenmin brand- of meeloffers. Ook plengoffers moogt ge er niet over uitgieten. EX 30:10 Aan de horens moet Aäron eens per jaar de verzoening voltrekken. Hij moet dat eenmaal per jaar doen, al uw geslachten door, met het bloed van het zondeoffer. Zo is het altaar hoogheilig voor Jahwe.' EX 30:11 Jahwe sprak tot Mozes: EX 30:12 `Als gij de Israëlieten registreert en hun aantal opneemt moet ieder van hen bij de registratie aan Jahwe een losgeld betalen voor zijn leven. Dan zal de registratie hun niet noodlottig worden. EX 30:13 Ieder die geregistreerd wordt moet een halve sikkel betalen, in heilige munt, twintig gera's de sikkel. EX 30:14 Alle mannen van twintig jaar en ouder moeten zich laten inschrijven en de bijdrage voor Jahwe betalen. EX 30:15 Om zijn leven los te kopen betaalt een rijke niet meer en een arme niet minder dan een halve sikkel. EX 30:16 Het losgeld dat ge van de Israëlieten ontvangt komt ten nutte van de tent der samenkomst. Deze losprijs voor uw leven zal bij Jahwe de herinnering aan de Israëlieten in stand houden.' EX 30:17 Toen sprak Jahwe tot Mozes: EX 30:18 `Ge moet ook een bronzen bekken maken, op een bronzen onderstel, bestemd voor de wassingen. Plaats het tussen de tent van de samenkomst en het altaar en doe er water in. EX 30:19 Aäron en zijn zonen moeten er hun handen en voeten in wassen, voor zij de tent van de samenkomst binnengaan. EX 30:20 Dan zullen zij niet sterven. Ook als ze dienst komen doen bij het altaar of offers aan Jahwe gaan opdragen, EX 30:21 moeten zij hun handen en voeten wassen: dan zullen zij niet sterven. Dit is een blijvende verplichting voor hem en zijn nakomelingen, alle geslachten door.' EX 30:22 Toen sprak Jahwe tot Mozes: EX 30:23 `Neem de fijnste geurige kruiden: vijfhonderd sikkel mirre, en half zo veel, dus tweehonderdvijftig sikkel, kaneel, tweehonderdvijftig sikkel kalmus, EX 30:24 vijfhonderd sikkel laurier, volgens heilig gewicht, en een hin olijfolie. EX 30:25 Bereid daarvan heilige zalfolie, een geurig mengsel zoals ook een reukwerker dat maakt; het zal heilige zalfolie zijn. EX 30:26 Daarmee moet ge de tent van de samenkomst zalven, de ark met de verbondsakte, EX 30:27 de tafel met toebehoren, de luchter met toebehoren, het reukofferaltaar, EX 30:28 het brandofferaltaar met toebehoren en het wasbekken met het onderstel. EX 30:29 Zo wijdt ge dit alles en het zal hoogheilig zijn. En alles wat er mee in aanraking komt zal heilig zijn. EX 30:30 Ook Aäron en zijn zonen moet ge door zalving wijden; dan kunnen ze Mij als priester dienen. EX 30:31 Tot de Israëlieten moet ge zeggen: Deze gewijde zalfolie behoud Ik mij voor, al uw geslachten door. EX 30:32 Ze mag over geen mensenlichaam uitgegoten worden en volgens dit recept moogt ge geen olie bereiden voor andere doeleinden. Ze is gewijd en als zodanig moet ge ze behandelen. EX 30:33 Iemand die deze olie namaakt of aan een onbevoegde geeft, zal uit zijn volk worden verwijderd.' EX 30:34 Toen sprak Jahwe tot Mozes: 'Neem geurige kruiden, storaxbalsem, onyx, galbanum en andere kruiden, en zuivere wierook: alles in gelijke hoeveelheid. EX 30:35 Daarvan moet ge, zoals een reukwerker dat doet, een reukwerk bereiden, vermengd met zout, zuiver en gewijd. EX 30:36 Een gedeelte ervan moet ge fijnwrijven en voor de verbondsakte leggen in de tent van de samenkomst waar Ik tot u kom. Ge moet het als hoogheilig beschouwen. EX 30:37 Het reukwerk dat ge bereidt is voorbehouden aan Jahwe; ge moogt het in deze samenstelling niet maken voor uzelf. EX 30:38 Iemand die het namaakt om van de geur te genieten zal uit zijn volk worden verwijderd. EX 31:1 Jahwe sprak tot Mozes: EX 31:2 `Ik heb mijn keuze laten vallen op Besaleel, zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda. EX 31:3 Ik heb hem een uitzonderlijke begaafdheid geschonken, vaardigheid, kennis en veelzijdige bekwaamheid. EX 31:4 Hij kan ontwerpen maken, goud, zilver en brons smeden, EX 31:5 stenen snijden en zetten en hout bewerken: in alle technieken is hij bedreven. EX 31:6 Hem stel Ik Oholiab, zoon van Achisamak, uit de stam Dan, ter beschikking. Alle vaklieden heb Ik toegerust met een bijzondere vaardigheid, zodat zij alles kunnen uitvoeren waartoe Ik opdracht gegeven heb: EX 31:7 de tent van de samenkomst, de ark met de verbondsakte, de dekplaat die erop ligt, alle benodigdheden voor de tent, EX 31:8 de tafel met toebehoren, de luchter van zuiver goud met toebehoren, het reukofferaltaar, EX 31:9 het brandofferaltaar met toebehoren, het wasbekken met onderstel, EX 31:10 de ambtsgewaden, de heilige gewaden voor de priester Aaron, de gewaden die zijn zonen als priester dragen, EX 31:11 de zalfolie en de reukwerken voor het heiligdom. Zij moeten alles vervaardigen zoals Ik u heb voorgeschreven.' EX 31:12 Jahwe sprak tot Mozes: EX 31:13 `Gij moet tot de Israëlieten zeggen: Onderhoud mijn sabbat want hij is, al uw geslachten door, voor u en voor Mij het teken dat Ik Jahwe ben die u heiligt. EX 31:14 Gij moet de sabbat onderhouden, hij moet u heilig zijn. Wie hem schendt moet onverbiddelijk ter dood gebracht worden. Wie op die dag arbeid verricht zal uit zijn volk worden verwijderd. EX 31:15 Zes dagen mag men werken, maar de zevende dag is een volstrekte rustdag, gewijd aan Jahwe. Iedereen die op de sabbat arbeid verricht moet onverbiddelijk ter dood gebracht worden. EX 31:16 De Israëlieten moeten al hun geslachten door de sabbat onderhouden als een eeuwig verbond. EX 31:17 Hij is een teken voor Mij en voor hen; want in zes dagen maakte Jahwe de hemel en de aarde, maar op de zevende dag rustte Hij om op adem te komen.' EX 31:18 Toen Jahwe op de Sinaï zijn woorden tot Mozes beeindigd had, overhandigde Hij hem twee platen met de tekst van het verbond, stenen platen, waarop de vinger Gods die tekst had geschreven. EX 32:1 Toen Mozes maar wegbleef en niet naar beneden kwam, verdrong het volk zich om Aäron en eiste: `Kom, maak een god die voor ons uit kan gaan. Want die Mozes, de man die ons uit Egypte heet geleid, we weten niet wat er met hem aan de hand is.' EX 32:2 Aäron antwoordde hun: `Laat uw vrouwen, uw zonen en uw dochters de gouden ringen afdoen die ze in de oren dragen en breng die hier.' EX 32:3 Toen deden allen hun gouden oorringen af en brachten die bij Aaron. EX 32:4 Deze nam ze in ontvangst, bond ze in een buidel, en maakte er een stierebeeld van. Toen riepen ze uit: `Israël, dit is de god die u uit Egypte heeft geleid.' EX 32:5 Toen Aäron dat zag bouwde hij voor het beeld een altaar en liet bekend maken: `Morgen is er feest ter ere van Jahwe.' EX 32:6 De volgende morgen droegen zij in alle vroegte brand- en slachtoffers op. De mensen gingen zitten om te eten en te drinken, daarna gaven zij zich aan feestelijk vermaak over. EX 32:7 Toen sprak Jahwe tegen Mozes: `Ga nu naar beneden, want uw volk dat gij uit Egypte hebt geleid is tot zonde vervallen. EX 32:8 Ze zijn nu al afgeweken van de weg die Ik hun had voorgeschreven: ze hebben een stierebeeld gemaakt, ze buigen zich daarvoor neer, ze dragen er offers voor op en schreeuwen: Israël, dit is de god die u uit Egypte heeft geleid.' EX 32:9 Ook sprak Jahwe tot Mozes: `Ik zie nu hoe halsstarrig dit volk is. EX 32:10 Laat Mij begaan, dan kan ik hen in mijn brandende toorn vernietigen. Maar van u zal Ik een groot volk maken.' EX 32:11 Mozes trachtte Jahwe, zijn God, gunstig te stemmen en vroeg: `Waarom Jahwe, uw toorn laten woeden tegen uw volk dat Gij met grote kracht en sterke hand uit Egypte hebt geleid? EX 32:12 Waarom de Egyptenaren laten honen: Hij heeft ze laten gaan met de boze opzet ze in de bergen te laten omkomen en ze van de aarde weg te vagen? Laat toch uw toorn niet langer tegen woeden. Zie af van het onheil waarmee Gij uw volk bedreigt. EX 32:13 Denk aan uw dienaren Abraham, Isaak en Israël, aan wie Gij onder ede beloofd hebt: Ik zal uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en heel het land waarover Ik heb gesproken zal Ik uw nakomelingen voor altijd in bezit geven. Het zal voor eeuwig hun erfdeel zijn'. EX 32:14 Toen zag Jahwe af van het onheil waarmee hij zijn volk had bedreigd. EX 32:15 Mozes begaf zich op weg en daalde de berg af. Hij had de twee platen met de tekst van het verbond bij zich, de platen die aan beide kanten beschreven waren; ze waren aan twee kanten beschreven, aan de voorkant, maar ook aan de achterkant. EX 32:16 De platen waren Gods eigen werk, het schrift was Gods eigen schrift; Hij had het er zelf ingegrift. EX 32:17 Toen Jozua het gejoel in het kamp hoorde zei hij tot Mozes: `Dat lijkt wel het rumoer van een veldslag in het kamp.' EX 32:18 Hij antwoordde: `Het zijn geen juichkreten van overwinnaars, en het is ook geen gejammer van overwonnenen, ze zijn aan het zingen.' EX 32:19 Toen Mozes dichter bij het kamp kwam zag hij het stierebeeld en het gedans. Hij werd razend en smeet de platen tegen de voet van de berg aan stukken. EX 32:20 Toen greep hij het beeld dat zij gemaakt hadden, gooide het in het vuur, verpulverde het, strooide de as in het water en liet dat de Israëlieten drinken. EX 32:21 Toen vroeg Mozes aan Aaron: `Wat heeft het volk toch met je gedaan, dat je het tot zo'n zware zonde hebt laten komen?' EX 32:22 Aäron gaf ten antwoord: `Mijn heer moet niet kwaad zijn. U weet zelf hoe dit volk tot kwaad geneigd is. EX 32:23 Ze vroegen mij: Maak een god die voor ons uittrekt. Want die Mozes, de man die ons uit Egypte heeft geleid, we weten niet wat er met hem aan de hand is. EX 32:24 Ik antwoordde: Laat iedereen die goud draagt dit afdoen. Toen brachten ze mij het goud, ik wierp het in het vuur en zo zijn we aan dit stierebeeld gekomen.' EX 32:25 Toen Mozes zag dat het volk zich te buiten was gegaan - Aäron had hen hun gang laten gaan, zodat zij voor tegenstanders een gemakkelijke prooi waren - EX 32:26 ging hij aan de ingang van het kamp staan en riep: `Wie voor Jahwe is, hierheen!' Toen al de levieten zich bij hem voegden EX 32:27 zei hij tot hen: `Zo spreekt Jahwe, Israëls God: Iedereen moet zijn zwaard aangespen. Doorkruis het kamp van poort tot poort en sla iedereen neer, al is het je broer, je vriend of je bloedverwant.' EX 32:28 De levieten deden wat Mozes hun bevolen had en zo kwamen er die dag ongeveer drieduizend mensen om. EX 32:29 Mozes sprak toen tot de levieten: `Vandaag hebt u volmacht ontvangen van Jahwe door het prijsgeven van uw zoon of broer. Zo hebt u zegen over u afgeroepen.' EX 32:30 De volgende dag zei Mozes tot het volk: `Jullie hebben zwaar gezondigd. Maar ik zal weer de berg opgaan, naar Jahwe. Misschien kan ik verzoening bewerken voor jullie zonden.' EX 32:31 Mozes ging weer naar Jahwe en sprak: `Helaas, dit volk heeft zwaar tegen U gezondigd door een god van goud te maken. EX 32:32 Kunt Gij hun toch geen vergiffenis schenken? Als dat niet gaat, schrap mij dan uit het boek dat Gij hebt geschreven.' EX 32:33 Jahwe antwoordde Mozes: `Ik schrap uit mijn boek alleen wie tegen Mij zondigt. EX 32:34 Breng het volk maar naar de plaats die Ik u heb aangewezen. Mijn engel zal voor u uitgaan. Maar de dag van vergelding komt en dan zal Ik hen hun zonden vergelden.' EX 32:35 En Jahwe strafte het volk om wat zij gedaan hadden met het stierebeeld dat Aäron gemaakt had. EX 33:1 Jahwe sprak tot Mozes: `Vertrek van hier met het volk dat gij uit Egypte hebt geleid en ga naar het land dat Ik aan Abraham, Isaak en Jakob beloofd heb met deze eed: Ik zal het schenken aan uw nakomelingen. EX 33:2 Ik zal een engel voor u uit laten gaan. De Kanaänieten, Amorieten, Hethieten, Perizziten, Chiwwieten en Jebusieten zal Ik voor u verdrijven, EX 33:3 en Ik zal u brengen naar een land van melk en honing. Maar zelf trek Ik niet met u mee, want gij zijt zo'n halsstarrig volk dat Ik u onderweg zou kunnen vernietigen.' EX 33:4 Toen de mensen dit slechte nieuws hoorden treurden zij en niemand deed meer zijn sieraden aan. EX 33:5 Jahwe sprak tot Mozes: `Zeg de Israëlieten: Gij zijt een halsstarrig volk. Als Ik ook maar korte tijd met u mee zou trekken, zou Ik u vernietigen. Leg uw sieraden af, dan zal Ik zien wat Ik met u doe.' EX 33:6 Daarom droegen de Israëlieten sinds de horeb geen sieraden meer. EX 33:7 Mozes sloeg telkens de tent op buiten het kamp, op een behoorlijke afstand; hij noemde haar: tent van de samenkomst. Iedereen die Jahwe iets wilde vragen ging naar deze tent buiten het kamp. EX 33:8 Als Mozes zich naar de tent begaf gingen alle mensen voor de ingang van hun tent staan, en bleven hem nakijken tot hij in de tent was verdwenen. EX 33:9 En als Mozes dan binnen was, daalde de wolkkolom neer en bleef staan boven de ingang van de tent. Dan sprak Jahwe tot Mozes. EX 33:10 Zodra de mensen de wolkkolom boven de ingang van de tent zagen staan bogen zij zich neer bij de ingang van hun tent. EX 33:11 Jahwe sprak dan tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een mens met zijn medemens spreekt. Ook als Mozes naar het kamp terugging verliet zijn jeugdige helper Jozua, zoon van Nun, de tent niet. EX 33:12 Mozes sprak tot Jahwe: `Gij zegt wel tegen mij: Laat het volk verder trekken, maar Gij hebt mij niet laten weten wie Gij met mij meezendt. Toch had Gij gezegd: Ik heb mijn keuze op u laten vallen en u mijn bijzondere gunst geschonken. EX 33:13 Als ik inderdaad uw gunst geniet, laat mij dan weten wat uw plannen zijn. Dan zal ik ervaren wie Gij zijt en weten dat ik nog steeds uw gunst geniet. Bedenk toch dat al deze mensen uw volk zijn.' EX 33:14 Jahwe vroeg toen: `Moet dan mijn aanschijn meegaan en moet Ik u rust geven?' EX 33:15 Mozes antwoordde: `Als uw aanschijn niet meegaat, laat ons dan niet van hier vertrekken. EX 33:16 Hoe is het anders duidelijk dat ik en uw volk uw gunst genieten, tenzij doordat Gij met ons meetrekt? Ik en uw volk nemen toch een bijzondere plaats in onder alle volken op de aardbodem.' EX 33:17 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Ook wat gij nu vraagt zal Ik doen. Want gij geniet mijn gunst en Ik heb mijn keus op u laten vallen.' EX 33:18 Toen vroeg Mozes: `Laat mij toch uw heerlijkheid zien.' EX 33:19 Hij gaf ten antwoord: `Ik zal in al mijn luister aan u voorbijgaan en in uw bijzijn de naam Jahwe uitroepen. Want Ik schenk genade aan wie Ik wil en barmhartigheid aan wie Ik wil.' EX 33:20 Maar hij voegde er aan toe: `Mijn gelaat kunt gij niet zien, want geen mens kan mijn gelaat zien en in leven blijven.' EX 33:21 Toen sprak Jahwe: `Hier bij Mij is nog plaats; kom op de rots staan. EX 33:22 Wanneer mijn heerlijkheid voorbijgaat zal Ik u in de rotsholte laten schuilen, en als Ik voorbijga zal ik u met mijn hand beschermen. EX 33:23 Als Ik dan mijn hand terugtrek kunt gij Mij van achteren zien, want mijn gelaat kan niemand zien.' EX 34:1 Toen sprak Jahwe tot Mozes. `Kap twee stenen platen, gelijk aan de vorige. Ik zal er weer dezelfde geboden ingriffen als in de platen die gij stukgesmeten hebt. EX 34:2 Morgenvroeg moet gij klaar zijn, want dan moet gij de Sinaï bestijgen. Wacht daar op Mij, boven op de berg. EX 34:3 Niemand mag met u naar boven gaan, niemand mag op de berg gezien worden. Zelfs geen schapen of runderen mogen in de nabijheid van de berg grazen.' EX 34:4 Mozes kapte twee stenen platen, gelijk aan de vorige. De volgende morgen besteeg hij in alle vroegte de Sinaï, zoals Jahwe hem bevolen had. De twee stenen platen nam hij mee. EX 34:5 Jahwe daalde neer in een wolk, kwam bij hem staan en riep de naam Jahwe uit. EX 34:6 Jahwe ging hem voorbij en riep: `Jahwe! Jahwe is een barmhartige en medelijdende God, lankmoedig, groot in liefde en trouw, EX 34:7 die goedheid bewijst tot in het duizendste geslacht, die misdaden, overtredingen en zonden vergeeft, maar een schuldige niet ongestraft laat, en de misdaden van de vaders straft in hun kinderen en kleinkinderen, in het derde en vierde geslacht.' EX 34:8 Onmiddellijk viel Mozes op zijn knieën en boog zich neer. EX 34:9 Toen sprak hij: `Och Heer, wees zo goed en trek met ons mee. Dit volk is wel halsstarrig maar vergeef toch onze misdaden en zonden, en beschouw ons als uw eigen bezit.' EX 34:10 Hij antwoordde: `Ik wil een verbond met u sluiten. Voor heel uw volk zal Ik wonderen doen, zoals er nergens op aarde en bij geen enkel volk ooit zijn geschied. Heel het volk waarbij gij leeft zal aanschouwen hoe ontzagwekkend de werken zijn die Ik, Jahwe, voor u ga doen. EX 34:11 Onderhoud wat Ik u heden voorschrijf. Dan zal Ik de Amorieten, Kanaänieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten voor u verdrijven. EX 34:12 Sluit geen verbond met de bewoners van het land dat gij zult binnentrekken. Anders worden zij voor u een valstrik in uw eigen midden. EX 34:13 Gij moet hun altaren afbreken, hun heilige zuilen stukslaan en hun heilige palen omhakken. EX 34:14 Want gij moogt geen andere god vereren. Jahwe heet immers de jaloerse, Hij is een jaloerse God. EX 34:15 Sluit dus geen verbond met de bewoners van het land die ontuchtig hun goden achterna lopen en offers opdragen; want zij zouden u uitnodigen om aan hun offermalen deel te nemen. EX 34:16 Als gij voor uw zonen hun dochters tot vrouw kiest zouden die ontuchtig hun goden achterna lopen en ook uw zonen zouden dat gaan doen. EX 34:17 Ge moogt geen godenbeelden maken. EX 34:18 Ge moet het feest der ongezuurde broden vieren. Op de vastgestelde tijd in de maand. Abib moet ge zeven dagen lang ongezuurd brood eten, zoals Ik u bevolen heb, want in die maand zijt ge uit Egypte vertrokken. EX 34:19 Alles wat de moederschoot opent behoort Mij toe, ieder eerstgeboren mannelijk dier van uw kudde, van de runderen en de schapen. EX 34:20 Het eerstgeboren jong van een ezel moet ge vrijkopen met een lam. Wilt ge het niet vrijkopen, dan moet ge het de nek breken. Iedere eerstgeboren zoon moet gij vrijkopen. Niemand mag met lege handen voor Mij verschijnen. EX 34:21 Zes dagen kunt gij werken, maar op de zevende dag moet gij u van arbeid onthouden, zelfs als het tijd is om te ploegen of te zaaien. EX 34:22 Vier ook het wekenfeest, aan het begin van de tarweoogst, en het feest van het binnenhalen, rond de jaarwisseling. EX 34:23 Driemaal per jaar moeten al uw mannen verschijnen voor Jahwe de Heer, de God van Israël. EX 34:24 Ik zal de volken voor u verdrijven en u een uitgestrekt gebied geven, zodat niemand zijn oog op uw land durft laten vallen als gij driemaal per jaar weggaat om voor Jahwe uw God te verschijnen. EX 34:25 Ge moogt het bloed van een dier dat voor Mij bestemd is niet samen met gezuurd brood offeren. Van het offerdier voor het paasfeest mag niets overblijven tot de volgende morgen. EX 34:26 Van de eerste vruchten van uw land moet ge de beste naar het huis van Jahwe uw God brengen. Een geitje moogt ge niet koken in de melk van zijn moeder.' EX 34:27 Toen sprak Jahwe tot Mozes: `Stel deze bepalingen op schrift, want op grond van deze bepalingen sluit Ik met u en met Israël een verbond.' EX 34:28 Mozes bleef daar veertig dagen en veertig nachten bij Jahwe, zonder te eten of te drinken. En Jahwe grifte de bepalingen van het verbond, de tien geboden, in de stenen platen. EX 34:29 Toen Mozes de berg Sinaï afdaalde met de twee stenen platen, de tekst van het verbond, was hij zich er niet van bewust dat zijn gezicht glansde omdat hij met Hem gesproken had. EX 34:30 Maar Aäron en de overige Israëlieten zagen de glans op het gezicht van Mozes wet, en zij durfden hem niet te naderen. EX 34:31 Maar toen Mozes hen riep kwamen Aäron en al de leiders van de gemeenschap naar hem toe. Mozes bracht hun verslag uit. EX 34:32 Daarna kwamen al de Israëlieten naar hem toe. Hij hield hun alles voor wat Jahwe hem op de berg Sinaï gezegd had. EX 34:33 Toen Mozes zijn toespraak beeindigd had, deed hij een doek over zijn gezicht. EX 34:34 En telkens als Mozes naar Jahwe ging om hem te spreken, deed hij de doek af tot hij weer buiten kwam. Als hij dan, naar buiten gekomen, de Israëlieten ging meedelen wat zij moesten doen, EX 34:35 deed hij, om de Israëlieten de gans op zijn gezicht niet te laten zien, de doek weer voor zijn gezicht tot hij opnieuw naar binnen ging om met Jahwe te spreken. EX 35:1 Mozes liet heel de gemeenschap van Israël samenkomen en sprak tot hen: `Dit zijn de voorschriften die Jahwe u beveelt te onderhouden: EX 35:2 Zes dagen kunt gij werken, maar de zevende dag moet u heilig zijn, een sabbatdag voor Jahwe. Iedereen die dan werkt moet ter dood gebracht worden. EX 35:3 Op de sabbat moogt gij in geen van uw verblijven vuur ontsteken.' EX 35:4 Mozes sprak tot heel de gemeenschap van Israël: `Zo luidt de opdracht van Jahwe: EX 35:5 Sta uit uw bezit een bijdrage af voor Jahwe. Laat iedereen die daartoe bereid is zijn bijdrage voor Jahwe komen brengen: goud, zilver en brons; EX 35:6 paarse, karmijnrode en scharlaken wol, linnen en kleden van geitenhaar; EX 35:7 gelooide ramsvellen, fijn leer en acaciahout; EX 35:8 olie voor de verlichting, geurige kruiden voor de bereiding van zalfolie en welriekende wierook; EX 35:9 kornalijn en edelstenen voor de efod en de orakeltas. EX 35:10 De vaklieden moeten alles vervaardigen wat Jahwe heeft voorgeschreven: EX 35:11 de woning met tent en dak, de haken, schotten, verbindingsbalken, palen en voetstukken; EX 35:12 de ark met de draagstokken en de dekplaat, het afsluitend voorhangsel; EX 35:13 de tafel met de draagstokken en verder toebehoren, het toonbrood; EX 35:14 de luchter voor de verlichting met alle toebehoren, de lampen en de olie voor de verlichting; EX 35:15 het reukofferaltaar met de draagstokken, de zalfolie en de welriekende wierook; het voorhangsel voor de ingang van de woning; EX 35:16 het brandofferaltaar met het bronzen hek, de draagstokken en alle toebehoren; het wasbekken met het onderstel, EX 35:17 de kleden voor de voorhof, de palen en voetstukken, het voorhangsel voor de ingang van de voorhof; EX 35:18 de tentpinnen voor de woning en voor de voorhof met bijbehorende touwen; EX 35:19 de ambtsgewaden, de heilige gewaden voor de priester Aaron, de gewaden die zijn zonen als priester dragen.' EX 35:20 Daarop ging heel de gemeenschap van Israël bij Mozes vandaan, EX 35:21 en iedereen wiens hart hem dat ingaf en iedereen die daartoe bereid was kwam een bijdrage voor Jahwe brengen, voor de vervaardiging van de tent der samenkomst, voor de inrichting en voor de heilige gewaden. EX 35:22 Mannen en vrouwen snelden toe. Ieder die daartoe bereid was bracht broches, oorringen, vingerringen, halsketenen en andere gouden sieraden, ieder die Jahwe een gouden wijgeschenk wilde afstaan. EX 35:23 Wie in het bezit was van paarse, karmijnrode en scharlaken wol, van linnen en kleden van geitenhaar, van gelooide ramsvellen of fijn leer, die kwam het brengen. EX 35:24 Ieder die een bijdrage in zilver of brons wilde afstaan bracht ze naar Jahwe. Ook wie de beschikking had over het acaciahout, dat voor verschillende doeleinden nodig was, kwam dit brengen. EX 35:25 De daartoe vaardige vrouwen zetten zich aan het spinnen en brachten wat zij gesponnen hadden: paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en linnen. EX 35:26 De vrouwen die daar vaardig in waren begonnen geitenhaar te spinnen. EX 35:27 De notabelen brachten kornalijn en edelstenen voor de efod en de orakeltas, EX 35:28 geurige kruiden en olie voor de verlichting, voor de zalfolie en voor welriekende wierook. EX 35:29 Alle Israëlieten, mannen en vrouwen, die zich gedrongen voelden bij te dragen aan het werk dat Jahwe door Mozes wilde laten uitvoeren, kwamen hun bijdrage voor Jahwe brengen. EX 35:30 Toen maakte Mozes aan de Israëlieten bekend: `Jahwe heeft zijn keuze laten vallen op Besalel, zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda. EX 35:31 Hij heeft hem een uitzonderlijke begaafdheid geschonken, vaardigheid, kennis en veelzijdige bekwaamheid. EX 35:32 Hij kan ontwerpen maken, goud, zilver en brons smeden, EX 35:33 stenen snijden en zetten en hout bewerken: in alle technieken is hij bedreven. EX 35:34 Ook de gave om het aan anderen te kunnen leren heeft Hij hem geschonken, hem en Oholiab, zoon van Achisamak, uit de stam Dan. EX 35:35 Hij heeft hun vaardigheid geschonken om te werken in alle technieken: zij kunnen stenen snijden, borduren, paarse, karmijnrode en scharlaken wol vervaardigen en linnen weven. Zij voeren allerlei werk uit en maken ook zelf de ontwerpen.' EX 36:1 Besalel, Oholiab en al de vaklieden die Jahwe met vaardigheid en kennis heeft toegerust, zodat ze weten hoe alles voor het heiligdom gemaakt wordt, moeten alles uitvoeren zoals Jahwe het heeft voorgeschreven. EX 36:2 Mozes liet dus Besalel komen met Oholiab en al de vaklieden die Jahwe met vaardigheid had toegerust, allen die zich gedrongen voelden het werk uit te voeren. EX 36:3 Zij kregen van Mozes alle bijdragen die de Israëlieten voor de uitvoering van het werk, voor de vervaardiging van het heiligdom, hadden afgestaan. En iedere morgen waren er nog Israëlieten die hun vrijwillige gave kwamen brengen. EX 36:4 Toen lieten de vaklieden die met de verschillende werken voor het heiligdom bezig waren het werk dat ze onder handen hadden liggen, EX 36:5 en kwamen Mozes zeggen: `Het volk brengt veel meer dan nodig is voor de uitvoering van het werk dat Jahwe heeft opgedragen.' EX 36:6 Op bevel van Mozes werd toen in het kamp omgeroepen: `Geen man of vrouw hoeft verder nog een bijdrage voor het heiligdom te brengen.' Zo hield men het volk er van af nog meer te brengen. EX 36:7 Er was voldoende, en zelfs meer dan voldoende, bijeengebracht voor de uitvoering van het hele werk. EX 36:8 Alle vaklieden die bij de uitvoering van het werk betrokken waren, vervaardigden toen de woning uit tien banen getwijnd linnen en paarse, karmijnrode en scharlaken wol, waarop een vakman kerubs geborduurd had. EX 36:9 De lengte van een baan bedroeg achtentwintig el, de breedte vier el. Alle banen hadden dezelfde afmetingen. EX 36:10 De banen werden vijf aan vijf samengevoegd. EX 36:11 Vervolgens maakte men paarse lussen aan de rand van de buitenste baan van beide stukken, EX 36:12 zodat de lussen precies tegenover elkaar zaten. EX 36:13 Men maakte vijftig gouden haken en bevestigde de banen met deze haken aan elkaar, zodat de woning een geheel werd. EX 36:14 Voor de tent over de woning vervaardigde men banen van geitenhaar, elf banen. EX 36:15 De lengte van een baan bedroeg dertig el, de breedte vier el. Alle elf banen hadden dezelfde afmetingen. EX 36:16 Men hechtte vijf banen aan elkaar, de zes overige eveneens. EX 36:17 Men maakte vijftig lussen aan de rand van de buitenste baan van de beide stukken. EX 36:18 Ook werden vijftig koperen haken gemaakt om de beide tentdelen tot een geheel samen te voegen. EX 36:19 Men maakte voor de tent ook nog een dak van gelooide ramsvellen en daaroverheen nog een dak van fijn leer. EX 36:20 Voor de woning werden uit acaciahout rechtopstaande schotten gemaakt. EX 36:21 Ieder schot was tien el lang en anderhalve el breed. EX 36:22 Aan ieder schot zaten ter verbinding twee tappen. Zo werden alle schotten voor de woning gemaakt. EX 36:23 Men maakte dus de schotten voor de woning, twintig schotten voor de zuidkant. EX 36:24 Onder de twintig schotten maakte men veertig zilveren voetstukken, twee voor elk schot, waar de beide tappen in pasten. EX 36:25 Voor de andere kant van de woning voor de noordzijde dus, maakte men ook twintig schotten, EX 36:26 met bijbehorende zilveren voetstukken, twee voor elk schot. EX 36:27 Voor de achterkant van de woning, voor de westzijde dus, werden zes schotten gemaakt. EX 36:28 Ook maakte men twee schotten voor de hoeken aan de achterkant van de woning. EX 36:29 Deze bestonden uit twee haaks op elkaar geplaatste delen; zij liepen van beneden tot bij de eerste ring. Ze waren immers bestemd voor de beide hoeken. EX 36:30 Er waren dus acht schotten en zestien bijbehorende zilveren voetstukken, telkens twee voor een schot. EX 36:31 Men maakte ook verbindingsbalken van acaciahout: vijf voor de schotten aan de beide zijkanten van de woning, EX 36:32 en vijf voor de achterkant, de westzijde, van de woning. EX 36:33 De middelste balk liep midden over de schotten, van de ene kant naar de andere. EX 36:34 De schotten werden met goud overtrokken, voor de balken werden gouden ringen gemaakt en de balken werden met goud overtrokken. EX 36:35 Het voorhangsel werd gemaakt van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen. Een vakman borduurde er kerubs op. EX 36:36 Met gouden haken werd het vastgemaakt aan vier palen van acaciahout die met goud overtrokken waren en rustten op zilveren voetstukken. EX 36:37 Voor de ingang van de tent werd een tapijt gemaakt van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen, rijk geborduurd. EX 36:38 Er kwamen vijf palen van acaciahout met de bijbehorende haken. De koppen en stangen werden overtrokken met goud; de voetstukken waren van brons. EX 37:1 Toen maakte Besalel de ark van acaciahout; ze was twee en een halve el lang, anderhalve el breed, anderhalve el hoog. EX 37:2 Hij overtrok haar van binnen en van buiten met goud en bracht rondom een gouden lijst aan. EX 37:3 Hij goot voor de ark vier gouden ringen en bevestigde die aan de vier poten, twee aan elke kant. EX 37:4 Hij maakte ook draagstokken van acaciahout en overtrok die met goud. EX 37:5 De draagstokken werden in de ringen gestoken aan de zijkanten van de ark om die zo te kunnen dragen. EX 37:6 Ook maakte hij de dekplaat, van zuiver goud, twee en een halve el lang, anderhalve el breed. EX 37:7 Hij maakte eveneens twee kerubs, in goud gedreven, aan de beide uiteinden van de dekplaat, EX 37:8 een kerub aan het ene uiteinde en een aan het andere, in relief. EX 37:9 De vleugels van de kerubs waren naar boven uitgestrekt zodat zij de dekplaat overhuifden. De kerubs stonden met hun gezicht naar elkaar toegekeerd, hun gezicht was gericht op de dekplaat. EX 37:10 Hij maakte een tafel van acaciahout, twee el lang, een el breed en anderhalve el hoog. EX 37:11 Hij overtrok die met zuiver goud en maakte er een gouden lijst omheen. EX 37:12 Hij legde er een band om, van een handbreed, en zette die af met een gouden lijst. EX 37:13 Hij maakte vier gouden ringen en bevestigde die aan de vier hoeken, bij de poten. EX 37:14 Deze ringen, bestemd voor de stokken waarmee de tafel gedragen werd, zaten dicht bij de band. EX 37:15 De draagstokken maakte hij van acaciahout en overtrok ze met goud. Daarmee werd de tafel gedragen. EX 37:16 De benodigdheden voor de tafel maakte hij van zuiver goud: de schotels en bekkens, de kannen en kommen, die nodig waren voor de plengoffers. EX 37:17 Vervolgens maakte hij de luchter, van zuiver goud. De luchter, met voetstuk en schacht, was drijfwerk waarin kelken met knoppen en bloemen aangebracht waren. EX 37:18 Zes armen gingen van opzij uit de schacht omhoog, drie aan elke kant. EX 37:19 In de eerste arm waren drie amandelbloemen met knoppen en bladen gedreven. Op dezelfde wijze waren alle zes de armen van de luchter bewerkt. EX 37:20 In de luchter zelf waren vier amandelbloemen met knoppen en bladen gedreven: EX 37:21 een knop onder het eerste paar armen, een onder het tweede en een onder het derde paar van de zes armen van de luchter. EX 37:22 De knoppen en armen vormden een geheel met de luchter: een stuk drijfwerk van zuiver goud. EX 37:23 Voor de luchter werden zeven lampen met snuiters en bakjes vervaardigd, alles van zuiver goud. EX 37:24 Voor de luchter met toebehoren gebruikte hij een talent zuiver goud. EX 37:25 Vervolgens maakte hij ook een altaar van acaciahout voor het branden van reukwerk. Het was een el lang, een el breed viervierkant dus - en twee el hoog. De horens vormden er een geheel mee. EX 37:26 Hij overtrok het met zuiver goud: de bovenkant, de zijvlakken en de horens. Hij maakte er een gouden lijst omheen. EX 37:27 Aan beide zijden maakte hij onder de lijst twee gouden ringen, bestemd voor de draagstokken waarmee het altaar opgetild werd. EX 37:28 Hij maakte de draagstokken van acaciahout en overtrok ze met goud. EX 37:29 Hij bereidde ook de heilige zalfolie en reukwerk, een geurig mengsel zoals een reukwerker dat samenstelt. EX 38:1 Toen maakte hij het brandofferaltaar van acaciahout. Het was vijf el lang en vijf el breed - vierkant dus - en drie el hoog. EX 38:2 Op de vier hoeken bracht hij vier horens aan die er een geheel mee vormden. Het werd bekleed met brons. EX 38:3 Ook maakte hij alle benodigdheden voor het altaar: de bakken, scheppen, schalen, vorken en vuurpannen, alles van brons. EX 38:4 Om het altaar bracht hij als afrastering een bronzen hek aan, van de benedenrand tot halverhoogte. EX 38:5 Ook goot hij vier ringen voor de vier hoeken van het bronzen hek, voor de draagstokken. EX 38:6 De draagstokken maakte hij van acaciahout en hij overtrok ze met brons. EX 38:7 Toen stak hij de draagstokken in de ringen aan weerszijden van het altaar om het zo op te tillen. Hij maakte het altaar van planken en liet het van binnen hol. EX 38:8 Vervolgens vervaardigde hij het bronzen bekken, op een bronzen onderstel. Hiervoor gebruikte hij de spiegels van de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de tent van de samenkomst. EX 38:9 Toen maakte hij de voorhof. De kleden voor de zuidkant van de voorhof waren van getwijnd linnen, honderd el lang. EX 38:10 De twintig bijbehorende palen en voetstukken waren van brons, de haken aan de palen en de stangen van zilver. EX 38:11 Ook voor de noordkant maakte hij kleden over een lengte van honderd el, twintig palen en voetstukken van brons, alsmede haken en stangen van zilver. EX 38:12 Aan de westkant maakte hij kleden over een lengte van vijftig el, en tien palen en voetstukken, alsmede haken en stangen van zilver. EX 38:13 Ook de oostkant was vijftig el lang. EX 38:14 Daar kwamen aan de ene kant kleden over een lengte van vijftien el met drie bijbehorende palen en voetstukken. EX 38:15 Ook aan de andere kant - aan beide kanten van de ingang van de voorhof hingen kleden - kleden over een lengte van vijftien el met drie bijbehorende palen en voetstukken. EX 38:16 Alle kleden rond de voorhof waren van getwijnd linnen. EX 38:17 De voetstukken voor de palen waren van brons, de haken aan de palen en de stangen waren van zilver. De kop van de palen was overtrokken met zilver en er zaten zilveren banden om. EX 38:18 Aan de ingang van de voorhof kwam een rijk geborduurd voorhangsel van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen. Het was twintig el lang en - over de breedte - vijf el hoog, in aansluiting op de kleden van de voorhof. EX 38:19 De vier bijbehorende palen en voetstukken waren van brons, de haken van zilver. De kop van de palen was overtrokken met zilver en er zaten zilveren banden om. EX 38:20 Alle tentpinnen voor de woning en de voorhof waren van brons. EX 38:21 Hier volgt een berekening van de kosten van de woning, de woning met de verbondsakte, op bevel van Mozes becijferd door de levieten onder leiding van Itamar, zoon van de priester Aaron. EX 38:22 Besalel, zoon van Uri, zoon van Chur uit de stam Juda, voerde alles uit zoals Jahwe aan Mozes had bevolen. EX 38:23 Hij werd ter zijde gestaan door Oholiab, zoon van Achisamak, uit de stam Dan; deze kon stenen snijden, borduren, paarse, karmijnrode en scharlaken wol en linnen weven. EX 38:24 Het totaal bedrag aan goud, afkomstig van de bijdragen, dat bij de vervaardiging van het heiligdom - alles meegerekend - besteed werd bedroeg negenentwintig talenten en zevenhonderddertig sikkels, in heilige munt. EX 38:25 Het zilver, afkomstig van de geregistreerden van de gemeenschap, kwam op honderd talenten en zeventienhonderdvijfenzeventig sikkels, in heilige munt. EX 38:26 Dat was dus een beka per man - een halve sikkel in heilige munt - van alle geregistreerden van twintig jaar en ouder. In totaal waren het zeshonderddrieduizendvijfhonderdenvijftig personen. EX 38:27 De honderd talenten zilver werden gebruikt voor de voetstukken van het heiligdom en de voetstukken van het voorhangsel: voor honderd voetstukken honderd talenten, dus een talent per voetstuk. EX 38:28 Van de zeventienhonderdvijfenzestig sikkels maakte men de haken, men overtrok er de koppen van de palen mee en maakte er de zilveren banden van. EX 38:29 De bijdragen aan brons bedroegen zeventig talenten en vierentwintighonderd sikkels. EX 38:30 Hiervan maakte men de voetstukken voor de ingang van de tent der samenkomst, het bronzen altaar met het bronzen hek en alle altaarbenodigdheden. EX 38:31 Verder de voetstukken voor de voorhof, alle tentpinnen van de woning en alle tentpinnen van de voorhof. EX 39:1 Voor de dienst in het heiligdom werden ambtsgewaden vervaardigd van paarse, karmijnrode en scharlaken wol. Voor Aäron maakte men de heilige gewaden zoals Jahwe aan Mozes bevolen had. EX 39:2 Hij maakte de efod van goud, paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen. EX 39:3 Men plette bladen van goud en sneed ze in strookjes om ze te verwerken in de paarse, karmijnrode en scharlaken wol en in het linnen: een waar kunstwerk. EX 39:4 Aan de beide uiteinden van de efod maakte men schouderbanden om hem vast te maken. EX 39:5 Van hetzelfde materiaal werd een gordel gemaakt die er een geheel mee vormde: paarse, karmijnrode en scharlaken wol en getwijnd linnen, zoals Jahwe aan Mozes bevolen had. EX 39:6 Op de kornalijnstenen, gevat in gouden zettingen, graveerde men de namen van de zonen van Israël, zoals men zegels snijdt. EX 39:7 Ze werden vervolgens bevestigd aan de efod: zij herinneren Jahwe aan de Israëlieten. Zo had Jahwe aan Mozes bevolen. EX 39:8 Een kunstenaar maakte van hetzelfde materiaal als de efod de orakeltas: van goud, paarse, karmijnrode en scharlaken wol, en van getwijnd linnen. EX 39:9 Ze was vierkant, een span lang en een span breed, en bestond uit twee stukken. EX 39:10 Ze werd bezet met vier rijen edelstenen: een robijn, een topaas en een smaragd vormden de eerste rij, EX 39:11 een karbonkel, een saffier en een jaspis de tweede, EX 39:12 een hyacint, een agaat en een amatist de derde, EX 39:13 een chrysoliet, een kornalijn en een onyx de vierde rij. Ze waren gevat in gouden zettingen. EX 39:14 Er waren twaalf stenen, zoals er twaalf namen zijn van de zonen van Israël. Op iedere steen was de naam van een der twaalf stammen gegraveerd, zoals men bij zegels doet. EX 39:15 Voor de orakeltas maakte men kettinkjes van zuiver goud, in de vorm van gevlochten snoeren. EX 39:16 Ook maakte men twee gouden zettingen en twee gouden ringen; EX 39:17 deze ringen werden bevestigd aan de beide uiteinden van de orakeltas. EX 39:18 Aan de andere kant maakte men de twee gouden snoeren vast aan de twee zettingen en bevestigde ze van voren aan de schouderbanden van de efod. EX 39:19 Toen maakte men nog twee gouden ringen en bevestigde deze aan de uiteinden van de orakeltas, aan de binnenkant, tegen de efod aan. EX 39:20 Toen maakte men nog eens twee gouden ringen en bevestigde deze onder aan de voorkant van de beide schouderbanden van de efod, vlak bij de band boven de gordel. EX 39:21 Toen haalde men een paars koord door de ringen van de orakeltas en de efod en bond de orakeltas zo aan de gordel van de efod dat ze er vast tegenaan zat, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen. EX 39:22 De efodmantel werd geheel gemaakt van paarse wol. EX 39:23 In het midden was een opening met een geweven rand als bij een wapenrok, om inscheuren te voorkomen. EX 39:24 Aan de zoom van de mantel werden granaatappels bevestigd van paarse, karmijnrode en scharlaken wol en van getwijnd linnen. EX 39:25 Van zuiver goud maakte men klokjes en hing die tussen de granaatappels aan de zoom van de mantel; EX 39:26 dus om en om gouden klokjes en granaatappels rondom aan de zoom van de mantel voor de eredienst, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen. EX 39:27 Voor Aäron en zijn zonen vervaardigde men tunieken van geweven linnen, EX 39:28 hoofddeksels van linnen en lendenschorten van getwijnd linnen, EX 39:29 de gordel van getwijnd linnen, van paarse, karmijnrode en scharlaken wol, kunstig bewerkt, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen. EX 39:30 Men maakte een bloem, de heilige diadeem, van zuiver goud en graveerde daarin daarin als in een zegel: Jahwe gewijd. EX 39:31 Met een paars koord maakte men ze vast op de voorzijde van het hoofddeksel, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen. EX 39:32 Zo kwam het werk aan de woning, de tent van de samenkomst, tot voltooiing. De Israëlieten hadden alles precies uitgevoerd zoals Jahwe aan Mozes bevolen had. EX 39:33 Toen brachten ze de woning bij Mozes: de tent met alle toebehoren, haken, schotten, balken, palen en voetstukken, EX 39:34 het dak van gelooide ramsvellen, het dak van fijn leer en het voorhangselkleed, EX 39:35 de ark met de verbondsakte, met draagstokken en dekplaat, EX 39:36 de tafel met alle toebehoren en het toonbrood; EX 39:37 de luchter van zuiver goud met de lampen - de hele reeks - met alle toebehoren en de olie voor de verlichting, EX 39:38 het gouden altaar, de zalfolie en welriekende wierook, het kleed voor de ingang van de tent; EX 39:39 het bronzen altaar met het bijbehorende bronzen hek, de draagstokken en alle toebehoren: het wasbekken met het onderstel; EX 39:40 de kleden voor de voorhof, de palen en voetstukken, het kleed voor de ingang van de voorhof, de touwen en tentpinnen en alle benodigdheden voor de dienst in de woning, de tent van de samenkomst; EX 39:41 de ambtsgewaden voor de dienst in het heiligdom, de heilige gewaden voor de priester Aäron en de gewaden voor zijn zonen, voor de priesterlijke dienst. EX 39:42 De Israëlieten hadden het hele werk precies zo uitgevoerd als Jahwe aan Mozes had bevolen. EX 39:43 Toen Mozes het hele werk aanschouwde en zag dat ze het hadden uitgevoerd zoals Jahwe had bevolen, dat ze het precies zo hadden uitgevoerd, gaf hij hun zijn zegen. EX 40:1 Toen sprak Jahwe tot Mozes: EX 40:2 `Op de eerste dag van de eerste maand moet gij de woning opstellen, de tent van de samenkomst. EX 40:3 Zet er de ark met de verbondsakte in en hang het voorhangsel op. EX 40:4 Plaats dan de tafel en stel alles wat erbij hoort ordelijk op. Vervolgens ook de luchter met de lampen. EX 40:5 Voor de ark met de verbondsakte moet ge het gouden reukofferaltaar neerzetten, en voor de ingang van de woning, de tent van samenkomst, het kleed hangen. EX 40:6 Het brandofferaltaar komt voor de ingang van de woning, de tent van de samenkomst. EX 40:7 Zet het wasbekken tussen de tent van de samenkomst en het altaar en giet er water in. EX 40:8 Dan moet ge daaromheen de voorhof optrekken en voor de ingang daarvan het kleed ophangen. EX 40:9 Heel de woning en alles wat er in staat moet ge met olie zalven en met alle toebehoren wijden zodat het heilig is. EX 40:10 Ook het brandofferaltaar met al zijn toebehoren moet ge zalven en wijden zodat het hoogheilig is. EX 40:11 Ook het wasbekken met het onderstel moet ge zalven en wijden. EX 40:12 Dan ontbiedt gij Aäron met zijn zonen bij de ingang van de tent der samenkomst en reinigt hen met water. EX 40:13 Bekleed Aäron met de heilige gewaden, zalf hem en wijd hem tot mijn priester. EX 40:14 Vervolgens ontbiedt gij zijn zonen en doet hun de tunieken aan. EX 40:15 Zalf hen tot mijn priesters, evenals hun vader. De zalving zal hun voor altijd de priesterlijke waardigheid verlenen, al hun geslachten door.' EX 40:16 Mozes bracht alles ten uitvoer zoals Jahwe had voorgeschreven. EX 40:17 De woning werd opgesteld in de eerste maand van het tweede jaar, op de eerste van de maand. EX 40:18 Mozes liet de woning opstellen: men plaatste de voetstukken, bevestigde de schotten, bracht de verbindingslatten aan en richtte de palen op. EX 40:19 De tent werd over de woning gespannen en daaroverheen werd het tentdak gelegd, zoals Jahwe Mozes bevolen had. EX 40:20 Mozes legde de verbondsakte in de ark, schoof de draagstangen aan de ark en legde er de dekplaat op. EX 40:21 Hij bracht de ark in de woning, hing het voorhangsel op zodat de ark met de verbondsakte naar Jahwe's bevel aan het gezicht werd onttrokken. EX 40:22 Hij plaatste de tafel in de tent van de samenkomst, aan de noordkant van de woning, voor het voorhangsel. EX 40:23 Hij zette er het toonbrood op, zoals Jahwe aan Mozes bevolen had. EX 40:24 Hij plaatste de luchter in de tent van de samenkomst, tegenover de tafel, aan de zuidkant. EX 40:25 Hij stelde de lampen op voor Jahwe, zoals Jahwe hem bevolen had. EX 40:26 Hij plaatste het gouden altaar in de tent van de samenkomst, voor het voorhangsel. EX 40:27 Toen brandde Mozes welriekende wierook zoals Jahwe hem bevolen had. EX 40:28 Hij hing het kleed op voor de ingang van de woning. EX 40:29 Toen plaatste hij het altaar voor de ingang van de woning, de tent van de samenkomst, en hij droeg het brandoffer en het meeloffer op, zoals Jahwe aan Mozes bevolen had. EX 40:30 Het wasbekken plaatste hij tussen de tent van de samenkomst en het altaar en goot er water in. EX 40:31 Mozes en Aäron met zijn zonen wasten er hun handen en voeten. EX 40:32 Telkens wanneer zij de tent van de samenkomst binnengingen en het altaar naderden wasten zij zich, zoals Jahwe Mozes bevolen had. EX 40:33 Rondom de woning en het altaar werd de voorhof opgetrokken en voor de ingang van de voorhof werd het kleed opgehangen. Daarmee was het werk van Mozes voltooid. EX 40:34 Toen overdekte de wolk de tent van de samenkomst en vulde de heerlijkheid van Jahwe de woning. EX 40:35 En Mozes kon de tent niet binnengaan, want de wolk rustte erboven, en de heerlijkheid van Jahwe vulde de woning. EX 40:36 Op heel hun tocht trokken de Israëlieten telkens pas verder als de wolk zich van de woning verhief. EX 40:37 Als de wolk zich niet verhief bleven zij wachten. EX 40:38 Op heel hun tocht rustte overdag de wolk van Jahwe boven de woning, maar's nachts was er een vuurgloed, die zichtbaar was voor alle Isralieten. LEVITICUS LEV 1:1 Jahwe riep Mozes en sprak tot hem vanuit de tent van de samenkomst: LEV 1:2 Zeg aan de Israëlieten: Wanneer iemand van u Jahwe een gave wil aanbieden, kan hij daarvoor een rund of een stuk kleinvee kiezen. LEV 1:3 Wil hij een rund als brandoffer aanbieden, dan moet hij een gaaf mannelijk dier nemen en dat bij de ingang van de tent der samenkomst aanbieden; zo schept Jahwe behagen in hem. LEV 1:4 Hij legt dan zijn hand op de kop van het offerdier; zo wordt het goedgunstig aanvaard en bewerkt verzoening voor hem. LEV 1:5 Hij slacht het rund voor Jahwe; de priesters, de zonen van Aäron, offeren het bloed en sprenkelen het rondom op het altaar bij de ingang van de tent der samenkomst. LEV 1:6 Hij vilt het offerdier en snijdt het in stukken. LEV 1:7 De priesters, de zonen van Aäron, brengen vuur op het altaar en stapelen daar hout op. LEV 1:8 Op dat hout leggen zij de stukken vlees, evenals de kop en het vet. LEV 1:9 Dan wast hij de ingewanden en de poten en de priester doet alles op het altaar in rook opgaan. Zo is het een reukoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt. LEV 1:10 Wil iemand een schaap of een geit als brandoffer aanbie den, dan moet hij eveneens een gaaf mannelijk dier aanbieden. LEV 1:11 Hij slacht het aan de noordkant van het altaar voor Jahwe. De priesters, de zonen van Aäron, sprenkelen het bloed rondom op het altaar. LEV 1:12 Hij snijdt het dier in stukken en de priester legt die, evenals de kop en het vet, op het brandende hout, dat op het altaar ligt. LEV 1:13 Dan wast hij de ingewanden en de poten en de priester offert dit alles door het op het altaar in rook te doen opgaan. Zo is het een brandoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt. LEV 1:14 Wil iemand vogels als brandoffer aan Jahwe aanbieden, dan kan hij tortels of duiven nemen. LEV 1:15 De priester brengt die naar het altaar, knijpt ze de kop af en doet die op het altaar in rook opgaan; het bloed laat men langs de wand van het altaar uitdruipen. LEV 1:16 Hij verwijdert de krop met wat erin zit en werpt die aan de oostkant van het altaar op de asbelt. LEV 1:17 De priester scheurt het dier in bij de vleugels zonder die eraf te trekken. Dan doet hij het dier op het brandende hout, dat op het altaar ligt, in rook opgaan. Zo is het een brandoffer, een geurige gave, die Jahwe behaagt. LEV 2:1 Wanneer iemand Jahwe een meeloffer aanbiedt, moet dat offer bestaan uit bloem. Hij giet er olie op, voegt er wierook aan toe LEV 2:2 en brengt het naar de priesters, de zonen van Aäron. Een priester neemt een handvol van de bloem met olie en al de wierook, die erbij hoort, en doet dit als teken van het geheel op het altaar in rook opgaan, een geurige gave die Jahwe behaagt. LEV 2:3 De rest van het meeloffer komt toe aan Aäron en zijn zonen: dit soort offergaven aan Jahwe is hoogheilig. LEV 2:4 Wanneer gij een meeloffer wilt aanbieden, in de oven gebakken, dan moet het uit bloem zijn gemaakt en de vorm hebben van ongezuurde broden, met olie aangemaakt, of van ongezuurde dunne koeken, met olie bestreken. LEV 2:5 Biedt gij een meeloffer aan, op de bakplaat bereid, dan moet het eveneens van bloem zijn, met olie aangemaakt en ongezuurd. LEV 2:6 Snijd het in stukken en giet er olie over. Zo is het een meeloffer. LEV 2:7 Biedt gij een meeloffer aan, in de pan bereid, ook dan moet het bestaan uit bloem en olie. LEV 2:8 Het zo bereide meeloffer brengt gij naar Jahwe. De offeraar overhandigt het aan de priester, die het naar het altaar brengt. LEV 2:9 De priester neemt dan een deel van het meeloffer, als teken van het geheel, en doet dat op het altaar in rook opgaan, een geurige gave die Jahwe behaagt. LEV 2:10 De rest van het meeloffer komt toe aan Aäron en zijn zonen: dit soort offergaven aan Jahwe is hoogheilig. LEV 2:11 Geen enkel meeloffer dat ge aan Jahwe aanbiedt, mag met zuurdeeg worden klaargemaakt; nooit mogen zuurdeeg of honing deel uitmaken van de offergaven, die ge voor Jahwe in rook doet opgaan. LEV 2:12 Wel moogt ge ze als uitgelezen gaven aan Jahwe aanbieden, maar ze mogen niet van het altaar opstijgen als aangename geur. LEV 2:13 Bij alle meeloffers moet ge zout doen; bij geen ervan mag het zout van uw verbond met God ontbreken. Ge moet dus zout voegen bij alle gaven die gij aanbiedt. LEV 2:14 Biedt ge Jahwe een meeloffer uit de eerste vruchten aan, dan moet dat bestaan uit geroosterde aren of geplet graan van de nieuwe oogst. LEV 2:15 Ge moet er olie en wierook bijdoen. Zo is het een meeloffer. LEV 2:16 De priester doet, als teken van het geheel, een deel van het graan, wat olie en al de wierook in rook opgaan, als offergave voor Jahwe. LEV 3:1 Wanneer iemand Jahwe een slachtoffer aanbiedt en daarvoor een rund kiest, dan mag het een mannelijk of vrouwelijk dier zijn, als het maar gaaf is. LEV 3:2 Hij legt zijn hand op de kop van het offerdier en slacht het bij de ingang van de tent der samenkomst. De priesters, de zonen van Aäron, sprenkelen het bloed rondom op het altaar. LEV 3:3 Dan biedt hij een deel van het slachtoffer als offergave aan Jahwe aan: het vet aan en om de ingewanden, LEV 3:4 de nieren met het vet eraan, bij de lenden, en de leverkwab, die hij met de nieren verwijdert. LEV 3:5 De zonen van Aäron doen dat op het altaar in rook opgaan, tegelijk met het brandoffer, dat op het brandende hout ligt. Zo is het een geurige gave die Jahwe behaagt. LEV 3:6 Wil hij Jahwe een schaap of een geit als slachtoffer aanbieden, dan mag het een mannelijk of een vrouwelijk dier zijn, als het maar gaaf is. LEV 3:7 Biedt hij een schaap aan, dan brengt hij het dier voor Jahwe, LEV 3:8 legt het de hand op de kop en slacht het bij de tent van de samenkomst. De zonen van Aäron sprenkelen het bloed rondom op het altaar. LEV 3:9 Dan biedt hij Jahwe het vet van het slachtoffer als offergave aan: de hele staart, afgesneden bij het staartbeen, het vet aan en om de ingewanden, LEV 3:10 de nieren met het vet eraan, bij de lenden, en de leverkwab, die hij met de nieren verwijdert. LEV 3:11 Dit alles doet de priester in rook opgaan, als spijs en offer voor Jahwe. LEV 3:12 Biedt hij een geit aan, dan brengt hij het dier voor Jahwe, LEV 3:13 legt het de hand op de kop en slacht het bij de tent van de samenkomst. De zonen van Aäron sprenkelen het bloed rondom op het altaar. LEV 3:14 Een deel van het offerdier biedt hij Jahwe als offergave aan; het vet aan en om de ingewanden, LEV 3:15 de nieren met het vet eraan, bij de lenden, en de leverkwab, die hij met de nieren verwijdert. LEV 3:16 Al het vet doet de priester op het altaar in rook opgaan, als spijs, als geurige gave voor Jahwe. LEV 3:17 Dit is een blijvende bepaling voor al uw geslachten, waar ge ook woont: nuttig nooit vet of bloed. LEV 4:1 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 4:2 Zeg aan de Israëlieten: Wanneer iemand door onoplettendheid zondigt tegen de voorschriften van Jahwe en iets doet dat verboen is LEV 4:3 en het is een gezalfde priester die zondigt, zodat hij schuld brengt over het volk, dan moet hij voor zijn zonde aan Jahwe een gave stier als zondeoffer aanbieden. LEV 4:4 Hij brengt het dier naar de ingang van de tent der samenkomst, voor Jahwe, legt het de hand op de kop en slacht het voor Jahwe. LEV 4:5 De gezalfde priester gaat met het bloed van de stier naar de tent van de samenkomst, LEV 4:6 doopt er zijn vinger in en besprenkelt daarmee voor Jahwe zevenmaal het voorhangsel van het heiligdom. LEV 4:7 Hij strijkt ook bloed aan de horens van het reukofferaltaar, dat in de tent van de samenkomt voor Jahwe staat. De rest ervan giet hij uit aan de voet van het reukofferaltaar, bij de ingang van de tent. LEV 4:8 Van de stier van het zondeoffer haalt hij al het vet af: het vet aan en om de ingewanden, LEV 4:9 de nieren en het vet eraan, bij de lenden, en de leverkwab, die hij met de nieren verwijdert, LEV 4:10 op dezelfde manier als bij een rund voor het slachtoffer. De priester doet dat op het brandofferaltaar in rook opgaan. LEV 4:11 De huid van de stier, al het vlees met de kop en de poten, de ingewanden en de darmen, LEV 4:12 kortom, het hele dier, brengt hij buiten het kamp, naar een reine plaats, waar de as wordt gestort. Hij verbrandt het in een houtvuur; het moet op de asbelt verbrand worden. LEV 4:13 Is het heel de gemeenschap van Israël die door onoplettendheid zondigt, zonder dat de gemeente weet, dat zij iets doet wat Jahwe heeft verboden en daardoor schuld op zich laadt, LEV 4:14 dan moet heel de gemeente, zodra de zonde aan het licht komt, een stier als zondeoffer aanbieden en die voor de tent van de samenkomst brengen. LEV 4:15 Dan leggen de oudsten van de gemeenschap voor Jahwe hun hand op de kop van het dier en men slacht het voor Jahwe. LEV 4:16 Daarop gaat de gezalfde priester met het bloed van de stier naar de tent van de samenkomst, LEV 4:17 doopt er zijn vinger in en besprenkelt daarmee voor Jahwe zevenmaal het voorhangsel. LEV 4:18 Hij strijkt ook bloed aan de horens van het altaar, dat in de tent van de samenkomst voor Jahwe staat. De rest ervan giet hij uit aan de voet van het brandofferaltaar, bij de ingang van de tent der samenkomst. LEV 4:19 Al het vet haalt hij eraf en doet dat op het altaar in rook opgaan. LEV 4:20 Verder doet hij met deze stier hetzelfde als met de stier van het zondeoffer. Zo voltrekt de priester voor hen de verzoening en wordt hun vergeving geschonken. LEV 4:21 Hij brengt het dier buiten het kamp en verbrandt het op dezelfde wijze als de eerstgenoemde stier. Dit is het zondeoffer voor de gemeente. LEV 4:22 Is het een leider, die door onoplettendheid zondigt, omdat hij iets doet wat Jahwe heeft verboden en daardoor schuld op zich laadt, LEV 4:23 dan moet hij, zodra zijn zonde hem bekend wordt, een bok zonder gebrek aanbieden. LEV 4:24 Hij legt de hand op de kop van het dier en slacht het voor Jahwe, op de plaats waar men ook het brandoffer slacht. Zo is het een zondeoffer. LEV 4:25 De priester strijkt bloed van het zondeoffer aan de horens van het brandofferaltaar; de rest van het bloed giet hij uit aan de voet van het altaar. LEV 4:26 Al het vet doet hij op het altaar in rook opgaan, juist als het vet van een slachtoffer. Zo voltrekt hij voor hem de verzoening voor zijn zonden en wordt hem vergeving geschonken. LEV 4:27 Is het iemand van het volk van het land die door onoplettendheid heeft gezondigd, omdat hij iets heeft gedaan dat Jahwe heeft verboden en daardoor schuld op zich heeft geladen, LEV 4:28 dan moet hij, zodra zijn zonde hem bekend wordt, een geit zonder gebrek aanbieden voor zijn zonde. LEV 4:29 Hij legt zijn hand op de kop van het offerdier en slacht het op de plaats waar ook het brandoffer geslacht wordt. LEV 4:30 De priester strijkt het bloed aan de horens van het brandofferaltaar; de rest van het bloed giet hij uit aan de voet van het altaar. LEV 4:31 Al het vet haalt hij er uit, zoals bij een slachtoffer. De priester doet het op het altaar in rook opgaan als geurige gave voor Jahwe. Zo voltrekt de priester voor hem de verzoening en wordt hem vergeving geschonken. LEV 4:32 Wil hij als zondeoffer een schaap aanbieden, dan moet het een gaaf vrouwelijk dier zijn. LEV 4:33 Hij legt zijn hand op de kop van het dier en slacht het als zondeoffer, op de plaats waar men het brandoffer slacht. LEV 4:34 De priester strijkt het bloed van het zondeoffer aan de horens van het brandofferaltaar. LEV 4:35 Al het vet haalt hij eruit, zoals bij een schaap van het slachtoffer. De priester doet het met de andere offers voor Jahwe op het altaar in rook opgaan. Zo voltrekt de priester voor hem de verzoening en wordt hem vergeving geschonken. LEV 5:1 Wanneer iemand een vervloeking hoort en daar getuige van is of wanneer hij iets ziet of weet en dat niet aangeeft, dan zondigt hij en draagt hij de volle verantwoording. LEV 5:2 Iemand raakt bijvoorbeeld zonder erg iets onreins aan, het kreng van een wild, tam of kruipend dier en een ander komt het te weten en wordt daardoor schuldig; LEV 5:3 iemand raakt zonder erg iets onreins van een mens aan, onverschillig wat, en een ander komt het te weten en wordt daardoor schuldig; LEV 5:4 of iemand laat zich een ondoordachte eed ontvallen ten goede of ten kwade of hoe dan ook en een ander komt het te weten en wordt daardoor schuldig: LEV 5:5 in al deze gevallen moet de getuige die aan een van deze dingen schuldig is, belijden op welk punt hij gezondigd heeft. LEV 5:6 Vanwege de zonde die hij heeft bedreven, moet hij dan Jahwe ter genoegdoening uit zijn kudde een vrouwelijk dier, schaap of geit, als zondeoffer aanbieden. De priester voltrekt voor hem de verzoening voor zijn zonden. LEV 5:7 Kan hij een stuk kleinvee niet betalen, dan kan hij Jahwe ter genoegdoening voor zijn zonde twee tortels of duiven brengen, een als zondeoffer en een als brandoffer. LEV 5:8 Hij brengt ze naar de priester, die eerst het dier offert dat voor het zondeoffer bestemd is; hij knijpt het vlak bij de nek af, zonder die er af te trekken, LEV 5:9 en sprenkelt het bloed van het zondeoffer tegen de altaarwand. De rest van het bloed wordt er tegen de voet van het altaar uitgeknepen. Zo is het een zondeoffer. LEV 5:10 De tweede vogel draagt hij, op de voorgeschreven wijze, als brandoffer op. Zo voltrekt de priester voor hem de verzoening voor de zonde, die hij heeft bedreven en wordt hem vergeving geschonken. LEV 5:11 Is hij niet in staat twee tortels of twee duiven te betalen, dan moet hij als gave voor hetgeen hij misdaan heeft een tiende efa bloem als zondeoffer brengen, zonder er olie op te doen of er wierook bij te voegen, omdat het een zondeoffer is. LEV 5:12 Hij brengt dat naar de priester, die er, als teken van het geheel, een handvol uitneemt en met de offergaven van Jahwe op het altaar in rook doet opgaan. Zo is het een zondeoffer. LEV 5:13 De priester voltrekt voor hem de verzoening voor een van de genoemde zonden die hij heeft bedreven en er wordt hem vergeving geschonken. De rest komt toe aan de priester, zoals bij het meeloffer. LEV 5:14 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 5:15 Wanneer iemand een vergrijp begaat en zich door onop lettendheid bezondigt aan iets wat Jahwe is toegewijd, dan moet hij Jahwe ter genoegdoening uit zijn kudde een ram zonder gebrek als schuldoffer brengen, ter waarde van zoveel zilveren sikkels in heilige munt. LEV 5:16 Hij moet het heilige waaraan hij zich bezondigd heeft vergoeden, vermeerderd met een vijfde, en aan de priester geven. De priester voltrekt voor hem de verzoening met de ram van het schuldoffer en er wordt hem vergeving geschonken. LEV 5:17 Wanneer iemand zonder het te weten zondigt tegen een van de voorschriften van Jahwe en iets doet wat verboden is, dan is hij schuldig en moet ervoor boeten. LEV 5:18 Hij moet als schuldoffer uit zijn kudde een ram zonder gebrek, van een bepaalde waarde, naar de priester brengen. Deze voltrekt voor hem de verzoening voor de zonde, die hij door onoplettendheid en zonder het te weten heeft bedreven, en er wordt hem vergeving geschonken. LEV 5:19 Het is een schuldoffer, want hij had zich schuldig gemaakt tegenover Jahwe. LEV 5:20 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 5:21 Wanneer iemand zondigt en een vergrijp begaat tegen Jahwe, - door te ontkennen dat een volksgenoot hem iets in bewaring gegeven of ter hand gesteld heeft, LEV 5:22 door met een valse eed te loochenen dat hij een verloren voorwerp gevonden heeft, of door andere soortgelijke vergrijpen, - LEV 5:23 dan moet hij, omdat hij gezondigd en schuld op zich geladen heeft, het geroofde, het door uitbuiting verkregene, het in bewaring gegevene of het gevonden voorwerp LEV 5:24 of datgene waarover hij een valse eed heeft afgelegd, geheel vergoeden, vermeerderd met een vijfde van de waarde, en dat op de dag van zijn schuldoffer aan de eigenaar geven. LEV 5:25 Hij moet Jahwe ter genoegdoening uit zijn kudde een ram zonder gebrek, van een bepaalde waarde, als schuldoffer aanbieden. LEV 5:26 Hij brengt het dier naar de priester en voor Jahwe voltrekt deze aan hem de verzoening voor de overtreding, waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt. LEV 6:1 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 6:2 Geef Aäron en zijn zonen deze voorschriften: Dit is de wet op het brandoffer: het brandoffer moet de hele nacht tot aan de morgen op het vuur blijven liggen, dat op het altaar brandend wordt gehouden. LEV 6:3 De priester, gekleed in een linnen gewaad en met een lendendoek om het lichaam, verzamelt dan de as van het brandoffer, dat op het altaar verteerd is, en legt die ernaast. LEV 6:4 Dan kleedt hij zich om en brengt de as buiten het kamp op een reine plaats. LEV 6:5 Het vuur op het altaar moet brandend worden gehouden; het mag niet uitgaan. Iedere morgen moet de priester hout op het vuur doen, waarop hij het brandoffer legt en het vet van de slachtof fers in rook doet opgaan. LEV 6:6 Het vuur op het altaar moet zonder onderbreking blijven branden; het mag nooit uitgaan. LEV 6:7 Dit is de wet op het meeloffer. De zonen van Aäron offeren het voor Jahwe bij het altaar. LEV 6:8 Een priester neemt van het meeloffer een handvol bloem en wat olie en doet dat met de bijbehorende wierook, als teken van het geheel, op het altaar in rook opgaan, als een geur die Jahwe behaagt. LEV 6:9 Het overige mogen Aäron en zijn zonen gebruiken, maar het moet ongezuurd worden gegeten op een heilige plaats, binnen de voorhof van de tent der samenkomst. LEV 6:10 Het mag niet met zuurdeeg worden gebakken. Het is het aandeel dat ik hun van mijn offergaven schenk. Het is even hoogheilig als het zondeoffer en het schuldoffer. LEV 6:11 Alle mannelijke nakomelingen van Aäron mogen ervan eten; dit aandeel in de offergaven van Jahwe is een blijvend recht, al uw geslachten door. Alles wat ermee in aanraking komt is gewijd. LEV 6:12 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 6:13 Dit is het offer dat Aäron en zijn zonen moeten brengen op de dag van Aärons zalving: een tiende efa bloem als dagelijks meeloffer, de ene helft 's morgens, de andere helft 's avonds. LEV 6:14 Het moet, met olie gekneed, op de bakplaat worden klaargemaakt. Ge moet het in stukken breken en opdragen als meeloffer, waarvan de geur Jahwe behaagt. LEV 6:15 De zoon die hem als gezalfde priester opvolgt, moet hetzelfde doen. Dit is een eeuwige wet. Voor Jahwe moet het geheel en al in rook opgaan: LEV 6:16 Dat geldt voor elk meeloffer van een priester: er mag niet van worden gegeten. LEV 6:17 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 6:18 Zeg aan Aäron en zijn zonen: Dit is de wet op het zondeoffer. Het zondeoffer moet worden geslacht voor Jahwe, op dezelfde plaats als het brandoffer: het is hoogheilig. LEV 6:19 De priester die het zondeoffer opdraagt, moet het ook eten, en wel op een heilige plaats, in de voorhof van de tent der samenkomst. LEV 6:20 Ieder die het vlees ervan aanraakt is gewijd. Spat er bloed op iemands kleed, dan moet ge dat uitwassen op een heilige plaats. LEV 6:21 Het aarden vaatwerk, waarin het gekookt is, moet stukgeslagen worden; is het in een bronzen vat gekookt, dan moet dit geschuurd en uitgespoeld worden. LEV 6:22 Alleen mannelijke leden van het priestergeslacht mogen het eten: het is hoogheilig. LEV 6:23 Het zondeoffer echter, waarvan men bloed naar de tent van de samenkomst brengt om er in het heiligdom de verzoening mee te voltrekken, mag niet worden gegeten; het moet verbrand worden. LEV 7:1 Dit is de wet op het schuldoffer. Het is hoogheilig. LEV 7:2 Het schuldoffer moet men slachten op dezelfde plaats als het brandoffer. Het bloed moet men rondom op het altaar sprenkelen. LEV 7:3 Men offert al het vet: de staart, het vet aan de ingewanden, LEV 7:4 de nieren en het vet eraan, bij de lenden, en de leverkwab die men met de nieren verwijdert. LEV 7:5 De priester doet het op het altaar in rook opgaan als een offergave voor Jahwe. Zo is het een schuldoffer. LEV 7:6 Alleen mannelijke leden van het priestergeslacht mogen ervan eten, en wel op een heilige plaats; want het is hoogheilig. LEV 7:7 Wat voor het zondeoffer geldt, geldt ook voor het schuldoffer: beide komen toe aan de priester, die er de verzoening mee bewerkt. LEV 7:8 Als een priester voor iemand een brandoffer opdraagt, krijgt hij de huid van het offerdier. LEV 7:9 Alle meeloffers, die in de oven zijn gebakken of bereid in een vorm of op een plaat, komen toe aan de priester, die ze opdraagt. LEV 7:10 Maar van de andere meeloffers, met olie aangemaakt of niet, krijgen alle zonen van Aäron evenveel. LEV 7:11 Dit is de wet op het slachtoffer dat iemand Jahwe aanbiedt. LEV 7:12 Biedt hij het als dankoffer aan, dan voegt hij bij het offerdier ongezuurde koeken, aangemaakt met olie, ongezuurde platte koeken, met olie bestreken, en bloem met olie gekneed, in de vorm van koeken. LEV 7:13 Bij dit slachtoffer is naast deze koeken ook ongezuurd brood als gave toegestaan. LEV 7:14 Van alles wat hij aanbiedt, offert hij een deel als bijdrage voor Jahwe. Dit komt toe aan de priester, die het bloed van het slachtoffer heeft gesprenkeld. LEV 7:15 Het vlees van dit offer moet op de dag zelf gegeten worden; men mag er niets van laten liggen tot de volgende ochtend. LEV 7:16 Als het een gelofteoffer of een vrije gave is, wordt het eveneens op de dag zelf gegeten. Maar wat er overblijft, mag ook de volgende dag nog worden gegeten. LEV 7:17 Zou er de derde dag nog iets van het offervlees over zijn, dan moet dat verbrand worden. LEV 7:18 Wordt op de derde dag toch nog van dat vlees gegeten, dan komt dat de offeraar niet ten goede; het baat hem niets, want het is besmet en degene die ervan eet, zal ervoor boeten. LEV 7:19 Vlees dat met iets onreins in aanraking is geweest, mag niet gegeten worden; het moet worden verbrand. Van het overige vlees mag ieder die rein is, eten. LEV 7:20 Maar wie in staat van onreinheid vlees eet van een slachtoffer, dat aan Jahwe is opgedragen, hij wordt uit zijn volk verwijderd. LEV 7:21 Wie iets onreins van een mens, van een onrein dier of een kruipend beest heeft aangeraakt, en toch vlees eet van een slachtoffer, dat aan Jahwe is opgedragen, hij wordt uit zijn volk verwijderd. LEV 7:22 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 7:23 Zeg aan de Israëlieten: Gij moogt geen vet van rund, schaap of geit eten. LEV 7:24 Het vet van een gestorven of verscheurd dier mag men overal voor gebruiken, maar gij moogt het niet eten. LEV 7:25 Ieder die vet eet van een dier, dat men Jahwe als offer aanbiedt, wordt uit zijn volk verwijderd. LEV 7:26 Ge moogt ook geen bloed nuttigen, waar ge ook woont, noch van vogels noch van landdieren. LEV 7:27 Iedereen die bloed nuttigt, wordt uit zijn volk verwijderd. LEV 7:28 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 7:29 Zeg aan de Israëlieten: Degene die Jahwe een slachtoffer aanbiedt, moet een deel daarvan naar Jahwe brengen; LEV 7:30 eigenhandig moet hij het vet en het borststuk als offergave aan Jahwe aanbieden. Staande voor Jahwe, bestemt hij het borststuk tot aandeel van de priesters. LEV 7:31 Het vet doet de priester op het altaar in rook opgaan; het borststuk komt Aäron en zijn zonen toe. LEV 7:32 De rechterschenkel van uw slachtoffers moet gij als bijdrage afstaan LEV 7:33 aan diegene van de zonen van Aäron, die het bloed en het vet van het slachtoffer opdraagt: die priester heeft recht op de rechterschenkel als zijn deel. LEV 7:34 Want het borststuk, dat als gewijd deel wordt afgezonderd, en de schenkel, die gij als bijdrage afstaat, heb ik van de slachtoffers der Israëlieten afgenomen om ze aan de priester Aäron en zijn zonen te geven. Tegenover de Israëlieten mogen zij altijd dit recht doen gelden. LEV 7:35 Dit is het deel van de offergaven van Jahwe, dat Aäron en zijn zonen toekomt, vanaf de dag dat zij als priesters van Jahwe zijn aangesteld. LEV 7:36 Jahwe heeft aan de Israëlieten bevolen dat deel aan de priesters te geven, vanaf de dag van hun zalving; het is een blijvend recht, alle geslachten door. LEV 7:37 Dit was de wet op de brandoffers, de meeloffers, de zonde- en de schuldoffers, de wijdingsoffers en slachtoffers. LEV 7:38 Dit alles schreef Jahwe aan Mozes voor op de berg Sinaï, toen Hij in de woestijn van Sinaï de Israëlieten beval Jahwe hun offers te brengen. LEV 8:1 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 8:2 `Haal Aäron en zijn zonen, de gewaden en de zalfolie, een stier voor het zondeoffer, twee rammen en een korf met ongezuurd brood. LEV 8:3 Roep dan heel de gemeenschap samen bij de ingang van de tent van de samenkomst.' LEV 8:4 Mozes gaf gevolg aan Jahwe's bevel en heel de gemeenschap kwam bijeen, bij de ingang van de tent der samenkomst. LEV 8:5 Daar sprak Mozes tot hen: `Wat wij nu gaan doen, geschiedt op bevel van Jahwe.' LEV 8:6 Daarop liet hij Aäron en zijn zonen naar voren komen en reinigde hen met water. LEV 8:7 Hij bekleedde Aäron met de tuniek, deed hem de gordel aan en hing hem de mantel om hij legde hem de efod op en bond deze met de sjerp vast; LEV 8:8 hij deed hem de orakeltas voor en legde daarin de oerim en toemmim. LEV 8:9 Hij zette hem de tulband op het hoofd, met de gouden plaat, het teken van zijn wijding, aan de voorkant. Zo had Jahwe het bevolen. LEV 8:10 Daarna nam Mozes de zalfolie, en zalfde de woning met al wat daarin was, om haar te wijden. LEV 8:11 Hij besprenkelde het altaar, en zalfde het altaar met toebehoren en het wasbekken met het onderstel, om ze te wijden. LEV 8:12 Ook op het hoofd van Aäron goot hij een weinig zalfolie uit, en zalfde hem om hem te wijden. LEV 8:13 Toen liet Mozes de zonen van Aäron naderbij komen. Hij bekleedde hen met de tuniek, legde hen de gordel aan en bond hen de hoofddoeken om. Zo had Jahwe het Mozes bevolen. LEV 8:14 Daarop liet hij de stier voor het zondeoffer brengen. Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van het dier. LEV 8:15 Mozes slachtte het, streek met zijn vinger bloed op de horens van het altaar om het van zondesmet te reinigen. De rest van het bloed goot hij uit aan de voet van het altaar. Zo wijdde hij het door het voltrekken van de verzoening. LEV 8:16 Toen nam Mozes het vet aan de ingewanden, de leverkwab en de nieren met het vet eraan en deed dat op het altaar in rook opgaan. LEV 8:17 De huid van de stier, het vlees en de darmen verbrandde hij buiten het kamp. Zo had Jahwe het Mozes bevolen. LEV 8:18 Toen liet hij een ram voor het brandoffer brengen. Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van het dier. LEV 8:19 Mozes slachtte het, sprenkelde het bloed rondom op het altaar, LEV 8:20 sneed het in stukken en deed de kop, de stukken vlees en het vet in rook opgaan. LEV 8:21 De ingewanden en de poten waste hij en hij deed heel de ram op het altaar in rook opgaan. Zo was het een brandoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt. Zo had Jahwe het Mozes bevolen. LEV 8:22 Tenslotte liet hij de tweede ram brengen voor het wijdingsoffer. Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van het dier. LEV 8:23 Mozes slachtte het en deed wat bloed op de rechteroorlel van Aäron, op zijn rechterduim en op de grote teen van zijn rechtervoet. LEV 8:24 Toen liet Mozes de zonen van Aäron naar voren komen en deed ook bij hen bloed op de rechteroorlel, de rechterduim en de grote teen van hun rechtervoet. Hij sprenkelde ook bloed rondom op het altaar. LEV 8:25 Daarna nam hij het vet: de staart, het vet aan de ingewanden, de leverkwab, de nieren met het vet eraan en de rechterschenkel. LEV 8:26 Uit de mand met ongezuurd brood die voor Jahwe stond, nam hij een ongezuurde koek, een oliekoek en een platte koek en legde die bij de stukken vet en de rechterschenkel. LEV 8:27 Dit alles gaf hij Aäron en zijn zonen om het voor Jahwe als hun gewijd aandeel af te zonderen. LEV 8:28 Daarna nam Mozes het weer uit hun handen en deed het met het brandoffer op het altaar in rook opgaan. Zo was het een wijdingsoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt. LEV 8:29 Staande voor Jahwe, zonderde Mozes het borststuk als gewijd aandeel voor zichzelf af, want dat was zijn deel van de ram van het wijdingsoffer. Zo had Jahwe het Mozes bevolen. LEV 8:30 Met zalfolie en met bloed van het altaar besprenkelde Mozes de gewaden van Aäron en vervolgens zijn zonen en hun gewaden. Zo wijdde hij Aärons gewaden, zijn zonen en hun gewaden. LEV 8:31 Mozes sprak tot Aäron en zijn zonen: `Kook het vlees bij de ingang van de tent der samenkomst en eet het daar op met het brood voor de wijdingsplechtigheid, dat nog in de mand zit. Aäron en zijn zonen moeten het eten, volgens het mij gegeven bevel. LEV 8:32 Het vlees en het brood dat overblijft moet gij verbranden. LEV 8:33 Gij moogt de tent van de samenkomst niet verlaten tot de zeven dagen van uw wijding voorbij zijn, want zeven dagen duurt uw wijding. LEV 8:34 Zoals men vandaag heeft gedaan, zo moet men, volgens Jahwe's bevel, ook de andere dagen doen, om de verzoening voor u te voltrekken. LEV 8:35 Daarom moet gij zeven dagen, dag en nacht, bij de ingang van de tent der samenkomst blijven. Dan doet gij wat Jahwe u voorschrijft en zult ge niet sterven. Zo is mij bevolen.' LEV 8:36 Aäron en zijn zonen deden wat Jahwe door Mozes bevolen had. LEV 9:1 Op de achtste dag ontbood Mozes Aäron met zijn zonen en de oudsten van Israël. LEV 9:2 Hij zei tot Aäron: `Haal een kalf voor een zondeoffer en een ram voor een brandoffer, beide zonder gebrek, en breng ze voor Jahwe. LEV 9:3 En zeg tot de Israëlieten: Haal een bok voor een zondeoffer en een kalf en een schaap, beide eenjarig en zonder gebrek, voor een brandoffer, LEV 9:4 een rund en een ram voor een slachtoffer, en een meeloffer, met olie aangemaakt. Want vandaag zal Jahwe u verschijnen.' LEV 9:5 De Israëlieten brachten dat alles bij de tent van de samenkomst, zoals Mozes bevolen had. Heel de gemeenschap kwam bijeen en stelde zich op voor Jahwe. LEV 9:6 Toen zei Mozes: `Nu de heerlijkheid van Jahwe aan u gaat verschijnen, moet gij, naar zijn bevel, het volgende doen.' LEV 9:7 Tot Aäron zei hij: `Ga naar het altaar, draag uw zondeoffer en uw brandoffer op en voltrek de verzoening voor u en het volk. Draag ook de offergave van het volk op en voltrek de verzoening voor u en het volk. Draag ook de offergave van het volk open voltrek de verzoening voor hen. Zo heeft Jahwe bevolen.' LEV 9:8 Aäron ging naar het altaar en slachtte het kalf van het zondeoffer voor zichzelf. LEV 9:9 De zonen van Aäron brachten het bloed naar hem toe, hij doopte er zijn vinger in en streek het op de horens van het altaar. De rest van het bloed goot hij uit aan de voet van het altaar. LEV 9:10 Het vet, de nieren en de leverkwab van het offerdier deed hij op het altaar in rook opgaan. Zo had Jahwe het Mozes bevolen. LEV 9:11 Het vlees en de huid verbrandde hij buiten het kamp. LEV 9:12 Daarop slachtte hij het brandoffer. De zonen van Aäron brachten het bloed naar hem toe en hij sprenkelde het rondom op het altaar. LEV 9:13 Ze reikten hem ook de stukken vlees en de kop van het offerdier en hij deed ze op het altaar in rook opgaan. LEV 9:14 De ingewanden en de poten waste hij en deed ze eveneens op het altaar in rook opgaan. LEV 9:15 Daarop offerde hij de gave van het volk. Hij liet de bok halen voor het zondeoffer van het volk, slachtte die en droeg hem als zondeoffer op, evenals het eerste dier. LEV 9:16 Ook het brandoffer voltrok hij op de voorgeschreven wijze. LEV 9:17 Daarop droeg hij het meeloffer op en deed daarvan een handvol op het altaar in rook opgaan. Dit offer kwam bij het brandoffer, dat in de morgen gebracht wordt. LEV 9:18 Ook slachtte hij de stier en de ram als slachtoffer voor het volk. De zonen van Aäron reikten hem het bloed aan en hij sprenkelde het rondom op het altaar. LEV 9:19 De stukken vet van de stier en de ram: de staart, het netvet, de nieren en de leverkwab LEV 9:20 legde men bij de borststukken en hij deed ze op het altaar in rook opgaan. LEV 9:21 Staande voor Jahwe, zonderde Aäron de borststukken en de rechterschenkel als gewijd aandeel van de priesters af, zoals Mozes bevolen had. LEV 9:22 Na zo de zondeoffers, brandoffers en slachtoffers te hebben opgedragen, hief Aäron zijn handen op naar het volk en zegende het. Dan daalde hij van het altaar af LEV 9:23 en ging met Mozes de tent van de samenkomst binnen. En toen zij weer naar buiten kwamen, zegenden zij het volk. Toen verscheen de heerlijkheid van Jahwe aan heel het volk. LEV 9:24 Van Jahwe ging een vuur uit, dat het brandoffer en de stukken vet op het altaar verteerde. Toen het volk dat zag, begon het te juichen en wierp zich ter aarde. LEV 10:1 Nadab en Abihu, zonen van Aäron, namen hun vuurpan, deden er vuur in en legden er wierook op. Zij brachten vuur voor Jahwe, dat niet beantwoordde aan zijn voorschriften. LEV 10:2 Toen ging er van Jahwe een vuur uit, dat hen verteerde. Zo vonden zij voor Jahwe de dood. LEV 10:3 En Mozes zei tot Aäron: `Dit bedoelde Jahwe toen Hij zei: Die tot Mij naderen ervaren mijn heiligheid, en van mijn heerlijkheid is heel het volk getuige.' Aäron werd er stil van. LEV 10:4 Toen riep Mozes Misaël en Elsafan, de zonen van Uzziël, een oom van Aäron, en zei: `Kom hier, draag je broeders het heiligdom uit, buiten het kamp.' LEV 10:5 Zij kwamen en droegen hen, in hun tunieken gewikkeld, buiten het kamp, zoals Mozes had opgedragen. LEV 10:6 Mozes sprak tot Aäron en zijn zonen Eleazar en Itamar: `Laat je hoofdhaar niet loshangen en scheur je kleren niet. Anders sterven jullie en barst zijn toorn los tegen heel de gemeenschap. Laat jullie broeders, het hele huis van Israël, treuren over de vuurgloed die Jahwe heeft ontstoken. LEV 10:7 Verlaat de ingang van de tent der samenkomst niet; dat zou jullie dood zijn, want op jullie rust nog de zalfolie van Jahwe.' LEV 10:8 Jahwe sprak tot Aäron: LEV 10:9 `Wanneer gij of uw zonen opgaan naar de tent van de samenkomst, moogt ge geen wijn of sterke drank drinken, anders sterft gij. Dat is een blijvend voorschrift, al uw geslachten door. LEV 10:10 Want het is uw taak te onderscheiden tussen heilig en profaan, tussen onrein en rein, LEV 10:11 en de Israëlieten te onderrichten in alle wetten, die Jahwe hun door Mozes verkondigd heeft.' LEV 10:12 Mozes zei tot Aäron en tot Eleazar en Itamar, de zonen van Aäron die nog in leven waren: `Wat er na het opdragen van de offergave aan Jahwe van het meeloffer over is, moogt gij, zonder zuurdeeg, bij het altaar opeten: het is hoogheilig. LEV 10:13 Gij moet het op een heilige plaats eten; gij en uw zonen hebben recht op dit deel van de offergave voor Jahwe. Zo is het mij bevolen. LEV 10:14 Maar het borststuk, dat gij als gewijd deel hebt afgezonderd, en de schenkel die is afgestaan, moogt gij, uw zonen zowel als uw dochters, eten op elke reine plaats, want dit deel van de slachtoffers der Israëlieten komt u en uw geslacht rechtens toe. LEV 10:15 De schenkel die wordt afgestaan, en het borststuk dat als gewijd deel wordt afgezonderd, moet men tegelijk met het vet dat geofferd wordt, aanbrengen om ze voor Jahwe als gewijd deel af te zonderen. Dan komen ze krachtens een blijvend recht aan u en uw zonen toe. Zo heeft Jahwe het bevolen.' LEV 10:16 Toen Mozes naar de bok van het zondeoffer vroeg, ontdekte hij dat die al verbrand was. Woedend vroeg hij aan Eleazar en Itamar, de zonen van Aäron die nog in leven waren: LEV 10:17 `Waarom hebben jullie het zondeoffer niet op een heilige plaats gegeten? Het was toch hoogheilig en Jahwe had het aan jullie gegeven om de schuld van de gemeenschap weg te nemen door, staande voor Jahwe, de verzoening voor haar te voltrekken. LEV 10:18 Nu het bloed van het offerdier niet binnen het heiligdom was gebracht, hadden jullie het daar moeten eten, zoals ik bevolen had.' LEV 10:19 Aäron zei tegen Mozes: `Mijn zonen hebben vandaag al een zondeoffer en een brandoffer opgedragen en u weet wat mij is overkomen. Zou ik dan vandaag dat zondeoffer hebben moeten eten? Zou Jahwe dat hebben goedgekeurd?' LEV 10:20 Toen Mozes dat gehoord had, was hij tevreden. LEV 11:1 Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: LEV 11:2 Zeg aan de Israëlieten: Van alle landdieren op aarde moogt gij de volgende eten: LEV 11:3 Alle herkauwende dieren met gespleten hoeven. LEV 11:4 Van de herkauwers en de dieren met gespleten hoeven moogt ge de volgende niet eten: de kameel, want hij herkauwt, maar heeft geen gespleten hoeven, hij geldt voor u als onrein; LEV 11:5 de klipdas, want hij herkauwt, maar geeft geen gespleten hoeven, hij geldt voor u als onrein; LEV 11:6 de haas, want hij herkauwt, maar heeft geen gespleten hoeven, hij geldt voor u als onrein; LEV 11:7 het varken, want het heeft wel gespleten hoeven maar het herkauwt niet, het geldt voor u als onrein. LEV 11:8 Het vlees van deze dieren moogt gij niet eten en hun kadavers niet aanraken; zij gelden voor u als onrein. LEV 11:9 Dit zijn de waterdieren die ge moogt eten: alle waterdieren die vinnen en schubben hebben, moogt ge eten, zowel de zeevissen als de riviervissen. LEV 11:10 Maar van alle zeevissen en riviervissen, die geen vinnen en schubben hebben, de kleine zowel als de grote, behoort ge een afschuw te hebben. LEV 11:11 Verafschuw ze en eet nooit van dergelijke dode vis. LEV 11:12 Alle waterdieren zonder vinnen of schubben moet ge verafschuwen. LEV 11:13 Van de volgende vogels behoort ge een afschuw te hebben; ge moogt ze daarom niet eten: de arend, de lammergier, de baardgier, LEV 11:14 de wouw en de verschillende soorten valken, LEV 11:15 de verschillende soorten raven, LEV 11:16 de oehoe, de kortooruil, de langooruil en alle soorten sperwers, LEV 11:17 de steenuil, de aalscholver, de ibis, LEV 11:18 de witte uil, de pelikaan, de visarend, LEV 11:19 de ooievaar, de verschillende soorten reigers, de hop en de vleermuis. LEV 11:20 Van alle gevleugelde viervoetige insekten behoort gij een afschuw te hebben, LEV 11:21 behalve van de volgende, die ge moogt eten: de dieren die springpoten hebben; LEV 11:22 ge moogt dus eten: de verschillende soorten sprinkhanen, sabelsprinkhanen, veldsprinkhanen en treksprinkhanen. LEV 11:23 Alle andere gevleugelde viervoetige insekten behoort gij te verafschuwen. LEV 11:24 Aan de volgende dieren verontreinigt gij u; ieder die het kadaver ervan aanraakt, is tot de avond onrein; LEV 11:25 ieder die het vervoert, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein. LEV 11:26 Alle dieren, die geen gespleten hoeven hebben en niet herkauwen, gelden voor u als onrein; ieder die ze aanraakt, wordt onrein. LEV 11:27 Alle viervoetige dieren, die zoolgangers zijn, gelden voor u als onrein, ieder die een kadaver ervan aanraakt, is tot de avond onrein. LEV 11:28 Wie het vervoert, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein. Zij gelden voor u als onrein. LEV 11:29 Van de kruipende dieren gelden de volgende voor u als onrein: de mol, de muis, de verschillende soorten padden, LEV 11:30 de egel, de waraan, de hagedis, de slak en het kameleon. LEV 11:31 Al deze kruipende dieren gelden voor u als onrein. Wie zo'n kadaver aanraakt, is tot de avond onrein; LEV 11:32 valt het ergens op, op een houten voorwerp, een kleed, een stuk leer, een zak, of op enig ander gebruiksvoorwerp, dan is dat tot de avond onrein; daarna is het weer rein. LEV 11:33 Valt zo'n dood dier in een aarden kruik, dan is de hele inhoud onrein; de kruik moet ge stukslaan. LEV 11:34 Komt het water uit die kruik in aanraking met voedsel, dan wordt ook dat onrein. LEV 11:35 Alles waarop zo'n dood dier valt, wordt onrein; oven en haard moeten worden stukgeslagen; ze gelden voor u als onrein en ze blijven dat. LEV 11:36 Een bron daarentegen en een put, waarin water verzameld wordt, blijven rein; ligt er een dood dier in en raakt iemand dat aan, dan wordt hij onrein. LEV 11:37 Valt zo'n dood dier op zaaigoed, dan blijft dat rein; LEV 11:38 maar valt het op zaad dat in water staat, dan geldt dat voor u als onrein. LEV 11:39 Wanneer een stuk slachtvee dood is gegaan, is degene die het dier aanraakt tot de avond onrein. LEV 11:40 Wie het vlees daarvan eet, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein. Wie het kadaver vervoert, moet zijn kleren wassen en is tot de avond onrein. LEV 11:41 Alle kruipende dieren behoort gij te verafschuwen; zij mogen niet worden gegeten, LEV 11:42 of ze nu op de buik kruipen of vier of meer poten hebben. Gij behoort ze te verafschuwen. LEV 11:43 Bezoedel u niet door kruipend gedierte, verontreinig u niet door kruipend gedierte, verontreinig u daar niet mee. LEV 11:44 Ik ben Jahwe uw God; zorg dus dat gij heilig zijt. Wees heilig, omdat Ik heilig ben. Verontreinig u niet door enig kruipend gedierte. LEV 11:45 Ik ben Jahwe, die u uit Egypte geleid heb om uw God te zijn. Wees heilig, omdat Ik heilig ben. LEV 11:46 Dit is de wet op de landdieren, de vogels, de waterdieren en de kruipende dieren, LEV 11:47 zodat men weet, welke dieren onrein en welke rein zijn, welke dieren men mag eten en welke niet. LEV 12:1 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 12:2 Zeg aan de Israëlieten: Wanneer een vrouw een kind krijgt en het is een jongen, dan is zij zeven dagen onrein, zoals tijdens de menstruatie. LEV 12:3 Op de achtste dag moet men de voorhuid van het kind besnijden. LEV 12:4 Drieëndertig dagen duurt het, voor zij rein is van het bloed der geboorte; zij mag niets aanraken wat heilig is en niet opgaan naar het heiligdom, tot de dag van haar reiniging is aangebroken. LEV 12:5 Heeft zij een meisje ter wereld gebracht, dan is zij twee weken onrein, zoals tijdens de menstruatie. Zesendertig dagen duurt het, voor zij rein is van het bloed der geboorte. LEV 12:6 Wanneer na de geboorte van een zoon of dochter, de dag van haar reiniging is aangebroken, moet zij de priester bij de ingang van de tent der samenkomst een lam van nog geen jaar voor een brandoffer aanbieden, en een duif en een tortel voor een zondeoffer. LEV 12:7 De priester offert het, staande voor Jahwe, en voltrekt voor haar de verzoening. Dan is de bron waaruit haar bloed gevloeid is, weer rein. Dit is de wet op de vrouw, die een kind heeft gekregen, een jongen of een meisje. LEV 12:8 Kan zij geen schaap betalen, dan mag zij ook twee tortels of duiven meebrengen, een voor het brandoffer en een voor het zondeoffer. Daarmee voltrekt de priester voor haar de verzoening, zodat zij weer rein wordt. LEV 13:1 Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: LEV 13:2 Heeft iemand een gezwel, uitslag of een vlek op zijn huid en het gaat lijken op huidziekte, dan moet men hem bij de priester Aäron of bij een priester van diens geslacht brengen. LEV 13:3 De priester onderzoekt de zieke plek op de huid. Is het haar daarop wit geworden en ligt de plek zichtbaar dieper dan de rest van de huid, dan is het een huidziekte. Als de priester dit heeft vastgesteld, moet hij hem onrein verklaren. LEV 13:4 Betreft het enkel een lichte, witte vlek op de huid, die niet zichtbaar dieper ligt dan de rest en zijn de haren niet wit geworden, dan moet de priester de zieke zeven dagen afzonderen. LEV 13:5 Blijkt na zeven dagen bij het onderzoek, dat de zieke plek op de huid niet veranderd is en niet groter is geworden, dan moet de priester hem opnieuw zeven dagen afzonderen. LEV 13:6 Blijkt na deze zeven dagen bij een nieuw onderzoek, dat de plek op de huid dof is geworden en zich niet heeft uitgebreid, dan verklaart de priester hem rein. Hij had gewoon uitslag; na het wassen van zijn kleren is hij rein. LEV 13:7 Neemt de plek op de huid, nadat de zieke zich bij de priester heeft gepresenteerd om gereinigd te worden, toch nog in omvang toe, dan moet hij opnieuw voor de priester verschijnen. LEV 13:8 Als deze de uitbreiding van de uitslag inderdaad vaststelt, moet hij hem onrein verklaren. Dan is het huidziekte. LEV 13:9 Heeft iemand huidziekte, dan moet men hem bij de priester brengen. LEV 13:10 Constateert deze op de huid een wit gezwel met wit haar erop, terwijl er ook nog wild vlees in groeit, LEV 13:11 dan is het huidziekte in een vergevorderd stadium. De priester moet hem onmiddellijk onrein verklaren, hij hoeft hem niet eerst af te zonderen. Hij is onrein. LEV 13:12 Heeft de huidziekte het hele lichaam aangetast, zodat de zieke er van het hoofd tot de voeten mee bedekt is, dan moet de priester een nauwkeurig onderzoek instellen. LEV 13:13 Blijkt dan dat de ziekte inderdaad het hele lichaam heeft aangetast, dan moet hij de zieke rein verklaren. Omdat hij helemaal wit is geworden, is hij rein. LEV 13:14 Maar zo gauw er wild vlees opkomt, is hij onrein. LEV 13:15 Constateert de priester wild vlees, dan moet hij hem onrein verklaren, want wild vlees is onrein. Het is huidziekte. LEV 13:16 Wordt het wild vlees weer wit, dan moet de zieke naar de priester gaan. LEV 13:17 Stelt deze vast, dat de plek inderdaad wit is geworden, dan verklaart hij de zieke weer rein en is hij rein. LEV 13:18 Heeft iemand een zweer gehad, die genezen is, LEV 13:19 maar op de plaats van de zweer is een wit gezwel of een bleekrode vlek ontstaan, dan moet hij dat laten zien aan de priester. LEV 13:20 Stelt de priester vast, dat de plek zichtbaar dieper ligt dan de huid en dat het haar erop wit is geworden, dan moet hij hem onrein verklaren. Het is huidziekte die op de plek van de zweer is ontstaan. LEV 13:21 Stelt de priester vast dat het haar niet wit is, dat de vlek niet dieper ligt dan de huid en dof begint te worden, dan moet de priester hem zeven dagen afzonderen. LEV 13:22 Breidt de vlek op de huid zich uit, dan moet de priester hem onrein verklaren; het is een zieke plek. LEV 13:23 Is de vlek daarentegen niet veranderd en heeft ze zich niet uitgebreid, dan is het gewoon een litteken van die zweer en moet de priester hem rein verklaren. LEV 13:24 Houdt iemand na genezing van een brandwond een bleekrode of witte vlek op zijn huid LEV 13:25 en stelt de priester vast, dat het haar op de vlek wit is geworden en dat de plek zichtbaar dieper ligt dan de huid, dan is het huidziekte, die op de plek van de brandwond is ontstaan. De priester moet hem onrein verklaren; het is huidziekte. LEV 13:26 Blijkt hem bij het onderzoek, dat het haar op die plek niet wit is en dat deze niet dieper ligt dan de huid en dof begint te worden, dan moet hij hem zeven dagen afzonderen. LEV 13:31 Wanneer de priester bij het onderzoek van de schurft constateert, dat de zieke plek niet zichtbaar dieper ligt dan de rest van de huid, maar dat het haar erop niet zwart is, dan moet hij de zieke zeven dagen afzonderen. LEV 13:32 Stelt de priester na zeven dagen bij een nieuw onderzoek vast, dat de schurft zich niet heeft uitgebreid, dat de haren niet geel zijn geworden en dat de zieke plek niet zichtbaar dieper ligt dan de rest van de huid, LEV 13:33 dan moet de zieke zich scheren, behalve op de zieke plek. Daarna moet de priester degene die schurft heeft weer zeven dagen afzonderen. LEV 13:34 Blijkt na zeven dagen bij het onderzoek, dat de schurft zich niet heeft uitgebreid en niet zichtbaar dieper ligt dan de rest van de huid, dan moet de priester hem rein verklaren; na zijn kleren te hebben gewassen is hij rein. LEV 13:35 Neemt de schurft, nadat de zieke rein is verklaard, toch nog in omvang toe LEV 13:36 en stelt de priester dit vast, dan hoeft hij niet eens te letten op geel haar; die persoon is onrein. LEV 13:37 Blijkt hem, dat de plek niet veranderd is en dat er zwart haar op groeit, dan is de kwaal genezen en is die persoon rein. De priester moet hem rein verklaren. LEV 13:38 Heeft een man of een vrouw vlekken op de huid, witte vlekken wel te verstaan, LEV 13:39 dan moet de priester die onderzoeken. Blijken de vlekken op de huid dofwit te zijn dan is het gewoon uitslag, die de huid heeft aangetast; die persoon is rein. LEV 13:40 Als een man zijn hoofdhaar verliest, dan is hij gewoon kaalhoofdig; hij is rein. LEV 13:41 Verliest hij zijn haar voor op het hoofd, dan is hij half kaal; hij is rein. LEV 13:42 Komt er op het kale voor- of achterhoofd van die man een bleekrode vlek, dan heeft hij huidziekte op de kruin of voor op het hoofd. LEV 13:43 Stelt de priester bij het onderzoek vast, dat er voor op het hoofd of op de kruin een bleekrood gezwel is, dat er uitziet als huidziekte, zoals die elders op het lichaam voorkomt, LEV 13:44 dan is hij door huidziekte aangetast; hij is onrein. De priester moet hem onrein verklaren: hij heeft een zieke plek op zijn hoofd. LEV 13:45 Degene die aan huidziekte lijdt, moet in gescheurde kleren lopen en zijn haren los laten hangen; hij moet zijn baard bedekken en roepen: `Onrein, onrein!' LEV 13:46 Zolang de ziekte duurt is hij onrein; hij moet apart wonen en buiten het kamp blijven. LEV 13:47 Komen er plekken op een kledingstuk van wol of linnen, LEV 13:48 op weef- of vlechtwerk van linnen of wol, op leer of op iets dat van leer gemaakt is LEV 13:49 en zijn die plekken op het kledingstuk, op het leer, op het weef- of vlechtwerk of op een of ander leren voorwerp groen of rood, dan is het uitslag; het moet aan de priester worden getoond. LEV 13:50 Na het onderzoek van de plek moet deze het besmette voorwerp zeven dagen apart houden. LEV 13:51 Blijkt na zeven dagen bij het onderzoek, dat de plek op het kledingstuk, op het weef- of vlechtwerk of op het leren gebruiksvoorwerp groter is geworden, dan is het kwaadaardige uitslag; het voorwerp is onrein. LEV 13:52 Het kledingstuk, het weef- of vlechtwerk van wol of linnen of de leren voorwerpen waarop de vlek zit, moet hij verbranden. Het is kwaadaardige uitslag; het moet worden verbrand. LEV 13:53 Blijkt de priester echter bij het onderzoek, dat de plek op het kledingstuk, op het weef- of vlechtwerk of op de leren voorwerpen niet groter is geworden, LEV 13:54 dan moet hij het besmette voorwerp laten wassen en het opnieuw zeven dagen apart houden. LEV 13:55 Stelt de priester na het wassen vast, dat de plek niet van kleur is veranderd en niet groter is geworden, dan is het voorwerp onrein; het moet worden verbrand. Hier geldt hetzelfde als bij de kale plek op de kruin of voor op het hoofd. LEV 13:56 Stelt de priester echter vast, dat de plek na het wassen dof geworden is, dan moet hij die plek uit het kledingstuk, het leer of het weef- of vlechtwerk verwijderen. LEV 13:57 Komt de plek op het kledingstuk, op het weef- of vlechtwerk of op het leren voorwerp toch weer te voorschijn, dan woekert het voort; het bewuste voorwerp moet worden verbrand. LEV 13:58 Komt na het wassen de plek op het kledingstuk, op het weef- of vlechtwerk of op het leren voorwerp niet meer terug, dan moet men het nog eens wassen; dan is het rein. LEV 13:59 Dit is de wet die bepaalt, hoe men plekken in wollen of linnen kleren, in weef- of vlechtwerk en in leren voorwerpen rein of onrein moet verklaren. LEV 13:27 Stelt de priester na zeven dagen vast, dat de plek op de huid inderdaad groter is geworden, dan moet hij hem onrein verklaren; het is huidziekte. LEV 13:28 Is de plek daarentegen niet veranderd, heeft ze zich niet uitgebreid en is ze dof geworden, dan is het gewoon een opzwelling als gevolg van de brandwond. De priester moet hem rein verklaren; het is een litteken van de brandwond. LEV 13:29 Heeft een man of een vrouw een zieke plek op het hoofd of in de baard LEV 13:30 en blijkt de priester bij het onderzoek, dat deze zichtbaar dieper ligt dan de rest van de huid en dat het haar erop dun en geel is, dan moet hij die persoon onrein verklaren; het is schurft, huidziekte van hoofd of baard. LEV 14:1 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 14:2 Als iemand die huidziekte heeft rein verklaard kan worden, gelden de volgende regels. Men moet hem bij de priester brengen. LEV 14:3 Deze gaat het kamp uit en stelt een onderzoek in. Blijkt dan, dat de lijder van zijn ziekte is genezen, LEV 14:4 dan laat de priester voor degene die gereinigd wil worden, twee levende, reine vogels halen en cederhout, karmozijn en hysop. LEV 14:5 De priester slacht een van de vogels boven een aarden schaal, gevuld met bronwater. LEV 14:6 De nog levende vogel dompelt hij tezamen met het cederhout, de karmozijn en de hysop in het bloed van de vogel, die boven het bronwater geslacht is. LEV 14:7 Daarna besprenkelt hij degene die van zijn ziekte gereinigd wil worden zevenmaal en reinigt hem zo; de nog levende vogel laat hij wegvliegen. LEV 14:8 Degene die gereinigd wil worden moet zijn kleren wassen, zijn haar afscheren en een bad nemen; dan is hij rein. Hij kan terugkomen naar het kamp, maar hij mag de eerste zeven dagen nog niet in zijn tent komen. LEV 14:9 Na die zeven dagen moet hij al zijn haren van hoofd, baard en wenkbrauwen afscheren. Daarna moet hij zijn kleren wassen en een bad nemen; dan is hij weer rein. LEV 14:10 Op de achtste dag moet hij twee schapen zonder gebrek meebrengen, een lam van nog geen jaar en zonder gebrek, drie tiende issaron bloem met olie aangemaakt voor een meeloffer, en een log olie. LEV 14:11 De priester die de reiniging voltrekt, brengt degene die gereinigd wil worden met zijn gaven voor Jahwe, bij de ingang van de tent van de samenkomst. LEV 14:12 Hij offert het ene schaap met de log olie als schuldoffer en staande voor Jahwe zondert hij beide af als gewijd aandeel van de priesters. LEV 14:13 Hij slacht het dier in het heiligdom, op de plek waar men ook het zondeoffer en het brandoffer slacht. Want het schuldoffer komt evenals het zondeoffer aan de priester toe: het is hoogheilig. LEV 14:14 De priester doet dan bij degene die gereinigd wil worden wat bloed van het offerdier op de rechteroorlel, de rechterduim, en de grote teen van zijn rechtervoet. LEV 14:15 Hij giet wat olie in de palm van zijn linkerhand, LEV 14:16 doopt er een vinger van zijn rechterhand in en sprenkelt zevenmaal olie voor Jahwe. LEV 14:17 Van de olie die de priester nog op zijn hand heeft, doet hij bij degene die gereinigd wil worden iets op de rechteroorlel, de rechterduim en de grote teen van zijn rechtervoet, op het bloed van het schuldoffer. LEV 14:18 De olie die de priester dan nog op zijn hand heeft, smeert hij op het hoofd van degene die gereinigd wil worden. Zo voltrekt hij aan hem de verzoening voor Jahwe. LEV 14:19 Daarna draagt de priester het zondeoffer op en voltrekt de verzoening aan degene die van zijn onreinheid gereinigd wil worden. Tenslotte slacht hij het brandoffer LEV 14:20 en draagt dit samen met het meeloffer op het altaar op. Zo voltrekt de priester voor hem de verzoening en wordt hij weer rein. LEV 14:21 Is de man zo arm, dat hij dit alles niet kan betalen, dan kan hij volstaan met een schaap voor een schuldoffer dat als gewijd deel wordt afgezonderd om de verzoening voor hem te voltrekken, een issaron bloem met olie aangemaakt voor een meeloffer, een log olie LEV 14:22 en twee tortels of duiven, naargelang hij heeft, voor een zondeoffer en een brandoffer. LEV 14:23 Op de achtste dag van de reiniging, brengt hij dit alles naar de priester, bij de ingang van de tent der samenkomst, voor Jahwe. LEV 14:24 Staande voor Jahwe zondert de priester het schaap voor het schuldoffer en de log olie af als gewijd aandeel van de priesters. LEV 14:25 Dan slacht hij het schaap voor het schuldoffer en doet bij degene die gereinigd wil worden wat bloed op de rechteroorlel, de rechterduim en de grote teen van zijn rechtervoet. LEV 14:26 De priester giet wat olie in de palm van zijn linkerhand LEV 14:27 en sprenkelt deze met zijn rechterwijsvinger zevenmaal voor Jahwe. LEV 14:31 als zondeoffer op, de andere als brandoffer tesamen met een meeloffer. Zo voltrekt de priester aan hem die gereinigd wil worden de verzoening voor Jahwe. LEV 14:32 Dit is de wet voor hen die aan huidziekten lijden en de gewone kosten van de reiniging niet kunnen betalen. LEV 14:33 Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: LEV 14:34 Wanneer ge in Kanaän gekomen zijt, het land dat Ik u in bezit geef, en Ik veroorzaak daar uitslag aan een huis, LEV 14:35 dan moet de eigenaar het aan de priester melden en zeggen: `Ik heb in mijn huis een zieke plek geconstateerd.' LEV 14:36 Voordat de priester de plek komt onderzoeken, geeft hij bevel het huis te ontruimen, zodat niets in het huis onrein wordt. Pas dan gaat hij het huis in om het te onderzoeken. LEV 14:37 Blijkt hem bij dat onderzoek dat de muren inderdaad zijn aangetast en dat er groene of rode plekken op zitten, die zichtbaar dieper liggen dan de rest van de muur, LEV 14:38 dan gaat de priester het huis uit en sluit hij de deur voor zeven dagen. LEV 14:39 Na die zeven dagen komt hij terug. Blijkt dan, dat de plekken op de muren van het huis groter zijn geworden, LEV 14:40 dan haalt men er op zijn bevel de aangetaste stenen uit en werpt die buiten de stad op een onreine plaats. LEV 14:41 Hij laat alle binnenmuren van het huis afkrabben en het afgekrabde pleisterwerk buiten de stad storten op een onreine plaats. LEV 14:42 Daarna vervangt men de oude stenen door nieuwe en het huis wordt opnieuw bepleisterd. LEV 14:43 Komen de plekken, nadat de stenen uit het huis zijn verwijderd, de muren zijn afgekrabd en opnieuw bepleisterd, toch weer te voorschijn LEV 14:44 en stelt de priester bij het onderzoek vast, dat deze groter zijn geworden, dan heerst er in het huis kwaadaardige uitslag; het is onrein. LEV 14:45 Het huis moet worden afgebroken; de stenen, het houtwerk en al het puin moeten buiten de stad naar een onreine plaats gebracht worden. LEV 14:46 Ieder die zo'n huis binnengaat, gedurende de tijd dat de priester het gesloten heeft, is tot de avond onrein. LEV 14:47 Wie erin slaapt of eet, moet zijn kleren wassen. LEV 14:48 Stelt de priester bij het onderzoek vast, dat de plekken, nadat het huis opnieuw bepleisterd is, niet groter zijn geworden, dan verklaart hij het huis rein; de zieke plekken zijn genezen. LEV 14:49 Om het huis van zondesmet te reinigen, neemt hij twee vogels, cederhout, karmozijn en hysop. LEV 14:50 De ene vogel slacht hij boven een aarden schaal met bronwater. LEV 14:51 Dan neemt hij het cederhout, de hysop, de karmozijn en de nog levende vogel, doopt ze in het bloed van de vogel, die boven het bronwater geslacht is en besprenkelt het huis zevenmaal. LEV 14:52 Zo reinigt hij het huis van zondesmet door het bloed van de vogel, het bronwater, de levende vogel, het cederhout, de hysop en de karmozijn. LEV 14:53 De levende vogel laat hij dan buiten de stad wegvliegen. Zo voltrekt hij aan het huis de verzoening; het is weer rein. LEV 14:54 Dit is de wet op alle soorten van huidziekte, op schurft, LEV 14:55 op de zieke plekken aan kleren of huis, LEV 14:56 op gezwellen, uitslag en vlekken. LEV 14:57 Zij geeft aan wanneer iets onrein is of rein. Dit is de wet op de huidziekte. LEV 14:28 Van de olie die hij nog op zijn hand heft, doet hij bij degene die gereinigd wil worden, iets op de rechteroorlel, de rechterduim en de grote teen van zijn rechtervoet, op het bloed van het schuldoffer. LEV 14:29 De olie die de priester dan nog op zijn hand heeft, smeert hij op het hoofd van degene die gereinigd wil worden. Zo voltrekt hij aan hem de verzoening voor Jahwe. LEV 14:30 Dan draagt hij een van de tortels of duiven, naargelang hij heeft, LEV 15:1 Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: LEV 15:2 Zeg aan de Israëlieten: Wanneer een man aan druiper lijdt, is hij door die druiper onrein. LEV 15:3 Deze onreinheid treedt op zowel wanneer zijn druiper vloeit als door druiper wanneer dat onderbroken wordt. LEV 15:4 Het bed, waarop iemand die aan druiper lijdt, gelegen heeft, is onrein; alles waarop hij gezeten heeft, is eveneens onrein. LEV 15:5 Als iemand zijn bed aanraakt, moet hij zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. LEV 15:6 Degene die gaat zitten op iets waar deze op gezeten heeft, moet zijn kleren wassen en een bad namen; hij is tot de avond onrein. LEV 15:7 Wie hemzelf aanraakt, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. LEV 15:8 Heeft de man gespuwd op iemand die rein was, dan moet deze zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. LEV 15:9 Het zadel waar hij op gezeten heeft, is onrein. LEV 15:10 Wie iets aanraakt, waar hij op gezeten heeft, wordt onrein; degene die het optilt, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. LEV 15:11 Ieder die door de lijder wordt aangeraakt, zonder dat deze zijn handen had afgespoeld, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. LEV 15:12 Het aarden vaatwerk, dat hij heeft aangeraakt, moet men in stukken slaan; houten gereedschap moet met water worden afgespoeld. LEV 15:13 Is de lijder van de druiper genezen en wil hij gereinigd worden, dan moet hij zeven dagen wachten. Hij moet zijn kleren wassen en in stromend water een bad nemen; dan is hij weer rein. LEV 15:14 Op de achtste dag verschijnt hij met twee tortels of duiven voor Jahwe, bij de ingang van de tent der samenkomst, en overhandigt ze aan de priester. LEV 15:15 Deze draagt er een op als zondeoffer en een als brandoffer. Zo voltrekt hij aan hem de verzoening voor Jahwe vanwege zijn druiper. LEV 15:16 Wanneer een man een zaaduitstorting heeft gehad, moet hij zijn hele lichaam wassen; hij is tot de avond onrein. LEV 15:17 De kleren en de leren voorwerpen, die met het zaad in aanraking zijn gekomen, moeten worden gewassen: zij zijn tot de avond onrein. LEV 15:18 De man en de vrouw die gemeenschap hebben gehad, moeten een bad nemen; zij zijn tot de avond onrein. LEV 15:19 Wanneer een vrouw een vloeiing heeft en het is de bloeding van haar menstruatie, dan is zij zeven dagen onrein. Ieder die haar aanraakt, is tot de avond onrein. LEV 15:20 Alles waarop zij tijdens haar onreinheid slaapt, wordt onrein; alles waarop zij zit, eveneens. LEV 15:21 Ieder die haar bed aanraakt, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. LEV 15:22 Ieder die de plaats aanraakt waarop zij gezeten heeft, moet zijn kleren wassen en een bad nemen: hij is tot de avond onrein. LEV 15:23 Ook wanneer iemand datgene aanraakt wat zich op de slaapplaats bevindt, of op de plaats waar zij gezeten heeft, wordt hij onrein tot de avond. LEV 15:24 Heeft iemand gemeenschap met zo'n vrouw, dan komt haar onreinheid ook op hem. Hij is zeven dagen onrein; ook het bed waarop hij ligt, wordt onrein. LEV 15:25 Heeft een vrouw een langdurige bloeding buiten de tijd van de menstruatie of duurt de menstruatie bij haar langer dan normaal, dan is zij heel die tijd onrein, zoals tijdens de menstruatie. LEV 15:26 Tijdens zo'n bloeding geldt voor het bed hetzelfde als tijdens de menstruatie; ook voor alles waar zij op zit, geldt hetzelfde: het is onrein evenals tijdens de menstruatie. LEV 15:27 Ieder die deze dingen aanraakt, wordt onrein: hij moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. LEV 15:28 Houdt haar bloeding op en wil zij gereinigd worden, dan moet zij zeven dagen wachten. LEV 15:29 Op de achtste dag brengt zij twee tortels of duiven naar de priester, bij de ingang van de tent der samenkomst. LEV 15:30 Deze draagt de ene op als zondeoffer en de andere als brandoffer. Zo voltrekt hij aan haar de verzoening voor Jahwe, vanwege de onreinheid door de bloeding. LEV 15:31 Waarschuw de Israëlieten voor de gevolgen van hun onreinheid. Deze zou hun dood worden, wanneer zij in die toestand mijn woning bij hen betreden. LEV 15:32 Dit is de wet op de man die aan druiper lijdt, de man die door zaaduitstorting onrein is geworden LEV 15:33 en op de vrouw tijdens de menstruatie, op iedereen, man of vrouw, die aan druiper lijdt en op de man die gemeenschap heeft met een vrouw, die onrein is. LEV 16:1 Na de dood van de twee zonen van Aäron, die gestorven waren, toen zij tot Jahwe naderden, LEV 16:2 sprak Jahwe tot Mozes: Zeg aan uw broer Aäron, dat hij niet op elke willekeurige tijd in het heiligdom mag komen, achter het voorhangsel bij de dekplaat van de ark; dat zou zijn dood betekenen. Want boven de dekplaat van de ark verschijn Ik in een wolk. LEV 16:3 Alleen onder de volgende voorwaarden mag hij het heiligdom binnengaan: Er moet een stier zijn voor een zondeoffer en een ram voor een brandoffer. LEV 16:4 Hij doet een gewijde, linnen tuniek aan, slaat een linnen lendendoek om, doet een linnen gordel om zijn middel en zet een linnen tulband op zijn hoofd; dat zijn de heilige gewaden. Voor hij ze aantrekt neemt hij een bad. LEV 16:5 Van de gemeenschap der Israëlieten neemt hij twee bokken in ontvangst voor een zondeoffer en een ram voor een brandoffer. LEV 16:6 Eerst draagt Aäron voor zichzelf de stier als zondeoffer op om verzoening te bewerken voor zichzelf en zijn geslacht. LEV 16:7 Dan brengt hij de twee bokken bij de ingang van de tent der samenkomst LEV 16:8 en werpt over deze dieren het lot: het ene `voor Jahwe', het andere `voor Azazel'. LEV 16:9 De bok waarop het lot `voor Jahwe' valt, draagt Aäron als zondeoffer op. LEV 16:10 De bok waarop het lot `voor Azazel' valt, wordt levend voor Jahwe geplaatst om er eerst de verzoening aan te voltrekken en hem vervolgens de woestijn in te sturen, naar Azazel. LEV 16:11 Aäron draagt voor zichzelf de stier als zondeoffer op, om verzoening te bewerken voor zichzelf en zijn geslacht. LEV 16:12 Dan neemt hij van het altaar van Jahwe een vuurpan vol gloeiende kolen en twee handen vol fijne, geurige wierook en brengt dit alles achter het voorhangsel. LEV 16:13 Voor Jahwe doet hij de wierook op het vuur, zodat de wierookwolk de dekplaat boven de verbondsakte omhult; anders zou hij sterven. LEV 16:14 Met zijn vingers sprenkelt hij zevenmaal bloed van de stier op de voorkant van de dekplaat. LEV 16:15 Dan slacht hij voor het volk de bok als zondeoffer, brengt het bloed van het dier achter het voorhangsel en sprenkelt het voor en op de dekplaat, zoals hij met het bloed van de stier heeft gedaan. LEV 16:16 Zo voltrekt hij aan het heiligdom de verzoening voor de onreinheid en de overtredingen der Israëlieten, welke hun zonden ook mogen zijn. Zo zal hij ook doen voor de tent der samenkomst, die bij hen staat, ondanks hun onreinheid. LEV 16:17 Vanaf het ogenblik dat Aäron de tent van de samenkomst binnengaat om in het heiligdom de verzoening te voltrekken, tot hij weer naar buiten komt, mag niemand de tent betreden. Als hij de verzoening voor zichzelf, voor zijn familie en voor de hele gemeenschap van Israël voltrokken heeft, LEV 16:18 komt hij weer naar buiten om de verzoening te voltrekken aan het altaar, dat voor Jahwe staat. Hij strijkt bloed van de stier en de bok op de vier horens van het altaar; LEV 16:19 dan sprenkelt hij er met zijn wijsvinger zevenmaal bloed op. Zo zuivert hij het altaar van de onreinheden van de Israëlieten en heiligt hij het. LEV 16:20 Heeft Aäron de verzoening van het heiligdom, de tent van de samenkomst en het altaar voltooid, dan laat hij de bok die nog leeft bij zich brengen. LEV 16:21 Hij legt zijn hand op de kop van het dier en belijdt over het dier alle misdaden en vergrijpen van de Israëlieten, van welke aard ook, en laadt deze op de kop van de bok. Dan stuurt hij het dier onder de hoede van iemand die daartoe is aangewezen, naar de woestijn. LEV 16:22 Zo draagt de bok al hun misdaden weg naar een woest land. In de woestijn wordt de bok losgelaten. LEV 16:23 Dan gaat Aäron de tent van de samenkomst binnen, ontdoet zich van de linnen gewaden, die hij bij het betreden van het heiligdom had aangetrokken, en legt ze daar neer. LEV 16:24 Daarna neemt hij op een heilige plaats een bad, trekt zijn eigen kleren weer aan en gaat naar buiten om het brandoffer op te dragen voor zichzelf en voor het volk en zo voor zichzelf en het volk de verzoening te voltrekken. LEV 16:25 Het vet van het zondeoffer doet hij op het altaar in rook opgaan. LEV 16:26 De man die de bok `voor Azazel' heeft weggebracht, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; daarna mag hij weer in het kamp komen. LEV 16:27 Als met het bloed van de stier en de bok van het zondeoffer in het heiligdom de verzoening is voltrokken, moeten de dieren buiten het kamp worden gebracht; de huid, het vlees en de darmen moet men verbranden. LEV 16:28 Degene die ze verbrandt, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; daarna mag hij weer in het kamp komen. LEV 16:29 Het is een blijvend voorschrift voor u, dat gij u op de tiende dag van de zevende maand moet kastijden en dat gij geen arbeid verricht; dat geldt voor de geboren Israëliet en voor de vreemdeling die bij u woont. LEV 16:30 Want op die dag zal men voor u de verzoening voltrekken om u te reinigen van al uw zonden. Zo zult ge weer rein zijn voor Jahwe. LEV 16:31 Gij moet dus grote sabbat houden en u zelf kastijden; dat is een blijvend voorschrift. LEV 16:32 De priester die men door zalving gewijd heeft om zijn vader in het ambt op te volgen, voltrekt de verzoening en doet daarvoor de heilige, linnen gewaden aan. LEV 16:33 Hij is het die de verzoening voltrekt aan het heiligste deel van het heiligdom, aan de tent van de samenkomst en het altaar, alsook aan de priesters en heel het samengeroepen volk. LEV 16:34 Het is een blijvend voorschrift voor u om eens in het jaar de verzoening te voltrekken voor al de zonden van de Israëlieten. Men deed zoals Jahwe het aan Mozes bevolen had. LEV 17:1 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 17:2 Zeg aan Aäron en zijn zonen en aan alle Israëlieten: Dit beveelt Jahwe: LEV 17:3 Wanneer een Israëliet in of buiten het kamp een rund, een schaap of een geit slacht LEV 17:4 en het dier niet naar de ingang van de tent der samenkomst brengt om het voor de woning van Jahwe als offergave aan hem aan te bieden, wordt hem dat als bloedschuld aangerekend. Hij heeft bloed vergoten; hij wordt uit zijn volk verwijderd. LEV 17:5 De Israëlieten mogen hun slachtoffers niet opdragen op elke willekeurige plek; zij moeten de offerdieren bij de priester brengen, bij de ingang van de tent der samenkomst, om ze daar als slachtoffers aan Jahwe op te dragen. LEV 17:6 De priester sprenkelt het bloed bij de ingang van de tent der samenkomst op het altaar en doet het in rook opgaan als een geurige gave die Jahwe behaagt. LEV 17:7 Zij mogen niet langer slachtoffers opdragen aan de saters, die zij ontuchtig achterna lopen. Dit is een blijvend voorschrift voor hen, al hun geslachten door. LEV 17:8 Gij moet tot hen zeggen: Wanneer iemand, een Israëliet of een vreemdeling die bij u woont, een brandoffer of een slachtoffer opdraagt, LEV 17:9 maar het niet bij de ingang van de tent der samenkomst brengt om het aan Jahwe aan te bieden, dan wordt hij uit zijn volk verwijderd. LEV 17:10 Als iemand, een Israëliet of een vreemdeling die bij u woont, bloed nuttigt, treed Ik persoonlijk tegen hem op en verwijder hem uit zijn volk. LEV 17:11 Want de levenskracht van mens en dier zit in het bloed. Ik sta u alleen toe het te gebruiken op het altaar om verzoening te bewerken, want door de levenskracht bewerkt het bloed verzoening. LEV 17:12 Daarom heb Ik de Israëlieten gezegd: `Niemand van u mag bloed nuttigen, ook niet de vreemdeling die bij u woont.' LEV 17:13 Als iemand, een Israëliet of een vreemdeling die bij u woont, op de jacht wild of gevogelte vangt, dat gegeten mag worden, dan moet hij het bloed eruit laten lopen en met zand bedekken. LEV 17:14 Want de levenskracht van mens en dier is zijn bloed; daarom heb Ik de Israëlieten gezegd: `Nuttig nooit bloed van mens of dier. Want de levenskracht van mens en dier is in zijn bloed. Ieder die het nuttigt wordt uit zijn volk verwijderd.' LEV 17:15 Iedereen, geboren Israëliet of vreemdeling, die eet van een dier dat doodgegaan is of vreemdeling, die eet van een dier dat doodgegaan is of verscheurd, moet zijn kleren wassen en een bad nemen; hij is tot de avond onrein. Dan wordt hij weer rein. LEV 17:16 Wast hij zijn kleren niet en neemt hij geen bad, dan zal hij ervoor boeten. LEV 18:1 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 18:2 Zeg aan de Israëlieten: Ik ben Jahwe uw God. LEV 18:3 Leef niet naar de gebruiken van Egypte waar gij gewoond hebt, noch naar die van Kanaän waar ik u heenbreng. Richt uw leven niet in volgens hun gewoonten, LEV 18:4 maar houdt u aan mijn wetten en richt uw leven naar mijn voorschriften. Ik ben Jahwe uw God. LEV 18:5 Onderhoud mijn voorschriften en wetten: de mens die ze volbrengt, vindt daardoor het leven. Ik ben Jahwe. LEV 18:6 Niemand van u mag tot een bloedverwant naderen om diens schaamte te ontbloten. LEV 18:7 De schaamte van uw vader, dat is de schaamte van uw moeder, moogt ge niet ontbloten: omdat zij uw moeder is, moogt ge haar schaamte niet ontbloten. LEV 18:8 Ook de schaamte van een andere vrouw van uw vader moogt gij niet ontbloten; het is de schaamte van uw vader. LEV 18:9 De schaamte van uw zuster, een dochter van uw vader of van uw moeder, in uw familie of daarbuiten geboren, moogt gij niet ontbloten. LEV 18:10 De schaamte van een dochter van uw zoon of dochter moogt gij niet ontbloten; het is immers uw eigen schaamte. LEV 18:11 De schaamte van de dochter van een andere vrouw van uw vader, door uw vader verwekt, moogt gij niet ontbloten; omdat zij uw zuster is, moogt ge haar schaamte niet ontbloten. LEV 18:12 De schaamte van de zuster van uw vader moogt gij niet ontbloten; zij is de naaste bloedverwant van uw vader. LEV 18:13 De schaamte van een zuster van uw moeder moogt gij niet ontbloten; zij is een bloedverwant van uw moeder. LEV 18:14 De schaamte van een broer van uw vader moogt gij niet ontbloten en tot diens vrouw niet naderen; zij is uw tante. LEV 18:15 De schaamte van uw schoondochter moogt gij niet ontbloten; omdat zij de vrouw van uw zoon is, moogt ge haar schaamte niet ontbloten. LEV 18:16 De schaamte van de vrouw van uw broer moogt gij niet ontbloten; het is de schaamte van uw broer. LEV 18:17 De schaamte van een vrouw en die van haar dochter moogt gij niet beide ontbloten; ook de dochter van een zoon of dochter van die vrouw moogt ge niet huwen. Omdat zij bloedverwanten zijn, moogt ge haar schaamte niet ontbloten; dat is een schande. LEV 18:18 Gij moogt niet trouwen met een zuster van uw vrouw; wanneer ge de schaamte van de een ontbloot, terwijl de ander nog leeft, geeft dat jaloezie. LEV 18:19 Gij moogt niet naderen tot een vrouw die menstruatie heeft en onrein is. LEV 18:20 Gij moogt geen gemeenschap hebben met een vrouw van uw naaste; want dan verontreinigt ge u. LEV 18:21 Gij moogt niet toestaan, dat een van uw nakomelingen geofferd wordt aan de Moloch; ge moogt de naam van uw God niet ontwijden: Ik ben Jahwe. LEV 18:22 Met een man moogt gij geen omgang hebben als met een vrouw; dat is een gruwel. LEV 18:23 Met geen enkel dier moogt ge geslachtsgemeenschap hebben en u zo verontreinigen. Ook een vrouw mag zich niet afgeven met een dier, dat is een schanddaad. LEV 18:24 Verontreinig u dus niet door dergelijke dingen, want de volken die Ik voor u verdrijf, hebben zich daardoor verontreinigd. LEV 18:25 Zo is het land onrein geworden: Ik heb het geteisterd om zijn misdaad, zodat het zijn bewoners uitspuwde. LEV 18:26 Maar gij moet mijn voorschriften en wetten onderhouden en geen van deze gruweldaden bedrijven, noch de geboren Israëliet noch de vreemdeling die bij u woont. LEV 18:27 Want al die gruweldaden hebben de mensen die voor u in dit land woonden bedreven, zodat het land er onrein van werd. LEV 18:28 Zorg dus dat gij uw land niet opnieuw verontreinigt; anders spuwt het u ook uit, zoals het de volken voor u heeft uitgespuwd. LEV 18:29 Al degenen die dergelijke gruweldaden bedrijven, moeten uit hun volk worden verwijderd. LEV 18:30 Houd u aan wat Ik u voorschrijf en laat u niet in met die afschuwelijke gebruiken, die er voor u in zwang waren. Verontreinig u daardoor niet. Ik ben Jahwe uw God. LEV 19:1 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 19:2 Zeg tot heel de gemeenschap van de Israëlieten: Wees heilig, want Ik, Jahwe uw God, ben heilig. LEV 19:3 Ieder van u moet eerbied hebben voor zijn moeder en vader. De sabbatdagen die Ik heb voorgeschreven moet gij onderhouden. Ik ben Jahwe uw God. LEV 19:4 Laat u niet in met afgoden en maak geen metalen beelden. Ik ben Jahwe uw god. LEV 19:5 Wanneer gij aan Jahwe een slachtoffer opdraagt, doe het dan zo, dat Hij behagen in u vindt. LEV 19:6 Men moet dat offer eten op de dag zelf of op de dag daarna. Wat er op de derde dag nog over is, moet worden verbrand. LEV 19:7 Op de derde dag mag men er niet meer van eten; het is besmet en komt de offeraar niet ten goede. LEV 19:8 Wie er van eet, zal ervoor boeten; wat Jahwe gewijd was, heeft hij ontwijd. Hij wordt uit zijn volk verwijderd. LEV 19:9 Als gij uw oogst van het land haalt, moogt gij uw akker niet tot de rand afmaaien en wat is blijven liggen niet bijeenrapen. LEV 19:10 Gij moogt in uw wijngaard geen nalezing houden en de afgevallen druiven niet bijeenrapen. Dat alles is bestemd voor de arme en de vreemdeling. Ik ben Jahwe uw God. LEV 19:11 Gij moogt elkaar niet bestelen, niet beliegen en niet bedriegen. LEV 19:12 Ge moogt mijn naam niet gebruiken voor meineed, want dan ontwijdt ge de naam van uw God. Ik ben Jahwe. LEV 19:13 Gij moogt uw naaste niet uitbuiten en hem in niets te kort doen. Wat een dagloner verdient moogt ge niet vasthouden tot de volgende morgen. LEV 19:14 Gij moogt een dove niet vervloeken en een blinde niets in de weg leggen, waarover hij struikelen kan. Ge moet ontzag hebben voor uw God. Ik ben Jahwe. LEV 19:15 Wees niet partijdig bij het rechtspreken: begunstig de arme niet en zie de rijke niet naar de ogen. Spreek rechtvaardig recht over uw volksgenoten. LEV 19:16 Strooi geen lasterpraat rond over elkaar en sta uw naaste niet naar het leven. Ik ben Jahwe. LEV 19:17 Wees niet haatdragend tegen uw broeder. Wijs elkaar terecht: dan maakt ge u niet schuldig aan de zonde van een ander. LEV 19:18 Neem geen wraak op een volksgenoot en koester geen wrok tegen hem. Bemin uw naaste als uzelf. Ik ben Jahwe. LEV 19:19 Onderhoud mijn wetten. Gij moogt geen dieren van verschillende soort kruisen; gij moogt op uw akker geen twee gewassen zaaien; gij moogt geen kleren dragen van tweeërlei stof. LEV 19:20 Heeft iemand gemeenschap met een slavin, die voor een andere man is bestemd, maar er is voor haar nog geen losgeld betaald en zij is nog niet vrijgelaten, dan moet er schadevergoeding worden gegeven, maar ze hoeven niet ter dood te worden gebracht; zij was immers nog niet vrijgelaten. LEV 19:21 De man moet als schuldoffer voor Jahwe een ram naar de ingang van de tent der samenkomst brengen. LEV 19:22 Met deze ram moet de priester voor Jahwe aan hem de verzoening voltrekken vanwege de zonde die hij heeft bedreven; dan wordt deze daad hem vergeven. LEV 19:23 Als gij in het land komt en allerlei vruchtbomen plant, moet ge van de vruchtbomen afblijven; ze mogen niet worden gegeten. LEV 19:24 In het vierde jaar zijn alle vruchten bestemd voor een dankfeest ter ere van Jahwe. LEV 19:25 Pas in het vijfde jaar moogt gij de vruchten eten. Dan zullen de bomen steeds meer vrucht opbrengen. Ik ben Jahwe uw God. LEV 19:26 Iets waar het bloed nog inzit moogt ge niet eten. Gij moogt u niet inlaten met waarzeggerij of dodenbezwering. LEV 19:27 Gij moogt aan uw hoofdhaar geen ronde rand knippen en de rand van uw baard niet wegnemen. LEV 19:28 Ge moogt uw lichaam niet kerven voor een dode en u niet laten tatouëren. Ik ben Jahwe. LEV 19:29 Onteer uw dochter niet door van haar een publieke vrouw te maken; anders wordt het land ontuchtig en wemelt het er van schanddaden. LEV 19:30 Gij moet mijn sabbatdagen onderhouden en eerbied hebben voor mijn heiligdom. Ik ben Jahwe. LEV 19:31 Gij moogt geen contact zoeken met de geesten van gestorvene en geen orakels ondervragen. Daardoor zoudt ge u verontreinigen. Ik ben Jahwe uw God. LEV 19:32 Gij moet opstaan voor een grijsaard en eerbied hebben voor een bejaarde. Gij moet ontzag hebben voor uw God. Ik ben Jahwe. LEV 19:33 Wanneer er vreemdelingen in uw land wonen, moogt ge die niet slecht behandelen. LEV 19:34 Vreemdelingen die bij u wonen hebben dezelfde rechten als een geboren Israëliet. Gij moet hen beminnen als uzelf, want gij zijt zelf vreemdelingen geweest in Egypte. Ik ben Jahwe uw God. LEV 19:35 Wees niet partijdig in de rechtspraak en niet oneerlijk met lengtematen, gewichten of inhoudsmaten. LEV 19:36 Gij moet een zuivere weegschaal gebruiken, juiste gewichten en juiste maten voor koren en olie. Ik ben Jahwe uw God, die u uit Egypte geleid heb. LEV 19:37 Onderhoud en volbreng al mijn wetten en voorschriften. Ik ben Jahwe. LEV 20:1 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 20:2 Zeg aan de Israëlieten: Iedere Israëliet of vreemdeling in Israël, die een van zijn kinderen ter beschikking stelt van de Moloch, moet sterven. Het volk van het land moet hen stenigen. LEV 20:3 Ik treed persoonlijk op tegen zo iemand en verwijder hem uit zijn volk. Door een van zijn kinderen ter beschikking te stellen van de Moloch heeft hij mijn heiligdom verontreinigd en mijn heilige naam ontwijd. LEV 20:4 Mocht het volk van het land zijn ogen sluiten voor het feit dat die man een van zijn kinderen ter beschikking heeft gesteld van de Moloch en mocht het hem niet ter dood brengen, LEV 20:5 dan treed Ik persoonlijk op tegen hem en tegen zijn verwanten. Ik zal hem, en alle anderen die ontuchtig de Moloch nalopen, uit hun volk verwijderen. LEV 20:6 Tegen degene die contact zoekt met geesten en orakels raadpleegt en deze ontuchtig achterna loopt, treed Ik persoonlijk op en verwijder hem uit zijn volk. LEV 20:7 Zorg dat gij heilig zijn; wees heilig, want Ik ben Jahwe uw God. LEV 20:8 Onderhoud mijn wetten. Ik ben Jahwe, degene die u heiligt. LEV 20:9 Ieder die zijn vader en zijn moeder vervloekt, moet ter dood worden gebracht. Hij heeft zijn vader en zijn moeder vervloekt; hij heeft zijn dood aan zichzelf te wijten. LEV 20:10 Hij die overspel pleegt met de vrouw van een ander, de vrouw van zijn naaste, moet ter dood worden gebracht, hijzelf en de vrouw met wie hij overspel heeft gepleegd. LEV 20:11 Als een man gemeenschap heeft met een vrouw van zijn vader, ontbloot hij de schaamte van zijn vader. Beiden moeten ter dood worden gebracht; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten. LEV 20:12 Als een man gemeenschap heeft met zijn schoondochter, moeten beiden ter dood gebracht worden. Zij hebben een schanddaad begaan; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten. LEV 20:13 Als een man met een andere man omgang heeft als met een vrouw, begaan beiden een afschuwelijke daad. Zij moeten ter dood worden gebracht; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten. LEV 20:14 Als een man met een vrouw trouwt en tegelijk met haar moeder, dan is dat een schande. Zowel de man als de beide vrouwen moeten worden verbrand; zoiets schandaligs mag bij u niet voorkomen. LEV 20:15 Een man die geslachtsgemeenschap heeft met een dier, moet gedood worden; het dier moet ge afmaken. LEV 20:16 Als een vrouw zich afgeeft met een dier, moet ge zowel de vrouw als het dier doden. Zij moeten ter dood worden gebracht; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten. LEV 20:17 Als een man trouwt met zijn zuster, een dochter van zijn vader of zijn moeder, en zij zien elkaars schaamte, dan is dit een schande. Voor de ogen van hun volksgenoten moeten zij verwijderd worden. Hij heeft de schaamte van zijn zuster ontbloot; hij moet voor zijn misdaad boeten. LEV 20:18 Als een man gemeenschap heeft met een vrouw tijdens de menstruatie en haar schaamte, de bron van haar bloeding, ontbloot, en zij stemt daarmee in, dan moeten beiden uit hun volk worden verwijderd. LEV 20:19 De schaamte van een zuster van uw vader of uw moeder moogt gij niet ontbloten. Wie zoiets doet heeft zijn eigen bloedverwant ontbloot; hij moet voor zijn misdaad boeten. LEV 20:20 Een man die gemeenschap heeft met zijn tante, ontbloot de schaamte van zijn oom. Zij moeten voor hun zonde boeten en zullen kinderloos sterven. LEV 20:21 Als een man met de vrouw van zijn broer trouwt, is dat een schande. Hij heeft de schaamte van zijn broer ontbloot; zij zullen kinderloos blijven. LEV 20:22 Onderhoud en volbreng al mijn wetten en voorschriften; dan zal het land waar Ik u heenbreng om er te wonen, u niet uitspuwen. LEV 20:23 Leef niet naar de gebruiken van de volken die Ik voor u verjaag. Omdat zij dergelijke dingen deden, walgde Ik van hen. LEV 20:24 Toen sprak Ik tot u: Gij zult hun land in bezit nemen; Ik zelf geef het u in bezit, een land van melk en honing. Ik ben Jahwe uw God. Ik heb u van de andere volken onderscheiden. LEV 20:25 Maakt gij dan onderscheid tussen reine en onreine landdieren, tussen reine en onreine vogels. Besmet u niet met die landdieren, vogels en kruipende dieren, die Ik onrein heb verklaard en als zodanig heb aangewezen. LEV 20:26 Wees heilig voor Mij, want Ik, Jahwe, ben heilig. Ik heb u van de andere volken onderscheiden om Mij toe te behoren. LEV 20:27 Mannen of vrouwen in wie de geest van een dode is of die aan waarzeggerij doen, moeten ter dood worden gebracht. Zij moeten worden gestenigd; zij hebben hun dood aan zichzelf te wijten. LEV 21:1 Jahwe sprak tot Mozes: Zeg aan de priesters, de zonen van Aäron: Een priester mag zich niet verontreinigen aan het lijk van een volksgenoot, LEV 21:2 tenzij het gaat om een naaste bloedverwant: zijn vader, zijn moeder, een zoon, een dochter, een broer. LEV 21:3 Hij mag zich ook verontreinigen voor een ongehuwde zuster, die hem nog na staat, omdat zij niet aan een man heeft behoord. LEV 21:4 Maar zodra zij gehuwd is, mag hij zich voor haar niet verontreinigen en zich niet ontwijden. LEV 21:5 Zij mogen op hun hoofd geen kale plek maken, de rand van hun baard niet afscheren en hun lichaam niet kerven. LEV 21:6 Zij moeten heilig zijn voor hun God en mogen zijn naam niet ontwijden. Zij dragen de offers van Jahwe op, de spijs van hun God; daarom moeten zij heilig zijn. LEV 21:7 Zij mogen niet huwen met een publieke vrouw, met een vrouw die onteerd is, of met een vrouw die door haar man verstoten is. Want de priester is heilig voor zijn God. LEV 21:8 Gij moet hem dan ook als heilig beschouwen, want hij draagt de spijs van uw God op. Hij moet u heilig zijn, want Ik, Jahwe, die u heilig maak, ben heilig. LEV 21:9 De dochter van een priester, die zich door ontucht onteert, onteert haar vader; zij moet worden verbrand. LEV 21:10 De voornaamste onder de priesters, over wiens hoofd de zalvingsolie is uitgegoten en die gewijd is om de gewaden te dragen, mag zijn hoofdhaar niet los laten hangen en zijn kleren niet scheuren. LEV 21:11 Hij mag niet bij een lijk komen en zich daaraan verontreinigen, zelfs niet als het zijn vader of moeder is. LEV 21:12 Hij mag zich niet verwijderen uit het heiligdom van zijn God en het niet ontwijden, want hij is door de zalving met olie aan zijn God gewijd. Ik ben Jahwe. LEV 21:13 De vrouw die hij huwt moet maagd zijn. LEV 21:14 Hij mag geen weduwe huwen, geen verstoten vrouw, geen onteerde vrouw en geen publieke vrouw; hij mag alleen trouwen met een maagd uit zijn familie. LEV 21:15 Dan ontwijdt hij zijn nageslacht niet. Ik ben Jahwe, die hem heilig. LEV 21:16 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 21:17 Zeg aan Aäron: Heeft iemand van uw familie een gebrek, dan mag hij niet optreden om de spijs van zijn God op te dragen. Dat geldt al uw geslachten door. LEV 21:18 Iemand met een gebrek mag niet als priester optreden: een blinde niet, een kreupele niet, evenmin iemand met een geschonden of misvormde neus LEV 21:19 of iemand die zijn been of arm heeft gebroken; LEV 21:20 ook iemand met een bochel niet, een dwerg niet, evenmin iemand met een vlek op het oog, met een of andere huidziekte of een ontmande. LEV 21:21 Iemand uit het geslacht van de priester Aäron, die een van die gebreken heeft, mag niet optreden om Jahwe's offergaven op te dragen. Vanwege zijn gebrek mag hij niet optreden om de spijs van zijn God te offeren. LEV 21:22 Hij mag wel de spijs van zijn God eten, het heilige zowel als het hoogheilige, LEV 21:23 maar vanwege zijn gebrek mag hij niet bij het voorhangsel komen en het altaar niet naderen. Hij mag mijn heiligdom niet ontwijden, want Ik ben Jahwe, die hen heilig. LEV 21:24 Mozes bracht dit over aan Aäron en zijn zonen en aan alle Israëlieten. LEV 22:1 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 22:2 Zeg aan Aäron en zijn zonen: Waar het gaat om de heilige gaven van de Israëlieten, moeten zij de grootste zorgvuldigheid in acht nemen en mogen zij mijn heilige naam niet ontwijden; want aan Mij hebben zij die gaven gewijd. Ik ben Jahwe. LEV 22:3 Zeg hun: Voor al uw geslachten geldt: Als iemand van uw familie onrein is en toch nadert tot de heilige gaven die de Israëlieten aan Jahwe wijden, moet die persoon van Mij verwijderd worden. Ik ben Jahwe. LEV 22:4 Als iemand van Aärons geslacht een huidziekte heeft of aan druipen lijdt, mag hij niet eten van de heilige gaven, voordat hij weer rein is. Dat geldt ook voor degene die iets aanraakt dat door contact met een lijk onrein is geworden, voor degene die een uitstorting heeft, LEV 22:5 die in aanraking komt met kruipend gedierte, dat onrein maakt, of met een mens, die onrein maakt, of voor degene die op een andere manier onrein is geworden. LEV 22:6 Hij is tot de avond onrein en mag niet van de heilige gaven eten, voor hij een bad heeft genomen. LEV 22:7 Na zonsondergang is hij weer rein. Dan mag hij weer eten van de heilige gaven, want daar moet hij van leven. LEV 22:8 Een dier dat dood is gegaan of verscheurd is, mag hij niet eten; anders wordt hij onrein. Ik ben Jahwe. LEV 22:9 De priesters moeten doen wat Ik hun voorschrijf en zich op dit punt niet bezondigen, want als zij het heilige ontwijden, zou dat hun dood zijn. Ik ben Jahwe, die hen heilig. LEV 22:10 Een onbevoegde mag niet van de gewijde gaven eten; iemand die bij een priester inwoont of werkt, evenmin. LEV 22:11 De slaven, die een priester met zijn eigen geld heeft gekocht of die in zijn huis geboren zijn, mogen ervan eten. LEV 22:12 De dochter van een priester, die met een niet-priester is getrouwd, mag niet eten van de heilige gaven, die afgedragen worden. LEV 22:13 Is zij weduwe geworden of door haar man verstoten, heeft zij geen kinderen en is zij weer terug in het ouderlijk huis, zoals in haar jeugd, dan mag zij eten wat haar vader eet. Een onbevoegde mag dat niet. LEV 22:14 Iemand die door onoplettendheid van de heilige gaven eet, moet deze, vermeerderd met een vijfde, aan de priester vergoeden. LEV 22:15 De priesters mogen de heilige gaven, die de Israëlieten aan Jahwe afdragen, niet laten ontwijden. LEV 22:16 Zij zouden er oorzaak van zijn, dat de Israëlieten, door het eten van de gaven die een priester toekomen, schuld op zich laden en tot boete verplicht zijn. Ik ben Jahwe, die hen heilig. LEV 22:17 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 22:18 Zeg aan Aäron en zijn zonen en aan alle Israëlieten: Als een Israëliet een gelofteoffer of een vrije gave als brandoffer aan Jahwe wil aanbieden, LEV 22:19 moet hij daarvoor een mannelijk dier nemen zonder gebrek, een rund, een schaap of een geit. Dan schept Jahwe behagen in hem. LEV 22:20 Dieren met een gebrek moogt gij niet aanbieden; dan schept Jahwe geen behagen in u. LEV 22:21 Ook als iemand ter vervulling van een gelofte of als vrije gave een rund of een stuk kleinvee aan Jahwe opdraagt als slachtoffer, moet het, om aanvaard te worden, een gaaf dier zijn, zonder gebrek. LEV 22:22 Is een dier blind, kreupel of verminkt, heeft het zweren, uitslag of huidziekte, dan moogt ge het Jahwe niet offeren; zulke dieren moogt ge niet op het altaar brengen als offergaven voor Jahwe. LEV 22:23 Een rund of een schaap dat misvormd is, moogt ge wel als vrije gave aanbieden, maar als gelofteoffer wordt het niet aanvaard. LEV 22:24 Een dier, dat door kneuzen, verbrijzelen, afrukken of snijden ontmand is, moogt ge Jahwe niet aanbieden. Een dergelijk dier offert men niet in uw land LEV 22:25 en gij moogt het ook van een vreemdeling niet aannemen om het aan te bieden als spijs voor uw God. Zij zijn geschonden en hebben een gebrek; zij worden niet aanvaard. LEV 22:26 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 22:27 Het jong van een rund, een schaap of een geit moet de eerste zeven dagen na de geboorte bij het moederdier blijven. Pas vanaf de achtste dag wordt het door Jahwe als offergave aanvaard. LEV 22:28 Maar gij moogt een rund of een schaap niet slachten op dezelfde dag als een jong van dat dier. LEV 22:29 Biedt ge Jahwe een slachtoffer aan uit dankbaarheid, dan moet ge dat zo doen, dat het aanvaard wordt: LEV 22:30 het moet op de dag zelf worden gegeten en ge moogt er niets van overlaten tot de volgende dag. Ik ben Jahwe. LEV 22:31 Gij moet mijn geboden stipt onderhouden. Ik ben Jahwe. LEV 22:32 Mijn heilige naam moogt ge niet ontwijden; Ik wil mijn heiligheid door de Israëlieten erkend zien. Ik ben Jahwe die u heilig. LEV 22:33 Ik heb u uit egypte geleid om uw God te zijn. Ik ben Jahwe. LEV 23:1 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 23:2 Zeg aan de Israëlieten: De feesten ter ere van Mij voor Jahwe, die gij tot heilige dagen moet uitroepen, zijn de volgende. LEV 23:3 Zes dagen wordt er gewerkt, maar de zevende dag is een grote sabbat, een heilige dag. Ge moogt dan niet werken; het is een sabbat ter ere van Jahwe, waar ge ook woont. LEV 23:4 Dit zijn de feesten voor Jahwe, de heilige dagen, die gij op de gestelde tijd moet vieren. LEV 23:5 De veertiende dag van de eerste maand, tegen zonsondergang, is het pasen ter ere van Jahwe. LEV 23:6 De vijftiende dag van die maand is het feest van de ongezuurde broden ter ere van Jahwe; dan moet gij zeven dagen ongezuurd brood eten. LEV 23:7 De eerste dag is voor u een heilige dag; ge moogt dan niet werken. LEV 23:8 Zeven dagen achtereen moet gij Jahwe offers aanbieden. De zevende dag is een heilige dag; dan moogt ge niet werken. LEV 23:9 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 23:10 Zeg aan de Israëlieten: Wanneer gij in het land komt, dat Ik u schenk, en er de oogst binnenhaalt, moet ge de eerste schoof naar de priester brengen. LEV 23:11 Staande voor Jahwe, zondert hij deze af als aandeel van de priester; dan schept Jahwe behagen in u. Dit moet daags na de sabbat geschieden. LEV 23:12 Op de dag dat de schoof op deze wijze wordt aangeboden, moet ge een gaaf lam van nog geen jaar als brandoffer aan Jahwe opdragen. LEV 23:13 Daarbij hoort een meeloffer van twee issaron bloem, aangemaakt met olie, als geurige gave die Jahwe behaagt, en een plengoffer van een vierde hin wijn. LEV 23:14 Tot de dag dat ge dit offer aan uw God hebt opgedragen, moogt ge geen brood eten, en geen graankorrels, gepoft of niet gepoft. Dat is een blijvende wet, al uw geslachten door, waar ge ook woont. LEV 23:15 Vanaf de dag na de sabbat, waarop ge de schoof hebt gebracht die voor de priester bestemd is, moet ge zeven sabbatten tellen. LEV 23:16 En daags na de zevende sabbat, op de vijftigste dag, moet ge aan Jahwe vers graan offeren. LEV 23:17 Van de plaats waar ge woont, moet gij als bijdrage twee broden meebrengen van twee issaron bloem, met zuurdeeg gebakken, om die als eerstelingen aan Jahwe aan te bieden. LEV 23:18 Bij dit brood moet ge zeven gave lammeren van nog geen jaar, een stier en twee rammen aan Jahwe opdragen met bijbehorende meeloffers en plengoffers, als een geurige gave die Jahwe behaagt. LEV 23:19 Als zondeoffer moet ge een bok en als slachtoffer twee lammeren van nog geen jaar opdragen. LEV 23:20 Met het brood van het nieuwe graan zondert de priester voor Jahwe de beide lammeren af; zij zijn Jahwe gewijd en komen aan de priester toe. LEV 23:21 Diezelfde dag moet gij vieren als een heilige dag; ge moogt dan niet werken. LEV 23:22 Wanneer ge uw oogst van het land haalt, moogt ge uw akker niet tot de rand afmaaien en wat is blijven liggen moogt ge niet bijeenrapen. Dat is bestemd voor de armen en de vreemdelingen. Ik ben Jahwe uw God. LEV 23:23 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 23:24 Zeg aan de Israëlieten: Op de eerste dag van de zevende maand is het sabbat, een heilige dag, die gevierd wordt met trompetgeschal. LEV 23:25 Ge moogt dan niet werken en ge moet een offer opdragen aan Jahwe. LEV 23:26 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 23:27 De tiende dag van verzoening; het is een heilige dag voor u. Gij moet dan uzelf kastijden en een offer opdragen aan Jahwe. LEV 23:28 Ge moogt op die dag niet werken; het is de dag van verzoening, waarop verzoening voor u wordt bewerkt bij Jahwe uw God. LEV 23:29 Wie zich niet kastijdt, wordt uit zijn volk verwijderd. LEV 23:30 En wie op die dag werkt, neem Ik weg uit zijn volk en verdelg hem. LEV 23:31 Gij moogt niet werken. Dat is een blijvende wet, al uw geslachten door, waar ge ook woont. LEV 23:32 Het is grote sabbat voor u en ge moet uzelf kastijden; van de avond van de negende dag van die maand tot de volgende avond moet gij sabbat houden. LEV 23:33 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 23:34 Zeg aan de Israëlieten: Op de vijftiende dag van de zevende maand begint het loofhuttenfeest ter ere van Jahwe, dat zeven dagen duurt. LEV 23:35 De eerste dag is een heilige dag; ge moogt dan niet werken. LEV 23:36 Zeven dagen achtereen moet ge offers opdragen aan Jahwe. De achtste dag is voor u een heilige dag; ook dan moet ge offers opdragen aan Jahwe. Dat is het slotfeest; ge moogt dan niet werken. LEV 23:37 Dat zijn de feesten ter ere van Jahwe, die ge als heilige dagen moet vieren en waarop gij hem offers moet brengen: brandoffers, meeloffers, slachtoffers en plengoffers, al naar gelang de verschillende dagen. LEV 23:38 Daarbij zijn de sabbatdagen ter ere van Jahwe en de gaven die gij hem als gelofteoffers of als vrije gaven aanbiedt, niet meegerekend. LEV 23:39 Op de vijftiende dag van de zevende maand, als de oogst van het land is gehaald, moet bij zeven dagen het feest van Jahwe vieren. LEV 23:40 Haal op de eerste dag citrusvruchten, palmblaren, twijgen van loofbomen en wilgetakken bijeen en wees vol vreugde voor Jahwe uw God, zeven dagen lang. LEV 23:41 Ieder jaar moet gij zeven dagen feest vieren voor Jahwe; dat is een blijvende wet, al uw geslachten door. In de zevende maand moet gij dat feest vieren. LEV 23:42 Zeven dagen achtereen moet ge in loofhutten wonen; iedere geboren Israëliet moet in een loofhut wonen. LEV 23:43 Dan zullen de komende geslachten blijven beseffen, dat Ik de Israëlieten in loofhutten heb doen wonen, toen Ik hen uit Egypte leidde. Ik ben Jahwe uw God. LEV 23:44 Zo maakte Mozes de feestdagen van Jahwe aan de Israëlieten bekend. LEV 24:1 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 24:2 Geef de Israëlieten opdracht zuivere gestoten olijfolie te brengen voor de verlichting, om de luchter altijd brandend te houden. LEV 24:3 Aäron moet deze in de tent van de samenkomst, voor het voorhangsel waarachter de verbondsakte ligt, van de avond tot de morgen altijd brandend houden voor Jahwe. Dat is een blijvende wet, al uw geslachten door. LEV 24:4 Hij moet de lampen plaatsen op de luchter van zuiver goud, om ononderbroken voor Jahwe te branden. LEV 24:5 Van bloem moet gij twaalf broden bakken, elk van twee issaron. LEV 24:6 Die moet gij in twee rijen van zes voor Jahwe op de tafel van zuiver goud leggen. LEV 24:7 Bij elke rij moet gij zuivere wierook doen. Zo wordt het brood een heilig teken, een offergave voor Jahwe. LEV 24:8 Elke sabbat moet men verse broden voor Jahwe neerleggen uit naam van de Israëlieten; dat is een blijvende verplichting. LEV 24:9 De broden komen toe aan Aäron en zijn zonen; zij moeten ze eten op een heilige plaats, want ze zijn hoogheilig. Dat is hun blijvend deel van de offergaven voor Jahwe. LEV 24:10 Een zeker iemand, de zoon van een Israëlitische moeder en een Egyptische vader, mengde zich eens onder de Israëlieten. In het kamp raakte hij slaags met een Israëliet. LEV 24:11 Toen de zoon van de Israëlitische vrouw begon te vloeken en de naam verwenste, bracht men hem bij Mozes. Zijn moeder heette Selomit; zij was een dochter van Dibri, uit de stam Dan. LEV 24:12 Hij werd gevangen gezet, in afwachting van de beslissing van Jahwe. LEV 24:13 En Jahwe sprak tot Mozes: LEV 24:14 Breng de man, die mij verwenst heeft, buiten het kamp. Allen die het gehoord hebben, moeten hun hand op zijn hoofd leggen; daarna moet heel de gemeenschap hem stenigen. LEV 24:15 En tot de Israëlieten moet gij zeggen: Ieder die zijn God verwenst, zal daarvoor boeten. LEV 24:16 Wie de naam van Jahwe vervloekt, moet ter dood gebracht worden: heel de gemeenschap moet hem stenigen. Zowel de geboren Israëliet als de vreemdeling die de naam heeft vervloekt, moet ter dood gebracht worden. LEV 24:17 Ieder die een mens doodslaat, moet ter dood gebracht worden, en wie een dier doodslaat, moet het vergoeden: LEV 24:18 een leven voor een leven. LEV 24:19 Wie een volksgenoot letsel toebrengt, moet zelf ondergaan wat hij de ander aandeed: LEV 24:20 een wond voor een wond, een oog voor een oog, een tand voor een tand; het letsel dat hij de ander toebracht, moet hijzelf ondergaan. LEV 24:21 Wie een dier doodslaat, moet het vergoeden, maar wie een mens doodslaat, moet ter dood gebracht worden. LEV 24:22 Hetzelfde recht geldt voor de vreemdeling en voor de geboren Israëliet. Ik ben Jahwe uw God. LEV 24:23 Nadat Mozes dit had meegedeeld, brachten de Israëlieten de man, die Jahwe verwenst had, buiten het kamp en stenigden hem. De Israëlieten deden wat Jahwe aan Mozes had geboden. LEV 25:1 Jahwe sprak tot Mozes op de Sinaï: LEV 25:2 Zeg aan de Israëlieten: Wanneer gij in het land komt dat Ik u schenk, moet het land sabbat houden ter ere van Jahwe. LEV 25:3 Zes jaar kunt ge uw akkers inzaaien, zes jaar kunt ge uw wijngaarden snoeien en de oogst binnenhalen, LEV 25:4 maar in het zevende jaar zal het grote sabbat zijn voor het land. Dan moogt gij uw akker niet inzaaien, uw wijngaard niet snoeien, LEV 25:5 de nagroei van het vorige gewas niet oogsten en de druiven van uw ongesnoeide wijngaard niet plukken. Het land zal een heel jaar sabbat houden. LEV 25:6 Wat het land tijdens de sabbat uit zichzelf voortbrengt, zal voldoende zijn om uw slaaf en slavin, de dagloners en de buitenlanders, die bij u wonen, te voeden. LEV 25:7 Ook uw vee en de andere dieren in uw land zullen daarvan kunnen eten. LEV 25:8 Na verloop van zeven sabbatjaren, zevenmaal zeven jaar, tezamen negenenveertig jaar, LEV 25:9 moet gij op de dag van verzoening, de tiende dag van de zevende maand, luid de bazuin laten klinken. In heel uw land moet gij de bazuin laten schallen. LEV 25:10 Dat vijftigste jaar moet een heilig jaar voor u zijn; dan moet ge in het land afkondigen dat alle bewoners hun slaven vrijlaten. Het moet een jobeljaar voor u zijn; iedereen wordt hersteld in zijn vroeger bezit en keert terug naar zijn familie. LEV 25:11 Het vijftigste jaar is een jobeljaar voor u; ge moogt dan niet zaaien, de nagroei niet oogsten en de druiven van uw ongesnoeide wijngaard niet plukken, LEV 25:12 want het is het jobeljaar; dat moet heilig voor u zijn. Alleen wat het land uit zichzelf voortbrengt, moogt ge eten. LEV 25:13 In het jobeljaar zal iedereen in zijn vroeger bezit worden hersteld. LEV 25:14 Wanneer gij een stuk grond verkoopt aan een volksgenoot of grond van hem koopt, moogt ge elkaar niet benadelen. LEV 25:15 Koopt gij grond van een volksgenoot, dan moet ge bij het vaststellen van de prijs rekening houden met het aantal jaren sinds het laatste jobeljaar. En hij moet de verkoopprijs berekenen naar het aantal jaren, dat het nog oogst opbrengt. LEV 25:16 De prijs zal hoger zijn, als er nog veel jaren komen, en lager, als er weinig jaren moeten verstrijken, want hij verkoopt u een aantal oogstjaren. LEV 25:17 Benadeel uw volksgenoot niet; heb eerbied voor uw God. Ik ben Jahwe uw God. LEV 25:18 Volbreng mijn geboden en onderhoud mijn wetten. Dan zult gij ongestoord wonen in het land. LEV 25:19 Het land zal rijke vrucht opbrengen, zodat gij volop te eten hebt; ongestoord zult gij er wonen. LEV 25:20 En denkt ge soms: `Wat moeten wij in het zevende jaar eten, als we niet zaaien en geen oogst binnenhalen?', LEV 25:21 wees er dan van verzekerd, dat Ik u in het zesde jaar zo zal zegenen, dat de oogst voor drie jaar genoeg zal zijn. LEV 25:22 Als ge het achtste jaar zaait, zult ge nog steeds eten van de oude oogst. En ge zult daar nog van eten, als ge de oogst van het negende jaar binnenhaalt. LEV 25:23 Verkoop van land mag terugkoop niet uitsluiten, want het land behoort aan Mij; gij zijt er vreemdelingen en gasten. LEV 25:24 Op alle land dat gij bezit, moet ge een recht van terugkoop toestaan. LEV 25:25 Raakt uw broeder in moeilijkheden, zodat hij een deel van zijn grond moet verkopen, dan moet zijn naaste verwant de grond die zijn broeder verkocht heeft, terugkopen. LEV 25:26 Heeft hij niemand die het voor hem terugkoopt, maar gaat het hem zo goed, dat hij zelf weer in staat is de grond terug te kopen, LEV 25:27 dan moet hij het aantal jaren sinds de verkoop in mindering brengen op de verkoopprijs en het verschil terugbetalen aan de man, aan wie hij de grond had verkocht: dan krijgt hij zijn grond weer terug. LEV 25:28 Is hij niet in staat om terug te kopen, dan blijft het verkochte tot het jobeljaar in het bezit van de koper. Maar in het jobeljaar komt het vrij; dan wordt hij in zijn bezit hersteld. LEV 25:29 Verkoopt iemand een woonhuis in een ommuurde stad, dan kan hij het alleen gedurende het eerste jaar na de verkoop terugkopen; alleen die tijd heeft hij recht van terugkoop. LEV 25:30 Is het huis in de ommuurde stad na verloop van een jaar niet teruggekocht, dan blijft het voor altijd eigendom van de koper. Het recht van terugkoop is vervallen; ook in het jobeljaar komt het niet vrij. LEV 25:31 Huizen in niet ommuurde dorpen horen bij de landerijen; het recht van terugkoop blijft en in het jobeljaar komen zij vrij. LEV 25:32 De levieten behouden altijd het recht om de huizen, die zij in de levietensteden bezitten, terug te kopen. LEV 25:33 Heeft een leviet in een stad, waar hij bezitsrechten heeft, een huis verkocht en is hij niet in staat het terug te kopen, dan komt dat huis in het jobeljaar vrij; want in de levietensteden van Israël behoren de huizen aan de levieten. LEV 25:34 Ook de weidegrond rond die steden mag niet worden verkocht; het is hun bezit voor altijd. LEV 25:35 Vervalt uw broeder tot armoede en kan hij zich niet handhaven, dan moet gij hem hulp bieden, zodat hij bij u kan leven, op dezelfde wijze als een vreemdeling of een buitenlander. LEV 25:36 Uit eerbied voor uw God moogt gij van uw broeder geen rente of toeslag vragen, zodat hij bij u kan blijven leven. LEV 25:37 Leen hem geld zonder rente en geef hem te eten zonder toeslag. LEV 25:38 Ik ben Jahwe uw God; Ik heb u uit Egypte geleid om u Kanaän te geven en uw God te zijn. LEV 25:39 Vervalt uw broeder tot zo grote armoede dat hij zich aan u moet verkopen, behandel hem dan niet als een slaaf; LEV 25:40 beschouw hem als een dagloner of een buitenlander. Hij moet tot het jobeljaar in dienst blijven; LEV 25:41 dan kan hij met zijn kinderen van u heengaan: hij kan terugkeren naar zijn familie en wordt in zijn bezit hersteld. LEV 25:42 Want zij zijn dienaren van Mij: Ik heb hen uit egypte geleid. Zij kunnen niet als slaaf worden verkocht. LEV 25:43 Uit eerbied voor uw God moogt gij hem niet tiranniseren. LEV 25:44 Hebt gij slaven of slavinnen nodig, koop ze dan in het buitenland LEV 25:45 of koop buitenlanders, die bij u wonen, of kinderen die zij bij u in het land hebben gekregen. Die kunt gij als slaven bezitten LEV 25:46 en aan uw kinderen als erfgoed nalaten; die kunt ge voor altijd als slaven in dienst houden. Maar niemand van u mag een broeder, een Israëliet tiranniseren. LEV 25:47 Als een buitenlander die bij u woont rijk wordt en uw broeder vervalt tot zo grote armoede dat hij zich aan hem of aan iemand van diens familie verkoopt, LEV 25:48 dan heeft hij daarna recht van vrijkoop. Een van zijn verwanten moet hem vrijkopen; LEV 25:49 zijn oom, diens zoon of iemand anders van zijn naaste familie. Is hij zelf weer bemiddeld geworden, dan kan hij zichzelf vrij kopen. LEV 25:50 Hij moet met de koper de tijd tussen het jaar van de verkoop en het jobeljaar berekenen en in overeenstemming daarmee de prijs van de verkoop bepalen. Voor de jaren dat hij bij hem gewerkt heeft, geldt het tarief van een dagloner. LEV 25:51 Resten er nog veel jaren tot aan het jobeljaar, dan moet hij een evenredig deel van de koopsom als losprijs betalen. LEV 25:52 Resten er nog weinig jaren, ook dan moet de losprijs in overeenstemming daarmee worden berekend. LEV 25:53 De tijd dat hij bij hem is, moet hij behandeld worden als een dagloner; hij mag onder uw ogen niet worden getiranniseerd. LEV 25:54 Wordt hij op geen van deze manieren losgekocht, dan komt hij met zijn kinderen vrij in het jobeljaar. LEV 25:55 Want de Israëlieten zijn dienaren van Mij; Ik heb hen uit Egypte geleid. Ik ben Jahwe uw God. LEV 26:1 Gij moogt in uw land geen afgodsbeelden maken, geen gebouwen godenbeelden of wijstenen oprichten en geen stenen met beeldwerk plaatsen om u daarvoor neer te buigen. Ik ben Jahwe uw God. LEV 26:2 Onderhoud mijn sabbatten en heb eerbied voor mijn heiligdom. Ik ben Jahwe. LEV 26:3 Als ge uw leven richt naar mijn wetten en mijn geboden nauwgezet volbrengt, LEV 26:4 dan zal Ik u regen geven op de juiste tijd, zodat uw land rijke oogst oplevert en uw boomgaarden overvloedig vrucht dragen. LEV 26:5 Dan duurt het dorsen tot aan het plukken der druiven, en het druiven plukken tot de zaaitijd. Dan zult ge volop te eten hebben en ongestoord wonen in uw land. LEV 26:6 Dan breng Ik vrede over het land en kunt gij slapen zonder dat iemand u opschrikt. Wilde dieren houd Ik weg uit uw land en het zwaard dringt er niet door. LEV 26:7 Uw vijanden jaagt gij op de vlucht; zij vallen door uw zwaard. LEV 26:8 Vijf van u achtervolgen er honderd, honderd achtervolgen er tienduizend; de vijanden vallen door uw zwaard. LEV 26:9 Ik blijf u mijn gunsten schenken; Ik maak u vruchtbaar en talrijk. Mijn verbond met u blijf Ik trouw. LEV 26:10 Terwijl gij nog eet van de vorige oogst, zult gij uw voorraden al weg moeten doen voor de nieuwe oogst. LEV 26:11 Midden onder u plaats Ik mijn woning; Ik keer mij nooit van u af. LEV 26:12 Overal ga Ik met u mee: Ik zal uw God zijn en gij mijn volk. LEV 26:13 Ik ben Jahwe uw God, die u uit Egypte heb geleid, zodat gij geen slaven meer hoeft te zijn. Ik heb de stangen van uw juk gebroken en u rechtop doen gaan. LEV 26:14 Maar als gij Mij niet gehoorzaamt en deze geboden niet onderhoudt, LEV 26:15 u van mijn wetten niets aantrekt en mijn beslissingen afwijst, als ge mijn geboden niet onderhoudt en ontrouw wordt aan mijn verbond, LEV 26:16 weet dan wat Ik met u ga doen. Ellende breng Ik over u. Tering en brandende koorts ontnemen uw ogen het licht en tasten uw levenskracht aan. Zaait gij, dan is het voor niets; uw vijanden eten het op. LEV 26:17 Ikzelf treed tegen u op, zodat gij valt onder de slagen van uw vijand. Die u haten, heersen over u. Gij slaat op de vlucht, ook als niemand u achtervolgt. LEV 26:18 En als gij Mij ondanks dat alles nog niet gehoorzaamt, zal Ik u zevenvoudig tuchtigen om uw zonden. LEV 26:19 Uw trotse kracht zal Ik breken. De hemel boven u maak Ik als ijzer, de aarde beneden u als koper. LEV 26:20 Vergeefs put gij uw krachten uit; uw land brengt niets op, uw boomgaard evenmin. LEV 26:21 En blijft gij u dan nog tegen Mij verzetten en weigeren Mij te gehoorzamen, dan zal Ik u opnieuw zevenvoudig slaan om uw zonden. LEV 26:22 Wilde dieren stuur Ik op u af, die u van uw kinderen beroven en uw vee verscheuren. Zij dunnen uw rijen zo uit, dat uw wegen verlaten zijn. LEV 26:23 En als ge dan door dit alles nog niet wijzer zijt geworden en u tegen Mij blijft verzetten, LEV 26:24 dan zal ook Ik hard tegen u zijn. Ik zal u zevenvoudig slaan om uw zonden. LEV 26:25 Het zwaard roep Ik tegen u op om de schending van het verbond te wreken. Kruipt gij bijeen in uw steden, dan laat Ik de pest op u los, zodat gij in de macht van uw vijanden valt. LEV 26:26 En als Ik voor u geen brood op de plank heb, zullen tien vrouwen in een oven bakken en het brood in porties verdelen. Gij zult wel eten, maar niet genoeg krijgen. LEV 26:27 Gehoorzaam gij ondanks dat alles nog niet en blijft gij u tegen Mij verzetten, LEV 26:28 dan blijf Ik in mijn toorn ook hard tegen u. Zevenvoudig tuchtig Ik u om uw zonden. LEV 26:29 Gij zult het vlees eten van uw zonen en dochters. LEV 26:30 Uw offerhoogten verwoest Ik, uw wierookaltaren haal Ik omver, uw gedenktekens smijt Ik op een hoop met die van uw afgoden, want Ik walg van u. LEV 26:31 Van uw steden maak Ik een woestijn, van uw heiligdommen een puinhoop. De geur van uw gaven kan Ik niet meer uitstaan. LEV 26:32 Als Ik eenmaal het land ga verwoesten, staan zelfs de vijanden die er wonen verbijsterd. LEV 26:33 Ik verstrooi u onder de volken en kom met getrokken zwaard achter u aan. Uw land wordt een woestenij, uw steden een puinhoop. LEV 26:34 Zolang het land verwoest ligt en gij bij uw vijanden woont, haalt het land zijn sabbatjaren in; het komt tot rust en haalt zijn sabbatjaren in. LEV 26:35 Al de tijd dat het in puin ligt, haalt het de rust in voor de sabbatjaren die het gemist heeft, toen ge er nog woonde. LEV 26:36 Die het overleven, sla Ik in het land van hun vijanden met schrik en beven. Als ze een opwaaiend blad horen ritselen, slaan zij al op de vlucht als voor het zwaard. Zij vallen neer, ofschoon niemand hen achtervolgd. LEV 26:37 Zij struikelen over elkaar als gingen zij op de vlucht voor het zwaard, al zit er niemand achter hen aan. Gij kunt tegen uw vijanden geen stand houden. LEV 26:38 Gij sterft uit onder de volken; het land van uw vijanden verslindt u. LEV 26:39 En die dat nog overleven, kwijnen in het land van hun vijanden weg om hun schuld en om die van hun voorvaderen. LEV 26:40 Dan zullen zij hun schuld en die van hun voorouders bekennen, hoe zij Mij ontrouw zijn geweest en tegen Mij in zijn gegaan, LEV 26:41 zodat ook Ik tegen hen ben ingegaan en hen in het land van hun vijanden gebracht heb. En als hun onbesneden hart zich zo vernedert en zij voor hun schuld boeten, LEV 26:42 dan zal Ik weer denken aan mijn verbond met Jakob, denken aan mijn verbond met Isaak en Abraham, en aan het land. LEV 26:43 Het land zal verlaten zijn en, zolang het door hun afwezigheid braak ligt, de sabbatjaren inhalen. Zij boeten ondertussen voor hun schuld, omdat zij mijn uitspraken hebben veracht en mijn wetten hebben verworpen. LEV 26:44 Maar zelfs als zij in het land van hun vijanden zijn, zal Ik in mijn verachting en afschuw tegenover hen niet zo ver gaan, dat Ik een eind aan hen maak; dan zou Ik ontrouw zijn aan mijn verbond met hen. Ik ben Jahwe uw God. LEV 26:45 Ik zal weer denken aan het verbond met hun voorvaderen, die Ik onder de ogen van de volken uit Egypte heb geleid, en Ik zal hun God zijn. Ik, Jahwe. LEV 26:46 Dat zijn de geboden, wetten en onderrichtingen, waardoor Jahwe door bemiddeling van Mozes de verhouding tussen Hem en de Israëlieten omschreef. LEV 27:1 Jahwe sprak tot Mozes: LEV 27:2 Zeg aan de Israëlieten: Als iemand een mensenleven belooft, omgerekend in geldswaarde, LEV 27:3 dan geldt bij de omrekening het volgende tarief: voor een mannelijk persoon tussen twintig en zestig jaar vijftig sikkel zilver, in heilige munt, LEV 27:4 voor een vrouwelijk persoon dertig sikkel, LEV 27:5 voor een mannelijk persoon van vijf tot twintig jaar twintig sikkel, voor een vrouwelijk persoon van dezelfde leeftijd tien sikkel, LEV 27:6 voor een mannelijk persoon tussen een maand en vijf jaar vijf sikkel zilver, voor een vrouwelijk persoon drie sikkel zilver, LEV 27:7 voor een mannelijk persoon boven de zestig jaar vijftien sikkel en voor een vrouwelijk persoon tien sikkel. LEV 27:8 Is iemand niet in staat het vastgestelde bedrag te betalen, dan moet men hem bij de priester brengen. Deze stelt een bedrag vast, dat degene die de gelofte heeft afgelegd, wel betalen kan. LEV 27:9 Betreft de gelofte een stuk vee, dat Jahwe als gave kan worden aangeboden, dan worden de dieren, die men Hem belooft, heilig. LEV 27:10 Men mag een goed dier niet vervangen door een slecht dier en een slecht dier niet omruilen voor een goed. Vervangt men een dier door een ander, dan zijn beiden heilig. LEV 27:11 Heeft hij een stuk vee beloofd, dat onrein is en Jahwe niet als gave kan worden aangeboden, dan moet hij het bij de priester brengen. LEV 27:12 Deze stelt vast, hoeveel het dier waard is, veel of weinig; het bedrag dat hij vaststelt is bindend. LEV 27:13 Wil men het dier loskopen, dan moet men het vastgestelde bedrag betalen, vermeerderd met een vijfde. LEV 27:14 Als iemand zijn huis aan Jahwe toeheiligt, dan stelt de priester vast, hoeveel het waard is, veel of weinig; het bedrag dat hij vaststelt is bindend. LEV 27:15 Wil degene die zijn huis aan Jahwe toeheiligde, het weer terugkopen, dan moet hij het vastgestelde bedrag betalen, vermeerderd met een vijfde, dan is het weer van hem. LEV 27:16 Wil iemand een stuk land aan Jahwe wijden, dan moet de waarde ervan worden afgemeten naar het benodigde zaaigoed: per ezelslast zaaigerst vijftig sikkel zilver. LEV 27:17 Wijdt hij zijn land in het jobeljaar aan Jahwe, dan geldt hetzelfde bedrag. LEV 27:18 Doet hij dat buiten het jobeljaar, dan moet de priester het aantal jaren tot het volgend jobeljaar in mindering brengen op het vastgestelde bedrag. LEV 27:19 Wil iemand het stuk land dat hij aan Jahwe gewijd heeft, terugkopen, dan moet hij het vastgestelde bedrag betalen, vermeerderd met een vijfde; dan is het land weer van hem. LEV 27:20 Koopt hij het stuk land niet terug en wordt het aan iemand anders verkocht, dan vervalt het recht van terugkoop. LEV 27:21 Als het stuk land in het jobeljaar vrijkomt, wordt het heilige grond, zoals een stuk land dat door ban-gelofte aan Jahwe gewijd is: het wordt eigendom van de priester. LEV 27:22 Wijdt iemand aan Jahwe een stuk land, dat hij gekocht heeft en dat dus geen familiebezit was, LEV 27:23 dan moet de priester bij het vaststellen van het bedrag rekening houden met het aantal jaren tot het volgende jobeljaar. Dezelfde dag nog moet het vastgestelde bedrag betaald worden. Het is heilig en behoort aan Jahwe. LEV 27:24 In het jobeljaar wordt het land weer eigendom van de verkoper, tot wiens familiebezit het behoord heeft. LEV 27:25 Alle bedragen moeten worden vastgesteld volgens de sikkel van het heiligdom, twintig gera de sikkel. LEV 27:26 De eerstgeborenen van het vee, van runderen of schapen, behoren aan Jahwe; men kan ze dus niet aan Hem wijden. Dat rund of dat schaap behoort reeds aan Hem. LEV 27:27 Is het dier een onrein dier, dan kan men het loskopen voor het vastgestelde bedrag, vermeerderd met een vijfde. Wordt het niet losgekocht, dan moet het voor het vastgestelde bedrag verkocht worden. LEV 27:28 Wijdt iemand iets van zijn bezit door de ban aan Jahwe, mensen, vee of land, dan mag dat niet worden verkocht of teruggekocht. Alles wat door de ban is gewijd, is hoogheilig en behoort aan Jahwe. LEV 27:29 Een mens, die onder de ban ligt, kan niet worden vrijgekocht; hij moet ter dood worden gebracht. LEV 27:30 De tienden van wat het land aan koren of boomvruchten opbrengt, behoren aan Jahwe; ze zijn Hem gewijd. LEV 27:31 Wil iemand iets van zijn tienden terugkopen, dan wordt de prijs met een vijfde verhoogd. LEV 27:32 Elk tiende dier van runderen of kleinvee, dat onder de herdersstaf doorgaat, is aan Jahwe gewijd. LEV 27:33 Daarbij wordt niet gelet op betere of mindere kwaliteit; ook mag men de dieren niet omwisselen. Doet men dat toch, dan zijn beide dieren gewijd; ze kunnen niet worden teruggekocht. LEV 27:34 Dit zijn de geboden, die Jahwe op de Sinaï door Mozes aan de Israëlieten heeft gegeven. NUMERI NUM 1:1 Jahwe sprak tot Mozes, in de woestijn van de Sinaï, in de tent van de samenkomst. Het was de eerste dag van de tweede maand in het tweede jaar na hun uittocht uit Egypte. Jahwe zei: NUM 1:2 In heel de gemeenschap van de Israëlieten moet gij, naar geslachten en families, een telling houden van alle mannelijke personen zonder uitzondering, NUM 1:3 van de weerbare mannen in Israël die twintig jaar en ouder zijn. Samen met Aäron moet gij hen inschrijven volgens de afdelingen waartoe zij behoren. NUM 1:4 Een man van iedere stam moet u behulpzaam zijn, iemand die het hoofd van een familie is. NUM 1:5 Dit zijn de namen van de mannen die u ter zijde moeten staan: voor Ruben Elisur, zoon van Sedeur; NUM 1:6 voor Simeon Selumiël, zoon van Surisaddai; NUM 1:7 voor Juda Nachson, zoon van Amminadab; NUM 1:8 voor Issakar Netanel, zoon van Suar; NUM 1:9 voor Zebulon Eliab, zoon van Chelon; NUM 1:10 voor de afstammelingen van Jozef: voor Efraim Elisama, zoon van Ammihud, en voor Manasse Gamliël, zoon van Pedasur; NUM 1:11 voor Benjamin Abidan, zoon van Gidoni; NUM 1:12 voor Dan Achiëzer, zoon van Ammisaddai; NUM 1:13 voor Aser Pagiël, zoon van Okran; NUM 1:14 voor Gad Eljasaf, zoon van Deüel; NUM 1:15 voor Naftali Achira, zoon van Enan. NUM 1:16 Dat waren degenen die in de gemeenschap werden aangewezen; het waren vooraanstaande mannen in de stammen van hun vaderen, hoofden van geslachten in Israël. NUM 1:17 Mozes en Aäron namen de met name aangewezen mannen als helpers en NUM 1:18 riepen de hele gemeenschap bijeen op de eerste dag van de tweede maand. Alle personen van twintig jaar en ouder werden zonder uitzondering naar geslachten en families ingeschreven. NUM 1:19 Zo schreef Mozes hen in, overeenkomstig het bevel van Jahwe, in de woestijn van de Sinaï. NUM 1:20 De afstammelingen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, volgens geslachten en families, alle mannelijke personen zonder uitzondering, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, NUM 1:21 die ingeschreven werden in de stam Ruben, waren zesenveertigduizendvijfhonderd in getal. NUM 1:22 De afstammelingen van Simeon volgens geslachten en families, alle mannelijke personen zonder uitzondering, alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, NUM 1:23 die ingeschreven werden in de stam Simeon, waren negenenvijftigduizenddriehonderd in getal. NUM 1:24 De afstammelingen van Gad volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen NUM 1:25 die ingeschreven werden in de stam Gad, waren vijfenveertigduizendzeshonderdvijftig in getal. NUM 1:26 De afstammelingen van Juda volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen NUM 1:27 die ingeschreven werden in de stam Juda, waren vierenzeventigduizendzeshonderd in getal. NUM 1:28 De afstammelingen van Issakar volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen NUM 1:29 die ingeschreven werden in de stam Issakar, waren vierenvijftigduizendvierhonderd in getal. NUM 1:30 De afstammelingen van Zebulon, volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen NUM 1:31 die ingeschreven werden in de stam Zebulon waren zevenenvijftigduizendvierhonderd in getal. NUM 1:32 Wat de zonen van Jozef betrof, de afstammelingen van Efraim volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen NUM 1:33 die ingeschreven werden in de stam Efraim, waren veertigduizendvijfhonderd in getal; NUM 1:34 de afstammelingen van Manasse volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen NUM 1:35 die ingeschreven werden in de stam Manasse, waren tweeëndertigduizendtweehonderd in getal. NUM 1:36 De afstammelingen van Benjamin volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen NUM 1:37 die ingeschreven werden in de stam Benjamin, waren vijfendertigduizendvierhonderd in getal. NUM 1:38 De afstammelingen van Dan volgens geslachten en fami lies, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen NUM 1:39 die ingeschreven werden in de stam Dan, waren tweeënzes tigduizendzevenhonderd in getal. NUM 1:40 De afstammelingen van Aser volgens geslachten en fami lies, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen NUM 1:41 die ingeschreven werden in de stam Aser waren eenen veertigduizendvijfhonderd in getal. NUM 1:42 De afstammelingen van Naftali volgens geslachten en families, alle personen van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen NUM 1:43 die ingeschreven werden in de stam Naftali waren drieën vijftigduizendvierhonderd in getal. NUM 1:44 Dat waren degenen die Mozes en Aäron inschreven, bijge staan door de twaalf vooraanstaande mannen uit Israël, de verte genwoordigers van hun families. NUM 1:45 Het aantal Israëlieten van twintig jaar en ouder, alle weerbare mannen in Israël die volgens families werden ingeschre ven, NUM 1:46 bedroeg in totaal zeshonderddrieduizendvijfhonderdvijf tig. NUM 1:47 De levieten echter werden niet met de anderen volgens hun afstamming ingeschreven, NUM 1:48 want Jahwe had tot Mozes gezegd: NUM 1:49 De stam Levi moogt gij niet inschrijven en bij de Israëlieten tellen. NUM 1:50 Gij moet de levieten aanstellen over de woning met de verbondsakte en over heel de inboedel en alle toebehoren. Zij moeten de woning en heel de inboedel vervoeren. Zij zullen er dienst doen en rondom de woning hun kamp opslaan. NUM 1:51 Wanneer de woning optrekt, moeten de levieten ze uit elkaar nemen en wanneer de woning halt houdt, moeten de levieten ze weer opslaan. Een onbevoegde die er te dicht bij komt, moet gedood worden. NUM 1:52 De afdelingen van de Israëlieten moeten zich in hun eigen kamp en bij hun eigen banier legeren, NUM 1:53 maar de levieten moeten zich legeren rondom de woning met de verbondsakte; dan zal geen toorn de gemeenschap van de Israëlieten treffen. Zo moeten de levieten dienst doen bij de woning met de verbondsakte. NUM 1:54 Alles wat Jahwe aan Mozes had bevolen, brachten de Israëlieten stipt ten uitvoer. NUM 2:1 Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: NUM 2:2 De Israëlieten moeten zich legeren bij de tekens van hun families, ieder bij zijn eigen banier. Zij legeren zich rondom de tent van de samenkomst, maar op enige afstand. NUM 2:3 Aan de oostkant, daar waar de zon opgaat, legeren zich de groepen die onder de banier van het kamp Juda behoren. De leider van de Judeeërs was Nachson, zoon van Amminadab. NUM 2:4 Zijn leger bestond uit vierenzeventigduizendzeshonderd ingeschrevenen. NUM 2:5 Naast hen moet de stam Issakar zich legeren. De leider van de Issakarieten was Netanel, zoon van Suar. NUM 2:6 Zijn leger bestond uit vierenvijftigduizendvierhonderd ingeschrevenen. NUM 2:7 Dan komt de stam Zebulon. De leider van de Zebulonieten was Eliab, zoon van Chelon. NUM 2:8 Zijn leger bestond uit zevenenvijftigduizend ingeschre venen. NUM 2:9 Het aantal ingeschrevenen van de groepen in het kamp Juda bedroeg in totaal honderdzesentachtigduizend. Zij moeten het eerst opbreken. NUM 2:10 Aan de zuidkant moet de banier staan van het kamp van de Rubenieten, naar hun groepen geordend. NUM 2:11 De leider van de Rubenieten was Elisur, zoon van Sedeur. Zijn leger bestond uit zesenveertigduizendvijfhonderd ingeschre venen. NUM 2:12 Naast hen moet zich de stam Simeon legeren. De leider van de Simeonieten was Selumiël, zoon van Surisaddai. NUM 2:13 Zijn leger bestond uit negenenvijftigduizenddriehonderd ingeschrevenen. NUM 2:14 Dan komt de stam Gad. De leider van de Gadieten was Eljasaf, zoon van Reuël. NUM 2:15 Zijn leger bestond uit vijfenveertigduizendzeshonderd vijftig ingeschrevenen. NUM 2:16 Het aantal ingeschrevenen van de groepen in het kamp van Ruben bedroeg in totaal honderdeenenvijftigduizendvierhonderd vijftig. Hun onderdeel breekt als tweede op. NUM 2:17 Dan wordt de tent van de samenkomst opgebroken, het kamp van de levieten dat in het midden ligt. De volgorde waarin zij gelegerd zijn, ieder bij zijn banier, moet ook bij het opbreken gehandhaafd worden. NUM 2:18 Aan de westkant moet de banier staan van het kamp van de Efraimieten, naar hun groepen geordend. De leider van de Efrai mieten was Elisama, zoon van Ammihud. NUM 2:19 Zijn leger bestond uit veertigduizendvijfhonderd inge schrevenen. NUM 2:20 Naast hen moet zich de stam Manasse legeren. De leider van de Manassieten was Gamliël, zoon van Pedasur. NUM 2:21 Zijn leger bestond uit tweeëndertigduizendtweehonderd ingeschrevenen. NUM 2:22 Dan komt de stam Benjamin. De leider van de Benjaminie ten was Abidan, zoon van Gidoni. NUM 2:23 Zijn leger bestond uit vijfendertigduizendvierhonderd ingeschrevenen. NUM 2:24 Het aantal ingeschrevenen van de groepen in het kamp van Efraim bedroeg in totaal honderdachtduizendhonderd. Hun onderdeel breekt als derde op. NUM 2:25 Aan de noordkant moet de banier staan van het kamp van de Danieten, naar hun groepen geordend. De leider van de Danieten was Achiëzer, zoon van Ammisaddai. NUM 2:26 Zijn leger bestond uit tweeënzestigduizendzevenhonderd ingeschrevenen. NUM 2:27 Naast hen moet zich de stam Aser legeren. De leider van de Aserieten was Pagiël, zoon van Okran. NUM 2:28 Zijn leger bestond uit eenenveertigduizendvijfhonderd ingeschrevenen. NUM 2:29 Dan komt de stam Naftali. De leider van de Naftalieten was Achira, zoon van Enan. NUM 2:30 Zijn leger bestond uit drieënvijftigduizendvierhonderd ingeschrevenen. NUM 2:31 Het aantal ingeschrevenen van de groepen in het kamp van Dan bedroeg in totaal honderdzevenenvijftigduizendzeshonderd. Zij moeten als laatste groep opbreken. Naar de volgorde van de banieren breekt hun onderdeel als laatste op. NUM 2:32 Het aantal van de Israëlieten die, in de kampen naar groepen geordend, volgens hun families werden ingeschreven, bedroeg in totaal zeshonderddrieduizendvijfhonderdvijftig. NUM 2:33 Zoals Jahwe aan Mozes bevolen had, werden de levieten niet bij de Israëlieten ingeschreven. NUM 2:34 De Israëlieten hielden zich aan alles wat Jahwe aan Mozes bevolen had. Verdeeld naar hun banieren sloegen zij hun kamp op en op dezelfde wijze braken zij weer op, ieder bij zijn geslacht en bij zijn familie. NUM 3:1 Dit waren de afstammelingen van Aäron en Mozes toen Jahwe op de berg Sinaï tot Mozes sprak. NUM 3:2 De namen van de zonen van Aäron zijn Nadab, de eerstgeborene, en Abihu, Eleazar en Itamar. NUM 3:3 Zo heetten de zonen van Aäron, de gezalfde priesters, die aangesteld waren om de priesterlijke bediening te vervullen. NUM 3:4 Nadab en Abihu stierven voor het aanschijn van Jahwe, toen zij in de woestijn van de Sinaï met ongewijd vuur voor Hem verschenen. Zonen hadden zij niet. Zo bleven alleen Eleazar en Itamar het priesterschap uitoefenen, onder toezicht van hun vader Aäron. NUM 3:5 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 3:6 Laat de stam Levi naderbij komen en stel hen in dienst van Aäron, de priester. NUM 3:7 Voor hem en de hele gemeenschap moeten zij hun taak vervullen bij de tent van de samenkomst door dienst te doen bij de woning. NUM 3:8 Zij zullen zorg dragen voor heel de inboedel van de tent van de samenkomst en in naam van de Israëlieten een taak vervullen door dienst te doen bij de woning. NUM 3:9 Gij moet de levieten aan Aäron en zijn zonen ter beschik king stellen. Zij moeten hem onvoorwaardelijk, namens de Israë lieten, ten dienste staan. NUM 3:10 Aäron zelf en zijn zonen moet gij opdragen de priesterlijke bediening te vervullen. Zou een onbevoegde dat doen, dan moet hij gedood worden. NUM 3:11 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 3:12 Bij dezen zonder Ik uit de Israëlieten de levieten af als plaatsvervangers van alle eerstgeborenen, van allen die bij hen de moederschoot openen. De levieten behoren Mij toe, NUM 3:13 want Mij behoren alle eerstgeborenen; op de dag dat ik in Egypte als eerstgeborenen sloeg, heb Ik alles wat in Israël het eerst geboren wordt, bij mens en dier, voor Mijzelf bestemd. Mij behoren zij toe. Ik ben Jahwe. NUM 3:14 Jahwe sprak tot Mozes in de woestijn van de Sinaï: NUM 3:15 Gij moet alle mannelijke levieten van een maand en ouder inschrijven volgens hun families en geslachten. NUM 3:16 Mozes schreef hen in, zoals Jahwe hem bevolen had. NUM 3:17 Dit zijn de namen van de zonen van Levi: Gerson, Kehat en Merari. NUM 3:18 Dit zijn de namen van de geslachten van de Gersonieten: Libni en Simi; NUM 3:19 de geslachten van de Kehatieten zijn Amram, Jishar, Chebron en Uzziël; NUM 3:20 de geslachten van de Merarieten zijn Machli en Musi. Dat zijn de geslachten van de levieten. NUM 3:21 Tot Gerson behoorden de geslachten van de Libnieten en de Simieten; dat waren de geslachten van de Gersonieten. NUM 3:22 Het aantal mannelijke ingeschrevenen van een maand en ouder bedroeg in totaal zevenduizendvijfhonderd. NUM 3:23 De geslachten van de Gersonieten hadden hun kamp aan de westkant van de woning. NUM 3:24 De leider van de Gersonieten was Eljasaf, zoon van Laël. NUM 3:25 De Gersonieten moesten bij de tent van de samenkomst, bij de woning zowel als bij de tent, zorgen voor het dekkleed, voor het tapijt aan de ingang van de tent van de samenkomst, NUM 3:26 voor de gordijnen van de voorhof, voor het tapijt aan de ingang van de voorhof die rondom de woning en het altaar lag, en voor de touwen die daarbij nodig waren. Dat was hun werk. NUM 3:27 Tot Kehat behoorden de geslachten van de Amramieten, de Jisharieten, de Chebronieten en de Uzziëlieten; dat waren de geslachten van de Kehatieten. NUM 3:28 Het aantal mannelijke ingeschrevenen van een maand en ouder bedroeg in totaal achtduizendzeshonderd. Zij moesten zorgen voor het heiligdom. NUM 3:29 De geslachten van de Kehatieten hadden hun kamp aan de zuidkant van de woning. NUM 3:30 De leider van de geslachten van de Kehatieten was Elisafan, zoon van Uzziël. NUM 3:31 Zij moesten zorgen voor de ark, de tafel, de luchter, de altaren, de heilige voorwerpen die bij de dienst gebruikt worden, en het voorhangsel. Dat was hun werk. NUM 3:32 De voornaamste leider van de levieten was Eleazar, zoon van de priester Aäron. Hij had het toezicht over hen die met de zorg voor het heiligdom belast waren. NUM 3:33 Tot Merari behoorden de geslachten van de Machlieten en de Musieten; dat waren de geslachten van Merari. NUM 3:34 Het aantal mannelijke ingeschrevenen van een maand en ouder bedroeg in totaal zesduizendtweehonderd. NUM 3:35 De leider van de geslachten van Merari was Suriël, zoon van Abichail. Zij hadden hun kamp aan de noordkant van de woning. NUM 3:36 Aan de zorg van de Merarieten werden toevertrouwd de schotten van de woning, de bindlatten, de palen en de voetstukken en alle verdere benodigdheden. Dat was hun werk. NUM 3:37 Bovendien de palen van de omringende voorhof met voetstukken, pinnen en touwen. NUM 3:38 Aan de oostkant van de woning, voor de tent van de samenkomst, aan de kant waar de zon opgaat, hadden Mozes en Aäron en diens zonen hun kamp. Zij waren belast met de bediening van het heiligdom in naam van de Israëlieten. Zou een onbevoegde dat doen, dan moest hij gedood worden. NUM 3:39 Het aantal mannelijke levieten van een maand en ouder, die Mozes en Aäron op bevel van Jahwe volgens hun geslachten hadden ingeschreven, bedroeg in totaal tweeëntwintigduizend. NUM 3:40 Jahwe zei tot Mozes: Gij moet alle mannelijke eerstgeboren Israëlieten van een maand en ouder inschrijven en hun aantal vaststellen. NUM 3:41 Gij moet voor Mij - Ik ben Jahwe - de levieten afzonderen als plaatsvervangers van alle eerstgeboren Israëlieten en het vee van de levieten in plaats van al het eerstgeborene van het vee van de Israëlieten. NUM 3:42 Mozes schreef alle eerstgeboren Israëlieten in, zoals Jahwe hem bevolen had. NUM 3:43 Het aantal mannelijke eerstgeborenen van een maand en ouder, dat ingeschreven werd, bedroeg in totaal tweeëntwintigduizendtweehonderddrieënzeventig. NUM 3:44 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 3:45 Neem de levieten als plaatsvervangers van alle eerstgeboren Israëlieten en het vee van de levieten in plaats van hun vee. De levieten behoren Mij toe. Ik ben Jahwe. NUM 3:46 Voor de tweehonderddrieënzeventig eerstgeboren Israëlieten die er meer zijn dan het aantal levieten, NUM 3:47 moet gij vijf sikkel de man als losprijs innen, in sikkels van het heiligdom, twintig gera de sikkel. NUM 3:48 Dat geld moet gij aan Aäron en zijn zonen geven als losprijs voor hen die er meer waren dan het aantal dat vrijgekocht is. NUM 3:49 Mozes inde dat losgeld voor hen die het aantal van hen die door de levieten waren vrijgekocht, te boven gingen. NUM 3:50 Hij inde dat geld van de eerstgeboren Israëlieten, duizenddriehonderdvijfenzestig sikkel in sikkels van het heiligdom, NUM 3:51 en gaf het aan Aäron en diens zonen, zoals Jahwe hem bevolen had. NUM 4:1 Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: NUM 4:2 Onder de levieten moet gij een telling houden van de Kehatieten tussen dertig en vijftig jaar volgens hun geslachten en families, NUM 4:3 van allen die in aanmerking komen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst. NUM 4:4 De taak van de Kehatieten bij de tent van de samenkomst is de zorg voor het Allerheiligste. NUM 4:5 Wanneer het kamp wordt opgebroken, gaan Aäron en zijn zonen naar binnen, nemen het afsluitend voorhangsel weg en bedekken daarmee de ark met de verbondsakte. NUM 4:6 Zij leggen er een dekkleed van fijn leer over, spreiden daarover een blauwpurperen kleed uit en brengen de draagstokken aan. NUM 4:7 Over de tafel van de toonbroden spreiden zij een blauwpurperen kleed uit en plaatsen daarop de schotels, schalen, kommen en kannen voor het plengoffer; de toonbroden moeten erop liggen. NUM 4:8 Daaroverheen spreiden zij een karmozijnen kleed uit, bedekken dit met een kleed van fijn leer en brengen de draagstokken aan. NUM 4:9 Met een blauwpurperen kleed bedekken zij de luchter, samen met zijn lampen, snuiters, bakjes en alles wat voor het branden van olie nodig is. NUM 4:10 Zij omhullen die luchter met alle toebehoren met een kleed van fijn leer en zetten alles op een draagbaar. NUM 4:11 Over het gouden altaar spreiden zij een blauwpurperen kleed uit, bedekken het met een kleed van fijn leer en brengen de draagstokken aan. NUM 4:12 Alles wat zij bij hun dienst in het heiligdom gebruiken, plaatsen zij op een blauwpurperen kleed, bedekken het met een kleed van fijn leer en zetten het op een draagbaar. NUM 4:13 Het altaar reinigen zij van de vettige as en spreiden er een karmijnrood kleed over uit. NUM 4:14 Alles wat zij bij de dienst van het altaar gebruiken, zetten zij daarop: de vuurpotten, de vorken, de schoppen en de offerschalen, al de benodigdheden voor het altaar. Zij spreiden er een kleed van fijn leer over uit en brengen de draagstokken aan. NUM 4:15 Wanneer het kamp opbreekt, moeten Aäron en zijn zonen klaar zijn met het bedekken van het heilige en van alle heilige voorwerpen; dan pas mogen de Kehatieten binnenkomen om ze te dragen. Zij mogen het heilige niet aanraken: zij zouden sterven. Deze voorwerpen van de tent van de samenkomst moeten de Kehatieten dragen. NUM 4:16 Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft toezicht op de olie voor de lampen, op het geurige reukwerk, op het dagelijks meeloffer en op de zalfolie, op heel de woning en al wat er in is, het heilige en al wat erbij hoort. NUM 4:17 Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: NUM 4:18 Gij moet er voor zorgen, dat de Kehatitische tak van de levieten niet uitsterft. NUM 4:19 Willen zij in leven blijven en niet omkomen, wanneer zij het hoogheilige naderen, dan moet gij het volgende voor hen doen. Aäron en zijn zonen moeten aan ieder van hen zijn taak bij het dragen aanwijzen. NUM 4:20 Zij mogen er niet binnengaan. Zij zouden sterven, als zij het heilige maar een ogenblik zagen. NUM 4:21 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 4:22 Houd een telling van de Gersonieten volgens hun families en geslachten. NUM 4:23 Alle mannen van dertig tot vijftig jaar, die in aanmerking komen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst, moet gij inschrijven. NUM 4:24 Het werk van de geslachten van de Gersonieten, hun taak bij het vervoer, bestaat hierin: NUM 4:25 zij moeten de tentkleden van de woning, de tent van de samenkomst, dragen: het dekkleed en het kleed van fijn leer dat daaroverheen ligt, het tapijt aan de ingang van de tent van de samenkomst, NUM 4:26 de gordijnen van de voorhof, het tapijt aan de ingang van de voorhof die om de woning en het altaar ligt, en de touwen die erbij horen. Alles wat voor het werk nodig is, moeten zij verrichten. NUM 4:27 Al het werk van de Gersonieten, al hun werk bij het vervoer moet gebeuren volgens de aanwijzingen van Aäron en zijn zonen. Gij moet alles wat zij te dragen hebben, nauwkeurig aangeven. NUM 4:28 Dat is de taak van de geslachten van de Gersonieten bij de tent van de samenkomst. Bij de uitoefening van hun dienst staan zij onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron. NUM 4:29 Ook de Merarieten moet gij volgens hun geslachten en families inschrijven. NUM 4:30 Alle mannen van dertig tot vijftig jaar, die in aanmerking komen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst, moet gij inschrijven. NUM 4:31 Hun taak bij het vervoer en hun dienst bij de tent van de samenkomst bestaat hierin: zij moeten zorgen voor de schotten van de woning met de bindlatten, palen en voetstukken, NUM 4:32 voor de palen van de rondom liggende voorhof met de voetstukken, pinnen, touwen en alles wat daarbij hoort. Dat is hun werk. Alle voorwerpen waarvan zij het vervoer te verzorgen hebben, moet gij nauwkeurig aangeven. NUM 4:33 Dat is de taak van de geslachten van de Merarieten, geheel hun werk bij de tent van de samenkomst, onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron. NUM 4:34 Mozes en Aäron en de leiders van de gemeenschap schreven de Kehatieten in volgens hun geslachten en families, NUM 4:35 allen van dertig tot vijftig jaar, allen die in aanmerking kwamen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst. NUM 4:36 Het aantal van hen die volgens hun geslachten waren ingeschreven, bedroeg tweeduizendzevenhonderdvijftig. NUM 4:37 Dat waren degenen van de geslachten van de Kehatieten die dienst moeten doen bij de tent van de samenkomst en die door Mozes en Aäron volgens het bevel van Jahwe waren ingeschreven. NUM 4:38 Het aantal Gersonieten van dertig tot vijftig jaar die, volgens hun geslachten en families, NUM 4:39 waren ingeschreven, allen die in aanmerking kwamen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst NUM 4:40 en die volgens hun geslachten en families waren ingeschreven, bedroeg tweeduizendzeshonderdzestig. NUM 4:41 Dat waren degenen van de geslachten van de Gersonieten die dienst moeten doen bij de tent van de samenkomst en die door Mozes en Aäron volgens het bevel van Jahwe waren ingeschreven. NUM 4:42 Het aantal Merarieten van dertig tot vijftig jaar die, volgens hun geslachten en families, NUM 4:43 waren ingeschreven, het aantal van allen die in aanmerking kwamen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst NUM 4:44 en die volgens hun geslachten en families waren ingeschreven, bedroeg drieduizendtweehonderd. NUM 4:45 Dat waren degenen van de geslachten van de Merarieten, die Mozes en Aäron hadden ingeschreven, volgens het bevel van Jahwe dat door Mozes was overgebracht. NUM 4:46 Het aantal levieten die Mozes en Aäron en de leiders van Israël volgens hun geslachten hadden ingeschreven, NUM 4:47 allen van dertig tot vijftig jaar, het aantal van allen die in aanmerking kwamen om dienst te doen bij de tent van de samenkomst en voor het vervoer, NUM 4:48 bedroeg in totaal achtduizendvijfhonderdtachtig. NUM 4:49 Op bevel van Jahwe werd onder leiding van Mozes aan ieder van hen zijn taak bij het vervoer aangewezen. Zij werden aangesteld zoals Jahwe het aan Mozes bevolen had. NUM 5:1 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 5:2 Geef de Israëlieten het volgend bevel: zij moeten iedere melaatse, ieder die aan druiper lijdt en ieder die onrein is geworden door contact met een lijk, uit het kamp sturen. NUM 5:3 Dat geldt voor mannen en vrouwen. Gij moet hen het kamp uitsturen, want anders verontreinigen zij het kamp, waar Ik in hun midden woon. NUM 5:4 De Israëlieten deden dit en stuurden hen het kamp uit. Wat Jahwe tot Mozes gezegd had, brachten de Israëlieten ten uitvoer. NUM 5:5 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 5:6 Zeg aan de Israëlieten: Wanneer een man of vrouw een zonde tegen zijn evenmens bedrijft en daardoor tegen Jahwe misdoet, dan laadt die persoon schuld op zich. NUM 5:7 Dan moeten zij de zonde die zij bedreven hebben, belijden en de hele schuld vermeerderd met een vijfde terugbetalen aan degene die zij benadeeld hebben. NUM 5:8 Heeft de benadeelde geen erfgenaam aan wie het verschuldigde terugbetaald kan worden, dan moet het aan Jahwe betaald worden en de priester ten goede komen, afgezien van de ram waarmee deze voor hem de verzoening voltrekt. NUM 5:9 Van alle heilige gaven waarmee de Israëlieten naar de priester komen, is een deel voor de priester bestemd. NUM 5:10 Verder blijven de heilige gaven eigendom van de persoon die ze aanbiedt, en krijgt de priester nog wat men hem wil geven. NUM 5:11 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 5:12 Zeg aan de Israëlieten: Wanneer iemands vrouw zich heeft vergeten en ontrouw is geweest, NUM 5:13 doordat een andere man gemeenschap met haar heeft gehad, en haar eigen man het niet weet, omdat haar misstap verborgen is gebleven en geen getuige haar heeft betrapt en aangeklaagd, NUM 5:14 en wanneer haar man haar in een vlaag van jaloezie gaat verdenken, terwijl ze de misstap inderdaad heeft begaan, of ook wanneer hij haar in een vlaag van jaloezie gaat verdenken, terwijl ze die misstap niet heeft begaan, NUM 5:15 dan moet die man zijn vrouw bij de priester brengen en voor haar een tiende efa gerstemeel als offergave meebrengen. Hij giet er geen olie over uit en voegt er geen wierook aan toe, want het is een offer van jaloezie, dat de zonde in herinnering brengt. NUM 5:16 De priester roept de vrouw naar voren en plaatst haar voor Jahwe. NUM 5:17 Vervolgens neemt hij een aarden kruik met heilig water en voegt wat stof van de vloer van de woning bij het water. NUM 5:18 Wanneer de priester de vrouw dan voor Jahwe heeft geplaatst, maakt hij haar hoofdhaar los en legt in haar handen het herinneringsoffer - het offer van de jaloezie - terwijl hijzelf het bittere, vloekbrengende water in de hand houdt. NUM 5:19 Dan spreekt de priester over de vrouw een bezwering uit en zegt tot haar: `Indien geen andere man gemeenschap met u heeft gehad en u zich als gehuwde vrouw niet misdragen of verontreinigd hebt, zal dit bittere vloekbrengende water u niet deren. NUM 5:20 Maar indien u zich als gehuwde vrouw wel misdragen of verontreinigd hebt, doordat een andere man gemeenschap met u gehad heeft - NUM 5:21 nu bezweert de priester de vrouw met de vloek en zegt tot haar - dan zal Jahwe uw naam bij uw volk tot een vloek en verwensing maken: hij zal uw heupen laten invallen en uw buik laten opzwellen. NUM 5:22 Als dit vloekbrengende water in uw ingewanden komt, zal uw buik opzwellen en zullen uw heupen invallen.' Daarop moet de vrouw zeggen: `Amen! Amen!' NUM 5:23 De priester schrijft deze vloek op, wist hem met het bittere water af, NUM 5:24 en geeft de vrouw het bittere vloekbrengende water te drinken, zodat dit water in haar binnenste dringt en daar zijn bitter werk verricht. NUM 5:25 De priester neemt het offer van jaloezie uit de hand van de vrouw, biedt dit Jahwe aan en gaat er mee naar het altaar. NUM 5:26 Dan neemt hij er een handvol af - als teken van het geheel - en laat die op het altaar in rook opgaan; daarna geeft hij de vrouw het water te drinken. NUM 5:27 Heeft zij de misstap begaan en is zij haar man ontrouw geweest, dan zal het vloekbrengend water dat hij haar laat drinken, zijn bitter werk in haar verrichten; de buik van de vrouw zal opzwellen, haar heupen zullen invallen en die vrouw zal bij haar volk een vloek worden. NUM 5:28 Heeft de vrouw de misstap niet begaan en heeft zij zich onberispelijk gedragen, dan gebeurt haar niets en kan zij nog kinderen krijgen. NUM 5:29 Zo moet in een geval van jaloezie gehandeld worden. Indien een gehuwde vrouw zich vergeten heeft en een misstap heeft begaan, NUM 5:30 of indien een man in een vlaag van jaloezie zijn vrouw is gaan verdenken, en hij haar voor Jahwe heeft gebracht en de priester alles met haar gedaan heeft zoals het hier is voorgeschreven, NUM 5:31 dan treft de man geen verwijt; de vrouw moet boeten voor hetgeen zij gedaan heeft. NUM 6:1 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 6:2 Zeg aan de Israëlieten: Wanneer een man of een vrouw iets bijzonders wil verrichten en aan Jahwe de gelofte van nazireaat doet, NUM 6:3 dan heeft hij zich te onthouden van wijn en andere drank. Hij mag geen azijn uit wijn of uit andere drank drinken. Hij mag ook geen sap van druiven drinken en geen verse of gedroogde druiven eten. NUM 6:4 Heel de duur van zijn nazireaat mag hij niets eten van wat van de wijnstok komt, zelfs de pit of het vel niet. NUM 6:5 Zolang zijn gelofte duurt, mag geen scheermes zijn hoofd aanraken. Tot de tijd waarvoor hij zich aan Jahwe gewijd heeft, voorbij is, is hij heilig en moet hij zijn hoofdhaar laten groeien. NUM 6:6 Heel de duur van zijn wijding aan Jahwe mag hij bij geen dode komen. NUM 6:7 Zelfs als zijn vader of moeder, zijn broer of zuster komen te sterven, mag hij zich aan hen niet verontreinigen, want zijn hoofd draagt het teken van zijn toewijding aan God. NUM 6:8 Tot de tijd van zijn nazireaat voorbij is, is hij Jahwe gewijd. NUM 6:9 Wanneer iemand in de nabijheid van de nazireeër plotseling en onvoorzien komt te sterven en zo diens gewijde hoofd verontreinigt, dan moet de nazireeër op de zevende dag, de dag van zijn reiniging, zijn hoofdhaar scheren, NUM 6:10 en op de achtste moet hij twee tortels of twee duiven naar de priester brengen bij de tent van de samenkomst. NUM 6:11 De priester zal de ene als zondeoffer en de andere als brandoffer opdragen en verzoening voor hem bewerken, vanwege de schuld die hij door de dode heeft opgelopen. Diezelfde dag moet hij zijn hoofd weer heiligen; NUM 6:12 hij moet zich opnieuw aan Jahwe wijden voor de dagen van het nazireaat en hij moet een mannelijk lam van nog geen jaar als schuldoffer aanbieden. De vorige dagen tellen niet meer mee, omdat zijn nazireaat onrein is geworden. NUM 6:13 Voor de nazireeër geldt het volgend voorschrift. Op de dag dat de tijd van zijn nazireaat ten einde is, wordt hij naar de ingang van de tent van de samenkomst geleid. NUM 6:14 Hij biedt aan Jahwe de volgende offergave aan: een gaaf mannelijk lam van nog geen jaar als brandoffer, een gaaf ooilam van nog geen jaar als zondeoffer en een gave ram als slachtoffer: NUM 6:15 vervolgens een korf met ongezuurde broden van meelbloem, koeken met olie aangemaakt en ongezuurde platte broden met olie bestreken en de daarbij behorende meel- en plengoffers. NUM 6:16 De priester brengt de offergave voor Jahwe en hij voltrekt voor de nazireeër het zondeoffer en het brandoffer. NUM 6:17 De ram biedt hij als slachtoffer aan Jahwe aan, tegelijk met de ongezuurde broden in de korf; ook het daarbij behorende meeloffer en plengoffer voltrekt hij voor hem. NUM 6:18 Dan scheert de nazireeër aan de ingang van de tent van de samenkomst zijn gewijde hoofd en werpt de haren in het vuur dat onder het slachtoffer brandt. NUM 6:19 Als hij dat gedaan heeft, neemt de priester het gekookte schouderstuk van de ram, een ongezuurde koek uit de korf en een ongezuurd plat brood en legt die in de handen van de nazireeër. NUM 6:20 Staande voor Jahwe bestemt hij deze tot aandeel van de priesters: het is heilig en komt dus de priester toe, evenals het borststuk dat voor de priester bestemd is en de schenkel die als bijdrage wordt afgestaan. Daarna mag de nazireeër weer wijn drinken. NUM 6:21 Voor de nazireeër die boven zijn nazireaat een gave aan Jahwe beloofd heeft, geldt - afgezien van wat hij verder nog doen wil - het volgende: de inhoud van de afgelegde gelofte bepaalt wat hij meer moet doen dan het voorschrift van het nazireaat gebiedt. NUM 6:22 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 6:23 Zeg aan Aäron en zijn zonen: Als gij de Israëlieten zegent, doe het dan met deze woorden: NUM 6:24 `Moge Jahwe u zegenen en u behoeden! NUM 6:25 Moge Jahwe de glans van zijn gelaat over u spreiden en u genadig zijn! NUM 6:26 Moge Jahwe zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken!' NUM 6:27 Als zij zo mijn naam over de Israëlieten uitspreken, zal Ik hen zegenen. NUM 7:1 Toen Mozes gereed was met het opbouwen van de woning, zalfde hij die met al wat er in stond, en ook het altaar met al zijn toebehoren. Na die zalving en heiliging NUM 7:2 kwamen Israëls leiders, de hoofden van de verschillende families, de leiders van de stammen, degenen die de inschrijving geleid hadden, geschenken aanbieden. NUM 7:3 Zij brachten hun gave voor het aanschijn van Jahwe: zes overdekte wagens en twaalf runderen, van elke twee leiders een wagen en van elke leider een rund. Die brachten zij voor de woning. NUM 7:4 Jahwe zei tot Mozes: NUM 7:5 `Neem deze geschenken van hen aan; zij kunnen dienen voor de werkzaamheden die de tent van de samenkomst vraagt. Stel ze ter beschikking van de levieten zoals hun werk het vraagt.' NUM 7:6 Mozes nam dus de wagens en runderen in ontvangst en stelde ze ter beschikking van de levieten. NUM 7:7 Twee wagens en vier runderen stelde hij ter beschikking van de Gersonieten zoals hun werk het vroeg. NUM 7:8 Vier wagens en acht runderen stelde hij ter beschikking van de Merarieten zoals hun werk het vroeg dat zij onder leiding van Itamar, de zoon van de priester Aäron verrichtten. NUM 7:9 Aan de Kehatieten gaf hij niets, omdat zij belast waren met de dienst van het heilige, dat zij op de schouders moeten dragen. NUM 7:10 Toen het altaar gezalfd was, kwamen de leiders inwijdingsgaven aanbieden. Zij brachten hun gaven voor het altaar. NUM 7:11 Jahwe had tot Mozes gezegd: Laat elke dag een leider zijn gave voor de inwijding van het altaar aanbieden. NUM 7:12 Nachson, zoon van Amminadab, van de stam Juda, bood de eerste dag zijn gave aan. NUM 7:13 Zij bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; NUM 7:14 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; NUM 7:15 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; NUM 7:16 een geitebok voor een zondeoffer, NUM 7:17 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Nachson, zoon van Amminadab. NUM 7:18 Op de tweede dag bood Netanel, zoon van Suar, leider in Issakar, zijn gave aan. NUM 7:19 De gave die hij aanbood bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; NUM 7:20 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; NUM 7:21 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; NUM 7:22 een geitebok voor een zondeoffer, NUM 7:23 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Netanel, zoon van Suar. NUM 7:24 Op de derde dag kwam de leider van de Zebulonieten, Eliab, zoon van Chelon. NUM 7:25 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; NUM 7:26 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; NUM 7:27 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; NUM 7:28 een geitebok voor een zondeoffer, NUM 7:29 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Eliab, zoon van Chelon. NUM 7:30 Op de vierde dag kwam de leider van de Rubenieten, Elisur, zoon van Sedeur. NUM 7:31 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; NUM 7:32 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; NUM 7:33 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; NUM 7:34 een geitebok voor een zondeoffer, NUM 7:35 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Elisur, zoon van Sedeur. NUM 7:36 Op de vijf de dag kwam de leider van de Simeonieten, Selumiël, zoon van Surisaddai. NUM 7:37 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; NUM 7:38 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; NUM 7:39 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar, voor een brandoffer; NUM 7:40 een geitebok voor een zondeoffer NUM 7:41 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Selumiël, zoon van Surisaddai. NUM 7:42 Op de zesde dag kwam de leider van de Gadieten, Eljasaf, zoon van Deüel. NUM 7:43 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; NUM 7:44 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; NUM 7:45 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; NUM 7:46 een geitebok voor een zondeoffer NUM 7:47 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Eljasaf, zoon van Deüel. NUM 7:48 Op de zevende dag kwam de leider van de Efraimieten, Elisama, zoon van Ammihud. NUM 7:49 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; NUM 7:50 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; NUM 7:51 een jonge stier, een ram, een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; NUM 7:52 een geitebok voor een zondeoffer en NUM 7:53 voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Elisama, zoon van Ammihud. NUM 7:54 Op de achtste dag kwam de leider van de Manasieten, Gamliël, zoon van Pedasur. NUM 7:55 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; NUM 7:56 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; NUM 7:57 een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; NUM 7:58 een geitebok voor een zondeoffer NUM 7:59 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Gamliël, zoon van Pedasur. NUM 7:60 Op de negende dag kwam de leider van de Benjaminieten, Abidan, zoon van Gidoni. NUM 7:61 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; NUM 7:62 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; NUM 7:63 een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; NUM 7:64 een geitebok voor een zondeoffer NUM 7:65 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Abidan, zoon van Gidoni. NUM 7:66 Op de tiende dag kwam de leider van de Danieten, Achiëzer, zoon van Ammisaddai. NUM 7:67 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; NUM 7:68 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; NUM 7:69 een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; NUM 7:70 een geitebok voor een zondeoffer NUM 7:71 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Achiëzer, zoon van Ammisaddai. NUM 7:72 Op de elfde dag kwam de leider van de Aserieten, Pagiël, zoon van Okran. NUM 7:73 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; NUM 7:74 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; NUM 7:75 een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; NUM 7:76 een geitebok voor een zondeoffer NUM 7:77 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Pagiël, zoon van Okran. NUM 7:78 Op de twaalfde dag kwam de leider van de Naftalieten, Achira, zoon van Enan. NUM 7:79 Zijn gave bestond uit een zilveren schotel die honderddertig sikkel woog, een zilveren schaal van zeventig sikkel, in sikkels van het heiligdom, beide gevuld met bloem, aangemaakt met olie, voor een meeloffer; NUM 7:80 een gouden schaal van tien sikkel gevuld met wierook; NUM 7:81 een jonge stier, een ram en een mannelijk lam van nog geen jaar voor een brandoffer; NUM 7:82 een geitebok voor een zondeoffer NUM 7:83 en voor een slachtoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken en vijf mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat was de gave van Achira, zoon van Enan. NUM 7:84 Dit waren de inwijdingsgaven, die de leiders van Israël bij de zalving van het altaar aanboden: twaalf zilveren schotels en twaalf zilveren schalen en twaalf gouden schalen. NUM 7:85 Iedere zilveren schotel woog honderddertig sikkel en iedere zilveren schaal zeventig; het zilver van die voorwerpen woog in totaal tweeduizendvierhonderd sikkel, gerekend naar de sikkel van het heiligdom. NUM 7:86 Dan waren er de twaalf gouden schalen gevuld met wierook. Elke schaal woog tien sikkel, gerekend naar de sikkel van het heiligdom. Het goud van de schalen woog in totaal honderdtwintig sikkel. NUM 7:87 Dan was er het vee voor de brandoffers: in totaal twaalf jonge stieren, twaalf mannelijke lammeren van nog geen jaar met de daarbij behorende meeloffers, en voor de zondeoffers: twaalf geitebokken. NUM 7:88 Aan vee voor de slachtoffers waren er in totaal vierentwintig jonge stieren, zestig rammen, zestig bokken en zestig mannelijke lammeren van nog geen jaar. Dat waren de inwijdingsgaven bij de zalving van het altaar. NUM 7:89 Telkens als Mozes de tent van de samenkomst binnenging om met Hem te spreken, hoorde hij zijn stem vanaf de dekplaat op de ark met de verbondsakte, tussen de twee kerubs. Zo sprak Hij tot hem. NUM 8:1 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 8:2 Zeg tot Aäron: `Gij moet de lampen zo opstellen, dat het licht van alle zeven aan de voorkant van de luchter valt.' NUM 8:3 Aäron deed dat en stelde de lampen zo op, dat hun licht aan de voorkant van de luchter viel, zoals Jahwe aan Mozes had opgedragen. NUM 8:4 De luchter met schacht en bloemwerk was een werkstuk van gedreven goud. Hij was gemaakt naar het model dat Jahwe aan Mozes had laten zien. NUM 8:5 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 8:6 Gij moet de levieten afzonderen van de overige Israëlieten en hen reinigen NUM 8:7 door hen te besprenkelen met reinigingswater. Als zij dan heel hun lichaam geschoren en hun kleren gewassen hebben, zijn zij rein. NUM 8:8 Daarna moeten zij een jonge stier nemen met het daarbij behorend meeloffer van bloem met olie aangemaakt, terwijl gijzelf een tweede jonge stier neemt voor een zondeoffer. NUM 8:9 Laat dan de levieten naar de tent van de samenkomst gaan en roep heel de gemeenschap van de Israëlieten in vergadering bijeen. NUM 8:10 Als gij de levieten voor Jahwe hebt laten komen, moeten de Israëlieten hun de handen opleggen. NUM 8:11 Uit naam van de Israëlieten, moet Aäron dan de levieten met een plechtige ceremonie aan Jahwe aanbieden; daarmee zijn zij bestemd voor de dienst van Jahwe. NUM 8:12 Dan leggen de levieten hun handen op de koppen van de beide stieren; de ene stier offert gij als zondeoffer en de andere als brandoffer aan Jahwe op om voor de levieten verzoening te bewerken. NUM 8:13 Laat de levieten voor Aäron en diens zonen gaan staan en bied hen met een plechtige ceremonie aan Jahwe aan. NUM 8:14 Zo zondert gij de levieten van de overige Israëlieten af en behoren ze Mij toe. NUM 8:15 Daarna kunnen de levieten de dienst bij de tent van de samenkomst beginnen. Gij hebt hen immers gereinigd en plechtig aangeboden, NUM 8:16 want zij zijn van de Israëlieten afgezonderd en zonder voorbehoud aan Mij afgestaan. Als plaatsvervangers van alles wat de moederschoot opent, van de eerstgeborenen van alle Israëlieten, heb Ik hen voor Mijzelf bestemd. NUM 8:17 Alle eerstgeborenen bij de Israëlieten, zowel van mensen als van dieren, zijn mijn eigendom. Ik heb hen aan Mij toegewijd, toen Ik alle eerstgeborenen in Egypte sloeg. NUM 8:18 Ik heb de levieten genomen uit de Israëlieten als plaatsvervangers van alle eerstgeborenen NUM 8:19 en hen blijvend gegeven aan Aäron en diens zonen. Zij zullen als vertegenwoordigers van de Israëlieten dienst doen bij de tent van de samenkomst en voor hen verzoening bewerken. En er zal geen ramp meer over de Israëlieten komen, wanneer die het heiligdom naderen. NUM 8:20 Mozes en Aäron en heel de gemeenschap van de Israëlieten voerden alles uit wat Jahwe over de levieten aan Mozes bevolen had. NUM 8:21 De levieten reinigden zich van zonde en wasten hun kleren. Aäron bood hen plechtig aan Jahwe aan en voltrok voor hen de verzoening om hen te reinigen. NUM 8:22 Daarna aanvaardden de levieten hun dienst bij de tent van de samenkomst, onder toezicht van Aäron en zijn zonen. Al wat Jahwe over de levieten aan Mozes bevolen had, hebben zij ook met hen gedaan. NUM 8:23 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 8:24 Voor de levieten geldt het volgende: Wie vijfentwintig jaar of ouder is, moet zijn dienst komen doen bij de tent van de samenkomst. NUM 8:25 Wie vijftig jaar is, trekt zich terug. Hij behoeft geen dienst meer te doen. NUM 8:26 Wel mag hij zijn broeders bij de tent van de samenkomst behulpzaam zijn bij het vervullen van hun taak, maar hij is tot geen dienst meer verplicht. Zo moet gij de bediening van de levieten regelen. NUM 9:1 In het tweede jaar na de uittocht uit Egypte, in de eerste maand, sprak Jahwe tot Mozes in de woestijn van de Sinaï: NUM 9:2 De Israëlieten moeten op de vastgestelde tijd pasen vieren. NUM 9:3 Gij moet het vieren op de veertiende dag van deze maand, tegen de avond, op de vastgestelde tijd, met inachtneming van al de daarbij geldende voorschriften en wetten. NUM 9:4 Mozes gebood dus de Israëlieten pasen te vieren. NUM 9:5 Op de veertiende dag van de eerste maand, tegen de avond, vierden zij pasen in de woestijn van de Sinaï. De Israëlieten deden alles wat Jahwe aan Mozes had bevolen. NUM 9:6 Nu waren er mannen die door contact met een lijk van een mens onrein waren geworden en daardoor op die dag geen pasen konden vieren. Zij kwamen op die dag naar Mozes en Aäron NUM 9:7 en zeiden: `Wij zijn door contact met een lijk van een mens onrein geworden. Waarom belet men ons nu om samen met de overige Israëlieten op de vastgestelde tijd de offergave aan Jahwe te brengen?' NUM 9:8 Mozes zei tot hen: `Blijf hier wachten, dan ga ik horen wat Jahwe van u verwacht.' NUM 9:9 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 9:10 Zeg aan de Israëlieten: Wanneer iemand door contact met een lijk onrein is geworden of een verre reis maakt, dan moet hij toch voor Jahwe pasen vieren. Dat geldt voor u en voor uw nageslacht. NUM 9:11 Men moet het vieren op de veertiende dag van de tweede maand, tegen de avond, en daarbij ongezuurde broden en bittere kruiden eten. NUM 9:12 Daarvan mag men niets overlaten tot de volgende morgen en men mag er geen been van breken. De gehele wet op de paasviering moet men in acht nemen. NUM 9:13 Als iemand nalaat pasen te vieren, terwijl hij rein is, dan moet die man uit zijn volk verwijderd worden, omdat hij de offergave voor Jahwe niet op de vastgestelde dag gebracht heeft. Zo iemand heeft de gevolgen van zijn zonde te dragen. NUM 9:14 Vreemdelingen die bij u verblijven en voor Jahwe pasen vieren, moeten de gehele wet op de paasviering in acht nemen. Voor hen en voor de geboren Israëlieten gelden dezelfde bepalingen. NUM 9:15 Zodra de woning was opgebouwd, overdekte de wolk de woning, de tent met de verbondsakte. 's Avonds leek zij er als vuur boven te hangen, en dat bleef tot de volgende morgen. NUM 9:16 Zo bleef het steeds: overdag overdekte de wolk de woning en 's nachts vertoonde zij zich als vuur. NUM 9:17 Telkens als de wolk boven de tent omhoogging, braken de Israëlieten op, en waar de wolk dan neerdaalde daar sloegen zij hun kamp op. NUM 9:18 Op aanwijzing van Jahwe zetten de Israëlieten zich in beweging en op het teken van Jahwe sloegen zij hun kamp op. Zolang de wolk boven de woning rustte, bleven zij in hun kamp. NUM 9:19 Bleef de wolk lange tijd boven de woning hangen, dan hielden de Israëlieten zich aan die aanwijzing van Jahwe; zij braken niet op. NUM 9:20 Bleef de wolk maar enkele dagen boven de woning, dan hielden zij zich bij het opslaan of opbreken van hun kamp aan die aanwijzing van Jahwe. NUM 9:21 Bleef de wolk er alleen van de avond tot de morgen, dan braken zij op, zodra de wolk in de morgen omhoogging. Of het overdag was of 's nachts, zodra de wolk omhoogging, braken zij op; NUM 9:22 of het twee dagen, een maand of nog langer duurde, zolang de wolk boven de woning bleef hangen, bleven de Israëlieten in hun kamp en braken niet op. Wanneer de wolk omhoogging, braken zij op. NUM 9:23 Op de aanwijzing van Jahwe sloegen zij hun kamp op en op de aanwijzing van Jahwe zetten zij zich in beweging. Zij hielden zich aan de aanwijzingen van Jahwe, die Jahwe hun door Mozes gegeven had. NUM 10:1 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 10:2 Gij moet twee trompetten van gedreven zilver maken. Zij zullen dienen voor het bijeenroepen van de gemeenschap en voor het opbreken van de legerkampen. NUM 10:3 Wordt er op beide trompetten geblazen, dan moet de hele gemeenschap bij u samenkomen aan de ingang van de tent van de samenkomst. NUM 10:4 Wordt er op een trompet geblazen, dan moeten de leiders, de stamhoofden van Israël, bij u samenkomen. NUM 10:5 Bij een langgerekt signaal moeten de legerkampen aan de oostkant opbreken. NUM 10:6 Wordt het voor de tweede maal gegeven, dan moeten de legerkampen aan de zuidkant opbreken. Dit langgerekt signaal moet altijd gegeven worden, als men moet opbreken. NUM 10:7 Voor het bijeenroepen van de gemeenschap wordt wel geblazen, maar geen langgerekt signaal gegeven. NUM 10:8 De priesters, de zonen van Aäron, moeten op de trompetten blazen. Dit is een eeuwige wet voor al uw geslachten. NUM 10:9 Wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen een vijand die u verdrukt, dan moet gij met de trompetten een langgerekt signaal geven. Jahwe, uw God, zal u dan indachtig zijn en u van uw vijanden redden. NUM 10:10 Ook op de dagen van vreugde, op de feesten en bij nieuwe maan moet gij bij uw brandoffers en slachtoffers op de trompetten blazen. Zij zullen de aandacht van God op u vestigen. Ik ben Jahwe, uw God. NUM 10:11 In het tweede jaar, op de twintigste dag van de tweede maand, ging de wolk boven de woning met de verbondsakte omhoog. NUM 10:12 Toen vertrokken de Israëlieten in de voorgeschreven orde uit de woestijn van de Sinaï. In de woestijn Paran bleef de wolk rusten. NUM 10:13 Dit was de eerste keer dat zij vertrokken volgens de aanwijzing die Jahwe door Mozes had gegeven. NUM 10:14 Eerst vertrokken degenen die onder de banier van het kamp van de Judeeërs hoorden, naar groepen geordend. De leiding van het leger van Juda had Nachson, zoon van Amminadab; NUM 10:15 de leiding van het leger van de stam van de Issakarieten had Netanel, zoon van Suar; NUM 10:16 de leiding van het leger van de stam van de Zebulonieten had Eliab, zoon van Chelon. NUM 10:17 Vervolgens werd de woning afgebroken en vertrokken de Gersonieten en Mararieten, die de woning vervoerden. NUM 10:18 Daarna vertrokken degenen die onder de banier van het kamp van Ruben hoorden, naar groepen geordend. De leiding van het leger van Ruben had Elisur, zoon van Sedeur; NUM 10:19 de leiding van het leger van de stam van de Simeonieten had Selumiël, zoon van Surisaddai; NUM 10:20 de leiding van het leger van de stam van de Gadieten had Eljasaf, zoon van Deüel. NUM 10:21 Nu pas vertrokken de Kehatieten met de heilige voorwerpen, zodat men de woning weer kon opbouwen, voor dat zij aankwamen. NUM 10:22 Daarna vertrokken degenen die onder de banier van het kamp van de Efraimieten hoorden, naar groepen geordend. De leiding van het leger van Efraim had Elisama, zoon van Ammihud; NUM 10:23 de leiding van het leger van de stam van de Manassieten had Gamliël, zoon van Pedasur; NUM 10:24 de leiding van het leger van de stam van de Benjaminieten had Abidan, zoon van Gidoni. NUM 10:25 Als laatsten van allen vertrokken, naar groepen geordend, degenen die onder de banier van het kamp van de Danieten hoorden. De leiding van het leger van Dan had Achiëzer, zoon van Ammisaddai; NUM 10:26 de leiding van het leger van de stam van de Aserieten had Pagiël, zoon van Okran; NUM 10:27 de leiding van het leger van de stam van de Naftalieten had Achira, zoon van Enan. NUM 10:28 Dat was de volgorde waarin de afdelingen van de Israëlieten vertrokken. NUM 10:29 Mozes zei tot de Midjaniet Chobab, de zoon van Reuël, de schoonvader van Mozes: `Wij vertrekken naar de plaats die Jahwe ons heeft toegezegd. Ga met ons mee. Wij zullen goed voor u zijn, want Jahwe heeft Israël geluk beloofd.' NUM 10:30 Maar hij zei tot Mozes: `Ik ga niet mee; ik ga weer naar het land waar ik geboren ben.' NUM 10:31 Mozes zei: `U kunt ons toch niet verlaten! U weet waar wij in de woestijn ons kamp kunnen opslaan en kunt daarom onze gids zijn. NUM 10:32 Als u met ons meegaat, zullen wij u doen delen in het geluk dat Jahwe ons schenkt.' NUM 10:33 Van de berg van Jahwe trokken zij drie dagen verder, terwijl de ark van het verbond van Jahwe gedurende die drie dagen voor hen uitging om een rustplaats te zoeken. NUM 10:34 Telkens als zij opbraken en verder trokken, hing overdag de wolk van Jahwe boven hen. NUM 10:35 Bij het vertrek van de ark zei Mozes: `Sta op, Jahwe, dat uw vijanden uiteenstuiven en uw tegenstanders voor U vluchten!' NUM 10:36 En als de ark stilhield, zei hij: `Keer terug, Jahwe, naar de tienduizend maal duizend van Israël!' NUM 11:1 Eens jammerde het volk tot Jahwe, dat het hun slecht ging. Toen Jahwe dat hoorde, ontstak Hij in toorn. Het vuur van Jahwe laaide bij hen op en verteerde een hoek van het kamp. NUM 11:2 Toen wendde het volk zich tot Mozes. Mozes bad tot Jahwe en het vuur doofde uit. NUM 11:3 Men noemde die plaats Tabera, omdat het vuur van Jahwe bij hen was opgelaaid. NUM 11:4 Het samenraapsel van volk dat met hen meetrok, gaf zich over aan zijn gulzige begeerte en ook de Israëlieten begonnen opnieuw te jammeren. Zij zeiden: `Wie kan ons aan vlees helpen! NUM 11:5 Wij hebben heimwee naar de vis die wij in Egypte voor niets te eten kregen, naar de komkommers en de meloenen, naar de prei, de uien en het knoflook. NUM 11:6 Wij drogen uit! Er is niets! Wij krijgen alleen maar manna te zien.' NUM 11:7 Het manna geleek op korianderzaad en zag er uit als balsemhars. NUM 11:8 Het volk verspreidde zich om het bijeen te rapen. Dan maalden zij het met een handmolen en stampten het fijn in een vijzel. Ze kookten het in een pot en maakten er koeken van, zodat het smaakte als oliegebak. NUM 11:9 Met de dauw viel 's nachts ook het manna op het kamp neer. NUM 11:10 Toen Mozes hoorde, hoe het volk, familie voor familie, bij de ingang van de tenten zat te jammeren, en toen Jahwe in hevige toorn ontstak, werd hij ontstemd. NUM 11:11 Hij vroeg Jahwe: `Waarom doet Gij uw dienaar dit verdriet aan? Zijt Gij mij zo weinig genegen, dat Gij mij de last van heel dat volk laat dragen? NUM 11:12 Het lijkt wel of ik van heel dat volk zwanger ben geweest en het ter wereld heb gebracht, dat Gij mij zegt: Draag het aan uw hart, zoals een voedster een zuigeling draagt, en dat Gij mij beveelt het naar het land te brengen dat Gij zijn vaderen onder ede beloofd hebt. NUM 11:13 Waar haal ik vlees vandaan voor heel dat volk? Het jammert tegen mij: Geef ons toch vlees te eten! NUM 11:14 Ik kan de last van heel dat volk niet alleen dragen. Het is mij te zwaar! NUM 11:15 Indien Gij zo met mij blijft doen, dood mij dan maar, als Gij mij genadig wilt zijn. Dan hoef ik mijn ellende niet langer te zien.' NUM 11:16 Jahwe zei tot Mozes: `Breng van de oudsten van het volk hier zeventig mannen samen, van wie gij weet dat zij werkelijk oudsten en leiders van het volk zijn. Leid hen naar de tent van de samenkomst en laten zij zich daar bij u opstellen. NUM 11:17 Dan daal ik neer om met u te spreken en leg op hen een deel van de geest die op u rust. Zo zullen zij samen met u de last van het volk dragen en draagt gij die niet langer alleen. NUM 11:18 Aan het volk zult gij zeggen: Zorg dat gij morgen heilig zijt; dan zult gij vlees eten. Gij hebt immers tegen Jahwe gejammerd: Wie kan ons aan vlees helpen! In Egypte hadden wij het goed! Jahwe zal u vlees geven en eten zult gij, NUM 11:19 niet een enkele dag, niet twee dagen, niet vijf dagen, niet tien dagen, niet twintig dagen, NUM 11:20 maar een volle maand, tot het uw neus uitkomt en gij er onpasselijk van wordt. Want ofschoon Jahwe bij u is, hebt gij Hem geminacht door tegen Hem te jammeren: Waarom zijn wij toch uit Egypte weggegaan!' NUM 11:21 Mozes zei: `Zeshonderdduizend voetgangers telt het volk waaronder ik leef en gij zegt: Ik zal hun vlees geven en zij zullen eten, een volle maand lang. NUM 11:22 Al werden alle schapen en runderen geslacht, dan hadden zij nog niet genoeg. Al werden alle vissen van de zee voor hen gevangen, dan hadden zij nog niet genoeg.' NUM 11:23 Maar Jahwe zei tot Mozes: `Is Jahwe soms niet machtig genoeg? Gij zult zien of inderdaad gebeurt wat Ik u gezegd heb.' NUM 11:24 Mozes ging naar buiten en deelde het volk mee wat Jahwe gezegd had. Hij bracht zeventig van de oudsten van het volk bijeen en stelde hen op om de tent. NUM 11:25 Toen daalde Jahwe neer in een wolk, sprak tot hen en legde een deel van de geest die op Mozes rustte, op die zeventig oudsten. En toen de geest op hen rustte, profeteerden zij, maar later hebben zij het niet meer gedaan. NUM 11:26 Nu waren er twee mannen in het kamp gebleven. De een heette Eldad, de ander Medad. Ook op hen rustte de geest - zij stonden op de lijst al waren zij niet naar de tent gegaan - en zij profeteerden in het kamp. NUM 11:27 Een jongen ging het ijlings aan Mozes vertellen en zei: `Eldad en Medad zijn aan het profeteren in het kamp!' NUM 11:28 Jozua, de zoon van Nun, die reeds als jongeman in Mozes' dienst gekomen was, zei daarop tot Mozes: `Mijn heer, dat moet u hun verbieden.' NUM 11:29 Mozes zei hem: `Waarom komt u voor mij op? Ik zou willen, dat heel het volk van Jahwe profeteerde en dat Jahwe zijn geest op hen legde.' NUM 11:30 Daarna keerde Mozes met de oudsten van Israël in het kamp terug. NUM 11:31 Op bevel van Jahwe stak er een wind op uit de richting van de zee. Die wind voerde kwartels mee en liet ze neervallen over het kamp. Aan alle kanten lagen ze rondom het kamp, een dagreis ver en ongeveer twee el hoog. NUM 11:32 Heel die dag en heel die nacht en ook heel de volgende dag was het volk op de been om de kwartels te verzamelen. Wie weinig raapte had toch nog tien ezelslasten. Zij spreidden ze uit rondom het kamp. NUM 11:33 Het vlees zat nog tussen hun tanden, niet fijn gekauwd, toen Jahwe reeds in toorn tegen het volk ontstak en een zeer grote slachting onder hen aanrichtte. NUM 11:34 Men noemde die plaats Kibrot-hattaawa, want daar werd het volk begraven, dat zich door gulzige begeerte had laten meeslepen. NUM 11:35 Van Kibrot-hattaawa trok het volk verder naar Chaserot. NUM 12:1 Tijdens hun verblijf te Chaserot, keerden Mirjam en Aäron zich tegen Mozes, omdat hij een Kusitische vrouw had genomen: hij was inderdaad met een Kusitische gehuwd. NUM 12:2 Zij zeiden: `Heeft Jahwe alleen maar door Mozes gesproken? Heeft hij ook door ons niet gesproken?' Jahwe hoorde dat NUM 12:3 en omdat Mozes een zeer bescheiden man was, de bescheidenste van alle mensen op aarde, NUM 12:4 zei Jahwe terstond tot Mozes, Aäron en Mirjam: `Ga met u drieën naar de tent van de samenkomst.' Zij gingen er met hun drieën heen. NUM 12:5 Nu daalde Jahwe in een wolkkolom neer, nam plaats bij de ingang van de tent en riep Aäron en Mirjam, die beiden naar voren traden. NUM 12:6 Hij zei: `Luister naar wat Ik te zeggen heb. Aan uw profeten maak Ik mij in visioenen bekend en Ik spreek tot hen in dromen. NUM 12:7 Met mijn dienaar Mozes doe Ik dat niet. Hij is mijn vertrouweling, in heel mijn huis. NUM 12:8 Met hem spreek Ik van mond tot mond, duidelijk en niet in raadsels. Hij aanschouwt de gestalte van Jahwe. Hoe hebt gij u tegen mijn dienaar Mozes durven keren?' NUM 12:9 Toornig ging Jahwe van hen heen. NUM 12:10 De wolk was nog niet van de tent van de samenkomst geweken, of Mirjam zat vol uitslag; het leek wel sneeuw. Toen Aäron zich naar Mirjam keerde, stond daar een melaatse. NUM 12:11 Aäron zei tot Mozes: `Ach heer, laat ons toch niet lijden voor de zonde die wij in onze dwaasheid begaan hebben. NUM 12:12 Laat Mirjam toch niet zijn als een doodgeboren kind dat half vergaan uit de moederschoot komt.' NUM 12:13 Mozes riep tot Jahwe: `O God, maak haar weer gezond!' NUM 12:14 Jahwe zei tot Mozes: `Als haar vader haar in het gezicht gespuwd had, zou zij dan niet zeven dagen geschandvlekt zijn? Zij moet dus zeven dagen buiten het kamp gesloten worden. Daarna mag zij er weer in.' NUM 12:15 Mirjam werd zeven dagen buiten het kamp gesloten. Het volk ging niet verder, voordat Mirjam weer was toegelaten. NUM 12:16 Daarna vertrok het volk uit Chaserot en sloeg zijn kamp op in de woestijn Paran. NUM 13:1 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 13:2 `Zend mannen uit om Kanaän te verkennen, het land dat Ik aan de Israëlieten geef; een man uit elke stam; het moeten mannen van aanzien zijn.' NUM 13:3 Vanuit de woestijn Paran zond Mozes hen op het bevel van Jahwe uit; het waren allen vooraanstaande mannen onder de Israëlieten. NUM 13:4 Dit zijn hun namen: voor de stam Ruben Sammua, zoon van Zakkur; NUM 13:5 voor de stam Simeon Safat, zoon van Chori; NUM 13:6 voor de stam Juda Kaleb, zoon van Jefunne; NUM 13:7 voor de stam Issakar Jigal, zoon van Jozef; NUM 13:8 voor de stam Efraim Hosea, zoon van Nun; NUM 13:9 voor de stam Benjamin Palti, zoon van Rafu; NUM 13:10 voor de stam Zebulon Gaddiël, zoon van Sodi; NUM 13:11 voor de stam Jozef: voor de stam Manasse Gaddi, zoon van Susi; NUM 13:12 voor de stam Dan Ammiël, zoon van Gemalli; NUM 13:13 voor de stam Aser Setur, zoon van Michaël; NUM 13:14 voor de stam Naftali Nachbi, zoon van Wofsi; NUM 13:15 voor de stam Gad Geuël, zoon van Maki. NUM 13:16 Dat zijn de namen van de mannen die Mozes uitzond om het land te verkennen. Aan Hosea, de zoon van Nun, gaf Mozes de naam Jozua. NUM 13:17 Toen Mozes hen uitzond om Kanaän te verkennen, gaf hij hun deze opdracht: `Trek eerst de Negeb door en ga dan het bergland in. NUM 13:18 Stel vast wat het voor een land is, of het volk er sterk is of zwak, gering in aantal of talrijk; NUM 13:19 of het land waarin het woont, goed is of slecht, en of het volk in open plaatsen of in versterkte steden woont; NUM 13:20 of de grond vruchtbaar is, of schraal, en of er bomen zijn of niet. Gij moet u moedig gedragen en ook wat vruchten van het land meebrengen.' Het was juist de tijd van de eerste druiven. NUM 13:21 Zij trokken uit en verkenden het land van de woestijn Sin tot aan Rechob, waar de weg naar Hamat begint. NUM 13:22 Zij trokken de Negeb in en drongen door tot Hebron waar de Enakieten Achiman, Sesai en Talmai woonden. - Hebron is zeven jaar eerder gebouwd dan Soan in Egypte. - NUM 13:23 Zij drongen door in het dal Eskol en sneden daar een wijnrank af met een druiventros, die zij met twee man aan een stok moesten dragen; bovendien namen zij enige granaatappels en vijgen mee. NUM 13:24 Eskol heeft zijn naam te danken aan de druiventros die de Israëlieten daar hebben afgesneden. NUM 13:25 Na veertig dagen keerden zij van hun verkenningstocht terug. NUM 13:26 Zij begaven zich naar Mozes en Aäron en naar heel de gemeenschap van de Israëlieten in de woestijn Paran te Kades. Zij brachten aan hen en aan heel de gemeenschap verslag uit en lieten hun de vruchten van het land zien. NUM 13:27 Zij vertelden: `Wij zijn in het land geweest waarheen u ons gestuurd hebt en het vloeit werkelijk over van melk en honing. Kijk maar eens naar deze vruchten. NUM 13:28 Maar het volk dat er woont, is buitengewoon sterk en de steden zijn ommuurd en zeer groot. Wij hebben er zelfs Enakieten gezien. NUM 13:29 In de Negeb wonen Amalekieten, in het gebergte Hethieten. Chiwwieten, Jebusieten en Amorieten, en aan de zee en langs de Jordaan wonen Kanaänieten.' NUM 13:30 Kaleb trachtte het volk tot volgzaamheid tegenover Mozes te bewegen en zei: `Wij kunnen gerust optrekken om het te veroveren, want wij zijn er zeker toe in staat.' NUM 13:31 Maar de mannen die met hem waren uitgetrokken, zeiden: `Wij kunnen tegen dat volk niet optrekken; het is te sterk voor ons.' NUM 13:32 Zij verspreidden onder de Israëlieten ook allerlei praatjes over het land dat zij verkend hadden. Zij zeiden: `Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben, is een land dat zijn bewoners verslindt, en de mensen die wij er gezien hebben waren geweldig groot. NUM 13:33 Wij hebben er de reuzen gezien - de Enakieten behoren tot de reuzen -. Wij voelden ons sprinkhanen en daarvoor moeten zij ons ook hebben aangezien.' NUM 14:1 Toen begon de hele gemeenschap luid te roepen en bleef heel de nacht jammeren. NUM 14:2 Alle Israëlieten morden tegen Mozes en Aäron en heel de gemeenschap zei tot hen: `Waren wij maar in Egypte gestorven of anders hier in de woestijn! Waren wij maar dood! NUM 14:3 Jahwe voert ons naar dat land om er door het zwaard te vallen, terwijl onze vrouwen en kleine kinderen buitgemaakt worden. Is het niet beter naar Egypte terug te gaan?' NUM 14:4 En zij zeiden tot elkaar: `Laten wij een aanvoerder kiezen en naar Egypte teruggaan.' NUM 14:5 Toen wierpen Mozes en Aäron zich voor heel de verzamelde gemeenschap van de Israëlieten ter aarde. NUM 14:6 Jozua, zoon van Nun, en Kaleb, zoon van Jefunne, die ook het land verkend hadden, scheurden hun kleren NUM 14:7 en zeiden tot heel de gemeenschap van de Israëlieten: `Het land dat wij op onze verkenningstocht doorkruist hebben is een prachtig land. NUM 14:8 Als Jahwe behagen in ons heeft, zal Hij ons dat land binnenvoeren en het ons geven, dat land van melk en honing. NUM 14:9 Maar u moet niet in opstand komen tegen Jahwe en ook niet bang zijn voor de bevolking van dat land, want die krijgen wij als spijs. Van hen is de beschermende schaduw geweken maar bij ons is Jahwe. U hoeft niet bang te zijn voor hen!' NUM 14:10 Toen de hele gemeenschap hen wilde stenigen verscheen de heerlijkheid van Jahwe voor alle Israëlieten boven de tent van de samenkomst. NUM 14:11 En Jahwe zei tot Mozes: `Dit volk blijft Mij maar versmaden! Zij geloven nog steeds niet in Mij ondanks al de wondertekenen die Ik bij hen verricht heb! NUM 14:12 Ik zal het slaan met de pest en het uitroeien en van u zal Ik een volk maken, groter en machtiger dan dit.' NUM 14:13 Maar Mozes zei tot Jahwe: `De Egyptenaren weten, dat Gij dit volk door uw kracht uit hun land hebt geleid; NUM 14:14 Bovendien hebben alle bewoners van dit land hier gehoord, dat Gij, Jahwe, bij dit volk woont, dat Gij, Jahwe, aan hen verschijnt, dat uw wolk boven hen staat, dat Gij voor hen uitgaat overdag in een wolkkolom en 's nachts in een vuurzuil. NUM 14:15 Wanneer Gij nu dit volk als een man doodt, dan zeggen de volken die van uw faam gehoord hebben: NUM 14:16 Jahwe was niet bij machte dit volk in het land te brengen, dat Hij hun onder ede beloofd had. Daarom heeft Hij hen in de woestijn omgebracht. NUM 14:17 Laat nu de grote macht van mijn Heer zich tonen. Gij hebt immers gezegd: NUM 14:18 Jahwe is lankmoedig, rijk aan erbarmen, misdaad en zonde vergeeft Hij; al laat Hij ook niets ongestraft; de misdaad van de vader wreekt Hij op zijn kinderen, tot het derde en vierde geslacht. NUM 14:19 Wil toch in uw grote barmhartigheid de misdaad van dit volk vergeven, zoals Gij het steeds vergiffenis geschonken hebt, van Egypte tot hier.' NUM 14:20 Toen zei Jahwe: `Ik schenk vergiffenis zoals gij vraagt. NUM 14:21 Maar zowaar Ik leef en heel de aarde vervuld is van de heerlijkheid van Jahwe: NUM 14:22 geen van de mannen die mijn heerlijkheid gezien hebben en de wondertekenen die Ik in Egypte en in de woestijn heb verricht, en die Mij wel tienmaal getart hebben door niet naar Mij te luisteren, NUM 14:23 geen van die mannen zal het land zien dat Ik hun vaderen onder ede beloofd heb. Niemand van die Mij versmaad hebben, zal het zien. NUM 14:24 Maar mijn dienaar Kaleb was van een andere geest bezield en Mij steeds trouw gebleven. Daarom zal Ik heb in het land brengen waarin hij is doorgedrongen, en zijn nakomelingen zullen het bezitten. NUM 14:25 - De Amalekieten en Kanaänieten wonen in de vlakte. - Ga daarom morgen opnieuw de woestijn in, naar de Rietzee toe.' NUM 14:26 Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: NUM 14:27 `Mijn geduld met deze verdorven gemeenschap die tegen Mij mort, is uitgeput! Dat voortdurend gemor van de Israëlieten heb Ik nu genoeg gehoord. NUM 14:28 Zeg hun: Zo waar Ik leef - aldus spreekt Jahwe - wat Ik u heb horen zeggen, dat zal Ik ook met u doen. NUM 14:29 In deze woestijn zullen de lijken liggen van allen die tegen Mij hebben gemord, van al uw ingeschrevenen, van ieder boven twintig jaar. NUM 14:30 Gij zult het land dat Ik u met opgeheven hand als woonplaats heb toegezegd, niet binnengaan, met uitzondering van Kaleb, zoon van Jefunne, en Jozua, zoon van Nun. NUM 14:31 Maar uw kleine kinderen van wie gij gezegd hebt, dat zij buitgemaakt zouden worden, die zal Ik er binnenvoeren en zij zullen het land leren kennen dat gij versmaad hebt. NUM 14:32 Uw lijken zullen in deze woestijn komen te liggen, NUM 14:33 en veertig jaren zullen uw zonen in de woestijn als herders rondzwerven en boeten voor uw ontrouw totdat uw lijken in de woestijn vergaan zijn. NUM 14:34 Voor elke dag van de veertig dat gij het land verkend hebt, zult gij een jaar uw misdaden boeten, veertig jaar in totaal, zodat gij weet wat het betekent u tegen Mij te verzetten. NUM 14:35 Ik Jahwe heb gesproken. Dit zal Ik zeker doen met heel deze verdorven gemeenschap die tegen Mij heeft samengespannen: in deze woestijn zullen zij tot de laatste man sterven.' NUM 14:36 En de mannen die Mozes had uitgezonden om het land te verkennen en die na hun terugkeer heel de gemeenschap tegen hem aan het morren hadden gebracht door allerlei praatjes over het land te verspreiden, NUM 14:37 die verspreiders van allerlei boze praatjes stierven door Jahwe's ingrijpen een plotselinge dood. NUM 14:38 Van de mannen die uitgetrokken waren om het land te verkennen, bleven allen Jozua, zoon van Nun, en Kaleb, zoon van Jefunne in leven. NUM 14:39 Mozes bracht de woorden van Jahwe over aan alle Israëlieten en het volk was diep terneergeslagen. NUM 14:40 De volgende morgen wilden zij de berg opgaan. Zij zeiden: `Wij staan klaar om op te trekken naar de plaats van Jahwe's belofte. Wij hebben gezondigd.' NUM 14:41 Maar Mozes zei: `Waarom tegen Jahwe's bevelen ingaan? Dat is tot mislukking gedoemd. NUM 14:42 Trek de bergen niet in: Jahwe is niet bij u; gij wordt door uw vijanden verslagen. NUM 14:43 De Amalekieten en de Kanaänieten zullen zich tegen u keren en ge zult vallen door het zwaard. Gij hebt u nu eenmaal van Jahwe afgekeerd en daarom zal Hij u niet bijstaan.' NUM 14:44 Eigengereid als zij waren, gingen zij toch de berg op, maar de ark van Jahwe's verbond en Mozes kwamen het kamp niet uit. NUM 14:45 De Amalekieten en de Kanaänieten die in het gebergte woonden, kwamen naar beneden, brachten hun een verpletterende nederlaag toe en zaten hen na tot Chorma. NUM 15:1 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 15:2 Zeg aan de Israëlieten: Wanneer gij het land, dat Ik u als woonplaats schenk, zijt binnengegaan NUM 15:3 en gij als geurige gave die Jahwe behaagt een offer van uw runderen of kleinvee brengt, een brandoffer of een slachtoffer, voor het vervullen van een gelofte of als vrijwillige gave of bij gelegenheid van uw feesten, NUM 15:4 dan moet degene die Jahwe zijn gave aanbiedt bij brand- en slachtoffer een meeloffer van een issaron bloem voegen, aangemaakt met een kwart hin olie, NUM 15:5 en een plengoffer van een kwart hin wijn; dit geldt voor elk lam. NUM 15:6 Bij een ram moet gij een meeloffer van twee issaron bloem voegen, aangemaakt met een derde hin olie, NUM 15:7 en een plengoffer van een derde hin wijn. Dan is het een geurige gave die Jahwe behaagt. NUM 15:8 Wanneer gij aan Jahwe een rund als brandoffer of als slachtoffer brengt ter vervulling van een gelofte of om een andere reden NUM 15:9 dan moet men bij het rund een meeloffer van drie issaron aanbieden, aangemaakt met een halve hin olie NUM 15:10 en een plengoffer van een halve hin wijn. Dan is het een geurige gave die Jahwe behaagt. NUM 15:11 Zo moet er gedaan worden bij elke stier, bij elke ram, bij elk stuk kleinvee, schaap of geit. NUM 15:12 Bij elk dier moet gij het doen, hoeveel gij er ook aanbiedt. NUM 15:13 Iedere geboren Israëliet moet dit doen, wanneer hij Jahwe een offer wil aanbieden, een geurige gave die Hem behaagt. NUM 15:14 Wanneer een vreemdeling die nu of in de toekomst bij u woont, aan Jahwe een geurige gave wil aanbieden die Hem behaagt, dan moet hij hetzelfde doen als gij. NUM 15:15 In de gemeente geldt voor u en voor de vreemdeling die bij u woont, alle geslachten door hetzelfde voorschrift. Gij en de vreemdeling zijt voor Jahwe gelijk. NUM 15:16 Dezelfde wet en dezelfde regel gelden dus voor u en voor de vreemdeling die bij u woont. NUM 15:17 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 15:18 Zeg aan de Israëlieten: Wanneer gij in het land komt waar Ik u heenbreng NUM 15:19 en het brood van dat land eet, dan moet gij daarvan een deel aan Jahwe afstaan. NUM 15:20 Van het eerste deeg dat gij maakt, moet gij een koek afstaan. Het is de bijdrage van de dorsvloer. NUM 15:21 Van het eerste deeg dat gij maakt, moet gij ook in de komende geslachten een deel aan Jahwe afstaan. NUM 15:22 Wanneer gij door onoplettendheid nalaat een van de geboden te volbrengen, die Jahwe aan Mozes gegeven heeft, NUM 15:23 welke van die geboden ook, van het eerste ogenblik dat Jahwe geboden gaf tot in uw verre nageslachten, NUM 15:24 en het is buiten weten van de gemeenschap gebeurd, dan moet de hele gemeenschap Jahwe een jonge stier aanbieden als brandoffer, een geurige gave die hem behaagt, met het daarbij voorgeschreven meel- en plengoffer, alsmede een geitebok als zondeoffer. NUM 15:25 De priester zal voor de hele gemeenschap van de Israëlieten verzoening bewerken en dan zal hun vergiffenis geschonken worden, want het was onoplettendheid en daarvoor hebben zij aan Jahwe een zondeoffer gebracht. NUM 15:26 Het zal vergeven worden aan de hele gemeenschap van de Israëlieten en aan de vreemdelingen die bij u wonen, want het is een onoplettendheid die het hele volk is overkomen. NUM 15:27 Wanneer een enkele persoon door onoplettendheid zondigt, dan moet hij een geitje van nog geen jaar als zondeoffer aanbieden. NUM 15:28 De priester zal voor de persoon die door onoplettendheid gezondigd heeft, voor het aanschijn van Jahwe verzoening bewerken en door deze verzoening wordt hem vergiffenis geschonken. NUM 15:29 Voor de geboren Israëliet en voor de vreemdeling die bij u woont, geldt bij een zonde door onoplettendheid dezelfde wet. NUM 15:30 Maar wanneer een geboren Israëliet of een vreemdeling met opzet een gebod overtreedt, dan hoont hij Jahwe en moet hij uit zijn volk verwijderd worden. NUM 15:31 Hij heeft Jahwe's woord geminacht en zijn gebod geschonden. Zo iemand moet onherroepelijk verwijderd worden. Hij moet de gevolgen van zijn zonde dragen. NUM 15:32 Tijdens hun verblijf in de woestijn betrapten de Israëlieten iemand die op sabbat hout sprokkelde. NUM 15:33 Degenen die hem daarop betrapt hadden, brachten hem bij Mozes en Aäron en heel de gemeenschap. NUM 15:34 Hij werd in bewaring gesteld, omdat nog niet bepaald was wat er met hem moest gebeuren. NUM 15:35 Jahwe zei tot Mozes: `Die man moet ter dood gebracht worden. Heel de gemeenschap moet hem buiten het kamp stenigen.' NUM 15:36 Toen voerde heel de gemeenschap hem buiten het kamp en stenigden hem dood, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen. NUM 15:37 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 15:38 Zeg aan de Israëlieten, dat zij en hun nageslacht aan de slippen van hun kleed kwasten moeten bevestigen met een blauwpurperen draad erin. NUM 15:39 Die kwasten zullen voor u een teken zijn: bij het zien daarvan zult gij alle geboden van Jahwe gedenken; gij zult die geboden volbrengen en niet meer de begeerten van uw hart en uw ogen volgen, die gij nu trouweloos naloopt. NUM 15:40 Zij zullen u helpen er aan te denken al mijn geboden te volbrengen en uw God toegewijd te blijven. NUM 15:41 Ik ben Jahwe, uw God, die u uit Egypte geleid heb om uw God te zijn. Ik ben Jahwe, uw God. NUM 16:1 Korach zoon van Jishar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi, Datan en Abiram, de zonen van Eliab, en On, zoon van Pelet, de zoon van Ruben, NUM 16:2 kwamen tegen Mozes in opstand, samen met tweehonderdvijftig Israëlieten, leiders van de gemeenschap, leden van de vergadering en mannen van aanzien. NUM 16:3 Zij kwamen met zijn allen op Mozes en Aäron af en zeiden: `U matigt u teveel aan! Alle leden van de gemeenschap zijn heilig en in hun midden is Jahwe. Waarom verheft u zich dan boven de gemeente van Jahwe?' NUM 16:4 Toen Mozes dit hoorde, wierp hij zich ter aarde. NUM 16:5 Hij sprak tot Korach en heel zijn aanhang: `Morgen zal Jahwe bekend maken wie de man van zijn keuze is; de heilige, degene die Hij uitkiest, zal Hij tot zich laten naderen. NUM 16:6 Korach en aanhangers, hoort wat gij morgen moet doen. Gij moet komen met vuurpannen, NUM 16:7 er vuur in doen en daar wierook op leggen voor Jahwe. Degene die Jahwe dan uitkiest, is heilig. Zonen van Levi, gij matigt u teveel aan.' NUM 16:8 Mozes zei tot Korach: `Luister, zonen van Levi. NUM 16:9 Is het u niet genoeg, dat de God van Israël u van de gemeenschap heeft afgezonderd en u tot zich heeft laten naderen om dienst te doen in de woning van Jahwe en de gemeenschap ten dienste te staan? NUM 16:10 Hij heeft u met al uw medelevieten tot zich toegelaten en nu eist u ook het priesterschap? NUM 16:11 U spant met uw aanhangers samen tegen Jahwe. Wat betekent Aäron dat u tegen hem zoudt morren?' NUM 16:12 Mozes liet Datan en Abiram, de zonen van Eliab, roepen. Maar zij antwoordden: `Wij komen niet! NUM 16:13 Het is al erg genoeg dat u ons uit een land van melk en honing hebt gehaald om ons te laten sterven in de woestijn! Wilt u zich nu ook nog als heerser over ons opwerpen! NUM 16:14 U hebt ons werkelijk niet in een land van melk en honing gebracht en hebt ons ook geen akkers en wijngaarden in eigendom gegeven! Denkt u, dat u ons nog iets kunt wijsmaken? Wij komen niet!' NUM 16:15 Mozes werd daar zeer verontwaardigd om en zei tot Jahwe: `Sla geen acht op hun meeloffer. Ik heb hun geen ezel ontnomen en niemand van hen onrecht gedaan.' NUM 16:16 Mozes zei tot Korach: `U moet morgen met heel uw aanhang voor Jahwe verschijnen, samen met Aäron. NUM 16:17 Ieder moet komen met een vuurpan, daar wierook op doen en die voor Jahwe plaatsen, tweehonderdvijftig in totaal. Dat geldt ook voor uzelf en voor Aäron.' NUM 16:18 Allen brachten een vuurpan mee. Zij deden er vuur in, legden daar wierook op en gingen met Mozes en Aäron bij de ingang van de tent van de samenkomst staan. NUM 16:19 Toen Korach heel de gemeenschap bij de tent van de samenkomst tegen hen bijeengebracht had, verscheen hun de heerlijkheid van Jahwe. NUM 16:20 Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: NUM 16:21 `Ga van deze gemeenschap weg, dan zal Ik hen in een oogwenk vernietigen.' NUM 16:22 Toen wierpen zij zich ter aarde en zeiden: `O God, gij die aan alle mensen het leven schenkt, laat gij, als een man zondigt, uw toorn op heel de gemeenschap neerkomen?' NUM 16:23 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 16:24 `Zeg aan de gemeenschap: Ga weg van de woning van Korach, Datan en Abiram.' NUM 16:25 Gevolgd door de oudsten van Israël begaf Mozes zich naar Datan en Abiram. NUM 16:26 Hij richtte zich tot de gemeenschap en zei: `Ga toch weg bij de tenten van die goddeloze mannen en raak niets aan wat hun toebehoort; anders worden hun zonden u noodlottig.' NUM 16:27 Datan en Abiram waren naar buiten gekomen en met hun vrouwen, zonen en kleine kinderen bij de ingang van hun tenten gaan staan. NUM 16:28 Toen zei Mozes: `Nu zult u weten, dat Jahwe mij gezonden heeft om dit alles te doen en dat het niet van mij afkomstig is. NUM 16:29 Wanneer die mannen de dood van alle mensen sterven en hen het lot van alle mensen treft, dan heeft Jahwe mij niet gezonden, NUM 16:30 maar doet Jahwe iets volkomen ongehoords, spert de grond zijn muil open en verslindt hij hen met alles wat hun toebehoort, zodat zij levend in het dodenrijk neerdalen, dan weet u, dat zij Jahwe gehoond hebben.' NUM 16:31 Nauwelijks was hij uitgesproken of de grond onder hen scheurde vaneen, NUM 16:32 de aarde opende zich en verslond hen en hun gezinnen, alle mensen die bij Korach hoorden en heel hun bezit. NUM 16:33 Zij daalden met al de hunnen levend in het dodenrijk neer. De aarde sloot zich boven hen en zij waren uit de gemeente verdwenen. NUM 16:34 Toen de Israëlieten die eromheen stonden hun kreten hoorden, vluchtten zij allen weg, want zij dachten: `Anders verslindt de aarde ook ons nog!' NUM 16:35 Toen kwam er van Jahwe een vuur en verteerde de tweehonderdvijftig man die wierook offerden. NUM 17:1 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 17:2 `Zeg aan Eleazar, de zoon van de priester Aäron, dat hij de vuurpannen uit de vlammen haalt en het vuur eruit werpt, want de vuurpannen zijn heilig geworden. NUM 17:3 Maak van de vuurpannen die die zondaars het leven gekost hebben, dunne platen om er het altaar mee te bedekken. Omdat zij voor Jahwe gebracht zijn, zijn ze heilig. Zo zullen zij voor de Israëlieten een teken zijn.' NUM 17:4 De priester Eleazar nam dus de bronzen vuurpannen, afkomstig van degenen die verbrand waren, maakte er dunne platen van en bekleedde daarmee het altaar. NUM 17:5 Zij brengen de Israëlieten in herinnering dat een onbevoegde, iemand die niet tot het geslacht van Aäron behoort, niet naar voren mag komen om Jahwe een reukoffer te brengen. Het zou hem vergaan als Korach en zijn aanhangers, zoals Jahwe door Mozes aan Korach had aangekondigd. NUM 17:6 Maar de volgende dag morde heel de gemeenschap tegen Mozes en Aäron en zei: `U hebt het volk van Jahwe gedood!' NUM 17:7 Terwijl heel de gemeenschap tegen Mozes en Aäron te hoop liep en naar de tent van de samenkomst keek, zagen zij dat de wolk er boven hing en dat de heerlijkheid van Jahwe verscheen. NUM 17:8 Toen begaven Mozes en Aäron zich naar de tent van de samenkomst. NUM 17:9 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 17:10 `Ga van deze gemeenschap weg, dan zal Ik hen in een oogwenk vernietigen.' Maar zij wierpen zich ter aarde. NUM 17:11 Mozes zei tot Aäron: `Neem een vuurpan, doe er vuur van het altaar in, leg daar wierook op, ga onmiddellijk naar de gemeenschap en bewerk verzoening voor hen, want Jahwe laat zijn toorn de vrije loop en de ramp is al begonnen.' NUM 17:12 Aäron spoedde zich op Mozes' bevel met de vuurpan naar de gemeenschap, en de ramp was inderdaad al onder het volk begonnen. Hij deed er wierook op en bewerkte voor het volk verzoening. NUM 17:13 Hij ging tussen de doden en de levenden staan en de ramp werd gestuit. NUM 17:14 Tengevolge van die ramp waren er veertienduizendzevenhonderd doden, afgezien van degenen die door de schuld van Korach de dood gevonden hadden. NUM 17:15 Nadat de ramp was gestuit, ging Aäron terug naar Mozes bij de tent van de samenkomst. NUM 17:16 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 17:17 `Spreek met de Israëlieten en vraag van de leiders van elke stam een staf, samen twaalf staven. Schrijf ieders naam op zijn staf - NUM 17:18 op die van Levi moet gij de naam van Aäron schrijven - want voor ieder stamhoofd moet er een eigen staf zijn. NUM 17:19 Gij moet ze voor de verbondsakte neerleggen in de tent van de samenkomst, waar Ik met u samenkom. NUM 17:20 De staf van de man die Ik uitkies, zal dan gaan bloeien. Zo zal Ik het gemor van de Israëlieten tegen u tot zwijgen brengen en het niet meer horen.' NUM 17:21 Mozes sprak met de Israëlieten, en de leider van elke stam gaf hem een staf, er waren er twaalf, en de staf van Aäron was er ook bij. NUM 17:22 Mozes legde ze voor het aanschijn van Jahwe in de tent met de verbondsakte. NUM 17:23 Toen Mozes de volgende dag in de tent met de verbondsakte kwam, zag hij, dat de staf van Aäron uit de stam Levi was gaan bloeien. Hij had bloemen en blad gekregen en droeg nu amandelen. NUM 17:24 Mozes nam al de staven bij Jahwe weg en bracht ze naar de Israëlieten. Toen zij het gezien hadden, kreeg ieder zijn staf terug. NUM 17:25 Jahwe zei tot Mozes: `Breng de staf van Aäron weer bij de verbondsakte en laat hem daar blijven als waarschuwing voor de weerspannigen; dan zullen zij ophouden met hun gemor tegen Mij, zodat zij niet zullen sterven.' NUM 17:26 Mozes deed alles wat Jahwe hem had opgedragen. NUM 17:27 De Israëlieten zeiden tot Mozes: `Dat is onze ondergang! Wij zijn verloren, wij zijn allen verloren. NUM 17:28 Wie te dicht bij de woning van Jahwe komt, vindt de dood. Dat is de ondergang van ons allen!' NUM 18:1 Jahwe zei tot Aäron: Gijzelf, uw zonen en uw familie, draagt de verantwoordelijkheid voor wat in het heiligdom verkeerd wordt gedaan. Gij draagt met uw zonen de verantwoordelijkheid voor de fouten in de priesterlijke bediening. NUM 18:2 Maar laat ook uw broeders, de stam Levi, de stam van uw vader, naderen tot de tent met de verbondsakte om zich bij u aan te sluiten en u met uw zonen behulpzaam zijn bij de tent met de verbondsakte. NUM 18:3 Zij kunnen u helpen door dienst te doen bij de tent, maar tot de heilige voorwerpen en het altaar mogen zij niet naderen, want dat zal de dood betekenen voor hen en voor u. NUM 18:4 Zij moeten zich bij u aansluiten en een taak volbrengen bij de tent van de samenkomst naar gelang de dienst het vraagt. Een onbevoegde mag u niet komen helpen. NUM 18:5 De taak bij het heiligdom en bij het altaar moet gijzelf blijven vervullen; dan zal geen toorn de Israëlieten treffen. NUM 18:6 Bij dezen zonder Ik uw broeders, de levieten, van de Israëlieten af. Zij zijn aan Jahwe afgestaan om dienst te doen bij de tent van de samenkomst en zij staan tot uw beschikking. NUM 18:7 Maar gij met uw zonen moet alle priesterlijke handelingen aan het altaar en achter voor voorhangsel verrichten. Daar ligt uw werk. Uw priesterlijke taak is een geschenk dat Ik u geef. De onbevoegde die er zich in mengt, moet gedood worden. NUM 18:8 Jahwe zei tot Aäron: De zorg voor mijn aandeel in alle heilige gaven van de Israëlieten vertrouw Ik u bij dezen toe. Ik schenk die aan u en uw zonen als een blijvend recht, op grond van uw zalving. NUM 18:9 Van de hoogheilige gaven, voorzover zij niet verbrand worden, is het volgende voor u: al de meeloffers, de zondeoffers en de schuldoffers die men Mij teruggeeft; als hoogheilig komen zij u en uw zonen toe, NUM 18:10 en als hoogheilig moet gij ze eten. Alle mannelijke personen mogen ervan eten en gij moet ze als heilig behandelen. NUM 18:11 Gij krijgt ook dit nog. Van alle gaven van de Israëlieten die met uitgestrekte handen worden aangeboden geef Ik een vast deel aan u, aan uw zonen en aan uw dochters, als een blijvend recht. Ieder van uw huisgenoten mag daarvan eten, als hij maar rein is. NUM 18:12 Het beste van de olie en het beste van de most en het koren, het puik van alles wat zij aan Jahwe afstaan, Ik geef het allemaal aan u. NUM 18:13 De eerstelingen van al hun veldvruchten zijn voor u. Ieder van uw huisgenoten mag ervan eten, als hij maar rein is. NUM 18:14 Alwat in Israël door de ban gewijd is, is voor u. NUM 18:15 Alle eerstgeborenen van mens of dier die men Jahwe aanbiedt, zijn voor u. Maar de eerstgeborene van de mensen moet gij steeds laten loskopen; ook het eerstgeborene van onreine dieren moet gij laten loskopen. NUM 18:16 Zodra de eerstgeborene een maand oud is, moet gij hem laten loskopen voor een bedrag van vijf sikkel zilver in heilige munt, twintig gera de sikkel. NUM 18:17 Maar het eerstgeborene van een rund, schaap of geit moogt gij niet laten loskopen, want zij zijn heilig. Hun bloed moet gij op het altaar sprenkelen en hun vet in rook doen opgaan als een offer, als een geurige gave die Jahwe behaagt. NUM 18:18 Het vlees van die dieren is voor u, evenals de borst die gij Mij aanbiedt, en de rechterschenkel. NUM 18:19 Van alle heilige gaven geef Ik u, uw zonen en uw dochters een vast deel als een blijvend recht. Het geldt bij Jahwe als een altijddurend verbond met zout bekrachtigd, voor u en evenzo voor uw nageslacht. NUM 18:20 Jahwe zei tot Aäron: Gij zult geen grondbezit hebben en geen deel van het land krijgen zoals zij; Ik ben uw aandeel en uw bezit onder de Israëlieten. NUM 18:21 Aan de levieten ken Ik bij deze alle tienden in Israël als eigendom toe, om het werk te belonen dat zij verrichten bij de tent van de samenkomst. NUM 18:22 De Israëlieten immers mogen de tent van de samenkomst niet meer naderen, want dan zouden zij schuld op zich laden en sterven. NUM 18:23 Het werk bij de tent van de samenkomst moet door de levieten gedaan worden. Zij dragen daarvoor de verantwoordelijkheid. Dit is een eeuwige wet voor al uw geslachten. Grondbezit onder de Israëlieten zullen de levieten niet krijgen. NUM 18:24 De tiende die de Israëlieten aan Jahwe afdragen, ken Ik hun als eigendom toe. Daarom heb Ik bepaald, dat zij geen eigen stuk grond krijgen, zoals de overige Israëlieten. NUM 18:25 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 18:26 Zeg aan de levieten: Wanneer gij van de Israëlieten de tiende ontvangt, die Ik u als eigendom heb toegekend, dan moet gij daarvan een vast deel aan Jahwe afdragen, een tiende van de tiende. NUM 18:27 Het aandeel dat gij afdraagt, zal op een lijn gesteld worden met de tiende van het koren van de dorsvloer en van de inhoud van de perskuip. NUM 18:28 Zo moet ook gij van al de tienden die gij van de Israëlieten ontvangt, uw deel aan Jahwe afdragen. Gij moet dat deel voor Jahwe aan de priester Aäron geven. NUM 18:29 Van de beste stukken die u gegeven worden, moet gij een vast deel als heilige gave aan Jahwe afdragen. NUM 18:30 Zeg hun: wanneer gij, levieten, de beste stukken afdraagt, zullen die op een lijn gesteld worden met het beste van de opbrengst van dorsvloer en perskuip. NUM 18:31 Op alle plaatsen moogt gij met uw gezinnen de tienden eten, want het is uw loon, een vergoeding voor uw werk bij de tent van de samenkomst, NUM 18:32 en wanneer gij dan de beste stukken daarvan afdraagt, treft u in dezen geen schuld. Dan ontwijdt gij de heilige gaven van de Israëlieten niet en zult gij niet sterven. NUM 19:1 Jahwe sprak tot Mozes en Aäron: NUM 19:2 Jahwe geeft het volgende wettelijke voorschrift: Zeg aan de Israëlieten, dat zij u een gave rode koe brengen, zonder enig gebrek, die nog geen juk heeft gedragen. NUM 19:3 Gij moet ze aan de priester Eleazar geven; ze wordt buiten het kamp gebracht en in zijn tegenwoordigheid geslacht. NUM 19:4 De priester Eleazar doopt dan zijn vinger in het bloed van de koe en sprenkelt zevenmaal in de richting van de voorzijde van de tent van de samenkomst. NUM 19:5 Daarna wordt de koe voor zijn ogen verbrand met huid, vlees, bloed en darmen. NUM 19:6 De priester werpt cederhout, hysop en karmozijn in het vuur waarin de koe verbrand wordt. NUM 19:7 Dan wast de priester zijn kleren, maar tot de avond blijft hij onrein. NUM 19:8 Ook degene die de koe verbrand heeft, moet zijn kleren wassen en een bad nemen, maar hij blijft tot de avond onrein. NUM 19:9 Iemand die rein is, moet de as van de koe verzamelen en op een reine plaats buiten het kamp leggen. Die as moet bewaard blijven om er reinigingswater mee te maken voor de gemeenschap van de Israëlieten. De koe heeft als een zondeoffer gediend. NUM 19:10 Degene die de as van de koe verzameld heeft, moet zijn kleren wassen en blijft tot de avond onrein. Dat is voor de Israëliet en voor de vreemdeling die bij u woont, een blijvende wet. NUM 19:11 Wie het lijk van een mens aanraakt is zeven dagen onrein. NUM 19:12 Op de derde en op de zevende dag moet hij zich met reinigingswater zuiveren; daarna is hij weer rein. Zuivert hij zich niet op de derde en de zevende dag, dan wordt hij niet rein. NUM 19:13 Ieder die een dode, het lijk van een mens, aanraakt en zich niet zuivert, verontreinigt de woning van Jahwe. Die persoon moet uit Israël worden verwijderd. Omdat hij niet met het reinigingswater is besprenkeld, is en blijft hij onrein. NUM 19:14 Aldus luidt de wet: Wanneer iemand in een tent sterft, wordt ieder die de tent binnengaat of zich daarin bevindt, voor zeven dagen onrein. NUM 19:15 Alle open vaten die niet met een deksel zijn afgesloten, worden onrein. NUM 19:16 Ieder die in het open veld iemand aanraakt die vermoord of gestorven is, wie mensenbeenderen of een graf aanraakt, wordt voor zeven dagen onrein. NUM 19:17 Men moet wat stof van de verbrande koe nemen, het in een vat doen en daarop bronwater gieten. NUM 19:18 Een man die rein is, moet een hysoptakje in dat water dopen, daarmee de tent besprenkelen en ook de vaten en de mensen die erin waren. Hetzelfde doet hij met hem die met beenderen, met een vermoorde, met een gestorvene of met een graf in aanraking is geweest. NUM 19:19 De reine moet de onreine op de derde en de zevende dag besprenkelen. Nadat hij hem op de zevende dag gezuiverd heeft, moet hij zijn kleren wassen en een bad nemen. `s Avonds is hij weer rein. NUM 19:20 Iemand die onrein wordt, maar zich niet zuivert, moet uit de gemeenschap verwijderd worden, omdat hij het heiligdom van Jahwe verontreinigt. Omdat hij niet met het reinigingswater is besprenkeld, blijft hij onrein. NUM 19:21 Dit is voor hen een blijvende wet. Wie het reinigingswater sprenkelt, moet zijn kleren reinigen; wie het reinigingswater aanraakt is tot de avond onrein. NUM 19:22 Alles wat de onreine aanraakt, wordt onrein en degene die ermee in aanraking komt, is tot de avond onrein. NUM 20:1 In de eerste maand kwam heel de gemeenschap van de Israëlieten in de woestijn Sin. Tijdens het verblijf van het volk in Kades overleed Mirjam en werd ter plaatse begraven. NUM 20:2 Eens was er geen water voor de gemeenschap. Het volk liep toen te hoop tegen Mozes en Aäron NUM 20:3 en begon Mozes verwijten te doen. Zij zeiden: `Waren wij maar door ingrijpen van Jahwe gestorven zoals onze broeders! NUM 20:4 Hebt u de gemeente van Jahwe naar deze woestijn geleid om er mens en dier de dood te laten vinden? NUM 20:5 Waarom hebt u ons uit Egypte geleid naar dit ellendig oord waar geen koren is, geen vijg, geen wijnstok, geen granaatappel, en zelfs geen water?' NUM 20:6 Toen verwijderden Mozes en Aäron zich van de gemeente en gingen naar de ingang van de tent van de samenkomst en wierpen zich ter aarde. De heerlijkheid van Jahwe verscheen hun NUM 20:7 en Jahwe sprak tot Mozes: NUM 20:8 `Neem de staf en roep met uw broer Aäron de gemeenschap bijeen. Gij moet in hun bijzijn de rots gebieden water te geven; dan zult gij uit die rots water doen stromen en de gemeenschap en het vee laten drinken.' NUM 20:9 Mozes nam de staf uit het heiligdom, zoals Jahwe hem gezegd had. NUM 20:10 Toen riepen Mozes en Aäron de gemeente voor de rots bijeen. Mozes zei tot hen: `Luistert, weerspannigen! Zullen wij voor mensen als jullie water uit deze rots laten stromen?' NUM 20:11 Mozes hief zijn hand op en sloeg met zijn staf op de rots, tweemaal: toen stroomde er volop water uit zodat de gemeenschap en het vee konden drinken. NUM 20:12 Maar Jahwe zei tot Mozes en Aäron: `Uw vertrouwen op Mij is niet zo groot geweest, dat gij tegenover de Israëlieten mijn heiligheid hebt hooggehouden. Daarom zult gij deze gemeente niet binnenleiden in het land, dat Ik hun gegeven heb.' NUM 20:13 Dat water is het water van Meriba, waar de Israëlieten Jahwe verwijten deden en Hij bij hen zijn heiligheid openbaarde. NUM 20:14 Van Kades uit zond Mozes boden naar de koning van Edom met de boodschap: `Zo spreekt uw broeder Israël. U kent alle wederwaardigheden die ons zijn overkomen. NUM 20:15 Onze voorouders zijn naar Egypte getrokken en wij hebben daar lange tijd gewoond. Maar de Egyptenaren hebben ons, evenals onze voorouders, slecht behandeld. NUM 20:16 Toen hebben wij tot Jahwe geroepen en heeft Hij ons verhoord. Hij zond een engel en voerde ons uit Egypte. Nu zijn wij in Kades, een stad aan de grens van uw gebied. NUM 20:17 Sta ons toe door uw land te trekken. Wij zullen niet door uw akkers en wijngaarden trekken en uit uw putten geen water drinken. Wij zullen de koninklijke weg houden, zonder naar rechts of links af te wijken, tot wij door uw gebied heen zijn.' NUM 20:18 Maar Edom zei hem: `Ik verleen u geen doortocht door mijn gebied. Trekt u er toch door dan kom ik met het zwaard op u af.' NUM 20:19 De Israëlieten zeiden: `Wij zullen de grote weg houden. Mochten wij of ons vee water nodig hebben, dan zullen wij u daarvoor betalen. Het enige dat wij van u vragen is dat wij te voet door uw land mogen trekken.' NUM 20:20 Maar Edom antwoordde: `Ik verleen u geen doortocht.' Hij kwam met een talrijk leger en een sterke macht op Israël af. NUM 20:21 Toen Edom geen doortocht verleende, trok Israël van zijn gebied weg. NUM 20:22 Heel de gemeenschap van de Israëlieten vertrok van Kades en kwam bij de berg Hor. NUM 20:23 Bij de berg Hor, aan de grens van Edom, zei Jahwe tot Mozes en Aäron: NUM 20:24 `Aaron zal met zijn voorvaderen verenigd worden. Hij zal het land dat Ik aan de Israëlieten schenk niet binnengaan, omdat gij u bij het water van Meriba allebei tegen mijn bevel hebt verzet. NUM 20:25 Ga met Aäron en zijn zoon Eleazar de berg Hor op. NUM 20:26 Daar moet gij Aäron zijn gewaden laten afleggen en er zijn zoon Eleazar mee bekleden. Aäron zal daar met zijn voorvaderen verenigd worden en sterven.' NUM 20:27 Mozes deed wat Jahwe bevolen had. Ten aanschouwen van heel de gemeenschap gingen zij de berg Hor op. NUM 20:28 Mozes liet Aäron zijn gewaden afleggen en bekleedde er diens zoon Eleazar mee. Daar, op de top van de berg, overleed Aäron. Toen Mozes en Eleazar van de berg naar beneden kwamen, NUM 20:29 begreep heel de gemeenschap dat Aäron overleden was. Heel het huis van Israël beweende Aäron dertig dagen. NUM 21:1 De Kanaänieten in de Negeb, met name de koning van Arad, hoorden dat de Israëlieten langs de weg naar Atarim oprukten. Zij vielen hen aan en namen enigen van hen gevangen. NUM 21:2 Toen deed Israël Jahwe deze belofte: `Als Gij mij dit volk uitlevert, zal ik hun steden met de ban slaan.' NUM 21:3 Jahwe verhoorde het gebed van Israël en leverde de Kanaänieten aan hen uit. Israël sloeg de ban aan hen en aan hun steden. Men noemde die plaats Chorma. NUM 21:4 Van de berg Hor trokken zij in de richting van de Rietzee, want zij wilden om Edom heentrekken. Maar onderweg werd het volk ongeduldig. NUM 21:5 Het keerde zich tegen God en tegen Mozes: `Hebt u ons uit Egypte gevoerd om te sterven in de woestijn? Er is geen brood, er is geen water en dat minderwaardige eten staat ons tegen.' NUM 21:6 Toen zond Jahwe giftige slangen op het volk af. Deze beten de Israëlieten en velen van hen vonden de dood. NUM 21:7 Nu kwam het volk naar Mozes en zei: `Wij hebben gezondigd, want wij hebben ons tegen Jahwe en tegen u gekeerd. Bid Jahwe, dat Hij die slangen van ons wegneemt.' Toen bad Mozes voor het volk NUM 21:8 en Jahwe zei tot hem: `Maak zo'n giftige slang en zet die op een paal. Iedereen die gebeten is en er naar opziet, zal in leven blijven.' NUM 21:9 Mozes maakte een bronzen slang en zette die op een paal. Ieder die door een slang was gebeten en zijn ogen op de bronzen slang richtte, bleef in leven. NUM 21:10 De Israëlieten trokken verder en sloegen hun kamp op te Obot. NUM 21:11 Van Obot trokken zij verder en sloegen hun kamp op te Ijje-haabarim, in de woestijn ten oosten van Moab. NUM 21:12 Vandaar trokken zij verder en sloegen hun kamp op in het dal van de Zered. NUM 21:13 Vandaar trokken zij verder en sloegen hun kamp op aan de overkant van de Arnon, die door de woestijn stroomt en uit het gebied van de Amorieten komt; de Arnon is de grens van Moab, tussen Moab en de Amorieten. NUM 21:14 Daarom wordt in het boek van de oorlogen van Jahwe gezegd: Waheb in Sufa, het dal van de Arnon, NUM 21:15 de helling die loopt tot Ar en leunt tegen de grens van Moab. NUM 21:16 Vandaar naar Beer. Dat is de put waarbij Jahwe tot Mozes zei: `Roep het volk bijeen, dan zal Ik hun water geven.' NUM 21:17 Toen zong Israël dit lied: Geef water, put! Laten wij hem bezingen NUM 21:18 de put, gedolven door vorsten, gegraven door de groten van het volk, met scepter en met staf. Van de woestijn trokken zij naar Mattana, NUM 21:19 van Mattana naar Nachaliël, van Nachaliël naar Bamot, NUM 21:20 van Bamot naar het dal in Moab, bij de top van de Pisga, die de Jordaanvallei beheerst. NUM 21:21 Toen zond Israël boden naar Sichon, de koning van de Amorieten, met het verzoek: NUM 21:22 `Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet van de weg afgaan; wij zullen niet op uw akkers en wijngaarden komen en uit uw putten geen water drinken; wij zullen de koninklijke weg houden tot wij door uw gebied heen zijn.' NUM 21:23 Maar Sichon verleende Israël geen doortocht door zijn gebied. Hij verzamelde heel zijn leger en trok de woestijn in, Israël tegemoet. Bij Jahas viel hij Israël aan. NUM 21:24 Maar Israël versloeg hem met het zwaard en nam zijn land in bezit van de Arnon tot aan de Jabbok, tot aan de Ammonitische grens, want die was versterkt. NUM 21:25 Israël nam al de steden van de Amorieten in en vestigde zich daar, ook in Chesbon en al haar onderhorige steden. NUM 21:26 Chesbon was de stad van Sichon, de koning van de Amorieten, die oorlog had gevoerd met de vorige koning van Moab en hem al zijn land tot aan de Arnon had ontnomen. NUM 21:27 Daarom zeggen de dichters: Kom naar Chesbon. Laat Sichons stad herbouwd en versterkt worden. NUM 21:28 Want een vuur is uit Chesbon geslagen, een vlam uit de stad van Sichon; de steden van Moab heeft zij verteerd en de heersers van de hoogten de Arnon. NUM 21:29 Wee u, Moab! Verloren zijt gij, volk van Kemos! Vluchten moesten zijn zonen, zijn dochters werden buitgemaakt door Sichon, de koning van de Amorieten. NUM 21:30 Toen wij hen met pijlen beschoten, ging alles verloren, van Chesbon tot Dibon. Verwoesting richtten wij aan tot Nofach, in heel de streek van Medeba. NUM 21:31 Israël vestigde zich in het land van de Amorieten. NUM 21:32 Mozes liet Jazer verkennen. Zij namen haar onderhorige steden in en verdreven de Amorieten die er woonden. NUM 21:33 Daarna sloegen zij de weg in naar Basan. Maar Og, de koning van Basan, rukte met heel zijn leger tegen hen uit om slag te leveren bij Edrei. NUM 21:34 Jahwe zei tot Mozes: `Vrees hem niet, want Ik lever hem aan u uit met heel zijn leger en zijn land. Gij moet hem op dezelfde wijze behandelen als Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon woonde.' NUM 21:35 Zij versloegen hem met zijn zonen en heel zijn leger tot de laatste man en namen zijn land in bezit. NUM 22:1 De Israëlieten trokken verder en sloegen hun kamp op in de vlakte van Moab, aan de overkant van de Jordaan bij Jericho. NUM 22:2 Balak, de zoon van Sippor, had alles gezien wat Israël met de Amorieten gedaan had. NUM 22:3 Moab was zeer bevreesd, omdat het volk zo talrijk was. In zijn angst voor de Israëlieten NUM 22:4 zei Moab tegen de oudsten van Midjan: `Nu gaat die mensenmassa onze hele omgeving afgrazen, zoals de runderen het groen van het veld afgrazen.' Balak, de zoon van Sippor, was koning van Moab in die tijd. NUM 22:5 Hij zond gezanten naar Petor aan de Eufraat in het land van de Amawieten, om Bileam, de zoon van Beor, te ontbieden. Zij moesten zeggen: `Er is uit Egypte een volk gekomen; het hele land ziet er zwart van, en dat volk ligt nu aan mijn grenzen. NUM 22:6 Kom naar mij toe en vervloek dat volk, want het is machtiger dan ik. Misschien kan ik het dan verslaan en uit het land verdrijven. Ik weet immers: wie gij zegent, is gezegend en wie gij vervloekt, is vervloekt.' NUM 22:7 De oudsten van Moab en de oudsten van Midjan gingen op weg met het loon voor de ziener bij zich. Zij kwamen bij Bileam en brachten hem het verzoek van Balak over. NUM 22:8 Hij zei tot hen: `U moet hier eerst overnachten: daarna zal ik u meedelen wat Jahwe mij zegt.' De aanzienlijke mannen van Moab overnachtten dus bij Bileam. NUM 22:9 Toen kwam God tot Bileam en zei: `Wie zijn die mannen in uw huis?' NUM 22:10 Bileam zei tot God: `Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab, heeft mij laten berichten: NUM 22:11 Een volk dat uit Egypte gekomen is, overdekt het hele land. Kom dus en spreek er een vloek over uit. Misschien kan ik het dan bestrijden en verdrijven.' NUM 22:12 Maar God zei tot Bileam: `Gij moogt niet met hen meegaan. Gij moogt dat volk niet vervloeken, want het is gezegend.' NUM 22:13 De volgende morgen zei Bileam tot de afgezanten van Balak: `U moet naar uw land terugkeren. Jahwe geeft mij geen toestemming om met u mee te gaan.' NUM 22:14 De aanzienlijke mannen van Moab gingen dus op weg en toen ze bij Balak kwamen, zeiden ze: `Bileam heeft geweigerd met ons mee te gaan.' NUM 22:15 Opnieuw zond Balak aanzienlijke mannen, talrijker en voornamer dan de eerste. NUM 22:16 Zij kwamen bij Bileam en zeiden tot hem: `Zo spreekt Balak, de zoon van Sippor: Laat u toch niet weerhouden naar mij toe te komen! NUM 22:17 Ik zal u rijk belonen en alles doen wat u zegt. Kom toch en vervloek voor mij dat volk.' NUM 22:18 Maar Bileam gaf de dienaren van Balak ten antwoord: `Al gaf Balak mij al het zilver en goud van zijn huis, het bevel van Jahwe kan ik in geen geval overtreden. NUM 22:19 Maar ook u moet hier blijven overnachten. Dan kan ik vernemen wat Jahwe mij verder te zeggen heeft.' NUM 22:20 In die nacht kwam God tot Bileam en zei hem: `Nu deze mannen u zijn komen ontbieden, kunt gij met hen meegaan, maar gij moogt alleen doen wat Ik u zeg.' NUM 22:21 De volgende morgen zadelde Bileam zijn ezelin en ging met de aanzienlijke mannen van Moab mee. NUM 22:22 Toen hij vertrok, ontstak God in toorn. De engel van Jahwe ging op de weg staan om hem tegen te houden. Terwijl hij op zijn ezelin voortreed met zijn twee knechten, NUM 22:23 zag de ezelin de engel van Jahwe, met getrokken zwaard in de hand, op de weg staan. Toen ging zij van de weg af, het veld in. Bileam sloeg de ezelin weer de weg op. NUM 22:24 Nu ging de engel van Jahwe in een holle weg staan, die tussen de wijngaarden lag, met aan weerszijden een muur. NUM 22:25 Toen de ezelin de engel van Jahwe zag, drukte zij zich tegen de muur en daarbij raakte de voet van Bileam bekneld. Hij sloeg haar opnieuw. NUM 22:26 Nogmaals ging de engel van Jahwe een eind verder en hield stil op een plek die zo nauw was, dat men rechts noch links kon. NUM 22:27 Toen de ezelin de engel van Jahwe zag, ging zij met Bileam in het zadel op de grond liggen. Bileam werd woedend en sloeg de ezelin met een stok. NUM 22:28 Nu liet Jahwe de ezelin spreken. Zij zei tot Bileam: `Waaraan heb ik het verdiend, dat je mij nu al driemaal geslagen hebt?' NUM 22:29 Bileam zei tot de ezelin: `Omdat je mij belachelijk maakt. Het is maar goed dat ik geen zwaard in mijn hand had, want dan had ik je gedood!' NUM 22:30 Toen zei de ezelin tot Bileam: `Ben ik niet de ezelin op wie je heel je leven tot nu toe gereden hebt? Heb ik jou ooit zo behandeld?' Hij antwoordde: `Neen.' NUM 22:31 Toen opende Jahwe de ogen van Bileam en deze zag de engel met het getrokken zwaard in de hand op de weg staan. Toen knielde Bileam neer en wierp zich ter aarde. NUM 22:32 De engel van Jahwe zei hem: `Waarom hebt gij die ezelin van u tot driemaal toe geslagen? Ik ben gekomen om u tegen te houden, want Ik zie dat deze onderneming verkeerd afloopt. NUM 22:33 De ezelin zag Mij en ging Mij driemaal uit de weg. Had zij dat niet gedaan, dan had Ik u gedood en haar in leven gelaten.' NUM 22:34 Bileam zei tot de engel van Jahwe: `Ik heb verkeerd gedaan. Ik wist immers niet, dat Gij tegenover mij op de weg stond. Als Gij vindt, dat ik verkeerd doe, dan ga ik terug.' NUM 22:35 Maar de engel van Jahwe zei tot Bileam: `Ga met die mannen mee, maar zeg alleen wat Ik u zeggen zal.' Zo ging Bileam met de afgezanten van Balak mee. NUM 22:36 Toen Balak hoorde dat Bileam in aantocht was, ging hij hem tegemoet tot de stad in Moab die aan de uiterste rand van het gebied van de Arnon lag. NUM 22:37 Balak zei tot Bileam: `Ik had toch gezanten gezonden om u te ontbieden! Waarom bent u dan niet naar mij toe gekomen? Dacht u soms dat ik u niet kon belonen?' NUM 22:38 Maar Bileam zei tot Balak: `Ik ben nu wel naar u toe gekomen, maar ik weet niet, of ik iets zal kunnen zeggen. Wat Jahwe mij in de mond legt, dat zal ik zeggen.' NUM 22:39 Bileam ging met Balak mee en zij kwamen te Kirjat-chusot. NUM 22:40 Balak offerde runderen en schapen en liet er stukken van brengen naar Bileam en de aanzienlijke mannen die bij hem waren. NUM 22:41 De volgende morgen ging Balak met Bileam de Bamot-baal op, vanwaar hij een deel van het volk kon zien. NUM 23:1 Toen zei Bileam tot Balak: `Bouw hier voor mij zeven altaren en maak hier zeven stieren en zeven rammen gereed voor een offer.' NUM 23:2 Balak deed wat Bileam gezegd had en offerde - met Bileam - een stier en een ram op elk altaar. NUM 23:3 Nu zei Bileam tot Balak: `Blijf bij uw brandoffer staan, terwijl ik heenga. Misschien treedt Jahwe mij tegemoet. Wat Hij mij zal laten zien, zal ik u meedelen.' Bileam ging daarop naar een eenzame plaats. NUM 23:4 Daar openbaarde God zich aan hem. Bileam zei tot Hem: `Zeven altaren heb ik laten oprichten en op elk altaar een stier en een ram laten offeren.' NUM 23:5 Toen legde Jahwe een woord in de mond van Bileam en zei: `Keer naar Bala terug en breng hem over wat Ik u gezegd heb.' NUM 23:6 Toen Bileam terugkwam, stond Balak met al de aanzienlijke mannen van Moab nog bij het brandoffer. NUM 23:7 Bileam hief het volgende lied aan en sprak: Uit Aram ben ik door Balak ontboden, van de bergen in het Oosten door de koning van Moab: Kom! Vervloek voor mij Jakob, kom en verwens Israël. NUM 23:8 Hoe kan ik vervloeken, waar God niet vervloekt? Hoe kan ik verwensen, waar God niet verwenst? NUM 23:9 Van de top van de rotsen af zie ik het, van de heuvels af neem ik het waar, een volk dat niet bij de andere volken woont en zich niet beschouwt als een van hen. NUM 23:10 Wie telt die stofwolk, die Jakob is, of wie becijfert maar een kwart van Israël? Ik zou willen sterven als die rechtvaardigen, een einde vinden als zij. NUM 23:11 Toen zei Balak tot Bileam: `Wat hebt u mij nu gedaan! Ik heb u gehaald om mijn vijanden te vervloeken en nu hebt u een loflied over hen gezongen!' NUM 23:12 Bileam antwoordde: `Moet mijn enige zorg niet zijn te zeggen wat Jahwe mij in de mond legt?' NUM 23:13 Hierop zei Balak tot hem: `Kom dan met mij mee naar een andere plaats waar u hen kunt zien, wel niet het hele volk maar toch een deel; en van die plaats af moet gij het dan vervloeken.' NUM 23:14 Hij nam hem mee naar het Spiedersveld op de top van de Pisga, bouwde zeven altaren en offerde op elk altaar een stier en een ram. NUM 23:15 Bileam zei tot Balak: `Blijf hier bij uw brandoffer staan, terwijl ik ginds een nieuwe ontmoeting afwacht.' NUM 23:16 Jahwe trad Bileam tegemoet, legde hem een woord in de mond en zei: `Keer terug en breng hem over wat Ik u gezegd heb.' NUM 23:17 Toen Bileam bij Balak kwam, stond deze met de aanzienlijke mannen van Moab nog bij het brandoffer. Balak vroeg hem: `Wat heeft Jahwe gezegd?' NUM 23:18 Toen hief Bileam het volgende lied aan: Wees aandachtig, Balak, en luister, wend uw oor naar mij, zoon van Sippor, NUM 23:19 God is geen mens, Hij liegt niet, geen mensenkind, Hij krijgt van zijn woord geen spijt. Hij zou zeggen en niet doen? Hij beloven en niet volbrengen? NUM 23:20 Hij heeft mij bevolen te zegenen en geeft Hij zegen, dan keer ik die niet. NUM 23:21 Geen onheil valt te ontwaren bij Jakob, geen ramp is te zien bij Israël. Jahwe, zijn God, is met hem. Hij is de koning die Israël toejuicht. NUM 23:22 Hij is de God, die hen uit Egypte gevoerd heeft, Hij is voor hen als de horens van een buffel. NUM 23:23 Geen bezwering heeft kracht tegen Jakob, geen waarzeggerij tegen Israël. Nu is het de tijd dat Jakob verneemt, dat Israël hoort wat God met hen voor heeft. NUM 23:24 Hier is een volk dat zich opricht als een leeuw en zich verheft als de koning der dieren. Hij rust niet voor hij zijn buit heeft verslonden en het bloed van zijn prooi heeft gedronken. NUM 23:25 Nu zei Balak tot Bileam: `Als u niet wilt vervloeken, zegen dan tenminste niet!' NUM 23:26 Maar Bileam antwoordde Balak: `Ik heb u toch gezegd, dat ik alles zou doen wat Jahwe mij opdraagt!' NUM 23:27 Balak zei tot Bileam: `Kom, ik neem u mee naar een andere plaats. Misschien behaagt het God, dat u vanaf die plaats het volk vervloekt.' NUM 23:28 Balak nam Bileam mee naar de top van de Peor, die de Jordaanvallei beheerst. NUM 23:29 Bileam zei tot Balak: `Bouw hier zeven altaren en maak hier zeven stieren en zeven rammen gereed.' NUM 23:30 Balak deed wat Bileam gezegd had en offerde op elk altaar een stier en een ram. NUM 24:1 Bileam begreep, dat het Jahwe behaagde Israël te zegenen. Daarom ging hij niet zoals de vorige keren op aanwijzingen uit, maar keerde hij zich in de richting van de woestijn. NUM 24:2 Toen hij de ogen opsloeg en Israël stam bij stam gelegerd zag, kwam de geest van God over hem. NUM 24:3 Hij hief het volgende lied aan: Dit is het orakel van Bileam, zoon van Beor, het orakel van de man die geheimen mocht zien, NUM 24:4 de godsspraak van hem die God hoort spreken, die schouwt wat de Almachtige ontsluiert, en in extase openbaringen ontvangt. NUM 24:5 Hoe schoon zijn uw tenten, Jakob, hoe mooi uw woningen, Israël: NUM 24:6 als dalen liggen zij uitgespreid, als tuinen langs een rivier, als aloebomen door Jahwe geplant, als ceders die staan aan het water. NUM 24:7 Zijn emmers stromen over van water; wat hij zaait wordt volop bevloeid. Zijn koning komt hoger dan Agag; zijn koningschap zal zich verheffen. NUM 24:8 De God die hem uit Egypte geleid heeft, is voor hem als een buffel met opgestoken horens. Vijandige volken verslindt hij, verbrijzelt hun beenderen, breekt hun lenden. NUM 24:9 Hij vleit zich neer als een roofdier; hij ligt als de koning der dieren; wie durft hem te wekken? Gezegend die u zegenen, vervloekt die u vervloeken. NUM 24:10 Nu werd Balak woedend op Bileam. Hij sloeg zijn handen tegen elkaar en zei: `Ik heb u gehaald om mijn vijanden te vervloeken en nu hebt u al driemaal zegenwoorden uitgesproken. NUM 24:11 Maak dat u wegkomt, terug naar uw land. Ik had beloofd u rijk te belonen, maar Jahwe is schuld dat de beloning u ontgaat.' NUM 24:12 Toen zei Bileam tot Balak: `Ik had toch al tegen uw gezanten gezegd: NUM 24:13 `Al gaf Balak mij al het zilver en goud van zijn huis, het bevel van Jahwe kan ik in geen geval overtreden. Ik kan alleen zeggen wat Jahwe zegt. NUM 24:14 Goed, ik ga weer naar mijn land, maar eerst ga ik u meedelen, wat dit volk in de toekomst uw volk zal aandoen.' NUM 24:15 Toen hief hij het volgende lied aan. Dit is de godsspraak van Bileam, zoon van Beor, de godsspraak van de man die geheimen mocht zien, NUM 24:16 de godsspraak van hem die God hoort spreken, die weet wat de Allerhoogste weet, die schouwt wat de Almachtige ontsluiert en in vervoering openbaringen ontvangt. NUM 24:17 Ik zie hem, maar niet in het heden, ik aanschouw hem, maar niet van nabij; een ster komt op uit Jakob, een scepter rijst op uit Israël. Hij verbrijzelt de slapen van Moab, de schedel van al de zonen van Set. NUM 24:18 Edom zal een wingewest zijn, een wingewest Seir, zijn vijand, maar Israël zal macht ontplooien, NUM 24:19 Een die uit Jakob komt, zal heersen, hij verdelgt wie ontsnapt was uit Ar. NUM 24:20 Toen hij Amalek zag, hief hij dit lied aan: Amalek staat onder de volken vooraan, toch gaat hij ten slotte te gronde, NUM 24:21 Toen hij de Kenieten zag, hief hij dit lied aan: Uw zetel mag vast zijn en sterk, uw nest gebouwd op een rots, NUM 24:22 toch wordt gij weggevaagd, Kain! Weldra sleept Assur u weg. NUM 24:23 Ook het volgende lied hief hij nog aan: Helaas, wie blijft er in leven, als God zijn plannen volvoert? NUM 24:24 Van de kust van de Kittiers komen de schepen; zij vernederen Assur, vernederen Eber. Ook zij gaan te gronde. NUM 24:25 Toen ging Bileam terug naar zijn woonplaats; ook Balak ging zijns weegs. NUM 25:1 Toen Israël in Sittim verbleef, begon het volk ontucht te plegen met Moabitische vrouwen, NUM 25:2 die het volk uitnodigden op de offers van hun goden. Het volk nam daaraan deel en boog zich voor haar goden neer. NUM 25:3 Zo gaf Israël zich af met Baäl-peor en ontstak Jahwe in toorn tegen Israël. NUM 25:4 Hij zei tot Mozes: `Grijp alle leiders van het volk en steek ze op klaarlichte dag voor Jahwe aan palen; dan zal de gloed van zijn toorn zich van Israël afwenden.' NUM 25:5 Mozes zei tot de rechters van Israël: `Ieder moet diegenen van zijn mannen doden die zich met Baäl-peor hebben afgegeven.' NUM 25:6 Terwijl Mozes en heel de gemeenschap bij de tent van de samenkomst weeklaagden, zagen zij hoe een Israëliet met een Midjanitische vrouw naar hen toekwam. NUM 25:7 Toen Pinechas, zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, dit zag, verliet hij de gemeenschap, greep een lans, NUM 25:8 ging de Israëliet tot in het slaapvertrek achterna en stak hem en de vrouw door het onderlijf. Toen week de plaag van de Israëlieten. NUM 25:9 Tengevolge van die plaag waren er vierentwintigduizend doden. NUM 25:10 Jahwe zei tot Mozes: NUM 25:11 `Pinechas, zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft mijn toorn van de Israëlieten afgewend door onder hen voor Mij te ijveren, zodat Ik de Israëlieten niet in mijn ijverzucht verdelgd heb. NUM 25:12 Zeg daarom: bij dezen sluit Ik met hem een verbond van vriendschap NUM 25:13 dat hem en zijn nageslacht voor altijd het priesterschap waarborgt. Hij heeft immers voor zijn God geijverd en voor de Israëlieten verzoening bewerkt.' NUM 25:14 De Israëliet die samen met de Midjanitische vrouw gedood werd, heette Zimri. Hij was een zoon van Sallu, het hoofd van een familie uit Simeon. NUM 25:15 De Midjanitische vrouw die gedood werd, heette Kozbi; zij was een dochter van Sur, een stamhoofd van de Midjanieten. NUM 25:16 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 25:17 `Behandel de Midjanieten als vijanden en sla hen neer, NUM 25:18 want zij hebben u als vijanden behandeld door de sluwe plannen die zij tegen u gesmeed hebben. Dat is in Peor gebleken en in het geval van Kozbi, de dochter van een vooraanstaand Midjaniet, hun stamgenote, die bij de plaag te Peor gedood werd.' NUM 26:1 Toen de plaag voorbij was, sprak Jahwe tot Mozes en Eleazar, de zoon van de priester Aäron: NUM 26:2 `Houd een telling van de hele gemeenschap van de Israëlieten, van alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, volgens hun families.' NUM 26:3 In de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho hielden Mozes en de priester Eleazar een telling NUM 26:4 van hen die twintig jaar waren of ouder, zoals Jahwe het aan Mozes had bevolen. Dit zijn de Israëlieten die uit Egypte zijn getrokken: NUM 26:5 Ruben, de eerstgeborene van Israël. De zonen van Ruben: van Chanok het geslacht van de Chanokieten; van Pallu het geslacht van de Palluieten; NUM 26:6 van Chesron het geslacht van de Chesronieten; van Karmi het geslacht van de Karmieten. NUM 26:7 Dat zijn de geslachten van de Rubenieten. Zij telden drieënveertigduizendzevenhonderddertig ingeschrevenen. NUM 26:8 De zonen van Pallu: Eliab; NUM 26:9 de zonen van Eliab: Nemuël, Datan en Abiram. Die Datan en Abiram, vooraanstaande mannen in de gemeenschap, hadden zich tegen Mozes en Aäron verzet, toen de bende van Korach in opstand kwam tegen Jahwe. NUM 26:10 De aarde had zich toen geopend en hen verslonden, evenals Korach die met zijn aanhangers de dood had gevonden, toen het vuur tweehonderdvijftig man verteerde. Zo waren zij een waarschuwend teken geworden. NUM 26:11 Maar de zonen van Korach waren niet omgekomen. NUM 26:12 De zonen van Simeon met hun geslachten: van Nemuël het geslacht van deNUMuëlieten; van Jamin het geslacht van de Jaminieten; van Jakin het geslacht van de Jakinieten; NUM 26:13 van Zerach het geslacht van de Archieten; van Saul het geslacht van de Saulieten. NUM 26:14 Dat zijn de geslachten van de Simeonieten: zij telden tweeëntwintigduizendtweehonderd man. NUM 26:15 De zonen van Gad met hun geslachten: van Sefon het geslacht van de Sefonieten; van Chaggi het geslacht van de Chaggieten; van Suni het geslacht van de Sunieten; NUM 26:16 van Ozni het geslacht van Oznieten; van Eri het geslacht van de Erieten; NUM 26:17 van Arod het geslacht van de Arodieten; van Areli het geslacht van de Arelieten. NUM 26:18 Dat zijn de geslachten van de Gadieten. Zij telden veertigduizendvijfhonderd ingeschrevenen. NUM 26:19 Er en Onan waren zonen van Juda, maar Er en Onan waren in Kanaän gestorven. NUM 26:20 De zonen van Juda met hun geslachten: van Peres het geslacht van de Parsieten; van Zerach het geslacht van de Zarchieten. NUM 26:21 De zonen van Peres: van Chesron het geslacht van de Chesronieten; van Chamul het geslacht van de Chamulieten. NUM 26:22 Dat zijn de geslachten van Juda: zij telden zesenzeventigduizendvijfhonderd ingeschrevenen. NUM 26:23 De zonen van Issakar met hun geslachten: van Tola het geslacht van de Tolaieten; van Puwwa het geslacht van de Punieten; NUM 26:24 van Jasub het geslacht van Jasubieten; van Simron het geslacht van de Simronieten. NUM 26:25 Dat zijn de geslachten van Issakar: zij telden vierenzestigduizenddriehonderd ingeschrevenen. NUM 26:26 De zonen van Zebulon met hun geslachten: van Sered het geslacht van de Sardieten; van Elon het geslacht van de Elonieten; van Jachleel het geslacht van de Jachleelieten. NUM 26:27 Dat zijn de geslachten van de Zebulonieten: zij telden zestigduizendvijfhonderd ingeschrevenen. NUM 26:28 De zonen van Jozef met hun geslachten: Manasse en Efraim. NUM 26:29 De zonen van Manasse: van Makir het geslacht van de Makirieten. Makir was de vader van Gilead. Van Gilead het geslacht van de Gileadieten. NUM 26:30 Dit zijn de zonen van Gilead: van Iezer het geslacht van de Iezrieten; van Chelek het geslacht van de Chalkieten; NUM 26:31 van Asriël het geslacht van de Asriëlieten; van Sekem het geslacht van de Sikmieten; NUM 26:32 van Semida het geslacht van de Semidaieten; van Chefer het geslacht van de Cheferieten. NUM 26:33 Selofchad, zoon van Chefer, had geen zonen, alleen dochters. De dochters van Selofchad heetten Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa. NUM 26:34 Dat zijn de geslachten van Manasse: zij telden tweeënvijftigduizendzevenhonderd ingeschrevenen. NUM 26:35 Dit zijn de zonen van Efraim met hun geslachten: van Sutelach het geslacht van de Sutalchieten; van Beker het geslacht van de Bakrieten; van Tachan het geslacht van de Tachnieten. NUM 26:36 Dit zijn de zonen van Sutelach: van Eran het geslacht van de Eranieten. NUM 26:37 Dat zijn de geslachten van de zonen van Efraim: zij telden tweeëndertigduizendvijfhonderd ingeschrevenen. Dat zijn de zonen van Jozef met hun geslachten. NUM 26:38 De zonen van Benjamin met hun geslachten: van Bela het geslacht van de Balieten; van Asbel het geslacht van de Asbelieten; van Achiram het geslacht van de Achiramieten; NUM 26:39 van Sufam het geslacht van de Sufamieten; van Chufam het geslacht van de Chufamieten. NUM 26:40 De zonen van Bela waren Ard en Naaman: van Ard het geslacht van de Ardieten; van Naaman het geslacht van de Naamieten. NUM 26:41 Dat zijn de zonen van Benjamin met hun geslachten: zij telden vijfenveertigduizendzeshonderd ingeschrevenen. NUM 26:42 Dit zijn de zonen van Dan met hun geslachten: van Suchan het geslacht van de Suchanieten. Dat zijn de geslachten van Dan. NUM 26:43 Alle geslachten van de Suchanieten telden vierenzestigduizendvierhonderd ingeschrevenen. NUM 26:44 Dit zijn de zonen van Aser met hun geslachten: van Jimna het geslacht van de Jimnaieten; van Jiswa het geslacht van de Jiswieten; van Beria het geslacht van de Beriieten. NUM 26:45 Van de zonen van Beria: van Cheber het geslacht van de Chabrieten; van Malkiël het geslacht van de Malkiëlieten. NUM 26:46 De dochter van Aser heette Serach. NUM 26:47 Dat zijn de geslachten van de zonen van Aser: zij telden drieënvijftigduizendvierhonderd ingeschrevenen. NUM 26:48 De zonen van Naftali met hun geslachten: van Jachseel het geslacht van de Jachseelieten; van Guni het geslacht van de Gunieten; NUM 26:49 van Jeser het geslacht van de Jisrieten; van Sillem het geslacht van de Sillemieten. NUM 26:50 Dat zijn de geslachten van Naftali: zij telden vijfenveertigduizendvierhonderd ingeschrevenen. NUM 26:51 De Israëlieten telden zeshonderdeenduizendzevenhonderddertig ingeschrevene. NUM 26:52 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 26:53 `Dat zijn degenen aan wie bij de verdeling een stuk grond moet worden toegewezen, naar gelang hun aantal. NUM 26:54 Voor een groter aantal moet bij een groter bezit toewijzen, voor een kleiner aantal een kleiner. Volgens het aantal ingeschrevenen moet aan iedere groep een stuk grond in bezit gegeven worden. NUM 26:55 Het land moet door het lot verdeeld worden, waarbij elke voorvaderlijke stam een stuk grond krijgt toegewezen overeenkomstig het aantal personen. NUM 26:56 Ieder stuk grond zal volgens het lot verdeeld worden, zowel voor de grotere als voor de kleinere groepen.' NUM 26:57 Dit zijn de ingeschreven levieten volgens hun geslachten: van Gerson het geslacht van de Gersonieten, van Kehat het geslacht van de Kehatieten; van Merari het geslacht van de Merarieten. NUM 26:58 Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht van de Libnieten, het geslacht van de Chebronieten, het geslacht van de Machlieten, het geslacht van de Musieten, het geslacht van de Korchieten. Kehat verwekte Amram. NUM 26:59 De vrouw van Amram heette Jokebed, een dochter van Levi. Haar moeder had haar in Egypte aan Levi geschonken. De kinderen die Jokebed aan Amram baarde, waren Aäron, Mozes en hun zuster Mirjam. NUM 26:60 De zonen van Aäron waren Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. NUM 26:61 Nadab en Abihu stierven, toen zij ongewijd vuur voor Jahwe brachten. NUM 26:62 Het aantal mannelijke personen van een maand en ouder die bij hen waren ingeschreven, bedroeg drieëntwintigduizend. Zij waren niet met de Israëlieten ingeschreven, omdat aan hen geen stuk grond was toegewezen zoals aan de overige Israëlieten. NUM 26:63 Dat zijn de Israëlieten die in de vlakte van Moab, aan de Jordaan bij Jericho, door Mozes en de priester Eleazar werden ingeschreven. NUM 26:64 Onder hen bevond zich niemand meer van de Israëlieten die in de woestijn van de Sinaï door Mozes en de priester Aäron waren ingeschreven, NUM 26:65 want van hen had Jahwe gezegd: In de woestijn zullen zij sterven! Niemand van hen was nog in leven behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. NUM 27:1 Eens kwamen Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa, de dochters van Selofchad, zoon van Chefer, de zoon van Gilead, de zoon van Makir, de zoon van Manasse naar voren. Zij behoorden tot een geslacht van Manasse, de zoon van Jozef. NUM 27:2 Zij verschenen voor Mozes, voor de priester Eleazar, voor de leiders en voor de hele gemeenschap bij de ingang van de tent van de samenkomst en zeiden: NUM 27:3 `Onze vader is gestorven in de woestijn. Hij heeft niet tot de aanhangers van Korach behoord die samenspanden tegen Jahwe; maar hij is om zijn eigen zonden gestorven. Hij had geen zonen. NUM 27:4 Moet nu de naam van onze vader uit zijn geslacht verdwijnen, omdat hij geen zoon had? Wij verzoeken u ons toch een stuk grond toe te wijzen evenals aan de broers van onze vader.' NUM 27:5 Mozes bracht hun zaak voor Jahwe NUM 27:6 en Jahwe sprak tot Mozes: NUM 27:7 `De dochters van Selofchad hebben gelijk. Gij moet haar zonder bedenken een stuk grond in eigendom geven, evenals aan de broers van hun vader en gij moet datgene wat hun vader toekomt, aan haar overdragen. NUM 27:8 Tot de Israëlieten moet ge zeggen: Als iemand geen zoon heeft, moet gij na zijn dood zijn bezit overdragen aan zijn dochter. NUM 27:9 Heeft hij geen dochter, dan moet gij zijn bezit aan zijn broers overdragen. NUM 27:10 Heeft hij geen broers, dan moet gij zijn bezit overdragen aan de broers van zijn vader. NUM 27:11 Heeft zijn vader geen broers, dan moet gij zijn bezit overdragen aan het naaste familielid; die zal het erven.' Dat is voor de Israëlieten een wettelijke bepaling, door Jahwe aan Mozes gegeven. NUM 27:12 Jahwe zei tot Mozes: `Bestijg het Abarimgebergte dat hier voor u ligt, en aanschouw het land dat Ik aan de Israëlieten geef. NUM 27:13 Wanneer gij het aanschouwd hebt, zult gij met uw voorvaderen verenigd worden, evenals uw broer Aäron. NUM 27:14 Bij de opstand van de gemeenschap in de woestijn Sin, toen het om water ging, hebt gij u immers tegen mijn bevel verzet en tegenover hen mijn heiligheid niet hoog gehouden.' Bedoeld is het water van Meribat-kades in de woestijn Sin. NUM 27:15 Mozes sprak tot Jahwe: NUM 27:16 `Laat dan Jahwe, de God die aan alle mensen het leven schenkt, over de gemeenschap iemand aanstellen NUM 27:17 die hen uitleidt en thuisbrengt; anders wordt de gemeenschap van Jahwe een kudde zonder herder.' NUM 27:18 Toen zei Jahwe tot Mozes: `Leg Jozua, zoon van Nun, een man die van geest vervuld is, de handen op: NUM 27:19 laat hem voor de priester Eleazar en voor de hele gemeenschap van de Israëlieten plaats nemen en draag hem in hun aanwezigheid uw taak over. NUM 27:20 Laat hem delen in uw waardigheid. Dan zal de hele gemeenschap van de Israëlieten naar hem luisteren. NUM 27:21 Hij moet zich echter vervoegen bij de priester Eleazar en deze zal in het heiligdom van Jahwe voor hem een uitspraak van de oerim vragen. Naar Jahwe's uitspraak zullen hij en de hele gemeenschap van de Israëlieten dan handelen.' NUM 27:22 Mozes bracht Jahwe's bevel ten uitvoer. Hij liet Jozua halen, plaatste hem voor de priester Eleazar en voor de hele gemeenschap, NUM 27:23 legde hem de handen op en droeg hem zijn taak over, juist zoals Jahwe door Mozes had gesproken. NUM 28:1 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 28:2 Beveel de Israëlieten. Men moet er op letten dat men mijn offer, mijn spijs, de geurige gave die Mij behaagt, op de vastgestelde tijd aanbiedt. NUM 28:3 Gij moet hun zeggen: Dit is de offergave die gij Jahwe moet aanbieden: elke dag twee gave lammeren van nog geen jaar als dagelijks brandoffer. NUM 28:4 Het ene lam moet gij 's morgens offeren, het andere tegen de avond. NUM 28:5 Daarbij komt als meeloffer een tiende efa bloem, aangemaakt met een kwart hin gestoten olie. NUM 28:6 Dat is het dagelijks brandoffer, ingesteld op de berg Sinaï, een geurige gave die Jahwe behaagt. NUM 28:7 Bij elk lam hoort een plengoffer van een kwart hin wijn. Dat plengoffer van gegiste drank moet gij in het heiligdom voor Jahwe uitgieten. NUM 28:8 Het tweede lam moet gij tegen de avond offeren met eenzelfde meeloffer als 's morgens en met het bijbehorend plengoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt. NUM 28:9 Op de sabbat moet gij twee gave lammeren van nog geen jaar offeren, met een meeloffer van twee issaron bloem, aangemaakt met olie, en met het bijbehorend plengoffer. NUM 28:10 Dat brandoffer van de sabbat komt elke sabbat bij het dagelijks brandoffer en het bijbehorend plengoffer. NUM 28:11 Op de eerste dag van iedere maand moet gij Jahwe als brandoffer aanbieden: twee stieren, een ram en zeven gave lammeren van nog geen jaar. NUM 28:12 Bij elke stier komt een meeloffer van drie issaron bloem, aangemaakt met olie, bij de ram een meeloffer van twee issaron bloem, aangemaakt met olie NUM 28:13 en bij elk lam een meeloffer van een issaron bloem, aangemaakt met olie. Dat is het brandoffer, een geurige gave die Jahwe behaagt. NUM 28:14 Bij de stier hoort een plengoffer van een halve hin wijn, bij de ram een derde hin en bij het lam een kwart hin. Dat is het maandelijks brandoffer dat iedere maand van het jaar gebracht moet worden. NUM 28:15 Verder moet er een geitebok geofferd worden als zondeoffer voor Jahwe. Dat alles moet geofferd worden naast het dagelijks brandoffer en het daarbij behorend plengoffer. NUM 28:16 Op de veertiende dag van de eerste maand is het pasen voor Jahwe NUM 28:17 en op de vijftiende van die maand is het feest. Zeven dagen moet er ongezuurd brood gegeten worden. NUM 28:18 De eerste dag is een heilige dag: dan moogt gij niet werken. NUM 28:19 Gij moet dan aan Jahwe een brandoffer aanbieden van twee stieren, een ram en zeven lammeren van nog geen jaar - gave dieren - NUM 28:20 en ook de bijbehorende meeloffers van bloem, aangemaakt met olie; bij elke stier een van drie issaron, bij de ram een van twee issaron NUM 28:21 en bij elk van de zeven lammeren een van een issaron; NUM 28:22 verder een bok als zondeoffer om verzoening voor u te bewerken. NUM 28:23 Dat alles moet gij opdragen naast het brandoffer dat iedere dag in de morgen gebracht wordt. NUM 28:24 Dezelfde offers moet gij op ieder van die zeven dagen opdragen. Zij zijn een spijs, een geurige gave die Jahwe behaagt. Gij moet die opdragen naast het dagelijks brandoffer en het daarbij behorend plengoffer. NUM 28:25 De zevende dag moet eer een heilige dag zijn; dan moogt gij niet werken. NUM 28:26 De dag van de eerstelingen, waarop gij Jahwe een meeloffer van de nieuwe oogst aanbiedt, het wekenfeest, moet een heilige dag zijn; dan moogt gij niet werken. NUM 28:27 Dan moet gij als geurige gave die Jahwe behaagt, een brandoffer aanbieden van twee stieren, een ram en zeven lammeren van nog geen jaar NUM 28:28 en ook de bijbehorende meeloffers van bloem, aangemaakt met olie: bij elke stier een van drie issaron, bij de ram een van twee issaron NUM 28:29 en bij elk van de zeven lammeren een van een issaron; NUM 28:30 verder een geitebok als zondeoffer om verzoening voor u te bewerken. NUM 28:31 Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brand- en meeloffer met de daarbij behorende plengoffers. De offerdieren moeten gaaf zijn. NUM 29:1 De eerste dag van de zevende maand moet een heilige dag zijn; dan moogt gij niet werken. Dat zal een dag zijn die gevierd wordt met trompetgeschal. NUM 29:2 Dan moet gij als geurige gave die Jahwe behaagt, een brandoffer aanbieden van een stier, een ram en zeven lammeren van nog geen jaar NUM 29:3 en ook de bijbehorende meeloffers van bloem, aangemaakt met olie: bij de stier een van drie issaron, bij de ram van een van twee issaron NUM 29:4 en bij elk van de zeven lammeren een van een issaron; NUM 29:5 verder een geitebok als zondeoffer om verzoening voor u te bewerken. NUM 29:6 Dat alles moet gij opdragen naast het maandelijks en dagelijks brandoffer en naast het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, een geurige gave die Jahwe behaagt. NUM 29:7 De tiende dag van de zevende maand moet een heilige dag zijn. Dan moet gij u kastijden en moogt gij niet werken. NUM 29:8 Als geurige gave die Jahwe behaagt moet gij dan een brandoffer aanbieden van een stier, een ram en zeven lammeren van nog geen jaar - gave dieren - NUM 29:9 en ook de bijbehorende meeloffers van bloem, aangemaakt met olie: bij de stier een van drie issaron, bij de ram een van twee issaron NUM 29:10 en bij elk van de zeven lammeren een van een issaron; NUM 29:11 verder een geitebok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het zondeoffer voor de verzoening en het dagelijks brandoffer met het bijbehorende meeloffer en de bijbehorende plengoffers. NUM 29:12 De vijftiende van de zevende maand moet een heilige dag zijn; dan moogt gij niet werken. Gij moet dan feest vieren ter ere van Jahwe, zeven dagen lang. NUM 29:13 Als geurige gave die Jahwe behaagt moet bij een brandoffer aanbieden van dertien stieren, twee rammen en veertien lammeren van nog geen jaar - gave dieren - NUM 29:14 en ook de bijbehorende meeloffers, aangemaakt met olie; bij elk van de dertien stieren een van drie issaron, bij elk van de rammen een van twee issaron NUM 29:15 en bij elk van de veertien lammeren een van een issaron; NUM 29:16 verder een geitebok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer en het bijbehorend meel- en plengoffer. NUM 29:17 Op de tweede dag twaalf stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar NUM 29:18 met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren; NUM 29:19 verder een geitebok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer en het meeloffer met de daarbij behorende plengoffers. NUM 29:20 Op de derde dag elf stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar NUM 29:21 met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren; NUM 29:22 verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel- en plengoffer. NUM 29:23 Op de vierde dag tien stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar NUM 29:24 met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren; NUM 29:25 verder een geitebok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel- en plengoffer. NUM 29:26 Op de vijfde dag negen stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar NUM 29:27 met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren; NUM 29:28 verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel- en plengoffer. NUM 29:29 Op de zesde dag acht stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar NUM 29:30 met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren; NUM 29:31 verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel- en plengoffer. NUM 29:32 Op de zevende dag zeven stieren, twee rammen en veertien gave lammeren van nog geen jaar, NUM 29:33 met het meeloffer en de plengoffers die daar volgens voorschrift bijbehoren, naar het aantal stieren, rammen en lammeren; NUM 29:34 verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel- en plengoffer. NUM 29:35 Op de achtste dag moet gij het slotfeest houden; dan moogt gij niet werken. NUM 29:36 Als geurige gave die Jahwe behaagt moet gij een brandoffer aanbieden van een stier, een ram en zeven gave lammeren van nog geen jaar NUM 29:37 met het meeloffer en de plengoffers die volgens voorschrift horen bij de stier, de ram en de lammeren, naar hun aantal NUM 29:38 verder een bok als zondeoffer. Dat alles moet gij opdragen naast het dagelijks brandoffer met het daarbij behorende meel- en plengoffer. NUM 29:39 Deze offers moet gij op uw feesten aan Jahwe brengen naast de brandoffers, meeloffers, plengoffers en slachtoffers die gij krachtens gelofte of als vrijwillige gaven aanbiedt. NUM 30:1 Mozes bracht aan de Israëlieten al de bevelen over die Jahwe gegeven had. NUM 30:2 Mozes sprak tot de stamhoofden van de Israëlieten: Dit heeft Jahwe geboden. NUM 30:3 Wanneer iemand aan Jahwe een gelofte doet of door een eed een verplichting op zich neemt, dan mag hij zijn woord niet schenden; hij moet alles volbrengen wat over zijn lippen is gekomen. NUM 30:4 Wanneer een vrouw aan Jahwe een gelofte doet en zich een verplichting oplegt, terwijl zij als jong meisje nog in het huis van haar vader woont NUM 30:5 en haar vader dan van haar gelofte en van de aangegane verplichting hoort en er niets over zegt, dan blijven haar geloften en de aangegane verplichting van kracht. NUM 30:6 Maar wanneer haar vader er van hoort en bezwaar maakt, dan blijft geen enkele van haar geloften of aangegane verplichtingen van kracht. Jahwe scheldt ze haar kwijt, omdat haar vader bezwaar gemaakt heeft. NUM 30:7 Is zij bij de huwelijkssluiting gebonden door geloften of door een verplichting die zij ondoordacht op zich heeft genomen NUM 30:8 en zegt haar man er niets van wanneer hij het hoort, dan blijven de geloften en de aangegane verplichting van kracht. NUM 30:9 Maakt haar man echter bezwaar wanneer hij het hoort, dan ontheft hij haar daardoor van de gelofte en van de verplichting die zij ondoordacht op zich heeft genomen. NUM 30:10 De gelofte van een weduwe of van een verstoten vrouw, iedere verplichting die zij op zich genomen heeft, blijft van kracht. NUM 30:11 Heeft een vrouw in het huis van haar man een gelofte gedaan of zich onder ede tot iets verplicht, NUM 30:12 en zegt haar man er niets van wanneer hij het hoort, en maakt hij geen bezwaar, dan blijven haar gelofte en alle verplichtingen van kracht. NUM 30:13 Verklaart haar man ze echter ongeldig wanneer hij ze hoort, dan blijft niets van kracht van alles wat over haar lippen gekomen is, noch de geloften noch de verplichtingen. Haar man heeft ze ongeldig verklaard en Jahwe scheldt ze haar kwijt. NUM 30:14 Elke gelofte en elke verplichting tot onthouding die zij onder ede op zich neemt, kan door haar man ofwel erkend ofwel ongeldig verklaard worden. NUM 30:15 Wanneer haar man er tot de volgende dag niets van gezegd heeft, dan heeft hij alle geloften en alle verplichtingen die zij zich heeft opgelegd, erkend. Hij heeft ze erkend door er niets van te zeggen toen hij het hoorde. NUM 30:16 Verklaart hij ze later ongeldig, dan draagt hij de verantwoording. NUM 30:17 Dat zijn de voorschriften die Jahwe aan Mozes gegeven heeft met betrekking tot een man en zijn vrouw en tot een vader en zijn dochter die nog als jong meisje in zijn huis woont. NUM 31:1 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 31:2 `Wreek de Israëlieten op de Midjanieten. Daarna zult gij met uw voorvaderen verenigd worden.' NUM 31:3 Toen sprak Mozes tot het volk: `Laat een deel van uw mannen zich uitrusten voor de strijd tegen Midjan om de wraak van Jahwe aan Midjan te voltrekken. NUM 31:4 Van elke stam van Israël moet gij duizend man in het veld brengen.' NUM 31:5 Zo werden uit elke stam van Israël duizend man gerecruteerd, twaalfduizend weerbare mannen. NUM 31:6 Toen liet Mozes hen uitrukken, duizend van elke stam, samen met Pinechas, de zoon van de priester Eleazar, die de heilige voorwerpen en de signaaltrompetten bij zich droeg. NUM 31:7 Zij trokken ten strijde tegen de Midjanieten zoals Jahwe aan Mozes had bevolen, en doodden alle mannen. NUM 31:8 Bij de slachtoffers bevonden zich ook de koningen van Midjan: Ewi, Rekem, Sur, Chur en Reba, vijf koningen van Midjan: ook Bileam, zoon van Beor, doodden zij met het zwaard. NUM 31:9 De vrouwen en kinderen van Midjan namen zij gevangen en zij maakten zich meester van al hun runderen en schapen en heel hun bezit. NUM 31:10 De steden in hun gebied en al hun kampementen staken zij in brand. NUM 31:11 Alle goederen en heel de buit aan mensen en dieren namen zij mee NUM 31:12 en brachten de gevangenen en de buitgemaakte goederen bij Mozes, de priester Eleazar en de gemeenschap van de Israëlieten in het kamp, in de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho. NUM 31:13 Mozes, de priester Eleazar en alle leiders van de gemeenschap gingen hun buiten het kamp tegemoet. NUM 31:14 Maar Mozes werd kwaad op de bevelhebbers, de aanvoerders van duizend en honderd, die van de krijgstocht terugkwamen. NUM 31:15 Mozes vroeg hun: `Hebt u de vrouwen in leven gelaten? NUM 31:16 Zij zijn het juist geweest die de Israëlieten te Peor tot ontrouw verleid hebben op raad van Bileam, zodat een plaag de gemeenschap van Jahwe trof. NUM 31:17 Dood daarom alle jongens en ook alle vrouwen die met een man gemeenschap gehad hebben. NUM 31:18 Maar de meisjes die nog geen gemeenschap met een man gehad hebben, kunt u in leven laten. NUM 31:19 Zeven dagen lang moet u buiten het kamp blijven en ieder die iemand gedood heeft of een gesneuvelde aangeraakt, moet zich op de derde en de zevende dag reinigen; dat geldt voor uzelf en voor de krijgsgevangenen. NUM 31:20 Ook alle kleren, alle voorwerpen, alwat uit geitehaar is vervaardigd en alle voorwerpen van hout moet u reinigen.' NUM 31:21 De priester Eleazar zei tot de mannen die aan de strijd hadden deelgenomen: Dit schrijft de wet voor, die Jahwe aan Mozes heeft gegeven: NUM 31:22 Goud en zilver, brons, ijzer, tin en lood, NUM 31:23 alles wat tegen het vuur bestand is, moet gij door het vuur halen. Dan is het na zuivering met reinigingswater weer rein. Maar alles wat niet tegen het vuur bestand is, moet gij door het water halen. NUM 31:24 Op de zevende dag moet gij uw kleren wassen, dan zijt gij weer rein en moogt gij weer in het kamp komen.' NUM 31:25 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 31:26 `Met de priester Eleazar en de familiehoofden van de gemeenschap moet gij tellen wat er aan mensen en dieren is buitgemaakt NUM 31:27 en daarvan moet gij de ene helft geven aan de mannen die aan de strijd hebben deelgenomen, de andere helft aan de rest van de gemeenschap. NUM 31:28 Leg de mannen die aan de strijd hebben deelgenomen, een schatting voor Jahwe op van een op de vijfhonderd van de mensen, de runderen, de ezels en de schapen. NUM 31:29 Gij moet dat van hun aandeel afhouden en als schatting voor Jahwe aan de priester Eleazar geven. NUM 31:30 Van het aandeel van de overige Israëlieten moet ge zowel van de mensen als van de runderen, de ezels en de schapen, van alle dieren, een op de vijftig afhouden en die aan de levieten geven die dienst doen bij de woning van Jahwe.' NUM 31:31 Mozes en de priester Eleazar deden wat Jahwe aan Mozes had bevolen. NUM 31:32 Afgezien van de goederen die het krijgsvolk bemachtigd had, bedroeg de buit zeshonderdvijfenzeventigduizend schapen, NUM 31:33 tweeënzeventigduizend runderen, NUM 31:34 eenenzestigduizend ezels, NUM 31:35 tweeëndertigduizend mensen, vrouwen die nog geen gemeenschap met een man gehad hadden. NUM 31:36 De helft, het aandeel van degenen die aan de strijd hadden deelgenomen bedroeg dus driehonderdzevenendertigduizendvijfhonderd schapen NUM 31:37 waarvan zeshonderdvijfenzeventig als schatting voor Jahwe; NUM 31:38 zesendertigduizend runderen waarvan tweeënzeventig als schatting voor Jahwe; NUM 31:39 dertigduizendvijfhonderd ezels waarvan eenenzestig als schatting voor Jahwe; NUM 31:40 zestienduizend mensen, waarvan tweeëndertig als schatting voor Jahwe. NUM 31:41 Mozes gaf deze schatting, het deel van Jahwe, aan de priester Eleazar, zoals Jahwe aan Mozes bevolen had. NUM 31:42 De andere helft die Mozes bestemd had voor de Israëlieten die niet ten strijde waren getrokken NUM 31:43 bedroeg eveneens driehonderdzevenendertigduizendvijfhonderd schapen, NUM 31:44 zesendertigduizend runderen, NUM 31:45 dertigduizendvijfhonderd ezels NUM 31:46 en zestienduizend mensen. NUM 31:47 Van de helft voor de Israëlieten hield Mozes een op de vijftig af, zowel van mensen als van dieren, en gaf die - zoals Jahwe aan Mozes had bevolen - aan de levieten die dienst doen bij de woning van Jahwe. NUM 31:48 Toen traden de bevelhebbers, de aanvoerders van duizend en honderd, op Mozes toe NUM 31:49 en zeiden: `Uw dienaren hebben een telling gehouden van de mannen die onder ons bevel stonden en niet een van hen wordt vermist. NUM 31:50 Daarom bieden wij de gouden voorwerpen die ieder van ons heeft buitgemaakt, armbanden, gespen, vingerringen, oorringen en halssieraden als gave aan Jahwe aan om bij Jahwe verzoening voor ons te bewerken.' NUM 31:51 Mozes en de priester Eleazar namen de gouden voorwerpen in ontvangst. NUM 31:52 Het goud dat de aanvoerders van de duizend en honderd als gave aan Jahwe aanboden, woog in totaal zestienduizendzevenhonderdvijftig sikkel. NUM 31:53 Het krijgsvolk had ook op eigen gelegenheid geplunderd. NUM 31:54 Mozes en de priester Eleazar namen van de aanvoerders van duizend en honderd het goud in ontvangst en brachten het naar de tent van de samenkomst, als een herinnering aan de Israëlieten bij Jahwe. NUM 32:1 De Rubenieten en de Gadieten bezaten grote kudden vee. Toen de Gadieten en Rubenieten zagen dat het gebied van Jazer en Gilead een goede streek voor het vee was, NUM 32:2 gingen zij naar Mozes, de priester Eleazar en de leiders van de gemeenschap en zeiden: NUM 32:3 `Atarot, Dibon, Jazer, Nimra, Chesbon, Elale, Sebam, Nebo en Beon, NUM 32:4 het land dat Jahwe voor de ogen van de gemeenschap van Israël heeft veroverd, is een goed land voor het vee en uw dienaren bezitten vee. NUM 32:5 Bewijs ons uw gunst, zeiden zij, en geef uw dienaren dit land in bezit en laat ons niet over de Jordaan trekken.' NUM 32:6 Maar Mozes zei tot de Gadieten en Rubenieten: `Wat! Uw broeders ten strijde trekken en u hier blijven! NUM 32:7 Wilt u de Israëlieten de moed ontnemen om over te steken naar het land dat Jahwe hun geschonken heeft? NUM 32:8 Dat hebben ook jullie vaderen gedaan, toen ik hen van Kades-barnea uitzond om het land te verkennen. NUM 32:9 Zij zijn tot het dal Eskol doorgedrongen en hebben het land verkend, maar toen hebben zij de Israëlieten de moed ontnomen om het land binnen te trekken, dat Jahwe hun geschonken had. NUM 32:10 Daarom is Jahwe toen in toorn ontstoken en heeft gezworen: NUM 32:11 Nooit zullen de mannen van twintig jaar en ouder die uit Egypte zijn getrokken, het land zien, dat Ik aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob onder ede beloofd heb, omdat zij niet volledig trouw zijn geweest, NUM 32:12 met uitzondering van de Kenizziet Kaleb, de zoon van Jefunne en Jozua, de zoon van Nun, want zij zijn Jahwe volledig trouw geweest. NUM 32:13 Zo ontstak Jahwe in toorn tegen Israël en liet hen veertig jaar lang rondzwerven in de woestijn tot heel het geslacht dat zich tegen Jahwe misdragen had, verdwenen was. NUM 32:14 En nu komt u als een nieuw geslacht van zondaars de plaats van jullie vaders innemen om Jahwe's heftige toorn tegen Israël nog aan te wakkeren! NUM 32:15 Als u zich van Hem afwendt, zodat Hij dit volk nog langer in de woestijn laat, dan bent u de schuld van zijn ondergang.' NUM 32:16 Weer kwamen zij naar hem toe en zeiden: `Wij willen hier schaapskooien bouwen voor onze kudden en steden voor onze kinderen, NUM 32:17 maar zelf zullen wij gewapend uittrekken, aan de spits van de Israëlieten, tot wij hen op de plaats van hun bestemming gebracht hebben. Intussen kunnen onze kinderen, veilig voor de bewoners van het land, in die versterkte steden wonen. NUM 32:18 Wij zullen niet naar huis teruggaan, voordat ieder van de Israëlieten zijn deel heeft ontvangen. NUM 32:19 Wij willen helemaal geen bezit hebben bij hen aan de overkant van de Jordaan in het land dat verderop ligt, wanneer wij het krijgen aan deze kant van de Jordaan, de oostkant.' NUM 32:20 Toen zei Mozes tot hen: `Als u dat doet en voor Jahwe uit gewapend ten strijde trekt NUM 32:21 en voor Jahwe uit gewapend de Jordaan oversteekt en niet terugkeert voordat Jahwe zijn vijanden verdreven heeft NUM 32:22 en het land aan Hem onderworpen is, dan gaat u vrij uit voor Jahwe en voor Israël en dan zal deze streek ten overstaan van Jahwe uw eigendom zijn. NUM 32:23 Doet u dat niet, dan zondigt u tegen Jahwe; en weet, dat de straf van uw zonde u zal vinden. NUM 32:24 Bouw dus steden voor uw kinderen en kooien voor uw schapen, maar volbreng wat u beloofd hebt.' NUM 32:25 Toen spraken de Gadieten en de Rubenieten tot Mozes: `Uw dienaren zullen alles doen wat mijn heer beveelt. NUM 32:26 Onze kinderen en onze vrouwen, onze kudden en al onze runderen zullen in de steden van Gilead blijven, NUM 32:27 maar uw dienaren zullen allen gewapend voor Jahwe uit oversteken om te vechten, zoals mijn heer beveelt.' NUM 32:28 Daarop gaf Mozes zijn orders over hen aan de priester Eleazar, aan Jozua, zoon van Nun, en aan de familiehoofden van de stammen van de Israëlieten. NUM 32:29 Hij zei tot hen: `Als alle Gadieten en Rubenieten voor Jahwe uit gewapend met u de Jordaan oversteken, dan moet u wanneer het land aan u onderworpen is, Gilead aan hen in eigendom geven. NUM 32:30 Maar als zij niet gewapend met u oversteken, dan krijgen zij hun eigendom bij u in Kanaän.' NUM 32:31 De Gadieten en de Rubenieten antwoordden: `Wat Jahwe uw dienaren bevolen heeft, zullen wij doen. NUM 32:32 Wij zullen voor Jahwe uit gewapend naar Kanaän oversteken, maar dan moeten wij aan deze zijde van de Jordaan grond in bezit krijgen.' NUM 32:33 Toen gaf Mozes aan de Gadieten, aan de Rubenieten en aan de helft van de stam Manasse, de zoon van Jozef, het rijk van Sichon, de koning van de Amorieten, en het rijk van Og, de koning van Basan, het land met de steden binnen de grenzen en met de steden die er rondom liggen. NUM 32:34 De Gadieten herbouwden de versterkte steden Dibon, Atarot, Aroer, NUM 32:35 Atrot-sofan, Jazer, Jogbeha, NUM 32:36 Bet-nimra, Bet-haran, en zij herstelden de schaapskooien. NUM 32:37 De Rubenieten herbouwden Chesbon, Elale, Kirjataim, NUM 32:38 Nebo, Baäl-maon - met verandering van naam - en Sibma. Aan de steden die zij gebouwd hadden, gaven zij namen. NUM 32:39 De zonen van Makir, de zoon van Manasse, trokken naar Gilead, veroverden het en verdreven de Amorieten die daar woonden. NUM 32:40 Mozes gaf Gilead aan Makir, de zoon van Manasse, die zich daar vestigde. NUM 32:41 Ook Jair, de zoon van Manasse, trok er op uit, veroverde hun dorpen en noemde ze dorpen van Jair. NUM 32:42 Ook Nobach trok er op uit, veroverde Kenat met de onderhorige plaatsen en gaf het zijn eigen naam Nobach. NUM 33:1 Dit zijn de etappes waarin de Israëlieten die onder leiding van Mozes en Aäron in groepen uit Egypte zijn getrokken. NUM 33:2 Op bevel van Jahwe heeft Mozes de vertrekplaatsen van de etappes opgeschreven. En dit zijn de etappes met de plaatsen van vertrek. NUM 33:3 Zij vertrokken van Raamses op de vijftiende dag van de eerste maand. Daags na pasen trokken de Israëlieten onder Jahwe's machtige bescherming voor de ogen van de Egyptenaren weg, NUM 33:4 terwijl deze bezig waren de eerstgeborenen die Jahwe bij hen gedood had, te begraven. Ook aan hun goden had Jahwe zijn vonnis voltrokken. NUM 33:5 De Israëlieten vertrokken dus van Raamses en sloegen hun kamp op te Sukkot. NUM 33:6 Van Sukkot vertrokken zij en sloegen hun kamp op te Etam aan de rand van de woestijn. NUM 33:7 Zij vertrokken van Etam in de richting van Pi-hachirot, dat dicht bij Baäl-sefon ligt, en sloegen hun kamp op voor Migdol. NUM 33:8 Zij vertrokken van Pi-hachirot, gingen door de zee heen de woestijn in, trokken drie dagreizen de woestijn van Etam in en sloegen hun kamp op te Mara. NUM 33:9 Zij vertrokken van Mara en kwamen in Elim. In Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig palmen. Daar sloegen zij hun kamp op. NUM 33:10 Zij vertrokken van Elim en sloegen hun kamp op aan de Rietzee. NUM 33:11 Zij vertrokken van de Rietzee en sloegen hun kamp op in de woestijn Sin. NUM 33:12 Zij vertrokken van de woestijn Sin en sloegen hun kamp op te Dofka. NUM 33:13 Zij vertrokken van Dofka en sloegen hun kamp op te Alus. NUM 33:14 Zij vertrokken van Alus en sloegen hun kamp op te Refidim. Daar had het volk geen water om te drinken. NUM 33:15 Zij vertrokken van Refidim en sloegen hun kamp op in de woestijn van de Sinaï. NUM 33:16 Zij vertrokken van de woestijn van de Sinaï en sloegen hun kamp op te Kibrot-hattaawa. NUM 33:17 Zij vertrokken van Kibrot-hattaawa en sloegen hun kamp op te Chaserot. NUM 33:18 Zij vertrokken van Chaserot en sloegen hun kamp o te Ritma. NUM 33:19 Zij vertrokken van Ritma en sloegen hun kamp op te Rimmon-peres. NUM 33:20 Zij vertrokken van Rimmon-peres en sloegen hun kamp op te Libna. NUM 33:21 Zij vertrokken van Libna en sloegen hun kamp op te Rissa. NUM 33:22 Zij vertrokken van Rissa en sloegen hun kamp op te Keheleta. NUM 33:23 Zij vertrokken van Keheleta en sloegen hun kamp op bij de berg Sefer. NUM 33:24 Zij vertrokken van de berg Sefer en sloegen hun kamp op te Charada. NUM 33:25 Zij vertrokken van Charada en sloegen hun kamp op te Makhelot. NUM 33:26 Zij vertrokken van Makhelot en sloegen hun kamp op te Tachat. NUM 33:27 Zij vertrokken van Tachat en sloegen hun kamp op te Terach. NUM 33:28 Zij vertrokken van Terach en sloegen hun kamp op te Mitka. NUM 33:29 Zij vertrokken van Mitka en sloegen hun kamp op te Chasmona. NUM 33:30 Zij vertrokken van Chasmona En zij sloegen hun kamp op te Moserot. NUM 33:31 Zij vertrokken van Moserot en sloegen hun kamp op te Bene-jaakan. NUM 33:32 Zij vertrokken van Bene-jaakan en sloegen hun kamp op te Chor-haggidgad. NUM 33:33 Zij vertrokken van Chor-haggidgad en sloegen hun kamp op te Jotbata. NUM 33:34 Zij vertrokken van Jotbata en sloegen hun kamp op te Abrona. NUM 33:35 Zij vertrokken van Abrona en sloegen hun kamp op te Esjon-geber. NUM 33:36 Zij vertrokken van Esjon-geber. En zij sloegen hun kamp op in de woestijn Sin, in Kades. NUM 33:37 Zij vertrokken van Kades en sloegen hun kamp op bij de berg Hor aan de grens van Edom. NUM 33:38 Op bevel van Jahwe besteeg toen de priester Aäron de berg Hor en stierf daar in het veertigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, op de eerste dag van de vijfde maand. NUM 33:39 Aäron was honderddrieëntwintig jaar, toen hij op de berg Hor stierf. NUM 33:40 De Kanaänieten in de Negeb in Kanaän, met name de koning van Arad, hoorden van de komst van de Israëlieten. NUM 33:41 Zij vertrokken van de berg Hor En zij sloegen hun kamp op te Salmona. NUM 33:42 Zij vertrokken van Salmona en sloegen hun kamp op te Punon. NUM 33:43 Zij vertrokken van Punon en sloegen hun kamp op te Obot. NUM 33:44 Zij vertrokken van Obot en sloegen hun kamp op te Ijje-haabarim aan de grens van Moab. NUM 33:45 Zij vertrokken van Ijje-haabarim en sloegen hun kamp o te Dibon - Gad. NUM 33:46 Zij vertrokken van Dibon-gad en sloegen hun kamp op te Almon-diblataim. NUM 33:47 Zij vertrokken van Almon-diblataim en sloegen hun kamp op in het Abarimgebergte vlak bij Nebo. NUM 33:48 Zij vertrokken van het Abarimgebergte en sloegen hun Kamp op in de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho. NUM 33:49 Zij sloegen hun kamp op langs de Jordaan van Bet-hajjesimot tot aan Abel - Hassittim in de vlakte van Moab. NUM 33:50 Jahwe sprak tot Mozes in de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho. NUM 33:51 Zeg aan de Israëlieten: Wanneer gij de Jordaan oversteekt naar Kanaän, NUM 33:52 moet gij alle bewoners uit het land verdrijven. Al hun stenen beelden, en al hun metalen beelden moet gij vernietigen en al hun offerhoogten verwoesten. NUM 33:53 Dan zult gij het land in bezit nemen om er te wonen, want Ik geef het u in bezit. NUM 33:54 Gij moet het land door loting onder uw geslachten verdelen. Aan een groot geslacht moet gij een groot stuk grond, aan een klein geslacht een klein stuk toewijzen. Volgens de aanwijzing van het lot krijgt ieder zijn deel. De verdeling moet geschieden naar de stammen van uw vaderen. NUM 33:55 Wanneer gij echter de bewoners niet uit het land verdrijft, dan zullen degenen die gij overlaat, dorens in uw ogen en stekels in uw zijden worden. In het land waar gij gaat wonen, zullen zij u onderdrukken. NUM 33:56 Dan zal Ik met u doen, wat Ik hun had toegedacht. NUM 34:1 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 34:2 Geef de Israëlieten deze aanwijzing: Wanneer gij in Kanaän komt, dan zullen de grenzen van dat land de grenzen van uw bezit zijn. NUM 34:3 De zuidgrens loopt van de woestijn Sin langs de grens van Edom. Deze grens begint in het oosten bij de uiterste punt van de Zoutzee, NUM 34:4 gaat in een bocht zuidelijk om de pas van Akrabbim, loopt door naar Sin en komt uit ten zuiden van Kades-barnea; zij gaat dan verder naar Chasar-addar en loopt door tot Asmon. NUM 34:5 Van Asmon buigt de grens om naar de beek van Egypte en loopt uit op de zee. NUM 34:6 De westgrens wordt gevormd door de Grote Zee; dat is dus de westgrens. NUM 34:7 De noordgrens loopt als volgt: vanaf de Grote Zee moet gij een lijn trekken naar de berg Hor NUM 34:8 en van de berg Hor tot de weg naar Hamat. De grens komt uit bij Sedad, NUM 34:9 gaat vandaar naar Zifron en eindigt bij Chasar-enan. Dat is de noordgrens. NUM 34:10 Voor de oostgrens moet gij een lijn trekken van Chasar-enan naar Sefam. NUM 34:11 Van Sefam daalt de grens naar Ribla ten oosten van Ain, loopt vlak langs de bergketen ten oosten van het meer Kinneret NUM 34:12 en daalt dan naar de Jordaan om te eindigen met de Zoutzee. Dat zijn de grenzen van uw land. NUM 34:13 Mozes gaf de Israëlieten de volgende aanwijzing: Dat is het land dat gij door het lot moet verdelen en dat volgens bevel van Jahwe aan de negen en een halve stam moet gegeven worden. NUM 34:14 Want de families van de stam der Rubenieten en van de stam der Gadieten hebben hun deel al ontvangen; ook de helft van de stam Manasse heeft zijn deel al ontvangen. NUM 34:15 Deze hebben samen hun deel gekregen aan de oostkant van de Jordaan bij Jericho, in het oosten waar de zon opgaat. NUM 34:16 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 34:17 Dit zijn de namen van degenen die voor u het land moeten verdelen: de priester Eleazar en Jozua, zoon van Nun. NUM 34:18 Bovendien moet gij voor het verdelen van het land in elke stam een leider aanwijzen. NUM 34:19 Hier volgen hun namen: voor de stam Juda Kaleb, zoon van Jefunne; NUM 34:20 voor de stam van de Simeonieten Semuël, zoon van Ammihud; NUM 34:21 voor de stam van de Benjaminieten Elidad, zoon van Kislon; NUM 34:22 als leider van de stam van de Danieten Bukki, zoon van Jogli; NUM 34:23 voor de Jozefieten, als leider van de stam van de Manassieten Channiël, zoon van Efod, NUM 34:24 en als leider van de stam van de Efraimieten Kemuël, zoon van Siftam; NUM 34:25 als leider van de stam van de Zebulonieten Elisafan, zoon van Parnak; NUM 34:26 als leider van de stam van de Issakarieten Paltiël, zoon van Azzan; NUM 34:27 als leider van de stam van de Aserieten Achiud, zoon van Selomi; NUM 34:28 als leider van de stam van de Naftalieten Pedaël, zoon van Ammihud. NUM 34:29 Dat zijn degenen aan wie Jahwe de opdracht gaf Kanaän onder de Israëlieten te verdelen. NUM 35:1 Jahwe sprak tot Mozes in de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho: NUM 35:2 Beveel de Israëlieten van hun eigen bezit steden af te staan aan de levieten, waar zij kunnen wonen, met weidegrond er omheen. NUM 35:3 In de steden kunnen zij wonen; de weidegronden zijn voor de runderen die zij bezitten en voor al hun overige dieren. NUM 35:4 De weidegronden van de steden die gij aan de levieten moet afstaan, moeten zich van de stadsmuur af duizend el in het rond uitstrekken. NUM 35:5 Gij moet van de rand van de stad af aan de oostkant tweeduizend el afmeten, aan de zuidkant tweeduizend el, aan de westkant tweeduizend el en aan de noordkant tweeduizend el, met de stad in het midden. Dat zullen de weidegronden bij hun steden zijn. NUM 35:6 De steden die gij aan de levieten moet afstaan, zijn de zes vrijsteden die gij als wijkplaats moet aanwijzen voor iemand die doodslag gepleegd heeft, en bovendien nog tweeënveertig andere steden. NUM 35:7 In het geheel moet gij dus achtenveertig steden met de weidegronden aan de levieten afstaan. NUM 35:8 Van de Israëlieten die veel bezitten, moet gij meer steden nemen en van hen die weinig bezitten minder, dus naar de omvang van het bezit dat ieder gekregen heeft. NUM 35:9 Jahwe sprak tot Mozes: NUM 35:10 Zeg aan de Israëlieten: Wanneer gij over de Jordaan naar Kanaän trekt, NUM 35:11 moet gij enkele steden als vrijsteden aanwijzen. Daarheen kan iemand die een ander zonder opzet heeft gedood, de wijk nemen. NUM 35:12 Die steden zullen dienen als wijkplaats tegen de bloedwreker, om te voorkomen dat iemand die doodslag heeft begaan, de dood vindt alvorens hij voor de gemeenschap terecht heeft gestaan. NUM 35:13 Zes steden moet gij als vrijsteden aanwijzen: NUM 35:14 drie aan de overzijde van de Jordaan en drie in Kanaän. Het zullen vrijsteden zijn. NUM 35:15 Zowel voor de Israëlieten als voor de vreemdelingen en buitenlanders bij u zullen die zes steden tot wijkplaats dienen, waarheen ieder de wijk kan nemen, die iemand zonder opzet heeft gedood. NUM 35:16 Heeft iemand een ander met een ijzeren voorwerp geslagen en is deze daaraan gestorven, dan is hij een moordenaar; de moordenaar moet ter dood gebracht worden. NUM 35:17 Heeft hij met een steen in de hand iemand zo geslagen dat deze er aan sterven kon en er inderdaad aan gestorven is, dan is hij een moordenaar en moet hij ter dood gebracht worden. NUM 35:18 Heeft hij met een houten voorwerp in de hand iemand zo geslagen, dat deze er aan sterven kon en er inderdaad aan gestorven is, dan is hij een moordenaar en moet hij ter dood gebracht worden. NUM 35:19 De bloedwreker zelf moet de moordenaar doden. Zodra hij hem aantreft, kan hij hem doden. NUM 35:20 Stoot iemand een ander uit haat of gooit hij naar hem met voorbedachten rade met het gevolg dat de ander sterft, NUM 35:21 of slaat hij hem uit vijandschap zo met de vuist dat de ander sterft, dan moet degene die geslagen heeft, ter dood gebracht worden, want hij is een moordenaar. De bloedwreker kan de moordenaar doden, zodra hij hem aantreft. NUM 35:22 Maar heeft iemand een ander onopzettelijk, zonder dat er van vijandschap sprake kon zijn, neergestoten of zonder voorbedachten rade een of ander voorwerp naar hem gegooid, NUM 35:23 of heeft iemand zonder het te merken een steen die de dood kon veroorzaken op hem laten vallen, terwijl er van vijandschap geen sprake was en hij hem geen kwaad wilde, en sterft de ander daaraan, NUM 35:24 dan moet de gemeenschap uitspraak doen tussen hem die de dood heeft veroorzaakt, en de bloedwreker. Daarbij gelden de volgende regels. NUM 35:25 De gemeenschap moet hem die de dood heeft veroorzaakt, uit de hand van de bloedwreker redden en hem weer naar de vrije stad brengen waarheen hij de wijk had genomen. Hij moet daar blijven tot de dood van de hogepriester die met heilige olie gezalfd is. NUM 35:26 Indien hij die de dood veroorzaakt heeft, het grondgebied van de vrijstad waarheen hij gevlucht is, verlaat NUM 35:27 en de bloedwreker hem vindt buiten het gebied van de vrijstad en hem neerslaat, dan rust er op de bloedwreker geen schuld. NUM 35:28 De ander had tot de dood van de hogepriester in de vrijstad moeten blijven. Maar na de dood van de hogepriester kan hij terugkeren naar de grond die hij bezit. NUM 35:29 Dat zijn de wettelijke voorschriften die gelden voor u en voor alle toekomstige geslachten, waar gij ook woont. NUM 35:30 Heeft iemand een mens doodgeslagen, dan brengt men, op verklaring van getuigen, de moordenaar ter dood; een getuige volstaat echter niet om over iemand het doodvonnis uit te spreken. NUM 35:31 Gij moogt geen losprijs aannemen voor het leven van een moordenaar die de dood verdiend heeft; hij moet ter dood gebracht worden. NUM 35:32 Ook moogt gij geen losprijs aannemen voor iemand die naar een vrijstad moest uitwijken wanneer die voor de dood van de hogepriester weer op zijn grond wil gaan wonen. NUM 35:33 Gij moogt het land waarin gij woont, niet ontwijden. Bloed ontwijdt het land en wanneer er bloed vergoten is wordt voor het land geen verzoening bewerkt, tenzij door het bloed van hem die het vergoten heeft. NUM 35:34 Bezoedel dus het land niet waar gij woont en waar ook Ik verblijf, want Ik, Jahwe, verblijf te midden van de Israëlieten. NUM 36:1 De familiehoofden van het geslacht van de zonen van Gilead, zoon van Makir, de zoon van Manasse, een van de geslachten van de Jozefieten, kwamen naar Mozes en naar de leiders, de familiehoofden van de Israëlieten. Zij namen het woord NUM 36:2 en zeiden: `Jahwe heeft mijn heer bevolen door loting het land toe te wijzen aan de Israëlieten en aan mijn heer is door Jahwe bevolen het bezit van onze broeder Selofchad aan zijn dochters te geven. NUM 36:3 Indien zij huwen met mannen uit andere Israëlitische stammen, dan wordt dat bezit afgenomen van het bezit van onze vaderen en gevoegd bij het bezit van de stam waartoe zij gaan behoren; het wordt afgenomen van het bezit dat ons door het lot is toegewezen. NUM 36:4 Wanneer de Israëlieten het jobeljaar vieren, zou haar bezit voorgoed gevoegd worden bij het bezit van de stam waartoe zij behoren en zou haar bezit voorgoed worden afgenomen van het bezit van de stam van onze vaderen.' NUM 36:5 Toen gaf Mozes in opdracht van Jahwe aan de Israëlieten het volgende bevel: `Wat de stam van de Jozefieten zegt, is juist. NUM 36:6 Daarom schrijft Jahwe met betrekking tot de dochters van Selofchad het volgende voor: Zij kunnen huwen met wie zij willen, als het maar met iemand is uit een geslacht van haar eigen stam. NUM 36:7 Het erfbezit mag namelijk niet van de ene stam op de andere overgaan. De Israëlieten moeten het bezit van de stam van hun vaderen behouden. NUM 36:8 Ieder meisje, dat onder de stammen van de Israëlieten bezit verwerft, moet huwen met iemand uit een geslacht van haar eigen stam, zodat alle Israëlieten het bezit van hun vader behouden. NUM 36:9 Het mag niet van de ene stam op de andere overgaan, maar de stammen van de Israëlieten moeten elk hun eigen bezit behouden.' NUM 36:10 De dochters van Selofchad deden wat Jahwe aan Mozes bevolen had. NUM 36:11 Machla, Tirsa, Chogla, Milka en Noa, de dochters van Selofchad, huwden met de zonen van haar ooms. NUM 36:12 Zij huwden in de geslachten van de zonen van Manasse, de zoon van Jozef, zodat haar bezit bleef bij de stam waartoe het geslacht van haar vader behoorde. NUM 36:13 Dat zijn de bevelen en voorschriften die Jahwe door Mozes aan de Israëlieten heeft gegeven in de vlakte van Moab, aan de Jordaan bij Jericho. DEUTERONOMIUM DEUT 1:1 Dit is de rede die Mozes aan de overzijde van de Jordaan voor heel Israël gehouden heeft, in de Araba bij Suf, tussen Paran en Tofel, Laban, Chaserot en Di-zahab. DEUT 1:2 De afstand van de Horeb tot aan Kades-barnea langs de weg door het seïrgebergte is elf dagreizen. DEUT 1:3 Toen Mozes in opdracht van Jahwe zijn rede tot de Israëlieten hield, was het het veertigste jaar, de eerste dag van de elfde maand. DEUT 1:4 Mozes had Sichon, de koning van de Amorieten die in Chesbon woonde, en Og, de koning van Basan die in Astarot en Edrei woonde, verslagen. DEUT 1:5 Aan de overzijde van de Jordaan, in Moab, begon hij toen deze wet af te kondigen. Hij zei: DEUT 1:6 Jahwe onze God heeft bij de Horeb tot ons gezegd: `Gij zijt nu lang genoeg bij deze berg gebleven. DEUT 1:7 Trek verder naar het bergland van de Amorieten en naar hun naburen in de Araba, in het bergland, in de Sefela, in de Negeb en aan de zeekust, het gebied van de Kanaänieten, en de Libanon tot aan de grote rivier, de Eufraat. DEUT 1:8 Aan u geef Ik dat land in handen. Ga dus bezit nemen van het land, dat Jahwe aan uw vaderen, aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofd heeft, aan hen en aan hun nageslacht.' DEUT 1:9 In die tijd heb ik tot u gezegd: `Ik kan de zorg voor u niet meer alleen dragen. DEUT 1:10 Jahwe uw God heeft u vandaag al even talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel. DEUT 1:11 En ik hoop dat Jahwe, de God van uw vaderen, u nog duizend maal zo talrijk maakt en u zijn zegen schenkt, zoals Hij beloofd heeft. DEUT 1:12 Het is voor mij niet meer mogelijk alle zorgen, lasten en onenigheden, die zich bij u voordoen, alleen te dragen. DEUT 1:13 Wijs daarom uit elke stam verstandige, kundige en ervaren mannen aan; dan zal ik die als uw leiders aanstellen.' DEUT 1:14 Gij hebt daarop geantwoord: `Dat is een uitstekend voorstel.' DEUT 1:15 Toen heb ik uw stamhoofden, verstandige en ervaren mannen, als leiders over u aangesteld, aanvoerders van duizend en honderd, aanvoerders van vijftig en tien, en ook nog schrijvers, uit elke stam. DEUT 1:16 Uw rechters heb ik toen voorgehouden: `Gij moet beide partijen horen en rechtvaardig vonnis vellen, zowel bij rechtszaken met volksgenoten als met vreemdelingen. DEUT 1:17 Ge moogt bij het rechtspreken niemand naar de ogen zien: ge moet de mindere man even goed gehoor verlenen als de hooggeplaatste. Ge moet u door niemand laten intimideren, want de rechtspraak is iets van God. Als een zaak te moeilijk voor u is, moet ge die aan mij voorleggen; dan zal ik die behandelen.' DEUT 1:18 Zo heb ik indertijd uw taak omschreven. DEUT 1:19 Daarop zijn wij van de Horeb weggegaan en zijn wij, op bevel van Jahwe, zoals gijzelf hebt meegemaakt, door die grote en verschrikkelijke woestijn getrokken in de richting van het bergland van de Amorieten, tot wij in Kades-barnea kwamen. DEUT 1:20 Ik heb u toen gezegd: `Gij hebt nu het bergland van de Amorieten bereikt, dat Jahwe onze God ons schenkt. DEUT 1:21 Jahwe uw God heeft u dit land overgeleverd. Trek op en neem het in bezit, zoals Jahwe de God van uw vaderen u beloofd heeft. Vrees niet en wees niet bang!' DEUT 1:22 Maar toen zijt ge met u allen naar mij toe gekomen en hebt gezegd: `Laat ons eerst enkele mannen vooruitsturen om het land te verkennen en ons in te lichten over de weg die wij moeten nemen, en over de steden waar wij zullen komen.' DEUT 1:23 Omdat dit voorstel mij verstandig leek, heb ik twaalf mannen aangewezen, een uit elke stam. DEUT 1:24 Die zijn op weg gegaan, het gebergte in. Zij zijn tot het dal Eskol doorgedrongen en hebben dat verkend; DEUT 1:25 zij hebben vruchten van het land geplukt en die mee naar beneden gebracht. En toen zij ons verslag uitbrachten, hebben zij gezegd: `Het land dat Jahwe onze God ons schenkt is een heerlijk land.' DEUT 1:26 Maar gij hebt er toen niet heen willen trekken; ge zijt in verzet gekomen tegen Jahwe uw God. DEUT 1:27 Ge hebt in uw tenten zitten morren en gezegd: `Jahwe haat ons! Hij heeft ons uit Egypte geleid en nu laat Hij ons in de handen van de Amorieten vallen om ons uit te roeien! DEUT 1:28 Waar trekken wij toch naar toe? Onze broeders hebben ons de moed benomen door te zeggen: `De mensen daar zijn groter en langer dan wij; de steden zijn groot en de vestingmuren hemelhoog. Wij hebben er zelfs Enakieten gezien.' DEUT 1:29 Ik heb u nog gezegd: `Wees voor hen niet bang of bevreesd. DEUT 1:30 Jahwe uw God gaat voor u uit. Hij zal zelf voor u strijden, juist zoals Hij dat in Egypte voor uw eigen ogen heeft gedaan, DEUT 1:31 en in de woestijn, waar gij ervaren hebt hoe Jahwe uw God u gedragen heeft zoals iemand zijn zoon draagt, heel de lange tocht tot hier toe.' DEUT 1:32 Maar desondanks hebt ge geen vertrouwen gesteld in Jahwe uw God, DEUT 1:33 in Hem die onderweg voor u uitging op zoek naar een legerplaats, 's nachts in een vuurgloed om u de weg te wijzen die ge moest gaan, en overdag in een wolk. DEUT 1:34 Toen Jahwe uw gepraat hoorde, is Hij kwaad geworden en heeft gezworen: DEUT 1:35 `Niet een van die mannen, dat verdorven geslacht, zal het heerlijke land aanschouwen, dat Ik uw vaderen onder ede beloofd heb, DEUT 1:36 behalve Kaleb, zoon van Jefunne. Aan hem en zijn kinderen zal Ik het land schenken dat hij heeft verkend, want hij is Jahwe in alles trouw gebleven.' DEUT 1:37 Ook op mij is Jahwe door uw schuld kwaad geworden; Hij heeft mij gezegd: `Gij zult er evenmin binnengaan, DEUT 1:38 maar wel Jozua, zoon van Nun, uw helper. Spreek hem moed in, want hij zal Israël in bezit stellen van het land. DEUT 1:39 Ook uw kleine kinderen, die volgens uw zeggen een prooi voor de vijand zouden zijn, uw zonen, die nu nog geen goed van kwaad kunnen onderscheiden, zij zullen er binnengaan; aan hen zal Ik het schenken en zij zullen het in bezit nemen. DEUT 1:40 Maar gij moet nu opnieuw de woestijn intrekken, in de richting van de Rietzee.' DEUT 1:41 Toen hebt ge geantwoord: `Wij hebben misdaan tegen Jahwe! Wij zullen optrekken en de strijd beginnen, zoals Jahwe onze God heeft bevolen.' Ieder van uw gordde zijn wapens aan, alsof het ineens gemakkelijk was het bergland in te trekken. DEUT 1:42 Maar Jahwe sprak tot mij: `Zeg hun dat ze niet optrekken en de strijd niet beginnen, want Ik zal niet met hen zijn; en dan zouden ze door de vijand verslagen worden.' DEUT 1:43 Ik heb u die woorden overgebracht, maar ge hebt niet willen luisteren; ge hebt u verzet tegen Jahwe en zijt toch zo vermetel geweest om het bergland in te trekken. DEUT 1:44 De Amorieten in dat bergland zijn tegen u uitgerukt, als bijen hebben ze u achtervolgd, en van seïr af tot Chorma toe op u ingeslagen. DEUT 1:45 Na uw terugkeer hebt ge voor Jahwe een weeklacht aangeheven, maar Hij heeft niet naar u geluisterd en u niet verhoord. DEUT 1:46 Daarom zijt ge zo lang in Kades gebleven. DEUT 2:1 Daarna zijn wij opnieuw de woestijn in getrokken in de richting van de Rietzee, zoals Jahwe mij had opgedragen, en lange tijd zijn wij om het seïrgebergte heengetrokken. DEUT 2:2 Toen heeft Jahwe mij gezegd: DEUT 2:3 `Ge zijt lang genoeg om dit gebergte heengetrokken, ga nu naar het noorden DEUT 2:4 en geef het volk dit bevel: Gij komt nu dwars door het gebied van uw broeders, de zonen van Esau die in seïr wonen. Zij zullen bang voor u zijn, maar ge moet er wel voor zorgen DEUT 2:5 geen strijd met hen aan te gaan, want Ik zal u van hun land zelfs geen voetbreed geven: aan Esau immers heb Ik het seïrgebergte in eigendom gegeven. DEUT 2:6 Het voedsel dat ge nodig hebt moet ge tegen betaling van hen kopen, en het drinkwater eveneens. DEUT 2:7 Gij weet toch dat Jahwe uw God alles wat gij doet gezegend heeft: Hij heeft voor u gezorgd op uw tocht door die grote woestijn; al die veertig jaren is Jahwe uw God met u geweest, zodat het u aan niets heeft ontbroken.' DEUT 2:8 Zo zijn wij dan langs onze broeders getrokken, langs de zonen van Esau die in seïr wonen, zonder op de weg te komen die vanuit Elat en Esjon-geber door de Araba loopt. Daarop zijn wij een andere richting uitgegaan en door de woestijn van Moab getrokken. 9 Jahwe heeft mij toen gezegd: `Val de Moabieten niet aan en begin geen oorlog tegen hen, want Ik zal u van hun land niets in eigendom geven. - DEUT 2:10 Vroeger woonden daar Emieten, een groot en talrijk volk; zij waren even lang als de Enakieten. DEUT 2:11 Evenals de Enakieten rekende men hen tot de Refaieten, maar de Moabieten noemden hen Emieten. DEUT 2:12 In seïr woonden vroeger Chorieten, maar de zonen van Esau hebben hen verdreven en uitgeroeid en zich daar in hun plaats gevestigd, juist zoals de Israëlieten gedaan hebben met het land dat Jahwe hun in eigendom heeft gegeven. - DEUT 2:13 Steek nu de Zered over.' Wij zijn de Zered overgestoken. DEUT 2:14 Onze tocht vanaf Kadesbarnea tot het oversteken van de Zered had achtendertig jaar geduurd, zo lang dat de generatie weerbare mannen geheel uit het kamp was verdwenen, zoals Jahwe had gezworen. DEUT 2:15 Jahwe had ook ingegrepen om hen tot de laatste man uit het kamp te doen verdwijnen. DEUT 2:16 Toen al die weerbare mannen door de dood uit het volk waren verdwenen, DEUT 2:17 heeft Jahwe mij gezegd: DEUT 2:18 `Ge trekt nu bij Ar de grens van Moab over DEUT 2:19 en komt dan in de buurt van de Ammonieten. Ge moogt hen niet aanvallen en geen oorlog tegen hen beginnen, want Ik zal u van hun land niets in eigendom geven. - DEUT 2:20 Ook dit werd als gebied van de Refaieten beschouwd, die daar vroeger gewoond hebben. Bij de Ammonieten heetten zij Zamzummieten. DEUT 2:21 Zij waren een groot en talrijk volk, en even lang als de Enakieten; maar Jahwe had hen voor de Ammonieten weggevaagd, zodat dezen hen verdreven en zich daar in hun plaats gevestigd hebben. DEUT 2:22 Voor de zonen van Esau die in seïr wonen had Jahwe hetzelfde gedaan: voor hen heeft Hij de Chorieten weggevaagd, zodat zij hen verdreven en tot op heden in hun plaats wonen. DEUT 2:23 Zo is het ook de Awwieten vergaan die woonden in de dorpen tot Gaza toe; de Kaftorieten, uit Kaftor afkomstig, hebben hen weggevaagd en zich daar in hun plaats gevestigd. - DEUT 2:24 Trek nu verder, de Arnon over. Sichon, de Amoritische koning van Chesbon, lever Ik met zijn land aan u over. Begin de verovering en bind de strijd met hen aan. DEUT 2:25 Vandaag begin Ik bij alle volken onder de hemel angst en schrik voor u te verspreiden: degenen die van u horen zullen voor u beven en sidderen.' DEUT 2:26 Toen heb ik vanuit de Kedemotwoestijn boden gezonden naar Sichon, de koning van Chesbon, met dit vredesvoorstel: DEUT 2:27 `Laat mij door uw land trekken. Ik zal de heerbaan volgen en er rechts noch links van afwijken. DEUT 2:28 Verkoop mij tegen betaling het voedsel en het drinkwater dat ik nodig heb. Ik vraag van u alleen dat u mij te voet door uw land laat trekken, DEUT 2:29 zoals ook de zonen van Esau die in seïr wonen, dat hebben toegestaan. Dan kan ik de Jordaan oversteken naar het land dat Jahwe onze God ons schenkt.' DEUT 2:30 Maar Sichon, de koning van Chesbon, heeft ons geen doortocht willen verlenen; Jahwe uw God had zijn gemoed verhard en zijn hart verstokt om hem aan u over te leveren, zoals het ook is gebeurd. DEUT 2:31 Daarop heeft Jahwe mij gezegd: `Nu ga Ik Sichon en zijn land aan u overgeven. Begin de verovering en neem het land in bezit.' DEUT 2:32 En toen Sichon zelf met heel zijn leger tegen ons was uitgetrokken, in de richting van Jahas, DEUT 2:33 heeft Jahwe onze God hem aan ons overgeleverd; wij hebben hem verslagen met zijn zonen en zijn hele legermacht. DEUT 2:34 Al zijn steden hebben wij in die dagen veroverd; een voor een hebben wij ze met de ban geslagen, vrouwen en kinderen, zonder iemand in leven te laten. DEUT 2:35 Maar het vee hebben we buitgemaakt met alles wat er in de veroverde steden te plunderen viel. DEUT 2:36 Vanaf Aroer aan de oever van de Arnon en de stad in het dal tot Gilead toe heeft geen enkele stad ons kunnen weerstaan: Jahwe onze God heeft ze allemaal aan ons overgeleverd. DEUT 2:37 Alleen tegen het land van de Ammonieten, heel het gebied langs de Jabbok en de steden in het bergland, zijt gij niet opgetrokken, omdat Jahwe onze God dat verboden had. DEUT 3:1 Daarna zijn wij de weg naar Basan opgegaan. En toen Og, de koning van Basan, met zijn hele leger tegen ons ten strijde trok, bij Edrei, DEUT 3:2 heeft Jahwe mij gezegd: `Wees niet bang voor hem, want Ik heb hem met zijn leger en zijn land aan u overgeleverd. Ge moet hem op dezelfde wijze behandelen als Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon woonde.' DEUT 3:3 Zo heeft Jahwe onze God ook Og, de koning van Basan, met zijn hele leger aan ons overgeleverd. Wij hebben hem verslagen en niemand in leven gelaten. DEUT 3:4 Indertijd hebben wij al zijn steden ingenomen; geen stad die wij niet op hen veroverd hebben: zestig steden, heel de streek Argob, het koninkrijk van Og in Basan, DEUT 3:5 allemaal versterkte steden met hoge muren, met poorten en grendels, zonder te spreken van de zeer vele onversterkte plaatsen op het land. DEUT 3:6 Wij hebben ze met de ban geslagen evenals Sichon, de koning van Chesbon, met mannen, vrouwen en kinderen. DEUT 3:7 Maar het vee en wat er in die steden te plunderen viel, hebben wij buitgemaakt. DEUT 3:8 Zo hebben wij in die tijd op de beide Amoritische koningen het land aan de overkant van de Jordaan veroverd: van Aroer tot het Hermongebergte - DEUT 3:9 de Sidoniers noemen de Hermon Sirjon, de Amorieten Senir -, DEUT 3:10 alle steden op de hoogvlakte, heel Gilead en heel Basan tot Salka en Edrei, steden van het koninkrijk van Og in Basan. DEUT 3:11 - Og, de koning van Basan, was de laatste van de Refaieten. Hij had een ijzeren bed, dat nu nog in Rabbat-ammon staat; het is negen el lang en vier el breed, volgens de gewone el. - DEUT 3:12 Dit land hebben wij in die tijd in bezit genomen. Het gebied vanaf Aroer aan de oever van de Arnon met het halve bergland van Gilead en de steden die daar liggen heb ik aan de Rubenieten en Gadieten overgedragen. DEUT 3:13 De rest van Gilead met heel Basan, het koninkrijk van Og, heb ik aan de halve stam Manasse overgedragen. - Heel de streek Argob met heel Basan heette land van de Refaieten. - DEUT 3:14 Jair, zoon van Manasse, veroverde heel de streek Argob tot aan het grensgebied van de Gesurieten en Maakatieten. Hij noemde die - namelijk Basan - naar zijn eigen naam dorpen van Jair, zoals ze nu nog heten. DEUT 3:15 Aan Makir heb ik Gilead overgedragen; DEUT 3:16 aan de Rubenieten en Gadieten het gebied van Gilead tot aan de Arnon, met het midden van de rivier als grens, en tot de Jabbok, de grens met de Ammonieten, DEUT 3:17 de Araba met de Jordaan als grens vanaf Kinneret tot aan de zee van de Araba, de Zoutzee, aan de voet van de hellingen van de Pisga in het oosten. DEUT 3:18 In die tijd heb ik u bevolen: `Jahwe uw God heeft u dit land wel in bezit gegeven, maar toch moeten al uw strijdbare mannen oversteken aan de spits van uw broeders, de Israëlieten. DEUT 3:19 Alleen uw vrouwen en kinderen en uw vee - want ik weet dat gij een grote veestapel hebt - mogen in de steden blijven, die ik aan u heb overgedragen. DEUT 3:20 Pas als Jahwe uw God uw broeders rust heeft doen vinden evenals u, en ook zij aan de andere kant van de Jordaan het land in bezit genomen hebben dat Jahwe uw God hun schenkt, pas dan mag ieder van u terugkeren naar de bezittingen die ik u geschonken hebt.' DEUT 3:21 En Jozua heb ik in die tijd ingescherpt: `U hebt met eigen ogen gezien, wat Jahwe uw God met die twee koningen heeft gedaan. DEUT 3:22 Zo zal Jahwe uw God doen met alle koninkrijken waar u komt. U hoeft niet bang voor hen te zijn: Jahwe uw God, Hij strijdt voor u.' DEUT 3:23 In die tijd heb ik Jahwe gesmeekt: ` DEUT 3:24 Jahwe, mijn Heer, Gij hebt mij het begin laten zien van uw grote macht en uw sterke hand. Er is geen god in de hemel of op de aarde, die zulke werken en zulke machtige daden verricht als Gij! DEUT 3:25 Ik bid U, laat mij oversteken, en laat mij aan de andere kant van de Jordaan dat heerlijke land aanschouwen, dat prachtige gebergte en de Libanon.' DEUT 3:26 Maar om u bleef Jahwe toornig op mij en Hij heeft mij niet verhoord. Hij heeft mij gezegd: `Nu is het genoeg: spreek Mij daar niet meer over! DEUT 3:27 Beklim de top van de Pisga en kijk naar het westen en het noorden, naar het zuiden en het oosten. Geef uw ogen goed de kost, want ge zult de Jordaan niet oversteken. DEUT 3:28 Draag uw taak aan Jozua over, sterk hem en spreek hem moed in. Want hij zal bij de overtocht voor het volk uitgaan, hij zal het in bezit stellen van het land dat gij ziet.' DEUT 3:29 Wij verbleven toen in de vallei nabij Bet-peor. DEUT 4:1 Luister dan, Israël, naar de voorschriften en bepalingen die ik u leer, en handel daarnaar. Dan zult gij leven en bezit gaan nemen van het land dat Jahwe, de God van uw vaderen, u schenkt. DEUT 4:2 Aan wat ik u voorschrijf, moogt gij niets toevoegen en er niets van afdoen; ge moet de geboden van Jahwe uw God onderhouden die ik u geef. DEUT 4:3 Met eigen ogen hebt gij gezien wat Jahwe uw God in Baäl-peor gedaan heeft: iedereen die achter Baäl-peor was aangelopen, heeft Hij uit uw midden uitgeroeid. DEUT 4:4 Maar Gij die trouw zijt gebleven aan Jahwe uw God, gij zijt allen vandaag nog in leven. DEUT 4:5 Ik heb u nu de voorschriften en bepalingen geleerd, zoals Jahwe uw God mij heeft opgedragen. Handel ernaar in het land dat gij in bezit gaat nemen DEUT 4:6 en breng ze stipt ten uitvoer, want daaruit zal voor de volken uw wijsheid en uw inzicht blijken. Als zij al deze voorschriften horen, zullen ze zeggen: `Dat machtige volk is wijs en verstandig.' DEUT 4:7 Is er soms een andere grote natie, aan wie hun goden zo nabij zijn als Jahwe onze God ons nabij is, zo vaak wij Hem aanroepen? DEUT 4:8 Of is er een andere grote natie die zulke volmaakte voorschriften en bepalingen heeft als de wet die ik u heden geef? DEUT 4:9 Wees dus op uw hoede en zorg er voor, dat gij niet vergeet wat gij met eigen ogen gezien hebt. Laat dat uw leven lang niet uit uw gedachten gaan en geef het door aan uw kinderen en kleinkinderen: DEUT 4:10 het was de dag dat gij bij de Horeb voor Jahwe uw God hebt gestaan, omdat Hij mij gezegd had: `Breng het volk bijeen; Ik wil hen toespreken, zodat zij Mij leren vrezen, al de dagen dat zij in het land leven, en zodat ook hun kinderen leren dat te doen.' DEUT 4:11 Op die dag zijt gij volk bij de voet van de berg gaan staan. De berg was een laaiende vuurzee, tot hoog aan de hemel, met duisternis en donkere wolken. DEUT 4:12 En uit het vuur heeft Jahwe uw God tot u gesproken. Gij hebt toen wel zijn woorden gehoord, maar geen gestalte gezien. Er was alleen maar een stem. DEUT 4:13 Jahwe heeft u toen zijn verbond geopenbaard en u bevolen het uit te voeren: de tien geboden die Hij toen op twee stenen platen heeft gegrift. DEUT 4:14 En mij heeft Jahwe in die tijd bevolen u te onderrichten in de voorschriften en bepalingen die gij moet volbrengen in het land dat ge aan de overkant in bezit gaat nemen. DEUT 4:15 Omdat gij geen gestalte gezien hebt, toen Jahwe u bij de Horeb uit het vuur heeft toegesproken, moet gij zorgen, DEUT 4:16 u niet te bezondigen door beelden te maken van welke gestalte dan ook: of het nu de vorm van een man of een vrouw is, DEUT 4:17 de vorm van een dier, dat op het land leeft, de vorm van een vogel, die langs de hemel vliegt, DEUT 4:18 de vorm van een of ander kruipend gedierte of de vorm van een vis, die in het water onder de aarde leeft. DEUT 4:19 En als gij uw ogen naar de hemel heft en daar de zon, de maan, de sterren of een ander hemellichaam ziet, laat u dan niet verleiden om u voor hen neer te buigen en hen te vereren. Jahwe uw God heeft hen toebedeeld aan de andere volken onder de hemel. DEUT 4:20 U echter heeft Jahwe uitgekozen en uit Egypte, die ijzeroven, gevoerd om zijn eigen volk te zijn, zoals gij heden zijt. DEUT 4:21 Omdat Jahwe door uw schuld op mij vertoornd was, heeft Hij gezworen dat ik de Jordaan niet zou oversteken en niet zou binnengaan in het heerlijke land dat Jahwe uw God u in eigendom geeft. DEUT 4:22 Ik zal dus hier in dit land sterven zonder de Jordaan over te steken. Maar gij zult oversteken en bezit nemen van dat heerlijke land. DEUT 4:23 Zorg dat gij dan het verbond niet vergeet, door Jahwe uw God met u gesloten, en dat gij zijn verbod niet overtreedt door beelden te maken, van welke gestalte ook. DEUT 4:24 Want Jahwe uw God is een verslindend vuur, een jaloerse God. DEUT 4:25 Als gij kinderen en kleinkinderen hebt gekregen en ingeburgerd zijt in het land, en u dan bezondigt door beelden te maken in welke vorm dan ook, door te doen wat Jahwe uw God mishaagt, zodat ge zijn toorn opwekt, DEUT 4:26 dan neem ik heden de hemel en de aarde tegen u tot getuigen, dat ge spoedig verdwenen zult zijn uit het land dat ge aan de overkant van de Jordaan in bezit gaat nemen. In plaats van daar lang te leven zult ge volledig worden uitgeroeid. DEUT 4:27 Verstrooien zal Jahwe u onder de volken, en slechts een klein getal zal er van u overblijven onder de volken, waar Jahwe u heendrijft. DEUT 4:28 Daar zult gij goden kunnen vereren, maaksels van mensen handen, van hout en van steen, die niet zien of horen, niet eten of ruiken. DEUT 4:29 Maar zoekt gij daar Jahwe uw God weer, dan zult ge Hem vinden, als ge Hem tenminste zoekt met heel uw hart en heel uw ziel. DEUT 4:30 Wanneer dit alles over u gekomen is en gij geen uitweg meer ziet, dan zult ge tenslotte terugkeren tot Jahwe uw God en luisteren naar zijn woord. DEUT 4:31 Want Jahwe uw God is een barmhartige God; Hij zal u niet aan uw lot overlaten, Hij wil uw ondergang niet en Hij zal het verbond niet vergeten dat Hij uw vaderen met een eed heeft bevestigd. DEUT 4:32 Ga de oude tijden maar na die u zijn voorafgegaan, vanaf de dag dat God mensen op de aarde schiep, kijk maar van het ene uiteinde van de hemel tot aan het andere: is er ooit zo iets groots gebeurd of is er ooit iets dergelijks gehoord? DEUT 4:33 Heeft een volk ooit een god uit het vuur horen spreken zoals gij, en daarbij het leven behouden? DEUT 4:34 Of heeft ooit een god gepoogd uit een ander volk een volk te komen uitkiezen door beproevingen, door tekenen en wonderen, door oorlogen, met sterke hand en uitgestrekte arm, door grote, schrikwekkende daden, zoals Jahwe uw God die voor uw eigen ogen in Egypte heeft verricht? DEUT 4:35 Gij hebt dat mogen aanschouwen, om tot de erkenning te komen dat Jahwe uw God is; er is geen ander dan Hij. DEUT 4:36 Uit de hemel heeft Hij u zijn stem laten horen om u de weg te wijzen, en op aarde heeft Hij u dat grote vuur laten zien, waaruit gij hem hebt horen spreken. DEUT 4:37 Omdat Hij uw vaderen heeft liefgehad en hun nageslacht heeft uitverkoren, daarom heeft Hij in eigen persoon u met grote macht uit Egypte geleid. DEUT 4:38 Hij heeft volken, groter en machtiger dan gij, voor u verdreven; Hij heeft u naar hun land gebracht en het u in eigendom gegeven, zoals het heden is. DEUT 4:39 Erken dan heden en prent het in uw hart: Jahwe is God in de hemel boven en op de aarde beneden; er is geen ander. DEUT 4:40 Onderhoud zijn voorschriften en geboden die ik u heden geef. Dan zult gij met uw kinderen gelukkig zijn en lang leven op de grond die Jahwe uw God u voor altijd schenkt. DEUT 4:41 Toen wees Mozes aan de overkant van de Jordaan drie steden aan DEUT 4:42 als wijkplaats voor degene die zonder opzet een ander, die hij van te voren niet haatte, heeft doodgeslagen. Door naar een van die steden de wijk te nemen kan hij zijn leven redden. DEUT 4:43 Het waren Beser in de woestijn op de hoogvlakte voor de Rubenieten, Ramot in Gilead voor de Gadieten en Golan in Basan voor de Manassieten. DEUT 4:44 Dit is de wet die Mozes de Israëlieten heeft opgelegd. DEUT 4:45 Het zijn de verordeningen, voorschriften en bepalingen die Mozes bij de tocht uit Egypte mondeling aan de Israëlieten heeft medegedeeld, DEUT 4:46 aan de overkant van de Jordaan, in de vlakte bij Bet-peor, in het gebied van Sichon, de koning van de Amorieten die in Chesbon woonde. Mozes en de Israëlieten hadden hem bij hun komst uit Egypte verslagen DEUT 4:47 en zijn land in bezit genomen, evenals dat van Og, de koning van Basan, - de twee koningen van de Amorieten aan de oostkant van de Jordaan - DEUT 4:48 vanaf Aroer tot aan het Siongebergte, ook Hermon genoemd, DEUT 4:49 en heel de Araba ten oosten van de Jordaan tot aan de Dode Zee, aan de voet van de hellingen van de Pisga. DEUT 5:1 Mozes riep heel Israël bijeen en sprak tot hen: Israël, luister naar de voorschriften en bepalingen, die ik heden voor u afkondig. Leer die en volbreng ze nauwgezet. DEUT 5:2 Jahwe onze God heeft bij de Horeb met ons een verbond gesloten. DEUT 5:3 Niet met onze voorouders heeft Jahwe dat verbond gesloten, maar met ons, met allen die hier heden nog in leven zijn. DEUT 5:4 Van aangezicht tot aangezicht heeft Jahwe op de berg vanuit het vuur met u gesproken. DEUT 5:5 - Ik stond toen tussen Jahwe en u in, om u zijn woorden over te brengen, want uit angst voor het vuur zijt gij de berg niet opgegaan. - Hij heeft gezegd: DEUT 5:6 `Ik ben Jahwe uw God, die u uit Egypte heeft geleid, dat slavenhuis. DEUT 5:7 Naast Mij zult gij geen andere goden hebben. DEUT 5:8 Gij zult geen beelden maken in de vorm van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde. DEUT 5:9 Ge moogt u niet voor hen neerbuigen en hen niet vereren, want Ik, Jahwe uw God, ben een jaloerse God, die de schuld van de vaders wreekt op hun kinderen tot in het derde en vierde geslacht van hen die Mij verwerpen. DEUT 5:10 Maar Ik bewijs goedheid tot in het duizendste geslacht van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden. DEUT 5:11 Gij zult de naam van Jahwe uw God niet misbruiken, want Jahwe laat hen die zijn naam misbruiken niet ongestraft. DEUT 5:12 Onderhoud de sabbat: die moet heilig voor u zijn, zoals Jahwe uw God u heeft geboden. DEUT 5:13 Zes dagen kunt ge werken en al uw arbeid verrichten, DEUT 5:14 maar de zevende dag is een sabbat voor Jahwe uw God. Dan moogt ge geen enkele arbeid verrichten, gijzelf niet, uw zoon niet, uw dochter niet, uw slaaf niet, uw slavin niet, uw rund niet, uw ezel niet, uw overige vee niet en ook niet de vreemdelingen binnen uw poorten. Dan kunnen uw slaaf en uw slavin uitrusten even als gijzelf. DEUT 5:15 Bedenk dat gij slaaf zijt geweest in Egypte en dat Jahwe uw God u met sterke hand en uitgestrekte arm uit dat land heeft geleid. Daarom heeft Hij u geboden de sabbat te onderhouden. DEUT 5:16 Eer uw vader en moeder, zoals Jahwe uw God u heeft geboden. Dan zult ge lang leven en gelukkig zijn op de grond die Hij u schenkt. DEUT 5:17 Gij zult niet doden. DEUT 5:18 Gij zult geen echtbreuk plegen. DEUT 5:19 Gij zult niet stelen. DEUT 5:20 Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen. DEUT 5:21 Gij zult uw zinnen niet zetten op de vrouw van uw naaste; ge zult niet uit zijn op het huis van uw naaste, noch op zijn land, zijn slaaf of zijn slavin, zijn rund, of zijn ezel, of iets dat hem toebehoort.' DEUT 5:22 Deze woorden heeft Jahwe op de berg met luider stem tot heel het vergaderde volk gesproken uit het vuur en de donkere wolk. Hij heeft daar niets meer aan toegevoegd. Hij heeft ze op twee stenen platen gegrift en die aan mij ter hand gesteld. DEUT 5:23 Maar toen gij uit de duisternis zijn stem had gehoord, terwijl de berg in brand stond, zijt gij met al uw stamhoofden en oudsten naar mij toegekomen. DEUT 5:24 Gij hebt gezegd: `Jahwe onze God heeft ons zijn grote heerlijkheid laten aanschouwen en wij hebben Hem uit het vuur horen spreken. Wij hebben heden ervaren, dat een mens in leven kan blijven als God tot hem spreekt. DEUT 5:25 Toch vrezen wij dat het onze dood wordt. Dat geweldige vuur zal ons nog verslinden. Als wij Jahwe onze God nog eens horen spreken, sterven wij. DEUT 5:26 Niemand heeft ooit de levende God uit het vuur horen spreken zoals wij, en het er levend afgebracht. DEUT 5:27 Gaat u naar Hem toe om te horen wat Jahwe onze God tot u zegt; en als u dat dan aan ons meedeelt, zullen wij gehoorzamen en het volbrengen.' DEUT 5:28 Toen Jahwe de voorstellen hoorde die gij mij deedt, zei Hij tot mij: `Ik heb gehoord wat dit volk u heeft voorgesteld. Het is een goed voorstel. DEUT 5:29 Ik zou wensen dat hun hart zo blijft, dat zij Mij vrezen en altijd mijn geboden onderhouden. Dan zullen zij en hun kinderen voor altijd gelukkig zijn. DEUT 5:30 Ga naar hen toe en zeg dat zij naar hun tenten teruggaan. DEUT 5:31 Gijzelf moet dan hier bij Mij blijven. Ik ga u alle geboden, voorschriften en bepalingen meedelen, die gij hen moet leren volbrengen in het land dat Ik hun in bezit geef.' DEUT 5:32 Breng dus stipt ten uitvoer wat Jahwe uw God u geboden heeft en wijk er rechts noch links van af. DEUT 5:33 Bewandel van het begin tot het eind de weg die Jahwe u heeft voorgeschreven. Dan zult gij leven. Gij zult gelukkig zijn en lang blijven leven in het land dat gij in bezit gaat nemen.' DEUT 6:1 Dit zijn de geboden, voorschriften en bepalingen die ik u in opdracht van Jahwe uw God moet leren. Gij moet die volbrengen in het land dat ge aan de overkant in bezit gaat nemen, DEUT 6:2 en heel uw leven met uw kinderen en kleinkinderen Jahwe uw God vrezen door al zijn voorschriften en geboden na te komen die ik u opleg. Dan zult gij lang blijven leven. DEUT 6:3 Luister dan, Israël, en volbreng ze nauwgezet. Dan zult gij gelukkig zijn en talrijk worden in het land van melk en honing, dat Jahwe de God van uw vaderen u heeft beloofd. DEUT 6:4 Luister, Israël, Jahwe is onze God, Jahwe alleen! DEUT 6:5 Gij moet Jahwe uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten. DEUT 6:6 De geboden die ik u heden voorschrijf, moet ge in uw hart prenten. DEUT 6:7 Ge moet er met uw kinderen telkens opnieuw over spreken, wanneer ge thuis zijt en onderweg, als ge slapen gaat en opstaat. DEUT 6:8 Bind ze als een teken op uw hand en als een band op uw voorhoofd. DEUT 6:9 Grif ze in de deurposten van uw huis en op de poorten van uw stad. DEUT 6:10 Wanneer Jahwe uw God u in het land gebracht heeft, dat Hij uw vaderen Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofd heeft, een land met grote en prachtige steden die gij niet gebouwd hebt, DEUT 6:11 met huizen vol kostbare dingen die gij, niet gevuld hebt, met gehouwen regenbakken die gij niet hebt uitgekapt, met wijngaarden en olijfbomen die gij niet hebt geplant, en wanneer gij dan in overvloed te eten hebt, DEUT 6:12 zorg er dan voor Jahwe niet te vergeten, die u uit Egypte heeft geleid, dat slavenhuis. DEUT 6:13 Gij moet Jahwe uw God vrezen, Hem dienen en zweren bij zijn naam. DEUT 6:14 Gij moogt niet achter andere goden aanlopen, de goden van de volken om u heen. DEUT 6:15 Want Jahwe uw God die bij u is, is een jaloerse God; Hij zou vertoornd op uw worden en u wegvagen uit het land. DEUT 6:16 Gij zult Jahwe uw God niet tarten zoals ge dat in Massa hebt gedaan. DEUT 6:17 Gij moet de geboden van Jahwe uw God stipt nakomen, de verordeningen en voorschriften die Hij u heeft gegeven. DEUT 6:18 Gij moet u richten naar Jahwe's wens en wil. Dan zult gij gelukkig zijn en bezit gaan nemen van het heerlijke land dat Jahwe uw vaderen onder ede beloofd heeft. DEUT 6:19 Al uw vijanden zal Hij voor u verjagen, zoals Hij beloofd heeft. DEUT 6:20 Wanneer uw zoon u later vraagt: `Wat betekenen toch die verordeningen, bepalingen en voorschriften, die Jahwe onze God u gegeven heeft' DEUT 6:21 dan moet gij hem antwoorden: `Wij waren slaven van Farao in Egypte, maar Jahwe heeft ons met sterke hand uit Egypte geleid. DEUT 6:22 Voor onze eigen ogen heeft Hij Egypte, Farao en heel zijn hof met grote, schrikwekkende tekenen en wonderen getroffen. DEUT 6:23 Maar ons heeft Hij vandaar weggeleid om ons te brengen naar het land dat Hij onze vaderen onder ede beloofd had. DEUT 6:24 Daarom heeft Jahwe onze God ons geboden al deze voorschriften te volbrengen en Hem te vrezen. Dan zullen wij altijd gelukkig zijn en zal Hij ons leven schenken, zoals thans het geval is. DEUT 6:25 Daarom is het onze plicht tegenover Jahwe onze God, nauwgezet alle geboden te volbrengen die Hij ons gegeven heeft.' DEUT 7:1 Wanneer Jahwe uw God u in het land heeft gebracht dat gij in bezit gaat nemen, en hij vele volken voor u verdrijft, de Hethieten, Girgasieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, zeven volken talrijker en sterker dan gijzelf, DEUT 7:2 en wanneer Jahwe uw God ze aan u overlevert, zodat gij ze verslaat, dan moet gij ze met de ban slaan. Gij moogt geen verbond met hen aangaan en geen medelijden met hen hebben. DEUT 7:3 Gij moogt geen familiebanden met hen aanknopen: uw dochters moogt gij niet aan een van hun zonen geven, noch voor uw zoon een van hun dochters kiezen. DEUT 7:4 Zij zouden uw kinderen van Mij vervreemden, zodat ze andere goden gaan vereren. En dan zou Jahwe's toorn tegen u ontbranden en zou Hij u spoedig wegvagen. DEUT 7:5 Neen, zo moet gij tegen hen optreden; hun altaren moet ge neerhalen, hun heilige stenen verbrijzelen, hun heilige bomen omhakken en hun godenbeelden verbranden. DEUT 7:6 Want gij zijt een volk, dat aan Jahwe uw God gewijd is. U heeft Hij onder alle volken op aarde uitverkoren om zijn eigen volk te zijn. DEUT 7:7 Niet omdat gij talrijker zijt dan de andere volken heeft Jahwe zich aan u verbonden en u uitverkoren, want gij zijt het kleinste van alle volken; DEUT 7:8 maar omdat Jahwe u liefhad en Hij de eed aan uw vaderen gestand wilde doen, daarom heeft Hij u met sterke hand uit het slavenhuis geleid en u verlost uit de macht van Farao, de koning van Egypte. DEUT 7:9 Erken dan dat Jahwe uw God inderdaad God is, de getrouwe God, die het verbond gestand doet en vol erbarmen is voor wie Hem liefhebben en zijn geboden onderhouden tot in het duizendste geslacht, DEUT 7:10 maar die degenen die Hem verwerpen in hun eigen persoon straft en te gronde richt, hen persoonlijk. Hij wacht niet: iemand die Hem verwerpt, straft Hij, hem persoonlijk. DEUT 7:11 Volbreng dus de geboden, voorschriften en bepalingen die ik u heden voorschrijf. DEUT 7:12 Wanneer gij aan deze bepalingen gehoor geeft en ze nauwgezet volbrengt, dan zal Jahwe uw God het genadig verbond gestand doen, dat Hij met uw vaderen onder ede heeft gesloten. DEUT 7:13 Hij zal u liefhebben, zegenen en talrijk maken. Zegenen zal Hij de vrucht van uw schoot en de vrucht van uw grond, uw koren, most en olie, de worp van uw runderen en de aanwas van uw kleinvee, op de grond die Hij uw vaderen onder ede beloofd heeft. DEUT 7:14 Gezegend zult gij zijn boven alle volken. Geen man of vrouw zal bij u onvruchtbaar zijn, en ook uw vee niet. DEUT 7:15 Jahwe zal u behoeden voor alle ziekten en alle verschrikkelijke kwalen van Egypte, die gij hebt meegemaakt; Hij zal die niet over u laten komen, maar ze uw vijanden overzenden. DEUT 7:16 Gij zult alle volken verslinden, die Jahwe uw God in uw macht geeft. Gij moogt u daarbij niet laten vertederen en gij moogt hun goden niet vereren, want dat zou uw ondergang zijn. DEUT 7:17 Al zoudt gij denken: `Die volken zijn veel talrijker dan ik! Hoe zal ik die ooit kunnen verjagen?', DEUT 7:18 gij moet toch niet bang voor hen zijn. Denk aan wat Jahwe uw God met Farao en heel Egypte heeft gedaan, DEUT 7:19 aan de geweldige plagen die gij met eigen ogen hebt gezien, aan de tekenen en de wonderen, aan de sterke hand en uitgestrekte arm, waarmee Jahwe uw God u heeft bevrijd. Op dezelfde wijze zal Jahwe uw God al die volken behandelen, voor wie gij zo bang zijt. DEUT 7:20 Angst en beven zal Jahwe uw God onder hen doen ontstaan, tot ook de laatsten onder hen die zich voor u hadden verscholen, de dood vinden. DEUT 7:21 Wees niet angstig voor hen: Jahwe uw God die bij u is, is een grote, een ontzagwekkende God. DEUT 7:22 Maar Jahwe uw God zal die volken slechts langzaamaan voor u verdrijven gij zult hen niet ineens vernietigen. Anders zouden er in uw land te veel wilde dieren komen. DEUT 7:23 Jahwe uw God zal hen aan u overleveren en hen in grote verwarring brengen tot zij vernietigd zijn. DEUT 7:24 Hij zal hun koningen in uw macht geven, zodat gij hun naam onder de hemel kunt wegvagen. Niemand zal u kunnen weerstaan tot gij hen hebt uitgeroeid. DEUT 7:25 Hun godenbeelden moet gij verbranden. Kijk niet begerig naar het goud en zilver dat eraan zit en eigen u dat niet toe; dat zou uw ongeluk zijn, want Jahwe uw God heeft een afschuw van die dingen. DEUT 7:26 Gij moogt die afschuwelijke dingen niet in huis halen, anders komt ge zelf ook onder de ban. Gij moet ze met diepe weerzin en afschuw behandelen, want ze liggen onder de ban. DEUT 8:1 Alle geboden die ik u heden voorhoud, moet gij nauwgezet volbrengen. Dan zult gij leven, talrijk worden en bezit gaan nemen van het land dat Jahwe uw vaderen onder ede beloofd heeft. DEUT 8:2 Blijf denken aan heel die tocht van veertig jaar, die Jahwe uw God u in de woestijn heeft laten maken. Hij heeft u toen vernederd en op de proef gesteld om uw gezindheid te leren kennen: Hij wilde zien of ge zijn geboden zoudt onderhouden of niet. DEUT 8:3 Hij heeft u vernederd en u honger laten lijden, maar u ook het manna te eten gegeven dat gij noch uw vaderen ooit hadden gezien. Hij wilde u daardoor laten beseffen dat de mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat uit de mond van Jahwe komt. DEUT 8:4 De kleren aan uw lijf zijn niet versleten en uw voeten zijn niet gezwollen, al die veertig jaren. DEUT 8:5 Besef dan dat Jahwe uw God u heeft opgevoed zoals een man zijn eigen zoon opvoedt, DEUT 8:6 en dat gij de geboden van Jahwe uw God moet onderhouden door zijn wegen te gaan en Hem te vrezen. DEUT 8:7 Voorwaar, Jahwe uw God brengt u in een heerlijk land, een land met beken vol water, met bronnen en stromen, die op de bergen en in de dalen ontspringen, DEUT 8:8 een land met tarwe, gerst, wijnstokken, vijgen en granaatappels, een land met vette olijven en honing, DEUT 8:9 een land waar gij niet zuinig hoeft te zijn met brood en waar het u aan niets ontbreekt, een land waar ijzer zit in het gesteente en waar men koper delft uit de bergen. DEUT 8:10 Maar als gij daar volop te eten hebt, prijs dan Jahwe uw God om het heerlijke land dat Hij u schonk. DEUT 8:11 Wacht u ervoor, Jahwe uw God te vergeten, en zijn geboden, voorschriften en bepalingen, die ik u heden opleg, niet na te leven. DEUT 8:12 En wanneer gij volop te eten hebt, mooie huizen bouwt, DEUT 8:13 veel runderen en schapen krijgt, zilver en goud ophoopt, zodat al uw bezittingen toenemen, DEUT 8:14 laat dan uw hart niet hoogmoedig worden, zodat ge Jahwe uw God vergeet, die u uit Egypte, dat slavenhuis, heeft geleid; DEUT 8:15 die u door die grote en verschrikkelijke woestijn heeft gevoerd, vol giftige slangen en schorpioenen, door dat dorstige land zonder water; die uit de keiharde rots water voor u liet ontspringen; DEUT 8:16 die u in de woestijn het manna te eten gaf, dat uw vaderen nooit hadden gezien. Hij heeft u vernederd en op de proef gesteld, om u tenslotte wel te doen. DEUT 8:17 En mocht bij u de gedachte opkomen: `Met mijn eigen kracht en met mijn sterke hand heb ik deze rijkdom verworven,' DEUT 8:18 bedenk dan, dat het Jahwe uw God is, die u kracht schenkt om rijkdom te verwerven, omdat Hij tot vandaag toe het verbond gestand doet, dat Hij met uw vaderen onder ede heeft gesloten. DEUT 8:19 En als gij Jahwe uw God vergeet, achter andere goden aanloopt, hen vereert en u voor hen neerbuigt, dan verzeker ik u heden, dat gij zult omkomen. DEUT 8:20 Zoals Jahwe de volken voor u heeft doen omkomen, zo zult ook gij omkomen, omdat gij niet naar Jahwe uw God hebt geluisterd. DEUT 9:1 Luister, Israël! Heden trekt gij de Jordaan over om volken, groter en machtiger dan gijzelf, uit hun bezit te verdrijven, met grote steden en hemelhoge vestingmuren, DEUT 9:2 grote en rijzige mensen, de bekende Enakieten, over wie gij het gezegde hebt gehoord: `Wie is tegen de Enakieten bestand?' DEUT 9:3 Heden zult gij weten dat Jahwe uw God u bij het oversteken voorgaat als een verslindend vuur. Hij zal hen wegvagen en uitroeien, zoals Jahwe uw God u beloofd heeft. DEUT 9:4 En wanneer Jahwe uw God hen voor u uitjaagt, denk dan niet, dat Hij u in dit land heeft gebracht en het u in bezit heeft gegeven om uw verdiensten; om het goddeloos leven van die volken jaagt Jahwe hen voor u weg. DEUT 9:5 Niet om uw verdiensten of om de oprechtheid van uw hart gaat gij hun land in bezit nemen, maar om hun goddeloos leven jaagt Jahwe uw God die volken voor u weg, en tevens om de belofte te houden die Hij uw vaderen Abraham, Isaak en Jakob onder ede gedaan heeft. DEUT 9:6 Erken dus dat Jahwe uw God u dit heerlijke land niet schenkt om uw verdiensten; gij zijt trouwens een hardnekkig volk. DEUT 9:7 Bedenk en vergeet niet, hoe gij in de woestijn de toorn van Jahwe uw God hebt opgewekt. Van de dag af dat gij uit Egypte zijt getrokken tot uw aankomst op deze plaats zijt gij weerspannig geweest tegen Jahwe. DEUT 9:8 En bij de Horeb hebt gij Jahwe zo toornig gemaakt, dat Hij u in zijn woede wilde vernietigen. DEUT 9:9 Ik was de berg opgegaan om de stenen platen in ontvangst te nemen, de oorkonden van het verbond dat Jahwe met u had gesloten. Veertig dagen en veertig nachten was ik op de berg gebleven, zonder te eten of te drinken. DEUT 9:10 Daarop had Jahwe mij de twee stenen platen gegeven, door de vinger van God beschreven, met alle geboden erop, die Jahwe u op de berg vanuit het vuur had gegeven, op de dag van de samenkomst. DEUT 9:11 En op het eind van die veertig nachten, toen Jahwe mij de twee stenen platen gegeven had, de oorkonden van het verbond, DEUT 9:12 zei Hij tot mij: `Sta op en ga vlug naar beneden, want het volk dat gij uit Egypte hebt geleid, is tot zonde vervallen; zij zijn nu al afgeweken van de weg die Ik hun had voorgeschreven; zij hebben een beeld gegoten.' DEUT 9:13 En Jahwe vervolgde: `Ik heb nu gezien wat een hardnekkig volk het is. DEUT 9:14 Laat mij begaan! Ik ga hen vernietigen en hun naam van de aarde wegvagen. En dan maak Ik van u een volk dat nog sterker en talrijker is.' DEUT 9:15 Toen ik mij omkeerde en de berg afkwam, die nog steeds in brand stond, met de twee stenen oorkonden van het verbond in mijn handen, DEUT 9:16 zag ik met eigen ogen, dat gij tegen Jahwe gezondigd hadt door een gegoten beeld te maken van een stier. Toen waart gij al afgeweken van de weg die Jahwe u had voorgeschreven. DEUT 9:17 Met beide handen greep ik de twee stenen platen en smeet ze voor uw ogen in stukken. DEUT 9:18 En evenals de eerste keer heb ik mij voor Jahwe neergeworpen en ben ik veertig dagen en veertig nachten voor Hem blijven liggen zonder te eten of te drinken, vanwege de zonde die gij begaan hadt door tegen Jahwe's wil te handelen en daarmee zijn toorn op te wekken. DEUT 9:19 Ik was werkelijk bang, dat Jahwe u in zijn toorn en woede zou gaan uitroeien. Maar ook die keer heeft Jahwe mij verhoord. DEUT 9:20 Ook op Aäron was Jahwe zo vertoornd, dat Hij hem wilde ombrengen. Daarom heb ik toen ook voor Aäron gebeden. DEUT 9:21 Ik heb daarop die stier, dat zondige maaksel van u, gegrepen, in het vuur gesmeten, in stukken geslagen en tot stof gemalen; en de as heb ik in de beek geworpen die van de berg stroomt. DEUT 9:22 Ook in Tabera, in Massa en in Kibrot-hattaawa hebt gij Jahwe's toorn opgewekt. DEUT 9:23 En toen Hij u van Kades-barnea uitzond met de opdracht: `Ga het land in bezit nemen, dat Ik u heb geschonken,' hebt gij u verzet tegen het bevel van Jahwe uw God. Gij hebt niet op Hem vertrouwd en niet naar zijn bevel geluisterd. DEUT 9:24 Weerspannig zijt gij geweest tegen Jahwe van de dag af dat Hij u heeft uitverkoren. DEUT 9:25 Ik wierp mij dus voor Jahwe neer. Veertig dagen en veertig nachten ben ik voor Hem blijven liggen, omdat Jahwe gezegd had, dat Hij u wilde vernietigen. DEUT 9:26 Ik bad tot Jahwe: `Jahwe, mijn Heer, ik smeek U, vernietig uw eigen volk toch niet, dat Gij met grote macht verlost hebt en dat gij met sterke hand uit Egypte hebt geleid. DEUT 9:27 Denk aan uw dienaren Abraham, Isaak en Jakob, en let niet op de hardnekkigheid van dit volk, op zijn schuld en zijn zonden. DEUT 9:28 In het land waaruit gij hen hebt weggevoerd, zou men kunnen zeggen: Jahwe was niet in staat, hen in het land te brengen dat Hij hun beloofd had, of: Hij haatte hen en heeft hen van hier weggevoerd om ze in de woestijn te laten sterven. DEUT 9:29 Zij zijn toch uw eigen volk, dat Gij met grote kracht en uitgestrekte arm hebt uitgeleid.' DEUT 10:1 Toen sprak Jahwe tot mij: `Houw twee stenen platen precies als de vorige en kom de berg op naar Mij toe; maak ook een ark van hout. DEUT 10:2 Ik zal in die platen dezelfde woorden griffen als in de andere die gij stukgesmeten hebt. Ge moet die dan in de ark leggen.' DEUT 10:3 Ik heb een ark van acaciahout gemaakt, ik heb twee stenen platen gehouwen precies als de vorige, en ik ben met die stenen platen de berg opgegaan. DEUT 10:4 Evenals de eerste keer grifte Hij in de platen de tien geboden, die Hij op de berg vanuit het vuur voor u had afgekondigd, op de dag van de samenkomst. Daarop gaf Jahwe ze aan mij. DEUT 10:5 Ik ben weer de berg afgekomen en heb de platen neergelegd in de ark, die ik gemaakt had. Daar zijn ze gebleven, zoals Jahwe had bevolen. DEUT 10:6 De Israëlieten vertrokken van Beerot, een stad van de Jaakanieten, naar Mosera. Daar overleed Aaron; hij werd ter plaatse begraven. Zijn zoon Eleazar volgde hem op. DEUT 10:7 Vandaar trokken zij naar Gudgod, en van Gudgod naar Jotbat, een streek met veel water. DEUT 10:8 In die tijd zonderde Jahwe de stam Levi af om de ark van Jahwe's verbond te dragen, om in dienst van Jahwe te staan en te zegenen met zijn naam. Zo is het tot heden toe. DEUT 10:9 Daarom heeft Levi geen erfdeel, geen eigendom gekregen zoals zijn broeders; zijn eigendom is Jahwe uw God, zoals Hij hem beloofd heeft. DEUT 10:10 Ik ben dus evenlang op de berg gebleven als de eerste keer, veertig dagen en veertig nachten. En ook ditmaal verhoorde Jahwe mij en zag ervan af u te vernietigen. DEUT 10:11 Hij zei tot mij: `Sta o en trek voor het volk uit, zodat zij bezit gaan nemen van het land, dat Ik hun vaderen onder ede beloofd heb.' DEUT 10:12 Welnu dan Israël: wat verlangt Jahwe uw God anders van u dan dat gij Hem vreest en zijn wegen gaat, dat gij Hem bemint en dient met heel uw hart en heel uw ziel, DEUT 10:13 dat gij de geboden van Jahwe onderhoudt en de voorschriften die ik u heden geef? Dan zult gij gelukkig zijn. DEUT 10:14 Zie, aan Jahwe uw God behoren de hemel, de hemel der hemelen en de aarde met al wat erop is; DEUT 10:15 maar alleen met uw vaderen heeft Jahwe zich verbonden, omdat Hij hen liefhad, en uit alle volken heeft Hij u, hun nakomelingen, uitverkoren. Zo is het heden. DEUT 10:16 Besnijd dan de voorhuid van uw hart en blijf niet langer hardnekkig. DEUT 10:17 Jahwe uw God is de God der goden en de heer der heren, de grootste, de machtigste, de verhevenste God die, niemand naar de ogen ziet en die zich niet laat omkopen; DEUT 10:18 die recht doet aan weduwen en wezen, en die aan vreemdelingen zijn liefde bewijst door hun voedsel en kleding te schenken. DEUT 10:19 Ook gij moet de vreemdeling uw liefde bewijzen, want zelf zijt gij vreemdelingen geweest in Egypte. DEUT 10:20 Jahwe uw God zult gij vrezen, Hem dienen, Hem aanhangen en bij zijn naam uw eden afleggen. DEUT 10:21 Hem moet gij loven, Hij is uw God, die voor u in Egypte zulke grote, indrukwekkende dingen heeft gedaan, zoals gij met eigen ogen hebt gezien. DEUT 10:22 Met zeventig man zijn uw vaderen naar Egypte getrokken en nu heeft Jahwe uw God u even talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel. DEUT 11:1 Gij moet Jahwe uw God beminnen en altijd zijn verordeningen en voorschriften, zijn bepalingen en geboden onderhouden. DEUT 11:2 Erken heden - en ik spreek nu niet tot uw kinderen, die nog niets verstaan en niets ervaren hebben - erken heden de lessen van Jahwe uw God, zijn grote macht, zijn sterke hand en zijn uitgestrekte arm, DEUT 11:3 de tekenen en de werken die Hij in Egypte aan Farao, de koning van Egypte, en aan heel zijn land heeft verricht, DEUT 11:4 die Hij aan het Egyptische leger, dat u met paarden en wagens achtervolgde, heeft verricht door het voorgoed onder de wateren van de Rietzee te bedelven en te doen omkomen; DEUT 11:5 de tekenen die Hij voor u in de woestijn heeft verricht tot gij hier zijt gekomen; DEUT 11:6 die Hij aan Datan en Abiram, zonen van de Rubeniet Eliab, heeft verricht, toen de aarde zich opende en van heel Israël alleen hun families, degenen die bij hen woonden en heel hun aanhang, verzwolg. DEUT 11:7 Met eigen ogen hebt gij toch al die grote werken gezien, die Hij verricht heeft. DEUT 11:8 Onderhoud daarom al de geboden die ik u heden geef. Dan zult gij sterk genoeg zijn om het land te veroveren dat gij aan de overkant in bezit gaat nemen. DEUT 11:9 En dan zult gij lang blijven leven op de grond die Jahwe onder ede heeft beloofd aan uw vaderen en aan hun nageslacht, een land van melk en honing. DEUT 11:10 Het land dat gij in bezit gaat nemen, is een heel ander land als Egypte, waar gij vandaan komt. Dat moest gij na het zaaien zelf bevloeien, als een groentetuin. DEUT 11:11 Het land dat gij aan de overkant in bezit gaat nemen, is een land met bergen en dalen, dat door regen uit de hemel besproeid wordt; DEUT 11:12 een land waar Jahwe uw God zorg voor draagt en waarop Hij ononderbroken zijn aandacht gericht houdt, van het begin van het jaar tot het einde. DEUT 11:13 Als gij metterdaad gehoor geeft aan de geboden die Ik u heden geef, als gij Jahwe bemint en dient met heel uw hart en heel uw ziel, DEUT 11:14 dan zal Ik uw land op tijd regen schenken, herfstregen en voorjaarsregen, zodat gij er koren, most en olie kunt oogsten DEUT 11:15 en in het vrije veld zal Ik groen gewas voor uw vee laten groeien. Gij zult er volop te eten hebben. DEUT 11:16 Zorg ervoor, dat ge uw hart niet laat verleiden, zodat ge afdwaalt, andere goden dient en u voor hen neerbuigt, DEUT 11:17 want dan zal Jahwe tegen u in toorn ontsteken. Hij zal de hemel sluiten, zodat er geen regen valt; uw grond zal niets opbrengen en ge zult in korte tijd verdwenen zijn uit het heerlijke land dat Jahwe u schenkt. DEUT 11:18 Prent dan mijn woorden in uw hart en in uw ziel, bind ze als een teken op uw hand en draag ze als een band om uw voorhoofd. DEUT 11:19 Onderwijs ze aan uw kinderen door er telkens opnieuw met hen over te spreken, wanneer ge thuis zijt of onderweg, wanneer ge slapen gaat en opstaat. DEUT 11:20 Grif ze in de deurposten van uw huis en op de poorten van uw stad. DEUT 11:21 Dan zult gij en uw nakomelingen op de grond die Jahwe uw vaderen beloofde even lang blijven leven als de hemel boven de aarde staat. DEUT 11:22 Als gij de geboden die ik u geef, nauwgezet onderhoudt, als gij Jahwe uw God bemint, als ge zijn wegen gaat en Hem aanhangt, DEUT 11:23 dan zal Hij al die volken voor u verjagen en zult gij volken, groter en machtiger dan gij, uit hun bezit verdrijven. DEUT 11:24 Iedere plek die uw voeten betreden zal u toebehoren; van de woestijn tot de Libanon en van de Eufraat tot de zee in het westen zal uw gebied zich uitstrekken. DEUT 11:25 Niemand zal u kunnen weerstaan: in heel het gebied waar gij komt brengt Jahwe uw God ontzag en schrik teweeg, zoals Hij beloofd heeft. DEUT 11:26 Zo stel ik u heden zegen voor en vloek: DEUT 11:27 zegen als gij gehoorzaamt aan de geboden van Jahwe, die ik u heden geef; DEUT 11:28 vloek als gij aan zijn geboden niet gehoorzaamt en afwijkt van de weg die ik u heden voorschrijf, door achter andere goden aan te lopen, die gij niet kent. DEUT 11:29 En wanneer Jahwe uw God u binnenleidt in het land dat gij in bezit gaat nemen, dan moet gij zegen leggen op de Gerizzim en vloek o de Ebal. DEUT 11:30 Die liggen aan de overkant van de Jordaan, aan de weg naar het westen, in het gebied van de Kanaänieten die in de Araba wonen, op de hoogte van Gilgal, niet ver van de eik van More. DEUT 11:31 Als gij de Jordaan overtrekt om bezit te nemen van het land dat Jahwe uw God u schenkt, en als gij het in bezit genomen hebt en daar gevestigd zijt, volbreng dan nauwgezet al de voorschriften en bepalingen die ik u heden geef. DEUT 12:1 Hier volgen de voorschriften en bepalingen die ge in het land, dat Jahwe de God van uw vaderen u in bezit geeft, nauwgezet moet volbrengen, zolang ge op die grond zult leven. DEUT 12:2 Alle plaatsen, waar de volken die gij verdrijft hun goden vereren, moet gij met de grond gelijk maken, of zij nu op hoge bergen, op heuvels of ergens onder een groene boom liggen. DEUT 12:3 Hun altaren moet gij omverhalen, hun wijstenen stukslaan, hun heilige palen verbranden en hun godenbeelden verbrijzelen, zodat gij de herinnering daaraan uit die plaats doet verdwijnen. DEUT 12:4 Op die wijze moogt gij Jahwe uw God niet vereren. DEUT 12:5 Alleen de plaats die Jahwe uw God in een van uw stammen uitkiest om daar zijn naam te vestigen en daar te verblijven, die plaats moet gij opzoeken en daar alleen moet gij heengaan. DEUT 12:6 Daarheen moet gij uw brandoffers en slachtoffers brengen, uw tienden en andere bijdragen, uw gelofteoffers en uw vrije gaven, evenals de eerstgeborenen van uw runderen en uw kleinvee. DEUT 12:7 En daar moet gij met uw familie voor Jahwe uw God maaltijd houden en feestvieren om het welslagen, waarmee Hij al uw ondernemingen heeft gezegend. DEUT 12:8 Gij moogt u niet gedragen zoals wij hier, waar iedereen doet wat hem goeddunkt, DEUT 12:9 omdat gij nog niet de rust en het bezit hebt bereikt, die Jahwe uw God u schenkt. DEUT 12:10 Maar als gij de Jordaan over zijt en u vestigt in het land dat Jahwe uw God u in eigendom geeft, zal Hij zorgen dat uw vijanden u met rust laten, zodat gij er veilig kunt wonen. DEUT 12:11 Naar de plaats die Jahwe uw God uitkiest om er zijn naam te vestigen, moet gij dan alle gaven brengen die ik u voorschrijf, uw brandoffer en slachtoffers, uw tienden en andere bijdragen, evenals de bijzondere gaven die gij aan Jahwe belooft. DEUT 12:12 Dan moet gij feestvieren voor Jahwe uw God met uw zonen en dochters, met uw slaven en slavinnen en met de levieten binnen uw poorten; want zij hebben geen stuk grond en geen eigendom zoals gij. DEUT 12:13 Brandoffers moogt ge niet op iedere willekeurige heilige plaats opdragen, DEUT 12:14 maar alleen op de plaats die Jahwe uw God bij een van uw stammen uitkiest. Daar moet gij uw brandoffers brengen en daar moet gij ook al het andere volbrengen wat ik u voorschrijf. DEUT 12:15 Wel kunt gij in al uw steden en zo vaak ge wilt, slachten en vlees eten, naargelang de zegen die Jahwe uw God u schenkt. Iedereen, rein of onrein, mag daarvan eten, net als van een gazel of een hert. DEUT 12:16 Alleen het bloed moogt ge niet eten; dat moet ge als water weglaten lopen. DEUT 12:17 Maar het is niet geoorloofd in uw steden te eten van de tienden van uw koren, most of olie, van de eerstgeborenen van uw runderen of kleinvee, van de gelofteoffers die gij beloofd hebt, of van uw vrije gaven en andere bijdragen. DEUT 12:18 Alleen bij Jahwe uw God, op de plaats die Hij uitkiest, moogt gij daarvan eten met uw zoon en dochter, met uw slaaf en slavin en met de levieten binnen uw poorten; bij Jahwe uw God moet gij feest vieren over het welslagen van uw ondernemingen. DEUT 12:19 Zorg dat ge in uw land nooit de levieten verwaarloost. DEUT 12:20 Wanneer Jahwe uw God uw gebied heeft uitgebreid, zoals Hij beloofd heeft, en gij denkt: `Ik zou vlees willen eten,' omdat ge daar trek in hebt, dan moogt gij vlees eten zoveel ge wilt. DEUT 12:21 En als de plaats die Jahwe uw God uitkiest om er zij naam te vestigen, voor u te ver weg ligt, dan moogt gij gerust runderen of kleinvee slachten, zoals ik u heb voorgeschreven en er in uw eigen stad van eten zoveel ge wilt, DEUT 12:22 als ge het maar eet, zoals men een gazel of een hert eet: iedereen, rein of onrein, kan ervan eten. DEUT 12:23 Houd alleen vast dat ge geen bloed moogt eten; want het bloed is het leven, en het is niet geoorloofd vlees te eten met het leven erin. DEUT 12:24 Gij moogt het bloed niet eten; dat moet ge als water weg laten lopen. DEUT 12:25 Gij moogt het niet eten; dan zullen gij en uw kinderen na u gelukkig zijn, omdat gij uw leven richt naar Jahwe's wil. DEUT 12:26 Maar met uw heilige gaven en met wat gij Jahwe door gelofte hebt toegezegd moet ge naar de plaats gaan die Hij uitkiest. DEUT 12:27 Van uw brandoffers moet ge het vlees en het bloed op het altaar van Jahwe offeren; van uw slachtoffers moet het bloed op het altaar worden uitgestort, maar het vlees moogt ge eten. DEUT 12:28 Onderhoud gehoorzaam alles wat ik u heden voorschrijf; dan zullen gij en uw kinderen altijd gelukkig zijn, omdat gij uw leven richt naar Jahwe's wens en wil. DEUT 12:29 Wanneer Jahwe uw God de volken uitroeit die gij gaat verdrijven, en gij hen verjaagd hebt en woont in hun land, DEUT 12:30 wees dan op uw hoede en laat u, nadat zij vernietigd zijn, niet in dezelfde strikken vangen als zij. Vraag niet naar hun goden met de gedachte: `Hoe hebben die volken hun goden vereerd?' om het ook zo te gaan doen. DEUT 12:31 Neen, zo moogt gij Jahwe uw God niet vereren. Want alle mogelijke gruwelen die Jahwe verafschuwt, hebben zij voor hun goden bedreven; zelfs hun zonen en dochters hebben zij voor hun goden verbrand. DEUT 13:1 Alles wat ik u voorschrijf moet gij stipt volbrengen; ge moogt er niets aan toevoegen en er niets van afdoen. DEUT 13:2 Wanneer onder u een profeet opstaat of iemand die droomgezichten heeft, en hij u tekenen en wonderen aankondigt, DEUT 13:3 en het teken of wonder dat hij voorspeld heeft komt uit, maar hij zegt dan: `Laat ons achter andere goden aangaan - goden waarvan gij de macht niet kent - en die gaan dienen,' DEUT 13:4 geef dan geen gehoor aan wat die profeet of die dromer zegt. Jahwe uw God stelt u dan op de proef om te zien of gij Hem met heel uw hart en ziel bemint. DEUT 13:5 Gij moet Jahwe uw God volgen, Hem vrezen, zijn geboden onderhouden en naar Hem luisteren; Hem moet gij dienen en Hem aanhangen. DEUT 13:6 Maar die profeet of dromer moet ter dood gebracht worden, omdat hij afval heeft gepreekt van Jahwe uw God, die u uit Egypte heeft geleid en u uit het slavenhuis heeft verlost; hij wilde u afbrengen van de weg die Jahwe uw God heeft voorge- schreven. Zo zult gij dat kwaad bij u uitroeien. DEUT 13:7 Wanneer uw broer, een zoon van uw moeder, uw zoon of uw dochter, uw liefste vrouw of uw beste vriend u in het geheim probeert te verleiden en voorstelt: `Laat ons andere goden gaan dienen,' van wie gij en uw voorouders de macht niet hebben gekend, DEUT 13:8 goden van de volken rondom, dichtbij of ver van u af, waar ter wereld ook, DEUT 13:9 dan moogt gij daar niet aan toegeven en niet naar hem luisteren. Gij moogt geen medelijden met hem hebben en hem niet sparen of in bescherming nemen. DEUT 13:10 Gij moet hem zonder uitstel doden. Zelf moet gij als eerste uw hand tegen hem opheffen en daarna moeten alle volksgenoten het doodvonnis voltooien. DEUT 13:11 Gij moet hem doodstenigen, want hij heeft geprobeerd u af te brengen van Jahwe uw God die u uit Egypte, dat slavenhuis, heeft geleid. DEUT 13:12 Heel Israël zal het horen, met vrees vervuld worden en niet opnieuw proberen een dergelijke wandaad bij u te bedrijven. DEUT 13:13 Wanneer gij verneemt dat er in een van de steden die Jahwe uw God u als woonplaats schenkt, DEUT 13:14 mannen optreden, nietsnutten, die hun stadgenoten proberen te verleiden en voorstellen: `Laat ons andere goden dienen' van wie gij de macht niet kent, DEUT 13:15 dan moet gij dat nagaan, een onderzoek instellen en nauwkeurig navraag doen. Blijkt het waar en komt het vast te staan, dat een dergelijke gruweldaad bij u is bedreven, DEUT 13:16 dan moet gij de inwoners van die stad uitmoorden; ge moet de stad en alle inwoners met de ban slaan en ook het vee doden. DEUT 13:17 Alle buitgemaakte goederen moet ge op het stadsplein bijeenbrengen en met de stad in brand steken, als een gave voor Jahwe uw God. Die stad zal altijd een ruine blijven; ze mag nooit meer worden opgebouwd. DEUT 13:18 Eigen u niets toe van wat onder de ban ligt. Dan zal Jahwe zijn brandende toorn laten varen, u barmhartig zijn, medelijden met u hebben en u talrijk maken, zoals hij uw vaderen onder ede beloofd heeft. DEUT 13:19 Dat zal Hij doen, wanneer gij luistert naar Jahwe uw God, zijn geboden onderhoudt die ik u heden geef, en uw leven richt naar zijn wil. DEUT 14:1 Jahwe uw God beschouwt u als zijn zonen. Ge moogt omwille van een dode uw lichaam niet kerven en uw voorhoofd niet kaal scheren. DEUT 14:2 Gij zijt een volk, dat aan Jahwe uw God is gewijd; uit alle volken van de hele wereld heeft Jahwe u uitverkoren om zijn eigen volk te zijn. DEUT 14:3 Gij zult niets eten wat een gruwel is. DEUT 14:4 Dit zijn de landdieren, die ge moogt eten: runderen, schapen, geiten, DEUT 14:5 herten, gazellen, damherten, antilopen, gemzen en berggeiten. DEUT 14:6 Alle herkauwende dieren met gespleten hoeven moogt ge eten. DEUT 14:7 Van de herkauwers en van de dieren met gespleten hoeven moogt de volgende niet eten: de kameel, de haas en de klipdas, want dat zijn wel herkauwers, maar ze hebben geen gespleten hoeven; zij gelden voor u als onrein. DEUT 14:8 Evenzo het varken, want het heeft wel gespleten hoeven, maar het is geen herkauwer; het geldt dus als onrein. Het vlees van deze dieren moogt ge niet eten en hun kadavers niet aanraken. DEUT 14:9 Dit zijn de waterdieren die ge moogt eten. Alle dieren die vinnen en schubben hebben kunt ge eten. DEUT 14:10 Maar alle dieren die geen vinnen en schubben hebben, moogt ge niet eten; ze gelden voor u als onrein. DEUT 14:11 Alle reine vogels moogt ge eten, DEUT 14:12 maar dit zijn de vogels die ge niet moogt eten: de arend, de lammergier, de baardgier, DEUT 14:13 de wouw en de verschillende soorten valken, DEUT 14:14 alle soorten raven, DEUT 14:15 de oehoe, de kortooruil, de langooruil en alle soorten sperwers, DEUT 14:16 de steenuil, de ibis, de witte uil, DEUT 14:17 de pelikaan, de visarend, de aalscholver, DEUT 14:18 de ooievaar, alle soorten reigers, de hop en de vleermuis. DEUT 14:19 Ook alle gevleugelde insekten gelden voor u als onrein; ge moogt die niet eten; DEUT 14:20 maar alle reine gevleugelde dieren moogt ge eten. DEUT 14:21 Een dood dier moogt ge niet eten. Ge kunt het de vreemdeling binnen uw poorten laten eten of verkopen aan een buitenlander. Want gij zijt een volk dat aan Jahwe uw God is gewijd. Ge moogt een lammetje niet koken in de melk van zijn moeder. DEUT 14:22 Ieder jaar moet gij van de graanoogst die van uw land komt, het tiende deel afdragen. DEUT 14:23 Bij Jahwe uw God, op de plaats die Hij uitkiest om er zijn naam te vestigen, moet gij de tiende eten van uw koren, most en olie en de eerstgeborenen van uw runderen en uw schapen. Daardoor zult gij leren altijd ontzag te hebben voor Jahwe uw God. DEUT 14:24 En wanneer de afstand te groot is, wanneer gij dat alles niet mee kunt nemen, omdat de plaats die Jahwe uw God uitkiest om er zijn naam te vestigen, te ver weg ligt en omdat Hij u zo overvloedig heeft gezegend, DEUT 14:25 dan moet gij alles te gelde maken en u met het geld naar de plaats begeven die Jahwe uw God uitkiest. DEUT 14:26 Voor dat geld kunt gij dan kopen wat ge wilt: runderen, schapen, wijn of sterke drank of wat ge ook verlangt. Daarvan kunt ge dan eten voor Jahwe uw God en samen met uw familie feest vieren. DEUT 14:27 Verwaarloos echter de levieten binnen uw poorten niet, want zij hebben geen stuk grond, geen eigendom zoals gij. DEUT 14:28 Om de drie jaar moet gij het tiende deel van de oogst van dat jaar naar de stadspoort brengen en daar neerleggen. DEUT 14:29 Dan kunnen de levieten, die geen stuk grond en geen eigendom bezitten zoals gij, de vreemdelingen, de wezen en de weduwen daarvan eten en zich verzadigen. Jahwe uw God zal u daarvoor zegenen bij al uw ondernemingen. DEUT 15:1 Om de zeven jaar moet gij een kwijtschelding houden. DEUT 15:2 Bij deze kwijtschelding gaat het als volgt: Ieder die iets aan zijn naaste heeft geleend, moet hem die schuld kwijtschelden. Hij mag zijn naaste of broeder niet tot betaling dwingen, omdat er een kwijtschelding ter ere van Jahwe is uitgeroepen. DEUT 15:3 Een buitenlander moogt ge tot betaling dwingen, maar wat uw broeder voor u heeft, moet ge hem kwijtschelden. DEUT 15:4 Er zullen bij u trouwens geen armen zijn, want Jahwe uw God zal u overvloedig zegenen in het land dat Hij u in eigendom geeft, DEUT 15:5 als ge tenminste gehoor geeft aan wat Jahwe uw God zegt, en al de geboden nauwgezet volbrengt die ik u heden opleg. DEUT 15:6 De zegen van Jahwe uw God zal o u rusten, zoals Hij beloofd heeft. Gij zult aan veel volken leningen verstrekken, maar zelf niets behoeven te lenen. Gij zult over veel volken heersen, maar zij zullen niet heersen over u. DEUT 15:7 Is in een of andere stad van het land, dat Jahwe uw God u schenkt, een van uw broeders tot armoede vervallen, dan moet ge niet hard zijn voor uw arme broeder en uw beurs niet voor hem dichthouden. DEUT 15:8 Ge moet die integendeel wijd opendoen en hem alles lenen wat hij tekort komt. DEUT 15:9 En laat bij u niet de lage gedachte opkomen, dat het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, nabij is, zodat ge geen medelijden toont met uw arme broeder en hem niets leent. Want beroept hij zich tegen u op Jahwe, dan wordt gij schuldig bevonden. DEUT 15:10 Geef met milde hand en met een blij gemoed. Als gij dat doet, zal op al het werk dat gij onderneemt de zegen rusten van Jahwe uw God. DEUT 15:11 Armen zullen er altijd blijven in het land; juist daarom gebied ik u: doe uw beurs wijd open voor uw behoeftige en arme landgenoot. DEUT 15:12 Wanneer uw broeder, een Hebreeuwse man of vrouw, zich als slaaf aan u verkoopt, moet hij u zes jaar dienen, maar het zevende jaar moet ge hem vrij laten heengaan. DEUT 15:13 En bij de vrijlating moogt gij hem niet met lege handen laten heengaan. DEUT 15:14 Ge moet hem geschenken meegeven van uw schapen, uw dorsvloer en uw perskuip, naargelang Jahwe uw God u heeft gezegend. DEUT 15:15 Bedenk dat gij zelf slaaf zijt geweest in Egypte en dat Jahwe uw God u verlost heeft. Daarom geef ik u vandaag dit gebod. DEUT 15:16 Zegt hij echter: `Ik wil bij u niet weg,' omdat hij van u en van uw familie is gaan houden en omdat hij het goed bij u had, DEUT 15:17 dan moet gij zijn oor met een priem aan de deur steken en zal hij voor altijd uw slaaf zijn. Voor uw slavin geldt hetzelfde. DEUT 15:18 Het mag u niet hard vallen hem vrij te laten: zes jaar heeft hij het dubbele loon van een dagloner voor u verdiend en de zegen van Jahwe uw God zal daardoor rusten op alles wat gij doet. DEUT 15:19 Iedere mannelijke eerstgeborene van uw runderen en uw schapen moet gij toewijden aan Jahwe uw God. Gij moogt met het eerstgeborene van uw runderen geen arbeid verrichten en het eerstgeborene van uw schapen niet scheren. DEUT 15:20 Gij moet deze dieren ieder jaar met uw familie eten bij Jahwe, op de plaats die Hij uitkiest. DEUT 15:21 Als een dier een ernstig gebrek heeft, als het kreupel of blind is of iets van dien aard, moogt gij het niet als slachtoffer aan Jahwe uw God opdragen. DEUT 15:22 Dan kunt gij er thuis van eten, of gij rein zijt of niet, net als bij een hert of een gazel. Alleen het bloed moogt ge niet eten; dat moet gij als water weg laten lopen. DEUT 16:1 Zorg dat ge in de maand Abib pasen viert voor Jahwe uw God, want in de maand Abib heeft Hij u in de nacht uit Egypte geleid. DEUT 16:2 Het paasoffer voor Jahwe uw God, een schaap of een rund, moet gij slachten op de plaats die Jahwe uitkiest om er zijn naam te vestigen. DEUT 16:3 Daarbij moogt ge geen gezuurd brood eten: zeven dagen moet ge ongezuurd brood eten, het brood der verdrukking, want ge zijt in grote haast uit Egypte getrokken. Zo zult ge de dag van het vertrek uit Egypte heel uw leven blijven gedenken. DEUT 16:4 Zeven dagen lang mag er in heel uw gebied geen zuurdeeg te vinden zijn. Van het vlees dat ge op de avond van de eerste dag slacht, moogt ge niets bewaren tot de volgende morgen. DEUT 16:5 Gij moogt het paasoffer niet slachten in de woonplaats die Jahwe uw God u schenkt, DEUT 16:6 maar alleen op de plaats die Hij uitkiest om er zijn naam te vestigen. Gij moet het slachten in de avond, bij het ondergaan van de zon, het tijdstip van uw vertrek uit Egypte. DEUT 16:7 Gij moet het koken en nuttigen op de plaats die Jahwe uw God uitkiest, en de volgende morgen kunt ge weer naar huis gaan. DEUT 16:8 Zes dagen moet ge ongezuurd brood eten. De zevende dag is het slotfeest ter ere van Jahwe uw God; dan moogt ge niet werken. DEUT 16:9 Als ge de eerste sikkel in het koren hebt geslagen, moet ge zeven weken aftellen DEUT 16:10 en dan het wekenfeest vieren ter ere van Jahwe uw God, met vrijwillige gaven, al naar Hij u gezegend heeft. DEUT 16:11 Op de plaats die Jahwe uw God uitkiest om er zijn naam te vestigen, moet gij feest vieren met uw zonen en dochters, met uw slaven en slavinnen, met de levieten binnen uw poorten, met de vreemdelingen, de weduwen en de wezen, die bij u wonen. DEUT 16:12 Gij moet bedenken, dat gij zelf slaaf zijt geweest in Egypte, en deze voorschriften nauwgezet volbrengen. DEUT 16:13 Als gij de opbrengst van uw dorsvloer en uw perskuip binnen hebt, moet gij zeven dagen lang het loofhuttenfeest vieren. DEUT 16:14 Gij moet dan feestvieren met uw zonen en dochters, met uw slaven en slavinnen, met de levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen binnen uw poorten. DEUT 16:15 Zeven dagen moet ge feest vieren voor Jahwe uw God, op de plaats die Hij uitkiest. Jahwe uw God zal uw oogst en uw werk zo zegenen, dat ge volop feest kunt vieren. DEUT 16:16 Driemaal per jaar moeten al uw mannen voor Jahwe uw God verschijnen, op de plaats die Hij uitkiest: op het feest van de ongezuurde broden, op het wekenfeest en op het loofhuttenfeest. Niemand mag met lege handen voor Jahwe verschijnen; DEUT 16:17 ieder moet naar vermogen geschenken meebrengen, al naar Jahwe uw God hem gezegend heeft. DEUT 16:18 In al de steden die Jahwe uw God u schenkt, moet gij voor uw stammen rechters en schrijvers aanstellen om het volk een eerlijke rechtspraak te verzekeren. DEUT 16:19 Gij moogt het recht niet verdraaien, niemand naar de ogen zien en geen steekpenningen aannemen, want steekpenningen verblinden de ogen van wijzen en geven de zaak van rechtvaardigen geen kans. DEUT 16:20 Alleen wat recht is, moet gij nastreven; dan zult gij leven en het land bezitten dat Jahwe uw God u schenkt. DEUT 16:21 Als gij een altaar bouwt voor Jahwe uw God, moogt gij daarnaast geen stuk hout plaatsen als heilige paal. DEUT 16:22 Gij moogt geen wijsteen oprichten, want Jahwe uw God heeft daar een afkeer van. DEUT 17:1 Gij moogt Jahwe uw God geen rund of schaap offeren, dat een gebrek heeft, want daarvan heeft Hij een afschuw. DEUT 17:2 Wanneer in uw midden, in een van de steden die Jahwe uw God u schenkt, iemand is, man of vrouw, die doet wat Jahwe uw God mishaagt, zijn verbond overtreedt, DEUT 17:3 andere goden gaat vereren en zich neerbuigt voor de zon, de maan of een ander hemellichaam, DEUT 17:4 en het wordt u gemeld of het komt u ter ore: dan moet gij een nauwkeurig onderzoek instellen. Blijkt het waar te zijn en staat het inderdaad vast, dat een dergelijke gruweldaad in Israël bedreven is, DEUT 17:5 dan moet gij de man of vrouw die deze misdaad heeft begaan, buiten de stadspoort brengen en doodstenigen. DEUT 17:6 De doodstraf mag slechts worden voltrokken op de verklaring van twee of drie getuigen, niet op de verklaring van een. DEUT 17:7 Eerst moeten de getuigen de hand tegen de ter dood veroordeelde opheffen, daarna de overige mensen. Zo zult gij dit kwaad uit uw midden uitroeien. DEUT 17:8 Wanneer het u te moeilijk valt in uw eigen stadspoort een uitspraak te doen inzake moord, rechtsvordering, geweldpleging of in enig ander rechtsgeding, dan moet gij u naar de plaats begeven, die Jahwe uw God uitkiest, DEUT 17:9 om de levitische priesters en de rechter, die o dat ogenblik het ambt bekleedt, te raadplegen. Zij zullen uitspraak voor u doen. DEUT 17:10 Overeenkomstig de uitspraak die zij doen op de plaats die Jahwe uitkiest, moet gij handelen: ge moet u nauwgezet houden aan de beslissing die zij nemen. DEUT 17:11 Volgens de beslissing die zij nemen en de uitspraak die zij doen, moet gij handelen; van hetgeen zij vaststellen, moogt gij niet afwijken, naar rechts noch naar links. DEUT 17:12 Waagt iemand het niet te gehoorzamen aan de priester die daar voor Jahwe uw God dienst doet, of aan de rechter, dan moet die man sterven. Zo zult gij dit kwaad uit Israël uitroeien. DEUT 17:13 Als de mensen dit vernemen, zullen zij met vrees vervuld worden en het niet meer wagen zoiets te doen. DEUT 17:14 Wanneer gij het land zijt binnengegaan dat Jahwe uw God u schenkt, het in bezit hebt genomen en er gevestigd zijt, en wanneer gij dan zegt: `Ik wil een koning hebben, zoals de volken in mijn omgeving,' DEUT 17:15 dan moet gij iemand nemen die Jahwe uw God uitkiest; een volksgenoot moet gij als koning over u aanstellen, geen vreemdeling of iemand die niet tot uw volk behoort. DEUT 17:16 Hij mag er niet veel paarden op n houden en het volk niet terug laten gaan naar Egypte om nog meer paarden te krijgen; want Jahwe uw God heeft u gezegd: `Die weg moogt gij nooit meer opgaan.' DEUT 17:17 Hij mag er niet veel vrouwen op nahouden, anders gaat hij de verkeerde weg op. Evenmin mag hij veel zilver en goud vergaren. DEUT 17:18 Zodra hij bezit heeft genomen van de troon, moet hij voor zichzelf op een boekrol een afschrift laten maken van deze wet, die bij de levitische priesters berust. DEUT 17:19 Hij moet die rol bij zich houden en er alle dagen van zijn leven in lezen, zodat hij ontzag leert hebben voor Jahwe zijn God en alle bepalingen van deze wet en alle voorschriften stipt onderhoudt. DEUT 17:20 Dan zal hij zich niet verheven achten boven zijn broeders en zal hij naar rechts noch links van de geboden afwijken; en dan zullen hijzelf en zijn zonen lange tijd koning blijven in Israël. DEUT 18:1 De levitische priesters, alle leden van de stam Levi, zullen geen bezit en eigendom mogen hebben zoals de overige Israëlieten: zij moeten leven van de gaven die men aan Jahwe offert en van diens bezit. DEUT 18:2 Levi zal geen grond bezitten zoals zijn broeders: Jahwe zal zijn bezit zijn, zoals Hij hem beloofd heeft. DEUT 18:3 Van de gaven van het volk komt de priester rechtens het volgende toe: van een rund of een schaap dat men als slachtoffer opdraagt moeten het schouderstuk, de beide kaken en de maag aan de priester gegeven worden. DEUT 18:4 Ook de eerstelingen van uw koren, most en olie, en de eerste wol van uw schapen moet gij hem geven. DEUT 18:5 Want Jahwe uw God heeft hem en zijn zonen uit al uw stammen uitverkoren om voor altijd de dienst voor Jahwe's naam te verrichten. DEUT 18:6 En wanneer een leviet uit een van de Israëlitische steden waar hij als gast verbleef, naar de plaats wenst te komen die Jahwe uitkiest, DEUT 18:7 dan mag hij de dienst van de naam van Jahwe zijn God verrichten, evengoed als zijn medelevieten die daar voor Jahwe staan. DEUT 18:8 Hij zal evenveel van de spijzen krijgen als zij, wat zijn familiebezit ook moge opbrengen. DEUT 18:9 Wanneer gij het land zijt binnengegaan dat Jahwe uw God u schenkt, moet ge niet gaan meedoen aan de gruweldaden van die volken. DEUT 18:10 Het mag bij u niet voorkomen, dat iemand zijn zoon of zijn dochter door het vuur laat gaan, zich afgeeft met waarzeggerij, met geestenbezwering, mantiek of toverij, DEUT 18:11 zich met bezweringen inlaat, geesten en orakels ondervraagt of de doden oproept. DEUT 18:12 Want van iedereen die dergelijke dingen doet heeft Jahwe uw God een afschuw; en om dergelijke gruweldaden drijft Hij die volken voor u weg. DEUT 18:13 Gij moet Jahwe uw God onvoorwaardelijk trouw zijn. DEUT 18:14 De volken die gij verdrijft mogen naar geestenbezweerders en waarzeggers geluisterd hebben, aan u staat Jahwe dat niet toe. DEUT 18:15 Uit uw eigen broeders zal Jahwe uw God een profeet doen opstaan zoals ik dat ben, naar wie gij moet luisteren. DEUT 18:16 Gij hebt dat immers bij de Horeb, op de dag van de samenkomst, aan Jahwe uw God gevraagd. Toen hebt gij gezegd: `Laat mij de stem van Jahwe mijn God niet meer horen, en dat grote vuur niet meer zien, anders sterf ik.' DEUT 18:17 Jahwe heeft mij toen gezegd: `Zij hebben gelijk. DEUT 18:18 Ik zal uit hun eigen broeders een profeet doen opstaan zoals gij dat zijt. Ik zal hem mijn woorden in de mond leggen en hij zal hun alles zeggen wat Ik hem opdraag. DEUT 18:19 En van degene die geen gehoor geeft aan de woorden die hij in mijn naam spreekt, zal Ikzelf rekenschap vragen. DEUT 18:20 Is er een profeet die zich vermeet in mijn naam te spreken zonder dat Ik hem opdracht heb gegeven, of die spreekt in de naam van andere goden, dan moet hij sterven, die profeet. DEUT 18:21 Misschien denkt ge bij uzelf: `Hoe kunnen wij weten dat een woord niet van Jahwe afkomstig is?' DEUT 18:22 Wel, als een profeet beweert in de naam van Jahwe te spreken, maar wat hij gezegd heeft gebeurt niet en komt niet uit, dan is dat woord geen woord van Jahwe, maar van die onbeschaamde profeet. Voor zo iemand moet gij geen ontzag hebben. DEUT 19:1 Wanneer Jahwe uw God de volken van het land, dat Hij u schenkt, heeft uitgeroeid, wanneer gij hen verdreven hebt en in hun steden en hun huizen woont, DEUT 19:2 dan moet gij drie steden aanwijzen in het land dat Jahwe uw God u in bezit geeft. DEUT 19:3 Ge moet de afstand opmeten en het grondgebied van het land, dat Jahwe uw God u in eigendom geeft, in drieën verdelen. Dan kan iedereen die doodslag heeft begaan, daarheen de wijk nemen. DEUT 19:4 Door daarheen de wijk te nemen kan iemand die doodslag heeft begaan, zijn leven redden, als hij tenminste zijn naaste zonder opzet heeft neergeslagen en hem tevoren geen haat heeft toegedragen. DEUT 19:5 Als hij bijvoorbeeld met zijn naaste het bos is ingegaan om hout te hakken, met zijn bijl zwaait om een boom te vellen, en het ijzer schiet van de steel, zodat het zijn naaste dodelijk treft, dan kan hij zijn leven redden door naar een van die steden de wijk te nemen. DEUT 19:6 Anders zou de bloedwreker hem in toorn achtervolgen, hem vanwege de grote afstand kunnen inhalen en hem neerslaan, ofschoon hij onschuldig is hij droeg het slachtoffer immers tevoren geen haat toe. DEUT 19:7 Daarom gebied ik u drie steden aan te wijzen. 8 En als Jahwe uw grondgebied groter maakt, zoals Hij uw vaderen gezworen heeft, en u het hele land schenkt dat Hij hun heeft beloofd. DEUT 19:9 - gij dient dan natuurlijk al de geboden die ik u heden opleg, stipt te volbrengen en Jahwe uw God te beminnen en altijd zijn wegen te gaan - dan moet gij nog drie andere steden aanwijzen. DEUT 19:10 Zo zal er in het land dat Jahwe uw God u in eigendom geeft, geen onschuldig bloed vergoten worden, dat op uw hoofd zou neerkomen. DEUT 19:11 Wanneer iemand echter zijn naaste haat, hem heimelijk opwacht, aanvalt en doodslaat en daarop de wijk neemt naar een van die steden, DEUT 19:12 dan moeten de oudsten van zijn woonplaats hem terughalen en aan de bloedwreker uitleveren, zodat hij niet aan de dood ontsnapt. DEUT 19:13 Gij moogt geen medelijden hebben met zo iemand; degene die onschuldig bloed vergiet, moet uit Israël verwijderd worden. Dan zal het u goed gaan. DEUT 19:14 Op het grondgebied dat gij krijgt, als Jahwe uw God u het land in bezit heeft gegeven, moogt ge bij uw buurman de grensstenen, door de voorouders opgericht, niet verleggen. DEUT 19:15 Bij geen enkel vergrijp of misdrijf is het voldoende, als een persoon tegen de dader getuigt; alleen een verklaring van twee of drie getuigen is rechtsgeldig. DEUT 19:16 Wanneer een valse getuige iemand van een misdrijf beschuldigt, DEUT 19:17 moeten de twee partijen voor Jahwe verschijnen, bij de priesters en de rechters die op dat ogenblik het ambt bekleden. DEUT 19:18 Blijkt na een zorgvuldig onderzoek door de rechters, dat de getuige inderdaad onbetrouwbaar is en een valse aanklacht tegen zijn broeder heeft ingediend, DEUT 19:19 dan moet gij hem aandoen wat hij zijn broeder dacht aan te doen. Zo zult gij dit kwaad uit uw midden uitroeien. DEUT 19:20 Als de mensen dit vernemen, zullen zij met vrees vervuld worden en nooit een dergelijk kwaad meer bedrijven. DEUT 19:21 Gij moet met niemand medelijden hebben: het is een leven voor een leven, een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet. DEUT 20:1 Als gij tegen uw vijanden ten strijde trekt en ziet, dat zij veel meer paarden, wagens en soldaten hebben dan gij, dan moet gij toch niet bang voor hen zijn, want Jahwe uw God is met u. Hij, die u uit Egypte heeft geleid. DEUT 20:2 Voor gij de strijd begint, moet een priester naar voren treden en de soldaten toespreken. DEUT 20:3 Hij moet tegen hen zeggen: `Luister, Israël! Aanstonds begint gij de strijd tegen uw vijanden. Laat u niet ontmoedigen, wees niet bang, sla niet uit angst op de vlucht en heb geen schrik voor hen. DEUT 20:4 Want Jahwe uw God trekt met u mee, om voor u tegen uw vijanden te strijden en u te redden.' DEUT 20:5 Dan moeten de schrijvers aan de soldaten vragen: `Is er iemand die een nieuw huis heeft gebouwd, maar er nog niet ingetrokken is? Laat hem naar huis gaan, want als hij in de strijd sneuvelt, zou een ander in zijn huis trekken. DEUT 20:6 Is er iemand die een wijngaard heeft geplant, maar er nog niet van geplukt heeft? Laat hem naar huis gaan, want als hij in de strijd sneuvelt, zou een ander er de eerste vruchten van plukken. DEUT 20:7 Is er iemand die zich met een vrouw heeft verloofd, maar nog niet met haar getrouwd is? Laat hem naar huis gaan, want als hij in de strijd sneuvelt, zou een ander met haar trouwen.' 8 Bovendien moeten de schrijvers de soldaten vragen: `Is er iemand die bang is of zonder moed? Laat hem naar huis gaan, want hij zou ook zijn broeders kunnen ontmoedigen.' DEUT 20:9 Als de schrijvers deze vragen gesteld hebben, moeten zij over de soldaten aanvoerders aanstellen. DEUT 20:10 Wanneer gij op het punt staat een stad aan te vallen, moet ge haar eerst voorstellen zich over te geven. DEUT 20:11 Gaat de stad op uw voorstel in en opent zij haar poorten voor u, dan moeten alle inwoners herendienst verrichten en u dienstbaar zijn. DEUT 20:12 Geeft de stad zich niet over en gaat zij de strijd met u aan, zodat gij het beleg begint, DEUT 20:13 en Jahwe uw God levert ze aan u uit, dan moet gij de hele mannelijke bevolking uitmoorden. DEUT 20:14 Alles wat Jahwe uw God u in de stad buit laat maken, de vrouwen en kinderen, het vee en alle goederen, kunt ge houden en voor uzelf gebruiken. DEUT 20:15 Het voorgaande geldt voor de steden die zeer ver verwijderd liggen en niet behoren tot de steden van de volken hier. DEUT 20:16 Maar in de steden van deze volken die Jahwe uw God u in eigendom geeft, moogt gij niemand in leven laten. DEUT 20:17 Gij moet Hethieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten met de ban slaan, zoals Jahwe uw God u bevolen heeft. DEUT 20:18 Anders brengen zij u er toe, mee te doen met al de gruwelen die zij voor hun goden hebben bedreven en te zondigen tegen Jahwe uw God. DEUT 20:19 Wanneer ge een stad lange tijd moet belegeren, voor ge ze kunt innemen, dan moet ge de bomen om die stad niet vernielen door er de bijl in te slaan. Ge moogt er wel van eten, maar ze niet omhakken. De bomen buiten de stad zijn toch geen mensen, dat gij ze in het beleg zoudt betrekken? DEUT 20:20 Alleen de bomen waarvan men naar uw beste weten niet eet, moogt ge vernielen; die kunt ge omhakken om er belegeringswerktuigen van te maken, tot de stad, die met u in oorlog is, bezwijkt. DEUT 21:1 Wanneer men op de grond die Jahwe uw God u in bezit geeft, in het open veld iemand vindt liggen die vermoord is, zonder dat men weet wie hem heeft neergeslagen, DEUT 21:2 dan moeten uw oudsten en rechters er heengaan en opmeten, hoever de vermoorde van de steden in de omtrek verwijderd ligt. DEUT 21:3 Van de stad waar de vermoorde het dichtst bij ligt, moeten de oudsten een jonge koe, waar nog niet mee gewerkt is en die nog in geen juk gespannen is, DEUT 21:4 naar een dal brengen waar altijd water staat en waar men dus niet ploegt of zaait, en daar de koe de nek breken. DEUT 21:5 Dan moeten de levitische priesters naar voren treden, want Jahwe uw God heeft hen uitverkoren om in zijn dienst te staan en met zijn naam te zegenen. Bij hen berust de beslissing in ieder geschil over geweldpleging. DEUT 21:6 Van de stad waar de vermoorde het dichtst bij ligt, moeten de oudsten boven de jonge koe, die men in het dal de nek gebroken heeft, hun handen wassen DEUT 21:7 en verklaren: `Onze handen hebben dit bloed niet vergoten, onze ogen hebben het niet gezien. 8 Jahwe, reken dit uw volk Israël, dat gij verlost hebt, niet aan en laat geen bloed van een onschuldige op uw volk neerkomen.' Dan zijn zij vrij van bloedschuld. DEUT 21:9 Gij moet dus alle schuld om dit vergoten bloed uit uw midden verwijderen; gij moet handelen volgens Jahwe's wil. DEUT 21:10 Wanneer gij ten strijde trekt tegen uw vijanden, Jahwe ze aan u uitlevert en gij krijgsgevangenen maakt, DEUT 21:11 en wanneer ge dan bij de gevangenen een mooie vrouw ziet en verliefd op haar wordt, dan moogt ge met haar trouwen. DEUT 21:12 Als ge haar binnenbrengt in uw huis, moet zij haar hoofdhaar scheren, haar nagels knippen DEUT 21:13 en het kleed afleggen, dat ze als gevangene droeg. Zij moet een volle maand de gelegenheid hebben om haar vader en haar moeder te bewenen. Dan pas moogt ge tot haar gaan en haar bezit ten, zodat zij uw vrouw wordt. DEUT 21:14 Mocht zij u niet meer bevallen, dan moet ge haar laten gaan waarheen zij wil. Gij moogt haar in geen geval verkopen of als slavin behandelen, want gij hebt omgang met haar gehad. DEUT 21:15 Wanneer een man die twee vrouwen heeft van de een meer houdt en van de ander minder, en wanneer zij hem beiden een zoon geschonken hebben en de eerstgeborene een zoon is van de minder geliefde vrouw, DEUT 21:16 dan mag die man, als hij zijn bezittingen aan zijn zonen vermaakt, de zoon van zijn geliefde vrouw niet als eerstgeborene behandelen, ten koste van de zoon van de minder geliefde vrouw, die rechtens de eerstgeborene is. DEUT 21:17 Hij moet de zoon van de minder geliefde vrouw als eerstgeborene erkennen en hem dubbel deel geven van al wat hij bezit, want die zoon is de eersteling van zijn mannelijke kracht; hem behoort het eerstgeboorterecht. DEUT 21:18 Wanneer iemand een opstandige en weerspannige zoon heeft, die weigert naar zijn ouders te luisteren en hun ondanks alle straffen niet gehoorzaamt, DEUT 21:19 moeten zijn ouders hem vastgrijpen, hem naar de poort bij de oudsten van de stad brengen DEUT 21:20 en tot hen zeggen: `Onze zoon is opstandig en weerspannig, hij luistert niet naar ons; het is een losbol en een dronkaard.' DEUT 21:21 Dan moeten zijn medeburgers hem doodstenigen. Zo zult gij dit kwaad bij u uitroeien. Als de Israëlieten dit vernemen, zullen zij allen met vrees vervuld worden. DEUT 21:22 Wanneer iemand zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf, waarop de doodstraf staat, moet gij hem na de voltrekking van het doodvonnis aan een paal hangen. DEUT 21:23 Maar 's nachts moogt ge zijn lijk niet aan die paal laten hangen; ge moet het diezelfde dag begraven. Want een gehangene is door God vervloekt, en ge moogt de grond die Jahwe uw God u in eigendom geeft, niet verontreinigen. DEUT 22:1 Wanneer ge een rund of een schaap tegenkomt, dat bij uw broeder is weggelopen, moogt ge niet toezien zonder een hand uit te steken. Het is uw plicht het dier terug te brengen. DEUT 22:2 Als uw broeder niet bij u in de buurt woont of als ge hem niet kent, moet ge het dier mee naar huis nemen en bij u houden, tot uw broeder het komt zoek en. Dan moet ge het hem teruggeven. DEUT 22:3 Hetzelfde geldt voor zijn ezel, voor zijn kleed, in een woord, voor alles wat uw broeder verliest en door u gevonden wordt. Het mag u in geen geval onverschillig laten. DEUT 22:4 Ook als een ezel of een os van uw broeder ten val komt, moogt ge niet toezien zonder een hand uit te steken. Ge moet hem helpen het dier weer op de been te brengen. DEUT 22:5 Een vrouw mag geen mannekleren dragen en een man geen vrouwekleren. Van iedereen die zoiets doet, heeft Jahwe uw God een afschuw. DEUT 22:6 Wanneer gij onderweg in een boom of op de grond een vogelnestje vindt met jongen of met eitjes en het wijfje zit erop, dan moogt ge het wijfje niet meenemen en de jongen achterlaten. DEUT 22:7 Het wijfje moet ge weg laten vliegen, de jongen moogt ge meenemen. Dan zult ge gelukkig zijn en lang blijven leven. 8 Als ge een nieuw huis bouwt, moet ge om het dak een muurtje maken; dan komt er geen bloedschuld over uw huis, als iemand eraf valt. DEUT 22:9 Ge moogt in uw wijngaard geen ander gewas zaaien. Anders vervalt de hele oogst aan het heiligdom, zowel hetgeen gij gezaaid hebt als de opbrengst van uw wijngaard. DEUT 22:10 Ge moogt een os en een ezel niet samen voor de ploeg spannen. DEUT 22:11 Ge moogt geen kleren dragen die tegelijk uit wol en linnen geweven zijn. DEUT 22:12 Aan de vier uiteinden van het kleed dat ge draagt moet ge kwasten maken. DEUT 22:13 Wanneer een man een vrouw huwt en nadat hij omgang met haar gehad heeft, niet meer op haar gesteld is, DEUT 22:14 en wanneer hij haar beschuldigt en in opspraak brengt door te zeggen: `Ik heb deze vrouw gehuwd, maar toen ik tot haar naderde, ontdekte ik dat zij geen maagd meer was,' DEUT 22:15 dan moeten de ouders van het meisje het bewijs van haar maagdelijkheid bij de oudsten in de stadspoort brengen. DEUT 22:16 De vader van het meisje moet tot de oudsten zeggen: `Aan deze man heb ik mijn dochter ten huwelijk gegeven, maar zij bevalt hem niet, DEUT 22:17 en nu beschuldigt hij haar en beweert: Ik heb ontdekt dat uw dochter geen maagd meer was. Welnu dan, hier is het bewijs van haar maagdelijkheid.' Daarbij spreiden zij het kleed voor de oudsten van de stad uit. DEUT 22:18 Dan moeten de oudsten van die stad de man tuchtigen DEUT 22:19 en hem een geldboete van honderd zilverstukken opleggen, die zij aan de vader van het meisje ter hand stellen; want hij heeft een Israëlitische maagd in opspraak gebracht. Zij blijft zijn vrouw; zijn leven lang heeft hij niet meer het recht haar te verstoten. DEUT 22:20 Blijkt de beschuldiging waar te zijn en stelt men vast, dat het meisje inderdaad geen maagd was, DEUT 22:21 dan moet men haar naar de deur van haar ouderlijk huis brengen. En de burgers van de stad moeten haar doodstenigen; want zij heeft een schanddaad in Israël begaan door ontucht te plegen, terwijl ze nog in haar ouderlijk huis woonde. Zo zult gij dit kwaad bij u uitroeien. DEUT 22:22 Wanneer een man op heterdaad betrapt wordt, terwijl hij gemeenschap heeft met een getrouwde vrouw, moeten beiden sterven, de man die gemeenschap had met die vrouw, en ook de vrouw. Zo zult gij dit kwaad uit Israël uitroeien. DEUT 22:23 Wanneer een man in de stad een maagdelijk meisje ontmoet, dat verloofd is, en gemeenschap met haar heeft, DEUT 22:24 moet gij beiden naar de stadspoort brengen en doodstenigen: het meisje, omdat ze niet om hulp heeft geroepen, hoewel ze in de stad was, en de man, omdat hij de vrouw van zijn naaste verkracht heeft. Zo zult gij dit kwaad bij u uitroeien. DEUT 22:25 Ontmoet de man het verloofde meisje echter buiten de stad, overweldigt hij haar en heeft hij gemeenschap met haar, dan moet alleen de man sterven. DEUT 22:26 Het meisje moet ge ongemoeid laten; zij heeft geen schuld waar de dood op staat. Dit geval staat gelijk met dat van iemand die een ander overvalt en vermoordt. DEUT 22:27 De man heeft haar immers buiten de stad ontmoet. Ook al zou het meisje om hulp geroepen hebben, niemand had haar kunnen helpen. DEUT 22:28 Wanneer een man een maagdelijk meisje ontmoet dat nog niet verloofd is, haar vastgrijpt en gemeenschap met haar heeft, en wanneer zij op heterdaad betrapt worden, DEUT 22:29 moet de man die gemeenschap met dat meisje heeft gehad aan haar vader vijftig zilverstukken betalen. Hij moet haar huwen, omdat hij haar verkracht heeft; zijn leven lang heeft hij niet meer het recht haar te verstoten. DEUT 23:1 Een man mag niet trouwen met een vrouw van zijn vader; hij mag het dek van zijn vader niet opslaan. DEUT 23:2 Iemand die door kneuzing is ontmand of wiens lid is afgesneden, heeft geen toegang tot de gemeente van Jahwe. DEUT 23:3 Een bastaard heeft geen toegang tot de gemeente van Jahwe; zelfs zijn nakomelingen tot in het tiende geslacht hebben er geen toegang. DEUT 23:4 Ammonieten en Moabieten hebben geen toegang tot de gemeente van Jahwe; zelfs hun nakomelingen tot het tiende geslacht hebben er geen toegang, nu niet en nooit niet. DEUT 23:5 Want toen gij uit Egypte zijt getrokken, zijn zij onderweg niet met eten en drinken naar u toegekomen, en zij hebben Bileam, zoon van Beor, uit Petor in Aram-naharaim gehuurd om u te vervloeken. DEUT 23:6 Maar Jahwe uw God heeft niet naar Bileam willen luisteren en de vloek tot een zegen gemaakt, omdat Hij u liefhad. DEUT 23:7 Zolang ge leeft, moogt ge geen vriendschap of vrede met hen zoeken. 8 Edomieten moogt ge niet verafschuwen, want zij zijn uw broeders. Egyptenaren moogt ge niet verafschuwen, want gij zijt vreemdelingen geweest in hun land. DEUT 23:9 Hun nakomelingen hebben in het derde geslacht toegang tot de gemeente van Jahwe. DEUT 23:10 Wanneer gij tegen uw vijanden optrekt en een kamp opslaat, moet ge u hoeden voor alles wat onbehoorlijk is. DEUT 23:11 Ieder van u, die tengevolge van een nachtelijk gebeuren onrein is, moet het kamp verlaten en buiten blijven. DEUT 23:12 Bij het vallen van de avond moet hij zich wassen en na zonsondergang mag hij het kamp weer betreden. DEUT 23:13 Buiten het kamp moet er een gelegenheid zijn, waar ge heen kunt gaan. DEUT 23:14 Bij uw uitrusting moet ge een schop hebben, en als ge buiten het kamp uw behoefte doet, moet ge daarmee een kuiltje graven en uw uitwerpselen bedekken. DEUT 23:15 Want Jahwe uw God gaat rond door uw kamp om u te beschermen en uw vijanden aan u uit te leveren. Uw kamp moet dus heilig zijn. Jahwe mag niets onbehoorlijks bij u opmerken; anders zou Hij zich van u afwenden. DEUT 23:16 Een slaaf die bij zijn heer is weggelopen en bij u komt moogt ge niet aan zijn heer uitleveren. DEUT 23:17 Hij mag in uw land blijven wonen, in de stad waaraan hij de voorkeur geeft. Ge moogt hem niet hard behandelen. DEUT 23:18 Een Israëlitische man of vrouw mag zich niet lenen voor godsdienstige ontucht. DEUT 23:19 Bij het inlossen van uw geloften moogt ge geen hoerengeld of hondenloon in de tempel van Jahwe uw God brengen. Want van beiden heeft Hij een afschuw. DEUT 23:20 Ge moogt van uw broeder geen rente eisen, niet van geld, niet van levensmiddelen of van iets anders dat hij leent. DEUT 23:21 Ge moogt wel rente vragen van een buitenlander, maar niet van uw broeder. Dan zal Jahwe uw God u zegenen bij al uw ondernemingen, in het land dat gij in bezit gaat nemen. DEUT 23:22 Wanneer ge een gelofte doet aan Jahwe uw God, moogt ge de inlossing daarvan niet uitstellen, want hij eist die toch van u op en dan rust er schuld op u. DEUT 23:23 Als ge geen geloften aflegt, rust er geen schuld op u; maar als ge eenmaaliets beloofd hebt, moet ge die belofte ook nakomen en volbrengen, DEUT 23:24 want ge hebt die gelofte aan Jahwe uw God gedaan uit vrije wil en met eigen mond. DEUT 23:25 Wanneer ge door een wijngaard van uw naaste komt, moogt ge druiven eten zoveel ge wilt, maar er geen meenemen. DEUT 23:26 Wanneer ge door een korenveld van uw naaste komt, moogt ge wel met de hand aren plukken, maar niet de sikkel slaan in het te velde staand gewas. DEUT 24:1 Wanneer iemand die een vrouw gehuwd heeft, niet meer van haar houdt, omdat hij iets onbehoorlijks bij haar heeft ontdekt, een scheidingsbrief voor haar schrijft, haar die ter hand stelt en haar zijn huis uitstuurt, DEUT 24:2 en als die vrouw, nadat zij zijn huis verlaten heeft, met een ander is gehuwd, DEUT 24:3 en ook die tweede man houdt niet meer van haar, schrijft voor haar een scheidingsbrief, stelt haar die ter hand en stuurt haar zijn huis uit, of de tweede man met wie zij gehuwd is, komt te sterven, DEUT 24:4 dan kan de eerste man die haar verstoten heeft, niet opnieuw met haar trouwen, aangezien zij onrein is geworden. Daar heeft Jahwe een afschuw van en gij moogt geen zonde brengen over het land dat Jahwe uw God u schenkt. DEUT 24:5 Iemand die pas getrouwd is, hoeft niet in het leger te gaan of andere verplichtingen op zich te nemen. Een jaar lang is hij vrij om voor zijn huis te zorgen; hij zal vreugde brengen aan de vrouw met wie hij getrouwd is. DEUT 24:6 Een handmolen of een bovenste molensteen mag men niet in pand nemen, want dan neemt men het leven zelf in pand. DEUT 24:7 Wanneer iemand een van zijn mede-israëlieten rooft en betrapt wordt, als hij hem als slaaf behandelt of verkoopt, dan moet die rover sterven. Zo zult gij dit kwaad bij u uitroeien. 8 In gevallen van huidziekte moet ge u met de grootste nauwgezetheid houden aan de aanwijzingen van de levitische priesters. Wat ik hun heb voorgeschreven, moet gij nauwgezet volbrengen. DEUT 24:9 Bedenk, wat Jahwe uw God met Mirjam gedaan heeft, bij uw uittocht uit Egypte. DEUT 24:10 Wanneer ge van uw naaste een schuld hebt te vorderen, moogt ge zijn huis niet binnengaan om een pand van hem te nemen. DEUT 24:11 Ge moet buiten blijven staan en de man op wie ge de vordering hebt, moet het pand buiten bij u brengen. DEUT 24:12 Is die man arm, dan moogt ge u niet in zijn pand te rusten leggen. DEUT 24:13 Ge moet het hem bij het vallen van de avond terugbezorgen. Dan kan hij in zijn mantel slapen. Hij zal u daarvoor zegenen en Jahwe uw God zal het u als verdienste aanrekenen. DEUT 24:14 Een arme en behoeftige dagloner, een volksgenoot of een vreemdeling die in uw stad of in uw land woont, moogt ge niet hard behandelen. DEUT 24:15 Iedere dag moet ge hem voor zonsondergang zijn loon uitbetalen, want hij is arm en ziet er verlangend naar uit. Anders roept hij Jahwe tegen u aan en laadt ge schuld op u. DEUT 24:16 Vaders mogen niet ter dood gebracht worden om hun kinderen, en kinderen niet om hun vader. Ieder zal ter dood gebracht worden om zijn eigen schuld. DEUT 24:17 Ge moogt de rechten van vreemdeling of wees niet schenden en het kleed van een weduwe niet in pand nemen. DEUT 24:18 Bedenkt dat ge slaaf zijt geweest in Egypte, en dat Jahwe uw God u daaruit verlost heeft. Daarom gebied ik u zo te handelen. DEUT 24:19 Wanneer ge bij het binnenhalen van de oogst een schoof op uw akker vergeet, moogt ge niet teruggaan om die te halen. Ge moet die overlaten aan vreemdelingen, weduwen en wezen. Dan zal Jahwe uw God u zegenen bij al uw werk. DEUT 24:20 Wanneer ge de olijven hebt afgeslagen, moogt ge de takken niet opnieuw gaan afzoeken. Dat is het deel van vreemdelingen, weduwen en wezen. DEUT 24:21 Wanneer ge de oogst van uw wijngaard inzamelt, moogt ge geen nalezing houden. Dat is het deel van vreemdelingen, weduwen en wezen. Bedenk dat gij slaaf zijt geweest in Egypte. Daarom gebied ik u zo te handelen. DEUT 25:1 Wanneer twee mannen die onenigheid met elkaar hebben voor het gerecht verschijnen en men velt vonnis over hen, door de onschuldige vrij te spreken en de schuldige te veroordelen, DEUT 25:2 dan moet de rechter de schuldige, als hij tot stokslagen is veroordeeld, voor zich op de grond laten leggen en hem in zijn tegenwoordigheid een aantal stokslagen laten toedienen, overeenkomstig de aard van het misdrijf. DEUT 25:3 Veertig slagen mag hij hem geven en niet meer. Worden uw broeder meer slagen toegediend, dan zou hij voor uw ogen al te zeer vernederd worden. DEUT 25:4 Ge moogt een rund bij het dorsen niet muilbanden. DEUT 25:5 Wanneer twee broers bij elkaar wonen en een van hen komt te sterven zonder een zoon na te laten, dan mag de vrouw van de overledene niet huwen met een man buiten de familie. Haar zwager zal gemeenschap met haar hebben, haar tot vrouw nemen en het zwagerhuwelijk met haar sluiten. DEUT 25:6 De eerste zoon die zij hem schenkt, zal op naam van zijn overleden broer staan, zodat diens naam niet uit Israël verdwijnt. DEUT 25:7 Is de man niet van zins zijn schoonzuster te huwen, dan moet deze in de poort naar de oudsten gaan en zeggen: `Mijn zwager weigert de naam van zijn broer in Israël te doen voortleven; hij wil met mij geen zwagerhuwelijk sluiten.' 8 Dan moeten de oudsten van de stad hem ontbieden en hem over de zaak onderhouden. Blijft hij bij zijn standpunt en zegt hij: `Ik ben niet van plan haar te huwen,' DEUT 25:9 dan moet zijn schoonzuster ten overstaan van de oudsten op hem toegaan, hem zijn sandalen van de voeten trekken, hem in het gezicht spuwen en daarbij zeggen: `Zo wordt er gedaan met de man die het huis van zijn broer niet in stand houdt.' DEUT 25:10 En in Israël zal hij heten: barrevoetersgespuis. DEUT 25:11 Wanneer twee mannen met elkaar vechten en de vrouw van de een komt haar man te hulp en grijpt de aanvaller met de hand bij zijn schaamdelen, DEUT 25:12 dan moet ge haar onverbiddelijk de hand afkappen. DEUT 25:13 Gij zult in uw buidel geen twee soorten gewichten hebben, zware en lichte. DEUT 25:14 Gij zult geen twee soorten efa in huis hebben, grote en kleine. DEUT 25:15 Uw gewichten moeten vol en zuiver zijn en uw efa's eveneens. Dan zult gij lang leven op de grond die Jahwe uw God u schenkt. DEUT 25:16 Want Jahwe uw God heeft een afschuw van iedereen die zoiets doet, van iedereen die onrecht doet. DEUT 25:17 Blijf denken aan wat de Amalekieten u op uw tocht uit Egypte hebben aangedaan: DEUT 25:18 hoe zij onderweg op u afkwamen en, toen gij doodop waart van vermoeienis, zonder enige vrees voor God alle zwakken die waren achtergebleven, van u afsneden. DEUT 25:19 Als Jahwe uw God u dan in het land dat Hij u in eigendom geeft, rust heeft verleend van alle vijanden in uw omgeving, dan moet gij de herinnering van Amalek onder de hemel wegvagen. Vergeet dat nooit. DEUT 26:1 Wanneer gij zijt gekomen in het land dat Jahwe uw God u in eigendom geeft, wanneer gij het in bezit hebt genomen en er gevestigd zijt, DEUT 26:2 dan moet gij de eerste veldvruchten die gij oogst in het land, dat Jahwe uw God u schenkt, in een korf doen en daarmee naar de plaats gaan, die Jahwe uw God zal uitkiezen om er zijn naam te vestigen. DEUT 26:3 Gij moet naar de priester gaan die er in die dagen is, en hem zeggen: `Heden belijd ik voor Jahwe mijn God, dat ik in het land ben gekomen, dat Hij onze vaderen onder ede beloofd had.' DEUT 26:4 De priester neemt dan de korf van u aan en zet hem voor het altaar van Jahwe uw God. DEUT 26:5 Dan moet gij, staande voor Jahwe uw God, zeggen: `Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij is met een klein getal mensen naar Egypte gegaan en, terwijl hij daar als vreemdeling verbleef, een groot, machtig, talrijk volk geworden. DEUT 26:6 Toen de Egyptenaren ons slecht behandelden, ons verdrukten en ons harde slavenarbeid oplegden, DEUT 26:7 hebben wij tot Jahwe, de God van onze vaderen, geroepen. En Jahwe heeft ons verhoord en zich onze vernedering, ons zwoegen en onze verdrukking aangetrokken. 8 Hij heeft ons uit Egypte geleid met sterke hand, met uitgestrekte arm, onder grote verschrikkingen, tekenen en wonderen. DEUT 26:9 Hij heeft ons naar deze plaats gebracht en ons dit land geschonken, een land van melk en honing. DEUT 26:10 Daarom breng ik nu de eerste vruchten van de grond, die Gij, Jahwe, mij hebt geschonken.' Dan moet ge die voor Jahwe uw God neerleggen, u voor Hem neerbuigen DEUT 26:11 en samen met de levieten en de vreemdelingen die bij u wonen feestvieren, om al de weldaden die Hij aan u en aan uw huis heeft geschonken. DEUT 26:12 Wanneer gij in het derde jaar, het jaar van de tiende, de gehele tiende van uw oogst volledig hebt afgestaan en aan de levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen hebt gegeven, en zij daar in uw stad volop van eten, DEUT 26:13 dan moet gij voor Jahwe uw God verklaren: `Ik heb het heilige uit mijn huis weggedaan en het gegeven aan de levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen, zoals Gij mij geboden hebt. Geen van uw geboden heb ik overtreden of veronachtzaamd. DEUT 26:14 Ik heb er niet in de rouwtijd van gegeten, het niet weggedaan, terwijl ik onrein was, en er niets van aan een dode geofferd. Ik heb gehoor gegeven aan Jahwe mijn God en alles wat Gij mij geboden hebt, ten uitvoer gebracht. DEUT 26:15 Zie neer uit de hemel, uw heilige woning; zegen uw volk Israël en zegen de grond, die Gij ons hebt geschonken, het land van melk en honing, zoals Gij onze vaderen onder ede beloofd hebt.' DEUT 26:16 Heden gebiedt Jahwe uw God u deze voorschriften en bepalingen te volbrengen. Gij moet ze stipt ten uitvoer brengen, met heel uw hart en heel uw ziel. DEUT 26:17 Gij hebt heden van Jahwe de verzekering gekregen, dat Hij uw God zal zijn, als gij tenminste zijn wegen gaat, zijn voorschriften, geboden en bepalingen onderhoudt en naar Hem luistert. DEUT 26:18 En Jahwe heeft heden van u de verzekering gekregen, dat gij, zoals Hij beloofd heeft, zijn eigen volk zult zijn en al zijn geboden zult onderhouden. DEUT 26:19 Daarom zal Hij aan u groter eer, faam en luister schenken dan aan de andere volken, die Hij geschapen heeft, en zult gij een volk zijn dat Jahwe uw God is toegewijd, zoals Hij beloofd heeft. DEUT 27:1 Mozes en de oudsten van Israël droegen het volk op: `Onderhoud de voorschriften die ik u heden geef. DEUT 27:2 Op de dag dat gij de Jordaan overtrekt naar het land dat Jahwe uw God u schenkt, moet gij grote stenen oprichten, ze met kalk bestrijken DEUT 27:3 en daarin alle bepalingen van deze wet griffen, op de dag dat gij oversteekt. Dan zult ge het land binnengaan dat Jahwe uw God u schenkt, een land van melk en honing, zoals Jahwe de God van uw vaderen u beloofd heeft. DEUT 27:4 Als gij de Jordaan over zijt, moet gij die stenen op de berg Ebal oprichten, zoals ik u heden voorschrijf, en ze met kalk bestrijken. DEUT 27:5 Ge moet daar voor Jahwe uw God een altaar bouwen, met onbehouwen stenen. DEUT 27:6 Van ruwe steenblokken moet ge dat altaar bouwen. Daarop moet ge aan Jahwe uw God brandoffers opdragen DEUT 27:7 en ook slachtoffers, om er maaltijd te houden en feest te vieren voor Jahwe uw God. 8 En in de stenen moet ge klaar en duidelijk alle geboden van deze wet griffen.' DEUT 27:9 Mozes en de levitische priesters richtten het woord tot heel Israël: 'Wees stil, Israël, en luister! Heden zijt gij het volk van Jahwe uw God geworden. DEUT 27:10 Daarom moet gij Hem gehoorzamen en zijn geboden en voorschriften volbrengen, die ik u heden voorhoud.' DEUT 27:11 Op die dag gebood Mozes het volk: DEUT 27:12 Wanneer gij de Jordaan zijt overgestoken, moeten de volgende stammen op de Gerizzim gaan staan om de zegen uit te spreken over het volk: Simeon, Levi, Juda, Issachar, Jozef en Benjamin. DEUT 27:13 En de volgende stammen moeten op de Ebal gaan staan voor de vervloeking: Ruben, Gad, Aser, Zebulon, Dan en Naftali. DEUT 27:14 Dan moeten de levieten het woord nemen en met luide stem tot alle mannen van Israël zeggen: DEUT 27:15 Vervloekt de man, die een gehouwen of gegoten beeld maakt en dat in het verborgene opstelt, want Jahwe verafschuwt het maaksel van zo'n beeldhouwer. En heel het volk antwoordt: Amen. DEUT 27:16 Vervloekt wie zijn vader of moeder veracht. En heel het volk zegt: Amen. DEUT 27:17 Vervloekt wie bij zijn buurman een grenssteen verlegt. En heel het volk zegt: Amen. DEUT 27:18 Vervloekt wie een blinde de verkeerde weg wijst. En heel het volk zegt: Amen. DEUT 27:19 Vervloekt wie de rechten van vreemdeling, wees of weduwe schendt. En heel het volk zegt: Amen. DEUT 27:20 Vervloekt wie slaapt bij de vrouw van zijn vader; want hij licht het dek van zijn vader op. En heel het volk zegt: Amen. DEUT 27:21 Vervloekt wie slaapt bij een dier. En heel het volk zegt: Amen. DEUT 27:22 Vervloekt wie slaapt bij zijn zuster, een dochter van zijn vader of zijn moeder. En heel het volk zegt: Amen. DEUT 27:23 Vervloekt wie slaapt bij zijn schoonmoeder. En heel het volk zegt: Amen. DEUT 27:24 Vervloekt wie zijn naaste heimelijk neerslaat. En heel het volk zegt: Amen. DEUT 27:25 Vervloekt wie steekpenningen aanneemt om onschuldig bloed te vergieten. En heel het volk zegt: Amen. DEUT 27:26 Vervloekt wie de voorschriften van deze wet niet hooghoudt en ze niet volbrengt. En heel het volk zegt: Amen. DEUT 28:1 Als gij inderdaad gehoorzaamt aan Jahwe en alle geboden die ik u heden opleg, stipt volbrengt, dan zal Hij u hoog verheffen boven alle volken op de aarde. DEUT 28:2 Dan zullen de volgende zegeningen over u komen en u ten deel vallen, omdat gij gehoorzaamt aan Jahwe uw God. DEUT 28:3 Gezegend zijt gij in de stad, gezegend zijt gij op het land. DEUT 28:4 Gezegend is de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw grond en de vrucht van uw vee, de worp van uw runderen en de aanwas van uw schapen. DEUT 28:5 Gezegend is uw korf en uw trog. DEUT 28:6 Gezegend zijt gij bij uw komen, gezegend bij uw gaan. DEUT 28:7 Jahwe zal de vijanden die zich tegen u verheffen voor u op de vlucht drijven. Langs een weg rukken zij tegen u op, langs zeven wegen vluchten zij. 8 Jahwe zal zegen doen komen in uw schuren en bij al uw ondernemingen. Jahwe uw God zal u zegenen in het land dat Hij u schenkt. DEUT 28:9 Jahwe zal van u een volk maken dat Hem is toegewijd, zoals Hij u onder ede beloofd heeft, als gij tenminste de geboden van Jahwe uw God onderhoudt en zijn wegen gaat. DEUT 28:10 Alle volken op de aarde zullen zien, dat Jahwe's naam over u is uitgeroepen, en zij zullen ontzag voor u hebben. DEUT 28:11 Op de grond die Jahwe uw vaderen onder ede beloofd heeft, zal Hij u rijke overvloed schenken in alles, in de vrucht van uw schoot, in de vrucht van uw vee en in de vrucht van uw grond. DEUT 28:12 Jahwe zal de rijke schatkamer van de hemel voor u openen om uw land op tijd regen te geven en al uw ondernemingen te zegenen, zodat gij aan veel volken kunt lenen, maar zelf niet behoeft te lenen. DEUT 28:13 Tot kop zal Jahwe u maken en niet tot staart. Gij zult omhoog gaan en nooit omlaag, als gij tenminste gehoorzaamt aan de geboden van Jahwe uw God, die ik u heden geef, en die nauwgezet volbrengt, DEUT 28:14 en als gij van alle voorschriften die ik u heden geef, rechts noch links afwijkt, door achter andere goden aan te lopen en die te vereren. DEUT 28:15 Als gij echter niet gehoorzaamt aan Jahwe uw God en zijn geboden en voorschriften, die ik u heden opleg, niet stipt ten uitvoer brengt, dan zullen de volgende vervloekingen over u komen en u treffen. DEUT 28:16 Vervloekt zijt gij in de stad, vervloekt zijt gij op het land. DEUT 28:17 Vervloekt is uw korf en uw trog. DEUT 28:18 Vervloekt is de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw grond, de worp van uw runderen en de aanwas van uw schapen. DEUT 28:19 Vervloekt zijt gij bij uw komen, vervloekt bij uw gaan. DEUT 28:20 Bij alles wat gij onderneemt, zal Jahwe vloek, verwarring en verwensing over u zenden, tot gij in korte tijd vernietigd en weggevaagd zijt, omdat gij slecht hebt gehandeld en Mij hebt verlaten. DEUT 28:21 Jahwe zal maken dat de pest zich bij u vastzet, tot zij u heeft weggevaagd van de grond die ge in bezit gaat nemen. DEUT 28:22 Jahwe zal u slaan met tering, koorts, ontsteking en koudvuur, met droogte, dorheid en korenbrand. Die zullen u op de hielen blijven zitten tot ge zijt omgekomen. DEUT 28:23 De hemel boven uw hoofd zal brons zijn, de aarde beneden u ijzer. DEUT 28:24 Jahwe zal stof en zand op uw land laten regenen; uit de hemel komen die op u neer, totdat gij zijt vernietigd. DEUT 28:25 Jahwe zal u voor uw vijanden op de vlucht drijven. Langs een weg rukt gij tegen hen op, langs zeven wegen vlucht gij, zodat ge een afschrikkend voorbeeld wordt voor alle koninkrijken op aarde. DEUT 28:26 Uw lijken zullen tot aas dienen voor de vogels in de lucht en voor de dieren op het land, en er zal niemand zijn die ze wegjaagt. DEUT 28:27 Jahwe zal u slaan met Egyptische zweren, met builen, uitslag en schurft, die ge niet kunt genezen. DEUT 28:28 Jahwe zal u slaan met razernij, blindheid en waanzin, DEUT 28:29 zodat ge midden op de dag als een blinde in het duister rondtast, op uw weg niet vooruitkomt en altijd verdrukt en beroofd wordt, terwijl niemand u helpt. DEUT 28:30 Verlooft gij u met een vrouw, een ander zal haar bezitten; bouwt gij een huis, ge zult er niet in wonen; plant gij een wijngaard, ge zult zelfs de eerste vruchten niet plukken. DEUT 28:31 Uw runderen worden voor uw ogen geslacht, maar gij zult er niet van eten; uw ezels worden in uw bijzijn geroofd, en ge ziet ze niet meer terug; uw schapen worden aan uw vijand gegeven, en niemand biedt u hulp. DEUT 28:32 Uw zonen en dochters worden uitgeleverd aan een ander volk; iedere dag zult ge smachtend naar hen uitzien, zonder dat ge er iets aan kunt doen. DEUT 28:33 Een onbekend volk zal de opbrengst van uw grond en van uw zwoegen verteren; gijzelf zult aldoor verdrukt en mishandeld worden. DEUT 28:34 Waanzinnig zult ge worden door wat uw ogen zien. DEUT 28:35 Jahwe zal u slaan met kwaadaardige, ongeneeslijke zweren op uw knieën en op uw dijen, van uw voetzool tot op uw kruin. DEUT 28:36 Jahwe zal u en de koning, die gij over u aanstelt, wegvoeren naar een volk dat gijzelf en uw voorouders niet hebben gekend; daar kunt ge andere goden dienen, goden van hout en van steen. DEUT 28:37 En bij alle volken waar Jahwe u heendrijft, zult gij een voorwerp worden van ontzetting, een mikpunt van schimp en van spot. DEUT 28:38 Veel zaad zult ge naar uw akkers dragen, maar weinig zult ge oogsten, want de sprinkhanen vreten ze kaal. DEUT 28:39 Wijngaarden zult ge planten en verzorgen, maar de wijn zult ge niet drinken of opslaan, want de wormen vreten ze weg. DEUT 28:40 Olijfbomen zult ge bezitten in heel uw gebied, maar zalven met de olie zult gij u niet, want uw olijven vallen af. DEUT 28:41 Zonen en dochters zult ge verwekken, maar toebehoren zullen zij u niet, want als gevangenen gaan zij van u weg. DEUT 28:42 Van al uw bomen en van de opbrengst van uw grond maakt het ongedierte zich meester. DEUT 28:43 De vreemdeling die bij u woont zal steeds hoger boven u stijgen, gijzelf zult steeds dieper zinken. DEUT 28:44 Hij zal aan u lenen, gij niet aan hem. Hij zal de kop zijn, gij de staart. DEUT 28:45 Al deze vervloekingen komen op u neer, zij zullen u achtervolgen en u treffen, tot gij zijt vernietigd, omdat ge niet hebt gehoorzaamd aan Jahwe uw God en de geboden en bepalingen die Hij u gaf, niet hebt onderhouden. DEUT 28:46 Bij u en uw nakomelingen zullen die vervloekingen voor altijd een teken en een waarschuwing zijn. DEUT 28:47 Omdat gij in de tijd van uw overvloed Jahwe uw God niet met vreugde en blij van geest hebt gediend, DEUT 28:48 daarom zult gij in honger, dorst en naaktheid, in gebrek aan alles, dienstbaar zijn aan de vijanden, die Jahwe op u afzendt. Een ijzeren juk zal Hij op uw nek leggen tot Hij u heeft vernietigd. DEUT 28:49 Jahwe zal van verre, van de grenzen der aarde, een volk op u afsturen, dat neerschiet als een arend, een volk, waarvan ge de taal niet verstaat, DEUT 28:50 een wreed volk, dat de oude mensen niet ontziet en geen medelijden heeft met de jeugd. DEUT 28:51 Het verteert de vrucht van uw vee en de vrucht van uw grond, totdat gij zijt vernietigd; het laat niets voor u over, geen koren, geen most en geen olie, geen worp van uw runderen, geen aanwas van uw schapen, totdat het u te gronde heeft gericht. DEUT 28:52 Het belegert uw steden, en in heel uw land zullen die hoge en sterke muren, waarop gij vertrouwd hebt, ineenstorten; het belegert al uw steden in het hele land, dat Jahwe uw God u schenkt. DEUT 28:53 In de verschrikkelijke nood waarin uw vijand u brengt, zult ge de vrucht van uw schoot opeten, het vlees van de zonen en dochters, die Jahwe u heeft geschonken. DEUT 28:54 En als de meest verfijnde en verwende man in die verschrikkelijke nood, die de vijand over uw steden brengt, niets meer over heeft, dan zal hij achterdochtig kijken naar zijn broer, naar zijn geliefde vrouw en naar de kinderen die hij nog heeft, DEUT 28:55 om het vlees van de kinderen dat hij eet, maar niet met hen te moeten delen. DEUT 28:56 En als de meest verfijnde en verwende vrouw, zo verfijnd en verwend, dat zij haar voeten maar amper op de grond durft te zetten, in de verschrikkelijke nood, die de vijand over uw steden brengt, niets meer over heeft, dan zal zij met achterdocht kijken naar haar geliefde man naar haar zoon en haar dochter, DEUT 28:57 om heimelijk de nageboorte van haar schoot en de kinderen die zij baart te kunnen opeten. DEUT 28:58 Als gij al de geboden van deze wet, die in dit boek staan opgetekend, niet nauwgezet volbrengt volbrengt in ontzag voor de heerlijke en ontzagwekkende naam van Jahwe uw God, DEUT 28:59 dan zal Hij u en uw nakomelingen met vreselijke plagen treffen, met zware, slepende kwalen, met kwaadaardige, langdurige ziekten. DEUT 28:60 Alle plagen van Egypte, die u zo'n schrik hebben aangejaagd, zal Hij op u doen terugvallen, zodat ze aan u blijven vastkleven. DEUT 28:61 En alle andere ziekten en plagen, die niet in dit boek staan opgetekend, zal Jahwe eveneens over u doen komen, totdat gij zijt vernietigd. DEUT 28:62 In plaats van talrijk te worden als de sterren aan de hemel, zult gij met slechts enkelen overblijven, omdat gij niet naar Jahwe uw God hebt geluisterd. DEUT 28:63 Zoals Jahwe er vreugde in vond u gelukkig en talrijk te maken, zo zal Hij er vreugde in vinden u te gronde te richten en u te vernietigen; uitgerukt zult gij worden uit de grond die gij in bezit gaat nemen. DEUT 28:64 Jahwe zal u onder alle volken verstrooien, van het ene eind van de aarde tot aan het andere; daar zult ge andere goden dienen, die gij en uw voorouders niet hebben gekend, goden van hout en van steen. DEUT 28:65 En bij die volken zult gij geen rust vinden, geen veilige plek zal er zijn voor uw voeten. Jahwe zal daar uw hart laten sidderen, uw ogen doen kwijnen en uw ziel laten versmachten. DEUT 28:66 Voortdurend zal uw leven in gevaar zijn; dag en nacht zult ge in angst zitten, omdat ge uw leven niet zeker zijt. DEUT 28:67 In de ochtend zult ge zeggen: `Was het maar avond!' en 's avonds zult ge zeggen: `Was het maar ochtend!', om de schrik die uw hart vervult en om dat wat uw ogen moeten aanzien. DEUT 28:68 Jahwe zal u per schip terugvoeren naar Egypte, terwijl ik u toch gezegd had: `Nooit zult ge die weg teruggaan.' Daar zult ge u aan uw vijand willen verkopen als slaven en slavinnen, maar er zal geen koper zijn. DEUT 28:69 Dit zijn de bepalingen van het verbond dat Mozes op bevel van Jahwe in Moab met de Israëlieten sloot, naast het verbond, dat Jahwe op de Horeb met hem had gesloten. DEUT 29:1 Mozes riep heel Israël bijeen en sprak: Gij hebt alles gezien wat Jahwe voor uw ogen in Egypte gedaan heeft met Farao, met al zijn hovelingen en met heel zijn land, DEUT 29:2 de grote plagen die gij met eigen ogen gezien hebt, de grote tekenen en wonderen. DEUT 29:3 Maar tot op deze dag heeft Jahwe u geen hart gegeven om te verstaan, geen ogen om te zien, geen oren om te horen. DEUT 29:4 Veertig jaar heb Ik u door de woestijn laten trekken; de kleren aan uw lijf zijn niet versleten en ook de sandalen aan uw voeten niet. DEUT 29:5 Geen brood hadt ge te eten, geen wijn of sterke drank te drinken. Zo moest gij begrijpen, dat Ik, Jahwe, uw God ben. DEUT 29:6 Toen gij deze plaats hadt bereikt, trokken Sichon, de koning van Chesbon, en Og, de koning van Basan, tegen ons ten strijde, maar wij hebben hen verslagen; DEUT 29:7 wij hebben hun land veroverd en het aan Ruben, Gad en de halve stam Manasse gegeven. 8 Onderhoud dan de bepalingen van dit verbond en volbreng ze; dan zult gij voorspoed hebben bij alles wat ge onderneemt. DEUT 29:9 Heden staat gij allen voor Jahwe uw God: uw hoofden, uw rechters, uw oudsten en uw schrijvers, alle mannen van Israël, DEUT 29:10 met uw kinderen en uw vrouwen, met de vreemdelingen in uw kampen, van de houthakkers tot de waterdragers, DEUT 29:11 om toe te treden tot het verbond van Jahwe uw God, tot het verdrag dat Hij met u aangaat. DEUT 29:12 Heden wil Hij u verheffen tot zijn volk en wil Hijzelf uw God zijn, zoals Hij u heeft beloofd en aan uw vaderen Abraham, Isaak en Jakob heeft gezworen. DEUT 29:13 Ik sluit dit verbond en dit verdrag niet alleen met u, DEUT 29:14 die hier vandaag samen met ons voor Jahwe onze God staat, maar ook met hen die vandaag niet bij ons zijn. DEUT 29:15 Gij weet immers, dat wij in Egypte hebben gewoond en dat wij op onze tocht door het gebied van verschillende volken zijn getrokken. DEUT 29:16 Toen hebt gij hun gruwelbeelden gezien, hun schandgoden van hout en steen, van zilver en goud. DEUT 29:17 Laat dan niemand van u, geen man of vrouw, geen familie of stam, zijn hart heden afkeren van Jahwe onze God om de goden van die volken te gaan vereren. Er mag bij u geen wortel zijn, die gif en alsem voortbrengt. DEUT 29:18 En wanneer iemand bij het horen van de bepalingen van dit verdrag zich wel veilig waant en zegt: `Mij zal het goed gaan, ook al blijf ik mijn verstokt hart volgen: de overvloed zal de dorst wel lessen,' DEUT 29:19 dan zal Jahwe hem dat nooit vergeven; neen, de toorn en de naijver van God zullen tegen die man ontbranden, alle vervloekingen die in dit boek staan opgetekend, zullen hem overvallen, en Jahwe zal zijn naam van de aarde wegvagen. DEUT 29:20 Jahwe zal hem uit de stammen van Israël halen en hem treffen met al de rampen, waarmee dit boek de overtreder van het verbond bedreigt. DEUT 29:21 En wanneer het volgend geslacht, de zonen die na u komen, en de buitenlanders, die uit een ver land afkomstig zijn, de plagen zien en de ziekten, waarmee Jahwe dit land heeft getroffen, dan zullen zij zeggen: DEUT 29:22 `Dit hele land is door zwavel en zout verschroeid: er wordt niet gezaaid, er groeit niets, geen enkel gewas schiet er op. In zijn grimmige toorn heeft Jahwe het geheel verwoest, juist als Sodom en Gomorra, als Adma en Seboim.' DEUT 29:23 En alle volken zullen vragen: `Waarom heeft Jahwe zo met dit land gedaan? Wat betekent die geweldige, ziedende toorn?' DEUT 29:24 Dan zal het antwoord zijn: `Zij hebben zich niet gehouden aan het verbond, dat Jahwe de God van hun vaderen met hen had gesloten, toen Hij hen uit Egypte leidde. DEUT 29:25 Ze zijn andere goden gaan vereren en hebben zich voor hen neergebogen, goden die zij niet kenden en die Hij niet voor hen had bestemd. DEUT 29:26 Daarom is de toorn van Jahwe tegen dit land ontbrand en heeft Hij er alle vervloekingen op laten neerkomen, die in dit boek staan opgetekend. DEUT 29:27 In grimmige toorn en hevige woede heeft Jahwe hen van hun grond verjaagd en naar een ander land gedreven, zoals gij nu ziet.' DEUT 29:28 Wat verborgen is, gaat Jahwe onze God aan; maar wat geopenbaard is, gaat voor altijd ons en onze kinderen aan: de bepalingen van deze wet, die wij moeten volbrengen. DEUT 30:1 Wanneer alles wat ik u nu heb voorgehouden over u is gekomen, de zegen en de vloek, en wanneer gij het in uw hart overdenkt, onder welke volken Jahwe uw God u ook heeft verspreid, DEUT 30:2 zodat gijzelf met uw kinderen terugkeert tot Jahwe uw God en Hem met heel uw hart en heel uw ziel weer gehoorzaamt, zoals ik u dat heden voorhoud, DEUT 30:3 dan zal Jahwe uw God u in uw vroegere staat herstellen; Hij zal zich over u ontfermen en u opnieuw bijeenbrengen uit al de volken, waaronder Hij u verstrooid had. DEUT 30:4 Al zijt ge verspreid tot het eind van de wereld, Jahwe uw God zal u weer bijeenbrengen. Hij zal u daarvandaan terughalen DEUT 30:5 en u brengen naar het land dat uw voorouders in bezit genomen hadden; en gij zult het weer in bezit nemen. Hij zal u gelukkig maken en nog talrijker dan uw voorouders. DEUT 30:6 Jahwe uw God zal uw hart en dat van uw nakomelingen besnijden, zodat gij Hem zult beminnen met heel uw hart en heel uw ziel en daardoor het leven zult bezitten. DEUT 30:7 Dan zal Jahwe uw God al deze vervloekingen doen neerkomen op de vijanden en tegenstanders die u achtervolgd hebben. 8 Maar gij zult weer gehoor geven aan Jahwe en alle geboden volbrengen die ik u heden geef. DEUT 30:9 Jahwe uw God zal u rijke voorspoed schenken in alles wat ge onderneemt, in de vrucht van uw schoot, in de worp van uw vee en in de opbrengst van uw grond. Want Jahwe zal er weer vreugde in vinden u gelukkig te maken, zoals Hij dat ook bij uw voorouders deed. DEUT 30:10 Maar dan moet gij aan Jahwe gehoorzamen en alle geboden en voorschriften onderhouden, die in dit wetboek staan opgetekend; dan moet gij met heel uw hart en heel uw ziel terugkeren tot Jahwe uw God. DEUT 30:11 De geboden die ik u heden geef, zijn niet te zwaar voor u en zij liggen niet buiten uw bereik. DEUT 30:12 Ze zijn niet in de hemel en ge hoeft niet te zeggen: `Wie zal naar de hemel opvaren om ze voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen?' DEUT 30:13 Ze zijn niet overzee en ge hoeft niet te zeggen: `Wie zal de zee over varen om ze voor ons te halen en ze ons te laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen?' DEUT 30:14 Neen, het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart. Gij kunt het dus volbrengen. DEUT 30:15 Ik houd u vandaag het leven en het geluk voor, maar ook de dood en het ongeluk. DEUT 30:16 Als gij luistert naar de geboden van Jahwe uw God, die ik u heden geef, als gij Jahwe uw God bemint, zijn wegen gaat en zijn geboden, voorschriften en bepalingen nakomt, dan zult gij leven en talrijk worden en zal Jahwe uw God u zegenen in het land dat ge in bezit gaat nemen. DEUT 30:17 Maar als uw hart afdwaalt, als ge niet luistert en u laat verleiden, zodat gij u voor andere goden neerbuigt en die vereert, DEUT 30:18 dan kondig ik u heden aan, dat gij zult omkomen en dat ge niet lang zult leven op de grond, die ge na de overtocht van de Jordaan in bezit gaat nemen. DEUT 30:19 Ik neem heden de hemel en de aarde tot getuigen tegen u. Leven en dood houd ik u voor, zegen en vloek. Kies dan het leven, dan zult gij met uw nakomelingen het leven bezitten, DEUT 30:20 door Jahwe uw God te beminnen, naar Hem te luisteren en aan Hem gehecht te blijven. Want daarvan hangt het af, of gij zult leven en of gij lang zult wonen op de grond, die Jahwe aan uw vaderen, aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft toegezegd. DEUT 31:1 Aan het slot van zijn woorden tot Israël, DEUT 31:2 zei Mozes tot hen: `Ik ben nu honderdtwintig jaar en nauwelijks meer tot iets in staat. Bovendien heeft Jahwe mij gezegd: Gij komt de Jordaan niet over. DEUT 31:3 Maar Jahwe uw God zal bij de overtocht voor u uitgaan; Hij zal die volken voor u vernietigen, zodat gij hun land in bezit kunt nemen. Jozua zal bij de overtocht voor u uitgaan, zoals Jahwe gezegd heeft. DEUT 31:4 Jahwe zal hen vernietigen, zoals Hij Sichon en Og, de koningen van de Amorieten, en hun land heeft vernietigd. DEUT 31:5 En als Jahwe hen aan u overlevert, moet gij met hen precies zo handelen als ik u heb voorgeschreven. DEUT 31:6 Wees sterk en moedig, wees niet bang en heb geen schrik voor hen, want Jahwe uw God trekt zelf met u mee: Hij geeft u niet prijs, Hij laat u niet in de steek. DEUT 31:7 Toen riep Mozes Jozua en in tegenwoordigheid van heel Israël zei hij tot hem: `Wees sterk en vol moed! U zult dit volk in het land brengen, dat Jahwe aan hun vaderen onder ede beloofd heeft: u zult hun dat land in bezit geven. 8 Jahwe gaat voor u uit, Hij zal met u zijn: Hij geeft u niet prijs en laat u niet in de steek. Wees dus niet bang of bevreesd.' DEUT 31:9 Daarna stelde Mozes deze wet op schrift en overhandigde die aan de levitische priesters, die de ark van het verbond van Jahwe dragen, en aan alle oudsten van Israël. DEUT 31:10 En Mozes beval hun: `Op het loofhuttenfeest van ieder zevende jaar, het jaar dat voor de kwijtschelding is aangewezen, DEUT 31:11 wanneer Israël voor Jahwe verschijnt, op de plaats die Hij uitkiest, moet gij deze wet in het bijzijn van heel Israël voorlezen. DEUT 31:12 Roep dan het volk bijeen, de mannen, de vrouwen, de kinderen en de vreemdelingen in uw steden. Zij moeten luisteren en Jahwe uw God leren vrezen, zodat zij al de bepalingen van deze wet nauwgezet volbrengen. DEUT 31:13 Ook hun kinderen die er nog geen weet van hebben, moeten luisteren en Jahwe uw God leren vrezen, zolang gij leeft op de grond, die ge na de overtocht van de Jordaan in bezit gaat nemen.' DEUT 31:14 Jahwe sprak tot Mozes: `Het ogenblik van uw dood is gekomen. Roep Jozua en begeef u met hem naar de tent van de samenkomst; dan zal Ik hem aanstellen.' Toen Mozes en Jozua zich in de tent van de samenkomst begeven hadden, DEUT 31:15 verscheen Jahwe in een wolkkolom, die bij de ingang van de tent bleef staan. het lied van Mozes DEUT 31:16 Jahwe sprak tot Mozes: `Gij gaat nu bij uw vaderen rusten. Maar dit volk zal ontuchtig achter de vreemde goden aanlopen van het land waar het komt. Het zal Mij verlaten en het verbond verbreken, dat Ik met hen gesloten heb. DEUT 31:17 Op die dag zal mijn toorn tegen hen ontbranden, Ik zal hen aan hun lot overlaten en mijn gelaat voor hen verbergen, zodat iedereen hen kan verslinden en veel rampen en tegenslagen hen treffen. Op die dag zal het zeggen: Deze rampen hebben mij getroffen, omdat mijn God niet met mij is. DEUT 31:18 Maar Ik zal op die dag mijn gelaat blijven verbergen om al het kwaad dat zij hebben gedaan door zich tot andere goden te wenden. DEUT 31:19 Schrijf daarom het volgende lied op en leer het de Israëlieten; leg hun dit lied in de mond, zodat Ik een getuigenis tegen hen heb. DEUT 31:20 Want Ik ga deze mensen brengen naar de grond, die Ik hun vaderen onder ede beloofd heb, naar een land van melk en honing. Daar zullen zij zich volop dik eten, zich tot andere goden wenden en die vereren; en Mij zullen zij versmaden en mijn verbond verbreken. DEUT 31:21 En als dan een menigte rampen en tegenslagen hen treft, zal dit lied tegen hen blijven getuigen, omdat het voortleeft bij hun nakomelingen. Maar al te goed ken Ik de plannen, die zij vandaag al hebben, nog eer Ik hen in het land heb gebracht dat Ik hun onder ede beloofd heb.' DEUT 31:22 Op die dag schreef Mozes dit lied en leerde het de Israëlieten. DEUT 31:23 Jahwe stelde Jozua, de zoon van Nun, aan en zei: `Wees sterk en vol moed, want gij zult de Israëlieten in het land brengen, dat Ik hun onder ede beloofd heb. Ik zal met u zijn.' DEUT 31:24 Toen Mozes al de bepalingen van deze wet op schrift had gesteld, DEUT 31:25 beval hij de levieten, die de ark van het verbond van Jahwe dragen: DEUT 31:26 `Neem dit wetboek en leg het naast de ark van het verbond van Jahwe uw God. Daar zal het als getuige tegen u dienen. DEUT 31:27 Ik weet maar al te goed, hoe opstandig en hardnekkig gij zijt. Nu reeds, terwijl ik nog in leven ben, zijt gij al in opstand gekomen tegen Jahwe. Wat zal het dan worden, als ik dood ben? DEUT 31:28 Roep alle stamoudsten en schrijvers bij mij samen. In hun bijzijn zal ik deze woorden uitspreken en de hemel en de aarde tegen hen tot getuigen nemen. DEUT 31:29 Want ik weet, dat ge na mijn dood tot zware zonde zult vervallen, en dat ge zult afwijken van de weg, die ik u heb voorgeschreven. Dan zal het ongeluk u treffen, omdat ge doet wat Jahwe mishaagt en Hem tart door de maaksels van uw handen.' DEUT 31:30 Toen sprak Mozes ten aanhoren van de hele gemeente van Israël de woorden van dit lied: DEUT 32:1 Hoor, hemelen, wat ik ga zeggen, luister, aarde, naar het woord van mijn mond. DEUT 32:2 Mijn boodschap moet zijn als een stromende regen, mijn leer als de druppende dauw, als een regenbui o het groen, als druppels dauw op het gras. DEUT 32:3 Jahwe's naam roep ik uit: Breng hulde aan onze God! DEUT 32:4 Hij is de rots, wat Hij doet is volmaakt, al zijn wegen zijn recht; een God van trouw, zonder onrecht, rechtvaardig is Hij en waarachtig. DEUT 32:5 Zijn zonen zonder smet, zij vervielen tot zonde, een boos, verdorven geslacht. DEUT 32:6 Is dat uw dank aan Jahwe, dwaas, onnozel volk? Hij is toch uw vader, Hij heeft u verwekt. Hij heeft u gemaakt, u het leven gegeven. DEUT 32:7 Denk aan de dagen van vroeger, zie naar de tijd van voorbije geslachten. Vraag het uw vader, hij zal het vertellen, vraag het uw oudsten, zij zeggen het u. 8 Toen de Allerhoogste bezit toewees aan de volken en Hij aan de mensen ieder hun deel gaf, heeft Hij de grenzen der naties bepaald naar het getal van Gods zonen. DEUT 32:9 Toen werd zijn volk het deel van Jahwe. Jakob het Hem toegemeten bezit. DEUT 32:10 Hij heeft het gevonden in de woestijn, in de wildernis, dat oord vol gehuil. Hij heeft het verzorgd en bewaakt, als de appel van zijn oog het behoed, DEUT 32:11 zoals een arend die ziet naar zijn jongen en boven hen heen en weer vliegt, die zijn vleugels uitspreidt voor hen, hen opneemt en draagt op zijn wieken. DEUT 32:12 Jahwe alleen heeft zijn volk geleid, geen vreemde god heeft naast Hem gestaan. DEUT 32:13 Hij voerde hen naar de hoogten van het land, de oogst van het veld gaf Hij hun te eten, met honing uit rotsen voedde Hij hen, met olie uit keihard gesteente, DEUT 32:14 met boter van koeien, melk van schapen, met vette lammeren, met rammen en bokken uit Basan, met de fijnste bloem van de tarwe, met het bloed van druiven en sterke dranken. DEUT 32:15 En Jakob at en raakte verzadigd, Jesurun werd vet en ging achteruitslaan - dik zijt ge geworden, vet en zwaar -; hij verliet de God die hem had gemaakt, versmaadde de rots die zijn heil was. DEUT 32:16 Zij tartten Hem met vreemde goden en tergden Hem met gruwelijke beelden; DEUT 32:17 aan geesten offerden zij niet-goden, godheden die zij nooit hadden gekend, nieuwelingen, pas opgekomen, die hun vaders nooit hadden geëerd. DEUT 32:18 De rots die u voortbracht hebt gij verlaten, vergeten de God die u heeft verwekt. DEUT 32:19 Jahwe zag het! Gekrenkt als Hij was, verwierp Hij zijn zonen en dochters. DEUT 32:20 Hij sprak: Ik verberg voor hen mijn gelaat; Ik wil zien, hoe het dan met hen afloopt. Een onbetrouwbaar geslacht zijn zij, mensen, op wie men niet aan kan. DEUT 32:21 Met niet-goden hebben zij mij getart, met hun goden van niets mij getergd. Nu tart Ik hen met een niet-volk, terg Ik hen met een natie van niets. DEUT 32:22 Het vuur van mijn toorn ontbrandt, dringt door tot de diepten van het dodenrijk, verzengt de aarde en al wat er groeit, en verteert de grondvesten der bergen. DEUT 32:23 Ik bedelf hen onder de rampen, al mijn pijlen verschiet Ik op hen: DEUT 32:24 moordende honger, vernielende pest, verwoestende ziekten. Ik stuur dieren met scherpe tanden en giftige slangen op hen af. DEUT 32:25 Buiten brengt het zwaard de dood, in hun huizen de schrik aan jongemannen en meisjes, aan zuigelingen en grijsaards. DEUT 32:26 Ik zou hen vernietigd hebben, hun naam bij de mensen uitgewist, DEUT 32:27 had Ik niet de spot van hun vijand gevreesd, het onbegrip van hun belager, die zeggen zou: Onze macht heeft hen overwonnen, Jahwe heeft er niets toe gedaan! DEUT 32:28 Want het is een volk zonder begrip en alle inzicht ontbreekt hun. DEUT 32:29 Waren zij wijs, zij zouden het vatten en acht slaan op wat nog gaat komen. DEUT 32:30 Hoe kon een man er duizend verjagen en twee er tienduizend doen vluchten, als niet hun rots hen verkocht had, als Jahwe hen niet in de steek had gelaten? DEUT 32:31 Onze rots is niet als de hunne: dat zullen zij zelf erkennen. DEUT 32:32 Uit Sodom stamt hun wijnstok, uit de wijngaarden van Gomorra; hun druiven zijn giftige druiven, zij dragen bittere trossen, DEUT 32:33 hun wijn is slangevenijn en wrang als adderengif. DEUT 32:34 Wees overtuigd: dat alles bewaar Ik, in mijn schatkamers berg Ik het op DEUT 32:35 voor de dag van wraak en vergelding, de tijd dat hun voeten wankel worden. Ja, hun ongeluksdag is nabij, wat voor hen bestemd is, nadert snel. DEUT 32:36 Jahwe doet recht aan zijn volk, Hij erbarmt zich over zijn dienaars. Als Hij ziet, dat hun kracht is vergaan, dat het bittere eind hen dreigt, DEUT 32:37 zal Hij zeggen: waar zijn hun goden - de rots waar zij op vertrouwden - DEUT 32:38 die het vet van hun slachtoffers aten en dronken de wijn, die zij plengden? Laat zij maar opstaan om u te helpen, laat zij u omringen met hun bescherming! DEUT 32:39 Erken dan: Ik ben het, Ik alleen, er is geen God buiten mij. Ik ben het, die dood maakt en levend. Ik sla wonden en heel ze ook weer; Geen is er die redt uit mijn hand, DEUT 32:40 Ik hef mijn hand naar de hemel; Ik zeg: zowaar Ik in eeuwigheid leef, DEUT 32:41 Ik wet mijn fonkelend zwaard en maak Mij gereed voor het oordeel. Ik neem wraak op mijn vijanden, Ik bestraf degenen die Mij haten. DEUT 32:42 Ik voer mijn pijlen dronken met bloed - mijn zwaard verslindt vlees -, bloed van geslagenen en gevangenen, van de langharige leiders van de vijand. DEUT 32:43 Verblijd u, naties, over zijn volk, want Hij wreekt het bloed van zijn dienaren, op zijn vijanden neemt Hij wraak en zuivert het land voor zijn volk. DEUT 32:44 Mozes trad naar voren en droeg met Hosea, de zoon van Nun, ten aanhoren van het volk de frele tekst van dit lied voor. DEUT 32:45 En toen hij voor heel Israël dit lied had beeindigd, DEUT 32:46 zei hij tot hen: `Neem alle woorden ter harte die ik heden tegen u tot getuige maak, en beveel uw kinderen, dat zij alle bepalingen van deze wet stipt volbrengen. DEUT 32:47 Want het gaat voor u om een belangrijke zaak, waar uw leven van afhangt; ja, daarvan hangt af, hoe lang gij zult leven op de grond, die ge aan de overkant van de Jordaan in bezit gaat nemen.' DEUT 32:48 Diezelfde dag sprak Jahwe tot Mozes: DEUT 32:49 `Ga het Abarimgebergte op, de berg Nebo in Moab, recht tegenover Jericho; dan kunt ge Kanaän zien, het land dat Ik de Israëlieten in bezit geef. DEUT 32:50 Daar zult gij sterven op de berg die ge beklimt en met uw voorvaderen worden verenigd, zoals uw broer Aaron, die op de berg Hor overleed en met zijn voorvaderen werd verenigd. DEUT 32:51 Want gij zijt Mij ontrouw geweest bij de wateren van Meribat-kades, in de woestijn Sin, door bij de Israëlieten geen recht te doen aan mijn heiligheid. DEUT 32:52 Vanuit de verte moogt ge kijken naar het land, dat Ik de Israëlieten schenk, maar ge zult er niet binnengaan.' DEUT 33:1 Dit is de zegen, die Mozes, de man Gods, voor zijn dood over de Israëlieten uitsprak. DEUT 33:2 Hij zei: Jahwe is van de Sinaï gekomen, uit seïr stralend over hen opgegaan, van het Parangebergte in luister verschenen. Ontelbare heiligen waren met Hem, machtigen gingen aan zijn zijde. DEUT 33:3 Met liefde omringt Gij uw volk, de heilig en zijn in uw hand; en zij, zij volgen uw schreden en trekken achter u aan. DEUT 33:4 Mozes heeft ons een wet gegeven, het bezit van Jakobs gemeente. DEUT 33:5 Er is in Jesurun een koning gekomen, toen de leiders van het volk vergaderden, toen Israëls stammen bijeenkwamen. DEUT 33:6 Ruben moet leven, hij mag niet sterven. al is hij maar klein in getal. DEUT 33:7 Van Juda zei hij: Hoor, Jahwe, naar het roepen van Juda en breng hem terug bij zijn volk. Maak zijn daden machtig en help hem tegen zijn vijand 8 Van Levi zei hij Geef aan levi uw toem- mim, de oerim aan uw getrouwe, die Gij beproefd hebt te Massa, getoetst bij het water van Meriba. DEUT 33:9 Hij is het, die zei van zijn vader en moeder: Ik bekommer mij niet om hen. Hij schonk aan zijn broers geen aandacht en keek niet om naar zijn kinderen, maar aan uw woord hield hij vast, aan uw verbond was hij trouw. DEUT 33:10 Zij leren Jakob uw geboden en Israël uw wet; zij brengen U geurige gaven, op uw altaar branden zij offers. DEUT 33:11 Zegen, Jahwe, zijn kracht, begunstig al wat hij doet. Breek zijn tegenstander de lenden, dat zijn vijand niet meer opstaat. DEUT 33:12 Van Benjamin zei hij: Jahwe's beminde woont veilig bij Hem, altijd beschermt hem de Hoogste, die tussen zijn heuvels woont. DEUT 33:13 Van Jozef zei hij: Gezegend door Jahwe zijn land met de edele dauw uit de hemel, met het water van onder de aarde, DEUT 33:14 met het mooiste dat rijpt in de zon, dat groeit bij de wisselende maan, DEUT 33:15 met het puik van de aloude bergen, de keur van de eeuwige heuvels, DEUT 33:16 met het beste dat de aarde bezit: de gunst van die woont in de doornstruik. Deze zegen moge komen op het hoofd van Jozef, op de kruin van de gewijde onder zijn broers. DEUT 33:17 Prachtig is hij, een eerstgeboren stier, met horens als een buffel: hij stoot er de volken mee neer, allemaal, tot het eind van de aarde. Dat zijn de tienduizenden van Efraim, de duizenden van Manasse. DEUT 33:18 Van Zebulon zei hij: Vier feest, Zebulon, als ge uittrekt, vier feest, Issakar, in uw tenten. DEUT 33:19 Zij nodigen hun verwanten naar de berg, waar zij passende offers brengen Zij halen rijkdom uit de zee, verborgen schatten uit het zand. DEUT 33:20 Van Gad zei hij: Gezegend Hij, die ruimte geeft aan Gad: hij ligt neer als een leeuw, met een arm en een schedel als buit. DEUT 33:21 Het beste gebied koos hij voor zichzelf, waar de taak van een leider hem wachtte. Als de hoofden bijeenkwamen, bracht hij Jahwe's wil ten uitvoer en zijn besluiten over Israël. DEUT 33:22 Van Dan zei hij: Dan is een jonge leeuw, die voorwaarts stormt uit Basan. DEUT 33:23 Van Naftali zei hij: Naftali heeft de gunst van Jahwe en is vervuld van zijn zegen. De zee en het zuidland bezit hij. DEUT 33:24 Van Aser zei hij: Boven alle zonen zij Aser gezegend, het meest geliefd van zijn broers; hij moge zijn voeten in olie baden. DEUT 33:25 Mogen uw grendels van ijzer en brons zijn, dat uw sterkte altijd mag blijven. DEUT 33:26 Jesurun, geen is er als God: Hij rijdt met macht langs de hemel, met majesteit over de wolken. DEUT 33:27 De God van oudsher is uw toevlucht, wijd open zijn de armen van de Eeuwige. De vijand drijft Hij voor u uit, Hij beveelt u: sla hem ter neer. DEUT 33:28 Israël woont veilig, ongestoord is Jakobs verblijf in een land van koren en most, waar de hemelen druipen van dauw. DEUT 33:29 Wie, Israël, is er gelukkig als gij, gij volk, bevrijd door Jahwe, die u zijn hulp heeft verleend en uw machtig zwaard heeft gezegend! Uw vijanden kruipen voor u, en gij, op hun ruggen zet gij uw voet. DEUT 34:1 Toen ging Mozes uit de vlakte de berg Nebo op, naar de top van de Pisga, recht tegenover Jericho. En Jahwe liet hem het hele land zien: Gilead tot aan Dan toe, DEUT 34:2 heel Naftali, het gebied van Efraim en Manasse, het gebied van Juda tot aan de Zee in het westen, DEUT 34:3 de Negeb, de Jordaanstreek, de vlakte van Jericho, de palmenstad, tot Soar toe. DEUT 34:4 Toen zei Jahwe tot hem: `Dat is nu het land, waarvan Ik aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofd heb: Aan uw nakomelingen zal Ik het geven. Ik heb het u met uw eigen ogen laten zien, ofschoon ge de overtocht daarheen niet zult meemaken.' DEUT 34:5 Daar in Moab stierf Mozes, de dienaar van Jahwe, zoals deze gezegd had. DEUT 34:6 Hij werd begraven in het dal, bij Bet-peor in Moab; tot op heden weet niemand waar zijn graf ligt. DEUT 34:7 Mozes was honderdtwintig jaar, toen hij stierf; zijn ogen waren niet verzwakt en zijn krachten niet afgenomen. 8 In de vlakte van Moab treurden de Israëlieten dertig dagen over Mozes, totdat de rouwtijd voorbij was. DEUT 34:9 Jozua, zoon van Nun, was van de geest van wijsheid vervuld, sinds Mozes hem de handen had opgelegd, en de Isralieten gehoorzaamden hem en deden wat Jahwe aan Mozes had opgedragen; DEUT 34:10 maar er is in Israël geen profeet meer opgestaan als Mozes, die Jahwe van aangezicht tot aangezicht gekend had DEUT 34:11 en die, door Jahwe gezonden, in Egypte aan Farao, aan zijn hovelingen en aan heel zijn land al die tekenen en wonderen gedaan had DEUT 34:12 en met grote macht ten aanschouwen van Israël indrukwekkende daden verricht had. JOZUA JOZ 1:1 Na de dood van Mozes, de dienaar van Jahwe, sprak Jahwe tot Jozua, de zoon van Nun, de helper van Mozes: JOZ 1:2 `Mijn dienaar Mozes is gestorven. Nu moet gij u gereed maken om met heel dit volk de Jordaan over te trekken naar het land dat Ik aan de Israëlieten ga geven. JOZ 1:3 Zoals Ik Mozes beloofd heb, geef Ik u iedere plek die uw voetzool betreedt; JOZ 1:4 uw gebied zal zich uitstrekken van de woestijn tot de Libanon en van de Grote Rivier, de Eufraat - heel het gebied van de Hethieten - tot aan de Grote Zee in het westen. JOZ 1:5 Niemand zal u kunnen weerstaan, al de dagen van uw leven. Ik zal met u zijn zoals Ik met Mozes ben geweest. Ik zal u niet begeven en u niet verlaten. JOZ 1:6 Wees sterk en moedig; gij zult dit volk in het bezit brengen van het land dat Ik hun vaderen onder ede beloofd heb. JOZ 1:7 Wees zeer sterk en moedig en onderhoud nauwkeurig heel de wet die mijn dienaar Mozes u gegeven heeft. Wijk daar niet van af, naar rechts noch naar links; dan zal het u goed gaan, waar gij ook gaat. JOZ 1:8 Nooit moet ge ophouden in dat wetboek te lezen. Ge moet het dag en nacht overwegen en ge moet alles wat daarin geschreven staat nauwkeurig volbrengen. Dan zult gij voorspoed en geluk hebben in alles wat gij doet. JOZ 1:9 Ik herhaal: Wees sterk en moedig en laat u door geen vrees verlammen, want Jahwe uw God is met u, waar gij ook gaat.' JOZ 1:10 Toen gaf Jozua aan de schrijvers de opdracht JOZ 1:11 het kamp rond te gaan met het bevel: `Maak proviand gereed, want over drie dagen trekt u over de Jordaan om bezit te nemen van het land dat Jahwe uw God u in eigendom geeft.' JOZ 1:12 Tot de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse had Jozua gezegd: JOZ 1:13 `Denkt aan de opdracht die Mozes, de dienaar van Jahwe, u heeft gegeven: Jahwe uw God heeft u rust verleend en u dit land geschonken; JOZ 1:14 uw vrouwen en kinderen en uw vee kunnen in het land blijven dat Mozes u in het Overjordaanse gegeven heeft, maar uw mannen moeten gewapend voor uw broeders uittrekken om hen te helpen. JOZ 1:15 Zodra Jahwe aan uw broeders dezelfde rust geschonken heeft als aan u en ook zij het land in bezit hebben genomen dat Jahwe uw God hun geeft, moogt u terugkeren en genieten van het bezit van uw eigen land, dat Mozes, de dienaar van Jahwe, u ten oosten van de Jordaan gegeven heeft.' JOZ 1:16 Zij hadden geantwoord: `Wij zullen al uw bevelen opvolgen en overal heengaan waar u ons zendt. JOZ 1:17 Zoals wij altijd naar Mozes geluisterd hebben, zullen wij ook luisteren naar u. Moge Jahwe uw God met u zijn, zoals Hij met Mozes is geweest. JOZ 1:18 Iedereen die zich tegen een bevel van u verzet en niet naar u luistert, als u ons iets opdraagt, zal ter dood gebracht worden. U moet echter sterk en moedig zijn.' JOZ 2:1 Jozua, de zoon van Nun, stuurde vanuit Sittim twee spionnen weg met de opdracht: `Gaat het land erkennen, en bekijkt met name Jericho.' Zij gingen op weg en kwamen in het huis van een hoer, die Rachab heette. Daar bleven zij slapen. JOZ 2:2 De koning van Jericho werd gewaarschuwd: `Er zijn hier vannacht enkele Israëlieten aangekomen om het land te verkennen.' JOZ 2:3 Daarop liet de koning van Jericho aan Rachab zeggen: `Lever de mannen uit die bij u hun intrek hebben genomen, want ze hebben de bedoeling het land te verkennen.' JOZ 2:4 Maar de vrouw bracht de beide mannen naar een schuilplaats en antwoordde toen: `Ja, die mannen zijn wel bij me geweest, maar ik wist niet waar ze vandaan kwamen. JOZ 2:5 Tegen donker, vlak voor de stadspoort dichtging, zijn ze weggegaan, waarheen weet ik niet. Maar als u ze onmiddellijk achterna gaat, haalt u ze nog wel in.' JOZ 2:6 Zij had hen op het dak gebracht en hen verborgen onder het vlas, dat daar op rekken te drogen hing. JOZ 2:7 Daarop gingen ze hen achterna in de richting van de doorwaadbare plaatsen in de Jordaan. Zodra de achtervolgers de stad uit waren, werd de poort weer gesloten. JOZ 2:8 Nog voor de mannen waren gaan slapen, kwam de vrouw bij hen op het dak JOZ 2:9 en zei: `Ik weet dat Jahwe jullie het land heeft gegeven: de angst voor jullie heeft ons overvallen en alle bewoners van het land sidderen voor jullie. JOZ 2:10 Wij hebben gehoord, dat Jahwe bij de uittocht uit Egypte de Rietzee voor jullie heeft drooggelegd en dat jullie in het Overjordaanse de twee koningen van de Amorieten, Sichon en Og, met de ban hebt geslagen. JOZ 2:11 Toen wij dat hoorden, is ons de schrik om het hart geslagen en heeft niemand nog de moed gehad iets tegen jullie te ondernemen. Werkelijk, Jahwe jullie God is God in de hemel boven en op de aarde beneden. JOZ 2:12 Zweert dan bij Jahwe, dat jullie je over mijn familie zult ontfermen, zoals ik mij over jullie heb ontfermd. Dan heb ik een bewijs dat ik jullie kan vertrouwen JOZ 2:13 en dat je mijn vader en moeder, mijn broers en zusters en al hun verwanten in leven zult laten en ons van de dood zult redden.' JOZ 2:14 De mannen antwoordden: `Wij staan met ons leven borg voor jullie. Als jij onze plannen niet verraadt, zullen wij jullie onze dankbaarheid en trouw bewijzen, wanneer Jahwe ons het land heeft overgeleverd.' JOZ 2:15 Toen liet zij hen aan een touw door het raam naar beneden; haar huis stond namelijk tegen de stadsmuur, zodat ze in de muur woonde. JOZ 2:16 Ze zei nog tegen hen: `Jullie moeten de bergen ingaan, dan zullen de achtervolgers je niet vinden. Houdt je daar drie dagen schuil tot zij terug zijn; dan kun je verder gaan.' JOZ 2:17 Daarop zeiden de mannen: `Wij zullen ons houden aan de eed, die je van ons gevraagd hebt. JOZ 2:18 Als wij het land binnentrekken, moet je dit rode koord aan het raam binden, waardoor je ons naar beneden hebt gelaten, en je vader en moeder, je broers met heel je familie bij je in huis brengen. JOZ 2:19 Als iemand uit je huis de straat opgaat, komt zijn bloed op zijn eigen hoofd: wij dragen dan geen verantwoording. Wij zijn wel verantwoordelijk als men de hand slaat aan iemand die bij je in huis is. JOZ 2:20 Maar als je onze plannen verraadt, zijn wij ontslagen van de eed, die je van ons gevraagd hebt.' JOZ 2:21 Zij antwoordde: `Dat is afgesproken.' Ze liet hen gaan en bond het rode koord aan het raam. JOZ 2:22 De mannen trokken de bergen in en bleven daar drie dagen, tot de achtervolgers teruggekeerd waren: die achtervolgers hadden op alle wegen gezocht en niets gevonden. JOZ 2:23 Toen kwamen de beide mannen uit de bergen naar beneden, staken de Jordaan over en kwamen bij Jozua, de zoon van Nun. Zij vertelden wat hun was overkomen JOZ 2:24 en zeiden: `Jahwe heeft ons het land in handen gegeven; de bewoners zijn nu al doodsbang voor ons.' JOZ 3:1 De volgende morgen vertrokken Jozua en de Israëlieten uit Sittim. Zij bereikten de Jordaan en zij overnachtten daar voor zij overstaken. JOZ 3:2 De derde dag gingen de schrijvers het kamp door JOZ 3:3 en gaven het volk het bevel: `Als u ziet, dat de levitische priesters de ark van het verbond van Jahwe uw God opnemen, trekt er dan achter aan, JOZ 3:4 maar bewaart een afstand van tweeduizend el en komt niet dichterbij. U zult dan zien, welke weg u moet volgen, want u bent hier nog nooit geweest.' JOZ 3:5 Jozua zei tot het volk: `Heiligt u, want morgen zal Jahwe wonderbare dingen bij u doen.' JOZ 3:6 Tot de priesters zei Jozua: `Draagt de ark van het verbond voor het volk uit.' Daarop droegen zij de ark van het verbond voor het volk uit. JOZ 3:7 En Jahwe sprak tot Jozua: `Van nu af aan zal Ik zorgen, dat gij hoog in aanzien komt bij de Israëlieten. Zij moeten weten dat Ik met u ben, zoals Ik met Mozes ben geweest. JOZ 3:8 Daarom moet ge de priesters die de ark van het verbond dragen bevel geven: Als u aan de oever van de Jordaan komt, gaat dan in de rivier staan.' JOZ 3:9 Toen zei Jozua tot de Israëlieten: `Komt luisteren naar wat Jahwe uw God u te zeggen heeft.' JOZ 3:10 En Jozua zei: `Nu zult u ondervinden dat de levende God bij u is en dat hij de Kanaänieten, Hethieten, Chiwwieten, Perizzieten, Girgasieten, Amorieten en Jebusieten voor u zal verdrijven. JOZ 3:11 De ark van het verbond van de Heer van heel de aarde zal u voorgaan, de Jordaan in. JOZ 3:12 Zoekt twaalf mannen uit, een uit elke stam van Israël. JOZ 3:13 Zodra de priesters die de ark van Jahwe, de Heer van heel de aarde, dragen hun voetzool in het water van de Jordaan hebben gezet, zal het water hogerop in de Jordaan afgesneden worden en als een muur blijven staan.' JOZ 3:14 Toen het volk opbrak om over de Jordaan te trekken, gingen de priesters, die de ark van het verbond droegen, voor het volk uit. JOZ 3:15 En zodra de priesters die de ark droegen bij de Jordaan kwamen en een voet in het water zetten - de Jordaan treedt in de oogsttijd overal buiten zijn oevers - JOZ 3:16 bleef stroomopwaarts het water staan; in de verte, bij de stad Adam, in de omgeving van Saretan, rees het op als een muur; en het water dat wegstroomde naar de zee van Araba, de Zoutzee, werd er volkomen van afgesneden. Zo trok het volk bij Jericho de rivier over. JOZ 3:17 Terwijl de Israëlieten over de droge bedding trokken, stonden de priesters, die de ark van het verbond van Jahwe droegen, midden in de Jordaan en zij bleven op de droge bedding staan tot heel het volk de Jordaan was overgetrokken. JOZ 4:1 Toen het volk de Jordaan was overgetrokken, sprak Jahwe tot Jozua: JOZ 4:2 `Zoek twaalf mannen uit, van iedere stam een, JOZ 4:3 en geef hun deze opdracht: Haalt twaalf stenen uit de Jordaan, van de plek waar de voeten van de priesters staan. Brengt ze naar deze kant en legt ze op de plaats waar vannacht uw kamp staat.' JOZ 4:4 Daarop riep Jozua de twaalf mannen die hij uit de Isralieten had laten aanwijzen bijeen, een uit iedere stam, JOZ 4:5 en zei tot hen: `Gaat de Jordaan in tot bij de ark van Jahwe uw God en neemt ieder een steen op uw schouder, naar het aantal van de stammen van Israël, JOZ 4:6 om daarmee een gedenkteken op te richten. Als uw kinderen later vragen: Wat betekenen die stenen?, JOZ 4:7 dan moet u zegen: Die betekenen, dat de Jordaan voor de ark van het verbond van Jahwe is afgesneden. Bij de overtocht is de Jordaan afgesneden; daarom zijn deze stenen voor de Israëlieten een blijvend gedenkteken.' JOZ 4:8 De Israëlieten deden wat Jozua hun opdroeg. Zoals Jahwe aan Jozua had opgedragen, haalden zij, naar het aantal van de stammen van Israël, twaalf stenen uit het midden van de Jordaan, brachten die naar het kamp en legden ze daar neer. JOZ 4:9 Twaalf stenen heeft Jozua midden in de Jordaan laten leggen, op de plek waar de voeten van de priesters gestaan hadden, die de ark van het verbond droegen. Ze liggen daar tot op de huidige dag. JOZ 4:10 De priesters, die de ark van het verbond droegen, bleven midden in de Jordaan staan, tot alles ten uitvoer was gebracht wat Jozua, in opdracht van Jahwe en krachtens zijn aanstelling door Mozes, aan het volk had bevolen. Het volk trok haastig naar de overkant. JOZ 4:11 Toen het volk aan de overkant was, trokken ook de priesters met de ark van Jahwe onder de ogen van het volk naar de andere oever. JOZ 4:12 De strijdbare mannen van Ruben, Gad en de halve stam Manasse waren aan de spits van de Israëlieten de rivier overgetrokken, zoals Mozes bevolen had. JOZ 4:13 Met ongeveer veertigduizend gewapende mannen waren ze langs de ark van Jahwe de rivier overgetrokken om in de vlakte van Jericho de strijd te beginnen. JOZ 4:14 Die dag heeft Jahwe Jozua bij alle Israëlieten zozeer in aanzien doen stijgen, dat ze voor hem evenveel ontzag kregen als voor Mozes, toen die nog leefde. JOZ 4:15 En Jahwe sprak tot Jozua: JOZ 4:16 `Gelast de priesters, die de ark met de verbondsakte dragen, uit de Jordaan te komen.' JOZ 4:17 Jozua gelastte dus de priesters: `Komt uit de Jordaan.' JOZ 4:18 Toen trokken de priesters, die de ark van het verbond van Jahwe droegen, uit het midden van de Jordaan weg. En nauwelijks hadden de voetzolen van de priesters het droge bereikt, of het water van de Jordaan hernam zijn loop en trad weer buiten zijn oevers. JOZ 4:19 Op de tiende dag van de eerste maand is het volk van de Jordaan weggetrokken. Zij sloegen hun kamp op bij Gilgal, aan de oostgrens van Jericho. JOZ 4:20 De twaalf stenen, die zij uit de Jordaan hadden meegenomen, stelde Jozua op bij Gilgal JOZ 4:21 en hij zei tot de Israëlieten: `Als uw kinderen later aan hun vader vragen: Wat betekenen die stenen?, JOZ 4:22 dan moet u uw kinderen deze uitleg geven: Hier is Israël over de droge bedding van de Jordaan getrokken. JOZ 4:23 Jahwe, uw God heeft de Jordaan voor jullie drooggelegd, tot jullie de andere oever bereikt had, zoals Hij ook de Rietzee voor ons heeft drooggelegd, tot wij er doorheen waren. JOZ 4:24 Daardoor zullen alle volken van de aarde weten, hoe machtig de hand van Jahwe jullie God is en zullen jullie altijd ontzag voor Hem hebben.' JOZ 5:1 Toen de koningen van de Amorieten ten westen van de Jordaan en de koningen van de Kanaänieten in de kuststreek hoorden, dat Jahwe de Jordaan voor de Israëlieten had drooggelegd totdat zij naar de overkant getrokken waren, sloeg hun de schrik om het hart; zij hadden geen moed meer om nog tegen de Israëlieten te strijden. JOZ 5:2 In die tijd sprak Jahwe tot Jozua: `Ge moet stenen messen maken om de Israëlieten opnieuw, voor de tweede keer, te besnijden.' JOZ 5:3 Jozua liet dus stenen messen maken en besneed de Israëlieten bij de Voorhuidenheuvel. JOZ 5:4 De reden waarom Jozua hen besneed was deze: Alle strijdbare mannen, die uit Egypte waren getrokken, waren tijdens de tocht uit Egypte onderweg in de woestijn gestorven. JOZ 5:5 Bij het vertrek uit Egypte was heel het volk wel besneden, maar allen die onderweg in de woestijn waren geboren, waren niet besneden. JOZ 5:6 Veertig jaar lang immers hadden de Israëlieten in de woestijn gezworven, totdat niemand meer in leven was van al de strijdbare mannen, die uit Egypte waren getrokken en die niet naar de stem van Jahwe hadden geluisterd. Jahwe had gezworen, dat deze mannen niet het land van melk en honing zouden zien, dat Hij aan hun vaderen onder ede beloofd had. JOZ 5:7 Jahwe had hun zonen in hun plaats gesteld en deze zonen liet Jozua nu besnijden; zij waren nog onbesneden, omdat men ze onderweg niet besneden had. JOZ 5:8 Nadat alle mannen besneden waren, bleven zij in het kamp tot zij waren genezen. JOZ 5:9 En Jahwe sprak tot Jozua: `Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld.' Daarom heet die plaats Gilgal, tot op de huidige dag. JOZ 5:10 Terwijl de Israëlieten in Gilgal gelegerd waren, vierden zij het paasfeest op de veertiende dag van de maand, in de avond, in de vlakte van Jericho. JOZ 5:11 En daags na pasen, juist op die dag, aten zij ongezuurd brood en geroosterd graan dat uit het land zelf afkomstig was. JOZ 5:12 De volgende dag hield het manna op; ze konden nu eten wat het land opbracht. Voortaan kregen de Israëlieten geen manna meer: gedurende dat jaar aten zij datgene wat Kanaän opbracht. JOZ 5:13 Toen Jozua zich in de omgeving van Jericho bevond, zag hij plotseling een man voor zich staan, met een getrokken zwaard in zijn hand. Hij ging op hem af en vroeg: `Bent u een van ons of en van de vijand?' JOZ 5:14 De man antwoordde: `Geen van beide; ik ben de aanvoerder van het leger van Jahwe. Daarom ben ik gekomen.' Toen wierp Jozua zich vol eerbied ter aarde en vroeg: `Wat komt mijn heer zijn dienaar zeggen?' JOZ 5:15 De aanvoerder van het leger van Jahwe antwoordde: Doe uw sandalen uit, want de plaats waar gij staat is heilig.' En Jozua deed het. JOZ 6:1 Intussen had Jericho zijn poorten gesloten en zij bleven gesloten uit vrees voor de Israëlieten. Niemand kon de stad in of uit. JOZ 6:2 Toen sprak Jahwe tot Jozua: `Ik lever Jericho, zijn koning en zijn soldaten aan u over. JOZ 6:3 Gij moet met alle weerbare mannen een keer om de stad trekken, zes dagen achtereen. JOZ 6:4 Daarbij moeten zeven priesters met zeven ramshoorns voor de ark uit gaan. Op de zevende dag moet gij zeven keer om de stad trekken, terwijl de priesters op de hoorns blazen. JOZ 6:5 Als dan de ramshoorns geblazen worden en gij het signaal hoort, moet het hele volk uit alle macht beginnen te schreeuwen. Dan stort de stadsmuur in en moet het volk naar boven klimmen ieder recht voor zich uit.' JOZ 6:6 Toen riep Jozua, de zoon van Nun, de priesters en zei hun: `Neemt de ark van het verbond op en laten zeven priesters met zeven ramshoorns voor de ark uitgaan.' JOZ 6:7 Tot het volk zei hij: `Trekt rond de stad en laten de gewapende mannen voor de ark van Jahwe uittrekken.' JOZ 6:8 Zodra Jozua dit gezegd had, trokken zeven priesters voor Jahwe uit en bliezen op zeven ramshoorns; de ark van het verbond van Jahwe kwam achter hen aan. JOZ 6:9 De gewapende mannen liepen voor de priesters die de hoorns bliezen, de overigen liepen achter de ark. Tijdens de hele tocht werd er op de hoorns geblazen. JOZ 6:10 Jozua had het volk opgedragen: `U moogt niet roepen en u niet laten horen; er mag geen geluid van uw lippen komen tot de dag waarop ik beveel te schreeuwen. Dan moet u schreeuwen.' JOZ 6:11 Hij liet de ark van Jahwe een keer rond de stad dragen. Daarna keerde men terug naar het kamp om er de nacht door te brengen. JOZ 6:12 In alle vroegte stond Jozua op. De priesters namen de ark van Jahwe; JOZ 6:13 de zeven priesters met de zeven ramshoorns gingen voor de ark van Jahwe uit, terwijl zij voortdurend op de hoorns bliezen. De gewapende mannen liepen voor hen uit, de overigen liepen achter de ark. En tijdens de hele tocht werd er op de hoorns geblazen. JOZ 6:14 Ook de tweede dag trokken zij een keer om de stad: daarna keerden zij terug in het kamp. Zo deden zij zes dagen achtereen. JOZ 6:15 In de morgen van de zevende dag, bij het aanbreken van de dag, trokken zij op de voorgeschreven wijze zeven maal om de stad. JOZ 6:16 En toen de priesters de zevende keer op de ramshoorns bliezen, zei Jozua tot het volk: `Nu schreeuwen! Jahwe levert de stad aan u over. JOZ 6:17 De stad met al wat erin is moet door de ban aan Jahwe gewijd worden; alleen de hoer Rachab en allen die bij haar in huis zijn mogen in leven blijven, omdat zij de spionnen die wij gestuurd hadden heeft verborgen. JOZ 6:18 Blijft dus af van wat onder de ban ligt, anders komt u zelf ook onder de ban. Als u er iets van wegneemt, brengt u het kamp van Israël onder de ban en stort u het in het ongeluk. JOZ 6:19 Het goud en het zilver en alle voorwerpen van brons of ijzer zijn Jahwe toegeheiligd; ze moeten bij de schat van Jahwe gevoegd worden.' JOZ 6:20 Toen begon het volk te schreeuwen en werden de hoorns geblazen. Bij het schallen van de hoorns begon het volk uit alle macht te schreeuwen. De muur stortte in, het volk klom naar boven, ieder recht voor zich uit, en zij veroverden de stad. JOZ 6:21 Alles in de stad sloegen zij met de ban, mannen en vrouwen, kinderen en grijsaards, runderen, schapen en ezels, een prooi voor het zwaard. JOZ 6:22 Tot de twee mannen die het land hadden verkend, had Jozua gezegd: `Gaat nu naar het huis van de hoer en haalt de vrouw met al haar familieleden eruit, zoals u haar onder ede beloofd hebt.' JOZ 6:23 De spionnen gingen er dus heen en brachten Rachab, haar vader en moeder, haar broers en overige familieleden met al hun verwanten de stad uit; zij wezen hun een verblijfplaats aan buiten het kamp van Israël. JOZ 6:24 De stad met al wat erin was staken zij in brand; al het goud en zilver en de voorwerpen van brons en ijzer voegden zij bij de schat van het huis van Jahwe. JOZ 6:25 De hoer Rachab met heel haar familie, allen die bij haar hoorden, liet Jozua in leven. Zij wonen in Israël, tot op de huidige dag, omdat Rachab de mannen had verborgen die Jozua had uitgezonden om Jericho te verkennen. JOZ 6:26 Bij die gelegenheid heeft Jozua gezworen: `Vervloekt bij Jahwe de man, die het waagt deze stad - Jericho - te herbouwen. De fundamenten die hij legt kosten hem zijn oudste zoon, de poorten die hij opricht zijn jongste.' JOZ 6:27 En Jahwe was met Jozua, en zijn roem ging door het hele land. JOZ 7:1 Maar de Israëlieten vergrepen zich aan de ban. Achan, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerach, uit de stam Juda, nam iets van het verboden goed en daarom ontbrandde de toorn van Jahwe tegen de Israëlieten. JOZ 7:2 Nu zond Jozua vanuit Jericho enkele mannen naar Ai bij het Bet-awen, ten oosten van Betel, met de opdracht: `Gaat de streek verkennen.' De mannen trokken uit om Ai te verkennen. JOZ 7:3 En bij hun terugkeer berichtten zij aan Jozua: `U hoeft niet met het hele leger uit te trekken; twee- of drieduizend man is genoeg om Ai te veroveren. Het is niet nodig daar het hele volk voor te vermoeien: zo talrijk zijn ze niet.' JOZ 7:4 Zij trokken er dus met drieduizend mannen heen, maar die gingen voor de mannen van Ai op de vlucht. JOZ 7:5 De mannen van Ai doodden er ongeveer zesendertig; zij achtervolgden de Israëlieten van de stadspoort af tot bij de steengroeven en zij versloegen hen op de helling. Het volk was met moedeloosheid geslagen. JOZ 7:6 Jozua scheurde zijn kleren en wierp zich voor de ark van Jahwe met zijn aangezicht op de grond, hij en de oudsten van Israël. Zij strooiden stof op hun hoofd en bleven tot de avond op de grond liggen. JOZ 7:7 En Jozua bad: `Ach, Jahwe mijn Heer, Gij hebt ons toch niet over de Jordaan laten trekken om uw volk over te leveren aan de Amorieten en ons te vernietigen? Hadden wij maar besloten om aan de overkant van de Jordaan te blijven! JOZ 7:8 Ik bid U, Heer, wat moet ik zeggen, nu Israël voor zijn vijanden op de vlucht is geslagen? JOZ 7:9 Als de Kanaänieten en de andere bewoners van het land dit horen, zullen zij van alle kanten op ons afkomen en onze naam wegvagen uit dit land. Wat doet Gij nu om uw naam hoog te houden?' JOZ 7:10 Toen sprak Jahwe tot Jozua: `Sta op! Waarom ligt gij daar op uw aangezicht? JOZ 7:11 Israël heeft gezondigd. Het verbond dat Ik hun heb opgelegd, hebben zij geschonden. Zij hebben iets weggenomen van het verboden goed; zij hebben ervan gestolen en dat bedrieglijk bij hun eigen bezit gelegd. JOZ 7:12 Nu kunnen ze voor hun vijanden geen stand houden en slaan ze voor hen op de vlucht omdat ze onder de ban gekomen zijn. Ik zal niet meer met u zijn als gij niet vernietigt wat onder de ban ligt. JOZ 7:13 Sta op, heilig het volk en zeg hun: Heiligt u voor morgen, want zo spreekt Jahwe, de God van Israël: Er zijn verboden goederen bij u, Israël! Gij kunt niet standhouden tegen uw vijanden, voordat gij die hebt verwijderd. JOZ 7:14 Morgen moet gij aantreden, stam na stam; en de stam die Jahwe aanwijst moet naar voren treden, geslacht na geslacht; en het geslacht dat Jahwe aanwijst moet naar voren treden, familie na familie; en de familie die Jahwe aanwijst moet naar voren treden, man na man. JOZ 7:15 En de man die als schuldige wordt aangewezen zal met al zijn bezit worden verbrand, want hij heeft het verbond van Jahwe geschonden en een schanddaad in Israël begaan.' JOZ 7:16 De volgende morgen liet Jozua Israël stam na stam aantreden. En de stam Juda werd aangewezen. JOZ 7:17 Toen liet hij de geslachten van Juda naar voren treden. En het geslacht Zerach werd aangewezen. Daarop liet hij het geslacht van Zerach man na man naar voren treden. En Zabdi werd aangewezen. JOZ 7:18 Daarop liet hij de familie van Zabdi man na man naar voren treden. En Achan werd aangewezen, de zoon van Karmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerach, uit de stam Juda. JOZ 7:19 Jozua zei tot Achan: `Mijn zoon, geef eer aan Jahwe, de God van Israël, en breng Hem hulde: vertel mij wat u gedaan hebt zonder iets te verbergen.' JOZ 7:20 En Achan antwoordde: `Het is waar, ik heb gezondigd tegen Jahwe, de God van Israël. Zo is het gegaan: JOZ 7:21 ik zag bij de buit een mantel uit Sinear, een mooi stuk, tweehonderd sikkel zilver en een gouden staaf van vijftig sikkel. Ik wilde ze graag hebben en ik nam ze mee. Ze zijn verstopt in de grond onder mijn tent, het zilver ligt onderop.' JOZ 7:22 Op bevel van Jozua gingen enkele mannen onmiddellijk naar de tent; en inderdaad, het was daar verstopt en het zilver lag onderop. JOZ 7:23 Zij haalden alles uit de tent, brachten het bij Jozua en bij alle Israëlieten en legden het voor Jahwe neer. JOZ 7:24 Toen liet Jozua Achan, de zoon van Zerach, grijpen, met het zilver, de mantel en de staaf goud, met zijn zonen en dochters, met zijn runderen, ezels en kleinvee, met zijn tent en al zijn bezittingen. Heel Israël was er bij. Zij voerden hen naar het Achordal. JOZ 7:25 En Jozua sprak: `Omdat u ons in het ongeluk hebt gestort, stort Jahwe u vandaag in het ongeluk!' En heel Israël stenigde hen; zij verbrandden hen en wierpen stenen op hen. JOZ 7:26 Daarna richtten zij boven hen een grote steenhoop op, die er op de huidige dag nog ligt. Toen bedaarde de hevige toorn van Jahwe. Daarom heet die plaats nu nog het Achordal. JOZ 8:1 Jahwe sprak tot Jozua: `Wees niet bang, aarzel niet, trek nu met alle gewapende mannen op tegen Ai: Ik lever de koning van Ai met zijn volk; zijn stad en zijn gebied aan u over. JOZ 8:2 Gij moet Ai en zijn koning op dezelfde wijze behandelen als Jericho en zijn koning, maar de buit en het vee kunt gij zelf houden. Leg aan de andere kant van de stad een hinderlaag.' JOZ 8:3 Daarop maakte Jozua zich met het leger gereed om tegen Ai op te rukken. Hij zocht dertigduizend soldaten uit en stuurde die in de nacht op weg JOZ 8:4 met de opdracht: `Jullie moeten aan de andere kant van de stad in hinderlaag gaan liggen, maar niet te ver van de stad, zodat je steeds ter beschikking bent. JOZ 8:5 Ik ruk zelf met de hoofdmacht tegen de stad op. En wanneer zij dan een uitval doen, evenals de vorige keer, gaan wij op de vlucht. JOZ 8:6 Zij zullen denken: De Israëlieten vluchten weer, evenals de vorige keer. Dan zullen zij ons achtervolgen en zo lokken wij hen van de stad weg. Terwijl wij voor hen vluchten, JOZ 8:7 komen jullie uit de hinderlaag te voorschijn en bezetten de stad. Jahwe, uw God, zal haar aan jullie overleveren. JOZ 8:8 Zodra jullie de stad bezet hebt, moet je ze in brand steken, zoals Jahwe bevolen heeft. Dat is de opdracht die ik jullie geef.' JOZ 8:9 Zo stuurde Jozua hen op weg. Zij gingen naar de plaats van de hinderlaag en bleven daar, tussen Betel en Ai, ten westen van Ai. Maar Jozua bleef die nacht met de hoofdmacht in het kamp. JOZ 8:10 De volgende morgen inspecteerde Jozua het volk en hij trok naar Ai; hijzelf en de oudsten van Israël gingen aan de spits. JOZ 8:11 Met heel de hoofdmacht trok hij op tot dicht bij de stad en nam stelling ten noorden van Ai, zodat het dal tussen hen en de stad lag. JOZ 8:12 Ongeveer vijfduizend man had hij in hinderlaag gelegd tussen Betel en Ai, ten weten van Ai. JOZ 8:13 Zo had hij het volk opgesteld: de hoofdmacht ten noorden van Ai en de troepen in hinderlaag ten westen ervan. Jozua trok in de nacht door de vallei. JOZ 8:14 Toen de koning van Ai dat de volgende morgen zag, haastte hij zich om met heel zijn leger, de mannen van de stad, tegen Israël een uitval te doen op het terrein voor de vallei. Hij wist niet dat er aan de andere kant van de stad een hinderlaag was gelegd. JOZ 8:15 Jozua en de Israëlieten lieten zich door hen terugdrijven en vluchtten in de richting van de woestijn. JOZ 8:16 Toen moedigden ook degenen die og in de stad waren elkaar luid schreeuwend aan om Jozua te achtervolgen. Zo lieten zij zich van de stad weglokken. JOZ 8:17 Er was in Ai en Betel geen man meer over; iedereen deed mee aan de achtervolging van Israël. Zo lieten zij, door Israël te achtervolgen, de stad onverdedigd achter. JOZ 8:18 Toen sprak Jahwe tot Jozua: `Steek uw kromzwaard uit naar Ai; Ik lever de stad aan u over.' En Jozua stak zijn kromzwaard uit naar Ai. JOZ 8:19 Zodra hij zijn hand uitstak, kwamen de troepen uit de hinderlaag te voorschijn, stormden op de stad af, namen haar in en staken haar onmiddellijk in brand. JOZ 8:20 Toen de mannen van Ai omkeken, zagen zij de rook van de stad naar de hemel opstijgen. Op dat moment konden zij geen enkele kant meer uit het leger dat in de richting van de woestijn was gevlucht, had zich tegen zijn achtervolgers gekeerd, JOZ 8:21 want toen Jozua en heel Israël gezien hadden, dat de troepen uit de hinderlaag de stad hadden ingenomen en dat de rook van de stad opsteeg, hadden zij zich omgekeerd en waren tegen de mannen van Ai in de aanval gegaan; JOZ 8:22 de anderen waren uit de stad tegen hen opgerukt, zodat zij van twee kanten door de Israëlieten werden aangevallen. Deze sloegen zo verschrikkelijk op hen in, dat er geen mens ontkwam of ontsnapte. JOZ 8:23 De koning van Ai kregen zij levend in handen en zij brachten hem bij Jozua. JOZ 8:24 Nadat de Israëlieten alle inwoners van Ai buiten in de woestijn hadden gedood, waar dezen hen hadden achtervolgd en nadat allen tot de laatste man toe waren gesneuveld, keerden zij terug naar Ai en doodden ook daar iedereen. JOZ 8:25 In totaal kwamen er op die dag twaalfduizend mensen om, mannen en vrouwen, heel de bevolking van Ai. JOZ 8:26 Jozua trok zijn kromzwaard niet terug, voordat hij alle inwoners van Ai met de ban had geslagen. JOZ 8:27 Wel maakten de Israëlieten zich meester van het vee en de overige buit van de stad, zoals Jahwe aan Jozua had bevolen. JOZ 8:28 Tenslotte liet Jozua Ai platbranden en maakte het tot een blijvende puinhoop, een ruïne, die tot op de huidige dag is blijven bestaan. JOZ 8:29 De koning van Ai liet hij aan een paal ophangen. 's Avonds, bij zonsondergang, gaf Jozua bevel het lijk van de paal af te nemen. Men wierp het voor de ingang van de stadspoort en stapelde er een grote hoop stenen op; die ligt er tot op de huidige dag. JOZ 8:30 Toen bouwde Jozua op de Ebal een altaar voor Jahwe, de God van Israël, JOZ 8:31 een altaar van onbehouwen stenen, zoals Mozes, de dienaar van Jahwe, aan de Israëlieten had voorgeschreven, gelijk geschreven staat in het wetboek van Mozes. Zij droegen er brand- en slachtoffers aan Jahwe op. JOZ 8:32 Toen liet Jozua daar op stenen een afschrift maken van de wet, die Mozes voor de Israëlieten had opgeschreven. JOZ 8:33 Heel Israël, vreemdelingen zowel als geboren Israëlieten, met de oudsten, schrijvers en rechters, stond aan weerskanten van de ark, tegenover de levitische priesters die de ark van het verbond van Jahwe droegen, de ene helft aan de kant van de Gerizzim, de andere helft aan de kant van Ebal. Mozes, de dienaar van Jahwe, had bepaald, dat eerst de zegen over Israël moest worden uitgesproken. JOZ 8:34 Toen las dus Jozua met luide stem de wet voor, woord voor woord, de zegeningen en de vervloekingen, alles wat in het boek van de wet geschreven staat. JOZ 8:35 Geen woord dat Mozes had geschreven werd door Jozua niet voorgelezen, ten aanhoren van de gemeente van Israël, alsook van de vrouwen, de kinderen en de vreemdelingen die met hen meetrokken. JOZ 9:1 Toen de berichten hierover bekend werden bij de overige koningen aan de overkant van de Jordaan in het bergland, in het laagland en langs heel de kust van de Grote Zee tot aan de Libanon, bij de Hethieten, de Amorieten, de Chiwwieten en de Jebusieten, JOZ 9:2 de Kanaänieten, de Perizzieten, sloten zich aaneen om gezamenlijk oorlog te voeren tegen Jozua en de Israëlieten. JOZ 9:3 Ook de inwoners van Gibeon hadden gehoord, hoe Jozua tegen Jericho en Ai was opgetreden. JOZ 9:4 Zij namen hun toevlucht tot een list. Afgezanten van hen begaven zich op weg, met versleten voederzakken op hun ezels, met versleten, gebarsten en gelapte wijnzakken; JOZ 9:5 aan hun voeten hadden ze versleten en gelapte sandalen; ze droegen versleten kleren en hun proviand was uitgedroogd en verkruimeld. JOZ 9:6 Zo kwamen ze naar Jozua in het kamp bij Gilgal en zeiden tot hem en de Israëlieten: `Wij komen uit een ver land; wilt u een verbond met ons sluiten?' JOZ 9:7 Maar de Israëlieten antwoordden aan de chiwwieten: `Misschien woont u vlak bij ons en dan kunnen wij onmogelijk een verbond met u sluiten.' JOZ 9:8 Toen zeiden zij tegen Jozua: `Wij willen uw dienaren zijn.' Jozua vroeg daarop: `Wie bent u en waar komt u vandaan?' JOZ 9:9 Zij antwoordden: `Uit een ver land zijn uw dienaren gekomen, omwille van de naam van Jahwe uw God. Wij hebben alles gehoord wat Hij gedaan heeft in Egypte, JOZ 9:10 en hoe Hij de twee Amoritische koningen in het Overjordaanse behandeld heeft, Sichon, de koning van Chesbon, en Og, de koning van Basan uit Astarot, JOZ 9:11 Daarom hebben onze leiders en onze overige landgenoten tot ons gezegd: Neemt proviand mee voor onderweg. Gaat naar hen toe en zegt hun: Wij willen uw dienaren zijn: wilt u een verbond met ons sluiten? JOZ 9:12 Hier is ons brood. Het was warm toen we het als proviand van huis meenamen en naar u op weg gingen; en kijk eens hoe uitgedroogd en verkruimeld het is. JOZ 9:13 Hier zijn onze wijnzakken. Ze waren nieuw toen wij ze vulden; nu zitten ze vol barsten. En kijk eens naar onze kleren en onze sandalen: ze zijn volkomen versleten door de verre tocht.' JOZ 9:14 Toen namen de Israëlieten iets van hun proviand aan, zonder daarbij Jahwe te raadplegen. JOZ 9:15 Zo sloot Jozua vriendschap met hen en hij beloofde bij verdrag hen in leven te laten. De leiders van de gemeente bekrachtigden dat met een eed. JOZ 9:16 Drie dagen na het sluiten van het verbond merkten de Israëlieten, dat de Chiwwieten vlakbij woonden, in hun eigen gebied. JOZ 9:17 Toen de Israëlieten namelijk verder trokken, bereikten ze al na drie dagen hun steden, Gibeon, Kefira, Beerot en Kirjat-jearim. JOZ 9:18 Toch doodden de Israëlieten hen niet, vanwege de eed waarmee de leiders van de gemeente zich tegenover Jahwe, de God van Israël, gebonden hadden. Toen de gemeente tegen de leiders morde, JOZ 9:19 antwoordden dezen: `Wij hebben ons tegenover Jahwe, de God van Israël, door een eed gebonden; wij mogen hen niet aanvallen. JOZ 9:20 Laat ons zo met hen doen, dat wij hun leven sparen; dan halen wij ons geen toorn op de hals vanwege de eed die wij gezworen hebben.' JOZ 9:21 De leiders zeiden hun: `Zij zullen in leven blijven.' En het gebeurde zoals de leiders over hen hadden gezegd: zij werden houthakkers en waterdragers voor heel de gemeente. JOZ 9:22 Jozua liet de Chiwwieten bij zich roepen en zei: `Waarom hebt u ons bedrogen door te zeggen: Wij wonen heel ver weg, terwijl u vlak bij ons woont? JOZ 9:23 Weest daarom vervloekt: u zult nooit iets anders zijn dan slaven, houthakkers en waterdragers voor het huis van mijn God.' JOZ 9:24 Zij antwoordden: `Uw dienaren hadden vernomen, dat Jahwe uw God aan zijn dienaar Mozes beloofd had, u heel het land te geven en al de bewoners uit te roeien. Wij werden toen doodsbang voor u en daarom hebben wij dat gedaan. JOZ 9:25 Nu zijn wij in uw macht; doe met ons wat u goed en recht lijkt.' JOZ 9:26 Jozua was hun ter wille: hij redde hen uit de hand van de Israëlieten, zodat dezen hen niet doodden. JOZ 9:27 Bij die gelegenheid stelde hij hen aan als houthakkers en waterdragers voor de gemeente en voor het altaar van Jahwe, voor de plaats die Hij zou uitkiezen. Dat zijn ze tot op de huidige dag. JOZ 10:1 Adonisedek, de koning van Jeruzalem, hoorde dat Jozua Ai had ingenomen en met de ban had geslagen, en het dus op dezelfde manier had behandeld als Jericho en zijn koning, en dat de inwoners van Gibeon vriendschap met de Israëlieten hadden gesloten, zodat ze in hun gebied konden blijven. JOZ 10:2 De schrik sloeg hem om het hart, want Gibeon was een grote stad, even groot als een koningsstad, groter dan Ai, en het beschikte over dappere soldaten. JOZ 10:3 Daarom zond Adonisedek, de koning van Jeruzalem, aan Hoham, de koning van Hebron, aan Piram, de koning van Jarmut, aan Jafia, de koning van Lakis, en aan Debir, de koning van Eglon, deze boodschap: JOZ 10:4 `Komt mij helpen om Gibeon te verslaan, want het heeft vriendschap gesloten met Jozua en de Israëlieten.' JOZ 10:5 Daarop trokken de vijf Amoritische koningen gezamenlijk op: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmut, de koning van Lakis en de koning van Eglon, ieder met zijn leger. Zij sloegen het beleg voor Gibeon en deden aanvallen op de stad. JOZ 10:6 Toen zonden de inwoners van Gibeon een boodschap naar Jozua, in het kamp bij Gilgal: `Laat uw dienaren niet in de steek! Kom met spoed naar ons toe en bevrijd ons. Help ons, want de Amoritische koningen van het bergland zijn gezamenlijk tegen ons opgerukt.' JOZ 10:7 Daarop trok Jozua vanuit Gilgal op met heel het leger en alle keurtroepen. JOZ 10:8 En Jahwe sprak tot Jozua: `Wees niet bang voor hen: Ik lever hen aan u over. Niemand van hen zal u kunnen weerstaan.' JOZ 10:9 Na een nachtelijke mars vanuit Gilgal deed Jozua een onverwachte aanval op de vijanden JOZ 10:10 en Jahwe bracht hen voor Israël in verwarring. Zo brachten de Israëlieten hun bij Gibeon een zware nederlaag toe, achtervolgden hen de berghelling op naar Bet-choron en bleven hen bestoken tot bij Azeka en Makkeda. JOZ 10:11 Toen zij, vluchtend voor Israël, op de steile afdaling van Bet-choron gekomen waren, liet Jahwe uit de hemel grote stenen op hen neerhagelen, die hen doodden. Dat duurde tot Azeka toe. Er stierven er meer door de hagelstenen dan de Israëlieten met het zwaard konden doden. JOZ 10:12 Op die dag, toen Jahwe de Amorieten aan de Israëlieten overleverde, heeft Jozua tot Jahwe gesproken en hij heeft in tegenwoordigheid van de Israëlieten gezegd: `Zon, sta stil bij Gibeon, en gij, maan, bij Ajjalons dal.' JOZ 10:13 En de zon was stil en de maan bleef staan, terwijl het volk zijn vijand afstrafte. Staat het zo niet geschreven in het Boek van de Rechtvaardige? De zon bleef midden aan de hemel staan en haastte zich niet onder te gaan, ongeveer een hele dag. JOZ 10:14 Nooit, noch vroeger noch later, is er een dag geweest, waarop Jahwe zo naar de stem van een mens heeft geluisterd. Waarlijk, het was Jahwe die voor Israël streed. JOZ 10:15 Toen keerde Jozua met alle Israëlieten terug naar het kamp bij Gilgal. JOZ 10:16 De vijf koningen, die op de vlucht waren geslagen, verborgen zich in een grot bij Makkeda. JOZ 10:17 Men berichtte Jozua: `De vijf koningen zijn gevonden: ze zitten in een grot bij Makkeda.' JOZ 10:18 Toen zei Jozua: `Rol dan grote stenen voor de ingang van de grot en zet er wachtposten bij. JOZ 10:19 Blijft echter de vijand achtervolgen; vernietigt hun achterhoede en geeft hun geen kans om hun steden te bereiken. Jahwe heeft hen aan u overgeleverd.' JOZ 10:20 Nadat Jozua met de Israëlieten de Amorieten een verpletterende nederlaag had toegebracht en de vluchtelingen die waren ontkomen hun versterkte steden bereikt hadden, JOZ 10:21 keerde heel het volk behouden naar Jozua terug, in het kamp bij Makkeda. Niemand roerde zijn tong meer tegen de Israëlieten, tegen wie dan ook. JOZ 10:22 Toen beval Jozua: `Maakt de ingang van de grot vrij en brengt de vijf koningen uit de grot bij mij.' JOZ 10:23 Zij brachten dus de vijf koningen uit de grot bij hem: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmut, de koning van Lakis en de koning van Eglon. JOZ 10:24 Toen men die koningen bij Jozua gebracht had, liet hij alle Israëlieten bijeenroepen en sprak tot de aanvoerders van de soldaten, die met hem meegetrokken waren: `Komt hier en zet uw voet op de nek van deze koningen.' Zij kwamen en zetten hun voet op hun nek. JOZ 10:25 Toen zei Jozua: `Weest niet bang of ontsteld; weest moedig en sterk: zo zal Jahwe doen met alle vijanden tegen wie u oorlog moet voeren.' JOZ 10:26 Daarop liet Jozua de koningen doodslaan en aan vijf palen ophangen. Daar bleven ze hangen tot de avond. JOZ 10:27 Tegen zonsondergang nam men hen op bevel van Jozua van de palen af, wierp hen in de grot waar ze zich verborgen hadden en stapelde grote stenen voor de opening van de grot. Ze liggen er tot op de huidige dag. JOZ 10:28 Ook Makkeda heeft Jozua op die dag ingenomen. Hij joeg stad en koning over de kling, sloeg hen en alle levende wezens in de stad met de ban en liet niemand ontkomen. De koning van Makkeda behandelde hij op dezelfde wijze als de koning van Jericho. JOZ 10:29 Van Makkeda trok Jozua met heel Israël naar Libna en viel de stad aan. JOZ 10:30 En Jahwe leverde ook haar met haar koning aan Israël over. Jozua joeg de stad met al haar levende wezens over de kling en liet niemand ontkomen en behandelde zijn koning op dezelfde wijze als de koning van Jericho. JOZ 10:31 Van Libna trok Jozua met heel Israël naar Lakis; hij belegerde en bestormde de stad. JOZ 10:32 En Jahwe leverde Lakis aan Israël over. Jozua nam het op de tweede dag in en joeg de stad met al haar levende wezens over de kling, juist zoals hij met Libna gedaan had. JOZ 10:33 Horam, de koning van Gezer, was uitgerukt om Lakis te ontzetten, maar Jozua versloeg ook hem en zijn leger zo, dat er niemand ontkwam. JOZ 10:34 Van Lakis trok Jozua met heel Israël naar Eglon; hij belegerde en bestormde de stad. JOZ 10:35 Zij namen haar nog dezelfde dag in, joegen haar over de kling en Jozua sloeg op diezelfde dag al haar levende wezens met de ban, zoals hij het ook bij Lakis gedaan had. JOZ 10:36 Van Eglon trok Jozua met heel Israël naar Hebron. Zij bestormden de stad, JOZ 10:37 namen haar in en joegen haar, haar koning, haar onderhorige steden en alle levende wezens in de stad over de kling. Jozua liet niemand ontkomen, evenals bij Eglon; hij sloeg de stad en al haar levende wezens met de ban. JOZ 10:38 Toen keerde Jozua zich met heel Israël tegen Debir. Hij bestormde de stad JOZ 10:39 en veroverde haar, evenals de onderhorige steden, en nam de koning gevangen. Zij joegen hen over de kling en sloegen al haar levende wezens met de ban; Jozua liet niemand ontkomen. Zoals hij Hebron en Libna en hun koningen behandeld had, zo behandelde hij ook Debir en zijn koning. JOZ 10:40 Zo veroverde Jozua het hele land: het bergland, de Negeb, het laagland en de duinstreek en hij doodde alle koningen. Hij liet niemand ontkomen en alles wat leefde sloeg hij met de ban, zoals Jahwe de God van Israël had bevolen. JOZ 10:41 Jozua versloeg hen van Kadesbarnea tot Gaza, heel Gosen, tot Gibeon toe. JOZ 10:42 Van al die koningen en hun gebieden heeft Jozua zich met een slag meester gemaakt, want Jahwe, de God van Israël, streed voor Israël. JOZ 10:43 Tenslotte keerde Jozua met heel Israël naar het kamp bij Gilgal terug. JOZ 11:1 Toen Jabin, de koning van Hasor, dit alles hoorde, zond hij gezanten naar Jobab, de koning van Madon, naar de koning van Simron, naar de koning van Aksaf JOZ 11:2 en naar de koningen in het noorden - in het gebergte in de Araba ten zuiden van Kinarot, in het laagland en in het heuvelland van Dor bij de zee -, JOZ 11:3 naar de Kanaänieten in het oosten en het westen, naar de Amorieten, Hethieten, Perizzieten en Jebusieten in het gebergte en naar de Chiwwieten aan de voet van de Hermon, in het gebied van Mispa. JOZ 11:4 Daarom rukten zij met al hun legers uit, een menigte zo talrijk als de zandkorrels aan het strand van de zee, met een groot aantal paarden en strijdwagens. JOZ 11:5 Al deze koningen verzamelden zich en sloegen samen hun kamp op bij de wateren van Merom, om oorlog te voeren tegen Israël. JOZ 11:6 Jahwe sprak tot Jozua: `Wees niet bang voor hen: morgen om deze tijd lever Ik hen allen verslagen aan Israël over. Gij moet de pezen van hun paarden doorsnijden en hun strijdwagens in het vuur verbranden.' JOZ 11:7 Onverwacht rukte Jozua met heel zijn leger tegen hen op bij de wateren van Merom. Hij overviel hen JOZ 11:8 en Jahwe leverde hen aan Israël over; zij versloegen hen en achtervolgden hen tot Groot Sidon, tot Misrefot aan de zee en tot de vlakte van Mispa in het oosten. Ze ver sloegen hen en lieten niemand ontsnappen. JOZ 11:9 Jozua behandelde hen, zoals Jahwe had bevolen: hij sneed hun paarden de pezen door en hij verbrandde hun strijdwagens in het vuur. JOZ 11:10 Op de terugweg veroverde Jozua Hasor en joeg de koning over de kling. Vroeger heerste Hasor over al die koninkrijken. JOZ 11:11 De Israëlieten joegen alle levende wezens van de stad over de kling en sloegen hen met de ban; er werd geen sterveling in leven gelaten en Jozua verbrandde Hasor zelf in het vuur. JOZ 11:12 Alle steden van die koningen en hun koninkrijken heeft Jozua veroverd; hij heeft er allen over de kling gejaagd en hen met de ban geslagen, overeenkomstig het bevel van Mozes, de dienaar van Jahwe. JOZ 11:13 Geen van die steden echter die nog overeind staan op hun heuvels, is door Israël in brand gestoken; Jozua heeft alleen Hasor in het vuur verbrand. JOZ 11:14 De hele buit van die steden en het vee hebben de Isralieten voor hun eigen gebruik gehouden, maar alle mensen hebben zij over de kling gejaagd en vernietigd, zodat er geen sterveling overbleef. JOZ 11:15 Mozes had Jahwe's opdracht doorgegeven aan Jozua, en deze heeft alles uitgevoerd. Niets heeft hij achterwege gelaten van wat Jahwe aan Mozes had opgedragen. JOZ 11:16 Zo veroverde Jozua heel het land: het bergland, de hele Negeb met heel Gosen, het laagland, de Araba, en de bergen van Israël met hun uitlopers, JOZ 11:17 vanaf het Kale Gebergte, dat oploopt naar Seir, tot Baälgad in de Libanonvlakte aan de voet van de Hermon. Al hun koningen nam hij gevangen en hij liet hen ter dood brengen. JOZ 11:18 Lange tijd heeft Jozua tegen al die koningen oorlog moeten voeren. JOZ 11:19 Behalve de Chiwwieten van Gibeon sloot niemand vriendschap met de Israëlieten. Alles hebben zij met geweld moeten veroveren. JOZ 11:20 Jahwe had het zo beschikt, dat de koningen hardnekkig oorlog bleven voeren tegen Israël; daarom moesten zij hen genadeloos met de ban slaan en uitroeien, zoals Jahwe aan Mozes had bevolen. JOZ 11:21 In die tijd trok Jozua er ook op uit om de Enakieten in het gebergte, in Hebron, Debir en Anab en in heel het bergland van Juda en Israël uit te roeien. Hij sloeg hen en hun steden met de ban, JOZ 11:22 zodat er in het gebied van de Israëlieten geen Enakieten meer over waren. Alleen in Gaza, in Gat en in Asdod zijn er overgebleven. JOZ 11:23 Zo veroverde Jozua heel het land overeenkomstig Jahwe's belofte aan Mozes, en hij gaf het als bezit aan Israël, verdeeld over de stammen. Toen was het rustig in het land, omdat er geen oorlog meer was. JOZ 12:1 Dit zijn de koningen van het land, die de Israëlieten hebben verslagen en wier gebied zij aan de overkant van de Jordaan in bezit hebben genomen, van de Arnon tot aan de Hermon, en het hele oostelijke deel van de Araba; JOZ 12:2 Sichon, de koning van de Amorieten die in Chesbon woonde en heerste over een gebied dat begint bij Aroer, aan de oever van de beek Arnon, in haar middenloop, over de helft van Gilead tot aan de Jabbok, de grens van de Amorieten, JOZ 12:3 en over de Araba van de oostelijke oever van het meer van Kinneret tot de oostkust van het meer van de Araba, de Zoutzee, in de richting van Bet-hajjesimot, en in het zuiden tot de voet van de Pisga; JOZ 12:4 verder het gebied van Og, de koning van Basan, een van de laatste Rafaieten, die in Astarot en Edrei woonde JOZ 12:5 en heerste over het Hermongebergte, over Salka en heel Basan tot aan het gebied van de Gesurieten en Maakatieten en over de helft van Gilead tot aan het gebied van Sichon, de koning van Chesbon. JOZ 12:6 Toen Mozes, de dienaar van Jahwe, en de Israëlieten hen hadden verslagen, heeft Mozes dit gebied in bezit gegeven aan de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse. JOZ 12:7 Dit zijn de koningen van het land, die door Jozua en de Israëlieten ten westen van de Jordaan verslagen zijn, van Baäl-gad in de Libanonvlakte tot aan het Kale Gebergte, dat oploopt naar Seir. Jozua verdeelde dat land als eigendom onder de stammen van Israël, JOZ 12:8 in het bergland, in het laagland, in de Araba, in de duinstreek, de woestijn en de Negeb, met de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten: JOZ 12:9 de koning van Jericho de koning van Ai bij Betel JOZ 12:10 de koning van Jeruzalem de koning van Hebron JOZ 12:11 de koning van Jarmut de koning van Lakis JOZ 12:12 de koning van Eglon de koning van Gezer JOZ 12:13 de koning van Debir de koning van Geder JOZ 12:14 de koning van Chorma de koning van Arad JOZ 12:15 de koning van Libna de koning van Adullam JOZ 12:16 de koning van Makkeda de koning van Betel JOZ 12:17 de koning van Tappuach de koning van Chefer JOZ 12:18 de koning van Afek de koning van Saron JOZ 12:19 de koning van Madon de koning van Hasor JOZ 12:20 de koning van Simron-meroon de koning van Aksaf JOZ 12:21 de koning van Taanak de koning van Megiddo JOZ 12:22 de koning van Kedes de koning van Jokneam bij de Karmel JOZ 12:23 de koning van Dor in het laagland van Dor en de koning van Goim bij Gilgal JOZ 12:24 de koning van Tirsa Totaal aantal koningen eenendertig JOZ 13:1 Toen Jozua oud en hoogbejaard geworden was, sprak Jahwe tot hem: `Gij zijt nu oud en hoogbejaard en toch is er nog een groot deel van het land, dat veroverd moet worden. JOZ 13:2 Het zijn de volgende gebieden: het gebied van de Filistijnen en dat van de Gesurieten, JOZ 13:3 de streek vanaf de rivier aan de oostzijde van Egypte tot het gebied van Ekron in het noorden, dat bij Kanaän gerekend wordt, de vijf Filistijnse vorstendommen, die van Gaza, Asdod, Askelon, Gat en Ekron, en het gebied van de Awwieten JOZ 13:4 in het zuiden. Verder het gebied van de Kanaänieten, vanaf Ara dat bij Sidon hoort tot aan Afek en tot aan de grens met de Amorieten. JOZ 13:5 Dan het gebied van de Giblieten, de oostelijke Libanon vanaf Baäl-gad aan de voet van de Hermon tot aan de weg naar Hamat, JOZ 13:6 het bergland met zijn bewoners, van de Libanon tot Misrefot aan de zee, die alle Sidoniërs zijn. Ik zal hen voor de Israëlieten verdrijven. Wijs dit land maar door het lot als erfdeel aan Israël toe, zoals Ik heb bevolen. JOZ 13:7 Verdeel het dus en geef het in bezit aan de negen stammen en aan de halve stam Manasse.' JOZ 13:8 De Manassieten, de Rubenieten en de Gadieten hadden ten oosten van de Jordaan reeds een gebied in bezit, dat Mozes, de dienaar van Jahwe, hun had gegeven: JOZ 13:9 vanaf Aroer aan de oever van de Arnon, de stad aan de middenloop van de rivier, heel de hoogvlakte tussen Medeba en Dibon JOZ 13:10 met de steden van Sichon, de koning van de Amorieten die in Chesbon regeerde, tot aan het gebied van de Ammonieten; JOZ 13:11 Gilead en het gebied van de Gesurieten en Maakatieten, verder heel de Hermon en heel Basan tot Salka, JOZ 13:12 heel het koninkrijk van Og van Basan, die in Astarot en Edrei regeerde en die een van de laatste Refaieten was. Deze koningen had Mozes verslagen en verdreven. JOZ 13:13 Maar de Israëlieten hebben de Gesurieten en de Maakatieten niet verdreven, zodat die tot op de huidige dag in het gebied van Israël wonen. JOZ 13:14 Alleen aan de stam Levi had Mozes geen bezit toegewezen; wat men aan Jahwe, de God van Israël, als offer brengt, is hun bezit, zoals Hij beloofd heeft. JOZ 13:15 Aan de geslachten van de stam Ruben had Mozes JOZ 13:16 het volgende gebied gegeven: vanaf Aroer aan de oever van de Arnon, de stad aan de middenloop van de rivier, de hoogvlakte rond Medeba, JOZ 13:17 Chesbon met al de onderhorige steden op de hoogvlakte, Dibon, Bamot-baal, Bet-baalmeon, JOZ 13:18 Jahas, Kedemot, Mefaat, JOZ 13:19 Kirjataim, Sibma en Seret-hassachar op de berg in de vlakte, JOZ 13:20 Bet-peor, de hellingen van de Pisga en Bethajjesimot, JOZ 13:21 al de steden op de hoogvlakte, heel het rijk van Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon regeerde en die door Mozes verslagen was, evenals zijn vazallen, de Midjanitische stamhoofden Ewi, Rekem, Sur, Chur en Reba, die daar woonden. JOZ 13:22 Tot de slachtoffers behoorde ook de waarzegger Bileam, de zoon van Beor, die de Israëlieten met het zwaard hadden gedood. JOZ 13:23 De grens van het gebied van de Rubenieten werd gevormd door de Jordaan. Dit was het grondgebied van de geslachten van Ruben, met steden en bijbehorende dorpen. JOZ 13:24 Aan de geslachten van de stam Gad had Mozes JOZ 13:25 het volgende gebied gegeven: Jazer en al de steden van Gilead en de helft van het gebied van de Ammonieten tot Aroer bij Rabba, JOZ 13:26 van Chesbon tot Ramathammispe en Betonim, en van Machanaim tot het gebied van Lidbir; JOZ 13:27 in de vlakte Bet-haram, Bet-nimra, Sukkot en Safon, het andere deel van het rijk van Sichon, de koning van Chesbon. De grens werd gevormd door de oostelijke oever van de Jordaan tot aan het meer van Kinneret. JOZ 13:28 Dit was het bezit van de geslachten van de Gadieten, met steden en bijbehorende dorpen. JOZ 13:29 Aan de geslachten van de halve stam Manasse had Mozes JOZ 13:30 het volgende gebied gegeven: heel Basan vanaf Machanaim, heel het koninkrijk van Og, de koning van Basan, met alle dorpen van Jair die daar liggen, zestig steden; JOZ 13:31 de helft van Gilead met Astarot en Edrei, de koningssteden van Og van Basan. Dit behoorde aan de zonen van Makir, de zoon van Manasse, aan de helft van de geslachten van Makir. JOZ 13:32 In de vlakte van Moab, in het Overjordaanse, ten oosten van Jericho, had Mozes hun deze gebieden toegewezen. JOZ 13:33 Aan de stam van Levi had Mozes geen bezit gegeven. Jahwe, de God van Israël, is hun bezit, zoals Hij beloofd heeft. JOZ 14:1 Dit zijn de gebieden die de Israëlieten in Kanaän hebben ontvangen en die de priester Eleazar en Jozua, de zoon van Nun, met de familiehoofden van de Israëlitische stammen hun hebben toegewezen. JOZ 14:2 Door het lot werd met hun eigendom, zoals Jahwe door Mozes voor de negen en een halve stam had bepaald. JOZ 14:3 Aan twee en een halve stam had Mozes reeds een grondgebied gegeven in het Overjordaanse. Aan de levieten had hij geen grondbezit gegeven; JOZ 14:4 maar Efraim en Manasse, de zonen van Jozef, golden als twee stammen. De levieten kregen geen erfdeel, maar alleen steden om in te wonen en weidegronden voor hun vee. JOZ 14:5 Bij het verdelen van het land hebben de Israëlieten de voorschriften van Jahwe aan Mozes in acht genomen. JOZ 14:6 Toen kwamen de Judeeërs bij Jozua in Gilgal. En Kaleb, de zoon van Jefunne, de Kenizziet, zei tot hem: `U weet nog wel, wat Jahwe in Kades-barnea tot Mozes, de man Gods, over mij en u gezegd heeft. JOZ 14:7 Toen ik veertig jaar was, heeft Mozes, de dienaar van Jahwe, mij vanuit Kades-barnea uitgezonden om dit land te verkennen en ik heb hem nauwkeurig verslag uitgebracht. JOZ 14:8 Mijn broeders, die mij op die tocht vergezelden, hebben toen het volk de moed ontnomen, maar ik ben trouw gebleven aan Jahwe, mijn God. JOZ 14:9 Op die dag heeft Mozes gezworen: Het land dat uw voet heeft betreden zal voor altijd het bezit zijn van u en uw zonen, want u bent trouw gebleven aan Jahwe, mijn God. JOZ 14:10 Welnu, Jahwe heeft mij in leven gelaten, zoals Hij beloofd heeft. Het is nu vijfenveertig jaar geleden dat Jahwe deze belofte aan Mozes heeft gedaan, toen Israël nog rondtrok in de woestijn. Welnu, ik ben vandaag een man van vijfentachtig jaar, JOZ 14:11 nog altijd even sterk als op de dag dat Mozes mij uitstuurde; mijn kracht is nog even groot als toen, in de strijd of waar dan ook. JOZ 14:12 Geef mij daarom het bergland dat Jahwe toen beloofd heeft. U hebt toen zelf gehoord dat daar Enakieten wonen en dat er grote, versterkte steden zijn. Maar Jahwe zal mij wel bijstaan, zodat ik hen kan verdrijven, zoals Hij beloofd heeft.' JOZ 14:13 Toen zegende Jozua Kaleb, de zoon van Jefunne, en gaf hem Hebron in bezit. JOZ 14:14 Zo is Hebron tot heden toe het bezit gebleven van Kaleb, de zoon van Jefunne, de Kenizziet, omdat hij trouw is geweest aan Jahwe, de God van Israël. JOZ 14:15 Hebron heette vroeger Kirjat-arba, naar de grootste man van de Enakieten. Het was rustig in het land, omdat er geen oorlog meer was. JOZ 15:1 Voor de geslachten van de stam Juda viel het lot op het gebied, dat grenst aan Edom, de Sinwoestijn tot de Negeb in het uiterste zuiden. JOZ 15:2 Hun zuidgrens loopt als volgt: ze begint bij de landtong aan de zuidkant van de Zoutzee, JOZ 15:3 loopt vandaar ten zuiden van de Schorpioenenpas, dan over Sin zuidelijk langs Kades-barnea, over Chesron naar Adar, buigt dan naar Karka, JOZ 15:4 loopt vervolgens naar Asmon om uit te komen bij de beek van Egypte, waar de grens aan de zee eindigt. Dat is voor u de zuidgrens. JOZ 15:5 De oostgrens wordt gevormd door de Zoutzee tot aan de monding van de Jordaan. Aan de noordzijde begint de grens bij de landtong die in de zee uitsteekt bij de monding van de Jordaan; JOZ 15:6 ze loopt dan omhoog naar Bet-chogla, dan noordelijk om Bethaaraba, naar de rots van Bohan, die zoon van Ruben; JOZ 15:7 vervolgens loopt de grens vanuit het Achordal naar Debir, buigt naar het noorden, naar Gilgal bij de pas van Adummim ten zuiden van de beek, loopt dan verder naar het water van En-semes en mondt uit bij En-rogel; JOZ 15:8 vervolgens loopt de grens door het Hinnomdal langs de zuidzijde van de heuvelrug van de Jebusieten, waar Jeruzalem ligt, dan naar de top van de berg die ten westen van het Hinnomdal ligt en het dal van de Refaieten aan de noordkant afsluit; JOZ 15:9 van de top van de berg buigt ze naar de bron van het Water van Neftoach en komt uit bij de steden in het gebergte van Efron; vervolgens buigt de grens naar Baäla of Kirjat-jearim, JOZ 15:10 draait van Baäla naar het Seirgebergte, loopt noordelijk langs de bergrug van Jearim of Kesalon, daalt dan naar Bet-semes en loopt verder naar Timna; JOZ 15:11 dan komt de grens uit aan de noordkant van de bergrug van Ekron, buigt naar Sikkaron, loopt door naar de berg van Baäla, komt uit bij Jabneel en eindigt aan de zee. JOZ 15:12 De westgrens is de Grote Zee. Dat is het gebied van de geslachten van Juda. JOZ 15:13 Kaleb, de zoon van Jefunne, kreeg een erfdeel toegewezen in Juda, zoals Jahwe aan Jozua had bevolen: Kirjat-arba of Hebron; deze Arba was de vader van Anak. JOZ 15:14 Kaleb verdreef er de drie Enakieten Sesai, Achiman en Talmai, afstammelingen van Anak. JOZ 15:15 Vandaar trok hij op tegen de bewoners van Debir, vroeger Kirjat-sefer geheten. JOZ 15:16 En Kaleb kondigde aan: `Wie Kirjat-sefer bestormt en verovert, die geef ik mijn dochter Aksa tot vrouw.' JOZ 15:17 Het was Otniel, de Kenizziet, de broer van Kaleb, die de stad innam; daarom gaf Kaleb hem zijn dochter Aksa tot vrouw. JOZ 15:18 Bij haar aankomst bewoog zij Otniel om van haar vader een stuk bouwland te vragen. Toen zij zich van de ezel liet glijden, vroeg Kaleb: `Wat is er?' JOZ 15:19 Zij antwoordde: `Geef mij toch een geschenk! Als u mij een dor land hebt gegeven, geef mij dan ook waterbronnen.' En Kaleb gaf haar hoog- en laaggelegen bronnen. JOZ 15:20 Dat is het gebied van de geslachten van de stam Juda. JOZ 15:21 De steden van de stam Juda waren: in het uiterste zuiden tegen de grens van Edom: Kabseel, Eder, Jagur, JOZ 15:41 Gederot, Bet-dagon, Naama, Makkeda: zestien steden met hun dorpen. JOZ 15:42 Bovendien Libna, Eter, Asan, JOZ 15:43 Jiftach, Asna, Nesib, JOZ 15:44 Keila, Akzib, Maresa: negen steden met hun dorpen; JOZ 15:45 Ekron met de onderhorige steden en dorpen; JOZ 15:46 het hele gebied van Ekron tot aan de zee, grenzend aan Asdod, met bijbehorende dorpen; JOZ 15:47 Asdod met de onderhorige steden en dorpen; Gaza met de onderhorige steden en dorpen tot aan de beek van Egypte, het gebied aan de Grote Zee. JOZ 15:48 In het bergland: Samir, Jattir, Soko, JOZ 15:49 Danna, Kirjat-sanna ofwel Debir, JOZ 15:50 Anab, Estemo, Anim, JOZ 15:51 Gosen, Cholon, Gil; elf steden met hun dorpen. JOZ 15:52 Arab, Duma, Esan, JOZ 15:53 Janim, Bet-tappuach, Afeka, JOZ 15:54 Chumta, Kirjat-arba ofwel Hebron, en Sior: negen steden met hun dorpen. JOZ 15:55 Maon, Karmel, Zif, Jutta, JOZ 15:56 Jizreel, Jokdeam, Zanoach, JOZ 15:57 Kain, Gibea, Timna: tien steden met hun dorpen. JOZ 15:58 Chalchul, Bet-sur, Gedor, JOZ 15:59 Maarat, Bet-anot en Eltekon: zes steden met hun dorpen; JOZ 15:60 Kirjat-baal ofwel Kirjat-jearim en Rabba: twee steden met hun dorpen. JOZ 15:61 In de woestijn: Bet-haaraba, Middin, Sekaka, JOZ 15:62 Nibsan, Ir-hammelach en Engedi: zes steden met hun dorpen. JOZ 15:63 Maar de Judeeërs zijn er niet in geslaagd de Jebusieten, die in Jeruzalem woonden, te verdrijven, zodat daar de Jebusieten nog met de Judeeërs wonen, tot op de huidige dag. JOZ 16:1 Voor de zonen van Jozef viel het lot als volgt: De grens loopt vanaf de Jordaan bij Jericho naar de bron ten oosten van de stad, vandaar door de woestijn het gebergte in tot Betel, JOZ 16:2 van Betel naar Luz, buigt dan langs het gebied van de Arkieten naar Atarot, JOZ 16:3 loopt vervolgens in westelijke richting naar het gebied van de Jaflieten tot de streek van Laag-bet-choron en tot Gezer en komt uit bij de zee. JOZ 16:4 Dat gebied kregen Efraim en Manasse, de zonen van Jozef. JOZ 16:5 Dit is het gebied van de geslachten van Efraim: in het oosten loopt de grens van Atrot-addar naar Hoog-bet-choron, JOZ 16:6 gaat dan westwaarts ten noorden van Mikmetat, dan weer oostwaarts naar Taanat-silo, oostelijk langs Janocha, JOZ 16:7 daalt van Janocha naar Atarot en Naara en loopt vlak langs Jericho naar de Jordaan. JOZ 16:8 Van Tappuach loopt de grens in westelijke richting naar de beek van Kana en komt uit bij de zee. Dat is het gebied van de geslachten van de stam Efraim. JOZ 16:9 Daarbij komen nog de steden met de bijbehorende dorpen die in het gebied van de Manassieten aan de Efraimieten waren toegewezen. JOZ 16:10 Maar de Efraimieten hebben de Kanaänieten in Gezer niet verdreven, zodat er in Efraim tot op de huidige dag Kanaänieten wonen, die evenwel tot herendienst verplicht zijn. JOZ 17:1 Toen werd aan de stam Manasse door het lot een gebied toe gewezen, want Manasse was de eerstgeboren zoon van Jozef; Makir, de eerstgeboren zoon van Manasse, de vader van Gilead, een dapper man, had reeds Gilead en Basan gekregen. JOZ 17:2 De geslachten van de overige zonen van Manasse kregen nu een gebied toegewezen: de zonen van Abiezer, de zonen van Chelek, de zonen van Asriel, de zonen van Sekem, de zonen van Chefer en de zonen van Semida. Dat waren de geslachten van de mannelijke nakomelingen van Manasse, de zoon van Jozef, JOZ 17:3 Selofchad, de zoon van Chefer, de zoon van Gilead, de zoon van Makir, de zoon van Manasse had geen zonen meer, maar alleen dochters, en dit zijn de namen van die dochters: Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa. JOZ 17:4 Deze meisjes verschenen voor de priester Eleazar, voor Jozua, de zoon van Nun, en voor de stamhoofden; zij zeiden: `Jahwe heeft aan Mozes opgedragen ons een gebied te geven evenals aan onze broeders.' Daarom kregen zij overeenkomstig Jahwe's bevel grond toegewezen in het gebied van de broers van hun vader. JOZ 17:5 Zo kreeg Manasse tien stukken, Gilead en Basan in het Overjordaanse niet meegerekend, JOZ 17:6 omdat ook de dochters van Manasse grond kregen toegewezen in het gebied van zijn zonen. Gilead was voor de overige zonen van Manasse. JOZ 17:7 Dit is het gebied van Manasse: de grens loopt van Aser naar Mikmetat ten oosten van Sichem, vandaar zuidwaarts naar Jasib bij En-tappuach. JOZ 17:8 De strek van Tappuach behoort aan Manasse, maar de stad zelf, op de grens van Manasse, behoort aan de Efraimieten. JOZ 17:9 Verder loopt de grens langs de zuidelijke oever van de beek van Kana. De steden daar behoren aan Efraim, al liggen zij midden tussen de steden van Manasse. De grens van Manasse loopt ten noorden van de beek en komt uit bij de zee. JOZ 17:10 Ten zuiden daarvan ligt dus Efraim, ten noorden daarvan Manasse; verder vormt de zee de grens. In het noorden grenst Manasse aan Aser en in het oosten aan Issakar. JOZ 17:11 Bovendien behoren en Issakar en Aser tot Manasse: Bet-san met de onderhorige steden, Jibleam met de onderhorige steen, de bewoners van Dor met de onderhorige steden, de bewoners van Endor met de onderhorige steden, de bewoners van Taanak met de onderhorige steden en de bewoners van Megiddo met de onderhorige steden: drie duinstreken. JOZ 17:12 Maar de Manassieten slaagden er niet in deze steden in bezit te nemen, zodat de Kanaänieten daar bleven wonen. JOZ 17:13 Toen de Israëlieten machtiger werden, hebben zij de Kanaänieten wel tot herendienst verplicht, maar verdreven hebben zij hen nooit. JOZ 17:14 De zonen van Jozef zeiden tot Jozua: `Waarom hebt u ons bij de verdeling door het lot maar een gebied toegewezen, terwijl wij door Jahwe's rijke zegen zo talrijk zijn geworden?' JOZ 17:15 Jozua antwoordde: `Indien u werkelijk zo talrijk bent dat het bergland van Efraim te klein voor u is, trekt dan de bossen in en ontgint land in het gebied van de Perizzieten en Refaieten.' JOZ 17:16 Maar de zonen van Jozef antwoordden: `Het bergland biedt ons niet voldoende ruimte en in de vlakte wonen de Kanaänieten met hun ijzeren strijdwagens, zowel in Bet-san en de onderhorige steden als in de vlakte van Jizreel.' JOZ 17:17 Daarop zei Jozua tot het huis van Jozef, tot Efraim en Manasse: `U bent inderdaad talrijk en zeer machtig. Uw gebied blijft niet beperkt tot een deel. JOZ 17:18 Het bergland dat in uw bezit komt is wel bosgebied, maar u kunt dat ontginnen en ook de uitlopers ervan behoren u toe. En de Kanaänieten zult u wel verdrijven, al zijn ze nog zo sterk met hun ijzeren wagens.' JOZ 18:1 Heel de gemeenschap van de Israëlieten kwam in Silo bijeen en zette daar de tent van de samenkomst neer. Ofschoon het land aan hen onderworpen was, JOZ 18:2 waren er bij de Israëlieten nog zeven stammen die hun bezit nog niet hadden gekregen. JOZ 18:3 Daarom zei Jozua tot de Israëlieten `Aarzelt niet langer en neemt het land in bezit, dat Jahwe de God van uw vaderen u heeft gegeven! JOZ 18:4 Wijst uit iedere stam drie mannen aan, die ik kan uitzenden om door het land te gaan. Met het oog op de verdeling moeten zij er een beschrijving van maken en dan bij mij terugkomen. JOZ 18:5 Zij moeten het land in zeven stukken verdelen. Juda blijft in het zuiden gevestigd en het huis van Jozef in het noorden. JOZ 18:6 U moet beschrijven hoe het land in zeven stukken verdeeld kan worden en dat aan mij voorleggen. Voor het aanschijn van Jahwe, onze God, zal ik dan voor u het lot erover werpen. JOZ 18:7 De levieten krijgen geen erfdeel toegewezen, want het priesterschap van Jahwe is hun bezit. Gad, Ruben en de halve stam Manasse hebben van Mozes, de dienaar van Jahwe, al een gebied toegewezen gekregen in het Overjordaanse.' JOZ 18:8 Toen de mannen op weg gingen, drukte Jozua hun op het hart `Gaat door het land, maakt er een beschrijving van en komt dan bij mij terug; dan zal ik voor het aanschijn van Jahwe te Silo het lot voor u werpen.' JOZ 18:9 Zo gingen die mannen op weg, trokken het land door, maakten er een beschrijving van en verdeelden de steden in zeven groepen. Toen zij in het kamp te Silo bij Jozua terugkwamen, JOZ 18:10 wierp deze voor het aanschijn van Jahwe het lot en verdeelde het land onder de Israëlieten, zodat iedere stam zijn deel kreeg. JOZ 18:11 De geslachten van de stam Benjamin kregen door het lot een gebied aangewezen tussen dat van Juda en Jozef. JOZ 18:12 Dit was hun gebied de noordgrens begint bij de Jordaan, loopt naar de bergrug ten noorden van Jericho, dan westwaarts het bergland in en komt uit bij de woestijn van Bet-awen. JOZ 18:13 Vandaar loopt de grens naar Luz, ten zuiden van de bergrug van Luz ofwel Betel, en vervolgens naar Atrot-addar in het bergland ten zuiden van Laag Bet-choron. JOZ 18:14 Dan buigt de grens vanaf het gebergte ten zuiden van Bet-choron naar het zuidwesten naar Kirjat-baal ofwel Kirjat-jearim, een stad van Juda. Dat is de westelijke grens. JOZ 18:15 De zuidgrens begint bij Kirjat-jearim, loopt westwaarts naar de bron van het water van Neftoach, JOZ 18:16 dan naar de top van de berg bij het Benhinnom-dal, ten noorden van het dal van de Refaieten. Vervolgens loopt zij door het Hinnomdal langs de zuidkant van de bergrug van de Jebusieten naar de En-rogel. JOZ 18:17 Dan buigt de grens noordwaarts in de richting van En-semes naar Gelilot bij de pas van Adummim en daalt af naar de rots van Bohan, de zoon van Ruben. JOZ 18:18 Vandaar loopt de grens noordelijk om de bergrug van Haaraba de Araba in, JOZ 18:19 dan noordelijk van de bergrug van Bet-chogla en komt uit bij de landtong die de Zoutzee insteekt bij de monding van de Jordaan. Dat is de zuid grens. JOZ 18:20 De Jordaan vormt de oostgrens. Dat zijn de grenzen van het gebied van de geslachten van Benjamin. JOZ 18:21 Dit zijn de steden van de geslachten van Benjamin Jericho, Betchogla, Emek-kesis, JOZ 18:22 Bet-haaraba, Semaraim, Betel, JOZ 18:23 Awwim, Para, Ofra, JOZ 18:24 Kefar-haammoni, Ofni en Geba twaalf steden met hun dorpen; JOZ 18:25 Gibeon, Rama, Beerot, JOZ 18:26 Mispa, Kefira, Mosa, JOZ 18:27 Rekem, Jirpeel, Tarala, JOZ 18:28 Sela-haëlef, Jebus ofwel Jeruzalem en Giba-kirjat veertien steden met hun dorpen. Dit is het gebied van de geslachten van Benjamin. JOZ 19:1 Voor de geslachten van de stam Simeon viel bij de tweede loting het lot als volgt: hun bezit kwam midden in Juda te liggen JOZ 19:2 en het omvatte Berseba, Seba en Molada, JOZ 19:3 Chasar-sual, Bala, Asem, JOZ 19:4 Eltolad, Betuël, Chorma, JOZ 19:5 Siklag, Bet-hammarkabot, Chasar-susa, JOZ 19:6 Bet-lebaot en Saruchen: dertien steden met hun dorpen; JOZ 19:7 En-rimmon, Eter en Asan: vier steden met hun dorpen; JOZ 19:8 dus alle dorpen die rondom deze steden gelegen zijn tot aan Baälat-beeër en Ramat-negeb. Dat is het gebied van de geslachten van de stam Simeon. JOZ 19:9 Omdat het erfdeel van Juda te groot voor hen was, had men er een deel van afgenomen voor Simeon. Zo kreeg Simeon een gebied toegewezen binnen dat van Juda. JOZ 19:10 Voor de geslachten van Zebulon viel bij de derde loting het lot als volgt: zij kregen een gebied dat tot aan Sarid liep. JOZ 19:11 De grens loopt in westelijke richting naar Marala tot vlak bij Dabbeset en de beek bij Jokneam. JOZ 19:12 Aan de andere kant van Sarid loopt de grens in oostelijke richting naar het gebied van Kislot-tabor, dan naar Daberat en Jafia, JOZ 19:13 van daar oostwaarts naar Gat-hachefer en Et-kasin en komt uit bij Rimmon, waar ze afbuigt naar Nea. JOZ 19:14 Dan loopt hij noordelijk om Channaton heen en komt uit bij het dal van Jiftach-el. JOZ 19:15 Kattat, Nahalal, Simron, Jidala en Betlechem; twaalf steden met hun dorpen. JOZ 19:16 Dat is het gebied van de geslachten van Zebulon met zijn steden en dorpen. JOZ 19:17 Voor de geslachten van Issakar viel bij de vierde loting het lot als volgt: JOZ 19:18 hun gebied omvatte Jizreel, Hakkesulot, Sunem, JOZ 19:19 Chafaraim, Sion, Anacharat, JOZ 19:20 Harabbit Kisjon, Ebes, JOZ 19:21 Remet, Engannim, En-chadda en Bet-passes. JOZ 19:22 De grens loopt langs de Tabor, Sachasima en Bet-semes naar de Jordaan; zestien steden met hun dorpen. JOZ 19:23 Dat is het gebied van de geslachten van de stam Issakar met zijn steden en dorpen. JOZ 19:24 Voor de geslachten van de stam Aser viel bij de vijfde loting het lot als volgt: JOZ 19:25 hun gebied omvatte Chelkat, Chali, Beten, Aksaf, JOZ 19:26 Alammelek, Amad en Misal. De grens loopt vlak langs de Karmel en de rivier de Libnat in de richting van de zee. JOZ 19:27 Zij wendt zich oostwaarts naar Bet-dagon en langs Zebulon en het dal van Jiftach-el naar het noorden bij Bet-haëmek en Neiel en komt dan uit ten noorden van Kabul. JOZ 19:28 Ook Ebron, Rechob, Chammon en Kana tot Groot-sidon horen ertoe. JOZ 19:29 Dan wendt de grens zich in de richting van Rama, tot aan de vestingstad Tyrus, en naar Chosa, waar zij weer uitkomt bij de zee. Ook Mechebel, Akzib, JOZ 19:30 Umma, Afek en Rechob, tweeëntwintig steden met hun dorpen, horen ertoe. JOZ 19:31 Dat is het gebied van de geslachten van de stam Aser met steden en dorpen. JOZ 19:32 Voor de geslachten van Naftali viel bij de zesde loting het lot als volgt: JOZ 19:33 hun gebied loopt van Chelef, van de eik van Saanannim, over Adami-hannekeb en Jabneel naar Lakkum en komt uit bij de Jordaan. JOZ 19:34 Naar het westen toe loopt de grens over Asnot-tabor naar Chukok. In het zuiden valt de grens samen met die van Zebulon, in het westen met die van Aser, in het oosten met die van Juda en met de Jordaan. JOZ 19:35 Versterkte steden waren: Siddim, Ser, Chammat, Rakkat en Kinneret, JOZ 19:36 Adama, Rama en Hasor, JOZ 19:37 Kedes, Edrei en En-chasor, JOZ 19:38 Juron, Migdalel, Chorem, Bet-anat en Bet-semes; negentien steden met hun dorpen. JOZ 19:39 Dat is het gebied van de geslachten van de stam Naftali met zijn steden en dorpen. JOZ 19:40 Voor de geslachten van de stam Dan viel bij de zevende loting het lot als volgt: JOZ 19:41 hun gebied omvatte Sora. Estaol en Ir-semes, JOZ 19:42 Saalabbin, Ajjalon, en Jitla, JOZ 19:43 Elon, Timna en Ekron, JOZ 19:44 Elteke, Gibbeton en Baälat, JOZ 19:45 Jehud, Bene-berak en Gat-rimmon, JOZ 19:46 Me-hajjarkon en Harakkon met het gebied tegenover Jafo. JOZ 19:47 Het gebied der Danieten was hun te klein geworden en daarom trokken zij ten strijde tegen Lesem; zij veroverden de stad, doodden de inwoners, namen de stad in bezit en vestigden zich daar. Zij gaven Lesem de naam Dan, naar de naam van hun vader. JOZ 19:48 Dat is het gebied van de geslachten van de stam Dan met zijn steden en dorpen. JOZ 19:49 Toen alle delen van het land waren toegewezen, gaven de Israëlieten aan Jozua, de zoon van Nun, een eigen gebied, JOZ 19:50 zoals Jahwe had bevolen: het was de stad die hij gevraagd had, Timnat-serach in het bergland van Efraim. Hij versterkte die stad en ging er wonen. JOZ 19:51 Dat zijn de gebieden die de priester Eleazar, Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden voor het aanschijn van Jahwe te Silo, bij de ingang van de tent van de samenkomst, door het lot onder de Israëlieten verdeelden. Daarmee was de verdeling van het land voltooid. JOZ 20:1 Jahwe sprak tot Jozua: JOZ 20:2 `Zeg aan de Israëlieten: Wijs de vrijsteden aan, waarover Ik door Mozes gesproken heb. JOZ 20:3 Dan kan degene die zonder opzet of per ongeluk iemand van het leven berooft, daarheen de wijk nemen en er veilig zijn voor de bloedwreker. JOZ 20:4 Wanneer iemand naar een van deze steden vlucht, moet hij zich melden bij de stadspoort en aan de oudsten van de stad zijn zaak uiteenzetten. Zij zullen hem dan in hun stad toelaten en hem een verblijfplaats aanwijzen. JOZ 20:5 Als de bloedwreker hem toch achterna komt, mogen zij degene die doodslag gepleegd heeft niet aan hem uitleveren: hij heeft immers zonder opzet zijn medemens gedood en hem tevoren geen haat toegedragen. JOZ 20:6 Hij moet in die stad blijven, tot hij voor de gemeenschap terecht heeft gestaan of tot de dood van de hogepriester die er dan is. Dan mag hij naar huis teruggaan, naar de stad waaruit hij gevlucht was.' JOZ 20:7 De Israëlieten wezen aan: Kades in Galilea in het bergland van Naftali, Sichem in het bergland van Efraim en Kirjat-arba of Hebron in het bergland van Juda. JOZ 20:8 In het Overjordaanse ten oosten van Jericho wezen zij aan: in het gebied van de stam Ruben Beser, dat in de woestijn op de hoogvlakte ligt, in het gebied van de stam Dan Ramot in Gilead en in het gebied van de stam Manasse Golan in Basan. JOZ 20:9 Dat zijn de steden die werden aangewezen voor alle Israëlieten en voor de vreemdelingen die bij hen wonen. Ieder die zonder opzet een mens heeft gedood kan daarheen de wijk nemen, zodat hij niet hoeft te sterven door de hand van de bloedwreker, alvorens hij voor de gemeenschap terecht heeft gestaan. JOZ 21:1 De familiehoofden van de levieten kwamen bij de priester Eleazar, bij Jozua, de zoon van Nun, en bij de familiehoofden van de stammen van Israël JOZ 21:2 te Silo in Kanaän. Zij zeiden tot hen: `Jahwe heeft bij monde van Mozes bevolen ons steden te geven om in te wonen en bijbehorende weidegronden voor het vee.' JOZ 21:3 Toen stelden de Israëlieten in opdracht van Jahwe de volgende steden met weidegronden in hun gebied ter beschikking van de levieten. JOZ 21:4 Het eerste lot viel op de geslachten van Kehat: de levieten die zonen van de priester aäron waren kregen dertien steden in het gebied van de stammen Juda, Simeon en Benjamin JOZ 21:5 de overige Kehatieten kregen tien steden bij de geslachten van de stam Efraim, in het gebied van de stam Dan en in het gebied van de halve stam Manasse; JOZ 21:6 de Gersonieten kregen door loting dertien steden bij de geslachten van de stam Issakar, in het gebied van de stam Aser en van de stam Naftali en van de halve stam Manasse in Basan; JOZ 21:7 de geslachten van Merari kregen twaalf steden in het gebied van de stammen Ruben, Gad en Zebulon. JOZ 21:8 Die steden met de bijbehorende weidegronden wezen de Israëlieten door loting aan de levieten toe, zoals Jahwe bij monde van Mozes had geboden. JOZ 21:9 In het gebied van de stammen van Juda en Simeon werden de volgende met name genoemde steden toegewezen JOZ 21:10 aan de levieten, de zonen van aäron uit de geslachten van Kehat, op wie het eerste lot was gevallen: JOZ 21:11 zij kregen Kirjat-arba, - Arba was de vader van Anak - ook Hebron geheten, in het gebergte van Juda met de weidegronden in de omgeving. JOZ 21:12 Het akkerland van die stad en de onderhorige dorpen waren reeds in eigendom gegeven aan Kaleb, de zoon van Jefunne. JOZ 21:13 Aan de zonen van de priester aäron gaf men de vrijstad Hebron zelf met de bijbehorende weidegronden. Verder Libna met weidegronden, JOZ 21:14 Jattir met weidegronden, Estemoa met weidegronden, JOZ 21:15 Cholon met weidegronden, Debir met weidegronden, JOZ 21:16 Ain met weidegronden, Jutta met weidegronden en Bet-semes met weidegronden, negen steden in het gebied van deze twee stammen. JOZ 21:17 In het gebied van de stam Benjamin: Gibeon met zijn weidegronden. Geba met zijn weidegronden, JOZ 21:18 Anatot met zijn weidegronden en Almon met zijn weidegronden: vier steden. JOZ 21:19 In het geheel kregen de zonen van de priester aäron dertien steden met bijbehorende weidegronden. JOZ 21:20 De overige geslachten van Kehat, die levieten waren, kregen door het lot steden toegewezen in het gebied van de stam Efraim. JOZ 21:21 Zij kregen de vrijstad Sichem met weidegronden in het gebergte van Efraim, Gezer met weidegronden, JOZ 21:22 Kibsaim met weidegronden en Bet-choron met weidegronden: vier steden. JOZ 21:23 Verder in het gebied van de stam Dan: Elteke met weidegronden, Gibbeton met weidegronden, JOZ 21:24 Ajjalon met weidegronden en Gat-rimmon met weidegronden: vier steden. JOZ 21:25 In het gebied van de stam Manasse: Taanak Taanak met weidegronden en Gat-rimmon met weidegronden: twee steden. JOZ 21:26 In het geheel kregen de overige geslachten van Kehat tien steden met bijbehorende weidegronden. JOZ 21:27 De Gersonieten van de geslachten van Levi kregen in het gebied van de halve stam Manasse de vrijstad Golan in Basan met weidegronden en Beestera met weidegronden: twee steden met weidegronden. JOZ 21:28 In het gebied van de stam Issakar: Kison met weidegronden, Daberat met weidegronden, JOZ 21:29 Jarmut met weidegronden en En-gannim met weidegronden: vier steden. JOZ 21:30 In het gebied van de stam Aser: Misal met weidegronden, Abdon met weidegronden, JOZ 21:31 Chelkat met weidegronden en rechob met weidegronden: vier steden. JOZ 21:32 In het gebied van de stam Naftali: de vrijstad Kedes in Galilea met weidegronden, Chammot-dor met weidegronden en Kartan met weidegronden: drie steden. JOZ 21:33 In het geheel kregen de geslachten van Gerson dertien steden met bijbehorende weidegronden. JOZ 21:34 De overige levitische geslachten, die van Merari, kregen; in het gebied van de stam Zebulon Jokneam met weidegronden, Karta met weidegronden, JOZ 21:35 Dimna met weidegronden en Nahalal met weidegronden: vier steden. JOZ 21:36 In het gebied van de stam Ruben: Beser met weidegronden, Jasa. JOZ 21:37 Kedemot met weidegronden, en Mefaat met weidegronden: vier steden. JOZ 21:38 In het gebied van de stam Gad: de vrijstad Ramot in Gilead met weidegronden. Machanaim met weidegronden, JOZ 21:39 Chesbon met weidegronden; tezamen vier steden. JOZ 21:40 Die twaalf steden vielen toe aan de overige levitische geslachten, die van Merari. JOZ 21:41 In het geheel kregen de levieten binnen het gebied van de Israëlieten achtenveertig steden met bijbehorende weidegronden. JOZ 21:42 Bij elk van deze steden behoorden de weidegronden, die eromheen lagen. Zo was het bij alle steden. JOZ 21:43 Jahwe gaf aan Israël heel het land dat Hij aan hun vaderen onder ede beloofd had. Zij namen het in bezit en gingen er wonen. JOZ 21:44 En Jahwe gaf hun overal rust, zoals Hij hun vaderen had gezworen. Geen van hun vijanden heeft tegen hen standgehouden: Jahwe heeft allen aan hen overgeleverd. JOZ 21:45 Van al de heerlijke beloften die Jahwe aan het huis van Israël gedaan had is er niet een onvervuld gebleven: zij zijn alle werkelijkheid geworden. JOZ 22:1 Toen riep Jozua de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse bij zich JOZ 22:2 en zei tot hen: `U hebt u gehouden aan de opdracht van Mozes, de dienaar van Jahwe, en ook mijn bevelen hebt u opgevolgd. JOZ 22:3 U hebt jarenlang, tot op de huidige dag, uw broeders niet in de steek gelaten en trouw volbracht wat Jahwe uw God u had opgedragen. JOZ 22:4 Nu Jahwe uw God aan uw broeders rust gegeven heeft, zoals Hij beloofd had, kunt u teruggaan naar uw tenten, naar het gebied dat Mozes, de dienaar van Jahwe, u in het Overjordaanse heeft toegewezen. JOZ 22:5 U moet echter trouw blijven aan de geboden en aan de wet die Mozes, de dienaar van Jahwe, u gegeven heeft. Gij moet dat doen door Jahwe, uw God, lief te hebben, altijd zijn wegen te volgen, zijn geboden te onderhouden, Hem aan te hangen en Hem met heel uw hart en heel uw ziel te dienen.' JOZ 22:6 Daarna gaf Jozua hun zijn zegen en liet hen naar hun tenten teruggaan hetgeen zij ook deden. JOZ 22:7 Aan de ene helft van de stam Manasse had Mozes gebied in Basan toegewezen; aan de andere helft had Jozua tegelijk met hun broeders gebied toegewezen ten westen van de Jordaan. Toen Jozua hen naar hun tenten terug liet gaan en hun zijn zegen had gegeven, JOZ 22:8 zei hij: `Met veel bezit kunt u nu terug gaan naar uw tenten, met een overvloed aan vee, met zilver, goud, brons en ijzer en vele kleren. U zult met uw broeders delen in de buit, die op uw vijanden behaald is.' JOZ 22:9 Daarop namen de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse te Silo in Kanaän afscheid van de andere Israëlieten en gingen terug naar Gilead, het gebied dat hun op bevel van Jahwe door Mozes was toegewezen. JOZ 22:10 Toen zij bij de steenkringen aan de Jordaan kwamen, bouwden de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse aan de oever van de Jordaan, nog aan de Kanaänitische kant, een altaar, een opvallend groot altaar. JOZ 22:11 Zodra de Israëlieten vernamen, dat de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse aan de grens van Kanaän bij de steenkringen aan de Jordaan, nog aan de kant van de Israëlieten, een altaar gebouwd hadden, JOZ 22:12 kwam de hele gemeenschap van de Israëlieten te Silo bijeen met de bedoeling tegen hen op te trekken. JOZ 22:13 De Israëlieten zonden de priester Pinechas, de zoon van Eleazar, JOZ 22:14 met tien leiders naar de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse in Gilead, een per familie uit elke stam van Israël; ieder stond aan het hoofd van een familie in een stam van Israël. JOZ 22:15 Toen zij bij de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse waren aangekomen, zeiden zij: JOZ 22:16 Zo spreekt heel de gemeenschap van Jahwe: Waarom bent u de God van Israël toch ontrouw geworden en hebt u zich heden van Jahwe afgekeerd? Waarom bent u vandaag door het bouwen van een altaar tegen Jahwe in opstand gekomen? JOZ 22:17 Hebben wij nog niet genoeg aan de zonde van Peor, die een plaag gebracht heeft over het volk, waarvan wij ons nog steeds niet gezuiverd hebben? JOZ 22:18 U keert zich vandaag van Jahwe af en komt tegen Hem in opstand, maar morgen breekt zijn toorn los over de gemeenschap van Israël. JOZ 22:19 Als uw eigen gebied onrein is, steekt dan over naar het gebied van Jahwe, waar zijn woning staat, en vestigt u bij ons. Maar komt niet tegen Jahwe in opstand en verzet u ook niet tegen ons door een altaar te bouwen naast dat van Jahwe onze God. JOZ 22:20 Ook toen Achan, de zoon van Zerach, zich aan de ban vergreep, is de toorn losgebarsten over de gehele gemeenschap van Israël; en hij was niet de enige die door zijn zonde is omgekomen.' JOZ 22:21 Daarop antwoordde de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse aan de stamhoofden van Israël: JOZ 22:22 `Jahwe, de God der goden, Hij weet het en ook Israël moet het weten: Als het onze bedoeling was, tegen Jahwe op te staan of van Hem af te vallen, dan helpe Hij ons niet in deze nood. JOZ 22:23 Als wij dit altaar gebouwd hebben om met Jahwe te breken of om hier brand- en meeloffers of slachtoffers op te dragen, dan moge Jahwe zelf het ons vergelden! JOZ 22:24 Maar in werkelijkheid hebben wij dit gedaan, omdat wij bezorgd waren, dat uw zonen later tegen onze zonen zouden kunnen zeggen: Wat hebt u met Jahwe, de God van Israël, te maken? JOZ 22:25 Jahwe heeft tussen ons beiden de Jordaan als grens gesteld; u, de Rubenieten en de Gadieten, hebt dus geen erfdeel bij Jahwe. Zo zouden onze zonen door toedoen van uw zonen ophouden Jahwe te vereren. JOZ 22:26 Daarom dachten wij: Laat ons dit doen: een altaar bouwen, niet voor brand- en slachtoffers, JOZ 22:27 maar om voor ons beiden en voor onze nakomelingen te getuigen, dat wij met onze brand- en slachtoffers Jahwe vereren. Dan kunnen uw kinderen later nooit tegen de onze zeggen: U hebt geen erfdeel bij Jahwe. JOZ 22:28 Wanneer zij dat later tegen ons of onze nakomelingen zeggen, dachten wij, dan kunnen wij wijzen op het altaar dat onze voorouders naar het voorbeeld van het altaar van Jahwe gebouwd hebben, niet om brand- en slachtoffers op te dragen, maar als getuig voor ons beiden. JOZ 22:29 Wij willen dus in de verste verte niet tegen Jahwe opstaan of ons van Hem afkeren door naast het altaar van Jahwe onze God, dat voor zijn woning staat, een ander altaar te bouwen voor brandoffers, meeloffers en slachtoffers.' JOZ 22:30 Toen de priester Pinechas, de leiders van de gemeenschap en de hoofden van de stammen van Israël de verklaring van de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse gehoord hadden, waren zij tevredengesteld. JOZ 22:31 De priester Pinechas, de zoon van Eleazar, zei tot de Rubenieten, de Gadieten en de Manassieten: `Nu weten wij zeker dat Jahwe in ons midden is, want in deze zaak bent u Jahwe niet ontrouw geweest. Op deze wijze hebt u de Israëlieten voor het ingrijpen van Jahwe behoed.' JOZ 22:32 Daarop verlieten de priester Pinechas, de zoon van Eleazar, en de leiders de Rubenieten en de Gadieten in Gilead en keerden terug naar de Israëlieten in Kanaän. Toen zij aan de Israëlieten verslag hadden uitgebracht, JOZ 22:33 waren deze tevredengesteld. Zij prezen God en zagen af van hun plan om tegen de Rubenieten en de Gadieten op te trekken en hun gebied te verwoesten. JOZ 22:34 En de Rubenieten en de Gadieten gaven het altaar een naam, `want,' zeiden zij, `het getuigt voor ons beiden, dat Jahwe de ware God is.' JOZ 23:1 Vele jaren waren voorbijgegaan, sinds Jahwe gezorgd had, dat aan alle zijden de vijanden Israël met rust lieten, en Jozua was oud geworden en hoogbejaard. JOZ 23:2 Toen riep hij heel Israël bijeen, met de oudsten en de familiehoofden, met de rechters en de schrijvers. Hij sprak hun toe: `Ik ben oud en hoogbejaard. JOZ 23:3 U hebt gezien wat Jahwe, uw God, ten gunste van u met al deze volken gedaan heeft. Jahwe, uw God, heeft zelf voor u gestreden. JOZ 23:4 Het bezit van de volken die nog over zijn heb ik bij de loting aan uw stammen toegewezen, evenals dat van de volken die ik heb uitgeroeid, van de Jordaan af tot de Grote Zee in het westen. JOZ 23:5 Jahwe, uw God, zal hen voor u verdrijven en verjagen, zodat u hun land in bezit kunt nemen, gelijk Jahwe, uw God, u beloofd heeft. JOZ 23:6 Maar dan moet u er zich op toeleggen volhardend en nauwgezet alles te volbrengen wat in het wetboek van Mozes geschreven staat, zonder daarvan af te wijken, naar rechts of naar links. JOZ 23:7 U moogt geen omgang hebben met de volken die nog zijn overgebleven; u moogt de naam van uw goden niet aanroepen en bij hen niet zweren; u moogt hen niet vereren of u voor hen neerbuigen. JOZ 23:8 Jahwe, uw God, is de enige die u moet aanhangen, zoals u tot op de huidige dag gedaan hebt. JOZ 23:9 Hij heeft immers grote en sterke volken voor u verdreven, zodat tot op de huidige dag niemand u heeft kunnen weerstaan. JOZ 23:10 Een enkele man van u dreef duizend vijanden op de vlucht, omdat Jahwe, uw God, voor u streed, zoals Hij beloofd had. JOZ 23:11 Uw enige zorg moet dus zijn Jahwe, uw God, te beminnen. JOZ 23:12 Want als u zich van Hem afkeert en u aansluit bij de overige volken, als u familiebanden met hen aanknoopt en omgang met hen hebt, JOZ 23:13 dan zult u ondervinden dat Jahwe, uw God, hen niet meer voor u verdrijft. U zult verstrikt raken in hun vallen en netten; een zweepslag in uw zijde, een doorn in uw oog zullen zij zijn, totdat u verdwenen bent uit het heerlijke land, dat Jahwe, uw God, u heeft gegeven. JOZ 23:14 Ik ga nu de weg van al het aardse. U weet heel goed, dat van alle heerlijke beloften die Jahwe, uw God, u gedaan heeft, er niet een onvervuld is gebleven. Alles is voor u verwerkelijkt en niet een woord ervan is onvervuld gebleven. JOZ 23:15 Maar zoals de heerlijke beloften, die Jahwe, uw God, u gedaan had, in vervulling zijn gegaan, zo zal Hij ook al zijn bedreigingen uitvoeren, totdat Hij u heeft weggevaagd uit het heerlijke land dat Hij u heeft gegeven. JOZ 23:16 Als u het verbond overtreedt, dat Jahwe, uw God, u heeft opgelegd, als u andere goden vereert en u voor hen neerbuigt, dan zal zijn toorn tegen u ontbranden en zult u spoedig verdwenen zijn uit het heerlijke land dat Hij u heeft gegeven.' JOZ 24:1 Jozua riep alle stammen van Israël in Sichem bijeen, met de oudsten van Israël, de familiehoofden, de rechters en de schrijvers. Toen zij voor God stonden, JOZ 24:2 richtte Jozua zich tot het volk en sprak: `Zo spreekt Jahwe de God van Israël: Uw voorouders, Terach, de vader van Abraham en de vader van Nachor, hebben vroeger aan de overkant van de Rivier gewoond. Daar vereerden zij andere goden. JOZ 24:3 Ik heb uw vader Abraham daar weggehaald van de overkant van de Rivier, en hem heel Kanaän doen doorkruisen. Ik gaf hem een talrijk nageslacht en schonk hem Isaak. JOZ 24:4 Aan Isaak schonk Ik Jakob en Esau. Aan Esau gaf Ik het bergland van Seir in bezit; Jakob en zijn zonen trokken naar Egypte. JOZ 24:5 Toen zond Ik Mozes en aäron en sloeg Ik Egypte met de plagen, waarmee Ik hen teisterde, en leidde u daarna het land uit. JOZ 24:6 Toen Ik uw vaderen uit Egypte leidde en gij bij de zee gekomen waart, achtervolgden de Egyptenaren uw vaderen met wagens en paarden tot aan de Rietzee. JOZ 24:7 toen uw vaderen tot Jahwe riepen, legde Hij een donkere nevel tussen u en de Egyptenaren en joeg Hij de zee over hen heen, die hen overspoelde. Met eigen ogen hebt gij gezien wat Ik in Egypte gedaan heb. Nadat gij lange tijd in de woestijn had doorgebracht, JOZ 24:8 leidde Ik u naar het land van de Amorieten in het Overjordaanse. En toen zij u aanvielen, gaf Ik hen in uw macht, zodat gij hun land in bezit kon nemen; Ik heb hen voor u uitgeroeid. JOZ 24:9 Toen begon Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab, de oorlog tegen Israël. Hij ontbood Bileam, de zoon van Beor, om u te vervloeken. JOZ 24:10 Maar Ik heb niet naar Bileam willen luisteren, zodat hij u gezegend heeft. Zo heb Ik u uit zijn macht gered. JOZ 24:11 Toen zijt gij de Jordaan overgestoken en bij Jericho gekomen. De burgers van die stad, de Amorieten, de Perizzieten, de Kanaänieten, de Hethieten, de Girgasieten, de Chiwwieten en de Jebusieten voerden oorlog tegen u, maar Ik leverde hen aan u over. JOZ 24:12 Verslagenheid zond Ik voor u uit, die hen - de beiden koningen van de Amorieten - voor u verdreef, zonder dat uw zwaard of boog eraan te pas kwam. JOZ 24:13 Zo gaf Ik u een land waarvoor gij niet hebt gezwoegd, steden die gij niet hebt gebouwd maar waarin gij toch woont, en zo eet gij van wijngaarden en olijfbomen die gij niet hebt geplant'. JOZ 24:14 `Vreest dan Jahwe en dient Hem oprecht en trouw. Doet de goden weg, die uw voorouders aan de overkant van de Rivier en in Egypte hebben vereerd, en weest dienaren van Jahwe. JOZ 24:15 Als u Jahwe niet verkiest te dienen, kiest dan nu wie u wel wilt dienen: de goden die uw voorouders aan de overkant van de Rivier hebben vereerd, of de goden van de Amorieten, in wier land u woont. Ik en mijn familie, wij dienen Jahwe.' JOZ 24:16 Het volk antwoordde: `Wij denken er niet aan, Jahwe te verlaten en andere goden te dienen. JOZ 24:17 Jahwe, onze God, heeft ons en onze vaderen uit Egypte geleid, uit het slavenhuis. Hij heeft voor onze ogen grote tekenen verricht en ons beschermd op al onze tochten en tegen alle volken, waarmee wij in aanraking kwamen. JOZ 24:18 Jahwe heeft al die volken voor ons verdreven, evenals de Amorieten die dit land bewonen. Ook wij willen Jahwe dienen. Hij is onze God.' JOZ 24:19 Toen ze Jozua tot het volk: `U zult wel niet bij machte zijn Jahwe te dienen, want Hij is een heilige God, een jaloerse God, die uw overtredingen en zonden niet vergeeft, JOZ 24:20 maar als u Jahwe verlaat en vreemde goden dient, zal Hij zich van u afkeren en u met rampen treffen en u vernietigen, ondanks de weldaden die Hij u vroeger heeft bewezen.' JOZ 24:21 Maar het volk herhaalde: `Toch willen wij Jahwe dienen.' JOZ 24:22 Toen zei Jozua tot het volk: `Dan bent u zelf getuigen, dat u voor de dienst van Jahwe gekozen hebt.' En zij antwoordden: `Ja, dat zijn wij.' JOZ 24:23 `Doet dan die vreemde goden bij u weg en neigt uw harten naar Jahwe, de God van Israël.' JOZ 24:24 En het volk antwoordde: `Jahwe, onze God, willen wij dienen en naar zijn stem willen wij luisteren.' JOZ 24:25 Zo sloot Jozua op die dag te Sichem een verbond voor het volk. Hij bepaalde voor hen wat wet is en recht, JOZ 24:26 en hij schreef alles op in het wetboek van God. Daarop liet hij onder de eik in het heiligdom van Jahwe een grote steen oprichten JOZ 24:27 en sprak tot het hele volk: `Deze steen zal tegen ons getuigen, want hij heeft alles gehoord wat Jahwe tot ons gesproken heeft. Hij zal tegen u blijven getuigen, zodat u uw God niet verloochent.' JOZ 24:28 Daarop ontbond Jozua de vergadering en ieder keerde terug naar zijn eigen gebied. JOZ 24:29 Na deze gebeurtenissen stierf Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Jahwe, op de leeftijd van honderdtien jaar. JOZ 24:30 Hij werd begraven in zijn eigen gebied, te Timnat-serach in het bergland van Efraim, ten noorden van de berg Gaas. JOZ 24:31 Israël bleef Jahwe vereren, zolang Jozua leefde en zolang hem nog oudsten overleefden, die getuigen waren geweest van alles wat Jahwe gedaan had. JOZ 24:32 Het gebeente van Jozef, dat de Israëlieten uit Egypte hadden meegenomen, werd begraven te Sichem, op het stuk grond dat Jakob voor honderd sikkel goud van de zonen van Hemor had gekocht en dat eigendom was van de zonen van Jozef. JOZ 24:33 Ook Eleazar, de zoon van Aäron, stierf en werd begraven op de heuvel, die zijn zoon Pinechas in het bergland van Efraim had gekregen. RECHTERS REC 1:1 Na de dood van Jozua wendden de Israëlieten zich tot Jahwe met de vraag `Wie van ons moet het eerst tegen de Kanaänieten ten strijde trekken?' REC 1:2 Jahwe antwoordde: `Juda! Aan hem heb Ik het land overgeleverd.' REC 1:3 Toen zei Juda tot zijn broer Simeon: `Trek mee naar het gebied dat mij is toegewezen om met mij tegen de Kanaänieten te vechten. Dan ga ik later met u mee naar het gebied dat u is toegewezen.' Simeon ging met hem mee. REC 1:4 Toen de Judeeërs optrokken tegen de Kanaänieten en Perizzieten, leverde Jahwe die aan hen over; in Bezek doodden zij tienduizend man. REC 1:5 In Bezek vonden zij Adonibezek; zij vielen hem aan en brachten de Kanaänieten en Perizzieten een nederlaag toe. REC 1:6 Adonibezek ging op de vlucht, maar zij achtervolgden hem, namen hem gevangen en hakten hem zijn duimen en zijn grote tenen af. REC 1:7 Toen zei Adonibezek: `Zeventig koningen, wier duimen en grote tenen ik had afgehakt, raapten op wat er van mijn tafel viel; zoals ik met anderen gedaan heb zo doet God met mij.' Zij brachten hem naar Jeruzalem en daar stierf hij. REC 1:8 De Judeeërs vielen Jeruzalem aan; toen zij de stad ingenomen hadden, joegen zij haar over de kling en staken de stad in brand. REC 1:9 Daarna trokken de Judeeërs verder en bonden de strijd aan met de Kanaänieten in het bergland, in de Negeb en in het laagland. REC 1:10 Zo rukte Juda op tegen de Kanaänieten in Hebron, dat vroeger Kirjat-arba heette. en versloeg Sesai, Achiman en Talmai. REC 1:11 Vandaar trok hij op tegen de inwoners van Debir, dat vroeger Kirjat-sefer heette. REC 1:12 Kaleb beloofde: `Wie Kirjat-sefer verslaat en verovert, hem geef ik mijn dochter Aksa tot vrouw.' REC 1:13 Otniël, een Kenizziet, een jongere broer van Kaleb, veroverde de stad en Kaleb gaf hem zijn dochter Aksa tot vrouw. REC 1:14 Toen zij bij hem aankwam, wist Otniël haar te bewegen van haar vader een stuk grond te vragen. Zij liet zich van de ezel glijden en Kaleb vroeg: `Wat is er?' REC 1:15 Zij antwoordde: `Geef mij een geschenk! Als u mij een dor land geeft, geef mij dan ook waterbronnen!' Toen gaf Kaleb haar hoog- en laaggelegen bronnen. REC 1:16 Samen met de Judeeërs trokken de zonen van Mozes' schoonvader, een Keniet, vanuit de Palmenstad naar de woestijn van Juda, in de Negeb bij Arad; daar vestigden zij zich bij de Amalekieten. REC 1:17 Juda trok met zijn broeder Simeon tegen Sefat op en zij doodden de Kanaänieten die daar woonden en sloegen de stad met de ban; daarom kreeg die stad de naam Chorma. REC 1:18 Maar Gaza, Askelon en Ekron met bijbehorende gebieden, heeft Juda niet kunnen innemen. REC 1:19 Juda heeft de bewoners van het bergland verdreven omdat Jahwe met hem was, maar de bewoners van de vlakte heeft hij niet kunnen verdrijven: die hadden ijzeren wagens. REC 1:20 Overeenkomstig de beschikking van Mozes werd Hebron aan Kaleb gegeven; deze zette de drie zonen van Enak de stad uit. REC 1:21 De Benjaminieten hebben de Jebusieten niet uit Jeruzalem kunnen verdrijven, zodat de Jebusieten nog in Jeruzalem met de Benjaminieten wonen, tot op de huidige dag. REC 1:22 Op zijn beurt rukte het huis van Jozef uit; zij trokken op tegen Betel en Jahwe wat met hen. REC 1:23 Het huis van Jozef ondernam een verkenningstocht naar Betel, dat vroeger Luz heette. REC 1:24 De verkenners zagen een man uit de stad komen en zeiden tegen hem: `Als u ons wijst hoe wij in de stad kunnen komen, dan zullen wij u sparen.' REC 1:25 Hij wees hun hoe ze de stad binnen konden komen. Daarop namen zij de stad in en joegen haar over de kling, maar die man met heel zijn familie lieten zij gaan. REC 1:26 Hij trok naar het gebied van de Hethieten, bouwde daar een stad en noemde die Luz; zo heet ze tot op de huidige dag. REC 1:27 Manasse heeft de volgende steden niet kunnen onderwerpen: Bet-san met de onderhorige steden, Taanak met de onderhorige steden, de inwoners van Dor met de onderhorige steden, de inwoners van Jibleam met de onderhorige steden en die van Megiddo met de onderhorige steden. De Kanaänieten hebben zich dus in dat gebied gehandhaafd. REC 1:28 Toen Israël later machtiger werd, werden de Kanaänieten wel tot herendienst verplicht, maar niet verdreven. REC 1:29 Efraim heeft de Kanaänieten niet uit Gezer kunnen verdrijven, zodat dezen tussen de Efraimieten in het gebied van Gezer bleven wonen. REC 1:30 Zebulon heeft de inwoners van Kitron en van Nahalol niet kunnen verdrijven; de Kanaänieten bleven er wonen, maar werden tot herendienst verplicht. REC 1:31 Aser heeft de inwoners van Akko, Sidon, Achlab, Akzib, Chelba, Afek en Rechob niet kunnen verdrijven, REC 1:32 zodat de Aserieten zich gevestigd hebben bij de Kanaänieten die daar woonden want zij hebben hen niet verdreven. REC 1:33 Naftali heeft de inwoners van Bet-semes en Bet-anat niet kunnen verdrijven, zodat zij zich gevestigd hebben tussen de Kanaänieten die daar woonden; de bewoners van het land, de inwoners van Bet-semes en Bet-anat, werden wel tot herendienst verplicht. REC 1:34 De Amorieten drongen de Danieten het gebergte in en gaven hun geen kans naar de vlakte af te dalen. REC 1:35 De Amorieten hebben zich ook kunnen handhaven in Har-cheres. Ajjalon en Saalbim, maar toen het huis van Jozef de overhand kreeg, werden zij tot herendienst verplicht. REC 1:36 Het gebied van Edom strekte zich uit van de Schorpioenenpas tot Sela en verderop. REC 2:1 De engel van Jahwe begaf zich van Gilgal naar Bokim en sprak `Ik heb u uit Egypte geleid en u gebracht naar het land dat Ik aan uw vaderen onder ede beloofd had, met de woorden: Nooit zal Ik mijn verbond met u verbreken. REC 2:2 Maar dan moogt gij mij ook geen verbond sluiten met de bewoners van dat land en moet gij hun altaren omver halen. Gij hebt echter niet naar mijn stem geluisterd. Hoe hebt gij dat kunnen doen? REC 2:3 Daarom verzeker Ik u: Ik zal de bewoners van het land niet voor u verdrijven; zij zullen u verdrukken, en hun goden zullen een valstrik voor u worden.' REC 2:4 Toen de engel dit tot de Israëlieten gezegd had, begonnen zij luid te weeklagen. REC 2:5 Daarom heet die plaats Bokim. Zij brachten daar offers aan Jahwe. REC 2:6 Nadat Jozua de vergadering had ontbonden, gingen de Israëlieten naar het gebied dat hun was toegewezen en namen het land in bezit. REC 2:7 Zolang Jozua leefde en zolang er na zijn dood nog oudsten waren, die getuigen waren geweest van de grote dingen die Jahwe voor Israël gedaan had, bleef het volk Jahwe dienen.. REC 2:8 Maar Jozua, de zoon Van Nun, de dienaar van Jahwe, kwam te sterven, op de leeftijd van honderdtien jaar. REC 2:9 Hij werd begraven in zijn eigen gebied te Timnat-cheres, in het bergland van Efraim, ten noorden van de berg Gaas. REC 2:10 Ook zijn tijdgenoten werden met hun voorvaderen verenigd. Toen kwam er een nieuwe generatie, die niets meer wist van Jahwe, en die niet had meegemaakt dat Hij voor Israël gedaan had. REC 2:11 Toen begonnen de Israëlieten te doen wat Jahwe mishaagt. Zij vereerden de Baäls REC 2:12 en verlieten Jahwe, de God van hun vaderen, die hen uit Egypte geleid had. Zij liepen achter andere goden aan, goden van de volken uit hun omgeving; zij bogen zich voor hen neder en krenkten Jahwe. REC 2:13 Zij verlieten Jahwe en vereerden Baäl en de Astarten. REC 2:14 Toen ontbrandde de toorn van Jahwe tegen Israël. Hij leverde hen over aan plunderaars die hen beroofden en gaf hen prijs aan hun tegenstanders rondom, zodat zij niet langer tegen hun vijanden waren opgewassen. REC 2:15 Alles wat zij ondernamen mislukte, omdat Jahwe tegen hen was, zoals Hij gezegd en gezworen had. Maar telkens als de nood het hoogst was REC 2:16 liet Jahwe rechters optreden, die hen uit de greep van de plunderaars bevrijdden. REC 2:17 Maar ook aan hun rechters bleven zij niet luisteren. Ontuchtig liepen zij achter andere goden aan en bogen zich voor hen neer. Al heel gauw weken zij weer af van de weg die hun voorvaderen gevolgd hadden: die hadden gehoorzaamd aan de geboden van Jahwe; zij deden dat niet. REC 2:18 Als Jahwe een rechter liet optreden, stond hij de rechter bij, zolang die leefde. Jahwe bevrijdde hen uit de macht van hun vijanden, want als zij zuchtten onder het juk van hun vervolgers en verdrukkers, kreeg Hij weer medelijden met hen. REC 2:19 Maar nauwelijks was de rechter gestorven, of zij vervielen opnieuw tot zonden, erger nog dan hun vaderen. Zij liepen achter andere goden aan, vereerden die en bogen zich voor hen neer. Zij weigerden hardnekkig met die vroegere praktijken en gewoonten te breken. REC 2:20 In zijn toorn zei Jahwe tot Israël: `Omdat dit volk het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb niet nakomt en niet naar mijn stem luistert, REC 2:21 zal Ik geen van de volken meer verdrijven die bij de dood van Jozua nog over waren. REC 2:22 Zo zal Ik Israël op de proef stellen om te zien of zij de weg van Jahwe blijven gaan, zoals hun voorvaderen.' REC 2:23 Jahwe heeft die volken met rust gelaten; Hij verdreef hen niet onmiddellijk en leverde hen niet aan Jozua over. REC 3:1 Dit zijn de volken die Jahwe met rust heeft gelaten, om door hen de Israëlieten, die de oorlog in Kanaän niet hadden meegemaakt, op de proef te stellen, REC 3:2 om aan die generaties van Israëlieten die geen oorlog hadden meegemaakt, de strijd te leren: REC 3:3 de vijf vorsten van de Filistijnen, al de Kanaänieten, de Sidoniers en de Hethieten, in het Libanongebergte van Baäl-hermon tot aan de weg naar Hamat. REC 3:4 Dezen dienden om de Israëlieten op de proef te stellen. Zo zou duidelijk worden of zij de geboden wilden onderhouden, die Jahwe bij monde van Mozes aan hun voorvaderen had opgelegd. REC 3:5 En de Israëlieten die midden tussen de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten woonden, REC 3:6 huwden met meisjes uit die volken, lieten hun eigen dochters trouwen met mannen uit die volken en vereerden hun goden. REC 3:7 De Israëlieten deden wat Jahwe mishaagt: zij vergaten Jahwe hun God en vereerden de Baäls en de Astarten. REC 3:8 Toen ontbrandde de toorn van Jahwe tegen Israël. Hij gaf het prijs aan Kusan-risataim, de koning van Edom, en acht jaar bleven de Israëlieten aan Kusan-risataim onderworpen. REC 3:9 Toen riepen de Israëlieten tot Jahwe, en Jahwe liet een redder optreden om Israël te bevrijden; het was Otniël, de Kenizziet, een jongere broer van Kaleb. REC 3:10 Gedreven door de geest van Jahwe trad hij op als rechter in Israël en trok hij ten oorlog tegen Kusan-risataim Jahwe leverde de koning van Edom aan Otniël over en zo kreeg deze hem in zijn macht. REC 3:11 Veertig jaar werd het land met rust gelaten. Toen stierf Otniël, de Kenizziet. REC 3:12 Weer deden de Israëlieten wat Jahwe mishaagt. Toen gaf Jahwe aan Eglon, de koning van Moab macht over Israël, omdat zij deden wat Jahwe mishaagt. REC 3:13 Eglon wist de Ammonieten en Amalekieten op zijn hand te krijgen; samen trokken zij tegen Israël op, versloegen het en namen de Palmenstad in. REC 3:14 Achttien jaar bleven de Israëlieten onderworpen aan Eglon, de koning van Moab. REC 3:15 Toen riepen de Israëlieten tot Jahwe, en Jahwe liet voor hen een redder optreden. Het was Ehud, de zoon van Gera uit Benjamin, een man die linkshandig was. Eens zonder de Israëlieten Ehud met de schatting naar Eglon, de koning van Moab. REC 3:16 Ehud liet een tweesnijdend zwaard maken, een gomed lang, en hing het op de rechterheup aan zijn gordel, onder zijn kleren. REC 3:17 Zo ging hij de schatting afdragen aan Eglon, de koning van Moab; deze was een zeer zwaarlijvig man. REC 3:18 Zodra Ehud hem de schatting overhandigd had, liet hij de mannen die de schatting vervoerd hadden naar huis gaan. REC 3:19 Maar hij zelf ging terug, van bij de Gebeeldhouwde Stenen in de buurt van Gilgal. Bij Eglon gekomen, liet hij hem zeggen: `Koning, ik heb u nog iets te zeggen dat strikt geheim is.' De koning zei: `Sst!' en al zijn hovelingen verwijderden zich. REC 3:20 Ehud begaf zich naar de koning, die heel alleen in de koele bovenzaal zat, en zei: `Ik heb een woord van God voor u.' Eglon stond van zijn troon op. REC 3:21 Toen greep Ehud met zijn linkerhand het zwaard van zijn rechterheup en stak de koning in de buik. REC 3:22 Het zwaard drong met lemmet en al in zijn lichaam; het vet sloot zich om het lemmet, omdat Ehud het zwaard er niet uittrok. Daarop verdween hij langs een achteruitgang. REC 3:23 Hij ging langs de zuilengang naar buiten. De deur van de bovenzaal had hij afgesloten en gegrendeld. REC 3:24 Toen hij weg was, kwamen de dienaren van Eglon bij de bovenzaal en merkten zij dat de deur op slot zat. Zij zeiden: `Misschien doet hij zijn behoefte in het koele vertrek.' REC 3:25 Zij bleven wachten, maar tenslotte werden ze er verlegen mee, want hij deed de deur van de bovenzaal maar niet open. Toen gingen zij de sleutel halen om de deur open te maken, en daar lag hun meester dood op de grond. REC 3:26 Omdat zij zo lang gewacht hadden, was Ehud ontkomen; hij was de Gebeeldhouwde Stenen al voorbij en was behouden in Seira aangekomen. REC 3:27 Zodra hij weer op Israëlitisch gebied was, liet hij in het bergland van Efraim de bazuin steken. Toen de Israëlieten de bergen afkwamen, stelde hij zich aan het hoofd en zei: REC 3:28 `Volg mij; Jahwe levert de Moabieten, uw vijanden, aan u over.' Zij trokken met hem naar beneden en bezetten de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan, zodat geen Moabiet er meer over kon. REC 3:29 Zij hebben toen tienduizend Moabieten gedood, allemaal krachtige, strijdbare mannen; niemand ontkwam. REC 3:30 Op die dag moest Moab Israël als zijn meerdere erkennen en tachtig jaar werd het land met rust gelaten. REC 3:31 Na Ehud trad Samgar, de zoon van Anat op. Hij doodde zeshonderd Filistijnen met een osseprikkel; zo bevrijdde ook hij Israël. REC 4:1 Na de dood van Ehud deden de Israëlieten opnieuw wat Jahwe mishaagt. REC 4:2 En Jahwe leverde hen over aan Jabin, de koning van Kanaän, die over Hasor regeerde. Zijn legeraanvoerder heette Sisera en woonde te Charoset-haggojim. REC 4:3 De Israëlieten riepen tot Jahwe, want Jabin had negenhonderd ijzeren wagens en onderdrukte de Israëlieten met harde hand, reeds twintig jaar lang. REC 4:4 In die tijd trad de profetes Debora, de vrouw van Lappidot, als rechter in Israël op. REC 4:5 Zij hield zitting onder de palm van Debora tussen Rama en Betel, in het bergland van Efraim, waar de Israëlieten met hun rechtszaken bij haar kwamen. REC 4:6 Zij ontbood Barak, de zoon van Abinoam, uit Kedes van Naftali en zei hem: `Jahwe, de God van Israël, geeft u dit bevel: Trek met tienduizend man uit Naftali en Zebulon naar de berg Tabor. REC 4:7 Dan zal Ik Sisera, de legeraanvoerder van Jabin, met zijn strijdwagens en zijn troepen naar u toelokken bij de beek Kison en hem aan u overleveren.' REC 4:8 Barak antwoordde: `Als u met mij meegaat, doe ik het, maar als u niet meegaat, doe ik het niet.' REC 4:9 Zij zei: `Dan ga ik mee; maar de tocht die u onderneemt zal u geen roem brengen, want aan een vrouw levert Jahwe Sisera over.' Toen ging Debora met Barak naar Kedes. REC 4:10 Nu riep Barak, Zebulon en Naftali in Kedes onder de wapenen: tienduizend man volgden hem en ook Debora ging mee. REC 4:11 In de buurt van Kedes, bij de eik van Saannaim, had de Keniet Cheber, een zoon van Mozes' schoonvader Chobab, die zich van de overige Kenieten had afgescheiden, zijn tent opgeslagen. REC 4:12 Toen Sisera bericht kreeg dat Barak, de zoon van Abinoam, de Tabor was opgetrokken, REC 4:13 liet hij al zijn ijzeren strijdwagens, negenhonderd in getal, en alle manschappen waarover hij beschikken kon, van Charoset-haggojim naar de beek Kison oprukken. REC 4:14 Toen zei Debora tot Barak: `Trek op, want vandaag levert Jahwe Sisera aan u over. Hijzelf gaat voor u uit.' En toen Barak met zijn tienduizend mannen van de Tabor naar beneden kwam, REC 4:15 bracht Jahwe Sisera met al zijn wagens en heel zijn leger door het zwaard van Barak in verwarring. Sisera sprong van zijn wagen en trachtte te voet te ontkomen, REC 4:16 terwijl Barak de wagens en het leger nazette tot in Charoset-haggojim. Heel het leger van Sisera viel door het zwaard; geen man werd gespaard. REC 4:17 Sisera was intussen te voet naar de tent van Jaël, de vrouw van de Keniet Cheber, gevlucht, want diens familie was bevriend met Jabin, de koning van Hasor. REC 4:18 Jaël kwam naar buiten, Sisera tegemoet, en zei tegen hem: `Kom binnen, heer, kom gerust binnen: u hoeft niet bang te zijn.' Hij ging haar tent binnen en zij dekte hem toe met een deken. REC 4:19 Hij vroeg haar: `Geef mij alstublieft wat water: ik heb dorst.' Zij maakte de melkzak open en liet hem drinken. Toen zij hem weer toedekte, REC 4:20 zei hij tegen haar: `Blijf voor de ingang van de tent staan, en als de een of ander komt vragen of er iemand binnen is, moet u antwoorden van niet.' REC 4:21 Toen Sisera van uitputting in slaap was gevallen, pakte Jaël, de vrouw van Cheber, een tentpin en een hamer, ging zachtjes naar hem toe en dreef de pin dwars door zijn slapen de grond in; hij was op slag dood. REC 4:22 Toen zag Jaël Barak aankomen, op zoek naar Sisera. Zij ging hem tegemoet en zei: `Kom binnen, dan zal ik u de man laten zien die u zoekt.' Barak ging naar binnen, en daar lag Sisera door op de grond, met de pin door zijn slapen. REC 4:23 Zo onderwierp God op die dag Jabin, de koning van Kanaän, aan de Israëlieten. REC 4:24 Hun macht over Jabin, de koning van Kanaän, werd op den duur zo groot dat zij hem tenslotte hebben vernietigd. REC 5:1 Toen zong Debora en Barak, de zoon van Abinoam, dit lied: REC 5:2 Als het volk van Israël de haren losmaakt en zich meldt om te strijden, prijst dan Jahwe! REC 5:3 Koningen, luistert nu; vorsten, hoort: Voor Jahwe wil ik zingen, ik, en slaan op de snaren voor Israëls God. REC 5:4 Jahwe, toen gij weg zijt getrokken uit Seir, heen zijt gegaan uit de vlakte van Edom, dreunde de aarde, stroomde uit de hemelen, stroomde uit de wolken het water. REC 5:5 Toen beefden de bergen voor Jahwe die komt van de Sinaï, voor Jahwe, de God van Israël. REC 5:6 In de dagen van Samgar, de zoon van Anat, in de dagen van Jaël lagen de wegen verlaten: wie vroeger de brede straten namen, gingen nu kronkelende binnenpaden. REC 5:7 Uitgestorven lagen de dorpen, uitgestorven in Israël, tot ik, Debora, opstond, opstond als moeder in Israël. REC 5:8 Zij hadden nieuwe goden gekozen: geen brood was er toen in de steden, geen schild of geen lans meer te vinden bij de veertigduizend van Israël. REC 5:9 Mijn hart gaat uit naar hen die Israël leiden. Gij uit het volk die u meldt voor de strijd, prijst Jahwe! REC 5:10 Gij berijders van witte ezelinnen, op rijke sjabrakken gezeten, gij die over de wegen gaat, blijft er van spreken, REC 5:11 luider dan die bij de drinkplaatsen zingen, wanneer zij Jahwe's weldaden loven, de werken van Hem die in Israël heerst. Toen is het volk van Jahwe naar de poorten gekomen: REC 5:12 Sta op, sta op, Debora, sta op, sta op, zing een lied! Vooruit, Barak, kom met uw gevangenen, zoon van Abinoam! REC 5:13 Daar kwamen de andere dapperen aan, het volk van Jahwe met zijn helden. REC 5:14 De leiders uit Efraim daalden af naar de vlakte, uw broeder Benjamin voegde zich bij u. Ook de leiders van Makir kwamen en zij die de scepter dragen in Zebulon. REC 5:15 De leiders van Issakar waren bij Debora. Issakar, trouw aan Barak, ging achter hem aan, de vlakte in. Onder de gelederen van Ruben was de verdeeldheid groot: REC 5:16 waarom bleef je achter de heining zitten, bij de kudde, luisterend naar de fluiten? Onder de gelederen van Ruben was de verdeeldheid groot. REC 5:17 Gilead kwam de Jordaan niet over, en Dan had het druk met zijn schepen. Aser bleef aan de kust van de zee en ging niet weg van zijn havens. REC 5:18 Zebulon echter waagde zijn leven, en ook Naftali, die op de hoogvlakte woont. REC 5:19 De koningen kwamen en streden, de koningen van Kanaän streden. Bij Taanak, bij het water van Megiddo, maar geen stukje zilver maakten zij buit. REC 5:20 Hoog uit de hemel streden de sterren, streden zij tegen Sisera, uit hun banen. REC 5:21 De Kison sleurde hen mee, het geweld van de Kison spoelde hen weg. Verder moet ik, onversaagd. REC 5:22 De hoeven van de paarden hameren, in galop, in galop gaan de hengsten. REC 5:23 Vloek Meroz, zegt de engel van Jahwe, sla met uw vloek zijn bewoners: zij hebben geen hulp geboden aan Jahwe, aan Jahwe en aan zijn krijgers. REC 5:24 Gezegend boven alle vrouwen zij Jaël, de vrouw van Cheber de Keniet; boven alle vrouwen in de tenten zij Jaël gezegend. REC 5:25 Hij vroeg haar water, zij gaf hem melk; zij bracht hem room in een feestschaal. REC 5:26 Haar linkerhand greep een tentpin, haar rechter een timmermanshamer. Zo sloeg zij Sisera, verbrijzelde zijn hoofd. zijn verpletterde slapen doorborend. REC 5:27 Aan haar voeten kromp hij ineen, viel hij neer en bleef hij liggen. Aan haar voeten kromp hij ineen en viel hij neer. Waar hij ineen was gekrompen, daar viel hij neer, overweldigd. REC 5:28 Uit het venster tuurt Sisera's moeder klagend zit zij voor de tralies: `Waarom komt zijn strijdwagen niet, waar blijft het gedreun van zijn wagens?' REC 5:29 De wijste onder haar edelvrouwen geeft haar steeds weer ten antwoord: REC 5:30 `Zij hebben toch immers een buit bemachtigd en delen die nu: een, twee vrouwen voor elke soldaat; kleurige stoffen zijn Sisera's buit, bonte stoffen zijn deel; een, twee geborduurde doeken voor de hals van zijn vrouw.' REC 5:31 Zo mogen te gronde gaan, Jahwe, al uw vijanden; maar die U beminnen, mogen zij zijn als de kracht van de rijzende zon. Toen had het land veertig jaren rust. REC 6:1 De Israëlieten deden opnieuw wat Jahwe mishaagt en Hij leverde hen zeven jaar lang aan de Midjanieten over, REC 6:2 zodat die Israël in hun macht kregen. Uit vrees voor de Midjanieten richtten de Israëlieten in het gebergte schuilplaatsen in, holen en vestigingen. REC 6:3 Telkens als de Israëlieten gezaaid hadden, rukten de Midjanieten met de Amalekieten en andere zonen van het oosten tegen hen op. REC 6:4 Zij sloegen hun tenten op en vernielden de oogst in heel het land, tot Gaza toe. Zij lieten in Israël geen voedsel meer over, en ook geen schapen, geen ossen en geen ezels. REC 6:5 Zij trokken binnen met hun kudden en hun tenten, zo talrijk als sprinkhanen, een ontelbare massa mannen en kamelen; zij vielen het land binnen en verwoestten het. REC 6:6 Toen de Israëlieten door de Midjanieten tot grote armoede waren gebracht, begonnen zij tot Jahwe te roepen. REC 6:7 En toen de Israëlieten onder de druk van de Midjanieten tot Jahwe riepen, REC 6:8 zond Hij hun een profeet, die hun zei: `Zo spreekt Jahwe, de God van Israël: Ik heb u uit Egypte geleid en u weggehaald uit dat slavenhuis. REC 6:9 Ik heb u bevrijd uit de macht van de Egyptenaren en van al uw verdrukkers. Ik heb hen voor u verdreven en u hun land gegeven. REC 6:10 Ik heb u gezegd: Ik ben Jahwe, uw God; ook al woont gij in het land van de Amorieten, gij moogt hun goden niet vereren. Maar gij hebt niet naar mijn stem geluisterd.' REC 6:11 Toen kwam de engel van Jahwe en zette zich neer onder de terebint van Ofra, die het eigendom was van Joas, uit het geslacht Abiezer. Zijn zoon Gideon was juist bezig tarwe uit te kloppen in een perskuip, om niet door de Midjanieten gezien te worden. REC 6:12 De engel van Jahwe verscheen hem daar en zei: `Jahwe is met u, dappere held.' REC 6:13 Gideon antwoordde: `Als ik het zeggen mag, heer: Indien Jahwe met ons is, waarom is ons dit alles dan overkomen? Waar zijn de wonderen waarover deze voorvaderen ons verhaald hebben; zij zeiden toch: Jahwe heeft ons uit Egypte geleid! Maar nu heeft Jahwe ons verstoten en ons aan de Midjanieten overgeleverd.' REC 6:14 Toen richtte Jahwe zich tot hem en zei: `Trek op tegen de Midjanieten! Gij zijt sterk genoeg om Israël uit hun macht te bevrijden. Ik ben het toch die u zend.' REC 6:15 Gideon hernam: `Als ik het zeggen mag, Heer: Hoe zou ik Israël kunnen bevrijden? Mijn geslacht is het armste van heel Manasse en ik ben de jongste van de familie.' REC 6:16 Maar Jahwe zei: `Ik zal met u zijn; gij zult de Midjanieten verslaan alsof het maar een enkele man was.' REC 6:17 Maar Gideon hield aan: `Als ik genade heb gevonden in uw ogen, geef mij dan een teken dat Gij het zijt die met mij spreekt. REC 6:18 En ga niet weg voor ik terug ben en U een geschenk heb aangeboden.' Jahwe antwoordde: `Ik blijf hier tot gij terug zijt.' REC 6:19 Gideon ging naar huis, maakte een geitebokje klaar en een efa ongezuurde broden. Hij deed het vlees in een mand en de saus in een kom; die bracht hij naar Hem toe bij de terebint en bood ze Hem aan. REC 6:20 De engel van God sprak: `Leg het vlees en de ongezuurde broden daar op dat rotsblok en giet de saus erover uit.' Gideon deed dat. REC 6:21 De engel van Jahwe bewoog de stok die hij in zijn hand had naar het vlees en de ongezuurde broden en raakte die met de punt van de stok aan; toen laaide er uit het rotsblok een vuur op dat het vlees en de ongezuurde broden verteerde. Daarop verdween de engel van Jahwe uit zijn ogen. REC 6:22 Nu begreep Gideon dat het de engel van Jahwe was geweest. Hij zei: `Wee mij, Jahwe, mijn Heer, ik heb oog in oog gestaan met de engel van Jahwe.' REC 6:23 Maar Jahwe verzekerde hem: `Vrede is uw deel; wees niet bevreesd; gij zult niet sterven.' REC 6:24 Toen bouwde Gideon daar een altaar voor Jahwe en noemde het Jahwe-is-vrede. Dat altaar staat nog in Ofra, de stad van Abiezer, tot op de huidige dag. REC 6:25 In die nacht zei Jahwe tot Gideon: `Neem een stier van uw vader, een vette stier van zeven jaar, verniel het altaar van Baäl dat aan uw vader behoort en hak de heilige paal om die er bij staat. REC 6:26 Richt dan hier op de top van de versterkte plaats een goed gebouwd altaar op voor Jahwe uw God en draag de vette stier op als een brandoffer, op het hout van de omgehakte paal.' REC 6:27 Geholpen door tien van zijn knechten voerde Gideon de opdracht van Jahwe uit. Omdat hij het niet overdag durfde doen uit vrees voor zijn familie en voor de mensen uit de stad, deed hij het 's nachts. REC 6:28 De volgende morgen ontdekten de mensen uit de stad dat het altaar van Baäl vernield was, dat de heilige paal die er bij stond was omgehakt en dat op een nieuw gebouwd altaar een vette stier was geofferd. REC 6:29 Zij zeiden tot elkaar: `Wie zou dat gedaan hebben?' Zij deden navraag en stelden een onderzoek in en er werd gezegd: `Gideon, de zoon van Joas, heeft het gedaan.' REC 6:30 Daarop zeiden de mensen uit de stad tot Joas: `Lever uw zoon uit. Hij moet sterven, want hij heeft het altaar van Baäl vernield en de heilige paal die er bij stond omgehakt.' REC 6:31 Maar Joas zei tot de omstanders: `Wilt u het soms voor Baäl opnemen? Wilt u Baäl redden? Wie het voor hem opneemt, wordt voor morgenochtend gedood. Als hij god is, laat hij dan zelf voor zijn zaak opkomen: het is zijn altaar dat vernield is.' REC 6:32 Die dag kreeg Gideon de naam Jerubbaal, want men zei: `Laat Baäl het tegen hem opnemen, omdat hij diens altaar vernield heeft.' REC 6:33 De Midjanieten, de Amalekieten en de andere stammen uit het oosten hadden zich aangesloten, waren de Jordaan overgetrokken en hadden hun kamp opgeslagen in de vlakte van Jizreel. REC 6:34 Toen kwam de geest van Jahwe over Gideon; hij stak de bazuin en de mannen van Abiezer sloten zich bij hem aan. REC 6:35 Hij zond boden door heel het gebied van Manasse en ook deze stam sloot zich bij hem aan. Ook naar Aser, Zebulon en Naftali stuurde hij boden, en ook deze stammen sloten zich bij hem aan. REC 6:36 Nu sprak Gideon tot God: `Als Gij Israël werkelijk door mijn hand wilt bevrijden, zoals Gij beloofd hebt, REC 6:37 laat dan de dauw alleen op de wollen vacht komen die ik hier op de dorsvloer leg en laat de grond eromheen droog blijven; dan weet ik dat Gij Israël door mijn hand zult bevrijden, zoals Gij beloofd hebt.' REC 6:38 En zo gebeurde het inderdaad: Toen hij de volgende morgen opstond wrong hij de dauw uit de vacht; de schaal stond vol water. REC 6:39 Weer sprak Gideon tot God: `Laat uw toorn niet tegen mij ontbranden, als ik U nog een keer iets vraag. Ik zou nog een proef willen nemen met de vacht; laat nu alleen de vacht droog blijven, terwijl op de grond rondom de dauw valt.' REC 6:40 En God deed dat, de volgende nacht: Alleen de vacht bleef droog, op de grond lag overal dauw. REC 7:1 Jerubbaal, ook Gideon geheten, en zijn mannen sloegen in alle vroegte hun kamp op bij En-charod. Ten noorden daarvan lag het kamp van de Midjanieten, in de buurt van de Waarzeggersheuvel, in de vlakte. REC 7:2 Toen zei Jahwe tot Gideon: `Uw leger is zo groot dat Ik daaraan de Midjanieten niet wil overleveren. Israël zou zich tegenover Mij kunnen beroemen en zeggen: Mijn eigen kracht heeft mij gered. REC 7:3 Deel dus aan uw mannen het volgende mee: Ieder die bang of angstig is mag naar huis gaan en de bergen van Gilboa verlaten.' Tweeëntwintig duizend mannen trokken zich terug; toen bleven er nog tienduizend over. REC 7:4 Daarop zei Jahwe tot Gideon: `Nog is het leger te talrijk. Laat de mannen naar het water gaan; daar zal Ik ze voor u schiften. Degene van wie Ik u zeg: Die gaat met u mee, hij gaat met u mee, degene van wie Ik zeg: Die gaat niet met u mee, hij gaat niet mee.' REC 7:5 Toen Gideon de mannen naar het water had laten gaan, zei Jahwe tot hem: `Ge moet de mannen die het water als honden opslurpen, scheiden van degenen die bij het drinken op hun knieën gaan zitten.' REC 7:6 Er waren er driehonderd die met de hand aan de mond het water opslurpten; alle anderen waren bij het drinken op hun knieën gaan zitten. REC 7:7 Toen zei Jahwe tot Gideon: `Met de driehonderd man die het water hebben opgeslurpt zal Ik u bevrijden en de Midjanieten aan u overleveren; alle anderen moeten naar hun huizen gaan.' REC 7:8 De driehonderd namen de proviand en de trompetten van de anderen. Gideon stuurde de Israëlieten naar hun tenten terug en hield alleen de driehonderd bij zich. Het kamp van de Midjanieten lag in de vlakte. REC 7:9 Die nacht zei Jahwe tot Gideon: `Ga naar hun kamp; ik heb hen aan u overgeleverd. REC 7:10 Als gij er niet alleen heen durft, neem dan uw dienaar Pura mee. REC 7:11 Als gij gehoord hebt waarover zij praten, zult ge de moed hebben op dat kamp af te gaan.' Toen ging Gideon met zijn dienaar Pura op weg en drong door tot de buitenste wachtpost van het kamp. REC 7:12 De Midjanieten, Amalekieten en de andere zonen van het oosten waren op de vlakte neergestreken als een menigte sprinkhanen. Hun kamelen waren niet te tellen: ze waren even talrijk als de zandkorrels aan het strand van de zee. REC 7:13 Toen Gideon bij het kamp kwam, hoorde hij een soldaat aan een ander vertellen wat hij gedroomd had: `Hoor eens wat ik gedroomd heb! Ik zag een gerstekoek het kamp van de Midjanieten binnenrollen; hij sloeg tegen een tent aan, stootte die omver en keerde ze ondersteboven; en daar lag de tent.' REC 7:14 De ander zei toen: `Dat kan niets anders betekenen dan het zwaard van Gideon, de zoon van de Israëliet Joas. God heeft de Midjanieten met heel hun kamp aan hem overgeleverd.' REC 7:15 Toen Gideon het verhaal van de droom en de verklaring had gehoord, boog hij diep neer. Terug in het kamp van Israël zei hij: `Vlug! Jahwe heeft het kamp van de Midjanieten aan u overgeleverd.' REC 7:16 Hij verdeelde de driehonderd man in drie groepen en gaf iedere soldaat een bazuin en een lege kruik met een toorts er in. REC 7:17 En hij beval: `Let goed op mij en doe precies wat ik doe. Als ik vlak bij het kamp ben moeten jullie precies hetzelfde doen als ik. REC 7:18 Wanneer ik en de mannen die bij mij zijn de bazuin steken, dan moeten ook jullie rond heel het kamp de bazuin steken en roepen: Voor Jahwe en voor Gideon!' REC 7:19 Bij het begin van de middelste nachtwake kwamen Gideon en de honderd mannen die bij hem waren bij de buitenste wachtpost van het kamp. Nauwelijks was de wacht afgelost of zij bliezen op de bazuinen en sloegen de kruiken stuk. REC 7:20 Toen bliezen alle drie de groepen op hun bazuinen en sloegen hun kruiken stuk; de toortsen hielden ze in hun linkerhand, de bazuinen waarop zij bliezen in hun rechter. En zij riepen: `Te wapen! Voor Jahwe en voor Gideon!' REC 7:21 Terwijl ze allemaal rondom het kamp op hun plaats bleven staan, begon heel het kamp door elkaar te rennen. Onder luid geschreeuw sloegen zij op de vlucht. REC 7:22 Terwijl de driehonderd de bazuinen bleven blazen, liet Jahwe de mannen in het kamp met het zwaard op elkaar inslaan. Het leger vluchtte tot Bet-hassitta, in de richting van Saretan, tot aan de rand van het plateau bij Abel-mechola tegenover Tabbat. REC 7:23 Toen verzamelde zich de Israëlieten uit Naftali, Aser en heel Manasse en achtervolgden de Midjanieten. REC 7:24 Gideon had boden gestuurd door heel het bergland van Efraim met de boodschap: `Komt naar beneden om de Midjanieten tegen te houden; bezet de oever van de rivier tot Bet-bara toe, om hun het oversteken te beletten.' Alle Efraimieten verzamelden zich en bezetten de oevers van de Jordaan tot aan Bet-bara. REC 7:25 Oreb en Zeeb, de twee aanvoerders van Midjan, namen zij gevangen. Oreb en Zeeb bij de perskuip van Zeeb. Daarna achtervolgden zij de Midjanieten. De hoofden van Oreb en Zeeb brachten ze naar Gideon, aan de overkant van de Jordaan. REC 8:1 Toen vroegen de Efraimieten aan Gideon: `Waarom hebt u ons dit aangedaan, dat u ons niet hebt opgeroepen, toen u tegen de Midjanieten ten strijde trok?' Zij deden hem daarover heftige verwijten. REC 8:2 Hij antwoordde: `Wat betekenen mijn daden, vergeleken bij de uwe? De nalezing van Efraim is beter dan de oogst van Abiezer! REC 8:3 God heeft Oreb en Zeeb, de aanvoerders van Midjan, aan u overgeleverd. Wat ik kon doen is toch niet te vergelijken met wat u deed!' Toen hij zo gesproken had, bedaarde hun woede. REC 8:4 Gideon kwam met zijn driehonderd mannen bij de Jordaan en stak de rivier over; ze waren uitgeput van de achtervolging. REC 8:5 Daarom zei hij tot de burgers van Sukkot: `Geeft de soldaten die mij volgen enkele broden, want ze zijn uitgeput en ik zit Zebach en Salmunna, de koningin van Midjan achterna.' REC 8:6 Maar de magistraten van Sukkot antwoorden: `U vraagt ons brood voor uw leger, alsof u de handpalmen van Zebach en Salmunna al in uw macht hebt.' REC 8:7 Toen zei Gideon: `Op mijn woord, zodra Jahwe Zebach en Salmunna aan mij heeft overgeleverd, kom ik jullie lijf tuchtigen met distels en doornen uit de woestijn.' REC 8:8 Van Sukkot trok hij verder naar Penuël en hij vroeg de burgers van die stad hetzelfde. Zij gaven hem hetzelfde antwoord als de burgers van Sukkot. REC 8:9 Toen zei hij ook tot de burges van Penuël: `Zodra ik behouden terugkom, haal ik deze toren omver.' REC 8:10 Zebach en Salmunna lagen met een leger van vijftienduizend man in Karkar. Dat was alles wat er van het hele leger van de zonen van het oosten nog was overgebleven; hondertwintigduizend weerbare mannen waren gesneuveld. REC 8:11 Gideon volgde de weg van de nomaden, oostelijk van Nobach en Jogbeha, en sloeg toen op het leger in dat zich al veilig waande. REC 8:12 Zebach en Salmunna gingen op de vlucht; Gideon zette de achtervolging in, bracht heel hun leger in paniek en nam de koningen van Midjan, Zebach en Salmunna, gevangen. REC 8:13 Toen Gideon, de zoon van Joas, de strijd langs de hoogvlakte van Cheres terugkeerde, REC 8:14 greep hij daar een jongeman die afkomstig was uit Sukkot. Hij ondervroeg hem en liet hem de namen van de magistraten en oudsten van Sukkot opschrijven; het waren er zevenzeventig. REC 8:15 Toen ging hij naar de burgers van Sukkot en zei: `U hebt mij toen gehoond door te zeggen: U vraagt ons brood voor uw vermoeide soldaten, alsof u de handpalmen van Zebach en Salmunna al in uw macht hebt. Welnu, hier heb ik Zebach en Salmunna!' REC 8:16 Toen greep hij de oudsten van de stad en gaf de mannen van Sukkot met doornen en distels uit de woestijn een gevoelige les. REC 8:17 Ook haalde hij de toren van Penuël omver en doodde de burgers van die stad. REC 8:18 Daarna vroeg hij aan Zebach en Salmunna: `Hoe zagen de mannen er uit die u op de Tabor vermoord hebt?' Zij antwoordden: `Ze leken op u; ieder van hen had het voorkomen van een koningszoon.' REC 8:19 Gideon zei: `Dan waren het mijn broers, de zonen van mijn moeder. Zowaar Jahwe leeft, als u hen in leven had gelaten, zou ik u niet doden.' REC 8:20 Toen zei hij tegen zijn oudste zoon Jeter: `Vooruit, sla hen dood.' Maar de jongen durfde zijn zwaard niet te trekken; hij was bang, hij was nog maar een jongen. REC 8:21 Toen zeiden Zebach en Salmunna: `Slaat u ons zelf maar neer; een flinke man als u heeft daar de kracht voor.' Zo doodde Gideon en Zebach en Salmunna: de maantjes van de nekken van hun kamelen nam hij mee.. REC 8:22 Nu zeiden de Israëlieten tot Gideon: `U moet de heerschappij over ons aanvaarden, ook voor uw zoon en kleinzoon, want u hebt ons bevrijd uit de macht van de Midjanieten.' REC 8:23 Maar Gideon antwoordde: `Ik zal niet over u heersen en mijn zoon evenmin; Jahwe zal over u heersen!' REC 8:24 En hij vervolgde: `Ik wil u wel een verzoek doen. Laat ieder van u mij uit de buit die hij behaald heeft een ring geven.' Het waren Ismaëlieten geweest en die dragen gouden ringen. REC 8:25 Zij antwoordden: `Dat zullen wij graag doen.' Daarop spreidde men een kleed uit en ieder wierp daarop een ring uit de buit die hij behaald had. REC 8:26 De gouden ringen die hij gevraagd had wogen samen zeventienduizend sikkel; dan waren er ook nog de maantjes, de oorringen, de purperen gewaden van de koningen van Midjan en de ketens om de nekken van hun kamelen. REC 8:27 Van dat goud liet Gideon een efod maken, die hij plaatste in zijn stad Ofra. Met die efod pleegde heel Israël ontucht en hij werd een valstrik voor Gideon en zijn familie. REC 8:28 Zo moesten de Midjanieten de Israëlieten als hun meerderen erkennen, en zij staken het hoofd niet meer op. Zolang Gideon leefde werd het land met rust gelaten, veertig jaar lang. REC 8:29 Jerubbaal, de zoon van Joas, keerde naar zijn huis terug en bleef daar. REC 8:30 Gideon had zeventig zonen verwekt, want hij had vele vrouwen. REC 8:31 Ook zijn bijvrouw, die in Sichem woonde, had hem een zoon gebaard, die hij Abimelek genoemd had. REC 8:32 Gideon, de zoon van Joas, stierf in gezegende ouderdom en werd begraven in Ofra, de stad van Abiezer, in het graf van zijn vader Joas. REC 8:33 Zodra Gideon gestorven was, liepen de Israëlieten opnieuw ontuchtig achter de Baäls aan en erkenden Baäl-berit als hun god. REC 8:34 De Israëlieten dachten niet meer aan Jahwe hun God, die hen bevrijd had uit de macht van al hun vijanden rondom. REC 8:35 Ook bleven zij het huis van Jerubbaal-gideon niet dankbaar voor al het goede dat hij voor Israël gedaan had. REC 9:1 Abimelek, de zoon van Jerubbaal, ging naar de broers van zijn moeder in Sichem en zei tegen hen en de overige familie van zijn moeder: REC 9:2 `Jullie moeten de burgers van Sichem deze vraag voorleggen: Wat is beter voor u: dat de zonen van Jerubbaal met zeventig man over u heersen, of dat een man over u regeert? Denkt er aan, dat ik jullie eigen vlees en gebeente ben!' REC 9:3 In die geest spraken de broers van zijn moeder met al de burgers van Sichem, zodat dezen de zijde van Abimelek kozen; ze zeiden: `Hij is onze broeder.' REC 9:4 Zij gaven Abimelek zeventig sikkel zilver uit de tempel van Baäl-berit; hij huurde een bende leeglopers en avonturiers, REC 9:5 ging daarmee naar het ouderlijk huis in Ofra en vermoordde zijn zeventig broers, de zonen van Jerubbaal, op een en dezelfde steen. Alleen Jotam, de jongste zoon van Jerubbaal, die zich verborgen had, bleef in leven. REC 9:6 Toen kwamen alle burgers van Sichem en Bet-millo bijeen bij de terebint van de steen, die in Sichem staat en zij riepen daar Abimelek tot koning uit. REC 9:7 Toen dit aan Jotam bericht werd, ging hij op de top van de Gerizzim staan en schreeuwde luid: `Burgers van Sichem, luistert naar mij, dan luistert God naar u. REC 9:8 Eens gingen de bomen er op uit om iemand tot koning te zalven. Ze zeiden tegen de olijfboom: Wilt u koning over ons worden? REC 9:9 Maar de olijfboom antwoordde: Moet ik dan ophouden die olie te geven, waarom de goden en de mensen mij eren en moet ik boven de andere bomen gaan zweven? REC 9:10 Toen zeiden de bomen tegen de vijgeboom: Wilt u koning over ons worden? REC 9:11 Maar de vijgeboom antwoordde: Moet ik dan ophouden mijn zoete en heerlijke vruchten te geven en boven de andere bomen gaan zweven? REC 9:12 Toen zeiden de bomen tegen de wijnstok: Wilt u koning over ons worden? REC 9:13 Maar de wijnstok antwoordde: Moet ik dan ophouden mijn most te geven, die de goden en de mensen verblijdt, en boven de andere bomen gaan zweven? REC 9:14 Daarop zeiden alle bomen tegen de doornstruik: Wilt u koning over ons worden? REC 9:15 En de doornstruik gaf de bomen ten antwoord: Als u mij werkelijk tot koning wilt zalven, kom dan maar schuilen onder mijn schaduw. Wilt u dat niet, dan zal er van de doornstruik een vuur uitgaan, dat zelfs de ceders van de Libanon verteert. REC 9:16 Het is wel duidelijk, dat het niet oprecht en trouw van u was. Abimelek tot koning uit te roepen: daarmee bent u uw verplichtingen tegenover Jerubbaal en zijn familie immers nagekomen! Heeft hij dat aan u verdiend? REC 9:17 Mijn vader was het die voor u heeft gestreden, die zijn leven voor u op het spel heeft gezet en die u uit de macht van de Midjanieten heeft bevrijd. REC 9:18 Toch hebt u zich vandaag tegen mijn familie gekeerd. De zeventig zonen van mijn vader hebt u op een en dezelfde steen vermoord, en Abimelek, een zoon van zijn slavin, hebt u tot koning over de burgers van Sichem uitgeroepen, en dat alleen omdat hij uw broeder is. REC 9:19 Als u meent dat u vandaag oprecht en trouw geweest bent tegenover Jerubbaal en zijn familie, dan wens ik u veel geluk met Abimelek, en hem met u! REC 9:20 Maar als dat niet zo is, dan moge er van Abimelek een vuur uitgaan dat de burgers van Sichem en Bet-millo verteert, en van de burgers van Sichem en Bet-millo een vuur dat Abimelek verteert.' REC 9:21 Daarop nam Jotam de vlucht, hij week uit naar Beer en bleef daar, buiten het bereik van zijn broer Abimelek. REC 9:22 Toen Abimelek drie jaar over Israël geregeerd had, REC 9:23 bracht God onenigheid tussen Abimelek en de burgers van Sichem zodat zij hem ontrouw werden. REC 9:24 God wilde de gewelddaad tegen de zeventig zonen van Jerubbaal wreken en hun bloed doen neerkomen op hun broer Abimelek, die hen vermoord had, en op de burgers van Sichem, die hem bij de moord op zijn broers hadden geholpen. REC 9:25 De burgers van Sichem begonnen het hem lastig te maken door zich in de bergen te verschuilen en iedereen die daar langs kwam te beroven. Dit werd aan Abimelek gemeld. REC 9:26 Toen kwam Gaal, de zoon van Ebed, met zijn medestanders in Sichem aan en trok door de stad; hij wist het vertrouwen van de burgers van Sichem te winnen. REC 9:27 Het was juist de tijd dat men naar het land ging om de vruchten van de wijngaarden te oogsten en de druiven te persen. Toen zij daarna tijdens de feestelijkheden, de tempel van hun god binnengingen en daar aten en dronken, begonnen zij Abimelek te vervloeken. REC 9:28 Daarna nam Gaal, de zoon van Ebed, het woord: `Moet een stad als Sichem nu onderworpen zijn aan een man als Abimelek? De zoon van Jerubbaal en zijn commandant Zebul moesten eerder onderworpen zijn aan de mannen van Hemor, de vader van Sichem, dan wij onderworpen aan hem. REC 9:29 Had ik hier de macht in handen, dan zou ik Abimelek wegjagen; ik zou hem zeggen: Kom maar op, hoe sterk je leger ook is.' REC 9:30 Toen Zebul, de commandant van de stad, hoorde wat Gaal, de zoon van Ebed, gezegd had, werd hij woedend. REC 9:31 In het geheim zond hij de boden naar Abimelek met de boodschap: `Gaal, de zoon van Ebed, is met zijn medestanders in Sichem gekomen en zij ruien de stad tegen u op. REC 9:32 Kom dus en ga vannacht nog met uw soldaten buiten de stad in hinderlaag liggen; REC 9:33 dan kunt u morgenvroeg bij zonsopgang de aanval op de stad beginnen. Als Gaal dan met zijn soldaten tegen u uittrekt, moet u de kans maar benutten.' REC 9:34 Die nacht ging Abimelek met al zijn soldaten op weg en dicht bij Sichem legden zij zich in vier groepen in hinderlaag. REC 9:35 Toen Gaal, de zoon van Ebed, de stad was uitgekomen en bij de poort stond, kwamen Abimelek en zijn mannen uit de hinderlaag tevoorschijn. REC 9:36 Zodra Gaal hen in het oog kreeg, zei hij tegen Zebul: `Kijk eens, daar komen mensen de berg af.' Zebul antwoordde: `U ziet de schaduwen van de bergen voor mensen aan.' REC 9:37 Maar Gaal hield vol: `Kijk dan, daar bij de navel van het land komen mensen naar beneden en op de weg van de Waarzeggerseik loopt ook al een groep.' REC 9:38 Toen zei Zebul: `Waar blijft u nu met uw grote mond? U hebt toch gezegd: Moeten wij aan iemand als Abimelek onderworpen zijn? Daar hebt u nu de mensen over wie u zo minachtend hebt gesproken. Vooruit, val ze dan aan!' REC 9:39 Daarop rukte Gaal uit, aan het hoofd van de burges van Sichem, en begon de aanval op Abimelek. REC 9:40 Maar toen Abimelek op hem afkwam, week hij terug. Er vielen veel doden, tot vlak bij de stadspoort. REC 9:41 Abimelek keerde vervolgens naar Aruma terug en Zebul verdreef Gaal en zijn medestanders uit Sichem, omdat hij niet wilde dat zij daar bleven. REC 9:42 Toen Abimelek de volgende dag hoorde dat de mensen naar het land wilden gaan, REC 9:43 verdeelde hij zijn manschappen in drie groepen en ging buiten de stad in hinderlaag liggen. Zodra hij de mensen uit de stad zag komen, overviel hij hen en dreef hen uiteen. REC 9:44 Met zijn eigen groep wist Abimelek de stadspoort te bereiken en die bezet te houden. De twee andere groepen stortten zich op degenen die buiten de stad waren en sloegen die neer. REC 9:45 Na een hele dag van strijd nam Abimelek de stad in; hij vermoordde de hele bevolking, maakte de stad met de grond gelijk en strooide er zout over. REC 9:46 Toen de burgers van Migdal-sichem dit vernamen, gingen zij naar de kelder onder de tempel van El-berit. REC 9:47 Zodra Abimelek bericht kreeg, dat de burgers van Migdal-sichem bijeen waren, REC 9:48 ging hij met zijn mannen de berg Salmon op. Hij nam een bijl, hakte een tak van een boom en legde die op zijn schouder. Tegen zijn mannen zei hij: `Jullie zien wat ik doe; doe vlug hetzelfde.' REC 9:49 De mannen hakten allen een tak af en gingen Abimelek achterna. Ze legden de takken boven op de kelder en staken daarmee de kelder in brand. Zo vonden ook alle mensen uit Migdal-sichem de dood; het waren er ongeveer duizend, mannen en vrouwen. REC 9:50 Daarna trok Abimelek naar Tebes; hij belegerde de stad en nam ze in. REC 9:51 Midden in de stad stond een toren en daarheen waren alle burgers van de stad gevlucht, mannen en vrouwen. Zij hadden de poort achter zich gesloten en waren op het dak van de toren geklommen. REC 9:52 Abimelek drong tot vlak bij de toren door en begon de aanval. Maar toen hij bij de toegang was en die in brand wilde steken, REC 9:53 wierp een vrouw een molensteen op zijn hoofd en verbrijzelde hem de schedel. REC 9:54 Onmiddellijk riep hij zijn wapendrager en beval hem: `Trek je zwaard en steek me dood; anders zeggen ze nog, dat een vrouw mij gedood heeft.' Daarop stak de wapendrager hem dood. REC 9:55 Toen de Israëlieten zagen, dat Abimelek dood was, gingen zij naar huis terug. REC 9:56 Zo vergold God aan Abimelek het kwaad dat hij zijn vader had aangedaan en liet Hij de boosheid van de mannen van Sichem op hun eigen hoofd neerkomen. Aldus werd de vervloeking van Jotam, de zoon van Jerubbaal, aan hen vervuld. REC 10:1 Na Abimelek trad Tola, de zoon van Pua, de zoon van Dodo, uit Issakar op om Israël te bevrijden. Hij woonde in Samir in het gebergte van Efraim. REC 10:2 Drieëntwintig jaar was hij rechter over Israël. Toen stierf hij en werd begraven in Samir. REC 10:3 Na hem trad Jair op, een Gileadiet; tweeëntwintig jaar was hij rechter over Israël. REC 10:4 Hij had dertig zonen die dertig steden bestuurden; de dertig steden die zij bezaten heten tot op de huidige dag de Dorpen van Jair; ze liggen in Gilead. REC 10:5 Jair stierf, en werd in Kamon begraven. REC 10:6 De Israëlieten deden opnieuw wat Jahwe mishaagt; zij dienden de Baäls en de Astarten, de goden van Aram en de goden van Sidon, de goden van Moab en de goden van de Ammonieten, en de goden van de Filistijnen; zij verlieten Jahwe en vereerden Hem niet meer. REC 10:7 De toorn van Jahwe ontbrandde tegen de Israëlieten en Hij leverde hen over aan de Filistijnen en de Ammonieten. REC 10:8 Van toen af begonnen die de Israëlieten te onderdrukken en te terroriseren, achttien jaar aan een stuk, vooral de Israëlieten in Gilead aan de overkant van de Jordaan, in het gebied van de Amorieten. REC 10:9 De Ammonieten kwamen zelfs de Jordaan over en vielen ook Juda en Benjamin en het huis van Efraim lastig, zodat Israël in grote moeilijkheden kwam. REC 10:10 Toen riepen de Israëlieten tot Jahwe: `Wij hebben gezondigd tegen U; wij hebben onze God verlaten en hebben de Baäls vereerd.' REC 10:11 Jahwe antwoordde: `Ik heb u uit de macht van de Egyptenaren, de Amorieten, de Ammonieten en de Filistijnen bevrijd. REC 10:12 En ook toen de Sidoniers, Amalek en Maon u verdrukten en gij tot Mij hebt geroepen, heb Ik u uit hun macht bevrijd. REC 10:13 Toch hebt gij Mij verlaten en zijt gij andere goden gaan vereren; daarom zal Ik u voortaan niet meer bevrijden. REC 10:14 Roep de goden maar aan die gij hebt gekozen; laten die u maar bevrijden nu gij in nood verkeert.' REC 10:15 Daarop zeiden de Israëlieten tot Jahwe: `Wij hebben gezondigd, doe met ons wat Gij wilt, als Gij ons nu maar bevrijd.' REC 10:16 Daarop deden zij de vreemde goden weg en vereerden Jahwe. Toen kon Jahwe de ellende van Israël niet langer aanzien. REC 10:17 De Ammonieten verzamelden zich en sloegen in Gilead hun kamp op. Ook de Israëlieten verzamelden zich en sloegen in Mispa hun kamp op. REC 10:18 mensen - de leiders van Gilead - zeiden tegen elkaar: `Wie de strijd met de Ammonieten aandurft, wordt de leider van alle Gileadieten.' REC 11:1 De Gileadiet Jefta was een dapper man. Zijn vader, Gilead, had hem verwekt bij een publieke vrouw. REC 11:2 Maar Gilead had ook zonen van zijn eigen vrouw, en toen deze zonen groot geworden waren, hadden zij Jefta weggejaagd en gezegd: `Jij krijgt geen erfdeel in onze familie, want jij bent de zoon van een andere vrouw.' REC 11:3 Jefta was toen voor zijn broers gevlucht en was in Tob gaan wonen. Een groep leeglopers had zich bij hem aangesloten en trok er met hem op uit. REC 11:4 Enige tijd later begonnen de Ammonieten een oorlog tegen Israël. REC 11:5 Bij het begin van die oorlog van de Ammonieten tegen Israël gingen de oudsten van Gilead naar Tob om Jefta te halen. REC 11:6 Zij zeiden: `Wilt u meegaan en onze aanvoerder zijn in de strijd tegen de Ammonieten?' REC 11:7 Maar Jefta antwoordde de oudsten van Gilead: `Uit afgunst hebt u mij uit het ouderlijk huis gezet. En nu u in moeilijkheden zit, komt u bij mij!' REC 11:8 Daarop zeiden de oudsten van Gilead tot Jefta: `Op ons woord, wij komen bij u om u te vragen met ons mee te gaan en oorlog te voeren tegen de Ammonieten; dan zult u de leider worden van alle bewoners van Gilead.' REC 11:9 Toen zei Jefta tot de oudsten van Gilead: `Als u mij terughaalt om oorlog te voeren tegen de Ammonieten en als Jahwe hen in mijn macht geeft, dan wil ik ook uw leider blijven!' REC 11:10 En de oudsten van Gilead verzekerden Jefta: `Jahwe is onze getuige: Hij moge ons vonnissen als wij niet doen wat u zegt.' REC 11:11 Daarop ging Jefta met de oudsten van Gilead mee. Voor Jahwe in Mispa stelde het volk hem aan als leider en aanvoerder, en hij herhaalde er zijn eisen. REC 11:12 Toen zond Jefta boden naar de koning van de Ammonieten om te vragen: `Wat is er toch tussen ons, dat u mij op mijn eigen gebied komt bestrijden?' REC 11:13 De koning van de Ammonieten antwoordde de boden: `U weet dat Israël, toen het uit Egypte trok, mijn land tussen de Arnon, de Jabbok en de Jordaan in bezit heeft genomen. Geef het mij vrijwillig terug.' REC 11:14 Opnieuw zond Jefta boden naar de koning van de Ammonieten, REC 11:15 met de boodschap: `Zo spreekt Jefta: Israël heeft het gebied van Moab en van de Ammonieten niet in bezit genomen. REC 11:16 Bij zijn uittocht uit Egypte is Israël door de woestijn naar de Rietzee getrokken en in Kades gekomen. REC 11:17 Vandaaruit heeft Israël boden naar de koning van Edom gezonden met het verzoek: Sta mij toe door uw land te trekken. Maar de koning van Edom wilde daar niet van horen. Ook naar de koning van Moab heeft Israël boden gestuurd, maar ook die liet het niet toe. Zo bleef Israël in Kades. REC 11:18 Toen zijn de Israëlieten door de woestijn om Edom en Moab heen getrokken en hebben ten oosten van Moab aan de overzijde van de Arnon hun kamp opgeslagen. En aangezien de Arnon de grens van Moab vormt, zijn zij dus niet in Moab geweest. REC 11:19 Vandaar hebben de Israëlieten boden gezonden naar Sichon, de koning van de Amorieten in Chesbon en hem verzocht: Sta ons toe door uw land naar onze plaats van bestemming te trekken. REC 11:20 Maar Sichon geloofde niet dat Israël alleen maar door zijn gebied wilde trekken. Hij riep zijn volk onder de wapenen, sloeg zijn kamp op in Jahas en viel Israël aan. REC 11:21 Maar Jahwe, de God van Israël, leverde Sichon en heel zijn leger aan Israël over, zodat zij werden verslagen. Zo hebben de Israëlieten het hele land van de Amorieten veroverd die daar woonden. REC 11:22 Zij veroverden heel het gebied van de Amorieten, van de Arnon tot de Jabbok, van de woestijn tot de Jordaan. REC 11:23 Jahwe, de God van Israël, heeft de Amorieten voor zijn volk Israël verjaagd, en nu zoudt u Israël willen verjagen? REC 11:24 U bezit het land dat uw god Kemos u in bezit heeft gegeven. Zo bezitten wij het land dat Jahwe, onze God, ons gegeven heeft. REC 11:25 Bent u soms meer dan Balak, de zoon van Sippor, de koning van Moab? Die heeft geen twist met Israël gezocht, die heeft niet tegen Israël gestreden. REC 11:26 Het is nu al driehonderd jaar geleden dat Israël zich vestigde in Chesbon en de onderhorige steden, in Aroer en de onderhorige steden en in de steden aan de oever van de Arnon; waarom hebt u die steden toen niet bevrijd? REC 11:27 Ik heb u niets misdaan; u doet mij onrecht door mij te bestrijden. Laat Jahwe de Rechter heden uitspraak doen wie gelijk heeft, de Israëlieten of de Ammonieten.' REC 11:28 Maar de koning van de Ammonieten wilde niet van Jefta's voorstel horen. REC 11:29 Toen kwam de geest van Jahwe over Jefta; hij trok door Gilead en Manasse, door Mispa in Gilead, en vandaar naar de Ammonieten. REC 11:30 Toen deed Jefta aan Jahwe deze gelofte: `Als Gij de Ammonieten aan mij overlevert REC 11:31 en ik behouden van de Ammonieten terugkeer, zal de eerste die uit de deur van mijn huis naar mij toekomt aan Jahwe behoren; ik zal hem als brandoffer opdragen.' REC 11:32 Toen trok Jefta ten strijde tegen de Ammonieten. En Jahwe leverde hen aan hem over. REC 11:33 Hij sloeg op hen in van Aroer tot aan de weg van Minnit - twintig steden - en tot Abel-keramim; hij bracht hun een zeer zware nederlaag toe. Zo werden de Ammonieten door de Israëlieten vernederd. REC 11:34 Toen Jefta naar zijn huis in Mispa terugkeerde, kwam zijn dochter de deur uit om hem met tamboerijnen en reidansen tegemoet te gaan. Zij was zijn enig kind; buiten haar had hij geen zonen of dochters. REC 11:35 Zodra hij haar zag, scheurde hij zijn kleren en riep uit: `Ach mijn dochter, wat tref je me zwaar: je maakt me diep ongelukkig! Ik heb Jahwe mijn woord gegeven, ik kan niet meer terug.' REC 11:36 Zij antwoordde: `Vader, u hebt Jahwe uw woord gegeven. Doe dus met mij wat u beloofd hebt, want Jahwe heeft u wraak laten nemen op de Ammonieten, uw vijanden.' REC 11:37 En zij zei tot haar vader: `Ik vraag u alleen nog deze gunst: geef mij twee maanden om met mijn vriendinnen de bergen in te gaan en daar te rouwen omdat ik als maagd moet sterven.' REC 11:38 Hij antwoordde: `Doe dat,' en hij liet haar voor twee maanden gaan. En zij ging met haar vriendinnen de bergen in en rouwde daar, omdat zij als maagd moest sterven. REC 11:39 Toen zij na twee maanden weer bij haar vader kwam, voltrok hij aan haar de gelofte die hij gedaan had. Zij had nooit gemeenschap gehad met een man. Zo ontstond in Israël de gewoonte REC 11:40 dat de meisjes ieder jaar vier dagen lang de dochter van Jefta, de Gileadiet, gaan herdenken. REC 12:1 De Efraimieten kwamen bijeen en staken over naar Safon. Zij vroegen aan Jefta: `Waarom hebt u de Ammonieten aangevallen zonder ons te roepen om mee te gaan? Wij steken uw huis boven uw hoofd in brand.' REC 12:2 Jefta antwoordde: `Ik en mijn volk hadden een hooglopend verschil met de Ammonieten. Ik heb uw hulp ingeroepen, maar u hebt niets gedaan om mij uit hun handen te bevrijden. REC 12:3 Toen ik merkte dat u mij niet te hulp kwam, ben ik met gevaar voor mijn leven tegen de Ammonieten opgerukt, en Jahwe heeft hen aan mij overgeleverd. Wat hebt u dus voor reden om nu aan te vallen?' REC 12:4 Jefta riep alle mannen van Gilead bijeen en viel Efraim aan. De mannen van Gilead versloegen de Efraimieten, omdat die gezegd hadden: `Jullie zijn weggelopen Efraimieten.' Gilead ligt midden tussen Efraim en Manasse. REC 12:5 Toen bezetten de Gileadieten de oversteekplaatsen van de Jordaan waarlangs de Efraimieten terug moesten. En telkens als Efraimitische vluchtelingen vroegen om de rivier over te mogen, zeiden de mannen van Gilead: `Ben je Efraimiet?' Als hij dan antwoordde van neen, REC 12:6 zeiden ze: `Zeg eens, `sjibbolet'. Sprak hij het woord verkeerd uit en zei hij `sibbolet', dan grepen ze hem vast en doodden hem bij de oversteekplaatsen van de Jordaan. Zo vonden toen tweeënveertigduizend mannen van Efraim de dood. REC 12:7 Zes jaar was Jefta rechter over Israël. Toen stierf Jefta, de Gileadiet, en hij werd begraven in Gilead, in zijn eigen stad. REC 12:8 Na hem werd Ibsan uit Betlechem rechter over Israël. REC 12:9 Hij had dertig zonen; zijn dertig dochters huwelijkte hij buiten zijn familie uit en voor zijn dertig zonen nam hij dertig meisjes van buiten zijn familie. Zeven jaar was Ibsan rechter over Israël. REC 12:10 Toen stierf hij en werd begraven in Betlechem. REC 12:11 Na hem werd de Zebuloniet Elon rechter over Israël. Tien jaar was Elon de Zebuloniet rechter. REC 12:12 Toen stierf hij en werd begraven in Ajjalon, in Zebulon. REC 12:13 Na hem werd Abdon, de zoon van Hillel, uit Piraton rechter over Israël. REC 12:14 Hij had veertig zonen en dertig kleinzonen, die zeventig ezelshengsten bereden. Acht jaar was hij rechter over Israël. REC 12:15 en Abdon, de zoon van Hillel, uit Piraton, stierf en werd begraven te Piraton, in het land Efraim, in het gebergte der Amalekieten. REC 13:1 De Israëlieten deden opnieuw wat Jahwe mishaagt. En Jahwe leverde hen veertig jaar achtereen over aan de Filistijnen. REC 13:2 Nu woonde er in Sora een Daniet die Manoach heette. Zijn vrouw was onvruchtbaar en had nooit kinderen gekregen. REC 13:3 De engel van Jahwe verscheen aan die vrouw en zei: `Gij zijt altijd onvruchtbaar geweest en hebt nooit een kind gekregen, maar nu zult gij zwanger worden en een zoon ter wereld brengen. REC 13:4 Zorgt dat gij geen wijn of sterke drank drinkt en niets eet dat onrein is. REC 13:5 Gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen. Over het hoofd van de jongen mag geen scheermes gaan, omdat hij vanaf de schoot van zijn moeder aan God is gewijd. De bevrijding van Israël uit de macht van de Filistijnen zal met hem beginnen.' REC 13:6 De vrouw ging dit aan haar man vertellen en zei: `Er is een man Gods bij mij geweest; hij zag er buitengewoon indrukwekkend uit, als een engel van God. Ik heb hem niet durven vragen waar hij vandaan kwam, en hij heeft mij zijn naam niet genoemd. REC 13:7 Hij zei tegen mij: Gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen. Van nu af moogt gij geen wijn of sterke drank drinken en niets eten dat onrein maakt; want de jongen zal aan God gewijd zijn vanaf de schoot van zijn moeder tot aan zijn dood.' REC 13:8 Toen bad Manoach tot Jahwe en zei: `Heer, laat toch de man Gods die Gij hebt gezonden nog eens bij ons komen en ons zeggen wat wij moeten doen als de jongen eenmaal geboren is.' REC 13:9 En God verhoorde het gebed van Manoach, en de engel van God kwam opnieuw bij de vrouw. Zij was op het veld en haar man was niet bij haar. REC 13:10 Haastig liep zij naar haar man en zei: `De man die onlangs bij mij geweest is verschijnt mij nu opnieuw.' REC 13:11 Manoach ging met zijn vrouw mee en toen hij bij de man gekomen was vroeg hij: `Bent u degene die dat gesprek met deze vrouw heeft gehad?' Hij antwoordde: `Ja, dat ben ik.' REC 13:12 Toen zei Manoach: `Wanneer uw belofte vervuld wordt, welke regels moeten dan met die jongen gevolgd worden en welke gedragswijze?' REC 13:13 De engel van Jahwe antwoordde: `Uw vrouw moet zich onthouden van alles wat ik genoemd heb: REC 13:14 wat van de wijnstokken komt mag zij niet eten, geen wijn of sterke drank mag zij drinken en zij mag niets eten dat haar onrein maakt. Zij moet zich onthouden van alles wat ik haar verboden heb.' REC 13:15 Toen zei Manoach tot de engel van Jahwe: `Wij zouden graag zien dat u nog bleef; dan kunnen wij een geitebokje voor u klaar maken.' REC 13:16 De engel van Jahwe antwoord de: `Al zoudt u mij hier houden, van uw spijzen eten doe ik niet. Wilt u er een brandoffer van maken, draag het dan aan Jahwe op.' Manoach had geen vermoeden dat het de engel van Jahwe was. REC 13:17 Hij vroeg hem: `Hoe is uw naam? Dan kunnen wij u eren als uw belofte in vervulling gaat.' REC 13:18 Maar de engel van Jahwe antwoordde: `Wat vraagt u naar mijn naam? Die is te wonderbaarlijk.' REC 13:19 Toen droeg Manoach op een rotsblok het geitebokje met een meeloffer aan Jahwe op. En deze deed voor de ogen van Manoach en zijn vrouw iets wonderbaarlijks: REC 13:20 in de vlam die van het altaar oplaaide steeg de engel hemelwaarts. Manoach en zijn vrouw zagen het en wierpen zich plat ter aarde. REC 13:21 En de engel van Jahwe liet zich aan Manoach en zijn vrouw niet meer zien. Toen begreep Manoach dat het de engel van Jahwe geweest was. REC 13:22 Hij zei tot zijn vrouw: `Wij zullen sterven, want wij hebben God gezien.' REC 13:23 Maar de vrouw antwoordde: `Als Jahwe ons wilde doden, dan had Hij geen brand- of meeloffer van ons aangenomen: dan had Hij dit alles niet laten zien en ons nu niet deze beloften laten horen.' REC 13:24 De vrouw bracht een zoon ter wereld en noemde hem Simson. De jongen groeide op en Jahwe zegende hem. REC 13:25 Voor het eerst bewoog de geest van Jahwe hem in Machane-dan, tussen Sora en Estaol. REC 14:1 Eens ging Simson naar Timna en hij zag daar een Filistijns meisje. REC 14:2 Bij zijn thuiskomst vertelde hij aan zijn ouders: `Ik heb in Timna een Filistijns meisje gezien; neem haar voor mij als vrouw.' REC 14:3 Maar zijn vader en zijn moeder zeiden: `Is er dan bij de dochters van je verwanten, bij heel ons eigen volk geen vrouw te vinden, dat je er een zoekt bij de Filistijnen, die onbesnedenen?' Simson antwoordde zijn vader: `Toch wil ik dat u haar neemt; zij bevalt me.' REC 14:4 Zijn vader en moeder wisten niet dat Jahwe er de hand in had en dat Hij een gelegenheid zocht om iets tegen de Filistijnen te doen. In die tijd heersten de Filistijnen over Israël. REC 14:5 Zo ging Simson met zijn ouders naar Timna. Toen hij bij de wijngaarden van Timna was, kwam er een jonge leeuw brullend op hem af. REC 14:6 De geest van Jahwe greep Simson aan en met zijn blote handen verscheurde hij de leeuw, alsof het een geitebokje was. Aan zijn vader en moeder vertelde hij niet wat hij gedaan had. REC 14:7 Simson ging verder, sprak met de vrouw, en zij beviel hem. REC 14:8 Enige tijd later keerde hij terug om de vrouw te gaan trouwen. Toen hij even van de weg afging om naar de dode leeuw te kijken, vond hij in het kadaver van de leeuw een bijenzwerm en ook honing. REC 14:9 Hij liet de honing in zijn handen lopen en zijn weg vervolgend at hij ervan. Toen hij bij zijn ouders kwam, gaf hij hun ook wat honing, zonder te vertellen dat die uit het kadaver van de leeuw gekomen was. REC 14:10 Zijn vader ging naar de vrouw, en Simson gaf daar een feest, zoals jonge mannen doen. REC 14:11 Toen er na de kennismaking dertig metgezellen waren aangewezen om hem te begeleiden, REC 14:12 zei Simson tot hen: `Ik zal u eens een raadsel opgeven. Als u mij binnen de zeven dagen van het feest de oplossing kunt vertellen, krijgt u van mij dertig stel onder- en dertig stel bovenkleren. REC 14:13 Kunt u mij de oplossing niet geven, dan krijg ik van u dertig stel onder- en dertig stel bovenkleren.' Zij antwoordden hem: `Laat uw raadsel maar eens horen.' REC 14:14 Toen zei Simson: `Uit de verslinder komt voedsel en uit de sterke komt zoetheid. Na drie dagen hadden zij het raadsel nog niet kunnen oplossen. REC 14:15 De zevende dag zeiden ze tot de vrouw van Simson: `Jij moet je man zo ver brengen dat hij ons de oplossing van het raadsel vertelt' anders verbranden wij jou en je hele familie. Of heb je ons soms uitgenodigd om ons arm te maken?' REC 14:16 Toen kwam de vrouw schreiend bij Simson en zei: `Eigenlijk heb je een hekel aan mij; je houdt niet van me. Je hebt mijn landgenoten een raadsel opgegeven en mij de oplossing niet verteld.' Hij antwoordde haar: `Die heb ik niet eens aan mijn vader en moeder verteld!' Waarom dan aan jou?' REC 14:17 Maar zij bleef tot de zeven dagen van het feest onder tranen bij hem aandringen. En omdat ze zo bleef aanhouden vertelde hij haar op de zevende dag de oplossing. Zij bracht die aan haar landgenoten over, REC 14:18 en op die zevende dag, nog voor de zon was ondergegaan, zeiden de mannen van Timna tot Simson: `Wat is zoeter dan honing en wat is sterker dan een leeuw?' Hij antwoordde: `Als jullie niet met mijn vaars geploegd hadden, hadden jullie mijn raadsel nooit opgelost.' REC 14:19 Toen greep de geest van Jahwe hem aan: hij ging naar Askelon, sloeg dertig mannen dood, nam hun kleren en gaf die aan degenen die hem de oplossing van het raadsel gegeven hadden. En woedend ging hij terug naar het huis van zijn vader. REC 14:20 Simsons vrouw werd gegeven aan een van de metgezellen die hem begeleid hadden. REC 15:1 Enige tijd daarna, tijdens de tarweoogst, ging Simson zijn vrouw bezoeken; hij had een geitebokje voor haar meegebracht. Toen hij zei: `Laat mij in de kamer van mijn vrouw,' liet haar vader hem niet binnen; REC 15:2 hij zei: `Ik was overtuigd dat je een hekel aan haar gekregen had en toen heb ik haar aan een van je metgezellen gegeven. Maar haar jongere zuster is nog mooier dan zij. Laat die in haar plaats je vrouw worden!' REC 15:3 Simson zei daarop tot de Filistijnen: `Nu ga ik vrijuit, als ik jullie kwaad doe.' REC 15:4 Hij ging weg, ving driehonderd vossen, bond die twee aan twee met de staarten aan elkaar en stak toortsen in de staarten. REC 15:5 Toen maakte hij de toortsen aan en liet de vossen los op de rijpe korenvelden van de Filistijnen; zo stak hij de schoven en het ongemaaide koren in brand, en zelfs wijngaarden en olijftuinen. REC 15:6 De Filistijnen vroegen: `Wie zou dat gedaan hebben?' `Simson,' zei men, `de schoonzoon van die man uit Timna; die heeft hem zijn vrouw afgenomen en haar aan een van zijn bruidsjonkers gegeven.' De Filistijnen gingen er op af en verbrandden de vrouw en haar vader. REC 15:7 Toen zei Simson: `Als jullie zo optreden, dan rust ik niet voor ik mij heb gewroken.' REC 15:8 Hij sloeg er ongenadig op los, en richtte een grote slachting aan. Toen ging hij heen en vond een onderkomen in een rotskloof bij Etam. REC 15:9 De Filistijnen rukten uit, sloegen hun kamp op in Juda en drongen door tot in Lechi. REC 15:10 De Judeeërs vroegen hen: `Waarom bent u tegen ons uitgerukt?' Zij antwoordden: `Om Simson in boeien te slaan en hem betaald te zetten wat hij ons heeft aangedaan.' REC 15:11 Daarop trokken de drieduizend Judeeërs naar de rotskloof bij Etam en zeiden tot Simson: `U weet toch dat de Filistijnen hier de macht in handen hebben. Hoe hebt u dit kunnen doen?' Hij antwoordde: `Ik heb hun alleen betaald gezet wat zij mij gedaan hebben.' REC 15:12 Toen ze zeiden: `Wij zijn hier gekomen om u in boeien te slaan en aan de Filistijnen uit te leveren,' antwoordde Simson: `Zweer dan dat jullie mij niet zelf zult doden.' REC 15:13 Zij antwoordden: `Welneen, wij zullen u alleen maar in boeien slaan en uitleveren aan de Filistijnen. Wij zullen u niet doden.' Toen boeiden ze hem met twee nieuwe touwen en voerden hem weg uit de rotskloof. REC 15:14 Toen hij in Lechi aankwam en de Filistijnen luid schreeuwend op hem toeliepen, greep de geest van Jahwe hem aan: opeens werden de touwen om zijn armen als vlasdraad dat door het vuur wordt verteerd, en de boeien smolten van zijn handen. REC 15:15 Toevallig lag daar een nog verse kinnebak van een ezel; hij pakte die en sloeg er duizend man mee dood. REC 15:16 Toen zei Simson: `Met een kinnebak van een ezel, zo maar een ezel, met een ezelskinnebak sloeg ik duizend man dood.' REC 15:17 Toen hij dat gezegd had, wierp hij de kinnebak weg, en hij noemde die plaats Ramat-lechi. REC 15:18 Simson had hevige dorst gekregen; hij riep tot Jahwe: `Gij hebt uw dienaar deze grote overwinning laten behalen. Moet ik nu van dorst omkomen en in de handen vallen van die onbesnedenen?' REC 15:19 Toen deed God de rots bij Lechi splijten en er kwam water uit. Nadat Simson gedronken had, keerden zijn krachten terug en leefde hij weer op. Daarom heet die bron bij Lechi `Bron van de roeper' tot op de huidige dag. REC 15:20 Simson was twintig jaar rechter over Israël, in de tijd van de Filistijnen. REC 16:1 Op zekere dag ging Simson naar Gaza; daar zag hij een hoer en ging bij haar binnen. REC 16:2 Toen het de inwoners van Gaza ter ore kwam dat Simson in de stad was, zetten zij overal posten uit en bleven de hele nacht bij de stadspoort op hem loeren. Zolang het nacht was, deden zij verder niets; zij dachten: `Als het morgenlicht komt vermoorden wij hem.' REC 16:3 Tot middernacht bleef Simson slapen, maar toen stond hij op, pakte de beide deuren van de stadspoort vast, met de twee deurposten, rukte ze los, met grendel en al, en droeg ze op zijn schouders naar de top van de berg tegenover Hebron. REC 16:4 Enige tijd later werd hij verliefd op een vrouw uit het Sorekdal die Delila heette. REC 16:5 De vorsten van de Filistijnen gingen naar die vrouw toe en zeiden: `Probeert u er eens achter te komen wat het geheim is van zijn grote kracht, en hoe wij hem kunnen overmeesteren om hem in de boeien te slaan en machteloos te maken; dan krijgt u elfhonderd sikkel zilver van ieder van ons.' REC 16:6 Delila zei dus tegen Simson: `Toe, vertel me toch wat het geheim is van je grote kracht. Waarmee zou men je moeten boeien om je machteloos te maken?' REC 16:7 Simson antwoordde: `Als men mij bindt met zeven verse pezen die nog niet zijn gedroogd, dan ben ik even zwak al ieder ander.' REC 16:8 De vorsten van de Filistijnen bezorgden haar zeven verse pezen die nog niet gedroogd waren. Daarmee bond zij hem vast, REC 16:9 terwijl enkele mannen zich in het vertrek verborgen hielden. Toen riep zij tot Simson: `Daar zijn de Filistijnen!' Maar hij rukte de touwen stuk; ze knapten af als een vlasstreng die vuur ruikt. En het geheim van zijn kracht bleef verborgen. REC 16:10 Toen zei Delila tot Simson: `Je hebt me voor de gek gehouden. Je hebt me belogen! Zeg me nu toch waarmee je geboeid zou moeten worden.' REC 16:11 Hij antwoordde: `Als men mij stevig bindt met nieuwe koorden, die nog niet zijn gebruikt, dan ben ik even zwak als ieder ander.' REC 16:12 Delila nam dus nieuwe koorden en bond hem daarmee, terwijl enkele mannen zich in het vertrek verborgen hielden. Toen riep zij: Simson! Daar zijn de Filistijnen!' Maar hij rukte de koorden van zijn armen, alsof het draadjes waren. REC 16:13 Toen zei Delila tot Simson: `Je hebt me weer voor de gek gehouden! Je hebt me weer belogen! Zeg toch waarmee je geboeid zou moeten worden.' Hij antwoordde: `Je moet de zeven vlechten van het weefgetouw halen.' REC 16:14 Zij zette dus zijn vlechten vast aan een pin van de weefstoel en riep: `Simson! De Filistijnen!' Hij werd wakker en rukte de pin los, met schering en al. REC 16:15 Toen zei Delila: `Je zegt wel dat je van mij houdt, maar in je hart geef je niets om mij. Dit is nu al de derde keer dat je me voor de gek houdt en me niet vertelt wat het geheim van je grote kracht is.' REC 16:16 Toen zij hem bleef lastig vallen en dag in dag uit maar aanhield, kon hij het niet meer harden REC 16:17 en vertelde hij haar eerlijk: `Mijn hoofdhaar is nog nooit afgeschoren, omdat ik aan God gewijd ben, van de moederschoot af. Als mijn haren worden afgeschoren verlies ik mijn kracht en ben ik even zwak als ieder ander. ` REC 16:18 Delila begreep dat hij het haar eerlijk verteld had. Zij liet de vorsten van de Filistijnen roepen en zei hun: `Nu moet u komen, want nu heeft hij het eerlijk verteld.' Zij kwamen naar haar toe en hadden het geld bij zich. REC 16:19 Nadat zij Simson op haar knieën had laten inslapen, riep zij iemand binnen om de zeven vlechten van zijn hoofdhaar af te scheren. Zo slaagde zij er in, hem machteloos te maken en was hij zijn kracht kwijt. REC 16:20 Zij riep: `Simson! Daar zijn de Filistijnen!' Hij werd wakker en dacht: `Ik kom er wel uit, net als de vorige keren; ik schud ze wel van mij af.' Hij wist niet dat Jahwe van hem geweken was. REC 16:21 De Filistijnen grepen hem, staken hem de ogen uit, brachten hem naar Gaza en legden hem met twee bronzen kettingen vast. In de gevangenis moest hij de molen draaien. REC 16:22 Zijn hoofdhaar begon weer te groeien, zodra het was afgeschoren. REC 16:23 De vorsten van de Filistijnen kwamen bijeen om een plechtig offer te brengen aan hun god Dagon en om feest te vieren; ze zeiden: `Onze god heeft Simson, onze vijand, aan ons overgeleverd!' REC 16:24 De mensen gingen naar Simson kijken; zij loofden hun god en zeiden: `De grote vijand die ons land verwoestte en velen van ons gedood heeft, is door onze god aan ons overgeleverd.' REC 16:25 Toen zij in vrolijke stemming waren gekomen zeiden ze: `Ga Simson halen om voor ons op te treden.' Zij haalden Simson uit de gevangenis en hij trad voor hen op. Toen zij hem daarna tussen de zuilen zetten, REC 16:26 zei hij tegen de knecht die hem bij de hand hield: `Laat mij los; ik houd mij wel vast aan de zuilen waarop de tempel rust.' REC 16:27 De tempel was vol mannen en vrouwen, en ook alle vorsten van de Filistijnen waren er; en op het dak bevonden zich ongeveer drieduizend mannen en vrouwen die naar het optreden van Simson keken. REC 16:28 Toen riep Simson Jahwe aan: `Jahwe, mijn Heer, gedenk mij! O God, geef mij nog een keer mijn kracht terug en laat mij met een slag mij beide ogen op de Filistijnen wreken.' REC 16:29 Daarop tastte Simson naar de twee middelste zuilen waar de tempel op rustte en steunde met zijn rechterhand tegen de ene zuil en met zijn linkerhand tegen de andere. REC 16:30 Terwijl hij dacht: `Laat mij maar met de Filistijnen sterven,' duwde hij uit alle macht, en de tempel stortte in, op de vorsten en op al het volk dat zich daar bevond. Zo deed hij bij zijn dood meer mensen sterven dan tijdens heel zijn leven. REC 16:31 Zijn verwanten, zijn hele familie, kwamen het lijk halen en begroeven het in het graf van zijn vader Manoach tussen Sora en Estaol. Twintig jaar was Simson rechter geweest over Israël. REC 17:1 Er was eens een man uit het gebergte van Efraim die Michajehu heette. REC 17:2 Deze man zei tot zijn moeder: `Die elfhonderd sikkel zilver die bij u gestolen zijn en waarover u een vloek hebt uitgesproken, die ik ook heb gehoord, dat geld heb ik; ik heb ze gestolen.' Toen zei zijn moeder: `Gezegend zij mijn zoon door Jahwe!' REC 17:3 Hij gaf daarop de elfhonderd sikkel aan zijn moeder terug. Deze zei: `Ik wijd dit zilver aan Jahwe en geef het aan mijn zoon om er een metalen beeld van te maken. Ik stel het je dus weer ter hand.' REC 17:4 Toen hij echter het geld aan zijn moeder teruggaf, nam zij tweehonderd sikkel en gaf die aan een zilversmid. Die maakte er een metalen beeld van, en dat werd opgesteld in het huis van Michajehu. REC 17:5 Deze Micha had een godshuis en maakte daarvoor een efod en huisgoden; een van zijn zoons wijdde hij tot priester. REC 17:6 In die tijd was er nog geen koning in Israël; iedereen deed wat hem goed dunkte. REC 17:7 Nu was er een jongeman uit Betlehem in Juda, uit een Judeese familie stammend; hij was een leviet en woonde daar als vreemdeling. REC 17:8 Op zekere dag ging hij weg om elders een verblijf te zoeken. Op zijn tocht kwam hij bij het huis van Micha in het bergland van Efraim. REC 17:9 Micha vroeg hem: `Waar komt u vandaan?' Hij antwoordde: `Ik ben een leviet uit Betlehem in Juda en ik ben op zoek naar een andere verblijfplaats.' REC 17:10 Toen zei Micha: `Kom dan bij mij wonen; u kunt een vader en een priester voor mij zijn. Ik geef u tien sikkel per jaar, met kleding en voeding.' REC 17:11 Zo besloot die leviet zijn intrek bij die man te nemen, die de jongeman als zijn eigen zoon behandelde. REC 17:12 Micha stelde de leviet aan, en de jongeman trad op als zijn priester en woonde bij hem in huis. REC 17:13 Toen zei Micha: `Nu ben ik er zeker van, dat Jahwe goed voor mij zal zijn, want ik heb een leviet als priester.' REC 18:1 In die tijd, toen er nog geen koning was in Israël, was de stam Dan op zoek naar een eigen gebied om zich daar te vestigen; zij hadden nog steeds geen grondgebied gekregen zoals de andere stammen van Israël. REC 18:2 Daarom stuurden de Danieten vijf van hun stamgenoten uit, dappere mannen uit Sora en Estaol, om het land grondig te verkennen, kwamen zij in het bergland van Efraim bij het huis van Micha en brachten daar de nacht door. REC 18:3 Terwijl ze zich bij het huis van Micha ophielden, herkenden ze de stem van de jonge leviet. Ze gingen naar hem toe en vroegen: `Wie heeft u hierheen gehaal? Wat doet u hier? Wat zoekt u hier?' REC 18:4 Hij vertelde alles wat Micha voor hem gedaan had en besloot: `Hij heeft mij in dienst genomen en ik ben zijn priester.' REC 18:5 Toen zeiden ze tot hem: `Wilt u dan God voor ons raadplegen? Wij zouden graag weten of de tocht die wij nu ondernemen zal slagen.' REC 18:6 De priester antwoordde: `Gaat u gerust verder: uw tocht staat onder de bescherming van Jahwe.' REC 18:7 Toen trokken de vijf mannen verder en kwamen in Lais. Ze zagen dat de mensen van die stad veilig leefden, op de wijze van de Sidoniers, rustig en onbekommerd, en dat er in dat rijke land aan niets gebrek was. Ze woonden ver genoeg van de Sidoniers af en onderhielden met niemand betrekkingen. REC 18:8 Toen ze terugkwamen in Sora en Estaol vroegen hun stamgenoten: `Wat hebt u te melden?' REC 18:9 Zij antwoordden: `Wij moeten meteen naar Lais trekken. De streek die wij daar gezien hebben is voortreffelijk. Waar wacht u nog op? Aarzelt niet en trekt uit om dat gebied in bezit te nemen. REC 18:10 Als u daar komt vindt u er mensen die zich veilig voelen en een uitgestrekt gebied. God levert dat land aan u over, een land waar werkelijk aan niets gebrek is.' REC 18:11 Zo gingen uit Sora en Estaol zeshonderd gewapende Danieten op weg. REC 18:12 Op hun tocht sloegen zij hun kamp op bij Kirjat-jearim in Juda; daarom heet die plaats nog Kamp van Dan, tot op de huidige dag; ze ligt ten westen van Kirjat-jearim. REC 18:13 Vandaar trokken ze het bergland van Efraim in en kwamen bij het huis van Micha. REC 18:14 De vijf mannen die het gebied verkend hadden zeiden tegen hun stamgenoten: `Weet u dat er in een van de huizen een efod is, en huisgoden en een metalen godenbeeld? Het is duidelijk wat u te doen staat.' REC 18:15 Ze trokken er op af, en bij het huis van de jonge leviet gekomen, het huis van Micha, begroetten zij hem. REC 18:16 De zeshonderd gewapende Danieten bleven bij de deur staan. REC 18:17 De vijf mannen die het land verkend hadden, gingen naar binnen en namen het godenbeeld weg, de efod en de huisgoden, en het metalen beeld. De priester stond aan de deur, bij de zeshonderd gewapende mannen. REC 18:18 Toen zij het heiligdom van Micha binnengedrongen waren en het godenbeeld, de efod, de huisgoden en het metalen beeld wegnamen, riep de priester hun toe: `Wat doet u daar?' REC 18:19 Zij antwoordden: `Zwijg, houd uw mond en kom met ons mee; u kunt voor ons een vader en een priester zijn. Het is toch beter, priester te zijn bij een geslacht, een stam van Israël, dan voor het heiligdom van een man?' REC 18:20 De priester ging er graag op in; hij nam de efod, de huisgoden en het godenbeeld, en sloot zich bij het leger aan. REC 18:21 Zij hervatten hun tocht, maar lieten hun kinderen, hun vee en hun bezittingen voorop gaan. REC 18:22 De Danieten waren al een heel eind van Micha's huis verwijderd, toen de buren van Micha te hoop liepen en achter de Danieten aan gingen. REC 18:23 Toen zij tegen de Danieten begonnen te schreeuwen, keerden dezen zich om en vroegen aan Micha: `Waarom hebt u al die mensen op de been gebracht?' REC 18:24 Hij antwoordde: `U bent er vandoor gegaan met het godenbeeld dat ik heb laten maken en ook nog met mijn priester. Ik heb niets meer over. En dan vraagt u nog: Wat wilt u?' REC 18:25 Maar de Danieten zeiden: `Zet niet zo'n grote mond op tegen mensen die vechten voor hun bestaan. Anders slaan wij er op, en dan zou u en uw huisgenoten het leven kosten.' REC 18:26 Daarop zetten de Danieten hun tocht voort. En Micha, die zag dat hij niet tegen hen was opgewassen, ging naar huis terug. REC 18:27 Zo namen de Danieten het beeld dat Micha had laten maken en diens priester met zich mee. Zij kwamen bij Lais; de bevolking die er rustig en onbekommerd leefde, doodden zij met het zwaard en de stad staken zij in brand. REC 18:28 Niemand kwam de stad te hulp, want ze lag te ver van Sidon en ze onderhield geen betrekkingen met de Arameeërs; ze lag in het dal van Bet-rechob. De Danieten bouwden de stad weer op, gingen er wonen, REC 18:29 en noemden de stad Dan, naar de naam van hun vader die een zoon van Israël was; voordien heette de stad Lais. REC 18:30 De Danieten stelden daar het godenbeeld op. Jonatan, de zoon van Gersom, de zoon van Mozes, was de priester van de stam Dan, en zijn zonen bleven priesters van de stam Dan tot het volk in ballingschap ging. REC 18:31 Het godenbeeld dat Micha had laten maken bleef bij hen opgesteld zolang het heiligdom in Silo was. REC 19:1 In die tijd, toen er nog geen koning in Israël was, woonde er diep in het bergland van Efraim, als vreemdeling, een leviet die een bijvrouw had uit Betlehem in Juda. REC 19:2 Die bijvrouw werd hem ontrouw en ging terug naar haar ouderlijk huis in Betlehem in Juda. Zij was daar vier maanden, REC 19:3 toen haar man met een knecht en een span ezels naar haar toe ging om haar hart te vermurwen en haar weer mee te nemen. Zij liet hem binnen in het huis van haar vader en toen de vader van de jonge vrouw hem zag, trad hij hem verheugd tegemoet. REC 19:4 Op aandringen van zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, bleef hij drie dagen bij hem. Zij aten en dronken en overnachtten er. REC 19:5 Op de ochtend van de vierde dag maakte de leviet aanstalten om te vertrekken, maar de vader zei tot zijn schoonzoon: `Verkwik je met een stuk brood voor je weggaat.' REC 19:6 Zij gingen weer zitten, en aten en dronken samen. Toen zei de vader van de jonge vrouw tot de man: `Blijf nog een nacht hier; gun je dat genoegen toch.' REC 19:7 En ofschoon de leviet al klaar stond om te vertrekken, drong zijn schoonvader zo aan dat hij toch weer bleef overnachten. REC 19:8 De vijfde dag wilde hij weer in alle vroegte vertrekken, maar opnieuw zei de vader van de jonge vrouw: `Verkwik je nog wat en wacht tot de namiddag.' REC 19:9 Toen zij dan samen hadden gegeten en de man aanstalten maakte om met zijn bijvrouw en zijn knecht te vertrekken, zei zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw: `De dag is nu bijna om: blijf toch nog een nacht. De dag is bijna voorbij; blijf toch hier; gun je dat genoegen; morgen kun je dan vroeg op weg naar huis.' REC 19:10 Maar de man wilde niet langer blijven. Hij ging op weg en kwam met zijn span gezadelde ezels en zijn bijvrouw ter hoogte van Jebus, dat wil zeggen Jeruzalem. REC 19:11 Toen zij dicht bij Jebus waren, was de dag al ver gevorderd, en de knecht zei tegen zijn heer: `Laat ons toch afslaan naar die stad daar, de stad van de Jebusieten, en laat ons daar overnachten.' REC 19:12 Maar zijn heer antwoordde: `Neen, we slaan niet af naar een vreemde stad waar geen Israëlieten wonen; we gaan door naar Gibea.' REC 19:13 Hij zei tegen zijn knecht: `We moeten tot Gibea of Rama zien te komen en in een van die plaatsen overnachten.' REC 19:14 Zij trokken dus verder en zetten hun reis voort. Toen zij in de buurt van Gibea kwamen, ging de zon onder. REC 19:15 Zij sloegen af om in Gibea te overnachten. Zij kwamen in de stad en bleven op het plein zitten. Niemand nam hen voor de nacht in zijn huis. REC 19:16 Tenslotte kwam er een oude man in de avond terug van zijn werk op het land. Hij was afkomstig uit het bergland van Efraim en woonde als vreemdeling in Gibea; de inwoners zelf waren Benjaminieten. REC 19:17 Toen de oude man de reiziger op het plein bemerkte, vroeg hij: `Waar gaat u heen en waar komt u vandaan?' REC 19:18 De leviet antwoordde: `We zijn op doorreis van Betlehem in Juda naar een plaats diep in het bergland van Efraim; daar kom ik vandaan. Ik ben naar Betlehem in Juda geweest en ben op weg naar huis; er is wel niemand die mij onderdak geeft, REC 19:19 maar wij hebben stro en voer voor onze ezels; ook heb ik brood en wijn voor mijzelf, voor uw dienares en voor de knecht die uw dienaar bij zich heeft. Wij komen dus niets te kort.' REC 19:20 Toen zei de oude man: `Wees welkom! Wat u ook nodig hebt, ik zorg ervoor; in geen geval moogt u vannacht op het plein blijven.' REC 19:21 Hij nam hem mee naar zijn huis; hij gaf voer aan de ezels; zij wasten hun voeten en aten en dronken. REC 19:22 Terwijl zij zich te goed deden werd het huis omsingeld door een troep onverlaten uit de stad; zij bonsden op de deur en riepen tegen de oude man, de eigenaar van het huis: `Breng die gast van u naar buiten; wij willen omgang met hem hebben.' REC 19:23 Maar de eigenaar van het huis ging naar buiten en zei: `Neen, broeders! Nu die man in mijn huis te gast is mogen jullie hem geen kwaad doen, en zo iets schandelijks mag je zeker niet doen. REC 19:24 Ik zal mijn dochter, die nog maagd is, en de bijvrouw van die man naar buiten brengen; verkracht die maar en doe ermee wat je wilt. Met deze man kunnen jullie zo iets schandelijks niet doen.' REC 19:25 De mannen wilden daar niet van horen. Maar toen de leviet zijn bijvrouw vastgreep en naar buiten bracht, hadden zij gemeenschap met haar en misbruikten haar de hele nacht door; pas tegen de ochtend lieten zij haar met rust. REC 19:26 Bij het aanbreken van de dag bereikte de vrouw het huis waar haar meester te gast was, maar voor de deur viel zij neer en lag daar tot het dag was. REC 19:27 Toen 's morgens haar meester de deur van het huis opendeed om naar buiten te gaan en zijn reis voort te zetten, zag hij daar voor de deur zijn bijvrouw liggen, met haar handen op de drempel. REC 19:28 Hij zei tegen haar: `Sta op, wij gaan verder. De man legde haar op zijn ezel en ging naar zijn woonplaats. REC 19:29 Zodra hij thuis was, nam hij een mes, sneed het lijk van zijn bijvrouw in twaalf stukken en stuurde die naar alle gebieden van Israël. REC 19:30 Iedereen die het zag zei: `Zo iets is nog nooit gebeurd; zo iets hebben wij in Israël nog niet meegemaakt, sinds de dag dat de Israëlieten uit Egypte wegtrokken, tot de huidige dag toe. Denkt er over na, beraadt u en neem een beslissing.' REC 20:1 Toen gingen alle Israëlieten van Dan tot Berseba en Gilead op weg en als een man kwam de hele gemeenschap samen bij Jahwe in Mispa. REC 20:2 De leiders van heel het volk, van alle stammen van Israël namen deel aan de vergadering van het volk van God: vierhonderdduizend man voetvolk die het zwaard konden hanteren. REC 20:3 De Benjaminieten hoorden dat de Israëlieten naar Mispa waren getrokken. De Israëlieten zeiden: `Vertel ons hoe het misdrijf zich heeft toegedragen.' REC 20:4 De leviet, de man wiens vrouw vermoord was, nam het woord en zei: `Ik was met mijn bijvrouw naar Gibea in Benjamin gegaan om daar de nacht door te brengen. REC 20:5 Maar de burgers van Gibea kwamen op mij af en omsingelden 's nacht het huis. Mij hebben ze willen vermoorden en mijn bijvrouw hebben ze zo mishandeld dat zij eraan gestorven is. REC 20:6 Toen heb ik haar lijk in stukken gesneden en die gestuurd naar alle delen van het gebied van Israël, omdat er een misdaad begaan was, een schanddaad in Israël, REC 20:7 Israëlieten, gij zijt nu allen hier, beraadt u en neemt een beslissing.' REC 20:8 Heel het volk stond als een man op en verklaarde: `Niemand van ons gaat terug naar zijn tent, niemand gaat naar huis! REC 20:9 En dit doen wij met Gibea: Wij trekken tegen de stad op in de volgorde die het lot aanwijst. REC 20:10 Uit alle stammen van Israël wijzen wij mannen aan, tien op de honderd, honderd op de duizend, duizend op de tienduizend, om proviand te halen voor het leger. Dan zal het leger aan Gibea en Benjamin de schanddaad vergelden die het in Israël begaan heeft.' REC 20:11 Zo sloten alle Israëlieten zich aaneen om gezamenlijk tegen de stad op te trekken. REC 20:12 De stammen van Israël stuurden boden door heel de stam Benjamin en lieten zeggen: `Hoe kon zo iets ergs bij u gebeuren! REC 20:13 Lever die onverlaten uit Gibea aan ons over: dan brengen wij hen ter dood en roeien het kwaad in Israël uit.' Maar de Benjaminieten wilden niet luisteren naar de Israëlieten, hun broeders. REC 20:14 Uit al hun steden kwamen zij naar Gibea om te gaan vechten tegen de Israëlieten. REC 20:15 Bij de telling van de Benjaminieten die toen werd gehouden, bleken er uit de andere steden zesentwintigduizend mannen te zijn die het zwaard konden hanteren, niet meegerekend de weerbare mannen van Gibea zelf, zevenhonderd in getal. REC 20:16 In dat leger waren zevenhonderd linkshandige soldaten, slingeraars, die met hun steen op een haar konden mikken zonder het te missen. REC 20:17 Ook de andere Israëlieten, zonder Benjamin, werden geteld: het waren vierhonderdduizend mannen die het zwaard konden hanteren, allen weerbare mannen. REC 20:18 De Israëlieten trokken naar Betel en wendden zich tot God met de vraag: `Wie van ons moet voorop gaan als wij tegen Benjamin optrekken?' Jahwe antwoordde: `Juda gaat voorop.' REC 20:19 De volgende morgen sloegen de Israëlieten hun kamp op voor Gibea. REC 20:20 De Israëlieten trokken uit tegen Benjamin en stelden zich op voor de aanval, REC 20:21 maar de Benjaminieten kwamen de stad uit en sloegen die dag tweeëntwintigduizend Israëlieten neer. REC 20:22 De Israëlieten hielden vol en stelden zich weer op voor de strijd, op dezelfde plaats als de vorige dag. REC 20:23 Zij gingen naar Jahwe en weeklaagden voor het aanschijn van Jahwe tot de avond. Tenslotte raadpleegden zij Jahwe en vroegen: `Moet ik opnieuw de zonen van mijn broeder Benjamin aanvallen?' En Jahwe zei: `Ja, val hen aan.' REC 20:24 De volgende dag gingen de Israëlieten weer tot de aanval over, REC 20:25 maar ook die tweede dag kwam Benjamin de stad uit en opnieuw sloeg hij achttienduizend Israëlieten neer die het zwaard konden hanteren. REC 20:26 Toen gingen alle Israëlieten, het hele leger, naar Betel. Zij zetten zich neer voor Jahwe en weeklaagden daar. Zij vasten die dag tot de avond en droegen aan Jahwe brand- en slachtoffers op. REC 20:27 Tenslotte raadpleegden zij Jahwe. In die tijd stond de ark van het verbond van God in Betel; Pinechas, zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, deed er dienst. REC 20:28 Zij vroegen: `Moet ik nu nog eens optrekken tegen de zonen van mijn broeder Benjamin of moet ik het opgeven?' Jahwe antwoordde: `Trek op: morgen lever Ik hen aan u over.' REC 20:29 Toen legden de Israëlieten rondom Gibea troepen in hinderlaag. REC 20:30 De derde dag rukten de Israëlieten uit tegen de Benjaminieten en stelden zich weer op voor de strijd tegen Gibea, evenals de vorige keren. REC 20:31 Ook nu kwamen de Benjaminieten uit de stad, het leger tegemoet; zij lieten zich daarbij ver van de stad weglokken. Eerst ging het net als de vorige keren: zij sloegen enige Israëlieten neer op de weg die door het open veld van Gibea naar Betel voert, een dertig man. REC 20:32 Toen dachten de Benjaminieten: `Wij hebben hen al weer verslagen, net als de vorige keren.' Maar de Israëlieten hadden afgesproken: `Wij gaan op de vlucht en lokken hen van de stad af, de wegen op.' REC 20:33 Zo maakten de Israëlieten een terugtrekkende beweging en zij stelden zich in Baäl-tamar weer op. Intussen kwamen de verdekt opgestelde Israëlieten uit hun schuilplaatsen bij Gibea te voorschijn. REC 20:34 Zij drongen door tot vlak voor Gibea, tienduizend weerbare mannen uit heel Israël. De strijd was hevig en de Benjaminieten zagen niet dat hun ondergang nabij was. REC 20:35 Onder de ogen van Israël sloeg Jahwe Benjamin en de Israëlieten doodden die dag vijfentwintigduizendeenhonderd Benjaminieten die het zwaard konden hanteren. REC 20:36 De Benjaminieten zagen dat zij verslagen waren. De Israëlieten trokken zich terug, omdat zij rekenden op de troepen die zij bij Gibea in hinderlaag hadden gelegd. REC 20:37 Deze troepen rukten snel op Gibea af, overrompelden de stad en doodden alle inwoners met het zwaard. REC 20:38 Zij hadden met de Israëlieten afgesproken dat ze uit de stad een rooksignaal zouden geven. REC 20:39 Nadat het gevecht begonnen was, weken de Israëlieten terug. De Benjaminieten, die al een dertigtal van hen gedood hadden, dachten: `Wij hebben hen opnieuw verslagen, net als in het eerste gevecht.' REC 20:40 Toen begon uit de stand een rookkolom op te stijgen, het afgesproken signaal. De Benjaminieten keken op en zagen de hele stad in vlammen opgaan. REC 20:41 De Israëlieten gingen opnieuw tot de aanval over; de Benjaminieten raakten in paniek, want ze zagen dat hun ondergang nabij was. REC 20:42 Zij sloegen voor de Israëlieten op de vlucht, de kant van de woestijn uit. Ze konden echter de strijd niet ontlopen. De Israëlieten uit de stad sneden hun de pas af en sloegen hen neer. REC 20:43 Zij sloten de Benjaminieten in, achtervolgden hen en joegen hen voort tot aan de oostzijde van Geba, zonder hun rust te laten. REC 20:44 Achttienduizend Benjaminieten sneuvelden, allen strijdbare mannen. REC 20:45 De Benjaminieten sloegen op de vlucht, de woestijn in, naar de rots van Rimmon, maar op de weg daarheen wisten de Israëlieten nog vijfduizend man van hen te doden. Bij de achtervolging tot Gibeon sloegen zij tweeduizend Benjaminieten neer. REC 20:46 Van Benjamin sneuvelden op die dag in totaal vijfentwintigduizend mannen die het zwaard konden hanteren, allen strijdbare mannen. REC 20:47 Zeshonderd man sloegen op de vlucht, de woestijn in, naar de rots van Rimmon, en op die rots hielden zij vier maanden lang stand. REC 20:48 De Israëlieten keerden terug naar de Benjaminieten in de stad en joegen die over de klingen, mensen en dieren, alles wat er te vinden was. Ook alle overige steden gaven zij prijs aan het vuur. REC 21:1 In Mispa hadden de Israëlieten gezworen dat niemand van hen zijn dochter aan een Benjaminiet ten huwelijk zou geven. REC 21:2 Toen ging het volk naar Betel, zette zich daar voor het aanschijn van Jahwe neer en weeklaagde met groot misbaar, tot de avond toe. REC 21:3 Ze zeiden: `Jahwe, God van Israël, hoe heeft het zover kunnen komen in Israël, dat er nu een stam van Israël ontbreekt?' REC 21:4 De volgende morgen bouwde het volk een altaar en ze droegen brand- en slachtoffers op. REC 21:5 Toen vroegen de Israëlieten: `Welke stam van Israël is niet naar de vergadering bij Jahwe gekomen?' Er was namelijk plechtig gezworen dat ieder die niet naar Jahwe in Mispa zou komen, ter dood zou gebracht worden. REC 21:6 De Israëlieten hadden medelijden met hun broeder Benjamin: `Nu is er een stam uit Israël weggesneden. REC 21:7 Kunnen wij nog iets doen om voor de overlevenden vrouwen te vinden, ook al hebben wij bij Jahwe gezworen dat wij onze dochters niet aan hen ten huwelijk geven?' REC 21:8 Daarom vroegen zij: `Welke stam van Israël is niet naar Jahwe in Mispa gekomen?' Het bleek dat van Jabes in Gilead niemand naar het kamp was gekomen, ter vergadering. REC 21:9 Het volk werd geteld: uit Jabes in Gilead was niemand aanwezig. REC 21:10 Daarop stuurde de vergadering er twaalfduizend strijdbare mannen heen, met het bevel: `Doodt de inwoners van Jabes in Gilead met het zwaard, ook de vrouwen en kinderen. REC 21:11 Zo moet u het doen: Alle mannen moet u met de ban slaan en ook de vrouwen die gemeenschap gehad hebben met een man.' REC 21:12 Onder de inwoners van Jabes in Gilead vonden zij vierhonderd huwbare meisjes die nog geen gemeenschap met een man gehad hadden. Die namen ze mee naar het kamp in Silo, in Kanaän. REC 21:13 Toen zond de hele vergadering mannen naar de Benjaminieten op de rots van Rimmon om met hen te onderhandelen en vrede te sluiten. REC 21:14 De Benjaminieten keerden daarop terug en zij kregen de vrouwen van Jabes in Gilead die in leven waren gelaten. Maar er waren niet genoeg vrouwen voor al de Benjaminieten. REC 21:15 Het volk had medelijden met Benjamin, omdat Jahwe een bres had geslagen in de stammen van Israël. REC 21:16 Daarom vroegen de oudsten in de vergadering: `Hoe kunnen wij de overlevenden aan vrouwen helpen, nu in Benjamin de vrouwen gedood zijn?' REC 21:17 Zij zeiden: `Het bezit van de overlevenden behoort aan Benjamin. Er mag geen stam uit Israël verdwijnen. REC 21:18 Maar wij mogen hun onze dochters niet ten huwelijk geven, nu Israël gezworen heeft: Vervloekt degene die aan een Benjaminiet een vrouw ten huwelijk geeft.' REC 21:19 Toen dachten ze aan het jaarlijkse feest ter ere van Jahwe in Silo. Silo ligt ten noorden van Betel, ten oosten van de weg Betel-sichem en ten zuiden van Lebona. REC 21:20 En zij droegen de Benjaminieten op: `Jullie gaan in de wijngaarden op de loer liggen REC 21:21 en als jullie de meisjes van Silo uit de stad zien komen om een rondedans uit te voeren, komen jullie te voorschijn. Dan grijpt ieder een meisje uit Silo en neemt haar als vrouw maar naar Benjamin. REC 21:22 En als hun vaders of broers zich bij ons komen beklagen, dan zeggen wij: Wees hun ter wille, want niet iedereen heeft in de oorlog een vrouw kunnen bemachtigen. En tenslotte hebt u ze niet zelf aan hen ten huwelijk gegeven en bezondigt u zich dus niet.' REC 21:23 De Benjaminieten deden dat. Ieder greep een van de dansende meisjes en zij namen die als hun vrouwen mee naar hun eigen gebied. Zij bouwden hun steden op en gingen er weer wonen. REC 21:24 Toen gingen de Israëlieten daar vandaan, ieder naar zijn eigen stam en familie. Zij gingen daar vandaan, ieder naar zijn eigen gebied. REC 21:25 In die tijd was er in Israël nog geen koning; iedereen deed wat hem goed leek. RUTH RUTH 1:1 In de tijd van de rechters brak er in het land een hongersnood uit. Een man trok weg uit Betlehem in Juda en hij vestigde zich, met zijn vrouw en zijn twee zonen, als vreemdeling in de vlakte van Moab. RUTH 1:2 De naam van die man was Elimelek; zijn vrouw heette Noomi; de twee zonen heetten Machlon en Kiljon. Het waren Efratieten uit Betlehem in Juda. Zij kwamen in de vlakte van Moab en bleven daar wonen. RUTH 1:3 Elimelek, de man van Noomi, stierf en zij bleef achter met haar zonen. RUTH 1:4 Dezen trouwden beiden met een Moabitische vrouw; de ene vrouw heette Orpa, de andere Ruth. Ongeveer tien jaar woonden zij daar. RUTH 1:5 Toen stierven ook Machlon en Kiljon en bleef de vrouw alleen achter, beroofd van haar beide zonen en haar man. RUTH 1:6 Samen met haar schoondochters vertrok zij uit de vlakte van Moab, want zij had daar gehoord dat Jahwe zich het lot van zijn volk had aangetrokken en het weer brood gaf. RUTH 1:7 Zij verliet dus, samen met haar beide schoondochters, de plaats waar zij gewoond had, RUTH 1:8 Maar op de terugweg naar Juda zei Noomi tot haar beide schoondochters: 'Ga liever terug naar het huis van je moeder. Moge Jahwe tegenover jullie trouw blijven, zoals jullie het zijn gebleven tegenover de doden en mij. RUTH 1:9 Jahwe geve ieder van jullie een man, in wiens huis je rust zult vinden.' Daarop kuste zij hen. RUTH 1:10 Maar zij begonnen luid te schreien en zeiden: 'Neen, wij willen met u terugkeren naar uw volk.' RUTH 1:11 Maar Noomi drong aan: 'Gaat toch terug, mijn dochters! Waarom zouden jullie met mij meegaan? Heb ik dan nog zonen in mijn schoot, die jullie mannen kunnen worden? RUTH 1:12 Gaat toch terug, mijn dochters. Ik ben immers te oud om nog een man te krijgen. En al zou ik zeggen Er is nog hoop voor mij, en al zou ik nog vannacht een man hebben en zonen krijgen, RUTH 1:13 wachten jullie dan tot ze groot zijn? Zouden jullie er zo lang in berusten, aan geen man toe te behoren? Neen, mijn dochters, mijn lot is te bitter voor jullie, want Jahwe's hand heeft zich tegen mij gekeerd.' RUTH 1:14 Maar zij bleven luid schreien. Tenslotte kuste Orpa haar schoonmoeder vaarwel, maar Ruth klemde zich aan haar vast. RUTH 1:15 Noomi zei: ' Je schoonzuster keert terug naar haar volk en haar goden. Ga toch met haar mee!' RUTH 1:16 Maar Ruth antwoordde: 'Dring er niet langer op aan dat ik u verlaat en terugkeer, zo ver van u weg. Waar u gaat, ga ik; waar u blijft, blijf ik. Uw volk is mijn volk, uw God mijn God. RUTH 1:17 Waar u sterft zal ik sterven en daar ook begraven worden. Jahwe moge mij dit aandoen en nog erger, wanneer iets anders dan de dood ons zou scheiden.' RUTH 1:18 Noomi zag dat Ruth vastbesloten was, met haar mee te gaan en zij drong niet langer aan. RUTH 1:19 Samen trokken zij verder tot zij in Bethlehem waren. Hun komst bracht de hele stad in beroering; de vrouwen zeiden RUTH 1:20 'Maar dat is Noomi!' Zij antwoordde: 'Noem mij niet langer Noomi; noem mij liever Mara, want de Almachtige heeft mij een bitter lot gegeven. RUTH 1:21 Rijk ben ik hier weggegaan, met lege handen laat Jahwe mij terugkomen. Waarom mij nog Noomi noemen, nu Jahwe tegen mij heeft getuigd en de Almachtige mij zo slecht heeft behandeld?' RUTH 1:22 Zo keerde Noomi, samen met haar schoondochter Ruth, de Moabitische, uit de vlakte van Moab terug. Zij kwamen in Betlehem aan bij het begin van de gersteoogst. RUTH 2:1 Nu was Noomi van de kant van haar man verwant aan een zekere Boaz, een vermogend man uit de familie van Elimelek. RUTH 2:2 Ruth, de Moabitische, zei tot Noomi: 'Ik zou wel naar het land willen gaan om ergens achter een maaier, die mij dat toestaat, aren te lezen.' Noomi antwoordde: 'Doe dat, mijn dochter.' RUTH 2:3 Zij ging dus naar het land om aren te lezen achter de maaiers. Het toeval wilde dat ze terecht kwam op de akker van Boaz, die man uit de familie van Elimelek. RUTH 2:4 In de loop van de dag kwam ook Boaz zelf uit Betlehem. Hij zei tegen de maaiers: 'Jahwe zij met u', en de maaiers antwoordden: 'Wees gezegend door Jahwe.' RUTH 2:5 Boaz richtte zich tot de knecht die de leiding had over de maaiers en vroeg: 'Van wie is die jonge vrouw?' RUTH 2:6 De knecht die de leiding over de maaiers had antwoordde: 'Het is die jonge Moabitische, die met Noomi is meegekomen uit de vlakte van Moab. RUTH 2:7 Zij vroeg of zij aren mocht lezen achter de maaiers. Sinds zij vanmorgen hier is gekomen, is zij onafgebroken bezig geweest en heeft zij zich amper rust gegund.' RUTH 2:8 Toen richtte Boaz zich tot Ruth en zei: 'Hoor eens, mijn dochter, je moet niet op een andere akker gaan lezen. Ga hier niet vandaan en sluit je aan bij mijn meiden. RUTH 2:9 Volg ze op de voet en houd je ogen gevestigd op de akker die gemaaid wordt. Ik heb mijn knechten opdracht gegeven, je te laten begaan. En als je dorst krijgt, ga dan naar de waterkruiken en drink van het water dat de knechten geput hebben.' RUTH 2:10 Ruth wierp zich diep gebogen ter aarde en zei: 'Waaraan heb ik het verdiend dat u zo goed voor mij bent? Ik ben toch maar een vreemdeling' RUTH 2:11 Boaz gaf haar ten antwoord: 'Er is mij uitvoerig verteld wat je na de dood van je man allemaal voor je schoonmoeder gedaan hebt; vader, moeder en geboorteland heb je verlaten om naar een volk te gaan dat je tevoren onbekend was. RUTH 2:12 Jahwe, de God van Israel, onder wiens vleugels je een toevlucht gezocht hebt, moge je dat vergelden en niets laten ontbreken aan je loon.' RUTH 2:13 Ruth antwoordde: 'U bent goed voor mij geweest, mijnheer, door mij gerust te stellen en zo vriendelijk tot uw dienares te spreken, terwijl ik niet eens een van uw dienaressen ben.' RUTH 2:14 Toen het etenstijd was, zei Boaz tot haar: 'Kom erbij, dan kun je met ons eten en je brood dopen in de azijn.' Zij ging bij de maaiers zitten en Boaz gaf haar gepoft graan. Zij at tot ze verzadigd was en hield nog over. RUTH 2:15 Toen zij opstond om weer aren te gaan lezen, gaf Boaz zijn knechten bevel: 'Ook rondom de schoven mag zij lezen en jullie mogen het haar niet lastig maken; RUTH 2:16 integendeel, trek opzettelijk wat aren uit de schoven en laat die vallen; en als zij die opraapt maak er dan geen aanmerking op.' RUTH 2:17 Zo bleef zij tot de avond aren lezen op het land. Toen klopte zij de aren leeg die ze had bijeengelezen; zij had bijna een hele efa gerst RUTH 2:18 en ging daarmee naar de stad. Toen haar schoonmoeder zag, hoeveel zij verzameld had, en toen Ruth ook nog het overschot van de overvloedige maaltijd voor den dag haalde en haar dit gaf, RUTH 2:19 zei haar schoonmoeder: 'Waar heb jij vandaag aren gelezen? Waar heb je gewerkt? Gezegend de man die zo vriendelijk voor je geweest is.' Ruth vertelde haar schoonmoeder, bij wie ze gewerkt had. 'De man bij wie ik vandaag gewerkt heb,' zei ze, 'heet Boaz.' RUTH 2:20 Noomi zei tot haar schoondochter: 'Moge die man gezegend worden door Jahwe die tegenover de levenden en de doden zijn trouw handhaaft.' Zij vervolgde: 'Die man is met ons verwant; hij is een van degenen die familieverplichtingen tegenover ons hebben.' RUTH 2:21 Ruth, de Moabitische, zei: 'Hij heeft mij zelfs gezegd dat ik mij bij zijn knechten kon aansluiten totdat zij al zijn koren gemaaid hebben.' RUTH 2:22 Noomi antwoordde: 'Het is goed, mijn dochter, dat je met zijn meiden meegaat. Op een andere akker zouden ze wel eens moeilijkheden kunnen maken.' RUTH 2:23 Ruth bleef dus bij de meiden van Boaz om tot het einde van de gerste- en tarweoogst aren te lezen. Zij bleef bij haar schoonmoeder wonen. RUTH 3:1 Op een zekere dag zei Noomi, de schoonmoeder van Ruth: 'Mijn dochter, ik zou voor jou toch een onderdak moeten zoeken, waar je gelukkig kunt zijn. RUTH 3:2 Je weet dat Boaz, bij wiens dienstmeiden jij geweest ben, een familielid is. Nu gaat hij vannacht op de dorsvloer de gerst wannen. RUTH 3:3 Was je en parfumeer je, doe je mantel om en ga naar de dorsvloer, maar zorg ervoor dat de man je niet opmerkt, voor hij klaar is met eten en drinken. RUTH 3:4 Wanneer hij zich te slapen legt, let dan goed op, waar hij gaat liggen. Dan ga jij erheen, je slaat de deken van zijn voeten op en je legt je daar neer. Hij zal je wel duidelijk maken wat je moet doen.' RUTH 3:5 Ruth antwoordde: 'Ik zal doen wat u mij zegt.' RUTH 3:6 Zij ging naar de dorsvloer en deed wat haar schoonmoeder had gezegd. RUTH 3:7 Boaz at en dronk, en welgemoed ging hij daarna slapen, tegen de schelf aan. Zachtjes liep Ruth naar hem toe, sloeg de deken van zijn voeten op en legde zich neer. RUTH 3:8 Midden in de nacht schrok Boaz wakker: hij ging overeind zitten en zag aan zijn voeten een vrouw liggen. Hij vroeg: RUTH 3:9 'Wie bent u?' Zij antwoordde: 'Ik ben Ruth, uw dienares. Spreid uw mantel uit over uw dienares, want u hebt familieverplichtingen tegenover mij.' RUTH 3:10 Hij zei: 'Mijn dochter, wees gezegend door Jahwe! Dit bewijs van trouw is nog mooier dan het vorige; je hebt geen jonge mannen nagelopen, geen arme en geen rijke. RUTH 3:11 Maak je niet ongerust, mijn dochter; ik zal doen wat je van mij vraagt; iedereen in de poort weet immers dat je een voortreffelijke vrouw bent. RUTH 3:12 Maar al is het waar dat ik familieverplichtingen tegenover je heb, er is nog iemand anders die deze verplichtingen heeft en die nader aan je verwant is dan ik. RUTH 3:13 Blijf vannacht maar hier. Blijkt morgen dat die man zijn verplichtingen tegenover jou wil nakomen, goed, laat hij ze nakomen. Is hij er niet toe bereid, dan zal ik, zo waar Jahwe leeft, mijn verplichtingen tegenover jou nakomen. Slaap nu maar rustig tot het ochtend is.' RUTH 3:14 Zij bleef tot de ochtend aan zijn voeten liggen en nog voor het zo licht werd dat men iemand kon herkennen stond zij op, want Boaz had gezegd: 'Niemand mag weten dat de vrouw op de dorsvloer geweest is.' RUTH 3:15 Hij zei tot Ruth: 'Kom hier met je omslagdoek en houd hem open.' Zij hield hem open en hij mat zes maten eerst af en deed die erin. Daarna ging zij naar de stad. RUTH 3:16 Toen zij bij haar schoonmoeder aankwam, vroeg deze: 'Hoe is het je vergaan, mijn dochter?' Zij vertelde wat de man voor haar gedaan had en zei: RUTH 3:17 'Hij heeft me zes maten gerst meegegeven en erbij gezegd: Jij mag bij je schoonmoeder niet met lege handen aankomen!' RUTH 3:18 Noomi antwoordde: 'Blijf nu maar hier, mijn dochter, tot je weet hoe de zaak haar beslag heeft gekregen. Die man zal niet rusten; hij brengt de zaak vandaag nog in orde.' RUTH 4:1 Intussen was Boaz naar de stadspoort gegaan en had daar plaatsgenomen. Toen hij de man voorbij zag komen die familieverplichtingen tegenover Ruth had en over wie hij had gesproken, riep hij: 'Zeg Dinges, kom eens hier en ga zitten!' De man kwam en ging zitten. RUTH 4:2 Daarop haalde Boaz er tien oudsten van de stad bij en verzocht hun plaats te nemen. Toen zij waren gaan zitten RUTH 4:3 zei hij tot de man die tegenover Ruth familieverplichtingen had: 'Het stuk land dat eigendom was van onze broeder Elimelek wordt te koop aangeboden door Noomi, die teruggekeerd is uit de vlakte van Moab. RUTH 4:4 Ik heb gemeend u dit te moeten mededelen en u te moeten zeggen: Koop dat stuk land, ten overstaan van hen die hier zitten, ten overstaan van de oudsten van het volk. Wilt u van uw recht gebruik maken, doe het dan. Wilt u het niet, zeg het mij dan, want na u heeft niemand hier rechten dan ik.' De man antwoordde: 'Ik laat mijn recht gelden.' RUTH 4:5 Maar Boaz zei: 'Op het ogenblik dat u van Noomi de akker koopt, koopt u meteen Ruth, de Moabitische, de vrouw van de overledene, om de naam van de overledene op zijn erfdeel te laten voortbestaan.' RUTH 4:6 Toen verklaarde de man die familieverplichtingen had tegenover Ruth: 'Dan kan ik mijn recht niet laten gelden. Het zou de ondergang van mijn familiebezit worden. Neemt u mijn rechten maar over; ik kan mijn verplichtingen niet nakomen.' RUTH 4:7 - Bij terugkoop of ruil bestond vroeger in Israel het volgende gebruik: om de zaak rechtsgeldig te maken deed de ene partij een sandaal uit en gaf die aan de andere. Zo werd in Israel een overeenkomst bekrachtigd. - RUTH 4:8 De man dus die aanspraak kon maken op de koop zei tegen Boaz: 'Koopt u die grond maar!' En hij deed zijn sandaal uit. RUTH 4:9 Boaz van zijn kant zei tot de oudsten en tot heel het volk: 'Bij dezen bent u getuigen dat ik van Noomi het hele bezit van Elimelek koop, met alles wat heeft toebehoord aan Kiljon en Machlon. RUTH 4:10 Bij deze koop is Ruth ingesloten, de Moabitische, de weduwe van Machlon: ik neem haar als vrouw, om de naam van de overledene op zijn erfdeel te laten voortbestaan, zodat die naam niet verdwijnt uit zijn familie en uit de poort van zijn stad. Bij dezen bent u getuigen.' RUTH 4:11 Het volk dat in de poort bijeen was en de oudsten riepen uit: 'Wij zijn er getuigen van! Jahwe make van de vrouw die uw huis binnentreedt, een Rachel en een Lea, die samen het huis van Israel hebben gebouwd. Werd machtig in Efrata en vestig uw naam in Betlehem. RUTH 4:12 Uw huis worde als dat van Peres, de zoon van Tamar en Juda, door de kinderen die Jahwe u uit deze jonge vrouw zal geven.' RUTH 4:13 Zo nam Boaz Ruth tot vrouw. Hij had gemeenschap met haar; door Jahwe's gunst werd zij zwanger en baarde een zoon. RUTH 4:14 Toen zeiden de vrouwen tot Noomi: 'Gezegend zij Jahwe, die u nu toch nog een erfgenaam heeft geschonken, wiens naam in Israel zal gevestigd zijn. RUTH 4:15 Hij zal u doen herleven en u een steun zijn op uw oude dag, want uw schoondochter, die zoveel van u houdt, heeft hem gebaard: zij betekent meer voor u dan zeven zonen.' RUTH 4:16 Noomi nam het kind op haar schoot en verzorgde het. RUTH 4:17 De buurvrouwen gaven het kind een naam en zeiden: 'Noomi is een zoon geboren.' Zij noemden het kind Obed. Hij is de vader van Isai, de vader van David. RUTH 4:18 Dit zijn de nakomelingen van Peres. Peres verwekte Chesron, RUTH 4:19 Chesron verwekte Ram, Ram verwekte Amminadab, RUTH 4:20 Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salma, RUTH 4:21 Salmon verwekte Boaz, Boaz verwekte Obed, RUTH 4:22 Obed verwekte Isai en Isai verwekte David. HET EERSTE BOEK SAMUËL 1SAM 1:1 Er was eens een man uit het bergland van Efraïm, een Sufiet uit Ramataïm, die Elkana heette. Hij was een zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Suf, de Efratiet. 1SAM 1:2 Elkana had twee vrouwen; de ene heette Hanna, de andere Peninna. Peninna had kinderen, Hanna niet. 1SAM 1:3 Elkana ging elk jaar uit zijn stam naar Silo om zich neer te buigen voor Jahwe van de machten en Hem offers te bren gen. De priesters van Jahwe in Silo waren toen Chofni en Pinechas, twee zonen van Eli. 1SAM 1:4 Wanneer Elkana dan zijn offer opdroeg, gaf hij zijn vrouw Peninna en haar zonen en dochters ieder een deel, 1SAM 1:5 maar aan Hanna gaf hij nog een extra deel, want Hanna was zijn lievelingsvrouw, hoewel Jahwe haar schoot gesloten hield. 1SAM 1:6 Haar mededingster echter krenkte haar telkens weer en hoonde haar, omdat Jahwe haar schoot gesloten hield. 1SAM 1:7 Ieder jaar opnieuw, als Hanna naar de tempel van Jahwe opging, deed Peninna dat en krenkte zij Hanna; dan schreide Hanna en wilde zij niet meer eten. 1SAM 1:8 En Elkana vroeg haar dan: `Hanna, waarom schrei je? Waarom eet je niet en ben je zo bedroefd? Ben ik voor jou niet meer waard dan tien zonen?' 1SAM 1:9 Op een keer ging Hanna, nadat ze in Silo gegeten en gedronken hadden, naar het heiligdom van Jahwe. De priester Eli zat daar op een zetel tegen de deurpost. 1SAM 1:10 Bitter bedroefd bad zij onder een stroom van tranen tot Jahwe 1SAM 1:11 en zij legde deze gelofte af: `Jahwe van de machten, als Gij omziet naar de ellende van uw dienares en mij indachtig wilt zijn, als Gij uw dienares niet vergeet en haar een zoon schenkt, dan zal ik hem voor zijn gehele leven aan Jahwe afstaan: geen scheermes zal over zijn hoofd gaan.' 1SAM 1:12 Toen Hanna zo lang tot Jahwe bleef bidden, begon Eli op haar mond te letten. 1SAM 1:13 en omdat Hanna in haar binnenste sprak en haar lippen wel bewogen, maar haar stem niet hoorbaar werd, dacht Eli dat zij dronken was. 1SAM 1:14 Hij zei tot haar: `Gedraag u toch niet langer als een beschonkene! Zorg liever dat u weer nuchter wordt.' 1SAM 1:15 Maar Hanna antwoordde: `U vergist u, mijn heer, ik ben een vrouw die diep bedroefd is. Ik heb geen wijn of sterke drank gedronken, maar ik stort mijn hart uit voor Jahwe. 1SAM 1:16 U moet uw dienares niet als een minderwaardige vrouw beschouwen; alleen uit overgrote zorg en droefheid heb ik zo lang gebeden.' 1SAM 1:17 Toen antwoordde Eli: `Ga dan in vrede, en de God van Israël moge u geven wat u van Hem hebt afgesmeekt.' 1SAM 1:18 Zij antwoordde: `Moge uw dienares genade in uw ogen vinden.' Toen ging de vrouw weg; zij at en haar gezicht klaarde op. 1SAM 1:19 De volgende morgen bogen zij zich voor Jahwe neer en gingen terug naar Rama. Toen Elkana gemeenschap had met Hanna, was Jahwe haar indachtig; 1SAM 1:20 in de loop van het jaar werd Hanna zwanger en bracht zij een zoon ter wereld. Zij noemde hem Samuël, `want,' zei ze, ik heb hem van Jahwe afgesmeekt.' 1SAM 1:21 Toen Elkana weer met zijn hele gezin op reis ging om het jaarlijks offer op te dragen en zijn gelofte in te lossen, 1SAM 1:22 ging Hanna niet mee, want zei ze tot haar man `ik ga de jongen pas brengen als hij aan je borst ontwend is; dan zal hij voor Jahwe treden en altijd bij Hem blijven.' 1SAM 1:23 Haar man Elkana antwoordde: `Doe wat je het beste lijkt; blijf hier tot je hem de borst ontwend hebt. En moge Jahwe zijn woord gestand doen.' De vrouw bleef dus thuis en voedde haar zoon, tot zij hem de borst ontwende. 1SAM 1:24 Zodra hij van de borst was, nam zij de jongen mee, met een driejarige stier, een efa meel en een zak wijn. Zij bracht de jongen, zo klein als hij was, naar de tempel van Jahwe in Silo. 1SAM 1:25 Zij slacht ten de stier en brachten de jongen naar Eli. 1SAM 1:26 Daarbij zei Hanna: `Met uw verlof, mijn heer, zo waar u leeft, mijn heer, ik ben de vrouw die hier gestaan heeft om tot Jahwe te bidden, in uw tegenwoordigheid. 1SAM 1:27 Om deze jongen heb ik gebeden en Jahwe heeft mij gegeven wat ik van Hem heb afgesmeekt. 1SAM 1:28 Daarom sta ik hem aan Jahwe af. Zolang hij leeft, blijft hij aan Jahwe afgestaan.' En zij bogen zich daar voor Jahwe neer. 1SAM 2:1 Toen bad Hanna: `Om Jahwe juicht mijn hart; om Jahwe wordt mijn hoorn verheven, Ik doe mijn mond open tegen mijn vijanden, want ik verheug mij in Uw hulp. 1SAM 2:2 Er is geen heilige als Jahwe; buiten U is er niemand, geen rots is er als onze God. 1SAM 2:3 Praat toch niet steeds zo verwaand; laat uit uw mond geen vermetelheid komen. want Jahwe is een alwetende God: Hij weegt onze daden. 1SAM 2:4 De boog van de sterken is stukgebroken; zij die wankelden zijn met kracht omgord. 1SAM 2:5 Die overvloed hadden verhuren zich voor brood; die honger leden eten zich dik. De onvruchtbare baart, tot zevenmaal toe, de kinderrijke verwelkt. 1SAM 2:6 Jahwe doodt en doet leven, Hij voert naar de onderwereld en Hij haalt er weer uit. 1SAM 2:7 Jahwe maakt arm en maakt rijk, Hij vernedert en Hij verheft. 1SAM 2:8 Hij beurt de zwakke op uit het stof; Hij haalt de arme weg van de asbelt en geeft hem een plaats bij de groten; een erezetel wijst Hij hem toe. Van Jahwe zijn de zuilen der aarde: daarop heeft Hij de wereld gezet. 1SAM 2:9 Hij behoedt de voeten van zijn vromen, maar de bozen komen in duisternis om, want niet door zijn eigen kracht is de mens sterk. 1SAM 2:10 Die zich met Jahwe meten worden gebroken; uit de hemel laat Hij zijn donder over hen rollen. Jahwe oordeelt de aarde, tot aan haar grenzen. Hij geeft kracht aan zijn koning en verheft de hoorn van zijn gezalfde. 1SAM 2:11 Daarop keerde Elkana terug naar zijn huis in Rama, terwijl de jongen, onder het toezicht van de priester Eli, in dienst bleef van Jahwe. 1SAM 2:12 Nu waren de zonen van Eli echte booswichten; zij hadden geen eerbied voor Jahwe en hielden zich niet aan wat de priesters rechtens van het volk konden vragen. 1SAM 2:13 Liet namelijk iemand een offerdier slachten, dan kwam, als het vlees kookte, een knecht van de priester 1SAM 2:14 en prikte met een drietand in de pot, de pan, de ketel of de kookpot, en alles wat dan aan de vork bleef zitten eigende de priester zich toe. Dat deden ze bij alle Israëlieten die daar, te Silo, kwamen. 1SAM 2:15 Zelfs nog voor men het vet in rook had doen opgaan, kwam er al een knecht van de priester en zei tot degene die het offer opdroeg: `Geef de priester vlees om te braden! Maar hij wil alleen rauw vlees, geen gekookt.' 1SAM 2:16 En als de man dan zei: `Eerst behoort men toch het vet in rook te doen opgaan! Daarna kunt u zoveel nemen als u begeert' dan zei de knecht: `Neen, u moet het nu geven; anders neem ik het met geweld.' 1SAM 2:17 Deze handelwijze van de knechten was in de ogen van Jahwe een zeer ernstige zonde: de mensen verloren hun eerbied voor het offer van Jahwe. 1SAM 2:18 Intussen deed Samuël dienst in het heiligdom van Jahwe; de jongen droeg om zijn middel een linnen efod. 1SAM 2:19 Zijn moeder maakte elk jaar een manteltje voor hem en bracht dat voor hem mee, als zij met haar man het jaarlijkse offer kwam opdragen. 1SAM 2:20 Dan zegende Eli Elkana en zijn vrouw en zei hij: `Moge Jahwe u uit deze vrouw nog nakomelingen geven in plaats van de afgesmeekte die u aan Jahwe hebt afgestaan.' Daarna gingen zij terug naar hun woonplaats. 1SAM 2:21 Jahwe zag inderdaad naar Hanna om; zij werd zwanger en zij bracht nog drie zonen en twee dochters ter wereld. Intussen groeide de jonge Samuël op bij Jahwe. 1SAM 2:22 Toen Eli, die reeds hoogbejaard was, hoorde wat zijn zonen de Israëlieten allemaal aandeden, en dat zij sliepen met de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de tent van de samenkomst, 1SAM 2:23 zei hij tot hen: `Waarom doen jullie dergelijke dingen, die wandaden waarover het hele volk bij mij komt klagen? 1SAM 2:24 Neen, mijn zonen, de verhalen die ik hoor zijn niet fraai! Jullie maken dat het volk van Jahwe zondigt. 1SAM 2:25 Als een mens tegen een ander mens misdoet komt God tussenbeide, maar als een mens tegen Jahwe misdoet, wie komt er dan tussenbeide?' Maar zij luisterden niet naar hun vader, want Jahwe wilde hen doden. 1SAM 2:26 De jonge Samuël groeide echter op en werd steeds meer geliefd, zowel bij Jahwe als bij de mensen. 1SAM 2:27 Op een dag kwam een man Gods bij Eli en zei tot hem: `Zo spreekt Jahwe: Ik heb Mij duidelijk geopenbaard aan het huis van uw vader, toen het in Egypte tot het hof van Farao behoorde. 1SAM 2:28 Ik heb het boven alle stammen van Israël uitverkoren om mijn priesters te zijn, om mijn altaar te bestijgen, wierook te branden en in mijn dienst de efod te dragen. Aan het huis van uw vader heb Ik alle offergaven van de Israëlieten toevertrouwd. 1SAM 2:29 Waarom aast u dan op de slacht en meeloffers die Ik heb voorgeschreven, en waarom ontziet u uw zonen meer dan Mij, dat jullie je vetmest met het beste deel van de meeloffers van mijn volk Israël? 1SAM 2:30 Daarom zegt Jahwe, de God van Israël: Ik heb uw wel plechtig beloofd dat uw huis en het huis van uw vader voor altijd in mijn dienst zou staan, maar nu zegt Jahwe: Dat nooit! Ik eer wie Mij eren, maar wie Mij verachten worden vervloekt. 1SAM 2:31 Voorwaar, de dagen komen dat Ik uw kracht en de kracht van uw familie zal breken, zodat er in uw huis nooit meer iemand oud zal worden. 1SAM 2:32 In uw nood zult gij met lede ogen naar alle weldaden zien die Jahwe de Israëlieten bewijst; in uw huis zal niemand oud worden. 1SAM 2:33 Een van u zal Ik niet van mijn altaar verwijderen, om uw ogen te laten verkwijnen en uw ziel te laten versmachten, maar de anderen, heel de aanwas van uw huis, zullen sterven in de kracht van hun leven. 1SAM 2:34 En datgene wat uw twee zonen, Chofni en Pinechas, zal overkomen, zal voor u een teken zijn: op dezelfde dag zullen beiden sterven. 1SAM 2:35 Dan zal Ik een betrouwbaar priester aanstellen, die naar mijn hart en in mijn geest zal handelen. Ik zal een duurzaam huis voor hem bouwen, zodat hij heel zijn leven in dienst kan staan van mijn gezalfde. 1SAM 2:36 Wie er dan in uw huis nog over is gebleven, zal zich voor hem komen neerbuigen om een stukje zilver of een snee brood, en hij zal zeggen: Neem mij toch in de een of andere priesterklasse op; dan heb ik tenminste een stuk brood om te eten.' 1SAM 3:1 De jonge Samuël deed dienst in het heiligdom van Jahwe, onder het toezicht van Eli. In die dagen was een woord van Jahwe een zeldzaamheid en kwam een visioen niet dikwijls voor. 1SAM 3:2 Op zekere dag had Eli zich te slapen gelegd op zijn gewone plaats; zijn ogen begonnen zwak te worden en hij kon niet meer zien. 1SAM 3:3 De lamp van God was nog niet gedoofd en Samuël lag te slapen in het heiligdom van Jahwe, waar de ark van God stond. 1SAM 3:4 Toen riep Jahwe: `Samuël!' Samuël antwoordde: `Hier ben ik.' 1SAM 3:5 Hij liep haastig naar Eli en zei: `Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?' Maar Eli antwoordde: `Ik heb niet geroepen; ga maar weer slapen.' En hij ging en legde zich te slapen. 1SAM 3:6 Toen riep Jahwe opnieuw: `Samuël!' Samuël stond op, ging naar Eli en zei: `Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?' Eli antwoordde: `Ik heb niet geroepen, mijn jongen; ga maar weer slapen.' 1SAM 3:7 Samuël kende Jahwe nog niet: een woord van Jahwe was hem nog nooit geopenbaard. 1SAM 3:8 En weer riep Jahwe Samuël; nu voor de derde maal. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: `Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?' Toen begreep Eli dat het Jahwe was die de jongen riep. 1SAM 3:9 En hij zei tot Samuël: `Ga slapen, en mocht Hij je roepen dan moet je zeggen: Spreek, Jahwe, uw dienaar luistert.' Samuël ging dus weer op zijn gewone plaats slapen. 1SAM 3:10 Toen kwam Jahwe bij hem staan en riep, evenals de vorige malen: `Samuël, Samuël!' En Samuël antwoordde: `Spreek, uw dienaar luistert.' 1SAM 3:11 Toen zei Jahwe tot Samuël: `Let op! Wat Ik in Israël ga verrichten zal allebei de oren doen tuiten van ieder die het hoort. 1SAM 3:12 Die dag zal Ik aan het huis van Eli alles voltrekken wat Ik over dat huis gezegd heb, van het begin tot het einde. 1SAM 3:13 Ik heb hem reeds medegedeeld dat Ik een onherroepelijk vonnis ga voltrekken over zijn huis, vanwege de wandaden die hem bekend waren: zijn zonen hebben God geminacht en hij is niet tegen hen opgetreden. 1SAM 3:14 Daarom heb Ik het huis van Eli gezworen: Nooit in der eeuwigheid zal de schuld van het huis van Eli door slacht of meeloffers verzoend worden.' 1SAM 3:15 Samuël sliep nu door tot de ochtend en deed toen de deuren van de tempel van Jahwe open. Hij zag er tegen op, het visioen aan Eli mee te delen. 1SAM 3:16 Maar Eli riep hem en zei: `Samuël, mijn zoon!' Hij antwoordde: `Hier ben ik.' 1SAM 3:17 En Eli vroeg: `Wat is het voor een woord dat Hij tot jou heeft gesproken? Verberg het niet voor mij. God mag je dit aandoen en nog erger, als je iets verzwijgt van alles wat Hij je gezegd heeft.' 1SAM 3:18 Toen vertelde Samuël hem alles, zonder hem iets te verzwijgen. En Eli antwoordde: `Het is Jahwe. Hij moge doen wat Hem goeddunkt.' 1SAM 3:19 Samuël groeide op; Jahwe was met hem en liet niet een van zijn woorden onvervuld. 1SAM 3:20 En heel Israël, van Dan tot Berseba, kwam te weten dat Samuël inderdaad als profeet van Jahwe was aangesteld. 1SAM 3:21 Ook daarna bleef Jahwe in Silo verschijnen, want daar openbaarde Hij zich aan Samuël door tot hem te spreken. 1SAM 4:1 Het woord van Samuël drong door tot heel Israël. De Israëlieten trokken ten strijde tegen de Filistijnen; zij sloegen hun kamp op bij Eben haëzer, terwijl de Filistijnen bij Afek gelegerd waren. 1SAM 4:2 De Filistijnen stelden zich in slagorde tegenover de Israëlieten. Het kwam tot een gevecht over de gehele linie. De Israëlieten werden verslagen en de Filistijnen doodden langs het front in het open veld ongeveer vierduizend man. 1SAM 4:3 Toen het volk in het kamp terugkeerde, zeiden de oudsten van Israël: `Waarom heeft Jahwe ons vandaag door de Filistijnen geslagen? Wij gaan uit Silo de ark van het verbond van Jahwe halen. Zij moet in ons midden komen om ons uit de handen van onze vijanden te verlossen.' 1SAM 4:4 Het volk liet de ark uit Silo halen, de ark van het verbond van Jahwe van de machten, die op de kerubs troont. De twee zonen van Eli, Chofni en Pinechas, begeleidden de ark van het verbond van God. 1SAM 4:5 Zodra de ark van het verbond van Jahwe in het kamp was aangekomen, hieven de Israëlieten zo'n gejuich aan dat de grond ervan dreunde. 1SAM 4:6 De Filistijnen hoorden dat gejuich en vroegen: `Wat moet toch dat luide gejuich in het kamp van de Hebreeën?' Toen zij vernamen dat de ark van Jahwe in het kamp was gekomen, werden ze bang. 1SAM 4:7 Ze zeiden: `God is in het kamp gekomen! Wee ons, dat is nog nooit gebeurd. 1SAM 4:8 Wee ons, wie redt ons uit de handen van die geweldige God? Dit is immers dezelfde God die de Egyptenaren in de woestijn met allerlei plagen geslagen heeft? 1SAM 4:9 Weest moedig, Filistijnen, en gedraagt u als mannen. Anders worden jullie de slaven van de Hebreeën, zoals zij het van jullie zijn geweest. Weest mannen en weert u.' 1SAM 4:10 De Filistijnen gingen tot de aanval over. De Israëlieten werden verslagen en vluchtten, ieder naar zijn eigen tent. Het was een zware nederlaag: dertigduizend man voetvolk van Israël sneuvelden; 1SAM 4:11 de ark van God werd buitgemaakt en de twee zonen van Eli, Chofni en Pinechas, kwamen om. 1SAM 4:12 Een Benjaminiet snelde weg van het front en kwam nog diezelfde dag in Silo aan; zijn kleren waren gescheurd en zijn hoofd was met aarde bedekt. 1SAM 4:13 Bij zijn aankomst zat Eli op een zetel aan de kant van de weg, wachtend op bericht, want hij was ongerust over de ark van God. Toen de Benjaminiet, in de stad aangekomen, het nieuws verteld had, ging er een gejammer door de hele stad. 1SAM 4:14 Eli hoorde het en vroeg: `Wat is dat voor een gejammer?' De man ging haastig naar Eli en vertelde hem het nieuws. 1SAM 4:15 Eli was achtennegentig jaar; zijn ogen stonden star en hij kon niet meer zien. 1SAM 4:16 De man zei tot Eli: `Ik kom van het front; ik ben vandaag van het front weggevlucht.' Toen vroeg Eli: `Wat is er dan gebeurd, mijn zoon?' 1SAM 4:17 De boodschapper antwoordde: `De Israëlieten zijn voor de Filistijnen op de vlucht geslagen; het volk heeft een zware nederlaag geleden; ook uw twee zonen, Chofni en Pinechas, zijn gesneuveld, en de ark van God is buitgemaakt.' 1SAM 4:18 Nauwelijks had hij de ark van God genoemd, of Eli viel achterover van zijn zetel bij de poort; oud en zwaar als hij was, brak hij zijn nek en stierf. Veertig jaar was hij rechter over Israël geweest. 1SAM 4:19 Zijn schoondochter, de vrouw van Pinechas, was zwanger en kon elk ogenblik bevallen. Toen zij hoorde dat de ark van God was buitgemaakt en dat haar schoonvader en haar man waren gestorven, zetten de weeën in; zij kromp ineen en bracht haar kind ter wereld. 1SAM 4:20 Toen zij stervende was, zeiden de vrouwen die om haar heen stonden: `Wees gerust, want je hebt het leven geschonken aan een zoon.' Maar zij antwoordde niet en sloeg er zelfs geen acht op. 1SAM 4:21 Zij noemde het kind Ikabod, want zei ze: `Weggehaald is de Heerlijkheid uit Israël.' Daarbij doelde zij op de ark van God die buitgemaakt was en op haar schoonvader en haar man. 1SAM 4:22 Ze zei: `Weggehaald is de Heerlijkheid uit Israël, want de ark van God is buitgemaakt.' 1SAM 5:1 De Filistijnen hadden de ark van God buitgemaakt en van Eben haëzer overgebracht naar Asdod. 1SAM 5:2 Zij voerden de ark van God de tempel van Dagon binnen en zetten haar naast Dagon neer. 1SAM 5:3 De volgende ochtend zagen de Asdodieten Dagon voorovergevallen op de vloer liggen, voor de ark van Jahwe. Zij tilden Dagon op en zetten hem weer op zijn plaats. 1SAM 5:4 Maar de ochtend daarna lag Dagon weer voorovergevallen op de vloer, voor de ark van Jahwe. Zijn hoofd en zijn beide handen waren afgebroken en lagen op de drempel; Dagon was alleen nog een romp. 1SAM 5:5 Daarom zetten in Asdod de priesters van Dagon en allen die de tempel van Dagon binnengaan hun voet niet op de drempel tot op de huidige dag. 1SAM 5:6 De hand van Jahwe drukte zwaar op de Asdodieten; Hij bracht hen in paniek en teisterde hen met gezwellen, in Asdod en omgeving. 1SAM 5:7 Toen de mannen van Asdod zagen dat het zo ging, zeiden ze: `De ark van de God van Israël mag hier niet blijven, want zijn hand drukt zwaar op ons en op onze god Dagon.' 1SAM 5:8 Zij riepen dus alle stadsvorsten van de Filistijnen bijeen en vroegen: `Wat moeten wij doen met de ark van de God van Israël?' Ze antwoordden: `De ark van de God van Israël moet overgebracht worden naar Gat.' Zij brachten dus de ark van de God van Israël daarheen. 1SAM 5:9 Nadat zij haar naar Gat hadden overgebracht, veroorzaakte Jahwe een paniek in die stad en teisterde Hij de inwoners met een plaag: van groot tot klein kregen zij gezwellen. 1SAM 5:10 Dus stuurden zij de ark van God naar Ekron. Maar toen de ark van God daar aankwam, jammerden de Ekronieten: `Nu hebben ze de ark van de God van Israël bij ons gebracht! Dat wordt de dood van ons en van ons volk!' 1SAM 5:11 Zij riepen dus alle stadsvorsten van de Filistijnen bijeen en zeiden: `Laat de ark van de God van Israël wegbrengen. Ze moet terug naar de plaats waar ze thuishoort; anders wordt ze de dood van ons en van ons volk.' In de hele stad heerste inderdaad een dodelijke ontzetting; zwaar drukte de hand van God op de stad. 1SAM 5:12 De inwoners die niet stierven kregen gezwellen en uit de stad stegen de noodkreten ten hemel. 1SAM 6:1 Zeven maanden was de ark van Jahwe op Filistijns gebied. 1SAM 6:2 Toen wendden de Filistijnen zich tot de priesters en waarzeggers en zeiden: `Wij weten geen raad met de ark van Jahwe; zeg ons, hoe wij haar terug kunnen sturen naar de plaats waar ze thuishoort.' 1SAM 6:3 Zij antwoordden: `Als u de ark van de God van Israël wilt terugsturen, kunt u dat maar niet zonder meer doen: u moet Hem beslist ook een genoegdoening geven. Pas dan zult u met rust gelaten worden en begrijpen, waarom zijn hand niet van u wijkt.' 1SAM 6:4 De Filistijnen vroegen: `Wat voor genoegdoening moeten wij Hem geven?' Zij antwoordden: `De Filistijn en hebben vijf stadsvorsten; geeft dus vijf gouden gezwellen en vijf gouden muizen, want allen, zowel u als uw stadsvorsten, lijden onder dezelfde plaag. 1SAM 6:5 U moet dus afbeeldingen maken van uw gezwellen en van de muizen die uw land teisteren. Zo moet u hulde brengen aan de God van Israël. Misschien laat zijn hand dan u, uw goden en uw land met rust. 1SAM 6:6 Waarom zoudt u ook halsstarrig zijn, zoals de Egyptenaren en Farao? Zodra Jahwe zijn spel met hen begon te spelen, moesten zij de Israëlieten toch laten gaan, niet waar? 1SAM 6:7 Welnu, zorgt voor een nieuwe wagen en voor twee zogende koeien, die nog geen juk gedragen hebben. Spant die voor de wagen, maar zet haar kalveren op stal. 1SAM 6:8 Plaatst de ark van Jahwe op de wagen en legt de gouden voorwerpen, die u Hem als genoegdoening geeft, in een kistje ernaast. Laat dan de ark maar gaan. 1SAM 6:9 En let goed op: Als ze de weg inslaat naar haar eigen grondgebied, naar Bet semes, dan is het Jahwe die ons dit grote onheil berokkend heeft; gebeurt dat niet, dan weten wij dat het niet zijn hand was die ons heeft getroffen, maar dat het ons bij toeval is overkomen.' 1SAM 6:10 De mannen deden dat. Zij haalden twee zogende koeien, spanden die voor de wagen en zetten de kalveren op stal. 1SAM 6:11 Zij plaatsten de ark van Jahwe op de wagen en ook het kistje met de gouden muizen en de afbeeldingen van hun gezwellen. 1SAM 6:12 De koeien gingen regelrecht de weg naar Bet semes op en hielden hetzelfde spoor; loeiend liepen zij door, zonder naar rechts of links af te wijken; de stadsvorsten van de Filistijn en gingen erachter aan, tot aan het gebied van Bet semes. 1SAM 6:13 De mannen van Bet semes waren in de vallei bezig met het oogsten van de tarwe. Toen zij opkeken, zagen zij de ark en waren verheugd haar te zien. 1SAM 6:14 Op het veld van Jehosua uit Bet semes gekomen, bleef de wagen staan. Daar lag een grote steen. De mannen hakten het hout van de wagen in stukken en droegen de koeien als brandoffer aan Jahwe op. 1SAM 6:15 Levieten hadden de ark van Jahwe en het bijbehorend kistje met de gouden voorwerpen afgeladen en op de grote steen geplaatst, en de mannen van Bet semes offerden die dag brandoffers en slachtoffers ter ere van Jahwe. 1SAM 6:16 Toen de vijf stadsvorsten van de Filistijnen dit gezien hadden, keerden zij nog dezelfde dag naar Ekron terug. 1SAM 6:17 Dit zijn de gouden gezwellen die de Filistijnen als genoegdoening aan Jahwe gegeven hebben: een voor Asdod, een voor Gaza, een voor Askelon, een voor Gat en een voor Ekron. 1SAM 6:18 Het aantal gouden muizen beantwoordde aan dat van de Filistijnse steden, de gebieden van de vijf stadsvorsten met vestingen en open dorpen. Tot op de huidige dag getuigt hiervan de grote steen, waarop ze de ark van Jahwe neergezet hebben, in het veld van Jehosua uit Bet semes. 1SAM 6:19 Maar Jahwe richtte een slachting aan onder de mannen van Bet semes, omdat zij naar de ark van Jahwe gekeken hadden; Hij doodde zeventig man, vijftig op de duizend. Het volk rouwde, nu Jahwe zo'n grote slachting aanrichtte, 1SAM 6:20 en de mannen van Bet semes zeiden: `Wie kan staande blijven in tegenwoordigheid van Jahwe, die heilige God? De ark moet bij ons vandaan, maar naar wie?' 1SAM 6:21 Zij zonden boden naar de inwoners van Kirjat jearim en lieten zeggen: `De Filistijnen hebben de ark van Jahwe teruggebracht; Komt hierheen en neemt haar mee.' 1SAM 7:1 Toen kwamen de mannen van Kirjat jearim; zij haalden de ark en plaatsten haar in het huis van Abinadab, op de heuvel. Zijn zoon Elazar stelden ze aan om zorg te dragen voor de ark van Jahwe. 1SAM 7:2 Sinds de ark in Kirjat jearim een standplaats had gekregen, was er geruime tijd verlopen, wel twintig jaar. Toen heel het huis van Israël klagend om Jahwe riep, 1SAM 7:3 sprak Samuël: `Als u met heel uw hart tot Jahwe terugkeert, als u de vreemde goden en de Astarten wegdoet, als u op Jahwe uw hart richt en Hem alleen dient, dan zal Hij u bevrijden uit de macht van de Filistijnen.' 1SAM 7:4 De Israëlieten deden daarop de Baäls en Astarten weg en dienden uitsluitend Jahwe. 1SAM 7:5 Toen zei Samuël: `Laat heel Israël te Mispa bijeenkomen; dan zal ik voor u bidden tot Jahwe.' 1SAM 7:6 Zij kwamen te Mispa bijeen, putten water, goten het uit voor Jahwe en hielden een vastendag; ze zeiden: `Wij hebben tegen Jahwe gezondigd.' Zo trad Samuël te Mispa als rechter over Israël op. 1SAM 7:7 De stadsvorsten van de Filistijnen hoorden dat de Israëlieten dit vernamen, werden ze bang voor de Filistijnen 1SAM 7:8 en zeiden tot Samuël: `Laat ons niet in de steek en roep tot Jahwe onze God: dan zal Hij ons uit de macht van de Filistijnen verlossen.' 1SAM 7:9 Samuël nam toen een zooglammetje en offerde het in zijn geheel als brandoffer aan Jahwe. Samuël riep tot Jahwe ten gunste van Israël. En Jahwe verhoorde hem. 1SAM 7:10 Terwijl Samuël het brandoffer opdroeg, naderden de Filistijnen om de Israëlieten aan te vallen. Maar Jahwe liet die dag met machtig geluid de donder rollen over de Filistijnen en Hij bracht hen in paniek, zodat zij tegen de Israëlieten de nederlaag leden. 1SAM 7:11 De Israëlieten gingen uit Mispa de Filistijnen achterna en dreven hen onder zware verliezen tot beneden Bet kar terug. 1SAM 7:12 Toen richtte Samuël tussen Mispa en Sen een steen op, gaf die de naam Eben haëzer en verklaarde: `De hulp van Jahwe heeft ons tot hier gebracht.' 1SAM 7:13 De macht van de Filistijnen was gebroken; zij vielen het grondgebied van Israël niet meer aan. En zolang Samuël leefde, bleef de hand van Jahwe op de Filistijnen drukken. 1SAM 7:14 Van Ekron tot Gat kwamen alle steden die de Filistijnen aan Israël ontnomen hadden, aan Israël terug, en de Israëlieten bevrijdden het gebied van die steden uit de macht van de Filistijnen. Er was ook vrede tussen de Israëlieten en de Amorieten. 1SAM 7:15 Samuël bleef rechter over Israël zolang hij leefde. 1SAM 7:16 Elk jaar maakte hij een rondreis langs Betel, Gilgal en Mispa en trad in al deze plaatsen op als rechter over Israël. 1SAM 7:17 Dan keerde hij terug naar Rama, waar zijn huis stond en waar hij optrad als rechter over Israël. Hij bouwde er een altaar voor Jahwe. 1SAM 8:1 Toen Samuël oud geworden was, stelde hij zijn zonen als rechters over Israël aan. 1SAM 8:2 Zijn eerstgeboren zoon heette Joel, de tweede heette Abia; beiden waren rechter te Berseba. 1SAM 8:3 Maar de zonen bewandelden niet de wegen van hun vader; zij waren op eigen voordeel uit, namen geschenken aan en verkrachtten het recht. 1SAM 8:4 Daarom kwamen de oudsten van Israël bijeen, begaven zich naar Samuël in Rama 1SAM 8:5 en zeiden tot hem: `U bent oud geworden en uw zonen bewandelden uw wegen niet. Stel daarom een koning aan om rechter over ons te zijn, een koning zoals alle andere volken die hebben. 1SAM 8:6 Maar Samuël vond het ongepast dat ze voorstelden: `Geef ons een koning om rechter over ons te zijn.' Daarom bad hij tot Jahwe. 1SAM 8:7 Maar Jahwe zei tot Samuël: `Geef gehoor aan het volk, wat zij u ook vragen, want ze verwerpen niet u, maar Mij; Mij willen ze niet langer als koning. 1SAM 8:8 Wat ze u aandoen hebben ze altijd gedaan: vanaf de dag dat Ik hen uit Egypte geleid heb tot heden toe hebben ze Mij verlaten en andere goden gediend. 1SAM 8:9 Ga in op hun verzoek, maar waarschuw hen terdege en houd hun voor, welke rechten de koning, die over hen heerst, zal doen gelden.' 1SAM 8:10 Samuël bracht het volk dat hem om een koning gevraagd had, op de hoogte van wat Jahwe had gezegd. 1SAM 8:11 Hij zei: `De koning die over u heerst zal de volgende rechten doen gelden: Uw zonen zal hij opeisen voor zijn wagens, voor zijn paarden en om zijn wagen te escorteren, om ze aan te stellen als leider van duizend en leider van vijftig, 1SAM 8:12 om zijn akkers te ploegen, zijn oogst binnen te halen, wapens te maken voor de oorlog en zijn wagens uit te rusten. 1SAM 8:13 Uw dochters zal hij opeisen om zalf te bereiden, te koken en te bakken. 1SAM 8:14 Uw beste akkers, wijngaarden en olijftuinen zal hij van u afnemen en ze aan zijn dienaren geven. 1SAM 8:15 Van uw oogsten en de opbrengst van uw wijngaarden zal hij tienden heffen en die aan zijn hovelingen en dienaren geven. 1SAM 8:16 Uw slaven en slavinnen, uw sterkste jongemannen en uw ezels zal hij voor zichzelf laten werken. 1SAM 8:17 Van uw schapen en geiten zal hij tienden heffen en die aan zijn hovelingen en dienaren geven. 1SAM 8:18 Als het zover is, zult u bij Jahwe uw nood klagen over de koning die u zelf gewild hebt, maar dan zal Jahwe niet antwoorden. 1SAM 8:19 Maar het volk wilde niet naar Samuël luisteren en zei: `Toch moeten wij een koning hebben! 1SAM 8:20 Dan zijn wij gelijk aan alle andere volken. Onze koning zal rechter over ons zijn en voor ons uittrekken om onze oorlogen te voeren.' 1SAM 8:21 Samuël hoorde de verlangens van het volk aan en bracht ze over aan Jahwe. 1SAM 8:22 Jahwe zei tot Samuël: `Ga in op hun verzoek en stel een koning over hen aan.' Toen zei Samuël tot de mannen van Israël: `Laat ieder naar zijn eigen stad terugkeren.' 1SAM 9:1 In Benjamin leefde een man: zijn naam was Kis, de zoon van Abiël, de zoon van Seror, de zoon van Bekorat, de zoon van Afiach, een Benjaminiet; hij was een vermogend man. 1SAM 9:2 Die man had een zoon, Saul geheten, jeugdig en mooi; geen Israëliet kon met hem vergeleken worden: met kop en schouders stak hij boven allen uit. 1SAM 9:3 Eens, toen de ezelinnen van Kis, de vader van Saul, waren weggelopen, zei Kis tot zijn zoon Saul: `Ga niet met een knecht de ezelinnen zoeken.' 1SAM 9:4 Saul trok door het bergland van Efraïm en door het land van Salisa zonder de ezelinnen te vinden. Vervolgens trokken zij door het land van Saalim, waar ze ook niet waren, en door dat van Benjamin, maar ook daar vonden zij de dieren niet. 1SAM 9:5 Toen zij tenslotte in het land van Suf gekomen waren, zei Saul tegen de knecht die hem vergezelde: `Laten we maar teruggaan' anders maakt mijn vader zich meer zorgen over ons dan over de ezelinnen.' 1SAM 9:6 Maar de knecht zei tegen Saul: `Ginds in die stad is een man Gods: hij staat hoog in aanzien; alles wat hij zegt komt precies uit. Laten we er meteen naar toe gaan; misschien kan hij ons inlichtingen geven over datgene waarvoor wij op weg zijn gegaan.' 1SAM 9:7 Saul zei tegen de knecht: `Wat kunnen wij die man aanbieden als wij erheen gaan? Het brood in onze reiszakken is op en wij hebben niets anders bij ons dat wij de man Gods kunnen aanbieden.' 1SAM 9:8 Maar de knecht drong nog eens bij Saul aan en zei: `Ik heb nog een kwart sikkel zilver bij me; als ik die de man Gods aanbied, zal hij ons wel inlichtingen geven over de weg die we moeten gaan.' 1SAM 9:9 vroeger zei men in Israël, als men God ging raadplegen: Kom, laten wij naar de ziener gaan; de profeet van tegenwoordig werd vroeger namelijk ziener genoemd. 1SAM 9:10 Toen zei Saul tegen de knecht: `Dat is een goed voorstel! Kom, laten we naar de ziener gaan.' Zij gingen dus naar de stad waar de man Gods was. 1SAM 9:11 Toen zij de oplopende weg naar de stad insloegen, kwamen zij meisjes tegen die water gingen putten en vroegen hen: `Is de ziener hier?' 1SAM 9:12 De meisjes antwoordden: `Ja, hij was net voor u hier; als u zich haast, treft u hem nog; hij is zojuist in de stad gekomen, omdat het volk vandaag op de hoogte een offermaal houdt. 1SAM 9:13 Als u de stad binnengaat, treft u hem nog voordat hij de hoogte opgaat om te eten, want het volk eet niet, voor hij gekomen is. Hij moet het offer zegenen, en daarna eten de genodigden. Gaat dus maar verder; dan zult u hem spoedig vinden.' 1SAM 9:14 Zij gingen dus naar de stad en toen zij de stad binnengingen kwam Samuël juist naar buiten, hun tegemoet, om zich naar de hoogte te begeven. 1SAM 9:15 Nu had Jahwe Samuël daags voor de komst van Saul meegedeeld: 1SAM 9:16 `Morgen om deze tijd stuur Ik een man uit Benjamin naar u toe, die gij moet zalven tot vorst van mijn volk Israël. Hij zal mijn volk verlossen uit de macht van de Filistijnen, want Ik heb op mijn volk neergezien, omdat zijn hulpgeroep tot Mij is doorgedrongen. 1SAM 9:17 Toen Samuël Saul zag, gaf Jahwe hem te kennen: `Dit is de man, over wie Ik u gesproken heb. Hij zal heersen over mijn volk.' 1SAM 9:18 In de poort trad Saul op Samuël toe en zei: `Wilt u zo vriendelijk zijn, mij het huis van de ziener te wijzen?' 1SAM 9:19 Samuël gaf Saul ten antwoord: `Ik ben de ziener. Ga voor mij uit naar de hoogte; vandaag gaat u met mij eten en morgenvroeg zal ik u uitgeleide doen. Ik zal u vertellen wat u op het hart ligt: 1SAM 9:20 wat de ezelinnen betreft die al drie dagen zoek zijn, maak u daarover niet bezorgd; ze zijn terecht. Maar wat Israël zich wenst, aan wie valt dat ten deel? Aan niemand anders dan aan u en uw gehele familie.' 1SAM 9:21 Saul antwoordde: `Ik ben maar een Benjaminiet en kom dus uit een van de kleinste stammen van Israël; mijn geslacht is het onbeduidendste van alle geslachten van de stam Benjamin. Hoe kunt u dan zoiets tegen mij zeggen?' 1SAM 9:22 Toen nam Samuël Saul en diens knecht met zich mee. Hij leidde hen de zaal binnen, gaf hun een plaats aan het hoofd van de genodigden, ongeveer dertig man, 1SAM 9:23 en zei tegen de kok: `Dien het stuk op dat ik u gegeven heb met de opdracht het apart te houden.' 1SAM 9:24 Toen diende de kok het schenkelstuk op en zette dat voor aan Saul. Samuël zei: `Wat men u heeft voorgezet is het uitgelezen stuk; eet ervan, want voor u werd het bewaard en dat was mijn bedoeling reeds, toen ik het volk uitnodigde voor dit feest.' Zo at Saul die dag met Samuël. 1SAM 9:25 Daarna daalden zij van de hoogte af naar de stad, en Samuël onderhield zich met Saul op het dakterras. ` 1SAM 9:26 Zij stonden vroeg op, en zodra de dag aangebroken was riep Samuël tot Saul op het dakterras: `Kom, dan zal ik u uitgeleide doen.' Saul kwam en samen gingen zij naar buiten, hij en Samuël. 1SAM 9:27 Toen ze aan het eind van de stad waren gekomen, zei Samuël tot Saul: `Zeg tegen de knecht dat hij vooruit moet gaan de knecht deed dat en blijf zelf een ogenblik staan: dan zal ik u mededelen wat God gezegd heeft.' 1SAM 10:1 Toen nam Samuël een kruikje olie en goot dat uit over het hoofd van Saul. Hij kuste hem en zei: `U heeft Jahwe gezalfd tot vorst over zijn eigen volk. U zult heersen over het volk van Jahwe; u moet het verlossen uit de handen van zijn vijanden rondom. En dit is het teken, dat Jahwe u tot vorst over zijn erfdeel gezalfd heeft: 1SAM 10:2 als u zo aanstonds van mij bent weggegaan, zult u dicht bij het graf van Rachel, in het gebied van Benjamin, te Selsach, twee mannen ontmoeten. Zij zullen u zeggen: De ezelinnen die u bent gaan zoeken zijn terecht. Uw vader heeft nu geen zorg meer over de ezelinnen, maar over u, en hij vraagt zich af, wat hij voor zijn zoon moet doen. 1SAM 10:3 Als u daarna verder trekt en bij de eik van Tabor komt, zult u er drie mannen ontmoeten die opgaan naar God te Betel; de een heeft drie bokjes bij zich, de andere drie ronde broden en de derde een zak wijn. 1SAM 10:4 Zij zullen u groeten en u twee broden aanbieden, die u van hen moet aannemen. 1SAM 10:5 Daarna komt u in Gibea van God waar de Filistijnen een post hebben. Zodra u de stad ingaat, ziet u een groep profeten van de offerhoogte komen, in vervoering, met harpen, tamboerijnen, fluiten en citers voorop. 1SAM 10:6 Dan zal de geest van Jahwe u aangrijpen: ook u zult in vervoering geraken en een ander mens worden. 1SAM 10:7 Als deze tekenen geschieden, doe dan verder wat voor de hand ligt, want God is met u. 1SAM 10:8 U moet mij voorgaan naar Gilgal; ik kom daar bij u om brand en slachtoffers op te dragen. Zeven dagen moet u wachten: dan kom ik bij u en laat ik u weten wat u moet doen.' 1SAM 10:9 En inderdaad, nadat Saul zich had omgekeerd en van Samuël was heengegaan, gaf God hem een ander hart; al die tekenen geschiedden nog diezelfde dag. 1SAM 10:10 Toen zij in Gibea kwamen, kwam hem een groep profeten tegemoet. De geest van God greep Saul aan; hij raakte in vervoering en voegde zich bij hen. 1SAM 10:11 En allen die hem sinds jaar en dag kenden, zagen hem daar met de profeten in vervoering. En de mensen zeiden tot elkaar: `Wat is er met de zoon van Kis gebeurd? Is Saul ook al bij de profeten?' 1SAM 10:12 Iemand antwoordde: `Wie is hun vader?' Zo is het spotwoord ontstaan: Is Saul ook al bij de profeten? 1SAM 10:13 Toen zijn vervoering voorbij was, begaf Saul zich naar de offerhoogte. 1SAM 10:14 En de oom van Saul zei tot hem en zijn knecht: `Waar zijn jullie geweest?' Hij antwoordde: `Wij waren op zoek naar de ezelinnen, en toen wij ze nergens konden vinden, zijn we naar Samuël gegaan.' 1SAM 10:15 Daarop zei de oom van Saul: `Vertel me eens: Wat heeft Samuël je gezegd?' 1SAM 10:16 Saul antwoordde: `Hij heeft ons verteld dat de ezelinnen terecht waren.' Dat Samuël over het koningschap gesproken had vertelde hij hem niet. 1SAM 10:17 Daarna riep Samuël het volk op naar Jahwe in Mispa 1SAM 10:18 en hij zei tot de Israëlieten: `Zo spreekt Jahwe, de God van Israël: Ik ben het die de Israëlieten heb weggevoerd uit Egypte en die u bevrijd heb uit de macht van Egypte en uit de macht van alle koninkrijken die u verdrukten. 1SAM 10:19 Maar nu verwerpt gij uw God. Degene die u uit al uw rampen en noden verlost heeft; nu zegt gij: Neen, stel een koning over ons aan! Welnu, stel u op voor het aanschijn van Jahwe, volgens stam en geslacht.' 1SAM 10:20 Samuël liet vervolgens alle stammen van Israël aantreden, en de stam Benjamin werd aangewezen. 1SAM 10:21 Toen liet hij de geslachten van de stam Benjamin aantreden, en het geslacht Matri werd aangewezen. Tenslotte werd Saul, de zoon van Kis, aangewezen. Maar toen men hem zocht, was hij niet te vinden. 1SAM 10:22 Daarop stelde men Jahwe nogmaals een vraag: `Is hij hier wel gekomen?' En Jahwe antwoordde: `Ja, maar hij houdt zich schuil tussen de bagage.' 1SAM 10:23 Zij renden erheen en haalden hem te voorschijn. Toen hij tussen het volk stond, stak hij er met kop en schouders bovenuit. 1SAM 10:24 Daarop zei Samuël tot het volk: `Het zal u wel duidelijk zijn, wie Jahwe uitverkoren heeft. Onder het hele volk is er geen tweede zoals hij.' En heel het volk juichte en riep: `Leve de koning!' 1SAM 10:25 Daarna kondigde Samuël ten overstaan van het volk het koninklijke recht af; hij tekende dit in een oorkonde op en legde die voor het aanschijn van Jahwe neer. Toen liet Samuël het volk vertrekken en ieder ging naar huis. 1SAM 10:26 Ook Saul ging huiswaarts, naar Gibea, en met hem gingen de dapperen die God daartoe aandreef. 1SAM 10:27 Maar er was ook gespuis dat zei: `Zou die ons bevrijden?' Zo toonden zij hun minachting voor hem en ze brachten hem ook geen geschenk. Maar hij deed alsof hij het niet merkte. 1SAM 11:1 Toen Nachas, de Ammoniet, oprukte en het beleg sloeg voor Jabes in Gilead, deden de burgers van Jabes hem eensgezind het volgend voorstel: `Als u een verbond met ons sluit, zullen wij ons aan u onderwerpen.' 1SAM 11:2 Maar Nachas, de Ammoniet, antwoordde hun: `Ik wil wel een verbond met u sluiten, maar op voorwaarde dat u allen het rechteroog wordt uitgestoken. Dat is de smaad die ik heel Israël wil aandoen.' 1SAM 11:3 Toen zeiden de oudsten van Jabes tot hem: `Geef ons zeven dagen respijt, dat wij boden kunnen zenden door heel het gebied van Israël. Als niemand ons te hulp komt, zullen wij ons aan u overgeven.' 1SAM 11:4 Toen de boden te Gibea van Saul kwamen en het volk hiervan in kennis stelden, begon heel het volk luidkeels te weeklagen. 1SAM 11:5 Maar op dat ogenblik kwam Saul van het veld, achter zijn runderen aan, en hij vroeg: `Wat is er aan de hand dat het volk zo weeklaagt?' Ze vertelden hem het verhaal van de mannen van Jabes. 1SAM 11:6 Toen Saul dat verhaal hoorde, werd hij aangegrepen door de geest van God en hij ontstak in hevige toorn. 1SAM 11:7 Hij nam een koppel runderen, hakte ze in stukken en liet die door boden in heel Israël rondbrengen met de boodschap: `Wie niet uittrekt achter Saul en achter Samuël, met diens runderen zal het net zo gaan!' Toen werd het volk met schrik voor Jahwe geslagen: als een man kwamen zij op. 1SAM 11:8 Saul inspecteerde hen in Bezek: er waren driehonderdduizend Israëlieten en dertigduizend Judeeërs. 1SAM 11:9 Ze zeiden tot de boden die gekomen waren: `Dit moet u de mannen van Jabes in Gilead zeggen: Morgen, tegen de tijd dat de zon heet wordt, zal er redding voor u zijn!' Toen de boden thuis kwamen en dit aan de mannen van Jabes berichtten, waren zij verheugd. 1SAM 11:10 En de mannen van Jabes zeiden tot Nachas: `Morgen zullen wij ons aan u overgeven; dan doet u met ons maar alles wat u goeddunkt.' 1SAM 11:11 De volgende dag verdeelde Saul het volk in drie groepen. Tijdens de laatste nachtwake drongen die het kamp van de Ammonieten binnen en sloegen op hen in, tot op het heetst van de dag. De overlevenden werden zo uiteengejaagd dat er geen twee bij elkaar bleven. 1SAM 11:12 Nu zei het volk tot Samuël: `Wie durfde er ook weer vragen of die Saul onze koning moest zijn? Lever ons die mannen uit; dan doden wij ze.' 1SAM 11:13 Maar Saul zei: `Op deze dag zal niemand ter dood gebracht worden, want vandaag heeft Jahwe de overwinning gegeven aan Israël.' 1SAM 11:14 En Samuël sprak tot het volk: `Kom, laten wij naar Gilgal gaan en daar het koningschap hernieuwen.' 1SAM 11:15 Toen ging het volk naar Gilgal en voor het aanschijn van Jahwe riepen zij Saul tot koning uit. Ze brachten dankoffers aan Jahwe, en Saul en alle mannen van Israël vierden daar een groot feest. 1SAM 12:1 Samuël sprak tot de Israëlieten: `U ziet dat ik naar u geluisterd heb, naar alles wat u mij hebt gezegd, en dat ik een koning over u heb aangesteld. 1SAM 12:2 Daar staat nu de koning die u voorgaat. Ik ben nu oud en grijs geworden en mijn zonen hebben hun plaats onder u. Vanaf mijn jonge jaren tot de dag van heden ben ik u voorgegaan. 1SAM 12:3 Hier sta ik: leg nu over mij uw verklaring af ten overstaan van Jahwe en van zijn gezalfde. Heb ik ooit van iemand een rund afgenomen? Heb ik ooit van iemand een ezel afgenomen? Heb ik ooit iemand benadeeld of iemand verdrukt? Heb ik ooit van iemand een geschenk aangenomen om van hem iets door de vingers te zien? Dan zal ik het teruggeven.' 1SAM 12:4 Maar de Israëlieten zeiden: `Neen, u hebt ons niet benadeeld, u hebt ons niet verdrukt en van niemand hebt u wat dan ook aangenomen.' 1SAM 12:5 Toen sprak Samuël tot hen: `Jahwe is dus getuige en heden is ook zijn gezalfde getuige dat u niets van mij te vorderen hebt!' En zij antwoordden: `Zo is het!' 1SAM 12:6 Nu zei Samuël tot het volk: `Jahwe is het die Mozes en Aäron heeft doen optreden en uw vaderen uit Egypte heeft geleid. 1SAM 12:7 Welnu, stelt u op, dan zal ik, ten overstaan van Jahwe, u als uw rechter alle weldaden voorhouden die Jahwe u en uw vaderen heeft bewezen. 1SAM 12:8 Toen Jakob in Egypte gekomen was en uw vaderen tot Jahwe riepen, zond Jahwe Mozes en Aäron, die uw vaderen uit Egypte leidden en hun hier een woonplaats gaven. 1SAM 12:9 Maar uw vaderen vergaten Jahwe, hun God; daarom leverde Hij hen over aan Sisera, de legeraanvoerder van Hasor, aan de Filistijnen en aan de koning van Moab, die de strijd met hen aanbonden. 1SAM 12:10 Toen riepen zij weer tot Jahwe en zeiden: Wij hebben gezondigd, want wij hebben Jahwe verlaten en de Baäls en Astarten gediend; bevrijd ons toch uit de macht van onze vijanden, en wij zullen U dienen. 1SAM 12:11 Daarop zond Jahwe Jerubbaal, Bedan, Jefta en Samuël, en bevrijdde u uit de macht van uw vijanden rondom, zodat u veilig kon wonen. 1SAM 12:12 Maar toen u Nachas, de koning van de Ammonieten, op u af zag komen, hebt u, terwijl Jahwe uw God toch uw koning is, tot mij gezegd: Een koning moet over ons heersen! 1SAM 12:13 Welnu, daar staat dan de koning, die u gewild hebt, om wie u gevraagd hebt. Jahwe heeft hem u gegeven. 1SAM 12:14 Als u, zowel uzelf als de koning die over u heerst, Jahwe nu maar vreest, Hem dient, naar Hem luistert, zijn gebod niet veracht en Hem volgt! 1SAM 12:15 Maar als u niet naar Jahwe luistert en als u zijn gebod veracht, dan zal zijn hand op u neerkomen, net als op uw vaderen. 1SAM 12:16 Gaat nu staan en let op, want Jahwe zal voor uw ogen iets groots gaan doen. 1SAM 12:17 Het is nu de tijd van de tarweoogst. Welnu, ik zal Jahwe aanroepen en Hij zal het laten donderen en regenen. Dan zult u zien en begrijpen, hoe verkeerd u tegenover Jahwe hebt gehandeld door een koning te vragen.' 1SAM 12:18 Toen riep Samuël Jahwe aan en Jahwe liet het donderen en regenen, die dag, 1SAM 12:19 zodat het volk diep ontzag kreeg voor Jahwe en ook voor Samuël. En het volk zei tot Samuël: `Bid voor uw dienaren tot Jahwe uw God dat het niet onze dood wordt, nu wij bij al onze zonden ook nog misdaan hebben door een koning te vragen.' 1SAM 12:20 Maar Samuël zei tot het volk: `Ook al hebt u dit kwaad gedaan, u hoeft niet bevreesd te zijn, zolang u Jahwe niet verlaat en Hem dient met heel uw hart. 1SAM 12:21 Verlaat Hem niet om achter nietswaardigheden aan te lopen: zij kunnen niet helpen en niet bevrijden, want ze zijn niets waard. 1SAM 12:22 Jahwe zal zijn volk niet verwerpen, omwille van zijn grote naam, want Hij heeft besloten van u zijn volk te maken. 1SAM 12:23 Er is ook geen sprake van dat ik tegen Jahwe zal zondigen door niet langer voor u te bidden. Ik zal u de goede en rechte weg blijven wijzen. 1SAM 12:24 Maar u moet Jahwe vrezen en Hem trouw en met heel uw hart dienen; u ziet toch de grote dingen die Hij voor u gedaan heeft! 1SAM 12:25 Volhardt u echter in uw boosheid, dan wordt u weggevaagd, u en uw koning!' 1SAM 13:1 Saul was zoveel jaar oud toen hij koning werd en hij heeft twee jaar over Israël geregeerd. 1SAM 13:2 Saul koos uit Israël drieduizend mannen uit, waarvan er tweeduizend onder bevel van Saul zelf te Mikmas en op de berg bij Betel kwamen te liggen, en duizend onder Jonatan te Gibea in Benjamin. De rest van het volk liet hij naar huis gaan, een ieder naar zijn eigen tent. 1SAM 13:3 Jonatan vernietigde de Filistijnse post in Geba en de Filistijnen vernamen dat. Intussen had Saul overal in het land de bazuin laten steken, want hij dacht: `De Hebreeën moeten het horen!' 1SAM 13:4 Zo vernam heel Israël de boodschap: `Saul heeft de Filistijnse post vernietigd en daardoor hebben de Israëlieten het bij de Filistijnen verbruid.' Het volk werd opgeroepen om Saul te volgen naar Gilgal. 1SAM 13:5 De Filistijnen verzamelden zich voor de strijd tegen de Israëlieten. Zij hadden drieduizend strijdwagens en zesduizend wagenstrijders; hun voetvolk was zo talrijk als de zandkorrels op het strand van de zee. Zij rukten op en legerden zich bij Mikmas, ten oosten van het Betawen. 1SAM 13:6 De Israëlieten zagen dat ze in het nauw raakten, de bevolking liep gevaar en verborg zich in spelonken en spleten, in grotten, graven en putten. 1SAM 13:7 Ook waren er Hebreeën die de Jordaan overstaken naar het land van Gad en Gilead. Saul daarentegen bevond zich nog in Gilgal en er was grote angst onder de mannen die hem volgden. 1SAM 13:8 Hij wachtte zeven dagen, tot het ogenblik dat Samuël had vastgelegd, maar Samuël kwam niet naar Gilgal. Toen begon het volk Saul in de steek te laten. 1SAM 13:9 Daarom zei Saul: `Breng mij het brandoffer en de drankoffers.' Toen droeg hij zelf het brandoffer op. 1SAM 13:10 Nauwelijks had hij het brandoffer opgedragen, of Samuël kwam aan. Saul trad hem tegemoet om hem te begroeten, 1SAM 13:11 maar Samuël vroeg: `Wat hebt u gedaan?' Saul antwoordde: `Ik merkte dat het volk mij in de steek liet, en omdat u niet op de vastgestelde tijd hier was en de Filistijnen zich in Mikmas verzameld hadden, 1SAM 13:12 dacht ik: Nu zullen de Filistijnen op mij afkomen, maar Gilgal, nog voor ik Jahwe gunstig gestemd heb. Dus heb ik mij veroorloofd zelf het brandoffer op te dragen.' 1SAM 13:13 Toen sprak Samuël tot Saul: `U hebt dwaas gehandeld! U hebt het bevel niet opgevolgd dat Jahwe uw God u had gegeven! Anders zou Hij thans uw koningschap over Israël voor altijd bevestigen. 1SAM 13:14 Nu echter zal uw koningschap niet bestendig zijn. Jahwe heeft al iemand anders uitgezocht, een man naar zijn hart, en hem aangesteld tot vorst over zijn volk, omdat u niet hebt onderhouden wat Jahwe u had bevolen.' 1SAM 13:15 Samuël vertrok en ging van Gilgal naar Gibea in Benjamin. Saul telde de mannen die nog bij hem waren; het waren er ongeveer zeshonderd. 1SAM 13:16 Saul lag met zijn zoon Jonatan met het volk dat bij hem was te Geba in Benjamin, terwijl de Filistijnen bij Mikmas gelegerd waren. 1SAM 13:17 Uit het kamp van de Filistijnen trokken drie groepen uit om het land plat te branden: de eerste groep nam de weg naar Ofra, naar het land Sual, 1SAM 13:18 de tweede nam de weg naar Bet choron, de derde nam de weg langs de grens, die boven langs het Hyenadal de woestijn in loopt. 1SAM 13:19 Nu was er in heel Israël geen smid te vinden, want de Filistijnen hadden verordend dat de Hebreeën geen zwaarden of lansen mochten smeden. 1SAM 13:20 De Israëlieten moesten zich ook tot de Filistijnen wenden om hun ploegschaar, hun zeis, hun bijl of hun sikkel te laten slijpen. 1SAM 13:21 Dit kostte twee derde sikkel voor een ploegschaar of zes en een derde sikkel voor een hak, een bijl of voor het herstellen van een osseprikkel. 1SAM 13:22 Zo kwam het dat er op de dag van de veldslag in heel het leger van Saul en Jonatan geen zwaard of lans te vinden was, behalve die van Saul en Jonatan, zijn zoon. 1SAM 13:23 De Filistijnen hadden een post uitgezet in de bergpas van Mikmas. 1SAM 14:1 Op een dag zei Jonatan, de zoon van Saul, tot zijn wapendrager: `Kom, we gaan op de post van de Filistijnen af, daar aan de overkant.' Hij zei er niets van tegen zijn vader. 1SAM 14:2 Saul bevond zich toen in het grensgebied van Gibea, onder de granaatappelboom in Migron. Een groep van ongeveer zeshonderd man was bij hem 1SAM 14:3 en Achia, de zoon van Achitub, de broer van Ikabod, de zoon van Pinechas, de zoon van Eli, die priester van Jahwe was geweest in Silo, droeg de efod. Niemand wist dat Jonatan was weggegaan. 1SAM 14:4 De bergpas waarlangs Jonatan de pas van de Filistijnen wilde bereiken, wordt beheerst door twee rotspieken; de ene heet Boses, de andere Senne; 1SAM 14:5 de ene staat aan de noordkant tegenover Mikmas, de andere aan de zuidkant tegenover Geba. 1SAM 14:6 Jonatan zei nu tot zijn wapendrager: `Kom, we gaan op de post van die onbesnedenen af. Misschien treedt Jahwe voor ons op; voor Jahwe maakt het geen verschil hoe Hij overwint, met velen of met weinigen.' 1SAM 14:7 De wapendrager antwoordde: `Doe maar wat u van plan bent en ga uw gang; ik sta tot uw beschikking.' 1SAM 14:8 Toen zei Jonatan: `Wij gaan in de richting van die mannen en we zorgen dat ze ons zien. 1SAM 14:9 Als ze tegen ons zeggen: Blijft staan tot we bij jullie zijn, dan blijven we waar we zijn en klimmen niet naar hen toe. 1SAM 14:10 Maar als ze zeggen: Komt maar naar boven, dan klimmen we naar boven want dat is het teken dat Jahwe hen aan ons heeft overgeleverd.' 1SAM 14:11 Toen de twee binnen het gezichtsveld van de wachtpost van de Filistijnen waren gekomen, zeiden de Filistijnen: `Kijk eens, de Hebreeën komen uit de holen waar ze zich verborgen hadden.' 1SAM 14:12 De mannen van de wachtpost riepen Jonatan en zijn wapendrager toe: `Komt maar naar boven, dan zullen we jullie eens wat vertellen!' Daarop zei Jonatan tegen zijn wapendrager: `Klim achter mij aan, want Jahwe heeft ze aan Israël overgeleverd.' 1SAM 14:13 Jonatan klom op handen en voeten naar boven en zijn wapendrager kwam achter hem aan. Bij het zien van Jonatan vielen de Filistijnen neer en zijn wapendrager die achter hem aankwam maakte hen af. 1SAM 14:14 Deze eerste slag die Jonatan hun toebracht, samen met zijn wapendrager, kostte hun ongeveer twintig man, binnen het bestek van een halve vore van een morgen land. 1SAM 14:15 Toen ontstond er paniek in het kamp, op het veld en onder heel het volk; ook de posten en de troepen die het land platbrandden raakten in paniek. De aarde beefde en er ontstond een vreselijke verwarring. 1SAM 14:16 Toen de uitkijkposten van Saul in Gibea in Benjamin bemerkten dat het rumoer in het kamp hoe langer hoe erger werd, 1SAM 14:17 zei Saul tot de mannen die bij hem waren: `Zoekt eens uit, wie er bij ons weg is.' Zij stelden een onderzoek in, en het bleek dat Jonatan en zijn wapendrager ontbraken. 1SAM 14:18 Toen zei Saul tot Achia: `Breng de ark van God hier!' De ark van God was toen namelijk bij de Israëlieten. 1SAM 14:19 Maar terwijl Saul tot de priester sprak, werd het rumoer in het kamp van de Filistijnen steeds erger. Daarom zei Saul tot de priester: `Laat maar.' 1SAM 14:20 Saul en de mannen die bij hem waren verzamelden zich en begaven zich naar de plaats waar gevochten werd; bij hun aankomst zagen zij dat de Filistijnen op elkaar insloegen; er was een geweldige verwarring ontstaan. 1SAM 14:21 Ook die Hebreeën die het sinds lang met de Filistijnen gehouden hadden en met hen te velde waren getrokken, kozen nu de partij van de Israëlieten die Saul en Jonatan volgden. 1SAM 14:22 Toen de Israëlieten die zich in het bergland van Efraïm schuilhielden vernamen, dat de Filistijnen op de vlucht waren, liepen ook zij te wapen om hen te achtervolgen. 1SAM 14:23 Zo verloste Jahwe toen de Israëlieten. De strijd werd tot voorbij Bet awen voortgezet. 1SAM 14:24 Van de Israëlieten werd die dag het uiterste gevergd, doordat Saul het volk tot deze eed verplicht had: `Vervloekt de man die voor vanavond, voordat ik mij op mijn vijanden heb gewroken, het waagt om iets te eten.' Daarom gebruikte niemand enig voedsel. 1SAM 14:25 Ze kwamen in een bos, waar de honing zo maar op de grond lag, 1SAM 14:26 maar ook in dat bos, waar zo'n vloed van honing was, stak niemand er een hand naar uit; zoveel ontzag had het volk voor de eed. 1SAM 14:27 Jonatan echter had niet gehoord van de eed die zijn vader het volk had laten afleggen. Hij doopte de punt van zijn stok in een honingraat en bracht die aan zijn mond. Er kwam weer glans in zijn ogen. 1SAM 14:28 Maar een van de mannen zei tot hem: `Uw vader heeft het volk vandaag deze eed laten afleggen: Vervloekt de man die het waagt om vandaag iets te eten. Daarom is het volk ook zo uitgeput.' 1SAM 14:29 Jonatan antwoordde: `Dan heeft mijn vader het land een slechte dienst bewezen. Zie maar eens hoe mijn ogen weer glanzen nu ik een beetje honing geproefd heb. 1SAM 14:30 Als het volk vandaag maar had kunnen eten van de buit die het op zijn vijanden behaald heeft, was de nederlaag van de Filistijnen heel wat groter geweest.' 1SAM 14:31 Die dag sloeg het volk de Filistijnen terug van Mikmas tot Ajjalon. De mannen waren zeer vermoeid; 1SAM 14:32 zij stortten zich op de buit en slachtten schapen, runderen en kalveren, zo maar op de grond, en aten ze met het bloed erin. 1SAM 14:33 Aan Saul werd gemeld: `Het volk zondigt tegen Jahwe door vlees met het bloed er nog in te eten!' Hij sprak: `Daarmee doet u verkeerd. Rolt ogenblikkelijk een grote steen aan.' 1SAM 14:34 Saul zei: `Verspreidt u onder het volk en zegt hun: Iedereen moet zijn rund of schaap hier komen slachten; dan kunt u eten en zondigt u niet tegen Jahwe door vlees met bloed erin te eten.' 1SAM 14:35 Toen kwamen alle mensen nog diezelfde nacht met het rund dat ze bemachtigd hadden en slachtten het daar. Saul bouwde een altaar voor Jahwe; dit was het eerste altaar dat hij voor Jahwe bouwde. 1SAM 14:36 Toen zei Saul: `We gaan vannacht de Filistijnen achterna en plunderen ze uit tot de ochtend aanbreekt, zonder een man in leven te laten.' Zij antwoordden: `Doe maar wat u goeddunkt.' Maar de priester zei: `We moeten ons toch eerst tot God wenden!' 1SAM 14:37 Saul vroeg dus aan God: `Zal ik de Filistijnen achtervolgen? Zult Gij ze aan de Israëlieten overleveren?' Maar God gaf hem die dag geen antwoord. 1SAM 14:38 Daarom zei Saul: `Aanvoerders van het volk, komt allen hierheen en brengt aan het licht, welke zonde er vandaag bedreven is. 1SAM 14:39 Zowaar Jahwe leeft die Israël verlost, de schuldige zal sterven, al was het mijn eigen zoon Jonathan!' Maar niemand van het volk zei iets. 1SAM 14:40 Daarop zei Saul tot de Israëlieten: `U gaat aan de ene kant staan, ik ga met mijn zoon Jonathan aan de andere kant staan.' Het volk gaf Saul ten antwoord: `Doe wat u goed lijkt.' 1SAM 14:41 Nu zei Saul tot Jahwe: `God van Israël, breng de waarheid aan het licht.' Toen werden Saul en Jonathan aangewezen en het volk ging vrijuit. 1SAM 14:42 Toen zei Saul: `Werp nu het lot tussen mij en mijn zoon Jonatan.' Jonatan werd aangewezen. 1SAM 14:43 Nu zei Saul tot Jonatan: `Vertel me wat je gedaan hebt.' Jonatan vertelde het hem en zei: `Ja, ik heb met de punt van mijn stok een beetje honing genomen en ervan geproefd. Ik ben bereid te sterven.' 1SAM 14:44 Daarop zei Saul: `God moge dit en dat met mij doen en nog erger: je zult inderdaad sterven!' 1SAM 14:45 Maar het volk zei tot Saul: `Moet Jonatan sterven? Hij die zo'n grote overwinning voor Israël bewerkt heeft? Geen denken aan! Zowaar Jahwe leeft, geen haar op zijn hoofd zal worden gekrenkt, want met Gods hulp heeft hij vandaag de overwinning behaald.' Zo werd Jonatan door het volk gered en stierf hij niet. 1SAM 14:46 Toen staakte Saul de achtervolging van de Filistijnen en dezen trokken zich terug op hun eigen gebied. 1SAM 14:47 Nadat Saul het koningschap over Israël aanvaard had, streed hij tegen al zijn vijanden rondom: tegen de Moabieten, tegen de Ammonieten, tegen de Edomieten, tegen de koningen van Soba en tegen de Filistijnen, en hij behaalde de overwinning op ieder volk waartegen hij zich keerde. 1SAM 14:48 Hij verrichtte dappere daden, versloeg de Amalekieten en bevrijdde de Israëlieten van plunderende benden. 1SAM 14:49 De zonen van Saul waren Jonatan, Jiswi en Malkisua; van zijn twee dochters heette de oudste Merab, de jongste Mikal. 1SAM 14:50 De vrouw van Saul heette Achinoam; zij was een dochter van Achimaas. Zijn legeroverste heette Abner, de zoon van Ner, de oom van Saul. 1SAM 14:51 Kis, de vader van Saul, en Ner, de vader van Abner, waren namelijk zonen van Abiël. 1SAM 14:52 Tijdens heel de regering van Saul moest er hevig gevochten worden tegen de Filistijnen; daarom keek hij steeds uit naar flinke en dappere mannen, om die in zijn dienst te nemen. 1SAM 15:1 Samuël sprak tot Saul: `Mij heeft Jahwe gezonden om u te zalven tot koning over zijn volk, over Israël; luister dus naar het woord van Jahwe. 1SAM 15:2 Dit zegt Jahwe van de machten: Ik ga de Amalekieten straffen, want zij hebben Israël de weg versperd, toen het optrok uit Egypte. 1SAM 15:3 Rukt dus uit en slaat de Amalekieten neer en voltrekt de ban aan alles wat hun toebehoort; spaart hen niet, maar brengt allen ter dood, mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen, runderen en schapen, kamelen en ezels.' 1SAM 15:4 Saul riep het volk op naar Telam en telde het: tweehonderdduizend man voetvolk en tienduizend Judeeërs. 1SAM 15:5 Toen Saul de stad van de Amalekieten bereikt had, legde hij troepen in hinderlaag in de bedding van een beek. 1SAM 15:6 Hij zei tot de Kenieten: `Verwijdert u en trekt weg van de Amalekieten; anders zou ik u tegelijk met hen vernietigen, terwijl u Israël toch trouw hebt bewezen, toen het optrok uit Egypte.' Daarop trokken de Kenieten zich uit Amalek terug. 1SAM 15:7 En Saul versloeg de Amalekieten in het gebied tussen Chawila en Sur, dat ten oosten van Egypte ligt. 1SAM 15:8 Agag, de koning van de Amalekieten, kreeg hij levend in handen. Aan het volk voltrok Saul de ban met het zwaard, 1SAM 15:9 maar hij en zijn mannen spaarden Agag en de beste en vetste schapen, runderen en lammeren, alles wat waardevol was. Daaraan wilden zij de ban niet voltrekken, maar aan het ondeugdelijke of waardeloze voltrokken zij de ban wel. 1SAM 15:10 Toen werd het woord van Jahwe gericht tot Samuël: 1SAM 15:11 `Ik heb spijt dat Ik Saul tot koning heb aangesteld, want hij heeft zich van Mij afgekeerd en mijn bevelen niet uitgevoerd.' Samuël was daar diep bedroefd om en riep heel de nacht tot Jahwe. 1SAM 15:12 's Morgens vroeg trachtte Samuël Saul te ontmoeten, maar men vertelde hem: `Saul is naar Karmel gegaan en heeft daar een gedenkteken opgericht; toen is hij verder getrokken en afgedaald naar Gilgal.' 1SAM 15:13 Samuël ging naar Saul toe en Saul zei tot hem: `Wees gezegend door Jahwe; ik heb het bevel van Jahwe uitgevoerd.' 1SAM 15:14 Maar Samuël vroeg: `Wat betekent dan dat geblaat van schapen en dat geloei van koeien dat ik hoor?' 1SAM 15:15 Saul antwoordde: `Die heeft men van Amalek meegebracht. Het volk heeft de beste schapen en runderen gespaard om offers te brengen ter ere van Jahwe uw God. Aan de rest hebben wij de ban voltrokken.' 1SAM 15:16 Nu zei Samuël tot Saul: `Houd maar op; ik zal u verkondigen wat Jahwe mij deze nacht gezegd heeft.' Saul antwoordde: `Spreek.' 1SAM 15:17 Samuël zei: `U kunt u zelf wel onbelangrijk achten, maar toch bent u het hoofd van de stammen van Israël, want Jahwe heeft u tot koning over Israël gezalfd. 1SAM 15:18 Jahwe heeft u uitgezonden met de opdracht: Trek op tegen de Amalekieten, voltrek de ban aan die zondaars en strijd tegen hen tot gij ze hebt uitgeroeid. 1SAM 15:19 Waarom heb u dan niet naar Jahwe geluisterd, maar u op de buit geworpen en gedaan wat Jahwe mishaagt?' 1SAM 15:20 Toen zei Saul tot Samuël: `Maar ik heb toch naar Jahwe geluisterd en ik ben toch gegaan waar Jahwe mij zond; ik heb Agag, de koning van Amalek, meegebracht aan de Amalekieten de ban voltrokken. 1SAM 15:21 Het volk heeft uit de buit schapen en runderen genomen, het beste van wat onder de banvloek lag, om in Gilgal offers te brengen aan Jahwe uw God.' 1SAM 15:22 Maar Samuël sprak: `Zouden brand en slachtoffers Jahwe even lief zijn als gehoorzaamheid aan zijn woord?' Neen, gehoorzamen is beter dan offeren, volgzaamheid meer waard dan het vet van bokken. 1SAM 15:23 Weerspannigheid staat gelijk met de zonde van toverij, ongezeglijkheid met afgodendienst. Omdat u het woord van Jahwe verworpen hebt, heeft Jahwe u verworpen en zult u geen koning meer zijn.' 1SAM 15:24 Toen zei Saul tot Samuël: `Ik heb gezondigd, want ik heb het woord van Jahwe, uw opdracht, overtreden; ik was bang voor het volk en heb naar hen geluisterd. 1SAM 15:25 Vergeef mij mijn zonde en ga met mij mee; dan zal ik mij voor Jahwe neerbuigen.' 1SAM 15:26 Maar Samuël zei tot Saul: `Ik ga niet met u mee, want u hebt het woord van Jahwe verworpen en nu heeft Hij u verworpen; u zult geen koning meer zijn over Israël.' 1SAM 15:27 Toen Samuël zich omdraaide om heen te gaan, greep Saul hem vast aan een slip van zijn mantel, maar die scheurde af. 1SAM 15:28 Nu zei Samuël tot hem: `Heden heeft Jahwe het koningschap van u losgescheurd en Hij geeft het aan een ander, die beter is dan u. 1SAM 15:29 En bedenk wel: de Heerlijkheid van Israël liegt niet en kent geen berouw; Hij is immers geen mens dat hij terug zou komen op een besluit!' 1SAM 15:30 Toen zei Saul: `Ik heb gezondigd, maar bewijs mij niettemin de eer, met mij mee te komen ten aanschouwen van de oudsten van mijn volk en ten aanschouwen van Israël, wanneer ik mij ga neerbuigen voor Jahwe uw God.' 1SAM 15:31 Daarom begeleidde Samuël Saul, toen deze zich voor Jahwe ging neerbuigen. 1SAM 15:32 Vervolgens zei Samuël: `Breng Agag, de koning van Amalek, bij me.' Welgemoed kwam Agag op hem toe en zei: `De bittere dood is dus geweken!' 1SAM 15:33 Maar Samuël zei: `Uw zwaard heeft vrouwen hun kinderen ontnomen. Nu wordt ook uw moeder een vrouw zonder zoon.' En Samuël hakte Agag in stukken, voor het aanschijn van Jahwe te Gilgal. 1SAM 15:34 Daarna ging Samuël naar Rama en Saul keerde terug naar zijn huis te Gibea van Saul. 1SAM 15:35 Daarna zag Samuël Saul niet meer terug, tot de dag van zijn dood toe. Samuël bleef om Saul treuren, omdat het Jahwe berouwd had dat Hij Saul tot koning over Israël had aangesteld. 1SAM 16:1 Daarom sprak Jahwe tot Samuël: `Hoe lang zult gij nog treuren over Saul, terwijl Ik hem heb verworpen en hij geen koning meer zal zijn over Israël? Vul een hoorn met olie: Ik zend u naar Isaï de Betlehemiet, want een van diens zonen heb Ik voor het koningschap bestemd.' 1SAM 16:2 Maar Samuël zei: `Hoe kan ik dat doen? Als Saul het hoort, vermoordt hij mij.' Jahwe antwoordde: `Gij neemt een kalf mee en gij zegt dat ge komt om aan Jahwe te offeren. 1SAM 16:3 Gij moet Isaï bij het offer uitnodigen en Ik zal u dan wel te kennen geven wat ge moet doen: degene die Ik aanwijs moet gij zalven.' 1SAM 16:4 Samuël deed wat Jahwe bevolen had. Toen hij in Betlehem kwam, liepen de oudsten van de stad hem ontsteld tegemoet en vroegen: `Uw komst betekent toch niets kwaads?' 1SAM 16:5 Hij antwoordde: `Niets dan goeds. Ik ben gekomen om aan Jahwe te offeren: zorgt dat u heilig bent en komt dan met mij ten offer.' Hij droeg er zorg voor dat Isaï en zijn zonen zich heiligden en riep hen bijeen voor het offer. 1SAM 16:6 Toen zij aankwamen, viel zijn blik op Eliab en hij dacht: `Die daar voor Jahwe staat is ongetwijfeld zijn gezalfde!' 1SAM 16:7 Maar Jahwe zei tot Samuël: `Ga niet af op zijn voorkomen of zijn rijzige gestalte; hem wil ik niet. Want God ziet niet zoals een mens ziet; een mens kijkt naar het uiterlijk, maar Jahwe naar het hart.' 1SAM 16:8 Toen riep Isaï Abinadab en stelde hem aan Samuël voor, maar Samuël zei: `Ook hem heeft Jahwe niet uitverkoren.' 1SAM 16:9 Toen stelde Isaï Samma voor, maar Samuël zei: `Ook hem heeft Jahwe niet uitverkoren.' 1SAM 16:10 Zo stelde Isaï zeven van zijn zonen aan Samuël voor, maar Samuël zei tot Isaï: `Geen van hen heeft Jahwe uitverkoren.' 1SAM 16:11 Daarop vroeg hij aan Isaï: `Zijn dat al uw jongens?' Hij antwoordde: `Alleen de jongste ontbreekt; die hoedt de schapen.' Toen zei Samuël tot Isaï: `Laat die dan halen, want we gaan niet aan tafel voordat hij hier is.' 1SAM 16:12 Isaï liet hem dus halen. De jongen was rossig, had mooie ogen en een prettig voorkomen. Nu zei Jahwe: `Hem moet gij zalven: hij is het.' 1SAM 16:13 Samuël nam dus de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Sedert die dag was de geest van Jahwe vaardig over David. Daarna vertrok Samuël en ging naar Rama. 1SAM 16:14 Van Saul was de geest van Jahwe geweken en een boze geest, door Jahwe gezonden, kwelde hem. 1SAM 16:15 Zijn hovelingen zeiden tot hem: `Een demon kwelt u, 1SAM 16:16 maar uw dienaren staan voor u gereed om op het woord van onze heer iemand te zoeken die citer speelt. Die moet dan spelen, als de demon u overvalt, en dan zult u zich beter voelen.' 1SAM 16:17 Daarop zei Saul tot zijn hovelingen: `Ja, zie maar uit naar iemand die goed kan spelen en breng hem bij me.' 1SAM 16:18 Een van de knechten nam het woord en zei: `Ik ken iemand die kan spelen, een zoon van Isaï uit Betlehem. Het is een dappere held, een krijgsman, welbespraakt en goed van voorkomen; Jahwe is met hem.' 1SAM 16:19 Toen zond Saul boden naar Isaï met het verzoek: `Stuur mij uw zoon David, die bij de schapen is.' 1SAM 16:20 Daarop nam Isaï zoveel brood als een ezel kan dragen, een zak wijn en een bokje, en liet dat alles door zijn zoon David meenemen voor Saul. 1SAM 16:21 Zo kwam David bij Saul en werd hij zijn dienaar. Saul ging veel van hem houden en David werd zijn wapendrager. 1SAM 16:22 Saul liet aan Isaï zeggen: `Laat David bij mij in dienst blijven: hij heeft mijn genegenheid gewonnen.' 1SAM 16:23 En telkens als de demon Saul lastig viel, nam David de citer en speelde hij erop: dan kalmeer de Saul en voelde hij zich beter en de boze geest week van hem. 1SAM 17:1 De Filistijnen verzamelden hun troepen voor de strijd; zij verzamelden zich te Soko dat bij Juda hoort en sloegen hun kamp op tussen Soko en Azeka, te Efes dammim. 1SAM 17:2 Ook Saul en de Israëlieten verzamelden zich; zij sloegen hun kamp op in het Dal van de terebint en stelden zich in slagorde tegenover de Filistijnen. 1SAM 17:3 De Filistijnen stonden op de berghelling aan de ene kant, de Israëlieten op de berghelling aan de andere kant; tussen hen in lag het dal. 1SAM 17:4 Toen trad er uit de gelederen van de Filistijnen een kampvechter, Goliat geheten, afkomstig uit Gat. Hij was zes el en een span lang; 1SAM 17:5 hij had een bronzen helm op het hoofd en droeg een schubbenpantser, gemaakt van vijfduizend sikkel brons. 1SAM 17:6 Aan zijn benen had hij bronzen scheenplaten en tussen zijn schouders droeg hij een bronzen kromzwaard. 1SAM 17:7 De schacht van zijn lans leek wel een weversboom en de ijzeren spits woog zeshonderd sikkel. Zijn schilddrager ging voor hem uit. 1SAM 17:8 Hij stelde zich in postuur en riep de gelederen van de Israëlieten toe: `Waarom zijn jullie eigenlijk uitgetrokken? Om oorlog te voeren? Welnu dan, ik ben een Filistijn en jullie zijn de dienaren van Saul. Wijst maar iemand aan en laat die komen. 1SAM 17:9 Als hij de strijd met mij aankan en mij verslaat, dan zullen wij jullie dienaren zijn, maar als ik sterker ben en hem versla, dan zullen jullie onze slaven zijn en ons dienen. 1SAM 17:10 Ik tart vandaag de gelederen van Israël,' zei de Filistijn, `iemand te sturen die met mij kan strijden.' 1SAM 17:11 Saul en de Israëlieten hoorden die woorden van de Filistijn met verbijstering aan en waren zeer bevreesd. 1SAM 17:12 David was de zoon van een Efratiet uit Betlehem in Juda, die Isaï heette en acht zonen had. In de tijd van Saul was Isaï reeds oud en hoogbejaard. 1SAM 17:13 De drie oudste zonen van Isaï waren met Saul ten strijde getrokken. Het waren Eliab, de eerstgeborene, Abinadab, de tweede, en Samma, de derde zoon. 1SAM 17:14 David was de jongste; de drie oudsten waren meegetrokken met Saul. 1SAM 17:15 David ging van Saul telkens naar Betlehem om de schapen van zijn vader te hoeden. 1SAM 17:16 Veertig dagen achtereen trad de Filistijn iedere morgen en avond naar voren en stelde hij zich in postuur. 1SAM 17:17 Isaï zei tot zijn zoon David: `Breng eens met spoed een efa geroosterd graan en deze tien broden naar je broers in het legerkamp; 1SAM 17:18 deze tien kazen moet je bij de hoofdman van duizend bezorgen. Kijk eens hoe je broers het maken en vraag hun om een ontvangstbewijs. 1SAM 17:19 Ze zijn met Saul en alle manschappen van Israël in het Dal van de terebint en strijden daar met de Filistijnen.' 1SAM 17:20 De volgende ochtend vertrouwde David de schapen aan een veehoeder toe en begaf zich met de proviand op weg, zoals Isaï hem had bevolen. Hij kwam bij het wagenkamp op het ogenblik dat de legermacht naar het front trok en de strijdkreet werd aangeheven. 1SAM 17:21 De Israëlieten en de Filistijnen stelden zich tegenover elkaar in slagorde op. 1SAM 17:22 David vertrouwde zijn vracht toe aan de bewaker van de legertros en spoedde zich naar het front; daar aangekomen, vroeg hij zijn broers hoe zij het maakten. 1SAM 17:23 Hij stond nog met hen te praten, toen de kampvechter van de Filistijnen uit hun gelederen naar voren trad. Hij heette Goliat en was een Filistijn uit Gat. Hij sprak weer dezelfde woorden en David hoorde die. 1SAM 17:24 Bij het zien van de man gingen alle Israëlieten op de vlucht en waren zeer bevreesd. 1SAM 17:25 Een Israëliet zei: `Zien jullie die man daar? Hij komt naar voren om de Israëlieten te tarten. Degene die hem verslaat zal door de koning begiftigd worden; de koning zal hem zijn eigen dochter geven en zijn familie vrijstellen van lasten in Israël.' 1SAM 17:26 Toen vroeg David de mannen die bij hem stonden: `Wat zal er gebeuren met de man die deze Filistijn wegneemt? Wie is die onbesneden Filistijn wel dat hij de gelederen van de levende God durft tarten?' 1SAM 17:27 En de soldaten gaven hem hetzelfde antwoord: `Dat en dat zal er gebeuren met de man die hem verslaat.' 1SAM 17:28 Toen Eliab, de oudste broer van David, hem zo met de mannen hoorde spreken, werd hij kwaad en zei: `Waarom ben je eigenlijk hier gekomen en bij wie heb je die paar schapen in de woestijn achtergelaten? Ik weet hoe aanmatigend en onbetrouwbaar je bent: je bent hier gekomen om naar het vechten te kijken!' 1SAM 17:29 David antwoordde: `Ik doe toch niets verkeerds! Het is toch iets belangrijks!' 1SAM 17:30 Daarop wendde David zich van hem af en stelde aan een ander dezelfde vraag, en de soldaten gaven hem hetzelfde antwoord als de eerste keer. 1SAM 17:31 Men hoorde wat David zei en het werd aan Saul verteld; deze liet hem halen. 1SAM 17:32 David zei tot Saul: `Laat vanwege die Filistijn niemand de moed verliezen; uw dienaar zal met hem gaan vechten.' 1SAM 17:33 Saul zei tot David: `Jij kunt toch niet met die Filistijn gaan vechten! Je bent nog maar een knaap en hij is een vechtersbaas, vanaf zijn jonge jaren.' 1SAM 17:34 Maar David zei tot Saul: `Toen uw dienaar de schapen van zijn vader hoedde, kwam er soms een leeuw of een beer, die een schaap uit de kudde roofde; 1SAM 17:35 dan ging ik achter dat dier aan, sloeg het neer en redde het schaap uit zijn muil. En viel het dier mij aan, dan greep ik het bij zijn baard en sloeg ik het dood. 1SAM 17:36 Leeuwen en beren heeft uw dienaar neergeslagen. Die onbesneden Filistijn zal hetzelfde lot ondergaan, omdat hij de gelederen van de levende God durft tarten. 1SAM 17:37 Jahwe, die mij gered heeft uit de klauwen van leeuwen en beren,' zei David, `Hij zal mij ook redden uit de handen van die Filistijn.' Daarop zei Saul tot David: `Ga dan, en moge Jahwe met je zijn.' 1SAM 17:38 Saul bekleedde David met zijn eigen gewaad, zette hem een bronzen helm op het hoofd, deed hem een pantser aan 1SAM 17:39 en omgordde hem met zijn zwaard, over zijn gewaad heen. David was echter niet in staat, zich in die ongewone uitrusting te bewegen. David zei daarom tot Saul: `In die ongewone uitrusting kan ik me niet bewegen.' Hij werd er dus weer uitgeholpen. 1SAM 17:40 Hij nam zijn stok in de hand, zocht in de beek vijf gladde stenen uit, deed ze in zijn herderstas, de tas voor de slingerstenen, en ging met zijn slinger in de hand op de Filistijn af. 1SAM 17:41 De Filistijn kwam er al aan, voorafgegaan door zijn schildknaap, steeds dichter bij David. 1SAM 17:42 Maar toen hij David in het oog had gekregen en hem goed had bekeken, begon hij hem te honen, omdat hij nog maar een jongen was, rossig en prettig van voorkomen. 1SAM 17:43 Hij riep David toe: `Ben ik soms een hond, dat je met een stok op me afkomt?' En hij begon David bij zijn goden te vervloeken. 1SAM 17:44 `Kom maar eens hier,' riep hij hem toe, `Dan zal ik je vlees te vreten geven aan de vogels in de lucht en de dieren op het veld.' 1SAM 17:45 Maar David zei tot de Filistijn: `U komt op mij af met zwaard, werpspies en sabel, maar ik kom op u af met de naam van Jahwe van de machten, de God van Israëls gelederen, die u getart heb. 1SAM 17:46 Vandaag zal Jahwe u aan mij overleveren; ik zal u neervellen, uw hoofd van uw romp scheiden en ik zal vandaag nog de lijken van de Filistijnen te vreten geven aan de vogels in de lucht en de dieren op het veld. Heel de aarde zal weten dat Israël een God heeft. 1SAM 17:47 Heel deze menigte zal weten dat Jahwe geen redding brengt door het zwaard of de lans. Want Jahwe beslist over de strijd en Hij zal u aan ons overleveren.' 1SAM 17:48 Toen de Filistijn tot de aanval overging en David al naderde, rende David op de gelederen af, de Filistijn tegemoet. 1SAM 17:49 Hij deed een greep in zijn tas, nam er een steen uit, slingerde die naar de Filistijn en trof hem tegen het voorhoofd. De steen drong in het hoofd en de man viel voorover op de grond. 1SAM 17:50 Zo was David met zijn slinger en steen sterker dan de Filistijn; hij trof hem dodelijk zonder een zwaard te gebruiken. 1SAM 17:51 Nu rende David op de Filistijn toe; hij ging bij hem staan, trok het zwaard van de Filistijn uit de schede, hieuw hem met hoofd van de rompen doodde hem. Toen de Filistijnen zagen dat hun held dood was, sloegen ze op de vlucht. 1SAM 17:52 Maar nu sprongen de mannen van Israël en Juda op, hieven de strijdkreet aan en achtervolgden de Filistijnen in de richting van Gat en tot de poorten van Ekron' van Saaraim af tot Gat en tot Ekron lagen de gesneuvelde Filistijnen langs de weg. 1SAM 17:53 Toen keerden de Israëlieten van de heftige vervolging der Filistijnen terug en plunderden hun legerplaats. 1SAM 17:54 David nam het hoofd van de Filistijn mee en hij bracht het naar Jeruzalem, maar de wapens legde hij in zijn tent. 1SAM 17:55 Toen Saul David tegen de Filistijn had zien uittrekken, had hij aan Abner, de legeroverste, gevraagd: `Van wie is die jongen een zoon, Abner?' Abner had geantwoord: `Zowaar u leeft, koning, ik weet het niet.' 1SAM 17:56 Daarop had de koning gezegd: `Doe dan eens navraag, van wie die jongen een zoon is.' 1SAM 17:57 Toen David dus van zijn overwinning op de Filistijn terugkeerde, nam Abner hem mee, en bracht hem, met het hoofd van de Filistijn in de hand, bij Saul. 1SAM 17:58 Saul vroeg hem: `Van wie ben jij de zoon, mijn jongen?' David antwoordde: `Ik ben een zoon van uw dienaar Isaï uit Betlehem.' 1SAM 18:1 Onmiddellijk na het gesprek van David met Saul vatte Jonatan genegenheid op voor David en ging Jonatan van hem houden als van zichzelf. 1SAM 18:2 Saul nam David die dag in zijn dienst en liet hem niet meer naar het ouderlijk huis teruggaan. 1SAM 18:3 Jonatan sloot met David een verbond, omdat hij evenveel van hem hield als van zichzelf. 1SAM 18:4 Hij trok de mantel uit die hij zelf droeg en gaf hem aan David; ook gaf hij hem zijn kleed, zijn zwaard, zijn boog en zijn gordel. 1SAM 18:5 Al de tochten waarop Saul David uitstuurde, werden door David tot een goed einde gebracht. Saul plaatste hem dan ook aan het hoofd van het leger. Dit vond bijval bij heel het volk, ook bij de hovelingen van Saul. 1SAM 18:6 En het gebeurde bij hun thuiskomst, toen David terugkeerde van zijn overwinning op de Filistijn, dat de vrouwen uit alle steden van Israël koning Saul zingend en dansend tegemoet trokken, met tamboerijnen, vreugdeliederen en triangels. 1SAM 18:7 De dansende vrouwen hieven een beurtzang aan en zongen: `Bij duizenden sloeg Saul ze neer, maar David bij tienduizenden!' 1SAM 18:8 Saul was zeer ontstemd en ergerde zich hevig aan die woorden; hij zei: `Aan David geven zij tienduizenden, aan mij duizenden; alleen het koningschap ontbreekt hem nog maar!' 1SAM 18:9 Vanaf dat ogenblik bekeek Saul David met afgunst. 1SAM 18:10 De volgende dag maakte een boze demon zich van Saul meester in zijn huis, en hij raakte buiten zichzelf. Terwijl David, zoals gewoonlijk, op de citer speelde, 1SAM 18:11 wierp Saul de lans die hij in zijn hand had naar David om hem aan de muur te steken. Maar David wist hem te ontwijken, tot tweemaal toe. 1SAM 18:12 Nu begon Saul David te vrezen, want Jahwe was met hem, terwijl Hij van Saul was geweken. 1SAM 18:13 Daarom verwijderde Saul David uit zijn omgeving en stelde hem aan als hoofdman van duizend. Aan het hoofd van krijgsvolk rukte hij uit en keerde hij terug. 1SAM 18:14 Alles wat David ondernam bracht hij tot een goed einde, want Jahwe was met hem. 1SAM 18:15 Toen Saul de successen van David zag, werd hij bang voor hem, 1SAM 18:16 maar heel Israël en Juda hadden David lief, omdat hij aan het hoofd van het krijgsvolk uittrok en terugkeerde. 1SAM 18:17 Eens zei Saul tot David: `Hier is Merab, mijn oudste dochter; haar zal ik u tot vrouw geven, op voorwaarde dat u in mijn dienst een dapper man bent en de oorlogen van Jahwe voert.' Saul dacht: `Niet mijn hand moet zich tegen hem keren, maar de hand van de Filistijnen.' 1SAM 18:18 Maar David zei tot Saul: `Wie ben ik, en wat betekenen in Israël mijn verwanten, het geslacht van mijn vader, dat ik de schoonzoon van de koning zou worden?' 1SAM 18:19 Toen dan ook de tijd gekomen was dat Merab, de dochter van Saul, aan David gegeven kon worden, werd zij als vrouw gegeven aan Adriël, de Mecholatiet. 1SAM 18:20 Maar Mikal, een andere dochter van Saul, werd verliefd op David. Toen dit aan Saul verteld werd, was hij niet ontevreden. 1SAM 18:21 Hij dacht namelijk: `Ik zal hem Mikal beloven; dan wordt zij een valstrik voor hem, zodat de Filistijnen de hand aan hem kunnen slaan.' Saul zei opnieuw tot David: `U kunt vandaag nog mijn schoonzoon worden.' 1SAM 18:22 Hij gaf zijn hovelingen de opdracht: `Praat eens vertrouwelijk met David en zegt hem: De koning is op u gesteld en al zijn hovelingen mogen u graag; u moet de schoonzoon van de koning worden.' 1SAM 18:23 De hovelingen gaven hem dit te verstaan. Maar David zei: `Denkt u dat het zo gemakkelijk is de schoonzoon van de koning te worden? Ik ben maar een arme man van onaanzienlijke afkomst!' 1SAM 18:24 En de hovelingen vertelden Saul wat David gezegd had. 1SAM 18:25 Toen zei Saul: `Dit moet u tegen David zeggen: `De koning verlangt van u geen andere bruidsprijs dan honderd voorhuiden van Filistijnen, als bewijs dat wraak genomen is op de vijanden van de koning.' Saul rekende er namelijk op dat David zo in de handen van de Filistijnen zou vallen. 1SAM 18:26 Toen Sauls hovelingen dit voorstel aan David mededeelden, leek het hem mogelijk, zo de schoonzoon van de koning te worden. Voor de tijd verstreken was, 1SAM 18:27 trok David met zijn mannen uit, doodde tweehonderd Filistijnen en bracht hun voorhuiden mee; daarmee voldeden zij aan de eis van de koning, zodat David de schoonzoon van de koning kon worden. En Saul gaf hem zijn dochter Mikal als vrouw. 1SAM 18:28 Saul zag steeds meer dat Jahwe met David was. Mikal, de dochter van Saul, had David lief. 1SAM 18:29 Saul werd nog bevreesder voor David en hij bleef David vijandig gezind altijddoor. 1SAM 18:30 Telkens als de vorsten van de Filistijnen uitrukten en de dienaren van Saul met hen streden, had David meer succes dan de anderen. Zo werd zijn naam zeer beroemd. 1SAM 19:1 Saul deelde zijn zoon Jonatan en al zijn hovelingen mee dat hij David wilde doden. Jonatan, de zoon van Saul, die David bijzonder genegen was, 1SAM 19:2 liet David weten: `Mijn vader Saul wil je doden. Wees morgenochtend op je hoede; zoek een schuilplaats en houd je verborgen. 1SAM 19:3 Ik ga dan de stad uit en kom met mijn vader in jouw nabijheid staan. Dan spreek ik met mijn vader over jou en wat ik te horen krijg laat ik je weten.' 1SAM 19:4 Jonatan pleitte dus voor David bij zijn vader Saul en zei tot hem: `Laat de koning zich niet vergrijpen aan zijn dienaar David. Hij heeft niets tegen u misdaan. Integendeel, wat hij gedaan heeft is u zeer voordelig geweest. 1SAM 19:5 Hij heeft zijn leven op het spel gezet; hij heeft de Filistijnen verslagen en Jahwe heeft heel Israël op grootse wijze bevrijd. U hebt het gezien en u hebt u erover verheugd. Waarom zoudt u zich dan vergrijpen aan onschuldig bloed en David zonder enige reden doden?' 1SAM 19:6 Saul luisterde naar Jonatan en zwoer: `Zowaar Jahwe leeft, David wordt niet gedood!' 1SAM 19:7 Toen riep Jonatan David en vertelde hem alles wat er gezegd was. Hij bracht David bij Saul en David diende hem weer zoals voorheen. 1SAM 19:8 Maar opnieuw brak de oorlog uit en David trok op om tegen de Filistijnen te strijden. Hij bracht hun een zware nederlaag toe en zij namen de vlucht. 1SAM 19:9 Toen maakte er een boze geest, door Jahwe gezonden, zich van Saul meester, terwijl die in zijn huis zat. Toen David op de citer speelde, 1SAM 19:10 probeerde Saul hem met de lans die hij in zijn hand had aan de wand te steken, maar David ontweek hem, zodat de lans in de wand drong. Daarop nam David de vlucht en stelde zich die nacht in veiligheid. 1SAM 19:11 Maar Saul zond boden om het huis van David te bewaken en hem 's morgens te doden. Mikal, de vrouw van David, waarschuwde hem echter en zei: `Als je vannacht niet weet te ontkomen, word je morgen gedood.' 1SAM 19:12 Mikal liet David dus door het venster naar beneden; hij vluchtte weg en stelde zich in veiligheid. 1SAM 19:13 Daarop pakte Mikal de huisgoden en legde die op het bed; zij legde een vlechtsel van geitehaar op de plaats van het hoofd en spreidde er een deken over uit. 1SAM 19:14 Toen Saul dan boden zond om David gevangen te nemen, verklaarde zij: `Hij is ziek.' 1SAM 19:15 Maar Saul gaf de boden de opdracht David te zoeken en zei: `Breng hem met bed en al bij me; dan dood ik hem.' 1SAM 19:16 De boden gingen naar binnen, maar vonden de huisgoden in het bed en het vlechtsel van geitehaar op de plaats van het hoofd. 1SAM 19:17 Toen zei Saul tot Mikal: `Waarom heb je me zo bedrogen en mijn vijand laten ontsnappen?' Mikal gaf Saul ten antwoord: `Hij heeft tegen mij gezegd; Laat me gaan, of ik sla je dood.' 1SAM 19:18 David was intussen gevlucht en had zich in veiligheid gesteld. Hij kwam bij Samuël in Rama en vertelde hem alles wat Saul hem aangedaan had. Daarop ging hij met Samuël heen en zij verbleven in Najot. 1SAM 19:19 Toen men Saul meldde dat David in Najot bij Rama was, 1SAM 19:20 zond Saul boden om David gevangen te nemen. Dezen zagen daar de groep profeten in vervoering, met Samuël aan het hoofd, en de geest van God werd vaardig over de boden van Saul, zodat ook zij in vervoering raakten. 1SAM 19:21 Toen men dit aan Saul meldde, zond hij andere boden, maar ook dezen raakten in vervoering. En toen hij weer andere boden zond, een derde groep, raakten ook dezen in vervoering. 1SAM 19:22 Daarom ging hij zelf naar Rama. Toen hij bij de grote put in Seku gekomen was, vroeg hij: `Waar zijn Samuël en David?' Men antwoordde hem: `In Najot bij Rama.' 1SAM 19:23 Hij ging dus naar Najot bij Rama. Maar toen werd ook over hem de geest van God vaardig; in vervoering vervolgde hij zijn weg, tot hij in Najot bij Rama aankwam. 1SAM 19:24 Ook hij rukte zich de kleren van het lijf; ook hij was in vervoering, in het bijzijn van Samuël. Tenslotte zakte hij in elkaar en bleef heel die dag en heel die nacht naakt liggen. Daarom zegt men: `Is Saul ook al bij de profeten?' 1SAM 20:1 David vluchtte weg uit Najot bij Rama. Hij kwam bij Jonatan en vroeg: `Wat heb ik toch gedaan?' Wat is mijn misdaad? Wat heb ik tegenover je vader misdreven dat hij mij naar het leven staat?' 1SAM 20:2 Hij antwoordde hem: `Geen sprake van dat jij zou moeten sterven! Je weet dat mijn vader hoegenaamd niets doet of hij vertrouwt het mij toe. Waarom zou mijn vader dan dit voornemen voor mij verborgen houden? Geen sprake van!' 1SAM 20:3 Maar David hield vol en zei: `Je vader weet heel goed dat ik je genegenheid gewonnen heb en heeft dus gedacht: Jonatan mag dit niet weten; het zou hem pijn doen. Neen, zowaar Jahwe leeft en zowaar jij leeft: ik ben maar een stap van de dood verwijderd.' 1SAM 20:4 Jonatan vroeg david: `Wat wil je dat ik voor je doen zal?' 1SAM 20:5 Toen zei David tot Jonatan: `Morgen is het nieuwe maan en zou ik beslist met de koning moeten eten. Maar als je me verlof geeft, kan ik me tot overmorgen buiten de stad schuilhouden. 1SAM 20:6 Als je vader mij mist, moet je hem zeggen: David heeft mij dringend verlof gevraagd om naar Betlehem, zijn woonplaats, te gaan, omdat heel zijn familie daar het jaarlijks offer viert. 1SAM 20:7 Zegt hij dan dat het goed is, dan is je dienaar veilig, maar wordt hij kwaad, dan kun je er zeker van zijn dat mijn ondergang voor hem een uitgemaakte zaak is. 1SAM 20:8 Blijf je dienaar trouw, want met een verbond in de naam van Jahwe heb je mij aan jezelf verbonden. Heb ik echter schuld, dan moet jij me doden. Maar lever mij niet uit aan je vader!' 1SAM 20:9 Jonatan antwoordde: `Geen denken aan! Als ik er zeker van was dat mijn vader je ondergang besloten had, dan zou ik het je beslist laten weten.' 1SAM 20:10 Toen vroeg David aan Jonatan: `Maar door wie en hoe laat je me weten of je vader harde woorden tegen je gesproken heeft?' 1SAM 20:11 Daarop zei Jonatan tot David: `Kom, laten we de stad uitgaan.' En samen gingen zij de stad uit. 1SAM 20:12 Nu zei Jonatan tot David: `Jahwe, de God van Israël, is getuige dat ik morgen of overmorgen mijn vader zal uithoren. Staat het goed voor David en stuur ik je geen boodschap om jou ervan in kennis te stellen, 1SAM 20:13 dan mogen Jahwe dit me Jonatan doen en nog erger. Is mijn vader van plan je kwaad te doen, dan stel ik je daarvan in kennis en geef ik je verlof, een veilig heenkomen te zoeken. Moge Jahwe met je zijn, zoals Hij met mijn vader is geweest. 1SAM 20:14 Ben ik dan nog in leven, wees dan even trouw aan mij als Jahwe en laat mij niet sterven. 1SAM 20:15 Blijf ook aan mijn huis altijd je trouw tonen, ook wanneer Jahwe de vijanden van David van de aardbodem verdelgt.' 1SAM 20:16 Toen sloot Jonatan een verbond met het huis van david, ook voor het geval dat Jahwe Davids vijanden zou straffen. 1SAM 20:17 En in zijn liefde voor David verklaarde Jonatan nogmaals onder ede dat hij David liefhad als zichzelf. 1SAM 20:18 Nu zei Jonatan tot hem: `Morgen is het nieuwe maan en als jouw stoel leeg blijft zal dat opvallen. 1SAM 20:19 Kom dan overmorgen naar de plek waar je op die bewuste dag een schuilplaats hebt gevonden. Blijf in de buurt van de steen van het vertrek. 1SAM 20:20 Dan zal ik doen alsof ik op een doel mik en er drie pijlen langs schieten. 1SAM 20:21 Vervolgens stuur ik de jongen om ze op te rapen. Zeg ik tegen hem: De pijlen liggen vlak bij je, raap ze maar op, dan kun je voor de dag komen, want dan ben je veilig en is er, zowaar Jahwe leeft, geen gevaar. 1SAM 20:22 Maar zeg ik tegen de jongen: De pijlen liggen verder op, dan moet je vertrekken, want dan heeft Jahwe je weggezonden. 1SAM 20:23 En wat onze overeenkomst betreft: Jahwe is voor altijd getuige tussen jou en mij.' 1SAM 20:24 David hield zich dus buiten de stad schuil. Het werd nieuwe maan en de koning ging aan tafel voor de maaltijd. 1SAM 20:25 Hij zat op zijn gewone plaats, de plaats tegen de wand. Jonatan zat tegenover Saul en Abner naast hem, maar de plaats van David bleef leeg. 1SAM 20:26 Die dag zei Saul er niets van; hij dacht: `Er zal hem iets overkomen zijn waardoor hij niet rein is; hij zal wel onrein zijn.' 1SAM 20:27 Maar toen de volgende dag, daags na de nieuwe maan, de plaats van David weer leeg bleef, vroeg Saul aan zijn zoon Jonatan: `Waarom is de zoon van Isaï gisteren en vandaag niet aan tafel gekomen?' 1SAM 20:28 Jonatan antwoordde: `David heeft mij dringend verlof gevraagd om naar Betlehem te gaan. 1SAM 20:29 Hij zei: Wees zo goed mij te laten vertrekken, want wij vieren een familieoffer in de stad en mijn broer heeft mij ontboden. Bewijs mij een gunst en laat mij gaan; dan kan ik mijn broers bezoeken. Daarom is hij niet aan de tafel van de koning verschenen.' 1SAM 20:30 Toen werd Saul woedend op Jonatan en hij zei tot hem: `Jij hoerenkind! Ik weet best dat jij het met de zoon van Isaï houdt, tot je eigen schande en tot schande van de schaamte van je moeder, 1SAM 20:31 want zolang de zoon van Isaï levend op de aarde rondloopt, ben jij niet veilig en je koningschap evenmin. Vooruit, stuur hem bij me. Hij is ten dode opgeschreven.' 1SAM 20:32 Jonatan antwoordde zijn vader: `Waarom moet hij sterven? Wat heeft hij gedaan?' 1SAM 20:33 Maar Saul wierp zijn lans naar Jonatan om hem te doden. Toen wist Jonatan dat zijn vader vastbesloten was David te doden. 1SAM 20:34 Verontwaardigd stond hij van tafel op, en die tweede dag na de nieuwe maan at hij niet, omdat hij bedroefd was over David die door zijn vader beledigd was. 1SAM 20:35 De volgende morgen ging Jonatan de stad uit om David te ontmoeten; een kleine jongen ging met hem mee. 1SAM 20:36 Hij zei tegen de jongen: `Vlug, raap de pijlen op die ik afschiet.' Terwijl de jongen vooruitliep, schoot Jonatan een pijl af, over hem heen. 1SAM 20:37 Toen de jongen bij de plek kwam waar de afgeschoten pijl moest liggen, riep Jonatan hem achterna.' De pijl ligt verderop.' 1SAM 20:38 Jonatan riep ook: `Vlug, schiet op, niet blijven staan!' Het knechtje van Jonatan raapte de pijl op en kwam ermee naar zijn meester. 1SAM 20:39 De jongen wist van niets; alleen Jonatan en David wisten waarom het ging. 1SAM 20:40 Nu gaf Jonatan zijn wapens aan zijn knechtje en zei hem: `Vooruit, breng die naar de stad!' 1SAM 20:41 Toen de jongen weg was, kwam David voor de dag uit zijn schuilplaats bij de steen, wierp zich voorover op de grond en boog zich driemaal neer. Zij kusten elkaar en schreiden om elkaar, totdat David zich vermande. 1SAM 20:42 En Jonatan zei tot David: `Ga in vrede, want bij de naam van Jahwe hebben wij elkaar gezworen: Jahwe zal voor altijd getuige zijn van het verbond tussen jou en mij, tussen mijn nageslacht en het jouwe.' 1SAM 21:1 Toen vertrok David en Jonatan keerde naar de stad terug. 1SAM 21:2 David ging naar Nob, naar de priester Achimelek. Ontsteld kwam Achimelek David tegemoet en vroeg: `Waarom bent u alleen en is er niemand bij u?' 1SAM 21:3 David antwoordde: `Ik heb een opdracht van de koning en hij heeft mij gezegd dat niemand ook maar iets mag weten van de zending waarmee hij mij belast heeft. Mijn knechten heb ik overigens daar en daar besteld. 1SAM 21:4 Maar zeg eens: Hebt u hier iets bij de hand? Geef mij dan vijf broden mee of wat er is.' 1SAM 21:5 De priester antwoordde: `Gewoon brood heb ik niet bij de hand, wel heilig brood. Als uw knechten maar niet bij vrouwen geweest zijn!' 1SAM 21:6 David antwoordde de priester: `Al is dit een profane tocht, op dit punt is hij toch heilig, want de omgang met vrouwen is ons onmogelijk geweest, zowel gisteren als eergisteren, toen ik uittrok, zodat de knechten heilig zijn in hun leden.' 1SAM 21:7 Toen gaf de priester hem het heilige brood, want er was geen ander brood dan het toonbrood, dat op bepaalde dagen uit Jahwe's tegenwoordigheid wordt weggenomen en door vers brood wordt vervangen. 1SAM 21:8 Op diezelfde dag was daar ook een van Sauls hovelingen, die zich in Jahwe's tegenwoordigheid had afgezonderd. Het was de Edomiet Doeg en hij was opzichter over de herders van Saul. 1SAM 21:9 David zei tot Achimelek: `Hebt u hier niet een lans of zwaard bij de hand? Ik heb niet eens mijn zwaard en mijn andere wapens mee kunnen nemen; zo dringend was de opdracht van de koning.' 1SAM 21:10 De priester antwoordde: `Ja, het zwaard van Goliat de Filistijn, die u in het Dal van de terebint verslagen hebt. Het staat daar achter de efod, in een doek gewikkeld. Dat kunt u meenemen als u wilt; een ander is er niet.' En David zei: `Er is ook geen beter; geef het maar.' 1SAM 21:11 David ging toen voor Saul op de vlucht en hij kwam bij Akis, de koning van Gat. 1SAM 21:12 De hovelingen zeiden tot Akis: `Maar dat is David, de koning van het land! Dat is de man van wie ze in reidansen gezongen hebben: Bij duizenden sloeg Saul ze neer, maar David bij tienduizenden!' 1SAM 21:13 Deze woorden ontgingen David niet en hij werd zeer bevreesd voor Akis, de koning van Gat. 1SAM 21:14 Daarom veinsde hij krankzinnigheid en stelde zich, toen ze hem grepen, als een gek aan. Hij maakte krassen op de stadspoort en kwijlde in zijn baard. 1SAM 21:15 Toen zei Akis tot zijn hovelingen: `Jullie zien toch wel dat dit een waanzinnige is? Waarom brengen jullie hem bij me? Kom ik soms gekken te kort, dat jullie me die kerel gebracht hebben om bij mij te keer te gaan? Moet die in mijn huis?' 1SAM 22:1 David ging daar weg en vond een veilig onderkomen in de grot van Adullam. Toen zijn broers en andere familieleden dit hoorden, kwamen zij naar hem toe. 1SAM 22:2 Ook sloten zich allerlei lieden bij hem aan die in het nauw zaten of schulden hadden of verbitterd waren. David werd hun aanvoerder. Zo kwamen er ongeveer vierhonderd man bij hem. 1SAM 22:3 Vandaag ging David naar Mispe in Moab en hij vroeg de koning van Moab: `Kunnen mijn vader en moeder een onderkomen bij u krijgen, totdat ik weet wat God met mij voorheeft?' 1SAM 22:4 Zo bracht hij ze onder bij de koning van Moab en zij bleven bij hem, zolang David zich in zijn schuilplaats verschanst hield. 1SAM 22:5 Maar de profeet Gad zei tot David: `Blijf niet in die schuilplaats, maar ga naar Juda.' Toen vertrok David naar het bos van Cheret. 1SAM 22:6 Het kwam Saul ter ore dat David en zijn mannen gezien waren. Saul zat toen onder de tamarisk op de heuvel in Rama, met zijn speer in de hand, en al zijn hovelingen stonden bij hem. 1SAM 22:7 Saul sprak tot hen: `Luistert eens, Benjaminieten! Gaat de zoon van Isaï soms ook aan jullie landerijen en wijngaarden geven, en gaat hij ook jullie aanstellen tot bevelhebbers over duizend en over honderd, 1SAM 22:8 dat jullie met zijn allen tegen mij samenzweren? Niemand heeft mij gewaarschuwd dat mijn zoon een verbond sloot met de zoon van Isaï; niemand van jullie heeft zich om mij bekommerd en mij gewaarschuwd dat mijn zoon mijn knecht opstookte om mij te belagen, zoals nu wel duidelijk is.' 1SAM 22:9 Toen nam Doeg de Edomiet die bij de hovelingen van Saul stond, het woord en zei: `Ik heb gezien dat de zoon van Isaï in Nob kwam, bij Achimelek, de zoon van Achitub. 1SAM 22:10 Die heeft Jahwe voor hem geraadpleegd; die heeft hem proviand gegeven en die heeft hem ook het zwaard van Goliat de Filistijn gegeven.' 1SAM 22:11 De koning ontbood toen de priester Achimelek, de zoon van Achitub, met al zijn familieleden die priester waren in Nob; gezamenlijk kwamen zij bij de koning. 1SAM 22:12 Saul zei: `Zoon van Achitub, luister!' Deze antwoordde: `Spreek, heer!' 1SAM 22:13 Toen zei Saul: `Waarom hebt u met de zoon van Isaï tegen mij samengespannen? U hebt hem brood gegeven en een zwaard en u hebt God voor hem geraadpleegd. Daardoor kon hij tegen mij in opstand komen, zoals nu wel duidelijk is.' 1SAM 22:14 Achimelek antwoordde: 'Als iemand van uw hovelingen betrouwbaar is, dan is het toch David, de schoonzoon van de koning, het hoofd van uw lijfwacht, hoog geëerd in uw huis! 1SAM 22:15 En het was toch niet de eerste keer dat ik God voor hem raadpleegde. Integendeel! Daar om moet de koning zijn dienaar niets ten laste leggen, en mijn familie evenmin, want uw dienaar wist niet het minste of geringste van dat alles af.' 1SAM 22:16 Maar de koning zei: `U zult sterven, Achimelek, u en uw hele familie!' 1SAM 22:17 En de koning beval de soldaten van de lijfwacht die bij hem stonden: `Vooruit, doodt de priesters van Jahwe, want ook zij heulen met David; zij wisten dat hij op de vlucht was en ze hebben mij niet gewaarschuwd.' Maar de dienaren van de koning weigerden een hand uit te steken om de priesters van Jahwe neer te slaan. 1SAM 22:18 Daarom zei de koning tot Doeg de Edomiet: `Vooruit, dan jij; sla de priesters neer.' En Doeg de Edomiet trad naar voren en sloeg de priesters neer; hij doodde die dag vijfentachtig man, dragers van de linnen efod. 1SAM 22:19 Ook keerde hij zijn zwaard tegen Nob, de stad van de priesters; mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen, runderen, ezels en schapen joeg hij over de kling. 1SAM 22:20 Een zoon van Achimelek, de zoon van Achitub, wist echter te ontkomen en vluchtte naar David. Hij heette Abjatar. 1SAM 22:21 Toen Abjatar David vertelde dat Saul de priesters van Nob vermoord had, 1SAM 22:22 zei David tot hem: `Toen ik merkte dat Doeg de Edomiet daar in Nob was, wist ik al dat hij het bij Saul zou aanbrengen. Ik ben dus aansprakelijk voor de dood van uw hele familie. 1SAM 22:23 Blijf bij mij en wees niet bevreesd, want dezelfde die u naar het leven staat, staat ook mij naar het leven. U staat onder mijn bescherming.' 1SAM 23:1 Er werd aan David bericht dat de Filistijnen Keila aanvielen en er de dorsvloeren leegroofden. 1SAM 23:2 Toen raadpleegde David Jahwe en vroeg: `Zal ik oprukken en die Filistijnen verslaan?' En Jahwe sprak tot David: `Ja, ruk op, versla de Filistijnen en ontzet Keila.' 1SAM 23:3 Maar de mannen van David zeiden tot hem: `Hier in Juda zitten we al in angst! Wat moet het dan worden als we naar Keila oprukken, waar de Filistijnen in slagorde staan?' 1SAM 23:4 Daarop raadpleegde David Jahwe opnieuw en Jahwe antwoordde hem: `Trek naar Keila: Ik lever de Filistijnen aan u over.' 1SAM 23:5 Nu rukte David met zijn mannen op naar Keila; hij bond de strijd aan met de Filistijnen, voerde hun vee weg en richtte een grote slachting onder hen aan. Zo bevrijdde David de inwoners van Keila. 1SAM 23:6 Abjatar, de zoon van Achimelek, die naar David gevlucht was, kwam naar Keila met de efod bij zich. 1SAM 23:7 Toen men Saul mededeelde dat David Keila binnengetrokken was, dacht hij: `God heeft hem aan mij overgeleverd, want door een stad met poorten en grendels binnen te trekken heeft hij zichzelf opgesloten.' 1SAM 23:8 Saul riep dus heel het volk ten strijde om naar Keila te trekken en david met zijn mannen te belegeren. 1SAM 23:9 Zodra David te weten kwam, welke boze plannen Saul tegen hem smeedde, zei hij tot de priester Abjatar: `Breng de efod hier.' 1SAM 23:10 En David zei: `Jahwe, God van Israël, uw dienaar heeft vernomen dat Saul naar Keila wil komen en om mij te treffen de stad wil verwoesten. 1SAM 23:11 Zal Saul oprukken, zoals uw dienaar vernomen heeft? Jahwe, God van Israël, geef uw dienaar toch antwoord!' En Jahwe antwoordde: `Ja, hij zal oprukken.' 1SAM 23:12 Daarna vroeg David: `Zullen de burgers van Keila mij en mijn mannen aan Saul uitleveren?' En Jahwe antwoordde: `Ja, dat zullen ze doen.' 1SAM 23:13 David en zijn mannen, ongeveer zeshonderd, verlieten toen Keila en trokken van de ene plaats naar de andere. Toen aan Saul gemeld werd dat David uit Keila ontsnapt was, zag hij van de veldtocht af. 1SAM 23:14 David verbleef in de woestijn, op moeilijk toegankelijke plaatsen. Hij hield zich op in het bergland in de woestijn van Zif. Saul zocht hem voortdurend, maar God liet David niet in zijn handen vallen. 1SAM 23:15 David vernam dat Saul was uitgetrokken en het op zijn leven gemunt had; David was toen in de woestijn van Zif in de Choresa. 1SAM 23:16 Jonatan, de zoon van Saul, begaf zich toen naar David in de Choresa en met een beroep op God sprak hij hem moed in. 1SAM 23:17 Hij zei tot hem: `Wees niet bang; je zult mijn vader Saul niet in handen vallen. Jij zult koning worden over Israël en ik word de tweede man; ook mijn vader Saul weet dat maar al te goed.' 1SAM 23:18 Zij sloten samen een verbond ten overstaan van Jahwe. David bleef in de Choresa en Jonatan ging naar huis. 1SAM 23:19 Toen gingen de Zifieten naar Saul in Gibea en zeiden: `Weet u dat David zich bij ons schuilhoudt op ontoegankelijke plaatsen in de Choresa, op de heuvel Chakila ten zuiden van de steppe? 1SAM 23:20 Welnu, als het de koning behaagt erheen te gaan, zullen wij zorgen dat David aan u wordt uitgeleverd.' 1SAM 23:21 Saul zei: `Weest gezegend door Jahwe, omdat u zo met mij meevoelt. 1SAM 23:22 Doet nog eens navraag en probeert precies te achterhalen waar hij zich ophoudt en wie hem gezien heeft, want ze zeggen mij dat hij zeer listig te werk gaat. 1SAM 23:23 Probeert vast te stellen, op welke schuilplaatsen hij zich verbergt en komt met betrouwbare gegevens bij mij terug. Dan ga ik met u mee. Als hij in het land is zal ik hem, onder alle geslachten van Israël proberen te vinden.' 1SAM 23:24 Zij vertrokken dus en gingen Saul voor naar Zif. David bevond zich toen met zijn mannen in de woestijn van Maon, in de Araba ten zuiden van de steppe. 1SAM 23:25 Toen aan David verteld werd dat Saul en zijn mannen hem zochten, trok hij weg naar de Rots en hield zich op in de woestijn van Maon. Saul vernam dit en hij ging op David af, in de woestijn van Maon. 1SAM 23:26 Saul trok voort aan de ene kant van de berg, terwijl David zich met zijn mannen aan de andere kant bevond. David trachtte in allerijl aan Saul te ontkomen, maar reeds stonden Saul en zijn mannen op het punt, David en de zijnen te omsingelen en te grijpen. 1SAM 23:27 Op dat ogenblik kwam er bij Saul een bode die hem zei: `Kom onmiddellijk! De Filistijnen zijn het land binnengevallen!' 1SAM 23:28 Saul staakte toen de achtervolging van David en trok op de Filistijnen af. Daarom heet deze plaats de Rots van de scheiding. 1SAM 24:1 David trok vandaar weg en verbleef op moeilijk toegankelijke plaatsen bij Engedi. 1SAM 24:2 Toen Saul van zijn veldtocht tegen de Filistijnen terugkeerde, werd hem verteld: `David zit in de woestijn van Engedi.' 1SAM 24:3 Nu koos Saul drieduizend uitgelezen manschappen uit heel Israël en hij ging op zoek naar David en zijn mannen, ten oosten van de Steenbokrotsen. 1SAM 24:4 Op zijn weg kwam hij bij de schaapskooien. Daar is een spelonk en Saul ging die binnen om zijn behoefte te doen. Maar achter in die spelonk zat David met zijn mannen! 1SAM 24:5 De mannen zeiden tot David: `Dit is het ogenblik dat Jahwe bedoelde toen hij u zei: `Ik lever uw vijand aan u over. Doe met hem wat u wilt.' Toen stond David op en zonder dat Saul iets merkte sneed hij een slip van diens mantel af. 1SAM 24:6 Daarna zei David, wiens hart al bonsde omdat hij de slip van Sauls mantel had afgesneden, 1SAM 24:7 tot zijn mannen: `Jahwe beware mij ervoor dat ik mij zou vergrijpen aan mijn heer, de gezalfde van Jahwe, dat ik de hand zou slaan aan hem die de gezalfde van Jahwe is.' 1SAM 24:8 Met deze woorden hield David zijn mannen in bedwang en liet niet toe dat zij zich op Saul wierpen. Intussen was Saul opgestaan; hij verliet de spelonk om zijn weg te vervolgen. 1SAM 24:9 Toen ging ook David de spelonk uit en riep Saul na: `Mijn heer en koning!' Saul keek om en David boog zich neer tot op de grond om hem zijn hulde te betuigen. 1SAM 24:10 Hij zei tot Saul: `Waarom luistert u toch naar de praatjes van de mensen als zou David uw ongeluk willen? U ziet nu met uw eigen ogen dat Jahwe u in de spelonk aan mij had overgeleverd. 1SAM 24:11 Ze wilden u doden, maar ik heb u gespaard en gezegd: Ik vergrijp mij niet aan mijn heer, want hij is de gezalfde van Jahwe. 1SAM 24:12 Kijk, mijn vader, kijk naar de slip van uw mantel die ik in mijn hand heb. Dat ik de slip van uw mantel heb kunnen afsnijden en u niet heb gedood moet voor u toch een duidelijk bewijs zijn dat ik geen boze of opstandige bedoelingen heb. Ik heb niets tegen u misdaan en toch hebt u het op mijn leven gemunt. 1SAM 24:13 Jahwe moge oordelen, wie van ons beiden in zijn recht staat, en Jahwe moge mij wreken op u; ik zal de hand niet aan u slaan. 1SAM 24:14 Het oude spreekwoord zegt: Van boosheid gaat boosheid uit. Ik zal niet de hand aan u slaan. 1SAM 24:15 Tegen wie trekt de koning van Israël eigenlijk uit? Achter wie zit u eigenlijk aan? Het gaat toch maar om een dode hond, om een vlo! Jahwe zal rechter zijn en oordelen, wie van ons beiden in zijn recht staat; 1SAM 24:16 Hij moge toezien, mijn zaak verdedigen en mij recht verschaffen tegen u.' 1SAM 24:17 Toen David dit gezegd had, riep Saul: `Is dat jouw stem, mijn zoon David?' En Saul begon luid te schreien. 1SAM 24:18 En hij zei tot David: `Jij bent rechtschapen, ik niet, want terwijl ik jou kwaad doe, behandel jij mij goed. 1SAM 24:19 Vandaag heb je getoond dat je het goed met me voorhebt. Jahwe had mij aan jou overgeleverd en toch heb je me niet gedood. 1SAM 24:20 Wie laat ooit zijn vijand ongedeerd heengaan, als hij hem in handen krijgt? Jahwe zal je belonen om hetgeen je vandaag voor mij gedaan hebt. 1SAM 24:21 Nu weet ik dat jij koning wordt en dat de koninklijke macht over Israël in jouw handel zal blijven. 1SAM 24:22 Welnu, zweer mij dan bij Jahwe dat je mijn nageslacht niet zult uitroeien en mijn naam niet zult doen verdwijnen uit het huis van mijn vader.' 1SAM 24:23 David zwoer de eed die Saul van hem vroeg. Toen ging Saul naar huis; David en zijn mannen trokken naar hun schuilplaats. 1SAM 25:1 Samuël stierf. Alle Israëlieten kwamen bijeen voor de rouwklacht en begroeven hem in zijn huis in Rama. David daalde af naar de woestijn van Paran. 1SAM 25:2 In Maon woonde iemand die in Karmel zijn bedrijf had. Hij was een zeer vermogend man: hij bezat drieduizend schapen en duizend geiten. Bij gelegenheid van het scheren van de schapen bevond hij zich in Karmel. 1SAM 25:3 De man heette Nabal; zijn vrouw Abigail. De vrouw was schrander en mooi, maar de man, een Kalebiet, was een hardvochtige schurk. 1SAM 25:4 David vernam in de woestijn dat Nabal zijn schapen aan het scheren was. 1SAM 25:5 Hij gaf zijn mannen de opdracht: `Ga naar Karmel, naar Nabal, groet hem namens mij 1SAM 25:6 en zeg: Zo spreekt David tot zijn broeder: Hoe gaat het met u, met uw gezin en met alles wat u toebehoort? 1SAM 25:7 Ik hoorde dat ze bij u aan het scheren zijn. U weet dat uw herders bij ons in de buurt zijn geweest; wij hebben hen niet gehinderd en nooit hebben zij ook maar iets vermist, zolang ze in Karmel waren; 1SAM 25:8 vraag het uw knechten en zij zullen het u bevestigen. Laat daarom mijn mannen een goed onthaal bij u vinden, nu wij op zo'n gunstig ogenblik komen, en geef uw dienaren en uw zoon David wat u bij de hand hebt.' 1SAM 25:9 Toen de mannen bij Nabal gekomen waren, spraken zij hem namens David toe zoals hun gezegd was, en wachtten af. 1SAM 25:10 Maar Nabal antwoordde de dienaren van David: `Wie is die David? Wie is die zoon van Isaï? Het wemelt tegenwoordig van knechten die bij hun meester weggelopen zijn. 1SAM 25:11 Moet ik soms mijn brood en mijn water en de beesten die ik voor mijn scheerders geslacht heb, weggeven aan lieden, van wie ik niet eens weet waar ze vandaan komen?' 1SAM 25:12 De mannen van david maakten dus rechtsomkeert; zij kwamen bij David terug en vertelden hoe ze ontvangen waren. 1SAM 25:13 Toen zei David tot zijn mannen: `Laat iedereen zijn zwaard aangorden.' En iedereen gordde zijn zwaard aan. Ook David gordde zijn zwaard aan. Vierhonderd man trokken met David op, tweehonderd bleven er bij de legertros. 1SAM 25:14 Intussen had een van de knechten aan Abigail, de vrouw van Nabal, verteld: `David heeft uit de woestijn boden gezonden om onze heer te begroeten, maar die is tegen hem uitgevaren. 1SAM 25:15 Toch zijn die mannen bijzonder goed voor ons geweest. Zolang wij daarbuiten in hun buurt waren en op en neer trokken, hebben wij geen hinder van hen ondervonden en nooit iets vermist. 1SAM 25:16 Zij waren als een muur om ons heen, dag en nacht, al de tijd dat wij in hun nabijheid de schapen hoedden. 1SAM 25:17 Denk eens na en zie wat u doen kunt: een zekere ondergang wacht onze heer en heel zijn huis! Hij zelf is een onverlaat en met hem valt niet te praten.' 1SAM 25:18 Toen liet Abigail in aller ijl tweehonderd broden, twee zakken wijn, vijf toebereide schapen, vijf schepel geroosterde graankorrels, honderd rozijnkoeken en tweehonderd klompen vijgen 1SAM 25:19 op ezels laden en zei tot haar knechten: `Gaat voor mij uit: ik kom zelf achter u aan.' Aan haar man Nabal vertelde zij niets. 1SAM 25:20 Toen zij, gezeten op haar ezel, door een bergkloof reed, zag zij David en zijn mannen in haar richting naar beneden komen; zo ontmoetten zij elkaar. 1SAM 25:21 David had gezegd: `Heb ik daarvoor op het bezit van die kerel in de woestijn gepast? Van al wat hem toebehoort is er nooit iets vermist, en nu vergeldt hij mij goed met kwaad. 1SAM 25:22 God mag dit en dat doen met de vijanden van David, en nog erger, als ik morgenvroeg van al de zijnen ook maar een manspersoon in leven heb gelaten.' 1SAM 25:23 Toen Abigail David zag, liet zij zich haastig van haar ezel glijden, boog zich voor David tot op de grond en bracht hem haar hulde. 1SAM 25:24 Zij viel hem te voet en zei: `Het is mijn schuld, heer. Vergun uw dienares tot u te spreken en luister naar wat zij u te zeggen heeft. 1SAM 25:25 Laat mijn heer zich toch niet storen aan die onverlaat van een Nabal, want hij is zoals hij heet: Nabal is zijn naam en een dwaas is hij. Maar ik, uw dienares, ik heb de knechten die mijn heer gestuurd heeft niet gezien. 1SAM 25:26 Welnu, mijn heer, zowaar u leeft en zowaar Jahwe leeft, Hij die verhoed heeft dat u bloedschuld op u laadt door het recht in eigen hand te nemen: moge het lot van Nabal uw vijanden treffen en allen die mijn heer kwaad willen. 1SAM 25:27 Laat deze goede gaven, die uw dienaren voor mijn heer heeft meegebracht, overhandigen aan de mannen die mijn heer op zijn tochten vergezellen. 1SAM 25:28 Vergeef toch de nalatigheid van uw dienares. Jahwe zal voor mijn heer een duurzaam huis bouwen en in stand houden, want mijn heer voert de oorlogen van Jahwe, en er zal bij u geen spoor van kwaad te vinden zijn, zolang u leeft. 1SAM 25:29 Mocht er ooit iemand zijn die u vervolgt en naar het leven staat, dan zal mijn heer geborgen zijn in de beurs van het leven, en Jahwe uw God zal uw vijanden wegslingeren als een steen uit de holte van de slinger. 1SAM 25:30 En als Jahwe al het goede dat Hij aan mijn heer beloofd heeft gaat voltrekken, en u aanstelt als vorst van Israël, 1SAM 25:31 dan mag mijn heer nooit reden hebben tot zelfverwijt of wroeging, omdat hij nodeloos bloed heeft vergoten en het recht in eigen hand heeft genomen. En wanneer jahwe mijn heer eenmaal voorgoed heeft geschonken, wees dan uw dienares indachtig.' 1SAM 25:32 Toen zei David tot Abigail: `Gezegend zij Jahwe, de God van Israël, die u vandaag op mijn weg heeft gezonden. 1SAM 25:33 Gezegend uw schranderheid en gezegend uzelf, omdat u mij belet hebt, bloedschuld op mij te laden door het recht in eigen hand te nemen. 1SAM 25:34 Maar weet wel: zowaar Jahwe leeft, de God van Israël, die mij ervoor behoed heeft u kwaad te doen: was u niet zo vlug naar mij toegekomen, dan was er morgenochtend bij Nabal geen manspersoon meer in leven geweest.' 1SAM 25:35 Toen nam David haar gaven in ontvangst en zei tot haar: `Ga in vrede naar huis; ik voldoe aan uw verzoek en ik ben u terwille.' 1SAM 25:36 Bij haar thuiskomst zag Abigail dat Nabal een vorstelijk feestmaal had aangericht. Daar Nabal vrolijk en zwaar beschonken was, repte zij met geen woord over het gebeurde en wachtte tot de volgende morgen aanbrak. 1SAM 25:37 De volgende morgen, toen Nabal zijn roes had uitgeslapen, vertelde zijn vrouw hem wat zij gedaan had. Zijn hart stokte en hij werd als een steen. 1SAM 25:38 Een dag of tien later sloeg Jahwe Nabal en hij stierf. 1SAM 25:39 Toen David vernam dat Nabal dood was, zei hij: `Gezegend zij Jahwe, die het voor mij heeft opgenomen en de smaad mij door Nabal aangedaan, op hem gewroken heeft! Jahwe heeft zijn dienaar van een misstap weerhouden en Hij heeft Nabals wandaad op zijn eigen hoofd doen neerkomen.' David zond boden naar Abigail om haar mee te delen dat hij haar tot vrouw wilde nemen. 1SAM 25:40 De dienaren van David gingen dus naar Abigail in Karmel en zeiden haar: `David heeft ons naar u toe gezonden, want hij wil u tot vrouw nemen.' 1SAM 25:41 Zij stond op, boog zich neer tot op de grond en antwoordde: `Zie, uw dienares wil de slavin zijn die de dienaren van mijn meester de voeten wast.' 1SAM 25:42 Abigail maakte zich aanstonds gereed, ging op haar ezel zitten en volgde, vergezeld voor haar vijf dienaressen, de boden van David. Zo werd Abigail zijn vrouw. 1SAM 25:43 David was al gehuwd met Achinoam uit Jizreël; zij waren beiden Davids vrouw. 1SAM 25:44 Saul had zijn dochter Mikal, de vrouw van David, aan Palti gegeven, de zoon van Lais uit Gallim. 1SAM 26:1 De Zifieten begaven zich naar Saul in Gibea en zeiden: `Weet u dat David zich schuilhoudt op de heuvel Chakila ten oosten van de wildernis?' 1SAM 26:2 Toen begaf Saul zich met drieduizend uitgelezen Isralieten op weg naar de woestijn van Zif om David daar te zoeken. 1SAM 26:3 Boven op de heuvel Chakila die oostelijk van de wildernis ligt, aan de weg, sloeg Saul zijn kamp op. David, die zich daar in de woestijn ophield, bemerkte dat Saul hem tot in de woestijn gevolgd was. 1SAM 26:4 Toen zond David verspieders uit en kwam precies te weten, waar Saul was aangekomen. 1SAM 26:5 David begaf zich op weg en kwam bij de plaats waar Saul gelegerd was. David wist te achterhalen, waar Saul met Abner, de zoon van Ner, de legeroverste van Saul, gelegerd was: hij lag in het wagenkamp, terwijl het volk er in een kring omheen was gelegerd. 1SAM 26:6 David zei tot Achimelek, de Hethiet, en Abisai, de zoon van Seruja en broer van Joab: `Wie gaat er met mij mee naar Saul in de legerplaats?' Abisai antwoordde: `Ik ga mee.' 1SAM 26:7 David en Abisai kwamen in de nacht bij het leger aan en daar lag Saul in het wagenkamp te slapen. Zijn lans stond bij zijn hoofdeinde in de grond gestoken; Abner en zijn mannen lagen in een kring om hem heen. 1SAM 26:8 Toen zei Abisai tot David: `Nu levert God uw vijand aan u over. Laat mij hem met zijn eigen lans aan de grond priemen! Een stoot! Meer is niet nodig!' 1SAM 26:9 Maar David zei tot Abisai: `Neen, dood hem niet! Wie slaat ongestraft de hand aan de gezalfde van Jahwe?' 1SAM 26:10 David zei: `Zowaar Jahwe leeft: Jahwe zal hem slaan, hetzij dat zijn dag komt en hij sterft, hetzij dat hij ten strijde trekt en weggerukt wordt. 1SAM 26:11 Jahwe behoede mij ervoor, dat ik de hand zou slaan aan de gezalfde van Jahwe! Maar pak de lans die aan zijn hoofdeinde staat en de waterkruik, en laten we ons dan terugtrekken.' 1SAM 26:12 David nam de lans en de waterkruik van het hoofdeinde van Saul weg en zij trokken zich terug. Niemand zag het, niemand merkte iets, niemand werd wakker; iedereen sliep door, want Jahwe had hen in een diepe slaap gedompeld. 1SAM 26:13 Toen David aan de overkant gekomen was, ging hij ver weg op de top van een berg staan, zodat er een grote afstand tussen hen was. 1SAM 26:14 Vandaar riep David tot het leger en tot Abner, de zoon van Ner: `Geef eens antwoord, Abner!' Abner riep terug: `Wie ben jij daar die de koning roept?' 1SAM 26:15 Daarop riep David tot Abner: `Jij bent toch een kerel die in Israël zijns gelijke niet heeft? Waarom heb jij dan je heer en koning niet bewaakt? Er is iemand geweest om je heer en koning te doden. 1SAM 26:16 Je hebt je niet gedragen zoals het behoort. Zowaar Jahwe leeft: jullie verdienen de dood, omdat jullie je heer, de gezalfde van Jahwe niet bewaakt hebt. Kijk maar eens waar de lans van de koning is, en de waterkruik, die aan zijn hoofdeind stonden.' 1SAM 26:17 Saul herkende de stem van David en zei: `Ben jij dat, mijn zoon?' David antwoordde: `Ja, heer koning.' 1SAM 26:18 David zei: `Waarom vervolgt mijn heer zijn dienaar? Wat heb ik toch gedaan en wat voor kwaad heb ik bedreven? 1SAM 26:19 Laat mijn heer en koning toch luisteren naar zijn dienaar. Als het Jahwe is die u tegen mij opzet: Hij laat zich verzoenen door de geur van een offer. Maar als het mensen zijn, dan moge Jahwe hen vervloeken, omdat ze mij verjaagd hebben, mij nu buiten Jahwe's land houden en zeggen: Ga meer andere goden dienen. 1SAM 26:20 Neen, laat mijn bloed niet ongestraft vergoten worden, ver van het aanschijn van Jahwe, nu de koning van Israël is uitgetrokken om een vlo te zoeken, nu hij op een patrijs jaagt in de bergen.' 1SAM 26:21 Toen zei Saul: `Ik heb verkeerd gedaan. Kom terug, mijn zoon David: ik zal je geen kwaad meer doen, omdat je vandaag zoveel eerbied voor mijn leven hebt getoond. Ja, ik heb als een dwaas gehandeld en mij zwaar misdragen.' 1SAM 26:22 David antwoordde: `Hier is uw lans, koning, laat een van uw mannen hem maar komen halen. 1SAM 26:23 Jahwe zal ieders rechtschapenheid en trouw vergelden. Jahwe had u vandaag aan mij overgeleverd, maar ik heb de hand niet willen slaan aan zijn gezalfde. 1SAM 26:24 Zoals ik vandaag uw leven kostbaar geacht heb, zo moge Jahwe mijn leven kostbaar achten en moge Hij mij bevrijde n uit alle gevaar.' 1SAM 26:25 En Saul zei tot David: `Gezegend ben je, mijn zoon David; veel zul je doen en tot veel in staat zijn.' Toen ging David weg en Saul keerde terug naar zijn woonplaats. 1SAM 27:1 David echter dacht bij zichzelf: `Vandaag of morgen val ik toch nog in de handen van Saul. Er zit voor mij niets anders op dan mijn toevlucht te zoeken in het land van de Filistijnen. Dan geeft Saul het wel op, nog langer heel het gebied van Israël naar mij af te zoeken; dan ben ik aan zijn greep ontkomen.' 1SAM 27:2 David trok dus met zijn zeshonderd mannen naar Akis, de zoon van Maok en koning van Gat. 1SAM 27:3 Zo vestigde David zich met zijn mannen bij Akis in Gat, ieder met zijn gezin, en David met zijn twee vrouwen: Achinoam uit Jizreël en Abigail, de vrouw van Nabal uit Karmel. 1SAM 27:4 Toen men Saul vertelde dat David naar Gat gevlucht was, zocht hij niet langer naar hem. 1SAM 27:5 Nu zei David tot Akis: `Wees zo goed ervoor te zorgen dat men mij een woonplaats aanwijst in een van de steden in de provincie. Waarom zou uw dienaar bij u in de koningsstad wonen?' 1SAM 27:6 Akis gaf hem toen Siklag; daarom is Siklag tot op de huidige dag in het bezit van de koningen van Juda. 1SAM 27:7 David verbleef op Filistijnse bodem gedurende een jaar en vier maanden. 1SAM 27:8 Hij trok er met zijn mannen op uit en zij deden overvallen op de Gesurieten, de Gizrieten en de Amalekieten; het waren immers deze stammen die van oudsher het gebied bewoonden dat zich uitstrekt in de richting van Sur tot aan Egypte toe. 1SAM 27:9 Als David in die streek ergens toesloeg, liet hij geen man of vrouw in leven, maar de schapen, runderen, ezels, kamelen en kledingstukken maakte hij buit, keerde daarmee terug en meldde zich bij Akis. 1SAM 27:10 Als Akis dan vroeg, waar ze dit maal een overval gedaan hadden, zei David: `In de Negeb van Juda,' of: `In de Negeb van de Jerachmeelieten,' of: `In de Negeb van de Kenieten'. 1SAM 27:11 David liet geen man of vrouw in leven, want hij wilde ze niet naar Gat brengen omdat hij vreesde dat ze hem zouden verraden en zouden vertellen wat hij gedaan had. Zo ging David te werk, zolang hij op Filistijnse bodem verbleef. 1SAM 27:12 Daarom kreeg Akis vertrouwen in David; hij dacht namelijk: `Bij zijn eigen volk in Israël heeft hij het nu verbruid; hij blijft voortaan mijn dienaar.' 1SAM 28:1 Toen de Filistijnen in die dagen hun troepen op de been brachten om oorlog te voeren tegen de Israëlieten, zei Akis tot David: `Weet wel dat u en uw mannen met mij te velde moeten trekken.' 1SAM 28:2 David antwoordde: `Goed, u zult eens zien wat uw dienaar gaat doen.' En Akis zei tot David: `Uitstekend! Dan stel ik u voor altijd als mijn lijfwacht aan.' 1SAM 28:3 Samuël was gestorven en de Israëlieten hadden over hem de rouwklacht gehouden en hem begraven in zijn vaderstad Rama. Saul had de dodenbezweerders en waarzeggers uit het land verdreven. 1SAM 28:4 De Filistijnen brachten dus hun troepen op de been, trokken het land binnen en sloegen hun kamp op bij Sunem. Saul bracht de Israëlieten op de been en zij legerden zich op de Gilboa. 1SAM 28:5 Toen Saul het leger van de Filistijnen zag, sloeg de schrik hem om het hart. 1SAM 28:6 Hij raadpleegde Jahwe, maar Jahwe gaf hem geen antwoord, noch door dromen, noch door de oerim, noch door de profeten. 1SAM 28:7 Toen zei Saul tot zijn hovelingen: `Zoekt mij een vrouw die macht heeft over de schimmen van de doden; dan ga ik haar raadplegen.' De hovelingen antwoordden: `In Endor woont een vrouw die macht heeft over de schimmen.' 1SAM 28:8 Saul maakte zich onherkenbaar door andere kleren aan de trekken en ging zo met twee mannen op weg. In de nacht kwamen zij bij de vrouw aan en hij zei: `U moet voor mij een schim raadplegen; roep de geest op van degene die ik u zal noemen.' 1SAM 28:9 De vrouw antwoordde: `U weet toch wel wat Saul gedaan heeft? Hij heeft immers het land van dodenbezweerders en waarzeggers gezuiverd. Waarom probeert u mij in de val te lokken en mij zo de dood in te jagen?' 1SAM 28:10 Toen zwoer Saul haar bij Jahwe en zei: `Zowaar Jahwe leeft: u zult hier niet voor gestraft worden.' 1SAM 28:11 Daarop vroeg de vrouw: `Wie moet ik voor u oproepen?' Saul antwoordde: `Roep Samuël voor mij op.' 1SAM 28:12 Toen de vrouw Samuël zag, begon ze luid te gillen en zei tot Saul: `Waarom hebt u mij bedrogen? U bent Saul zelf!' 1SAM 28:13 De koning antwoordde: `Wees maar niet bang; wat ziet u?' Ze antwoordde: `Ik zie een goddelijk wezen uit de aarde oprijzen.' 1SAM 28:14 Saul vroeg haar: `Hoe ziet het er uit?' Zij antwoordde: `Het is een oude man, in een mantel gehuld.' Toen wist Saul zeker dat het Samuël was; hij maakte een diepe buiging tot op de grond. 1SAM 28:15 Samuël sprak tot Saul: `Waarom stoort u mij door mij op te roepen?' Saul antwoordde: `Ik ben ten einde raad; de Filistijnen voeren oorlog tegen mij en God heeft zich van mij afgewend; Hij antwoordt mij niet meer, noch door profeten, noch door dromen. Daarom heb ik u opgeroepen om mij kenbaar te maken wat ik doen moet.' 1SAM 28:16 Toen zei Samuël: `Maar waarom ondervraagt u mij, als Jahwe zich van u heeft afgewend en uw vijand is geworden? 1SAM 28:17 Jahwe brengt nu ten uitvoer wat Hij door mij voorzegd heeft: Hij ontrukt u het koningschap en geeft het aan die ander, aan David. 1SAM 28:18 U hebt niet geluisterd naar het bevel van Jahwe, en zijn gloeiende toorn niet op Amalek doen neerkomen; daarom laat Jahwe nu dit alles op u neerkomen. 1SAM 28:19 Jahwe zal met u ook Israël aan de Filistijnen overleveren. Morgen zult u samen met uw zonen bij mij zijn en Jahwe zal ook het legerkamp van Israël aan de Filistijnen overleveren.' 1SAM 28:20 Saul schrok zo van de woorden van Samuël dat hij languit tegen de grond sloeg. Hij was ook aan het einde van zijn krachten, want de hele dag en de hele nacht had hij niets gegeten. 1SAM 28:21 De vrouw kwam naar Saul toe en zag dat hij volkomen overstuur was. Ze zei tot hem: `Kom, uw dienares heeft naar u geluisterd; ik heb mijn leven op het spel gezet en geluisterd naar wat u mij zei: 1SAM 28:22 Luister nu zelf ook naar uw dienares. Laat mij u een stuk brood voorzetten. Eet dat op; dan bent u weer in staat, uw weg te vervolgen.' 1SAM 28:23 Maar hij weigerde en zei: `Neen, ik eet niet.' Pas toen de hovelingen en ook de vrouw bij hem aandrongen, gaf hij toe; hij kwam overeind en ging op de rustbank zitten. 1SAM 28:24 De vrouw had een mestkalf op stal staan en haastte zich dat te slachten. Zij haalde meel, maakte deeg en bakte er ongezuurde broden van. 1SAM 28:25 Dat alles zette zij Saul en zijn hovelingen voor. Toen ze gegeten hadden, stonden ze op en gingen nog dezelfde nacht heen. 1SAM 29:1 De Filistijnen brachten al hun troepen op de been te Afek, terwijl de Israëlieten gelegerd waren bij de bron te Jizreël. 1SAM 29:2 Tijdens het defilé van de stadsvorsten van de Filistijnen, aan het hoofd van hun afdelingen van honderd en duizend, liepen David en zijn mannen met Akis achteraan. 1SAM 29:3 De aanvoerders van de Filistijnen vroegen: `Wat doen die Hebreeërs hier?' Akis antwoordde hun: `Dat is toch David, de hoveling van koning Saul van Israël, die al sinds jaar en dag bij mij is! Vanaf de dag dat hij overgelopen is tot op heden heb ik niets op hem aan te merken gehad.' 1SAM 29:4 Maar de aanvoerders van de Filistijnen beten hem woedend toe: `Stuur die man terug naar de woonplaats die u hem aangewezen hebt. Geen sprake van dat hij met ons ten strijde trekt! Hij zou zich in het gevecht tegen ons kunnen keren. Waarmee zou die kerel bij zijn meester beter in de gunst kunnen komen dan met onze hoofden? 1SAM 29:5 Het is toch diezelfde David, over wie ze in reidansen gezongen hebben: Bij duizenden sloeg Saul ze neer, maar David bij tienduizenden?' 1SAM 29:6 Toen riep Akis David bij zich en zei tot hem: `Zowaar Jahwe leeft, u bent een eerlijk man en ik stel er prijs op dat u in alles met mijn leger meedoet, want vanaf de dag dat u bij me gekomen bent tot op heden heb ik niets op u aan te merken gehad. Maar de stadsvorsten mogen u niet. 1SAM 29:7 Ga dus in vrede naar huis terug; dan geeft u de stadsvorsten van de Filistijnen geen aanstoot.' 1SAM 29:8 Maar David zei tot Akis: `Wat heb ik misdaan? Wat hebt u, sinds ik in uw dienst kwam, tot op heden toe aan te merken gehad op uw dienaar, dat ik niet mee ten strijde mag trekken tegen de vijanden van mijn heer en koning?' 1SAM 29:9 Akis antwoordde: `Ik weet wel dat ik u zeer waardeer, als wat u een engel van God. Maar de aanvoerders van de Filistijnen hebben nu eenmaal gezegd dat u niet met ons ten strijde mag trekken. 1SAM 29:10 Maak u morgen vroeg gereed, met de dienaren van uw heer die met u gekomen zijn; morgenvroeg moet u zich klaarmaken en met het daglicht vertrekken.' 1SAM 29:11 David maakte zich dus vroeg in de ochtend met zijn manschappen gereed om naar het land van de Filistijnen terug te keren. De Filistijnen rukten op naar Jizreël. 1SAM 30:1 Drie dagen later kwamen David en zijn manschappen in Siklag aan. Inmiddels hadden de Amalekieten een tocht ondernomen tegen de Negeb en tegen Siklag. Ze hadden Siklag overvallen en in brand gestoken; 1SAM 30:2 Ze hadden er alle vrouwen, jong en oud, gevangen genomen. Ze hadden niemand gedood, maar toen ze wegtrokken alles meegevoerd. 1SAM 30:3 Toen David en zijn mannen bij Siklag kwamen, lag de stad platgebrand en waren hun vrouwen met hun zonen en dochters als gevangenen weggevoerd. 1SAM 30:4 David en zijn mannen barstten in tranen uit en schreiden tot ze geen kracht om te schreien meer over hadden. 1SAM 30:5 Ook de twee vrouwen van David waren gevangen genomen: Achinoam uit Jizreël, en Abigail, de vrouw van Nabal uit Karmel. 1SAM 30:6 David was ten einde raad; de mannen waren zo verbitterd om het verlies van hun zonen en dochters dat ze hem wilden stenigen. Maar David vermande zich in vertrouwen op Jahwe zijn God 1SAM 30:7 en zei tot de priester Abjatar, de zoon van Achimelek; `Breng mij de efod.' En Abjatar bracht de efod bij David. 1SAM 30:8 Daarop vroeg David aan Jahwe: `Zal ik achter die bende aangaan? Haal ik ze nog in?' Jahwe antwoordde: `Ga hen achterna; ge zult ze inhalen en alles weer terugkrijgen.' 1SAM 30:9 Dus ging David op weg, met zijn zeshonderd man. De rest bleef achter. Toen ze bij de beek Besor gekomen waren, 1SAM 30:10 zette David met vierhonderd man de achtervolging voort; tweehonderd man waren te vermoeid om de beek Besor over te steken en zij bleven achter. 1SAM 30:11 Onderweg troffen ze ergens een Egyptenaar aan en brachten hem bij David. Ze gaven hem brood te eten en lieten hem water drinken. 1SAM 30:12 Ook geven ze hem een plak samengeperste vijgen en twee rozijnenkoeken. Toen hij gegeten had, keerden zijn krachten terug; hij had drie dagen en drie nachten niets gegeten of gedronken. 1SAM 30:13 Daarop vroeg David hem: `Van wie bent u en waar komt u vandaan?' Hij antwoordde: `Ik ben een Egyptenaar, slaaf van een Amalekiet; mijn meester heeft mij drie dagen geleden aan mijn lot overgelaten, omdat ik ziek werd. 1SAM 30:14 Wij hadden een inval gedaan in de Negeb van de Keretieten, in het gebied van Juda en in de Negeb van Kaleb en daarbij Siklag in brand gestoken.' 1SAM 30:15 David vroeg hem: `Wil je ons de weg wijzen naar die bende?' De slaaf antwoordde: `Als u mij bij God zweert dat u mij niet zult doden of uitleveren aan mijn meester, dan zal ik u de weg wijzen naar die bende.' 1SAM 30:16 Hij bracht hem bij de Amalekieten. Die lagen her en der verspreid te eten en te drinken en deden zich te goed aan de geweldige buit die ze uit het land van de Filistijnen en uit Juda hadden meegenomen. 1SAM 30:17 Van de schemering tot de avond van de volgende dag bleef David op hen inslaan. Geen Amalekiet ontkwam, behalve vierhonderd jonge mannen die op hun kamelen sprongen en ontsnapten. 1SAM 30:18 Alles wat de Amalekieten meegenomen hadden kreeg David weer in handen; ook zijn beide vrouwen bevrijdde hij: 1SAM 30:19 geen mens, jong of oud, geen zoon of dochter werd hun gelaten; de hele buit, alles wat ze geroofd hadden, bracht David terug. 1SAM 30:20 Hij legde beslag op al de schapen en runderen; ze dreven die voor de tros uit en zeiden: `Dit is de buit van David!' 1SAM 30:21 Toen David weer terugkwam bij de tweehonderd mannen die te vermoeid waren geweest om mee te gaan en die hij bij de beek Besor had achtergelaten, liepen die hem en zijn mannen tegemoet. David trad op hen toe en vroeg hoe zij het maakten. 1SAM 30:22 Maar de boeven en booswichten onder de mannen die met David waren meegegaan begonnen te mopperen: `Die zijn toch niet met ons mee geweest! Ze krijgen niets van de buit die wij bemachtigd hebben! Alleen hun vrouwen en kinderen!' 1SAM 30:23 Maar David zei: `Neen broeders, dat kan niet. Het gaat hier om een gave van Jahwe. Hij heeft ons beschermd en Hij heeft de bende die ons had aangevallen aan ons overgeleverd. 1SAM 30:24 Dacht u dat iemand het met zo iets eens kon zijn? Het deel van wie bij de tros blijft. Ze moeten samen delen.' 1SAM 30:25 Zo is het sindsdien gebleven; David maakte het toen tot wet en recht in Israël en het geldt tot op de huidige dag. 1SAM 30:26 Toen David in Siklag teruggekomen was, zond hij aan de oudsten van Juda, die zijn vrienden waren, een gedeelte van de buit, met de boodschap: `Hier is voor u een geschenk; het is buitgemaakt op de vijanden van Jahwe.' 1SAM 30:27 Het waren de oudsten van Betuël, van Ramot in de Negeb, van Jattir, 1SAM 30:28 van Aroer, van Sifmot, van Estemoa, 1SAM 30:29 van Rakal, van de steden der Jerachmeelieten, van de steden der Kenieten, 1SAM 30:30 van Chorma, van Bor asan, van Atak, 1SAM 30:31 van Hebron en van alle plaatsen waar David en zijn mannen rondgezworven hadden. 1SAM 31:1 De Filistijnen streden tegen Israël. De Israëlieten sloegen voor de Filistijnen op de vlucht en velen sneuvelden op het gebergte van Gilboa. 1SAM 31:2 De Filistijnen drongen door tot bij Saul en zijn zonen en doodden Jonatan, Abinadab en Malkisua, zonen van Saul. 1SAM 31:3 Nu kreeg Saul het zwaar te verduren. De boogschutters kregen hem onder schot en Saul was zo bevreesd voor hen 1SAM 31:4 dat hij tot zijn wapendrager zei: `Trek je zwaard en doorsteek mij; anders gaan die onbesnedenen mij doorboren en de spot met mij drijven!' Maar zijn wapendrager wilde dat niet doen. Daarop nam Saul zelf het zwaard en stortte zich erin. 1SAM 31:5 Toen de wapendrager zag dat Saul dood was, stortte ook hij zich in zijn zwaard en stierf met hem. 1SAM 31:6 Zo stierven op een en dezelfde dag Saul, zijn drie zonen, zijn wapendrager en ook al zijn mannen. 1SAM 31:7 Toen de Israëlieten aan de overzijde van de vlakte en aan de overzijde van de Jordaan zagen dat het leger van Israël op de vlucht was geslagen en dat Saul en zijn zonen gestorven waren, verlieten ze de steden en namen de vlucht. Daarop kwamen de Filistijnen en gingen in die steden wonen. 1SAM 31:8 Toen de Filistijnen de volgende dag de lijken kwamen plunderen; ze lagen in het bergland van Gilboa. 1SAM 31:9 Ze sloegen hem het hoofd af, trokken hem zijn wapenrusting uit en zonden in het land van de Filistijnen boden rond om in de tempels van hun afgoden en onder het volk het blijde nieuws te melden. 1SAM 31:10 Zijn wapenrusting legden ze neer in de tempel van Astarte en zijn lijk hingen ze aan de muur van Bet san. 1SAM 31:11 Toen de inwoners van Jabes in Gilead vernamen wat de Filistijnen met Saul gedaan hadden, 1SAM 31:12 trokken alle weerbare mannen uit; ze liepen de hele nacht door en haalden de lijken van Saul en zijn zonen van de muur van Bet san weg. In Jabes teruggekomen, 1SAM 31:13 verbrandden ze daar de lijken. Ze verzamelden de beenderen en begroeven die onder de tamarisk in Jabes. Daarna vastten ze gedurende zeven dagen. HET TWEEDE BOEK SAMUËL 2SAM 1:1 Na de dood van Saul gebeurde het volgende: David, die teruggekeerd was van zijn overwinning op de Amalekieten, was reeds twee dagen in Siklag, 2SAM 1:2 toen daar op de derde dag een man aankwam, uit het legerkamp van Saul. Hij had zijn kleren gescheurd en aarde op zijn hoofd gestrooid. Bij David gekomen, boog hij zich neer tot op de grond en bracht hem zijn hulde. 2SAM 1:3 David vroeg hem: `Waar komt u vandaan?' Hij antwoordde: `Ik ben ontkomen uit het legerkamp van Israël.' 2SAM 1:4 Daarop vroeg David hem: `Wat is er dan gebeurd? Vertel het me.' Hij antwoordde: `Het leger heeft de strijd opgegeven en is op de vlucht geslagen. Velen van het volk zijn gesneuveld; ook Saul en zijn zoon Jonatan zijn dood.' 2SAM 1:5 Toen vroeg David de jongeman die hem dit verteld had: `Hoe weet je dat Saul en zijn zoon Jonatan dood zijn?' 2SAM 1:6 De jongeman die hem dit verteld had antwoordde: `Ik kwam toevallig in het Gilboagebergte, toen ik daar ineens Saul zag, steunend op zijn lans; wagens en ruiters stormden op hem af. 2SAM 1:7 Hij keek om en toen hij mij zag, riep hij me. Ik antwoordde: Wat kan ik voor u doen? 2SAM 1:8 Hij vroeg: Wie bent u? Ik antwoordde: Een Amalekiet. 2SAM 1:9 Toen zei hij: Kom voor mij staan en dood mij, want ofschoon het leven nog in mij is, grijpt de doodskramp mij aan. 2SAM 1:10 Ik trad op hem toe en doodde hem, omdat ik wist dat hij zijn val niet zou overleven. Toen heb ik de diadeem van zijn hoofd genomen en de armband van zijn arm; ik heb ze meegebracht voor mijn heer.' 2SAM 1:11 Toen greep David zijn kleed en scheurde het middendoor; dat deden ook al de mannen die bij hem waren. 2SAM 1:12 Ze hielden de rouwklacht en weenden en vastten tot de avond over Saul en zijn zoon Jonatan, en over het volk van Jahwe, over Israël, omdat zij door het zwaard waren omgekomen. 2SAM 1:13 David vroeg de jongeman die hem dit verteld had: `Waar bent u vandaan?' Hij antwoordde: `Ik ben de zoon van een Amalekiet die hier als vreemdeling verbleef.' 2SAM 1:14 David zei tot hem: `Hoe hebt u het gewaagd u te vergrijpen aan de gezalfde van Jahwe en hem te vermoorden?' 2SAM 1:15 Toen riep David een van zijn knechten en zei: `Kom hier, stoot die man neer!' De knecht stak hem neer en hij stierf. 2SAM 1:16 En David zei: `Uw bloed komt neer op uw eigen hoofd; u hebt uw eigen oordeel geveld door te zeggen: Ik ben degene die de gezalfde van Jahwe gedood heeft.' Saul en Jonatan 2SAM 1:17 Toen zong David dit klaaglied op Saul en zijn zoon Jonatan. 2SAM 1:18 Hij beval de Judeeërs dit lied te leren, het lied van de boog: het staat opgetekend in het Boek van de Rechtvaardige; 2SAM 1:19 Uw glorie, Israël, ging op uw hoogten te gronde. Hoe konden zij vallen, die helden? 2SAM 1:20 Gaat het niet melden in Gat, roept het niet om door de straten van Askelon, dat de dochters der Filistijnen zich niet verheugen, de dochters der onbesnedenen niet juichen! 2SAM 1:21 Bergen van Gilboa, geen dauw meer, geen regen op u, op die hooggelegen velden; daar werd het schild van de helden besmeurd, het schild van Saul, niet langer met olie gezalfd. 2SAM 1:22 Zonder het bloed van verslagenen, zonder het vet van helden keerde Jonatans boog nooit terug en het zwaard van Saul kwam nooit onverzadigd weerom. 2SAM 1:23 Saul en Jonatan, zo geliefd, zo schoon, in leven en dood niet gescheiden, sneller dan arenden waren zij, sterker dan leeuwen. 2SAM 1:24 Dochters van Israël, treurt over Saul die in heerlijk purper u kleedde en die uw gewaden tooide met goud! 2SAM 1:25 Hoe konden zij vallen, die helden? Jonatan ligt op uw hoogten, geveld in het heetst van de strijd. 2SAM 1:26 Zwaar drukt mij jouw dood, mijn broeder Jonatan: jij was mij zo lief; jouw liefde verrukte mij meer dan de liefde van vrouwen. 2SAM 1:27 Hoe konden zij vallen, die helden: hoe konden die wapens vergaan? 2SAM 2:1 Na dit alles vroeg David aan Jahwe: `Zal ik naar een van de steden van Juda gaan?' Jahwe antwoordde: `Ga.' En toen David vroeg: `Waarheen zal ik gaan?' antwoordde Jahwe: `Naar Hebron.' 2SAM 2:2 Daar ging David dus heen met zijn beide vrouwen, Achinoam uit Jizreël en Abigail, de vrouw van Nazabal, uit Karmel. 2SAM 2:3 Hij liet de mannen die bij hem waren met hem meegaan, ieder met zijn gezin, en ze vestigden zich in de steden van Hebron. 2SAM 2:4 Toen kwamen de Judeeërs daar samen en zij zalfden er David tot koning over Juda. Toen men David mededeelde: `Saul is begraven door de mannen van Jabes in Gilead.' 2SAM 2:5 zond hij boden naar de mannen van Jabes in Gilead en liet hun zeggen: Weest gezegend door Jahwe, omdat u aan Saul, uw heer, deze liefdedienst hebt bewezen en hem begraven hebt. 2SAM 2:6 Moge Jahwe u daarom zijn liefde en trouw bewijzen. Ook ik zal u mijn goedgunstigheid tonen, omdat u dit gedaan hebt. 2SAM 2:7 Houdt goede moed en weest dappere mannen. Uw heer Saul is wel gestorven, maar de Judeeërs hebben mij nu tot hun koning gezalfd. 2SAM 2:8 Abner, de zoon van Ner en legeroverste van Saul, haalde Isboset, de zoon van Saul, maar Machanaim 2SAM 2:9 en verhief hem tot koning over Gilead, over de Asurieten en over Jizreël, over Efraïm en over Benjamin, dus over geheel Israël. 2SAM 2:10 Isboset, de zoon van Saul, was veertig jaar toen hij koning werd over Israël en hij regeerde twee jaar. Achter David stond alleen de stam Juda. 2SAM 2:11 Gedurende zeven jaar en zes maanden was David te Hebron koning over de stam Juda. 2SAM 2:12 Abner, de zoon van Ner, trok met de dienaren van Isboset, de zoon van Saul, van Machanaim naar Gibeon. 2SAM 2:13 Joab, de zoon van Seruja, was op weg gegaan met de dienaren van David. Ze ontmoetten elkaar bij de vijver van Gibeon en bleven aan weerskanten van de vijver staan. 2SAM 2:14 Toen zei Abner tot Joab: `Laat de jonge mannen aantreden en in onze tegenwoordigheid een gevecht ten beste geven.' Joab antwoordde: `Dat is goed.' 2SAM 2:15 Ze traden aan en werden geteld: twaalf mannen van Benjamin en van Isboset, de zoon van Saul, en twaalf van de dienaren van David. 2SAM 2:16 Ieder van hen greep zijn tegenstander bij de haren en stootte zijn zwaard in de zijde van zijn tegenstander, zodat ze samen neerstortten. Daarom heet die plaats het Veld van de messen; ze ligt bij Gibeon. 2SAM 2:17 Daarop ontstond een hevig gevecht; Abner en de mannen van Israël werden door de dienaren van David verslagen. 2SAM 2:18 Drie zonen van Seruja waren bij dat gevecht: Joab, Abisai en Asaël. Deze Asaël kon lopen als een wilde gazel. 2SAM 2:19 Hij zette Abner na en week geen ogenblik van hem. 2SAM 2:20 Abner keek om en vroeg: `Ben jij dat, Asaël?' Hij antwoordde: `Jazeker.' 2SAM 2:21 Daarop riep Abner hem toe: `Ga liever naar rechts of naar links, grijp een van de jonge mannen en maak je meester van diens wapenrusting.' Maar Asaël wilde niet van Abner wijken. 2SAM 2:22 Daarom zei Abner nog eens tot Asaël: `Ga toch van me weg! Of moet ik je neerslaan? Maar hoe zou ik dan je broer Joab onder ogen kunnen komen?' 2SAM 2:23 Toen Asaël hem nog niet met rust wilde laten, stak Abner hem het eind van zijn lans in de buik, zodat het er aan de andere kant weer uitkwam. Asaël stortte neer en stierf ter plaatse. En allen die bij de plek kwamen waar Asaël was neergestort en gestorven bleven daar stilstaan. 2SAM 2:24 Maar Joab en Abisai gingen Abner achterna. Tegen zonsondergang waren ze bij de heuvel van Amma gekomen, ten oosten van Giach, op de weg naar de woestijn van Gibeon. 2SAM 2:25 De Benjaminieten sloten zich bij Abner aan, zodat ze een strijdmacht vormden; ze vatten post op de post van de heuvel. 2SAM 2:26 Toen riep Abner naar Joab: `Moet het zwaard dan maar blijven verslinden? Begrijpt u niet dat dit op een ramp uitloopt? Wanneer zult u het leger eindelijk bevel geven de achtervolging van zijn broeders te staken?' 2SAM 2:27 Joab antwoordde: `Zowaar God leeft, had u dit maar eerder gezegd! Dan had het volk zich vanmorgen al teruggetrokken en de achtervolging van zijn broeders gestaakt.' 2SAM 2:28 Toen liet Joab de bazuin blazen en heel het leger maakte halt; het achtervolgde de Israëlieten niet langer en staakte de strijd. 2SAM 2:29 Abner en zijn mannen trokken heel die nacht lang door de Araba, staken de Jordaan over, volgden het gehele ravijn en bereikten Machanaim. 2SAM 2:30 Toen Joab de achtervolging van Abner gestaakt had, verzamelde heel het leger zich; van de dienaren van David ontbraken er negentien. Asaël niet meegerekend. 2SAM 2:31 Maar de dienaren van David hadden onder de Benjaminieten een slachting aangericht, zodat er bij de mannen van Abner driehonderdzestig doden waren. 2SAM 2:32 Ze namen Asaël mee en begroeven hem in het graf van zijn vader te Betlehem. Daarna trokken Joab met zijn manschappen heel de nacht door, en toen het licht werd, waren ze in Hebron. 2SAM 3:1 De strijd tussen het huis van Saul en het huis van David duurde lang. Maar terwijl David gaandeweg sterker werd, werd het huid van Saul steeds zwakker. 2SAM 3:2 In Hebron kreeg David de volgende zonen; zijn eerstgeborene was Amnon, een kind van Achinoam uit Jizreël; 2SAM 3:3 de tweede was Kileab, een kind van Abigail, de vrouw van Nabal uit Karmel; de derde was Absalom, een kind van Maäka, dochter van Talmai, de koning van Gesur; 2SAM 3:4 de vierde was Adonia, een kind van Chaggit; de vijfde was Sefatja, een kind van Abital, 2SAM 3:5 en de zesde was Jitream, een kind van Egla, de vrouw van David. Dit zijn de zonen die David in Hebron kreeg. 2SAM 3:6 Terwijl de strijd tussen het huis van Saul en het huis van David voortduurde, nam in het huis van Saul de macht van Abner steeds toe. 2SAM 3:7 Nu had Saul een bijvrouw gehad, die Rispa heette; ze was een dochter van Ajja. En Isboset vroeg aan Abner: `Waarom hebt u gemeenschap gehad met de bijvrouw van mijn vader?' 2SAM 3:8 Abner werd woedend over deze vraag van Isboset en zei: `Ben ik soms een hondsvot die het met Juda houdt?' Terwijl ik mijn trouwe toon aan het huis van uw vader Saul, aan zijn broers en zijn vrienden, terwijl ik zorg dat u niet in de handen van David valt, komt u mij nu een misstap met die vrouw verwijten? 2SAM 3:9 God mag Abner dit doen en nog erger, als ik David nu niet bezorg wat Jahwe hem onder ede heeft toegezegd: 2SAM 3:10 Dat Hij het koningschap aan het huis van Saul zal ontnemen en dat Hij de troon van David zal vestigen in Israël en Juda, van Dan tot Berseba.' 2SAM 3:11 Isboset kon geen antwoord meer uitbrengen; zo bang was hij voor Abner. 2SAM 3:12 Toen stuurde Abner boden naar David om namens hem te spreken over de vraag, aan wie het land zou toebehoren. Zijn boodschap luidde: `Neem mij als uw bondgenoot; dan zal ik mijn macht in uw dienst stellen om heel Israël op uw hand te brengen.' 2SAM 3:13 David antwoordde: `Goed, ik zal een verbond met u sluiten. Maar ik stel een voorwaarde: wanneer u uw opwachting bij mij komt maken, moogt u mij niet onder de ogen komen zonder Mikal mee te brengen, de dochter van Saul.' 2SAM 3:14 David zond ook de boden naar Isboset, de zoon van Saul, en liet hem zeggen: `Geef Mikal terug, mijn vrouw die ik mij als bruid verworven heb met honderd voorhuiden van Filistijnen. 2SAM 3:15 Toen liet Isboset haar weghalen van haar man, Paltiël, de zoon van Lais. 2SAM 3:16 Haar man ging met haar mee en volgde haar onder tranen tot Bachurim. Toen zei Abner tot hem: `Vooruit, ga naar huis!' En de man ging naar huis. 2SAM 3:17 Abner had een gesprek met de oudsten van Israël en zei tot hen: `U hebt van oudsher David als koning over u gewenst. 2SAM 3:18 Nu moet er ook gehandeld worden. Weet wel dat Jahwe tot David gezegd heeft: Door David, mijn dienaar, zal Ik mijn volk verlossen uit de macht van de Filistijnen en van al zijn vijanden.' 2SAM 3:19 Ook met de Benjaminieten had Abner nog een onderhoud. Daarna ging Abner naar David te Hebron om hem alles mee te delen wat de Israëlieten en de hele stam Benjamin besloten hadden. 2SAM 3:20 Toen Abner, vergezeld van twintig mannen, bij David te Hebron gekomen was, richtte deze een feestmaal voor hen aan. 2SAM 3:21 Daarbij zei Abner tot David: `Nu ga ik alle Israëlieten verzamelen en bij mijn heer en koning brengen; dan sluiten zij een verbond met u en wordt u koning over alles wat u hart verlangt.' Toen liet David Abner gaan en deze vertrok ongehinderd. 2SAM 3:22 Daarop kwam Joab met de dienaren van David terug van een strooptocht en zij brachten een rijke buit mee. Abner was op dat ogenblik niet meer bij David in Hebron, want deze had hem laten gaan en hij was ongehinderd vertrokken. 2SAM 3:23 Toen Joab met heel zijn strijdmacht aankwam, vertelde men hem: `Abner, de zoon van Ner, is bij de koning geweest; de koning heeft hem laten gaan en hij is ongehinderd vertrokken.' 2SAM 3:24 Nu ging Joab naar de koning en zei: `Wat hebt u gedaan? Nu komt daar Abner bij u. Hoe kon u hem laten gaan? Hoe kon hij zo maar vertrekken? 2SAM 3:25 U begrijpt toch dat Abner, de zoon van Ner, gekomen is om u te misleiden, om uw doen en laten te achterhalen en om te weten te komen wat u allemaal onderneemt!' 2SAM 3:26 Daarop ging Joab bij David weg en hij zond Abner boden achterna, die hem bij de put van Sira inhaalden en terug lieten komen. David wist daar niets van. 2SAM 3:27 Toen Abner in Hebron terugkeerde, nam Joab hem binnen de poort terzijde, alsof hij ongestoord met hem wilde spreken, en stak hem daar in de buik; hij stierf om het bloed van Joabs broer Asaël. 2SAM 3:28 Toen David dit vernam, zei hij: `Ik en mijn koningshuis zijn tegenover jahwe onschuldig aan het bloed van Abner, de zoon van Ner, nu en altijd. 2SAM 3:29 Laat het zich keren tegen het hoofd van Joab en tegen heel zijn familie. Moge er in het huis van Joab altijd iemand zijn die druiper of melaatsheid heeft, op krukken steunt, door het zwaard omkomt of honger lijdt!' 2SAM 3:30 Zo is Abner door Joab en zijn broer Abisai vermoord, omdat hij te Gibeon in het gevecht hun broer Asaël gedood had. 2SAM 3:31 En David zei tot Joab en alle mensen die bij hem waren: `Scheurt uw kleren, slaat een zak om uw middel en gaat weeklagend voor Abner uit!' Koning David zelf liep achter de baar. 2SAM 3:32 Zij begroeven Abner te Hebron en de koning weeklaagde luid aan Abners graf: ook alle aanwezigen weeklaagden. 2SAM 3:33 De koning hief een klaaglied aan op Abner; hij zong: `Moest Abner doodgaan zoals een onbenul doodgaat? 2SAM 3:34 Nooit waren uw handen geboeid, nooit uw voeten in ketens geslagen; als door boeven geveld, zo zijt gij gevallen.' Heel het volk bleef weeklagen. 2SAM 3:35 Allen kwamen David troostbrood aanbieden, die dag, maar hij zwoer: `God moge dit met mij doen en nog erger: voor zonsondergang raak ik geen brood of wat dan ook aan.' 2SAM 3:36 Allen waren daar getuigen van en ze bewonderden het, zoals ze alles bewonderden wat de koning deed. 2SAM 3:37 Heel het volk en alle Israëlieten begrepen die dag dat de moord op Abner, de zoon van Ner, niet van de koning was uitgegaan. 2SAM 3:38 De koning zei tot zijn dienaren: `Weet wel dat heden een groot en vooraanstaand man in Israël gevallen is. 2SAM 3:39 Maar al ben ik ook tot koning gezalfd, ik sta nu nog te zwak, en tegen die leden, de zonen van Seruja, ben ik niet opgewassen. Moge Jahwe de boosdoener naar zijn boosheid vergelden.' 2SAM 4:1 Toen Isboset, de zoon van Saul, vernam dat Abner in Hebron vermoord was, ontzonk hem de moed en de schrik sloeg heel Israël om het hart 2SAM 4:2 De zoon van Saul had twee bendeleiders in zijn dienst; de een heette Baana, de ander Rekab. Het waren zonen van Rimmon de Beerotiet, die behoorde bij de Benjaminieten. Beerot wordt namelijk ook bij Benjamin gerekend, 2SAM 4:3 omdat de Beerotieten naar Gittaim gevlucht zijn en daar tot op heden als vreemdelingen verblijven. 2SAM 4:4 Sauls zoon Jonatan had een zoon met ongelukkige voeten. Toen uit Jizreël de tijding kwam over Saul en Jonathan de jongen was toen vijf jaar had zijn verzorgster hem opgenomen om te vluchten; in haar haast had ze hem laten vallen en zo was hij kreupel geworden. Hij heette Mefiboset. 2SAM 4:5 De zonen van Rimmon de Beerotiet, Rekab en Baana, begaven zich op weg en bereikten op het heetst van de dag het huis van Isboset, terwijl deze zijn middagslaap deed. 2SAM 4:6 Zij wisten als graandragers het huis binnen te dringen, staken hem in de buik en maakten zich uit de voeten, Rekab en zijn broer Baana. 2SAM 4:7 Ze drongen het huis binnen, terwijl Isboset in zijn slaapkamer op bed lag, en staken hem dood. Ze sloegen zijn hoofd af, namen het mee en liepen over de weg door de Araba, heel de nacht door. 2SAM 4:8 Ze brachten het hoofd van Isboset bij David in Hebron en zeiden tot de koning: `Hier is het hoofd van Isboset, de zoon van Saul, uw vijand die u naar het leven stond. Heden heeft Jahwe u, mijn heer en koning, op Saul en zijn nageslacht gewroken.' 2SAM 4:9 Maar David gaf Rekab en zijn broer Baana, de zonen van Rimmon de Beerotiet, ten antwoord: `Zowaar Jahwe leeft, die mij bevrijd heeft uit alle nood: 2SAM 4:10 de man die mij in Siklag kwam melden dat Saul dood was en meende een goede tijding te brengen heb ik, in plaats van hem bodeloon te geven, gegrepen en gedood. 2SAM 4:11 En nu hebben jullie, booswichten, een onschuldig man in zijn eigen huis op zijn bed vermoord! Hoeveel te meer moet ik nu zijn bloed aan jullie opeisen en jullie van de aarde wegvagen?' 2SAM 4:12 Op een bevel van David werden ze toen door de dienaren gedood. Ze hakten hun de handen en voeten af en hingen ze op bij de rivier in Hebron. Het hoofd van Isboset legden ze in het graf van Abner te Hebron. 2SAM 5:1 Toen begaven alle stammen van Israël zich naar David in Hebron en zeiden: `Hier zijn wij, uw eigen vlees en bloed. 2SAM 5:2 Vroeger al, toen Saul nog over ons regeerde, was u degene die de troepen van Israël aanvoerde. Daarenboven heeft Jahwe u verzekerd: Gij zult mijn volk Israël weiden; gij zijt het die over Israël zult heersen.' 2SAM 5:3 Alle oudsten van Israël kwamen naar de koning in Hebron en koning David sloot met hen in Hebron een verbond ten overstaan van Jahwe en zij zalfden David tot koning over Israël. 2SAM 5:4 David was dertig jaar toen hij koning werd en hij regeerde veertig jaar lang. 2SAM 5:5 In Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda en in Jeruzalem drieëndertig jaar over geheel Israël en Juda. 2SAM 5:6 De koning en zijn mannen trokken op naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, de bewoners van de streek. Die riepen David toe: `Hier komt u niet binnen! Voorwaar, blinden en kreupelen houden u tegen.' Ze bedoelden: David komt hier nooit binnen. 2SAM 5:7 Toch veroverde David de vesting Sion, de Davidstad. 2SAM 5:8 David zei toen: `Wie de Jebusieten wil verslaan moet door de tunnel zien te komen.' Van blinden en kreupelen heeft David een afkeer gekregen. Daarom zegt men: Blinden en kreupelen komen het huis niet binnen. 2SAM 5:9 David nam zijn intrek in de vesting en noemde haar Davidstad. Naast de vesting liet David overal bouwen, van het Millo tot zijn eigen paleis. 2SAM 5:10 En de macht van David nam steeds meer toe: Jahwe, de God van de machten, stond hem bij. 2SAM 5:11 Chiram, de koning van Tyrus, zond gezanten naar David, met cederhout en met timmerlieden en steenhouwers, die voor hem een paleis bouwden. 2SAM 5:12 Toen zag David duidelijk dat Jahwe hem tot koning van Israël had aangesteld en dat Hij aan zijn koningschap grote luister verleende, omwille van Israël, zijn volk. 2SAM 5:13 Na zijn vertrek uit Hebron nam David nog andere vrouwen en bijvrouwen uit Jeruzalem en hij kreeg nog meer zonen en dochters. 2SAM 5:14 Dit zijn de namen van de kinderen die hij in Jeruzalem kreeg: Sammua, Sobab, Natan, Salomo, 2SAM 5:15 Jibchar, Elisua, Nefeg, Jafia, 2SAM 5:16 Elisama, Eljada en Elifelet. 2SAM 5:17 Toen de Filistijnen hoorden dat David tot koning van Israël gezalfd was, rukten ze op om zich van hem meester te maken. Zodra David dit vernam, trok hij zich terug in de vesting. 2SAM 5:18 Intussen waren de Filistijnen in de Refaimvlakte aangekomen en hadden zij zich daar verspreid. 2SAM 5:19 David vroeg aan Jahwe: `Zal ik de Filistijnen aanvallen? Levert Gij hen aan mij over?' Jahwe antwoordde: `Doe dat. Ik lever de Filistijnen aan u over.' 2SAM 5:20 David kwam bij Baäl perasim aan en versloeg daar de Filistijn en. Hij zei: `Jahwe heeft in het front van mijn vijanden een bres geslagen, zoals water een bres slaat.' Daarom heet die plaats Baäl perasim. 2SAM 5:21 Filistijnen lieten daar zelfs hun afgodsbeelden achter, en David en zijn mannen namen die mee. 2SAM 5:22 De Filistijnen rukten andermaal op naar de Refaimvlakte en verspreidden zich daar. 2SAM 5:23 David raadpleegde Jahwe en deze antwoordde: `Ga niet recht op hen af, maar trek om hen heen tot gij achter hen bent, in de buurt van de balsemstruiken; van daaruit moet gij aanvallen. 2SAM 5:24 Zodra gij in de toppen van de balsemstruiken het geruis van schreden hoort, moet hij aanvallen, want dan gaat Jahwe voor u uit om het leger van de Filistijnen te verslaan'. 2SAM 5:25 David handelde naar Jahwe's bevel; hij versloeg de Filistijnen en achtervolgde hen van Gibeon af tot aan Gezer toe. 2SAM 6:1 Opnieuw riep David alle weerbare mannen van Israël op, dertigduizend in getal, 2SAM 6:2 en vergezeld van alle burgers van Juda ging hij op weg om de ark van God te halen, de ark die de naam draagt, de naam van Jahwe van de machten, die op de kerubs troont. 2SAM 6:3 Ze laadden de ark van God op een nieuwe wagen; zo brachten ze haar weg uit het huis van Abinadab, dat op een heuvel lag. Uzza en Achio, de zonen van Abinadab, begeleidden de wagen 2SAM 6:4 met de ark van God; Achio liep voor de ark. 2SAM 6:5 David en alle Israëlieten dansen voor Jahwe uit en speelden op allerlei instrumenten, op citers, harpen, tamboerijnen, ratels en cimbalen. 2SAM 6:6 Maar toen ze bij de dorsvloer van Nakon kwamen en de runderen daar op hol dreigden te slaan, stak Uzza zijn hand uit naar de ark van God en greep haar vast. 2SAM 6:7 Toen ontbrandde Jahwe's toorn tegen Uzza; op de plaats zelf strafte God hem voor zijn vergrijp en hij bleef daar dood, naast de ark van God. 2SAM 6:8 David was diep geschokt door de slag waarmee Jahwe Uzza had getroffen. Daarom heet de plaats tot op heden Peresuzza. 2SAM 6:9 David werd daardoor zo bevreesd voor Jahwe dat hij dacht: `Op die manier komt de ark van Jahwe nooit bij mij binnen.' 2SAM 6:10 Daarom zag David ervan af, de ark van Jahwe bij zich in de Davidstad te halen; hij liet haar onderbrengen in het huis van Obed edom de Gittiet. 2SAM 6:11 Drie maanden lang stond de ark van Jahwe in het huis van Obed edom de Gittiet en Jahwe bracht zegen over Obed edom en heel zijn familie. 2SAM 6:12 Maar toen David hoorde dat Jahwe zegen bracht over de familie van Obed edom en over heel zijn bezit, omdat de ark van God daar stond, ging hij erheen en bracht de ark van God uit het huis van Obed edom vol vreugde naar de Davidstad over. 2SAM 6:13 Nadat de dragers van de ark zes stappen gezet hadden, offerde David een gemeste stier. 2SAM 6:14 Onderweg danste hij geestdriftig voor Jahwe uit, alleen gekleed in een linnen efod. 2SAM 6:15 Zo brachten David en alle Israëlieten onder gejuich en bazuingeschal de ark van Jahwe over. 2SAM 6:16 Bij de aankomst van de ark van Jahwe in De Davidstad keek Mikal, de dochter van Saul, door het venster toe. Zij zag koning David dansen en springen voor Jahwe en zij minachtte hem. 2SAM 6:17 De ark van Jahwe werd de stad binnengedragen en op haar plaats gebracht, midden in de tent die David voor haar had opgezet. Daarna droeg David brand en slachtoffers op aan Jahwe. 2SAM 6:18 Na het opdragen van de brand en slachtoffers zegende hij het volk met de naam van Jahwe van de legerscharen. 2SAM 6:19 Aan alle aanwezigen, naar alle Israëlieten die daar bijeenwaren, mannen en vrouwen, liet hij een plat brood, een klomp dadels en een rozijnenkoek uitdelen. Daarop ging iedereen naar huis. 2SAM 6:20 Toen David naar huis kwam om zijn familie te begroeten, liep Mikal, de dochter van Saul, op hem toe en zei: `De koning van Israël heeft zich vandaag bepaald onderscheiden: als de eerste de beste landloper heeft hij zich onder de ogen van zijn slavinnen uitgekleed!' 2SAM 6:21 Maar David antwoordde: `Ik heb gedanst ter ere van Jahwe! Hij heeft mij uitverkoren boven jouw vader en heel zijn huis; Hij heeft mij aangesteld tot vorst over Israël, het volk van Jahwe. 2SAM 6:22 Ik ben bereid mij nog dieper voor Hem te vernederen en in mijn eigen achting te dalen. Maar bij de slavinnen, waar je het over had, zal ik in aanzien stijgen.' 2SAM 6:23 En Mikal, de dochter van Saul, kreeg geen kinderen; tot haar dood bleef ze kinderloos. 2SAM 7:1 Toen Koning David zijn intrek had genomen in zijn paleis en Jahwe gezorgd had dat al zijn vijanden, in heel de omtrek, hem met rust lieten, 2SAM 7:2 zei hij tot de profeet Natan: `Nu moet u eens zien! Zelf woon ik in een paleis van cederhout en de ark van God staat onder tentdoek!' 2SAM 7:3 Natan zei tot de koning: `Doe gerust wat u van plan bent; Jahwe staat u bij.' 2SAM 7:4 Maar diezelfde nacht nog werd het woord van Jahwe gericht tot Natan: 2SAM 7:5 `Zeg aan mijn dienaar David: Zo spreekt Jahwe: Gij wilt voor Mij een huis bouwen en Mij daarin laten wonen? 2SAM 7:6 Ik heb nooit in een huis gewoond, sinds de tijd dat Ik de Israëlieten uit Egypte geleid heb tot vandaag toe; steeds ben Ik meegetrokken in een tent, waar Ik in verbleef. 2SAM 7:7 Zolang Ik met de Israëlieten meetrok heb ik nooit aan iemand gevraagd: Waarom bouwt gij Mij niet een huis van cederhout? Aan geen van de rechters van Israël, die Ik aangesteld had om mijn volk te hoeden. 2SAM 7:8 Zeg daarom aan mijn dienaar David: Zo spreekt Jahwe van de legerscharen: Ik heb u uit de steppe gehaald, achter de schapen vandaan, om vorst te zijn over mij volk Israël. 2SAM 7:9 Op al uw tochten heb Ik u bijgestaan, al uw vijanden heb Ik vernietigd, uw naam heb Ik groot gemaakt als die van de groten der aarde. 2SAM 7:10 Ik heb mijn volk Israël een gebied gegeven en het daar geplant om er te wonen, zonder nog opgeschrikt of verdrukt te worden door booswichten, zoals vroeger, 2SAM 7:11 in de tijd dat Ik over Israël, mijn volk, rechters had aangesteld. Ik heb gezorgd dat al uw vijanden u met rust laten. Jahwe kondigt u aan dat Jahwe een huis voor u zal oprichten. 2SAM 7:12 Als uw dagen voleind zijn en gij bij uw vaderen rust, zal Ik de nazaat die gij verwekt hoog verheffen en zijn koninklijke macht in stand houden. 2SAM 7:13 Hij zal een huis bouwen ter ere van mijn naam en Ik zal zijn koninklijke troon voor altijd in stand houden. 2SAM 7:14 Ik zal hem tot vader zijn en Hij zal mijn zoon zijn. Als hij de verkeerde weg opgaat, zal Ik hem kastijden met slagen en striemen, even goed als andere mensen. 2SAM 7:15 Maar nooit zal Ik hem uit mijn gunst verstoten, zoals Ik gedaan heb met Saul, die Ik verstoten hem om plaats te maken voor u. 2SAM 7:16 Zo zullen uw huis en uw koninklijke macht bestendig zijn voor altijd; uw troon staat vast voor eeuwig.' 2SAM 7:17 Al deze woorden, heel dit visioen, bracht Natan over aan David. 2SAM 7:18 Toen ging koning David het heiligdom binnen; hij zette zich neer voor Jahwe en zei: `Wie ben ik, Heer Jahwe, en wat is mijn huis, dat Gij mij zover gebracht hebt? 2SAM 7:19 En nu is U dit alles nog niet genoeg, Heer Jahwe: ook over de toekomst van het huis van uw dienaar spreekt Gij. Is dit voor een mens wel weggelegd, Heer Jahwe? 2SAM 7:20 Wat kan David nu verder nog tot U zeggen? Gij weet wat er in uw dienaar omgaat, Heer Jahwe! 2SAM 7:21 Krachtens uw woord en uw goedheid bewijst Gij uw dienaar de grote gunst, hem dit alles te laten weten. 2SAM 7:22 Gij zijt dan ook groot, Heer Jahwe. Niemand is als Gij. Er is geen God buiten U. Zo hebben wij het altijd gehoord. 2SAM 7:23 En welk volk is als uw volk Israël, het enige op aarde dat God ging vrijkopen om het tot zijn volk te maken en aldus zijn naam te vestigen? Grote, geduchte daden hebt Gij verricht door volken en hun goden uit te drijven voor uw volk, dat Gij u uit Egypte hebt vrijgekocht. 2SAM 7:24 Gij hebt uw volk Israël voorgoed bevestigd als uw volk en Gij, Jahwe, zijt hun God. 2SAM 7:25 Doe daarom, Jahwe God, altijd het woord gestand dat Gij gesproken hebt tot uw dienaar en tot zijn huis, en handel volgens uw woord. 2SAM 7:26 Dan zal uw naam voor altijd groot zijn; dan zal gezegd worden: Jahwe van de legerscharen is God over Israël en voor U blijft het huis van uw dienaar David in stand. 2SAM 7:27 Gij, Jahwe van de legerscharen, God van Israël, Gij hebt uw dienaar geopenbaard: Ik zal u een huis bouwen. Daardoor heeft uw dienaar de moed gevonden, dit gebed tot U te richten. 2SAM 7:28 Welnu dan, Heer Jahwe, Gij zijt God en uw woorden zijn betrouwbaar; Gij hebt deze weldaad aan uw dienaar beloofd. 2SAM 7:29 Zegen dan nu het huis van uw dienaar dat het altijd voor U mag blijven bestaan. Gij zelf, Heer Jahwe, hebt gesproken; uw rijke zegen zal voor altijd rusten op het huis van uw dienaar.' 2SAM 8:1 Enige tijd later versloeg David de Filistijnen. Hij onderwierp hen en hij nam hun de teugels uit handen. 2SAM 8:2 Ook versloeg hij de Moabieten. Hij beval hun, plat op de grond te gaan liggen en ging er toen langs met een meetsnoer, dat hij uitlegde, twee lengten voor wie moesten sterven, een lengte voor wie in leven mocht blijven. Zo onderwierp David de Moabieten en maakte hen schatplichtig. 2SAM 8:3 David versloeg ook Hadadezer, de zoon van Rechob en koning van Soba, toen deze uitgerukt was om aan de Rivier zijn gezag te herstellen. 2SAM 8:4 David nam zeventienhonderd wagenmenners van Hadadezer gevangen en twintigduizend man voetvolk. Hij maakte alle wagens onbruikbaar, op honderd na. 2SAM 8:5 De Arameeërs van Damascus kwamen Hadadezer, de koning van Soba, te hulp, maar David sloeg tweeëntwintigduizend Arameeërs neer. 2SAM 8:6 Hij legerde een garnizoen bij de Arameeërs van Damascus; zo onderwierp David de Arameeërs en maakte hen schatplichtig. Aldus gaf Jahwe aan David de overwinning bij al zijn veldtochten. 2SAM 8:7 David maakte zich meester van de gouden schilden die aan de dienaren van Hadadezer hadden toebehoord en liet ze naar Jeruzalem brengen. 2SAM 8:8 In Betach en Berotai, twee steden van Hadadezer, maakte koning David zich meester van een grote hoeveelheid brons. 2SAM 8:9 Toen Toi, de koning van Hamat, hoorde dat David de gehele legermacht van Hadadezer verslagen had, 2SAM 8:10 zond hij zijn zoon Joram naar koning David om zijn opwachting bij hem te maken en hem geluk te wensen dat hij Hadadezer in de strijd had weten te verslaan. Hadadezer had namelijk met Toi altijd op voet van oorlog geleegd. Joram bracht geschenken mee van zilver, goud en brons. 2SAM 8:11 Ook deze geschenken wijdde koning David toe aan Jahwe, zoals hij ook gedaan had met het zilver en het goud dat buitgemaakt was op alle volken die hij onderworpen had, 2SAM 8:12 Arameeërs, Moabieten, Ammonieten, Filistijnen en Amalekieten, en op Hadadezer, de zoon van Rechob en koning van Soba. 2SAM 8:13 David heeft op zijn terugweg nog roem verworven door in het Zoutdal achttienduizend Edomieten neer te slaan. 2SAM 8:14 In Edom legerde hij garnizoenen, overal in Edom, zodat alle Edomieten aan David onderworpen waren. Aldus gaf Jahwe aan David de overwinning bij al zijn veldtochten. 2SAM 8:15 David was koning over heel Israël en hij was degene die voor heel zijn volk recht en gerechtigheid behartigde. 2SAM 8:16 Joab, de zoon van Seruja, was opperbevelhebber van het leger, Josafat, de zoon van Achilud, was raadsheer, 2SAM 8:17 Sadok, de zoon van Achitub, en Achimelek, de zoon van Abjatar, waren priester, Seraja was schrijver, 2SAM 8:18 Benaja, de zoon van Jojada, was bevelhebber over de Keretieten en Peletieten, en de zonen van David waren priester. 2SAM 9:1 David vroeg: `Is er nog iemand van de familie van Saul in leven? Om wille van Jonatan zou ik hem een gunst willen bewijzen.' 2SAM 9:2 Nu had de familie van Saul een dienaar die Siba heette. Hij werd bij David ontboden en de koning vroeg hem: `Bent u Siba?' Hij antwoordde: `Om u te dienen.' 2SAM 9:3 Daarop vroeg de koning: `Is er nog iemand van de familie van Saul in leven? Ik zou hem een uitzonderlijke gunst willen bewijzen.' Siba antwoordde de koning: `Ja, er is nog een zoon van Jonatan in leven; hij heeft ongelukkige voeten.' 2SAM 9:4 De koning vroeg: `Waar woont hij?' Siba antwoordde: `In het huis van Makir, de zoon van Ammiël, in Lo debar.' 2SAM 9:5 Daarop liet de koning hem halen uit het huis van Makir, de zoon van Ammiël, in Lo debar. 2SAM 9:6 Toen Mefiboset, de zoon van Jonatan, de zoon van Saul, bij David kwam, wierp hij zich voor hem neer en bracht hem hulde. David vroeg: `Bent u Mefiboset?' Hij antwoordde: `Om u te dienen.' 2SAM 9:7 Toen zei David tot hem: `U hoeft niet bang te zijn: om wille van uw vader Jonatan ga ik u een gunst bewijzen. Ik zal u alle landerijen van uw vader Saul teruggeven en u zult voortaan aan mijn tafel eten.' 2SAM 9:8 Mefiboset boog zich neer en zei: `Wat bekommert u zich om uw knecht, die niet meer waard is dan een dode hond?' 2SAM 9:9 Daarna riep de koning Siba, de dienaar van Saul, en zei hem: `Alles wat Saul en zijn familie heeft toebehoord schenk ik aan de zoon van uw heer. 2SAM 9:10 U moet dat land bewerken, met uw zonen en knechten, en de opbrengst afdragen aan de zoon van uw heer, zodat hij ervan kan leven. En Mefiboset, de zoon van uw heer, zal voortaan aan mijn tafel eten.' Siba had vijftien zonen en twintig knechten. 2SAM 9:11 Toen zei Siba tot de koning: `Uw dienaar zal nauwgezet doen wat zijn heer de koning hem beveelt.' En Mefiboset at aan Davids tafel alsof hij een zoon van de koning was. 2SAM 9:12 Mefiboset had een zoontje dat Micha heette. Allen die in het huis van Siba woonden stonden onder het gezag van Mefiboset. 2SAM 9:13 Mefiboset kwam in Jeruzalem wonen, omdat hij nu altijd aan de tafel van de koning at. Zijn beide voeten waren misvormd. 2SAM 10:1 Enige tijd later stierf de koning van de Ammonieten; hij werd opgevolgd door zijn zoon Chanun. 2SAM 10:2 Toen dacht David: `Tegenover Chanun, de zoon van Nachas, wil ik even vriendelijk zijn als zijn vader voor mij is geweest.' Daarom zond David hovelingen naar Chanun om hem zijn deelneming te betuigen met de dood van zijn vader. Maar toen die hovelingen in het land van de Ammonieten kwamen, 2SAM 10:3 zeiden de aanzienlijken van de Ammonieten tot Chanun, hun heer: `Dacht u dat David u zijn deelneming betuigt omdat hij uw vader wil eren? Hij heeft zijn hovelingen natuurlijk gestuurd om de stad te laten verkennen en bespioneren en haar dan te verwoesten!' 2SAM 10:4 Chanun nam de hovelingen van David gevangen en hij liet hun de baard voor de helft wegscheren en hun kleren halverwege afknippen, op de hoogte van de stuit, en stuurde hen zo weg. 2SAM 10:5 Toen dit aan David gemeld werd, zond hij boden naar de mannen die zo diep vernederd waren en liet hun zeggen: `Blijft in Jericho tot uw baard weer is aangegroeid en komt dan terug.' 2SAM 10:6 De Ammonieten begrepen wel dat ze het nu bij David verbruid hadden: zij zonden mannen uit om troepen te werven van de Arameeërs van Bet rechob, en van die van Soba huurden zij twintigduizend man voetvolk, van de koning van Maaka duizend man, en verder de mannen van Tob, twaalfduizend in getal. 2SAM 10:7 Toen David dit vernam, zond hij er Joab met al zijn keurtroepen op af. 2SAM 10:8 De Ammonieten kwamen naar buiten en stelde zich voor de poort in slagorde op; de Arameeërs van Soba en Rechob en de mannen van Tob en Maaka vormden met elkaar een andere slagorde, op enige afstand van de stad. 2SAM 10:9 Joab, die zag dat hij van voren en van achteren bedreigd werd, deed een keuze uit de keurtroepen van Israël en stelde deze mannen op tegen de Arameeërs. 2SAM 10:10 De rest van het leger vertrouwde hij toe aan zijn broer Abisai om die tegen de Ammonieten op te stellen. 2SAM 10:11 Hij zei: `Als de Arameeërs mij te machtig worden moet jij mij te hulp komen; worden de Ammonieten jou te machtig dan help ik jou. 2SAM 10:12 Wees sterk! Laat ons samen sterk zijn, voor ons volk en voor de steden van onze God. Jahwe zal wel doen wat Hij goed acht.' 2SAM 10:13 Daarop viel Joab met zijn leger de Arameeërs aan en dezen sloegen voor hem op de vlucht. 2SAM 10:14 Toen de Ammonieten bemerkten dat de Arameeërs op de vlucht gingen, namen zij de wijk voor Abisai en trokken zij zich terug in de stad. Daarop staakte Joab de strijd tegen de Ammonieten en ging naar Jeruzalem. 2SAM 10:15 Toen de Arameeërs begrepen dat zij door de Israëlieten waren verslagen, verzamelden zij hun troepen. 2SAM 10:16 Hadadezer zond boden naar de Arameeërs aan de overzijde van de Rivier en beval hun uit te rukken. Aangevoerd door Sobak, de bevelhebber van de troepen van Hadadezer, trokken zij naar Chelam. 2SAM 10:17 Toen dit aan David gemeld werd verzamelde hij alle Israëlieten, stak de Jordaan over en rukte op naar Chelam. De Arameeërs stelden zich tegenover David op en bonden de strijd met hem aan; 2SAM 10:18 zij moesten echter voor de Israëlieten wijken en David doodde van de Arameeërs zevenhonderd paarden en veertigduizend strijders. Sobak, hun bevelhebber, sloeg hij ter plaatse dood. 2SAM 10:19 Nu begrepen alle vazallen van Hadadezer dat zij niet tegen de Israëlieten opgewassen waren; zij sloten dus vrede met de Israëlieten en onderwierpen zich. De Arameeërs wachtten zich verder wel, de Ammonieten nog te helpen. 2SAM 11:1 Omstreeks de jaarwisseling, wanneer de koningen te velde trekken. liet David Joab met zijn eigen lijfwacht en alle Israëlieten uitrukken; zij vernietigden de Ammonieten en sloegen het beleg voor Rabba. David zelf bleef in Jeruzalem. 2SAM 11:2 Op een avond stond David van zijn rustbed op en ging wat wandelen op het dakterras van het paleis. Vanaf het terras zag hij een vrouw die aan het baden was; zij was heel mooi. 2SAM 11:3 David liet naar de vrouw informeren en er werd hem gezegd: `Het is Batseba, de dochter van Eliam, de vrouw van Uria de Hethiet.' 2SAM 11:4 Toen zond David boden om de vrouw te halen; zij kwam bij hem en hij sliep met haar, terwijl zij na haar menstruatie nog in de tijd van de reiniging was. Daarna ging zij weer naar huis. 2SAM 11:5 De vrouw was zwanger geworden en zij liet aan David berichten: `Ik ben zwanger.' 2SAM 11:6 Toen zond David een boodschap aan Joab: `Stuur Uria de Hethiet naar mij toe.' Joab stuurde Uria naar David. 2SAM 11:7 Toen Uria bij hem kwam, informeerde David, hoe het met Joab ging en met het leger en met de oorlog. 2SAM 11:8 Daarna zei hij tot Uria: `Ga naar huis en neem een bad.' Uria verliet het paleis, waarbij een schotel van de koninklijke tafel achter hem werd aangedragen. 2SAM 11:9 Maar Uria overnachtte in het portaal van het paleis, bij de dienaren van zijn heer, en hij ging niet naar huis. 2SAM 11:10 Toen aan David gemeld werd dat Uria niet naar huis was gegaan, zei hij tot Uria: `U hebt toch een hele reis achter de rug. Waarom bent u dan niet naar huis gegaan?' 2SAM 11:11 Uria antwoordde: `De ark en Israël en Juda zijn ondergebracht in loofhutten en mijn heer Joab en de dienaren van mijn heer liggen in de open lucht. Kan ik dan naar mijn huis gaan om daar te eten en te drinken en bij mijn vrouw te slapen? Zowaar u leeft, dat doe ik niet.' 2SAM 11:12 Toen zei David tot Uria: `Blijf ook vandaag nog hier' morgen laat ik u vertrekken.' Zo bleef uria in Jeruzalem, die dag en de dag erna. 2SAM 11:13 David nodigde hem uit om aan zijn tafel te eten en te drinken hij voerde hem dronken. Toch ging Uria 's avonds weer slapen op zijn brits bij de dienaren van zijn heer en hij ging niet naar huis. 2SAM 11:14 De volgende morgen schreef David een brief aan Joab, die hij door Uria liet overbrengen. 2SAM 11:15 In die brief schreef hij het volgende: `Zet Uria vooraan in de strijd, waar het hevigst gevochten wordt, en trek u dan achter hem terug, zodat hij wordt getroffen en sneuvelt.' 2SAM 11:16 Toen zette Joab bij de belegering van de stad Uria op een bepaalde plaats, waarvan hij wist dat er sterke troepen stonden. 2SAM 11:17 De bewoners van de stad deden een uitval tegen Joab; het leger leed verliezen, de dienaren van David; ook Uria de Hethiet vond de dood. 2SAM 11:18 Joab stuurde een bode naar David om verslag uit te brengen over de strijd. 2SAM 11:19 Hij beval de bode: `Als u de koning verslag hebt uitgebracht over de strijd. 2SAM 11:20 zal hij wel kwaad worden en tegen u zeggen: Wat moesten jullie zo dicht bij de stad gaan vechten? Je weet toch wat ze zo van de muur naar beneden gooien? 2SAM 11:21 Is Abimelek, de zoon van Jerubbaal, niet getroffen door een molensteen die een vrouw van de muur af op hem neersmeet, waardoor hij de dood vond, in Tebes? Waarom kwamen jullie dan zo dicht bij de muur? Daarop moet u zeggen: Ook uw dienaar Uria de Hethiet is gesneuveld.' 2SAM 11:22 De bode vertrok en bij David gekomen meldde hij hem alles wat Joab hem had opgedragen. 2SAM 11:23 Hij zei tot David: `Die mannen waren zo sterk dat ze een uitval tegen ons konden doen; toen hebben wij ze teruggedreven tot voor de poort, 2SAM 11:24 maar daar begonnen de boogschieters van de muur af op uw dienaren te schieten; daarbij zijn enige mannen van de koning gesneuveld; ook uw dienaar Uria de Hethiet is omgekomen.' 2SAM 11:25 Toen zei David tot de bode: `Zeg tegen Joab: Trek u deze geschiedenis maar niet al te zeer aan; het zwaard verslindt nu deze, dan gene. Zet de strijd tegen de stad krachtig voort en maak haar met de grond gelijk. Zo moet u hem moed inspreken.' 2SAM 11:26 Toen de vrouw van Uria vernam dat haar man dood was, hield zij de rouwklacht over haar echtgenoot. 2SAM 11:27 Maar toen de rouw voorbij was, liet David haar halen en nam haar op in zijn huis. Zij werd zijn vrouw en schonk hem een zoon. Maar wat David gedaan had mishaagde aan Jahwe. 2SAM 12:1 Jahwe zond Natan naar David. De profeet trad bij de koning binnen en sprak tot hem: `Twee mannen, een rijke en een arme, woonden in dezelfde stad. 2SAM 12:2 De rijke bezat heel veel schapen en runderen, 2SAM 12:3 de arme maar een enkel lammetje, dat hij gekocht had. Hij had het in leven kunnen houden en het was bij hem opgegroeid, tussen zijn kinderen; het dier at van zijn bord, het dronk uit zijn beker en het sliep op zijn schoot; het was net zijn dochter. 2SAM 12:4 Eens kreeg de rijke man bezoek. Hij kon het niet over zich te verkrijgen, een schaap of rund uit zijn eigen kudde te nemen en dat klaar te maken voor de reiziger die bij hem was gekomen. Hij pakte het lam van de arme en maakte dat klaar voor zijn gast.' 2SAM 12:5 David was diep verontwaardigd over die man en hij zei tot Natan: `Zowaar Jahwe leeft: de man die dat gedaan heeft verdient de dood. 2SAM 12:6 En het lam moet hij vierdubbel vergoeden, omdat hij er niet voor is teruggeschrokken zo iets ergs te doen.' 2SAM 12:7 Toen sprak Natan tot David: 'Die man, dat bent u! Zo spreekt Jahwe, de God van Israël: Ik heb u gezalfd tot koning over Israël, Ik heb u bevrijd uit de macht van Saul, 2SAM 12:8 Ik heb u het huis van uw heer geschonken en u de beschikking gegeven over de vrouwen van uw heer; Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven, en als dat te weinig was geweest, had Ik er nog evenveel aan toe willen voegen. 2SAM 12:9 Waarom hebt gij dan het gebod van Jahwe geminacht en gedaan wat Hem mishaagt? Uria de Hethiet hebt gij met het zwaard geslagen, zijn vrouw hebt gij u tot vrouw genomen en hemzelf hebt ge vermoord door het zwaar van de Ammonieten. 2SAM 12:10 Welnu, het zwaard zal nooit meer wijken van uw huis, omdat ge Mij hebt geminacht en de vrouw van Uria de Hethiet tot vrouw hebt genomen. 2SAM 12:11 Zo spreekt Jahwe: Voorwaar, uit uw eigen huis ga Ik rampspoed over u brengen; Ik zal uw vrouwen onder uw ogen van u afnemen en ze geven aan iemand die u nastaat; op klaarlichte dag zal die met uw vrouwen gaan slapen. 2SAM 12:12 Gij hebt in het verborgene gehandeld, maar Ik zal handelen ten aanschouwen van heel Israël en op klaarlichte dag.' 2SAM 12:13 Toen zei David tot Natan: `Ik heb tegen Jahwe gezondigd.' Natan antwoordde: `Dan heeft Jahwe u deze zonde vergeven: u zult niet sterven. 2SAM 12:14 Maar omdat u door deze daad de vijanden van Jahwe reden tot lasteren heeft gegeven, zal wel het kind dat u geboren is moeten sterven.' 2SAM 12:15 Daarop ging Natan naar huis en Jahwe sloeg het kind dat de vrouw van Uria aan David geschonken had, met een zware ziekte. 2SAM 12:16 En David bad tot God voor de jongen; hij vastte streng en als hij zich terugtrok voor de nacht legde hij zich op de grond te slapen. 2SAM 12:17 De oudsten van het hof drongen er bij hem op aan dat hij niet langer op de grond zou slapen, maar hij wilde niet luisteren; hij weigerde ook met hen te eten. 2SAM 12:18 Op de zevende dag stierf het kind. De hovelingen durfden David niet te vertellen dat het kind dood was; ze dachten: `Hij wilde al niet naar ons luisteren, toen het kind nog leefde. Hoe kunnen we hem nu dan zeggen dat het kind dood is? Hij begaat een ongeluk!' 2SAM 12:19 Maar toen David zijn hovelingen met elkaar zag fluisteren, begreep hij dat het kind gestorven was en hij vroeg: `Is het kind dood?' Zij antwoordden: `Ja, het is dood.' 2SAM 12:20 Toen stond David op van de grond, hij waste zich, zalfde zich en trok andere kleren aan; hij trad het heiligdom van Jahwe binnen en hij boog zich neer. Daarna ging hij naar huis, vroeg om eten en at wat hem werd voorgezet. 2SAM 12:21 Zijn hovelingen zeiden tot hem: 'Hoe kunt u zo iets doen? Toen het kind nog leefde, hebt u gevast en geweend, maar nu het dood is staat u op en eet!' 2SAM 12:22 David antwoordde: `Zolang het kind nog leefde heb ik gevast en geweend, want ik dacht: Wie weet, misschien is Jahwe mij genadig en blijft de jongen in leven. 2SAM 12:23 Maar nu is hij dood; waarom zal ik dan nog vasten? Kan ik hem terughalen? Ik ga wel naar hem, maar hij keert niet terug naar mij.' 2SAM 12:24 Daarna troostte David zijn vrouw Batseba; hij kwam bij haar en sliep met haar; zij baarde een zoon en hij noemde hem Salomo. Jahwe had het kind lief 2SAM 12:25 en Jahwe zond een boodschap door bemiddeling van de profeet Natan; hij noemde het kind Jedidja, omwille van Jahwe. 2SAM 12:26 Joab deed een aanval op Rabba in het land van de Ammonieten en stond op het punt de koningsstad in te nemen. 2SAM 12:27 Toen zond hij boden naar David met het bericht: `Ik heb een aanval gedaan op Rabba en ik heb de benedenstad aan het water al ingenomen. 2SAM 12:28 Breng nu de rest van het leger op de been, sla zelf het beleg voor de stad en neem haar in: anders moet ik de stad veroveren en komt ze op mijn naam te staan.' 2SAM 12:29 David bracht dus het gehele leger op de been; hij trok naar Rabba, deed een aanval op de stad en veroverde haar. 2SAM 12:30 Hij nam de koning zijn kroon van het hoofd; ze woog een talent aan goud en er was een kostbare steen in gevat. Sindsdien werd ze door David gedragen. Hij haalde ook een zeer grote buit uit de stad. 2SAM 12:31 De inwoners voerde hij weg; hij liet hen werken met steenzagen, ijzeren houwelen en ijzeren bijlen en bracht hen naar de steenbakkerijen. Zo deed hij met alle steden van de Ammonieten. Toen keerde David met zijn leger naar Jeruzalem terug. 2SAM 13:1 Na verloop van tijd gebeurde het volgende: Absalom, een zoon van David, had een zuster, een bijzonder mooi meisje, dat Tamar heette. Amnon, een andere zoon van David, werd verliefd op haar. 2SAM 13:2 De verliefdheid op zijn zuster Tamar greep hem hevig aan, tot ziek wordens toe, want zij was maagd en hij zag geen enkele kans haar te benaderen. 2SAM 13:3 Nu had Amnon een vriend die Jonadab heette, de zoon van Davids broer Sima; deze Jonadab was een man die overal raad op wist. 2SAM 13:4 Hij vroeg aan Amnon: `Koningszoon, waarom zie je er altijd zo ellendig uit, iedere morgen opnieuw? Vertel het me eens.' Amnon antwoordde: `Ik ben verliefd op Tamar, de zuster van mijn broer Absalom.' 2SAM 13:5 Jonadab zei: 'Je moet op bed gaan liggen en je ziek houden, en als je vader je dan komt bezoeken, moet je tegen hem zeggen: Kon mijn zuster Tamar maar eens komen om mij versterkend voedsel voor te zetten. Als zij dat hier bij mij komt bereiden, zodat ik het zelf kan zien, dan eet ik wel wat zij mij aanreikt.' 2SAM 13:6 Amnon ging dus op bed liggen en hield zich ziek. Toen de koning hem kwam bezoeken, zei Amnon tot hem: `Kon mijn zuster Tamar maar eens komen om hier bij mij een paar koeken klaar te maken; als zij ze mij aanreikt, eet ik ze wel op.' 2SAM 13:7 David stuurde toen naar Tamar in het paleis de boodschap: `Ga vlug naar het huis van je broer Amnon en maak versterkend voedsel voor hem klaar.' 2SAM 13:8 Tamar ging dus naar het huis van haar broer Amnon, terwijl deze te bed lag. Zij nam het deeg, kneedde het, maakte er in zijn aanwezigheid koeken van en bakte die. 2SAM 13:9 Vervolgens kwam zij met de bakpan bij hem en schoof de koeken op de schotel. Maar Amnon weigerde te eten en zei: `Stuur iedereen hier vandaan.' Toen allen vertrokken waren, zei Amnon tot Tamar: `Breng mij nu het eten, hier in de slaapkamer; reik jij het mij maar aan, dan eet ik het op.' 2SAM 13:10 Tamar kwam dus met de koeken die ze gebakken had bij haar broer in de slaapkamer. 2SAM 13:11 Toen zij hem het eten aanreikte, greep hij haar vast en zei: `Toe, zusterlief, kom bij me liggen!' 2SAM 13:12 Maar zij antwoordde: `Neen, broerlief, je moet mij niet onteren. Zo iets doet men niet in Israël. Laat die dwaasheid toch! 2SAM 13:13 Waar zou ik met die schande heen moeten? En jijzelf zou in Israël als een eerloze dwaas gelden. Spreek er dan liever de koning over aan; hij zal je mijn hand niet weigeren.' 2SAM 13:14 Maar Amnon wilde niet luisteren naar wat ze zei; hij maakte zich met geweld van haar meester en sliep met haar. 2SAM 13:15 Daarna echter kreeg hij een hevige afkeer van haar, een afkeer nog heviger dan de liefde, waarmee hij haar eerst had bemind, en hij zei tot haar: `Vooruit, maak dat je wegkomt.' 2SAM 13:16 Tamar zei: `Eerst doe je me zo iets afschuwelijks aan en nu stuur je me nog weg ook?' Maar hij wilde niet naar haar luisteren. 2SAM 13:17 Hij riep zijn kamerdienaar en zei: `Zet die vrouw mijn huis uit, de straat op, en doe de deur achter haar op de grendel.' 2SAM 13:18 Tamar werd in haar lange kleed dat droegen de koningsdochters vroeger, zolang ze ongehuwd waren door Amnons kamerdienaar op straat gezet en de deur ging achter haar op de grendel. 2SAM 13:19 Toen strooide Tamar as op haar hoofd, scheurde het lange kleed dat ze droeg doormidden, legde haar hand op haar hoofd en ging jammerend heen. 2SAM 13:20 Haar broer Absalom vroeg haar: `Heeft je broer Amnon zich aan je vergrepen? Als het zo is, moet je er maar over zwijgen; hij is nu eenmaal je broer. Trek het je maar niet al te zeer aan.' En Tamar ging in het huis van haar broer Absalom wonen, als een verlaten vrouw. 2SAM 13:21 Koning David was woedend, toen hij vernam wat er gebeurd was. 2SAM 13:22 Absalom wisselde geen woord meer met Amnon; Absalom haatte hem, omdat hij zijn zuster Tamar had onteerd. 2SAM 13:23 Twee jaar later wilde Absalom bij gelegenheid van het scheren van de schapen alle zonen van de koning uitnodigen om naar Baäl chasor, nabij Efraïm, te komen. 2SAM 13:24 Hij begaf zich dus naar de koning en zei: `De scheerders zijn bij uw dienaar aan het werk. Uw dienaar zou graag willen dat de koning en zijn hovelingen met hem meegingen.' 2SAM 13:25 Maar de koning antwoordde: `Neen, mijn zoon, wij moeten niet allemaal meegaan; we zouden je overlast bezorgen.' En hoe Absalom ook bij hem aandrong, de koning weigerde hem te vergezellen en gaf hem zijn beste wensen mee. 2SAM 13:26 Maar Absalom zei: `Als u niet wilt, laat dan tenminste mijn broer Amnon met ons meegaan.' De koning antwoordde: `Waarom zou hij?' 2SAM 13:27 Toen Absalom bleef aandringen, liet hij echter Amnon en de andere zonen van de koning met hem meegaan. 2SAM 13:28 Absalom gaf zijn dienaren de volgende opdracht: `Luistert eens hier! Als Amnon vrolijk wordt van de wijn en ik jullie beveel: Slaat Amnon neer! dan moeten jullie hem doden. Weest niet bang, je doet het op mijn bevel. Houdt goede moed en gedraagt je als mannen.' 2SAM 13:29 De dienaren van Absalom deden met Amnon wat Absalom bevolen had. Alle zonen van de koning renden weg; ze sprongen op hun muildieren en namen de vlucht. 2SAM 13:30 Terwijl ze nog onderweg waren, drong tot David het gerucht door: `Absalom heeft alle koningszonen laten doden; niet een is er in leven gebleven.' 2SAM 13:31 De koning stond op, scheurde zijn kleren doormidden en wierp zich op de grond; al zijn hovelingen stonden met gescheurde kleren om hem heen. 2SAM 13:32 Maar Jonadab, de zoon van Davids broer Sima, nam het woord en zei: `Laat mijn heer niet denken dat ze al die jongemannen, al de zonen van de koning gedood hebben. Alleen Amnon is dood. Sinds de dag dat zijn zuster Tamar werd onteerd, stond al op Absaloms gezicht te lezen dat dit zou komen. 2SAM 13:33 Mijn heer en koning moet zich geen zorgen maken, alsof de koningszonen allen gedood zijn. Ik verzeker u: alleen Amnon is dood.' 2SAM 13:34 Absalom nam de vlucht. Een dienaar die op de uitkijk stond, zag opeens achter zich een grote menigte de weg afkomen, langs de flank van de berg. 2SAM 13:35 Toen zei Jonadab tot de koning: `Daar komen de zonen van de koning aan; het is zoals uw dienaar gezegd heeft.' 2SAM 13:36 Nauwelijks was hij uitgesproken of daar waren de zonen van de koning; ze begonnen luidkeels te wenen en ook de koning en zijn hovelingen barstten in tranen uit. 2SAM 13:37 Absalom had de vlucht genomen en was naar Talmai gegaan, de zoon van Ammichur, de koning van Gesur. David bleef rouwen over zijn zoon, dag in dag uit. 2SAM 13:38 Absalom had de vlucht genomen en was naar Gesur gegaan; daar vertoefde hij drie jaar. 2SAM 13:39 Tenslotte zag koning David ervan af, tegen Absalom te velde te trekken; hij had zich met de dood van Amnon verzoend. 2SAM 14:1 Het ontging Joab, de zoon van Seruja, niet dat de koning naar Absalom verlangde; hij zond daarom een boodschap naar een wijze vrouw in Tekoa en liet haar bij zich komen. 2SAM 14:2 Hij zei tot haar: `Doe alsof u in de rouw bent; trek rouwkleren aan, gebruik geen zalfolie en gedraag u als een vrouw die al jaren over een dode rouwt. 2SAM 14:3 Begeef u dan naar de koning en zeg hem dit.' En Joab legde haar de woorden in de mond. 2SAM 14:4 Toen de vrouw uit Tekoa bij de koning gekomen was, boog zij zich voor hem neer tot op de grond, bracht hem haar hulde en zei: `Red mij, koning!' 2SAM 14:5 De koning vroeg haar: `Wat is er met u?' Zij antwoordde: `Ach, ik ben een weduwvrouw, mijn man is gestorven. 2SAM 14:6 Uw dienares had twee zonen. Die kregen ruzie, terwijl ze buiten de stad waren, waar niemand tussenbeide kon komen, en toen heeft een van hen de ander doodgeslagen. 2SAM 14:7 Het gevolg is, dat de hele familie zich nu tegen uw dienares gekeerd heeft en dat ze tegen mij zeggen: Lever de broedermoordenaar aan ons uit; omdat hij zijn broer vermoord heeft willen wij hem doden; daarmee ruimen we ook de erfgenaam uit de weg. Zo willen ze het kolenvuurtje doven dat mij nog gebleven was en willen ze verhinderen dat mijn man een naam en nazaat heeft op aarde.' 2SAM 14:8 De koning zei tot de vrouw: `Ga maar naar huis; ik zal uw zaak persoonlijk behartigen.' 2SAM 14:9 Maar de vrouw uit Tekoa zei: `Jawel, mijn heer en koning, maar ze zullen mij en mijn familie toch de schuld geven, terwijl de koning en zijn troon vrijuit gaan.' 2SAM 14:10 Daarop zei de koning: `Als iemand iets tegen u wil inbrengen, verwijst u hem maar naar mij: dan laat hij u verder wel met rust.' 2SAM 14:11 Toen zei de vrouw: `Laat de koning er Jahwe bij noemen, uw God, dan vergroot de bloedwreker het onheil niet en ruimen ze mijn zoon niet uit de weg.' De koning beloofde: `Zowaar Jahwe leeft, geen haar op het hoofd van uw zoon zal worden gekrenkt.' 2SAM 14:12 De vrouw vroeg toen: `Mag uw dienares nog iets zeggen tegen mijn heer de koning?' `Ga uw gang,' antwoordde hij. 2SAM 14:13 Daarop zei de vrouw: `Waarom bent u iets dergelijks dan wel van plan met het volk van God? Door zijn woorden heeft de koning zichzelf in staat van beschuldiging gesteld: hij laat namelijk zelf degene die hij verstoten heeft niet terugkeren. 2SAM 14:14 Wij sterven allen en zijn dan als water dat op de grond is uitgegoten en niet meer kan worden opgevangen, maar zolang God het leven niet wegneemt, is Hij erop bedacht dat een verstotene niet van Hem verwijderd blijft. 2SAM 14:15 En nu ben ik deze zaak aan de koning, mijn heer, komen voorleggen, omdat de mensen mij vrees aanjoegen. Uw dienares dacht toen: Laat ik mij tot de koning wenden; misschien komt de koning op voor zijn slavin; 2SAM 14:16 de koning zal wel luisteren en zijn dienares bevrijden uit de hand van de man die mij en mijn zoon wil uitroeien uit Jahwe's eigen land. 2SAM 14:17 Uw dienares dacht; Het woord van mijn heer de koning brengt wel rust, want mijn heer de koning weet goed en kwaad te onderkennen, als een engel van God. Moge Jahwe, uw God, u bijstaan.' 2SAM 14:18 Toen nam de koning het woord en zei: `Ik zou graag een duidelijk antwoord hebben op de vraag die ik nu ga stellen.' De vrouw zei: `Mijn heer de koning hoeft maar te spreken.' 2SAM 14:19 Daarop vroeg de koning: `Heeft Joab hier de hand in?' De vrouw antwoordde: `Zowaar u leeft, mijn heer de koning, als mijn heer de koning iets zegt, valt er niet onder uit te komen, naar geen kant. 2SAM 14:20 Ja, uw dienaar Joab heeft mij opdracht gegeven; hij heeft uw dienares dit verhaal in de mond gelegd; uw dienaar Joab heeft dit gedaan om onder dat mom de eigenlijke zaak ter sprake te brengen; maar mijn heer is zo wijs als een engel van God: hij weet alles wat er op aarde gebeurt.' 2SAM 14:21 Toen richtte de koning zich tot Joab en zei: `Goed, ik doe wat u mij voorstelt; ga de jonge Absalom maar terughalen.' 2SAM 14:22 Joab boog zich tot op de grond om de koning te huldigen en hem zijn eer te betuigen, en hij zei: `Nu mijn heer de koning doet wat zijn dienaar hem vraagt, weet ik dat u mij nog steeds goed gezind bent.' 2SAM 14:23 Joab begaf zich naar Gesur en bracht Absalom naar Jeruzalem terug. 2SAM 14:24 De koning zei evenwel: `Hij mag naar zijn huis gaan, maar hij moet mij niet onder de ogen komen.' Absalom ging dus naar zijn huis en kwam de koning niet onder de ogen. 2SAM 14:25 Nu was er in heel Israël geen man die zo om zijn schoonheid geprezen werd als Absalom. Van de voetzool tot de kruin was er niets dat hem ontsierde. 2SAM 14:26 Als zijn haren werden geknipt op gezette tijden moest dit wel, omdat ze hem te zwaar werden liet hij ze wegen, en dan was het tweehonderd sikkel, naar de koninklijke ijkmaat. 2SAM 14:27 Absalom kreeg drie zonen en een dochter, die Tamar heette; deze Tamar werd een mooie vrouw. 2SAM 14:28 Twee volle jaren woonde Absalom in Jeruzalem zonder dat hij de koning te zien kreeg. 2SAM 14:29 Toen ontbood hij Joab, met de bedoeling die naar de koning te sturen. Maar Joab wilde niet bij hem komen. Absalom ontbood hem nog eens, een tweede keer, en ook toen wilde Joab niet komen. 2SAM 14:30 Daarop zei Absalom tot zijn dienaren: `U weet dat Joab een stuk land heeft, grenzend aan het mijne, met gerst erop. Vooruit, steek daar de brand in!' 2SAM 14:31 Toen kwam Joab naar Absaloms huis en vroeg hem: `Waarom steken uw dienaren die akker, die van mij is, in brand?' 2SAM 14:32 Absalom antwoordde Joab: `Hoor eens, ik had u laten vragen bij mij te komen. Ik wilde u namelijk naar de koning sturen om hem te vragen, waarom ik eigenlijk uit Gesur teruggekomen ben. Ik had er beter kunnen blijven. En nu wil ik de koning zien, en als ik schuldig ben, moet hij me maar doden.' 2SAM 14:33 Joab ging dus naar de koning en bracht de boodschap over. Toen liet de koning Absalom roepen. Absalom begaf zich naar de koning, boog zich voor hem neer tot op de grond en bracht hem zijn hulde. En de koning kuste hem. 2SAM 15:1 Enige tijd later schafte Absalom zich een staatsiewagen en paarden aan en hij nam een escorte van vijftig man in zijn dienst. 2SAM 15:2 Ook ging hij 's morgens vroeg aan de kant van de weg staan die naar de stadspoort leidt; als er dan iemand langs kwam die een klacht had en zijn zaak aan de koning wilde voorleggen sprak Absalom hem aan en vroeg: `Uit welke stad komt u?' Wanneer de man dan antwoordde dat hij uit een van de stammen van Israël kwam, 2SAM 15:3 zei Absalom tot hem: `Uw klacht is zeker wel redelijk en gerechtvaardigd, maar bij de koning zult u geen gehoor vinden.' 2SAM 15:4 En Absalom voegde er dan aan toe: `Was er maar iemand die mij als rechter in dit land aanstelde! Bij mij zou iedereen met zijn klacht of rechtszaak kunnen komen: ik verschafte hem wel recht!' 2SAM 15:5 En telkens als iemand naar hem toekwam om hem zijn hulde te brengen, stak Absalom zijn hand uit, hield de man vast en kuste hem. 2SAM 15:6 Zo handelde Absalom tegenover alle Israëlieten die naar de koning gingen om recht te krijgen en hij wist waarmee het hart van de mannen van Israël te stelen. 2SAM 15:7 Na verloop van vier jaren zei Absalom tot de koning: `Ik wil graag naar Hebron gaan om een gelofte te volbrengen die ik aan Jahwe daar gedaan heb. 2SAM 15:8 Want toen uw dienaar te Gesur in Aram verbleef, heb ik de gelofte afgelegd: Als Jahwe geeft dat ik werkelijk naar Jeruzalem terugkeer, zal ik Hem mijn eerbetoon gaan brengen.' 2SAM 15:9 De koning antwoordde: `Ga maar; goede reis!' Absalom begaf zich dus naar Hebron. 2SAM 15:10 Tegelijkertijd zond hij onder alle stammen van Israël in het geheim boden rond, tot wie hij zei: 'Zodra u bazuingeschal hoort, moet u roepen: Absalom is koning geworden in Hebron!' 2SAM 15:11 Tweehonderd mannen uit Jeruzalem gingen met Absalom mee, genodigden, die hem te goeder trouw en niets vermoedend vergezelden. 2SAM 15:12 Ook liet Absalom, toen hij ging offeren, Davids raadsheer, de Giloniet Achitofel komen, uit zijn woonplaats Gilo. Zo won de samenzwering aan kracht en sloten steeds meer mensen zich bij Absalom aan. 2SAM 15:13 Toen kwam bij David een bode met het bericht dat de Israëlieten de zijde van Absalom gekozen hadden. 2SAM 15:14 Daarop zei David tot al zijn dienaren die bij hem in Jeruzalem waren: `Vooruit, wij moeten vluchten; anders ontkomen wij niet aan Absalom. Als u niet haastig vertrekt, zal hij ons voor zijn, ons in het onheil storten en zijn zwaard tegen de stad keren.' 2SAM 15:15 De dienaren van de koning antwoordden: `Zoals onze heer de koning beslist. Uw dienaren zijn bereid.' 2SAM 15:16 Zo vertrok de koning, gevolgd door heel zijn hofhouding: tien bijvrouwen liet hij achter om toezicht te houden op het paleis. 2SAM 15:17 De koning vertrok, gevolgd door heel het leger. Zij hielden halt bij het Verre Huis 2SAM 15:18 en al zijn dienaren bleven aan zijn zijde staan, terwijl de Keretieten en Peletieten en ook alle Gittieten, zeshonderd man uit Gat die zich bij hem aangesloten hadden, aan de koning voorbijtrokken. 2SAM 15:19 De koning sprak Ittai de Gittiet aan en vroeg hem: `Waarom gaat ook u met ons mee? Keer terug en blijf bij de koning, want u bent buitenlander en bovendien uit uw woonplaats verbannen. 2SAM 15:20 U bent nog maar nauwelijks aangekomen: moet ik u nu al weer opjagen om met ons te gaan, terwijl ik zelf niet eens weet waar ik terecht kom? Ga terug en laat ook uw broeders teruggaan. Moge Jahwe zijn liefde en trouw aan u bewijzen.' 2SAM 15:21 Maar Ittai antwoordde: `Zowaar Jahwe leeft en zowaar mijn heer de koning leeft, nooit zal uw dienaar mijn heer de koning verlaten, wat hem ook wacht, de dood of het leven.' 2SAM 15:22 Toen zei David tot Ittai: `Dan moet u doorgaan.' En Ittai de Gittiet trok voorbij met al zijn mannen en zijn verdere aanhang. 2SAM 15:23 Alle mensen stonden luid te wenen, terwijl heel dat leger voorbijmarcheerde en de koning vervolgens de beek Kidron overstak en het leger de richting van de woestijn insloeg. 2SAM 15:24 Zelfs Sadok en alle levieten waren meegekomen; de ark van het verbond van God, die zij meegedragen hadden, zetten zij daar neer en Abjatar droeg er offers op, totdat het gehele leger uit de stad voorbijgetrokken was. 2SAM 15:25 Toen zei de koning tot Sadok: `Breng de ark van God weer terug naar de stad. Als Jahwe mij goed gezind is, laat Hij mij terugkeren en laat Hij mij de ark en haar woonplaats weerzien. 2SAM 15:26 Maar als Hij laat blijken dat Hij geen behagen in mij heeft, laat Hem dan met mij doen wat Hem goeddunkt.' 2SAM 15:27 De koning zei tot Sadok de priester: `Let goed op! Keer rustig naar de stad terug met uw zoon Achimaas en met Jonatan, de zoon van Abjatar, uw twee zonen. 2SAM 15:28 Let op! Ik blijf wachten bij de passen naar de woestijn, tot er van u nader bericht komt.' 2SAM 15:29 Daarop brachten Sadok en Abjatar de ark van God naar Jeruzalem terug en bleven daar. 2SAM 15:30 David ging de helling van de Olijfberg op. Wenend ging hij naar boven, het hoofd omhuld en barrevoets; ook al degenen die hem vergezelden hadden hun hoofd omhuld en gingen wenend de berg op. 2SAM 15:31 Toen aan David gemeld werd dat ook Achitofel in Absaloms komplot betrokken was, zei hij: `Moge Jahwe de plannen van Achitofel verijdelen.' 2SAM 15:32 Toen David op de top was aangekomen, waar men zich voor God pleegt neer te buigen, kwam hem Chusai de Arkiet tegemoet; hij had zijn mantel doormidden gescheurd en aarde op zijn hoofd gestrooid. 2SAM 15:33 David zei tegen hem: `Als u met mij meegaat, bent u mij alleen maar tot last, 2SAM 15:34 maar als u naar de stad terugkeert en tegen Absalom zegt: Koning, ik ben uw dienaar; tot nu toe was ik de dienaar van uw vader; voortaan wil ik uw dienaar zijn, dan kunt u voor mij de plannen van Achitofel verijdelen. 2SAM 15:35 Samen met u zijn daar ook de priesters Sadok en Abjatar. Alles wat u in het koninklijk paleis te weten komt kunt u aan die priesters, Sadok en Abjatar, overbrengen. 2SAM 15:36 Zij hebben hun twee zonen bij zich, Achimaas van Sadok en Jonatan van Abjatar, en door hen kunt u mij alles berichten wat u te weten komt.' 2SAM 15:37 Juist toen Absalom Jeruzalem binnentrok, kwam ook Chusai, de vriend van David, in de stad aan. 2SAM 16:1 Toen David even voorbij de top van de berg was, kwam Siba, de dienaar van Mefiboset, hem tegemoet met een koppel gezadelde ezels die beladen waren met tweehonderd broden, honderd rozijnenkoeken, honderd verse vruchten en een zak wijn. 2SAM 16:2 De koning vroeg Siba: `Wat wilt u daarmee?' Siba antwoordde: `Op de ezels kan de koninklijke familie rijden, het brood en de verse vruchten zijn voedsel voor de dienaren en de wijn kan gedronken worden door hen die uitgeput raken in de woestijn.' 2SAM 16:3 Daarop vroeg de koning: `Maar waar is de zoon van uw heer?' Siba antwoordde: `Die is in Jeruzalem gebleven: hij denkt dat de stammen van Israël hem nu het koningschap van zijn vader gaan teruggeven.' 2SAM 16:4 Toen zei de koning tot Siba: `Zo, dan is alles wat Mefiboset bezit uw eigendom.' Siba antwoordde: `Ik breng u mijn hulde; moge mijn heer de koning mij goed gezind blijven.' 2SAM 16:5 Toen de koning Bachurim bereikt had, kwam daar een man op hem toegelopen; hij was uit hetzelfde geslacht als de familie van Saul en heette Simi, de zoon van Gera. Vloekend en tierend kwam hij de stad uit 2SAM 16:6 en hoewel de soldaten en de keurtroepen links en rechts van David liepen, bekogelde hij koning David en zijn gevolg met stenen. 2SAM 16:7 Vloekend schreeuwde Simi: `Eruit, bloedhond! Eruit, onverlaat! 2SAM 16:8 Jahwe wreekt al het bloed van het huis van Saul op jou, omdat jij hem het koningschap afhandig hebt gemaakt; nu geeft Jahwe het aan je zoon Absalom. Zo krijg je de ellende die je toekomt, omdat je een bloedhond bent.' 2SAM 16:9 Abisai, de zoon van Seruja, zei tot de koning: `Wat voor recht heeft die dode hond om mijn heer de koning te vervloeken? Zal ik hem zijn hoofd afslaan?' 2SAM 16:10 Maar de koning zei: `Is dat soms uw zaak, zoon van Seruja? Als hij David vervloekt, omdat Jahwe hem dat ingegeven heeft, wie mag dan vragen, met welk recht hij het doet?' 2SAM 16:11 En David zei tot Abisai en tot zijn hovelingen: `Kijk eens, mijn bloedeigen zoon staat mij naar het leven. Wat hebben we dan van een Benjaminiet te verwachten? Laat hem vloeken, want Jahwe heeft het hem ingegeven. 2SAM 16:12 Misschien ziet Jahwe neer op mijn ellende en geeft Hij mij het geluk weer terug, in plaats van zijn vervloeking van vandaag.' 2SAM 16:13 Daarop trokken David en zijn mannen verder, terwijl Simi langs de flank van de berg mee opliep en maar vloekte, met stenen gooide en stof opjoeg. 2SAM 16:14 Uitgeput bereikten de koning en zijn gevolg tenslotte een plaats waar zij op adem konden komen. 2SAM 16:15 Intussen was Absalom met al het volk, de mannen van Israël, te Jeruzalem aangekomen; Achitofel was bij hem. 2SAM 16:16 Toen Davids vriend Chusai, de Arkiet, bij Absalom kwam, riep hij hem toe: `Leve de koning! Leve de koning!' 2SAM 16:17 Absalom zei tegen Chusai: `Is dat nu vriendentrouw? Waarom bent u niet meegegaan met uw vriend?' 2SAM 16:18 Chusai antwoordde: `Neen, mijn plaats is bij hem die door Jahwe en dit volk en alle mannen van Israël is uitverkoren, en bij hem wil ik blijven. 2SAM 16:19 En bovendien: Wie kan ik beter dienen dan Davids zoon? Zoals ik uw vader heb gediend, wil ik ook u dienen.' 2SAM 16:20 Absalom zei tegen Achitofel: `Overleg nu eens wat ons te doen staat.' 2SAM 16:21 Achitofel zei tot Absalom: `U moet naar de bijvrouwen van uw vader gaan, die hij heeft achtergelaten om toezicht te houden op het paleis. Als de Israëlieten horen dat u zich bij uw vader onmogelijk hebt gemaakt, zullen al uw aanhangers daardoor aangemoedigd worden.' 2SAM 16:22 Er werd dus voor Absalom een tent gespannen, boven op het dak, en voor de ogen van heel Israël nam Absalom bezit van de bijvrouwen van zijn vader. 2SAM 16:23 In die dagen had een raad van Achitofel evenveel gezag als een woord van God zelf; zo was het met elke raad van Achitofel, zowel bij David als bij Absalom. 2SAM 17:1 Nu zei Achitofel tot Absalom: `Laat mij twaalfduizend manschappen uitkiezen. Ik wil me gereedmaken om vannacht nog achter David aan te gaan. 2SAM 17:2 Ik zal hem overvallen, terwijl hij uitgeput en ontmoedigd is, en hem de schrik op het lijf jagen; dan gaat zijn hele aanhang op de vlucht en kan ik de koning alleen neerslaan. 2SAM 17:3 Zo zorg ik ervoor dat het leger in zijn geheel naar u terugkeert en in zijn geheel behouden blijft. Het leger is u toch even veel waard als die ene man die u zoekt.' 2SAM 17:4 Dit voorstel vond instemming bij Absalom en bij al de oudsten van Israël. 2SAM 17:5 Toen zei Absalom: `Laat ook Chusai de Arkiet komen; wij willen ook horen wat hij te zeggen heeft.' 2SAM 17:6 Chusai kwam dus bij Absalom en deze zei tot hem: `Achitofel heeft ons dit voorstel gedaan. Zullen wij daarop ingaan? Zo niet, doet u dan een ander voorstel.' 2SAM 17:7 Chusai zei tot Absalom: `Deze keer heeft Achitofel toch geen goede raad gegeven.' 2SAM 17:8 En Chusai vervolgde: `U weet zelf dat het dappere soldaten zijn, uw vader en zijn mannen, en bovendien zijn ze zo verbitterd als een wilde berin die beroofd is van haar jongen. Ervaren krijgsman als uw vader is, zal hij het leger ook geen nachtrust toestaan. 2SAM 17:9 Hij heeft zich natuurlijk verdekt opgesteld, in een grot of ergens anders. En als er dan bij het eerste treffen enkele mensen sneuvelen en dit bekend wordt, gaat al gauw het gerucht rond dat het leger van Absalom een nederlaag heeft geleden. 2SAM 17:10 Ook een dapper man, met het hart van een leeuw, zou daardoor de moed verliezen. Heel Israël weet toch dat uw vader een dapper man is en dat hij over moedige soldaten beschikt. 2SAM 17:11 Daarom geef ik u deze raad: Alle Israëlieten, van Dan tot Berseba, moeten zich zo snel mogelijk om u verzamelen, zo talrijk als de zandkorrels aan de zee, en u moet zelf mee ten strijde trekken. 2SAM 17:12 Dan vallen wij hem aan, waar hij zich ook bevindt, en komen we op hem neer zoals de dauw over het land valt: niemand ontkomt er, noch hij noch een van zijn mannen. 2SAM 17:13 Heeft hij zich in een stad teruggetrokken, dan laten we daar door alle Israëlieten kabels heenbrengen en trekken wij die stad het dal in, tot er geen stukje steen meer te zien is.' 2SAM 17:14 Toen zeiden Absalom en alle mannen van Israël: `De raad van Chusai de Arkiet is beter dan die van Achitofel.' Jahwe wilde namelijk het goede plan van Achitofel verijdelen, omdat Jahwe Absalom in het verderf wilde storten. 2SAM 17:15 Nu zei Chusai aan de priesters Sadok en Abjatar: `Achitofel heeft Absalom en de oudsten van Israël die raad gegeven; ik deze. 2SAM 17:16 Stuur dus vlug een boodschap aan David, dat hij vannacht niet in de passen naar de woestijn dient te blijven, maar aanstonds verder moet trekken; anders wordt de koning omgebracht, met heel zijn aanhang.' 2SAM 17:17 Jonatan en Achimaas stonden bij En rogel en een dienstmeisje ging op en neer om hun berichten te brengen, die zij weer naar David moesten doorgeven; zij konden niet in de stad komen, want dan zouden zij zich verraden. 2SAM 17:18 Maar een jongen zag hen daar en bracht hen aan bij Absalom. De twee maakten daarom gauw dat ze wegkwamen. Ze gingen naar het huis van een man in Bachurim die op zijn erf een put had en daar kropen ze in. 2SAM 17:19 De vrouw legde over de opening van de put een dekkleed en strooide daar graankorrels over uit; niemand merkte iets. 2SAM 17:20 Toen de dienaren van Absalom bij de vrouw aan huis kwamen en vroegen waar Achimaas en Jonatan waren, zei de vrouw: `Die zijn het water overgestoken.' De dienaren van Absalom gingen op zoek en toen ze niets vonden keerden ze naar Jeruzalem terug. 2SAM 17:21 Zodra ze vertrokken waren, klommen de twee uit de put om koning David de boodschap over te brengen. Ze zeiden tot David: `Maak u gereed en steek vlug het water over, want dat en dat plan heeft Achitofel tegen u beraamd.' 2SAM 17:22 David maakte zich dus met heel zijn aanhang gereed; zij staken de Jordaan over en bij het aanbreken van de ochtend was iedereen aan de overkant. 2SAM 17:23 Toen Achitofel bemerkte dat zijn raad niet werd opgevolgd, zadelde hij zijn ezel en ging naar huis, naar zijn woonplaats. Daar stelde hij orde op zijn zaken en verhing zich. Zo stierf Achitofel; hij werd begraven in het graf van zijn vader. 2SAM 17:24 Toen Absalom en alle Israëlieten die hem volgden, de Jordaan overstaken, kwam David reeds te Machanaim aan. 2SAM 17:25 In de plaats van Joab was Amasa door Absalom als bevelhebber van het leger aangesteld. Amasa was de zoon van een man die Jitra heette, een Israëliet, die omgang had gehad met Abigal, een dochter van Nachas en zuster van Seruja, de moeder van Joab. 2SAM 17:26 De Israëlieten en Absalom sloegen hun kamp op in Gilead. 2SAM 17:27 Toen David te Machanaim aangekomen was, kwamen daar Sobi, de zoon van Nachas., uit Rabba in het land van de Ammonieten, Makir, de zoon van Ammiël, uit Lo debar, en Barzillai, de Gileadiet uit Rogelim, 2SAM 17:28 met rustbedden, schalen en aardewerk, tarwe en graan, meel en geroosterd koren, bonen en linzen, geroosterd graan, 2SAM 17:29 honing en boter, schapen en runderen. Zij boden dat David en zijn leger aan, want zij dachten: `Het leger zal in de woestijn wel hongerig zijn geworden en uitgeput en dorstig.' 2SAM 18:1 David inspecteerde zijn leger en plaatste het onder bevelhebbers van duizend en bevelhebbers van honderd man. 2SAM 18:2 Een derde deel plaatste David onder het bevel van Joab, een derde deel onder het bevel van Abisai, de zoon van Seruja en broer van Joab, en een derde deel onder het bevel van Ittai, de Gittiet. En de koning zei tot het krijgsvolk: `Ik wil beslist zelf met u ten strijde trekken.' 2SAM 18:3 Maar het volk antwoordde: `Dat moet u niet doen. Als wij soms moeten vluchten, deert het niemand; zelfs als de helft van ons sneuvelde, zou het nog niemand deren. U echter weegt op tegen tienduizend van ons. Neen, het is beter dat u ons vanuit de stad te hulp kunt komen.' 2SAM 18:4 De koning antwoordde daarop: `Ik zal doen wat u het beste lijkt.' Toen ging de koning aan de zijkant van de poort staan, en heel het leger trok uit, in afdelingen van honderd en van duizend. 2SAM 18:5 Aan Joab, Abisai en Ittai gaf de koning de opdracht: `Zorgt dat de jongen, mijn Absalom, gespaard blijft!' Heel het leger hoorde wat de koning zijn bevelhebbers over Absalom zei. 2SAM 18:6 Toen trok het leger de vlakte in, de Israëlieten tegemoet, en in de bossen van Efraïm kwam het tot een treffen. 2SAM 18:7 Het leger van de Israëlieten werd door de dienaren van David verslagen en het leed zware verliezen: die dag sneuvelden er twintigduizend man. 2SAM 18:8 De strijd greep zo om zich heen dat er in de hele omtrek gevochten werd, en er kwamen die dag nog meer soldaten om door de bossen dan door het zwaard. 2SAM 18:9 Absalom werd door de dienaren van David gevonden. Toen namelijk het muildier waarop Absalom reed, onder een grote eik doorging, raakte Absaloms hoofd tussen de takken beklemd, en omdat zijn muildier verder liep kwam hij tussen hemel en aarde te hangen. 2SAM 18:10 Een soldaat zag dat en meldde het aan Joab: `Ik heb Absalom gevonden! Hij hangt in een eik.' 2SAM 18:11 Joab zei tot de man die hem dit kwam melden: `Als je dat gezien hebt, waarom heb je hem dan niet meteen neergeslagen?' Ik had je tien zilverstukken en een gordel gegeven.' 2SAM 18:12 Maar de man antwoordde Joab: `Al voelde ik het gewicht van duizend zilverstukken in mijn handen, aan de zoon van de koning zou ik me niet vergrijpen. Wij hebben zelf gehoord dat de koning u en Abisai en Ittai opdracht gaf, Absalom, zijn jongen, te ontzien. 2SAM 18:13 Had ik hem tegen het bevel in vermoord, dan was alles de koning bekend geworden en dan had u er zich buiten gehouden.' 2SAM 18:14 Maar Joab zei: `Welneen, ik ga je zelfs voor!' Hij nam drie pieken en stootte daarmee Absalom, die nog levend midden in de eik hing, in het hart. 2SAM 18:15 Tien dienaren, wapendragers van Joab, gingen om Absalom heenstaan en sloegen hem dood. 2SAM 18:16 Toen liet Joab de bazuin blazen en het leger staakte de achtervolging van de Israëlieten, want Joab wilde het leger sparen. 2SAM 18:17 Zij haalden Absalom weg, wierpen hem in een diepe kuil, ergens in het bos, en stapelden er een geweldige hoop stenen bovenop. Intussen vluchtten alle Israëlieten naar hun tenten. 2SAM 18:18 Tijdens zijn leven had Absalom voor zichzelf het monument laten oprichten dat in het Koningsdal staat. Hij dacht: `Ik heb geen zoon die mijn naam in herinnering kan houden.' Daarom had hij het monument naar zichzelf genoemd en het heet: het gedenkteken van Absalom, tot op de huidige dag. 2SAM 18:19 Achimaas, de zoon van Sadok, zei: `Laat mij naar de koning rennen om hem de goede tijding te brengen, dat Jahwe hem recht heeft verschaft en hem bevrijd heeft uit de hand van zijn vijanden.' 2SAM 18:20 Maar Joab antwoordde: `Vandaag hebt u niets goeds te berichten; dat moet u een andere keer maar doen; vandaag bericht u niets goeds, want de zoon van de koning is dood.' 2SAM 18:21 En Joab gaf bevel aan een Kusiet, die de koning moest berichten wat hij gezien had. De Kusiet maakte een diepe buiging voor Joab en rende weg. 2SAM 18:22 Maar Achimaas, de zoon van Sadok, richtte zich opnieuw tot Joab en zei: `Hoe dan ook, ik ga toch, achter de Kusiet aan.' Joab antwoordde: `Waarom zoudt u gaan, mijn zoon? U hebt immers geen bericht waarvoor u beloond wordt.' 2SAM 18:23 Maar toen hij antwoordde: `Hoe dan ook, ik ga erheen,' zei Joab: `Ga dan maar.' Achimaas nam de weg door de Jordaanstreek en kreeg een voorsprong op de Kusiet. 2SAM 18:24 David zat tussen de beide poortdeuren. Een wachter klom op het dak van het poortgebouw, boven op de muur, en toen hij rondkeek, zag hij iemand die heel alleen kwam aanrennen. 2SAM 18:25 De wachter liet het de koning melden en deze zei: `Als hij alleen is, brengt hij goed nieuws.' Terwijl de man steeds dichterbij kwam, 2SAM 18:26 zag de wachter dat er nog een ander aan kwam rennen. Hij riep de poortwachter toe: `Daar komt nog iemand aan, helemaal alleen.' De koning zei: `Ook die brengt goed nieuws.' 2SAM 18:27 Daarop zei de wachter: `Naar zijn gang te oordelen is de eerste Achimaas, de zoon van Sadok.' De koning antwoordde: `Een goed man, die zeker met goed nieuws komt!' 2SAM 18:28 Achimaas riep de koning toe: `Alles is goed!' Diep gebogen bracht hij de koning zijn hulde en zei: `Geprezen zij Jahwe uw God, die afgerekend heeft met degenen die zich tegen mijn heer de koning gekeerd hadden.' 2SAM 18:29 Maar de koning vroeg: `Is met de jongen, met Absalom ook alles goed?' Achimaas antwoordde: `Toen Joab, de dienaar van de koning, mij wegstuurde zag ik wel een grote oploop, maar wat er aan de hand was weet ik niet.' 2SAM 18:30 De koning zei: `Wacht hier even terzijde.' Achimaas deed dat. 2SAM 18:31 Nu kwam ook de Kusiet aan. Hij zei: `Ik heb goed nieuws voor mijn heer de koning. Jahwe heeft u recht verschaft tegenover allen die tegen u in opstand waren gekomen.' 2SAM 18:32 Maar de koning vroeg de Kusiet: `Is alles goed met de jongen, met Absalom? Toen zei de Kusiet: `Het was te wensen dat het alle vijanden van mijn heer de koning, allen die kwaad tegen u beramen, op dezelfde wijze verging als het die jongeman vergaan is.' 2SAM 19:1 Diep geschokt trok de koning zich terug in de bovenkamer van het poortgebouw; wenend liep hij op en neer, terwijl hij bleef roepen: `Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Ach was ik maar in jouw plaats gestorven, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!' 2SAM 19:2 Aan Joab werd bericht: `De koning weent en treurt over Absalom.' 2SAM 19:3 En bij iedereen die hoorde dat de koning verdriet had om zijn zoon, verkeerde de overwinningsroes op slag in rouw. 2SAM 19:4 De soldaten slopen als dieven de stad in, die dag, en het leek wel een leger dat smadelijk uit de strijd gevlucht was. 2SAM 19:5 De koning had zijn gezicht bedekt en riep luidkeels: `Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!' 2SAM 19:6 Joab trad bij de koning binnen en zei: `U valt vandaag uw dienaren wel af! Zij hebben vandaag uw leven gered, het leven van uw zonen en dochters, het leven van uw bijvrouwen. 2SAM 19:7 Was dat alleen maar om nu te zien dat u liefhebt die u haten en haat die u liefhebben? U laat vandaag wel blijken dat uw officieren en manschappen bij u niet meetellen. Als Absalom nog leefde en wij allemaal dood waren, zoudt u tevreden zijn: dat zie ik vandaag wel! 2SAM 19:8 Vooruit, ga nu naar buiten en stel uw dienaren tevreden. Want ik zweer u bij Jahwe: Als u niet naar buiten komt, blijft er vannacht niet een man bij u. En dat zou een groter onheil voor u zijn dan al het onheil dat u ooit heeft getroffen, van uw jonge jaren af tot vandaag toe.' 2SAM 19:9 Daarop nam de koning plaats in de poort. En toen het leger hoorde dat de koning in de poort zat, kwamen alle soldaten voor hem staan. De Israëlieten waren naar hun tenten gevlucht. 2SAM 19:10 Er ontstond onenigheid onder het volk, bij alle stammen van Israël. Er werd gezegd: `De koning heeft ons bevrijd uit de macht van onze vijanden; hij is het die ons verlost heeft uit de macht van de Filistijnen. 2SAM 19:11 Zeker, hij is voor Absalom het land uit gevlucht, maar nu is Absalom, die wij tot koning over ons gezalfd hadden in de strijd omgekomen. Wat aarzelt u dan nog om de koning terug te halen?' 2SAM 19:12 Daarom zond David aan de priesters Sadok en Abjatar de volgende boodschap: `U moet de oudsten van Juda toespreken en hun zeggen: Waarom zoudt u de laatsten zijn om de koning terug te halen naar zijn paleis? Wat de Israëlieten van plan waren was namelijk tot bij de koning doorgedrongen. 2SAM 19:13 U bent mijn broeders, mijn eigen gebeente en vlees: waarom zoudt u dan de laatsten zijn om de koning terug te halen? 2SAM 19:14 En tot Amasa moet u zeggen: U bent toch mijn eigen gebeente en vlees. God moge dit en dat met mij doen en nog erger: u zult voortaan als bevelhebber in mijn dienst staan, in plaats van Joab.' 2SAM 19:15 Zo wist David alle Judeeërs zonder uitzondering over te halen en zij stuurden aan de koning deze boodschap: `Keer terug met al uw dienaren.' 2SAM 19:16 Toen begaf de koning zich op de terugweg en hij bereikte de Jordaan. De Judeeërs waren naar Gilgal getrokken, de koning tegemoet; zij wilden de koning behulpzaam zijn bij het oversteken van de Jordaan. 2SAM 19:17 Simi, de zoon van Gera, de Benjaminiet uit Bachurim, had zich gehaast met de Judeeërs mee te komen, koning David tegemoet. 2SAM 19:18 Hij had duizend Benjaminieten bij zich, onder wie Siba, de beheerder van het huis van Saul, met zijn vijftien zonen en twintig knechten. Zij spoedden zich naar de Jordaan en nog voor de koning er was staken zij over om de koninklijke familie bij de overtocht te helpen en hem van dienst te zijn. 2SAM 19:19 Simi, de zoon van Gera, wierp zich voor de koning neer, toen deze de Jordaan zou oversteken 2SAM 19:20 en zei tot hem: `Moge mijn heer mij niet als schuldig beschouwen en moge hij niet meer denken aan de schuld die uw dienaar op zich geladen heeft, toen mijn heer de koning uit Jeruzalem vertrok. Ik hoop dat de koning daar geen aandacht meer aan zal schenken. 2SAM 19:21 Ik, uw dienaar, weet dat ik misdaan heb, maar nu ben ik toch gekomen: als eerste van de hele stam Jozef ben ik mijn heer de koning tegemoetgegaan.' 2SAM 19:22 Abisai, de zoon van Seruja, kwam toen tussenbeide en zei: `Moet die Simi nu ineens niet meer sterven? Hij heeft toch zeker de gezalfde van Jahwe vervloekt!' 2SAM 19:23 Maar David zei: `Wat heb ik met u te maken, zonen van Seruja, en waarom probeert u mij tegen te werken, juist vandaag? Vandaag mag er in Israël niemand gedood worden. Ik weet te goed dat ik vandaag weer koning over Israël ben.' 2SAM 19:24 En tot Simi zei de koning toen: `U wordt niet gedood.' En dat bevestigde de koning hem met een eed. 2SAM 19:25 Ook Mefiboset, de zoon van Saul, was de koning tegemoet gekomen. Vanaf het ogenblik dat de koning uit Jeruzalem was vertrokken tot op de dag dat hij behouden terugkwam, had Mefiboset zijn voeten niet verzorgd, zijn baard niet gekamd en zijn kleren niet gewassen. 2SAM 19:26 Toen hij ter Jeruzalem de koning tegemoet kwam, vroeg de koning hem: `Waarom bent u niet met mij meegegaan, Mefiboset?' 2SAM 19:27 Hij antwoordde: `Mijn heer de koning, Siba, mijn dienaar, heeft mij bedrogen. Ik was van plan, mijn ezelin te zadelen en zo met de koning mee te rijden, omdat ik niet lopen kan. 2SAM 19:28 Mijn dienaar heeft mij bij mijn heer de koning belasterd. Maar mijn heer de koning is als de engel van God. Doe wat u goeddunkt. 2SAM 19:29 Ofschoon mijn hele familie niets anders van mijn heer de koning te verwachten had dan de dood, hebt u uw dienaar opgenomen onder degenen die aan uw tafel eten. Welk recht heb ik dan nog, mij nu bij de koning te beklagen?' 2SAM 19:30 Maar de koning zei tot hem: `U hoeft er geen verdere woorden aan te besteden. Bij dezen beslis ik dat u en Siba de landerijen delen.' 2SAM 19:31 Maar Mefiboset zei tot de koning: `Nu de koning behouden thuisgekomen is, mag Siba wel alles nemen.' 2SAM 19:32 Barzillai, de Gileadiet, was uit Rogelim gekomen om de koning bij de overtocht over de Jordaan behulpzaam te zijn en daar bij de Jordaan afscheid van hem te nemen. 2SAM 19:33 Barzillai was hoogbejaard, tachtig jaar oud. Hij was het die voor de koning gezorgd had tijdens diens verblijf in Machanaim, want hij was een zeer vermogend man. 2SAM 19:34 De koning zei tot Barzillai: `Trek toch met mij mee naar de overkant; dan zal ik voor u zorgen, bij mij in Jeruzalem.' 2SAM 19:35 Maar Barzillai antwoordde de koning: `Hoe lang heb ik nog te leven, dat ik met de koning mee naar Jeruzalem zou gaan? 2SAM 19:36 Ik ben nu tachtig en ik merk tussen prettig en onprettig geen verschil meer; ik proef niet meer wat ik eet of drink en de stemmen van zangers en zangeressen doen mij niets meer. Waarom zou dan uw dienaar u, mijn heer de koning, nog tot last zijn? 2SAM 19:37 Het betekent ook niet veel dat uw dienaar de koning over de Jordaan geleidt: waarom zou de koning mij zo belonen? 2SAM 19:38 Ik ga liever naar huis om in mijn eigen stad te sterven, bij het graf van mijn vader en moeder. Maar u hebt hier uw dienaar Kimham: laat die mijn heer de koning vergezellen; hem kunt u dan weldoen zoveel als u wilt.' 2SAM 19:39 Toen sprak de koning: `Goed, laat Kimham dan met mij meegaan; ik zal hem weldoen zoals u verlangt; al uw wensen zal ik vervullen.' 2SAM 19:40 Heel het leger stak de Jordaan over en ook de koning stak over. De koning kuste Barzillai en nam afscheid van hem, waarop Barzillai naar zijn woonplaats terugkeerde. 2SAM 19:41 Toen trok de koning verder naar Gilgal en Kimham ging met hem mee; heel het leger van Juda en ook de helft van het leger van Israël hadden de koning bij zijn overtocht geholpen. 2SAM 19:42 Nu kwamen echter de Israëlieten in groten getale bij de koning en zeiden tot hem: `Met welk recht hebben onze broeders, de mannen van Juda, beslag op u gelegd en hebben zij de koning met zijn familie en alle mannen van David met hem over de Jordaan gebracht?' 2SAM 19:43 De Judeeërs gaven de Israëlieten ten antwoord: `Omdat de koning ons na staat. Waarom bent u daar kwaad om? Hebben wij soms op kosten van de koning gegeten? Zijn wij er beter op geworden?' 2SAM 19:44 Maar de Israëlieten antwoordden de Judeeërs: `Wij hebben een tienvoudig recht op de koning en ook David is meer van ons dan van u. Waarom kleineert u ons dan? Zijn wij niet het eerst op de gedachte gekomen, onze koning terug te halen?' Maar het antwoord van de Judeeërs was nog scherper dan de woorden van de Israëlieten. 2SAM 20:1 Nu was er een onverlaat, Seba geheten, de zoon van Bikri, een Benjaminiet; hij stak de bazuin en riep: `Met David hebben wij niets te maken, en met de zoon van Isaï hebben wij niets gemeen! Ieder naar zijn tenten, Israël!' 2SAM 20:2 Toen lieten de Israëlieten David in de steek en volgden Seba, de zoon van Bikri; maar de Judeeërs bleven hun koning volgen, van de Jordaan tot Jeruzalem. 2SAM 20:3 In zijn paleis te Jeruzalem teruggekeerd, liet David de tien bijvrouwen, die hij had achtergelaten om toezicht te houden op het paleis, in een goed bewaakt huis onderbrengen. Hij zorgde wel voor die vrouwen, maar had met haar geen omgang meer; tot de dag van haar dood bleven zij opgesloten, onbestorven weduwen. 2SAM 20:4 De koning gaf Amasa het bevel: `Ga de Judeeër s bijeenroepen! Drie dagen en dan moet u weer hier zijn!' 2SAM 20:5 Amasa vertrok dus om de Judeeërs bijeen te roepen, maar hij bleef langer weg dan hem was toegestaan. 2SAM 20:6 Toen zei David tot Abisai: `Zo wordt Seba, de zoon van Bikri, voor ons nog gevaarlijker dan Absalom! Neem de dienaren van David, uw heer, zet Seba na en geef hem geen kans een versterkte stad te bereiken en zich aan ons te onttrekken.' 2SAM 20:7 Met Abisai vertrokken de mannen van Joab, de Keretieten en de Peletieten; alle keurtroepen verlieten Jeruzalem om Seba, de zoon van Bikri, te achtervolgen. 2SAM 20:8 Ze waren bij de grote steen in Gibeon, toen hun Amasa tegenkwam. Joab droeg over zijn gewaad een wapenrok, gegord aan zijn heup, een zwaard in de schede. Terwijl hij op Amasa toeging, kwam dat zwaard te voorschijn. 2SAM 20:9 Met zijn rechterhand vatte hij Amasa bij de baard om hem te kussen en vroeg: `Gaat het u goed, mijn broeder?' 2SAM 20:10 Amasa lette niet op het zwaard in Joabs hand; deze stak het hem in de buik, zodat zijn ingewanden naar buiten kwamen en Amasa zonder een tweede stoot bezweek. Daarop zetten Joab en zijn broer Abisai de achtervolging van Seba, de zoon van Bikri, weer voort. 2SAM 20:11 Een van de jonge mannen uit Joabs gevolg ging bij Amasa staan en riep: `Wie aan de kant van Joab staat en voor David is, hij volge Joab!' 2SAM 20:12 Badend in zijn bloed lag Amasa midden op de weg; omdat de man merkte dat het leger niet in beweging kwam, sleepte hij Amasa van de weg af, de berm in; maar toen hij zag dat alle voorbijgangers bij het lijk bleven staan, wierp hij er een kleed overheen. 2SAM 20:13 Zodra Amasa van de weg was verwijderd, gingen alle soldaten met Joab mee om Seba, de zoon van Bikri, te achtervolgen. 2SAM 20:14 Dwars door het gebied van de stammen van Israël was die naar Abelbet maaka getrokken, aan het hoofd van de verzamelde Bikrieten. 2SAM 20:15 Het leger van Joab rukte op naar Abel bet maaka en sloot Seba daar in: ze wierpen een wal op tegen de buitenmuur van de stad en trachtten de stadsmuur te ondermijnen om hem te doen instorten. 2SAM 20:16 Vanuit de stad riep een vrouw, die begreep wat er gebeurde: `Luistert, luistert! Zegt aan Joab dat hij niet moet komen; ik wil met hem spreken.' 2SAM 20:17 Toen Joab naderbij was gekomen, vroeg de vrouw: `Bent u Joab?' Hij antwoordde: `Ja.' Daarop zei de vrouw tot hem: `Luister naar uw dienares.' Joab antwoordde: `Ik luister.' 2SAM 20:18 Toen zei de vrouw: `In de oude tijd placht men te zeggen: Als je raad nodig hebt, ga dan naar Abel: zo worden moeilijkheden opgelost. 2SAM 20:19 Wij zijn vredelievende en getrouwe Israëlieten, en u bent van plan, deze stad uit te moorden, terwijl het nog wel een moederstad is in Israël. Met welk recht wilt u Jahwe's eigendom verslinden?' 2SAM 20:20 Joab antwoordde: `Geen sprake van, dat ik de stad wil verslinden of verwoesten! 2SAM 20:21 Daar gaat het niet om. Maar een man uit het gebergte van Efraïm, een zekere Seba, de zoon van Bikri, is in opstand gekomen tegen koning David. Wanneer u wilt dat ik het beleg van de stad opbreek, hoeft u alleen die man maar uit te leveren.' Toen zei de vrouw: `Goed, u krijgt zijn hoofd over de muur geworpen.' 2SAM 20:22 En de vrouw gebruikte al haar wijsheid om de inwoners van de stad te overreden; zij sloegen Seba het hoofd af en wierpen het Joab toe. Toen liet hij de bazuin steken; ze braken het beleg van de stad op en verspreidden zich naar hun tenten; Joab keerde terug naar de koning in Jeruzalem. 2SAM 20:23 Joab voerde het bevel over het gehele leger van Israël, en Benaja, de zoon van Jojada, commandeerde de Keretieten en Peletieten. 2SAM 20:24 Adoram was met de leiding van de herendienst belast; Josafat, de zoon van Achilud was raadsheer; 2SAM 20:25 Sewa was schrijver, en Sadok en Abjatar waren priester. 2SAM 20:26 Ook Ira, de Jaïriet, stond als priester in de dienst van David. 2SAM 21:1 In de dagen van David was er hongersnood, drie jaar achtereen, en David raadpleegde Jahwe. Jahwe zei: `Op Saul en zijn huis rust een bloedschuld, vanwege de Gibeonieten die hij gedood heeft.' 2SAM 21:2 Toen ontbood de koning de Gibeonieten en had een gesprek met hen. De Gibeonieten behoorden niet tot het volk van Israël; het waren overgebleven Amorieten. Hoewel de Israëlieten met hen een verdrag hadden gesloten, had Saul, in zijn hartstochtelijke ijver voor het volk van Israël en Juda, hen proberen uit te roeien. 2SAM 21:3 David vroeg de Gibeonieten: `Wat moet ik voor u doen? Hoe kan ik de schuld delgen, zodat u weer zegen doet komen over Jahwe's eigen land?' 2SAM 21:4 De Gibeonieten antwoordden: `Zilver en goud willen wij niet en iemand in Israël ter dood brengen kunnen wij niet.' David zei: `Wat u ook zegt, ik zal het voor u doen.' 2SAM 21:5 Toen zeiden de Gibeonieten tot de koning: `De man die ons uitmoordde, die ons zo volkomen wilde vernietigen dat er op het grondgebied van Israël niemand van ons meer over zou blijven, 2SAM 21:6 uit het nageslacht van die man moeten ons zeven mannen worden uitgeleverd. Wij willen hen ophangen voor Jahwe te Gibea van Saul, Jahwe's uitverkorene.' De koning zei: `Ik zal ze uitleveren.' 2SAM 21:7 Maar de koning wilde Mefiboset sparen, de zoon van Jonatan, de zoon van Saul, omwille van de bij Jahwe gezworen eed, die David verbond met Jonatan, de zoon van Saul. 2SAM 21:8 Daarom nam de koning de twee zonen die Rispa, de dochter van Aija, aan Saul geschonken had, en ook de vijf zonen die Mikal, de dochter van Saul, geschonken had aan Adriël, de zoon van Barzillai, de Mecholatiet, 2SAM 21:9 en hij leverde die aan de Gibeonieten uit. De Gibeonieten brachten hen naar de berg en hingen hen daar voor Jahwe op; zo vonden zij alle zeven de dood. Het was in de eerste dagen van de oogst, bij het begin van de gersteoogst, toen zij ter dood gebracht werden. 2SAM 21:10 Rispa, de dochter van Aija, spreidde haar rouwkleed op de rots uit en zij bleef daar vanaf het begin van de gersteoogst totdat het water uit de hemel over hen neerstroomde. Zij gaf noch roofvogels overdag, noch de wilde dieren 's nachts de kans zich op de lijken te werpen. 2SAM 21:11 Toen men David mededeelde wat Rispa, de dochter van Aija, de bijvrouw van Saul, gedaan had, 2SAM 21:12 liet hij het gebeente van Saul en diens zoon Jonatan weghalen bij de burgers van Jabes in Gilead; die hadden het namelijk heimelijk weggevoerd van het plein te Bet san, waar de Filistijnen de lijken hadden opgehangen, na hun overwinning op Saul in Gilboa. 2SAM 21:13 Nadat David het gebeente van Saul en diens zoon Jonatan had laten overbrengen, verzamelde men ook het gebeente van de gehangenen 2SAM 21:14 en begroef dat met het gebeente van Saul en diens zoon Jonatan in het land van Benjamin, te Sela, in het graf van zijn vader Kis. Toen de opdracht van de koning was uitgevoerd, liet God zich ten gunste van het land verbidden. 2SAM 21:15 Toen de Filistijnen weer eens in oorlog waren met de Israëlieten trok David met zijn getrouwen uit. Tijdens het gevecht tegen de Filistijnen raakte David uitgeput. 2SAM 21:16 Nu was er een zekere Jisbibenob, een afstammeling van Rafa; het gewicht van zijn lans bedroeg driehonderd sikkel aan brons en er hing een nieuw zwaard aan zijn gordel. Hij dreigde David neer te slaan. 2SAM 21:17 Maar Abisai, de zoon van Seruja, kwam David te hulp en sloeg de Filistijn dood. De manschappen van David bezwoeren bij die gelegenheid hun koning: `U moet nooit meer met ons te strijd trekken! U moogt de lamp van Israël niet uitdoven!' 2SAM 21:18 En toen het enige tijd later weer tot een gevecht kwam met de Filistijnen, in Gob, versloeg Sibbekai de Chusatiet een andere afstammeling van Rafa, Saf genaamd. 2SAM 21:19 En toen het enige tijd later nogmaals tot een gevecht kwam met de Filistijnen, in Gob, versloeg Elchanan, de zoon van Jaare oregim, uit Betlehem, de Gittiet Goliat, wiens lansschacht als een weversboom was. 2SAM 21:20 Toen het enige tijd later opnieuw tot een gevecht kwam, in Gat, trad daar een reus van een man op, die aan iedere hand zes vingers en aan ieder voet zes tenen had, vierentwintig tenen en vingers. Ook hij was een afstammeling van Rafa. 2SAM 21:21 Hij daagde Israëlieten honend uit en Jonatan, de zoon van Sima, de broer van David, sloeg hem neer. 2SAM 21:22 Deze vier waren afstammelingen van Rafa in Gat; zij sneuvelden door de hand van David en van zijn getrouwen. 2SAM 22:1 Nadat Jahwe hem gered had uit de hand van al zijn vijanden en uit de hand van Saul, richtte David tot Jahwe het volgende lied: 2SAM 22:2 Jahwe, mijn rots, mijn vesting, mijn verlosser, 2SAM 22:3 mijn God, mijn rots ik schuil bij Hem; mijn schild, de horen die mij redt, mijn citadel, mijn toevlucht, mijn bevrijder: uit het geweld bevrijdt Gij mij. 2SAM 22:4 Jahwe Hij zij geprezen; roep ik aan en ik ben van mijn vijanden verlost. 2SAM 22:5 De wilde golven van de dood omgaven mij en stromen onheil sloegen op mij neer; 2SAM 22:6 ik zat gebonden in de koorden van de onderwereld; de strikken van de dood bedreigden mij. 2SAM 22:7 Toen, in mijn nood, riep ik tot Jahwe, riep ik mijn God om hulp. Hij heeft mijn stem gehoord, daar in zijn tempel; mijn hulpgeroep klonk in zijn oren. 2SAM 22:8 De aarde beefde en schokte; de hemel schudde op zijn fundamenten: zij sidderde omdat Hij toornig was. 2SAM 22:9 Er kwam rook uit zijn neus en verterend vuur uit zijn mond, die gloeiende kolen spuwde. 2SAM 22:10 Hij boog het zwerk naar omlaag en daalde neer: duistere wolken onder zijn voeten. 2SAM 22:11 Hij reed op een kerub, in vliegende vaart; op de vleugels van de storm kwam Hij aan. 2SAM 22:12 Duisternis had Hij gezet als een tent om zich heen, dichte wateren, samengepakte wolken. 2SAM 22:13 De gloed voor Hem uit deed kolen ontvlammen. 2SAM 22:14 Uit de hemel liet Jahwe zijn donder weergalmen; de Allerhoogste verhief zijn stem. 2SAM 22:15 Hij schoot zijn pijlen Hij dreef hen uiteen, bliksemflitsen Hij stichtte paniek. 2SAM 22:16 De diepten der zee werden zichtbaar; de fundamenten der aarde kwamen bloot door Jahwe's dreigende stem, de woedende storm uit zijn neus. 2SAM 22:17 Uit den hoge reikte Hij, greep Hij mij vast en trok mij op uit de watervloed; 2SAM 22:18 aan mijn machtige vijand ontrukte Hij mij, aan hen die mij haatten en die ik niet aankon. 2SAM 22:19 Hij kwam tot mij op de dag van mijn rampspoed; Hij werd mijn houvast, Jahwe. 2SAM 22:20 Hij nam mij mee en gaf mij weer ruimte; Hij heeft mij ontzet omdat Hij mij liefheeft. 2SAM 22:21 Jahwe heeft mij mijn vroomheid vergolden, mijn zuivere handen beloond, 2SAM 22:22 want Jahwe's wegen heb ik gehouden. Ik heb met mijn God niet gebroken: 2SAM 22:23 al zijn wetten hield ik voor ogen en van zijn geboden week ik niet af. 2SAM 22:24 Smetteloos ben ik voor Hem gebleven en ik hield mij ver van de zonde. 2SAM 22:25 Jahwe heeft mijn vroomheid beloond. de onschuld die Hij in mij vond, 2SAM 22:26 want trouw zijt Gij voor de trouwe en voor de volmaakte volmaakt; 2SAM 22:27 de reine ervaart dat Gij rein zijt, maar de dwarse zit gij dwars. 2SAM 22:28 De kleine man komt Gij bevrijden; de grote ziet Gij niet aan. 2SAM 22:29 Jahwe, Gij zijt mijn lamp; Jahwe maakt mijn duister licht. 2SAM 22:30 Zijt Gij met mij: op een hele schare storm ik los; met mijn God is geen muur mij te hoog. 2SAM 22:31 Wat hij doet, deze God, is volmaakt; Jahwe's woord is bestand tegen vuur; een schild is Hij voor wie bij Hem schuilen. 2SAM 22:32 Want wie is er God behalve Jahwe; wie een rots dan Hij, onze God? 2SAM 22:33 Deze God, mijn bolwerk, mijn kracht, die steeds het volmaakte doet; 2SAM 22:34 mijn voeten heeft Hij gemaakt als de voeten van hinden; op de hoogten heeft Hij mij staande gehouden. 2SAM 22:35 Mijn handen heeft Hij geleerd de wapens te voeren; mijn armen spannen de koperen boog. 2SAM 22:36 Gij hebt mij het reddende schild gegeven en sterk mij gemaakt door uw zorg. 2SAM 22:37 Voor mijn voeten hebt Gij ruimte gemaakt; mijn enkels beefden niet. 2SAM 22:38 Mijn vijanden zette ik na; ik heb hen verdelgd; ik kwam niet weerom, aleer zij waren verslagen. 2SAM 22:39 Ik sloeg hen aan stukken; zij stonden niet meer op; aan mijn voeten bleven ze liggen. 2SAM 22:40 Gij hebt mij met kracht omgord tot de strijd en mijn vijand voor mij doen bukken. 2SAM 22:41 Hij hebt mij de nek laten zien van de vijand; mijn tegenstanders heb ik vernietigd. 2SAM 22:42 Zij riepen om hulp; er was geen redder; zij riepen tot Jahwe Hij gaf hun geen antwoord. 2SAM 22:43 Ik heb hen verpulverd als stof op de grond, vertrapt en vertreden als modder op straat. 2SAM 22:44 Gij hebt mij gered van mijn volk in oproer; Gij hebt mij behoed voor het gif van de volken. 2SAM 22:45 Volken die ik niet kende werden mij dienstbaar; vreemden zoeken mijn gunst; 2SAM 22:46 zij horen van mij en gehoorzamen al; vreemden verliezen de moed en komen hun schuilhoeken uit. 2SAM 22:47 Leve Jahwe, gezegend mijn rots, geprezen mijn God, de rots die mij redde, 2SAM 22:48 de God die mij wraak heeft vergund en de volken onder mijn macht gebracht, 2SAM 22:49 die mij heeft verlost van de vijand. Gij hebt mij verheven boven mijn haters, mijn ontrukt aan de daders van onrecht. 2SAM 22:50 Daarom prijs ik U onder de volken, Jahwe, maak ik muziek tot eer van uw naam. 2SAM 22:51 Hij redt zijn koning uit vele gevaren en aan zijn gezalfde bewijst Hij zijn trouw, aan David en Davids geslacht, altijd. 2SAM 23:1 Dit zijn de laatste woorden van David: Hier spreekt David, de zoon van Isaï; hier spreekt de held, de hoog verhevene, de gezalfde van Jakobs God, de lieveling van Israëls liederen. 2SAM 23:2 De geest van Jahwe spreekt door mij; zijn woord is op mijn tong. 2SAM 23:3 De God van Israël heeft gesproken; de rots van Israël heeft mij gezegd: Wie de mensen rechtvaardig regeert, wie heerst in ontzag voor God, 2SAM 23:4 hij is als het licht van de morgen, de zon de morgen is helder, de regen voorbij de rijzende zon die het groen op de aarde doet glanzen, 2SAM 23:5 Waarlijk, mijn huis staat onder Gods hoede, want Hij heeft mij een altijddurend verbond geschonken, een goed opgesteld verbond, trouw nagekomen. Laat Hij het niet groeien, al mijn geluk en alles wat ik verlang? Laat Hij het niet groeien, al mijn geluk en alles wat ik verlang? 2SAM 23:6 De bozen zijn als doornstruiken, allen verwerpelijk; niemand pakt ze met de blote hand; 2SAM 23:7 wie ze te lijf wil, hij wapent zich met ijzer en hout van de lans; waar ze liggen gaan ze in vlammen op. 2SAM 23:8 Hier volgen de namen van Davids helden: Isbaäl, de zoon van de Chakmoniet, aanvoerder van de Drie. hij ging met zijn bijl achthonderd man te lijf en versloeg ze in een keer. 2SAM 23:9 Vervolgens Elazar, de zoon van Dodo, de zoon van een Achochiet. Hij was een van de drie helden in Davids gezelschap. Toen zij de Filistijnen uitdaagden, verzamelden die zich tot de strijd, waarop de Israëlieten terugtrokken. 2SAM 23:10 Elazar viel toen aan en sloeg op de Filistijnen in totdat zijn hand zo stijf was geworden dat hij zijn zwaard niet meer los kon laten. Die dag schonk Jahwe een grote overwinning. Het leger keerde terug en ging achter Elazar aan, alleen nog om te plunderen. 2SAM 23:11 Tenslotte Samma, de zoon van Age, de Harariet. Toen de Filistijnen zich te Lechi voor de strijd verzameld hadden er was daar een land dat vol linzen stond en het leger voor de Filistijnen op de vlucht sloeg, 2SAM 23:12 ging hij midden op dat land staan en wist het te behouden door de Filistijnen te verslaan. Zo schonk Jahwe een grote overwinning. 2SAM 23:13 Drie van de dertig aanvoerders begaven zich eens, tegen de oogsttijd, naar David in de grot van Adullam, terwijl een bende Filistijnen in het dal van de Refaieten gelegerd was. 2SAM 23:14 David had zich daar toen verschanst terwijl er een post van de Filistijnen in Betlehem lag. 2SAM 23:15 Op een gegeven ogenblik kwam er bij David een verlangen op en zei hij: `Als iemand mij nu eens water te drinken gaf uit de put bij de poort van Betlehem!' 2SAM 23:16 De drie helden baanden zich daarop een weg door het legerkamp van de Filistijnen en schepten water uit de put bij de poort van Betlehem. Ze slaagden erin, het water naar David te brengen, maar deze wilde er niet van drinken; hij goot het uit voor Jahwe 2SAM 23:17 en zei: `Jahwe beware mij ervoor, zo iets te doen. Het is het bloed van de mannen die hun leven gewaagd hebben om het te halen.' Daarom wilde hij het niet drinken. Zulke dingen deden de drie helden. 2SAM 23:18 Abisai, de broer van Joab en zoon van Seruja, was het hoofd van de dertig. Hij ging met zijn lans driehonderd man te lijf, die allen getroffen werden; zo maakte hij naam als een van de drie. 2SAM 23:19 Hij was de beroemdste van de dertig, zodat hij hun aanvoerder werd, maar met de eerste drie kon hij zich niet meten. 2SAM 23:20 Benaja, de zoon van Jojada, de zoon van een dapper krijgsman uit Kabseel, die al veel grote daden verricht had, versloeg de twee zonen van Ariël uit Moab. Eens, op een dag dat er sneeuw lag, liet hij zich in een put zakken en doodde de leeuw die er in zat. 2SAM 23:21 Verder versloeg hij de Egyptenaar, een geweldig grote man. Deze was gewapend met een lans, maar Benaja ging met een stok op hem af, wrong hem de lans uit de vuist en doodde de Egyptenaar met zijn eigen lans. 2SAM 23:22 Zulke dingen deed Benaja, de zoon van Jojada. 2SAM 23:23 Hij was befaamd als een van de drie helden en onder de dertig was hij geëerd, maar met de eerste drie kon hij zich niet meten. David stelde hem aan als bevelhebber over zijn lijfwacht. 2SAM 23:24 Tot de dertig behoorden: Asaël, de broer van Joab, Elchanan, de zoon van Dodo uit Betlehem, 2SAM 23:25 Samma uit Charod, Elika uit Charod, 2SAM 23:26 Cheles uit Pelet, Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa, 2SAM 23:27 Abiezer uit Anatot, Mebunnai uit Chusa, 2SAM 23:28 Selomot uit Achoach, Maharai uit Netofa, 2SAM 23:29 Cheleb, de zoon van Baanai uit Netofa, Ittai, de zoon van Ribai, uit Gibea van de Benjaminieten, 2SAM 23:30 Benaja, uit Piraton, Hiddai, uit het stroomgebied bij Gaas, 2SAM 23:31 Abialbon, uit Arba, Azmawet uit Bachurim, 2SAM 23:32 Eljachba, uit Saalbon, de zoon van Jasen, 2SAM 23:33 Jonatan, van Samma, uit Harar, Achiam, de zoon van Sarar, uit Harar, 2SAM 23:34 Elifelet, de zoon van Achasbai, de zoon van een Maakatiet, Eliam, de zoon van Achitofel, uit Gilo, 2SAM 23:35 Chesrai, uit Karmel, Paarai, uit Arba, 2SAM 23:36 Jigal, de zoon van Natan, uit Soba. Bani, de Gadiet, 2SAM 23:37 Selek, de Ammoniet, Nachrai, de wapendrager van Joab, de zoon van Seruja, uit Beerot. 2SAM 23:38 Ira, uit Jeter, Gareb, uit Jeter, 2SAM 23:39 Uria de Hethiet. Samen zevenendertig. 2SAM 24:1 Opnieuw ontbrandde de toorn van Jahwe tegen de Israëlieten. Hij zette David tegen hen op door te zeggen: `Ga een volkstelling houden in Israël en Juda.' 2SAM 24:2 Daarom zei de koning tot Joab, zijn legeraanvoerder: `Ga rond bij alle stammen van Israël, van Dan tot Berseba, om het volk te tellen: ik wil weten hoe talrijk het volk is.' 2SAM 24:3 Joab antwoordde de koning: `Jahwe moge het volk nog honderdmaal zo talrijk maken en mijn heer de koning moge daar getuige van zijn, maar waarom wenst de koning eigenlijk een telling?' 2SAM 24:4 Joab en de andere aanvoerders van de legermacht konden zich echter niet aan het bevel van de koning onttrekken. Daarom gingen zij rond om volgens het bevel van de koning het volk, de Israëlieten, te tellen. 2SAM 24:5 Ze staken de Jordaan over, legerden zich te Aroer, bezuiden de stad die halverwege de waterbedding ligt, en trokken naar de Gadieten en naar Jazer. 2SAM 24:6 Vervolgens begaven zij zich naar Gilead en naar het land van de Hethieten. Verder gingen zij naar Dan jaan en de omgeving van Sidon. 2SAM 24:7 Daarna kwamen zij aan de vesting Tyrus en alle steden van de Chiwwieten en Kanaänieten. Tenslotte trokken zij naar Berseba in de Negeb van Juda. 2SAM 24:8 Nadat zij het gehele land doorkruist hadden, kwamen zij na verloop van negen maanden en twintig dagen weer in Jeruzalem terug. 2SAM 24:9 Joab deelde de uitslag van de telling aan de koning mee: Israël telde achthonderdduizend weerbare mannen die het zwaard konden hanteren en Juda vijfhonderdduizend. 2SAM 24:10 Maar toen David de volkstelling had laten houden, begon zijn hart te bonzen van angst en zei hij tot Jahwe: `Ik heb zwaar gezondigd door dat te doen. Ach Jahwe, vergeef toch de zonde van uw dienaar; ik heb zeer dwaas gehandeld.' 2SAM 24:11 Toen David de volgende ochtend opstond, was het woord van Jahwe al gekomen tot de profeet Gad, de ziener van David: 2SAM 24:12 `Gij moet tot David gaan zeggen: `Zo spreekt Jahwe: Drie dingen leg Ik u voor, waarvan gij er een moet kiezen; daarmee zal Ik u treffen.' 2SAM 24:13 Gad begaf zich naar David, legde hem dit voor en vroeg: `Moet er zeven jaar hongersnood over uw land komen, wilt u drie maanden lang achtervolgd door uw vijanden op de vlucht zijn, of moet drie dagen lang de pest door uw land gaan? Denk goed na en beslis dan wat ik moet antwoorden aan Hem die mij zendt.' 2SAM 24:14 Toen zei David tot Gad: `Ik weet me geen raad, maar wij kunnen beter in de hand van Jahwe vallen want zijn barmhartigheid is groot dan in de handen van mensen.' 2SAM 24:15 Dus liet Jahwe de pest op Israël los, van die ochtend af tot op de vastgestelde tijd, en er stierven van Dan tot Berseba zeventigduizend mensen. 2SAM 24:16 Toen de engel van Jahwe zijn hand uitstak om ook Jeruzalem te teisteren, kreeg Jahwe spijt over het onheil en zei Hij tot de engel die onder het volk verderf stichtte: `Het is genoeg; laat uw hand zakken.' De engel van Jahwe stond toen bij de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet. 2SAM 24:17 Toen David de engel zag die het volk teisterde, zei hij tot Jahwe: `Ach Heer, alleen ik heb gezondigd, alleen ik heb verkeerd gedaan, maar deze schapen, wat hebben zij gedaan? Laat uw hand liever op mij en op het huis van mijn vader drukken!' 2SAM 24:18 Die dag begaf Gad zich naar David en zei tot hem: Ga daarboven, op de dorsvloer van Arauna de Jebusiet, een altaar oprichten voor Jahwe.' 2SAM 24:19 En David ging op weg, zoals Jahwe hem door het woord van de profeet had opgedragen. 2SAM 24:20 Toen Arauna de koning en zijn hovelingen naar boven zag komen, liep hij hun tegemoet en bracht hij de koning diep gebogen zijn hulde. 2SAM 24:21 Arauna vroeg: `Wat brengt mijn heer de koning ertoe, zijn dienaar te komen bezoeken?' David antwoordde: `Ik wil uw dorsvloer kopen om er voor Jahwe een altaar te bouwen; dan zal deze plaag van het volk worden weggenomen.' 2SAM 24:22 Daarop zei Arauna tot David: `Mijn heer de koning mag alles nemen wat hij voor zijn offer nodig heeft. Hier zijn de runderen voor het brandoffer; de dorssleden en het tuig van de runderen kunnen dienen als brandhout. 2SAM 24:23 Dit alles, koning, biedt Arauna u aan. En moge Jahwe uw God zo voegde Arauna eraan toe behagen in u vinden.' 2SAM 24:24 Maar de koning zei tot Arauna: `Neen, ik sta erop, het voor de volle prijs van u te kopen, want ik wil aan Jahwe mijn God geen offers opdragen die mij niets gekost hebben.' David kocht toen de dorsvloer en de runderen, voor vijftig sikkel zilver. 2SAM 24:25 Hij bouwde daar een altaar voor Jahwe en droeg er brand en slachtoffers op. Jahwe liet zich verbidden; Hij was het land weer goedgunstig en de plaag werd van Israël weggenomen. HET EERSTE BOEK KONINGEN 1KON 1:1 Intussen was koning David oud geworden. Hij was hoogbejaard en kon het maar niet warm krijgen, ofschoon men hem goed toedekte. 1KON 1:2 Daarom zeiden zijn hovelingen tot hem: `Er moest voor onze heer de koning maar een jonge maagd gezocht worden; zij zou de koning ten dienste kunnen staan en hem verzorgen; zij zou in uw schoot kunnen slapen, en dan zal onze heer de koning het toch wel warm krijgen.' 1KON 1:3 Dus werd er in het gehele Israëlitische gebied naar een mooi meisje gezocht. De keus viel op Abisag de Sunammitische, en men bracht haar bij de koning. 1KON 1:4 Het meisje was zeer mooi en zij verpleegde de koning en bediende hem, maar de koning had geen gemeenschap met haar. 1KON 1:5 Nu wierp Adonia, de zoon van Chaggit, zich op als troonopvolger. Hij schafte zich een wagen met paarden aan en zorgde voor vijftig man die voor hem uit moesten lopen. 1KON 1:6 Zijn vader viel hem geen ogenblik lastig met de vraag, waarom hij zo iets deed. Hij was zeer knap van uiterlijk en volgde in leeftijd op Absalom. 1KON 1:7 Hij hield besprekingen met Joab, de zoon van Seruja, en met de priester Abjatar, en deze zegden Adonia hun steun toe. 1KON 1:8 Maar de priester Sadok en Benaja, de zoon van Jojada, en de profeet Natan en Simi en Rei en ook de helden in Davids dienst waren niet op de hand van Adonia. 1KON 1:9 Toen Adonia dan ook bij de Slangesteen, bij En rogel, schapen, runderen en mestvee ging slachten, nodigde hij wel al zijn broers, de zonen van de koning, en alle Judeeërs in dienst van de koning uit, 1KON 1:10 maar de profeet Natan, Benaja, de leden van de lijfwacht en zijn broer Salomo nodige hij niet uit. 1KON 1:11 Toen ging Natan praten met Batseba, de moeder van Salomo. Hij zei: `Hebt u gehoord dat Adonia, de zoon van Chaggit, koning geworden is, zonder dat onze heer David er iets van weet? 1KON 1:12 Laat ik u een goede raad geven, opdat u uw eigen leven en dat van uw zoon Salomo kunt redden. 1KON 1:13 Ga naar koning David en zeg hem: `Mijn heer de koning, hebt u uw dienares niet onder ede verzekerd dat mijn zoon Salomo u als koning op zou volgen en dat hij zou zetelen op uw troon? Waarom is Adonia dan koning geworden?' 1KON 1:14 Terwijl u dan nog met de koning in gesprek bent ga ook ik naar binnen, om uw woorden kracht bij te zetten.' 1KON 1:15 Batseba ging dus de kamer van de koning binnen. De koning was zeer oud geworden en Abisag de Sunamitische bediende hem. 1KON 1:16 Batseba boog zich voor de koning neer en bracht hem haar hulde. De koning vroeg haar: `Wat wenst u?' 1KON 1:17 Zij antwoordde: `Mijn heer, u hebt toch uw dienares bij Jahwe uw God gezworen dat mijn zoon Salomo u als koning zou opvolgen en dat hij zou zetelen op uw troon? 1KON 1:18 En zie, nu is Adonia koning geworden, zonder dat u er iets van weet. 1KON 1:19 Hij heeft een groot aantal stieren, mestvee en schapen geslacht en al de zonen van de koning uitgenodigd, en ook de priester Abjatar en de legeroverste Joab, maar uw dienaar Salomo heeft hij niet uitgenodigd. 1KON 1:20 Op u echter, mijn heer de koning houdt heel Israël zijn ogen gericht, want het wil van u weten wie er na u op de troon van mijn heer de koning zal zetelen. 1KON 1:21 Wanneer mijn heer de koning bij zijn vaderen te ruste gaat, vallen ik en mijn zoon Salomo in ongenade!' 1KON 1:22 Nog was zij met de koning in gesprek, toen Natan, de profeet, aankwam. 1KON 1:23 Men deelde de koning mee dat de profeet Natan er was. Deze verscheen voor de koning en boog zich diep ter aarde voor hem neer. 1KON 1:24 En Natan zei: `Mijn heer de koning, u hebt dus besloten dat Adonia u als koning zal opvolgen en dat hij zal zetelen op uw troon. 1KON 1:25 Hij is namelijk vandaag een groot aantal stieren, mestvee en schapen gaan slachten en heeft daarbij al de zonen van de koning, de legeroversten en de priester Abjatar uitgenodigd. Nu zijn ze met hem aan het eten en drinken en nu roepen zij: Leve koning Adonia! 1KON 1:26 Maar mij, uw dienaar, de priester Sadok, Benaja, de zoon van Jojada, en uw dienaar Salomo heeft hij niet uitgenodigd. 1KON 1:27 Als dit alles van mijn heer de koning is uitgegaan, waarom hebt u dan uw dienaar niet laten weten wie er na u op de troon van mijn heer de koning zal zetelen?' 1KON 1:28 Koning David antwoordde: `Laat Batseba bij me komen.' Toen zij binnengekomen was en voor de koning stond, 1KON 1:29 legde de koning deze eed af: `Zowaar Jahwe leeft, die mij bevrijd heeft uit alle nood: 1KON 1:30 Vandaag nog zal ik ten uitvoer brengen wat ik u bij Jahwe gezworen heb: uw zoon Salomo zal mij als koning opvolgen en na mij zetelen op mijn troon.' 1KON 1:31 Toen boog Batseba zich voor de koning neer, bracht hem haar hulde en zei: `Mijn heer, koning David, leve in eeuwigheid!' 1KON 1:32 Nu beval koning David: `Laat de priester Sadok, de profeet Natan en Benaja, de zoon van Jojada, bij me komen.' Toen die voor de koning verschenen waren 1KON 1:33 sprak David tot hen: `Verzamel de hofbeambten, zet mijn zoon Salomo op mijn eigen muildier en leid hem naar de Gichon. 1KON 1:34 Daar zullen de priester Sadok en de profeet Natan hem zalven tot koning van Israël. U steekt de bazuin en roept: Leve koning Salomo! 1KON 1:35 Schaart u dan achter hem en laat hem de stad binnentrekken om plaats te nemen op mijn troon, want hij zal mij als koning opvolgen; hem heb ik bestemd tot vorst over Israël en Juda.' 1KON 1:36 Toen nam Benaja, de zoon van Jojada, het woord en zei tot de koning: `Zo zij het! Moge Jahwe, de God van mijn heer de koning, het bekrachtigen. 1KON 1:37 Zoals Jahwe met mijn heer de koning geweest is, zo moge Hij ook zijn met Salomo, en diens troon nog verhevener maken dan die van mijn heer, koning David.' 1KON 1:38 Toen gingen de priester Sadok, de profeet Natan en Benaja, de zoon van Jojada, met de Keretieten en de Peletieten op weg. Zij zetten Salomo op het muildier van koning David en leidden hem naar de Gichon. 1KON 1:39 De priester Sadok liet de horen met olie uit de tent halen en zalfde Salomo. Toen stak men de bazuin en al het volk riep: `Leve koning Salomo!' 1KON 1:40 Daarna trok heel het volk achter hem aan. Ze speelden op fluiten en gaven uitbundig uiting aan hun vreugde, zodat de grond dreunde van het rumoer. 1KON 1:41 Dit hoorde Adonia, met al de genodigden die bij hem waren. Zij hadden juist hun maaltijd beëindigd. En toen Joab het geschal van de bazuin hoorde zei hij: `Waarom zou er in de stad zoveel rumoer zijn?' 1KON 1:42 Hij was nog niet uitgesproken, of daar diende Jonatan, de zoon van de priester Abjatar, zich aan. Adonia zei: `Kom erbij, u bent een voortreffelijk man en zult zeker goed nieuws brengen.' 1KON 1:43 Maar Jonatan antwoordde: `Integendeel! Onze heer, koning David, heeft Salomo tot koning verheven. 1KON 1:44 De koning heeft hem de priester Sadok, de profeet Natan, Benaja, de zoon van Jojada, en de Keretieten en Peletieten meegegeven. Die hebben hem op het muildier van de koning gezet 1KON 1:45 en de priester Sadok en de profeet Natan hebben hem tot koning gezalfd bij de Gichon. Juichend zijn ze vandaar naar de stad getrokken en die is nu in rep en roer; dat is het rumoer dat u hoort. 1KON 1:46 Vervolgens heeft Salomo plaats genomen op de koninklijke troon. 1KON 1:47 Toen zijn de hovelingen van de koning gekomen om onze heer, koning David, hun gelukwensen aan te bieden. Ze zeiden: Uw God moge de naam van koning Salomo nog beroemder maken dan uw naam, en zijn troon nog verhevener dan de uwe. Toen bracht de koning op zijn rustbed hem zijn hulde. 1KON 1:48 En de koning sprak als volgt: Gezegend zij Jahwe, de God van Israël, die mij heden vergund heeft mijn troonopvolger met eigen ogen te zien.' 1KON 1:49 Toen kregen alle genodigden van Adonia de schrik te pakken; zij stonden op en maakten dat ze wegkwamen. 1KON 1:50 Ook Adonia werd bevreesd voor Salomo; hij begaf zich naar het altaar en greep zich aan de horens vast. 1KON 1:51 Aan Salomo werd medegedeeld: `Adonia is bevreesd voor de koning; hij heeft de horens van het altaar vastgegrepen en zegt: Laat koning Salomo eerst zweren dat hij zijn dienaar niet zal terechtstellen.' 1KON 1:52 Toen verklaarde Salomo: `Als hij zich behoorlijk gedraagt, zal er geen haar van zijn hoofd gekrenkt worden. Maar als blijkt dat hij zich misdraagt, zal hij sterven.' 1KON 1:53 Daarop liet Salomo hem van het altaar weghalen. Adonia kwam binnen en boog zich neer voor koning Salomo. En Salomo zei tot hem: `Je kunt naar huis gaan.' 1KON 2:1 Toen Davids einde naderde, bond hij zijn zoon Salomo het volgende op het hart: 1KON 2:2 `Ik ga de weg van al het aardse. Wees sterk en toon dat je een man bent. 1KON 2:3 Blijf trouw aan de dienst van Jahwe onze God: bewandel zijn wegen en onderhoud zijn wetten, geboden, voorschriften en verordeningen, zoals geschreven staat in de wet van Mozes. Dan zul je slagen in alles wat je doet en onderneemt. 1KON 2:4 Dan zal Jahwe het woord gestand doen dat Hij tot mij gesproken heeft: Als uw zonen trouw, met heel hun hart en heel hun ziel, mijn wegen bewandelen, dan zal het u nooit ontbreken aan afstammelingen op de troon van Israël. 1KON 2:5 Je weet wat Joab, de zoon van Seruja, mij heeft aangedaan: de beide legeroversten van Israël, Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jeter, heeft hij vermoord, in vredestijd bloed vergoten alsof het oorlog was en met dit bloed de gordel om zijn middel en de sandalen aan zijn voeten besmeurd. 1KON 2:6 Doe dus met hem zoals je wijsheid je ingeeft en laat zijn grijze haren niet in vrede naar het dodenrijk afdalen. 1KON 2:7 Wees welwillend voor de zonen van Barzillai de Gileadiet en laat ze tot je disgenoten behoren, want zij zijn mij ook behulpzaam geweest toen ik voor je broer Absalom moest vluchten, 1KON 2:8 Dan is er nog de Benjaminiet Simi, de zoon van Gera, uit Bachurim, die mij vreselijk vervloekt heeft toen ik op weg was naar Machanaim. Toen hij mij bij de Jordaan tegemoet kwam, heb ik hem bij Jahwe gezworen dat ik niet het zwaard zou trekken om hem te doden. 1KON 2:9 Maar jij mag hem nu niet onbestraft laten. Je bent een wijs man en weet dus wat je met hem doen moet om zijn grijze haren bebloed in het dodenrijk te laten afdalen.' 1KON 2:10 Toen ging David ter ruste bij zijn voorvader en werd begraven in de Davidstad. 1KON 2:11 Veertig jaar had David over Israël geregeerd; te Hebron had hij zeven jaar geregeerd en te Jeruzalem drieëndertig jaar. 1KON 2:12 Salomo zetelde op de troon van zijn vader en zijn koningschap werd steeds meer bevestigd. 1KON 2:13 Toen begaf Adonia, de zoon van Chaggit, zich naar Batseba, de moeder van Salomo. Zij vroeg: `Betekent uw komst vrede?' En hij antwoordde: `Ja.' 1KON 2:14 Hij vervolgde: `Ik heb iets met u te bespreken,' en zij antwoordde: `Ga uw gang.' 1KON 2:15 Toen zei hij: `U weet dat het koningschap eigenlijk aan mij toekwam. Het volk had verwacht dat ik koning zou worden, maar de zaken hebben een andere wending genomen en het koningschap is mijn broer ten deel gevallen, omdat God het zo beschikt had. 1KON 2:16 Nu zou ik u een verzoek willen doen; stelt u me niet teleur.' Zij antwoordde: `Ga uw gang.' 1KON 2:17 En hij zei: `Zou u koning Salomo willen vragen u zal hij niets weigeren mij Abisag de Sunammitische tot vrouw te geven?' 1KON 2:18 Batseba zei: `Goed, ik zal er met de koning over spreken.' 1KON 2:19 Toen nu Batseba bij koning Salomo binnenkwam om over Adonia's verzoek te spreken, stond de koning op, ging haar tegemoet en boog zich voor haar neer. Daarna ging hij op zijn troon zitten en liet aan zijn rechterhand een zetel plaatsen. De moeder van de koning ging zitten 1KON 2:20 en zei: `Ik heb u een klein verzoek te doen; u moet me niet teleurstellen.' De koning antwoordde: `Vraag maar moeder, ik zal u niet teleurstellen.' 1KON 2:21 Ze zei: `Sta toe dat Abisag de Sunammitische aan uw broer Adonia tot vrouw gegeven wordt.' 1KON 2:22 Salomo antwoordde zijn moeder: `Waarom vraagt u Abisag de Sunammitische voor Adonia? Vraag het koningschap maar voor hem! Hij is tenslotte mijn oudere broer en zowel de priester Abjatar als Joab, de zoon van Seruja, zijn op zijn hand.' 1KON 2:23 En koning Salomo zwoer deze eed: `God mag me dit en dat doen en nog erger, als Adonia dit verzoek niet met de dood bekoopt. 1KON 2:24 Zowaar Jahwe leeft, die mij op de troon van mijn vader David geplaatst heeft en mijn gezag bevestigd, die mij een huis gebouwd heeft zoals Hij beloofd had: vandaag nog wordt Adonia ter dood gebracht.' 1KON 2:25 En koning Salomo liet hem door Benaja, de zoon van Jojada, ter dood brengen. Zo kwam hij aan zijn einde. 1KON 2:26 Tot de priester Abjatar zei de koning: `Ga naar uw akkers bij Anatot. Eigenlijk verdient u de dood. Vandaag nog zou ik u ter dood laten brengen, als u niet in dienst van mijn vader David de ark van Jahwe de Heer had gedragen en niet het lijden van mijn vader gedeeld had.' 1KON 2:27 Zo verbande Salomo Abjatar en zette hij hem af als priester van Jahwe. Daarmee liet hij het woord in vervulling gaan dat Jahwe gesproken had over het huis van Eli te Silo. 1KON 2:28 Zodra het nieuws tot Joab doordrong, vluchtte hij naar de tent van Jahwe en greep zich aan de horens van het altaar vast. Joab had immers partij gekozen voor Adonia, hoewel niet voor Absalom. 1KON 2:29 Toen dan aan koning Salomo werd meegedeeld, dat Joab zijn toevlucht had genomen tot de tent van Jahwe en bij het altaar stond, gaf Salomo aan Benaja, de zoon van Jojada, de opdracht: `Ga, en breng hem ter dood.' 1KON 2:30 Benaja ging dus de tent van Jahwe binnen en zei tot Joab: `De koning beveelt u naar buiten te komen.' Maar Joab antwoordde: `Neen, als ik sterven moet, dan hier.' Benaja bracht dit over aan de koning met de woorden: `Dit heeft Joab gezegd, zo was zijn antwoord.' 1KON 2:31 En de koning zei tot hem: `Doe zoals hij gezegd heeft: dood hem en laat hem begraven. Daarmee zult u mij en het huis van mijn vader zuiveren van het bloed dat Joab nodeloos vergoten heeft 1KON 2:32 en Jahwe zal op Joabs eigen hoofd doen neerkomen het bloed van de twee mannen, rechtschapener en beter dan hijzelf, die hij met het zwaard heeft omgebracht, terwijl mijn vader David er niets van wist: Abner, de zoon van Ner, legeroverste van Israël, en Amasa, de zoon van Jeter, legeroverste van Juda. 1KON 2:33 Hun bloed zal voor altijd neerkomen op het hoofd van Joab en op het hoofd van zijn nakomelingen. Maar op David en zijn nageslacht, zijn huis en zijn troon zal voor eeuwig de zegen van Jahwe rusten.' 1KON 2:34 Benaja, de zoon van Jojada, ging heen en stak Joab dood. En Joab werd in zijn graf in de woestijn bijgezet. 1KON 2:35 In zijn plaats stelde de koning Benaja, de zoon van Jojada, over het leger aan en in de plaats van Abjatar benoemde de koning Sadok. 1KON 2:36 Nu liet de koning Simi roepen en zei tot hem: 'Bouw een huis in Jeruzalem en ga daar wonen. U moogt de stad onder geen voorwaarde verlaten. 1KON 2:37 Weet dat er de dood op staat, als u het toch doet en de beek Kidron oversteekt; dan hebt u uw dood aan uzelf te wijten.' 1KON 2:38 Simi antwoordde de koning: 'Goed; uw dienaar zal zich houden aan wat mijn heer de koning voorschrijft.' En Simi kwam geruime tijd niet buiten Jeruzalem. 1KON 2:39 Maar na verloop van drie jaren liepen twee slaven van Simi weg naar Akis, de zoon van Maaka, de koning van Gat. Toen Simi bericht kreeg dat zijn slaven zich te Gat bevonden, 1KON 2:40 zadelde hij zijn ezel en begaf zich naar Akis in Gat om zijn slaven terug te halen. Daarna keerde Simi terug en bracht zijn slaven uit Gat met zich mee. 1KON 2:41 Toen aan Salomo werd meegedeeld dat Simi uit Jeruzalem naar Gat gegaan was en teruggekeerd, 1KON 2:42 liet de koning hem roepen en zei: 'Heb ik u niet bij Jahwe laten zweren en heb ik u niet uitdrukkelijk gewaarschuwd: Besef goed dat er de dood op staat als u weggaat, waarheen dan ook. Toen hebt u gezegd: Goed, ik houd me eraan. 1KON 2:43 Waarom hebt u zich dan niet gehouden aan de eed bij Jahwe en aan het verbod dat ik u heb opgelegd?' 1KON 2:44 En de koning vervolgde: 'U weet zelf goed genoeg hoeveel kwaad u mijn vader David hebt aangedaan. Jahwe laat het kwaad dat u gedaan hebt op uw eigen hoofd neerkomen, 1KON 2:45 maar koning Salomo zal gezegend zijn en de troon van David zal voor altijd vaststaan voor het aanschijn van jahwe,' 1KON 2:46 Op last van de koning voerde Benaja, de zoon van Jojada, Simi naar buiten en stak hem dood. Toen had Salomo de koninklijke macht vast in handen. 1KON 3:1 Salomo werd de schoonzoon van Farao, de koning van Egypte. Hij huwde een dochter van Farao en bracht haar onder in de Davidstad, totdat hij de bouw van zijn paleis en van de tempel van Jahwe en van de stadsmuren had voltooid. 1KON 3:2 Omdat er in die tijd nog geen tempel gebouwd was voor de naam van Jahwe, offerde het volk in de heiligdommen op de hoogten. 1KON 3:3 En ofschoon Salomo zijn liefde voor Jahwe toonde door te leven naar de wetten van zijn vader David, bleef hij toch offeren en wierook branden in de heiligdommen op de hoogten. 1KON 3:4 Zo ging de koning naar Gibeon om daar te offeren, want dat was de voornaamste offerhoogte. Duizend brandoffers droeg Salomo op dit altaar op. 1KON 3:5 In Gibeon verscheen Jahwe 's nachts in een droom aan Salomo en zei: `Wat wilt ge dat Ik u geef?' 1KON 3:6 Salomo antwoordde: `Ge hebt uw dienaar, mijn vader David, een grote gunst bewezen. Daar hij zijn schreden naar U richtte, getrouw, rechtschapen en eerlijk jegens U, hebt Gij hem een zoon gegeven, die nu zetelt op zijn troon. 1KON 3:7 Welnu, Jahwe mijn God, Gij hebt uw dienaar tot koning verheven als opvolger van mijn vader David, hoewel ik maar een jonge man ben en nog niet weet wat ik doen of laten moet. 1KON 3:8 Zo staat uw dienaar temidden van het volk dat Gij uitverkoren hebt, een groot volk, zo groot dat het niet te tellen of te schatten is. 1KON 3:9 Geef dus uw dienaar een opmerkzame geest, om recht te kunnen spreken voor uw volk en onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad. Want wie is in staat recht te spreken voor dit grote volk van U?' 1KON 3:10 Dit verzoek van Salomo behaagde de Heer. 1KON 3:11 En God zei tot hem: `Omdat ge juist dit gevraagd hebt en geen lang leven hebt gevraagd en ook geen rijkdom of de dood van uw vijanden, maar alleen inzicht, om recht te kunnen spreken, 1KON 3:12 daarom voldoe Ik aan uw verzoek en geef Ik u een geest vol wijsheid en inzicht: zoals gij zal er voor u niemand geweest zijn, en na u zal er niemand opstaan zoals gij. 1KON 3:13 En ook wat ge niet gevraagd heb geef Ik u: rijkdom en aanzien, zoveel dat geen koning aan u gelijk zal zijn, zolang ge leeft. 1KON 3:14 En als ge mijn wegen bewandelt, mijn wetten en geboden onderhoudt, zoals uw vader David gedaan heeft, dan zal Ik u ook nog een lang leven schenken.' 1KON 3:15 Toen werd Salomo wakker en hij begreep dat hij een droom had gehad. En toen hij in Jeruzalem terug was, ging hij staan voor de ark van het verbond met de Heer; hij bracht brandoffers, droeg slachtoffers op en richtte een feestmaal aan voor al zijn hovelingen. 1KON 3:16 Toentertijd begaven twee publieke vrouwen zich naar de koning en dienden zich bij hem aan. 1KON 3:17 De ene vrouw zei: `Met uw welnemen, mijn heer, deze vrouw en ik wonen in hetzelfde huis. In dat huis kreeg ik in haar bijzijn een kind. 1KON 3:18 Drie dagen na mijn bevalling kreeg ook deze vrouw een kind. Wij waren samen, buiten ons tweeën was er niemand anders in huis. 1KON 3:19 Toen is 's nachts het kind van deze vrouw doodgegaan, omdat ze erop was gaan liggen. 1KON 3:20 Maar midden in de nacht, terwijl uw dienares sliep, stond zij op, haalde mijn kind bij mij weg en legde het in haar eigen schoot en haar dode kind legde zij mij in de schoot. 1KON 3:21 Toen ik 's morgens opstond om mijn kind te voeden bleek het dood te zijn, maar toen ik het wat beter bekeek, zag ik dat het niet het kind was dat ik had gebaard.' 1KON 3:22 De andere vrouw zei: `Niet waar! Het levende kind is van mij en het dode van jou.' Maar de eerste hield vol: `Nee, het dode kind is van jou en het levende van mij.' Zo bleven ze maar kijven in tegenwoordigheid van de koning. 1KON 3:23 Toen zei de koning: `De ene zegt: Het levende kind is van mij en het dode van jou, en de andere zegt: Nee, het dode kind is van jou en het levende is van mij.' 1KON 3:24 Daarop zei de koning: `Breng me een zwaard.' Toen men de koning een zwaard gebracht had 1KON 3:25 zei hij: `Hak het levende kind in tweeën: geef de ene helft aan de ene vrouw en de andere helft aan de andere vrouw.' 1KON 3:26 Maar de vrouw wier kind nog leefde en wier hart ineenkromp om haar kind zei: `Met uw welnemen, mijn heer, geef het levende kindje maar aan haar en maak het niet dood.' Maar de andere zei: `Krijg ik het niet, dan jij evenmin; hak het door.' 1KON 3:27 Toen nam de koning het woord en zei: `Geef het levende kind aan de eerste vrouw en maak het niet dood: zij is de moeder.' 1KON 3:28 Alle Israëlieten hoorden van het vonnis dat de koning geveld had en kregen ontzag voor de koning, want ze merkten dat hij goddelijke wijsheid bezat, zodat hij in staat was recht te spreken. 1KON 4:1 Koning Salomo was koning over geheel Israël. 1KON 4:2 En dit waren zijn hoge ambtenaren: Azarja, de zoon van Sadok, was hogepriester; 1KON 4:3 Elichoref en Achia, de zonen van Sisa, waren schrijvers: Josafat, de zoon van Achilud, was raadsheer. 1KON 4:4 Benaja, de zoon van Jojada, was legeroverste; Sadok en Abjatar waren priesters. 1KON 4:5 Azarja, de zoon van Natan, was opperlandvoogd; de priester Zabud, de zoon van Natan, was persoonlijk raadsman van de koning. 1KON 4:6 Achisachar was hofmaarschalk; Adoniram, de zoon van Abda, was hoofd van de herendiensten. 1KON 4:7 Ook had Salomo twaalf landvoogden over geheel Israël. Zij moesten de koning en zijn hof van levensmiddelen voorzien; ieder moest een maand per jaar daarvoor zorgen. 1KON 4:8 Het waren de volgende personen: Ben chur, in het bergland van Efraïm, 1KON 4:9 Ben deker, in Makas, Saalbim, Bet semes, Elon en Bet chanan, 1KON 4:10 Ben chesed, in Arubbot; onder hem viel Soko en het hele land Chefer; 1KON 4:11 de zoon van Abinadab: het hele heuvelland van Dor; Tafat, een dochter van Salomo, was zijn vrouw. 1KON 4:12 Baana, de zoon van Achilud; onder hem vielen Taabak, Megiddo en heel het gebied van Bet san tot bij Saretan, onder Jizreel; dus van Bet san tot Abelmechola en tot voorbij Jokmeam. 1KON 4:13 Ben geber, in Ramot in Gilead; onder hem vielen de dorpen van Jair, de zoon van Manasse, in Gilead; onder hem viel ook de landstreek Argob in Basan: zestig grote vestigingen met muren en bronzen sluitbomen. 1KON 4:14 Achinadab, de zoon van Iddo, in Machanaim. 1KON 4:15 Achimaas, in Naftali; ook hij had een dochter van Salomo gehuwd, Basemat geheten. 1KON 4:16 Baana, de zoon van Chusai, in Aser en Alot. 1KON 4:17 Josafat, de zoon van Paruach, in Issakar. 1KON 4:18 Simi, de zoon van Ela, in Benjamin. 1KON 4:19 Geber, de zoon van Uri, in Gilead, het land van Sichon, de koning van de Amorieten, en dat van Og, de koning van Basan. En er was een landvoogd in het land. 1KON 4:20 De bevolking van Juda en Israël was talrijk, zo talrijk als de zandkorrels aan het strand van de zee; zij aten en dronken en waren gelukkig. 1KON 5:1 Salomo was heerser over alle koninkrijken vanaf de Rivier tot aan het land van de Filistijnen en de grens van Egypte; zij brachten schatting op en waren aan Salomo onderworpen zolang hij leefde. 1KON 5:2 De mondbehoeften van Salomo bedroegen per dag dertig kor bloem en zestig kor meel, 1KON 5:3 tien gemeste en twintig gewone runderen en honderd schapen, nog afgezien van de herten, gazellen, reebokken en het gemeste pluimvee. 1KON 5:4 Hij heerste over heel het gebied aan deze zijde van de Rivier van Tifsach tot Gaza toe, over alle koningen aan deze zijde van de Rivier, en had vrede met alle gebieden rondom. 1KON 5:5 De Judeeërs en de Israëlieten zaten onbekommerd onder hun wijnstok en hun vijgeboom, vanaf Dan tot Berseba, zolang Salomo leefde. 1KON 5:6 Salomo bezat veertigduizend kribben voor zijn trekpaarden en nog twaalfduizend rijpaarden. 1KON 5:7 De bovengenoemde landvoogden moesten ieder gedurende een maand koning Salomo en zijn disgenoten van voedsel voorzien en ze lieten het aan niets ontbreken. 1KON 5:8 Gerst en stro voor de paarden en de trekdieren brachten ze naar de aangegeven plaats, ieder op zijn beurt. 1KON 5:9 En God schonk aan Salomo in rijke mate wijsheid, zeer veel inzicht en een verstand zo veelomvattend als het zand aan de oever van de zee, 1KON 5:10 zodat de wijsheid van Salomo groter was dan die van alle Oosterlingen en groter dan alle wijsheid van Egypte. 1KON 5:11 Hij was wijzer dan alle andere mensen, wijzer dan Etan de Ezrachiet en Heman, Kalkol en Darda, de zonen van Machol, zodat hij beroemd was bij alle volken rondom. 1KON 5:12 Hij dichtte drieduizend spreuken, en liederen waren er van hem duizendvijf. 1KON 5:13 Hij sprak met kennis van zaken over allerlei soorten bomen, vanaf de ceder op de Libanon tot de hysop die opschiet uit de muur; ook sprak hij over viervoeters, vogels, kruipende dieren en vissen. 1KON 5:14 Alle volken en koningen der aarde die van Salomo's wijsheid gehoord hadden, kwamen naar hem luisteren. 1KON 5:15 Toen Chiram, de koning van Tyrus, hoorde dat men Salomo als opvolger van zijn vader tot koning had gezalfd, zond hij gezanten naar hem toe; Chiram was namelijk altijd met David bevriend geweest. 1KON 5:16 En Salomo zond aan Chiram deze boodschap: 1KON 5:17 `U weet dat mijn vader David geen tempel heeft kunnen bouwen voor de naam van Jahwe zijn God. Dat kwam door de oorlogen die men van alle kanten tegen David voerde, totdat Jahwe hem zijn vijanden onder de voeten neerlegde. 1KON 5:18 Nu echter heeft Jahwe mijn God gezorgd dat het aan al mijn grenzen rustig is; er is geen tegenstander meer en er dreigt geen gevaar. 1KON 5:19 Daarom heb ik besloten een tempel te bouwen voor de naam van Jahwe mijn God, in overeenstemming met wat Jahwe mijn vader heeft beloofd: Uw zoon, die ik als uw opvolger op uw troon zal zetten, zal voor mijn naam een tempel bouwen. 1KON 5:20 Welnu, geef bevel dat men voor mij ceders van de Libanon kapt en laat mijn werklieden de uwe helpen. Als loon voor uw werklieden zal ik u geven zoveel als u vraagt, want u weet dat er bij ons geen mensen zijn die zo goed bomen kunnen kappen als de Sidoniers.' 1KON 5:21 Toen Chiram de woorden van Salomo vernam, was hij zeer verheugd en zei hij: `Gezegend zij Jahwe, die aan David zo'n wijze zoon geschonken heeft om dit talrijke volk te regeren.' 1KON 5:22 En Chiram liet Salomo weten: `Ik heb uw boodschap ontvangen en zal, wat de ceders en cypressen betreft, geheel aan uw wens voldoen. 1KON 5:23 Mijn werklieden zullen ze van de Libanon naar zee brengen en ik zal ze over zee in vlotten vervoeren naar de plaats die u mij zult opgeven; daar haal ik ze weer uit elkaar en kunt u de bomen in ontvangst nemen. Maar dan moet u ook aan mijn wens voldoen en mijn hof van levensmiddelen voorzien.' 1KON 5:24 Chiram leverde dus aan Salomo zoveel ceders en cypressen als deze wenste 1KON 5:25 en Salomo leverde aan Chiram twintigduizend kor tarwe tot onderhoud van zijn hof en twintigduizend vaten fijne olie. Dit leverde Salomo aan Chiram ieder jaar. 1KON 5:26 Jahwe nu had aan Salomo wijsheid geschonken, zoals Hij hem beloofd had; er heerste vrede tussen Chiram en Salomo en zij sloten een verbond. 1KON 5:27 Koning Salomo riep arbeiders uit heel Israël op voor het verrichten van herendiensten; de lichting bedroeg dertigduizend man. 1KON 5:28 Hij stuurde maandelijks een ploeg van tienduizend man naar de Libanon, zodat ze een maand op de Libanon waren en twee maanden thuis. Die arbeiders stonden onder leiding van Adoniram. 1KON 5:29 Verder had Salomo zeventigduizend lastdragers en tachtigduizend steenhouwers in het gebergte, 1KON 5:30 afgezien van Salomo's hoofdopzichters, die de leiding van het werk hadden, drieendertighonderd man, die toezicht hielden op het werkvolk. 1KON 5:31 De koning gelastte grote blokken kostbare steen te houwen en op maat te kappen voor de fundamenten van de tempel. 1KON 5:32 De bouwlieden van Salomo en van Chiram en de Giblieten hieuwen de blokken en bewerkten het hout en de stenen voor de bouw van de tempel. 1KON 6:1 In het vierhonderdtachtigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, in het vierde jaar van zijn regering over Israël, in de maand Ziw dat is de tweede maand begon Salomo met de bouw van de tempel van Jahwe. 1KON 6:2 De tempel die koning Salomo voor Jahwe liet bouwen was zestig el lang, twintig el breed en dertig el hoog. 1KON 6:3 De hal, gelegen voor het schip van de tempel, was twintig el lang, even lang als de tempel breed was, en stak tien el voor de tempel uit. 1KON 6:4 In de tempel liet hij vensters aanbrengen met raamwerk en tralies. 1KON 6:5 Tegen de muur van de tempel liet hij over de gehele omtrek rond het schip en de achterwand een uitbouw met verdiepingen optrekken waarin hij ruimten liet afschieten. 1KON 6:6 De onderste verdieping van de uitbouw was vijf el breed, de middelste zes el en de bovenste zeven el; men had de tempel aan de buitenkant laten inspringen zodat er geen steunpunten hoefden te zijn in de muren van de tempel. 1KON 6:7 Bij het bouwen van de tempel werd gebruik gemaakt van stenen, die aan de groeve afgewerkt waren: geen hamer of houweel, geen enkel ijzeren werktuig werd bij de bouw van de tempel gehoord. 1KON 6:8 De toegang tot de onderste verdieping bevond zich in de rechtervleugel van de tempel; een wenteltrap leidde naar de middelste verdieping en van de middelste verdieping naar de bovenste. 1KON 6:9 Zo voltooide hij de bouw van de tempel. Hij liet een plafond maken van balken en binten van cederhout. 1KON 6:10 Hij liet de uitbouw rond de gehele tempel optrekken, elke verdieping vijf el hoog; door cederbalken was deze met de tempel verbonden. 1KON 6:11 Toen werd het woord van Jahwe gericht tot Salomo. 1KON 6:12 `Wat deze tempel betreft die gij laat bouwen: als gij u richt naar mijn wetten, mijn voorschriften ten uitvoer brengt, al mijn geboden onderhoudt en ernaar leeft, dan zal Ik voor u het woord gestand doen dat Ik tot uw vader David gesproken heb; 1KON 6:13 dan zal Ik temidden van de Israëlieten wonen en mijn volk Israël niet verlaten.' 1KON 6:14 Toen Salomo de bouw van de tempel voltooid had, 1KON 6:15 liet hij de muren van de tempel betimmeren met planken van cederhout, vanaf de vloer van de tempel tot aan de balken van het plafond. Hij liet ze aan de binnenkant met hout betimmeren; de vloer van de tempel liet hij bedekken met planken van cypressenhout. 1KON 6:16 Het achterste gedeelte van de tempel, twintig el diep, liet hij afschieten met een wand van cederhout, van de vloer tot aan de balken, en liet dit van binnen inrichten als achterzaal, als het heilige der heiligen. 1KON 6:17 Daarvoor was er in de tempel een ruimte van veertig el; dat was het schip. 1KON 6:18 Het cederhout binnen in de tempel was versierd met snijwerk van kolokwinten en bloemreliefs; alles was van cederhout; geen steen was er te zien. 1KON 6:19 Binnen in de tempel richtte hij de achterzaal in om er de ark van het verbond met Jahwe in te plaatsen. 1KON 6:20 Deze achterzaal was twintig el lang, twintig el breed en twintig el hoog, en hij liet haar bekleden met zuiver goud; ook het altaar van cederhout bekleedde hij. 1KON 6:21 De binnenzijde van de tempel liet Salomo met zuiver goud bekleden en met gouden kettingen scheidde hij de achterzaal af, die bekleed was met goud. 1KON 6:22 Heel de tempel liet hij over de gehele oppervlakte met goud bekleden. Ook heel het altaar, dat tot de achterzaal behoorde, liet hij met goud bekleden. 1KON 6:23 Voor de achterzaal liet hij van olijfhout twee kerubs maken van tien el hoogte. 1KON 6:24 Elk van de beide vleugels van een kerub was vijf el lang: gerekend van de ene vleugeltip tot de andere was de spanwijdte tien el. 1KON 6:25 Elke kerub was tien el hoog; beiden hadden dezelfde afmetingen en dezelfde vorm. 1KON 6:26 De hoogte van de ene kerub was tien el en die van de andere eveneens. 1KON 6:27 De kerubs liet hij plaatsen achter in de tempel. De vleugels van de kerubs stonden uitgespreid; een vleugel van de ene kerub raakte de ene muur en een vleugel van de andere kerub raakte de andere muur; hun andere vleugels raakten elkaar in het midden van de tempel. 1KON 6:28 Ook de kerubs liet hij met goud bekleden. 1KON 6:29 In al de muren van de tempel, zowel in de achterste als in de voorste ruimte, liet hij rondom kerubs, palmbomen en bloemreliefs snijden. 1KON 6:30 Ook de vloer van de tempel, zowel van de achterste als van de voorste ruimte, liet hij met goud bedekken. 1KON 6:31 Aan de ingang van de achterzaal liet hij deuren maken van olijfhout; het kozijn was vijfvoudig. 1KON 6:32 De twee deurvleugels waren van olijfhout; hij liet ze versieren met snijwerk van kerubs, palmbomen en bloemreliefs en met goud bekleden; ook de kerubs en de palmbomen bedekte hij met goud. 1KON 6:33 Voorts liet hij aan de ingang van het schip een rechthoekig deurkozijn van olijfhout maken 1KON 6:34 met twee deurvleugels van cypressenhout. Elke deurvleugel bestond uit twee draaibare delen. 1KON 6:35 Hij liet er kerubs, palmbomen en bloemreliefs in snijden en dit snijwerk met bladgoud bedekken. 1KON 6:36 De binnenhof liet hij ommuren met drie lagen steenblokken en een laag balken van cederhout. 1KON 6:37 In het vierde jaar, in de maand Ziw, werd van de tempel van Jahwe de eerste steen gelegd 1KON 6:38 en in het elfde jaar, in de maand Bul dat is de achtste maand was de tempel in al zijn onderdelen en geheel volgens de plannen voltooid. Salomo had er dus zeven jaar aan gebouwd. 1KON 7:1 Aan zijn paleis heeft Salomo dertien jaar gebouwd voordat het helemaal voltooid was. 1KON 7:2 Zo liet hij het huis `Woud van de Libanon' bouwen. Dit was honderd el lang, vijftig el breed en dertig el hoog, met vier rijen zuilen van cederhout, waarop cederhouten balken rusten. 1KON 7:3 Het had een plafond van cederhout, dat rustte op vijfenveertig dwarsbalken, die op zuilen lagen, vijftien op een rij. 1KON 7:4 In het gebouw waren drie rijen vensters aangebracht en deze vensters lagen recht boven elkaar. 1KON 7:5 Alle ingangen hadden rechthoekige kozijnen; er lagen telkens drie vensters recht boven elkaar. 1KON 7:6 Ook bouwde hij een zuilenhal; deze was vijftig el lang en dertig el breed, met daarvoor een portiek, bestaande uit zuilen en een dak. 1KON 7:7 Verder bouwde hij een troonzaal waar hij recht sprak, de rechtszaal; deze was van de vloer tot het plafond met cederhout betimmerd. 1KON 7:8 Het paleis waar hij zelf woonde had een eigen binnenhof en lag achter de rechtszaal; het vertoonde dezelfde bouwtrant. Tenslotte liet Salomo een paleis bouwen voor de dochter van Farao, met wie hij gehuwd was; het had dezelfde bouwtrant als de rechtszaal. 1KON 7:9 Al deze gebouwen, van het fundament tot de kroonlijst en van de straat tot de grote binnenhof, waren opgetrokken uit kostbare, op maat gehouwen stenen, die zowel aan de voor als aan de achterzijde gezaagd waren. 1KON 7:10 De gebouwen stonden op een fundering van kostbare, grote stenen, van tien el en van acht el. 1KON 7:11 Daarop stonden muren van kostbare, op maat gehouwen stenen en cederhout. 1KON 7:12 De muur rondom de grote binnenhof bestond uit drie lagen gehouwen steen en een laag balken van cederhout, juist zoals die van de binnenhof van de tempel van Jahwe en die van de zaal van het paleis. 1KON 7:13 Nu ontbood koning Salomo een zekere Chiram, uit Tyrus. 1KON 7:14 Deze was de zoon van een weduwe uit de stam Naftali; zijn vader kwam uit Tyrus. Hij was bronswerker, rijk begiftigd met vaardigheid, kennis en bekwaamheid in het maken van allerlei bronzen voorwerpen. Hij kwam bij koning Salomo en voerde alle opdrachten uit die deze hem gaf. 1KON 7:15 Hij goot twee bronzen zuilen; elke zuil was achttien el hoog en men kon ze met een draad van twaalf el omspannen. 1KON 7:16 Ook maakte hij twee kapitelen, uit brons gegoten, die bovenop de zuilen moesten rusten; beide kapitelen waren vijf el hoog. 1KON 7:17 Verder maakte hij vlechtwerk voor beide kapitelen boven op de zuilen; dit vlechtwerk was gemaakt van snoeren in kettingvorm, zeven voor elk kapiteel. 1KON 7:18 En hij bracht twee rijen granaatappels aan rond het vlechtwerk om beide kapitelen boven op de zuilen. 1KON 7:19 De kapitelen boven op de zuilen bij de voorhal hadden de vorm van een lelie, vier el hoog. 1KON 7:20 De twee kapitelen kwamen uit boven het vlechtwerk rond de verdikking. Tweehonderd granaatappels hingen in rijen om de kapitelen. 1KON 7:21 Hij plaatste de zuilen bij de voorhal van het schip; de zuil aan de rechterkant gaf hij de naam Jakin en de zuil aan de linkerkant de naam Boaz. 1KON 7:22 Op de zuilen stonden dus kapitelen in de vorm van een lelie. Daarmee was het werk aan de zuilen voltooid. 1KON 7:23 Verder goot hij de Zee, tien el in doorsnee, helemaal rond, en vijf el hoog; men kon haar met een koord van dertig el omspannen. 1KON 7:24 Onder de rand waren kolokwinten, tien op een el; ze omkransten de Zee in twee rijen en waren tegelijk met haar gegoten. 1KON 7:25 De Zee stond op twaalf bronzen runderen, waarvan er drie gekeerd stonden naar het noorden, drie naar het westen, drie naar het zuiden en drie naar het oosten; hun achtersten waren naar de binnenkant gekeerd. 1KON 7:26 De wand van de Zee was een handbreed dik; de rand was als die van een beker en had de vorm van een leliekelk; de inhoud van de Zee bedroeg tweeduizend bat. 1KON 7:27 Ook maakte hij tien bronzen onderstellen. Elk onderstel was vier el lang, vier el breed en drie el hoog. 1KON 7:28 Die onderstellen waren als volgt gemaakt. Ze hadden panelen, bevestigd tussen stijlen; 1KON 7:29 op die panelen tussen de stijlen stonden leeuwen, runderen en kerubs afgebeeld, en op de stijlen zelf, en boven en onder de leeuwen en runderen, waren ingedreven guirlandes. 1KON 7:30 Verder had elk onderstel vier bronzen wielen met bronzen assen. Aan de vier hoeken bevonden zich steunen voor het bekken. De steunen waren gegoten en aan de zijden voorzien van guirlandes. 1KON 7:31 Binnen de kroonlijst bevond zich de stoel voor het bekken; deze stak er een el boven uit. De stoel was rond en anderhalve el diep. Op de stoel waren bloemreliefs aangebracht. De panelen waren vierkant, niet rond. 1KON 7:32 De vier wielen bevonden zich onder de panelen en zaten met klemmen vast aan het onderstel. Ze waren anderhalve el hoog 1KON 7:33 en hadden de vorm van wagenwielen; klemmen, velgen, spaken en naven waren allemaal gegoten. 1KON 7:34 De vier steunen aan de vier hoeken van elk onderstel maakten een geheel uit met het onderstel. 1KON 7:35 Aan de bovenkant van het onderstel was een rand, geheel rond, van een halve el hoogte, alsmede handvatten en daäronder de panelen. 1KON 7:36 Op de vlakken van de handvatten, evenals op de panelen, graveerde hij kerubs, leeuwen en palmen, met guirlandes omgeven. 1KON 7:37 Aldus maakte hij de tien onderstellen; ze waren alle op dezelfde wijze gegoten en hadden dezelfde afmetingen en dezelfde vorm. 1KON 7:38 Voorts maakte hij tien bronzen bekkens. Elk bekken kon veertig bat bevatten en had een doorsnee van vier el; ze kwamen op de tien onderstellen te staan. 1KON 7:39 Hij zette vijf onderstellen aan de zuidzijde van de tempel en vijf aan de noordzijde. De Zee zette hij bij de zuidoosthoek van de tempel. 1KON 7:40 Daarna vervaardigde Chiram de potten, schoppen en offerschalen. Daarmee voltooide Chiram al het werk dat hij in opdracht van Salomo voor de tempel van Jahwe had moeten uitvoeren: 1KON 7:41 de twee zuilen, de twee bolvormige kapitelen boven op de zuilen, het vlechtwerk ter bekleding van de twee bolvormige kapitelen, 1KON 7:42 de vierhonderd granaatappels voor het vlechtwerk, twee rijen granaatappels om het vlechtwerk van elk der twee bolvormige kapitelen, 1KON 7:43 de tien onderstellen met de tien bekkens, 1KON 7:44 de Zee met de twaalf runderen, 1KON 7:45 de potten, schoppen en offerschalen. Al deze voorwerpen van zuiver brons heeft Chiram in opdracht van Salomo gemaakt voor de tempel van Jahwe. 1KON 7:46 In de Jordaanvallei, tussen Sukkot en Saretan, had de koning ze in lemen vormen laten gieten. 1KON 7:47 Vanwege de zeer grote massa zag koning Salomo ervan af, alles te wegen. Het gewicht van het brons werd niet meegerekend. 1KON 7:48 Salomo liet ook de verdere benodigdheden voor de tempel van Jahwe maken; het gouden altaar, de gouden tafel voor de toonbroden, 1KON 7:49 de luchters van zuiver goud, vijf rechts en vijf links voor de achterzaal, de gouden bloemen, lampen en snuiters, 1KON 7:50 de schotels, messen, offerschalen, pannen en bekkens van zuiver goud, de gouden scharnieren aan de deuren van het achterste gedeelte van de tempel, het heilige der heiligen, en aan de deuren van het schip van de tempel. 1KON 7:51 Toen al het werk dat koning Salomo voor de tempel van Jahwe had laten verrichten gereed was, liet hij de wijgeschenken van zijn vader David overbrengen, het zilver, het goud en het vaatwerk, en plaatste het in de schatkamers van de tempel van Jahwe. 1KON 8:1 Toen riep Salomo de oudsten van Israël, alle stamhoofden en leiders van de families der Israëlieten, naar Jeruzalem om de ark van het verbond met Jahwe af te halen uit de Davidstad, ook Sion geheten. 1KON 8:2 Zo kwamen alle mannen van Israël samen bij koning Salomo op het feest in de maand Etanim, dat is de zevende maand. 1KON 8:3 De oudsten van Israël traden naar voren, de priesters tilden de ark op 1KON 8:4 en brachten haar met de tent van de samenkomst en de bijbehorende gewijde voorwerpen over. Dit deden de priesters, samen met de levieten. 1KON 8:5 Koning Salomo en heel de gemeenschap van Israël, die zich rond hem verzameld had, gingen voor de ark uit en ze offerden zoveel schapen en runderen dat ze niet te tellen of te schatten waren. 1KON 8:6 De priesters brachten de ark van het verbond met Jahwe op haar plaats in de achterzaal van de tempel, het heilige der heiligen, onder de vleugels van de kerubs. 1KON 8:7 De kerubs spreidden hun beide vleugels uit over de plaats van de ark en overschaduwden de ark en de draagstokken. 1KON 8:8 Deze draagstokken waren zo lang, dat hun uiteinden wel zichtbaar waren vanuit het heilige vlak voor de achterzaal, maar meer naar buiten niet meer. Ze zijn daar gebleven tot op de huidige dag. 1KON 8:9 Er lag in de ark niets anders dan de twee stenen platen die Mozes erin gelegd had op de Horeb, de platen van het verbond dat Jahwe gesloten had met de Israëlieten toen ze uit Egypte trokken. 1KON 8:10 Terwijl de priesters het heilige der heiligen verlieten, vulde de wolk de tempel van Jahwe, 1KON 8:11 zodat ze vanwege die wolk niet ter plaatse konden vertoeven voor het verrichten van hun dienstwerk, want de heerlijkheid van Jahwe vervulde de tempel van Jahwe. 1KON 8:12 Toen sprak Salomo: `Jahwe heeft besloten in het duister te wonen. 1KON 8:13 Ik heb een machtig huis voor u gebouwd, uw woonplaats voor eeuwig.' 1KON 8:14 Daarop keerde de koning zich om en zegende de gehele gemeenschap van Israël. Terwijl heel de gemeente rechtop stond, 1KON 8:15 sprak Salomo: `Gezegend zij Jahwe, de God van Israël, wiens hand volbracht heeft wat zijn mond beloofd had aan mijn vader David: 1KON 8:16 Sinds Ik mijn volk Israël uit Egypte heb geleid, heb Ik in geen enkele stam van Israël een stad uitverkoren om er een tempel te laten bouwen waar mijn naam zou wonen. Maar David heb Ik uitverkoren en aangesteld over mijn volk Israël. 1KON 8:17 Mijn vader David wilde een tempel bouwen voor de naam van Jahwe, de God van Israël, 1KON 8:18 maar Jahwe sprak tot hem: Uw voornemen om een tempel te bouwen voor mijn naam strekt u tot eer. 1KON 8:19 Toch zult niet gij een tempel bouwen, maar de zoon die gij zult verwekken; hij zal een tempel bouwen ter ere van mijn naam. 1KON 8:20 En Jahwe heeft zijn woord gestand gedaan. Want ik ben mijn vader David opgevolgd en zetel op de troon van Israël, zoals Jahwe toegezegd had. En nu heb ik voor de naam van Jahwe, de God van Israël, een tempel gebouwd 1KON 8:21 en er een plaats bereid voor de ark, waarin de akte berust van het verbond dat Jahwe gesloten heeft met onze vaderen, toen Hij ze uit Egypte leidde.' 1KON 8:22 Toen ging Salomo voor het altaar van Jahwe staan, ten aanschouwen van heel de gemeenschap van Israël. Hij strekte zijn handen uit naar de hemel 1KON 8:23 en zei: `Jahwe, God van Israël, buiten U is er geen God in de hemel daarboven en op de aarde hierbeneden, die zo goedertieren is en zo getrouw aan het verbond met uw dienaren die met heel hun hart hun schreden naar U richten. 1KON 8:24 Gij hebt U jegens uw dienaar David, mijn vader, gehouden aan wat Gij hem beloofd had. Wat uw mond had beloofd, heeft uw hand vandaag volbracht. 1KON 8:25 Welnu, Jahwe, God van Israël, laat dan ook voor uw dienaar David, mijn vader, in vervulling gaan wat Gij hem beloofd hebt: Als uw zonen rechtschapen leven en voor mijn aanschijn wandelen zoals Gij dat gedaan hebt, zal Ik het u nooit aan opvolgers op de troon van Israël laten ontbreken. 1KON 8:26 Nu dan, God van Israël, laat toch deze belofte aan uw dienaar David, mijn vader, in vervulling gaan. 1KON 8:27 Maar zou God werkelijk op aarde wonen? Zelfs de hemel en de hemel der hemelen kunnen U niet bevatten! Hoe dan deze tempel die ik gebouwd heb? 1KON 8:28 Geef dan acht op het gebed van uw dienaar en op zijn smeekbede, Jahwe mijn God, en luister naar zijn roepen en naar het gebed dat uw dienaar vandaag tot U richt. 1KON 8:29 Laat uw ogen geopend blijven, dag en nacht, naar dit huis, naar de plaats waarvan Gij gezegd hebt: Mijn naam zal daar wonen, en blijf zo luisteren naar de smeekbede die uw dienaar op deze plaats tot U richt. 1KON 8:30 Luister dan naar de smeekbede van uw dienaar en van uw volk Israël, die zij op deze plaats tot U zullen richten. Ja, Gij zult het horen vanuit de hemel, uw woonstede. Luister dan en schenk vergiffenis. 1KON 8:31 Als iemand tegen zijn naaste een overtreding heeft begaan en deze eist een eed van hem, zodat hij in deze tempel voor uw altaar verschijnt om zijn eed af te leggen, 1KON 8:32 luister dan vanuit de hemel, grijp in en spreek recht over uw dienaren. Veroordeel de schuldige en vergeld hem wat hij gedaan heeft; spreek de onschuldige vrij en geef hem wat hem toekomt. 1KON 8:33 Als uw volk Israël verslagen is door de vijand omdat het tegen U gezondigd heeft, maar zich dan tot U bekeert, uw naam belijdt en in deze tempel tot U biedt en smeekt, 1KON 8:34 luister dan vanuit de hemel, vergeef de zonden van uw volk Israël en voer het terug naar de grond die Gij zijn vaderen geschonken hebt. 1KON 8:35 Als de hemel gesloten blijft en er geen regen valt, omdat ze tegen U gezondigd hebben, maar als ze dan komen bidden op deze plaats, uw naam belijden en zich van hun zonde bekeren, omdat Gij hen vernedert, 1KON 8:36 luister dan vanuit de hemel, vergeef de zonden van uw dienaren en van uw volk Israël, wijs hun de goede weg die ze moeten gaan en laat het weer regenen over uw land dat Gij aan uw volk in eigendom gegeven hebt. 1KON 8:37 Als er hongersnood komt in het land, of pest, of korenbrand en honingdauw, of een plaag van sprinkhanen die alles kaalvreten, als het volk in zijn steden door de vijand belegerd wordt of bezocht wordt door welke plaag of welke ziekte ook, 1KON 8:38 als iemand, of heel uw volk Israël, onder de druk van zijn leed zijn handen uitstrekt naar deze tempel, 1KON 8:39 luister dan vanuit de hemel, uw woonstede, en schenk vergiffenis; grijp in en vergeld eenieder naar zijn gedrag; want Gij kent ieders hart, Gij zijt de enige die het hart van alle mensenkinderen kent. 1KON 8:40 Dan zullen ze U vrezen zolang ze leven op de grond die Gij aan onze vaderen geschonken hebt. 1KON 8:41 Ook als een vreemdeling, die niet tot uw volk Israël behoort, omwille van uw naam uit een ver land komt, 1KON 8:42 omdat hij gehoord heeft van uw grote naam, uw krachtige hand en uw uitgestrekte arm, en hij komt binnen in deze tempel, 1KON 8:43 luister dan vanuit de hemel, uw woonstede, en doe alles waarom de vreemdeling U smeekt. Dan zullen alle volken der aarde uw naam leren kennen en U, evenals uw volk Israël, vrezen; dan zullen zij weten dat uw naam uitgeroepen is over deze tempel die ik gebouwd heb. 1KON 8:44 Als uw volk op uw bevel ten strijde trekt tegen zijn vijand, en ze bidden tot Jahwe in de richting van de stad die Gij hebt uitverkoren, en van de tempel die ik voor uw naam gebouwd heb, 1KON 8:45 luister dan vanuit de hemel naar hun gebed en hun smeekbede en verschaf hun recht. 1KON 8:46 Als ze tegen U zondigen er is immers geen mens die niet zondigt en Gij levert hen in uw toorn over aan de vijand die hen gevangen wegvoert naar zijn land, veraf of dichtbij, 1KON 8:47 als ze dan tot nadenken komen in het land waarheen ze weggevoerd zijn en ze bekeren zich en bidden tot U in hun ballingschap: Wij hebben gezondigd, wij hebben verkeerd gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld, 1KON 8:48 en ze keren zich tot U, met heel hun hart en heel hun ziel, in het land van de vijanden door wie ze weggevoerd zijn, en ze bidden tot U in de richting van het land dat Gij aan hun voorvaderen geschonken hebt en van de stad die Gij uitverkoren hebt en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd, 1KON 8:49 luister dan vanuit de hemel, uw woonstede, naar hun gebed en hun smeekbede en verschaf hun recht. 1KON 8:50 Schenk vergiffenis aan uw volk dat tegen U gezondigd heeft, vergeef hun alle overtredingen die ze tegen U begaan hebben, maak dat ze dan erbarming vinden bij hun vijanden die hen hebben weggevoerd en laten dezen zich over hen ontfermen. 1KON 8:51 Want het is uw volk en uw eigendom, dat Gij uit Egypte, die smeltoven, hebt gevoerd. 1KON 8:52 Laat uw ogen geopend blijven naar de smeekbede van uw dienaar en naar de smeekbede van uw volk Israël, en blijf zo naar hen luisteren, alle keren dat zij U aanroepen. 1KON 8:53 Want Gij, Jahwe onze Heer, hebt hen afgezonderd van de andere volken der aarde om uw eigendom te worden, zoals Gij gezegd hebt door uw dienaar Mozes, toen Gij onze vaderen uit Egypte voerde.' 1KON 8:54 Heel dit smeekgebed tot Jahwe verrichtte Salomo geknield voor het altaar van Jahwe, zijn handen uitgestrekt naar de hemel. Toen stond hij op 1KON 8:55 en staande zegende hij met luider stem heel de gemeenschap van Israël met deze woorden: 1KON 8:56 `Gezegend zij Jahwe, die zijn volk Israël rust verleend heeft, zoals Hij had beloofd. Niet een woord is onvervuld gebleven van alle beloften die Hij door zijn dienaar Mozes gedaan heeft. 1KON 8:57 Moge Jahwe onze God met ons zijn, evenals Hij met onze voorvaderen geweest is; moge Hij ons niet verlaten en ons niet verstoten, 1KON 8:58 maar onze harten tot zich neigen. Dan zullen wij zijn wegen bewandelen en de geboden, wetten en voorschriften die Hij onze voorvaderen opgelegd heeft onderhouden. 1KON 8:59 Mogen de gebeden die ik tot Jahwe onze God gericht heb, dag en nacht bij Hem aanwezig zijn en van Hem verkrijgen, dat Hij zijn dienaar en zijn volk Israël dagelijks geeft wat zij behoeven. 1KON 8:60 Dan zullen alle volken der aarde weten dat Jahwe God is, en Jahwe alleen. 1KON 8:61 Mogen uw harten steeds onverdeeld aan Jahwe onze God toebehoren, zodat gij evenals nu, naar zijn wetten leeft en zijn geboden onderhoudt.' 1KON 8:62 Nu droeg de koning met heel Israël een slachtoffer op aan Jahwe. 1KON 8:63 Het offer dat Salomo aan Jahwe opdroeg bestond uit tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen. Zo wijdden de koning en de Israëlieten de tempel van Jahwe in. 1KON 8:64 Die dag liet de koning het middengedeelte van de voorhof voor de tempel van Jahwe afzetten, om daar het brandoffer, het meeloffer en de vette delen van het slachtoffer op te dragen. Het bronzen altaar in de tempel was namelijk te klein voor het brandoffer, het meeloffer en de vette delen van het slachtoffer. 1KON 8:65 Bij die gelegenheid vierde Salomo, en met hem een grote menigte uit heel Israël, vanaf de weg naar Hamat tot aan de beek van Egypte, het feest in de tempel van Jahwe onze God, zeven dagen lang; met de andere zeven dagen veertien dagen lang. 1KON 8:66 Op de achtste dag liet hij het volk heengaan. Ze spraken over de koning een zegenwens uit en gingen naar huis, verheugd en welgemoed om al het goede dat Jahwe gedaan had voor David, zijn dienaar, en voor Israël, zijn volk. 1KON 9:1 Toen Salomo gereed was met de bouw van de tempel van Jahwe, van het koninklijk paleis en van alles waar hij zijn zinnen op gezet had, 1KON 9:2 verscheen Jahwe hem voor de tweede maal, zoals Hij hem verschenen was te Gibeon. 1KON 9:3 Jahwe zei tot hem: 'Ik heb het smeekgebed dat Gij tot Mij gericht hebt gehoord; Ik heb deze tempel die gij gebouwd hebt geheiligd, opdat mijn naam er voor altijd zal wonen; mijn ogen en mijn hart zullen er steeds verblijven. 1KON 9:4 Wat u betreft: als gij met heel uw hart en oprecht uw schreden naar Mij richt, zoals uw vader David dat deed, en handelt overeenkomstig alles wat Ik u geboden heb, als gij mijn wetten en voorschriften onderhoudt, 1KON 9:5 zal Ik de troon van uw heerschappij over Israël voor altijd bestendigen, zoals Ik uw vader David beloofd heb toen Ik hem zei: Gij zult altijd een nakomeling hebben die zetelt op de troon van Israël. 1KON 9:6 Maar als gij en uw zonen het wagen zich van Mij af te keren, als gij de geboden en wetten die Ik u voorgehouden heb niet onderhoudt, en andere goden gaat dienen en u voor hen neerbuigt, 1KON 9:7 dan zal Ik de Israëlieten verjagen van de grond die Ik hun geschonken heb. Dan zal ik de tempel die Ik aan mijn naam heb toegewijd verwerpen; dan zal Israël een mikpunt van schimp en van spot worden bij alle volken, 1KON 9:8 en zal deze tempel een puinhoop worden; elke voorbijganger zal huiveren en sissen. En als men dan vraagt waarom Jahwe zo gehandeld heeft met dit land en deze tempel, 1KON 9:9 dan zal het antwoord zijn: Omdat ze Jahwe, hun God, die hun voorvaderen uit Egypte heeft geleid, de rug hebben toegekeerd, omdat ze hun vertrouwen hebben gesteld in andere goden, zich voor hen hebben neergebogen en hen gediend hebben. Daarom heeft Jahwe hun al dit onheil berokkend.' 1KON 9:10 Na verloop van de twintig jaren waarin Salomo de twee gebouwen, de tempel van Jahwe en het koninklijk paleis, had opgetrokken, 1KON 9:11 schonk hij twintig steden in de Galil aan Chiram, de koning van Tyrus; deze had hem geholpen aan cederhout, cypressenhout en goud, zoveel hij maar wenste. 1KON 9:12 Maar toen Chiram uit Tyrus kwam om de steden die Salomo hem geschonken had te bezichtigen, bevielen ze hem niet 1KON 9:13 en zei hij: 'Mijn broeder, wat zijn dat voor steden die u mij hebt geschonken?' Daarom noemt men ze Kabul land, tot op de huidige dag. 1KON 9:14 Toch zond Chiram de koning honderdtwintig talenten goud. 1KON 9:15 Dit was de taak van de arbeiders die koning Salomo voor het verrichten van de herendiensten opgeroepen had: Het bouwen van de tempel van Jahwe, van zijn eigen paleis, van het Millo, van de muur van Jeruzalem en van Hasor, Megiddo en Gezer. 1KON 9:16 Farao, de koning van Egypte, was destijds uitgerukt tegen Gezer; hij had de stad ingenomen en in brand gestoken en de Kanaänieten die er woonden gedood; daarna had hij de stad als bruidsschat geschonken aan zijn dochter, de vrouw van Salomo. 1KON 9:17 Salomo bouwde Gezer weer op; verder bouwde hij Bet choron laag, 1KON 9:18 Baälat en Tamar in de woestijn, 1KON 9:19 zijn proviandsteden, zijn wagenparken, de steden voor zijn ruiterij en alles wat hij in Jeruzalem, in de Libanon en in heel zijn koninkrijk had willen bouwen. 1KON 9:20 Alle afstammelingen van de Amorieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, mensen die niet tot de Israëlieten behoorden 1KON 9:21 en overgebleven waren in het land, omdat de Israëlieten niet in staat geweest waren hen met de ban te slaan, hen liet Salomo als slaven voor de arbeidsdienst opkomen, en zo is het gebleven tot op de huidige dag. 1KON 9:22 Maar Israëlieten maakte Salomo niet tot slaven; zij dienden hem als krijgslieden, hovelingen, hoge ambtenaren, officieren, wagenmenners en ruiters. 1KON 9:23 De hoofdopzichters, belast met het toezicht op de werken van Salomo, waren vijfhonderdvijftig in getal. Zij hadden de leiding van het volk dat die werken uitvoerde. 1KON 9:24 Nadat de dochter van Farao uit de Davidstad verhuisd was naar het paleis dat Salomo voor haar had laten bouwen, begon hij aan de bouw van het Millo. 1KON 9:25 Salomo bracht driemaal per jaar een brand en slachtoffer op het altaar dat hij voor Jahwe gebouwd had en brandde ook reukwerk voor het aanschijn van Jahwe, nadat hij de tempel voltooid had. 1KON 9:26 Ook bouwde Salomo een vloot, te Esjon geber, nabij Elot, aan de oever van de Rietzee, in Edom. 1KON 9:27 Chiram plaatste op die vloot onderdanen van hem, ervaren zeelieden, samen met de onderdanen van Salomo. 1KON 9:28 Ze voeren naar Ofir, laadden daar vierhonderdtwintig talenten goud in en brachten die naar koning Salomo. 1KON 10:1 De faam die Jahwe Salomo verleend had was ook doorgedrongen tot de koningin van Seba en zij wilde hem persoonlijk op de proef stellen met raadsels. 1KON 10:2 Zij begaf zich naar Jeruzalem met een zeer grote stoet kamelen, beladen met reukwerken, zeer veel goud en kostbare stenen. Toen zij bij Salomo gekomen was, legde zij hem alles voor wat zij in gedachte had. 1KON 10:3 Maar Salomo wist het antwoord op al haar vragen; niets was voor de koning zo duister dat hij het antwoord schuldig moest blijven. 1KON 10:4 Toen de koningin van Seba zag hoe wijs Salomo was en toen zij het paleis zag dat hij had laten bouwen, 1KON 10:5 de spijzen op zijn tafel, de hovelingen die mee aanzaten, de lakeien in hun uniform, de schenkers, de brandoffers die hij geregeld opdroeg in de tempel van Jahwe, was zij buiten zichzelf van verbazing 1KON 10:6 en zei ze tot de koning: 'Het is dus waar wat ik in mijn land gehoord heb over uw wijsheid en uw ondernemingen. 1KON 10:7 Ik heb het niet kunnen geloven, totdat ik hier kwam en het met eigen ogen zag. Heus, men heeft mij nog niet de helft verteld; u bezit meer wijsheid en rijkdom dan ik gehoord had. 1KON 10:8 Wat een voorrecht voor uw mannen, wat een voorrecht voor uw dienaren, dat zij voortdurend voor u staan en uw woorden van wijsheid mogen horen. 1KON 10:9 Gezegend zij Jahwe uw God, die in u zoveel welgevallen heeft gehad dat Hij u geplaatst heeft op de troon van Israël, en u in zijn aanhoudende liefde voor Israël tot koning aangesteld heeft om recht en gerechtigheid te handhaven.' 1KON 10:10 Zij gaf de koning honderdtwintig talenten goud, zeer veel reukwerk en ook kostbare stenen. Nooit meer is er zoveel reukwerk aangevoerd als de koningin van Seba toen aan koning Salomo heeft geschonken. 1KON 10:11 Chiram, die met zijn vloot uit Ofir goud aanvoerde, bracht vandaar ook zeer veel sandelhout en kostbare stenen mee. 1KON 10:12 Dit sandelhout liet Salomo verwerken tot meubilair voor de tempel van Jahwe en het koninklijk paleis, en verder nog tot citers en harpen voor de zangers. Nog nooit was er zulk sandelhout aangevoerd en men heeft het, tot vandaag toe, ook nooit meer gezien. 1KON 10:13 Van zijn kant gaf Salomo aan de koningin van Seba al wat zij maar wenste, naast wat hij haar uit eigen beweging aanbood. Hierop aanvaardde zij de terugreis en keerde met haar dienaren naar haar land terug. 1KON 10:14 Het inkomen van Salomo bedroeg per jaar zeshonderdzestig talenten aan goud, 1KON 10:15 niet meegerekend de tolgelden der handelaren, de handelsrechten der kooplieden en wat al de koningen van Arabie en de stadhouders van het land opbrachten. 1KON 10:16 Koning Salomo liet tweehonderd grote schilden van geslagen goud maken; zeshonderd sikkels goud waren nodig voor een zo'n schild. 1KON 10:17 Verder driehonderd kleine schilden van geslagen goud; drie minen goud waren nodig voor een klein schild. De koning liet ze ophangen in het huis' Woud van de Libanon'. 1KON 10:18 De koning liet ook een grote troon van ivoor maken en die met fijn goud overtrekken. 1KON 10:19 Zes treden had die troon; op de rugleuning was een stierekop aangebracht. Aan weerskanten van de zitting bevonden zich armleuningen; ernaast stonden twee leeuwen. 1KON 10:20 Op de treden stonden twaalf leeuwen, aan weerskanten zes. Voor geen koning was ooit zo iets gemaakt. 1KON 10:21 Al het drinkgerei van Koning Salomo was van goud. Ook al het vaatwerk van het huis' Woud van de Libanon' was van zuiver goud. Zilver was er niet; het had in de tijd van Salomo niet zoveel waarde. 1KON 10:22 Want naast de vloot van Chiram had de koning een Tarsisvloot in de vaart en eens in de drie jaar liep deze binnen met een lading goud en zilver, ivoor, apen en pauwen. 1KON 10:23 Zo overtrof koning Salomo alle koningen der aarde in rijkdom en wijsheid, 1KON 10:24 en heel de wereld verlangde Salomo te bezoeken en te luisteren naar de wijsheid waarmee God zijn verstand begiftigd had. 1KON 10:25 Zij brachten allen geschenken mee, zilveren en gouden voorwerpen, jaar in, jaar uit. 1KON 10:26 Ook schafte Salomo wagens aan en richtte hij een ruiterij op; hij bezat veertienhonderd wagens en een ruiterij van twaalfduizend man, die hij bijeenbracht in de wagenparken en bij zijn paleis in Jeruzalem. 1KON 10:27 Dank zij het beleid van de koning was het zilver in Jeruzalem zo gewoon als stenen, en cederhout zag men er als moerbeivijgen in de Sefela. 1KON 10:28 Salomo's paarden werden ingevoerd uit Misraim en Kewe. De handelsagenten van de koning kochten ze tegen een bepaalde prijs in Kewe. 1KON 10:29 Een wagen kon uit Misraim ingevoerd worden voor zeshonderd sikkel, en een paard voor hondervijftig, en door hun bemiddeling werden ze ook uitgevoerd naar al de koningen van de Hethieten en de koningen van Aram. 1KON 11:1 Koning Salomo had behalve de dochter van Farao nog veel buitenlandse vrouwen; Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische en Hethitische, 1KON 11:2 uit de volken waarvan Jahwe tot de Israëlieten gezegd had: 'Gij moogt u niet inlaten met hen, en zij mogen zich niet inlaten met u; anders zullen ze u verleiden tot het dienen van hun goden.' Salomo hechtte zich aan deze vrouwen en had ze lief. 1KON 11:3 Hij had ook zevenhonderd prinsessen tot vrouw genomen en daarbij nog driehonderd bijvrouwen, en deze vrouwen maakten hem ontrouw: 1KON 11:4 op zijn oude dag verleidden zij Salomo tot het dienen van andere goden; hij was Jahwe zijn God niet meer zo met hart en ziel toegedaan als zijn vader David. 1KON 11:5 Salomo vereerde Astoret, de godin van de Sidoniers, en Milkom, de gruwel van de Ammonieten; 1KON 11:6 hij deed wat Jahwe mishaagde en diende Hem niet zo trouw als zijn vader David. 1KON 11:7 Zo liet Salomo op de berg ten oosten van Jeruzalem een offerhoogte bouwen voor Kemos, de gruwel van Moab, en voor Moloch, de gruwel van de Ammonieten. 1KON 11:8 Hetzelfde deed hij voor al zijn buitenlandse vrouwen die voor haar goden wierook wilden branden en offers brengen. 1KON 11:9 Toen werd Jahwe, de God van Israël, vertoornd op Salomo, omdat hij zich van Hem had afgekeerd, nadat Hij hem tweemaal verschenen was. 1KON 11:10 Jahwe had hem uitdrukkelijk verboden andere goden te vereren, maar Salomo had zich niet gehouden aan Jahwe's verbod. 1KON 11:11 Daarom zei Jahwe tot hem: 'Omdat het met u zo gesteld is en gij u niet houdt aan mijn verbond of aan de wetten die Ik u heb opgelegd, zal Ik het koninkrijk van u afscheuren en het geven aan een van uw knechten. 1KON 11:12 Maar terwille van uw vader David zal Ik dit niet tijdens uw leven doen; Ik zal het losscheuren uit de hand van uw zoon. 1KON 11:13 Toch zal Ik niet het hele koninkrijk losscheuren: een stam zal Ik aan uw zoon laten, terwille van David, mijn dienaar, en van Jeruzalem, de stad die Ik uitverkoren heb.' 1KON 11:14 Daarom gaf Jahwe Salomo een tegenstander in de persoon van Hadad de Edomiet. Deze behoorde tot het koninklijk huis van Edom. 1KON 11:15 Tijdens Davids verblijf in Edom namelijk, toen Joab, de legeroverste, uitgetrokken was om de gesneuvelden te begraven, sloeg deze al wat mannelijk was in Edom neer. 1KON 11:16 Zes maanden hield Joab zich daar op, met heel Israël, tot hij al wat mannelijk was in Edom uitgeroeid had. 1KON 11:17 Maar deze Hadad had met enige Edomieten, hovelingen van zijn vader, de wijk genomen naar Egypte; Hadad was toen nog heel jong. 1KON 11:18 Ze waren vertrokken uit Midjan en naar Paran gegaan; uit Paran hadden ze enige mannen meegenomen en waren aangekomen in Egypte, bij Farao, de koning van Egypte. Deze gaf hem een huis, beloofde in zijn levensonderhoud te voorzien en gaf hem ook land. 1KON 11:19 Hadad kwam bij Farao zozeer in de gunst te staan dat deze hem een vrouw gaf, de zuster van zijn eigen vrouw, de zuster van Tachpenes, de gebiedster. 1KON 11:20 De zuster van Tachpenes baarde hem een zoon, Genubat geheten, die door Tachpenes in het paleis van Farao opgevoed werd. Genubat woonde in het paleis van Farao, tezamen met de eigen zonen van Farao. 1KON 11:21 Toen Hadad nu in Egypte vernam dat David bij zijn vaderen te ruste was gegaan en dat ook Joab, de legeroverste, gestorven was, zei hij tot Farao: 'Sta mij toe dat ik naar mijn land terugkeer.' 1KON 11:22 Maar Farao vroeg hem: 'Wat komt u bij mij te kort, dat u zo opeens naar uw land terug wilt?' Hij andwoordde: 'Niets, maar laat mij toch maar gaan.' 1KON 11:23 Nog een andere tegenstander gaf God aan Salomo in de persoon van Rezon, de zoon van Eljada. Deze was zijn heer Hadadezer, de koning van Soba ontvlucht, 1KON 11:24 verzamelde mannen om zich heen en werd leider van een bende. Toen David hem zocht te doden, trok hij naar Damascus, waar hij zich vestigde en waar hij koning werd. 1KON 11:25 Hij was een tegenstander van Israël zolang Salomo leefde, en richtte onheil aan, evenals Hadad, want hij haatte Israël. Hij regeerde over Aram. 1KON 11:26 Ook een dienaar van Salomo, Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efraimiet uit Sereda, wiens moeder Serua heette en een weduwe was, stond tegen de koning op. 1KON 11:27 De aanleiding daartoe was deze: Toen Salomo het Millo bouwde, dat een toegangsweg tot de stad van David, zijn vader, afsloot, 1KON 11:28 toonde Jerobeam zich daarbij een flinke kracht, en toen Salomo zag dat de jonge man zijn werk goed deed, stelde hij hem aan als opzichter over de hele lichting opperlieden van de stam Jozef. 1KON 11:29 In die tijd gebeurde het dat Jerobeam vanuit Jeruzalem op reis was en onderweg de profeet Achia uit Silo ontmoette. Zij waren alleen in het open veld. Achia droeg een nieuwe mantel. 1KON 11:30 Hij pakte die, scheurde hem in twaalf stukken 1KON 11:31 en zei tot Jerobeam: 'Neem tien stukken, wat zo zegt Jahwe, de God van Israël: Tien stammen van Salomo's koninkrijk scheur Ik los uit zijn hand en die geef Ik aan u. 1KON 11:32 Een stam mag hij behouden, omwille van mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, de stad die Ik uit alle stammen van Israël uitverkoren heb. 1KON 11:33 Want hij heeft Mij de rug toegekeerd en zich neergebogen voor Astoret, de godin van de Sidoniers, en voor Kemos, de god van Moab, en voor Milkom, de god van de Ammonieten; hij heeft mijn wegen niet bewandeld en niet gedaan wat Mij behaagt en mijn wetten en voorschriften niet onderhouden, zoals zijn vader David. 1KON 11:34 Hemzelf zal Ik evenwel het koninkrijk niet ontnemen, maar hem heel zijn leven aan de macht laten, terwille van mijn dienaar David, die mijn wetten en geboden onderhield. 1KON 11:35 Ik zal het koninkrijk ontnemen aan zijn zoon; u zal Ik tien stammen geven. 1KON 11:36 Een stam laat Ik echter aan zijn zoon, opdat mijn dienaar David altijd een lamp voor mijn aangezicht zal hebben in Jeruzalem, de stad die Ik Mij uitverkoren heb om er mijn naam te doen wonen. 1KON 11:37 U zal Ik tot koning maken en u zult naar eigen goeddunken heersen als koning over Israël. 1KON 11:38 En als gij luistert naar alles wat Ik u gebied, als ge mijn wegen bewandelt en doet wat Mij behaagt, mijn geboden en wetten onderhoudt, zoals mijn dienaar David gedaan heeft, dan zal Ik u bijstaan, u een duurzaam huis bouwen, zoals Ik gedaan heb voor David, en u Israël geven. 1KON 11:39 Ik zal daartoe het nageslacht van David moeten vernederen, maar niet voor altijd.' 1KON 11:40 Salomo trachtte Jerobeam te doden. Maar deze vluchtte naar Egypte, naar Sisak, de koning van Egypte, en bleef daar tot aan de dood van Salomo. 1KON 11:41 Verdere bijzonderheden over Salomo, over alles wat hij gedaan heeft en over zijn wijsheid, zijn te vinden in de annalen van Salomo. 1KON 11:42 Veertig jaar regeerde Salomo over geheel Israël. 1KON 11:43 Toen ging hij bij zijn vaderen te ruste en werd begraven in de stad van David, zijn vader. Zijn zoon Rechabeam volgde hem op. 1KON 12:1 Rechabeam begaf zich naar Sichem, waar heel Israël samengekomen was om hem tot koning te verheffen. 1KON 12:2 Jerobeam, de zoon van Nebat, was nog in Egypte, waarheen hij gevlucht was voor koning Salomo en hij woonde daar, toen hij dit vernam. 1KON 12:3 Men liet hem komen. Jerobeam en heel de gemeenschap van Israël kwamen bijeen om te onderhandelen met Rechabeam. 1KON 12:4 Ze zeiden: 'Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd; verlicht derhalve de zware arbeid waartoe uw vader ons verplicht heeft en het harde juk dat hij ons heeft opgelegd; dan zullen wij u onderdanig zijn.' 1KON 12:5 Rechabeam zei tot hen: 'Gaat heen en komt over drie dagen terug.' Toen ging het volk heen. 1KON 12:6 Daarop raadpleegde koning Recabeam de oudsten die in dienst gestaan hadden van zijn vader Salomo, toen deze nog leefde, en vroeg: 'Wat raadt u mij aan, dit volk te antwoorden?' 1KON 12:7 Zij antwoordden hem: 'Als u nu de dienaar van het volk bent en het wilt dienen door een vriendelijk antwoord te geven, dan zullen zij voor altijd uw dienaren zijn.' 1KON 12:8 Maar hij sloeg de raad die de oudsten hem gegeven hadden in de wind en raadpleegde de jongelieden die met hem opgegroeid waren en in zijn dienst stonden. 1KON 12:9 Hij vroeg hun: 'Wat raadt u mij aan? Wat voor antwoord moet ik geven op het verzoek van dat volk: Verlicht het juk dat uw vader ons opgelegd heeft?' 1KON 12:10 De jongelieden die met hem opgegroeid waren antwoordden: 'Dit moet u zeggen op het verzoek van dat volk: Mijn pink is dikker dan het middel van mijn vader: 1KON 12:11 heeft mijn vader u een zwaar juk opgelegd, ik zal het nog zwaarder maken: heeft mijn vader u gekastijd met zwepen, ik zal het doen met schorpioenen.' 1KON 12:12 Toen Jerobeam met het volk drie dagen later bij Rechabeam terugkwam, overeenkomstig het verzoek van de koning: 'Komt overmorgen terug', 1KON 12:13 gaf Rechabeam een hard antwoord en sloeg hij de raad die de oudsten hem gegeven hadden in de wind. 1KON 12:14 Hij hield zich aan de raad van de jongelieden en zei: 'Heeft mijn vader u een zwaar juk opgelegd, ik zal het nog zwaarder maken; heeft mijn vader u gekastijd met zwepen, ik zal het doen met schorpioenen.' 1KON 12:15 De koning luisterde dus niet naar het volk; Jahwe had het zo beschikt om zijn woord gestand te doen dat Hij door Achia uit Silo gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat. 1KON 12:16 Daarmee was het voor de Israëlieten duidelijk dat de koning niet bereid was, aan hun verzoek te voldoen. Zij gaven de koning ten antwoord: 'Wat hebben wij te maken met David? Wat hebben wij uit te staan met de zoon van Isai? Israël, terug naar uw tenten; David, zorg maar voor uw eigen huis'. De Israëlieten gingen dus naar huis. 1KON 12:17 Alleen over de Israëlieten die in de steden van Juda woonden werd Rechabeam koning. 1KON 12:18 Koning Rechabeam poogde nog iets te bereiken door Adoram, het hoofd van de herendiensten, maar het volk van Israël stenigde hem dood, en koning Rechabeam kon ternauwernood in zijn wagen stappen en naar Jeruzalem vluchten. 1KON 12:19 Zo braken de Israëlieten met het huis van David; dit is zo gebleven tot de huidige dag. 1KON 12:20 Zodra het volk van Israël vernomen had dat Jerobeam teruggekeerd was, ontboden zij hem naar de volksvergadering en verhieven zij hem tot koning over geheel Israël. Niemand bleef het huis van David trouw dan alleen de stam Juda. 1KON 12:21 Toen Rechabeam in Jeruzalem gekomen was, riep hij het hele huis van Juda en de stam Benjamin bijeen; honderdtachtigduizend strijdbare mannen om de strijd aan te binden met het volk van Israël en het koninkrijk te herwinnen voor de Rechabeam, de zoon van Salomo. 1KON 12:22 Maar het woord van God werd gericht tot Semaja, een man Gods: 1KON 12:23 `Zeg tot Rechabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, tot het volk van Juda en Benjamin en het overige volk: 1KON 12:24 Zo spreekt Jahwe: Trekt niet op en voer geen oorlog met uw broeders, de Israëlieten, want dit alles is door Mij beschikt. Gaat terug naar huis!' Zij luisterden naar het woord van Jahwe en gingen naar huis, zoals Jahwe had bevolen. 1KON 12:25 Jerobeam versterkte Sichem in het bergland van Efraim en vestigde zich daar; later trok hij daar weg en versterkte Penuël. 1KON 12:26 Intussen dacht hij bij zichzelf: `Tenslotte zal mijn koninkrijk toch weer aan het huis van David komen. 1KON 12:27 Als dit volk naar Jeruzalem blijft trekken om offers op te dragen in de tempel van Jahwe, zullen ze zich weer gaan hechten aan Rechabeam, de koning van Juda, hun heer.' 1KON 12:28 Na rijp beraad liet de koning twee gouden stierebeelden maken en zei hij tot het volk: `U bent nu lang genoeg opgegaan naar Jeruzalem: dit, Israëlieten, zijn de goden die u uit Egypte hebben geleid.' 1KON 12:29 Het ene beeld stelde hij op te Betel en het andere plaatste hij in Dan. 1KON 12:30 Dit bracht de Israëlieten tot zonde. Het volk geleidde het beeld naar Dan. 1KON 12:31 Ook bouwde hij offerhoogten en stelde hij priesters aan uit het gewone volk, die niet tot de stam Levi behoorden. 1KON 12:32 Verder voerde Jerobeam op de vijftiende dag van de achtste maand een feest in dat geleek op het feest dat in Juda bestond. Bij die gelegenheid besteeg hij het altaar dat hij in Betel had laten maken om te offeren aan de stierebeelden die hij vervaardigd had. En in Betel installeerde hij de priesters van de offerhoogten die hij gebouwd had. 1KON 12:33 Op de vijftiende dag van de achtste maand, een dag die hij op eigen gezag bepaald had, besteeg Jerobeam het altaar dat hij had laten maken. Hij liet de Israëlieten feest vieren en besteeg het altaar om wierook te branden. 1KON 13:1 En juist toen Jerobeam op het altaar stond om de wierook te branden, kwam er in Betel een man Gods uit Juda, door Jahwe gezonden. 1KON 13:2 Op Jahwe's bevel riep hij tegen het altaar: `Altaar, altaar, zo spreekt Jahwe: In het huis van David zal een zoon geboren worden, Josia geheten; hij zal de priesters der offerhoogten die wierook op u branden op u ten offer brengen en mensenbeenderen op u verbranden.' 1KON 13:3 Tevens kondigde hij een wonder aan met de woorden: `Dit is het wonder, ten teken dat Jahwe gesproken heeft: het altaar zal scheuren en de as die erop ligt zal eraf storten.' 1KON 13:4 Toen de koning hoorde wat de man Gods tegen het altaar van Betel riep, stak hij, staande op het altaar, zijn hand uit en beval: Grijpt die man!' Maar de hand die hij tegen de man Gods had uitgestoken verstijfde en hij kon haar niet meer terugtrekken. 1KON 13:5 En het altaar scheurde en de as stortte ervan af; het was het wonder dat de man Gods op Jahwe's bevel had aangekondigd. 1KON 13:6 Nu sprak de koning tot de man Gods: `Wees zo goed en tracht Jahwe uw God gunstig te stemmen; bid voor mij dat ik mijn hand weer kan terugtrekken.' De man Gods wist Jahwe gunstig te stemmen; de koning kon zijn hand terugtrekken en deze werd weer als voorheen. 1KON 13:7 Toen sprak de koning tot de man Gods: `Kom met mij naar huis; dan kunt u zich verkwikken en zal ik u een geschenk geven.' 1KON 13:8 Maar de man Gods antwoordde: `Al zoudt u mij de helft van uw bezit geven, ik ga niet met u mee; hier zal ik geen brood eten of water drinken. 1KON 13:9 Want aldus heeft Jahwe mij bevolen: Gij moogt er geen brood eten of water drinken en gij moogt niet langs dezelfde weg terugkeren als gij gekomen zijt.' 1KON 13:10 En hij vertrok langs een andere weg en keerde niet terug over de weg waarlangs hij naar Betel gekomen was. 1KON 13:11 Nu woonde er in Betel een bejaarde profeet. Zijn zonen kwamen hem vertellen wat de man Gods die dag te Betel allemaal gedaan had en wat hij tot de koning had gezegd. 1KON 13:12 Toen zij uitverteld waren vroeg hun vader: `In welke richting is hij vertrokken?' En zijn zonen wezen hem, in welke richting de man Gods uit Juda vertrokken was. 1KON 13:13 Nu zei hij tot zijn zonen: `Zadelt mijn ezel.' Toen zij de ezel gezadeld hadden, zette hij zich erop, 1KON 13:14 ging de man Gods achterna en trof hem zittende onder een terebint. Hij vroeg hem: `Bent u de man Gods uit Juda?' En hij antwoordde: `Ja.' 1KON 13:15 Daarop zei hij tot hem: `Ga met mij mee naar huis; dan kunt u iets eten.' 1KON 13:16 Maar hij antwoordde: `Ik kan niet met u teruggaan naar uw woonplaats: ik kan daar met u geen brood eten of water drinken, 1KON 13:17 want Jahwe heeft mij bevolen: Gij moogt daar geen brood eten of water drinken en ge moogt ook niet terugkeren langs dezelfde weg als ge gekomen zijt.' 1KON 13:18 Maar de ander hield aan: `Ook ik ben een profeet, net als u, en een engel heeft tot mij gesproken op Jahwe's bevel: Haal hem terug naar uw huis; dan kan hij brood en water drinken.' Dit loog hij hem voor. 1KON 13:19 Toen keerde de man Gods met de profeet terug en hij at brood en dronk water in diens huis. 1KON 13:20 Terwijl zij aan tafel zaten, werd het woord van Jahwe gericht tot de profeet die hem naar Betel teruggehaald had. 1KON 13:21 Deze riep tot de man Gods uit Juda: `Zo spreekt Jahwe: Omdat gij u verzet hebt tegen het bevel van Jahwe en u niet gehouden hebt aan het verbod dat Jahwe uw God u gaf, 1KON 13:22 maar naar Betel teruggekeerd zijt om brood te eten en water te drinken, daar waar Hij u dit verboden had, daarom zal uw lijk niet bijgezet worden in het graf van uw vaderen.' 1KON 13:23 Nadat de man Gods gegeten en gedronken had, liet de profeet die hem teruggehaald had zijn ezel zadelen. 1KON 13:24 De man Gods vertrok, maar hij werd onderweg aangevallen door een leeuw. Deze doodde hem en zijn lijk kwam op de weg te liggen. De ezel bleef naast het lijk staan en ook de leeuw. 1KON 13:25 Mensen die voorbijkwamen zagen het lijk op de weg liggen en de leeuw ernaast staan, en bij hun aankomst in de stad waar de bejaarde profeet woonde, vertelden zij wat ze gezien hadden. 1KON 13:26 Toen de profeet die de man Gods had overgehaald om terug te keren dit vernam, zei hij: `Dat is de man Gods die zich verzet heeft tegen de wil van Jahwe. Jahwe heeft hem door een leeuw laten verscheuren, overeenkomstig het woord dat Jahwe tot hem gesproken had.' 1KON 13:27 Hij zei tot zijn zonen: `Zadelt mijn ezel.' Toen zij dit gedaan hadden, 1KON 13:28 ging hij op weg en vond het lijk op de weg liggen met de ezel en de leeuw die ernaast stonden. De leeuw had het lijk niet verslonden en evenmin de ezel verscheurd. 1KON 13:29 Nu legde de profeet het lijk van de man Gods op de ezel en bracht het terug naar de stad om het met de gebruikelijke rouw te begraven. 1KON 13:30 Hij legde het lijk in het graf dat voor hemzelf bestemd was en men hief over de man Gods de klaagzang `Ach mijn broeder' aan. 1KON 13:31 Toen hij de man Gods begraven had, zei hij tot zijn zonen: `Als ik dood ben moeten jullie mij begraven in het graf waar de man Gods ligt; jullie moeten mijn gebeente naast zijn gebeente leggen, 1KON 13:32 want vast en zeker zal vervuld worden wat hij op bevel van Jahwe geroepen heeft tegen het altaar van Betel en tegen alle offerhoogten van de steden van Samaria.' 1KON 13:33 Ondanks dit gebeuren bekeerde Jerobeam zich niet van zijn wangedrag. Integendeel, hij stelde uit het gewone volk priesters voor de offerhoogten aan; al wie maar wilde wijdde hij tot priester van een offerhoogte. 1KON 13:34 Hierin bestond de zonde van het huis van Jerobeam en dit was de reden waarom zijn koninkrijk vernietigd en van de aardbodem verdelgd zou worden. 1KON 14:1 In die tijd werd Abia, de zoon van Jerobeam ziek. 1KON 14:2 Jerobeam zei tot zijn vrouw: `Verkleed je zo dat niemand merkt dat je de vrouw van Jerobeam bent en ga dan naar Silo; daar woont immers de profeet Achia, die mij voorspeld heeft dat ik koning zou worden over dit volk. 1KON 14:3 Neem tien broden mee, een paar rozijnenkoeken en een kruik honing, en ga naar hem toe; hij zal je zeggen hoe het met de jongen zal aflopen.' 1KON 14:4 De vrouw van Jerobeam deed dit: ze begaf zich op weg naar Silo en kwam aan bij het huis van Achia. Deze nu kon niet meer zien, omdat zijn ogen star stonden van ouderdom, 1KON 14:5 maar Jahwe had tot hem gezegd: `De vrouw van Jerobeam komt u raadplegen over haar zoon, want die is ziek. Zo en zo moet ge haar antwoorden. Ze zal zich vermomd bij u aandienen.' 1KON 14:6 Toen ze door de deur binnentrad en Achia het geluid van haar voetstappen hoorde, zei hij: `Kom binnen, vrouw van Jerobeam. Waarom hebt u zich vermomd? Ik heb een onheilsboodschap voor u! 1KON 14:7 Ga aan Jerobeam zeggen: Zo spreek Jahwe, de God van Israël; Ik heb u boven het volk verheven en u aangesteld als leider van mijn volk Israël. 1KON 14:8 Ik heb het koninkrijk losgescheurd van het huis van David en het gegeven aan u. Maar gij zijt niet geweest als mijn dienaar David, die mijn geboden onderhield, Mij van ganser harte diende en alleen deed van Mij behaagt. 1KON 14:9 Gij hebt het erger gemaakt dan al uw voorgangers, u andere goden gemaakt, beelden gegoten, om Mij te tergen; Mij hebt ge verworpen, Mij de rug toegekeerd. 1KON 14:10 Daarom ga Ik onheil brengen over het huis van Jerobeam. Al wat man is in het huis van Jerobeam, van slaaf tot vrijgelatene, zal Ik uit Israël verdelgen en Ik zal het huis van Jerobeam wegvegen als drek, tot er niets meer van over is. 1KON 14:11 Wie van het huis van Jerobeam in de stad sterft, hem zullen de honden verslinden, en wie op het land sterft, hem zullen de vogels van de hemel verslinden, want Jahwe heeft gesproken. 1KON 14:12 Wat u betreft, sta op en ga naar huis. Op het ogenblik dat uw voeten de stad betreden zal de jongen sterven. 1KON 14:13 Heel Israël zal over hem rouwen en hem begraven, want hij is de enige van zijn huis in wie Jahwe, de God van Israël, iets goeds gevonden heeft. 1KON 14:14 En de man die het huis van Jerobeam zal uitroeien zal door Jahwe worden verheven tot koning over Israël. Dit wat het heden betreft, maar er komt nog meer. 1KON 14:15 Jahwe zal Israël slaan alsof het een riet was dat in het water op en neer gezwiept wordt. Hij zal de Israëlieten uitroeien en ze wegrukken van deze goede grond, die Hij hun voorvaderen geschonken heeft, en Hij zal ze verstrooien aan de overkant van de Rivier, omdat ze heilige palen gemaakt hebben en Jahwe daarmee hebben getergd. 1KON 14:16 Ja, Hij zal Israël prijsgeven vanwege de zonden die Jerobeam bedreven heeft en waartoe hij de Israëlieten heeft verleid.' 1KON 14:17 Toen stond de vrouw van Jerobeam op en ging heen. Toen zij in Tirsa aankwam en de drempel van het huis betrad, stierf haar zoon. 1KON 14:18 Heel Israël was bij zijn begrafenis tegenwoordig en rouwde over hem, naar het woord dat Jahwe gesproken had door zijn dienaar Achia, de profeet. 1KON 14:19 Verdere bijzonderheden over Jerobeam, over zijn oorlogen en zijn bestuur, staan opgetekend in de annalen van de koningen van Israël. 1KON 14:20 Jerobeam heeft tweeëntwintig jaar geregeerd. Hij ging bij zijn vaderen te ruste en werd opgevolgd door zijn zoon Nadab. 1KON 14:21 Rechabeam, de zoon van Salomo, werd koning in Juda. Hij was eenenveertig jaar toen hij koning werd en regeerde zeventien jaar te Jeruzalem, de stad die Jahwe uit alle stammen van Israël had uitverkoren om er zijn naam te doen wonen. Zijn moeder heette Naama en zij was een Ammonitische. 1KON 14:22 De Judeeërs deden wat Jahwe mishaagt; zij prikkelden Hem tot naijver, meer nog dan hun voorvaderen, door de zonden die ze bedreven. 1KON 14:23 Op elke hoge heuvel en onder elke groene boom richtten zij offerplaatsen in met wijstenen en heilige palen. 1KON 14:24 Zelfs waren er in het land mannen die zich op de offerplaatsen aan ontucht wijdden. Zo bedreef men dezelfde gruwelen als de volken die Jahwe voor de Israëlieten verdreven had. 1KON 14:25 In het vijfde regeringsjaar van Rechabeam rukte Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem op. 1KON 14:26 Hij roofde de schatten van de tempel van Jahwe en van het koninklijk paleis. Alles nam hij mee; ook de gouden schilden die Salomo had laten maken. 1KON 14:27 In plaats daarvan liet koning Rechabeam bronzen schilden maken en vertrouwde ze toe aan de oversten van de lijfwacht die de ingang van het koninklijk paleis bewaakten. 1KON 14:28 Zo dikwijls de koning naar de tempel van Jahwe ging, droeg de lijfwacht ze mee en bracht ze na afloop weer terug naar het wachtlokaal. 1KON 14:29 Verder bijzonderheden over Rechabeam en over zijn daden zijn te vinden in de annalen van de koningen van Juda. 1KON 14:30 Rechabeam en Jerobeam leefden voortdurend op voet van oorlog. 1KON 14:31 Rechabeam ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven bij zijn vaderen in de Davidstad. Zijn moeder heette Naama en was een Ammonitische. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Abia. 1KON 15:1 In het achttiende regeringsjaar van koning Jerobeam, de zoon van Nebat, werd Abia koning van Juda. 1KON 15:2 Zijn moeder heette Maaka; zij was de dochter van Abisalom. Hij regeerde drie jaar te Jeruzalem. 1KON 15:3 Hij bedreef alle zonden die zijn vader voor hem had bedreven; hij was Jahwe zijn God niet zo volkomen toegedaan als zijn vader David dat was geweest. 1KON 15:4 Maar terwille van David liet Jahwe, zijn God, voor hem een lamp branden in Jeruzalem: Hij gaf hem in zijn zoon een opvolger en liet Jeruzalem voortbestaan. 1KON 15:5 Want David had gedaan wat Jahwe behaagt en was zijn leven lang niet afgeweken van de geboden die Jahwe hem had gegeven, behalve met betrekking tot Uria de Hethiet. 1KON 15:6 Rechabeam en Jerobeam leefden voortdurend op voet van oorlog. 1KON 15:7 Verdere bijzonderheden over Abia en over zijn daden zijn te vinden in de annalen van de koningen van Juda. Abia en Jerobeam leefden voortdurend op voet van oorlog. 1KON 15:8 Abia ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven in de Davidstad. Zijn zoon Asa volgde hem op. 1KON 15:9 In het twintigste regeringsjaar van Jerobeam van Israël werd Asa koning van Juda. 1KON 15:10 Hij regeerde eenenveertig jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Maaka en was een dochter van Abisalom. 1KON 15:11 Asa deed wat Jahwe behaagt, juist zoals zijn vader David. 1KON 15:12 De mannen die zich op de offerplaatsen aan ontucht wijdden verdreef hij uit het land en hij verwijderde alle afgodsbeelden die zijn vaderen gemaakt hadden. 1KON 15:13 Zelfs heeft hij zijn moeder Maaka haar titel van gebiedster ontnomen; zij had namelijk voor Asjera een ergerniswekkend beeld gemaakt. Asa liet dit beeld stukslaan en in het Kidrondal verbranden. 1KON 15:14 Wel liet men de offerhoogten voortbestaan, maar toch bleef Asa, zolang hij leefde, Jahwe geheel toegedaan. 1KON 15:15 Hij liet de wijgeschenken van zijn vader en zijn eigen wijgeschenken naar de tempel van Jahwe overbrengen: het zilver, het goud en de andere voorwerpen. 1KON 15:16 Asa en koning Baësa van Israël leefden voortdurend op voet van oorlog. 1KON 15:17 Eens rukte koning Baësa van Israël tegen Juda op en versterkte Rama om alle verkeer van en naar Asa, de koning van Juda, te verhinderen. 1KON 15:18 Toen nam Asa al het zilver en het goud dat nog overgebleven was in de schatkamers van de tempel van Jahwe en de schatten van het koninklijk paleis en liet dat door zijn hovelingen brengen naar de koning van Aram, Benhadad, de zoon van Tabrimmon, de zoon van Chezjon, die in Damascus resideerde. Zij moesten hem zeggen: 1KON 15:19 Er bestaat een verbond tussen u en mij, tussen uw vader en mijn vader. Hierbij zend ik u een geschenk in zilver en goud. Verbreek uw verbond met koning Baësa van Israël; dan zal hij mijn land met rust laten.' 1KON 15:20 Benhadad gaf gehoor aan het verzoek van koning Asa: hij beval zijn legeroversten met hun manschappen op te rukken tegen de steden van Israël. Zij plunderden Ijjon, Dan, Abel bet maaka en heel Kinarot, alsook heel het land van Naftali. 1KON 15:21 Toen Baësa dit vernam, hield hij op met Rama te versterken en vestigde zich in Tirsa. 1KON 15:22 Nu liet koning Asa alle Judeeërs oproepen; niemand werd vrijgesteld. Zij namen de steden en het hout mee die Baësa voor de versterking van Rama had gebruikt, en versterkten daarmee Geba in Benjamin en Mispa. 1KON 15:23 Verdere bijzonderheden over Asa, over zijn krijgsverrichtingen en overige daden, met name over de steden die hij gebouwd heeft, staan opgetekend in de annalen van de koningen van Juda. Alleen dit nog: op zijn oude dag kreeg hij een voetkwaal. 1KON 15:24 Asa ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven in de stad van David, zijn vader. Zijn zoon Josafat volgde hem op. 1KON 15:25 Nadab, de zoon van Jerobeam, werd koning van Israël in het tweede regeringsjaar van koning Asa van Juda en regeerde twee jaar over Israël. 1KON 15:26 Hij deed wat Jahwe mishaagt; hij volgde het voorbeeld van zijn vader en volhardde in de zonde waartoe deze Israël verleid had. 1KON 15:27 Baësa, de zoon van Achia, uit het huis Issakar, smeedde een komplot tegen hem en sloeg Nadab neer toen deze met heel het leger van Israël Gibbeton belegerde, dat aan de Filistijnen behoorde. 1KON 15:28 Baësa doodde hem in het derde regeringsjaar van koning Asa van Juda en nam zijn plaats als koning in. 1KON 15:29 Zodra hij aan de regering gekomen was, bracht hij alle leden van het huis van Jerobeam ter dood, zonder ook maar iemand te sparen. Hij moordde heel het geslacht van Jerobeam uit, volgens het woord dat Jahwe gesproken had door zijn dienaar Achia uit Silo, 1KON 15:30 vanwege de zonden die Jerobeam had bedreven, en waartoe hij de Israëlieten had verleid om Jahwe, de God van Israël te tergen. 1KON 15:31 Verdere bijzonderheden over Nadab en over zijn daden zijn te vinden in de annalen van de koningen van Israël. 1KON 15:32 Asa en Baësa leefden voortdurend op voet van oorlog. 1KON 15:33 In het derde regeringsjaar van koning Asa van Juda werd Baësa, de zoon van Achia, koning over heel Israël. Hij regeerde vierentwintig jaar in Tirsa. 1KON 15:34 Hij deed wat Jahwe mishaagt; hij volgde het voorbeeld van Jerobeam en volhardde in de zonde waartoe deze de Israëlieten verleid had. 1KON 16:1 Daarom kwam het woord van Jahwe tot Jehu, de zoon van Chanani: `Zeg tegen Baësa: 1KON 16:2 Ik heb u uit het stof opgeraapt en u aangesteld tot leider over mijn volk Israël. Maar gij hebt het voorbeeld van Jerobeam gevolgd en mijn volk Israël tot zonden verleid om Mij te tergen. 1KON 16:3 Welnu, Ik ga Baësa en zijn huis wegvagen. Ik doe met uw huis wat Ik gedaan heb met dat van Jerobeam, de zoon van Nebat 1KON 16:4 Wie van Baësa's huis in de stand sterft, hem zullen de honden verslinden, en wie op het land sterft, hem zullen de vogels van de hemel verslinden.' 1KON 16:5 Verdere bijzonderheden over Baësa, over zijn krijgsverrichtingen en overige daden, zijn te vinden in de annalen van de koningen van Israël. 1KON 16:6 Baësa ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven in Tirsa. Zijn zoon Ela volgde hem op. 1KON 16:7 Door de profeet Jehu, de zoon van Chanani, is dus het woord van Jahwe gekomen tot Baësa en zijn huis, omdat hij gedaan had wat Jahwe mishaagt; hij had immers, evenals het huis van Jerobeam, Jahwe door zijn daden getergd en Jerobeams huis uitgemoord. 1KON 16:8 In het zesentwintigste regeringsjaar van koning Asa van Juda werd Ela, de zoon van Baësa, koning van Israël. Hij regeerde twee jaar. 1KON 16:9 Zijn dienaar Zimri, bevelhebber over de helft van de strijdwagens, smeedde een komplot tegen hem. Op zekere dag, toen Ela in Tirsa in het huis van Arsa, de hofmaarschalk van het paleis in Tirsa, zich een roes dronk. 1KON 16:10 kwam Zimri binnen, sloeg hem dood en nam zijn plaats als koning in. Dit gebeurde in het zevenentwintigste regeringsjaar van Asa, de koning van Juda. 1KON 16:11 Zodra Zimri aan de regering gekomen was en de troon bestegen had, liet hij heel het huis van Baësa uitroeien; alle mannelijke leden van het huis zelf en ook alle naastbestaanden en vrienden. 1KON 16:12 Hij moordde heel het huis van Baësa uit, volgens het woord dat Jahwe door de profeet Jehu over Baësa gesproken had, 1KON 16:13 vanwege alle zonden van Baësa en die van zijn zoon Ela en vanwege de zonden waartoe zij de Israëlieten verleid hadden om Jahwe, de God van Israël, met hun waangoden te tergen. 1KON 16:14 Verder bijzonderheden over Ela en over zijn daden zijn te vinden in de annalen van de koningen van Israël. 1KON 16:15 In het zevenentwintigste regeringsjaar van koning Asa van Juda werd Zimri koning. Hij regeerde zeven dagen in Tirsa. In die tijd lag het leger bij Gibbeton, dat aan de Filistijnen behoorde. 1KON 16:16 Toen de belegeraars hoorden dat Zimri een komplot gesmeed had en de koning had gedood, riepen alle Israëlieten in de legerplaats de legeroverste Omri tot koning van Israël uit. 1KON 16:17 Hierop trok Omri met alle Israëlieten van Gibbeton weg en sloeg het beleg voor Tirsa. 1KON 16:18 Zodra Zimri zag dat de stad ingenomen was, trok hij zich in de slottoren van het koninklijk paleis terug en stak het paleis boven zijn hoofd in brand. Zo kwam hij om het leven. 1KON 16:19 Dit gebeurde vanwege zijn zonden, omdat hij gedaan had wat Jahwe mishaagt, in navolging van Jerobeam, en volhard had in de zonde waartoe deze de Israëlieten verleid had. 1KON 16:20 Verdere bijzonderheden over Zimri en over het komplot dat hij gesmeed heeft zijn te vinden in de annalen van de koningen van Israël. 1KON 16:21 Toen ontstond er verdeeldheid onder het volk Israël. De ene helft van het volk wilde Tibni, de zoon van Ginat, tot koning uitroepen; de andere helft stond achter Omri. 1KON 16:22 De aanhangers van Omri kregen de overhand over die van Tibni. Tibni kwam om het leven en Omri werd koning. 1KON 16:23 In het eenendertigste regeringsjaar van koning Asa van Juda werd Omri koning van Israël. Hij regeerde twaalf jaar, waarvan zes jaar in Tirsa. 1KON 16:24 Hij kocht van Semer voor twee talenten zilver de berg Someron, bouwde op die berg een stad en noemde deze Samaria, naar Semer, de eigenaar van de berg. 1KON 16:25 Omri deed wat Jahwe mishaagt; hij maakte het nog erger dan al zijn voorgangers. 1KON 16:26 In alles volgde hij het voorbeeld van Jerobeam, de zoon van Nebat, en volhardde in de zonde waartoe deze de Israëlieten verleid had om Jahwe, de God van Israël, met hun waangoden te tergen. 1KON 16:27 Verdere bijzonderheden over Omri, over zijn krijgsverrichtingen en overige daden, zijn te vinden in de annalen van de koningen van Israël. 1KON 16:28 Omri ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven te Samaria. Zijn zoon Achab volgde hem op. 1KON 16:29 Achab, de zoon van Omri, werd koning van Israël in het achtendertigste regeringsjaar van koning Asa van Juda en regeerde in Samaria tweeëntwintig jaar over Israël. 1KON 16:30 Hij deed wat Jahwe mishaagt, erger nog dan al zijn voorgangers. 1KON 16:31 Alsof hij het nog niet genoeg vond de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, na te volgen, nam hij Izebel, een dochter van Etbaal, de koning van de Sidoniers, tot vrouw en ging hij Baäl dienen en aanbidden. 1KON 16:32 Hij richtte voor Baäl een altaar op in de Baältempel die hij in Samaria had laten bouwen. 1KON 16:33 Ook liet Achab een heilige paal maken en deed hij nog andere dingen, zodat hij Jahwe, de God van Israël, nog meer tergde dan al de koningen van Israël voor hem. 1KON 16:34 In zijn tijd heeft Chiel uit Betel Jericho weer opgebouwd. Ten koste van Abiram, zijn eerstgeborene, legde hij de fundamenten; ten koste van Segub, zijn jongste zoon, richtte hij de poorten op, naar het woord dat Jahwe gesproken had door Jozua, de zoon van Nun. 1KON 17:1 In die dagen zei Elia de Tisbiet uit Tisbi in Gilead tot Achab: `Zowaar Jahwe leeft, de God van Israël, in wiens dienst ik sta: er zal in de volgende jaren geen dauw of regen komen tenzij op mijn woord.' 1KON 17:2 En het woord van Jahwe kwam tot hem: 1KON 17:3 `Vertrek van hier en ga naar het oosten en houd u verborgen in het dal van de Kerit, die in de Jordaan uitmondt. 1KON 17:4 Uit de beek kunt ge drinken en aan de raven heb Ik bevolen u daar van voedsel te voorzien.' 1KON 17:5 Hij deed wat Jahwe gezegd had en ging wonen in het dal van de Kerit, die in de Jordaan uitmondt. 1KON 17:6 De raven brachten hem 's morgens en 's avonds brood en vlees en hij dronk uit de beek. 1KON 17:7 Maar na verloop van tijd droogde de beek uit, want het had op de aarde niet geregend. 1KON 17:8 Toen kwam het woord van Jahwe tot hem: 1KON 17:9 `Vertrek naar Sarefat, dat onder Sidon valt, en ga daar wonen; Ik heb daar een weduwe bevolen voor u te zorgen.' 1KON 17:10 Hij vertrok dus naar Sarefat. Toen hij bij de stadspoort kwam, was daar een weduwe hout aan het sprokkelen. Hij riep tot haar: `Wees zo goed en haal voor mij in deze kruik een beetje water; ik zou graag wat drinken.' 1KON 17:11 Toen zij het ging halen riep hij haar na: `Wees zo goed en breng ook een stuk brood mee.' 1KON 17:12 Zij antwoordde: `Zowaar Jahwe uw God leeft, ik heb geen brood meer; alleen nog maar een handvol meel in de pot en nog een beetje olie in de kruik. Ik sprokkel nu wat hout en ga dadelijk naar huis om voor mij en mijn zoon voor het laatst eten klaar te maken; daarna wacht ons de dood.' 1KON 17:13 Elia antwoordde: `Vrees niet, ga naar huis en doe wat u van plan bent, maar maak van het meel en de olie eerst een broodje voor mij en breng mij dat; voor uzelf en uw zoon kunt u daarna zorgen. 1KON 17:14 Want zo zegt Jahwe, de God van Israël: De pot met meel raakt niet leeg en de kruik met olie niet uitgeput totdat Jahwe het weer laat regenen.' 1KON 17:15 Toen ging zij heen en deed wat Elia gezegd had, en dag aan dag hadden zij te eten, hij, zij en haar gezin. 1KON 17:16 De pot met meel raakte niet leeg en de kruik met olie niet uitgeput, volgens het woord dat Jahwe gesproken had door Elia. 1KON 17:17 Enige tijd later werd de zoon van de vrouw des huizes ziek en zijn ziekte werd steeds erger, totdat alle leven uit hem geweken was. Toen zei de vrouw tot Elia: 1KON 17:18 `Man Gods, hoe heb ik het nu met u? Hebt u bij mij uw intrek genomen om mijn zonden openbaar te maken door mijn zoon te doen sterven?' 1KON 17:19 Hij antwoordde: `Geef uw zoon aan mij.' Hij nam het kind uit haar armen, bracht het naar de bovenkamer waar hij logeerde en legde het kind op zijn bed. 1KON 17:20 Daarop riep hij Jahwe aan en zei: `Jahwe mijn God, brengt Gij zelfs over de weduwe bij wie ik te gast ben onheil door haar zoon te laten sterven?' 1KON 17:21 Toen ging hij driemaal languit op het kind liggen. Daarbij riep hij Jahwe en zei: `Jahwe mijn God, laat toch de ziel in dit kind terugkeren.' 1KON 17:22 En Jahwe gaf gehoor aan de bede van Elia: de ziel keerde terug in het kind en het leefde weer. 1KON 17:23 Toen nam Elia het kind op, ging van de bovenkamer naar beneden, trad het huis binnen en gaf het kind aan de moeder. En Elia zei: `Zie, uw zoon leeft.' 1KON 17:24 Daarop zei de vrouw tot Elia: `Nu weet ik zeker dat u een man Gods bent en dat Jahwe werkelijk door uw mond spreekt.' 1KON 18:1 Geruime tijd later, in het derde jaar, kwam het woord van Jahwe tot Elia: `Ga en verschijn voor Achab. Ik wil het op de aardbodem weer laten regenen.' 1KON 18:2 Elia ging dus op weg om voor Achab te verschijnen. De hongersnood in Samaria was intussen zeer hevig geworden. 1KON 18:3 Daarom had Achab zijn hofmaarschalk Obadja ontboden. Obadja was een zeer godvruchtig man. 1KON 18:4 Zo had hij, toen Izebel de profeten van Jahwe wilde uitroeien, honderd profeten onder zijn hoede genomen, ze in twee groepen van vijftig in grotten verborgen en ze van eten en drinken voorzien. 1KON 18:5 Tot deze Obadja had Achab gezegd: `Laten wij alle bronnen en beken in het land afgaan; misschien vinden we voldoende gras om de paarden en muildieren in het leven te houden en hoeven we de dieren niet af te maken.' 1KON 18:6 Ze namen ieder een deel van het land voor hun rekening en doorkruisten het. Achab ging de ene kant uit en Obadja de andere kant. 1KON 18:7 Terwijl Obadja onderweg was, kwam hij opeens Elia tegen. Hij herkende hem, wierp zich voor hem neer en zei: `Bent u het, heer Elia?' 1KON 18:8 Elia antwoordde: `Ja, ga uw heer zeggen dat Elia er is.' 1KON 18:9 Maar Obadja vroeg: `Wat heb ik u misdaan, dat u uw dienaar aan Achab wilt uitleveren op het gevaar af dat hij me doodt? 1KON 18:10 Zowaar Jahwe leeft, er is geen volk of koninkrijk waar mijn heer Achab niet naar u heeft laten zoeken. Als men zei dat u er niet was, liet hij dat volk of koninkrijk zweren dat men u niet kon vinden. 1KON 18:11 En nu zegt u: Ga uw heer zeggen dat Elia er is. 1KON 18:12 Als ik van u wegga om het Achab te melden, dan kan de geest van Jahwe u wel opnemen, wie weet waarheen. Als Achab u dan niet kan vinden, vermoordt hij mij, terwijl uw dienaar nog wel van zijn jeugd af Jahwe vereerd heeft. 1KON 18:13 Heeft men mijn heer soms niet verteld wat ik gedaan heb toen Izebel de profeten van Jahwe wilde vermoorden? Dat ik honderd profeten van Jahwe in twee groepen van vijftig in grotten verborgen heb gehouden en van eten en drinken heb voorzien? 1KON 18:14 En nu zegt u: Ga uw heer zeggen dat Elia er is. Hij zal mij vermoorden.' 1KON 18:15 Maar Elia verzekerde: `Zowaar Jahwe van de machten leeft, in wiens dienst ik sta: ik verschijn vandaag nog voor Achab.' 1KON 18:16 Nu begaf Obadja zich naar Achab en bracht de boodschap over. En Achab ging Elia tegemoet. 1KON 18:17 Zodra Achab Elia zag, riep hij: `Bent u dat, u die Israël in het ongeluk stort?' 1KON 18:18 Elia antwoordde: `Niet ik stort Israël in het ongeluk, maar u en het huis van uw vader, want u hebt de geboden van Jahwe overtreden en de Baäls nagelopen. 1KON 18:19 Laat heel Israël bij mij op de berg Karmel bijeenroepen, met de vierhonderdvijftig profeten van Baäl en de vierhonderd profeten van Asjera, die van Izebels tafel eten.' 1KON 18:20 Nu zond Achab een boodschap aan alle Israëlieten en liet alle profeten op de berg Karmel bijeenkomen. 1KON 18:21 Elia verscheen voor heel het volk en vroeg: `Hoe lang blijft u nog op twee gedachten hinken? Als Jahwe God is, volgt Hem dan; is het Baäl, volgt dan Baäl.' Maar de mensen gaven hem geen antwoord. 1KON 18:22 Toen zei Elia tot het volk: `Ik ben de enige profeet van Jahwe die overgebleven is; de profeten van Baäl zijn vierhonderdvijftig man sterk. 1KON 18:23 Geeft ons twee stieren. Laten zij een van beide stieren uitkiezen, hem aan stukken houwen en op het hout leggen, maar ze mogen het hout niet aansteken. Dan zal ik de andere stier klaarmaken en op het hout leggen, en ook het hout niet aansteken. 1KON 18:24 Roept dan de naam van uw god aan; ik zal de naam van Jahwe aanroepen; de God die door vuur antwoordt is de ware God!' En heel het volk riep: `Dat is goed.' 1KON 18:25 Toen zei Elia tot de profeten van Baäl: `Begint u maar met het uitkiezen en klaarmaken van de stier, want u bent met velen. Roept dan de naam van uw god aan, maar u moogt geen vuur aansteken.' 1KON 18:26 Zij namen dus de stier die hun gegeven werd, maakten hem klaar en riepen van de ochtend tot de middag de naam van Baäl aan: `Baäl, geef ons antwoord!' Maar er klonk geen geluid en er kwam geen antwoord, hoe zij ook sprongen rond het altaar dat zij gebouwd hadden. 1KON 18:27 Toen het middag geworden was, riep Elia hun spottend toe: `Roept toch wat harder; hij is immers een god? Hij is zeker in gedachten verzonken of hij heeft zich afgezonderd of is op reis; misschien slaapt hij wel en moet hij gewekt worden.' 1KON 18:28 Toen riepen ze nog harder en kerfden ze zich naar hun gewoonte met zwaarden en speren, tot het bloed langs hun lijf droop. 1KON 18:29 Het middaguur verstreek, maar zij gingen er als razenden mee door tot de tijd van het avondoffer; maar er klonk geen antwoord; zij vonden geen gehoor. 1KON 18:30 Nu zei Elia tot het volk: `Komt dichterbij.' En allen kwamen dichter bij hem staan. Toen richtte hij het altaar van Jahwe, dat omvergehaald was, weer op. 1KON 18:31 Hij nam twaalf stenen, overeenkomstig het aantal stammen van de zonen van Jakob, tot wie Jahwe gezegd heeft: `Israël zult gij heten.' 1KON 18:32 Van die stenen bouwde hij een altaar voor Jahwe, maakte rondom het altaar een geul met een inhoud van twee schepel zaaikoren, 1KON 18:33 stapelde de houtblokken op elkaar, hakte de stier in stukken en legde die op het hout. 1KON 18:34 Toen zei hij: `Vult vier kruiken met water en giet die uit over het brandoffer en het hout.' Daarna zei hij: `Doet het nogmaals.' En toen ze het nogmaals gedaan hadden, zei hij: `Nu voor de derde keer.' Toen ze het voor de derde keer gedaan hadden, 1KON 18:35 stroomde het water langs alle kanten van het altaar af; ook de geul liet hij met water vullen. 1KON 18:36 Toen het uur van het avondoffer gekomen was, trad de profeet Elia naar voren en zei: `Jahwe, God van Abraham, Isaak en Israël, toon heden dat Gij God zijt in Israël en dat ik, uw dienaar, dit alles op uw bevel gedaan heb. 1KON 18:37 Geef antwoord Jahwe, geef antwoord, opdat dit volk erkent dat Gij, Jahwe, de ware God zijt, en keer zo hun hart weer tot U.' 1KON 18:38 Toen sloeg het vuur van Jahwe neer, verteerde het brandoffer, het hout, de stenen en het stof; het likte zelfs het water in de geul op. 1KON 18:39 Toen de mensen dit zagen, wierpen ze zich voorover op de grond en riepen: `Jahwe is de ware God! Jahwe is de ware God!' 1KON 18:40 Daarop gaf Elia bevel: `Grijpt de profeten van Baäl; laat niemand van hen ontkomen.' Zij grepen hen en Elia liet ze naar de beek, de Kison brengen. Daar liet hij ze afslachten. 1KON 18:41 Toen zei Elia tot Achab: `Ga nu eten en drinken, want ik hoor reeds het kletteren van de stortregen.' 1KON 18:42 Terwijl Achab vertrok om te eten en te drinken, klom Elia naar de top van de Karmel, boog zich ter aarde en legde zijn hoofd tussen zijn knieen. 1KON 18:43 Daarop zei hij tot zijn dienaar: `Ga nog wat hoger en kijk in de richting van de zee.' De dienaar ging naar boven en keek en zei: `Ik zie niets.' Daarop zei Elia: `Ga nog eens en nog eens, tot zevenmaal toe.' 1KON 18:44 En bij de zevende maal zei de dienaar: `Ja, ik zie een kleine wolk uit zee opstijgen, zo groot als de palm van een hand.' Toen zei Elia: `Ga Achab zeggen dat hij inspant en wegrijdt, anders zal de stortregen het hem nog onmogelijk maken.' 1KON 18:45 En geleidelijk aan werd de lucht zwart, de wind stak op en er viel een zwart stortregen. Achab steeg in zijn wagen en reed naar Jizreel. 1KON 18:46 De hand van Jahwe kwam op Elia; deze trok zijn gordel strak om zijn lenden en snelde voor Achab uit tot Jizreel toe. 1KON 19:1 Toen Achab aan Izebel meedeelde wat Elia allemaal gedaan had en hoe alle profeten met het zwaard had gedood, 1KON 19:2 zond Izebel een bode naar Elia met de boodschap: `De goden mogen mij dit doen en nog erger als ik u niet binnen vierentwintig uur het lot van de profeten heb doen delen.' 1KON 19:3 Toen hij dat vernomen had, trachtte hij zijn leven in veiligheid te stellen en vertrok naar Berseba, dat tot Juda behoort. Daar aangekomen liet hij zijn dienaar achter. 1KON 19:4 Na een tocht van een dag in de woestijn kwam hij bij een bremstruik. Hij zette zich eronder neer. Hij verlangde te sterven en zei: `Het wordt mij te veel, Jahwe; laat mij sterven want ik ben niet beter dan mijn vaderen.' 1KON 19:5 Daarop ging hij onder de bremstruik liggen en sliep in. Maar opeens stiet een engel hem aan en zei tot hem: `Sta op en eet.' 1KON 19:6 Hij keek op en daar zag hij aan zijn hoofdeinde een koek, op gloeiende stenen gebakken, en een kruik water. Hij at en dronk en legde zich weer te ruste. 1KON 19:7 Maar opnieuw, voor de tweede maal, stiet de engel van Jahwe hem aan en zei: `Sta op en eet; anders gaat de reis uw krachten te boven.' 1KON 19:8 Toen stond hij op, at en dronk, en gesterkt door dat voedsel liep hij veertig dagen en nachten, tot hij de berg van God, de Horeb, bereikte. 1KON 19:9 Daar ging hij een grot binnen en overnachtte er. Toen kwam het woord van Jahwe tot hem: `Wat doet gij hier, Elia?' 1KON 19:10 Hij antwoordde: `Ik heb vurig geijverd voor Jahwe, de God van de legerscharen. De Israëlieten hebben uw verbond met voeten getreden, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood; ik alleen ben overgebleven en nu staan ze ook mij naar het leven.' 1KON 19:11 Maar Jahwe zei: `Ga naar buiten en treed voor Jahwe op de berg.' Toen trok Jahwe voorbij. Voor Jahwe uit ging een zeer zware storm, die bergen deed splijten en rotsen verbrijzelde. Maar Jahwe was niet in de storm. Op de storm volgde een aardbeving. Maar ook in de aardbeving was Jahwe niet. 1KON 19:12 Op de aardbeving volgde vuur. Maar ook in het vuur was Jahwe niet. Op het vuur volgde het suizen van een zachte bries. 1KON 19:13 Zodra Elia dit hoorde, bedekte hij zijn gezicht met zijn mantel, ging naar buiten en bleef staan aan de ingang van de grot. En toen klonk er een stem die hem vroeg: `Wat doet gij hier, Elia?' 1KON 19:14 Hij antwoordde: `Ik heb vurig geijverd voor Jahwe, de God van uw verbond met voeten getreden, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood; ik alleen ben overgebleven en nu staan ze ook mij naar het leven.' 1KON 19:15 Toen zei Jahwe tot hem: `Keer terug op uw schreden en ga door de woestijn naar Damascus; als ge daar gekomen zijt, moet ge Hazaël zalven tot koning van Aram. 1KON 19:16 Jehu, de zoon van Nimsi, moet ge zalven tot koning van Israël, en Elisa, de zoon van Safat uit Abel mechola, moet ge zalven tot uw opvolger als profeet. 1KON 19:17 Wie dan ontkomt aan het zwaard van Hazaël zal gedood worden door Jehu en wie ontkomt aan het zwaard van Jehu zal gedood worden door Elisa. 1KON 19:18 Maar Ik behoud mij in Israël een rest voor: zevenduizend man die hun knie niet gebogen hebben voor Baäl en wier mond niet heeft gekust.' 1KON 19:19 Elia vertrok vandaar en trof Elisa, de zoon van Safat, terwijl die aan het ploegen was. Twaalf koppels ossen gingen voor hem uit; hijzelf bevond zich bij het twaalfde. Toen Elia langs kwam, wierp hij hem zijn mantel toe. 1KON 19:20 Elisa liet de ossen in de steek, liep Elia achterna en zei: `Laat mij eerst afscheid nemen van mijn vader en moeder; dan zal ik u volgen.' Hij antwoordde hem: `Ga maar weer terug; heb ik u soms tot iets verplicht?' 1KON 19:21 Hierop ging Elisa naar de ossen terug, nam zijn koppel, slachtte het, kookte het vlees op het hout van de jukken en gaf het aan het werkvolk te eten. Daarna vertrok hij, volgde Elia en werd zijn dienaar. 1KON 20:1 Benhadad, de koning van Aram, had heel zijn legermacht op de been gebracht en was met tweeëndertig koningen met paarden en wagens opgerukt om Samaria te belegeren. Tijdens het beleg 1KON 20:2 zond hij boden naar de stad, naar Achab, de koning van Israël, 1KON 20:3 en liet hem zeggen: `Zo spreekt Benhadad: Uw zilver en uw goud, uw mooiste vrouwen en flinkste zonen behoren mij toe.' 1KON 20:4 De koning van Israël liet antwoorden: `Zoals u zegt, mijn heer de koning: ik en al het mijne behoren u toe.' 1KON 20:5 Maar de boden kwamen terug en zeiden: `Zo spreekt Benhadad: Ik heb wel van u geeist dat u mij uw zilver en uw goud, uw vrouwen en uw zonen zoudt geven, 1KON 20:6 maar morgen om deze tijd zal ik mijn dienaren tot u zenden om uw huis en de huizen van uw dienaren te doorzoeken en alles wat u dierbaar is zullen zij zich toeeigenen en meenemen.' 1KON 20:7 Toen riep de koning van Israël al de oudsten van het land bijeen en zei: `Nu kunt u duidelijk zien dat hij onze ondergang wil. Want toen hij mij liet weten dat hij mijn vrouwen en mijn zonen, mijn zilver en mijn goud eiste, heb ik dat niet geweigerd.' 1KON 20:8 De oudsten met heel het volk zeiden tot hem: `Geef geen gehoor aan zijn eisen en willig ze niet in.' 1KON 20:9 Daarom zei hij tot de boden van Benhadad: `Zeg tot mijn heer en koning: Alles wat u de eerste keer van uw dienaar geeist hebt zal ik doen, maar dit kan ik niet doen.' Toen gingen de boden heen en brachten het antwoord over. 1KON 20:10 Nu liet Benhadad hem zeggen: `De goden mogen mij dit doen en nog erger, als het stof van Samaria voldoende zal zijn om de holle hand te vullen van al het volk dat mij volgt.' 1KON 20:11 Maar de koning van Israël antwoordde: `Het spreekwoord zegt: men moet niet juichen voor men de strijdgordel afdoet.' 1KON 20:12 Zodra Benhadad, die juist met de koningen onder een loofdak zat te drinken, dit antwoord vernam, gaf hij zijn dienaren bevel: `Neemt uw stellingen in.' En zij namen hun stellingen in tegenover de stad. 1KON 20:13 Toen kwam er een profeet bij koning Achab van Israël en zei: `Zo spreekt Jahwe: Ziet gij die geweldige menigte daar? Welnu, die lever Ik vandaag nog aan u over; dan zult gij weten dat Ik Jahwe ben.' 1KON 20:14 Achab vroeg: `Door wie zal dit gebeuren?' De profeet antwoordde: `Zo spreekt Jahwe: Door de manschappen van de landvoogden.' Toen vroeg Achab: `Wie moet de strijd openen?' En de profeet antwoordde: `U.' 1KON 20:15 Nu inspecteerde Achab de manschappen van de landvoogden; het waren er tweehonderdtweeëndertig. Daarna inspecteerde hij het gehele volk, al de Israëlieten; het waren er zevenduizend. 1KON 20:16 Ze trokken de stad uit rond het middaguur, terwijl Benhadad zich onder een loofdak een roes dronk met de tweeëndertig koningen die hem troepen leverden. 1KON 20:17 Toen de manschappen van de landvoogden als eersten de stad uittrokken, meldden de wachtposten die Benhadad uitgezet had, dat een aantal mannen Samaria verlaten hadden. 1KON 20:18 Hij zei: `Neemt ze levend gevangen onverschillig of ze komen om vrede te vragen of om te strijden.' 1KON 20:19 Intussen waren de manschappen van de landvoogden de stad uitgetrokken, maar achter hen volgde het leger. 1KON 20:20 Zij versloegen hun tegenstanders; de Arameeërs gingen op de vlucht en de Israëlieten zetten de achtervolging in. Maar Benhadad, de koning van Aram, ontkwam te paard met enkele ruiters. 1KON 20:21 Toen trok de koning van Israël de stad uit, vernietigde paarden en wagens en bracht Aram een grote nederlaag toe. 1KON 20:22 Nu verscheen de profeet weer voor de koning van Israël en zei: `Zorg voor versterkingen en overleg wat u te doen staat, want in het begin van het volgend jaar zal de koning van Aram weer tegen u oprukken.' 1KON 20:23 De hovelingen van de koning van Aram zeiden tot hem: `De God van de Israëlieten is een berggod; daarom waren ze sterker dan wij. Als we evenwel de strijd met hen aanbinden in de vlakte, zullen wij zeker sterker zijn dan zij. 1KON 20:24 Dit moet u doen: zet de koningen af en vervang ze door stadhouders. 1KON 20:25 Verder moet u een leger aanwerven dat even groot is als dat wat u verloren hebt, met evenveel paarden en strijdwagens. Als we dan de strijd met de Israëlieten aanbinden in de vlakte, zullen wij zeker sterker zijn dan zij.' Hij luisterde naar hun raad en voerde die uit. 1KON 20:26 Het jaar daarop inspecteerde Benhadad de Arameeërs en rukte op naar Afek om de strijd aan te binden met de Israëlieten. 1KON 20:27 Ook de Israëlieten werden geinspecteerd en van levensmiddelen voorzien en ze trokken Benhadad tegemoet. Tegenover de Arameeërs, die wijd en zijd over het land gelegerd waren, leken de Israëlieten in hun kampementen wel een paar troepjes geiten. 1KON 20:28 Toen verscheen de man Gods voor de koning van Israël en zei: `Zo spreekt Jahwe: Omdat de Arameeërs gezegd hebben dat Jahwe een berggod is en niet een god van de vlakte, daarom lever Ik heel deze geweldige menigte aan u over; dan zult gij weten dat Ik Jahwe ben.' 1KON 20:29 Zeven dagen lang lagen zij tegenover elkaar. Maar op de zevende dag kwam het tot een gevecht en versloegen de Israëlieten de Arameeërs, honderdduizend man voetvolk, op een dag. 1KON 20:30 Wat overbleef vluchtte de stad Afek binnen, maar de stadsmuur stortte in en bedolf de zevenentwintigduizend man die overgebleven waren. Ook Benhadad was naar die stad gevlucht en liep van de ene schuilplaats naar de andere. 1KON 20:31 Toen zeiden zijn hovelingen tot hem: 'Luister eens; wij hebben gehoord dat de koningen van Israël genadige koningen zijn. Laten we dus een zak om de lenden doen en een touw om de hals en zo naar de koning van Israël gaan; misschien zal hij uw leven sparen.' 1KON 20:32 Ze bonden een zak om de lenden en deden een touw om de hals, begaven zich naar de koning van Israël en zeiden: `Uw dienaar Benhadad vraagt: Spaar toch mijn leven!' De koning antwoordde: `Leeft hij nog? Hij is mijn broeder.' 1KON 20:33 De mannen beschouwden dit als een gunstig teken; ze gingen op dit antwoord in en zeiden: `Ja, Benhadad is uw broeder.' Hij antwoordde: `Ga hem halen.' En toen Benhadad bij hem gekomen was, liet hij hem in zijn eigen wagen stappen. 1KON 20:34 Benhadad zei toen tegen hem: `De steden die mijn vader van uw vader ontnomen heeft, geef ik terug; ook moogt u in Damascus een eigen markt vestigen, zoals mijn vader in Samaria gedaan heeft.' `Als u dit door een verbond wilt bevestigen, zei Achab, zal ik u laten gaan.' Hij sloot dus een verbond met hem en liet hem gaan. 1KON 20:35 Maar nu zei iemand uit het profetengilde op bevel van Jahwe tot een medebroeder: `Geef me een klap.' Toen de man weigerde hem te slaan, 1KON 20:36 zei hij tot hem: `Omdat u niet geluisterd hebt naar het bevel van Jahwe zult u, zodra u hier vandaan bent, door een leeuw geslagen worden.' En inderdaad, toen hij vertrokken was, kwam er een leeuw op hem af en sloeg hem neer. 1KON 20:37 Daarna trof de profeet een andere man en zei: `Geef mij een klap.' En de man gaf hem zo'n hevige klap dat hij gewond werd. 1KON 20:38 Toen ging de profeet heen en wachtte de koning langs de weg op; hij had zich onherkenbaar gemaakt door een band om zijn voorhoofd. 1KON 20:39 Toen de koning langs kwam, riep hij hem jammerend toe: `Toen uw dienaar zich in het strijdgewoel begeven had, kwam er iemand op mij af met een gevangene en zei: Bewaak deze man; als hij ontsnapt kost het u uw leven of u betaalt een talent zilver. 1KON 20:40 Maar uw dienaar liet zich afleiden door wat er rondom gebeurde en toen was de man opeens verdwenen.' De koning van Israël zei tot hem: `U hebt zelf uw vonnis geveld. 1KON 20:41 Nu deed hij vlug de band van zijn hoofd en herkende de koning hem als een profeet. 1KON 20:42 En hij zei tot de koning: `Zo spreekt Jahwe: Omdat gij de man die onder mijn banvloek stond hebt vrijgelaten, zult gij er met uw leven en met uw volk voor boeten.' 1KON 20:43 Toen ging de koning van Israël naar huis, somber gestemd en toornig, en zo kwam hij in Samaria aan. 1KON 21:1 Een tijd later gebeurde het volgende: Nabot de Jizreeliet bezat een wijngaard, gelegen te Jizreel, naast het paleis van Achab, de koning van Samaria. 1KON 21:2 Op een dag richtte Achab tot Nabot het verzoek: `Sta mij uw wijngaard af; dan maak ik er een moestuin van, want hij ligt vlak naast mijn paleis. Ik zal u er een betere wijngaard voor in de plaats geven, of als u dat liever hebt, zal ik hem voor geld kopen.' 1KON 21:3 Maar Nabot zei tot Achab: `Jahwe beware mij ervoor dat ik het erfdeel van mijn vaderen aan u zou afstaan.' 1KON 21:4 Toen ging Achab naar huis, somber gestemd en toornig vanwege het antwoord dat Nabot de Jizreeliet hem gegeven had: `Ik sta u het erfdeel van mijn vaderen niet af.' Hij ging op bed liggen, wendde zijn gezicht af en wilde niets eten. 1KON 21:5 Daarop kwam zijn vrouw Izebel bij hem en vroeg: `Waarom ben je toch zo somber gestemd en wil je niets eten?' 1KON 21:6 Hij antwoordde: `Ik heb Nabot de Jizreeliet verzocht mij zijn wijngaard te verkopen, of als hij dat liever had, tegen een andere te ruilen. Maar hij heeft mij geantwoord: Ik sta u mijn wijngaard niet af.' 1KON 21:7 Toen zei zijn vrouw Izebel tot hem: `Ben jij nu de man die in Israël de koningsmacht uitoefent? Sta op, eet wat, dan knap je weer op; ik zal zorgen dat je de wijngaard van Nabot de Jizreeliet krijgt.' 1KON 21:8 Ze schreef een brief in de naam van Achab, verzegelde die met zijn zegel en zond hem aan de oudsten en notabelen die in dezelfde stad woonden als Nabot. 1KON 21:9 In die brief had ze geschreven: `Kondigt een vasten af en zet Nabot bij de vergadering van het volk vooraan. 1KON 21:10 Laat dan een paar gemene kerels tegenover hem plaats nemen en hem beschuldigen van godslastering en majesteitsschennis. Voert hem dan buiten de stad en stenigt hem dood.' 1KON 21:11 De medeburgers van Nabot, de oudsten en notabelen die in dezelfde stad woonden als hij, deden alles wat Izebel hun opgedragen had en wat geschreven stond in de brief die zij hun had gestuurd. 1KON 21:12 Ze kondigden een vasten af en lieten Nabot bij de volksvergadering vooraan plaats nemen. 1KON 21:13 Toen kwamen er twee gemene kerels, die tegenover Nabot gingen zitten en ten aanhoren van al het volk verklaarden: `Nabot heeft God en de koning vervloekt.' Zij voerden Nabot buiten de stad en stenigden hem dood. 1KON 21:14 Toen berichtten ze Izebel: `Nabot is gestenigd; hij is dood.' 1KON 21:15 Zodra Izebel vernam dat Nabot doodgestenigd was, zei ze tot Achab: `Sta op, neem bezit van de wijngaard van Nabot de Jizreeliet, die hij je niet wilde verkopen, want Nabot is niet meer in leven; hij is dood.' 1KON 21:16 Zodra Achab hoorde dat Nabot dood was, begaf hij zich op weg om de wijngaard van Nabot de Jizreeliet in bezit te nemen. 1KON 21:17 Maar nu kwam het woord van Jahwe tot Elia de Tisbiet: 1KON 21:18 `Ga naar Achab, de koning van Israël, die in Samaria woont; hij is naar de wijngaard van Nabot gegaan om hem in bezit te nemen. 1KON 21:19 Zeg hem: Zo spreekt Jahwe: Komt gij na een moord het erfgoed in bezit nemen? Zeg hem dan: Zo spreekt Jahwe: Op de plaats waar de honden het bloed van Nabot opgelikt hebben zullen ze ook het uwe oplikken.' 1KON 21:20 Toen zei Achab tot Elia: `Heeft mijn vijand mij weer gevonden?' Hij antwoordde: `Ja, dat heb ik, omdat u zich hebt laten gebruiken voor dat wat Jahwe mishaagt. 1KON 21:21 Daarom ga Ik onheil over u brengen en vaag ik u weg. Al wat man is in het huis van Achab zal Ik van hoog tot laag uit Israël verdelgen. 1KON 21:22 Ik zal met uw huis hetzelfde doen als Ik gedaan heb met het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en met dat van Baësa, de zoon van Achia, omdat gij Mij getergd hebt en de Israëlieten tot zonden verleid. 1KON 21:23 En over Izebel zegt Jahwe: De honden zullen Izebel verslinden bij de stadsmuur van Jizreel. 1KON 21:24 Wie van het huis van Achab in de stad sterft, hem zullen de honden verslinden en wie op het land sterft, hem zullen de vogels van de hemel verslinden.' 1KON 21:25 Nog nooit heeft iemand zich zo laten gebruiken om te doen wat Jahwe mishaagt als Achab, daar toe verleid door zijn vrouw Izebel. 1KON 21:26 Hij heeft zich schandelijk gedragen door de afgoden te dienen, juist zoals de Amorieten dat gedaan hadden, die Jahwe voor de Israëlieten verjaagd heeft. 1KON 21:27 Toen Achab deze woorden hoorde, scheurde hij zijn kleren, trok een boetekleed aan over zijn blote lijf en vastte; hij liep terneergeslagen rond en legde zich in het boetekleed te ruste. 1KON 21:28 Daarom kwam het woord van Jahwe tot Elia de Tisbiet: 1KON 21:29 `Hebt gij gezien hoe Achab zich voor Mij vernedered heeft? Omdat hij zich voor Mij vernederd heeft, zal Ik het onheil niet tijdens zijn leven op zijn huis doen neerkomen, maar tijdens het leven van zijn zoon.' 1KON 22:1 Drie jaar lang bleef het rustig en was er geen oorlog tussen Aram en Israël. 1KON 22:2 In het derde jaar nu kwam koning Josafat van Juda op bezoek bij de koning van Israël. 1KON 22:3 De koning van Israël zei tot zijn hovelingen: `U weet toch dat Ramot in Gilead van ons is? En wij doen maar niets om het op de koning van Aram te heroveren.' 1KON 22:4 En hij stelde Josafat voor: `Wilt u met mij ten strijde trekken naar Ramot in Gilead?' Josafat antwoordde de koning van Israël: `Een lot verbindt u en mij, uw volk en mijn volk, uw paarden en mijn paarden.' 1KON 22:5 Maar hij vervolgde: `U moet toch eerst Jahwe raadplegen!' 1KON 22:6 Toen riep de koning van Israël de profeten bijeen, ongeveer vierhonderd man, en vroeg hun: `Moet ik gaan vechten om Ramot in Gilead, of moet ik ervan afzien?' Ze antwoordden: `Ga! De Heer levert het aan de koning over.' 1KON 22:7 Maar Josafat vroeg: `Is hier geen profeet van Jahwe, door wie wij Jahwe kunnen raadplegen?' 1KON 22:8 De koning van Israël antwoordde Josafat: `Er is nog een man door wie we Jahwe kunnen raadplegen, maar ik heb een hekel aan hem, omdat hij me nooit iets goeds voorspelt, alleen maar onheil. Het is Michajehu, de zoon van Jimla.' Maar Josafat zei: `De koning moet zo niet spreken.' 1KON 22:9 Toen riep de koning van Israël een dienaar en zei: `Ga dadelijk Michajehu, de zoon van Jimla, halen.' 1KON 22:10 Nu zaten de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, in vol ornaat ieder op een troon op de dorsvloer bij de ingang van de poort van Samaria, terwijl alle profeten voor hen stonden te profeteren. 1KON 22:11 Sidkia, de zoon van Kenaana, had zich ijzeren horens gemaakt en hij zei: `Zo spreekt Jahwe: Hiermee zult gij de Arameeërs neerstoten en verdelgen.' 1KON 22:12 Alle andere profeten profeteerden in dezelfde geest en zeiden. `U moet naar Ramot in Gilead optrekken; uw veldtocht zal slagen, want Jahwe levert het aan de koning over.' 1KON 22:13 De bode nu die Michajehu moest gaan halen zei tegen hem: `De profeten hebben de koning eenstemmig een gunstige voorspelling gedaan; laat uw woord overeenkomsten met het hunne en voorspel iets goeds.' 1KON 22:14 Maar Michajehu antwoordde: `Zowaar Jahwe leeft: Ik zal slechts zeggen wat Jahwe mij opdraagt.' 1KON 22:15 Toen hij bij de koning gekomen was, zei de koning tot hem: `Michajehu, moeten we gaan vechten om Ramot in Gilead of moeten wij ervan afzien?' Hij antwoordde: `Ruk op; uw veldtocht zal slagen; Jahwe levert het aan de koning over.' 1KON 22:16 Maar de koning viel tegen hem uit: `Hoe vaak moet ik u bezweren me in de naam van Jahwe niets te zeggen dan de waarheid?' 1KON 22:17 Toen zei Michajehu: `Ik zag heel Israël verstrooid over de bergen als schapen zonder herder. En Jahwe sprak: Zij hebben geen heer; laat ieder in vrede naar huis terugkeren.' 1KON 22:18 Toen zei de koning van Israël tot Josafat: `Heb ik het u niet gezegd? Hij profeteert over mij nooit iets goeds, altijd maar onheil.' 1KON 22:19 Michajehu antwoordde: `Luister dan naar het woord van Jahwe. Ik zag Jahwe, gezeten op zijn troon, en heel het heer des hemels links en rechts om Hem heen. 1KON 22:20 Jahwe vroeg: Wie wil Achab misleiden, zodat hij oprukt naar Ramot in Gilead en daar sneuvelt? De een zei dit, de ander dat. 1KON 22:21 Toen kwam er een geest voor Jahwe staan en zei: Ik zal hem misleiden. Jahwe vroeg hem: Hoe? 1KON 22:22 Hij antwoordde: Ik ga erop uit en word een leugengeest in de mond van al zijn profeten. Toen zei Jahwe: Door hem te misleiden zult gij over hem zegevieren. Ga en doet het. 1KON 22:23 Welnu, Jahwe heeft een leugengeest gelegd in de mond van al uw profeten, want Jahwe heeft tot uw ondergang besloten.' 1KON 22:24 Toen kwam Sidkia, de zoon van Kenaana, naderbij. Hij gaf Michajehu een klap in het gezicht en zei: `Wat? Zou de geest van Jahwe mij verlaten hebben om te spreken tot u?' 1KON 22:25 Michajehu antwoordde: `Dat zult u wel merken op de dag dat u van de ene schuilplaats naar de andere moet vluchten om u te verbergen.' 1KON 22:26 Nu zei de koning van Israël: `Neem Michajehu gevangen en stel hem onder toezicht van Amon, de stadscommandant, en van Joas, de zoon van de koning. 1KON 22:27 U moet zeggen: De koning beveelt deze man in de gevangenis te zetten, op een karig rantsoen van brood en water, tot ik behouden ben teruggekeerd.' 1KON 22:28 Toen zei Michajehu: `Als u behouden terugkeert, heeft Jahwe niet door mij gesproken.' Hij is de profeet die gezegd heeft: `Luistert, alle volken.' 1KON 22:29 De koning van Israël rukte dus met Josafat, de koning van Juda, op naar Ramot in Gilead. 1KON 22:30 Maar de koning van Israël zei tot Josafat: `Ik wil niet als koning gekleed de strijd ingaan; doet u het wel.' Hierop verkleedde zich de koning van Israël en begaf zich in de strijd. 1KON 22:31 Nu had de koning van Aram de tweeëndertig bevelhebbers van zijn strijdwagens gelast: `Valt niemand anders aan dan alleen de koning van Israël.' 1KON 22:32 Toen de bevelhebbers van de wagens Josafat zagen, dachten ze: `Dat is zeker de koning van Israël.' Ze gingen op hem af om hem aan te vallen. Maar Josafat hief zijn strijdkreet aan 1KON 22:33 en toen de bevelhebbers van de wagens bemerkten dat hij de koning van Israël niet was, zagen ze van de aanval af. 1KON 22:34 Intussen richtte iemand op goed geluk zijn boog en trof de koning van Israël tussen de voegen van zijn pantser. Toen zei de koning tot zijn wagenmenner: `Wend de teugel en breng mij van het slagveld, want ik ben gewond.' 1KON 22:35 Maar juist op dat ogenblik laaide de strijd op en daarom hield men de koning tegenover de Arameeërs in zijn wagen overeind. 's avonds stierf hij. Het bloed uit de wonde was in de bak van de wagen gelopen. 1KON 22:36 Terwijl de zon onderging klonk over het slagveld de kreet: `Ieder naar zijn stad, ieder naar zijn woonplaats.' 1KON 22:37 De koning was dus gestorven en men keerde terug naar Samaria en begroef hem aldaar. 1KON 22:38 Toen men de wagen schoon spoelde bij de vijver van Samaria, waar de hoeren zich wasten, likten honden het bloed op, naar het woord dat Jahwe gesproken had. 1KON 22:39 Verdere bijzonderheden over Achab en over zijn daden, over het ivoren paleis dat hij liet bouwen en al de steden die hij versterkt heeft, staan opgetekend in de annalen van de koningen van Israël. 1KON 22:40 Achab ging bij zijn vader en te ruste en zijn zoon Achia volgde hem op. 1KON 22:41 Josafat, de zoon van Asa, werd koning van Juda in het vierde regeringsjaar van Achab, de koning van Israël. 1KON 22:42 Josafat was vijfendertig jaar toen hij koning werd en regeerde vijfentwintig jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Azuba en was een dochter van Silchi. 1KON 22:43 Hij volgde in alles het voorbeeld van zijn vader Asa, zonder daarvan af te wijken, en deed wat Jahwe behaagt. 1KON 22:44 Alleen liet hij de heiligdommen op de offerhoogten voortbestaan; het volk bleef nog altijd offeren en wierook branden op de offerhoogten. 1KON 22:45 Josafat stond op goede voet met de koning van Israël. 1KON 22:46 Verdere bijzonderheden over Josafat, zijn krijgsverrichtingen en oorlogen, staan opgetekend in de annalen van de koningen van Juda. 1KON 22:47 De mannen die zich, ook na de tijd van zijn vader Asa, nog aan ontucht wijdden op de offerhoogten, verdreef hij uit het land. 1KON 22:48 in Edom was er geen koning; de stadhouder van koning 1KON 22:49 Josafat bouwde tien Tarsis schepen die op Ofir moesten varen om goud te halen. Maar de schepen voeren niet uit; ze leden schipbreuk bij Esjon geber. 1KON 22:50 Toen stelde Achazja, de zoon van Achab, Josafat voor: `Laat onderdanen van mij samen niet de uwe de schepen bemannen.' Maar Josafat weigerde. 1KON 22:51 Maar Josafat ging bij zijn vader te ruste en werd begraven in de stad van David, zijn vader. Zijn zoon Joram volgde hem op. 1KON 22:52 Achazja, de zoon van Achab, werd koning van Israël te Samaria in het zeventiende regeringsjaar van Josafat, de koning van Juda, en regeerde twee jaar over Israël. 1KON 22:53 Hij deed wat Jahwe mishaagt; hij volgde het voorbeeld van zijn vader en moeder en dat van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde verleid had. 1KON 22:54 Hij diende Baäl, boog zich voor hem neer en tergde Jahwe, de God van Israël, juist zoals zijn vader het gedaan had. HET TWEEDE BOEK KONINGEN 2KON 1:1 Na de dood van Achab kwam Moab tegen Israël in opstand. 2KON 1:2 Achazja was uit het tralievenster van de bovenkamer van zijn paleis te Samaria gevallen en lag ziek. Hij zond boden naar Baäl zebub, de god van Ekron, om te vragen of hij van zijn ziekte zou genezen. 2KON 1:3 Maar de engel van Jahwe zei tot Elia de Tisbiet: `Ga de boden van de koning van Samaria tegemoet en zeg tot hen: Is er soms geen God in Israël, dat gij Baäl zebub, de god van Ekron, gaat raadplegen? 2KON 1:4 Daarom zegt Jahwe: Gij zult niet meer opstaan van het bed waarop gij ligt; gij zult sterven.' En Elia ging heen. 2KON 1:5 Toen de boden bij de koning terugkwamen, vroeg hij: `Bent u nu al terug?' 2KON 1:6 Zij antwoordden: `Er kwam ons een man tegemoet die ons zei: Gaat terug naar de koning die u gezonden heeft en zegt hem: Zo spreekt Jahwe: Is er soms geen God in Israël, dat gij boden zendt om Baäl zebub, de god van Ekron, te raadplegen? Gij zult niet meer opstaan van het bed waarop gij ligt; gij zult sterven.' 2KON 1:7 De koning vroeg hun: `Wat was het voor iemand die u tegemoet kwam en u dit gezegd heeft?' 2KON 1:8 Zij antwoordden: `Het was iemand met een haren mantel en met een leren gordel om zijn middel.' Toen zei de koning: `Dan was het Elia de Tisbiet.' 2KON 1:9 Nu stuurde hij een bevelhebber van vijftig met zijn mannen op Elia af. Deze zat boven op de berg. De bevelhebber klom naar hem toe en sprak: `Man Gods; de koning beveelt u bij hem te komen.' 2KON 1:10 Maar Elia antwoordde de bevelhebber van vijftig: `Als ik een man Gods ben, dan moge er vuur uit de hemel komen en u en uw vijftig mannen verteren.' En er kwam vuur uit de hemel en verteerde hem en zijn mannen. 2KON 1:11 Opnieuw stuurde de koning een bevelhebber van vijftig met zijn mannen op Elia af. De bevelhebber nam het woord en sprak: `Man Gods, de koning heeft gezegd dat u onmiddellijk moet komen.' 2KON 1:12 Maar Elia antwoordde hem: `Als ik een man Gods ben, dan moge er vuur uit de hemel komen en u en uw mannen verteren.' En er kwam vuur uit de hemel en verteerde hem en zijn mannen. 2KON 1:13 Nu stuurde de koning een derde bevelhebber van vijftig met zijn mannen. Maar toen deze met zijn mannen boven gekomen was, viel hij voor Elia op de knieën en smeekte: `Man Gods, spaar mijn leven en dat van mijn mannen, uw dienaren. 2KON 1:14 Want er is een vuur uit de hemel gekomen en heeft de twee vorige bevelhebbers van vijftig met hun mannen verteerd; spaar toch mijn leven!' 2KON 1:15 Nu sprak de engel van Jahwe tot Elia: `Ga met hem mee en wees niet bang.' Daarop stond Elia op en ging met hem mee naar de koning. 2KON 1:16 Hij zei tot hem: `Zo spreekt Jahwe: Omdat gij boden gezonden hebt om Baäl zebub, de god van Ekron, te ondervragen, alsof er in Israël geen God was die gij zoudt kunnen raadplegen, daarom zult gij niet meer opstaan van het bed waarop gij ligt; gij zult sterven.' 2KON 1:17 Hij stierf zoals Jahwe door Elia voorzegd had. Omdat hij geen zoon had, werd hij in het tweede regeringsjaar van Joram, de zoon van Josafat en koning Juda, opgevolgd door Joram. 2KON 1:18 Verder bijzonderheden over Achazja en zijn daden staan opgetekend in de annalen van de koningen van Israël. 2KON 2:1 Kort voordat Jahwe Elia in een stormwind ten hemel zou opnemen, vertrok deze met Elisa uit Gilgal 2KON 2:2 en zei tot hem: `Blijf hier, want Jahwe zendt mij naar Betel.' Elisa antwoordde: `Zowaar Jahwe leeft en zowaar u leeft: ik verlaat u niet.' Toen zij Betel naderden, 2KON 2:3 kwamen er mannen van het profetengilde de stad uit, liepen Elisa tegemoet en vroegen: `Weet u wel dat Jahwe uw heer vandaag ten hemel zal opnemen?' Hij antwoordde: `Ja, ik weet het; houdt u maar stil.' 2KON 2:4 Nu zei Elia tot Elisa: `Blijf hier, want Jahwe zendt mij naar Jericho.' Elisa antwoordde: `Zowaar Jahwe leeft en zowaar u leeft: ik verlaat u niet.' Toen zij Jericho naderden, 2KON 2:5 kwamen er mannen van het profetengilde van Jericho de stad uit, liepen Elisa tegemoet en vroegen: `Weet u dat Jahwe uw heer vandaag ten hemel zal opnemen?' Hij antwoordde: `Ja, ik weet het; houdt u maar stil.' 2KON 2:6 Weer zei Elia tot hem: `Blijf hier, want Jahwe zendt mij naar de Jordaan.' Elisa antwoordde: `Zowaar Jahwe leeft en zowaar u leeft: ik verlaat u niet.' Toen gingen zij samen verder. 2KON 2:7 Vijftig leden van het profetengilde volgden hen, maar bleven op enige afstand staan, toen zij samen aan de Jordaan stilhielden. 2KON 2:8 Nu nam Elia zijn mantel, rolde hem op en sloeg ermee op het water. Dit verdeelde zich naar links en naar rechts en beiden liepen door de droge bedding naar de overkant. 2KON 2:9 Daar aangekomen zei Elia tot Elisa: `Doe een laatste verzoek, voordat ik van u word weggenomen.' Elisa antwoordde: `Geef mij een dubbel deel van uw geest.' 2KON 2:10 Elia antwoordde: `U vraagt iets moeilijks, maar als u mij ziet wanneer ik word opgenomen, zal uw bede verhoord worden; ziet u mij niet, dan wordt uw bede niet verhoord.' 2KON 2:11 Terwijl zij nu pratend verder gingen, kwam er opeens een wagen van vuur met paarden van vuur, die hen van elkaar scheidde, en in een stormwind werd Elia ten hemel opgenomen. 2KON 2:12 Elisa zag het en riep uit: `Vader, vader, Israëls strijdwagens en zijn ruiterij!' Toen hij hem niet meer zag, greep hij zijn kleren en scheurde ze doormidden. 2KON 2:13 Daarop raapte hij de mantel op die Elia had laten vallen, keerde terug en bleef staan aan de oever van de Jordaan; 2KON 2:14 hij nam de mantel van Elia, sloeg ermee op het water en riep uit: `Waar is Jahwe dan toch, de God van Elia?' Weer sloeg hij op het water, en nu verdeelde het zich naar links en naar rechts, zodat Elisa kon oversteken. 2KON 2:15 Toen de leden van het profetengilde in Jericho dat uit de verte zagen, zeiden ze: `De geest van Elia rust op Elisa.' Zij gingen hem tegemoet, bogen zich voor hem ter aarde neer 2KON 2:16 en zeiden tot hem: `Er zijn onder uw dienaren vijftig flinke mannen; laat die uw heer gaan zoeken. Misschien heeft de geest van Jahwe hem opgenomen en hem op een of andere berg of in een of ander dal neergezet.' Maar hij antwoordde: `Dat heeft geen zin.' 2KON 2:17 Toen zij echter tot het uiterste aandrongen, zei hij: `Stuurt ze er maar op uit.' Zij stuurden er dus vijftig man op uit, die drie dagen lang zochten, maar Elia niet vonden. 2KON 2:18 Toen ze bij Elisa, die zich in Jericho ophield, terugkwamen, zei hij tot hen: `Ik had u toch gezegd dat het geen zin had?' 2KON 2:19 De mannen van de stad zeiden tot Elisa: `De ligging van deze stad is fraai, zoals mijn heer zelf kan zien, maar het water is slecht en het land onvruchtbaar.' 2KON 2:20 Hij antwoordde: `Haalt een nieuwe schotel en doet er zout in.' Toen ze die gehaald hadden, 2KON 2:21 ging hij naar de bron, wierp er het zout in en zei: `Zo spreekt Jahwe: Ik maak dit water gezond, er zal niet langer dood en onvruchtbaarheid uit voortkomen.' 2KON 2:22 Op het woord van Elisa werd het water gezond, en dat is het gebleven tot de huidige dag. 2KON 2:23 Vandaar ging hij naar Betel. Toen hij de weg naar de stad opklom, kwamen er jongens uit de stad, die hem spottend toeriepen: `Klimmen maar, kaalkop! Klimmen maar, kaalkop!' 2KON 2:24 Elisa keerde zich om en toen hij de jongens zag, vervloekte hij ze bij Jahwe. Onmiddellijk kwamen er twee berinnen uit het bos, die tweeënveertig van die jongens verscheurden. 2KON 2:25 Vandaar ging hij naar de berg Karmel en keerde vervolgens naar Samaria terug. 2KON 3:1 In het achttiende regeringsjaar van Josafat, de koning van Juda, werd Joram, de zoon van Achab, te Samaria koning over Israël. Hij regeerde twaalf jaar. 2KON 3:2 Hij deed wat Jahwe mishaagt, maar niet zo erg als zijn vader en moeder, want hij verwijderde de heilige zuilen die zijn vader voor Baäl had opgericht. 2KON 3:3 Maar overigens volhardde hij in de zonden waartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, de Israëlieten verleid had; hij brak er niet mee. 2KON 3:4 Mesa, de koning van Moab, was schapenfokker. Als schatting moest hij aan de koning van Israël honderdduizend lammeren en de wol van honderdduizend schapen leveren. 2KON 3:5 Maar toen Achab gestorven was, kwam de koning van Moab tegen de koning van Israël in opstand. 2KON 3:6 Daarom verliet koning Joram op een gegeven dag Samaria en inspecteerde hij heel het volk van Israël. 2KON 3:7 Aan Josafat, de koning van Juda, zond hij de volgende boodschap: `De koning van Moab is tegen mij in opstand gekomen; wilt u met mij ten strijde trekken tegen Moab?' Josafat antwoordde: `Ja, een lot verbindt u en mij, mijn volk en uw volk, mijn paarden en uw paarden.' 2KON 3:8 Daarop vroeg hij: `Langs welke weg zullen wij gaan?' Hij kreeg ten antwoord: `Door de woestijn van Edom.' 2KON 3:9 De koning van Israël rukte dus op met de koning van Juda, en met de koning van Edom. Toen ze zeven dagreizen onderweg waren, was er geen water meer voor het leger en voor de lastdieren in de legertros. 2KON 3:10 Toen zei de koning van Israël: `Helaas, Jahwe heeft ons, koningen, hierheen geroepen om ons alle drie aan Moab over te leveren.' 2KON 3:11 Maar Josafat vroeg: `Is hier geen profeet van Jahwe, door wie wij Jahwe kunnen raadplegen?' Een dienaar van de koning van Israël antwoordde: `Ja, Elisa is hier, de zoon van Safat, die water uitgoot over de handen van Elia.' 2KON 3:12 Josafat verzekerde: `Bij hem is het woord van Jahwe.' De koning van Israël en Josafat en de koning van Edom gingen dus naar hem toe. 2KON 3:13 Maar Elisa zei tot de koning van Israël: `Wat heb ik met u te maken? Ga maar naar de profeten van uw vader en de profeten van uw moeder.' De koning van Israël antwoordde: `Neen, het is Jahwe die ons, koningen, hierheen geroepen heeft om ons alle drie over te leveren aan Moab.' 2KON 3:14 Toen zei Elisa: `Zowaar Jahwe van de legerscharen leeft, in wiens dienst ik sta, als het niet was om koning Josafat van Juda, dan keek ik u niet eens aan. 2KON 3:15 Welnu, haalt iemand die citer kan spelen.' Zodra de citerspeler begon te spelen, kwam de hand van Jahwe op Elisa. 2KON 3:16 Hij zei: `Zo spreek Jahwe: Graaft in dit dal overal kuilen. 2KON 3:17 Want zo spreekt Jahwe: Gij zult geen wind voelen en geen regen zien, maar toch zal dit dal vol water lopen, zodat gij kunt drinken, gijzelf, uw vee en uw lastdieren. 2KON 3:18 En dit betekent nog maar weinig voor Jahwe: Hij zal bovendien ook Moab aan u overleveren. 2KON 3:19 Gij moet alle versterkte steden, alle uitgelezen steden verwoesten, alle vruchtbomen vellen, alle bronnen dichtstoppen en alle goede akkers met stenen bederven.' 2KON 3:20 De volgende ochtend kwam er omstreeks de tijd van het offer een watervloed opzetten uit de richting van Edom en overstroomde het land. 2KON 3:21 Intussen had heel Moab vernomen dat de koningen tegen hen ten strijde waren getrokken. Alle strijdbare mannen en ook de ouderen waren opgeroepen en hadden zich aan de grens opgesteld. 2KON 3:22 Des ochtends in alle vroegte, toen de zon over het water scheen, zagen de Moabieten uit de verte hoe het water rood was van het bloed. 2KON 3:23 Zij riepen: `Dat is bloed! De koningen zijn elkaar te lijf gegaan en hebben elkaar verslagen. Komt, Moabieten, op naar de buit!' 2KON 3:24 Maar toen ze bij de legerplaats van de Israëlieten kwamen, gingen die tot de aanval over en versloegen de Moabieten. Die gingen op de vlucht; de Israëlieten drongen hun gebied binnen en richtten een grote slachting onder hen aan. 2KON 3:25 Ze maakten de steden gelijk met de grond, wierpen alle goede akkers vol stenen, stopten alle bronnen dicht, velden alle vruchtbomen, totdat men van Kir chareset niets anders overgelaten had dan zijn eigen stenen. Toen de slingeraars het omsingelden en beschoten, 2KON 3:26 zat de koning van Moab dat hij de strijd niet meer aankon. Hij koos zevenhonderd man uit die het zwaard konden hanteren, en probeerde bij de koning van Edom door te breken, maar het lukte niet. 2KON 3:27 Daarom nam hij zijn eerstgeboren zoon, die hem moest opvolgen, en offerde hem als brandoffer op de stadsmuur. Toen kwam er een hevige toorn over de Israëlieten; zij braken op en keerden naar hun land terug. 2KON 4:1 Op een keer deed de vrouw van een profeet een beroep op Elisa en zei: `Uw dienaar, mijn man, is gestorven; u weet dat uw dienaar een godvruchtig man was. Nu is de schuldeiser gekomen om mijn twee kinderen als slaven mee te nemen.' 2KON 4:2 Elisa vroeg haar: `Wat kan ik voor u doen? Vertel mij eens: wat hebt u in huis?' Zij antwoordde: `Uw dienares heeft niets anders in huis dan een kruik olie.' 2KON 4:3 Toen zei hij: `Ga bij uw buren vaten lenen, lege vaten, en vooral niet te weinig. 2KON 4:4 Ga dan naar huis, doe de deur achter u en uw zonen op slot; giet dan olie in al die vaten en zet de volle opzij.' 2KON 4:5 Zij ging heen en deed de deur achter zich en haar zonen op slot; de jongens brachten haar de vaten aan en zij goot er de olie in. 2KON 4:6 Toen alle vaten vol waren, zei ze tot haar zoon: `Breng me het volgende vat.' Maar hij antwoordde: `Er zijn er niet meer.' Toen hield de olie op te vloeien. 2KON 4:7 Zij ging het vertellen aan de man Gods en deze zei: `Ga de olie verkopen en betaal uw schuldeiser; van het overschot kunt u met uw zonen leven.' 2KON 4:8 Op zekere dag kwam Elisa langs Sunem. Daar woonde een welgestelde vrouw, die hem met aandrang uitnodigde, bij haar te komen eten. En iedere keer dat hij in het vervolg daar in de buurt kwam, ging hij daar eten. 2KON 4:9 Daarom zei de vrouw tot haar man: `Luister eens, ik heb gemerkt dat de man die altijd bij ons aankomt, een heilige man Gods is. 2KON 4:10 Laten we op ons huis een kleine kamer voor hem metselen en er een bed, een tafel, een stoel en een lamp in zetten; als hij dan bij ons aankomt, kan hij daar zijn intrek nemen.' 2KON 4:11 Toen Elisa er dus op zekere dag aan kwam, kon hij de bovenkamer betrekken en er zich te ruste leggen. 2KON 4:12 En hij zei tot zijn dienaar Gechazi: `Roep de Sunammitische.' Hij riep haar en zij kwam. 2KON 4:13 Elisa zei tot Gechazi: `Zeg tegen de vrouw: U heeft zich al die moeite voor ons getroost; wat kunnen wij nu voor u doen? Kunnen wij voor u een goed woord doen bij de koning of bij de legeroverste?' Maar zij antwoordde: `Ik woon ongestoord temidden van mijn volk.' 2KON 4:14 Hierop vroeg Elisa: `Kunnen we dan werkelijk niets voor haar doen?' Gechazi antwoordde: `Zij heeft helaas geen zoon en haar man is oud.' 2KON 4:15 Toen riep hij: `Roep haar.' Hij riep haar en zij bleef in de deuropening staan. 2KON 4:16 En Elisa zei: `Volgend jaar om deze tijd zult u een zoon aan uw hart drukken.' Zij antwoordde: `Och neen, mijn heer, man Gods, u moet uw dienares niet iets voorspiegelen.' 2KON 4:17 Maar de vrouw werd zwanger en baarde het jaar daarop om dezelfde tijd een zoon, zoals Elisa voorspeld had. 2KON 4:18 Toen de jongen groter was geworden, ging hij eens naar zijn vader, die bij de maaiers was. 2KON 4:19 Opeens riep hij tot zijn vader: `Mijn hoofd! Mijn hoofd!' De vader zei tot een knecht: `Pak hem op en breng hem naar zijn moeder.' 2KON 4:20 De knecht nam hem op, en bracht hem bij zijn moeder. Tot de middag zat zij met hem op haar schoot; toen stierf hij. 2KON 4:21 Zij droeg hem naar boven, legde hem op het bed van de man Gods, deed de deur achter zich dicht en ging naar buiten. 2KON 4:22 Ze riep haar man en zei: `Wees zo goed en stuur me een van de knechten met een ezelin; ik wil dadelijk naar de man Gods, maar kom meteen weer terug.' 2KON 4:23 Hij vroeg: `Waarom wil je vandaag naar hem toe? Het is vandaag toch geen nieuwe maan of sabbat?' Maar zij antwoordde: `Tot straks.' 2KON 4:24 Zij zadelde de ezelin en zei tot haar knecht: `Drijf de ezelin aan en laat mij zonder onderbreking doorrijden zolang ik je niets zeg.' 2KON 4:25 Zo ging zij op weg en begaf zich naar de man Gods op de berg Karmel. Toen de man Gods haar in de verte zag aankomen, zei hij tot zijn knecht Gechazi: `Kijk, daar komt de Sunamitische. 2KON 4:26 Ga haar vlug tegemoet en vraag haar hoe het met haar gaat, hoe het gaat met haar man en met haar kind.' Zij antwoordde: `Goed.' 2KON 4:27 Maar toen zij bij de man Gods op de berg gekomen was, greep ze zijn voeten vast. Gechazi kwam naderbij om haar weg te duwen, maar de man Gods zei: `Laat haar begaan, want een groot verdriet heeft haar getroffen en Jahwe heeft het mij niet laten weten.' 2KON 4:28 Toen zei ze: `Mijn heer, heb ik u soms een zoon gevraagd? Heb ik u niet gezegd: U moet me niets voorspiegelen?' 2KON 4:29 Toen zei Elisa tot Gechazi: `Doe uw gordel om, neem mijn stok in uw hand en ga er heen. Als u iemand tegenkomt, groet hem dan niet, en als iemand u groet, geef dan geen antwoord. Leg dan mijn stok over de jongen.' 2KON 4:30 Maar de moeder van de jongen zei: `Zowaar Jahwe leeft en zowaar u leeft, ik ga niet van u weg.' Toen stond hij op en volgde haar. 2KON 4:31 Gechazi was voor hen uitgelopen en had de stok over de jongen gelegd, maar deze had geen teken van leven gegeven. Op de terugweg kwam hij Elisa tegen en zei: `De jongen is niet ontwaakt.' 2KON 4:32 Elisa trad het huis binnen en vond de jongen dood op zijn bed liggen. 2KON 4:33 Hij ging de kamer in, sloot de deur en bad tot Jahwe. 2KON 4:34 Toen ging hij op het kind liggen, met de mond op zijn mond, de ogen op zijn ogen en de handen op zijn handen, en bleef zo over hem heengekromd tot het lichaam van het kind warm werd. 2KON 4:35 Toen kwam hij overeind, liep in de kamer op en neer en kromde zich weer over het kind. Toen niesde de jongen, tot zeven keer toe, en deed zijn ogen open. 2KON 4:36 Daarop riep Elisa Gechazi en zei: `Roep de Sunammitische.' Hij riep haar en zij kwam naar hem toe. En hij zei tot haar: `U kunt uw zoon weer meenemen.' 2KON 4:37 Ze liep op hem toe en boog zich ter aarde neer. Daarna nam zij haar zoon op en ging heen. 2KON 4:38 Toen er in het land hongersnood heerste, kwam Elisa weer eens te Gilgal. Terwijl de leden van het profetengilde bij hem te gast waren, zei hij tot zijn knecht: `Zet de grote pot op en kook moes voor de profeten.' 2KON 4:39 Daarom ging er een het veld in om groenten te plukken. Hij vond een wilde slingerplant en plukte daarvan komkommerachtige vruchten, zijn mantel vol. Thuisgekomen sneed hij ze en deed ze in de pot met moes, zonder te weten wat het was. 2KON 4:40 Men schepte voor de mannen op, maar zodra zij van de moes geproefd hadden riepen zij uit: `Man Gods, de dood zit in de pot!' En zij konden geen hap meer eten. 2KON 4:41 Maar hij zei: `Haal wat meel.' Hij wierp dit in de pot en zei: `Schep nu op voor de mannen en laat hen ervan eten.' En werkelijk, wat in de pot zat was niet schadelijk meer. 2KON 4:42 Op een dag kwam er iemand uit Baäl salisa. In zijn tas bracht hij voor de man Gods als eerstelingen twintig gerstebroden en wat vers koren mee. Elisa zei: `Geef de mannen maar te eten.' 2KON 4:43 Zijn dienaar antwoordde: `Hoe kan ik dat nu voorzetten aan honderd man?' Maar hij herhaalde: `Geef het de mannen te eten. Want zo spreekt Jahwe: Zij zullen eten en overhouden.' 2KON 4:44 Nu zette hij het de mannen voor. Zij aten en hielden nog over, zoals Jahwe gezegd had. 2KON 5:1 Naaman, de legeroverste van de koning van Aram, was zeer gezien bij zijn heer en had grote invloed, want door hem had Jahwe voor Aram uitkomst gebracht. Hij was een groot soldaat, maar de man leed aan een huidziekte. 2KON 5:2 Nu hadden Arameese benden eens een strooptocht ondernomen in Israël en daarbij een jong meisje buitgemaakt; dat was nu in dienst bij de vrouw van Naaman. 2KON 5:3 Ze zei tot haar meesteres: `Och, kon mijn heer maar eens naar de profeet gaan die in Samaria woont; die zou hem wel van zijn ziekte afhelpen.' 2KON 5:4 Naaman ging aan zijn heer vertellen wat het meisje uit Israël gezegd had. 2KON 5:5 Toen zei de koning van Aram: `Ga erheen; ik zal u een brief meegeven voor de koning van Israël.' Hij ging op weg, nam tien talenten zilver, zesduizend sikkel goud en tien feestgewaden mee, 2KON 5:6 en meldde zich met de brief bij de koning van Israël. Daarin stond: Met deze brief zend ik mijn dienaar Naaman tot u; ik verzoek u hem van zijn huidziekte te genezen.' 2KON 5:7 Zodra de koning van Israël de brief gelezen had, scheurde hij zijn kleren en zei: `Ben ik soms God, met macht over leven en dood, dat hij iemand naar mij toestuurt die ik van zijn huidziekte moet genezen? Let maar eens op mijn woorden: hij zoekt ruzie met mij.' 2KON 5:8 Toen Elisa, de man Gods, hoorde dat u koning van Israël zijn kleren gescheurd had, liet hij de koning vragen: `Waarom hebt u uw kleren gescheurd? Stuur hem naar mij toe. Dan zal hij weten dat er een profeet is in Israël.' 2KON 5:9 Toen ging Naaman met zijn paarden en wagen op weg en hield stil voor het huis van Elisa. 2KON 5:10 Deze zond iemand met de boodschap: `Was u zevenmaal in de Jordaan; dan zal uw huid weer gezond worden en zult u gereinigd zijn.' 2KON 5:11 Toen werd Naaman boos en ging heen. Hij zei: `Ik had gedacht: hij zal naar buiten komen en voor me gaan staan. Dan zal hij de naam van Jahwe zijn God aanroepen, met zijn hand over de plek strijken en de ziekte wegnemen. 2KON 5:12 Zijn de Abana en de Parpar, de rivieren van Damascus, soms niet beter dan al de wateren van Israël? Kan ik mij daarin niet wassen om gereinigd te worden?' Hij keerde zich om en ging verontwaardigd heen. 2KON 5:13 Maar zijn dienaren gingen naar hem toe en zeiden: `Vader, gesteld dat de profeet u iets moeilijks opgedragen had, dan had u het toch ook gedaan? Waarom dan niet, nu hij u zegt dat u zich maar hoeft te wassen om weer rein te worden?' 2KON 5:14 Toen ging hij naar de Jordaan en dompelde zich zevenmaal onder, zoals de man Gods gezegd had. Zijn huid werd weer als die van een klein kind en hij was gereinigd. 2KON 5:15 Hij keerde met heel zijn gevolg naar de man Gods terug, trad het huis binnen, ging voor hem staan en zei: `Nu weet ik dat er alleen in Israël een God is, en nergens anders op aarde. Wil daarom een huldeblijk van uw dienaar aanvaarden.' 2KON 5:16 Maar Elisa antwoordde: `Zowaar Jahwe leeft, in wiens dienst ik sta, ik neem niets van u aan.' En hoewel Naaman er bij hem op aandrong iets aan te nemen, bleef hij weigeren. 2KON 5:17 Toen zei Naaman: `Laat tenminste aan uw dienaar een last aarde geven, zoveel als een koppel muildieren dragen kan, want uw dienaar wil aan geen andere goden brand of slachtoffers meer opdragen dan aan Jahwe alleen. 2KON 5:18 Dit ene moet Jahwe uw dienaar maar vergeven: Als mijn heer zich naar de tempel begeef om zich daar voor Rimmon neer te buigen, steunt hij altijd op mijn arm, zodat ik mij in de tempel van Rimmon wel neerbuigen moet; dit ene moet Jahwe zijn dienaar maar vergeven.' 2KON 5:19 En Elisa zei tot hem: `Ga in vrede.' Toen Naaman nog maar even weg was, 2KON 5:20 dacht Gechazi, de dienaar van Elisa, de man Gods: `Mijn heer heeft die Arameeër Naaman wel erg goed gunstig behandeld, door niets aan te nemen van alles wat hij bij zich had. Zowaar Jahwe leeft: ik ga hem achterna en zie iets van hem los te krijgen.' 2KON 5:21 Toen Naaman hem achter zich aan zag komen, sprong hij van zijn wagen, liep hem tegemoet en zei: `Is alles in orde?' 2KON 5:22 Hij antwoordde: `Ja, maar mijn heer stuurt mij met de boodschap: Er zijn zojuist twee jongemannen van het gebergte van Efraim bij me gekomen, leden van het profetengilde; wees zo goed en geef hun een talent zilver en twee feestgewaden.' 2KON 5:23 Naaman antwoordde: `Doe me een genoegen en neem twee talenten.' En hij drong bij hem aan. Daarop liet hij twee talenten zilver in twee buidels doen en gaf die met twee feestgewaden aan twee van zijn knechten die ze voor Gechazi uitdroegen. 2KON 5:24 Toen hij bij de Ofel gekomen was, nam hij ze van hen over, verborg ze ergens in huis en nam afscheid van de mannen. 2KON 5:25 Hij ging naar binnen en diende zich bij zijn heer aan. Maar Elisa vroeg hem: `Waar komt u vandaan, Gechazi?' Hij antwoordde: `Uw dienaar is nergens heen geweest.' 2KON 5:26 Maar hij zei tot hem: `Was mijn geest niet bij u, toen iemand van zijn wagen stapte en u tegemoet liep? Moest u zo aan zilver komen, aan kleren, olijftuinen en wijngaarden, runderen, slaven en slavinnen? 2KON 5:27 Maar weet dan, dat u en uw nakomelingen voor altijd besmet zullen zijn met de ziekte van Naaman.' En Gechazi ging van hem vandaan, door de huidziekte aangetast, wit als sneeuw. 2KON 6:1 Op een keer zeiden de leden van het profetengilde tot Elisa: `Luister eens, de ruimte waarin wij vergaderen is voor ons te klein. 2KON 6:2 Laten wij met ons allen naar de Jordaan gaan en er hout zoeken waarmee wij daar een vergaderzaal kunnen bouwen.' Hij antwoordde: `Gaat maar.' 2KON 6:3 Maar een van hen zei: `Wees zo goed en ga met uw dienaren mee.' Hij antwoordde: `Ik ga mee,' 2KON 6:4 en dat deed hij. Toen zij aan de Jordaan gekomen waren, gingen zij bomen kappen. 2KON 6:5 Maar toen een van een stam velde, vloog het ijzer van zijn bijl in het water. `Ach heer,' riep hij uit, `en die bijl was nog wel geleend!' 2KON 6:6 Maar de man Gods vroeg waar hij gevallen was, en toen hij hem de plaats aangewezen had, hakte Elisa een stuk hout af, wierp het erheen, en het ijzer kwam boven drijven. 2KON 6:7 Daarop zei hij: `Haal het eruit.' En de man stak zijn hand uit en greep het. 2KON 6:8 De koning van Aram was in oorlog met Israël. Hij overlegde met zijn dienaren en besloot: `Op die en die plaats zullen we ons legeren.' 2KON 6:9 De man Gods waarschuwde de koning van Israël: `Pas op dat u niet langs die plaats gaat, want daar zitten de Arameeërs. 2KON 6:10 De koning van Israël zond daarop een boodschap naar de plaats die de man Gods hem genoemd had, en waarschuwde dat men daar op zijn hoede moest zijn. Daar dit herhaaldelijk gebeurde, 2KON 6:11 wond de koning van Aram zich hierover op. Hij riep zijn hovelingen en zei: `En nu voor de dag ermee: wie van ons heult met de koning van Israël?' 2KON 6:12 Een van zijn hovelingen antwoordde: `Niemand, mijn heer de koning, maar het is de profeet Elisa in Israël, die aan de koning van Israël zelfs datgene meedeelt wat u in uw slaapkamer zegt.' 2KON 6:13 Toen zei hij: `Ga heen en tracht te achterhalen waar hij is; dan neem ik hem gevangen.' En toen hem gemeld werd dat hij te Dotan was, 2KON 6:14 zond hij daar een sterk leger heen, met paarden en wagens. Zij kwamen 's nachts aan en omsingelden de stad. 2KON 6:15 Toen nu de dienaar van de man Gods in alle vroegte opstond en naar buiten ging, zag hij rondom de stad het leger met paarden en wagens. De dienaar zei tot Elisa: `Ach heer, wat moeten wij doen?' 2KON 6:16 Hij antwoordde: `Wees niet bang, want er zijn er meer met ons dan met hen.' 2KON 6:17 En Elisa bad: `Jahwe, open hem de ogen, opdat hij moge zien.' En Jahwe opende hem de ogen, en daar zag hij dat over heel de berg rondom Elisa paarden en wagens van vuur stonden opgesteld. 2KON 6:18 Toen de Arameeërs dan op hem afkwamen, bad Elisa tot Jahwe: `Sla dit volk met blindheid.' En Hij sloeg hen met blindheid, zoals Elisa gevraagd had. 2KON 6:19 Toen zei Elisa tot hen: `Dit is niet de stad waar u zijn moet; volg mij maar, dan zal ik u brengen bij de man die u zoekt.' En hij bracht ze naar Samaria. 2KON 6:20 In Samaria aangekomen zei Elisa: `Jahwe, open hun de ogen, opdat zij mogen zien.' En Jahwe opende hun de ogen en nu zagen zij dat zij in Samaria waren. 2KON 6:21 Toen de koning van Israël hen zag, vroeg hij Elisa: `Vader, zal ik ze neerslaan, zal ik ze neerslaan?' 2KON 6:22 Maar hij zei: `Neen, u mag ze niet neerslaan. Dat doet u nog niet met hen die u met zwaard en boog gevangen genomen hebt. Zet hun water en brood voor; dan kunnen zij eten en drinken en teruggaan naar hun heer.' 2KON 6:23 Hij onthaalde ze op een groot gastmaal, en toen ze gegeten en gedronken hadden, liet hij ze naar hun heer teruggaan. Van toen af drongen er geen Arameese benden Israël meer binnen. 2KON 6:24 Enige tijd later riep Benhadad, koning van Aram, heel zijn leger onder de wapenen, rukte op en sloeg het beleg voor Samaria. 2KON 6:25 Het beleg duurde zo lang, dat er in Samaria een grote hongersnood ontstond: een ezelskop kostte tachtig zilveren sikkels, een kwart maat duivenmest vijf zilveren sikkels. 2KON 6:26 Toen nu de koning van Israël eens de ronde deed op de stadsmuur, riep een vrouw hem toe: `Mijn heer, breng toch uitkomst.' 2KON 6:27 Hij antwoordde: `Als Jahwe geen uitkomst brengt, vanwaar moet ik dan uitkomst voor u halen? Soms van de dorsvloer of van de perskuip?' 2KON 6:28 En de koning vroeg haar: `Wat is eigenlijk uw klacht?' Zij antwoordde: `Deze vrouw hier had mij gezegd: Sta uw zoon af, dan eten wij hem vandaag op; mijn zoon zullen wij morgen opeten. 2KON 6:29 Dus hebben wij mijn zoon gekookt en opgegeten, maar toen ik haar de andere dag zei dat zij haar zoon moest afstaan om hem op te eten, had zij hem verborgen.' 2KON 6:30 Toen de koning dat hoorde scheurde hij zijn kleren, en daar hij op de muur liep zag het volk dat hij op het blote lijf een boetekleed droeg. 2KON 6:31 En hij zei: `Jahwe moge mij dit en dat doen en nog erger, als het hoofd van Elisa, de zoon van Safat, vanavond nog op zijn romp staat.' 2KON 6:32 Elisa zat in zijn huis in het gezelschap van de oudsten. De koning nu stuurde een bode voor zich uit. Maar voordat die bij Elisa was zei deze tot de oudsten: `Hebben jullie gezien dat dat moordenaarskind er iemand op uit gestuurd heeft om mij het hoofd af te slaan? Let op: als de bode binnenkomt, doet dan de deur dicht en duwt hem met de deur naar buiten. Maar hoor ik daar niet de stappen van zijn heer achter hem aan?' 2KON 6:33 Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam de koning naar hem toe en zei: `Zie eens hoeveel ellende Jahwe over ons gebracht heeft. Zou ik dan nog langer op Jahwe hopen?' 2KON 7:1 Toen zei Elisa: `Luistert naar het woord van Jahwe: Zo spreekt Jahwe: Morgen om deze tijd zal bij de poort van Samaria een schepel fijn meel maar een sikkel kosten en twee schepels gerst ook maar een sikkel.' 2KON 7:2 Maar de adjudant op wiens arm de koning steunde zei tot de man Gods: `Al zou Jahwe sluizen maken in de hemel, dan kan dat nog niet.' Elisa antwoordde: `U zult het met eigen ogen zien, maar u zult er niet van eten.' 2KON 7:3 Nu bevonden zich voor de stadspoort vier melaatsen. Die zeiden tot elkaar: `Waarom zouden wij hier blijven zitten tot wij dood zijn? 2KON 7:4 Als wij besluiten de stad in te gaan, sterven wij daar vanwege de hongersnood, en als wij hier blijven, sterven wij ook. We moesten maar overlopen naar de legerplaats van de Arameeërs. Als zij ons in leven laten, blijven wij in leven, en als zij ons doden, dan gaan wij maar dood.' 2KON 7:5 Zo stonden zij dus in de avondschemering op om naar de legerplaats van de Arameeërs te gaan. Maar toen zij aan de rand van de legerplaats gekomen waren, was daar niemand te zien. 2KON 7:6 De Heer had in de legerplaats van de Arameeërs het gedreun doen horen van wagens en van paarden, het gedreun van een groot leger, zodat zij tot elkaar zeiden: `Hoort, de koning van Israël heeft de koningen van de Hethieten en die van Misraim gestuurd om ons aan te vallen.' 2KON 7:7 Daarom waren zij in de avondschemering op de vlucht geslagen; zij hadden hun tenten achtergelaten, ook hun paarden en ezels, kortom de legerplaats zoals die was, en hadden hun heil gezocht in de vlucht. 2KON 7:8 Toen de melaatsen aan de rand van de legerplaats gekomen waren, gingen zij een tent binnen, aten en dronken, namen er zilver, goud en kleren uit weg en verborgen het. Daarna gingen zij een andere tent binnen, namen ook daar het een en ander weg en verborgen het. 2KON 7:9 Maar toen zeiden ze tot elkaar: `Wat wij doen is niet juist. Dit is een dag van goed nieuws, en wij zeggen niets. Als wij wachten tot het licht wordt, zullen wij straf oplopen. Laten wij het gaan melden aan het koninklijk paleis.' 2KON 7:10 Toen zij bij de stad gekomen waren, riepen zij de poortwachters en meldden hun: `Wij zijn naar de legerplaats van de Arameeërs geweest en er was geen mens te zien of te horen; maar de paarden stonden nog vastgebonden, de ezels eveneens, en de tenten waren zo maar achtergelaten.' 2KON 7:11 De poortwachters maakten alarm en meldden het in het koninklijk paleis. 2KON 7:12 De koning stond nog in de nacht op en zei tot zijn dienaren: `Ik zal u eens zeggen wat de Arameeërs tegen ons in het schild voeren. Zij weten dat wij honger hebben. Daarom hebben zij de legerplaats verlaten en zich verborgen in het open veld; want zij denken: Als de Israëlieten de stad verlaten, kunnen wij ze levend grijpen en zelf de stad binnenkomen.' 2KON 7:13 Maar een van de dienaren nam het woord en zei: `Laten wij van de paarden die hier nog over zijn er vijf nemen. Het kan hun niet slechter vergaan dan de tallozen van Israël die reeds omgekomen zijn. Laten wij die eraan wagen en zien wat er gaande is.' 2KON 7:14 Daarop haalden zij twee wagens met paarden en de koning stuurde die achter het leger van de Arameeërs aan met de opdracht te gaan kijken. 2KON 7:15 Zij gingen hen dus achterna tot de Jordaan en zagen dat de hele weg bezaait was met kleren en wapens, die de Arameeërs in paniek weggeworpen hadden. Daarop keerden de verkenners terug en brachten rapport uit aan de koning. 2KON 7:16 Toen ging het volk de stad uit en plunderde de legerplaats van de Arameeërs. En nu kostte inderdaad een schepel meel maar een sikkel en twee schepels gerst eveneens maar een sikkel, naar het woord van Jahwe. 2KON 7:17 De koning had de adjudant op wiens arm hij gesteund had, belast met het toezicht over de poort. Maar hij werd in de poort door het volk onder de voet gelopen en stierf, zoals de man Gods voorspeld had toen de koning bij hem gekomen was. 2KON 7:18 Toen immers had de man Gods tot de de koning gezegd dat de volgende dag om dezelfde tijd bij de poort van Samaria een schepel meel maar een sikkel zou kosten en twee schepel gerst eveneens maar een sikkel. 2KON 7:19 De adjudant had hierop geantwoord: 'Al zou Jahwe sluizen maken in de hemel, dan kan dat nog niet.' U zult het met eigen ogen zien, maar u zult er niet van eten.' 2KON 7:20 Zo is het ook met de adjudant gebeurd, want hij werd in de poort door het volk onder de voet gelopen en kwam zo om het leven. 2KON 8:1 Elisa had tot de vrouw wier zoon hij weer levend gemaakt had gezegd: `Begeef u op weg, samen met uw gezin, en vestig u in den vreemde, want Jahwe laat een hongersnood over het land komen; die is reeds begonnen en zal zeven jaar duren.' 2KON 8:2 De vrouw had gedaan wat de man Gods haar gezegd had: zij was vertrokken, samen met haar gezin, en had zeven jaar lang in het land van de Filistijnen gewoond. 2KON 8:3 Toen de zeven jaar voorbij waren keerde de vrouw uit het land van de Filistijnen terug en ging nu de hulp van de koning inroepen om haar huis en haar akker terug te krijgen. 2KON 8:4 De koning was juist in gesprek met Gechazi, de dienaar van de man Gods, aan wie hij gevraagd had hem te vertellen van al de grote dingen die Elisa gedaan had. 2KON 8:5 En terwijl Gechazi de koning aan het vertellen was, hoe Elisa een dode weer levend gemaakt had, kwam de vrouw wier zoon hij weer levend gemaakt had, de hulp van de koning inroepen met het oog op haar huis en haar akker. Gechazi zei: `Mijn heer de koning, dat is de vrouw, en dat is haar zoon, die Elisa weer levend gemaakt heeft.' 2KON 8:6 De koning verzocht de vrouw hem het verhaal te vertellen en dat deed zij. Toen gaf de koning haar een dienaar mee met de opdracht: `Zorg dat zij alles terugkrijgt wat haar toebehoort, met heel de opbrengst van de akker, vanaf de dag dat zij het land verliet tot heden toe.' 2KON 8:7 Op een keer kwam Elisa in Damascus, terwijl koning Benhadad van Aram ziek lag. Toen men hem meedeelde dat de man Gods in de stad was, 2KON 8:8 zei de koning tot Hazaël: `Ga met een geschenk naar de man Gods en laat hem Jahwe vragen of ik van mijn ziekte genezen zal.' 2KON 8:9 Hazaël ging dus naar hem toe en nam als geschenk allerlei kostbaarheden van Damascus mee, zoveel als veertig kamelen konden dragen. Bij Elisa aangekomen maakte hij zijn opwachting en zei: `Uw zoon Benhadad, de koning van Aram, zendt mij tot u om u te vragen of hij van zijn ziekte genezen zal.' 2KON 8:10 Elisa antwoordde hem: `U kunt hem zeggen dat hij genezen zal. Maar Jahwe heeft mij laten zien dat hij zal sterven.' 2KON 8:11 Maar ineens verstarde de blik van de man Gods; hij ontstelde hevig en begon te schreien. 2KON 8:12 Hazaël vroeg: `Waarom schreit u, mijn heer?' Hij antwoordde: `Omdat ik zie hoeveel kwaad u de Isralieten zult aandoen; hun vestingen zult u in brand steken, hun jonge mannen doden met het zwaard, hun zuigelingen zult u te pletter slaan en hun zwangere vrouwen openrijten.' 2KON 8:13 Toen zei Hazaël: `Maar hoe kan u dienaar, dode hond die hij is, zo iets geweldigs doen?' Elisa antwoordde: `Jahwe heeft mij laten zien dat u koning van Aram wordt.' 2KON 8:14 Toen ging hij van Elisa heen en begaf zich naar zijn heer. Deze vroeg hen: `Wat heeft Elisa u gezegd?' Hij antwoordde: `Hij heeft mij gezegd dat u zult genezen.' 2KON 8:15 Maar de volgende dag nam hij een doek, maakte die nat en legde die Benhadad op het gezicht, zodat hij stierf. En Hazaël werd koning in zijn plaats. 2KON 8:16 In het vijfde regeringsjaar van Joram, de zoon van Achab en koning van Israël, werd Joram, de zoon van Josafat, koning van Juda. 2KON 8:17 Joram was tweeëndertig jaar toen hij koning werd en regeerde acht jaar in Jeruzalem. 2KON 8:18 Hij volgde het voorbeeld van de koningen van Israël, evenals het huis van Achab gedaan had, want een dochter van Achab was zijn vrouw, en hij deed wat Jahwe mishaagt. 2KON 8:19 Toch wilde Jahwe Juda niet vernietigen, omwille van zijn dienaar David, aan wie Hij beloofd had voor hem en zijn zonen altijd een lamp te laten branden. 2KON 8:20 In zijn tijd maakten de Edomieten zich onafhankelijk van Juda en stelden zij een eigen koning aan. 2KON 8:21 Joram trok met al zijn strijdwagens naar Seir, maar toen hij 's nachts tot de aanval was overgegaan en hij de Edomieten, die hem en de bevelhebbers van zijn strijdwagens omsingelden, had verslagen, vluchtte al het volk naar huis. 2KON 8:22 Zo heeft Edom zich onafhankelijk gemaakt van Juda en dat is het gebleven tot de huidige dag. In diezelfde tijd kwam Libna in opstand. 2KON 8:23 Verder bijzonderheden over Joram en alles wat hij gedaan heeft staan opgetekend in de annalen van de koningen van Juda. 2KON 8:24 Joram ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven bij zijn vaderen in de Davidstad. Zijn zoon Achazja volgde hem op. 2KON 8:25 In het twaalfde regeringsjaar van Joram, de zoon van Achab en koning van Israël, werd Achazja, de zoon van Joram, koning van Juda. 2KON 8:26 Achazja was tweeëntwintig jaar oud toen hij koning werd en regeerde een jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Atalja en was een dochter van Omri, de koning van Israël. 2KON 8:27 Hij volgde het voorbeeld van het huis van Achab en deed wat Jahwe mishaagt, evenals het huis van Achab; hij was trouwens met het huis van Achab verwant. 2KON 8:28 Hij trok met Joram, de zoon van Achab, ten strijde tegen Hazaël, de koning van Aram, bij Ramot in Gilead. Maar toen koning Joram gewond raakte, 2KON 8:29 keerde hij terug naar Jizreel om er te genezen van de wonden die de Arameeërs hem bij Rama toegebracht hadden in de oorlog tegen Hazaël, de koning van Aram. Achazja, de zoon van Joram en koning van Juda, bracht Joram, de zoon van Achab, tijdens diens ziekte een bezoek in Jizreel. 2KON 9:1 Nu ontbood de profeet Elisa iemand van het profetengilde en zei tot hem: `Doe uw gordel om en ga met deze kruik olie naar Ramot in Gilead. 2KON 9:2 Daar aangekomen moet u Jehu opzoeken, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi. Ga naar hem toe, roep hem uit de kring van zijn kameraden en neem hem mee naar een afgezonderd vertrek. 2KON 9:3 Neem dan de kruik met olie, giet die uit over zijn hoofd en zeg: Zo spreekt Jahwe: Ik zalf u tot koning van Israël. Doe dan de deur open en maakt dat u wegkomt.' 2KON 9:4 De jonge profeet ging dus naar Ramot in Gilead. 2KON 9:5 Toen hij daar aankwam hielden de legeroversten juist zitting. Hij zei: `Overste, ik heb een boodschap voor u.' Jehu vroeg: `Voor wie van ons?' Hij antwoordde: `Voor uzelf, overste.' 2KON 9:6 Jehu stond op, zij gingen naar binnen en daar goot de profeet de olie uit over het hoofd van Jehu en zei tot hem: `Zo spreekt Jahwe, de God van Israël: Ik zalf u tot koning over Israël, het volk van Jahwe. 2KON 9:7 Gij moet het huis van Achab, uw heer, uitroeien, want Ik wil het bloed van mijn dienaren, de profeten, en dat van al de dienaren van Jahwe wreken op Izebel. 2KON 9:8 Het gehele huis van Achab moet verdwijnen. Al wat man is in het huis van Achab, van hoog tot laag, zal Ik uit Israël verdelgen 2KON 9:9 en met het huis van Achab zal Ik hetzelfde doen als met het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en met dat van Baësa, de zoon van Achia. 2KON 9:10 Izebel zullen de honden verslinden op het akkerland van Jizreel en niemand zal haar begraven.' Toen deed hij de deur open en maakte dat hij wegkwam. 2KON 9:11 Toen Jehu bij de dienaren van zijn heer terugkwam, vroeg men hem: `Alles wel? Wat moest die idioot van u hebben?' Hij antwoordde hun: `U kent immers die lieden en hun gepraat!' 2KON 9:12 Maar zij hielden aan: `Geen uitvluchten, vertel op.' Toen zei Jehu: `Dit en dat heeft hij mij verteld. Hij zei: Zo spreekt Jahwe: Ik zalf u tot koning over Israël.' 2KON 9:13 Terstond namen zij allen hun mantel en spreidden die op de treden van de trap voor hem uit; zij staken de bazuin en riepen: `Jehu is koning!' 2KON 9:14 Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, stond dus op tegen Joram, die toen met al het volk van Israël Ramot in Gilead trachtte te verdedigen tegen Hazaël, de koning van Aram. 2KON 9:15 en naar huis was gegaan om te herstellen van de wonden die de Arameeërs hem hadden toegebracht. En Jehu sprak: `Als u er zo over denkt, zorgt dan dat niemand uit de stad ontsnapt om het in Jizreel te gaan melden.' 2KON 9:16 Toen stapte Jehu in zijn wagen en reed naar Jizreel, waar Joram ziek lag en koning Achazja van Juda bij hem op bezoek was. 2KON 9:17 De wacht op de toren van Jizreel zag het eskadron van Jehu aankomen en meldde dat. Joram zei: `Neem een ruiter, stuur hem die tegemoet en laat vragen of alles wel is.' 2KON 9:18 De ruiter reed dus Jehu tegemoet en zei: `De koning vraagt of alles wel is.' Jehu antwoordde: `Wat hebt u ermee te maken of alles wel is? Wend de teugel en rijd achter mij aan.' Nu meldde de wacht: `De bode heeft hen bereikt, maar keert niet terug.' 2KON 9:19 Toen stuurde Joram een tweede ruiter. Toen deze bij hem kwam, zei hij: `De koning vraagt of alles wel is.' Jehu antwoordde: `Wat gaat u dat aan? Wend de teugel en rijd achter mij aan.' 2KON 9:20 En de wacht meldde: `Hij heeft hen bereikt, maar keert niet terug. Maar de manier waarop daar gereden wordt doet denken aan Jehu, de zoon van Nimsi: hij rijdt als een waanzinnige.' 2KON 9:21 Toen beval Joram: `Inspannen!' Toen de wagen ingespannen was, reden koning Joram van Israël en koning Achazja van Juda de stad uit, ieder in zijn wagen, Jehu tegemoet. Zij bereikten hem bij de akker van Nabot, de Jizreeliet. 2KON 9:22 Zodra Joram Jehu zag, vroeg hij: `Jehu, is alles wel?' Hij antwoordde: `Hoe kan alles wel zijn, zolang de hoererij van uw moeder Izebel en al haar toverkunsten voortduren?' 2KON 9:23 Daarop wendde Joram de teugel, vluchtte weg en riep Achazja toe: `Verraad, Achazja!' 2KON 9:24 Maar Jehu richtte zijn boog en trof Joram tussen de schouders; de pijl doorboorde zijn hart en hij zakte op zijn wagen in elkaar. 2KON 9:25 Nu zei Jehu tot Bidkar, zijn adjudant: `Pak hem op en werp hem op het stuk land van Nabot, de Jizreeliet, want u zult u het woord nog wel herinneren dat Jahwe, toen wij samen, zij aan zij, achter zijn vader Achab reden, over hem gesproken heeft: 2KON 9:26 Zo spreekt Jahwe: Ik heb gisteravond het bloed van Nabot en dat van zijn zonen gezien. Ik zal het u op deze eigen akker betaald zetten, zo spreekt Jahwe. Pak hem dus op en werp hem op die akker, naar het woord van Jahwe.' 2KON 9:27 Toen Achazja, de koning van Juda, dit gezien had, vluchtte hij weg in de richting van Bet haggan. Maar Jehu zette hem achterna en riep: `Hem ook!' En zij troffen hem terwijl hij in zijn wagen de helling van Gur bij Jibleam op reed. Wel kon hij nog naar Megiddo vluchten, maar daar stierf hij. 2KON 9:28 Zijn dienaren brachten hem over naar Jeruzalem en begroeven hem in zijn eigen graf bij zijn vaderen in de Davidstad. 2KON 9:29 In het elfde regeringsjaar van Joram, de zoon van Achab, was Achazja koning van Juda geworden. 2KON 9:30 Nu begaf Jehu zich naar Jizreel. Zodra Izebel dit vernam, zette zij haar ogen aan, maakte haar kapsel op en ging aan het venster staan kijken. 2KON 9:31 Toen Jehu de poort binnenkwam riep zij: `Is alles wel, Zimri? Is alles wel, moordenaar van je heer?' 2KON 9:32 Hij keek omhoog naar het venster en riep: `Wie staat er aan mijn kant? Wie?' En toen twee of drie hovelingen in zijn richting keken, 2KON 9:33 riep hij: `Werpt haar naar beneden.' En zij wierpen haar naar beneden; haar bloed spatte op tegen de muur en tegen de paarden die haar vertrapten. 2KON 9:34 Toen ging hij de stad binnen, at en dronk en zei: `Ga eens kijken naar dat vervloekte schepsel en begraaf haar; zij is tenslotte een koningsdochter.' 2KON 9:35 Zij gingen heen om haar te begraven, maar vonden van haar alleen maar de schedel, de voeten en de handen. 2KON 9:36 Zij keerden terug en vertelden het hem, waarop hij zei: `Dat is wat Jahwe door zijn dienaar Elia, de Tisbiet, voorzegd heeft: Op het akkerland van Jizreel zullen de honden het vlees van Izebel verslinden 2KON 9:37 en het lijk van Izebel zal als mest op het land zijn, op het akkerland van Jizreel, zodat men niet zal kunnen zeggen: Hier ligt Izebel.' 2KON 10:1 Nu woonden er in Samaria zeventig zonen van Achab. Daarom schreef Jehu een brief en stuurde die naar Samaria aan de magistraten van de stad, maar de oudsten en aan de voogden van Achabs zonen. Daarin stond: 2KON 10:2 `Hiermede laat ik u weten dat, aangezien de zonen van uw heer zich bij u bevinden en u over strijdwagens, paarden, een versterkte stad en wapentuig beschikt, 2KON 10:3 u moet omzien naar de beste en geschiktste onder de zonen van uw heer, om hem op de troon van zijn vader te zetten en de strijd aan te binden voor het huis van uw heer.' 2KON 10:4 Maar zij waren ten zeerste bevreesd en zeiden: `Als twee koningen hem niet hebben kunnen weerstaan, hoe zouden wij dan stand kunnen houden?' 2KON 10:5 Daar om stuurden de hofmaarschalk de stadscommandant, de oudsten en de voogden aan Jehu deze boodschap: `Wij zijn uw dienaren; al wat u ons zegt zullen wij doen. Wij stellen geen koning aan; doe wat u goeddunkt.' 2KON 10:6 Toen schreef hij hun een tweede brief. Daarin stond: `Als u aan mijn kant staat en mij wilt gehoorzamen, komt dan morgen met de hoofden van de zonen van uw heer bij mij te Jizreel.' De zeventig zonen van de koning waren gehuisvest bij de aanzienlijkste burgers van de stad, door wie zij opgevoed werden. 2KON 10:7 Zodra zij de brief ontvangen hadden, grepen zij de koningszonen en slachtten ze alle zeventig af. Zij deden hun hoofden in manden en zonden ze naar Jehu in Jizreel. 2KON 10:8 Toen een bode hem kwam melden dat de hoofden van de koningszonen aangekomen waren zei hij: `Leg ze maar op twee hopen, aan de ingang van de poort en laat ze daar tot morgenochtend liggen.' 2KON 10:9 De volgende ochtend begaf hij zich naar de poort, ging daar staan en zei tot het volk: `U treft geen schuld, maar ik heb een komplot gesmeed tegen mijn heer en hem vermoord. En wie heeft al dezen gedood? 2KON 10:10 Weet dan dat geen woord waarmee Jahwe het huis van Achab bedreigd heeft, onvervuld blijft; Jahwe volbrengt wat Hij door zijn dienaar Elia voorzegd heeft.' 2KON 10:11 Hierop doodde Jehu allen die nog van Achabs huis in Jizreel overgebleven waren, alsook diens rijksgroten, vertrouwelingen en priesters, totdat er niemand meer over was. 2KON 10:12 Nu begaf Jehu zich op weg naar Samaria. Onderweg trof hij in Bet eked der Herders 2KON 10:13 de broers van Achazja, de koning van Juda. Hij vroeg hun: `Wie bent u?' Zij antwoordden: `Wij zijn de broers van Achazja en gaan de zonen van de koning en die van de gebiedster bezoeken.' 2KON 10:14 Toen beval hij: `Grijpt ze levend.' Dat deden ze en ze slachtten ze af bij de put van Bet eked. Zij waren met tweeënveertig man; niemand liet hij in leven. 2KON 10:15 Toen hij vandaar verder gegaan was, trof hij Jonadab, de zoon van Rekab, die hem tegemoet kwam. Hij begroette hem en vroeg hem: `Bent u mij even oprecht toegedaan als ik u?' Jonadab antwoordde: `Ja.' Toen zei Jehu: `Als dat zo is, geef mij dan de hand.' Jonadab gaf hem de hand en Jehu liet hem bij zich in de wagen stappen 2KON 10:16 en zei: `Kom met mij mee, dan zult u getuige zijn van mijn ijver voor Jahwe.' Hij liet hem dus meerijden. 2KON 10:17 Toen zij in Samaria waren aangekomen, doodde hij allen die van Achabs huis in Samaria overgebleven waren, en roeide dat geslacht uit, zoals Jahwe tot Elia gezegd had. 2KON 10:18 Daarop riep Jehu heel het volk bijeen en zei: `Achab heeft Baäl maar matig gediend; Jehu zal hem beter dienen. 2KON 10:19 Roept dus alle profeten van Baäl, al zijn vereerders en al zijn priesters bij mij; niemand mag ontbreken, want ik wil voor Baäl een groot offerfeest vieren. Alwie ontbreekt zal het met zijn leven boeten.' Dit was een list van Jehu om degenen die Baäl dienden te kunnen uitroeien. 2KON 10:20 Toen Jehu zei: `Kondigt een feest af ter ere van Baäl,' deden zij dit. 2KON 10:21 Jehu zond toen boden door heel Israël, en al de vereerders van Baäl kwamen naar de tempel van Baäl, niemand bleef weg. De tempel van Baäl raakte stampvol. 2KON 10:22 Toen zei Jehu tot de magazijnmeester: `Geef al de vereerders van Baäl een gewaad.' En de magazijnmeester gaf ieder een gewaad. 2KON 10:23 Nu begaf Jehu zich met Jonadab, de zoon van Rekab, naar de tempel van Baäl en zei tot al de vereerders van Baäl: `Kijkt goed uit of er onder u geen dienaren van Jahwe zijn, maar uitsluitend vereerders van Baäl.' 2KON 10:24 Hierop gingen zij naar binnen om slacht en brandoffers op te dragen. Jehu had echter tachtig man buiten opgesteld en hun gezegd: `Wie een van de mensen die ik aan u overlever laat ontsnappen, zal het met zijn leven boeten.' 2KON 10:25 Toen Jehu met het brandoffer klaar was, beval hij zijn lijfwacht en zijn officieren: `Komt binnen, slaat ze dood; niemand mag ontsnappen.' En de lijfwacht en de officieren doodden ze met het zwaard en wierpen de lijken naar buiten. Daarna drongen zij het allerheiligste van de tempel van Baäl binnen, 2KON 10:26 brachten de heilige paal van de tempel van Baäl naar buiten en staken die in brand. 2KON 10:27 Verder sloegen zij de wijsteen van Baäl stuk, braken de tempel van Baäl af en maakten er een mestvaalt van. Zo is het gebleven tot op de huidige dag. 2KON 10:28 Zo roeide Jehu de Baälsdienst in Israël uit. 2KON 10:29 Maar ook Jehu brak niet met de zonden waartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, de Israëlieten had verleid, de dienst van de gouden stierebeelden in Betel en Dan. 2KON 10:30 En Jahwe sprak tot Jehu: `Omdat gij goed gehandeld; hebt en gedaan wat Mij behaagt en met het huis van Achab gehandeld hebt overeenkomstig mijn wil, daarom zullen uw zonen tot in het vierde geslacht op de troon van Israël zetelen.' 2KON 10:31 Maar Jehu onderhield niet nauwgezet en van ganser harte de wet van Jahwe, de God van Israël; met de zonden waartoe Jerobeam de Israëlieten had verleid brak hij niet. 2KON 10:32 In die tijd begon Jahwe het gebied van Israël in te perken. Hazaël versloeg de Israëlieten in heel het gebied van Israël 2KON 10:33 ten oosten van de Jordaan: heel Gilead, het land van de Gadieten, de Rubenieten en de Manassieten, vanaf Aroer aan het dal van de Arnon, en niet alleen Gilead maar ook Basan. 2KON 10:34 Verdere bijzonderheden over Jehu, over zijn krijgsverrichtingen en andere daden zijn te vinden in de annalen van de koningen van Israël. 2KON 10:35 Jehu ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven in Samaria. Zijn zoon Joachaz volgde hem op. Achtentwintig jaar had Jehu in Samaria over Israël geregeerd. 2KON 11:1 Toen Atalja, de moeder van Achazja, zag dat haar zoon dood was, bracht zij alle zonen van de koning om het leven. 2KON 11:2 Maar Joas, de zoon van Achazja, werd door Jehoseba, de dochter van koning Joram en de zuster van Achazja, heimelijk weggehaald bij de koningszonen die gedood werden. Zij hield hem met zijn voedster op de slaapzaal voor Atalja verborgen; zo bleef hij gespaard. 2KON 11:3 Hij bleef zes jaar lang bij haar verborgen in de tempel van Jahwe, terwijl Atalja over het land regeerde. 2KON 11:4 In het zevende jaar ontbood Jojada de honderdmannen van de Kariers en van de lijfwacht. Hij liet ze bij zich komen in de tempel van Jahwe, sloot met hen een verbond en liet hen een eed afleggen in de tempel van Jahwe. Toen toonde hij hun de zoon van de koning. 2KON 11:5 Daarop gaf hij hun de volgende instructies: `Dit hebt u te doen: van degenen die op de sabbat aan treden houdt een derde deel de wacht bij het koninklijk paleis, 2KON 11:6 een derde bij de poort Sur en een derde bij de poort achter de lijfwacht. Om beurten houdt u de wacht bij het paleis. 2KON 11:7 De twee afdelingen van u die op de sabbat inrukken, betrekken de wacht bij de koning in de tempel van Jahwe. 2KON 11:8 Zij vormen een kring om de koning, ieder met zijn wapens in de hand. Doodt ieder die het kordon wil doorbreken. Blijft bij de koning, waar hij ook gaat of staat.' 2KON 11:9 De honderdmannen voerden het bevel van de priester Jojada nauwkeurig uit. Ieder nam zijn mannen mee, zowel degenen die op de sabbat moesten aantreden als degenen die op de sabbat moesten inrukken, en meldden zich bij de priester Jojada. 2KON 11:10 Deze gaf aan de honderdmannen de lansen en schilden van koning David die in de tempel van Jahwe bewaard werden. 2KON 11:11 De lijfwacht stelde zich man aan man op met de wapens in de hand, van de rechtervleugel van het gebouw tot aan de linkervleugel, naar het altaar en het gebouw gekeerd, aldus een kring vormend rondom de koning. 2KON 11:12 Jojada leidde de zoon van de koning naar buiten, zette hem de diadeem op, reikte hem de oorkonde over, verhief hem tot koning en zalfde hem. De soldaten klapten in de handen en riepen: `Leve de koning!' 2KON 11:13 Toen Atalja het gejuich hoorde van de lijfwacht en het volk in de tempel van Jahwe, begaf zij zich daarheen. 2KON 11:14 En daar zag zij de koning volgens gebruik op de verhoging staan, omringd door de bevelhebbers en de trompetters en door al het volk van het land, dat juichte en op de trompet blies. Toen scheurde Atalja haar kleren en riep: `Verraad! Verraad!' 2KON 11:15 Daarop gaf de priester Jojada aan de honderdmannen, de commandanten van het leger, het bevel: `Leidt haar buiten het kordon. Doodt met het zwaard al wie haar volgt.' Want de priester had gezegd dat zij niet gedood mocht worden in de tempel van Jahwe. 2KON 11:16 Zij namen haar gevangen en toen zij door de Paardenpoort het koninklijk paleis bereikt hadden, werd zij daar gedood. 2KON 11:17 Nu bracht Jojada een verbond tot stand tussen Jahwe, de koning en het volk, dat het weer het volk van Jahwe zou zijn, alsmede tussen de koning en het volk. 2KON 11:18 Daarna trok het volk van het land naar de tempel van Baäl; zij sloegen zijn altaren stuk, verbrijzelden de beelden en doodden de Baälpriester Mattan voor de altaren. De priester Jojada plaatste wachtposten voor de tempel van Jahwe, 2KON 11:19 nam de honderdmannen, de Kariers, de lijfwacht en al het volk van het land met zich mee, en zij leidden de koning uit de tempel van Jahwe door de soldatenpoort naar het koninklijk paleis. Daar aangekomen, nam de koning plaats op de koninklijke troon. 2KON 11:20 Het volk van het land verheugde zich en de stad hield zich rustig. Atalja had men in het koninklijk paleis met het zwaard gedood. 2KON 12:1 Joas was zeven jaar oud toen hij koning werd. 2KON 12:2 Hij werd koning in het zevende regeringsjaar van Jehu en regeerde veertig jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Sibja en was afkomstig uit Berseba. 2KON 12:3 Zijn leven lang deed Joas wat Jahwe behaagt, zoals de priester Jojada hem geleerd had. 2KON 12:4 Maar wel lieten ze de heiligdommen op de offerhoogten voortbestaan; het volk bleef nog altijd op de hoogten offeren en wierook branden. 2KON 12:5 Joas had tot de priesters gezegd: `Het geld dat als wijgeschenk in de tempel van Jahwe geofferd wordt in gangbare munt, het losgeld dat voor mens en dier is vastgesteld, en het geld dat iemand uit eigen beweging naar de tempel van Jahwe brengt, 2KON 12:6 mogen de priesters van hun bekenden in ontvangst nemen, maar dan moeten zij overal waar in de tempel bouwvallige gedeelten worden gevonden, deze herstellen.' 2KON 12:7 Maar in het drieëntwintigste regeringsjaar van koning Joas hadden de priesters de bouwvallige gedeelten van de tempel nog niet hersteld. 2KON 12:8 Daarom ontbood koning Joas de priester Jojada en de andere priesters en vroeg hun: `Waarom hebt u de bouwvallige gedeelten van de tempel niet hersteld? Voortaan moogt u van uw bekenden geen geld meer voor uzelf aannemen, maar moet u het afstaan voor het herstel van de tempel.' 2KON 12:9 De priesters stemden ermee in dat zij van het volk geen geld meer voor zichzelf zouden aannemen en dat zij de bouwvallige gedeelten van de tempel niet zouden herstellen. 2KON 12:10 Toen nam de priester Jojada een kist, maakte een gleuf in het deksel en plaatste de kist naast het altaar, rechts van de ingang van de tempel van Jahwe; daarin moesten de priesters die de drempel bewaakten al het geld doen dat in de tempel van Jahwe geofferd werd. 2KON 12:11 Wanneer deze priesters dan zagen dat er veel geld in de kist was, riepen zij de schrijver van de koning. Deze kwam met de hoge priester, deed het geld van de tempel van Jahwe in buidels en telde het. 2KON 12:12 Als dan het geld gewogen was, werd het ter hand gesteld aan de voormannen die het toezicht hadden over het werk in de tempel van Jahwe en dezen keerden het uit aan de timmerlieden, de bouwmeesters die aan de tempel van Jahwe werkten, 2KON 12:13 de metselaars en steenhouwers, of zij kochten er hout en gehouwen steen voor om de bouwvallige gedeelten van de tempel van Jahwe te herstellen; zij bestreden daarmee alle uitgaven die voor het herstel van de tempel gedaan moesten worden. 2KON 12:14 Maar van het geld dat in de tempel van Jahwe geofferd werd, werden geen zilveren messen, bekkens, offerschalen, trompetten en andere gouden en zilveren voorwerpen voor de tempel van Jahwe aangeschaft. 2KON 12:15 Al het geld werd gegeven aan de voormannen die daarvoor de tempel van Jahwe herstelden; 2KON 12:16 men hield geen rekening met de mannen aan wie het geld ter hand gesteld werd om het aan de werklieden uit te betalen, want die waren volkomen betrouwbaar. 2KON 12:17 Maar het geld voor schuld en zondeoffers werd niet in de tempel van Jahwe geofferd, doch was bestemd voor de priesters. 2KON 12:18 In die tijd rukte koning Hazaël van Aram op, deed een aanval op Gat en veroverde de stad. Toen hij aanstalten maakte om op te rukken tegen Jeruzalem, 2KON 12:19 nam koning Joas van Juda alle wijgeschenken die zijn voorvaderen Josafat, Joram en Achazja, koningen van Juda, en hijzelf geofferd hadden, en al het goud dat in de schatkamers van de tempel van Jahwe en van het koninklijk paleis bewaard werd en zond het naar koning Hazaël van Aram. Deze zag toen af van zijn aanval op Jeruzalem. 2KON 12:20 Verder bijzonderheden over Joas en zijn daden staan opgetekend in de annalen van de koningen van Juda. 2KON 12:21 De hovelingen van Joas smeedden een komplot tegen hem en doodden hem in het Bet millo, terwijl hij op weg was naar Silla. 2KON 12:22 Het waren Jozakar, de zoon van Simat, en Jozabad, de zoon van Somer, zijn hovelingen, die hem doodden. Men begroef hem bij zijn vaderen in de Davidstad. Hij werd opgevolgd door zijn zoom Amasja. 2KON 13:1 In het drieëntwintigste regeringsjaar van Joas, de zoon van Achazja en koning van Juda, werd Joachaz, de zoon van Jehu, in Samaria koning van Israël. Hij regeerde zeventien jaar. 2KON 13:2 Hij deed wat Jahwe mishaagt; hij volgde het voorbeeld van Jerobeam, de zoon van Nebat, en brak niet met de zonden waartoe deze de Israëlieten verleid had. 2KON 13:3 Daarom ontbrandde de toorn van Jahwe tegen de Israëlieten en leverde Hij ze over aan koning Hazaël van Aram en aan Benhadad, de zoon van Hazaël, jarenlang. 2KON 13:4 Maar Joachaz probeerde Jahwe gunstig te stemmen en Jahwe verhoorde hem, want Hij zag hoe zwaar de Israëlieten door de koning van Aram verdrukt werden. 2KON 13:5 Daarom gaf Jahwe aan de Israëlieten een bevrijder, die hen van de Arameese overheersing verloste, zodat zij weer in hun tenten konden wonen als voorheen. 2KON 13:6 Maar zij braken niet met de zonden waartoe het huis van Jerobeam de Israëlieten verleid had; daarmee gingen zij voort en ook de heilige paal bleef in Samaria staan. 2KON 13:7 De koning van Aram had Joachaz van zijn leger niet meer gelaten dan vijftig ruiters, tien strijdwagens en tienduizend man voetvolk; de koning van Aram had Israël te gronde gericht en tot stof vertrapt. 2KON 13:8 Verder bijzonderheden over Joachaz, zijn krijgsverrichtingen en andere daden staan opgetekend in de annalen van de koningen van Israël. 2KON 13:9 Joachaz ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven in Samaria. Zijn zoon Joas volgde hem op. 2KON 13:10 In het zevenendertigste regeringsjaar van koning Joas van Juda werd Joas, de zoon van Joachaz, in Samaria koning van Israël. Hij regeerde zestien jaar. 2KON 13:11 Hij deed wat Jahwe mishaagt en brak in het geheel niet met de zonden waartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, de Israëlieten verleid had; hij ging daarmee voort. 2KON 13:12 Verder bijzonderheden over Joas en alles wat hij gedaan heeft, in het bijzonder zijn krijgsverrichtingen in de oorlog tegen Amasja, de koning van Juda, staan opgetekend in de annalen van de koningen van Israël. 2KON 13:13 Joas ging bij zijn vaderen te ruste en Jerobeam besteeg de troon. Joas werd begraven in Samaria bij de koningen van Israël. 2KON 13:14 Elisa was ziek geworden, een ziekte waaraan hij sterven zou. Koning Joas van Israël kwam hem bezoeken en riep onder tranen uit: `Vader, vader, Israëls strijdwagens en ruiterij!' 2KON 13:15 Elisa zei tot hem: `Neem pijl en boog.' Toen Joas dat gedaan had, 2KON 13:16 zei Elisa tot de koning van Israël: `Breng uw hand aan de boog.' En hij bracht zijn hand aan de boog. Toen legde Elisa zijn handen op die van de koning. 2KON 13:17 Daarna zei hij: `Open het venster aan de oostkant.' En toen hij het venster geopend had zei Elisa: `Schiet!' De koning schoot en Elisa riep: `Een zegepijl van Jahwe! Een zegepijl tegen Aram! U zult de Arameeërs bij Afek tot vernietigens toe verslaan.' 2KON 13:18 Nu zei hij tot de koning van Israël: `Neem de pijlen en sla ermee op de grond.' Hij sloeg driemaal op de grond, toen hield hij op. 2KON 13:19 Daarop werd de man Gods vertoornd en zei: `Als u vijf of zesmaal geslagen had, had u de Arameeërs verslagen tot vernietigens toe. Nu zult u de Arameeërs maar driemaal verslaan.' 2KON 13:20 Elisa stierf en werd begraven. Nu drongen er elk voorjaar Moabitische benden het land binnen. 2KON 13:21 Toen enige mannen eens bezig waren iemand te begraven, zagen zij plotseling zo'n bende. Zij wierpen het lijk in het graf van Elisa en vluchtten weg. Zodra het lijk in aanraking kwam met het gebeente van Elisa, werd de man levend en rees hij recht overeind. 2KON 13:22 Koning Hazaël van Aram had de Israëlieten verdrukt zolang Joachaz leefde. 2KON 13:23 Daarna was Jahwe hun genadig en zag Hij met erbarmen op hen neer, terwille van zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob. Hij wilde ze niet vernietigen en had ze nog niet verstoten. 2KON 13:24 Toen koning Hazaël van Aram gestorven was, volgde zijn zoon Benhadad hem op. 2KON 13:25 Joas, de zoon van Joachaz, heroverde op Benhadad, de zoon van Hazaël, de steden die de vader van Benhadad in de oorlog op Joachaz veroverd had. Joas versloeg hem driemaal en heroverde de steden van Israël. 2KON 14:1 In het tweede regeringsjaar van Joas, de zoon van Joachaz en koning van Israël, werd Amasja, de zoon van Joas, koning van Juda. 2KON 14:2 Hij was vijfentwintig jaar toen hij koning werd en hij regeerde negenentwintig jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Joaddan en was afkomstig uit Jeruzalem. 2KON 14:3 Hij deed wat Jahwe behaagt, zij het niet zoals zijn vader David: in alles deed hij zoals zijn vader Joas gedaan had. 2KON 14:4 Wel liet men de heiligdommen op de hoogten voortbestaan; het volk bleef nog altijd op de hoogten offeren en wierook branden. 2KON 14:5 Zodra hij de koninklijke macht vast in handen had, bracht hij de hovelingen ter dood die de koning, zijn vader, vermoord hadden. 2KON 14:6 Maar de zonen van de moordenaars doodde hij niet; hij hield zich aan hetgeen geschreven staat in het boek van de wet van Mozes, waar Jahwe geboden heeft: `Vaders mogen niet ter dood gebracht worden om hun kinderen en kinderen niet om hun vader; alleen om zijn eigen schuld mag iemand ter dood gebracht worden.' 2KON 14:7 Het was deze Amasja die in het Zoutdal de Edomieten versloeg, tienduizend man sterk; in die oorlog maakte hij zich meester van de Rots; hij noemde die Jokteel en zo heet zij tot op heden. 2KON 14:8 Toen zond Amasja gezanten naar Joas, de zoon van Joachaz en koning van Israël, met de boodschap: `Kom, laten wij eens zien wie van ons de sterkste is.' 2KON 14:9 Maar koning Joas van Israël zond aan koning Amasja van Juda dit antwoord: `Eens zond een distel op de Libanon aan een ceder van de Libanon deze boodschap: Geef uw dochter aan mijn zoon tot vrouw. Maar de wilde dieren van de Libanon kwamen toen voorbij en die vertrapten de distel. Uw overwinning op de Edomieten is u naar het hoofd gestegen. 2KON 14:10 Geniet liever van uw roem en blijf thuis. Waarom zoudt u zich in een ongelukkige oorlog storten en uw volk Juda meeslepen in uw val?' 2KON 14:11 Maar Amasja wilde niet luisteren. Toen rukte koning Joas van Israël op en bij Bet semes in Juda bond hij de strijd aan met koning Amasja. 2KON 14:12 De Judeeërs werden door de Israëlieten verslagen en vluchtten allen naar hun eigen tenten. 2KON 14:13 En koning Joas van Israël nam bij Bet semes Amasja, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Achaz, gevangen. Hij trok naar Jeruzalem en brak de muur van Jeruzalem af over een lengte van vierhonderd el, van de Efraimpoort tot de Hoekpoort. 2KON 14:14 Hij maakte zich meester van al het goud en zilver, van al de voorwerpen die in de tempel van Jahwe en in de schatkamers van het koninklijk paleis te vinden waren en van de gijzelaars, en keerde naar Samaria terug. 2KON 14:15 Verdere bijzonderheden over de daden van Joas, over zijn krijgsverrichtingen en zijn oorlog met koning Amasja van Juda staan opgetekend in de annalen van de koningen van Israël. 2KON 14:16 Joas ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven in Samaria bij de koningen van Israël. Zijn zoon Jerobeam volgde hem op. 2KON 14:17 Na de dood van Joas, de zoon van Joachaz en koning van Israël, leefde Amasja, de zoon van Joas en koning van Juda, nog vijftien jaar. 2KON 14:18 Verdere bijzonderheden over Amasja staan opgetekend in de annalen van de koningen van Juda. 2KON 14:19 Toen te Jeruzalem een komplot tegen hem gesmeed werd, vluchtte hij naar Lakis. Maar de samenzweerders stuurden mannen achter hem aan, die hem in Lakis vermoordden. 2KON 14:20 Op hun paarden brachten ze hem naar Jeruzalem, waar hij in de Davidstad bij zijn vaderen werd begraven. 2KON 14:21 Het volk van Juda riep Azarja tot koning uit, als opvolger van zijn vader Amasja, ofschoon hij nog maar zestien jaar was. 2KON 14:22 Het was deze Azarja die Elat versterkte en weer onder Juda bracht. Dit gebeurde nadat de koning bij zijn vaderen te ruste was gegaan. 2KON 14:23 In het vijftiende regeringsjaar van Amasja, de zoon van Joas, koning van Juda, werd Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israël te Samaria; hij regeerde eenenveertig jaar. 2KON 14:24 Hij deed wat Jahwe mishaagt en brak niet met de zonden waartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, de Israëlieten verleid had. 2KON 14:25 Hij was degene die het grondgebied van Israël heroverde, vanaf de weg naar Hamat tot aan de zee van de Araba. Dit geschiedde volgens het woord dat Jahwe, de God van Israël, gesproken had bij monde van zijn dienaar Jona, de zoon van Amittai, de profeet uit Gat hachefer. 2KON 14:26 Jahwe had immers gezien hoe bitter de nood van Israël was, dat het met slaaf en met vrije gedaan was en dat er niemand was die Israël te hulp kwam. 2KON 14:27 En omdat Jahwe nog niet besloten had, de naam van Israël van de aarde weg te vagen, bracht Hij redding door toedoen van Jerobeam, de zoon van Joas. 2KON 14:28 Verdere bijzonderheden over Jerobeam, zijn daden en krijgsverrichtingen, en hoe hij Damascus en Hamat weer onder Israël bracht, staan opgetekend in de annalen van de koningen van Israël. 2KON 14:29 Jerobeam ging bij zijn vaderen, de koningen van Israël, te ruste en zijn zoon Zekarja volgde hem op. 2KON 15:1 In het zevenentwintigste regeringsjaar van Jerobeam, koning van Israël, werd Azarja, de zoon van Amasja, koning van Juda. 2KON 15:2 Hij was zestien jaar toen hij koning werd en regeerde tweeënvijftig jaar in Jeruzalem. Zij moeder heette Jekolja en was afkomstig uit Jeruzalem. 2KON 15:3 Hij deed wat Jahwe behaagt, juist zoals zijn vader Amasja. 2KON 15:4 Wel lieten zij de heiligdommen op de hoogten voortbestaan; het volk bleef nog altijd op de hoogten offeren en offervuur ontsteken. 2KON 15:5 Jahwe strafte de koning met melaatsheid, die bleef tot de dag van zijn dood. De koning leefde sindsdien in afzondering, terwijl Jotam, de zoon van de koning, als hofmaarschalk het land en het volk bestuurde. 2KON 15:6 Verdere bijzonderheden over Azarja en zijn daden staan opgetekend in de annalen van de koningen van Juda. 2KON 15:7 Azarja ging bij zijn vaderen te ruste en werd bij zijn vaderen in de Davidstad begraven. Zijn zoon Jotam volgde hem op. 2KON 15:8 In het achtendertigste regeringsjaar van Azarja, koning van Juda, werd Zekarja, de zoon van Jerobeam, koning van Israël; hij regeerde zes maanden te Samaria. 2KON 15:9 Hij deed wat Jahwe mishaagt, juist zoals zijn vaderen, en brak niet met de zonden, waartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, de Israëlieten had verleid. 2KON 15:10 Sallum, de zoon van Jabes, beraamde een aanslag tegen hem: hij vermoordde hem en volgde hem op. 2KON 15:11 Verdere bijzonderheden over Zekarja staan opgetekend in de annalen van de koningen van Israël. 2KON 15:12 Zo werd het woord bewaarheid dat Jahwe gesproken had tot Jehu: `Uw zonen zullen zetelen op de troon van Israël, tot in het vierde geslacht.' Zo is het ook gebeurd. 2KON 15:13 Sallum, de zoon van Jabes, werd koning in het negenendertigste regeringsjaar van koning Uzzia van Juda en regeerde een maand te Samaria. 2KON 15:14 Menachem, de zoon van Gadi, rukte uit Tirsa op en drong Samaria binnen. Daar vermoordde hij Sallum, de zoon van Jabes, en volgde hem op. 2KON 15:15 Verdere bijzonderheden over Sallum en in het bijzonder over zijn aanslag op Jerobeam, staan opgetekend inde annalen van de koningen van Israël. 2KON 15:16 Toen Menachem vanuit Tirsa oprukte, maakte hij zich met geweld meester van Tifsach, met alle inwoners en bijbehorend gebied, omdat men hem de toegang geweigerd had. Hij strafte de stad en liet alle zwangere vrouwen openrijten. 2KON 15:17 In het negenendertigste regeringsjaar van koning Azarja van Juda werd Menachem, de zoon van Gadi, koning van Israël; hij regeerde tien jaar te Samaria. 2KON 15:18 Hij deed wat Jahwe mishaagt en heel zijn leven lang brak hij niet met de zonden waartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, de Israëlieten had verleid. 2KON 15:19 Toen Pul, de koning van Assur, het land binnendrong, schonk Menachem hem duizend talenten zilver, opdat Pul hem zou helpen om de koninklijke macht in handen te houden. 2KON 15:20 Om dit bedrag aan de koning van Assur te kunnen geven had Menachem aan alle vermogende Israëlieten een belasting opgelegd van vijftig sikkel zilver de man. Daarop trok de koning van Assur zich terug en bleef niet langer in dat land. 2KON 15:21 Verdere bijzonderheden over Menachem en zijn daden staan opgetekend in de annalen van de koningen van Israël. 2KON 15:22 Menachem ging bij zijn vaderen te ruste. ZIJN zoon Pekachja volgde hem op. 2KON 15:23 In het vijftigste regeringsjaar van Azarja, koning van Juda, werd Pekachja, de zoon van Menachem, koning van Israël; hij regeerde twee jaar in Samaria. 2KON 15:24 Hij deed wat Jahwe mishaagt en brak niet met de zonden waartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, de Israëlieten had verleid. 2KON 15:25 Zijn adjudant Pekach, de zoon van Remalja, beraamde een aanslag tegen hem en geholpen door vijftig Gileadieten vermoordde hij hem in Samaria in de slottoren van het koninklijk paleis. Hij doodde hem en volgde hem op. 2KON 15:26 Verdere bijzonderheden over Pekachja en zijn daden staan opgetekend in de annalen van de koningen van Israël. 2KON 15:27 In het tweeënvijftigste regeringsjaar van Azarja, koning van Juda, werd Pekach, de zoon van Remalja, koning van Israël; hij regeerde twintig jaar te Samaria. 2KON 15:28 Hij deed wat Jahwe mishaagt en brak niet met de zonden, waartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, de Israëlieten had verleid. 2KON 15:29 In de tijd van koning Pekach van Israël veroverde Tiglatpileser, koning van Assur, Ijjon, Abel bet maaka, Janoach, Kedes, Hasor, Gilead en de Galil, dat wil zeggen het gehele land van Naftali, en deporteerde de bevolking naar Assur. 2KON 15:30 Hosea, de zoon van Ela, beraamde een aanslag tegen Pekach; hij vermoordde hem en volgde hem op, in het twintigste regeringsjaar van Jotam, de zoon van Uzzia. 2KON 15:31 Verdere bijzonderheden over Pekach en zijn daden staan opgetekend in de annalen van de koningen van Israël. 2KON 15:32 In het tweede regeringsjaar van Pekach, de zoon van Remalja en koning van Israël, werd Jotam, de zoon van Uzzia, koning van Juda. 2KON 15:33 Hij was vijfentwintig jaar toen hij koning werd en regeerde zestien jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Jerusa en was een dochter van Sadok. 2KON 15:34 Hij deed wat Jahwe behaagt, juist zoals zijn vader Uzzia; 2KON 15:35 wel liet men de heiligdommen op de hoogten voortbestaan; het volk bleef nog altijd op de hoogten offeren en wierook branden. Het was deze Jotam die de Bovenpoort van de tempel van Jahwe bouwde. 2KON 15:36 Verdere bijzonderheden over Jotam en zijn daden staan opgetekend in de annalen van de koningen van Juda. 2KON 15:37 In die tijd begon Jahwe Juda te teisteren met aanvallen van Resin, koning van Aram, en van Pekach, de zoon van Remalja, 2KON 15:38 Jotam ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven in de stad van zijn vader David. Zijn zoon Achaz volgde hem op. 2KON 16:1 In het zeventiende regeringsjaar van Pekach, de zoon van Remalja, werd Achaz, de zoon van Jotam, koning van Juda. 2KON 16:2 Achaz was twintig jaar toen hij koning werd en regeerde zestien jaar in Jeruzalem. Hij deed niet wat Jahwe zijn God behaagt zoals zijn vader David dat gedaan had, 2KON 16:3 maar hij volgde het voorbeeld van de koningen van Israël. Hij heeft zelfs zijn zoon door het vuur laten gaan, maar de gruwelijke gewoonten van de volken die Jahwe voor de Israëlieten had verdreven. 2KON 16:4 Ook offerde hij en brandde hij wierook op de hoogten, op de heuvels en onder elke groene boom. 2KON 16:5 In die tijd trok koning Resin van Aram, met Pekach, de zoon van Remalja en koning van Israël, tegen Jeruzalem ten strijde. Zij belegerden Achaz, maar konden hem niet overwinnen. 2KON 16:6 In dezelfde tijd bracht Resin, de koning van Aram, Elat weer onder de Arameeërs. Hij verdreef de Judeeërs uit Elat. De Edomieten kwamen naar Elat en zijn daar blijven wonen tot op heden toe. 2KON 16:7 Daarop zond Achaz gezanten naar Tiglatpileser, de koning van Assur, met de boodschap: `Ik ben uw vazal en uw zoon; kom en verlos mij uit de greep van de koning van Aram en uit de greep van de koning van Israël, die zich tegen mij hebben gekeerd.' 2KON 16:8 En Achaz nam het zilver en het goud dat zich bevond in de tempel van Jahwe en in de schatkamer van het koninklijk paleis en zond dat als geschenk aan de koning van Assur. 2KON 16:9 De koning van Assur ging op het verzoek van Achaz in, rukte op naar Damascus en veroverde de stad. De bevolking deporteerde hij naar Kir; Resin bracht hij ter dood. 2KON 16:10 Toen koning Achaz in Damascus kwam om zijn opwachting te maken bij Tiglatpileser, de koning van Assur, zag hij daar het altaar. Koning Achaz zond aan de priester Uria een kopie van het altaar, een nauwkeurig gelijkend model. 2KON 16:11 Nog voor koning Achaz uit Damascus was teruggekomen, liet de priester Uria een dergelijk altaar bouwen, precies volgens de opdracht die de koning hem vanuit Damascus gegeven had. 2KON 16:12 Toen de koning uit Damascus terugkwam, vond hij het altaar gereed. De koning trad op het altaar toe, 2KON 16:13 besteeg het en bracht er zij brandoffer en meeloffer, goot zijn plengoffer uit en besprenkelde het altaar met het bloed van de offerdieren die hij had geslacht. 2KON 16:14 Maar het bronzen altaar dat voor het aanschijn van Jahwe stond liet hij van de voorzijde van de tempel, van de plaats tussen het nieuwe altaar en de tempel, weghalen en neerzetten aan de noordkant van het nieuwe altaar. 2KON 16:15 Toen gaf koning Achaz aan de priester Uria de volgende opdracht: `Op het grote altaar moet u 's morgens het brandoffer en 's avonds het meeloffer in rook doen opgaan, verder het brandoffer van het volk, hun meeloffers en hun plengoffers; ook moet u al het bloed van de brandoffers en van de offerdieren op dit grote altaar sprenkelen. Het bronzen altaar zal ik gebruiken om godsspraken te verkrijgen. 2KON 16:16 En de priester Uria deed alles zoals koning Achaz het bevolen had. 2KON 16:17 Ook liet koning Achaz de panelen van de onderstellen loszagen en hij nam er de bekkens van af. De bronzen Zee lichtte hij van de bronzen runderen, waarop zij rustte, en hij zette haar op een stenen vloer. 2KON 16:18 De sabbatsgalerij die in de tempel was gebouwd en de koninklijke ingang aan de buitenkant van de tempel van Jahwe liet hij verplaatsen, omwille van de koning van Assur. 2KON 16:19 Verder bijzonderheden over Achaz en zijn daden staan in annalen van de koningen van Juda. 2KON 16:20 Achaz ging bij zijn vaderen te ruste en werd bij zijn vaderen in de Davidstad begraven. Zijn zoon Hizkia volgde hem op. 2KON 17:1 In het twaalfde regeringsjaar van Achaz, koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning van Israël; hij regeerde negen jaar in Samaria. 2KON 17:2 Hij deed wat Jahwe mishaagt, maar hij maakte het niet zo erg als de koningen van Israël voor hem. 2KON 17:3 Het was tegen hem dat koning Salmanassar van Assur oprukte: Hosea werd zijn vazal en moest hem schatting betalen. 2KON 17:4 Maar toen de koning van Assur ontdekte dat Hosea een samenzwering tegen hem beraamde hij had gezanten gezonden naar koning So van Egypte en droeg de jaarlijkse schatting niet meer af nam de koning van Assur hem gevangen en sloot hem geboeid in de gevangenis op. 2KON 17:5 De koning van Assur ondernam een veldtocht tegen het land; hij rukte op naar Samaria en belegerde de stad, drie jaar lang. 2KON 17:6 In het negende regeringsjaar van Hosea nam de koning van Assur Samaria in; hij deporteerde de Israëlieten naar Assur en wees hun een woonplaats aan in Chalach en aan de Chabor, een rivier in Gozan, en in enige steden van Medie. 2KON 17:7 Dit alles is gebeurd, omdat de Israëlieten gezondigd hadden tegen Jahwe hun God, die hen had weggeleid uit Egypte, uit de macht van Farao, de koning van Egypte, en omdat zij andere goden vereerd hadden. 2KON 17:8 De Israëlieten waren gaan leven naar de zeden van de volken die Jahwe voor hen verdreven had. Het waren de koningen van Israël die dit gedaan hadden. 2KON 17:9 De Israëlieten hadden zich toegelegd op praktijken die niet passend waren tegenover Jahwe hun God. Zij hadden offerhoogten gebouwd, overal waar ze woonden, zowel bij de wachttorens op het land als in de versterkte steden. 2KON 17:10 Op elke hoge heuvel en onder elke groene boom hadden zij heilige stenen en heilige palen opgericht. 2KON 17:11 Zij hadden op al die hoogten wierook gebrand, zoals de volken die Jahwe voor hen verbannen had, en hadden met hun kwade praktijken Jahwe's toorn opgewekt. 2KON 17:12 Zij hadden de afgodsbeelden vereerd, tegen het verbod van Jahwe in. 2KON 17:13 Jahwe had Israël en Juda bij monde van zijn profeten en zieners gewaarschuwd en gezegd: `Keert u af van uw slechte wegen en onderhoudt mijn geboden, mijn voorschriften, overeenkomstig de wet die Ik uw vaderen gegeven heb en waarmee Ik mijn dienaren de profeten tot u heb gezonden.' 2KON 17:14 Maar zij wilden niet luisteren en waren even halsstarrig als hun vaderen die ook niet op Jahwe hun God vertrouwd hadden. 2KON 17:15 Zij trokken zich niets aan van zijn voorschriften, van het verbond dat Hij gesloten had met hun vaderen en van de verordeningen die Hij had uitgevaardigd. 2KON 17:16 Goden van niets zijn ze nagelopen en daardoor tot niets vervallen; de volken in hun omgeving zijn ze nagelopen, terwijl Jahwe hun toch geboden had, niet te doen zoals die volken. Al de geboden van Jahwe hun God, hebben zij veronachtzaamd; zij vervaardigden gegoten beelden, twee stieren; ze vervaardigden een heilige paal, bogen zich neer voor heel het leger van de hemellichamen en vereerden Baäl. 2KON 17:17 Ze lieten hun zonen en dochters door het vuur gaan, gaven zich af met waarzeggerij en wichelarij en lieten zich gebruiken om te doen wat Jahwe misgaat. Zo griefden zij Hem. 2KON 17:18 Daarom was Jahwe hevig vertoornd geworden op Israël; Hij duldde het niet langer onder zijn ogen en vaagde het weg. Er bleef niets over, alleen de stam Juda. 2KON 17:19 Ook Juda hield zich niet aan de geboden van Jahwe zijn God, maar leefde naar de zeden die Israël had aangenomen. 2KON 17:20 Jahwe verwierp het hele geslacht Israël; Hij vernederde het en gaf het prijs aan plunderaars tot ze uit zijn ogen verdwenen waren. 2KON 17:21 Toen Jahwe Israël had losgescheurd van het huis van David, werd Jerobeam, de zoon van Nebat, tot koning uitgeroepen; en Jerobeam vervreemdde Israël van Jahwe en verleidde het tot zware zonde. 2KON 17:22 De Israëlieten bedreven alle zonden die Jerobeam begaan had en zij hielden daar niet mee op, 2KON 17:23 totdat Jahwe Israël niet langer onder zijn ogen duldde en het wegvaagde, zoals Hij had aangezegd bij monde van zijn dienaren, de profeten. Hij liet Israël in ballingschap naar Assur gaan, en daar, ver van zijn land, is het tot op de huidige dag. 2KON 17:24 Uit Babel, Kuta, Awwa, Hamat en Sefarwaim voerde de koning van Assur toen mensen aan en liet die wonen in de steden van Samaria, in plaats van de Israëlieten. Zij namen bezit van Samaria en vestigden zich in de onderhorige steden. 2KON 17:25 De eerste tijd dat zij daar woonden vereerden zij Jahwe niet. Daarom stuurde Jahwe leeuwen op hen af, die veel slachtoffers onder hen maakten. 2KON 17:26 Toen werd tot de koning van Assur gezegd: De volken die u gedeporteerd hebt en hebt ondergebracht in de steden van Samaria weten niet hoe zij de God van dat land moeten vereren; daarom heeft die God leeuwen op hen afgestuurd, die hen doden, omdat zij niet weten hoe zij de God van dat land moeten vereren. 2KON 17:27 Toen gaf de koning van Assur de volgende opdracht: `Laat een van de priesters die u uit Samaria gedeporteerd hebt terugkeren en er zich vestigen; hij moet de bewoners leren hoe zij de God van het land moeten dienen.' 2KON 17:28 Zo kwam een van de gedeporteerde priesters in Samaria terug; hij vestigde zich in Betel en leerde hen hoe zij Jahwe moesten vereren. 2KON 17:29 Maar de verschillende bevolkingsgroepen bleven hun eigen godenbeelden maken en plaatsten die in de tempels die de Samaritanen op de offerhoogten gebouwd hadden. Zo deed iedere groep in de stad waar zij woonden. 2KON 17:30 De Babyloniers maakten een beeld van Sukkot benot, die van Kuta een van Nergal, die van Hamat een van Asima. 2KON 17:31 de Awwieten maakten een Nibchaz en een Tartak, en de Sefarwieten verbrandden hun zonen ter ere van Adrammelek en Anammelek, de goden van Sefarwaim. 2KON 17:32 Tegelijkertijd vereerden zij ook Jahwe en stelden zij uit hun midden priesters aan om voor hen dienst te doen in de tempels op de offerhoogten. 2KON 17:33 Zij vereerden Jahwe wel, maar dienden ook hun eigen goden volgens het gebruik van de volken waaruit men hen had weggevoerd. 2KON 17:34 Tot op heden gaan zij voort met die oude praktijken: ze hebben geen ontzag voor Jahwe en handelen niet naar de hun gegeven voorschriften en bepalingen, naar de wet en de geboden, door Jahwe gegeven aan de zonen van Jakob, die van Jahwe de naam Israël heeft gekregen. 2KON 17:35 Jahwe had immers een verbond met hen gesloten en Hij had hun geboden: `Gij zult geen andere goden vereren; gij zult u voor hen niet neerbuigen, hun geen goddelijke eer bewijzen en geen offers brengen. 2KON 17:36 Alleen Jahwe, die u met grote kracht en sterke arm uit Egypte heeft gevoed, Hem zult gij vereren, voor Hem zult gij u neerbuigen en Hem zult gij offers brengen. 2KON 17:37 De voorschriften en bepalingen, de wet en de geboden, die Hij voor u neer geschreven heeft, zult gij altijd blijven onderhouden; gij zult geen andere goden vereren. 2KON 17:38 Het verbond dat Ik met u gesloten heb, zult gij niet vergeten en gij zult geen andere goden vereren. 2KON 17:39 In tegendeel: Jahwe, uw God, zult gij vereren en Hij bevrijdt u uit de macht van al uw vijanden.' 2KON 17:40 Maar zij hebben niet willen luisteren en hebben hun oude praktijken voortgezet. 2KON 17:41 Zo vereerden deze volken wel Jahwe, maar dienden zij ook hun eigen godenbeelden; ook hun zonen en kleinzonen doen wat hun vaders deden, tot op de huidige dag. 2KON 18:1 In het derde regeringsjaar van Hosea, de zoon van Ela en koning van Israël, werd Hizkia, de zoon van Achaz, koning van Juda. 2KON 18:2 Hij was vijfentwintig jaar toen hij koning werd en regeerde negenentwintig jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Abi en was een dochter van Zekarja. 2KON 18:3 Hij deed wat Jahwe behaagt, juist zoals zijn vader David. 2KON 18:4 Hij was het die een einde maakte aan de offerhoogten, die de heilige stenen verbrijzelde en de heilige bomen liet omhakken. Ook sloeg hij de bronzen slang stuk, die Mozes gemaakt had: tot dan toe hadden de Israëlieten daar offervuur voor ontstoken; men noemde haar Nechustan. 2KON 18:5 Hizkia stelde zijn vertrouwen op Jahwe, de God van Israël; daarin werd hij door geen van de koningen van Juda na hem geevenaard, noch door een van zijn voorgangers. 2KON 18:6 Hij hing Jahwe aan en week niet van Hem, maar onderhield de geboden die Jahwe aan Mozes had gegeven. 2KON 18:7 Jahwe stond hem bij: in alles wat de koning ondernam had hij succes. Hij kwam in opstand tegen de koning van Assur en bleef niet langer diens vazal. 2KON 18:8 Hij was het die de Filistijnen tot in Gaza terugsloeg en het bijbehorend gebied, met de wachttorens en de versterkte steden, verwoestte. 2KON 18:9 In het vierde regeringsjaar van koning Hizkia dat is het zevende regeringsjaar van Hosea, de zoon van Ela en koning van Israël rukte koning Salmanassar van Assur tegen Samaria op en sloeg het beleg voor de stad. 2KON 18:10 Na verloop van drie jaar namen ze de stad in. In het zesde regeringsjaar van Hizkia dat is het negende regeringsjaar van koning Hosea van Israël werd Samaria ingenomen. 2KON 18:11 De koning van Assur deporteerde de Israëlieten naar Assur en wees hun een verblijfplaats toe in Chalach en aan de Chabor, een rivier in Gozan, en in enige steden van Medie. 2KON 18:12 Dit alles is gebeurd, omdat zij niet hadden geluisterd naar Jahwe hun God, en omdat ze zijn verbond, al de geboden van Mozes, de dienaar van Jahwe, hadden overtreden; zij hadden er niet naar geluisterd en er niet naar gehandeld. 2KON 18:13 In het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia rukte koning Sanherib van Assur tegen de versterkte steden van Juda op en nam ze alle in. 2KON 18:14 Toen zond koning Hizkia van Juda een gezantschap naar de koning van Assur in Lakis en liet hem zeggen: `Ik heb verkeerd gedaan. Als u hier wegtrekt, zal ik betalen wat u mij oplegt.' De koning van Assur legde koning Hizkia van Juda een schatting op van driehonderd talenten zilver en dertig talenten goud. 2KON 18:15 Hizkia gaf hem al het zilver dat zich bevond in de tempel van Jahwe en in de schatkamer van het koninklijk paleis. 2KON 18:16 Bij die gelegenheid liet Hizkia de deuren van de tempel van Jahwe en de pijlers, die hijzelf met goud had bekleed, wegnemen en gaf ze aan de koning van Assur. 2KON 18:17 Toen zond de koning van Assur vanuit Lakis zijn opperbevelhebber, zijn hofmaarschalk en zijn intendant met een indrukwekkend gevolg naar koning Hizkia in Jeruzalem. Zij gingen op weg naar het Blekersveld. 2KON 18:18 Toen zij naar de koning vroegen, kwam de hofmaarschalk Eljakim, de zoon van Chilkia, naar hen toe, vergezeld van de schrijver Sebna en de raadsheer Joach, de zoon van Asaf. 2KON 18:19 De intendant zei tot hen: `Dit moet u Hizkia zeggen: Zo spreekt de grote koning, de koning van Assur: Waar steunt dat vertrouwen van u eigenlijk op? 2KON 18:20 Denkt u soms dat woorden op de lippen hetzelfe zijn als beleid en militaire macht? Op wie vertrouwt u, dat u zich tegen mij durft verzetten? 2KON 18:21 U stelt uw vertrouwen kennelijk op Egypte, die geknakte rieten stok. Op zo'n riet kan niemand leunen zonder dat het hem dwars door zijn hand steekt. Zo vergaat het allen die vertrouwen op de Farao, de koning van Egypte! 2KON 18:22 En nu kunt u wel tegen mij zeggen: Op Jahwe onze God vertrouwen wij! Maar juist aan diens offerhoogten en altaren heeft Hizkia een einde gemaakt en hij heeft tot de mensen van Juda en Jeruzalem gezegd: Voor dit altaar, hier in Jeruzalem, moet u zich neerbuigen. 2KON 18:23 Ga een weddenschap aan met mijn heer, de koning van Assur: ik zal u tweeduizend paarden leveren, als u in staat ben daar berijders voor te leveren. 2KON 18:24 Hoe zoudt u dan de aanval kunnen afslaan van een enkele stadhouder, een van de minste dienaren van mijn heer? Of vertrouwt u op Egypte voor wagens en wagenmenners? 2KON 18:25 Zou ik trouwens, zonder dat Jahwe het wilde, maar deze plaats zijn opgerukt om haar te verwoesten? Neen, Jahwe heeft tot mij gezegd: Ruk op naar dat land en verwoest het!' 2KON 18:26 Toen zeiden Eljakim, de zoon van Chilkia, en Sebna en Joach tot de intendant: `Spreek toch Aramees met uw dienaren; wij verstaan het wel. U moet met ons geen Judees spreken, terwijl het volk op de muur het hoort.' 2KON 18:27 Maar de intendant antwoordde: `Heeft mijn heer mij met deze boodschap alleen naar uw heer en naar u gezonden? Toch ook naar de mannen die op de muur zitten en die, net als u, hun eigen drek zullen moeten eten en hun eigen water zullen moeten drinken?' 2KON 18:28 Toen stelde de intendant zich op en riep met luide stem in het Judees: `Hoort! Dit is het woord van de grote koning, de koning van Assur: 2KON 18:29 Zo spreekt de koning: Laat u niet door Hizkia bedriegen, want hij kan u niet uit mijn handen redden. 2KON 18:30 En laat Hizkia u niet verleiden tot vertrouwen op Jahwe, wanneer hij verzekert dat Jahwe u zal redden en dat deze stad niet in handen van de koning van Assur zal vallen. 2KON 18:31 Luister niet naar Hizkia. Zo spreekt de koning van Assur: Geeft u over en komt naar buiten, mij tegemoet; dan kan ieder de vruchten eten van zijn wijnstok en zijn vijgeboom en water drinken uit zijn eigen put, 2KON 18:32 totdat ik kom om u mee te nemen naar een land dat even goed is als het uwe, een land van koren en most, van brood en wijngaarden, een land van olijfbomen en honing. U zult blijven leven en niet hoeven te sterven. Naar Hizkia moet u niet luisteren: hij bedriegt u als hij beweert dat Jahwe u redden zal. 2KON 18:33 Is er onder de goden van de volken ooit een geweest die zijn land heeft kunnen redden uit de greep van de koning van Assur? 2KON 18:34 Waar waren de goden van Hamat en Arpad, waar de goden van Sefarwaim, van Hama en van Iwwa? 2KON 18:35 Is er onder al de goden van die landen een geweest die zijn land uit mijn greep heeft kunnen redden? Zou Jahwe Jeruzalem dan wel uit mijn greep kunnen redden?' 2KON 18:36 Het volk zweeg; niemand zei een woord terug, want de koning had bevolen hem geen antwoord te geven. 2KON 18:37 De hofmeester Eljakim, de zoon van Chilkia, de schrijver Sebna en de raadsheer Joach, de zoon van Asaf, begaven zich met gescheurde kleren naar Hizkia en brachten hem op de hoogte van wat de intendant gezegd had. 2KON 19:1 Toen koning Hizkia dit hoorde, scheurde hij zijn kleren doormidden, deed een zak om en begaf zich naar de tempel van Jahwe. 2KON 19:2 De hofmaarschalk Eljakim, de schrijver Sebna en de oudsten van de priesters zond hij, gekleed in zakken, naar de profeet Jesaja, de zoon van Amos. 2KON 19:3 Ze zeiden tot hem: `Zo spreekt Hizkia: Dit is een dag van benauwenis, een dag van straf en schande: het kind ontsluit de baarmoeder, maar de kracht om te baren is er niet. 2KON 19:4 Moge Jahwe uw God al de woorden gehoord hebben van de intendant, die door de koning van Assur, zijn heer, gezonden was om de levende God te honen. Moge Jahwe uw God hem voor die woorden straffen. Spreek dus een gebed uit voor de rest die is overgebleven.' 2KON 19:5 Toen de hovelingen van koning Hizkia bij Jesaja gekomen waren, 2KON 19:6 zei deze tot hen: `Dit moet gij uw heer zeggen: Laat u geen angst aanjagen door wat u gehoord hebt, de woorden waarmee die jongemannen van de koning van Assur mij gelasterd hebben. 2KON 19:7 Want Ik, Ik zal hem in paniek brengen, zodat hij op het horen van een gerucht rechtsomkeert maakt naar zijn land; daar, in zijn eigen land, zal Ik hem door het zwaard doen omkomen.' 2KON 19:8 De intendant, die vernomen had dat de koning van Assur uit Lakis weggetrokken was, ging heen en voegde zich bij de koning, die op dat ogenblik Libna belegerde. 2KON 19:9 Maar toen de koning vernam dat Tirhaka, de koning van Kus, opgerukt was om de strijd met hem aan te binden, zond hij opnieuw gezanten naar Hizkia met de boodschap: 2KON 19:10 `Dit moet u zeggen tot Hizkia, de koning van Juda: Laat u niet bedriegen door uw God, op wie u vertrouwt, en meen niet dat Jeruzalem niet in de handen van de koning van Assur zal vallen. 2KON 19:11 U hebt toch zelf gehoord wat de koningen van Assur alle landen hebben aangedaan, die zij met de ban geslagen hebben? En zoudt u dan gered worden? 2KON 19:12 De volken die door mijn voorvaderen in het verderf zijn gestort. Gozan, Haran, Resef en de zonen van Eden in Telassar, zijn die door hun goden gered? 2KON 19:13 Waar zijn ze gebleven, de koningen van Hamat, van Arpad, van de stad Sefarwaim, van Hena en van Iwwa?' 2KON 19:14 Hizkia nam de boodschap van de gezanten aan en las die. Toen ging hij naar de tempel en legde de brief open voor Jahwe. 2KON 19:15 En Hizkia bad daar, voor Jahwe, als volgt: `Jahwe, God van Israël, die op de kerubs troont, Gij alleen zijt God over alle koninkrijken der aarde. Gij die de hemel en de aarde hebt gemaakt. 2KON 19:16 Jahwe, neig uw oor en luister, Jahwe, open uw ogen en zie toe: hoor met welke woorden Sanherib de levende God laat honen. 2KON 19:17 Inderdaad, Jahwe, de koningen van Assur hebben de volken en hun landen verwoest en hebben hun goden in het vuur geworpen: 2KON 19:18 het waren dan ook geen goden, maar slechts maaksels van mensenhanden, hout en steen; daarom konden zij die vernietigen. 2KON 19:19 Maar Gij, Jahwe onze God, verlos ons toch uit zijn greep, opdat alle koninkrijken der aarde erkennen dat alleen Gij, Jahwe, God zijt.' 2KON 19:20 Toen liet Jesaja, de zoon van Amos, tot Hizkia zeggen: `Zo spreekt Jahwe, de God van Israël: Ik heb het gebed gehoord dat gij tot Mij gericht hebt aangaande Sanherib, de koning van Assur. 2KON 19:21 Dit is het woord dat Jahwe tegen hem heeft uitgesproken: Zij veracht u, zij bespot u, de maagd, de dochter Sion; achter uw rug schudt zij het hoofd, de dochter Jeruzalem! 2KON 19:22 Wie is het die gij hebt gehoond en beschimpt, tegen wie gij uw stem hebt verheven, op wie gij hoogmoedig uw blik hebt gericht? Het is de Heilige van Israël! 2KON 19:23 Door uw boden hebt gij de Heer gehoond en hebt gij gezegd: Met mijn talrijke wagens bestijg ik de hoogten van de bergen, de flanken van de Libanon. Ik vel zijn statige ceders, zijn prachtigste cypressen. Tot zijn laatste schuilhoek dring ik door, tot de weelde van zijn hof. 2KON 19:24 Wateren van vreemde landen heb ik aangehoord en gedronken. Met mijn voetstap leg ik droog alle waterlopen van Egypte. 2KON 19:25 Maar hebt gij dan nooit gehoord dat Ik, Jahwe, van oudsher dit heb voorbereid, dat Ik het sinds lang verleden dagen heb beschikt? Nu laat Ik het gebeuren! Gij moest sterke steden verwoesten; gij moest ze tot puinhopen maken. 2KON 19:26 De inwoners, met machteloze handen, stonden ontsteld en beschaamd; zij werden als planten op het veld, als jong groen, als gras op het dak, als koren, verzengd voor het halmen schiet. 2KON 19:27 Maar waar gij ook zit of gaat of komt, Ik weet het, en ook hoe gij tegen Mij tekeergaat. 2KON 19:28 En omdat gij tegen mij tekeer zijt gegaan en om uw geschreeuw dat steeg naar mijn oren, leg Ik door uw neus een ring en tussen uw lippen een bit, en daarmee breng Ik u terug langs de weg die gij gekomen zijt. 2KON 19:29 En voor u, Hizkia, zal dit het teken zijn: dit jaar moet gij nog van de naoogst eten, het volgende jaar van wat vanzelf is opgekomen; het derde jaar zult gij zaaien en oogsten, wijngaarden planten en daar de vruchten van genieten. 2KON 19:30 Wat er gespaard blijft van het huis van Juda, die rest zal weer wortels schieten naar beneden en vruchten dragen naar boven. 2KON 19:31 Want uit Jeruzalem komt een rest, van de berg Sion komt wat gespaard blijft; de ijverzuchtige liefde van Jahwe zal dit bewerken. 2KON 19:32 Daarom spreekt Jahwe aldus over de koning van Assur: Hij komt deze stad niet binnen, geen pijl schiet hij op haar af, met geen schild komt hij haar te na, geen wal werpt hij tegen haar op. 2KON 19:33 Langs de weg die hij gekomen is keert hij terug, en deze stad komt hij niet binnen. Zo luidt de godsspraak van Jahwe. 2KON 19:34 Ik neem deze stad onder mijn hoede om haar te redden, omwille van mijzelf en omwille van David, mijn dienaar.' 2KON 19:35 Die nacht trok de engel van Jahwe uit en hij doodde in de legerplaats van de koning van Assur honderdvijfentachtigduizend man: 's morgens vroeg lagen er niets dan lijken. 2KON 19:36 Sanherib, de koning van Assur, brak op, keerde naar zijn land terug en bleef in Nineve. 2KON 19:37 En toen hij daar eens neergebogen lag in de tempel van zijn god Nisrok, doodden zijn zonen Adrammelek en Sareser hem met het zwaard; zij ontkwamen naar het land Ararat. Zijn zoon Esarhaddon volgde hem als koning op. 2KON 20:1 In die dagen werd Hizkia dodelijk ziek. De profeet Jesaja, de zoon van Amos, ging naar hem toe en zei tot hem: `Zo spreekt Jahwe: Stel orde op uw huis, want gij gaat sterven en zult niet langer in leven blijven.' 2KON 20:2 Toen keerde Hizkia zijn gezicht naar de muur en bad tot Jahwe: 2KON 20:3 `Ach Jahwe, bedenkt toch hoe ik onder uw ogen geleefd heb met een trouw en toegewijd hart, en hoe ik gedaan heb wat U behaagt.' En Hizkia weende lui. 2KON 20:4 Jesaja had de binnenhof nog niet verlaten of het woord van Jahwe kwam tot hem: 2KON 20:5 `Keer terug en zeg tot Hizkia, de vorst van mijn volk: Zo spreekt Jahwe, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien. Welnu, Ik ga u genezen: op de derde dag zult gij opgaan naar de tempel van Jahwe. 2KON 20:6 Ik zal aan uw leven vijftien jaren toevoegen: Ik zal u en deze stad uit de greep van de koning van Assur redden en Ik neem deze stad onder mijn hoede, om wille van Mijzelf en om wille van David, mijn dienaar.' 2KON 20:7 Jesaja gaf opdracht een vijgekoek te halen. Zij haalden er een en legden die op het gezwel, en Hizkia leefde weer op. 2KON 20:8 Hij vroeg aan Jesaja: `Aan welk teken zal ik kunnen zien dat Jahwe mij zal genezen en dat ik de derde dag zal opgaan naar de tempel van Jahwe?' 2KON 20:9 Jesaja antwoordde: `Dit is het teken dat Jahwe u zal geven om u te laten weten dat Jahwe inderdaad het woord zal nakomen dat Hij gesproken heeft. Deze schaduw, moet ze tien treden vooruit of tien treden achteruitgaan?' 2KON 20:10 Hizkia antwoordde: `Tien treden vooruit is voor de schaduw niet moeilijk.' Laat de schaduw liever teruggaan, tien treden achteruit.' 2KON 20:11 Toen riep de profeet Jesaja Jahwe aan en Jahwe liet de schaduw teruggaan op de treden die zij al afgedaald was, tien treden achteruit op de trap van Achaz. 2KON 20:12 In die tijd zond Merodak baladan, de zoon van Baladan en koning van Babel, gezanten naar Hizkia met een brief en geschenken, want hij had gehoord dat Hizkia ziek was. 2KON 20:13 Hizkia ontving hen en toonde hun heel zijn schatkamer, het zilver en het goud, het reukwerk en de kostbare olie, het tuighuis en alles wat er in zijn voorraadkamers lag opgeslagen. Er was in zijn paleis en in heel zijn rijk geen ding, dat Hizkia hun niet had laten zien. 2KON 20:14 Toen begaf de profeet Jesaja zich naar koning Hizkia en vroeg: `Wat hebben deze mannen gezegd? Waar kwamen ze vandaan?' Hizkia antwoordde: `Ze kwamen uit een ver land, uit Babel.' 2KON 20:15 Daarop vroeg Jesaja: `Wat hebben zij in uw paleis allemaal gezien?' Hizkia antwoordde: `Alles wat er is hebben zij gezien; er is geen ding in mijn voorraadkamers dat ik hun niet heb laten zien.' 2KON 20:16 Toen zei Jesaja tot Hizkia: `Luister naar het woord van Jahwe: 2KON 20:17 De dagen komen dat alles wat er in hun paleis te vinden is, alles wat uw voorvaderen tot vandaag toe opgestapeld hebben, naar Babel wordt overgebracht. Niets blijft er over. Jahwe heeft het gezegd. 2KON 20:18 En sommige van de zonen die van u zullen afstammen, die gij zult verwekken, zullen worden weggevoerd om hofjonker te worden in het paleis van de koning van Babel.' 2KON 20:19 Hizkia gaf Jesaja ten antwoord: `Het woord van Jahwe dat u gesproken hebt is een goed woord.' En Hizkia dacht bij zichzelf: `Mij is het goed, als in mijn tijd de vrede maar behouden blijft.' 2KON 20:20 Verdere bijzonderheden over Hizkia, over zijn krijgsverrichtingen en hoe hij de vijver en de waterleiding liet aanleggen en zo de stad van water voorzag, staan opgetekend in de annalen van de koningen van Juda. 2KON 20:21 Hizkia ging bij zijn vaderen te ruste en zijn zoon Manasse volgde hem als koning op. 2KON 21:1 Manasse was twaalf jaar oud toen hij koning werd; hij regeerde vijfenvijftig jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Chefsiba. 2KON 21:2 Hij deed wat Jahwe mishaagt, overeenkomstig de gruwelijke gewoonten van de volken die Jahwe voor de Israëlieten verdreven had. 2KON 21:3 Hij herbouwde de heiligdommen op de hoogten, die zijn vader Hizkia had verwoest, richtte altaren op voor Baäl en maakte een heilige paal, juist zoals koning Achab van Israël gedaan had. Hij boog zich neer voor heel het leger van de hemellichamen en bewees hun goddelijke eer. 2KON 21:4 Zelfs in de tempel van Jahwe bouwde hij altaren, terwijl deze toch gezegd had: `Ik zal mijn naam vestigen in Jeruzalem.' 2KON 21:5 In de beide voorhoven van de tempel van Jahwe bouwde hij altaren voor heel het leger van de hemellichamen. 2KON 21:6 Hij liet zijn zoon door het vuur gaan, gaf zich af met waarzeggerij en wichelarij, en stelde dodenbezweerders en waarzeggers aan. Onophoudelijk deed hij wat Jahwe mishaagt en hij wekte daardoor Jahwe's toorn op. 2KON 21:7 Hij liet een beeld maken, de heilige paal, en plaatste die in de tempel, terwijl Jahwe toch tot David en zijn zoon Salomo gezegd had: `Voor altijd zal Ik in deze tempel mijn naam vestigen, in de stad Jeruzalem, die Ik uit alle stammen van Israël heb uitverkoren. 2KON 21:8 Ik zal Israël voortaan geen voetbreed meer doen wijken van de grond die Ik hun vaderen heb gegeven, indien zij tenminste nauwkeurig alles nakomen wat Ik geboden heb en heel de wet onderhouden die mijn dienaar Mozes hun heeft voorgeschreven.' 2KON 21:9 Zij hebben echter niet geluisterd; Manasse heeft hen verleid om nog erger kwaad te doen dan de volken die Jahwe bij de komst van de Israëlieten verdelgd had. 2KON 21:10 Jahwe sprak bij monde van zijn dienaren de profeten: 2KON 21:11 `Manasse, de koning van Juda, heeft deze gruwelijke praktijken beoefend; hij heeft meer kwaad gedaan dan ooit de Amorieten voor hem en hij heeft met zijn gruwelbeelden de Judeers tot zonde verleid. 2KON 21:12 Daarom spreekt Jahwe de God van Israël aldus: Ik breng onheil over Jeruzalem en Juda, zo groot onheil dat ieder die het hoort de beide oren zullen tuiten! 2KON 21:13 Ik leg het meetsnoer van Samaria en het schietlood van het huis van Achab over Jeruzalem; Ik ga Jeruzalem afwassen zoals men een schotel afwast; men wast hem af en keert hem ondersteboven. 2KON 21:14 Ik zal het overschot van mijn erfdeel verstoten en overleveren aan zijn vijanden; zij worden een prooi en een buit voor al hun vijanden, 2KON 21:15 omdat zij gedaan hebben wat Mij mishaagt en voortdurend mijn toorn hebben opgewekt vanaf de dag dat hun vaderen uit Egypte trokken tot op de dag van vandaag.' 2KON 21:16 Manasse heeft verder zoveel onschuldig bloed vergoten dat Jeruzalem er boordevol van was; en daar kwam dan nog de zonde bij, waartoe hij de Judeeërs verleidde, zodat zij deden wat Jahwe mishaagt. 2KON 21:17 Verdere bijzonderheden over Manasse en over zijn daden en de zonde die hij bedreef staan opgetekend in de annalen van de koningen van Juda. 2KON 21:18 Manasse ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven in de tuin van zijn paleis, de tuin van Uzza. Zijn zoon Amon volgde hem als koning op. 2KON 21:19 Amon was tweeëntwintig jaar toen hij koning werd; hij regeerde twee jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Mesullemet; zij was een dochter van Cherus, afkomstig uit Jotba. 2KON 21:20 Hij deed wat Jahwe mishaagt, juist zoals zijn vader Manasse. 2KON 21:21 Hij volgde in alles het voorbeeld van zijn vader; hij bewees goddelijke eer aan dezelfde gruwelbeelden als zijn vader en boog zich daarvoor neer. 2KON 21:22 Hij verliet Jahwe, de God van zijn vaderen, en wandelde niet op de weg van Jahwe. 2KON 21:23 De hovelingen van Amon beraamden een aanslag tegen hun koning en zij vermoordden hem in zijn paleis. 2KON 21:24 Maar het volk doodde allen die de aanslag tegen koning Amon gepleegd hadden en riep in zijn plaats zijn zoon Josia tot koning uit. 2KON 21:25 Verder bijzonderheden over Amon en over zijn daden staan in de annalen van de koningen van Juda. 2KON 21:26 Hij werd begraven in zijn graf, in de tuin van Uzza; zijn zoon Josia volgde hem als koning op. 2KON 22:1 Josia was acht jaar toen hij koning werd; hij regeerde eenendertig jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Jedidja; zij was een dochter van Adaja, afkomstig uit Boskat. 2KON 22:2 Hij deed wat Jahwe behaagt en volgde in alles het voorbeeld van zijn vader David en week daar geen voetbreed van af. 2KON 22:3 In zijn achttiende regeringsjaar zond koning Josia de schrijver Safan, de zoon van Asalja, zoon van Mesullam, naar de tempel van Jahwe met de volgende opdracht: 2KON 22:4 `Ga naar de hogepriester Chilkia; hij moet het geld bijeenbrengen dat in de tempel van Jahwe binnengekomen is en dat de tempelbewakers bij het volk ingezameld hebben. 2KON 22:5 Het moet overhandigd worden aan de voormannen die het toezicht hebben over het werk in de tempel van Jahwe. Die moeten het uitbetalen aan de arbeiders die bezig zijn de bouwvallige gedeelten van de tempel te herstellen: 2KON 22:6 de timmerlieden, de bouwers en de metselaars. Zij moeten ook hout en gebouwen stenen kopen om het gebouw te herstellen. 2KON 22:7 Maar men moet hun geen verantwoording vragen over het geld dat hun overhandigd wordt, want ze zijn in vertrouwen tewerkgesteld.' 2KON 22:8 Toen zei de hogepriester Chilkia tot de schrijver Safan: `Ik heb in de tempel van Jahwe het boek van de wet gevonden.' Chilkia gaf het boek aan Safan en deze las het. 2KON 22:9 Daarop begaf de schrijver Safan zich naar de koning; hij bracht hem verslag uit en zei: `Uw dienaren hebben het geld dat zich in de tempel bevond, te voorschijn gehaald en het overhandigd aan de werklieden die het toezicht hebben over het werk in de tempel van Jahwe.' 2KON 22:10 Verder deelde schrijver Safan de koning mee, dat de priester Chilkia hem een boek had gegeven. En Safan las het de koning voor. 2KON 22:11 Zodra de koning hoorde wat het boek van de wet zei, scheurde hij zijn kleren doormidden, 2KON 22:12 en gaf de volgende opdracht aan de priester Chilkia, aan Achikam, de zoon van Safan, aan Akbor, de zoon van Michaja, aan de schrijver Safan en aan zijn hoveling Asaja: 2KON 22:13 `U gaat Jahwe raadplegen, voor mij en voor het volk, voor heel Juda, met betrekking tot wat er te lezen staan in het boek dat wij gevonden hebben. Jahwe moet tegen ons wel in hevige toorn ontbrand zijn, aangezien onze vaderen niet geluisterd hebben naar de woorden van dit boek en niet hebben gehandeld naar alles wat daarin geschreven staat.' 2KON 22:14 De priester Chilkia ging dus met Achikam, Akbor, Safan en Asaja naar de profetes Chulda, de vrouw van de beheerder van de priestergewaden, Sallum, de zoon van Tikwa, de zoon van Charchas; zij woonde in Jeruzalem, in de nieuwe wijk. 2KON 22:15 De mannen spraken met haar en Chulda antwoordde hun: 2KON 22:16 `Zo spreekt Jahwe de God van Israël: Aan de man die u naar mij gezonden heeft moet u het volgende zeggen: Zo spreekt Jahwe: Gij zult zien dat Ik onheil breng over deze plaats en haar bewoners, al het onheil uit het boek dat de koning van Juda gelezen heeft. 2KON 22:17 Omdat ze Mij hebben verlaten en offervuur hebben ontstoken voor andere goden, zodat ze met al die maaksels van hun eigen handen mijn toorn hebben opgewekt, daarom is tegen deze plaats mijn toorn ontbrand, om niet meer gedoofd te worden. 2KON 22:18 Wat betreft de koning van Juda zelf, die u heeft gezonden om Jahwe te raadplegen, tot hem moet gij het volgende zeggen: Zo spreekt Jahwe de God van Israël met betrekking tot de woorden waarnaar gij geluisterd hebt: 2KON 22:19 Omdat uw hart geraakt werd en gij u voor Jahwe hebt vernederd bij het horen van wat Ik gezegd heb tegen deze plaats en haar bewoners dat zij een voorwerp zullen worden van ontzetting en vervloeking en omdat gij uw kleren doormidden hebt gescheurd en voor mijn aanschijn geweend hebt, daarom heb Ik ook geluisterd. Zo luidt de godsspraak van Jahwe. 2KON 22:20 Ik zal u daarom bij uw vaderen verzamelen en gij zult in vrede bijgezet worden in uw eigen graf; uw ogen zullen niets zien van het onheil dat Ik ga brengen over deze plaats.' Zij deelden deze woorden aan de koning mee. 2KON 23:1 De koning ontbood toen al de oudsten van Juda en Jeruzalem en zij kwamen bij hem samen. 2KON 23:2 De koning ging naar de tempel van Jahwe en met hem gingen alle mannen van Juda, alle bewoners van Jeruzalem, de priesters, de profeten en heel het volk, van klein tot groot. Hij las hun alles voor wat er geschreven stond in het boek van het verbond, dat in de tempel van Jahwe gevonden was. 2KON 23:3 De koning ging op de verhoging staan en hij sloot het verbond voor het aanschijn van Jahwe: zij zouden Jahwe volgen en met heel hun hart en heel hun ziel zijn geboden, verordeningen en voorschriften onderhouden, om daardoor de bepalingen van het verbond, die in het boek geschreven stonden, te doen herleven. Het gehele volk beaamde dit verbond. 2KON 23:4 Aan de hogepriester Chilkia, de ondergeschikte priesters en de tempelbewakers droeg de koning vervolgens op, alle voorwerpen die gemaakt waren voor Baäl, Asjera en heel het leger van de hemellichamen, uit de tempel van Jahwe te verwijderen. Hij liet ze buiten Jeruzalem verbranden, op het braakliggend terrein van de Kidron, en de as naar Betel overbrengen. 2KON 23:5 Hij ontsloeg de afgodspriesters, die door de koningen van Juda waren aangesteld om op de offerhoogten van de steden van Juda en in de omgeving van Jeruzalem offervuur te ontsteken; hij deed hetzelfde met degenen die offervuur ontstaken voor Baäl, voor de zon, de maan, de planeten en heel het heer van de hemellichamen. 2KON 23:6 Hij bracht de heilige paal uit de tempel van Jahwe naar het Kidrondal, buiten Jeruzalem, verbrandde het beeld daar in het dal, verpulverde het tot stof en wierp dat stof op de gemeenschappelijke begraafplaats. 2KON 23:7 Hij brak de verblijven af van de mannen die zich aan ontucht wijdden in de tempel van Jahwe, daar waar de vrouwen hoezen weefden voor Asjera. 2KON 23:8 Hij haalde alle priesters uit de steden van Juda weg en hij ontwijdde, van Geba tot Berseba, de offerhoogten waarop de priesters offervuur hadden ontstoken. Ook brak hij de tempel af op de offerhoogte bij de poort, gelegen bij de ingang van de poort van de stadscommandant Jehosua, aan de linkerkant wanneer men de stadspoort binnenkomt. 2KON 23:9 De priesters van de offerhoogten mochten echter het altaar van Jahwe in Jeruzalem niet betreden; wel aten zij ongezuurde broden in de kring van hun ambtsbroeders. 2KON 23:10 Hij ontwijdde de vuuroven in het dal van Benhinnom, zodat niemand meer zijn zoon of dochter voor de Moloch door het vuur kon laten gaan. 2KON 23:11 Hij verwijderde de paarden die door de koningen van Juda ter ere van de zon aan de ingang van de tempel van Jahwe geplaatst waren, in de voorhof bij de kamer van de hovelingen Netanmelek; de zonnewagen verbrandde hij. 2KON 23:12 De altaren, die door de koningen van Juda gebouwd waren op het dakterras van de bovenkamer van Achaz, en de altaren, die door Manasse waren opgericht in de beide voorhoven van de tempel van Jahwe, liet de koning slopen; hij sloeg ze ter plaatse aan stukken en wierp het puin in het Kidrondal. 2KON 23:13 De offerhoogten ten oosten van Jeruzalem aan de zuidzijde van de berg van het verderf, die Salomo, de koning van Israël, gebouwd had voor Astoret, de gruwel van de Sidoniers, voor Kemos, de gruwel van Moab, en voor Milkom, het monster van de Ammonieten, werden door de koning ontwijd. 2KON 23:14 Hij verbrijzelde de heilige stenen, hakte de heilige palen om en bedekte de plaatsen waar ze gestaan hadden met mensenbeenderen. 2KON 23:15 Ook het altaar, op de offerhoogte te Betel gebouwd door Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had verleid ook dat altaar en die offerhoogte sloopte hij; hij liet de offerhoogte platbranden, verpulverde alles tot stof en verbrandde de heilige paal. 2KON 23:16 Toen Josia rondkeek en de graven daar op de berg zag, liet hij de beenderen uit de graven halen en op het altaar verbranden om het zo te ontwijden; hij deed dit overeenkomstig het woord van Jahwe, verkondigd door de man Gods die deze dingen voorspeld had. 2KON 23:17 Josia vroeg: `Wat is dat voor een grafsteen die ik daar zie?' De inwoners van de stad antwoordden: `Het is het graf van de man Gods die uit Juda gekomen was en die tegen het altaar van Betel voorspeld heeft wat u nu gedaan hebt.' 2KON 23:18 Toen zei de koning: `Laat hem dan met rust: niemand mag zijn gebeente aanraken!' Zo werd zijn gebeente ongemoeid gelaten, evenals het gebeente van de profeet die uit Samaria gekomen was. 2KON 23:19 Josia heeft ook in de steden van Samaria een einde gemaakt aan alle andere tempels op de offerhoogten, die gebouwd waren door de koningen van Israël om Jahwe's toorn op te wekken. Hij deed daar hetzelfde als hij te Betel gedaan had. 2KON 23:20 Hij slachtte al de aanwezige priesters van de offerhoogten op de altaren af en verbrandde er mensenbeenderen op. Toen keerde hij naar Jeruzalem terug. 2KON 23:21 Daarop beval de koning aan het gehele volk: `Nu moet u ter ere van Jahwe, uw God, het paasfeest vieren zoals het in dit boek van het verbond is voorgeschreven.' 2KON 23:22 Sinds de tijd namelijk van de rechters die in Israël waren opgetreden en gedurende heel de tijd van de koningen van Israël en de koningen van Juda was het paasfeest zo niet meer gevierd. 2KON 23:23 Pas in het achttiende jaar van koning Josia werd het paasfeest ter ere van Jahwe zo in Jeruzalem gevierd. 2KON 23:24 Josia heeft ook de dodenbezweerders en de waarzeggers opgeruimd, de huisgoden, de gruwelbeelden en alle afschuwelijkheden, die in Juda en in Jeruzalem te vinden waren. Zo deed hij weer de bepalingen van de wet herleven, die geschreven stonden in het boek dat de priesters Chilkia in de tempel van Jahwe had gevonden. 2KON 23:25 Voor hem is er geen koning geweest die zich zo met heel zijn hart, met heel zijn ziel en al zijn krachten, geheel volgens de wet van Mozes, tot Jahwe bekeerd heeft; ook na hem is er geen meer gekomen die hem geevenaard heeft. 2KON 23:26 Toch kwam Jahwe niet terug op de hevige, laaiende toorn waarin Hij ontbrand was tegen Juda vanwege al de smaad die Manasse Hem had aangedaan. 2KON 23:27 Jahwe zei: `Ook Juda duld Ik niet meer onder mijn ogen en Ik zal het wegvagen, evenals Ik Israël heb weggevaagd. Deze stad, die Ik heb uitverkoren, Jeruzalem, en de tempel, waarvan Ik gezegd heb dat mijn naam daar zou zijn Ik zal ze verwerpen.' 2KON 23:28 Verder bijzonderheden over Josia en over al zijn daden staan opgetekend in de annalen van de koningen van Juda. 2KON 23:29 Tijdens zijn regering trok farao Neko, de koning van Egypte, naar de koning van Assur, naar de rivier de Eufraat. Koning Josia rukte tegen hem uit, maar werd door Neko bij het eerste treffen te Megiddo gedood. 2KON 23:30 Zijn hovelingen brachten zijn lijk op een wagen van Megiddo naar Jeruzalem en begroeven hem in zijn eigen graf. Het volk koos Joachaz, de zoon van Josia, als zijn opvolger; men zalfde hem en riep hem in plaats van zijn vader tot koning uit. 2KON 23:31 Joachaz was drieëntwintig jaar toen hij koning werd; hij regeerde drie maanden in Jeruzalem. Zijn moeder heette Chamutal en was een dochter van Jirmeja, afkomstig uit Libna. 2KON 23:32 Hij deed wat Jahwe mishaagt, juist zoals zijn vaderen. 2KON 23:33 Nadat Joachaz koning was geworden in Jeruzalem, sloeg farao Neko hem te Ribla in Hamat in de boeien; hij legde het land een schatting op van honderd talenten zilver en een talent goud. 2KON 23:34 Farao Neko verhief Eljakim, de zoon van Josia tot koning, als opvolger van zijn vader Josia, en hij veranderde zijn naam in Jojakim. Joachaz nam hij mee, en toen deze in Egypte was aangekomen, stierf hij daar. 2KON 23:35 Jojakim betaalde het zilver en het goud aan Farao, maar om dit geld volgens het bevel aan de Farao te kunnen betalen, moest hij van het volk een belasting heffen. Ieder werd naar vermogen aangeslagen en zo inde hij van het volk het zilver en het goud, dat hij aan farao Neko moest geven. 2KON 23:36 Jojakim was vijfentwintig jaar toen hij koning werd en regeerde elf jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Zebudda en was een dochter van Pedaja, afkomstig uit Ruma. 2KON 23:37 Hij deed wat Jahwe mishaagt, juist zoals zijn vaderen gedaan hadden. 2KON 24:1 In zijn tijd rukte Nebukadnessar, de koning van Babel, op en Jojakim onderwierp zich aan hem. Maar na drie jaar kwam hij tegen hem in opstand. 2KON 24:2 En Jahwe liet benden Chaldeeërs, Arameeërs, Moabieten en Ammonieten Juda binnenvallen om het te gronde te richten, volgens het woord dat Jahwe gesproken heeft door zijn dienaren, de profeten. 2KON 24:3 Dit alles nu overkwam Juda, omdat Jahwe besloten had het te verstoten, vanwege al de zonden die Manasse bedreven had 2KON 24:4 en ook vanwege het onschuldig bloed dat hij in Jeruzalem in stromen had laten vloeien: Jahwe heeft dat niet willen vergeven. 2KON 24:5 Verder bijzonderheden over Jojakim en over zijn daden zijn te vinden in de annalen van de koningen van Juda. 2KON 24:6 Jojakim ging bij zijn vaderen te ruste en zijn zoon Jojakin volgde hem op. 2KON 24:7 De koning van Egypte kwam met zijn leger niet meer buiten zijn land, want de koning van Babel had heel het gebied vanaf de beek van Egypte tot aan de rivier de Eufraat op de koning van Egypte veroverd. 2KON 24:8 Jojakin was achttien jaar oud toen hij koning werd en hij regeerde drie jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Nechusta en was een dochter van Elnatan, afkomstig uit Jeruzalem. 2KON 24:9 Hij deed wat Jahwe mishaagt, juist zoals zijn vader gedaan had. 2KON 24:10 In die tijd trokken de veldheren van Nebukadnessar, de koning van Babel, naar Jeruzalem en sloegen het beleg voor de stad. 2KON 24:11 Tijdens het beleg verscheen Nebukadnessar, de koning van Babel, zelf voor de stad. 2KON 24:12 Toen gaf koning Jojakin van Juda met zijn moeder, zijn hovelingen, zijn hoge ambtenaren en kamerheren zich over aan de koning van Babel en deze nam hem gevangen. Het was in het achtste jaar van zijn regering. 2KON 24:13 Hij voerde uit Jeruzalem alle schatten van de tempel van Jahwe en van het koninklijk paleis weg en haalde van alle voorwerpen die koning Salomo van Israël in de tempel van Jahwe had laten maken, het goud af, juist zoals Jahwe voorzegd had. 2KON 24:14 Uit Jeruzalem voerde hij alle hoge ambtenaren en alle krijgers, een konvooi van tienduizend man, met alle smeden en slotenmakers, in ballingschap weg; niemand bleef er over dan alleen de armsten van het land. 2KON 24:15 Hij voerde Jojakin naar Babel; ook de voornaamsten van het land voerde hij van Jeruzalem naar Babel. 2KON 24:16 Zevenduizend krijgers, duizend smeden en slotenmakers, alle dappere mannen die bij de oorlog betrokken waren, werden door de koning van Babel in ballingschap weggevoerd. 2KON 24:17 Daarna stelde de koning van Babel Mattanja, een oom van Jojakin, in diens plaats tot koning aan en veranderde zijn naam in Sidkia. 2KON 24:18 Sidkia was eenentwintig jaar toen hij koning werd en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Chamutal en was een dochter van Jirmeja, afkomstig uit Libna. 2KON 24:19 Hij deed wat Jahwe mishaagt, juist zoals Jojakim gedaan had. 2KON 24:20 Want Jahwe was zo vertoornd op Jeruzalem en Juda, dat hij besloot ze te verstoten. Toen kwam Sidkia in opstand tegen de koning van Babel. 2KON 25:1 In het negende regeringsjaar van Sidkia, in de tiende maand, op de tiende dag van de maand, trok Nebukadnessar, de koning van Babel, in eigen persoon met heel zijn krijgsmacht op tegen Jeruzalem; hij sloeg er zijn kamp op en wierp een wal op rondom de stad. 2KON 25:2 De belegering duurde tot aan het elfde regeringjaar van Sidkia. 2KON 25:3 Op de negende dag van de maand, toen de hongersnood al zo nijpend was geworden dat er voor het volk van het land geen brood meer was, 2KON 25:4 werd er een bres in de stadsmuur geslagen. Ofschoon de Chaldeeërs rondom de stad lagen, verlieten de krijgslieden 's nachts de stad door de poort tussen de beide muren bij de koninklijke tuin en vluchtten in de richting van de Araba. 2KON 25:5 Het leger van de Chaldeeërs zette de koning na en haalde hem in op de vlakte van Jericho, nadat zijn leger uiteengevallen was. 2KON 25:6 Zij namen de koning gevangen en brachten hem naar de koning van Babel in Ribla. Deze sprak het vonnis over hem uit. 2KON 25:7 De zonen van Sidkia werden voor zijn ogen afgeslacht en vervolgens liet hij Sidkia de ogen uitsteken, hem met twee bronzen kettingen boeien en wegvoeren naar Babel. 2KON 25:8 In de vijfde maand, op de zevende dag van de maand, in het negentiende regeringsjaar van Nebukadnessar, de koning van Babel, trok Nebuzaradan, commandant van de lijfwacht en adjudant van de koning van Babel, Jeruzalem binnen. 2KON 25:9 Hij stak de tempel van Jahwe, het koninklijk paleis en alle huizen van Jeruzalem in brand; alle grote gebouwen liet hij in vlammen opgaan. 2KON 25:10 Het leger van de Chaldeeërs, dat onder bevel stond van de commandant van de lijfwacht, sloopte de muur van Jeruzalem. 2KON 25:11 Wat van het volk in de stad nog was overgebleven, alsook degenen die naar de koning van Babel waren overgelopen, de rest van de bevolking, werd door Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, in ballingschap weggevoerd. 2KON 25:12 Alleen de armsten van het volk liet de commandant van de lijfwacht achter om te zorgen voor wijngaarden en akkers. 2KON 25:13 De bronzen zuilen van de tempel van Jahwe, de onderstellen en de bronzen Zee in de tempel van Jahwe sloegen de Chaldeeërs stuk en het brons brachten ze naar Babel over. 2KON 25:14 Ook de potten, scheppen, messen, schalen en alle andere bronzen voorwerpen die voor de eredienst gebruikt werden, namen zij mee. 2KON 25:15 De vuurbekkens en offerschalen, al wat van goud of zilver was, nam de commandant van de lijfwacht mee. 2KON 25:16 Het brons van de twee zuilen, de Zee en de onderstellen die Salomo voor de tempel van Jahwe had laten maken, was niet te wegen. 2KON 25:17 Elk van beide zuilen was achttien el hoog; er bovenop rustte een bronzen kapiteel dat drie el hoog was en rondom het kapiteel was een vlechtwerk aangebracht met granaatappels, alles van brons. 2KON 25:18 De commandant van de lijfwacht nam de hogepriester Seraja, diens plaatsvervanger Sefanja en de drie dorpelwachters gevangen. 2KON 25:19 Bovendien nam hij in de stad een kamerheer gevangen die het bevel voerde over een legerafdeling, en vijf ambtenaren van het hof, die zich nog in de stad bevonden, eveneens de schrijver van de opperbevelhebber die het volk van het land onder de wapenen riep, en zestig man van het volk van het land die zich nog in de stad bevonden. 2KON 25:20 Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, nam ze gevangen en voerde ze naar de koning van Babel. 2KON 25:21 En de koning van Babel liet ze in Ribla, in de streek van Hamat, ter dood brengen. Zo werd Juda uit zijn land in ballingschap weggevoerd. 2KON 25:22 Over het volk dat Nebukadnessar, de koning van Babel, in het land Juda gelaten had, stelde hij Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, tot landvoogd aan. 2KON 25:23 Toen nu de legeraanvoerders hoorden dat de koning van Babel Gedalja tot landvoogd aangesteld had, begaven allen zich met hun mannen naar Gedalja in Mispa; het waren Jismaël, de zoon van Netanja, Jochanan, de zoon van Kareach, Seraja, de zoon van Tanchumet uit Netofa, en Jaazanja, de zoon van een Maakatiet, met hun mannen. 2KON 25:24 Gedalja verzekerde hun en hun mannen onder ede: `U hebt niets te vrezen van de Chaldeese bezetters; blijft in het land en dient de koning van Babel; dan zal het u goed gaan.' 2KON 25:25 Maar in de zevende maand pleegde Jismaël, de zoon van Netanja, de zoon van Elisama, en lid van de koninklijke familie, samen met tien man een overval en zij brachten Gedalja in Mispa ter dood, met de Judeeërs en de Chaldeeërs die bij hem waren. 2KON 25:26 Toen nam heel het volk, van groot tot klein, met de legeraanvoerders de wijk naar Egypte, want zij vreesden de wraak van de Chaldeeërs. 2KON 25:27 In het zevenendertigste jaar van de ballingschap van Jojakin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zevenentwintigste dag van de maand, verleende Ewil merodak, de koning van Babel, in het jaar van zijn troonsbestijging gratie aan koning Jojakin van Juda. Hij ontsloeg hem uit de gevangenis, 2KON 25:28 verzekerde hem van zijn welwillendheid en gaf hem een ereplaats onder de koningen die met hem in Babel waren. 2KON 25:29 Hij mocht zijn gevangeniskleding afleggen en at voortaan van de koninklijke tafel, zolang hij leefde. 2KON 25:30 In opdracht van de koning van Babel werd dagelijks in zijn onderhoud voorzien, zolang hij leefde. HET EERSTE BOEK KRONIEKEN 1KRON 1:1 Adam, Set, Enos, 1KRON 1:2 Kenan, Mahalalel, Jered, 1KRON 1:3 Henoch, Metuselach, Lamech, 1KRON 1:4 Noach, Sem, Cham en Jafet. 1KRON 1:5 De zonen van Jafet waren Gomer, Magog, Madai, Jawan, Tubal, Mesek en Tiras. 1KRON 1:6 De zonen van Gomer waren Askenaz, Difat en Togarma. 1KRON 1:7 De zonen van Jawan waren Elisa, Tarsis, de Kittiërs en de Rodanieten. 1KRON 1:8 De zonen van Cham waren Kus, Misraim, Put en Kanaän. 1KRON 1:9 De zonen van Kus waren Seba en Chawila, Sabta, Rama en Sabteka. De zonen van Rama waren Seba en Dedan. 1KRON 1:10 Kus verwekte Nimrod. Deze was de eerste machtige heerser op aarde. 1KRON 1:11 Misraim verwekte de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten, 1KRON 1:12 de Patrusieten, de Kasluchieten en de Kaftorieten, waaruit de Filistijnen voortgekomen zijn. 1KRON 1:13 Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Chet, 1KRON 1:14 alsook de Jebusieten, de Amorieten, de Girgasieten, 1KRON 1:15 de Chiwwieten, de Arkieten, de Sinieten, 1KRON 1:16 de Arwadieten, de Semarieten en de Hamatieten. 1KRON 1:17 De zonen van Sem waren Elam, Assur, Arpaksad, Lud en Aram, Us, Chul, Geter en Mas. 1KRON 1:18 Arpaksad verwekte Selach en Selach verwekte Eber. 1KRON 1:19 Eber kreeg twee zonen: de eerste heette Peleg, omdat in zijn tijd de aarde verdeeld werd; zijn broer heette Joktan. 1KRON 1:20 Joktan verwekte Almodad, Selef, Chasarmawet, Jerach, 1KRON 1:21 Hadoram, Uzal, Dikla, 1KRON 1:22 Ebal, Abimaël, Seba, 1KRON 1:23 Ofir; Chawila en Jobab; allen zonen van Joktan. 1KRON 1:24 Sem, Arpaksad, Selach, 1KRON 1:25 Eber, Peleg, Reu, 1KRON 1:26 Serug, Nachor, Terach, 1KRON 1:27 Abram ofwel Abraham. 1KRON 1:28 De zonen van Abraham waren Isaak en Ismaël. 1KRON 1:29 Dit zijn hun nakomelingen: de eerstgeborene van Ismaël was Nebajot, dan Kedar, Abdeel, Mibsam, 1KRON 1:30 Misma, Duma, Massa, Chadad, Tema, 1KRON 1:31 Jetur, Nafis en Kedema. Dat waren de zonen van Ismaël. 1KRON 1:32 De zonen van Ketura, de bijvrouw van Abraham, waren Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach, Seba en Dedan. 1KRON 1:33 De zonen van Midjan waren Efa, Efer, Chanok, Abida en Eldaa; allen zonen van Ketura. 1KRON 1:34 Abraham verwekte Isaak. De zonen van Isaak waren Esau en Israël. 1KRON 1:35 De zonen van Esau waren Elifaz, Reuël, Jeus, Jalam en Korach. 1KRON 1:36 De zonen van Elifaz waren Teman, Omar, Sefi, Gatam, Kenaz, Timna en Amalek. 1KRON 1:37 De zonen van Reuel waren Nachat, Zerach, Samna en Mizza. 1KRON 1:38 De zonen van seïr waren Lotan, Sobal, Sibon, Ana, Dison, Eser en Disan. 1KRON 1:39 De zonen van Lotan waren Chori en Homan; de zuster van Lotan was Timna. 1KRON 1:40 De zonen van Sobal waren Aljan, Manachat, Ebal, Sefi en Onam. De zonen van Sibon waren Ajja en Ana. 1KRON 1:41 De zoon van Ana was Dison. De zonen van Dison waren Chamran, Esban, Jitran en Keran. 1KRON 1:42 De zonen van Eser waren Bilhan, Zaawan en Jaakan. De zonen van Disan waren Us en Aran. 1KRON 1:43 Dit zijn de koningen die in Edom geregeerd hebben, voordat de Israëlieten een koning hadden. Bela, de zoon van Beor; zijn geboorteplaats was Dinhaba. 1KRON 1:44 Bela werd na zijn dood opgevolgd door Jobab, de zoon van Zerach, uit Bosra. 1KRON 1:45 Jobab werd na zijn dood opgevolgd door Chusam, uit het gebied van Teman. 1KRON 1:46 Chusam werd na zijn dood opgevolgd door Hadad, de zoon van Bedad, degene die Midjan in de vlakte van Moab verslagen heeft; zijn geboorteplaats was Awit. 1KRON 1:47 Hadad werd na zijn dood opgevolgd door Samla, uit Masreka. 1KRON 1:48 Samla werd na zijn dood opgevolgd door Saul, uit Rechobot aan de Rivier. 1KRON 1:49 Saul werd na zijn dood opgevolgd door Baäl chanan, de zoon van Akbor. 1KRON 1:50 Baäl chanan werd na zijn dood opgevolgd door Hadad; zijn geboorteplaats was Pai; zijn vrouw heette Mehetabel; ze was een dochter van Matred, de dochter van Me zahab. 1KRON 1:51 Na de dood van Hadad werd Edom bestuurd door de volgende stamhoofden: sjeik Timna, sjeik Alja, sjeik Jetet, 1KRON 1:52 sjeik Oholibama, sjeik Ela, sjeik Pinon, 1KRON 1:53 sjeik Kenaz, sjeik Teman, sjeik Mibsar, sjeik Magdiël en sjeik Iram. Dat waren de stamhoofden van Edom. 1KRON 2:1 Dit waren de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issakar en Zabulon, 1KRON 2:2 Dan, Jozef en Benjamin, Naftali, Gad en Aser. 1KRON 2:3 De zonen van Juda waren Er, Onan en Sela; drie die hem geboren werden uit Batsua, een Kanaänistische. Er, de eerstgeborene van Juda, wekte het misnoegen op van Jahwe, zodat deze hem liet sterven. 1KRON 2:4 Juda's schoondochter Tamar baarde hem echter Peres en Zerach. Hij heeft dus in het geheel vijf zonen gehad. 1KRON 2:5 De zonen van Peres waren Chesron en Chamul. 1KRON 2:6 De zonen van Zerach waren Zimri, Etan, Heman, Kalkol en Darda; in het geheel vijf. 1KRON 2:7 De zoon van Karmi was Akar, die onheil gebracht heeft over Israël doordat hij de ban geschonden had. 1KRON 2:8 De zoon van Etan was Azarja. 1KRON 2:9 De zonen van Chesron waren Jerachmeël, Ram en Kelubai. 1KRON 2:10 Ram verwekte Amminadab, Amminadab verwekte Nachson, de vorst van de Judeeërs, 1KRON 2:11 Nachson verwekte Salma; Salma verwekte Boaz; 1KRON 2:12 Boaz verwekte Obed; Obed verwekte Isaï. 1KRON 2:13 Isaï verwekte Eliab, zijn eerstgeborene, Abinadab, zijn tweede zoon, Sima, zijn derde, 1KRON 2:14 Netanel, zijn vierde, Raddai, zijn vijfde, 1KRON 2:15 Osem, zijn zesde, En David, zijn zevende. 1KRON 2:16 Hun zusters waren Seruja en Abigail. De zonen van Seruja waren Absai, Joab en Asaël, in het geheel drie. 1KRON 2:17 Abigail baarde Amasa; de vader van Amasa was Jeter de Ismaëliet. 1KRON 2:18 Kaleb, de zoon van Chesron, verwekte Jeriot bij zijn vrouw Azuba; en dit waren haar zonen: Jeser, Sobab en Ardon. 1KRON 2:19 Toen Azuba gestorven was, huwde Kaleb Efrat; zij baarde hem Chur. 1KRON 2:20 Chur verwekte Uri; Uri verwekte Besalel. 1KRON 2:21 Later huwde Chesron de dochter van Makir, de vader van Gilead; hij was toen al zestig; zij baarde hem Segub. 1KRON 2:22 Segub verwekte Jair. Deze bezat drieëndertig nederzettingen in Gilead. 1KRON 2:23 Maar de Gesurieten in Aram namen de dorpen van Jair in, en eveneens Kenat en onderhorigheden, in het geheel zestig nederzettingen; deze waren alle van Makir, de vader van Gilead. 1KRON 2:24 Maar na de dood van Chesron in Kaleb efrata baarde de vrouw van Chesron, Abia, hem ook nog Aschur, de vader van Tekoa. 1KRON 2:25 De zonen van Jerachmeël, de eerstgeborene van Chesron, waren Ram, de eerstgeborene, verder Buna, Oren, Osem en Achia. 1KRON 2:26 Jerachmeël had nog een andere vrouw, die Atara heette; deze was de moeder van Onam. 1KRON 2:27 De zonen van Ram, de eerstgeborene van Jerachmeël, waren Maas, Jamin en Eker. 1KRON 2:28 De zonen van Onam waren Sammai en Jada, de zonen van Sammai Nadab en Abisur. 1KRON 2:29 De vrouw van Abisur heette Abihail; zij baarde hem Achban en Molid. 1KRON 2:30 De zonen van Nadab waren Seled en Appaim. Seled stierf kinderloos. 1KRON 2:31 De zoon van Appaim was Jisi, de zoon van Jisi Sesan, de zoon van Sesan Achlai. 1KRON 2:32 De zonen van Jada, de broer van Sammai, waren Jeter en Jonatan. Jeter stierf kinderloos. 1KRON 2:33 De zonen van Jonatan waren Pelet en Zaza. Dat waren de zonen van Jerachmeël. 1KRON 2:34 Sesan had geen zonen, wel dochters. Hij bezat echter een Egyptische slaaf, die Jarcha heette; 1KRON 2:35 aan hem gaf Sesan een van zijn dochters tot vrouw en die baarde hem Attai. 1KRON 2:36 Attai verwekte Natan; Natan verwekte Zabad; 1KRON 2:37 Zabad verwekte Eflal; Eflal verwekte Obed; 1KRON 2:38 Obed verwekte Jehu; Jehu verwekte Azarja; 1KRON 2:39 Azarja verwekte Cheles; Cheles verwekte Elasa; 1KRON 2:40 Elasa verwekte Sisemai; Sisemai verwekte Sallum; 1KRON 2:41 Sallum verwekte Jekamja; Jekamja verwekte Elisama. 1KRON 2:42 De zoon van Kaleb, de broer van Jerachmeël, was Maresa, zijn eerstgeborene, de vader van Zif. De zoon van Maresa was de vader van Hebron. 1KRON 2:43 De zonen van Hebron waren Korach, Tappuach, Rekem en Sema. 1KRON 2:44 Sema verwekte Racham, de vader van Jorkoam, en Rekem verwekte Sammai. 1KRON 2:45 De zoon van Sammai was Maon; Maon was de vader van Betsur. 1KRON 2:46 Efa, een bijvrouw van Kaleb, baarde Charan, Mosa en Gazez. Charan verwekte Jodai. 1KRON 2:47 De zonen van Jodai waren Regem, Jotam, Gesan, Pelet, Efa en Saaf. 1KRON 2:48 Maaka, een andere bijvrouw van Kaleb, baarde Seber en Tirchana. 1KRON 2:49 Ook baarde ze Saaf, de vader van Madmanna, Sewa, de vader van Makbena, en de vader van Gibea. De dochter van Kaleb was Aksa. 1KRON 2:50 Dat waren de zonen van Kaleb. De zonen van Chur, de eerstgeborene van Efrat, waren Sobal, de vader van Kirjat jearim, 1KRON 2:51 Salma, de vader van Bethlehem, en Charef, de vader van Bet gader. 1KRON 2:52 Van Sobal, de vader van Kirjat jearim, stamden af Reaja en half Menuchot. 1KRON 2:53 Tot Kirjat jearim behoorden de volgende families: de Jitrieten, de Putieten, de Sumaieten en de Misraieten; daaruit zijn de Soratieten en de Estaolieten voortgekomen. 1KRON 2:54 Van Salma stamden af Bethlehem, de Netofatieten, Atrot van Bet joab, half Menuchot en de Soratieten. 1KRON 2:55 De schrijversfamilies die in Jabes woonden waren de Tiratieten, de Simatieten en de Sukatieten. Dit waren de Kinieten, afstammelingen van Chammat, de vader van de Rekabieten. 1KRON 3:1 Hier volgen de namen van de zonen die David geboren werden in Hebron: Ammon, zijn eerstgeborene, de zoon van Achinoam uit Jizreel; Daniël, zijn tweede, de zoon van Abigail uit Karmel; 1KRON 3:2 Absalom, zijn derde, de zoon van Maaka, de dochter van Talmai, koning van Gesur; Adonia, zijn vierde, de zoon van Chaggit; 1KRON 3:3 Sefatja, zijn vijfde, de zoon van Abital; Jitream, zijn zesde, de zoon van zijn vrouw Egla. 1KRON 3:4 Deze zes zonen werden hem in Hebron geboren, alwaar hij zeven jaar en zes maanden geregeerd heeft; in Jeruzalem regeerde hij drieëndertig jaar. 1KRON 3:5 De volgende zonen werden hem in Jeruzalem geboren: Simea, Sobab, Natan en Salomo, de zonen van Batsua, de dochter van Ammiël; 1KRON 3:6 en Jibchar, Elisama, Elifalet, 1KRON 3:7 Noga, Nefeg, Jafia, 1KRON 3:8 Elisama, Eljada en Elifelet, negen andere zonen. 1KRON 3:9 Dit waren alle zonen van David, behalve die van zijn bijvrouwen. Zij hadden een zuster, Tamar geheten. 1KRON 3:10 De zoon van Salomo was Rehabeam; diens zoon Abia, diens zoon Asa, en diens zoon weer was Josafat; 1KRON 3:11 diens zoon Joram, diens zoon Achazja en diens zoon Joas; 1KRON 3:12 diens zoon Amasja, diens zoon Azarja en diens zoon Jotam; 1KRON 3:13 diens zoon Achaz, diens zoon Hizkia en diens zoon Manasse; 1KRON 3:14 diens zoon Amon en diens zoon Josia. 1KRON 3:15 De zonen van Josia waren: Jochanan, zijn oudste; Jojakim, zijn tweede; Sidkia, zijn derde en Sallum, zijn vierde. 1KRON 3:16 De zoon van Jojakim was Jechonja en diens zoon Sidkia. 1KRON 3:17 De zonen van de gevangen Jechonja waren Sealtiël, 1KRON 3:18 Malkiram, Pedaja, Senassar, Jakamja, Hosama en Nedabja. 1KRON 3:19 De zonen van Pedaja waren Zerubbabel en Simi; de zonen van Zerubbabel waren Mesullam en Chananja, en Selomit was hun zuster; 1KRON 3:20 bovendien nog Chasuba, Ohel, Berekja, Chasadja en Jusab chesed, vijf andere kinderen. 1KRON 3:21 De zonen van Chananja waren Pelatja en Jesaja; diens zoon was Refaja, diens zoon Arnan, diens zoon Obadja en diens zoon Sekanja. 1KRON 3:22 De zonen van Sekanja waren Semaja, Chattus, Jigal, Bariach, Nearja en Safat, zes in getal. 1KRON 3:23 De zonen van Nearja waren Eljoenai, Chizkia en Azrikam, drie in getal. 1KRON 3:24 En de zonen van Eljoenai waren Hodawja, Eljasib, Pelaja, Akkub, Jochanan, Delaja en Anani, zeven in getal. 1KRON 4:1 De zonen van Juda waren Peres, Chesron, Karmi, Chur en Sobal. 1KRON 4:2 Reaja, de zoon van Sobal, verwekte Jachat; Jachat verwekte Achimai en Lahad. Dat zijn de families van de Soratieten. 1KRON 4:3 En dit waren de zonen van Chur, de vader van Etam: Jizreel, Jisma, Jidbas; hun zuster heette Haslelponi; 1KRON 4:4 verder Penuël, de vader van Gedor, en Ezer, de vader van Gedor, en Ezer, de vader van Chusa. Dat waren de zonen van Chur, de eerstgeborene van Efrat, de vader van Bethlehem. 1KRON 4:5 Aschur, de vader van Tekoa, had twee vrouwen: Chela en Naara. 1KRON 4:6 Naara baarde hem Achuzzam en Chefer; van haar stammen ook af de Temenieten en de Achastarieten; dat waren de zonen van Naara. 1KRON 4:7 De zonen van Chela waren Seret, Sochar en Etnan. 1KRON 4:8 Kos verwekte Anub en Hassobeba; van hem stamden ook af de families van Acharchel, de zoon van Harum. 1KRON 4:9 Jabes was de voornaamste onder zijn broers. Zijn moeder had hem Jabes genoemd, want, zei ze, met smart heb ik hem gebaard. 1KRON 4:10 Jabes riep derhalve de God van Israël aan en bad: 'Zegen mij en vergroot mijn gebied; laat uw hand met mij zijn en weer van mij het kwade; dan treft mij geen smart.' En God verhoorde zijn gebed. 1KRON 4:11 Kelub, de broer van Sucha, verwekte Mechir; deze was de vader van Eston. 1KRON 4:12 Eston verwekte Bet rafa, Paseach en Techinna, de vader van de stad Nachas. Dat waren de Rekaieten. 1KRON 4:13 De zonen van Kenaz waren Otniël en Seraja; de zonen van Otniël Chatat en Meonotai. 1KRON 4:14 Meonotai verwekte Ofra; Seraja verwekte Joab, de vader van het Handwerkersdal; daar woonden namelijk handwerkslieden. 1KRON 4:15 De zonen van Kaleb, de zoon van Jefunne, waren Iru, Elam en Naam. De zoon van Ela was Kenaz. 1KRON 4:16 De zonen van Jehallelel waren Zif en Zifa, Tireja en Asarel. 1KRON 4:17 De zonen van Ezra waren Jeter, Mered, Efer en Jalon. Dit zijn de zonen van Bitja, de dochter van Farao, die Mered tot vrouw genomen had; 1KRON 4:18 zij baarde hem Mirjam, Sammai en Jisbach, de vader van Estemoa. Zijn Judeese vrouw baarde hem Jered, de vader van Gedor, Cheber, de vader van Soko, en Jekutiël, de vader van Zanoach. 1KRON 4:19 De zonen van de vrouw van Hodia, de zuster van Nacham, waren de vader van Keila, de Garmiet, en Estemoa, de Maakatiet. 1KRON 4:20 De zonen van Simon waren Ammon, Rinna, Ben chanan en Tilon; de zonen van Jisi waren Zochet en Benzochet. 1KRON 4:21 De zonen van Sela, de zoon van Juda, waren Er, de vader van Leka, en Lada, de vader van Maresa; van hem stamden ook af de families van de linnenwevers van Bet asbea, 1KRON 4:22 Jokim en de mannen van Koseba, Joas en Saraf, die na in Moab te hebben gewerkt, teruggekeerd zijn naar Betlehem. Dit is al lang geleden. 1KRON 4:23 Het waren pottenbakkers, inwoners van Netaim en Gedera. Ze woonden daar bij de koning en stonden in zijn dienst. 1KRON 4:24 De zonen van Simeon waren Nemuël, Jamin, Jarib, Zerach en Saul. 1KRON 4:25 Diens zoon was Sallum; diens zoon Mibsam; diens zoon Misma. 1KRON 4:26 De zonen van Misma waren zijn zoon Chamuël, diens zoon Zakkur en diens zoon Simi. 1KRON 4:27 Simi had zestien zonen en zes dochters, maar zijn broers hadden niet veel zonen; daarom waren hun gezamenlijke families niet zo talrijk als de nakomelingen van Juda. 1KRON 4:28 Ze woonden in Berseba, Molada, Chasar sual, 1KRON 4:29 Bilha, Esem, Tolad, 1KRON 4:30 Betuël, Chorma, Siklag. 1KRON 4:31 Bet hammarkabot, Chasar susim, Bet biri en Saaraim. Dat waren hun steden, tot David koning werd. 1KRON 4:32 Hun nederzettingen waren Etam, Ain, Rimmon, Token en Asan, in het geheel vijf; 1KRON 4:33 bovendien al de nederzettingen rondom de genoemde steden tot aan Baäl toe. Dat waren hun woonplaatsen en zo was hun stamverband. 1KRON 4:34 Mesobab, Jamlek, Josa, de zoon van Amasa, 1KRON 4:35 Joel, Jehu, de zoon van Josibja, de zoon van Seraja, de zoon van Asiël, 1KRON 4:36 Eljoenai, Jaakoba, Jesochaja, Asaja, Adiël, Jesimiël, Benaja, 1KRON 4:37 en Ziza, de zoon van Sifa, de zoon van Allon, de zoon van Jedaja, de zoon van Simri, de zoon van Semaja; 1KRON 4:38 deze met name genoemde mannen waren de leiders van hun families. Daar hun families zich sterk uitgebreid hadden, 1KRON 4:39 trokken ze naar Gedor en verspreidden zich van de ingang van het dal tot de oostkant om weidegrond te zoeken voor hun schapen. 1KRON 4:40 Ze vonden goede, malse weidegrond; het land, dat vroeger bewoond geweest was door Chamieten, was wijds, vreedzaam en welvarend. 1KRON 4:41 De bovenvermelde mannen kwamen daar in de tijd van Hizkia, de koning van Juda. Ze versloegen de Meunieten die daar woonden en verwoestten hun tenten; ze sloegen hen met de ban en vestigden zich in hun plaats; daar wonen ze nog; daar was namelijk weidegrond voor hun schapen. 1KRON 4:42 Ook ging een deel van de Simeonieten, vijfhonderd man, naar het seïrgebergte, onder leiding van Pelatja, Nearja, Refaja en Uzziël, zonen van Jisi. 1KRON 4:43 Ze versloegen het laatste restant van Amalek, vestigden zich daar en wonen er nog. 1KRON 5:1 De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël. Hij was wel de eerstgeborene, maar omdat hij het bed van zijn vader ontwijd had, werd zijn eerstgeboorterecht geschonken aan de zonen van Jozef, de zoon van Israël. Maar deze werd niet in het stamregister als eerstgeborene ingeschreven. 1KRON 5:2 Wel was Juda de heldhaftigste onder zijn broers, en kwam uit hem de leider van het volk voort, maar het eerstgeboorterecht viel ten deel aan Jozef. 1KRON 5:3 De zonen van Ruben, de eerstgeboren zoon van Israël, waren Chanok en Pallu, Chesron en Karmi. 1KRON 5:4 De zonen van Joel waren zijn zoon Semaja, diens zoon Gog, diens zoon Simi, 1KRON 5:5 diens zoon Micha, diens zoon Reaja, diens zoon Baäl, 1KRON 5:6 diens zoon Beera; deze werd in ballingschap weggevoerd door Tiglatpileser, de koning van Assur; hij was de leider van de Rubenieten. 1KRON 5:7 Zijn broers met hun families, in het stamregister ingeschreven, waren Jeïel, het familiehoofd, Zekarja, 1KRON 5:8 en Bela, de zoon van Azaz, de zoon van Sema, de zoon van Joel. Deze woonde in het gebied tussen Aroer, Nebo en Baäl meon; 1KRON 5:9 oostwaarts liep zijn gebied tot aan de rand van de woestijn die zich uitstrekt tot aan de rivier de Eufraat; hun kudden waren namelijk zeer talrijk geworden in Gilead. 1KRON 5:10 In de tijd van Saul voerden ze oorlog met de Hagrieten. Toen ze die overmeesterd hadden, gingen ze in hun tenten wonen, in het oosten van Gilead. 1KRON 5:11 De zonen van Gad woonden tegenover hen in Basan, tot aan Salka. 1KRON 5:12 Joel was het familiehoofd, Safan zijn plaatsvervanger; Janai en Safat hadden hun woonplaats in Basan. 1KRON 5:13 Hun broers met hun families waren Michaël, Mesullam, Seba, Jorai, Jakan, Zia en Eber; in het geheel zeven. 1KRON 5:14 Het waren de zonen van Abichaël, de zoon van Churi, de zoon van Jaroach, de zoon van Gilead, de zoon van Michaël, de zoon van Jesisaï, de zoon van Jachdo, de zoon van Buz. 1KRON 5:15 Achi, de zoon van Abdiël, de zoon van Guni, was het hoofd van hun families. 1KRON 5:16 Ze woonden in Gilead, in Basan met onderhorigheden en op alle weidegronden van de vlakte van Saron. 1KRON 5:17 Zij allen werden in het stamregister opgenomen in de tijd van Jotam, de koning van Juda, en van Jerobeam, de koning van Israël. 1KRON 5:18 De zonen van Ruben, de Gadieten en de ene helft van de stam Manasse telden aan weerbare mannen die schild en zwaard droegen, de boog hanteerden, geoefend waren in de strijd en onder de wapenen geroepen konden worden, vierenveertigduizend zevenhonderdzestig man. 1KRON 5:19 Ze voerden oorlog met de Hagrieten en met Jetur, Nafis en Nodab. 1KRON 5:20 In de strijd tegen hen werden ze geholpen, zodat ze de Hagrieten met hun bondgenoten overmeesterden. Want in de strijd riepen ze tot God en Hij was hun genadig omdat ze op Hem hadden vertrouwd. 1KRON 5:21 Ze maakten de kudden van hun vijanden buit: vijftigduizend kamelen, tweehonderdvijftigduizend schapen, tweeduizend ezels; bovendien honderdduizend mensen. 1KRON 5:22 Er waren veel doden gevallen, omdat de oorlog van God was uitgegaan. Zij vestigden zich in het gebied der Hagrieten en woonden er tot aan de ballingschap. 1KRON 5:23 De zonen van de andere helft van de stam Manasse woonden in dat land, vanaf Basan tot aan Baäl chermon, de Senir en het Hermongebergte; zij waren zeer talrijk. 1KRON 5:24 En dit waren hun familiehoofden: Efer, Jisi, Eliël, Azriël, Jirmeja, Hodawja en Jachdiël, dappere, beroemde mannen, hoofden van hun families. 1KRON 5:25 Maar ze werden ontrouw aan de God van hun vaderen en hoereerden met de goden van de inheemse bevolking, die God voor hen verdelgd had. 1KRON 5:26 Daarom riep de God van Israël Pul op, de koning van Assur, Tiglatpileser, de koning van Assur, en deze voerde de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse in ballingschap weg. Hij bracht hen naar Chalach, Chabor, Hara en de rivier van Gozan, waar ze nu nog wonen. 1KRON 5:27 De zonen van Levi waren Gersom, Kehat en Merari. 1KRON 5:28 De zonen van Kehat waren Amram, Jishan, Chebron en Uzziël. 1KRON 5:29 De zonen van Amram waren Aäron, Mozes en Mirjam. De zonen van Aäron waren Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. 1KRON 5:30 Eleazar verwekte Pinechas; Pinechas verwekte Abisua; 1KRON 5:31 Abisua verwekte Bukki; Bukki verwekte Uzzi; 1KRON 5:32 Uzzi verwekte Zerachja; Zerachja verwekte Merajot; 1KRON 5:33 Merajot verwekte Amarja; Amarja verwekte Achitub; 1KRON 5:34 Achitub verwekte Sadok; Sadok verwekte Achimaaz; 1KRON 5:35 Achimaaz verwekte Azarja; Azarja verwekte Jochanan; 1KRON 5:36 Jochanan verwekte Azarja. Deze was priester in de tempel die Salomo in Jeruzalem gebouwd had. 1KRON 5:37 Azarja verwekte Amarja; Amarja verwekte Achitub; 1KRON 5:38 Achitub verwekte Sadok; Sadok verwekte Sallum; 1KRON 5:39 Sallum verwekte Chilkia; Chilkia verwekte Azarja; 1KRON 5:40 Azarja verwekte Seraja; Seraja verwekte Josadak; 1KRON 5:41 en Josadak vertrok, toen Jahwe Juda en Jeruzalem door Nebukadnessar in ballingschap liet wegvoeren. 1KRON 6:1 De zonen van Levi waren Gersom, Kehat en Merari. 1KRON 6:2 De namen van Gersoms zonen waren Libni en Simi. 1KRON 6:3 De zonen van Kehat waren Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. 1KRON 6:4 De zonen van Merari waren Machli en Musi. Hier volgen de geslachtslijsten der levieten. 1KRON 6:5 De zoon van Gersom was Libni, diens zoon Jachat, en diens zoon Zimma; 1KRON 6:6 diens zoon Joach, diens zoon Iddo, diens zoon Zerach, en diens zoon Jeaterai. 1KRON 6:7 De zoon van Kehat was Amminadab, diens zoon Korach en diens zoon Assir, 1KRON 6:8 diens zoon Elkana, diens zoon Ebjasaf, en diens zoon Assir; 1KRON 6:9 diens zoon Tachat, diens zoon Uriël, diens zoon Uzzia, en diens zoon Saul. 1KRON 6:10 De zonen van Elkana waren Amasai en Achimot. 1KRON 6:11 Diens zoon was Elkana, diens zoon Sofai, en diens zoon Nachat; 1KRON 6:12 diens zoon Eliab, diens zoon Jerocham, en diens zoon Elkana. 1KRON 6:13 De zonen van Samuël waren Joel, de oudste, en Abia, de jongste. 1KRON 6:14 De zoon van Merari was Machli, en diens zoon Libni, diens zoon Simi, en diens zoon Uzza; 1KRON 6:15 diens zoon was Sima, diens zoon Chaggia, en diens zoon Asaja. 1KRON 6:16 Hier volgen de namen van degenen die door David belast werden met de verzorging van de muziek in het heiligdom, nadat de ark daar geplaatst was. 1KRON 6:17 Ze verzorgden de muziek voor de woning, de tent van de samenkomst, totdat Salomo de tempel in Jeruzalem gebouwd had, en zij hun diensten ordelijk konden waarnemen. 1KRON 6:18 Uit het geslacht van Kehat waren, met hun zonen, de volgenden in dienst: Heman, de zanger, de zoon van Joel, de zoon van Samuël, 1KRON 6:19 de zoon van Elkana, de zoon van Jerocham, de zoon van Eliël, de zoon van Toach, 1KRON 6:20 de zoon van Sif, de zoon van Elkana, de zoon van Machat, de zoon van Amasi, 1KRON 6:21 de zoon van Elkana, de zoon van Joel, de zoon van Azarja, de zoon van Sefanja, 1KRON 6:22 de zoon van Tachat, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, 1KRON 6:23 de zoon van Jishar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi, de zoon van Israël. 1KRON 6:24 Vervolgens Asaf, zijn ambtsbroeder, die aan zijn rechterhand stond; Asaf was de zoon van Berekja, de zoon van Simea, 1KRON 6:25 de zoon van Michaël, de zoon van Baaseja, de zoon van Malkia, 1KRON 6:26 de zoon van Etni, de zoon van Zerach, de zoon van Adaja, 1KRON 6:27 de zoon van Etan, de zoon van Zimma, de zoon van Simi, 1KRON 6:28 de zoon van Jachat, de zoon van Gersom, de zoon van Levi. 1KRON 6:29 Aan zijn linkerhand stond uit het geslacht van Merari, Etan, de zoon van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluk, 1KRON 6:30 de zoon van Chasabja, de zoon van Amasja, de zoon van Chilkia, 1KRON 6:31 de zoon van Amsi, de zoon van Bani, de zoon van Samer, 1KRON 6:32 de zoon van Machli, de zoon van Musi, de zoon van Merari, de zoon van Levi. 1KRON 6:33 Vervolgens hun ambtsbroeders, de levieten die belast waren met de diensten in de woning, het huis van God. 1KRON 6:34 Maar Aäron en zijn zonen waren belast met de offer dienst op het brandofferaltaar, en met alle diensten in het heilige der heiligen, om voor Israël verzoening te verkrijgen, zoals dit door Mozes, de dienaar van God, was bepaald. 1KRON 6:35 Dit waren de afstammelingen van Aäron: zijn zoon Eleazar, diens zoon Pinechas, diens zoon Abisua; 1KRON 6:36 diens zoon Bukki, diens zoon Uzzi, diens zoon Zerachja; 1KRON 6:37 diens zoon Merajot, diens zoon Omarja, diens zoon Achitub; 1KRON 6:38 diens zoon Sadok, en diens zoon Achimaas. 1KRON 6:39 En dit waren de woonplaatsen en de kampementen op hun grondgebied. Allereerst die van de familie van Kehat, uit het geslacht van Aäron, want zij waren als eersten door het lot aangewezen: 1KRON 6:40 aan hen werden gegeven Hebron, in Juda, met de omliggende weidegronden. 1KRON 6:41 Het akkerland van de stad en de onderhorigheden waren reeds toegewezen aan Kaleb, de zoon van Jefunne. 1KRON 6:42 Aan de zonen van Aäron gaf men dus de vrijsteden Hebron en Libna met hun weidegronden, alsook Jattir en Estemoa met hun weidegronden; 1KRON 6:43 bovendien Chilez met weidegronden en Debir met weidegronden: 1KRON 6:44 en tenslotte Asan en Betsemes, beide ook met hun weidegronden; 1KRON 6:45 uit de stam Benjamin tenslotte Geba, Alemet en Anatot, alle met hun weidegronden; in totaal waren het dertien steden voor hun families. 1KRON 6:46 De overige zonen van Kehat verkregen voor hun families door loting tien steden uit de stammen Efraim, Dan en de halve stam Manasse. 1KRON 6:47 De zonen van Gersom verkregen voor hun families uit de stam Issakar en uit de stammen Aser, Naftali en het tot Manasse behorende Basan dertien steden. 1KRON 6:48 Aan de zonen van Merari wees het lot voor hun families toe twaalf steden uit de stammen Ruben, Gad en Zebulon. 1KRON 6:49 De Israëlieten schonken al deze steden met hun weidegronden aan de levieten. 1KRON 6:50 Uit de stammen Juda, Simeon en Benjamin werden hun ook steden door loting toegewezen en daaraan gaven ze zelf namen. 1KRON 6:51 De zonen van Kehat kregen ook enkele steden uit de stam Efraim als grondgebied voor hun families toegewezen. 1KRON 6:52 Als vrijsteden gaf men hun Sichem met de weidegronden op het Efraimgebergte, alsook Gezer met weidegronden, 1KRON 6:53 eveneens Jokmeam, Bet choron, 1KRON 6:54 Ajjalon en Gatrimmon, alle met de weidegronden; 1KRON 6:55 en uit de halve stam Manasse Aner en Bileam, beide met weidegronden. Dit alles verkregen de overige zonen van Kehat voor hun families. 1KRON 6:56 Aan de zonen van Gersom werden voor hun families uit de halve stam Manasse toegewezen Golan in Basan, en Astarot met hun weidegronden; 1KRON 6:57 uit de stam Issakar Kedes en Daberat met hun weidegronden, 1KRON 6:58 en Ramot en Anem, beide ook met hun weidegronden; 1KRON 6:59 uit de stam Aser Masal, Abdon, 1KRON 6:60 uit Chukok en Rechob, alle met hun weidegronden; 1KRON 6:61 uit de stam Naftali Kedes in Galil, Chammon en Kirjataim, alle met hun weidegronden. 1KRON 6:62 Aan de overige zonen van Merari werden toegewezen uit de stam Zebulon Rimmono en Tabor met hun weidegronden; 1KRON 6:63 en aan de overzijde van de Jordaan, oostelijk daarvan, bij Jericho, uit de stam Ruben: Beser in de woestijn, en Jahas, beide met hun weidegronden; 1KRON 6:64 bovendien Kedemot en Mefaat met hun weidegronden; 1KRON 6:65 en uit de stam Gad Ramot in Gilead en Machanaim met hun weidegronden; 1KRON 6:66 tenslotte Chesbon en Jazer, beide met hun weidegronden. 1KRON 7:1 De zonen van Issakar waren Tola en Pua, Jasub en Simron; in het geheel vier. 1KRON 7:2 De zonen van Tola waren Uzzi, Refaja, Jeriël, Jachmai, Jibsam en Semuël, familiehoofden van Tola en weerbare mannen; hun geslachten telden in de tijd van David tweeëntwintigduizend zeshonderd man. 1KRON 7:3 De zonen van Uzzi waren Jizrachja en de zonen van Jizrachja; Michaël, Obadja, Joel en Jisia, in het geheel vijf; allen familiehoofden. 1KRON 7:4 Zij moesten uit hun geslachten en families zesendertigduizend man aan troepen leveren voor het leger, want ze hadden veel vrouwen en zonen. 1KRON 7:5 Hun broeders uit alle families van Issakar telden allen tezamen zevenentachtigduizend weerbare mannen, in het stamregister ingeschreven. 1KRON 7:6 De zonen van Benjamin waren Bela, Beker en Jediaël; in het geheel drie. 1KRON 7:7 De zonen van Bela waren Esbon, Uzzi, Uzziël, Jerimot en Ira; in het geheel vijf. Ze waren familiehoofden en weerbare mannen; hun stamregister telde tweeëntwintigduizend vierendertig man. 1KRON 7:8 De zonen van Beker waren Zemira, Joas, Eliezer, Eljoenai, Omri, Jeremot, Abia, Anatot en Alemet; dat waren allen zonen van Beker. 1KRON 7:9 Hun stamregister, gerangschikt naar afstamming en familiehoofden, telde tweeëntwintigduizend tweehonderd weerbare mannen. 1KRON 7:10 De zoon van Jediaël was Bilhan; de zonen van Bilhan waren Jeus, Benjamin, Ehud, Kenaana, Zetan, Tarsis en Achisachar; 1KRON 7:11 dat waren allen zonen van Jediaël. De familiehoofden hadden aan weerbare mannen zeventienduizend tweehonderd man die onder de wapenen geroepen konden worden. 1KRON 7:12 De Suppieten en Chuppieten waren afstammelingen van Ir; de Chusieten van Acher. 1KRON 7:13 De zonen van Naftali waren Jachasiël, Guni, Jeser en Sallum, zonen van Bilha. 1KRON 7:14 De zonen van Manasse waren de volgende: Asriël, die zijn vrouw hem baarde, en Makir, de vader van Gilead, die zijn Arameese bijvrouw hem baarde. 1KRON 7:15 Makir nam een vrouw uit de Chuppieten en Suppieten; de naam van zijn zuster was Maaka; de naam van de tweede zoon was Selofchad. Selofchad kreeg alleen maar dochters, 1KRON 7:16 maar Maaka, de vrouw van Makir, baarde een zoon en noemde hem Peres. Diens broer heette Seres, en zijn zonen Ulam en Rekem. 1KRON 7:17 De zoon van Ulam was Bedan. Dat waren de zonen van Gilead, de zoon van Makir, de zoon van Manasse. 1KRON 7:18 Zijn zuster Moleket baarde Ishod, Abiezer en Machla. 1KRON 7:19 De zonen van Semida waren Achjan, Sekem, Likchi en Aniam. 1KRON 7:20 De zonen van Efraim waren Sutelach, diens zoon Bered, diens zoon Tachat, diens zoon Elada, diens zoon Tachat, 1KRON 7:21 diens zoon Zabad, diens zoon Sutelach. Verder Ezer en Elad; dezen werden door de burgers van Gat, de inheemse bevolking van het land, vermoord toen ze hun vee kwamen roven. 1KRON 7:22 Efraim, hun vader, was lange tijd in de rouw, maar toen zijn broers hem kwamen troosten, 1KRON 7:23 hield hij weer gemeenschap met zijn vrouw. Zij werd zwanger en baarde een zoon, die hij Beria noemde, omdat zij in zijn huis was toen het door onheil getroffen werd. 1KRON 7:24 Zijn dochter was Seera; zij bouwde Bet choron hoog, Bet choron laag en Uzzen seera. 1KRON 7:25 De zonen van Beria waren Refag en Resef; de zoon van Resef was Telach; diens zoon was Tachan, 1KRON 7:26 diens zoon Ladan, diens zoon Ammihud, diens zoon Elisama. 1KRON 7:27 diens zoon Non, diens zoon Jozua. 1KRON 7:28 Hun bezittingen en woonplaatsen waren Betel met onderhorigheden, verder, in het oosten, Naara en in het westen Gezer met onderhorigheden, Sichem met onderhorigheden tot aan Ajja met onderhorigheden. 1KRON 7:29 Maar in handen van de zonen van Manasse waren Bet san met onderhorigheden, Taanak met onderhorigheden, Megiddo met onderhorigheden en Dor met onderhorigheden. Hier woonden zonen van Jozef, de zoon van Israël. 1KRON 7:30 De zonen van Aser waren Jimna, Jiswa, Jiswi en Beria; Serach was hun zuster. 1KRON 7:31 De zonen van Beria waren Cheber en Malkiël; deze was de vader van Birzait. 1KRON 7:32 Cheber verwekte Jaflet, Somer en Chotam en hun zuster Sua. 1KRON 7:33 De zonen van Jaflet waren Pasak, Bimhal en Aswat; dat waren de zonen van Jaflet. 1KRON 7:34 De zonen van Somer waren Achi, Roga, Jechubba en Aram. 1KRON 7:35 De zonen van zijn broer Helem waren Sofach Jimna, Seles en Amal. 1KRON 7:36 De zonen van Sofach waren Suach, Charnefer, Sual, Beri, Jimra, 1KRON 7:37 Beser, Hod, Samma, Silsa, Jitran en Beera. 1KRON 7:38 De zonen van Jeter waren Jefunne, Pispa en Ara. 1KRON 7:39 De zonen van Ulla waren Arach, Channiël en Risja. 1KRON 7:40 Dit waren allen zonen van Aser, familiehoofden, uitgelezen weerbare mannen, de voornaamsten onder de leiders. In hun stamregister stonden zesentwintigduizend man opgetekend die onder de wapenen geroepen konden worden. 1KRON 8:1 Benjamin verwekte Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, zijn tweede zoon, Achrach, zijn derde, 1KRON 8:2 Nocha, zijn vierde, en Rafa, zijn vijfde; 1KRON 8:3 De zonen van Bela waren Addar, era, Abihud, 1KRON 8:4 Abisua, Naaman, Achoad, 1KRON 8:5 Gera, Sefufan en Churam. 1KRON 8:6 De zonen van Ehud, de familiehoofden van de inwoners van Geba, die als ballingen weggevoerd werden naar Manachat, waren 1KRON 8:7 Naaman, Achia en Gera; dezen werden in ballingschap weggevoerd. Gera verwekte Uzza en Achichud. 1KRON 8:8 Sacharaim verwekte kinderen in de vlakte van Moab, nadat hij zijn vrouwen Chusim en Baara weggezonden had. 1KRON 8:9 Hij verwekte bij zijn vrouw Chodes: Joab, Sibja, Mesa, Malkam, 1KRON 8:10 Jeus, Sakeja en Mirma; dat waren zijn zonen, die familiehoofden werden. 1KRON 8:11 Bij Chusim had hij Achitub en Elpaal verwekt. 1KRON 8:12 De zonen van Elpaal waren Eber, Misam en Semed; Semed bouwde Ono en Lod met onderhorigheden. 1KRON 8:13 Beria en Sema waren de familiehoofden van de inwoners van Ajjalon; dezen verdreven de inwoners van Gat. 1KRON 8:14 Achjo, Sasak, Jeremot, 1KRON 8:15 Zebadja, Arad, Eder, 1KRON 8:16 Michaël, Jispa en Jocha waren de zonen van Beria. 1KRON 8:17 Zebadja, Mesullam, Chizki, Cheber, 1KRON 8:18 Jismerai, Jizlia en Jobab waren de zonen van Elpaal. 1KRON 8:19 Jakim, Zikri, Zabdi, 1KRON 8:20 Elienai, Silletai, Eliël, 1KRON 8:21 Adaja, Beraja en Simrat waren de zonen van Simi. 1KRON 8:22 Jispan, Eber, Eliël, 1KRON 8:23 Abdon, Zikri, Chanan, 1KRON 8:24 Chananja, Elam, Antotia, 1KRON 8:25 Jifdeja en Penuël waren de zonen van Sasak. 1KRON 8:26 Samserai, Secharja, Atalja, 1KRON 8:27 Jaaresja, Elia en Zikri waren de zonen van Jerocham. 1KRON 8:28 Dezen waren familiehoofden, hoofden van hun geslachten; ze woonden in Jeruzalem. 1KRON 8:29 In Gibeon woonden de vader van Gibeon, wiens vrouw Maaka heette, 1KRON 8:30 en zijn eerstgeboren zoon Abdon; verder Sur, Kis, Baäl, Nadab, 1KRON 8:31 Gedor, Achjo en Zeker. 1KRON 8:32 Miklot verwekte Sima; zij volgden het voorbeeld van hun broeders en vestigden zich bij hen in Jeruzalem. 1KRON 8:33 Ner verwekte Kis; Kis verwekte Saul; Saul verwekte Jonatan, Malkisua, Abinadab en Esbaal. 1KRON 8:34 De zoon van Jonatan was Meribbaal; Meribbaal verwekte Micha. 1KRON 8:35 De zonen van Micha waren Piton, Melek, Tachrea en Achaz. 1KRON 8:36 Achaz verwekte Joadda; Joadda verwekte Alemet, Azmawet en Zimri; Zimri verwekte Mosa; 1KRON 8:37 Mosa verwekte Bina; diens zoon was Rafa, diens zoon Elasa, diens zoon Asel. 1KRON 8:38 Asel had zes zonen en dit waren hun namen: Azrikam, Bokeru, Jismaël, Searja, Obadja en Chanan; dat waren de zonen van Asel. 1KRON 8:39 De zonen van zijn broer Esek waren Ulam, zijn eerstgeborene, Jeus, zijn tweede zoon, en Elifelet, zijn derde. 1KRON 8:40 De zonen van Ulam waren weerbare mannen, die de boog konden hanteren; zij hadden veel zonen en kleinzonen, wel honderdvijftig. Al dezen waren zonen van Benjamin. 1KRON 9:1 Op deze wijze werden alle Israëlieten in het stamregister ingeschreven, dat opgenomen is in het boek van de koningen van Israël. Vanwege hun ontrouw werden de Judeeërs naar Babel in ballingschap weggevoerd. 1KRON 9:2 De vroegere bewoners woonden nu weer op hun eigen grond en in hun eigen steden: het volk, de priesters, de levieten en de tempelknechten. 1KRON 9:3 In Jeruzalem woonden Israëlieten uit de stammen van Juda, Benjamin, Efraim en Manasse: 1KRON 9:4 Utai, de zoon van Ammihud, de zoon van Omri, de zoon van Imri, de zoon van Bani, een afstammeling van Peres, de zoon van Juda. 1KRON 9:5 Uit Silo Asaja, de eerstgeborene, en zijn zonen. 1KRON 9:6 Uit de afstammelingen van Zerach Jeuël en heel zijn geslacht: zeshonderdnegentig man. 1KRON 9:7 Uit de stam Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Hodawja, de zoon van Hassenua; 1KRON 9:8 en Jibneja, de zoon van Jerocham, en Ela, de zoon van Uzzi, de zoon van Mikri, en Messullam, de zoon van Sefatja, de zoon van Reuel, de zoon van Jibnia. 1KRON 9:9 tezamen met hun broeders en families: negenhonderd en zesenvijftig man, allen familiehoofden in hun families. 1KRON 9:10 Vervolgens de priesters Jedaja, Jojarib, Jakin, 1KRON 9:11 en Azarja, de zoon van Chilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Sadok, de zoon van Merajot, de zoon van Achitub, het hoofd van het huis van God; 1KRON 9:12 en Adaja, de zoon van Jerocham, de zoon van Paschur, de zoon van Malkia, en Masai, de zoon van Adiël, de zoon van Jachzera, de zoon van Mesullam, de zoon van Mesillemit, de zoon van Immer, 1KRON 9:13 met hun broeders: zeventienhonderdzestig familiehoofden, uitgelezen mannen, belast met de eredienst in het huis van God. 1KRON 9:14 Verder de levieten Semaja, de zoon van Chassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Chasabja, uit het geslacht van Merari, 1KRON 9:15 en Bakbakkar, Cheres, Galal en Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zikri, de zoon van Asaf; 1KRON 9:16 alsook Obadja, de zoon van Semaja, de zoon van Galal, de zoon van Jedutun, en Berekja, de zoon van Asa, de zoon van Elkana, die in de dorpen van de Netofatieten woonde. 1KRON 9:17 Voorts de poortwachters Sallum, Akkub, Talmon, Achiman en hun broeder Sallum, die hun hoofd is, 1KRON 9:18 en die tot op heden de wacht betrekt bij de koningspoort aan de oostkant. Dat waren de poortwachters in het kamp der levieten. 1KRON 9:19 Sallum, de zoon van Kore, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, en zijn broeders uit de familie der Korchieten, deden dienst als drempelwachters van de tent, zoals hun voorvaderen de toegang tot het kamp van Jahwe bewaakt hadden, 1KRON 9:20 en Pinechas, de zoon van Eleazar, was in het verleden hun hoofd geweest: dat Jahwe met hem zij! 1KRON 9:21 Zekarja, de zoon van Meselemja, was poortwachter bij de tent van de samenkomst. 1KRON 9:22 Het totale aantal dergenen die tot drempelwachter uitgekozen waren, bedroeg tweehonderdtwaalf; zij stonden ingeschreven in hun dorpen en waren door David en Samuël, de ziener, in hun verantwoordelijk ambt bevestigd. 1KRON 9:23 Zij en hun zonen bewaakten de toegangen tot het huis van Jahwe en de tent. 1KRON 9:24 De poortwachters stonden aan vier zijden op wacht, aan de oost en de westzijde en aan de noord en de zuidzijde. 1KRON 9:25 Hun broeders in de dorpen moesten hun enkele keren per week behulpzaam zijn, 1KRON 9:26 daar de vier voornaamste poortwachters, allen levieten, steeds op hun post hadden te zijn: zij hadden ook het toezicht op de zalen en de voorraadkamers van het huis van God; 1KRON 9:27 zij sliepen niet ver van het huis van God, want vierentwintig uur per dagen waren ze belast met de bewaking en het openen en sluiten van de tempel. 1KRON 9:28 Enkelen van hen moesten zorgen voor de nodige gebruiksvoorwerpen, die bij het naar binnen en naar buiten brengen geteld moesten worden. 1KRON 9:29 Anderen weer waren aangesteld over de heilige vaten, evenals over de meelbloem, de wijn, de olie, de wierook en de specerijen. 1KRON 9:30 Maar de welriekende zalven mochten alleen door de priesters gemengd worden. 1KRON 9:31 Mattitja, een leviet, de oudste zoon van Sallum, de Korachiet, was vast aangesteld over het bakwerk, 1KRON 9:32 terwijl enige ambtsbroeders uit de Kehatieten zorg droegen voor de toonbroden voor de sabbat. 1KRON 9:33 De zangers echter onder de familiehoofden der levieten waren vrijgesteld van ander werk; zij verbleven in de zalen, omdat zij dag en nacht dienst moesten doen. 1KRON 9:34 Dit waren dus naar hun afkomst de familiehoofden der levieten die in Jeruzalem woonden. 1KRON 9:35 In Gibeon woonde Jeïel, de vader van Gibeon, wiens vrouw Maaka heette. 1KRON 9:36 Zijn oudste zoon heette Abdon, de anderen Sur, Kis, Baäl, Ner, Nadab, 1KRON 9:37 Gedor, Achjo, Zekarja en Miklot. 1KRON 9:38 Miklot verwekte Simam. Ook zij gingen bij hun broeders in Jeruzalem wonen, en wel in hun nabijheid. 1KRON 9:39 Ner verwekte Kis, Kis verwekte Saul en Saul verwekte Jonatan, Malkisua, Abinadab en Esbaal. 1KRON 9:40 Meri baal was de zoon van Jonatan; Meri baal verwekte Micha. 1KRON 9:41 De zonen van Micha heetten Piton, Melek, Tachrea en Achaz. 1KRON 9:42 Achaz verwekte Jara, Jara verwekte Alemet, Azmawet en Zimri. Zimri verwekte Mosa, 1KRON 9:43 en Mosa verwekte Bina; de zoon van Bina was Refaja, diens zoon Elasa, en diens zoon Asel. 1KRON 9:44 Asel had zes zonen en dit waren hun namen: Azrikam, Bokeru, Jismaël, Searja, Obadja en Chanan; dat waren de zonen van Asel. 1KRON 10:1 De Filistijnen streden tegen Israël. De Israëlieten sloegen voor de Filistijnen op de vlucht en velen sneuvelden op het gebergte van Gilboa. 1KRON 10:2 De Filistijnen drongen door tot bij Saul en zijn zonen en doodden Jonathan, Abinadab en Malkisua, zonen van Saul. 1KRON 10:3 Nu kreeg Saul het zwaar te verduren. De boogschutters kregen hem onder schot en Saul was zo bevreesd voor hen 1KRON 10:4 dat hij tot zijn wapendrager zei: 'Trek je zwaard en doorsteek mij; anders gaan die onbesnedenen de spot met mij drijven!' Maar de wapendrager schrok daarvoor terug. Daarop nam Saul zelf het zwaard en stortte zich erin. 1KRON 10:5 Toen de wapendrager zag dat Saul dood was, stortte ook hij zich in zijn zwaard en stierf met hem. 1KRON 10:6 Zo stierven op een en dezelfde dag Saul, zijn drie zonen, en heel zijn gezin. 1KRON 10:7 Toen de Israëlieten die in de vlakte waren zagen, dat de andere Israëlieten gevlucht waren en dat Saul en zijn zonen gesneuveld waren, verlieten ze de steden en namen de vlucht. Daarop kwamen de Filistijnen en gingen er wonen. 1KRON 10:8 Toen de Filistijnen de volgende dag de lijken kwamen plunderen, vonden ze Saul en zijn drie zonen; ze lagen in het bergland van Gilboa. 1KRON 10:9 Ze plunderden hem uit, namen zijn hoofd en zijn wapenrusting mee en zonden boden rond in het land der Filistijnen om aan hun goden en het volk het goede nieuws te melden. 1KRON 10:10 Zijn wapenrusting plaatsten ze in de tempel van hun goden en zijn hoofd hingen ze op in de tempel van Dagon. 1KRON 10:11 Toen de inwoners van Jabes in Gilead vernamen wat de Filistijnen met Saul gedaan hadden, 1KRON 10:12 trokken alle weerbare mannen uit, haalden de lijken van Saul en zijn zonen weg en brachten ze naar Jabes over. Ze begroeven hun beenderen onder de tamarisk in Jabes. Daarna vastten ze zeven dagen. 1 KRON 10:13 Saul was ten onder gegaan aan zijn eigen ontrouw jegens Jahwe, en omdat hij niet geluisterd had naar Jahwe's woorden, en ook omdat hij de schim van een dode had geraadpleegd, 1KRON 10:14 in plaats van Jahwe. Daarom doodde Jahwe hem en gaf Hij het koningschap over aan David, de zoon van Isaï. 1KRON 11:1 Toen kwamen alle Israëlieten bij David in Hebron samen, en zeiden: 'Hier zijn wij, uw eigen vlees en bloed. 1KRON 11:2 Vroeger al, toen Saul nog over ons regeerde, was u degene die de troepen van Israël aanvoerde. Daarenboven heeft Jahwe, uw God, u verzekerd: Gij zult mijn volk Israël weiden; gij zijt het die over mijn volk Israël zult heersen.' 1KRON 11:3 Alle oudsten van Israël kwamen naar de koning in Hebron en David sloot met hen in Hebron een verbond ten overstaan van Jahwe, en zij zalfden David tot koning over Israël, zoals Jahwe door Samuël voorspeld had. 1KRON 11:4 Nu trok David met heel Israël op naar Jeruzalem, dat wil zeggen naar Jebus, waar de Jebusieten, de landsbevolking, woonden. 1KRON 11:5 De bewoners van Jebus riepen tot David: 'Hier komt u niet binnen!' Maar David veroverde de Sionsvesting, de zogenaamde Davidstad. 1KRON 11:6 En David sprak: 'Wie als eerste een Jebusiet neerslaat, wordt opperbevelhebber!' En Joab, de zoon van Seruja, klom als eerste naar boven en werd opperbevelhebber. 1KRON 11:7 Daarop nam David zijn intrek in de vesting; daarom noemt men deze Davidstad. 1KRON 11:8 Hij liet de stad rondom weer opbouwen, eerst het Millo, en vervolgens heel de omtrek daarvan. Joab herbouwde de rest van de stad. 1KRON 11:9 Zo werd David steeds machtiger en Jahwe, de Heer van de legerscharen, was met hem. 1KRON 11:10 Dit zijn de grootsten van Davids helden, die hem op zijn weg naar het koningschap krachtig ondersteunden, zodat hij koning werd over heel Israël, naar het woord dat Jahwe tot Israël gesproken had. 1KRON 11:11 Hier volgt dus een opsomming van Davids helden: Jasobam, de zoon van Chakmoni, aanvoerder van de drie; hij zwaaide zijn lans tegen driehonderd man, die hij in een keer versloeg; 1KRON 11:12 na hem kwam Elazar, de zoon van Dodo, de Achochiet, ook een van de drie helden. 1KRON 11:13 Hij was bij David in Pas dammim toen de Filistijnen zich daar voor de strijd verzamelden. Daar lag een stuk land dat vol gerst stond. Het volk was op de vlucht gegaan voor de Filistijnen. 1KRON 11:14 Elazar ging midden op het land staan en wist het te behouden door de Filistijnen te verslaan. Zo schonk Jahwe een grote overwinning. 1KRON 11:15 Een andere keer trokken drie van de dertig aanvoerders naar Davids vesting bij de grot van Adullam terwijl het leger van de Filistijnen gelegerd was in het dal van de Refaieten. 1KRON 11:16 David bevond zich toen in de vesting en in Bethlehem lag een filistijns garnizoen. 1KRON 11:17 David had een grote dorst en verzuchtte: 'Als iemand mij nu eens water kon laten drinken uit de put bij de poort van Bethlehem!' 1KRON 11:18 Daarop baanden de drie zich een weg door het kamp van de Filistijnen, slaagden erin water uit de put bij de stadspoort van Bethlehem te bemachtigen en zij brachten dit naar David. Maar David wilde er niet van drinken en goot het uit voor Jahwe 1KRON 11:19 en riep uit: 'Dat mijn God er mij voor beware zoiets te doen! Zou ik het bloed en het leven van deze mannen drinken? Hun leven hebben zij op het spel gezet om mij dit water te brengen.' Daarom wilde hij er niet van drinken. Zulke dingen deden de drie helden. 1KRON 11:20 Abisaï, de broer van Joab, stond aan het hoofd van de dertig; hij zwaaide zijn lans en velde driehonderd man. Maar met de drie kon hij zich niet meten. 1KRON 11:21 Om twee feiten was hij de beroemdste van de dertig, zodat hij hun aanvoerder werd; maar tegen de drie kon hij niet op. 1KRON 11:22 Benaja, de zoon van Jojada uit Kabseel, een dapper man die al veel grote daden verricht had, doodde de twee zonen van Ariël uit Moab; ook doodde hij op een dag dat er sneeuw lag een leeuw in een kuil. 1KRON 11:23 Hij velde ook een Egyptenaar, een man vijf el groot, met in zijn hand een lans zo groot als een weversboom, maar Benaja ging met zijn stok op hem af, trok hem de lans uit de vuist, en stak de Egyptenaar met zijn eigen lans dood. 1KRON 11:24 Zulke dingen deed Benaja, de zoon van Jojada, en hij werd even beroemd als de drie helden. 1KRON 11:25 Maar ofschoon hij bij de dertig zeer hoog in aanzien stond, kon hij zich toch niet met de drie meten. David stelde hem over zijn lijfwacht aan. 1KRON 11:26 Dit zijn de helden: Asaël, de broer van Joab; Elchanan, de zoon van Dodo uit Bethlehem; 1KRON 11:27 Sammot, de Harariet, en Cheles, de Peloniet; 1KRON 11:28 Ira, de zoon van Ikkes uit Tekoa, Abiezer uit Anatot; 1KRON 11:29 Sibbekai, de Chusatiet, Ilai, de Achochiet; 1KRON 11:30 Maharai, de Netofatiet en Cheled, de zoon van Baana, uit Netofa; 1KRON 11:31 Itai, de zoon van Ribai uit Gibea in Benjamin; Benaja uit Piraton; 1KRON 11:32 Churai uit Nachale gaas; Abiël, de Arbatiet; 1KRON 11:33 Azmawet uit Bachurim; Eljachba uit Saalbon, 1KRON 11:34 Hasem, de Gizoniet, en Jonatan, de zoon van de Harariet Sage; 1KRON 11:35 Achiam, de zoon van Sakar, de Harariet, en Elifal, de zoon van Ur; 1KRON 11:36 Chefer, de Mekeratiet; Achia, de Peloniet; 1KRON 11:37 Chesro, de Karmeliet; Naarai, de zoon van Ezbai; 1KRON 11:38 Joel, de broer van Natan; Mibchar, de zoon van Hagri; 1KRON 11:39 Selek, de Ammoniet; Nachrai, de Berotiet, wapendrager van Joab, de zoon van Seruja; 1KRON 11:40 Ira uit Jeter en Gareb uit Jeter; 1KRON 11:41 Uria, de Hethiet, Zabad, de zoon van Achlai; 1KRON 11:42 Adina, de zoon van Siza uit Ruben, het hoofd van de Rubenieten, met dertig man; 1KRON 11:43 Chanan, de zoon van Maaka, en Josafat, de Mitniet; 1KRON 11:44 Uzzia, de Asteratiet, Sama en Jeïel, de zonen van Chotam uit Aroer; 1KRON 11:45 Jediaël, de zoon van Simri en Jocha en diens broer, de Tisiet; 1KRON 11:46 Eliël, de Machawiet en Jeribai en Josawja, de zonen van Elnaam, en Jitma, de Moabiet; 1KRON 11:47 Eliël, Obed en Jaasiël uit Mesobaja. 1KRON 12:1 Dit zijn degenen die zich in Siklag bij David aansloten, toen hij zich niet meer kon vertonen aan het hof van Saul, de zoon van Kis. Het waren helden, geduchte strijders, 1KRON 12:2 met bogen uitgerust, even vaardig met de linker als met de rechterhand, zowel bij het slingeren van stenen als bij het schieten met pijl en boog. Van de stamgenoten van Saul uit Benjamin waren het 1KRON 12:3 Achiezer, hun leider, en Joas, de zonen van Josama uit Gibeat, Jeziël en Pelet, de zonen van Azmawet, Beraka, Jehu uit Anatot, 1KRON 12:4 Jismaja uit Gibeon, een van de dertig helden en tevens hun aanvoerder, 1KRON 12:5 Jirmeja, Jachaziël, Jochanan en Jozabad uit Gedera, 1KRON 12:6 Eluzai, Jerimot, Bealja, Semarja en Sefatja uit Charuf, 1KRON 12:7 Elkana, Jissia, Azarel, Joezer en Jasobam, afstammelingen van Korach, 1KRON 12:8 Joela en Zebadja, de zonen van Jerocham uit Gedo. 1KRON 12:9 Ook van de Gadieten voegden sommigen zich bij David in diens schans in de woestijn; het waren flinke mannen, strijdvaardige krijgslieden, uitgerust met schild en lans, vervaarlijk als leeuwen en rap als gazellen op de bergen. 1KRON 12:10 Het waren Ezer, de eerste, Obadja, de tweede, Eliab, de derde, 1KRON 12:11 Mismanna, de vierde, Jirmeja, de vijfde, 1KRON 12:12 Attai, de zesde, Eliël, de zevende, 1KRON 12:13 Jochanan, de achtste, Elzabad, de negende, 1KRON 12:14 Jirmeja, de tiende, Makbannai, de elfde. 1KRON 12:15 Het waren Gadieten; zij waren aanvoerders van het leger; de kleinste telde voor honderd en de grootste voor duizend. 1KRON 12:16 Zij waren het die in de eerste maand, toen de Jordaan overal buiten zijn oevers getreden was, erover trokken en al de bewoners van het dal aan oost en westzijde op de vlucht joegen. 1KRON 12:17 Toen er enige Benjaminieten en Judeeërs naar de schans kwamen om David te spreken, 1KRON 12:18 ging hij naar buiten en zei: 'Als u met goede bedoelingen hier bent gekomen en mij wilt helpen, dan zal ik u toegedaan zijn als een ware vriend, maar als het is om mij aan mijn tegenstanders te verraden, hoewel er geen onrecht aan mijn handen kleeft, dan moge de God van onze vaderen het zien en het wreken.' 1KRON 12:19 Toen vervulde de geest Amasai, de aanvoerder van de dertig, en hij zei: 'Heil u, David, heil uw volk, zoon van Isaï! Heil u, heil degenen die u helpen, want uw God is uw helper.' Toen nam David hen in zijn troep op en stelde hen als aanvoerders aan. 1KRON 12:20 Ook uit Manasse liepen er naar David over, toen hij met de Filistijnen tegen Saul ten strijde trok. In feite konden ze de Filistijnen niet steunen, omdat de stadsvorsten van de Filistijnen David na overleg wegstuurden, want, meenden ze, hij zou overlopen naar Saul, zijn heer, en dat zou hun het leven kosten. 1KRON 12:21 Toen hij dus terugkeerde naar Siklag, sloten enkele Manassieten zich bij hem aan, namelijk Adnach, Jozabad, Jediaël, Michaël, Jozabad, Elihu en Silletai, aanvoerders van duizend uit Manasse. 1KRON 12:22 Ze hielpen David bij het aanvoeren van de troep; het waren allemaal flinke mannen en ze werden oversten van het leger. 1KRON 12:23 Van dag tot dag meldden zich bij David mannen die hem wilden helpen, tot het een leger was geworden zo groot als een leger Gods. 1KRON 12:24 Hier volgen de aantallen van degenen die, ten strijde uitgerust, naar David in Hebron gingen om het koningschap van Saul op hem over te dragen, naar het bevel van Jahwe. 1KRON 12:25 Judeeërs: achtenzestighonderd man, ten strijde uitgerust met schild en lans. 1KRON 12:26 Simeonieten: eenenzeventighonderd strijdbare mannen. 1KRON 12:27 Levieten: zesenveertighonderd man, 1KRON 12:28 waaronder Jojada, de leider van de Aäronieten, met zevenendertighonderd man, 1KRON 12:29 en Sadok, een flinke jongeman, met zijn familie, die tweeëntwintig aanvoerders telde. 1KRON 12:30 Benjaminieten, de stamgenoten van Saul: drieduizend man; de meeste Benjaminieten waren echter tot dusverre trouw gebleven aan het huis van Saul. 1KRON 12:31 Efraimieten: twintigduizend achthonderd flinke mannen, in hoog aanzien bij hun families. 1KRON 12:32 Van half manasse: achttienduizend man, in het stamregister ingeschreven, gekomen om David tot koning te verheffen. 1KRON 12:33 Issakarieten, mensen die op de hoogte waren van hun tijd en wisten wat Israël te doen stond: tweehonderd aanvoerders met al hun broeders over wie ze het bevel voerden. 1KRON 12:34 Zebulonieten: vijftigduizend man die onder de wapenen geroepen konden worden, volledig uitgerust voor de strijd en bereid om van ganser harte te helpen. 1KRON 12:35 Naftalieten: duizend oversten met zevenendertigduizend man, met schild en speer. 1KRON 12:36 Danieten: achtentwintigduizendzeshonderd man, uitgerust voor de strijd. 1KRON 12:37 Aserieten: veertigduizend man die onder de wapenen geroepen konden worden, uitgerust voor de strijd. 1KRON 12:38 En van de overzijde van de Jordaan kwamen er van de Rubenieten, de Gadieten en de andere helft van de stam Manasse honderdtwintigduizend man, volledig uitgerust. 1KRON 12:39 Al deze krijgslieden kwamen in gesloten gelederen vol geestdrift naar Hebron om David te verheffen tot koning over geheel Israël. En ook alle andere Israëlieten wilden eenstemmig David als koning. 1KRON 12:40 Ze bleven daar en vierden met David drie dagen feest. Hun broeders hadden voor hen gezorgd 1KRON 12:41 en zelfs hun naburen, tot Issakar, Zebulon en Naftali toe, brachten op ezels, kamelen, muildieren en runderen levensmiddelen: grote hoeveelheden meelspijzen, vijgen en rozijnen, wijn en olie, runderen en schapen, want er heerste vreugde in Israël. 1KRON 13:1 David pleegde overleg met de aanvoerders van duizend en van honderd en met alle leiders. 1KRON 13:2 Hij sprak tot heel het verzamelde volk van Israël: 'Als het u goed dunkt en het behaagt aan Jahwe, onze God, laten wij dan boodschappen rondsturen naar alle woonplaatsen van Israël, aan onze broeders die thuis gebleven zijn, en aan de priesters en levieten, woonachtig in de steden waarbij ze hun weidegronden hebben, met het verzoek zich bij ons te voegen, 1KRON 13:3 om de ark van onze God naar ons over te brengen, want in de dagen van Saul hebben wij er ons niet om bekommerd. 1KRON 13:4 De vergadering stemde hierin toe, want heel het volk vond het een goed voorstel. 1KRON 13:5 Toen liet David de Israëlieten vanaf de beek van Egypte tot aan de weg naar Hamat bijeenkomen om de ark van God uit Kirjat jearim over te brengen. 1KRON 13:6 David trok met alle Israëlieten op naar Baäla, dat wil zeggen naar Kirjat jearim in Juda, om vandaar de ark van God te halen welke de naam draagt van Jahwe die op de kerubs troont. 1KRON 13:7 Voor het huis van Abinadab laadden ze de ark van God op een nieuwe wagen; deze werd door Uzza en Achjo begeleid. 1KRON 13:8 David en alle Israëlieten dansten geestdriftig voor God uit, onder gezang en het spelen van citers, harpen, tamboerijnen, bekkens en trompetten. 1KRON 13:9 Toen ze bij de dorsvloer van Kidon aangekomen waren, dreigden de runderen op hol te slaan. Uzza stak zijn hand uit om de ark tegen te houden, 1KRON 13:10 maar Jahwe's toorn ontbrandde tegen Uzza en Hij sloeg hem ter plaatse, omdat hij zijn hand uitgestoken had naar de ark. Hij bleef dood liggen voor God. 1KRON 13:11 David was diep geschokt door de slag waarmee Jahwe Uzza had getroffen. Men noemde die plaats Peres uzza; zo heet hij vandaag nog. 1KRON 13:12 David werd daardoor zo bevreesd voor Jahwe dat hij dacht: 'Hoe zou de ark van God ooit bij mij binnen kunnen komen?' 1KRON 13:13 Hij liet de ark niet naar zich overbrengen in de Davidstad, maar gaf haar een onderdak in het huis van Obed edom, de Gittiet. 1KRON 13:14 Drie maanden bleef de ark van God in het huis van Obed edom, en Jahwe zegende Obededom en heel zijn bezit. 1KRON 14:1 Chiram, de koning van Tyrus, zond gezanten naar David met cederhout en met steenhouwers en timmerlieden om te helpen bij de bouw van zijn paleis. 1KRON 14:2 Toen besefte David dat Jahwe hem inderdaad tot koning van Israël had bevestigd, en dat Jahwe zijn koningschap glorie had verleend omwille van Israël, zijn volk. 1KRON 14:3 David nam in Jeruzalem nog andere vrouwen, en hij kreeg nog meer zonen en dochters. 1KRON 14:4 Dit zijn de namen van de kinderen die hij in Jeruzalem kreeg: Sammua, Sobab, Natan en Salomo; 1KRON 14:5 Jibchar, Elisua en Elpelet; 1KRON 14:6 Noga, Nefeg en Jafia; 1KRON 14:7 Elisama, Beeljada en Elifalet. 1KRON 14:8 Toen de Filistijnen hoorden dat David tot koning van heel Israël gezalfd was, rukten ze gezamenlijk op om hem in hun macht te krijgen. Dit kwam David ter ore en hij trok ze tegemoet. 1KRON 14:9 Intussen waren de Filistijnen in de Refaimvlakte aangekomen en hadden zich daar verspreid. 1KRON 14:10 David vroeg aan God: 'Moet ik tegen de Filistijnen oprukken en zult Gij ze aan mij uitleveren?' En Jahwe antwoordde: 'Ruk op; ik lever ze aan u uit!' 1KRON 14:11 Zo kwam David bij Baäl perasim en daar versloeg hij de Filistijnen. David zei: 'God heeft in het front van mijn vijanden een bres geslagen zoals water een bres slaat!' Vandaar dat die plaats Baäl perasim heet. 1KRON 14:12 De Filistijnen lieten daar hun afgodsbeelden achter, en deze werden op bevel van David verbrand. 1KRON 14:13 De Filistijnen rukten echter weer op naar het Refaimdal en verspreidden zich daar. 1KRON 14:14 Opnieuw raadpleegde David God. God antwoordde: 'Ga niet recht op hen af, maar trek om hen heen tot gij achter hen bent, in de buurt van de balsemstruiken. 1KRON 14:15 Zodra gij in de toppen van de balsemstruiken het geluid hoort van schreden, moet gij ten strijde trekken: uw God trekt dan voor u uit om het leger van de Filistijnen te verslaan.' 1KRON 14:16 David deed zoals God hem bevolen had en hij versloeg het leger van de Filistijnen van Gibeon tot Gezer. 1KRON 14:17 Zijn faam verspreidde zich over alle landen, en door Jahwe's tussenkomst kregen alle volken ontzag voor hem. 1KRON 15:1 Toen David voor zichzelf een paleis gebouwd had in de Davidstad, paalde hij een plaats af om er een tent op te slaan voor de ark van God. 1KRON 15:2 Bij die gelegenheid beval David: 'Niemand mag de ark van God dragen dan alleen de levieten, want hen heeft Jahwe uitverkoren om de ark van Jahwe te dragen en voor altijd de dienst daarbij te verrichten.' 1KRON 15:3 Nu riep David geheel Israël in Jeruzalem bijeen om de ark van Jahwe over te brengen naar de plaats die hij voor haar had afgepaald. 1KRON 15:4 Ook riep David de zonen van Aäron en de levieten bijeen. 1KRON 15:5 Van de zonen van Kehat: Uriël, de overste, met zijn broeders: honderdtwintig man; 1KRON 15:6 van de zonen van Merari: Asaja, de overste, met zijn broeders: tweehonderdtwintig man; 1KRON 15:7 van de zonen van Gersom: Joel, de overste, met zijn broeders, honderddertig man; 1KRON 15:8 van de zonen van Elisafan: Semaja, de overste, met zijn broeders: tweehonderd man; 1KRON 15:9 van de zonen van Chebron: Eliël, de overste, met zijn broeders: tachtig man; 1KRON 15:10 van de zonen van Uzziël: Amminadab, de overste, met zijn broeders: honderdtwaalf man. 1KRON 15:11 Daarna ontbood David de priesters Sadok en Abjatar, en de levieten Uriël, Asaja, Joel, Semaja, Eliël en Amminadab 1KRON 15:12 en zei tot hen: 'U, die familiehoofden van de levieten bent, heiligt uzelf en uw broeders, om de ark van Jahwe, de God van Israël, over te brengen naar de plaats die ik voor haar heb afgepaald. 1KRON 15:13 Want de vorige keer, toen u er niet bij was, heeft Jahwe, onze God, ons een zware slag toegebracht, omdat we Hem niet de gepaste eerbied hadden betoond.' 1KRON 15:14 De priesters en levieten heiligden zich dus om de ark van Jahwe, de God van Israël, over te brengen. 1KRON 15:15 De levieten namen de ark van God met draagstokken op hun schouders, zoals Mozes in opdracht van Jahwe bevolen had. 1KRON 15:16 Ook beval David de oversten van de levieten, de zangers onder hen te laten aantreden met muziekinstrumenten, lieren, harpen en cimbalen, om feestelijke muziek te laten horen. 1KRON 15:17 De levieten wezen de volgende personen aan: Heman, de zoon van Joel en uit zijn familie Asaf, de zoon van Berekja, en vervolgens uit de zonen van Merari Etan, de zoon van Kusaja; 1KRON 15:18 voorts hun broeders van de tweede rang: Zekarja, Ben, Jaaziël, Semiramot, Jechiël, Unni, Eliab, Benaja, Maaseja, Mattitja, Elifelehu, Mikneja, Obed edom, Jeïel, de poortwachters. 1KRON 15:19 De zangers Heman, Asaf en Etan moesten de bronzen cimbalen slaan; 1KRON 15:20 Zekarja, Aziël, Semiramot, Jechiël, Unni, Eliab, Maaseja en Benaja moesten spelen op hooggestemde lieren 1KRON 15:21 en Mattitja, Elifelehu, Mikneja, Obededom, Jeïel en Azazja op harpen, een oktaaf lager, ter begeleiding. 1KRON 15:22 Kenanja, de leviet die de leiding had bij het vervoer, werd, gezien zijn deskundigheid, met het vervoer belast. 1KRON 15:23 Berekja en Elkana moesten de ark bewaken, 1KRON 15:24 de priesters Sebanja, Josafat, Netanel, Amasai, Zekarja, Benaja en Eliezer moesten op de trompetten blazen voor de ark van God uit, en Obed edom en Jechia moesten de ark bewaken. 1KRON 15:25 Toen gingen David, de oudsten van Israël en de aanvoerders van duizend op weg om de ark van het verbond van Jahwe op feestelijke wijze uit het huis van Obed edom af te halen. 1KRON 15:26 En daar God de levieten die de ark van het verbond droegen bijstond, offerden ze zeven stieren en zeven rammen. 1KRON 15:27 David was gekleed in een mantel van fijn linnen, evenals alle levieten die de ark droegen, de zangers en Kenanja, die de leiding had bij het vervoer. David had bovendien een linnen efod aan. 1KRON 15:28 Zo bracht heel Israël de ark van het verbond over, onder luid gejuich en onder het geschal van bazuinen en trompetten en onder de klanken van cimbalen, lieren en harpen. 1KRON 15:29 Toen de ark van het verbond in de Davidstad aankwam, stond Mikal, de dochter van Saul, voor het venster, en toen ze koning David zag springen en dansen, voelde ze een diepe verachting voor hem. 1KRON 16:1 Nadat ze de ark van God de stad binnengebracht hadden, zetten ze haar in de tent die David voor haar had opgeslagen en brachten ze brand en slachtoffers ter ere van God. 1KRON 16:2 Toen David de laatste brand en slachtoffers had opgedragen, zegende hij het volk in de naam van Jahwe 1KRON 16:3 en hield hij voor alle Israëlieten, mannen en vrouwen, een uitdeling: ze kregen ieder een plat brood, een stuk vlees en een druivenkoek. 1KRON 16:4 Daarna stelde hij enige levieten aan die de dienst moesten waarnemen bij de ark van Jahwe; ze moesten Jahwe, de God van Israël, roemen, Hem loven en prijzen. 1KRON 16:5 Het waren Asaf, het hoofd, en Zekarja, de tweede in rang, Jeïel, Semiramot, Jechiël, Mattitja, Eliab, Benaja, Obed edom en Jeïel. Dezen moesten spelen op citers en harpen, en Asaf moest de cimbalen slaan, 1KRON 16:6 terwijl de priesters Benaja en Jachaziël voortdurend op de trompetten moesten blazen voor de ark van het verbond met God. 1KRON 16:7 Die dag liet David voor de eerste maal door Asaf en zijn broeders het' Loof Jahwe' zingen: 1KRON 16:8 Loof Jahwe, roep zijn naam aan, maak bij de volken zijn daden bekend! 1KRON 16:9 Zing voor Hem; hef een lied voor Hem aan, en spreek over zijn wonderdaden. 1KRON 16:10 Roem op zijn heilige naam; verheugd zij het hart dat Jahwe zoekt. 1KRON 16:11 Richt u op Jahwe en zijn macht; zoek voortdurend zijn aanschijn. 1KRON 16:12 Gedenk de wonderen die Hij deed, zijn tekenen, het woord uit zijn mond, 1KRON 16:13 gij kroost van Israël, zijn dienaar, gij zonen van Jakob, zijn uitverkorene. 1KRON 16:14 Hij is Jahwe, onze God; over heel de aarde gelden zijn wetten. 1KRON 16:15 Denk altijd aan zijn verbond, het gebod dat Hij gaf voor duizend geslachten, 1KRON 16:16 het verbond dat Hij sloot met Abraham en de eed die Hij Isaak zwoer. 1KRON 16:17 Hij heeft die voor Jakob tot wet verheven, voor Israël tot een eeuwig verbond, 1KRON 16:18 toen Hij zei: u zal Ik Kanaän geven. Ik wijs het u toe als bezit. 1KRON 16:19 Toen ge nog weinig talrijk waart, een kleine groep in een vreemd land, 1KRON 16:20 toen ge zwierf van volk naar volk, van het ene rijk naar het andere, 1KRON 16:21 duldde Hij niet dat iemand u verdrukte en tuchtigde koningen om uwentwil: 1KRON 16:22 Raak niet aan mijn gezalfden, doe mijn profeten geen kwaad! 1KRON 16:23 Heel de aarde, zing Jahwe ter ere, boodschap zijn heil van dag tot dag; 1KRON 16:24 verkondig zijn heerlijkheid onder de volken, onder alle volken zijn wonderdaden. 1KRON 16:25 Groot is Jahwe en hoog te prijzen, geducht is Hij boven alle goden; 1KRON 16:26 want alle goden der volken zijn afgoden, maar Jahwe heeft de hemel gemaakt! 1KRON 16:27 Glans en glorie staan voor zijn aanschijn; van vreugde en macht is zijn woonplaats vervuld. 1KRON 16:28 Geef aan Jahwe, geslachten der volken, geef aan Jahwe eer en macht. 1KRON 16:29 Geef aan Jahwe de eer die Hem toekomt, treed met geschenken voor zijn aanschijn, buig u neer voor Jahwe in heilig gewaad, 1KRON 16:30 sidder voor Hem, heel de aarde. Vast staat de wereld en ze wankelt niet: 1KRON 16:31 Laat de hemelen zich verheugen, de aarde juichen, laat ze de volken verkondigen: Jahwe is koning! 1KRON 16:32 Laat bulderen de zee met al wat erin is, laat jubelen het veld met al wat er leeft. 1KRON 16:33 Laat ook de bomen in het woud zich verblijden om Jahwe, want Hij komt om de aarde te regeren! 1KRON 16:34 Loof Jahwe, want Hij is goed, ja eeuwig duurt zijn goedheid. 1KRON 16:35 Zeg tot Hem: Red ons, God van ons heil. bevrijd ons uit de greep van de volken, en breng ons bijeen om uw heilige naam te loven en uw lof te verkondigen. 1KRON 16:36 Gezegend zij Jahwe, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! En heel het volk riep: Amen! Loof Jahwe! 1KRON 16:37 David stelde Asaf en zijn broeders aan om onafgebroken dagelijks de dienst waar te nemen bij de ark van het verbond. 1KRON 16:38 Verder stelde hij Obed edom met zijn broeders, achtenzestig man, en nog een andere Obededom, de zoon van Jedutum, en Chosa aan als poortwachters. 1KRON 16:39 Maar de priester Sadok met zijn broeders, de priesters, liet hij bij de woning van Jahwe op de offerhoogte van Gibeon, 1KRON 16:40 om voortdurend 's morgens en 's avonds op het altaar brandoffers op te dragen voor Jahwe, juist zoals voorgeschreven is in de wet die Jahwe Israël heeft opgelegd. 1KRON 16:41 Bij hem bevonden zich Heman en Jedutun en de overigen die uitgekozen en met name aangewezen waren om ter ere van Jahwe het' Loof Jahwe, want eeuwig duurt zijn goedheid' te zingen. 1KRON 16:42 Heman en Jedutun hadden onder hun hoede de trompetten, cimbalen en andere instrumenten voor de gewijde muziek. En de zonen van Jedutun waren aan de poort. 1KRON 16:43 Daarop ging het volk naar huis en David keerde terug om zijn gezin te begroeten. 1KRON 17:1 Toen David zijn intrek genomen had in zijn paleis, sprak hij tot Natan, de profeet: 'Zie, zelf woon ik in een paleis van cederhout, maar de verbondsark van Jahwe staat onder tentdoek!' 1KRON 17:2 Natan gaf David ten antwoord: 'Doe gerust alles wat u in de zin heeft; God is met u.' 1KRON 17:3 Maar diezelfde nacht nog werd het woord van God gericht tot Natan: 1KRON 17:4 'Ga mijn dienaar David zeggen: Zo spreekt Jahwe! Gij zult voor mij geen huis bouwen om daarin te wonen. 1KRON 17:5 Ik heb nooit in een huis gewoond, sinds de tijd dat Ik de Israëlieten uit Egypte geleid heb tot vandaag toe, maar Ik heb rondgetrokken in een tent of tabernakel. 1KRON 17:6 En heb Ik ooit, zolang Ik met Israël rondtrok, tot een der rechters die Ik als herders over mijn volk aangesteld had, gezegd: Waarom bouwt gij Mij niet een huis van cederhout? 1KRON 17:7 Zeg daarom aan mijn dienaar David: Zo spreekt Jahwe, de Heer der legerscharen: Ik heb u uit de steppe gehaald, achter de schapen vandaan, om vorst te zijn over mijn volk Israël. 1KRON 17:8 Op al uw tochten heb Ik u bijgestaan, al uw vijanden heb Ik vernietigd, uw naam heb Ik groot gemaakt als die van de groten der aarde. 1KRON 17:9 Ik heb mijn volk Israël een land toegewezen en het daar geplant om er te wonen, zonder nog opgeschrikt of verdrukt te worden door booswichten zoals vroeger, 1KRON 17:10 in de tijd dat Ik rechters aanstelde over mijn volk Israël. Al uw vijanden heb Ik aan u onderworpen. Ik kondig u aan dat Jahwe voor u een huis zal bouwen! 1KRON 17:11 Als uw dagen voleind zijn, en gij bij uw vaderen te ruste zijt gegaan, zal Ik een van uw zonen als uw nazaat verheffen, en zijn koninklijke macht in stand houden. 1KRON 17:12 Hij zal mij een huis bouwen en Ik zal zijn koninklijke macht voor altijd in stand houden. 1KRON 17:13 Ik zal hem tot vader zijn en hij Mij tot zoon; nooit zal Ik hem uit mijn gunst verstoten zoals Ik dat gedaan heb met uw voorganger. 1KRON 17:14 Voor altijd zal Ik hem aanstellen over mijn huis en over mijn koninkrijk: zijn troon zal niet wankelen in eeuwigheid!' 1KRON 17:15 Al deze woorden en openbaringen bracht Natan getrouw aan David over. 1KRON 17:16 Daarop ging koning David het heiligdom binnen, zette zich neer voor Jahwe, en bad: 'Wie ben ik, Jahwe God, en wat is mijn huis, dat Gij mij zover gebracht hebt? 1KRON 17:17 En nu is u dit alles nog niet genoeg, God: ook over de toekomst van het huis van uw dienaar spreekt Gij, en Gij laat mij, Jahwe God, dingen zien die het begrip van een mens te boven gaan. 1KRON 17:18 Wat kan David U nog zeggen, nu Gij uw dienaar zoveel eer hebt aangedaan en hem zoveel vriendschap hebt bewezen? 1KRON 17:19 Jahwe, al deze grote dingen hebt Gij gedaan terwille van uw dienaar en overeenkomstig uw goedheid, en Gij wilt dat uw dienaar dit alles weet. 1KRON 17:20 Jahwe, niemand is zo groot als Gij, en buiten U is er geen God, zoals blijkt uit alles wat wij zelf gehoord hebben. 1KRON 17:21 En welk volk kan vergeleken worden met Israël, uw volk, het enige dat Gij kwam vrijkopen om u een naam te verwerven door het verrichten van grote en schrikwekkende daden, en door voor het volk dat Gij uit Egypte bevrijd had de andere volkeren te verdrijven. 1KRON 17:22 Gij hebt Israël gemaakt tot uw volk voor altijd, en Gij, Jahwe, zijt zijn God geworden. 1KRON 17:23 Welnu dan, Jahwe, laat het woord dat Gij gesproken hebt over uw dienaar en zijn huis voor altijd bestendig zijn, en handel overeenkomstig uw belofte. 1KRON 17:24 Dan zal uw naam vaststaan en groot zijn voor eeuwig, en men zal zeggen: Jahwe, de Heer der legerscharen is de God van Israël, Hij is Israëls God, en het huis van David, uw dienaar, zal duurzaam zijn voor uw aanschijn. 1KRON 17:25 Want Gij, mijn God, hebt aan uw dienaar geopenbaard dat Gij hem een huis zult bouwen; daarom heeft uw dienaar de moed gevonden, dit gebed tot U te richten. 1KRON 17:26 Welnu dan, Jahwe, Gij zijt God; Gij hebt deze weldaad aan uw dienaar beloofd. 1KRON 17:27 Wil daarom het huis van uw dienaar zegenen, opdat het voor altijd voor uw aanschijn moge staan: want wat Gij, Jahwe, hebt gezegend, dat blijft gezegend tot in eeuwigheid.' 1KRON 18:1 Enige tijd later versloeg David de Filistijnen. Hij onderwierp hen en nam Gat en onderhorigheden in. 1KRON 18:2 Ook versloeg hij de Moabieten, en dezen werden hem voor altijd schatplichtig. 1KRON 18:3 Vervolgens versloeg hij Hadadezer, de koning van Soba, in Hamat, toen deze onderweg was naar de Eufraat, waar hij zich een gedenkteken wilde oprichten. 1KRON 18:4 David veroverde op hem duizend wagens en nam zevenduizend ruiters en twintigduizend man voetvolk gevangen. Hij maakte alle wagens, op honderd na, onbruikbaar. 1KRON 18:5 En daar de Arameeërs van Damascus Hadadezer, de koning van Soba, te hulp waren gekomen, doodde David tweeëntwintigduizend Arameeërs. 1KRON 18:6 Hij legerde een garnizoen bij de Arameeërs van Damascus, en ze werden hem schatplichtig. Zo gaf Jahwe aan David de overwinning op al zijn tochten. 1KRON 18:7 David nam de gouden schilden die aan Hadadezers dienaren toebehoord hadden, en voerde ze mee naar Jeruzalem, 1KRON 18:8 evenals een grote hoeveelheid brons, die hij in Tibchat en Kun, twee steden van Hadadezer, had buitgemaakt, en waarvan Salomo de bronzen Zee, de zuilen en de bronzen voorwerpen zou maken. 1KRON 18:9 Tou, de koning van Hamat, hoorde dat David heel het leger van Hadadezer, de koning van Soba, verslagen had. 1KRON 18:10 Hij stuurde zijn zoon Hadoram naar koning David om zijn opwachting bij hem te maken en hem geluk te wensen met zijn overwinning op Hadadezer, want Tou en Hadadezer hadden altijd op voet van oorlog geleefd. Hadoram bracht geschenken mee van goud, zilver en brons. 1KRON 18:11 Ook deze geschenken wijdde koning David aan Jahwe toe, tezamen met het zilver en het goud dat hij veroverd had op alle andere volkeren, op Edom, en Moab, en Ammon, op de Filistijnen en de Amalekieten. 1KRON 18:12 Abisaï, de zoon van Seruja, versloeg achttienduizend Edomieten in het Zoutdal. 1KRON 18:13 In Edom legde David een garnizoen en de Edomieten werden hem schatplichtig. 1KRON 18:14 David regeerde over heel Israël en hij liet zijn volk recht en gerechtigheid wedervaren. 1KRON 18:15 Joab, de zoon van Seruja, was opperbevelhebber van het leger; Josafat, de zoon van Achilud, was raadsheer; 1KRON 18:16 Sadok, de zoon van Achitub, en Abimelek, de zoon van Abjatar, waren priester; Sawsa was schrijver; 1KRON 18:17 Benaja, de zoon van Jojada, was bevelhebber van de Keretieten en Peletieten, en de zonen van David bekleedden de belangrijkste posten bij de koning. 1KRON 19:1 Enige tijd later stierf Nachas, de koning van Ammon, en hij werd opgevolgd door zijn zoon. 1KRON 19:2 David besloot tegenover Chanun, de zoon van Nachas, even vriendelijk te zijn als zijn vader voor David geweest was, en hij zond gezanten om Chanun zijn deelneming te betuigen met de dood van zijn vader. Toen zijn dienaren in Ammon aankwamen om Chanun Davids leedwezen te betuigen, 1KRON 19:3 zeiden de leiders van de Ammonieten tot Chanun: 'Dacht u dat David uw vader wil eren met u door zijn gezanten zijn deelneming te betuigen? Nee, zijn dienaren zijn alleen maar naar u gekomen om de stad te verkennen, haar te bespioneren, en haar dan te verwoesten.' 1KRON 19:4 Daarop liet Chanun Davids dienaren gevangen nemen; hij liet ze kaal scheren, hun kleren halverwege tot op dijhoogte afknippen en ze zo wegsturen. 1KRON 19:5 Toen dit aan David gemeld werd, zond de koning boden naar de mannen die zo diep vernederd waren, en hij liet ze zeggen in Jericho te blijven en pas terug te keren nadat hun baard weer aangegroeid zou zijn. 1KRON 19:6 De Ammonieten begrepen dat ze het bij David verbruid hadden. Daarom zonden Chanun en de Ammonieten mannen uit met duizend talenten zilver, om in Aram naharaim, in Aram maaka en Soba strijdwagens en ruiters te huren. 1KRON 19:7 Ze slaagden erin tweeëndertigduizend strijdwagens te huren, alsook de koning van Maaka met diens leger. Dezen rukten uit en sloegen hun kamp op voor Medeba; de Ammonieten sloten zich uit hun steden bij hen aan, en zo trokken zij ten strijde. 1KRON 19:8 Toen David dat vernam, stuurde hij Joab met heel zijn leger van dappere krijgers erop af. 1KRON 19:9 De Ammonieten rukten op en stelden zich op bij de poort van hun stad, terwijl de koningen die gekomen waren om te helpen zich in het open veld gescheiden opstelden. 1KRON 19:10 Joab zag dat hij zowel voor als achter zich zou moeten strijden, en koos daarom de dapperste Israëlieten uit en stelde dezen op tegenover de Arameeërs. 1KRON 19:11 De rest van het leger vertrouwde hij toe aan zijn broer Abisaï, en dezen stelden zich op tegenover de Ammonieten. 1KRON 19:12 Joab zei: 'Als de Arameeërs mij te sterk zijn, moet je mij te hulp komen; als de Ammonieten jou te sterk zijn, zal ik op mijn beurt jou te hulp komen. 1KRON 19:13 Wees flink en laat ons dapper zijn voor ons volk en voor de steden van onze God, en moge Jahwe laten gebeuren wat Hem goeddunkt.' 1KRON 19:14 Toen trok Joab met zijn leger op tegen de Arameeërs en dezen moesten voor hem de vlucht nemen. 1KRON 19:15 Zodra de Ammonieten zagen dat de Arameeërs gevlucht waren, sloegen ook zij voor Abisaï, Joabs broer, op de vlucht. Zij vluchtten de stad in. Daarop trok Joab terug naar Jeruzalem. 1KRON 19:16 Toen de Arameeërs zagen, dat ze door de Israëlieten waren verslagen, zonden ze gezanten en lieten de Arameeërs van de overzijde van de Rivier te hulp roepen onder aanvoering van Sofak, de legeraanvoerder van Hadadezer. 1KRON 19:17 David ontving bericht hiervan; hij verzamelde alle Israëlieten en trok de Jordaan over, de Arameeërs tegemoet. Hij stelde zich tegenover hen in slagorde op en zij raakten slaags. 1KRON 19:18 De Arameeërs sloegen voor Israël op de vlucht en David doodde zevenduizend paarden en veertigduizend man voetvolk, en Sofak, de legeraanvoerder, liet hij ter dood brengen. 1KRON 19:19 De vazallen van Hadadezer begrepen dat zij niet tegen de Israëlieten opgewassen waren; ze sloten dus vrede met David en onderwierpen zich. De Arameeërs wachtten zich voortaan wel, de Ammonieten nog te helpen. 1KRON 20:1 Omstreeks de jaarwisseling, in de tijd dat de koningen te velde trekken, liet Joab het leger uitrukken; hij verwoestte het land van de Ammonieten en sloeg het beleg voor Rabba. David was in Jeruzalem gebleven. Joab veroverde Rabba en verwoestte de stad. 1KRON 20:2 Toen nam David hun koning zijn kroon van het hoofd. Deze was van goud en woog een talent en er zat een kostbare steen in. Voortaan droeg David deze kroon. Hij liet de stad plunderen en behaalde er een grote buit. 1KRON 20:3 De bewoners van de stad voerde hij weg en hij liet ze dwangarbeid verrichten met zagen, ijzeren houwelen en bijlen. Zo deed hij met alle steden van Ammon. Daarna trok David met heel zijn leger terug naar Jeruzalem. 1KRON 20:4 Een tijd later kwam het in Gezer tot een gevecht met de Filistijnen. Bij die gelegenheid sloeg Sibbekai, de Chusatiet, Sippai, een Refaiet dood. 1KRON 20:5 In een andere schermutseling met de Filistijnen doodde Elchanan, de zoon van Jair, Lachmi, de broer van Goliat, de Gittiet, wiens lansschacht zo dik als een weversboom was! 1KRON 20:6 Nog later, in een gevecht bij Gat, was er een reus die aan elke hand zes vingers, en aan elke voet zes tenen had, dus vierentwintig vingers en tenen. Ook hij was een Refaiet. 1KRON 20:7 Hij daagde de Israëlieten honend uit, maar Jonatan, de zoon van Sima, de broer van David, sloeg hem neer. 1KRON 20:8 Dat waren allemaal Refaieten van Gat; ze sneuvelden door de hand van David en zijn soldaten. 1KRON 21:1 Eens keerde Satan zich tegen Israël. Hij zette David ertoe aan een volkstelling te houden in Israël. 1KRON 21:2 David gaf Joab en de leiders van het volk bevel alle Israëlieten van Berseba tot Dan te gaan tellen en hem te laten weten hoe talrijk ze waren. 1KRON 21:3 Maar Joab antwoordde: 'Jahwe moge het volk nog honderdmaal talrijker maken, en allen, mijn heer en koning, zullen zij dienaren zijn van mijn heer; waarom echter wil mijn heer dit weten, en waarom zouden we een schuld laden op Israël?' 1KRON 21:4 Maar omdat hij zich niet kon onttrekken aan het bevel van de koning, ging Joab op weg: hij reisde heel Israël af, en keerde toen terug naar Jeruzalem. 1KRON 21:5 Joab deelde het resultaat van de volkstelling aan David mee: Israël telde een miljoen en honderdduizend weerbare mannen, en Juda vierhonderdzeventigduizend. 1KRON 21:6 Levi en Benjamin had hij echter niet geteld; zoveel afkeer had Joab gehad van het koninklijk bevel. 1KRON 21:7 Het gebeurde had God ten zeerste ontstemd, en daarom wilde Hij Israël straffen. 1KRON 21:8 Toen bad David tot God: 'Ik heb zwaar gezondigd door dit te doen; vergeef echter de zonde van uw dienaar, ik heb me erg dwaas gedragen.' 1KRON 21:9 En Jahwe sprak tot Gad, de ziener van David, als volgt: 1KRON 21:10 'Ga naar David toe en zeg: Zo spreekt Jahwe: Ik houd u drie straffen voor, uit welke u er een moet kiezen; daarmee zal Ik u dan treffen.' 1KRON 21:11 Gad ging naar David toe en zei hem: 'Zo spreekt Jahwe: Doe een keus: 1KRON 21:12 Ofwel drie jaar lang hongersnood, of drie maanden vluchten voor uw vijanden onder het woeden van het vijandelijke zwaard, of drie dagen het zwaard van Jahwe: de pest in het land. Jahwe's verderfengel over heel het gebied van Israël. Overleg nu wat ik moet antwoorden aan Hem die mij zendt!' 1KRON 21:13 Toen zei David tot Gad: 'Ik ben ten zeerste ontsteld, maar ik wil liever vallen in de handen van Jahwe, wiens erbarming groot is, dan in de handen der mensen.' 1KRON 21:14 Toen liet Jahwe de pest komen over Israël en er vielen zeventigduizend slachtoffers. 1KRON 21:15 Ook naar Jeruzalem stuurde God zijn engel om er verderf te stichten. Maar toen deze daarmee wilde beginnen en Jahwe dit zag, kreeg Jahwe spijt over het onheil en Hij zei tot de verderfengel: 'Het is nu genoeg; trek uw hand terug.' De engel van Jahwe stond juist bij de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet. 1KRON 21:16 Toen David zijn ogen opsloeg en de engel van Jahwe zag staan tussen hemel en aarde, met het getrokken zwaard in de hand uitgestrekt tegen Jeruzalem, vielen hij en de oudsten, gekleed in zakken, op de grond neer. 1KRON 21:17 En David sprak tot God: 'Heb niet ik het bevel gegeven tot de volkstelling, en ben niet ik degene die gezondigd heeft en zwaar misdaan? Wat hebben deze schapen dan gedaan? Laat uw hand, Jahwe, mijn God, liever neerkomen op mij en het huis van mijn vader, zodat het volk niet aan deze plaag ten onder gaat.' 1KRON 21:18 Nu sprak de engel van Jahwe tot Gad: 'Zeg aan David, dat hij voor Jahwe een altaar gaat oprichten op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.' 1KRON 21:19 David ging dus op weg, zoals Gad hem in Jahwe's naam bevolen had. 1KRON 21:20 Ornan was juist de tarwe aan het dorsen. Toen hij zich omkeerde zag hij de engel staan; vlug verborg hij zich met zijn vier kinderen. 1KRON 21:21 Daar kwam David naar Ornan toe. Toen deze opkeek, zag hij David; hij verliet de dorsvloer en boog zich voor David diep ter aarde neer. 1KRON 21:22 En David zei tot Ornan: 'Sta mij het terrein van de dorsvloer af; ik wil er een altaar voor Jahwe op bouwen. Verkoop het me voor de volle prijs, opdat de plaag mag wijken van het volk.' 1KRON 21:23 Ornan antwoordde: 'Neem het maar en laat mijn heer, de koning, ermee doen wat hij wenst. Hier heeft u de runderen voor het brandoffer, de dorssleden kunnen dienen als brandhout, en de tarwe als meeloffer; alles schenk ik u.' 1KRON 21:24 Maar koning David zei tot Ornan: 'Geen sprake van! Ik wil alles tegen de volle prijs kopen; ik wil niets van u wegnemen om het aan Jahwe te offeren, en geen brandoffers opdragen die mij niets gekost hebben.' 1KRON 21:25 David betaalde toen aan Ornan voor het terrein een bedrag van zeshonderd gouden sikkels. 1KRON 21:26 Hij bouwde er een altaar ter ere van Jahwe, droeg brandoffers op en slachtoffers, en riep Jahwe aan. En Jahwe antwoordde met vuur uit de hemel, dat het brandoffer op het altaar verteerde. 1KRON 21:27 Daarop beval Jahwe de engel zijn zwaard in de schede te steken. 1KRON 21:28 Omdat David bij die gelegenheid ondervonden had dat Jahwe hem verhoorde op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet, begon hij daar te offeren. 1KRON 21:29 De tabernakel van Jahwe welke Mozes in de woestijn had laten maken, met het brandofferaltaar, bevond zich toen nog op de offerhoogte van Gibeon. 1KRON 21:30 Maar David durfde daar God niet meer te gaan vereren: zoveel ontzag had hij gekregen voor het zwaard van Jahwe's engel. 1KRON 22:1 Toen zei David: 'Hier is het huis van Jahwe God, en dit is het brandofferaltaar van Israël.' 1KRON 22:2 Nu beval David, de vreemdelingen die in Israël woonden bijeen te brengen; hij stelde ze aan als steenhouwers om steenblokken te houwen voor de bouw van het huis van God. 1KRON 22:3 Ook liet David een grote voorraad ijzer aanleggen voor de spijkers in de poortdeuren en voor de ankers, en een zo grote hoeveelheid brons dat het niet te wegen viel; 1KRON 22:4 verder ontelbare ceders die de Sidoniers en Tyriers in grote hoeveelheden aan David leverden. 1KRON 22:5 David dacht namelijk: 'Mijn zoon Salomo is nog onvolwassen en onervaren, terwijl het huis dat voor Jahwe gebouwd moet worden zo groot moet zijn dat de roem van zijn luister tot alle landen doordringt; laat ik dus voorbereidingen voor hem treffen.' Toen David stierf had hij reeds uitgebreide voorbereidingen getroffen. 1KRON 22:6 David ontbood zijn zoon Salomo en gaf hem opdracht, een huis te bouwen voor Jahwe, de God van Israël. 1KRON 22:7 En David zei tot Salomo: 'Mijn zoon, ikzelf had het voornemen, een huis te bouwen voor de naam van Jahwe, mijn God. 1KRON 22:8 Maar het woord van Jahwe werd tot mij gericht: Gij hebt veel bloed vergoten en grote oorlogen gevoerd. Gij moogt voor mijn naam geen huis bouwen; want ge hebt voor mijn aanschijn teveel bloed op aarde vergoten. 1KRON 22:9 Zie, u zal een zoon geboren worden; het zal een man zijn die rust brengt, want Ik zal zorgen dat zijn vijanden hem aan alle kanten met rust laten. Hij zal Salomo heten, want in zijn tijd zal Ik vrede en rust aan Israël schenken. 1KRON 22:10 Hij zal een huis bouwen voor mijn naam; hij zal Mij een zoon zijn en Ik hem een vader, en Ik zal voor altijd zijn koningstroon in Israël bevestigen. 1KRON 22:11 Welnu dan, mijn zoon, moge Jahwe met je zijn, opdat je de bouw van het huis voor Jahwe, onze God, tot een gelukkig einde mag brengen, naar het woord dat Hij over jou gesproken heeft. 1KRON 22:12 Jahwe geve je verstand en inzicht als Hij je aanstelt over Israël, om de wet te onderhouden van Jahwe, onze God. 1KRON 22:13 Alleen dan zul je voorspoed hebben als je nauwlettend de wetten en voorschriften onderhoudt die Jahwe door Mozes aan Israël gegeven heeft. Wees sterk en moedig; vrees niet en laat je niet afschrikken. 1KRON 22:14 Met veel zwoegen heb ik voor het huis van Jahwe honderdduizend talenten goud bijeengebracht, een miljoen talenten zilver en een zo grote voorraad brons en ijzer dat het niet te wegen valt; ook heb ik hout en stenen opgeslagen. Jij zult die voorraad vermeerderen. 1KRON 22:15 Je hebt de beschikking over een groot aantal werklieden, steenhouwers, metselaars, timmerlieden en vaklieden voor allerlei werk 1KRON 22:16 in goud, zilver, brons en ijzer, zonder tal. Welnu dan, aan het werk! En moge Jahwe je bijstaan.' 1KRON 22:17 Verder gelastte David alle magistraten van Israël, zijn zoon Salomo te helpen. 1KRON 22:18 Hij zei: 'Jahwe, uw God, is immers met u? Hij heeft u toch aan alle kanten rust gegeven? Hij heeft de inwoners van het land aan mij overgeleverd en het land is onderworpen aan Jahwe en aan zijn volk. 1KRON 22:19 Richt dus uw hart en uw geest op de dienst van Jahwe, uw God, en begin met de bouw van het heiligdom voor Jahwe God; dan kunnen de ark van het verbond en de heilige vaten overgebracht worden naar het huis dat voor de naam van Jahwe gebouwd wordt.' 1KRON 23:1 Toen David oud geworden was en van het leven verzadigd, verhief hij zijn zoon Salomo tot koning over Israël 1KRON 23:2 en riep hij alle magistraten van Israël, de priesters en de levieten bijeen. 1KRON 23:3 De levieten van dertig jaar en ouder werden een voor een geteld; hun aantal bedroeg achtendertigduizend man. 1KRON 23:4 Van hen moesten er vierentwintigduizend leiding geven bij de dienst in het huis van Jahwe, zesduizend werden aangesteld als schrijvers en rechters, 1KRON 23:5 vierduizend als poortwachters, en vierduizend moesten Jahwe loven op de muziekinstrumenten die David daarvoor had laten maken. 1KRON 23:6 David deelde ze in afdelingen in, naargelang ze afstamden van Gerson, Kehat of Merari, de zonen van Levi. 1KRON 23:7 Tot de Gersonieten behoorden Ladan en Simi. 1KRON 23:8 De zonen van Ladan waren Jechiël, het hoofd, Zetam en Joel, tezamen drie. 1KRON 23:9 De zonen van Simi waren Selomit, Chaziël en Haran, tezamen drie. Dat waren de familiehoofden van Ladan. 1KRON 23:10 De zonen van Simi waren Jachat, Zina, Jeus en Beria; dat waren de zonen van Simi, tezamen vier. 1KRON 23:11 Jachat was het hoofd en Zina zijn plaatsvervanger; Jeus en Beria hadden niet veel zonen; daarom vormden ze samen een familie, een dienstgroep. 1KRON 23:12 De zonen van Kehat waren Amram, Jishar, Chebron en Uzziël, tezamen vier. 1KRON 23:13 De zonen van Amram waren Aäron en Mozes. Aäron werd uitgekozen, hij en zijn zonen voor altijd, om gewijd te worden als een hoogheilig persoon, die altijd wierook moest branden voor Jahwe, hem moest dienen en in zijn naam zegenen. 1KRON 23:14 Wat Mozes, de man Gods, betreft: zijn zonen werden tot de stam van de levieten gerekend. 1KRON 23:15 De zonen van Mozes waren Gersom en Eliezer. 1KRON 23:16 De zoon van Gersom was Sebuël, het hoofd. 1KRON 23:17 De zoon van Eliezer was Rechabja, het hoofd. Eliezer had geen andere zonen maar de zonen van Rechabja waren zeer talrijk. 1KRON 23:18 De zoon van Jishar was Selomit, het hoofd. 1KRON 23:19 De zonen van Chebron waren Jeria, het hoofd, Amarja, de tweede zoon, Jachaziël, de derde, en Jekamam, de vierde. 1KRON 23:20 De zonen van Uzziël waren Micha, het hoofd, en Jissia, zijn plaatsvervanger. 1KRON 23:21 De zonen van Merari waren Machli en Musi, de zonen van Machli Elazar en Kis. 1KRON 23:22 Elazar liet bij zijn dood geen zonen, maar alleen dochters na; hun neven, de zonen van Kis, namen hen tot vrouw. 1KRON 23:23 De zonen van Musi waren Machli, Eder en Jeremot, tezamen drie. 1KRON 23:24 Dat waren dus de zonen van Levi naar hun families, met hun familiehoofden, een voor een met name ingeschreven; zij verrichten het dienstwerk in het huis van Jahwe; ze waren twintig jaar of ouder. 1KRON 23:25 David zei: 'Jahwe, de God van Israël, heeft zijn volk rust geschonken en Hij woont voor altijd in Jeruzalem. 1KRON 23:26 Nu hoeven de levieten niet langer zijn woning en heel haar inventaris te vervoeren.' 1KRON 23:27 Volgens de laatste aanwijzingen van David werd het getal der zonen van Levi berekend naar hen die twintig jaar waren of ouder. 1KRON 23:28 Ze stonden de zonen van Aäron bij in de dienst in het huis van Jahwe, voor het toezicht op de voorhoven en de zalen en op de reinheid van de heilige voorwerpen en voor het verrichten van ander dienstwerk in het huis van God. 1KRON 23:29 Ook moesten ze zorgen voor de toonbroden, voor de bloem voor het meeloffer, voor de ongezuurde dunne koeken, voor wat op de bakplaat gebakken wordt en wat er met olie wordt aangemaakt, en ze moesten letten op alle maten en afmetingen. 1KRON 23:30 Verder moesten ze elke morgen gereed staan om Jahwe te loven en te prijzen; zo ook elke avond. 1KRON 23:31 Bij het opdragen van de brandoffers voor Jahwe op de sabbat, op de dag van de nieuwe maan en andere hoogtijdagen moesten zij in het voorgeschreven aantal voortdurend voor Jahwe staan. 1KRON 23:32 Zo moesten ze de dienst waarneme n bij de tent van de samenkomst, bij het heiligdom, en hun broeders, de zonen van Aäron, behulpzaam zijn bij de dienst in het huis van Jahwe. 1KRON 24:1 De zonen van Aäron waren als volgt ingedeeld. De zonen van Aäron waren Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. 1KRON 24:2 Nadab en Abihu stierven eerder dan hun vader en lieten geen kinderen na, zodat alleen Eleazar en Itamar het priesterambt bekleedden. 1KRON 24:3 David, met Sadok, een van de zonen van Eleazar, en Achimelek, een van de zonen van Itamar, deelde hen voor het dienstwerk in afdelingen in. 1KRON 24:4 Toen bleek dat de zonen van Eleazar talrijker waren dan de zonen van Itamar. Daarom werden de zonen van Eleazar ingedeeld onder zestien familiehoofden en de zonen van Itamar onder acht familiehoofden. 1KRON 24:5 De groepen werden ingedeeld door loting, op voet van gelijkheid, omdat er zowel onder de zonen van Eleazar als onder die van Itamar heilige en door God begenadigde leiders waren. 1KRON 24:6 Ze werden ingeschreven door de schrijver Semaja, de zoon van Netanel, een van de levieten, in tegenwoordigheid van de koning, van de magistraten, van de priester Sadok, van Achimelek, de zoon van Abjatar, en van de familiehoofden van de priesters en van de levieten. Telkens werden er twee families genomen van Eleazar tegen een van Itamar. 1KRON 24:7 Het eerste lot viel op Jojarib, het tweede op Jedaja, 1KRON 24:8 het derde op Charim, het vierde op Seorim, 1KRON 24:9 het vijfde op Malkia, het zesde op Miamin, 1KRON 24:10 het zevende op Hakkos, het achtste op Abia, 1KRON 24:11 het negende op Jesua, het tiende op Sekanja, 1KRON 24:12 het elfde op Eljasib, het twaalfde op Jakim, 1KRON 24:13 het dertiende op Chuppa, het veertiende op Jesabab, 1KRON 24:14 het vijftiende op Bilga, het zestiende op Immer, 1KRON 24:15 het zeventiende op Chezir, het achttiende op Happisses, 1KRON 24:16 het negentiende op Petachja, het twintigste op Jechezkel, 1KRON 24:17 het eenentwintigste op Jakin, het tweeëntwintigste op Gamul, 1KRON 24:18 het drieëntwintigste op Delaja, het vierentwintigste op Maazja. 1KRON 24:19 Volgens deze indeling in dienstgroepen moesten ze aantreden in het huis van Jahwe voor het verrichten van hun taak naar de voorschriften die hun vader Aäron, in opdracht van Jahwe, de God van Israël, hun gegeven had. 1KRON 24:20 Wat de overige zonen van Levi betreft: van Amram stamde Subaël af, van Subaël Jechdejahu. 1KRON 24:21 Wat Rechabja betreft: van hem stamde het hoofd Jissia af. 1KRON 24:22 Tot de afstammelingen van Jishar behoorde Selomot; van Selomot stamde Jachat af. 1KRON 24:23 De zonen van Chebron waren Jeria, Amarja, de tweede zoon, Jachaziël, de derde, en Jekamam, de vierde. 1KRON 24:24 De zoon van Uzziël was Micha: van Micha stamde Samir af. 1KRON 24:25 De broeder van Micha was Jissia; van Jissia stamde Zekarja af. 1KRON 24:26 Afstammelingen van Merari waren Machli en Musi, de zonen van zijn zoon Jaaziahu. 1KRON 24:27 Afstammelingen van Merari door zijn zoon Jaaziahu waren verder Soham, Zakkur en Ibri. 1KRON 24:28 Van Machli stamde Elazar af; deze had geen zonen. 1KRON 24:29 Wat Kis betreft: zijn zoon was Jerachmeël. 1KRON 24:30 De zonen van Musi waren Machli, Eder en Jerimot. Dat waren de verschillende families van de levieten. 1KRON 24:31 Ook zij werden bij loting ingedeeld, de voorname families zo goed als de minder voorname, juist zoals geschied was met hun broeders, de zonen van Aäron, in tegenwoordigheid van koning David, van Sadok, van Achimelek, van de familiehoofden van de priesters en van de levieten. 1KRON 25:1 Verder kozen David en de legeroversten voor de eredienst uit de zonen van Asaf, van Heman en van Jedutun om, begeleid door lieren, harpen en cimbalen, lofliederen te zingen. De lijst van de mannen die voor deze taak waren aangewezen, bevatte de volgende namen. 1KRON 25:2 De groep van Asaf bestond uit de zonen van Asaf: Zakkur, Jozef, Netanja en Asarela. Zij ondersteunden het gezang van Asaf, wanneer die zich uitte in lofliederen, zoals de koning hem had opgedragen. 1KRON 25:3 De groep van Jedutun: Gedalja, Seri, Jesaja, Chasabja en Mattitja, tezamen zes, die het gezang van hun vader Jedutun ondersteunden wanneer hij, begeleid door de lier, zich uitte in liederen om Jahwe te loven en te prijzen. 1KRON 25:4 De groep van Heman bestond uit de zonen van Heman: Bukkia, Mattanja, Uzziël, Sebuël, Jerimot, Chananja, Chanani, Eliata, Giddalti, Romamti ezer, Josbekasja, Malloti, Hotir en Machaziot. 1KRON 25:5 Zij allen waren zonen van Heman, de ziener van de koning; God had Heman beloofd dat Hij zijn hoorn zou verheffen en daarom had Hij hem veertien zonen en drie dochters gegeven. 1KRON 25:6 Zij allen moesten het gezang ondersteunen van hun vaders Asaf, Jedutun en Heman, wanneer dezen, begeleid door cimbalen, lieren en harpen, liederen zongen ter ere van Jahwe bij de eredienst in het huis van God, zoals de koning hun had opgedragen. 1KRON 25:7 Met inbegrip van hun broeders die geoefend waren in het zingen van liederen ter ere van Jahwe, bedroeg hun aantal in het geheel tweehonderdachtentachtig volleerde zangers. 1KRON 25:8 Hun diensten werden bij loting geregeld; dat gold voor de voornameren evengoed als voor de minder voornamen, voor de volleerde zangers evengoed als voor de leerlingen. 1KRON 25:9 Als eerste werd door het lot Jozef aangewezen uit de groep van Asaf. Als tweede Gedalja; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:10 Als derde Zakkur; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:11 Als vierde Jisri; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:12 Als vijfde Netanja; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:13 Als zesde Bukkia; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:14 Als zevende Jesarela; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:15 Als achtste Jesaja; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:16 Als negende Mattanja; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:17 Als tiende Simi; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:18 Als elfde Azarel; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:19 Als twaalfde Chasabja; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:20 Als dertiende Subaël; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:21 Als veertiende Mattitja; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:22 Als vijftiende Jeremot; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:23 Als zestiende Chananja; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:24 Als zeventiende Josbekasja; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:25 Als achttiende Chanani; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:26 Als negentiende Malloti; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:27 Als twintigste Eliata; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:28 Als eenentwintigste Hotir; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:29 Als tweeëntwintigste Giddalti; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:30 Als drieëntwintigste Machaziot; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 25:31 Als vierentwintigste Romamti ezer; met zijn broeders en zonen samen twaalf man. 1KRON 26:1 Hier volgen de afdelingen van de poortwachters. De Korchieten: tot hen behoorde Meselemja, de zoon van Korach, een van de zonen van Asaf. 1KRON 26:2 De zonen van Meselemja waren Zekarja, de eerstgeborene, Jediaël, de tweede zoon, Zebadja, de derde, Jatniël, de vierde, 1KRON 26:3 Elam, de vijfde, Jochanan, de zesde, en Eljoenai, de zevende. 1KRON 26:4 De zonen van Obed edom waren Semaja, de eerstgeborene, Jozabad, de tweede zoon, Joach, de derde, Sakar, de vierde, Netanel, de vijfde, 1KRON 26:5 Ammiël, de zesde, Jissakar, de zevende en Peulletai, de achtste. Waarlijk, God had hem gezegend. 1KRON 26:6 De zonen die Semaja, de zoon van Obed edom, geboren werden, kregen de leiding over hun familie, want het waren mannen van aanzien. 1KRON 26:7 De zonen van Semaja waren Otni, Refaël, Obed, Elzabad met zijn broers, Elihu en Semakjahu, die mannen van aanzien waren. 1KRON 26:8 Zij allen stamden van Obed edom af; zij, hun zonen, hun broeders waren flinke mannen berekend voor hun taak; het waren er tweeënzestig. 1KRON 26:9 Ook de zonen en broeders van Meselemja waren flinke mannen; zij waren achttien in getal. 1KRON 26:10 Van de zonen van Chosa, de zoon van Merari, was Simri het hoofd; hij was door zijn vader als hoofd aangesteld, ofschoon hij niet de eerstgeborene was. 1KRON 26:11 Chilkia was de tweede zoon, Tebaljahu de derde, Zekarja de vierde; in het geheel had Chosa zestien zonen en broeders. 1KRON 26:12 Deze afdelingen van poortwachters hadden, evenals hun broeders, naar gelang van hun aantal een taak te verrichten in het huis van Jahwe. 1KRON 26:13 Door het lot bepaalden zij, de voornamere families evengoed als de minder voorname, wie de verschillende poorten moesten bewaken. 1KRON 26:14 De Oostpoort werd bij loting toegewezen aan Selemja. Zijn zoon Zekarja, een verstandig raadsman, kreeg door het lot de Noordpoort toegewezen. 1KRON 26:15 Aan Obed edom viel de Zuidpoort toe, en aan zijn zonen de opslagplaats. 1KRON 26:16 Aan Suppim en Chosa viel de Westpoort toe, samen met de Salleketpoort bij de oplopende straat; de ene wachtpost lag naast de andere. 1KRON 26:17 Aan de oostkant stonden dagelijks zes levieten, aan de noordkant vier, aan de zuidkant vier; bij de opslagplaats moesten er steeds twee staan. 1KRON 26:18 Aan de westkant, bij het Parbarhuis, stonden er vier aan de oplopende straat en twee bij het gebouw zelf. 1KRON 26:19 Dat waren de afdelingen van de poortwachters, bestaande uit de zonen van Korach en van Merari. 1KRON 26:20 De levieten, hun collega's, belast met het toezicht op de schatten van het huis van God en op de wijgeschenken, waren de volgende: 1KRON 26:21 Jechiëli, de zoon van Ladan, de Gersoniet, en hoofd van de familie; 1KRON 26:22 verder de zonen van Jechiëli: Zetam en zijn broer Joel, die het toezicht hadden op de schatten in het huis van Jahwe. 1KRON 26:23 Uit de families van Amram, Jishar, Chebron en Uzziël waren het de volgende: 1KRON 26:24 Sebuël, de zoon van Gersom, de zoon van Mozes, was de hoogste beheerder van de schatten. 1KRON 26:25 Zijn neef, de zoon van Eliezer, was Rechabja, diens zoon was Jesaja, diens zoon Joram, diens zoon Zikri, diens zoon Selomit. 1KRON 26:26 Deze Selomit had met zijn broeders het toezicht op de wijgeschenken van koning David, de familiehoofden, de oversten van duizend en van honderd, en de legeroversten. 1KRON 26:27 Uit de oorlogsbuit hadden ze die gewijd tot verrijking van het huis van Jahwe. 1KRON 26:28 Ook stond alles wat de ziener Samuël, Saul, de zoon van Kis, Abner, de zoon van Ner, en Joab, de zoon van Seruja, of wie dan ook als wijgeschenk geofferd hadden, onder toezicht van Selomit en diens broeders. 1KRON 26:29 Van de Jisharieten waren Kenanja en zijn zonen buiten de tempel werkzaam, als ambtenaren en rechters over Israël. 1KRON 26:30 Van de Chebronieten waren Chasabja en zijn broeders, zeventienhonderd mannen van aanzien, belast met het bestuur van Israël in het gebied ten westen van de Jordaan, voor alles wat de verering van Jahwe en de dienst van de koning betrof. 1KRON 26:31 Van de Chebronieten was Jeria het hoofd. Wat de geslachten en families van de Chebronieten betreft: in het veertigste jaar van de regering van David bleek bij een bevolkingsonderzoek dat ze in Jazer van Gilead mannen van aanzien hadden. 1KRON 26:32 Ook de broeders van Jeria waren mannen van aanzien, tezamen zevenentwintighonderd familiehoofden. Koning David belastte hen met het bestuur van de Rubenieten, de Gadieten en half Manasse, voor alles wat de dienst van God en die van de koning betrof. 1KRON 27:1 Hier volgt een opsomming van de familiehoofden van Israël, aanvoerder van duizend en van honderd, die met hun beambten de koning dienden door de leiding van de legerafdelingen, waarvan er maandelijks een opkwam en een met verlof ging. Elke legerafdeling telde vierentwintigduizend man. 1KRON 27:2 Aan het hoofd van de eerste afdeling, die in de eerste maand opkwam, stond Jasobam, de zoon van Zabdiël; zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 1KRON 27:3 Hij was een van de zonen van Peres en stond aan het hoofd van alle legeroversten van de eerste maand. 1KRON 27:4 Aan het hoofd van de afdeling van de tweede maand stond Dodai, de Achochiet; tot zijn afdeling, die vierentwintigduizend man telde, behoorde de vorst Miklot. 1KRON 27:5 De derde legeroverste, voor de derde maand, was Benaja, de zoon van de hogepriester Jojada; zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 1KRON 27:6 Deze Benaja was een van de dertig helden en stond aan het hoofd van de dertig; tot zijn afdeling behoorde zijn zoon Ammizabad. 1KRON 27:7 De vierde aanvoerder, voor de vierde maand, was Asaël, de broer van Joab, en na hem zijn zoon Zebadja; zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 1KRON 27:8 De vijfde aanvoerder, voor de vijfde maand, was de overste Samhut, de Jizrachiet; zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 1KRON 27:9 De zesde aanvoerder, voor de zesde maand, was Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa; zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 1KRON 27:10 De zevende aanvoerder, voor de zevende maand, was Cheles, de Peloniet, uit Efraim; zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 1KRON 27:11 De achtste aanvoerder voor de achtste maand, was Sibbekai uit Chusa, uit de familie van Zerach; zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 1KRON 27:12 De negende aanvoerder, voor de negende maan, was Abiezer uit Anatot in Benjamin; zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 1KRON 27:13 De tiende aanvoerder, voor de tiende maand, was Maharai uit Netofa, uit de familie van Zerach; zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 1KRON 27:14 De elfde aanvoerder, voor de elfde maand, was Benaja uit Piraton in Efraim; zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 1KRON 27:15 De twaalfde aanvoerder, voor de twaalfde maand, was Cheldai uit Netofa, een afstammeling van Otniël; zijn afdeling telde vierentwintigduizend man. 1KRON 27:16 Aan het hoofd van de stammen van Israël stonden de volgende personen: vorst van Ruben was Eliezer, de zoon van Zikri; van Simeon: Sefatja, de zoon van Maaka; 1KRON 27:17 van Levi: Chasabja, de zoon van Kemuël; van Aäron: Sadok; 1KRON 27:18 Van Juda: Elihu, een van Davids broeders; van Issakar: Omri, de zoon van Michaël; 1KRON 27:19 van Zebulon: Jismaja, de zoon van Obadja; van Naftali: Jerimot, de zoon van Azriël; 1KRON 27:20 van Efraim: Hosea, de zoon van Azazja; van de ene helft van de stam Manasse: Joel, de zoon van Pedaja; 1KRON 27:21 van de andere helft van Manasse, in Gilead: Jiddo, de zoon van Zekarja; van Benjamin: Jaasiël, de zoon van Abner; 1KRON 27:22 van Dan: Azarel, de zoon van Jerocham. Dat waren de oversten van de stammen van Israël. 1KRON 27:23 Degenen die twintig jaar of jonger waren had David niet laten tellen, omdat Jahwe hem beloofd had, Israël even talrijk te maken als de sterren aan de hemel. 1KRON 27:24 Joab, de zoon van Seruja, was wel begonnen met de telling, maar had die niet voltooid, omdat daardoor een hevige toorn over Israël gekomen was. Daarom is dat aantal niet opgenomen in de annalen van koning David. 1KRON 27:25 Over de schatkist van de koning ging Azmawet, de zoon van Adiël; over de bezittingen op het land, in de steden, in de dorpen en vestigingen ging Jonatan, de zoon van Uzzia; 1KRON 27:26 over de landarbeiders die de akkers moesten bewerken ging Ezri, de zoon van Kelub. 1KRON 27:27 Over de wijngaarden ging Simi uit Rama; over de opslag van wijn bij de wijngaarden ging Zabdi uit Sefam. 1KRON 27:28 Over de olijfbomen en de moerbeibomen in de Sefela ging Baäl chanan uit Geder; over de opslag van olie ging Joas. 1KRON 27:29 Over de runderen die in de Saronvlakte weidden ging Sitrai, de Saroniet, en over de runderen in de dalen Safat, de zoon van Adlai. 1KRON 27:30 Over de kamelen ging Obil, de Ismaëliet; over de ezelinnen ging Jechdejahu uit Meronot. 1KRON 27:31 Over de schapen ging Jaziz, de Hagriet. Dat waren de beheerders van de bezittingen van koning David. 1KRON 27:32 Jonatan, een oom van David, een scherpzinnig en geletterd man, was raadsman; Jechiël, de zoon van Chakmoni, was belast met de opvoeding van de prinsen. 1KRON 27:33 Achitofel was eveneens raadsman van de koning; Chusai, de Arkiet, was vertrouwensman van de koning. 1KRON 27:34 Na Achitofel waren het Jojada, de zoon van Benaja en Abjatar. De legeroverste van de koning was Joab. 1KRON 28:1 David riep alle magistraten van Israël in Jeruzalem bijeen: de stamhoofden, de aanvoerders van de legerafdelingen die de koning dienden, zowel de aanvoerders van duizend als van honderd, de beheerders van alle goederen en het vee van de koning, de opvoeders van zijn zonen, samen met de hovelingen, de helden en alle mannen van aanzien. 1KRON 28:2 Toen stond koning David op en sprak: 'Luister naar mij, mijn broeders en mijn volk! Ik had het voornemen, een huis te bouwen als verblijf voor de ark van het verbond met Jahwe, voor de voetbank van onze God. Daarom heb ik alle voorbereidingen getroffen voor de bouw. 1KRON 28:3 Maar God heeft mij gezegd: Gij moogt geen huis bouwen voor mijn naam, want ge hebt veel oorlogen gevoerd en bloed vergoten. 1KRON 28:4 Jahwe, de God van Israël, heeft uit heel mijn familie mij uitverkoren om voor altijd koning te zijn over Israël. Want Juda koos Hij als leider en uit het huis van Juda, het huis van mijn vader, en onder de zonen van mijn vader is zijn gunst op mij gevallen en daarom heeft Hij mij verheven tot koning over heel Israël. 1KRON 28:5 Uit de vele zonen die Jahwe mij heeft gegeven, heeft Hij Salomo uitverkoren om op Jahwe's koninklijke troon over Israël te heersen. 1KRON 28:6 En Hij heeft mij gezegd: Uw zoon Salomo, die zal mijn huis en mijn voorhoven bouwen, want hem heb Ik uitverkoren als mijn zoon en Ik zal voor hem een vader zijn. 1KRON 28:7 Ik zal zijn koningschap voor eeuwig bevestigen als hij, zoals nu, mijn voorschriften en geboden trouw blijft onderhouden. 1KRON 28:8 Welnu, waar heel Israël bij is, de gemeente van Jahwe, en ten aanhoren van onze God, zeg ik u: Onderhoud en doorvors alle voorschriften van Jahwe, uw God, opdat u dit goede land moogt blijven bezitten en het voor eeuwig als een erfenis kunt doorgeven aan uw zonen. 1KRON 28:9 En jij, mijn zoon Salomo, erken de God van je vader en dien Hem met een onverdeeld hart en met vreugde. Want Jahwe doorgrondt alle harten en doorziet ieders gezindheid. Als je Hem zoekt, dan staat Hij voor je, maar als je Hem verlaat, dan verwerpt Hij je voor eeuwig. 1KRON 28:10 Welnu, besef dat Jahwe je heeft uitverkoren om een huis te bouwen dat zijn heiligdom zal zijn. Ga vastberaden aan het werk!' 1KRON 28:11 Daarop overhandigde David aan zijn zoon Salomo het bouwplan van de voorhal met de belendende gebouwen, de schatkamers, de bovenzalen, de binnenkamers en de ruimte voor de dekplaat. 1KRON 28:12 Verder het ontwerp van alles wat hij bedacht had voor de voorhoven van het huis van Jahwe en alle zalen daaromheen, bestemd voor de schatten van het huis van God en voor de wijgeschenken, 1KRON 28:13 voor de afdelingen van de priesters en de levieten, voor al het dienstwerk in het huis van Jahwe en voor alle dienstgerei daarbij benodigd. 1KRON 28:14 Hij gaf hem zoveel goud en zilver als voor de verschillende gebruiksvoorwerpen bij de afzonderlijke diensten nodig was, 1KRON 28:15 namelijk zoveel gewicht aan goud als nodig was om de verschillende gouden luchters en bijbehorende gouden lampen te maken, en zoveel gewicht aan zilver als nodig was voor de zilveren luchters en bijbehorende lampen, overeenkomstig de bestemming van de afzonderlijke luchters. 1KRON 28:16 Verder het benodigde goud voor de twee tafels van de toonbroden, en het zilver voor de zilveren tafels, 1KRON 28:17 het fijn goud voor de vorken, de offerschalen en de drinkschalen, het benodigde gewicht aan goud voor de verschillende gouden bekers en het benodigde gewicht aan zilver voor de verschillende zilveren bekers. 1KRON 28:18 Verder zoveel gelouterd goud als er nodig was voor het reukofferaltaar en goud voor de bouw van de wagen met de kerubs die met uitgespreide vleugels de ark van het verbond moesten bedekken. 1KRON 28:19 Dit alles staat in een geschrift dat ik van Jahwe heb ontvangen en waarin hij mij aanwijzingen heeft gegeven voor de uitvoering van het bouwplan. 1KRON 28:20 Daarna zei David tot zijn zoon Salomo: 'Ga kloek en vastberaden aan het werk; vrees niet en laat je niet afschrikken. Want Jahwe, mijn God, is met je; Hij zal niet van je wijken en je niet in de steek laten, voordat je al het werk voor de dienst in het huis van Jahwe voltooid hebt. 1KRON 28:21 Daar staan de afdelingen van de priesters en van de levieten voor elke taak in het huis van God; voor elk soort werk kun je beschikken over vrijwilligers die bedreven zijn in allerlei arbeid. En ook de magistraten en heel het volk zullen bij alles tot je dienst staan.' 1KRON 29:1 Daarna zei koning David tot heel de gemeente: 'Mijn zoon Salomo, de enige die door God werd uitverkoren, is nog jong en onervaren, en het werk dat hij te doen krijgt is groots, want deze burcht is niet voor een mens bestemd, maar voor Jahwe God. 1KRON 29:2 Daarom heb ik voor het huis van God zoveel ik maar kon aan goud, zilver, brons, ijzer en hout bijeengebracht voor bouw en inrichting, alsook onyxstenen om in te zetten, zwarte stenen voor mozaiekwerk, allerlei kostbare steensoorten en een grote voorraad marmer. 1KRON 29:3 Maar omdat het huis van God mij zo ter harte gaat, bestem ik na al wat ik reeds voor het heiligdom bijeengebracht heb ook nog mijn persoonlijk bezit aan goud en zilver voor het huis van mijn God: 1KRON 29:4 drieduizend talenten goud, en nog wel goud uit Ofir, en zevenduizend talenten gelouterd zilver om de wanden van de gebouwen te bekleden, 1KRON 29:5 de verschillende gouden en zilveren voorwerpen te vervaardigen en het werk van de arbeiders te betalen. Wie verklaart zich bereid, vandaag eveneens een gave te schenken ter ere van Jahwe?' 1KRON 29:6 Toen verklaarden de familiehoofden, de hoofden van de stammen van Israël, de aanvoerders van duizend en van honderd en de beambten in dienst van de koning zich daartoe bereid 1KRON 29:7 en schonken voor de bouw van het huis van God vijfduizend talenten en tienduizend darieken goud, tienduizend talenten zilver, achttienduizend talenten brons en honderdduizend talenten ijzer. 1KRON 29:8 Wie edelstenen droeg stond deze af aan Jechiël, de Gersoniet, voor de schatkamer van het huis van Jahwe. 1KRON 29:9 Het volk verheugde zich over hun vrijgevigheid, want met een onverdeeld hart hadden zij hun offer aan Jahwe gebracht; ook koning David was uitermate verheugd. 1KRON 29:10 Toen prees David Jahwe ten aanhoren van heel de gemeente met de woorden: 'Geprezen zijt Gij Jahwe, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot in eeuwigheid. 1KRON 29:11 Aan U, Jahwe, behoort de grootheid en de kracht, de luister, de roem en de majesteit, want aan U, Jahwe, behoort alles in de hemel en op de aarde. Aan U, Jahwe, behoort het koningschap, aan U, die als hoofd boven alles verheven bent. 1KRON 29:12 Rijkdom en heerlijkheid komen van U; Gij heerst over alles. In uw hand ligt de macht en de kracht, in uw hand ligt het, iedereen groot en sterk te maken. 1KRON 29:13 Daarom, onze God, prijzen wij U en loven wij uw luisterrijke naam. 1KRON 29:14 Want ik, evenals mijn volk, ben niet in staat zoveel vrijwillige gaven te schenken. Van U komt dit alles en wij schenken U slechts wat wij uit uw hand ontvangen hebben. 1KRON 29:15 Wij zijn slechts vreemdelingen die als gasten bij U vertoeven, zoals al onze vaderen; ons bestaan op aarde is een schaduw, zonder enige zekerheid. 1KRON 29:16 Jahwe onze God, al deze rijkdom die we bijeengebracht hebben om voor uw heilige naam een huis te bouwen, komt uit uw hand; alles behoort aan U. 1KRON 29:17 Ik weet, mijn God, dat Gij de harten op de proef stelt en welbehagen hebt in oprechtheid. Welnu, met een oprecht hart heb ik U dit alles graag gegeven en met vreugde heb ik gezien hoe uw volk hier U vrijwillig zijn gaven heeft aangeboden. 1KRON 29:18 Jahwe, God van onze vaderen, van Abraham, Isaak en Israël, laat deze gezindheid in het hart van uw volk altijd voortduren en houd hun harten op U gericht. 1KRON 29:19 Laat mijn zoon Salomo met een onverdeeld hart uw geboden, voorschriften en wetten onderhouden en nauwgezet ten uitvoer brengen, en de burcht bouwen die ik ontworpen heb.' 1KRON 29:20 Daarna zei David tot heel de gemeente: 'Prijs nu Jahwe, uw God.' Toen prees heel de gemeente Jahwe, de God van hun vaderen; ze knielden en bogen zich neer voor Jahwe en de koning. 1KRON 29:21 De volgende dag droegen ze slacht- en brandoffers op aan Jahwe: duizend jonge stieren, duizend rammen, duizend lammeren, met de bijbehorende plengoffers en nog vele andere offers voor heel Israël. 1KRON 29:22 Die dag vierden zij feest voor het aanschijn van Jahwe en riepen Salomo, de zoon van David, andermaal tot koning uit; ze zalfden hem voor Jahwe tot vorst en Sadok tot priester. 1KRON 29:23 Salomo besteeg de troon van Jahwe; hij volgde zijn vader als koning op en regeerde voorspoedig; heel Israël gehoorzaamde hem. 1KRON 29:24 Ook alle magistraten, de helden en zelfs alle andere zonen van koning David betuigden hun trouw aan koning Salomo. 1KRON 29:25 En Jahwe schonk Salomo een buitengewoon groot aanzien in de ogen van heel Israël en verleende hem een koninklijke luister zoals nog geen enkele koning over Israël voor hem bezeten had. 1KRON 29:26 David, de zoon van Isaï, heeft over heel Israël geregeerd. 1KRON 29:27 Hij regeerde over Israël veertig jaar; in Hebron zeven jaar en in Jeruzalem drieëndertig jaar. 1KRON 29:28 Hij stierf in gezegende ouderdom, verzadigd van het leven, van rijkdom en heerlijkheid, en zijn zoon Salomo volgde hem op. 1KRON 29:29 De regering van koning David, van het begin tot het einde, staat beschreven in de verhalen over de ziener Samuël, de profeet Natan en de ziener Gad; 1KRON 29:30 het is een beschrijving van heel zijn bestuur en van zijn krijgsdaden, en van de lotgevallen die hem, Israël en alle overige koninkrijken der aarde zijn overkomen. HET TWEEDE BOEK KRONIEKEN 2KRON 1:1 Salomo, de zoon van David, breidde zijn macht over het koninkrijk steeds verder uit, want Jahwe, zijn God, stond hem bij en liet hem in aanzien stijgen. 2KRON 1:2 Salomo riep heel Israël, de aanvoerders van duizend en van honderd, de rechters, de leiders en alle Israëlieten met de familiehoofden op, 2KRON 1:3 om als een gemeenschap met hem op te trekken naar de offerhoogte van Gibeon. Daar stond namelijk de tent van de samenkomst die Mozes, de dienaar van Jahwe God, in de woestijn had laten bouwen. 2KRON 1:4 De ark van God had David weliswaar uit Kirjat jearim laten overbrengen naar de tent die hij op de daartoe bestemde plaats in Jeruzalem had opgezet, 2KRON 1:5 maar het bronzen altaar, dat Besaleël, de zoon van Uri, de zoon van Chur, gebouwd had, stond nog steeds voor de woning van Jahwe, en dat kwamen Salomo en heel de gemeenschap vereren. 2KRON 1:6 Salomo besteeg het bronzen altaar van Jahwe, dat voor de tent van de samenkomst staat, en droeg er duizend brandoffers op. 2KRON 1:7 In die nacht verscheen God aan Salomo en zei: 'Wat wilt gij dat Ik u geef?' 2KRON 1:8 Salomo gaf aan God dit antwoord: 'Gij hebt David, mijn vader, een grote gunst bewezen en hebt mij tot zijn troonopvolger gemaakt. 2KRON 1:9 Welnu, Jahwe God, laat uw belofte aan David, mijn vader, in vervulling gaan, want Gij hebt mij tot koning gemaakt over een volk zo talrijk als het stof der aarde. 2KRON 1:10 Schenk mij derhalve wijsheid en inzicht en laat mij dan zo dit volk leiden en besturen, want wie zou anders in staat zijn recht te spreken voor dit grote volk van u?' 2KRON 1:11 En God sprak tot Salomo: 'Omdat gij juist deze wens geuit hebt, en gij niet gevraagd hebt om rijkdom, om schatten en glorie, noch ook om de dood van uw vijanden en zelfs niet om een lang leven, maar om wijsheid en inzicht om recht te spreken voor het volk waarover Ik u tot koning heb aangesteld, 2KRON 1:12 daarom zullen wijsheid en inzicht uw deel zijn, maar Ik zal u bovendien zoveel rijkdom schenken, schatten en glorie, als geen koning voor u ooit bezeten heeft, en ook geen koning na u ooit bezitten zal!' 2KRON 1:13 Toen keerde Salomo van de offerhoogte van Gibeon en de daarop gelegen tent van de samenkomst terug naar Jeruzalem, en hij heerste over Israël. 2KRON 1:14 Salomo schafte wagens aan en hij richtte een ruiterij op; hij bezat veertienhonderd wagens en een ruiterij van twaalfduizend man, die hij onderbracht in zijn wagenparken en bij zijn paleis in Jeruzalem. 2KRON 1:15 Dank zij het beleid van de koning werden zilver en goud in Jeruzalem zo gewoon als stenen, en cederhout zag men er als sycomoren in de Sefela. 2KRON 1:16 Salomo's paarden werden ingevoerd uit Misraïm en Kewe. De handelsagenten van de koning kochten ze tegen een bepaalde prijs in Kewe. 2KRON 1:17 Een wagen kon uit Misraim ingevoerd worden voor zeshonderd sikkel, en een paard voor honderdvijftig, en door bemiddeling van de handelsagenten werden ze ook uitgevoerd naar al de koningen van de Hethieten en de koningen van Aram. 2KRON 1:18 Toen vatte Salomo het plan op een tempel te bouwen ter ere van Jahwe's naam, en een koninklijk paleis voor zichzelf. 2KRON 2:1 Hij liet zeventigduizend lastdragers in dienst nemen, tachtigduizend steenhouwers in het gebergte, en zesendertighonderd opzichters. 2KRON 2:2 Hij stuurde aan Churam, de koning van Tyrus, de volgende boodschap: 'Toen mijn vader zich destijds een paleis wilde bouwen heeft u hem ceders geleverd. 2KRON 2:3 Nu heb ik besloten een tempel te bouwen ter ere van de naam van Jahwe, mijn God; ik wil die tempel aan Hem toewijden, er welriekende wierook in branden, er regelmatig de toonbroden in neerleggen, er brandoffers opdragen 's morgens en 's avonds, op de sabbatdagen, bij nieuwe maan en op de hoogtijdagen van Jahwe, onze God, zoals dat voor altijd voor Israël voorgeschreven is. 2KRON 2:4 De tempel die ik wil bouwen zal groot zijn, want onze God is de grootste van alle goden. 2KRON 2:5 Maar wie is bij machte Hem een huis te bouwen? De hemel en de hemel der hemelen kunnen Hem niet bevatten! Hoe zou ik Hem dan een huis kunnen bouwen, behalve dan om er wierook voor Hem te branden? 2KRON 2:6 Wees derhalve ook welwillend jegens mij, en stuur mij een kunstenaar die bedreven is in het maken van kunstvoorwerpen in goud en zilver, brons en ijzer, in purper, violet en karmozijn, en het snijden van figuren, met wie mijn ambachtslieden in Juda en Jeruzalem, die mijn vader David aangetrokken heeft kunnen samenwerken. 2KRON 2:7 Lever mij ook cederstammen, cypressen en sandelhout van de Libanon; ik weet dat uw werklieden op de Libanon goede houthakkers zijn; mijn werklieden zullen de uwe helpen. 2KRON 2:8 Laat ze een grote voorraad hout voor mij klaarmaken, want de tempel die ik ga bouwen moet groot worden en prachtig. 2KRON 2:9 Van mijn kant zal ik voor het onderhoud van uw werklieden, de houthakkers die de bomen vellen, twintigduizend kor tarwe, twintigduizend kor gerst en twintigduizend bat wijn, alsook twintigduizend bat olie leveren.' 2KRON 2:10 Daarop stuurde Churam, de koning van Tyrus, per brief de volgende boodschap: 'Dat Jahwe u tot koning aangesteld heeft is een bewijs van zijn grote liefde voor zijn volk.' 2KRON 2:11 En Churam vervolgde: 'Gezegend zij Jahwe, de God van Israël, die hemel en aarde geschapen heeft, die aan koning David zo'n wijze zoon geschonken heeft, begiftigd met verstand en inzicht, die nu een tempel gaat bouwen voor Jahwe en een koninklijk paleis voor zichzelf. 2KRON 2:12 Ik zal u een begaafd kunstenaar sturen, Churam abi geheten, 2KRON 2:13 de zoon van een vrouw uit Dan en een man uit Tyrus, bedreven in het vervaardigen van kunstvoorwerpen in goud en zilver, brons en ijzer, steen en hout, purper, karmozijn, byssus en violet, en in het snijden van allerlei figuren en het ontwerpen van modellen voor alles wat hem opgedragen wordt; hij zal leiding geven aan uw ambachtslieden en die van mijn heer, uw vader David. 2KRON 2:14 Laat mijn heer dan de tarwe, de gerst, de olie en de wijn waarvan hij gesproken heeft, sturen voor zijn dienaren. 2KRON 2:15 Wij zullen de bomen op de Libanon vellen, zoveel als u er nodig heeft, en ze per vlot over zee naar Jafo vervoeren; brengt u ze vandaar dan naar Jeruzalem.' 2KRON 2:16 Salomo liet alle vreemdelingen in het land Israël tellen; het was de eerste telling na die welke zijn vader David gehouden had. Het bleken er honderddrieënvijftigduizend zeshonderd te zijn. 2KRON 2:17 Zeventigduizend nam hij in dienst als lastdragers, tachtigduizend als steenhouwers in de gebergte, en zesendertighonderd als opzichters over het werkvolk. 2KRON 3:1 Toen begon Salomo met de bouw van Jahwe's tempel in Jeruzalem op de berg Moria, waar Jahwe verschenen was aan David, zijn vader, op de plaats die David daarvoor bestemd had, de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet. 2KRON 3:2 Hij begon met de bouw in de tweede maand van zijn vierde regeringsjaar. 2KRON 3:3 De volgende afmetingen bepaalde Salomo voor de bouw van de tempel: zestig el, berekend volgens de oude maat, voor de lengte, en twintig el voor de breedte. 2KRON 3:4 De hal, gelegen voor het schip van de tempel, was twintig el lang, even lang als de tempel breed was. Salomo bekleedde de binnenkant met zuiver goud. 2KRON 3:5 Het grote schip liet hij met cypressenhout en met fijn goud afzetten, en daarop weer liet hij palmen en guirlandes aanbrengen. 2KRON 3:6 Hij versierde de tempel met kostbare stenen; het goud was goud van Parwaim. 2KRON 3:7 Ook de balken, de drempels, de muren en deuren van de tempel bekleedde hij met goud en op de wanden liet hij kerubs snijden. 2KRON 3:8 Vervolgens liet hij het heilige der heiligen inrichten; de lengte, langs de korte zijde van de tempel, bedroeg twintig el, en ook de breedte bedroeg twintig el; hij bekleedde het met fijn goud tot een gewicht van zeshonderd talenten. 2KRON 3:9 De nagels wogen een sikkel op telkens vijftig sikkels goud. Ook de bovenkamers liet hij met goud overdekken. 2KRON 3:10 In het heilige der heiligen liet hij twee kerubs plaatsen; ze waren gemaakt van hout, bedekt met goud. 2KRON 3:11 De vleugels van de kerubs hadden een gezamenlijke lengte van twintig el; vijf el waren de buitenste vleugels waarmee beide kerubs de wanden raakten, 2KRON 3:12 en vijf el waren de vleugels aan de binnenkant waarmee ze elkaar raakten. 2KRON 3:13 De vleugels van de kerubs hadden dus een gezamenlijke spanwijdte van twintig el; ze stonden overeind, met het gezicht naar het schip toe. 2KRON 3:14 Salomo liet een voorhangsel maken van purper, karmozijn, violet en byssus waarin kerubs geweven waren. 2KRON 3:15 Voor de tempel liet hij twee zuilen plaatsen, vijfendertig el hoog, met daarop kapitelen met een hoogte van vijf el. 2KRON 3:16 Hij liet guirlandes aanbrengen rond het bovenste gedeelte van de zuilen; aan de guirlandes waren honderd granaatappels opgehangen. 2KRON 3:17 De zuilen plaatste hij voor het schip, de ene rechts en de andere links; de rechtse zuil noemde hij Jakin, de linkerzuil gaf hij de naam Boaz. 2KRON 4:1 Hij liet een bronzen altaar vervaardigen, twintig el lang en twintig el breed en tien el hoog. 2KRON 4:2 Verder liet hij de Zee gieten, tien el in doorsnee, helemaal rond en vijf el hoog; men kon haar met een koord van dertig el omspannen. 2KRON 4:3 Onder de Zee waren kolokwinten afgebeeld, tien op een el, die de Zee in twee rijen omkransten en in een stuk met haar gegoten waren. 2KRON 4:4 De Zee stond op twaalf ossen, waarvan er telkens drie naar het noorden, het westen, het zuiden en het oosten gekeerd stonden; ze droegen de Zee op hun ruggen, en hun achtersten stonden naar het midden gekeerd. 2KRON 4:5 De wand van de Zee was een handbreed dik; de rand was als die van een beker en had de vorm van een leliekelk, en ze had een inhoud van drieduizend bat. 2KRON 4:6 Verder liet hij tien wasbekkens gieten; vijf daarvan plaatste hij voor de wassingen aan de rechterkant en vijf aan de linkerkant; daarin moesten de gebruiksvoorwerpen voor het brandoffer gespoeld worden; de Zee was bestemd voor de wassingen van de priesters. 2KRON 4:7 Hij liet ook de tien gouden luchters maken, zoals voorgeschreven was; vijf ervan plaatste hij links en vijf rechts in het schip. 2KRON 4:8 Vervolgens liet hij tien tafels vervaardigen die hij ook in het schip plaatste, vijf rechts en vijf links, en bovendien liet hij nog honderd gouden offerschalen maken. 2KRON 4:9 Hij liet de voorhof der priesters bouwen, en de grote voorhof met de poorten die met brons bekleed waren. 2KRON 4:10 De Zee plaatste hij op de rechtervleugel, in de zuidoosthoek van de tempel. 2KRON 4:11 Churam maakte ook nog potten, schoppen en offerschalen. Daarmee voltooide hij al het werk dat hij in opdracht van koning Salomo voor de tempel had moeten uitvoeren. 2KRON 4:12 Het bestond uit de twee zuilen met daarop bolvormige kapitelen, en twee vlechtwerken waarmee de bolvormige kapitelen bovenop de zuilen bedekt waren; 2KRON 4:13 de vierhonderd granaatappels, in twee rijen ophangen aan elk van beide vlechtwerken rond de bolvormige kapitelen op de zuilen; 2KRON 4:14 de onderstellen die hij gemaakt had, met daarop de bekkens; 2KRON 4:15 de Zee, gedragen door de twaalf ossen, 2KRON 4:16 en de potten, schoppen en vorken; al deze voorwerpen had Churam abi in opdracht van koning Salomo gemaakt van zuiver brons. 2KRON 4:17 In de Jordaanvallei, tussen Sukkot en Seredata, had de koning ze in lemen vormen laten gieten. 2KRON 4:18 Al deze voorwerpen had Salomo in grote hoeveelheden laten maken, zodat het totale gewicht aan brons niet te schatten was. 2KRON 4:19 Salomo had bovendien nog andere voorwerpen voor de tempel laten vervaardigen: het gouden altaar, de tafels bestemd voor de toonbroden; 2KRON 4:20 de luchters met daarop de lampen van zuiver goud die volgens voorschrift moesten branden voor de achterzaal; 2KRON 4:21 verder nog de gouden bloemen, lampen en snuiters, alles van het fijnste goud; 2KRON 4:22 de messen, offerschalen, de pannen en de bekkens van zuiver goud. En tenslotte de gouden scharnieren aan de deuren van het achterste gedeelte van de tempel, het heilige der heiligen, en aan de deuren van het schip van de tempel. 2KRON 5:1 Zo kwam al het werk dat Salomo voor de tempel van Jahwe had laten verrichten gereed. Nu liet Salomo de wijgeschenken van zijn vader David overbrengen, het zilver, het goud en al het vaatwerk, en hij plaatste het in de schatkamers van de tempel. 2KRON 5:2 Toen riep Salomo de oudsten van Israël, alle stamhoofden en leiders van de families der Israëlieten naar Jeruzalem om de ark van het verbond met Jahwe af te halen uit de Davidsstad, ook Sion geheten. 2KRON 5:3 Alle mannen van Israël kwamen samen bij de koning op het feest in de zevende maand. 2KRON 5:4 De oudsten van Israël traden naar voren, de levieten tilden de ark op 2KRON 5:5 en brachten haar met de tent van de samenkomst en de bijbehorende heilige voorwerpen over. Dit deden de priesters, samen met de levieten. 2KRON 5:6 Koning Salomo en heel de gemeenschap van Israël die zich rond hem verzameld had, gingen voor de ark uit en ze offerden zoveel schapen en runderen dat ze niet te tellen of te schatten waren. 2KRON 5:7 De priesters brachten de ark van het verbond met Jahwe op haar plaats in de achterzaal van de tempel, het heilige der heiligen, onder de vleugels van de kerubs. 2KRON 5:8 De kerubs spreidden hun beide vleugels uit over de plaats van de ark, en overschaduwden de ark en de draagstokken. 2KRON 5:9 Deze draagstokken waren zo lang, dat hun uiteinden wel zichtbaar waren vanuit het heilige, vlak voor de achterzaal, maar meer naar buiten niet meer. Ze zijn daar gebleven tot op de huidige dag. 2KRON 5:10 Er lag in de ark niets anders dan de twee platen die Mozes erin gelegd had op de Horeb, de platen van het verbond dat Jahwe met de Israëlieten gesloten had toen ze uit Egypte trokken. 2KRON 5:11 Alle aanwezige priesters, ongeacht tot welke afdeling ze behoorden, hadden zich geheiligd, 2KRON 5:12 en alle zangers onder de levieten, Asaf, Heman en Jedutun, met hun zonen en broeders, stonden, gekleed in fijn linnen, met bekkens, harpen en citers, aan de oostzijde van het altaar, met de honderdtwintig priesters die op de trompet moesten blazen. 2KRON 5:13 Toen de priesters het heiligdom verlieten en blazers en zangers tegelijk het loflied ter ere van Jahwe inzetten, onder het geschetter van de trompetten, het gerinkel van de bekkens en de muziek van de andere instrumenten, en allen zongen: 'Loof God, want Hij is goed, en eeuwig duurt zijn erbarming', toen vulde een wolk het huis van Jahwe. 2KRON 5:14 Door die wolk konden de priesters niet ter plaatse blijven voor het verrichten van hun dienstwerk, want de heerlijkheid van Jahwe vervulde de tempel. 2KRON 6:1 Toen sprak Salomo: 'Jahwe, Gij hebt besloten in het duister te wonen; 2KRON 6:2 daarom heb ik U een verheven tempel gebouwd, een woonplaats voor eeuwig.' 2KRON 6:3 Daarop keerde de koning zich om en zegende de hele gemeenschap van Israël. Terwijl heel de gemeenschap rechtop stond, 2KRON 6:4 sprak hij: 'Gezegend zij Jahwe, de God van Israël, wiens hand volbracht heeft wat zijn mond beloofd had aan mijn vader David: 2KRON 6:5 sinds Ik mijn volk Israël uit Egypte heb geleid, heb Ik in geen enkele stam van Israël een stad uitverkoren om er een tempel te laten bouwen waar mijn naam zou wonen, noch ook heb Ik iemand uitgekozen om over mijn volk Israël te heersen. 2KRON 6:6 Nu echter kies Ik Jeruzalem uit om er mijn naam te doen wonen, en David kies Ik uit om mijn volk Israël te besturen. 2KRON 6:7 Toen vatte David, mijn vader, het plan op een tempel te bouwen voor de naam van Jahwe, de God van Israël. 2KRON 6:8 Maar Jahwe sprak tot hem: Uw voornemen om een tempel te bouwen voor mijn naam strekt u tot eer. 2KRON 6:9 Toch zult niet gij een tempel bouwen, maar de zoon die gij zult verwekken, hij zal een tempel bouwen ter ere van mijn naam. 2KRON 6:10 En Jahwe heeft zijn woord gestand gedaan. Want ik ben mijn vader David opgevolgd en zetel op de troon van Israël, zoals Jahwe beloofd had. En nu heb ik voor de naam van Jahwe, Israëls God, een tempel gebouwd, 2KRON 6:11 en daarin de ark geplaatst, waarin de akte berust van het verbond dat Jahwe met de Israëlieten gesloten heeft.' 2KRON 6:12 Toen ging Salomo voor het altaar van Jahwe staan ten aanschouwen van heel de gemeenschap van Israël, en strekte zijn handen uit. 2KRON 6:13 Want Salomo had een podium laten maken van brons, vijf el lang, vijf el breed en drie el hoog, en het midden op de voorhof laten plaatsen; daarop was hij gaan staan. Nu knielde hij daarop neer ten aanschouwen van heel de gemeenschap van Israël en strekte zijn handen uit naar de hemel, 2KRON 6:14 en hij bad: 'Jahwe, God van Israël, buiten U is er geen God in de hemel of op aarde, die zo goedertieren is en zo getrouw aan het verbond met uw dienaren die met heel hun hart hun schreden naar u richten. 2KRON 6:15 Gij hebt U jegens uw dienaar David, mijn vader, gehouden aan wat Gij hem beloofd had. Wat uw mond had beloofd, heeft uw hand vandaag volbracht. 2KRON 6:16 Welnu, Jahwe, God van Israël, laat dan ook voor uw dienaar David, mijn vader, uw andere belofte in vervulling gaan: Als uw zonen rechtschapen leven en wandelen overeenkomstig mijn wet, zoals gij dat gedaan hebt, zal Ik het u nooit aan opvolgers op de troon van Israël laten ontbreken. 2KRON 6:17 Nu dan, God van Israël, laat toch uw belofte aan uw dienaar David in vervulling gaan! 2KRON 6:18 Maar zou God dan werkelijk bij de mensen op aarde wonen? Zelfs de hemel en de hemel der hemelen kunnen U niet bevatten! Hoe dan deze tempel die ik gebouwd heb? 2KRON 6:19 Geef dan acht op de smeekbede van uw dienaar, Jahwe mijn God, en luister naar het roepen en naar het gebed dat uw dienaar tot U richt. 2KRON 6:20 Laat uw ogen dag en nacht waken over deze tempel, en over het heiligdom waarvan Gij gezegd hebt dat uw naam daar zou wonen, en luister naar het gebed dat uw dienaar op deze plaats tot U richt. 2KRON 6:21 Luister dus naar de smeekbede van uw dienaar en van uw volk Israël, die zij op deze plaats tot U zullen richten. Ja, Gij zult ze horen vanuit de hemel, uw woonstede. Luister en schenk vergeving. 2KRON 6:22 Als iemand tegen zijn naaste een overtreding heeft begaan, en deze eist een eed van hem, zodat hij in deze tempel voor het altaar verschijnt om zijn eed af te leggen, 2KRON 6:23 luister dan vanuit de hemel, grijp in en spreek recht over uw dienaren. Vergeld de schuldige en geef hem wat hem toekomt, maar spreek de onschuldige vrij en beloon hem voor zijn onschuld. 2KRON 6:24 Als uw volk Israël verslagen is door de vijand omdat het tegen U gezondigd heeft, maar zich dan bekeert, uw naam belijdt en in deze tempel voor uw aanschijn bidt en smeekt, 2KRON 6:25 luister dan vanuit de hemel, vergeef de zonde van uw volk Israël, en voer het terug naar de grond die Gij zijn vaderen geschonken heeft. 2KRON 6:26 Als de hemel gesloten blijft en er geen regen valt, omdat zij tegen U gezondigd hebben, maar als ze dan komen bidden op deze plaats, uw naam belijden, en zich van hun zonde bekeren omdat Gij ze vernedert, 2KRON 6:27 luister dan vanuit de hemel, vergeef de zonde van uw dienaren en van uw volk Israël, wijs hun de goede weg die zij moeten gaan, en laat het weer regenen over uw land dat Gij aan uw volk in eigendom gegeven hebt. 2KRON 6:28 Als er hongersnood komt over het land, of pest, of korenbrand en honingdauw, of een plaag van sprinkhanen die alles kaalvreten, als het volk in zijn steden door zijn vijanden belegerd wordt of bezocht door welke plaag of ziekte ook, 2KRON 6:29 en iemand, of heel uw volk Israël, strekt onder de druk van zijn ellende en leed zijn handen uit naar deze tempel, 2KRON 6:30 luister dan vanuit de hemel, uw woonstede, schenk vergiffenis, en vergeld eenieder naar zijn gedrag: want Gij kent ieders hart, Gij zijt de enige die het hart van de mensenkinderen doorgrondt. 2KRON 6:31 Dan zullen zij U vrezen en uw wegen bewandelen, zolang ze leven op de grond die Gij aan onze vaderen geschonken hebt. 2KRON 6:32 Ook als een vreemdeling die niet tot uw volk Israël behoort, uit een ver land komt omdat hij gehoord heeft van uw grote naam, uw krachtige hand en uw uitgestrekte arm, en hij komt bidden in deze tempel, 2KRON 6:33 luister dan vanuit de hemel, uw woonstede, en doe alles waarom de vreemdeling U smeekt. Dan zullen alle volken der aarde uw naam leren kennen en U, evenals uw volk Israël, vrezen; dan zullen zij weten dat uw naam uitgeroepen is over deze tempel die ik gebouwd heb. 2KRON 6:34 Als uw volk op uw bevel ten strijde trekt tegen zijn vijanden, en ze bidden in de richting van deze stad die Gij hebt uitverkoren, en van de tempel die ik voor uw naam gebouwd heb, 2KRON 6:35 luister dan vanuit de hemel naar hun smeekgebed en verschaf hun recht. 2KRON 6:36 Als ze tegen U zondigen er is immers geen mens die niet zondigt en gij levert ze in uw toorn over aan de vijand die ze gevangen wegvoert naar een land, veraf of dichtbij, 2KRON 6:37 en zij komen tot inkeer in dat land waarheen ze weggevoerd zijn, en ze bekeren zich en bidden tot U in hun ballingschap: wij hebben gezondigd, wij hebben verkeerd gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld, 2KRON 6:38 en ze keren zich tot U, met heel hun hart en heel hun ziel, in het land van hun ballingschap waarheen ze weggevoerd zijn, en ze bidden tot U in de richting van het land dat Gij aan hun voorvaderen geschonken hebt en van de stad die Gij uitverkoren hebt, en van de tempel die ik voor uw naam gebouwd heb, 2KRON 6:39 luister dan vanuit de hemel, uw woonstede, naar hun bidden en hun smeken, en verschaf hun recht; schenk uw volk dan vergiffenis van de zonden die het tegen U misdreven heeft. 2KRON 6:40 Welnu, mijn God, mogen uw ogen geopend zijn en uw oren luisteren naar het gebed op deze plaats! 2KRON 6:41 Jahwe, God, trek dan op naar uw rustplaats, Gij zelf, en uw roemrijke ark! Jahwe, God, mogen uw priesters zich kleden met uw heil, en mogen uw vromen zich verheugen in uw goedheid. 2KRON 6:42 Jahwe, God, wijs het gebed van uw gezalfde niet af; gedenk uw weldaden aan David, uw dienaar!' 2KRON 7:1 Toen Salomo zijn gebed beëindigd had, viel er vuur uit de hemel; dit verteerde het brandoffer en de slachtoffers, en de glorie van Jahwe vervulde de tempel. 2KRON 7:2 De priesters konden de tempel van Jahwe niet binnengaan omdat de glorie van Jahwe de tempel vervulde. 2KRON 7:3 Toen alle Israëlieten zagen hoe het vuur neerviel en Jahwe's glorie de tempel vervulde, vielen zij op de knieën en bogen ze zich met hun voorhoofd tegen het plaveisel in aanbidding neer. Zij zongen: 'Loof Jahwe, want Hij is goed, en eeuwig duurt zijn erbarming.' 2KRON 7:4 Toen droegen de koning en het volk offers op voor Jahwe's aanschijn. 2KRON 7:5 Koning Salomo offerde tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen; zo werd de tempel door koning en volk ingewijd. 2KRON 7:6 De priesters oefenden hun dienstwerk uit, terwijl de levieten staande zongen: 'Loof Jahwe, want eeuwig duurt zijn erbarming', waarbij ze begeleid werden door de heilige muziekinstrumenten die koning David had laten maken; het was Davids loflied dat ze aanhieven. De priesters met de trompetten stonden tegenover hen opgesteld, en alle Israëlieten stonden recht overeind. 2KRON 7:7 Nu liet Salomo het middengedeelte van de voorhof voor de tempel afzetten, om daar het brandoffer en de vette delen van het slachtoffer op te dragen. Het bronzen altaar dat Salomo had laten maken was namelijk te klein voor het brandoffer, het meeloffer en de vette delen. 2KRON 7:8 Bij die gelegenheid vierde Salomo, en met hem een zeer grote menigte uit heel Israël, vanaf de weg naar Hamat tot aan de beek van Egypte, feest, zeven dagen lang. 2KRON 7:9 Op de achtste dag hielden ze een grote plechtigheid; want de inwijding van het bronzen altaar en ook het feest zelf hadden zeven dagen geduurd. 2KRON 7:10 Op de drieëntwintigste dag van de zevende maand liet Salomo allen naar hun woningen terugkeren. Het volk vertrok, verheugd en welgemoed om al het goede dat Jahwe gedaan had voor David, voor Salomo en voor Israël, zijn volk. 2KRON 7:11 Toen Salomo de tempel en het koninklijk paleis voltooid had, en al het werk voor tempel en paleis volgens plan tot een goed eind gebracht had, 2KRON 7:12 verscheen Jahwe hem in de nacht en Hij sprak tot hem: 'Ik heb uw smeekgebed verhoord en Mij dit heiligdom uitverkoren tot offerplaats. 2KRON 7:13 Wanneer Ik de hemel sluit en er geen regen valt, of Ik gelast de sprinkhanen de aarde kaal te vreten, of Ik zend de pest over mijn volk, 2KRON 7:14 en het volk waarover mijn naam is afgeroepen vernedert zich, bidt en zoekt mijn aanschijn, en het bekeert zich van zijn slechte daden, dan zal Ik het in de hemel verhoren, Ik zal hun zonde vergeven en hun land heil brengen. 2KRON 7:15 Mijn ogen zullen geopend zijn, en mijn oren zullen luisteren naar allen die hier komen bidden. 2KRON 7:16 Ik heb deze tempel uitverkoren en hem geheiligd, zodat mijn naam er voor eeuwig zal blijven wonen, en mijn ogen en mijn hart daar voor immer zullen verwijlen. 2KRON 7:17 Als gij voor mijn aanschijn zult wandelen zoals uw vader David gedaan heeft, en gij alles onderhoudt wat Ik u bevolen heb, en mijn wetten en geboden naleeft, 2KRON 7:18 dan zal uw koningstroon nooit wankelen, zoals Ik aan uw vader David beloofd heb, toen Ik hem zeide: Het zal u nooit aan nakomelingen ontbreken om Israël te regeren! 2KRON 7:19 Maar als gij u van Mij afkeert, en gij verlaat mijn wetten en de geboden die Ik u voorgehouden heb, en gij gaat andere goden dienen en ze aanbidden, 2KRON 7:20 dan zal Ik hen wegvagen uit het land dat Ik hun gegeven heb, en deze tempel die Ik aan mijn naam heb toegewijd zal Ik verwerpen, en hij zal worden tot een mikpunt van schimp en van spot bij alle volken. 2KRON 7:21 Dan zal elke voorbijganger met ontzetting geslagen zijn over deze indrukwekkende tempel, en hij zal uitroepen: Waarom heeft Jahwe zo gehandeld met dit land en met deze tempel? 2KRON 7:22 En het antwoord zal zijn: Omdat zij Jahwe, de God van hun voorvaderen die hen uit Egypte geleid had, verlaten hebben, en zij andere goden gevolgd zijn, en zij die aanbeden en gediend hebben, daarom heeft Jahwe al deze rampen over hen gebracht!' 2KRON 8:1 Toen Salomo na verloop van twintig jaar de tempel van Jahwe en zijn paleis voltooid had, 2KRON 8:2 begon hij met de herbouw van de steden die Churam hem geschonken had, en met de vestiging daar in van Israëlieten. 2KRON 8:3 Hij trok op tegen Hamat soba en veroverde deze stad. 2KRON 8:4 Ook versterkte hij het in de woestijn gelegen Tadmor, evenals alle proviandsteden die hij in Hamat gebouwd had. 2KRON 8:5 Hij bouwde Bet choron hoog op en Betchoron laag, en maakte er sterke vestingen van met muren, poorten en grendels. 2KRON 8:6 Verder bouwde hij Baälat, zijn proviandsteden, alsook zijn wagenpark en de steden voor zijn ruiterij, en alles wat hij in Jeruzalem, in de Libanon en heel zijn koninkrijk wenste te bouwen. 2KRON 8:7 Alle afstammelingen van de Hethieten, de Amorieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en Jebusieten, dat wil zeggen alle niet Israëlieten 2KRON 8:8 die overgebleven waren in het land omdat de Israëlieten ze niet hadden kunnen uitroeien, liet Salomo voor de arbeidsdienst opkomen, en zo is het gebleven tot op de huidige dag. 2KRON 8:9 Maar Israëlieten gebruikte Salomo niet voor de korveediensten, maar zij dienden hem als krijgslieden, als officieren, wagenmenners en ruiters. 2KRON 8:10 Tot hen behoorden ook de tweehonderdvijftig hoofdopzichters van koning Salomo die toezicht hielden op het volk. 2KRON 8:11 De dochter van Farao liet hij verhuizen van de Davidstad naar het paleis dat hij voor haar had laten bouwen. Want hij dacht: 'Het past niet dat een van mijn vrouwen in het huis van David, de koning van Israël, woont: de plaats waar de ark van Jahwe ondergebracht was, is heilig.' 2KRON 8:12 Toen begon Salomo ter ere van Jahwe brandoffers op te dragen op het altaar dat hij voor de hal opgericht had. 2KRON 8:13 Dagelijks werden van nu af alle offers opgedragen die Mozes voorgeschreven had voor de sabbat, voor de nieuwe maan en voor de hoogtijdagen, drie keer per jaar ter gelegenheid van het feest der ongezuurde broden, het feest der weken en het loofhuttenfeest. 2KRON 8:14 Bovendien regelde hij volgens de voorschriften van zijn vader David de diensten der priesters overeenkomstig hun afdelingen, evenals de beurten van de levieten bij de zangdienst en het helpen der priesters, zoals dat dagelijks gebeuren moest. Ook verdeelde hij de afdelingen der poortwachters over de poorten, zoals dat verordend was door David, de man Gods. 2KRON 8:15 Stipt werden alle voorschriften van de koning door de priesters en levieten uitgevoerd, ook die betreffende het beheer der schatten. 2KRON 8:16 Zo werd het werk van Salomo voltooid, vanaf het leggen der fundamenten voor de tempel tot aan het gereedkomen van de bouw. 2KRON 8:17 Daarna trok Salomo naar Esjon geber, nabij Elot, aan de oever van de zee van Edom. 2KRON 8:18 Churam stuurde hem, met medewerking van zijn onderdanen, schepen en ervaren zeelieden, die samen met dienaren van Salomo naar Ofir voeren, en vandaar vierhonderdvijftig talenten goud voor koning Salomo meebrachten. 2KRON 9:1 Salomo's faam was ook doorgedrongen tot de koningin van Seba. Zij kwam in Jeruzalem aan met een zeer grote stoet kamelen, beladen met reukwerken, zeer veel goud en kostbare stenen, om hem met raadsels op de proef te stellen. Zij werd tot Salomo toegelaten en legde hem alles voor wat zij in de gedachte had. 2KRON 9:2 Maar Salomo wist het antwoord op al haar vragen; niets was voor de koning zo moeilijk dat hij haar het antwoord schuldig moest blijven. 2KRON 9:3 Toen de koningin van Seba bevond hoe wijs Salomo was, en zij het paleis zag dat hij had laten bouwen, 2KRON 9:4 de spijzen op zijn tafel, de hovelingen die mee aanzaten, de lakeien in hun uniform, de schenkers in hun uniform, de brandoffers die hij geregeld opdroeg in de tempel van Jahwe, was zij buiten zichzelf van verbazing, 2KRON 9:5 en ze zei tot de koning: 'Het is dus waar wat ik in mijn hand gehoord heb over uw wijsheid en uw ondernemingen. 2KRON 9:6 Ik kon het niet geloven, totdat ik hier kwam om mezelf ervan te overtuigen. Heus, men heeft mij nog niet de helft verteld over uw ontzaglijke wijsheid: het is allemaal nog veel indrukwekkender dan ik uit de geruchten die erover gaan begrepen had. 2KRON 9:7 Wat een voorrecht voor uw mannen, wat een voorrecht voor uw dienaren, dat zij voortdurend voor u mogen staan en uw woorden vol wijsheid horen! 2KRON 9:8 Gezegend zij Jahwe, uw God, die in u zoveel welgevallen heeft gehad, dat Hij u geplaatst heeft op zijn troon als koning voor Jahwe, uw God! En die in zijn niet aflatende liefde voor Israël u voor altijd gemaakt en aangesteld heeft tot hun koning, om volgens recht en gerechtigheid te regeren.' 2KRON 9:9 Toen schonk zij aan de koning honderdtwintig talenten goud en reukwerken in zeer grote hoeveelheid, alsook kostbare stenen. Nooit meer is er zoveel reukwerk aangevoerd als de koningin van Seba toen aan koning Salomo geschonken heeft. 2KRON 9:10 Ook de dienaren van Churam en van Salomo brachten behalve het goud nog sandelhout en kostbare stenen mee. 2KRON 9:11 Van het sandelhout maakte de koning trappen voor de tempel van Jahwe en voor het paleis van de koning, alsook citers en harpen voor de zangers. Tot dan toe was er nooit zoveel sandelhout gezien in Juda. 2KRON 9:12 Van zijn kant gaf Salomo aan de koningin van Seba alles wat zij maar wenste, meer dan zij zelf voor de koning meegebracht had. Hierop aanvaardde zij de terugreis en keerde met haar dienaren naar haar land terug. 2KRON 9:13 Het inkomen van Salomo bedroeg per jaar zeshonderdzesenzestig talenten goud, 2KRON 9:14 behalve nog wat de handelaars, de kooplieden, de koningen van Arabië en de stadhouders van het rijk Salomo opbrachten in goud en zilver. 2KRON 9:15 Koning Salomo liet tweehonderd grote schilden van geslagen goud maken; zeshonderd sikkel goud waren nodig voor een zo'n schild! 2KRON 9:16 Verder driehonderd kleine schilden van geslagen goud; driehonderd gouden sikkels waren nodig voor een klein schild. De koning liet ze ophangen in het huis' Libanonwoud'. 2KRON 9:17 De koning liet ook een grote troon maken van ivoor en die met fijn goud bekleden. 2KRON 9:18 Zes treden had die troon en een gouden voetbank die aan de troon bevestigd was, alsook aan beide kanten van de zitting armleuningen; naast de armleuningen stonden twee leeuwen. 2KRON 9:19 Op de zes treden stonden twaalf leeuwen, aan weerskanten zes. Voor geen koning nog was ooit zoiets gemaakt! 2KRON 9:20 Al het drinkgerei van koning Salomo was van goud. Ook al het vaatwerk van het huis' Libanonwoud' was van zuiver goud. Zilver was in de tijd van Salomo niet in tel. 2KRON 9:21 Want de Tarsisschepen, de schepen van de koning die met de dienaren van Churam op Tarsis voeren, liepen eens in de drie jaar binnen met goud en zilver, ivoor, apen en pauwen. 2KRON 9:22 Zo overtrof koning Salomo alle koningen der aarde in rijkdom en wijsheid, 2KRON 9:23 en alle koningen der aarde verlangden Salomo te bezoeken en te luisteren naar de wijsheid waarmee God hem begiftigd had. 2KRON 9:24 Zij brachten allen geschenken mee, zilveren en gouden voorwerpen, gewaden, wapens, reukwerken, paarden en muildieren. En dit geschiedde jaar in, jaar uit. 2KRON 9:25 Salomo bezat tienduizend span paarden en wagens, en twaalfduizend ruiters, die hij onderbracht in de wagenparken en bij zijn paleis in Jeruzalem. 2KRON 9:26 Hij heerste over alle koningen van de Rivier tot aan het land der Filistijnen en de Egyptische grens. 2KRON 9:27 Dank zij het beleid van de koning was het zilver in Jeruzalem zo gewoon als stenen, en cederhout zag men er als sycomoren in de Sefela. 2KRON 9:28 Ook voerde Salomo paarden in uit Misraim en allerlei andere landen. 2KRON 9:29 Verdere bijzonderheden over Salomo uit vroegere en latere tijd zijn te vinden in de kronieken van de profeet Natan, en in de visioenen van de ziener Jedo over Jerobeam, de zoon van Nebat. 2KRON 9:30 Salomo regeerde in Jeruzalem veertig jaar lang over heel Israël. 2KRON 9:31 Hij ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven in de Davidstad. Zijn zoon Rechabeam volgde hem op. 2KRON 10:1 Rechabeam begaf zich naar Sichem waar heel Israël samengekomen was om hem tot koning te verheffen. 2KRON 10:2 Zodra Jerobeam dit vernam, de zoon van Nebat, die zich in Egypte ophield waarheen hij voor koning Salomo gevlucht was, keerde hij uit Egypte terug. 2KRON 10:3 Men liet hem ontbieden, en zo kwamen hij en alle Israëlieten om met Rechabeam te onderhandelen. 2KRON 10:4 Ze zeiden: 'Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd; verlicht de zware arbeid waartoe uw vader ons verplicht heeft en het harde juk dat hij ons opgelegd heeft; dan zullen wij u onderdanig zijn.' 2KRON 10:5 Rechabeam zei hun: 'Ga heen en kom over drie dagen terug.' En het volk ging heen. 2KRON 10:6 Toen pleegde koning Rechabeam overleg met de oudsten die in dienst gestaan hadden van Salomo, zijn vader, toen deze nog leefde. Hij vroeg hun: 'Wat raad u mij aan het volk te antwoorden?' 2KRON 10:7 Ze zeiden hem: 'Als u inschikkelijk bent voor het volk en ze terwille wilt zijn, en u spreekt ze vriendelijk toe, dan zullen ze u voor altijd onderdanig zijn.' 2KRON 10:8 Maar hij sloeg de raad die de oudsten hem gegeven hadden in de wind en ging te rade bij de jongelieden die met hem opgegroeid waren en in zijn dienst stonden. 2KRON 10:9 Hij vroeg hun: 'Wat raden jullie mij te antwoorden op het verzoek van het volk dat tot mij gezegd heeft: Verlicht het juk dat uw vader ons opgelegd heeft?' 2KRON 10:10 En de jongelieden die met hem opgegroeid waren zeiden: 'Dit antwoord moet u geven aan het volk dat u gezegd heeft: Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd, maak gij het nu lichter. Zeg ze dit: Mijn pink is dikker dan het middel van mijn vader. 2KRON 10:11 Heeft mijn vader u een zwaar juk opgelegd, ik zal uw juk nog zwaarder maken; heeft mijn vader u geslagen met zwepen, ik zal u slaan met schorpioenen!' 2KRON 10:12 Toen dan Jerobeam en het volk drie dagen later bij Rechabeam terugkwamen zoals de koning gezegd had: 'Kom over drie dagen bij mij terug', 2KRON 10:13 gaf de koning hun een hard antwoord en sloeg hij de raad die de oudsten hem gegeven hadden in de wind. 2KRON 10:14 Hij volgde de raad van de jongelieden en sprak: 'Heeft mijn vader u een zwaar juk opgelegd, ik zal het nog zwaarder maken; heeft mijn vader u geslagen met zwepen, ik zal u slaan met schorpioenen!' 2KRON 10:15 De koning luisterde dus niet naar het volk; God had het zo beschikt om zijn woord, dat Hij door Achia van Silo tot Jerobeam, de zoon van Nebat, gesproken had, gestand te doen. 2KRON 10:16 Daarmee was het voor alle Israëlieten duidelijk dat de koning niet naar hen wilde luisteren. Het volk antwoordde de koning dan ook: 'Wat hebben wij met David te maken? Wat hebben wij uit te staan met de zoon van Isaï? Ieder naar zijn tenten, Israël! David, zorg maar voor uw eigen huis!' Alle Israëlieten trokken dus naar huis. 2KRON 10:17 Alleen over de Israëlieten die in de steden van Juda woonden werd Rechabeam koning. 2KRON 10:18 Koning Rechabeam poogde nog iets te bereiken door Hadoram, het hoofd van de korveediensten, maar de Israëlieten stenigden hem dood, en koning Rechabeam zelf kon ternauwernood nog in zijn wagen stappen en naar Jeruzalem ontkomen. 2KRON 10:19 Zo braken de Israëlieten met het huis van David; dit is zo gebleven tot de huidige dag. 2KRON 11:1 Toen Rechabeam in Jeruzalem gekomen was, riep hij het huis van Juda en Benjamin bijeen, honderdtachtigduizend strijdbare mannen, om de strijd aan te binden met Israël en het koninkrijk te heroveren. 2KRON 11:2 Maar het woord van God werd gericht tot Semaja, een man Gods: 2KRON 11:3 Zeg tot Rechabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tot alle Israëlieten in Juda en Benjamin: 2KRON 11:4 Zo spreekt Jahwe: 'Trek niet op en voer geen oorlog met uw broeders, maar laat ieder naar huis keren, want dit alles is door Mij beschikt.' Zij luisterden naar het woord van Jahwe en zagen ervan af tegen Jerobeam op te trekken. 2KRON 11:5 Rechabeam bleef in Jeruzalem wonen en verbouwde verschillende steden in Juda tot vesting. 2KRON 11:6 Hij versterkte Betlehem, Etam en Tekoa, 2KRON 11:7 Bet sur, Soko en Adullam, 2KRON 11:8 Gat, Maresa en Zif, 2KRON 11:9 Adoraim, Lakis en Azeka, 2KRON 11:10 Sora, Ajjalon en Hebron, steden die in Juda en Benjamin lagen, en hij bracht ze in staat van verdediging. 2KRON 11:11 Hij versterkte de vestingen, zond er bevelhebbers heen en sloeg er voorraden op van proviand, olie en wijn, 2KRON 11:12 en in al die verschillende steden bovendien schilden en speren. Daardoor maakte hij ze buitengewoon sterk en bleven hem Juda en Benjamin behouden. 2KRON 11:13 De priesters en levieten die over heel Israël woonden, verhuisden uit hun woonstreken en vestigden zich bij hem. 2KRON 11:14 De levieten moesten hun weidegronden en bezittingen verlaten en naar Juda en Jeruzalem uitwijken, omdat Jerobeam en zijn zoon het hun onmogelijk maakten hun priesterambt voor Jahwe uit te oefenen. 2KRON 11:15 Jerobeam had namelijk zelf priesters aangesteld op de offerhoogten, bij de bokken en kalverbeelden die hij had laten maken. 2KRON 11:16 De priesters en levieten werden gevolgd door velen uit alle stammen van Israël die vastbesloten waren Jahwe, de God van Israël, te blijven vereren, en die naar Jeruzalem kwamen om offers op te dragen voor Jahwe, de God van hun voorouders. 2KRON 11:17 Ze versterkten het koninkrijk van Juda, en waren drie jaar lang een steun voor Rechabeam, de zoon van Salomo, want drie jaar lang bewandelden zij de weg van David en Salomo. 2KRON 11:18 Rechabeam nam zich Machalat, de dochter van Jerimot, de zoon van David, en van Abihail, de dochter van Eliab, de zoon van Isaï, tot vrouw. 2KRON 11:19 Zij baarde hem drie zonen, Jeüs, Semarja en Zaham. 2KRON 11:20 Na haar huwde hij Maaka, de dochter van Absalom, die hem Abia, Attai, Ziza en Selomit baarde. 2KRON 11:21 Rechabeam had Maaka, de dochter van Absalom, meer lief dan al zijn andere vrouwen en bijvrouwen; hij had namelijk achttien vrouwen en zestig bijvrouwen, en hij kreeg achtentwintig zonen en zestig dochters. 2KRON 11:22 Rechabeam stelde Abia, de zoon van Maaka, als kroonprins aan het hoofd van zijn broers, want hij wilde hem tot zijn opvolger maken. 2KRON 11:23 Hij was echter zo verstandig zijn andere zonen over alle streken van Juda, Benjamin en over de verschillende vestingen te verdelen; hij voorzag ze rijkelijk van voedsel en zocht een groot aantal vrouwen voor hen. 2KRON 12:1 Toen Rechabeam zijn koningschap stevig gevestigd had en gezag had gekregen, werden hij en heel Israël ontrouw aan de wet van Jahwe. 2KRON 12:2 Omdat zij van Jahwe waren afgevallen, rukte Sisak, de koning van Egypte, in het vijfde regeringsjaar van koning Rechabeam tegen Jeruzalem op 2KRON 12:3 met twaalfhonderd strijdwagens en zestigduizend ruiters en met een ontelbaar leger van Libiërs, Sukkiieten en Kusieten. 2KRON 12:4 Hij veroverde de vestingsteden van Juda en rukte tot Jeruzalem op. 2KRON 12:5 Toen begaf de profeet Semaja zich naar Rechabeam en de magistraten van Juda, die uit vrees voor Sisak in Jeruzalem bijeengekomen waren, en zei tot hen: 'Zo spreekt Jahwe: Gij hebt Mij de rug toegekeerd; daarom keer Ik u de rug toe en geef u prijs aan Sisak.' 2KRON 12:6 Maar de magistraten van Israël en de koning bogen zich neer en zeiden: 'Jahwe is rechtvaardig.' 2KRON 12:7 Toen Jahwe zag dat ze zich vernederden, werd tot Semaja het woord van Jahwe gericht: 'Omdat zij zich vernederd hebben, zal Ik hen niet vernietigen maar op het laatste ogenblik nog uitkomst brengen. Door Sisak zal Ik niet mijn woede aan Jeruzalem koelen, 2KRON 12:8 maar het zal hem onderdanig moeten zijn om te ervaren wat het is: Mij te dienen of aardse koningen.' 2KRON 12:9 Sisak, de koning van Egypte, rukte dus tegen Jeruzalem op en roofde de schatten van de tempel van Jahwe en die van het koninklijk paleis. Alles nam hij mee; ook de gouden schalen die Salomo had laten maken. 2KRON 12:10 In plaats daarvan liet koning Rechabeam bronzen schilden maken en vertrouwde die toe aan de oversten van de lijfwacht die de ingang van het koninklijk paleis bewaakte. 2KRON 12:11 Zo dikwijls de koning naar de tempel van Jahwe ging droeg de lijfwacht ze mee en bracht ze na afloop weer terug naar het wachtlokaal. 2KRON 12:12 Omdat Rechabeam zich vernederd had, wendde de toorn van Jahwe zich van hem af en richtte hij hem niet geheel en al te gronde; er was trouwens nog veel goeds in Juda. 2KRON 12:13 Koning Rechabeam wist zijn gezag in Jeruzalem te herstellen en bleef koning. Rechabeam was eenenveertig jaar toen hij koning werd en heeft zeventien jaar geregeerd in Jeruzalem, de stad die Jahwe uit alle stammen van Israël heeft uitverkoren om er zijn naam te doen wonen. Zijn moeder heette Naäma en was een Ammonitische. 2KRON 12:14 Hij deed kwaad doordat hij zich niet van ganser harte op Jahwe richtte. 2KRON 12:15 De regering van Rechabeam, van het begin tot het einde, en zijn stamboom staan beschreven in de verhalen over de profeet Semaja en de ziener Iddo. Er was voortdurend oorlog tussen Rechabeam en Jerobeam. 2KRON 12:16 Rechabeam ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven in de Davidstad; hij werd opgevolgd door zijn zoon Abia. 2KRON 13:1 In het achttiende regeringsjaar van Jerobeam werd Abia koning van Juda. 2KRON 13:2 Hij regeerde drie jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Maaka en was een dochter van Uriël uit Gibea. Er heerste oorlog tussen Abia en Jerobeam. 2KRON 13:3 Met een leger van vierhonderdduizend dappere krijgers, allen uitgelezen manschappen, ging Abia de strijd in, en Jerobeam stelde zich met achthonderdduizend dappere krijgers en uitgelezen manschappen tegen hem op. 2KRON 13:4 Nu ging Abia op de berg Semaraim in het Efraïmgebergte staan en riep: 'Luister naar mij, Jerobeam en heel Israël. 2KRON 13:5 U weet heel goed dat Jahwe, de God van Israël, het koningschap over Israël voor eeuwig geschonken heeft aan David en aan zijn zonen, door een verbond bekrachtigd met zout. 2KRON 13:6 Maar Jerobeam, de zoon van Nebat, een onderdaan van Salomo, de zoon van David, stond op en pleegde opstand tegen zijn heer. 2KRON 13:7 Rond hem verzamelden zich een aantal leeglopers en booswichten; zij wisten Rechabeam, de zoon van Salomo, te trotseren, omdat Rechabeam nog jong was en onstandvastig en niet tegen ze wist op te treden. 2KRON 13:8 Nu meent u zich nog te kunnen verzetten tegen Jahwe's wil het koningschap toe te vertrouwen aan Davids zonen, omdat u over een groot leger beschikt, en omdat u de gouden kalveren bij u hebt die Jerobeam u tot goden gegeven heeft. 2KRON 13:9 U hebt de priesters van Jahwe verdreven, de zonen van Aäron en de levieten, en U hebt u zelf priesters aangesteld zoals de andere volkeren overal doen: als iemand met een stier en zeven rammen komt om tot priester gewijd te worden, kan hij priester worden van wat geen goden zijn. 2KRON 13:10 Onze God echter is Jahwe; wij hebben Hem niet in de steek gelaten; onze priesters, de zonen van Aäron, dienen Jahwe, en de levieten staan hun daarin bij. 2KRON 13:11 Elke morgen en elke avond worden aan Jahwe brandoffers opgedragen en geurige reukoffers; zij leggen de toonbroden op de tafel van zuiver goud, en laten elke avond de gouden luchter met haar lampen branden. Wij blijven dus trouw aan de eredienst van Jahwe, onze God, maar u hebt Jahwe in de steek gelaten. 2KRON 13:12 God staat aan ons hoofd met zijn priesters die hun strijdtrompetten steken: zij zullen het sein geven voor de strijd tegen u, Israëlieten. Strijd echter liever niet met Jahwe, de God van uw vaderen, want het zal u slecht bekomen!' 2KRON 13:13 Jerobeam nu had een omtrekkende beweging gemaakt en achter de Judeeërs een hinderlaag gelegd, zodat de Judeeërs ingesloten waren tussen Jerobeams troepen voor hun en de hinderlaag achter hun. 2KRON 13:14 Toen de Judeeërs zich omwendden, zagen zij dat ze van voren en van achteren aangevallen werden. Ze riepen tot Jahwe en de priesters bliezen op hun trompetten. 2KRON 13:15 De Judeeërs hieven de strijdkreet aan, en toen zij dat deden liet God Jerobeam en heel Israël door Abia en de Judeeërs verslaan. 2KRON 13:16 De Israëlieten moesten vluchten voor de Judeeërs, en God leverde ze aan hun uit. 2KRON 13:17 Abia en zijn leger brachten hen een grote nederlaag toe; er sneuvelden vijfhonderdduizend uitgelezen manschappen van de Israëlieten. 2KRON 13:18 Zo werden de Israëlieten vernederd: de Judeeërs overwonnen omdat ze steunden op Jahwe, de God van hun voorvaderen. 2KRON 13:19 Abia achtervolgde Jerobeam en maakte op hem een aantal steden buit, zoals Betel met onderhorigheden, Jesana met onderhorigheden en Efraïm met onderhorigheden. 2KRON 13:20 Jerobeam kon zich niet meer herstellen tijdens de regering van Abia. Jahwe sloeg hem en hij stierf. 2KRON 13:21 Abia echter werd steeds sterker; hij nam veertien vrouwen en kreeg tweeëntwintig zonen en zestien dochters. 2KRON 13:22 Verdere bijzonderheden over Abia, zijn levenswandel en zijn ondernemingen, zijn te vinden in het leerschrift van Iddo, de profeet. 2KRON 13:23 Hij ging te ruste bij zijn vaderen en werd begraven in de Davidstad. Zijn zoon Asa volgde hem op. Tijdens zijn regering had het land tien jaar rust. 2KRON 14:1 Asa deed wat goed was en Jahwe, zijn God, behaagde; 2KRON 14:2 hij verwijderde de uitheemse altaren en maakte een einde aan de dienst op de offerhoogten, sloeg de wijstenen stuk en hakte de heilige palen om. 2KRON 14:3 Hij hield de Judeeërs voor, dat ze zich op Jahwe, de God van hun vaderen, moesten richten en doen wat zijn wet gebood. 2KRON 14:4 Omdat hij in alle steden van Juda een einde maakte aan de dienst op de offerhoogten en er de reukaltaren verwijderde, genoot onder hem het koninkrijk rust. 2KRON 14:5 Hij kon in Juda de vestingsteden herstellen, omdat het land rust genoot. In die jaren was hij niet in oorlog gewikkeld, daar Jahwe zorgde dat hij met rust gelaten werd. 2KRON 14:6 Hij zei tot de Judeeërs: 'Laten we deze steden versterken en ze omringen met muren, voorzien van torens en poorten met grendels. Nog is het land van ons, omdat we ons gericht hebben op Jahwe, onze God; daarom zorgt Hij dat we met rust gelaten worden aan al onze grenzen.' En de Judeeërs begonnen aan de bouw en brachten die tot een goed einde. 2KRON 14:7 Asa had een leger van driehonderdduizend man uit Juda, gewapend met schild en speer, en van tweehonderdduizend man uit Benjamin, gewapend met schild en boog; het waren allen mannen van aanzien. 2KRON 14:8 Eens rukte Zerach, de Kusiet, tegen Juda ten strijde met een krijgsmacht van een miljoen man en driehonderd wagens. Toen hij Maresa genaderd was, 2KRON 14:9 trok Asa hem tegemoet en ze stelden zich in slagorde in het dal Sefata bij Maresa. 2KRON 14:10 Nu riep Asa Jahwe, zijn God, aan en zei: 'Jahwe, buiten U is er niemand die de machteloze kan helpen in zijn strijd tegen een overmacht. Help ons, Jahwe, onze God, want wij steunen op U; in uw naam zijn wij opgerukt tegen deze geweldige menigte, Jahwe, Gij zijt onze God; laat geen sterveling iets tegen U vermogen.' 2KRON 14:11 En Jahwe deed de Kusieten de nederlaag lijden tegen Asa en Juda. De Kusieten sloegen op de vlucht 2KRON 14:12 en Asa met zijn leger achtervolgde hen tot Gerar. Er vielen zoveel Kusieten dat er voor hen geen behoud meer mogelijk was; ze werden door Jahwe en zijn leger vernietigd. De Judeeërs behaalden zeer veel buit 2KRON 14:13 en overweldigden alle steden in de omgeving van Gerar, want die waren verlamd van schrik voor Jahwe. Ze plunderden al die steden, waar veel buit te behalen viel. 2KRON 14:14 Ook overweldigden ze de tenten van de veehouders en maakten een groot aantal schapen en kamelen buit. Daarna keerden ze naar Jeruzalem terug. 2KRON 15:1 Nu kwam de geest van God over Azarja, de zoon van Oded. 2KRON 15:2 Hij ging Asa tegemoet en zei tot hem: 'Luister naar mij, Asa en heel Juda en Benjamin! Jahwe is met u zolang u het met Hem houdt. Als u Hem zoekt, dan staat Hij voor u, maar als u Hem de rug toekeert, dan keert Hij u de rug toe. 2KRON 15:3 Lange tijd waren de Israëlieten zonder de ware God, zonder priesters om hen te onderrichten en zonder wet. 2KRON 15:4 Maar wanneer zij in hun nood zich bekeerden tot Jahwe, de God van Israël, en Hem zochten, dan stond Hij voor hen. 2KRON 15:5 In die tijden was geen enkele reiziger veilig, want er waren grote beroeringen onder de bewoners van deze streken. 2KRON 15:6 Het ene volk lag overhoop met het andere, de ene stad met de andere, want God bracht ze in verwarring, in allerlei nood. 2KRON 15:7 Wees dus sterk, laat uw handen niet verslappen, want u zult voor uw moeite beloond worden.' 2KRON 15:8 Toen Asa deze woorden hoorde, de profetie van de profeet Azarja, de zoon van Oded, vatte hij moed en liet hij de afgodsbeelden opruimen in heel het land van Juda en van Benjamin en in de steden die hij had veroverd in het bergland van Efraïm. Ook vernieuwde hij het altaar dat voor de voorhal van de tempel van Jahwe stond. 2KRON 15:9 Hij riep heel Juda en Benjamin bijeen, samen met degenen uit Efraïm, Manasse en Simeon die, toen ze zagen dat Jahwe, zijn God, met hem was, in groten getale van Israël naar Asa waren overgelopen en zich in Juda gevestigd hadden. 2KRON 15:10 Ze kwamen bijeen in Jeruzalem in de derde maand van het vijftiende regeringsjaar van Asa 2KRON 15:11 en offerden die dag aan Jahwe zevenhonderd runderen en zevenduizend schapen van de buit die ze hadden meegebracht. 2KRON 15:12 Ze verbonden zich dat ze met heel hun hart en heel hun ziel Jahwe, de God van hun vaderen, zouden dienen. 2KRON 15:13 Ieder, groot of klein, man of vrouw, die Jahwe, de God van Israël, niet zou dienen, zou ter dood gebracht worden. 2KRON 15:14 Dit zwoeren ze Jahwe met luider stem en met juichkreten, onder het geschal van trompetten en bazuinen. 2KRON 15:15 Heel Juda verheugde zich over de eed, die ze van ganser harte gezworen hadden. Ze zochten Jahwe met hart en ziel, daarom stond Jahwe hun bij en schonk hij hun rust aan al hun grenzen. 2KRON 15:16 Zelfs heeft koning Asa zijn moeder Maaka haar titel van gebiedster ontnomen; zij had namelijk voor Asjera een ergerniswekkend beeld gemaakt. Asa liet dit beeld stukslaan, verpulveren en in het Kidrondal verbranden. 2KRON 15:17 Wel liet men de offerhoogten in Israël voortbestaan, maar toch bleef Asa zolang hij leefde Jahwe onverdeeld toegewijd. 2KRON 15:18 Hij liet de wijgeschenken van zijn vader en zijn eigen wijgeschenken naar de tempel van God overbrengen: het zilver, het goud en de andere voorwerpen. 2KRON 15:19 En er was geen oorlog tot het vijfendertigste jaar van zijn regering. 2KRON 16:1 In het zesendertigste regeringsjaar van Asa trok Baësa, de koning van Israël, op tegen Juda en begon Rama te versterken om alle verkeer van en naar Asa, de koning van Juda, te verhinderen. 2KRON 16:2 Toen nam Asa zilver en goud uit de schatkamers van de tempel van Jahwe en van het koninklijk paleis en zond dat naar Benhadad, de koning van Aram, die in Damascus zetelde, met de volgende boodschap: 2KRON 16:3 'Er bestaat een verdrag tussen u en mij, tussen uw en mijn vader; hierbij stuur ik u zilver en goud; wees zo goed uw verdrag met Baësa, de koning van Israël, te verbreken, zodat hij van mij wegtrekt.' 2KRON 16:4 Benhadad voldeed aan het verzoek van koning Asa en beval zijn legeroverste op te trekken tegen de steden van Israël. Zij plunderden Ijjon, Dan, Abel maim en alle voorraadsteden in Naftali. 2KRON 16:5 Toen Basa hiervan hoorde staakte hij de versterking van Rama en liet hij het werk stilleggen. 2KRON 16:6 Koning Asa liet nu alle Judeeërs oproepen. Zij namen de stenen en het hout dat Baësa voor de versterking van Rama had gebruikt mee, en versterkten daarmee Geba en Mispa. 2KRON 16:7 Toen diende zich de ziener Chanani bij Asa, de koning van Juda, aan. Hij zei hem: 'Omdat u steun gezocht hebt bij de koning van Aram en niet bij Jahwe, uw God, daarom is de legermacht van de koning van Aram u ontglipt. 2KRON 16:8 Hadden de Kusieten en de Libiërs soms geen groot leger met eindeloos veel wagens en ruiters? Toch heeft Jahwe ze u overgeleverd, omdat u op Jahwe steunde! 2KRON 16:9 Want de ogen van Jahwe gaan vorsend rond over heel de aarde om allen te helpen, die Hem onverdeeld toebehoren. In deze zaak hebt u echter dwaas gehandeld: van nu af zal oorlog uw deel zijn.' 2KRON 16:10 Asa ontstak in toorn jegens de ziener en sloot hem op in de gevangenis, zo kwaad was hij op hem. Bij die gelegenheid mishandelde Asa nog andere mensen uit het volk. 2KRON 16:11 Verdere bijzonderheden over Asa uit vroegere en latere tijd zijn te vinden in het boek van de koningen van Juda en Israël. 2KRON 16:12 In het negenendertigste jaar van zijn regering kreeg Asa een ernstige voetkwaal; maar zelfs in deze ziekte zocht hij zijn hulp niet bij Jahwe, maar bij de geneesheren. 2KRON 16:13 Hij ging bij zijn vaderen te ruste en stierf in het eenenveertigste jaar van zijn regering. 2KRON 16:14 Hij werd bijgezet in het graf dat hij zich in de Davidstad had laten uithouwen; men legde hem op een rustbed, dat geheel met welriekende kruiden en specerijen, volgens kunst toebereid, bestrooid was, en men ontstak een buitengewoon groot dodenvuur voor hem. 2KRON 17:1 Zijn zoon Josafat volgde hem op. Deze versterkte zijn positie tegenover Israël 2KRON 17:2 door garnizoenen te leggen in alle versterkte steden van Juda en bezettingen in het land Juda en in de steden van Efraïm die zijn vader Asa ingenomen had. 2KRON 17:3 Jahwe was met Josafat, want deze bewandelde dezelfde weg als vroeger zijn vader David. Hij aanbad niet de Baäls, 2KRON 17:4 maar de God van zijn vader; hij hield zich aan de geboden van Jahwe en volgde het voorbeeld van Israël niet na. 2KRON 17:5 Jahwe gaf Josafat de koninklijke macht vast in handen en heel Juda betaalde hem belasting, zodat hij zeer rijk werd en een luisterrijke staat kon voeren. 2KRON 17:6 Hij bewandelde de wegen van Jahwe zo voortvarend, dat hij een einde maakte aan de dienst op de offerhoogten en de heilige palen in Juda opruimde. 2KRON 17:7 In het derde jaar van zijn regering zond hij de beambten Benchail, Obadja, Zekarja, Netanel en Michaja om onderricht te geven in de steden van Juda. 2KRON 17:8 Aan hem waren toegevoegd de Levieten Semaja, Netanja, Zebadja, Asaël, Semiramot, Jonatan, Adonai, Tobia en Tob adonia en de priesters Elisama en Joram. 2KRON 17:9 Ze gaven onderricht in Juda met de wet van Jahwe in de hand; ze gingen alle steden van Juda af en onderrichtten het volk. 2KRON 17:10 De schrik voor Jahwe zat er bij alle koningen van de landen rond Juda zo in, dat ze geen oorlog durfden voeren met Josafat. 2KRON 17:11 Zelfs de Filistijnen betaalden Josafat schatting, in goederen en in geld; de Arabieren in de vorm van kleinvee, zevenenzeventighonderd rammen en zevenenzeventighonderd bokken. 2KRON 17:12 Zo werd Josafat gaandeweg zeer machtig. Hij bouwde in Juda burchten en proviandsteden. 2KRON 17:13 Hij had veel werkvolk in de steden van Juda, en in Jeruzalem had hij krijgslieden, mannen van aanzien, 2KRON 17:14 die hier naar hun families worden opgesomd. Tot Juda behoorden de volgende aanvoerders van duizend: de overste Adna met driehonderdduizend mannen van aanzien. 2KRON 17:15 Na hem kwam de overste Jochanan met tweehonderdtachtigduizend man; 2KRON 17:16 na deze kwam Amasja, de zoon van Zikri, die zich vrijwillig aan Jahwe had toegewijd, met tweehonderdduizend mannen van aanzien. 2KRON 17:17 Uit Benjamin was afkomstig Eljada, een man van aanzien met tweehonderdduizend man, uitgerust met boog en schild. 2KRON 17:18 Na hem kwam Jozabad met honderdtachtigduizend man, ten strijde toegerust. 2KRON 17:19 Dat waren degenen die in dienst van de koning stonden, niet meegerekend degenen die de koning in de vestingsteden van heel Juda gelegerd had. 2KRON 18:1 Josafat verwierf aanzien en rijkdom in overvloed en werd de zwager van Achab. 2KRON 18:2 Toen hij dan ook na enige jaren Achab kwam opzoeken in Samaria, slachtte Achab ter ere van hem en zijn gevolg een groot aantal schapen en runderen. Achab trachtte hem over te halen met hem op te trekken tegen Ramot in Gilead, 2KRON 18:3 en hij zei tot Josafat, de koning van Juda: 'Wilt u niet met mij ten strijde trekken naar Ramot in Gilead?' Josafat antwoordde: 'Een lot verbindt u en mij, uw volk en mijn volk; ik trek met u mee ten strijde!' 2KRON 18:4 Maar hij vervolgde: 'U moet toch eerst Jahwe raadplegen!' 2KRON 18:5 Toen riep de koning van Israël de profeten bijeen, vierhonderd man. Hij vroeg ze: 'Moet ik ten strijde trekken naar Ramot in Gilead, of moet ik ervan afzien?' Zij antwoordden: 'Ga! God levert het aan de koning over.' 2KRON 18:6 Maar Josafat vroeg: 'Is hier geen profeet van Jahwe, dat we ook door hem Jahwe kunnen raadplegen?' 2KRON 18:7 De koning van Israël gaf hem ten antwoord: 'Er is er nog een over en we zouden Jahwe ook door hem kunnen raadplegen; maar ik heb een hekel aan hem, omdat hij me nooit iets goeds voorspelt, maar alleen onheil. Het is Michajehu, de zoon van Jimla.' Maar Josafat zei: 'De koning moet zo niet spreken.' 2KRON 18:8 Toen riep de koning van Israël een dienaar en zei: 'Ga dadelijk Michajehu, de zoon van Jimla, halen.' 2KRON 18:9 Nu zaten de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, in vol ornaat ieder op een troon op de dorsvloer bij de ingang van de poort van Samaria, terwijl alle profeten voor hen stonden te profeteren. 2KRON 18:10 Zo had Sidkia, de zoon van Kenaana, zich ijzeren hoorns opgezet en hij zei: 'Zo spreekt Jahwe: Hiermee zult gij de Arameeërs neerstoten en verdelgen.' 2KRON 18:11 Alle andere profeten profeteerden in dezelfde trant en zeiden: 'U moet naar Ramot in Gilead optrekken; uw veldtocht zal slagen, want Jahwe levert het aan de koning over.' 2KRON 18:12 De bode die Michajehu moest gaan halen zei tegen hem: 'De profeten hebben de koning eenstemmig een gunstige voorspelling gedaan; laat uw woord overeenkomen met het hunne en voorspel iets goed.' 2KRON 18:13 Maar Micha antwoordde: 'Zowaar Jahwe leeft: ik zal slechts zeggen wat mijn God mij opdraagt.' 2KRON 18:14 Toen hij bij de koning gekomen was, vroeg de koning hem: 'Micha, moet ik ten strijde trekken naar Ramot in Gilead, of moet ik ervan afzien?' En hij gaf hem ten antwoord: 'Trek op; uw veldtocht zal slagen; Jahwe levert het aan u over.' 2KRON 18:15 Maar de koning viel tegen hem uit: 'Hoe vaak moet ik je nog bezweren mij in de naam van Jahwe niets te zeggen dan de waarheid?' 2KRON 18:16 Toen sprak Michajehu: 'Ik zie heel Israël verstrooid over de bergen, als schapen zonder herder. En Jahwe spreekt: Zij hebben geen heer; laat ieder in vrede naar huis terugkeren!' 2KRON 18:17 Toen zei de koning van Israël tot Josafat: 'Heb ik het u niet gezegd? Hij profeteert voor mij nooit iets goeds doch alleen maar iets kwaads.' 2KRON 18:18 Maar Michajehu hernam: 'Luister daarom naar het woord van Jahwe. Ik zag Jahwe op zijn troon zitten en heel het heir des hemels links en rechts om hem staan. 2KRON 18:19 Jahwe vroeg: Wie wil Achab, de koning van Israël misleiden, zodat hij oprukt naar Ramot in Gilead en daar sneuvelt? De een zei dit, de ander dat. 2KRON 18:20 Toen kwam er een geest voor Jahwe staan die zei: Ik zal hem misleiden! Jahwe vroeg hem: Hoe dan? 2KRON 18:21 Hij antwoordde: Ik ga erop uit en word een leugengeest in de mond van al zijn profeten. En Jahwe zei: Gij zult hem misleiden en over hem zegevieren; ga en doe het! 2KRON 18:22 Welnu, zie hoe Jahwe een leugengeest gelegd heeft in de mond van deze profeten van u, want Jahwe heeft tot uw ondergang besloten.' 2KRON 18:23 Toen kwam Sidkia, de zoon van Kenaana, naderbij. Hij gaf Michajehu een klap in het gezicht en zei: 'Langs welke weg zou de geest van Jahwe mij verlaten hebben om te spreken tot jou?' 2KRON 18:24 Michajehu antwoordde: 'Dat zul je wel merken op de dag dat je van de ene schuilplaats naar de andere moet vluchten om je te verbergen!' 2KRON 18:25 De koning van Israël beval nu: 'Neem Michajehu gevangen en stel hem onder toezicht van Amon, de stadscommandant, en van Joas, de zoon van de koning. 2KRON 18:26 U moet zeggen: De koning beveelt deze man in de gevangenis te zetten, op een karig rantsoen van water en brood, tot ik behouden ben teruggekeerd.' 2KRON 18:27 Toen zei Michajehu: 'Als u behouden terugkeert, heeft Jahwe niet door mij gesproken. Hij is de profeet die gezegd heeft: Hoort volken altegader.' 2KRON 18:28 De koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, trokken dus op naar Ramot in Gilead. 2KRON 18:29 Maar de koning van Israël sprak tot Josafat: 'Ik wil verkleed de strijd ingaan, maar houdt u gerust uw eigen kleren aan.' Hij verkleedde zich dus en ging zo de strijd in. 2KRON 18:30 Nu had de koning van Aram de bevelhebbers van zijn strijdwagens gelast: Val niemand anders aan dan alleen de koning van Israël.' 2KRON 18:31 Toen de bevelhebbers van de strijdwagens Josafat zagen, dachten zij: 'Dat is zeker de koning van Israël.' Zij gingen dus op hem af om hem aan te vallen. Maar Josafat stiet een kreet uit en Jahwe kwam hem te hulp. God verwijderde de bevelhebbers der strijdwagens van hem, 2KRON 18:32 want toen zij ontdekten dat hij de koning van Israël niet was, lieten zij hem met rust. 2KRON 18:33 Intussen richtte iemand op goed geluk zijn boog en trof de koning van Israël tussen de voegen van zijn pantser. Toen zei de koning tot zijn wagenmenner: 'Wend de teugel en breng mij van het slagveld, want ik ben gewond.' 2KRON 18:34 Maar juist op dat ogenblik laaide de strijd op, en daarom moest men de koning tegenover de Arameeërs in zijn wagen overeind houden tot de avond toe. Toen de zon onderging was hij dood. 2KRON 19:1 Josafat, de koning van Juda, keerde evenwel ongedeerd terug naar zijn paleis in Jeruzalem. 2KRON 19:2 Daar verscheen voor hem de ziener Jehu, de zoon van Chanani; deze zei tot koning Josafat: 'Moest u een booswicht hulp verlenen en aanpappen met hen die Jahwe haten? Daarom is Jahwe in hevige toorn tegen u ontstoken. 2KRON 19:3 Toch zijn er ook goede dingen van u te zeggen, want u hebt de heilige palen in het land omgehakt en met heel uw hart God gezocht.' 2KRON 19:4 Nadat Josafat enige tijd in Jeruzalem gebleven was, trok hij er met zijn leger weer op uit en bracht de mensen van Berseba tot het gebergte van Efraïm terug tot Jahwe, de God van hun vaderen. 2KRON 19:5 Ook stelde hij in alle versterkte steden van het land Juda, stad voor stad, rechters aan. 2KRON 19:6 En hij hield de rechters voor: 'Besef wel wat u doet, want u spreekt geen recht namens een mens, maar namens Jahwe, die bij u is als u recht spreekt. 2KRON 19:7 Laat dus ontzag voor Jahwe u leiden; ga nauwkeurig te werk, want Jahwe, onze God, is strikt rechtvaardig, onpartijdig en onomkoopbaar.' 2KRON 19:8 Ook in Jeruzalem stelde Josafat levieten, priesters en familiehoofden van Israël aan om in de naam van Jahwe recht te spreken en de geschillen van de inwoners van Jeruzalem te beslechten. 2KRON 19:9 En hij gebood hun: 'Doe uw werk vol ontzag voor Jahwe, in oprechtheid en met een onverdeeld hart. 2KRON 19:10 Telkens als uw broeders uit hun steden u een geschil komen voorleggen, over bloedschuld of over de uitleg van geboden, wetten en voorschriften, moet u ze voorlichten, opdat zij zich niet schuldig maken voor Jahwe; anders breekt er een hevige toorn over u en uw broeders los. Als u dat doet zult u zich niet schuldig maken. 2KRON 19:11 De opperpriester Amarja staat boven u voor alle aangelegenheden die Jahwe betreffen, en Zebadja, de zoon van Jismaël, de leider van het volk van Juda, staat boven u voor alle aangelegenheden die de koning betreffen; de levieten zullen als beambten in uw dienst staan. Ga vastberaden aan het werk en moge Jahwe zijn met de rechtschapene.' 2KRON 20:1 Een tijd later trokken de Moabieten en de Ammonieten met een afdeling Meunieten tegen Josafat ten strijde. 2KRON 20:2 Aan Josafat werd gemeld: Een grote menigte Edomieten komt op u af van de overkant van de zee van Edom; ze zijn al in Chaseson tamar. Chaseson tamar is Engedi. 2KRON 20:3 Toen werd Josafat bevreesd en besloot hij Jahwe te raadplegen. Hij kondigde voor heel Juda een vasten af; 2KRON 20:4 daarop kwamen ze uit Juda, uit alle steden van Juda, bijeen om bij Jahwe hulp te zoeken. 2KRON 20:5 Omringd door de gemeente die uit Juda en Jeruzalem was samengekomen in het huis van Jahwe, bij de nieuwe voorhof, bad Josafat staande; 2KRON 20:6 'Jahwe, God van onze vaderen, Gij zijt toch de God in de hemel? Gij zijt toch meester over alle volken en hun koningen? In uw hand is de macht en de kracht; niemand kan u weerstaan. 2KRON 20:7 Gij zijt toch onze God, Gij hebt toch de bewoners van dit land verdreven voor uw volk Israël en dit land voor altijd gegeven aan het nageslacht van Abraham, uw vriend? 2KRON 20:8 Ze zijn er gaan wonen, hebben er een heiligdom voor uw naam gebouwd en hebben gezegd: 2KRON 20:9 Als een onheil ons mocht treffen, het straffende zwaard, pest of hongersnood, dan zullen we naar dit huis komen en voor uw aanschijn treden, want uw naam woont in dit huis. Dan zullen we in onze nood tot U smeken en Gij zult naar ons luisteren en uitkomst brengen. 2KRON 20:10 Welnu dan, daar zijn de Ammonieten en de Moabieten en de bewoners van het seïrgebergte, Gij hebt de Israëlieten, toen ze uit Egypte kwamen, de toegang tot hun land verboden; daarom trokken ze om hun gebied heen en hebben ze hen niet verdelgd. 2KRON 20:11 En zie, als dank daarvoor komen ze op ons af om ons te verjagen uit het erfdeel dat Gij ons in bezit gegeven hebt. 2KRON 20:12 Jahwe, onze God, zult Gij over hen geen strafgericht houden? Wij zijn machteloos tegenover de grote menigte die op ons afkomt; wij weten niet wat we moeten doen, maar op U zijn onze ogen gevestigd.' 2KRON 20:13 Terwijl heel Juda zo voor het aanschijn van Jahwe stond, met kleine kinderen, vrouwen en zonen, 2KRON 20:14 kwam midden onder het vergaderde volk de geest van Jahwe over de leviet Jachaziël, de zoon van Zekarja, de zoon van Benaja, de zoon van Jeïel, de zoon van Mattanja, een van de zonen van Asaf. 2KRON 20:15 Hij zei: 'Luister aandachtig, heel Juda, inwoners van Jeruzalem, en koning Josafat. Zo spreekt Jahwe: Vrees niet en wees niet bang voor die grote menigte, want het is niet uw oorlog, maar Gods oorlog. 2KRON 20:16 Morgen moet gij tegen hen oprukken. Zij nemen de Kristalpas, en aan het einde van het dal dat uitloopt in de woestijn van Jeruël zult u op hen stoten. 2KRON 20:17 Ge hoeft dan niet te strijden; stel u maar ter plaatse op en ge zult zien hoe Jahwe u, Juda en Jeruzalem, de overwinning geeft. Vrees niet en raak niet in paniek; trek morgen tegen hen op; Jahwe zal met u zijn.' 2KRON 20:18 Toen boog Josafat zich neer met het gezicht tegen de grond en heel Juda wierp zich samen met de inwoners van Jeruzalem voor Jahwe neer en betuigde Hem hulde. 2KRON 20:19 En de levieten die tot de Kehatieten en de Korchieten behoorden begonnen met luider stem de lof te zingen van Jahwe, de God van Israël. 2KRON 20:20 De volgende morgen trokken ze in alle vroegte naar de woestijn van Tekoa. Toen ze uittrokken trad Josafat naar voren en zei: 'Luister naar mij, Juda en inwoners van Jeruzalem. Vertrouw op Jahwe, uw God, en u blijft behouden; vertrouw op zijn profeten en uw welslagen is verzekerd.' 2KRON 20:21 Na overleg met het leger liet hij de zangers van Jahwe en de muzikanten in hun heilige gewaden voor de soldaten uitgaan en het lied zingen: 'Loof Jahwe, want eeuwig duurt zijn barmhartigheid.' 2KRON 20:22 Op het ogenblik dat ze jubelend het loflied aanhieven liet Jahwe de Ammonieten, de Moabieten en de bewoners van het seïrgebergte, die naar Juda oprukten, uit hinderlagen overvallen, zodat ze zware verliezen leden. 2KRON 20:23 Daarop keerden de Ammonieten en de Moabieten zich tegen de bewoners van het seïrgebergte om ze uit te roeien en te verdelgen. Nadat ze de bewoners van seïr hadden afgeslacht, brachten ze elkaar om het leven. 2KRON 20:24 Toen de Judeeërs op het punt gekomen waren waar ze de woestijn konden overzien, en naar het leger uitkeken, zagen ze de grond bezaaid met lijken; niemand was ontkomen. 2KRON 20:25 Nu ging Josafat met zijn leger erop af om de buit te bemachtigen; tussen de lijken vonden ze allerlei goederen en kostbare voorwerpen in overvloed. Ze behaalden zoveel buit dat het niet te vervoeren was; drie dagen waren ze bezig met het binnenhalen van de buit, zo groot was die. 2KRON 20:26 De vierde dag kwamen ze bijeen in het Dal van de Lofprijzing en prezen ze Jahwe; daarom heet die plek Dal van de Lofprijzing tot op de huidige dag. 2KRON 20:27 Daarop keerden alle mannen van Juda, en Jeruzalem met Josafat aan het hoofd vol vreugde naar Jeruzalem terug, want Jahwe had hen doen zegepralen over hun vijanden. 2KRON 20:28 Ze trokken Jeruzalem binnen met lieren, luiten en trompetten en begaven zich naar het huis van Jahwe. 2KRON 20:29 De schrik voor God maakte zich meester van alle koningen van de landen rondom, toen ze hoorden dat Jahwe gestreden had met de vijanden van Israël, 2KRON 20:30 en het koninkrijk van Josafat genoot voortaan rust, want zijn God zorgde ervoor dat het met rust gelaten werd aan al zijn grenzen. 2KRON 20:31 Zo regeerde Josafat over Juda. Hij was vijfendertig jaar toen hij koning werd en heeft vijfentwintig jaar in Jeruzalem geregeerd. Zijn moeder heette Azuba en was een dochter van Silchi. 2KRON 20:32 Hij volgde het voorbeeld van zijn vader Asa, zonder daarvan af te wijken, door te doen wat Jahwe behaagt. 2KRON 20:33 Alleen werden de heiligdommen op de offerhoogten niet afgeschaft; nog steeds was het volk de God van zijn vaderen niet van harte toegedaan. 2KRON 20:34 Verdere bijzonderheden over de regering van Josafat, van het begin tot het einde ervan, zijn te vinden in het verhaal over Jehu, de zoon van Chanani, dat opgenomen is in het boek van de koningen van Israël. 2KRON 20:35 Vermeld zij nog de overeenkomst die Josafat, de koning van Juda, is aangegaan met Achazja, de koning van Israël. Deze Achazja was een gewetenloos man. 2KRON 20:36 Zij kwamen overeen, schepen te bouwen voor de vaart op Tarsis. De schepen werden in Esjon geber gebouwd. 2KRON 20:37 Maar Eliëzer, de zoon van Dodawahu uit Maresa, profeteerde tegen Josafat en zei: 'Omdat u een overeenkomst gesloten hebt met Achazja, breekt Jahwe uw werk in stukken.' De schepen leden schipbreuk en konden niet naar Tarsis varen. 2KRON 21:1 Josafat ging bij zijn vaderen te ruste en werd in de Davidstad bij zijn voorvaderen begraven. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Joram. 2KRON 21:2 Zijn broers, zonen van Josafat, heetten Azarja, Jechiël, Zekarja, Azarja, Michaël en Sefatja: dat waren alle zonen van Josafat, de koning van Juda. 2KRON 21:3 Allen hadden zij van hun vader veel geschenken ontvangen in zilver en goud, alsook andere kostbaarheden en versterkte steden in Juda; maar het koningschap ging over op Joram, de oudste zoon. 2KRON 21:4 Zodra Joram de troon van zijn vader bestegen had en zijn macht gevestigd had, liet hij al zijn broers en een aantal voorname Israëlieten met het zwaard doden. 2KRON 21:5 Joram was tweeëndertig jaar oud toen hij koning werd, en acht jaar heeft hij in Jeruzalem geregeerd. 2KRON 21:6 Hij volgde het voorbeeld van de koningen van Israël na, zoals het huis van Achab dat gedaan had, want hij had een dochter van Achab als vrouw. Hij deed wat Jahwe mishaagt. 2KRON 21:7 Toch wilde Jahwe het huis van David niet uitroeien, vanwege het verbond dat Hij met David gesloten had, waarbij Hij hem beloofd had voor hem en zijn zonen altijd een lamp te laten branden. 2KRON 21:8 Tijdens zijn regering maakte Edom zich van Juda onafhankelijk en stelde een eigen koning aan. 2KRON 21:9 Daarom trok Joram met zijn bevelhebbers en al zijn strijdwagens op en versloeg 's nachts de Edomieten die hem en de bevelhebbers van zijn strijdwagens omsingeld hadden. 2KRON 21:10 Toch werd Edom onafhankelijk van Juda, en dat is het gebleven tot vandaag toe. In die tijd maakte ook Libna zich van hem onafhankelijk; dat kwam doordat Joram Jahwe, de God van zijn vaderen, verlaten had. 2KRON 21:11 Ook bouwde hij offerhoogten op de bergen van Juda, verleidde de bewoners van Jeruzalem tot afgoderij en bracht Juda op het slechte pad. 2KRON 21:12 Daarom ontving hij een brief van Elia, de profeet, van de volgende inhoud: 'Zo spreekt Jahwe, de God van David, uw vader. Omdat gij niet het voorbeeld van Josafat, uw vader, gevolgd hebt, en evenmin dat van Asa, de koning van Juda, 2KRON 21:13 maar het voorbeeld van de koningen van Israël, en gij Juda en de bewoners van Jeruzalem verleid hebt tot de afgoderij van het huis van Achab, en gij bovendien uw broers in het huis van uw vader, die beter waren dan gij, gedood hebt, 2KRON 21:14 daarom zal Jahwe uw volk, uw zonen en vrouwen, en heel uw bezit een zware slag toebrengen; 2KRON 21:15 zelf zult gij door een zware ziekte getroffen worden, een ingewandsziekte, waarbij tengevolge van de ziekte uw ingewanden naar buiten zullen komen, elke dag erger.' 2KRON 21:16 En Jahwe zette de Filistijnen, evenals de Arabieren die naast de Kusieten woonden, tegen Joram op. 2KRON 21:17 Zij trokken tegen Juda op, versloegen het, maakten alle bezittingen van het koninklijk paleis buit, evenals zijn zonen en vrouwen; geen zoon bleef hem over, behalve Joachaz, zijn jongste zoon. 2KRON 21:18 Na dit alles sloeg Jahwe hem ook nog met een ongeneeslijke ingewandsziekte. 2KRON 21:19 Na verloop van tijd, toen twee jaar verstreken waren, kwamen tengevolge van zijn ziekte zijn ingewanden naar buiten, en stierf hij onder de afschuwelijkste pijnen. Zijn onderdanen lieten voor hem geen dodenvuur branden zoals voor zijn voorvaderen. 2KRON 21:20 Hij was tweeëndertig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaar in Jeruzalem, maar hij stierf onbetreurd. Hij werd begraven in de Davidstad, ofschoon niet in de graven der koningen. 2KRON 22:1 De bewoners van Jeruzalem stelden nu Achazja, zijn jongste zoon, tot koning aan, want al zijn oudere broers waren door de bende Arabieren die het legerkamp binnengedrongen waren vermoord. Zo werd Achazja, de zoon van Joram, koning over Juda. 2KRON 22:2 Achazja was tweeënveertig jaar oud toen hij koning werd en hij regeerde een jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Atalja en was een dochter van Omri. 2KRON 22:3 Maar ook hij volgde het voorbeeld van het huis van Achab, want zijn moeder zelf stookte hem op om kwaad te doen. 2KRON 22:4 Hij deed wat Jahwe mishaagt, zoals het huis van Achab gedaan had; leden van deze familie waren na de dood van zijn vader zijn raadgevers en dat werd zijn ongeluk. 2KRON 22:5 Op hun raad ook trok hij met Joram, de zoon van Achab, ten strijde tegen Hazaël, de koning van Aram, bij Ramot in Gilead. Maar Joram werd gewond door de Arameeërs, 2KRON 22:6 en moest terugkeren om in Jizreël te genezen van de verwondingen die hij in de strijd tegen Hazaël, de koning van Aram, bij Rama opgelopen had. Achazja, de zoon van Joram, koning van Juda, bracht Joram, de zoon van Achab, tijdens diens ziekte in Jizreël een bezoek. 2KRON 22:7 God had besloten Achazja te verderven. Deze ging Joram bezoeken. Na aankomst reed hij met Joram Jehu tegemoet, de zoon van Nimsi, die door Jahwe gezalfd was om het huis van Achab uit te roeien. 2KRON 22:8 Toen Jehu het vonnis aan het huis van Achab voltrok, stiet hij op enkele voorname Judeeërs en neven van Achazja, die in diens dienst stonden en hij liet ze allen doden. 2KRON 22:9 Daarop zocht hij naar Achazja. Deze hield zich in Samaria verborgen, maar werd ontdekt en voor Jehu geleid. Men bracht hem ter dood. Wel werd hij begraven, want men zei: 'Het is een kleinzoon van Josafat, die Jahwe van ganser harte gediend heeft.' Nu was er in het huis van Achazja niemand meer die in staat was de regering op zich te nemen. 2KRON 22:10 Toen Atalja, de moeder van Achazja, hoorde dat haar zoon gestorven was, roeide zij heel de koninklijke familie van het huis van Juda uit. 2KRON 22:11 Maar Joseba, een dochter van de koning, haalde Joas, de zoon van Achazja, heimelijk weg tussen de koningszonen toen die gedood werden, en zij verborg hem met zijn voedster op de slaapzaal. Deze Joseba was een dochter van koning Joram; ze was de vrouw van de priester Jojada, en zuster van Achazja. Zij slaagde erin Joas voor Atalja verborgen te houden, zodat Atalja hem niet heeft kunnen doden. 2KRON 22:12 Zes jaar lang bleef hij bij haar in de tempel van God verborgen, terwijl Atalja het land regeerde. 2KRON 23:1 In het zevende jaar nam Jojada een moedig besluit. Hij stelde zich in verbinding met de aanvoerders van honderd. Azarja, de zoon van Jerocham, Jismaël, de zoon van Jochanan, Azarja, de zoon van Obed, Maaseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zikri. 2KRON 23:2 Ze trokken rond door Juda en brachten de levieten uit de steden van Juda en de familiehoofden van Israël bijeen. Toen dezen in Jeruzalem gekomen waren, 2KRON 23:3 sloot heel de vergadering in het huis van God een verbond met de koning, waarbij Jojada tot hen zei: 'De zoon van de koning moet koning worden, want Jahwe heeft bepaald dat het koningschap aan de zonen van David toekomt. 2KRON 23:4 Daarom staat u dit te doen. Van degenen die op sabbat aantreden, zowel priesters als levieten, moet een derde deel de wacht houden bij de poorten van de tempel, 2KRON 23:5 een derde deel bij het koninklijk paleis en een derde deel bij de Fundamentpoort, en het leger moet zich opstellen in de voorhoven van de tempel van Jahwe. 2KRON 23:6 Niemand mag de tempel van Jahwe binnengaan, tenzij de priesters en de dienstdoende levieten. Zij mogen er binnengaan omdat zij heilig zijn, maar al het overige volk moet het verbod van Jahwe in acht nemen. 2KRON 23:7 De levieten zullen met hun wapens in de hand een kring vormen om de koning; wie de tempel wil binnengaan moet gedood worden. Blijf bij de koning, waar hij ook gaat of staat.' 2KRON 23:8 De levieten en heel Juda deden alles wat de priester Jojada geboden had; ieder nam zijn mannen mee, zowel degenen die op sabbat dienst moesten doen, als degenen die op sabbat zouden inrukken. Want de priester Jojada had de afdelingen geen vrij gegeven. 2KRON 23:9 Jojada gaf aan de aanvoerders van honderd de lansen, schilden en pijlkokers van koning David, die in het huis van God bewaard werden. 2KRON 23:10 Hij stelde het leger op, ieder met zijn werpspies in de hand, van de rechtervleugel van de tempel tot de linkervleugel; gekeerd naar het altaar en het gebouw, vormde het een kring om de koning. 2KRON 23:11 Men leidde de zoon van de koning naar buiten, zette hem de diadeem op, reikte hem de oorkonde over en verhief hem tot koning. Jojada en zijn zonen zalfden hem, waarop men riep: 'Leve de koning!' 2KRON 23:12 Toen Atalja het volk en de lijfwacht hoorde juichen, begaf ze zich naar de tempel waar het volk bijeen was. 2KRON 23:13 Daar zag ze de koning op zijn podium bij de ingang staan, met de magistraten en de trompetters om hem heen, terwijl het volk van het land juichte en op de trompetten blies en de zangers met hun muziekinstrumenten het gejubel begeleidden. Toen scheurde Atalja haar kleren en riep: 'Verraad! Verraad!' 2KRON 23:14 Daarop beval de priester Jojada de aanvoerders van honderd, de bevelhebbers van het leger: 'Leid haar buiten het kordon; dood met het zwaard alwie haar volgt.' Want de priester had beslist dat men haar niet mocht doden in de tempel van Jahwe. 2KRON 23:15 Ze namen haar gevangen en toen ze door de Paardenpoort het koninklijk paleis bereikt hadden, doodden ze haar. 2KRON 23:16 Nu bracht Jojada een verbond tot stand tussen Jahwe, de koning en het volk, waardoor dit weer het volk van Jahwe werd. 2KRON 23:17 Daarna trok het volk naar de tempel van Baäl; ze braken die af, sloegen zijn altaren en beelden stuk en doodden de Baäl priester Mattan voor de altaren. 2KRON 23:18 Jojada droeg de zorg voor de tempel van Jahwe op aan de levitische priesters, die David voor de tempel in afdelingen ingedeeld had. Zij moesten onder gejubel en gezang brandoffers aan Jahwe opdragen, zoals geschreven staat in de wet van Mozes, en David nader bepaald had. 2KRON 23:19 Hij plaatste bij de poorten van de tempel van Jahwe poortwachters, opdat niemand die om de een of andere reden onrein was, zou binnenkomen. 2KRON 23:20 Met de honderdmannen, de officieren en de bevelhebbers van het leger en het volk van het land leidde hij de koning uit de tempel van Jahwe en zij trokken door de Hoge Poort naar het koninklijk paleis. Daar deden ze de koning plaats nemen op de koninklijke troon. 2KRON 23:21 Het volk van het land verheugde zich en de stad hield zich rustig. Atalja had men met het zwaard gedood. 2KRON 24:1 Joas was zeven jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde veertig jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Sibja en was afkomstig uit Berseba. 2KRON 24:2 Joas deed wat Jahwe behaagde zolang de priester Jojada leefde. 2KRON 24:3 Jojada koos voor hem twee vrouwen uit, en hij kreeg zonen en dochters. 2KRON 24:4 Enige tijd later vatte Joas het plan op de tempel van Jahwe te herstellen. 2KRON 24:5 Hij liet de priesters en levieten bijeenroepen en gaf hun het volgende bevel: 'Trek rond langs de steden van Juda en verzamel geld uit heel Israël om jaar na jaar de tempel van uw God te kunnen herstellen; en zet spoed achter deze zaak.' Maar de levieten maakten er geen haast mee. 2KRON 24:6 Toen riep de koning Jojada, de opperpriester, en vroeg hem: 'Waarom heeft u er niet voor gezorgd, dat de levieten in Juda en Jeruzalem de heffing innen, die Mozes, de dienaar van Jahwe, de gemeenschap van Israël opgelegd heeft voor de tent met de verbondsakte? 2KRON 24:7 Want Atalja, dat goddeloze schepsel, en haar zonen hebben ingebroken in de tempel, en ze hebben zelfs de gewijde voorwerpen van de tempel van Jahwe gebruikt voor hun Baäls.' 2KRON 24:8 Op bevel van de koning werd nu een kist gemaakt die buiten voor de ingang van de tempel neergeplaatst werd. 2KRON 24:9 Men liet in Juda en Jeruzalem bekend maken dat allen voor Jahwe de heffing moesten meebrengen, die Mozes, de dienaar Gods, Israël opgelegd had in de woestijn. 2KRON 24:10 Alle aanzienlijken en heel het volk, tot de laatste man toe, brachten nu blijmoedig hun bijdragen en deden deze in de offerkist. 2KRON 24:11 Telkens als de kist door de levieten gebracht werd naar de ambtenaren van de koning, en zij zagen dat er veel geld in zat, kwamen de schrijver van de koning en de opzichter van de opperpriester, om de kist te ledigen. Dan werd de kist weer opgepakt en op zijn plaats teruggezet. Dit gebeurde dagelijks, en op deze wijze kwam er veel geld bijeen. 2KRON 24:12 De koning en Jojada stelden het geld ter hand aan de opzichters, die het werk aan de tempel hadden te leiden; en dezen namen dan steenhouwers en timmerlieden in dienst om de tempel te herstellen, evenals smeden en koperslagers om de tempel nog sterker te maken. 2KRON 24:13 De werklieden gingen aan de arbeid, en het herstellingswerk vorderde gestaag; zij herstelden de tempel in zijn oorspronkelijke toestand en maakten hem nog sterker. 2KRON 24:14 Toen zij klaargekomen waren, brachten zij het overgebleven geld naar de koning en Jojada; deze liet daarvan werktuigen maken voor het dienstwerk en voor de brandoffers, alsook schalen en andere voorwerpen van goud en zilver. Zolang Jojada leefde werden dagelijks de brandoffers in de tempel van Jahwe opgedragen, 2KRON 24:15 Jojada werd oud en hoogbejaard; toen hij stierf was hij honderddertig jaar oud. 2KRON 24:16 Jojada werd begraven in de Davidstad bij de koningen, omdat hij zich voor Israël en voor God en zijn tempel zo verdienstelijk gemaakt had. 2KRON 24:17 Maar na de dood van Jojada kwamen de aanzienlijken van Juda en betuigden de koning hun hulde. En de koning luisterde naar hen. 2KRON 24:18 Men begon de tempel van Jahwe, de God van hun vaderen, te verwaarlozen, en men vereerde heilige palen en afgodsbeelden. Om deze zonde kwam een hevige toorn over Juda en Jeruzalem. 2KRON 24:19 Hij stuurde profeten op hen af om hen tot inkeer te brengen; dezen waarschuwden hen, maar zij wilden niet luisteren. 2KRON 24:20 Toen kwam de geest van God over Zekarja, de zoon van Jojada, de priester. Hij ging voor het volk staan en sprak tot hen: 'Zo spreekt God: Waarom overtreedt gij de geboden van Jahwe zonder enig voordeel daarbij te vinden? Omdat gij Jahwe in de steek gelaten hebt, heeft Hij u in de steek gelaten!' 2KRON 24:21 Maar zij spanden samen tegen hem en op bevel van de koning stenigden zij hem op de voorhof van de tempel van Jahwe. 2KRON 24:22 Zo weinig dacht Joas nog aan alle weldaden die Jojada, Zekarja's vader, hem bewezen had, dat hij zijn zoon liet vermoorden. Stervend riep deze nog: 'Jahwe moge het zien en het wreken!' 2KRON 24:23 Bij de jaarwisseling rukte het leger der Arameeërs tegen Joas uit; ze trokken Juda en Jeruzalem binnen, brachten alle aanzienlijken van het volk om het leven en stuurden alles wat zij buit gemaakt hadden naar de koning van Damascus. 2KRON 24:24 Want ofschoon het leger der Arameeërs slechts uit weinigen bestond, liet Jahwe hun zeer veel buit in handen vallen, omdat de Judeeërs Jahwe, de God van hun vaderen, in de steek gelaten hadden. Ook aan Joas voltrokken zij het strafgericht. 2KRON 24:25 Want toen ze hem met hevige pijnen hadden achtergelaten, zwoeren zijn hovelingen tegen hem samen om het bloed van Jojada's zoon te wreken. Zij vermoordden hem in zijn bed. Hij werd begraven in de Davidstad, maar niet in de graven der koningen. 2KRON 24:26 Dit zijn de namen van de samenzweerders: Zabad, de zoon van Sima, de Ammonitische, en Jozabad, de zoon van Simrit, de Moabitische. 2KRON 24:27 Verdere bijzonderheden over zijn zonen, de vele godsspraken tegen hem, en over de herbouw van de tempel zijn te vinden in het leerschrift van het boek der koningen. Hij werd opgevolgd door Amasja, zijn zoon. 2KRON 25:1 Amasja was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde negenentwintig jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Joaddan en was afkomstig uit Jeruzalem. 2KRON 25:2 Hij deed wat Jahwe behaagt, zij het niet met een onverdeeld hart. 2KRON 25:3 Zodra hij de koninklijke macht vast in handen had, doodde hij de hovelingen die zijn vader, de koning, vermoord hadden. 2KRON 25:4 Maar de zonen van de moordenaars doodde hij niet: hij hield zich aan hetgeen geschreven staat in het boek van de wet van Mozes, waar Jahwe geboden heeft: 'Vaders mogen niet ter dood gebracht worden om hun kinderen, en kinderen niet om hun vader; alleen om zijn eigen schuld mag iemand ter dood worden gebracht.' 2KRON 25:5 Amasja riep Juda bijeen, en deelde heel Juda en Benjamin in naar families onder aanvoerders van duizend en van honderd. Bij de monstering van alle mannen van twintig jaar en ouder telde hij driehonderdduizend strijdbare mannen die speer en schild konden hanteren. 2KRON 25:6 Bovendien nam hij voor honderd talenten zilver nog honderdduizend dappere krijgers uit Israël in dienst. 2KRON 25:7 Maar een man Gods diende zich bij hem aan met de boodschap: 'Laat het leger uit Israël niet met u uittrekken, koning, want Jahwe is niet met Israël en met de zonen van Efraïm! 2KRON 25:8 Maar rust u uit voor de strijd en trek er alleen op uit, anders zal Jahwe u voor de vijand laten bezwijken.' 2KRON 25:9 Amasja antwoordde de man Gods: 'Maar hoe moet dat dan met de honderd talenten zilver die ik voor de troepen van Israël betaald heb?' En de man Gods zei: 'Jahwe kan u nog veel meer geven dan dat!' 2KRON 25:10 Toen ontsloeg Amasja de troepen uit Efraïm, die zich bij hem aangesloten hadden, uit zijn dienst en zei hun dat ze naar huis konden terugkeren. Zij werden echter boos op Juda, en keerden vol verontwaardiging naar huis terug. 2KRON 25:11 Amasja vatte moed en voerde zijn leger naar het Zoutdal. Daar aangekomen versloeg hij tienduizend mannen van seïr. 2KRON 25:12 Vervolgens namen de Judeeërs nog tienduizend anderen levend gevangen; zij brachten ze op de top van de Rots en gooiden ze vandaar naar beneden, zodat ze allen te pletter vielen. 2KRON 25:13 De troepen echter die Amasja ontslagen had en niet had meegenomen in de strijd, plunderden intussen de steden van Juda, van Samaria tot Bet choron; ze vermoordden drieduizend man en behaalden een grote buit. 2KRON 25:14 Toen Amasja na zijn overwinning op de Edomieten thuis kwam, bracht hij de afgodsbeelden van de mannen van seïr mee; hij stelde ze op als zijn eigen goden, wierp er zich voor neer, en bracht er offers voor. 2KRON 25:15 Toen ontbrandde de toorn van Jahwe tegen Amasja. Hij stuurde een profeet naar hem toe en liet hem vragen: 'Hoe komt u erbij de goden te vereren van een volk, die niet eens hun eigen volk uit uw handen hebben kunnen redden?' 2KRON 25:16 Voordat hij uitgesproken was viel Amasja hem in de rede en zei: 'Wie heeft jou aangesteld tot mijn raadgever? Hou op, opdat ze jou niet vermoorden!' De profeet gehoorzaamde, maar zei eerst nog: 'Ik weet dat God van plan is u te vernietigen, omdat gij dit gedaan hebt en niet naar mijn raad wilt luisteren.' 2KRON 25:17 Een tijd later pleegde Amasja, de koning van Juda, overleg; hij stuurde een boodschap naar Joas, de zoon van Joachaz, de zoon van Jehu, de koning van Israël, van de volgende inhoud: 'Kom aan, laten wij onze krachten meten!' 2KRON 25:18 Maar Joas, de koning van Israël, stuurde het volgende antwoord aan de koning van Juda: 'Eens zond een distel op de Libanon aan een ceder op de Libanon dit verzoek: Wees zo goed uw dochter als vrouw af te staan aan mijn zoon. Maar er kwam een wild dier van de Libanon voorbij, en dat vertrapte de distel. 2KRON 25:19 U zegt: Ik heb Edom vernietigd! En u bent er overmoedig door geworden. Maar blijf toch liever thuis. Waarom zoudt u zich in een ongelukkige oorlog storten en uw volk Juda meeslepen in uw val?' 2KRON 25:20 Maar Amasja wilde niet luisteren. Dit was zo door God beschikt, want God wilde hem overleveren in de hand van de vijand, omdat ze de goden van Edom hadden vereerd. 2KRON 25:21 Toen rukte Joas, de koning van Israël, op, en bij Bet semes in Juda maten hij en Amasja, de koning van Juda, hun krachten. 2KRON 25:22 De Judeeërs werden door de Israëlieten verslagen, en allen vluchtten naar hun tenten. 2KRON 25:23 En koning Joas van Israël nam bij Bet semes Amasja, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Joachaz, gevangen. Hij voerde hem mee naar Jeruzalem en brak de muur van Jeruzalem af over een lengte van vierhonderd el, van de Efraïmpoort tot de Hoekpoort. 2KRON 25:24 Hij maakte zich meester van al het goud en zilver, van al de voorwerpen die in de tempel en in de schatkamers van het koninklijk paleis bij Obededom bewaard werden, en trok met een aantal gijzelaars terug naar Samaria. 2KRON 25:25 Na de dood van Joas, de zoon van Joachaz, de koning van Israël, leefde Amasja, de zoon van Joas, de koning van Juda, nog vijftien jaar. 2KRON 25:26 Verdere bijzonderheden over Amasja uit vroegere en latere tijd zijn te vinden in het boek van de koningen van Juda en Israël. 2KRON 25:27 Van het ogenblik af dat Amasja van Jahwe afviel, werd er tegen hem in Jeruzalem samengespannen, zodat hij naar Lakis moest vluchten. De samenzweerders echter stuurden mannen achter hem aan, die hem in Lakis vermoordden. 2KRON 25:28 Op paarden werd hij overgebracht en hij werd in de Davidstad bij zijn vaderen begraven. 2KRON 26:1 Het volk van Juda nam de zestien jaar oude Uzzia en maakte hem tot koning als opvolger van zijn vader Amasja. 2KRON 26:2 Nadat hij zijn vader, de koning, bij zijn vaderen te ruste had gelegd, lijfde hij Elot bij Juda in en versterkte die stad. 2KRON 26:3 Hij was zestien jaar toen hij koning werd en hij regeerde tweeënvijftig jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Jekolja en was afkomstig uit Jeruzalem. 2KRON 26:4 Hij deed wat Jahwe behaagt, zoals ook zijn vader Amasja gedaan had. 2KRON 26:5 Zolang Zekarja, die hem in de vreze des Heren opgevoed had, leefde, vereerde hij Jahwe en schonk God hem voorspoed. 2KRON 26:6 Hij trok ten strijde tegen de Filistijnen en haalde de muren omver van Gat, Jabne en Asdod, en hij bouwde steden in het gebied van Asdod en de Filistijnen. 2KRON 26:7 God hielp hem tegen de Filistijnen, de Arabieren die in Gur baal woonden, en tegen de Meunieten. 2KRON 26:8 Ook de Ammonieten moesten Uzzia schatting betalen, en zijn roem verbreidde zich tot aan de Egyptische grens, want hij was immers zeer machtig geworden. 2KRON 26:9 Uzzia bouwde torens aan de Hoekpoort, de Dalpoort en aan de Hoek, en hij versterkte ze. 2KRON 26:10 Ook bouwde hij vestingen in de woestijn; hij liet ook regenbakken uitkappen, want hij had een grote veestapel in de Sefela en op de vlakte, en hij had landbouwers en wijngaardeniers in het Karmelgebergte; hij was namelijk een liefhebber van de landbouw. 2KRON 26:11 Uzzia had een leger dat krijgsdienst verrichtte, en uittrok in de afdelingen die door Jeïel, de schrijver, en Maaseja, de beambte, ondergeschikten van Chananja, de bevelhebber van de koning, gemonsterd waren. 2KRON 26:12 Deze dappere krijgers stonden onder leiding van in totaal tweeduizendzeshonderd familiehoofden. 2KRON 26:13 Zij stonden aan het hoofd van een leger van driehonderdzevenduizend vijfhonderd krijgers, die de koning krachtig hielpen tegen zijn vijanden. 2KRON 26:14 Uzzia had voor heel zijn leger schilden, speren, helmen, pantsers, bogen en voor de slingers stenen laten aanschaffen. 2KRON 26:15 Ook liet hij in Jeruzalem vernuftige oorlogswerktuigen plaatsen op de torens en op de hoeken, voor het afschieten van pijlen en grote stenen. Zijn faam verbreidde zich wijd en zijd; hij werd op wonderbare wijze geholpen en werd heel sterk. 2KRON 26:16 Maar toen hij machtig geworden was, werd hij hoogmoedig tot zijn eigen ongeluk, en zondigde hij tegen Jahwe, zijn God, doordat hij de tempel van Jahwe binnenging om zelf offers op te dragen op het reukofferaltaar. 2KRON 26:17 Maar Azarja, de priester, en tachtig andere priesters, allen voortreffelijke mannen, gingen hem achterna; 2KRON 26:18 zij stelden zich op rond Uzzia, de koning, en zeiden: 'Het is u niet toegestaan, Uzzia, offers op te dragen voor Jahwe, doch slechts aan de priesters, de zonen van Aäron, die gewijd zijn voor de offerdienst; verlaat de tempel, want u bezondigt zich; dit zal u bij Jahwe niet tot eer strekken.' 2KRON 26:19 Uzzia, het wierookvat in de hand, ontstak in woede. Maar terwijl hij toornig uitviel tegen de priesters, vertoonde zich opeens een melaatse plek op zijn voorhoofd. De priesters, die rond het reukofferaltaar stonden in de tempel van Jahwe, zagen het. 2KRON 26:20 Azarja, de opperpriester, en alle andere priesters, gingen op Uzzia af en stelden vast dat hij een melaatse plek had op zijn voorhoofd. Vol ontzetting drongen zij erop aan dat hij vandaar weg zou gaan, maar zelf had Uzzia haast om weg te komen, omdat Jahwe hem geslagen had. 2KRON 26:21 En koning Uzzia bleef melaats tot aan de dag van zijn dood. Hij leefde sindsdien in afzondering als een melaatse, en hij mocht niet in de nabijheid van de tempel van Jahwe komen. Gedurende deze tijd beheerde Jotam, zijn zoon, het paleis van de koning en sprak recht voor het volk in het land. 2KRON 26:22 Verdere bijzonderheden over Uzzia uit vroegere en latere tijd zijn opgetekend door de profeet Jesaja, de zoon van Amos. 2KRON 26:23 Uzzia ging bij zijn vaderen te ruste en werd begraven bij zijn vaderen op een stuk grond bij het graf van de koningen want men zei: 'Het is een melaatse.' Zijn zoon Jotam volgde hem op. 2KRON 27:1 Jotam was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Jerusa en was een dochter van Sadok. 2KRON 27:2 Hij deed wat Jahwe behaagt, zoals zijn vader Uzzia gedaan had. Maar de tempel van Jahwe drong hij niet binnen. Het volk echter had zijn zondige gebruiken nog niet opgegeven. 2KRON 27:3 Hij bouwde de Bovenpoort van de tempel van Jahwe, en hij liet de muur van de Ofel versterken. 2KRON 27:4 Hij liet vestingen bouwen in het bergland van Juda en in bosrijke streken bouwde hij burchten en torens. 2KRON 27:5 Hij voerde oorlog met de koning der Ammonieten, en overwon hem. De Ammonieten moesten hem dat jaar honderd talenten zilver en tienduizend kor tarwe en tienduizend kor gerst betalen. Dit betaalden ze hem dan ook, en eveneens in de twee volgende jaren. 2KRON 27:6 Jotam werd steeds machtiger omdat hij de wegen van Jahwe, zijn God, bewandelde. 2KRON 27:7 Verdere bijzonderheden over Jotam, zijn oorlogen en ondernemingen, zijn te vinden in het boek over de koningen van Israël en Juda. 2KRON 27:8 Hij was vijfentwintig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaar in Jeruzalem. 2KRON 27:9 Jotam ging bij zijn vaderen te ruste. Hij werd begraven in de Davidstad, en Achaz, zijn zoon, volgde hem op. 2KRON 28:1 Achaz was twintig jaar oud toen hij koning werd en hij regeerde zestien jaar in Jeruzalem, maar hij deed niet wat Jahwe behaagt zoals zijn vader David gedaan had. 2KRON 28:2 Hij volgde het voorbeeld van de koningen van Israël na, en maakte zelfs gegoten beelden voor de Baäls. 2KRON 28:3 Hij offerde in het Ben hinnomdal, en hij verbrandde zijn zonen overeenkomstig de gruwelijke gewoonten van de volken die Jahwe voor de Israëlieten verdreven had. 2KRON 28:4 Ook offerde hij en brandde hij wierook op de hoogten, op de heuvels en onder elke groene boom. 2KRON 28:5 Jahwe, zijn God, leverde hem over aan de koning van Aram, die hem overwon, en hem en met velen van zijn volk gevangen wegvoerde naar Damascus. Hij werd ook overgeleverd aan de koning van Israël, die hem een grote nederlaag toebracht. 2KRON 28:6 Pekach, de zoon van Remalja, liet in Juda op een dag honderdtwintigduizend man ombrengen, allemaal weerbare mannen; want ze hadden Jahwe, de God van hun vaderen, verlaten. 2KRON 28:7 Zikri, een held uit Efraïm, doodde Maaseja, de zoon van de koning, Azrikam, de hofmaarschalk, en Elkana, de plaatsvervanger van de koning. 2KRON 28:8 De Israëlieten namen tweehonderdduizend vrouwen en zonen en dochters van hun broeders gevangen, behaalden bovendien een grote buit, en trokken daarmee naar Samaria. 2KRON 28:9 Maar nu woonde er in Samaria een profeet van Jahwe, Oded genaamd. Toen het leger Samaria naderde, ging hij de stad uit en liep ze tegemoet. Hij sprak: 'Jahwe, de God van uw vaderen, heeft u de Judeeërs overgeleverd, omdat Hij vertoornd op hen was. Maar u hebt hen afgeslacht met ween wreedheid die ten hemel schreit. 2KRON 28:10 En nu denkt u de bewoner van Juda en Jeruzalem bovendien nog te kunnen vertrappen als uw slaven en slavinnen! Maar laadt u daarmee geen schuld op u? 2KRON 28:11 Luister derhalve naar mij en laat deze gevangenen die uw broeders toebehoren vrij, want anders zal Jahwe's toorn op u neerkomen.' 2KRON 28:12 Nu traden ook enige van de voornaamste Efraïmieten op het teruggekeerde leger toe: Azarja, de zoon van Jochanan, Berekja, de zoon van Mesillemot, Jechizkia, de zoon van Sallum en Amasa, de zoon van Chadlai. 2KRON 28:13 Zij spraken hun toe als volgt: 'Breng de gevangenen niet de stad binnen. Wij hebben reeds een schuld op ons geladen jegens Jahwe, en wilt u onze zonde en onze schuld nog erger maken? Onze schuld is al groot genoeg. Een hevige toorn dreigt over Israël los te barsten.' 2KRON 28:14 Daarom lieten de soldaten ten overstaan van de aanzienlijken en het verzamelde volk de gevangenen vrij en stonden ze hun buit af. 2KRON 28:15 Mannen die daarvoor met naam aangewezen waren, gingen op de gevangenen toe om ze te helpen. Allen die naakt waren gaven ze kleren en schoeisel uit de buit; ze gaven hun te eten en te drinken en ze zalfden hen. Tenslotte brachten zij hen terug naar hun broeders in Jericho, de Palmenstad; en allen die niet goed konden lopen vervoerden zij daarheen op ezels. Daarna keerden zij zelf terug naar Samaria. 2KRON 28:16 Een tijd later liet koning Achaz de koning van Assur vragen hem te hulp te komen. 2KRON 28:17 De Edomieten hadden Juda opnieuw verslagen en hadden krijgsgevangenen gemaakt; 2KRON 28:18 de Filistijnen hadden de steden van de Sefela en de Negeb van Juda geplunderd, en zij hadden Bet semes veroverd en Ajjalon, Gederot, Soko, Timna en Gimzo met onderhorigheden, en zich daar gevestigd. 2KRON 28:19 Jahwe had immers Juda vernederd om Achaz, de koning van Juda, te straffen, omdat hij in Juda de tuchteloosheid had bevorderd, en omdat hij tegen Jahwe in opstand gekomen was. 2KRON 28:20 Maar in plaats van hem te helpen rukte Tiglatpileser, de koning van Assur, tegen hem op en bracht hem in het nauw. 2KRON 28:21 Want al had Achaz de tempel van Jahwe en zijn koninklijk paleis en het paleis van de prinsen leeggehaald als gift voor de koning van Assur, het mocht niet baten. 2KRON 28:22 Ja, zelfs terwijl hij in het nauw gedreven was, kwam koning Achaz nog meer in opstand tegen Jahwe. 2KRON 28:23 Hij offerde aan de goden van Damascus die hem nog wel verslagen hadden. Want hij dacht: 'De goden der Aramese koningen hebben hun geholpen; wanneer ik offers voor hen opdraag zullen ze mij helpen!' Maar ze werden hem en heel Israël alleen nog maar meer noodlottig. 2KRON 28:24 Achaz liet al het vaatwerk van de tempel bijeenbrengen en het in stukken slaan; hij sloot de poorten van de tempel van Jahwe en liet altaren oprichten op elke straathoek in Jeruzalem. 2KRON 28:25 In alle steden van Juda liet hij offerhoogten aanleggen om te offeren aan vreemde goden. Zo tergde hij Jahwe, de God van zijn vaderen. 2KRON 28:26 Verdere bijzonderheden over zijn daden en levenswandel uit vroegere en latere tijd zijn te vinden in het boek van de koningen van Juda en Israël. 2KRON 28:27 Achaz ging bij zijn vaderen te ruste en werd in de stad Jeruzalem begraven, maar niet in de graven van de koningen van Juda. Zijn zoon Hizkia volgde hem op. 2KRON 29:1 Hizkia werd koning toen hij vijfentwintig jaar was en hij regeerde negenentwintig jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Abia en was een dochter van Zekarja. 2KRON 29:2 Hij deed wat Jahwe behaagt, juist zoals zijn vader David gedaan had. 2KRON 29:3 In het eerste jaar van zijn regering, in de eerste maand, opende hij weer de poorten van de tempel van Jahwe en liet ze herstellen. 2KRON 29:4 Hij riep de priesters en levieten op het Oostplein bijeen, 2KRON 29:5 en zei tot hen: 'Luister naar mij, levieten! Heilig uzelf en heilig de tempel van Jahwe, de God van uw vaderen, en verwijder alwat onrein is uit het heiligdom. 2KRON 29:6 Want onze vaderen zijn afvallig geworden en hebben gedaan wat Jahwe, onze God, mishaagt; ze hebben Hem in de steek gelaten, hun gezicht afgewend van de woning van Jahwe en haar de rug toegekeerd. 2KRON 29:7 Zelfs hebben ze de poort van de voorhal gesloten en de lampen gedoofd; ze hebben geen wierook gebrand in het heiligdom en er geen brandoffers opgedragen voor de God van Israël. 2KRON 29:8 Daarom barstte Jahwe's toorn over Juda en Jeruzalem los en maakte Hij ze tot een voorwerp van afschrik, van ontzetting en verbijstering, zoals u met eigen ogen kunt zien. 2KRON 29:9 Om die reden zijn onze vaderen gevallen door het zwaard en zijn onze zonen, onze dochters en onze vrouwen in gevangenschap weggevoerd. 2KRON 29:10 Daarom heb ik mij voorgenomen een verbond te sluiten met Jahwe, de God van Israël, opdat zijn brandende toorn van ons wijkt. 2KRON 29:11 Mijn zonen, verwaarloos niet langer uw plicht, want u heeft Jahwe uitverkoren om Hem in zijn tempel te dienen en wierook voor Hem te branden.' 2KRON 29:12 Toen traden de volgende levieten naar voren: Machat, de zoon van Amasi, en Joël, de zoon van Azarja, van de Kehatieten; van de Merarieten: Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van Jehallelel; en van de Gersonieten; Joach, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joach. 2KRON 29:13 Van de zonen van Elisafan: Simri en Jeïel; van de zonen van Asaf: Zekarja en Mattanja; 2KRON 29:14 van de zonen van Heman: Jechiël en Simi, en van de zonen van Jedutun: Semaja en Uzziël. 2KRON 29:15 Ze riepen hun broeders bijeen, heiligden zich en begonnen volgens het bevel van de koning en overeenkomstig de voorschriften van Jahwe aan de reiniging van de tempel van Jahwe. 2KRON 29:16 Hiertoe gingen de priesters het achterste gedeelte van de tempel van Jahwe binnen en brachten alle onreine voorwerpen die ze in de tempel van Jahwe aantroffen naar de voorhof, waar de levieten ze overnamen om ze weg te brengen naar het Kidrondal. 2KRON 29:17 Op de eerste dag van de eerste maand begonnen ze met de reiniging en op de achtste dag van de maand waren ze aan de voorhal van de tempel van Jahwe toe. Zo heiligden ze de tempel van Jahwe in acht dagen; met het geheel waren ze gereed op de zestiende dag van de eerste maand. 2KRON 29:18 Toen begaven ze zich naar koning Hizkia en verklaarden: 'We hebben de hele tempel van Jahwe gereinigd, het brandofferaltaar met toebehoren en de tafel voor de toonbroden met toebehoren. 2KRON 29:19 Ook alle andere voorwerpen die koning Achaz tijdens zijn regering door zijn afgoderij ontwijd heeft, hebben we hersteld en weer gewijd; ze staan klaar voor het altaar van Jahwe.' 2KRON 29:20 Toen riep koning Hizkia in alle vroegte de magistraten van de stad bijeen en ging naar de tempel van Jahwe. 2KRON 29:21 Ze brachten zeven jonge stieren, zeven rammen, zeven lammeren en zeven geitebokjes aan, als zondeoffer voor het koninklijk huis, voor de tempel en voor Juda, en Hizkia beval de zonen van Aäron, de priesters, ze op te dragen op het altaar van Jahwe. 2KRON 29:22 Ze slachtten de runderen en de priesters vingen het bloed op en besprenkelden het altaar ermee; vervolgens werden de rammen geslacht en werd het altaar met het bloed besprenkeld; tenslotte werden de lammeren geslacht en werd het altaar met het bloed besprenkeld. 2KRON 29:23 Daarna leidden ze de bokken voor het zondeoffer naar de koning en het vergaderde volk en die legden hun handen op de koppen van de dieren. 2KRON 29:24 De priesters slachtten ze en sprenkelden het bloed als een zondeoffer op het altaar om verzoening te bewerken voor geheel Israël, want de koning had het brandoffer en het zondeoffer voor geheel Israël bestemd. 2KRON 29:25 Toen stelde hij in de tempel van Jahwe de levieten op met cimbalen, lieren en harpen, naar het voorschrift van David en van Gad, de ziener van de koning, en van de profeet Natan; het voorschrift kwam immers van Jahwe door toedoen van de profeten. 2KRON 29:26 De levieten stelden zich op met de muziekinstrumenten van David en de priesters met de trompetten. 2KRON 29:27 Toen beval Hizkia het brandoffer op te dragen op het altaar, en op hetzelfde ogenblik dat het brandoffer werd ontstoken begon men te zingen ter ere van Jahwe en op de trompetten te blazen, onder begeleiding van de muziekinstrumenten van David, de koning van Israël. 2KRON 29:28 Het vergaderde volk boog zich neer; het gezang duurde voort en de trompetten bleven schallen tot het brandoffer verteerd was. 2KRON 29:29 Toen ze gereed waren met het offer, knielde de koning, en alle aanwezigen met hem, en zij wierpen zich neer. 2KRON 29:30 Daarna bevalen koning Hizkia en de magistraten de levieten ter ere van Jahwe liederen te zingen van David en de ziener Asaf. Ze begonnen vol vreugde te zingen en bogen zich in aanbidding neer. 2KRON 29:31 Toen nam Hizkia het woord en zei: 'Nu hebt u zich aan Jahwe gewijd. Kom naderbij en draag in de tempel van Jahwe slacht- en dankoffers op.' En het vergaderde volk droeg slacht en dankoffers op en ieder die zich daartoe gedrongen voelde ook brandoffers. 2KRON 29:32 Het aantal brandoffers dat het vergaderde volk bracht, bedroeg zeventig runderen, honderd rammen en tweehonderd lammeren; deze waren alle bestemd als brandoffer voor Jahwe. 2KRON 29:33 De heilige gaven bedroegen in het geheel zeshonderd runderen en drieduizend schapen. 2KRON 29:34 Er waren echter priesters te weinig om alle als brandoffer bestemde dieren te villen, maar hun broeders, de levieten, hielpen hen met het werk totdat alle priesters zich geheiligd hadden; de levieten hadden namelijk met de heiliging meer ernst gemaakt dan de priesters. 2KRON 29:35 Behalve met de talrijke brandoffers had men nog werk met het vet van de slachtoffers en met de plengoffers, die bij de brandoffers behoren. Zo werd de dienst in het huis van Jahwe hervat. 2KRON 29:36 Hizkia en al het volk verheugde zich over wat God zo onverwacht voor het volk gedaan had. 2KRON 30:1 Daarna zond Hizkia een boodschap aan heel Israël en Juda en hij schreef ook brieven naar Efraïm en Manasse om in de tempel van Jahwe in Jeruzalem het paasfeest te komen vieren ter ere van Jahwe, de God van Israël. 2KRON 30:2 De koning had met de magistraten en de volksvergadering in Jeruzalem overlegd of men het paasfeest zou vieren in de tweede maand; 2KRON 30:3 ze konden het namelijk niet op de gewone tijd vieren, omdat de priesters zich niet in voldoende aantal geheiligd hadden en het volk niet in Jeruzalem bijeengekomen was. 2KRON 30:4 Nadat de koning en de volksvergadering het daarover eens waren geworden, 2KRON 30:5 hadden ze besloten om heel Israël, van Berseba tot Dan, op te roepen naar Jeruzalem om het paasfeest te vieren ter ere van Jahwe, de God van Israël. Over het algemeen had men zich immers niet gehouden aan wat voorgeschreven was. 2KRON 30:6 De boden gingen met de brieven van de koning en van de magistraten door heel Israël en Juda en zeiden in opdracht van de koning: 'Israëlieten, bekeer u tot Jahwe, de God van Abraham, Isaak en Israël, opdat Hij zich weer kere tot u, het overschot dat ontsnapt is aan de greep van de koning van Assur. 2KRON 30:7 Wees niet als uw vaderen en uw broeders, die ontrouw geweest zijn aan Jahwe, de God van hun vaderen, en die Hij tot een voorwerp van afschrik gemaakt heeft, zoals u zelf kunt zien. 2KRON 30:8 Wees niet hardnekkig zoals uw vaderen; reik Jahwe de hand en kom naar zijn heiligdom, dat Hij voor altijd geheiligd heeft, en dien Jahwe, uw God, opdat zijn brandende toorn zich van u afwendt. 2KRON 30:9 Want als u zich tot Jahwe bekeert, zullen uw broeders en uw zonen erbarming vinden bij degenen die hen gevangen weggevoerd hebben en zullen ze terugkeren naar dit land. Want Jahwe, uw God, is genadig en barmhartig; Hij zal zijn aanschijn niet van u afwenden als u zich tot Hem bekeert.' 2KRON 30:10 Toen echter de boden in Efraïm, Manasse en Zebulon van stad tot stad rondgingen, werden ze uitgelachen en bespot. 2KRON 30:11 Slechts enkele mannen uit Aser, Manasse en Zebulon vernederden zich en begaven zich naar Jeruzalem. 2KRON 30:12 Maar in Juda bewerkte de hand van God dat ze eensgezind volbrachten wat Jahwe hun bij monde van de koning en de magistraten had bevolen. 2KRON 30:13 Zo kwam er veel volk in Jeruzalem bijeen om in de tweede maand het feest der ongezuurde broden te vieren; het was een zeer talrijke menigte. 2KRON 30:14 Ze ruimden eerst de altaren op die in Jeruzalem stonden; ook alle wierookaltaren verwijderden ze en wierpen die in het Kidrondal. 2KRON 30:15 Daarna vierden ze het paasfeest op de veertiende dag van de tweede maand. De priesters en de levieten voelden zich beschaamd; ze heiligden zich en brachten brandoffers in het huis van Jahwe. 2KRON 30:16 Ze wijden zich aan hun taak zoals die beschreven staat in de wet van Mozes, de man Gods; de priesters plengden het bloed dat de levieten hun aanreikten. 2KRON 30:17 Omdat het grootste deel van het vergaderde volk zich niet geheiligd had, werden de levieten belast met het slachten van de paasoffers voor allen die niet rein genoeg waren om ze zelf aan Jahwe toe te wijden. 2KRON 30:18 Hoewel het grootste deel van het volk, met name uit Efraïm, Manasse, Issakar en Zebulon, zich niet had gereinigd, aten ze, in strijd met het voorschrift, toch het paasoffer, want Hizkia had voor hen gebeden: 'Jahwe, die goed is, moge vergeving schenken 2KRON 30:19 aan ieder die vastbesloten is zich op Jahwe, de God van zijn vaderen, te richten, ook al bezit hij niet de reinheid die voor het offer vereist wordt.' 2KRON 30:20 Jahwe verhoorde Hizkia en liet het volk weer opleven. 2KRON 30:21 Zo vierden de Israëlieten die in Jeruzalem aanwezig waren, zeven dagen lang onder grote blijdschap het feest der ongezuurde broden, terwijl de priesters en levieten dag aan dag uit volle borst de lof van Jahwe zongen. 2KRON 30:22 En Hizkia moedigde alle levieten aan, die grote kundigheid in de dienst van Jahwe getoond hadden. Nadat ze zeven dagen lang feest gevierd hadden, slachtoffers hadden opgedragen en de lof van Jahwe, de God van hun vaderen, hadden gezongen, 2KRON 30:23 besloot het vergaderde volk nog zeven dagen feest te vieren. En ze vierden met vreugde nog zeven dagen feest. 2KRON 30:24 Want Hizkia, de koning van Juda, had voor het vergaderde volk duizend stieren en zevenduizend schapen beschikbaar gesteld, en de magistraten gaven aan het vergaderde volk duizend stieren en tienduizend schapen. En de priesters hadden zich nu ook in groten getale geheiligd. 2KRON 30:25 Heel het vergaderde volk van Juda vierde feest, tezamen met de priesters en levieten, met al het volk dat uit Israël gekomen was, en met de vreemdelingen die uit Israël waren gekomen of in Juda woonachtig waren. 2KRON 30:26 Er heerste in Jeruzalem een grote vreugde, want sinds de dagen van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, was er in Jeruzalem iets dergelijks niet meer gebeurd. 2KRON 30:27 Toen stonden de levitische priesters op en zegenden het volk. Jahwe luisterden naar hen en hun gebed drong door tot in de hemel, zijn heilige woning. 2KRON 31:1 Toen alles was afgelopen, trokken alle aanwezige Israëlieten naar de steden van Juda, verbrijzelden de wijstenen, hakten de heilige bomen om en ruimden de offerhoogten en de altaren op in heel Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse, tot de laatste toe. Daarna keerden de Israëlieten naar hun steden terug, ieder naar zijn eigen huis. 2KRON 31:2 Daarna deelde Hizkia de priesters en levieten weer in op grond van hun vroegere afdelingen en naar de aard van hun bediening als priester of leviet, naargelang zij bestemd waren voor het opdragen van brand en slachtoffers, voor het zingen van lof en dankliederen of voor de bewaking van de poorten van Jahwe's legerplaats. 2KRON 31:3 De bijdrage uit het persoonlijk bezit van de koning was bestemd voor de brandoffers: het morgen en avondoffer en het offer op de sabbat, de dag van de nieuwe maan en de hoogtijdagen, zoals voorgeschreven was in de wet van Jahwe. 2KRON 31:4 Verder beval hij het volk, de inwoners van Jeruzalem, een bijdrage te geven voor de priesters en levieten, opdat dezen al hun krachten zouden kunnen wijden aan de wet van Jahwe. 2KRON 31:5 Toen dit bevel algemeen bekend gemaakt was, bracht en de Israëlieten in groten getale het beste van het koren, de most, de olie, de honing en van al wat de grond opbrengt; van alles droeg de grote meerderheid een tiende af. 2KRON 31:6 Eveneens droegen de Israëlieten en Judeeërs die in de steden van Juda woonden het tiende van hun runderen en schapen af; ook droegen ze de tienden af die als wijgeschenk aan Jahwe, hun God, gewijd waren en legden die in stapels neer. 2KRON 31:7 In de derde maand begonnen ze met het aanleggen van de stapels en pas in de zevende maand was alles verzameld. 2KRON 31:8 Toen Hizkia en de magistraten de stapels kwamen bezichtigen, prezen ze Jahwe en zijn volk Israël. 2KRON 31:9 En toen Hizkia aan de priesters en de levieten inlichtingen vroeg over de stapels, 2KRON 31:10 zei de priester Azarja, het hoofd van het huis van Sadok: 'Sinds de bijdragen aan de tempel van Jahwe worden afgedragen, hebben wij overvloedig gegeten en nog heel veel overgehouden, want Jahwe heeft het volk zo gezegend dat deze grote voorraad over is.' 2KRON 31:11 Daarom beval Hizkia in de tempel van Jahwe voorraadkamers in te richten. Toen die gereed waren, 2KRON 31:12 bracht men de bijdragen, de tienden en de wijgeschenken, regelmatig daarheen. Opziener daarover was de leviet Konanja; plaatsvervanger was zijn broer Simi, 2KRON 31:13 Jechiël, Azazja, Nachat, Asaël, Jerimot, Jozabad, Eliël, Jismakja, Machat en Benaja waren belast met het toezicht onder leiding van Konanja en zijn broer Simi, volgens bevel van koning Hizkia en van Azarja, het hoofd van het huis van God. 2KRON 31:14 Kore, de zoon van Jimna, leviet en poortwachter aan de Oostpoort, was belast met de uitdeling van de gaven die vrijwillig aan God gebracht werden, de bijdragen voor de priesters en levieten, en de wijgeschenken. 2KRON 31:15 In de priestersteden stonden Eden, Minjamin, Jesua, Semaja, Amarja en Sekanja hem trouw terzijde bij de uitdeling aan hun broeders van de verschillende afdelingen, zonder onderscheid, 2KRON 31:16 met dien verstande dat het mannelijke personen moesten zijn, van drie jaar of ouder, die in het familieregister waren ingeschreven. Het gold allen die in hun afdelingen volgens het dagelijks dienstrooster een taak te vervullen hadden in de tempel van Jahwe. 2KRON 31:17 De priesters werden in het register ingeschreven naar hun families en de levieten van twintig jaar en ouder volgens hun afdelingen en hun verschillende taken. 2KRON 31:18 Ze werden ingeschreven met al hun kleine kinderen, vrouwen, zonen en dochters, dus de groep in zijn geheel, omdat ze zich trouw aan hun heilige taak wijdden. 2KRON 31:19 De zonen van Aäron, de priesters, die op de weidegronden bij hun steden woonden, hadden in elke stad iemand die aangesteld was om aan alle mannelijke personen uit de priesterklasse en aan alle ingeschreven levieten hun aandeel uit te keren. 2KRON 31:20 Aldus ging Hizkia in heel Israël te werk, goed, rechtschapen en trouw jegens Jahwe, zijn God. 2KRON 31:21 Alles wat hij ondernam, voor de dienst in de tempel, voor de naleving van de wet en de geboden van zijn God, deed hij met volle toewijding en bracht hij tot een goed einde. 2KRON 32:1 Enige tijd later, toen de godsdienstige hervorming haar beslag had gekregen, rukte Sanherib, de koning van Assur, op. Hij trok Juda binnen en sloeg het beleg voor de versterkte steden, om ze met geweld in te nemen. 2KRON 32:2 Toen het Hizkia duidelijk werd dat Sanherib het op Jeruzalem gemunt had, 2KRON 32:3 besloot hij na overleg met zijn magistraten en legeroversten, de bronnen buiten de stad dicht te stoppen. Allen beloofden hem hun medewerking. 2KRON 32:4 Men bracht veel volk op de been en stopte alle bronnen dicht, ook de beek die door het stadsgebied stroomt, want ze dachten: 'Als de grote koning van Assur komt mag hij geen druppel water vinden.' 2KRON 32:5 Ze herstelden met man en macht de zwakke plekken in de stadsmuur, trokken de torens hoger op en bouwden om de stadsmuur nog een tweede muur. Verder versterkte Hizkia het Millo en de Davidstad en liet een groot aantal werpspiesen en schilden vervaardigen. 2KRON 32:6 Vervolgens stelde hij krijgsoversten aan over het volk, liet het bijeenkomen op het plein voor de stadspoort en sprak het als volgt moed in: 2KRON 32:7 'Wees moedig en dapper, vrees niet en laat u niet afschrikken door de koning van Assur en heel die massa die met hem optrekt. Want wij zijn sterker dan hij: 2KRON 32:8 hij steunt op mensenkracht, maar wij steunen op Jahwe, onze God, die ons helpt en voor ons de oorlog voert.' En heel het volk voelde zich gesterkt door de woorden van Hizkia, de koning van Juda. 2KRON 32:9 Daarna zond Sanherib, de koning van Assur, die met zijn krijgsmacht voor Lakis lag, gezanten naar Jeruzalem, naar Hizkia, de koning van Juda, en naar de Judeeërs in Jeruzalem met de boodschap: 2KRON 32:10 'Zo spreekt Sanherib, de koning van Assur: Waar vertrouwt u eigenlijk op, dat u zich in Jeruzalem laat insluiten? 2KRON 32:11 Misleidt Hizkia u niet met zijn bewering: Jahwe, onze God, zal ons redden uit de macht van de koning van Assur? Zal hij u niet van honger en dorst laten sterven? 2KRON 32:12 Heeft niet diezelfde Hizkia een einde gemaakt aan de offerhoogten en altaren van Jahwe en tot Juda en Jeruzalem gezegd: Slechts voor een altaar mag u neerbuigen en alleen daarop offers ontsteken? 2KRON 32:13 Weet u niet wat ik en mijn voorvaders gedaan hebben met de volken van alle andere landen? Hebben de goden van die volken hun land uit mijn greep kunnen redden? 2KRON 32:14 Heeft ooit een van de goden van de volken die door mijn voorvaders met de banvloek getroffen zijn, zijn volk uit mijn greep kunnen redden? En zou uw God u dan wel kunnen redden? 2KRON 32:15 Welnu, laat u niet door Hizkia bedriegen en misleiden. Geloof hem niet. Als geen enkele andere god een volk of koninkrijk uit mijn greep of uit de greep van mijn voorvaders heeft kunnen redden, hoeveel te minder zal uw God dat dan kunnen!' 2KRON 32:16 En met nog andere beledigende woorden lieten Sanheribs gezanten zich uit over Jahwe en over Hizkia, zijn dienaar. 2KRON 32:17 Ook had Sanherib een brief geschreven waarin hij Jahwe, de God van Israël, hoonde en van Hem zei: 'Zomin als de goden van de volken van de andere landen hun volk uit mijn greep hebben kunnen redden, zal de God van Hizkia dat kunnen.' 2KRON 32:18 En met luider stem lazen ze die brief in het Judees voor aan het volk dat op de muur van Jeruzalem stond, om het bang te maken en in verwarring te brengen, zodat ze de stad zouden kunnen veroveren. 2KRON 32:19 Ze spraken dus over de God van Jeruzalem op dezelfde wijze als over de goden van de andere volken der aarde, die door mensenhanden gemaakt zijn. 2KRON 32:20 Na dit alles begaven koning Hizkia en de profeet Jesaja, de zoon van Amos, zich in gebed en riepen tot de hemel om hulp. 2KRON 32:21 Toen zond Jahwe een engel en deze verdelgde alle weerbare mannen, leiders en legeroversten in de legerplaats van de koning van Assur, zodat deze beschaamd naar zijn land moest terugkeren. Toen hij eens de tempel van zijn god betrad, hebben zijn eigen zoons hem daar met het zwaard gedood. 2KRON 32:22 Zo redde Jahwe Hizkia en de inwoners van Jeruzalem uit de macht van Sanherib, de koning van Assur, en uit die van alle andere vijanden, en schonk hij hun rust aan alle grenzen. 2KRON 32:23 En velen brachten een geschenk aan Jahwe in Jeruzalem en kostbaarheden voor Hizkia, de koning van Juda. Van toen af stond hij bij alle volken in hoog aanzien. 2KRON 32:24 Enige tijd later werd Hizkia ernstig ziek. Hij bad tot Jahwe en deze verhoorde hem en verrichtte voor hem een wonderteken. 2KRON 32:25 Hizkia toonde zich echter niet dankbaar voor de hem bewezen weldaad, maar werd overmoedig, zodat er een hevige toorn over hem en over Juda dreigde los te barsten. 2KRON 32:26 Toen vernederde de overmoedige Hizkia zich, hij en de inwoners van Jeruzalem, zodat de toorn van Jahwe niet losbarstte in de tijd van Hizkia. 2KRON 32:27 Hizkia was zeer rijk en voerde een luisterrijke staat. Hij had schatkamers voor zilver, goud en edelgesteente, reukwerken, schilden en allerlei andere kostbare voorwerpen, 2KRON 32:28 opslagplaatsen voor de opbrengst aan koren, most en olie, stallen voor het vee en kooien voor de kudden. 2KRON 32:29 Hij had beschermde hoeven gebouwd voor zijn grote veestapel, bestaande uit schapen en runderen, want God had hem overvloedige rijkdom geschonken. 2KRON 32:30 Deze Hizkia heeft ook de bovengrondse uitmonding van de Gichonbron afgesloten en het water onder de grond door westwaarts naar de Davidstad geleid. Hij slaagde in alles wat hij ondernam. 2KRON 32:31 Dat was ook het geval, toen het gezantschap van de grote koning van Babel bij hem kwam om navraag te doen naar het wonderteken dat in zijn land gebeurd was. God liet hem toen in de steek om hem op de proef te stellen en zijn gezindheid te leren kennen. 2KRON 32:32 Verdere bijzonderheden over Hizkia, met name over zijn godsdienstige hervormingen, zijn te vinden in het Visioen van de profeet Jesaja, de zoon van Amos, en in het boek van de koningen van Juda en Israël. 2KRON 32:33 Hizkia ging bij zijn vaderen te ruste; men begroef hem op de helling waar de graven van de zonen van David liggen, en heel Juda en alle inwoners van Jeruzalem bewezen hem de laatste eer. Zijn zoon Manasse volgde hem op. 2KRON 33:1 Manasse was twaalf jaar toen hij koning werd en hij regeerde vijfenvijftig jaar in Jeruzalem. 2KRON 33:2 Hij deed wat Jahwe mishaagt en maakte zich schuldig aan dezelfde afgoderij als de volken die Jahwe voor de Israëlieten verdreven had. 2KRON 33:3 Hij herbouwde de heiligdommen op de hoogten, die zijn vader Hizkia vernield had; hij bouwde altaren voor de Baäls, richtte heilige palen op en boog zich neer voor het leger der hemellichamen en diende het. 2KRON 33:4 Zelfs bouwde hij altaren in het huis van Jahwe, terwijl Jahwe toch gezegd had: 'In Jeruzalem zal mijn naam voor altijd wonen.' 2KRON 33:5 In de beide voorhoven van de tempel van Jahwe bouwde hij altaren ter ere van het leger der hemellichamen. 2KRON 33:6 Hij liet ook zijn zonen door het vuur gaan in het Hinnomdal en gaf zich af met waarzeggerij, wichelarij en toverij. Hij omringde zich met tal van dodenbezweerders en helderzienden; hij liet niets na om Jahwe te tergen. 2KRON 33:7 Ook liet hij een afgodsbeeld maken en plaatste dat in de tempel, terwijl God tot David en zijn zoon Salomo toch gezegd had: 'In dit huis, hier in Jeruzalem, de enige stad van alle stammen van Israël die Ik uitverkoren heb, zal Ik mijn naam vestigen voor altijd. 2KRON 33:8 Nooit meer zal Ik de Israëlieten verdrijven van de bodem die Ik hun vaderen heb toegewezen, als ze tenminste nauwkeurig alles onderhouden wat Ik hun door Mozes geboden heb, de hele wet met haar geboden en voorschriften.' 2KRON 33:9 Maar Manasse verleidde Juda en de inwoners van Jeruzalem tot nog groter kwaad dan de volken bedreven hadden die Jahwe voor de Israëlieten verdelgd had. 2KRON 33:10 Wel vermaande Jahwe Manasse en zijn volk, maar ze wilden niet luisteren. 2KRON 33:11 Daarom stuurde Jahwe de legeroversten van de koning van Assur op hen af. Met haken in bedwang gehouden en met twee bronzen kettingen geboeid werd Manasse naar Babel weggevoerd. 2KRON 33:12 In zijn ellende vermurwde hij Jahwe, zijn God; hij vernederde zich diep voor de God van zijn vaderen 2KRON 33:13 en bad tot Hem. Jahwe liet zich door hem verbidden en verhoorde zijn smeekgebed; hij bracht hem terug naar Jeruzalem en herstelde hem in zijn koningschap. Zo ondervond Manasse dat Jahwe de ware God is. 2KRON 33:14 Daarna heeft hij de buitenste stadsmuur van de Davidstad, westelijk van de Gichonbron in het dal, om de Ofel heen, tot aan de Vispoort, herbouwd en hoog opgetrokken. Ook stelde hij legeroversten aan in alle versterkte steden van Juda. 2KRON 33:15 Hij verwijderde de uitheemse goden en het afgodsbeeld uit de tempel van Jahwe en alle altaren die hij gebouwd had op de tempelberg en in Jeruzalem, en wierp ze buiten de stad. 2KRON 33:16 Hij richtte het altaar van Jahwe weer op, bracht daarop slacht en dankoffers en beval Juda Jahwe, de God van Israël, te dienen. 2KRON 33:17 Wel bleef het volk nog op de offerhoogten offeren, maar alleen aan Jahwe, hun God. 2KRON 33:18 Verdere bijzonderheden over Manasse, waaronder het gebed dat hij tot zijn God richtte en de woorden die de zieners tot hem spraken in de naam van Jahwe, de God van Israël, zijn te vinden in de geschiedenis van de koningen van Israël. 2KRON 33:19 Hoe Manasse tot Jahwe bad en verhoord werd, hoe hij zondigde en ontrouw was, hoe hij op de hoogten heiligdommen bouwde en er heilige palen en afgodsbeelden oprichtte, voordat hij op de knieën gedwongen werd, kan men lezen in het verhaal over de ziener. 2KRON 33:20 Manasse ging bij zijn vaderen te ruste en men begroef hem bij zijn paleis. Zijn zoon Amon volgde hem op. 2KRON 33:21 Amon was tweeëntwintig jaar toen hij koning werd en regeerde twee jaar in Jeruzalem. 2KRON 33:22 Hij deed wat Jahwe mishaagt, evenals zijn vader Manasse gedaan had. Voor alle beelden die zijn vader Manasse had gemaakt, bracht Amon offers en hij bewees ze eer. 2KRON 33:23 Maar anders dan zijn vader Manasse vernederde hij zich niet voor Jahwe. Integendeel, Amon verviel van kwaad tot erger. 2KRON 33:24 Zijn hovelingen smeedden een komplot tegen hem en vermoordden hem in zijn paleis. 2KRON 33:25 Maar het volk van het land doodde allen die samengespannen hadden tegen koning Amon en riep in zijn plaats zijn zoon Josia tot koning uit. 2KRON 34:1 Josia was acht jaar toen hij koning werd en hij regeerde eenendertig jaar in Jeruzalem. 2KRON 34:2 Hij deed wat Jahwe behaagt en volgde in alles het voorbeeld van zijn vader David en week daar geen haarbreed van af. 2KRON 34:3 In het achtste jaar van zijn regering, toen hij dus nog een jongen was, begon hij de God van zijn vader David te vereren, en in zijn twaalfde regeringsjaar begon hij Juda en Jeruzalem te zuiveren van de offerhoogten, de heilige palen, en van de gesneden en gegoten beelden. 2KRON 34:4 Men sloeg in zijn tegenwoordigheid de altaren stuk van de Baäls; de wierookaltaren die er boven op stonden, werden omver gegooid, en de heilige palen, de gegoten en gesneden beelden liet hij verbrijzelen en tot gruis slaan, en het stof liet hij strooien op de graven van wie daarvoor geofferd hadden. 2KRON 34:5 De beenderen van de afgodspriesters liet hij op hun altaren verbranden. Zo zuiverde hij Juda en Jeruzalem. 2KRON 34:6 Zelfs in de steden van Manasse, Efraïm, Simeon en ook Naftali, die allerwege in puin lagen, 2KRON 34:7 liet hij in heel het land Israël de altaren en de heilige palen stuk slaan, de gesneden beelden verbrijzelen en de wierookaltaren omverhalen. Daarna keerde hij naar Jeruzalem terug. 2KRON 34:8 In zijn achttiende regeringsjaar, toen hij bezig was de stad en de tempel te zuiveren, gaf hij Safan, de zoon van Asalja, en Maaseja, de stadsoverste, en de raadsheer Joach, de zoon van Joachaz, bevel de tempel van Jahwe, zijn God, te herstellen. 2KRON 34:9 Zij gingen naar Chilkia, de hogepriester, en droegen het geld af dat de levieten die de drempel bewaakten in ontvangst genomen hadden van burgers uit Manasse en Efraïm en het overige gebied van Israël, alsook uit Juda, Benjamin en van de bewoners van Jeruzalem. 2KRON 34:10 Men stelde het aan de werklieden die het toezicht hadden over het werk in de tempel van Jahwe ter hand; en de werklieden, die werkten aan de tempel van Jahwe, gaven het uit voor het herstel en de heropbouw van de tempel. 2KRON 34:11 Zij betaalden het uit aan de timmerlieden en bouwlieden, die er ook gehouwen stenen en hout voor moesten kopen voor binten en balken, nodig voor de gebouwen die de koningen van Juda hadden laten vervallen. 2KRON 34:12 De werklieden voerden hun taak zorgvuldig uit; zij stonden onder toezicht van Jachat en Obadja, levieten uit het geslacht van Kehat. 2KRON 34:13 Alle levieten die muziekinstrumenten konden bespelen hadden het toezicht over de lastdragers, en gaven overeenkomstig hun verschillende taken ook aan de andere werklieden leiding. Weer andere levieten deden dienst als schrijvers, beambten en poortwachters. 2KRON 34:14 Toen zij eens bezig waren het geld dat in de tempel binnengekomen was over te brengen, vond de priester Chilkia het wetboek van Jahwe door Mozes geschreven. 2KRON 34:15 Chilkia sprak hierover de schrijver Safan aan en zei: 'Ik heb een wetboek in de tempel gevonden,' en hij overhandigde het boek aan Safan. 2KRON 34:16 Safan ging met het boek naar de koning en bracht zoals gewoonlijk verslag uit: 'Alles wat uw dienaren is opgedragen, wordt uitgevoerd: 2KRON 34:17 zij hebben het geld dat zich in de tempel van Jahwe bevond te voorschijn gehaald en het ter beschikking gesteld van de opzichters en de arbeiders.' 2KRON 34:18 Vervolgens zei Safan, de schrijver, tot de koning: 'Chilkia, de priester, heeft mij een boek gegeven.' En Safan las de koning uit het boek voor. 2KRON 34:19 Toen de koning de woorden van de wet hoorde, scheurde hij zijn kleren. 2KRON 34:20 En aan Chilkia, Achikam, de zoon van Safan, aan Abdon, de zoon van Michaja, Safan, de schrijver, en Asaja, de dienaar van de koning, beval hij: 2KRON 34:21 'Ga voor mij en voor allen die in Israël en Juda nog overgebleven zijn Jahwe raadplegen over de inhoud van het gevonden boek, want Jahwe moet wel in hevige toorn ontstoken zijn tegen ons, omdat onze vaderen niet geluisterd hebben naar Jahwe's woorden die in dit boek staan opgetekend.' 2KRON 34:22 Daarom gingen Chilkia en de anderen die door de koning aangewezen waren naar de profetes Chulda, de vrouw van de beheerder van de priestergewaden, Sallum, de zoon van Tokhat, de zoon van Charsa, die in Jeruzalem woonde, in de nieuwe wijk, en zeiden wat hun bevolen was. 2KRON 34:23 Zij antwoordden hun: 'Zo spreekt Jahwe, de God van Israël: Zeg dit aan de man die u naar Mij gezonden heeft: 2KRON 34:24 Zo spreekt Jahwe: Ik ga onheil brengen over deze plaats en haar bewoners, alle vervloekingen die genoemd worden in het boek dat men de koning van Juda voorgelezen heeft. 2KRON 34:25 Omdat zij Mij hebben verlaten en geofferd hebben aan vreemde goden, om Mij met al hun eigen maaksels te tergen, daarom is mijn toorn ontbrand tegen deze stad en zal niet meer gedoofd worden. 2KRON 34:26 Zeg daarom tot de koning van Juda, die u gestuurd heeft om Jahwe te raadplegen: Zo spreekt Jahwe, de God van Israël, met betrekking tot de woorden die gij gehoord hebt: 2KRON 34:27 Omdat uw hart geraakt werd en gij u voor God vernederd hebt bij het aanhoren van zijn woorden over deze stad en haar bewoners, omdat gij u vernederd hebt en uw kleren gescheurd, en geweend hebt voor mijn aanschijn, daarom zal Ik ook naar u luisteren, spreekt Jahwe. 2KRON 34:28 Ik zal u bij uw vaderen brengen en gij zult in vrede bijgezet worden in uw eigen graf; uw ogen zullen niets zien van het onheil dat Ik over deze stad en over haar inwoners ga brengen.' Zij brachten deze boodschap over aan de koning. 2KRON 34:29 Toen ontbood de koning al de oudsten van Juda en Jeruzalem. 2KRON 34:30 Hij ging naar de tempel van Jahwe en met hem alle mannen van Juda, alle bewoners van Jeruzalem, de priesters, de levieten en geheel het volk, van groot tot klein. Hij las hun alles voor wat er geschreven stond in het boek van het verbond, dat in de tempel van Jahwe gevonden was. 2KRON 34:31 De koning ging op een verhoging staan en hij sloot het verbond voor het aanschijn van Jahwe: zij zouden Jahwe volgen en met heel hun hart en heel hun ziel zijn geboden, verordeningen en voorschriften onderhouden, en daardoor de bepalingen van het verbond, die in het boek geschreven stonden, naleven. 2KRON 34:32 Allen die zich in Jeruzalem en Benjamin bevonden liet hij tot het verbond toetreden, en de inwoners van Jeruzalem handelden overeenkomstig het verbond van God, de God van hun vaderen. 2KRON 34:33 Josia verwijderde alle gruwelbeelden uit alle landstreken waar de Israëlieten woonden, en bewoog de burgers van Jeruzalem Jahwe, hun God, te dienen. Zolang hij leefde verwijderden zij zich niet van Jahwe, de God van hun vaderen. 2KRON 35:1 Ook vierde Josia in Jeruzalem ter ere van Jahwe het paasfeest; men slachtte het paaslam op de veertiende dag van de eerste maand. 2KRON 35:2 Hij wees de priesters hun taak aan en wekte ze op om hun plicht te doen in de tempel van Jahwe. 2KRON 35:3 En hij zei tot de levieten die heel Israël moesten onderrichten en aan Jahwe gewijd waren: 'Plaats de heilige ark in het huis dat Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, gebouwd heeft. U hoeft die niet meer op de schouders te dragen; dien nu Jahwe, uw God, en Israël, zijn volk. 2KRON 35:4 Zorg dat u gereed staat overeenkomstig uw families en uw afdelingen, volgens het voorschrift van David, de koning van Israël, en dat van zijn zoon Salomo. 2KRON 35:5 Stel u in het heiligdom op voor de familiegroepen van uw broeders, het gewone volk, en wel zo dat de indeling van de levieten overeenkomt met die van de families. 2KRON 35:6 Voor het slachten van het paaslam moet u zich heiligen en uw broeders ten dienste staan, en handelen overeenkomstig het woord dat Jahwe door Mozes gesproken heeft.' 2KRON 35:7 Josia stelde voor het gewone volk kleinvee ter beschikking, dertigduizend lammeren en geitjes, als paasoffer voor alle aanwezigen, en bovendien drieduizend runderen; deze dieren waren afkomstig uit het persoonlijke bezit van de koning. 2KRON 35:8 Ook de magistraten deden een schenking aan het volk, de priesters en de levieten. Chilkia, Zekarja en Jechiël, de tempeloversten, gaven aan de andere priesters voor het paasoffer zesentwintighonderd stuks kleinvee en driehonderd runderen. 2KRON 35:9 Konanja, Semaja en Chasabja, Jeïel en Jozabad, oversten van de levieten, stelden aan de andere levieten voor het paasoffer vijfduizend stuks kleinvee en vijfhonderd runderen ter beschikking. 2KRON 35:10 Toen de dienst geregeld was, gingen de priesters op hun post staan en eveneens de verschillende afdelingen van de levieten, naar het voorschrift van de koning. 2KRON 35:11 Ze slachtten de paaslammeren en de priesters sprenkelden het bloed dat de levieten hun aanreikten; daarna vilden de levieten de dieren. 2KRON 35:12 De dieren bestemd voor het brandoffer zonderden ze af en gaven die aan de familiegroepen van het gewone volk; deze moesten ze aan Jahwe opdragen, zoals geschreven staat in het boek van Mozes. Met de runderen deden ze hetzelfde. 2KRON 35:13 Ze braadden het paaslam op het vuur, volgens voorschrift, kookten het overige offervlees in potten, ketels en pannen en haastten zich ermee naar het gewone volk. 2KRON 35:14 Daarna bereidden ze het paasoffer voor zichzelf en de priesters, de zonen van Aäron, want die waren tot de nacht toe bezig met het opdragen van de brandoffers en het vet; daarom bereidden de levieten het paasoffer voor zichzelf en voor de priesters, de zonen van Aäron. 2KRON 35:15 De zangers, de zonen van Asaf, stonden op hun post, volgens de voorschriften van David, Asaf, Heman en Jedutun, de ziener van de koning, en de poortwachters bij de verschillende poorten; niemand hoefde zijn dienst te onderbreken, want hun broeders, de levieten, zorgden voor hen. 2KRON 35:16 Zo was die dag geheel gewijd aan de viering van het paasfeest en het opdragen van de brandoffers op het altaar van Jahwe, zoals koning Josia bevolen had. 2KRON 35:17 De aanwezige Israëlieten vierden bij die gelegenheid het paasfeest en het feest van de ongezuurde broden, zeven dagen lang. 2KRON 35:18 Sinds de dagen van de profeet Samuël was het paasfeest in Israël nog nooit zo gevierd; geen van de koningen van Israël had het paasfeest gevierd zoals koning Josia het vierde met de priesters en levieten, met alle aanwezigen van Juda en Israël en de inwoners van Jeruzalem. 2KRON 35:19 Dit feest werd gevierd in het achttiende jaar van de regering van Josia. 2KRON 35:20 Na dit alles, toen Josia de tempel hersteld had, rukte Neko, de koning van Egypte, op om slag te leveren bij Karkemis aan de Eufraat, en Josia trok tegen hem op. 2KRON 35:21 Toen zond Neko gezanten naar hem toe met de boodschap: 'Wat hebben wij met elkaar te maken, koning van Juda? Deze veldtocht is niet gericht tegen u, maar tegen het koningshuis waarmee ik in oorlog ben, en God heeft mij gezegd dat ik mij haasten moet. Verzet u niet tegen God, die mij bijstaat; anders stort Hij u in het verderf.' 2KRON 35:22 Maar Josia trok zijn leger niet terug; hij luisterde niet naar de woorden van Neko, die God hem ingegeven had, maar verkleedde zich en ging in de vlakte van Megiddo tot de aanval over. 2KRON 35:23 De boogschutters echter namen koning Josia onder schot en troffen hem. Daarop zei hij tot zijn dienaren: 'Breng me weg, want ik ben zwaar gewond.' 2KRON 35:24 Zijn dienaren tilden hem uit de strijdwagen, legden hem in zijn tweede wagen en brachten hem naar Jeruzalem. Daar stierf hij en werd bijgezet in de graven van zijn vaderen. Heel Juda en Jeruzalem bedreef rouw over Josia. 2KRON 35:25 Jeremia dichtte een klaaglied op hem. Tot op de huidige dag herdenken de zangers en zangeressen Josia in hun klaagzangen. Deze zijn in Israël ingeburgerd en staan, zoals men weet, opgetekend in het boek van de Klaagliederen. 2KRON 35:26 Verdere bijzonderheden over Josia, met name zijn godsdienstige hervormingen in overeenstemming met de voorschriften van de wet van Jahwe, 2KRON 35:27 en zijn andere daden, van het begin tot het einde van zijn regering, zijn te vinden in het boek van de koningen van Israël en Juda. 2KRON 36:1 De stadsbevolking maakte nu Joachaz, de zoon van Josia, tot koning van Jeruzalem als opvolger van zijn vader. 2KRON 36:2 Joachaz was drieëntwintig jaar toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem. 2KRON 36:3 De koning van Egypte zette hem af als koning van Jeruzalem en legde het land een belasting op van honderd talenten zilver en een talent goud. 2KRON 36:4 De koning van Egypte stelde de broer van Joachaz, Eljakim, aan als koning van Juda en Jeruzalem, en veranderde zijn naam in Jojakim. Joachaz, diens broer, werd door Neko weggevoerd naar Egypte. 2KRON 36:5 Jojakim was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem; hij deed wat Jahwe, zijn God, mishaagde. 2KRON 36:6 Nebukadnessar, de koning van Babel, trok tegen hem ten strijde. Hij sloeg Jojakim in boeien en voerde hem weg naar Babel. 2KRON 36:7 Ook nam Nebukadnessar een deel der tempelvaten mee en liet deze in zijn paleis in Babel plaatsen. 2KRON 36:8 Verdere bijzonderheden over Jojakim, over de gruweldaden die hij bedreef, en al het andere kwaad waaraan hij zich schuldig maakte, zijn te vinden in het boek van de koningen van Israël op Juda. Jojakin, zijn zoon, volgde hem op. 2KRON 36:9 Jojakin was achttien jaar oud toen hij koning werd; hij regeerde drie maanden en tien dagen in Jeruzalem en deed wat Jahwe mishaagt. 2KRON 36:10 In het volgende voorjaar zond koning Nebukadnessar opnieuw zijn leger. Hij bracht Jojakin met het kostbare vaatwerk van de tempel van Jahwe naar Babel over, en verhief Sidkia, Jojakins oom, tot koning over Juda en Jeruzalem. 2KRON 36:11 Sidkia was eenentwintig jaar toen hij koning werd en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem. 2KRON 36:12 Hij deed wat Jahwe, zijn God, mishaagde. Hij wilde zich niet verootmoedigen voor Jeremia, de profeet, die namens Jahwe tot hem sprak. 2KRON 36:13 Hij pleegde bovendien opstand tegen Nebukadnessar die hem bij God had laten zweren hem trouw te blijven. Hij bleef halsstarrig en verstokt, en weigerde zich te bekeren tot Jahwe, de God van Israël. 2KRON 36:14 Ook de voornaamste priesters en het volk zelf vielen in groten getale af; ze bedreven alle gruweldaden der heidenen en ontwijdden de tempel die Jahwe geheiligd had. 2KRON 36:15 Jahwe, de God van hun vaderen, werd niet moe hun telkens weer gezanten te sturen, want Hij had medelijden met zijn volk en zijn woonplaats. 2KRON 36:16 Maar ze overlaadden de gezanten van God met smaad, sloegen hun waarschuwingen in de wind, en spotten met de profeten, zodat Jahwe's toorn wel onverbiddelijk moest neerkomen op zijn volk. 2KRON 36:17 De koning der Chaldeeën trok tegen hem op; hij doodde in de tempel alle jongemannen met het zwaard; geen jongeman of meisje, oude man of grijsaard, spaarde hij, want Jahwe had allen aan hem uitgeleverd. 2KRON 36:18 Alle vaten van de tempel, grote en kleine, de schatten van de tempel en van het koninklijk paleis en alle prinsen liet hij naar Babel voeren. 2KRON 36:19 Zij staken de tempel in brand, braken de muur van Jeruzalem af, en alle grote gebouwen van de stad lieten zij in vlammen opgaan, zodat alle kostbaarheden verloren gingen. 2KRON 36:20 Allen die aan het zwaard ontkomen waren, liet hij naar Babel in ballingschap wegvoeren; ze moesten hem en zijn zonen als slaven dienen, totdat het Perzische rijk aan de macht kwam. 2KRON 36:21 Zo ging het woord dat Jahwe door Jeremia gesproken had in vervulling: 'Het land zal zijn sabbatjaren vergoed krijgen!' Het land bleef al die tijd braak liggen en rustte uit, zeventig volle jaren lang. 2KRON 36:22 In het eerste regeringsjaar van Kores, de koning van Perzië, liet Jahwe de voorspelling die hij door Jeremia gedaan had in vervulling gaan. Hij gaf Kores, de koning van Perzie, in om in heel zijn koninkrijk een boodschap af te kondigen en brieven rond te sturen met de volgende inhoud: 2KRON 36:23 'Zo spreekt Kores, de koning van Perzie: Jahwe, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde geschonken. Hij heeft mij opgedragen voor Hem een tempel te bouwen in Jeruzalem in Juda. Laten al degenen onder u die tot zijn volk behoren onder de hoede van Jahwe, hun God, terugkeren.' ESRA ESRA 1:1 In het eerste regeringsjaar van Kores, de koning van Perzië, liet Jahwe de voorspelling die Hij door Jeremia gedaan had, in vervulling gaan. Hij gaf Kores, de koning van Perzië, in om in heel zijn koninkrijk een boodschap af te kondigen en brieven rond te sturen van de volgende inhoud: ESRA 1:2 'Zo spreekt Kores, de koning van Perzië: Jahwe, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde geschonken. Hij heeft mij opgedragen voor hem een tempel te bouwen in Jeruzalem in Juda. ESRA 1:3 Laten al degenen onder u die tot zijn volk behoren, onder zijn hoede terugkeren naar Jeruzalem in Juda en een tempel bouwen ter ere van Jahwe, de God van Israël, de God die in Jeruzalem woont. ESRA 1:4 Overal waar er nog Israëlieten zijn, zullen deze van hun medeburgers zilver en goud, have en vee ontvangen, en bovendien wijgeschenken voor de tempel van God in Jeruzalem.' ESRA 1:5 De familiehoofden van Juda en Benjamin, de priesters en de levieten, allen wie God het ingaf, troffen voorbereidingen voor de terugreis om de tempel van Jahwe in Jeruzalem weer op te bouwen. ESRA 1:6 En hun buren gaven hun als bijdragen zilveren en gouden voorwerpen, have en vee en allerlei kostbaarheden en nog andere geschenken die ze spontaan aanboden. ESRA 1:7 Bovendien liet koning Kores het vaatwerk van de tempel van Jahwe, dat door Nebukadnessar uit Jeruzalem was weggesleept en in de tempel van diens god ondergebracht, te voorschijn halen. ESRA 1:8 Kores, de koning van Perzië, liet dit doen door zijn schatmeester Mitredat, die alles overdroeg aan Sesbassar, de vorst van Juda. ESRA 1:9 De hoeveelheden waren als volgt: dertig gouden bekkens, duizend zilveren bekkens, negenentwintig offerschalen, ESRA 1:10 dertig gouden bekers, tweeduizend vierhonderdtien zilveren bekers en duizend andere vaten. ESRA 1:11 Het totaal aan gouden en zilveren vaten bedroeg vijfduizend vierhonderd. Dit alles voerde Sesbassar met zich mee toen hij met de ballingen uit Babel optrok naar Jeruzalem. ESRA 2:1 Dit zijn de ballingen van de provincie Juda, die door Nebukadnessar de koning van Babel naar Babel waren weggevoerd, maar die uit de ballingschap teruggekeerd zijn naar Jeruzalem en Juda, ieder naar zijn plaats van afkomst. ESRA 2:2 Ze zijn teruggekeerd onder leiding van Zerubbabel, Jesua, Nechemja, Seraja, Reelaja, Mordekai, Bilsan, Mispar, Bigwai, Rechum en Baana. De aantallen mannen onder deze Israëlieten waren als volgt: ESRA 2:3 tweeduizend honderdtweeënzeventig afstammelingen van Paros, ESRA 2:4 driehonderdtweeënzeventig afstammelingen van Sefatja, ESRA 2:5 zevenhonderdvijfenzeventig afstammelingen van Arach, ESRA 2:6 tweeduizend achthonderdtwaalf afstammelingen van Pachat moab uit de families van Jesua en Joab, ESRA 2:7 twaalfhonderdvierenvijftig afstammelingen van Elam, ESRA 2:8 negenhonderdvijfenveertig afstammelingen van Zattu, ESRA 2:9 zevenhonderdzestig afstammelingen van Zakkai, ESRA 2:10 zeshonderdtweeënveertig afstammelingen van Bani, ESRA 2:11 zeshonderddrieëntwintig afstammelingen van Bebai, ESRA 2:12 twaalfhonderdtweeëntwintig afstammelingen van Azgad, ESRA 2:13 zeshonderdzesenzestig afstammelingen van Adonikam, ESRA 2:14 tweeduizend zesenvijftig afstammelingen van Bigwai, ESRA 2:15 vierhondervierenvijftig afstammelingen van Adin, ESRA 2:16 achtennegentig afstammelingen van Ater uit de familie van Chizkia, ESRA 2:17 driehonderddrieëntwintig afstammelingen van Besai, ESRA 2:18 honderdtwaalf afstammelingen van Jora, ESRA 2:19 tweehonderddrieëntwintig afstammelingen van Chasum, ESRA 2:20 vijfennegentig afstammelingen van Gibbar, ESRA 2:21 honderddrieëntwintig burgers uit Bethlehem, ESRA 2:22 zesenvijftig burgers uit Netofa, ESRA 2:23 honderdachtentwintig burgers uit Anatot, ESRA 2:24 Tweeënveertig burgers uit Azmawet, ESRA 2:25 zevenhonderddrieënveertig burgers uit Kirjat arim, Kefira en Beerot, ESRA 2:26 zeshonderdeenentwintig burgers uit Rama en Geba, ESRA 2:27 honderdtweeëntwintig burgers uit Mikmas, ESRA 2:28 tweehonderddrieëntwintig burgers uit Betel en Ai, ESRA 2:29 tweeënvijftig burgers uit Nebo, ESRA 2:30 Honderdzesenvijftig burgers uit Magbis, ESRA 2:31 twaalfhonderdvierenvijftig burgers uit Elam, ESRA 2:32 driehonderdtwintig afstammelingen van Charim, ESRA 2:33 zevenhonderdvijfentwintig burgers uit Lod, Chadid en Ono, ESRA 2:34 driehonderdvijfenveertig burgers uit Jericho, ESRA 2:35 drieduizend zeshonderddertig burgers uit Senaa. ESRA 2:36 Priesters: negenhonderddrieënzeventig afstammelingen van Jedaja uit het geslacht van Jesua, ESRA 2:37 duizend tweeënvijftig afstammelingen van Immer, ESRA 2:38 twaalfhonderdzevenenveertig afstammelingen van Paschur, ESRA 2:39 duizend zeventien afstammelingen van Charim. ESRA 2:40 Levieten: vierenzeventig afstammelingen van Jesua en Kadmiël uit de zonen van Hodawja. ESRA 2:41 Zangers: honderdachtentwintig afstammelingen van Asaf. ESRA 2:42 Poortwachters: in totaal honderdnegenendertig afstammelingen van Sallum, Ater, Talmon, Akkub, Chatita en Sobai. ESRA 2:43 Tempelknechten: afstammelingen van Sicha, Chasufa, Tabbaot, ESRA 2:44 Keros, Siaha, Padon, ESRA 2:45 Lebana, Chagaba, Akkub, ESRA 2:46 Chagab, Samlai, Chanan, ESRA 2:47 Giddel, Gachar, Reaja, ESRA 2:48 Resin, Nekoda, Gazzam, ESRA 2:49 Uzza, Paseach, Besai, ESRA 2:50 Asna, Meunim, Nefissim, ESRA 2:51 Bakbuk, Chakufa, Charchur, ESRA 2:52 Baslut, Mechida, Charsa, ESRA 2:53 Barkos, Sisera, Temach, ESRA 2:54 Nesiach en Chatifa. ESRA 2:55 Afstammelingen van de knechten van Salomo: afstammelingen van Sotai, Hassoferet, Peruda, ESRA 2:56 Jaala, Darkon, Giddel, ESRA 2:57 Sefatja, Chattil, Pokeret hassebaim en Ami. ESRA 2:58 In totaal waren er driehonderdtweeënnegentig tempelknechten en Salomo's knechten. ESRA 2:59 Ballingen uit Tel melach, Tel Charsa, Kerub, Addan en Immer, die niet konden aantonen dat ze van Israëlitische families afstamden, ESRA 2:60 waren de zeshonderdtweeënvijftig afstammelingen van Delaja, Tobia en Nekoda. ESRA 2:61 Ook de priesters uit de geslachten van Chobaja, Hakkos en Barzillai, welke laatste een dochter van Barzillai uit Gilead gehuwd had en diens naam had aangenomen, ESRA 2:62 zochten in het register naar het bewijs van hun priesterlijke afstamming, maar konden dat niet vinden en werden uitgesloten van het priesterlijke ambt; ESRA 2:63 de landvoogd verbood hun van de heilige spijzen te eten zolang er geen priester was die de oerim en toemmim kon raadplegen. ESRA 2:64 De hele gemeenschap telde tweeënveertigduizend driehonderdzestig man. ESRA 2:65 Daarbij kwamen nog zevenduizend driehonderdzevenendertig slaven en slavinnen en tweehonderd zangers en zangeressen. ESRA 2:66 Ze hadden zevenhonderdzesendertig paarden, tweehonderdvijfenveertig muilezels, ESRA 2:67 vierhonderdvijfendertig kamelen en zesduizend zevenhonderdtwintig ezels. ESRA 2:68 Toen zij bij de tempel van Jahwe in Jeruzalem aankwamen, deden de familiehoofden schenkingen voor de herbouw van de tempel op zijn vroegere plaats. ESRA 2:69 Allen gaven naar vermogen en zo brachten ze voor het bouwfonds eenenzestigduizend gouden drachmen, vijfduizend zilveren minen en honderd priestergewaden bijeen. ESRA 2:70 De priesters, de levieten, een gedeelte van het volk, de zangers, de poortwachters en de tempelknechten vestigden zich in Jeruzalem. De rest van Israël vestigde zich in de steden. ESRA 3:1 Toen de zevende maand was aangebroken, stroomden alle Israëlieten die zich in de steden gevestigd hadden naar Jeruzalem. ESRA 3:2 Jesua, de zoon van Josadak, en zijn medepriesters, alsook Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, met zijn broers, richtten het altaar van Israëls God weer op om daarop, naar de voorschriften van de wet van Mozes, de man Gods, brandoffers op te dragen. ESRA 3:3 Ondanks hun vrees voor de omwonende volken herbouwden zij het altaar op zijn vroegere grondslagen en droegen 's morgens en 's avonds brandoffers aan Jahwe op. ESRA 3:4 En zij vierden het loofhuttenfeest zoals het voorgeschreven was, met het aantal brandoffers dat voor elke dag was voorgeschreven. ESRA 3:5 Van toen af droeg men weer het dagelijks brandoffer op, alsook het offer bij gelegenheid van de nieuwe maan en van alle heilige hoogtijdagen ter ere van Jahwe, en het offer dat iemand vrijwillig aan Jahwe wilde brengen. ESRA 3:6 Vanaf de eerste dag van de zevende maand was men begonnen brandoffers aan Jahwe op te dragen, maar met de herbouw van de tempel was nog geen begin gemaakt. ESRA 3:7 Daarom gaven ze geld aan de steenhouwers en de steenbewerkers, alsook voedsel en drank en olie aan de Sidoniërs en Tyriërs om ceders van de Libanon over zee te vervoeren naar Jafo, overeenkomstig de toestemming die ze van Kores, de koning van Perzië, verkregen hadden. ESRA 3:8 In de tweede maand van het tweede jaar na hun terugkeer naar de tempel in Jeruzalem maakten Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jesua, de zoon van Josadak, met de andere priesters, hun broeders, met de levieten en allen die uit de gevangenschap teruggekeerd waren naar Jeruzalem, een begin met de herbouw van de tempel en stelden zij levieten van twintig jaar en ouder aan om toezicht te houden op de werkzaamheden. ESRA 3:9 Als opzichters over de arbeiders aan de tempel werden aangesteld Jesua met diens zonen en broers, Kadmiël en zijn zonen en de zonen van Jehuda, evenals de zonen van Chenadad, met hun zonen en broers, allen levieten. ESRA 3:10 Terwijl de bouwlieden de fundering legden voor de tempel van Jahwe, stelden de priesters, uitgerust met trompetten, en de levieten, de zonen van Asaf, uitgerust met cimbalen, zich op om Jahwe te loven volgens de aanwijzingen van David, de koning van Israël. ESRA 3:11 In beurtzang loofden zij Jahwe met het danklied: 'Want Hij is goed, want in eeuwigheid duurt zijn barmhartigheid voor Israël', en al het volk begon luid te juichen en Jahwe te prijzen, omdat er een begin gemaakt werd met de herbouw van de tempel van Jahwe. ESRA 3:12 Wel begonnen veel oudere priesters, levieten en familiehoofden, die de oude tempel nog gekend hadden, luidkeels te weeklagen, toen de nieuwe tempel voor hun ogen herbouwd werd, maar de menigte juichte vol vreugde en jubelde luid. ESRA 3:13 Het gejammer en het geweeklaag werden overstemd door het uitbundige gejuich van de menigte, want deze jubelde zo luidruchtig, dat het tot ver in de omtrek te horen was. ESRA 4:1 Toen de vijanden van Juda en Benjamin vernamen dat de teruggekeerde ballingen een tempel bouwden voor Jahwe, de God van Israël, ESRA 4:2 gingen zij naar Zerubbabel en de familiehoofden toe en zeiden hun: 'Wij willen met u aan de bouw deelnemen, want wij vereren uw God evenals uzelf en wij hebben Hem offers gebracht sinds de tijd dat Esarhaddon, de koning van Assur, ons hier heeft gebracht.' ESRA 4:3 Maar Zerubbabel, Jesua en de overige familiehoofden van Israël gaven hun ten antwoord: 'Een tempel bouwen voor onze God is geen zaak voor u en ons samen. Voor Jahwe, de God van Israël, moeten wij alleen bouwen, want zo heeft koning Kores, de koning van Perzië, ons bevolen.' ESRA 4:4 Toen trachtten de bewoners van het land het volk van Juda de moed te ontnemen en ze af te schrikken van de bouw. ESRA 4:5 Zij kochten een aantal invloedrijke personen om, die erin slaagden de uitvoering van het plan te verhinderen, zolang Kores, de koning van Perzië, regeerde en zelfs tijdens de regering van Darius, de koning van Perzië. ESRA 4:6 Onder de regering van Ahasveros, en wel in het begin van diens bewind, dienden zij een aanklacht in tegen de bewoners van Juda en Jeruzalem. ESRA 4:7 Ook ten tijde van Artachsasta schreven Bislan, Mitredat en Tabeel met hun overige ambtgenoten een brief aan Artachsasta, de koning van Perzië. Het schrijven was gesteld in het Aramees, maar er was een vertaling bij. Wat nu volgt staat in het Aramees. ESRA 4:8 Rechum, de landvoogd, en Simsai, de schrijver, schreven eveneens over Jeruzalem een brief aan Artachsasta van de volgende inhoud. ESRA 4:9 Rechum, de landvoogd, en Simsai, de schrijver, met hun ambtgenoten uit Din, Afarsat, Tripolis, Afarsa, Erek, Babel, Susan in Elam ESRA 4:10 en uit de overige volken die de grote en edele Asnappar heeft weggevoerd en in Samaria en de andere steden aan de overzijde van de Rivier heeft doen wonen. ESRA 4:11 Dit is een afschrift van de brief die zij gestuurd hebben: 'Aan koning Artachsasta: Uw dienaren, de mannen die aan de overzijde van de Rivier wonen, enzovoort. ESRA 4:12 De koning moge weten dat de joden die uit uw land naar hier gekomen zijn en naar Jeruzalem getrokken, de opstandige, trouweloze stad weer opbouwen; zij trekken de muren weer op en herstellen de fundamenten. ESRA 4:13 De koning moge weten dat, zodra deze stad weer opgebouwd zal zijn, en de muren weer opgetrokken, men geen belasting, schatting of tol meer zal betalen, hetgeen nadelig is voor de koninklijke inkomsten. ESRA 4:14 Omdat wij het zout eten van het koninklijk paleis en omdat het niet juist zou zijn lijdelijk aan te zien, dat de koning benadeeld wordt, brengen wij dit aan de koning ter kennis. ESRA 4:15 Als u de annalen van uw voorgangers laat raadplegen, kunt u er zich van vergewissen dat dit een opstandige stad is, die schade berokkent aan de koning en zijn provincies en dat men er van oudsher opstand heeft gepleegd. Dit is dan ook de reden waarom de stad verwoest werd. ESRA 4:16 Wij willen de koning erop wijzen, dat wanneer deze stad herbouwd wordt en haar muren weer worden opgetrokken, het gedaan zal zijn met uw bezittingen aan de overzijde van de Rivier.' ESRA 4:17 De koning stuurde het volgende antwoord: 'Aan Rechum, de landvoogd, Simsai, de schrijver, en al hun ambtgenoten die in Samaria en het overige gebied aan de andere zijde van de Rivier wonen: heil enzovoort. ESRA 4:18 Het schrijven dat u aan mij gericht hebt, heeft men mij in vertaling voorgelezen. ESRA 4:19 Op mijn bevel heeft men een onderzoek ingesteld en men heeft bevonden, dat die stad van oudsher opstandig geweest is tegen haar koningen en dat het een haard van verzet en oproer is. ESRA 4:20 Er hebben zelfs machtige koningen gewoond in Jeruzalem, die heel het gebied aan de overzijde van de Rivier beheerst hebben en die belasting, schattingen en tol geheven hebben. ESRA 4:21 Geef daarom die mensen bevel het werk te staken, zodat de stad niet herbouwd wordt zolang ik het niet anders beschik. ESRA 4:22 Wijd alle aandacht aan deze aangelegenheid, opdat de koning daardoor niet nog meer nadeel ondervindt.' ESRA 4:23 Zodra de brief van koning Artachsasta in vertaling voorgelezen was aan Rechum en Simsai, de schrijver, en al hun ambtgenoten, trokken zij haastig naar de joden in Jeruzalem en dwongen hen met kracht en geweld het werk te staken. ESRA 4:24 Zo werd de bouw van de tempel in Jeruzalem stilgelegd en bleef het werk rusten tot aan het tweede regeringsjaar van Darius, de koning van Perzië. ESRA 5:1 In dat jaar traden Haggai en Zacharia als profeten op onder de joden van Juda en Jeruzalem in de naam van Israëls God. ESRA 5:2 Daarom hervatten Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jesua, de zoon van Josadek, het werk aan de bouw van de tempel in Jeruzalem en Gods profeten stonden hen bij en moedigden hen aan. ESRA 5:3 Enige tijd later kwamen Tattenai, de stadhouder van het gebied aan de overzijde van de Rivier, en Setar bozenai met hun ambtgenoten naar hen toe en vroegen hun: 'Wie heeft er toestemming verleend deze tempel te herbouwen en zijn muren weer op te trekken?' ESRA 5:4 Zij vroegen hun bovendien naar de namen van de mannen die met de bouw begonnen waren. ESRA 5:5 Maar de blik van God rustte op de oudsten der joden: zij hoefden het werk niet te staken voordat er een beslissing zou zijn afgekomen van Darius als antwoord op een rapport dat zij hem hierover zouden toezenden. ESRA 5:6 Hier volgt een afschrift van de brief die Tattenai, de stadhouder aan de overzijde van de Rivier, en Setar bozenai met hun ambtgenoten uit Afarsat, aangesteld in het gebied aan de overzijde van de Rivier, aan koning Darius gestuurd hebben. ESRA 5:7 Het schrijven dat ze hem zonden luidde als volgt: 'Aan koning Darius alle heil! ESRA 5:8 De koning moge weten dat wij naar de provincie Juda en naar de tempel van de grote God gegaan zijn. Men is bezig deze met steenblokken te herbouwen en de muren met hout te bekleden. Het werk wordt met ijver uitgevoerd en vordert gestaag. ESRA 5:9 Wij hebben de oudsten aangesproken en hun gevraagd: Wie heeft u toestemming verleend deze tempel weer op te bouwen en zijn muren weer op te trekken? ESRA 5:10 Wij vroegen hun ook naar de namen van de mannen die er de leiding hebben, om u daarvan schriftelijk op de hoogte te stellen. ESRA 5:11 Zij hebben ons het volgende antwoord gegeven: Wij zijn dienaren van de God van hemel en aarde en wij bouwen de tempel die vele jaren geleden door een groot koning van Israël gebouwd en voltooid werd. ESRA 5:12 Maar omdat onze voorvaderen de God des hemels vertoornd hadden, heeft hij hen uitgeleverd aan de Chaldeeër Nebukadnessar, de koning van Babel. Die heeft deze tempel verwoest en de bevolking in ballingschap weggevoerd naar Babel. ESRA 5:13 Maar in het eerste regeringsjaar van Kores, de koning van Babel, vaardigde deze een decreet uit dat deze tempel herbouwd moest worden. ESRA 5:14 De gouden en zilveren vaten van de tempel, die Nebukadnessar uit de tempel van Jeruzalem had weggenomen en naar de tempel van Babel had laten overbrengen, heeft koning Kores weer uit de tempel van Babel laten halen en ter hand gesteld aan een zekere Sesbassar, die hij benoemd had tot stadhouder. ESRA 5:15 Hij zei hem: Breng deze vaten terug naar de tempel van Jeruzalem en laat de tempel op zijn vroegere plaats herbouwen. ESRA 5:16 Toen deze Sesbassar in Jeruzalem was aangekomen, heeft hij de fundamenten gelegd van deze tempel; sindsdien heeft men aan de tempel gebouwd, maar het werk is nog niet klaar. ESRA 5:17 Als het derhalve de koning behaagt, moge men in het koninklijk archief in Babel een onderzoek instellen om te zien of er door koning Kores inderdaad toestemming is verleend de tempel van Jeruzalem te herbouwen. Laat de koning ons vervolgens op de hoogte stellen van zijn besluit.' ESRA 6:1 Daarop beval koning Darius in Babel een onderzoek in te stellen in het archief waar de officiële stukken bewaard werden. ESRA 6:2 In Ekbatana, de hoofdstad van de provincie Medië, werd een rol gevonden waarop het volgende geschreven stond: ESRA 6:3 'In het eerste regeringsjaar van koning Kores vaardigde deze een decreet uit betreffende de tempel van Jeruzalem: De tempel, de plaats waar slacht en brandoffers worden opgedragen, moet herbouwd worden, zestig el hoog en zestig el breed, ESRA 6:4 met telkens drie lagen gehouwen steen en een laag hout. De kosten zullen betaald worden uit de koninklijke schatkist. ESRA 6:5 De gouden en zilveren vaten van de tempel, die Nebukadnessar uit de tempel van Jeruzalem weggenomen heeft en overgebracht naar de tempel van Babel, moeten teruggegeven worden aan de tempel van Jeruzalem en op hun vroegere plaats in de tempel worden teruggezet. ESRA 6:6 Derhalve mag u, Tattenai, stadhouder van het gebied aan de overzijde van de Rivier, Setar bozenai en uw ambtgenoten uit Afarsat, aangesteld aan de overzijde van de Rivier, hun niets in de weg leggen. ESRA 6:7 Laat het werk aan de tempel doorgaan, zodat de stadhouder van Juda en de oudsten van de joden de tempel op zijn vroegere plaats kunnen herbouwen. ESRA 6:8 Bovendien bepaal ik hierbij dat u met de oudsten van de joden moet samenwerken om deze tempel te herbouwen. De uitgaven moeten aan deze mannen volledig en op tijd worden vergoed uit de koninklijke inkomsten en belastingen uit het gebied aan de overzijde van de Rivier. ESRA 6:9 En al wat zij nodig hebben, stieren, rammen of lammeren voor de brandoffers ter ere van de God des hemels, koren, zout, wijn of olie, al wat de priesters van Jeruzalem vragen, moet hun dagelijks zonder mankeren verstrekt worden, ESRA 6:10 zodat zij welriekende offers kunnen opdragen aan de God des hemels, en bidden voor het leven van de koning en zijn zonen. ESRA 6:11 Mocht iemand iets willen veranderen aan deze beschikking, dan bepaal ik dat een balk uit zijn woning moet worden losgebroken, dat hij daaraan zelf moet worden opgehangen en vastgeslagen en dat zijn huis veranderd moet worden in een mesthoop. ESRA 6:12 De God, die daar zijn naam gevestigd heeft, moge alle koningen en volken vernietigen die het wagen zouden hieraan iets te veranderen, of schade toe te brengen aan de tempel van Jeruzalem. Ik, Darius, heb dit decreet uitgevaardigd. Het moet zorgvuldig ten uitvoer gebracht worden.' ESRA 6:13 Overeenkomstig de opdracht die koning Darius gegeven had deden Tattenai, de stadhouder, Setar bozenai en hun ambtgenoten zorgvuldig alles wat koning Darius bevolen had. ESRA 6:14 De oudsten van de joden zetten de bouw voort en deze verliep voorspoedig, dank zij het optreden van de profeten Haggai en Zacharia, de zoon van Iddo. Zij voltooiden het werk dat hun opgelegd was door de God van Israël en door Kores en Darius en Artachsasta, de koning van Perzië. ESRA 6:15 De tempel kwam klaar op de derde dag van de maand Adar, in het zesde regeringsjaar van koning Darius. ESRA 6:16 Daarop vierden de Israëlieten, priesters en levieten en alle teruggekeerde ballingen, met vreugde de inwijding van de tempel. ESRA 6:17 Bij de inwijding van de tempel offerden zij honderd stieren, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en, overeenkomstig het aantal stammen van Israël, twaalf bokken als zondeoffer voor heel Israël. ESRA 6:18 Met het oog op de dienst van God in Jeruzalem deelden zij de priesters in klassen in en de levieten in afdelingen, zoals het boek van Mozes dat bepaalt. ESRA 6:19 Op de veertiende dag van de eerste maand vierden de teruggekeerde ballingen het paasfeest. ESRA 6:20 De priesters en de levieten hadden zich allen geheiligd, zodat zij allen rein waren. Zij slachtten het paaslam voor alle teruggekeerde ballingen, voor hun medepriesters en voor zichzelf. ESRA 6:21 Het werd gegeten door de Israëlieten die uit de ballingschap teruggekeerd waren en door allen die zich bij hen hadden aangesloten om Jahwe, de God van Israël, te dienen en de ongerechtigheden van de heidenen in het land hadden afgezworen. ESRA 6:22 Vol blijdschap vierden zij zeven dagen lang het feest van de ongezuurde broden, want door Jahwe's goedheid mochten zij zich verheugen in de gunst van de koning van Assur, die hun bij de bouw van de tempel van Israëls God zijn steun had verleend. ESRA 7:1 Geruime tijd later, onder de regering van Artachsasta, de koning van Perzië, vertrok Ezra uit Babel. Hij was de zoon van Seraja, de zoon van Azarja, de zoon van Chilkia, ESRA 7:2 de zoon van Sallum, de zoon van Sadok, de zoon van Achitub, ESRA 7:3 de zoon van Amarja, de zoon van Azarja, de zoon van Merajot, ESRA 7:4 de zoon van Zecharja, de zoon van Uzzi, de zoon van Bukki, ESRA 7:5 de zoon van Abisua, de zoon van Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van de hogepriester Aaron. ESRA 7:6 Hij was een schriftgeleerde, zeer bedreven in de wet van Mozes, de wet die Jahwe aan Israël geschonken heeft. En de koning was Ezra in alles ter wille, want Jahwe, zijn God, was met hem. ESRA 7:7 Met hem vertrokken in het zevende regeringsjaar van koning Artachsasta een aantal Israëlieten, waaronder priesters, levieten, zangers, poortwachters en tempeldienaren, naar Jeruzalem. ESRA 7:8 In de vijfde maand van het zevende regeringsjaar van de koning kwam hij in Jeruzalem aan. ESRA 7:9 Op de eerste dag van de eerste maand had hij in Babel de reis aanvaard en op de eerste dag van de vijfde maand kwam hij in Jeruzalem aan. Gods zorgzame hand rustte op hem, ESRA 7:10 want Ezra had zich toegelegd op de studie van de wet van Jahwe en op de naleving ervan, om haar voorschriften en bepalingen in Israël te onderwijzen. ESRA 7:11 Hier volgt een afschrift van de brief die Artachsasta meegaf aan Ezra, de priester en schriftgeleerde, bedreven in de wetten en geboden van Jahwe voor Israël. ESRA 7:12 'Artachsasta, de koning der koningen, aan Ezra, priester en groot kenner van de wet van de God des hemels, enzovoort. ESRA 7:13 Hierbij bepaal ik dat allen in mijn koninkrijk die behoren tot het volk van Israël, alsook de priesters en levieten, en die vrijwillig naar Jeruzalem willen trekken, met u mee kunnen gaan. ESRA 7:14 Gezien uw deskundigheid vaardigen de koning en zijn zeven raadslieden u af, om in Juda en Jeruzalem een onderzoek in te stellen naar de naleving van de wet van uw God. ESRA 7:15 Bovendien moet u het zilver en het goud meenemen dat de koning en zijn raadslieden willen offeren aan de God van Israël, die zijn woning heeft in Jeruzalem, ESRA 7:16 alsook al het zilver en het goud dat u in de provincie Babel bijeen zult brengen en de gaven die het volk en de priesters spontaan aanbieden voor de tempel van hun God in Jeruzalem. ESRA 7:17 Met dat geld moet u met zorg gekozen stieren, rammen en lammeren kopen, alsmede de vereiste spijs en drankoffers, en deze opdragen op het altaar in de tempel van uw God in Jeruzalem. ESRA 7:18 Met de rest van het zilver en het goud kunt u, overeenkomstig de wil van uw God, doen wat u en uw broeders goeddunkt. ESRA 7:19 Het vaatwerk dat u voor de eredienst in de tempel van uw God gegeven wordt, plaats dat in zijn tempel in Jeruzalem. ESRA 7:20 En wat nog meer nodig is voor de tempel van uw God, kunt u, als zich de gelegenheid daartoe voordoet, aanschaffen op kosten van de koninklijke schatkist. ESRA 7:21 Verder vaardig ik, koning Artachsasta, voor alle schatmeesters aan de overzijde van de Rivier dit decreet uit: Alles wat Ezra, de priester en schriftgeleerde, bedreven in de wet van de God des hemels, u vraagt, moet zonder mankeren verstrekt worden, ESRA 7:22 tot een bedrag van honderd talenten zilver, honderd kor tarwe, honderd bat wijn, honderd bat olie, en zout in onbeperkte hoeveelheid. ESRA 7:23 Al wat de God des hemels beveelt moet zonder mankeren gedaan worden voor de tempel van de God des hemels, opdat onder de regering van de koning of diens zonen zijn toorn niet neerkomt op het koninkrijk. ESRA 7:24 Wij laten u ook weten dat het niet geoorloofd is, belasting, schatting of tol te heffen van priesters, levieten, zangers, deurwachters, tempeldienaren en het overige tempelpersoneel. ESRA 7:25 En u, Ezra, moet naar de wijsheid die God u gegeven heeft, magistraten en rechters aanstellen om recht te spreken over alle bewoners van de provincie aan de overzijde van de Rivier, over allen die de wetten van uw God kennen en allen die ze niet kennen moet u daarin onderrichten. ESRA 7:26 Mocht iemand de wet van uw God en de wet van de koning niet gehoorzamen, dan moet hij gestreng geoordeeld worden, en gestraft, hetzij met de dood, hetzij met verbanning, met verbeurdverklaring van zijn bezit of met gevangenschap.' ESRA 7:27 Gezegend zij Jahwe, de God van onze voorvaderen die de koning ingegeven heeft de tempel van Jahwe in Jeruzalem met luister te omgeven, ESRA 7:28 en die mij genade heeft doen vinden bij de koning en zijn raadslieden en bij alle invloedrijke ambtenaren van de koning. Ik vatte moed, omdat Jahwe, mijn God, met mij was, en ik verzamelde leiders uit het volk van Israël om met mij mee te trekken. ESRA 8:1 Dit zijn de familiehoofden met hun stamverwanten, die tijdens de regering van koning Artachsasta met mij uit Babel weggetrokken zijn. ESRA 8:2 Van de afstammelingen van Pinechas: Gersom; van de afstammelingen van Itamar: Daniël; van de afstammelingen van David: Hattus; ESRA 8:3 van de afstammelingen van Sekanja; van de afstammelingen van Paros: Zekarja, en met hem honderdvijftig ingeschreven mannen; ESRA 8:4 van de afstammelingen van Pachat moab: Eljehoenai, de zoon van Zerachja, en met hem tweehonderd mannen; ESRA 8:5 van de afstammelingen van Sekanja: de zoon van Jachaziël, en met hem driehonderd mannen; ESRA 8:6 van de afstammelingen van Adin: Ebed, de zoon van Jonatan, en met hem vijftig mannen; ESRA 8:7 van de afstammelingen van Elam; Jesaja, de zoon van Atalja, en met hem zeventig mannen; ESRA 8:8 van de afstammelingen van Sefatja: Zebadja, de zoon van Michaël, en met hem tachtig mannen; ESRA 8:9 van de afstammelingen van Joab: Obadja, de zoon van Jechiël, en met hem tweehonderdachttien mannen; ESRA 8:10 van de afstammelingen van Selomit: de zoon van Josifja, en met hem honderdzestig mannen; ESRA 8:11 van de afstammelingen van Bebai: Zekarja, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen; ESRA 8:12 van de afstammelingen van Azgad: Jochanan, de zoon van Hakkatan, en met hem honderdtien mannen; ESRA 8:13 van de afstammelingen van Adonikam de jongste afstammelingen, en dit zijn hun namen: Elifalet, Jeiel en Semaja, en met hen zestig mannen; ESRA 8:14 van de afstammelingen van Bigwai: Utai en Zabbud en met hen zeventig mannen. ESRA 8:15 Ik liet ze bijeenkomen bij de rivier die naar Ahawa loopt, en daar kampeerden wij enkele dagen. Het viel mij op dat er onder het volk wel priesters maar geen levieten waren. ESRA 8:16 Toen ontbood ik de hoofden Eliezer, Ariël, Semaja, Elnatan, Jarib, Elnatan, Natan, Zekarja, Mesullam, Jojarib en Elnatan, verstandige mannen, ESRA 8:17 en stuurde ze naar Iddo, het hoofd van Kasifja, de heilige plaats, en droeg hun op, aan Iddo en zijn broeders, de tempelknechten, in Kasifja, de heilige plaats, te verzoeken dienaren te zenden voor de tempel van onze God. ESRA 8:18 Omdat God ons welgezind was, brachten ze ons een verstandig man, een afstammeling van Machli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, en Serebja, met hun zonen en broeders, achttien in getal; ESRA 8:19 evenals Chasabja en Jesaja, afstammelingen van Merari, met hun broeders en zonen, twintig man; ESRA 8:20 bovendien van de tempelknechten, die David en zijn magistraten ter beschikking hadden gesteld van de levieten, tweehonderdtwintig man, allen met name aangewezen. ESRA 8:21 Toen kondigde ik daar een vasten af bij de rivier de Ahawa om ons te vernederen voor onze God en om een voorspoedige tocht af te smeken voor ons, onze kinderen en heel ons bezit. ESRA 8:22 Ik schaamde mij namelijk de koning om een escorte paarden en ruiters te vragen om ons onderweg tegen vijanden te beschermen, want wij hadden de koning gezegd: 'Onze God is welgezind jegens allen die Hem zoeken, maar zijn geweldige toorn treft alwie Hem de rug toekeren.' ESRA 8:23 Derhalve vastten wij en smeekten wij tot onze God, en Hij verhoorde ons. ESRA 8:24 Daarna koos ik twaalf van de voornaamste priesters uit, Serebja en Chasabja en tien van hun collega's. ESRA 8:25 In hun tegenwoordigheid woog ik het zilver, het goud en het vaatwerk af dat de koning, zijn raadslieden en zijn magistraten en de aanwezige Israëlieten hadden aangeboden als een wijgeschenk voor de tempel van onze God. ESRA 8:26 Ik droeg hun zeshonderdvijftig talenten zilver over, honderd talenten aan zilveren vaatwerk, honderd talenten goud, ESRA 8:27 twintig gouden kommen ter waarde van duizend darieken, en twee vaten van prachtig glanzend koper, zo kostbaar als goud. ESRA 8:28 En ik sprak tot hen: 'Gij zijt aan Jahwe toegewijd, maar het vaatwerk ook, en het zilver en het goud zijn een wijgeschenk voor Jahwe, de God van uw vaderen. ESRA 8:29 Bewaar dat alles dus zorgvuldig, om het in Jeruzalem, in de ruimten van de tempel van Jahwe, over te dragen aan de leiders van de priesters en levieten en aan de voornaamste familiehoofden van Israël.' ESRA 8:30 En de priesters en de levieten namen al het zilver en goud en het vaatwerk in ontvangst om het over te brengen naar de tempel van onze God in Jeruzalem. ESRA 8:31 Op de twaalfde dag van de eerste maand braken wij bij de rivier de Ahawa op, om naar Jeruzalem te gaan, en daar God met ons was behoedde Hij ons onderweg voor vijanden en rovers, ESRA 8:32 en zo kwamen wij in Jeruzalem aan. Wij rustten daar drie dagen uit ESRA 8:33 en op de vierde dag droegen wij in de tempel van onze God al het zilver en het goud en al het vaatwerk over aan Meremot, de zoon van Uria, de priester, in aanwezigheid van Elazar, de zoon van Pinechas, en van de levieten Jozabad, de zoon van Jesua en Noadja, de zoon van Binnui. ESRA 8:34 Alles werd geteld en gewogen en het gewicht ingeschreven. Bij die gelegenheid ESRA 8:35 droegen de ballingen, uit de gevangenschap teruggekeerd, brandoffers op aan de God van Israël: twaalf stieren voor heel Israël, zesennegentig rammen, zevenenzeventig lammeren en als zondeoffer twaalf bokken. Het was een groot brandoffer ter ere van Jahwe. ESRA 8:36 Zij overhandigden het koninklijk decreet aan de satrapen van de koning, de landvoogden aan de overzijde van de Rivier, waarop dezen het volk en de tempel hun steun verleenden. ESRA 9:1 Toen dat alles achter de rug was kwamen de leiders naar mij toe en zeiden: 'Het volk van Israël, de priesters en de levieten, hebben de omgang met de omwonende volken niet gemeden, maar zich schuldig gemaakt aan de gruweldaden der Kanaänieten, Hethieten, Perizzieten, Jebusieten, Ammonieten, Moabieten, Egyptenaren en Amorieten. ESRA 9:2 Uit deze volken hebben zij voor zichzelf en hun zonen vrouwen genomen, zodat het heilige zaad zich vermengd heeft met de omwonende volken. En leiders en oversten hebben zich hieraan nog het meest schuldig gemaakt.' ESRA 9:3 Toen ik dat hoorde scheurde ik mijn kleed en mijn mantel, trok mij de haren uit het hoofd en baard en zat verbijsterd neer. ESRA 9:4 En allen die deze misdaad van de vroeger teruggekeerde ballingen deed sidderen voor het woord van de God van Israël, verzamelden zich om mij heen; tot het uur van het avondoffer bleef ik sprakeloos zitten. ESRA 9:5 Toen het uur van het avondoffer gekomen was, ontwaakte ik uit mijn toestand van verbijstering, viel op mijn knieën met kleed en mantel gescheurd, strekte mijn handen uit naar Jahwe, mijn God, ESRA 9:6 en bad: 'Mijn God, ik voel mij zo diep beschaamd dat ik mijn gezicht niet tot U durf op te heffen, want onze zonden zijn boven ons hoofd uitgestegen en onze schuld reikt tot aan de hemel. ESRA 9:7 Sinds de dagen van onze voorvaderen tot op heden gaan wij gebukt onder een grote schuld. Omwille van onze zonden werden wij, onze koningen en onze priesters, uitgeleverd aan de koningen der aarde, aan zwaard, gevangenschap, plundering en schande tot vandaag toe. ESRA 9:8 En nu heeft Jahwe, onze God, ons een ogenblik zijn barmhartigheid getoond; Hij heeft een rest van ons overgelaten, ons een houvast gegeven in zijn heilige plaats, onze ogen weer het licht doen zien en ons een moment rust gegund in onze slavernij. ESRA 9:9 Want slaven zijn wij, maar in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten, maar Hij heeft ons genade doen vinden bij de koningen van Perzie. Die hebben ons verlof gegeven de tempel van onze God weer op te bouwen en hem uit de puinhopen te doen herrijzen en onze woonplaatsen in Juda en Jeruzalem te ommuren. ESRA 9:10 En nu, onze God, wat kunnen wij zeggen, nu wij uw geboden overtreden hebben, ESRA 9:11 die Gij door uw dienaars, de profeten, gegeven hebt met de woorden: Het land waar gij heen trekt om het in bezit te nemen is bezoedeld door de gruweldaden van de volken die er wonen en die het van het ene einde tot het andere met ongerechtigheden vervuld hebben; ESRA 9:12 derhalve moogt gij uw dochters niet aan hun zonen geven, en hun dochters niet aan uw zonen, en ge moogt nooit vriendschap of vrede met hen zoeken; dan zult gij sterk zijn, de vruchten van het land eten en het voor eeuwig aan uw nakomelingen vermaken. ESRA 9:13 En nu ons omwille van onze boze daden en onze grote schuld zoveel overkomen is, en Gij, onze God, ons toch gespaard hebt, meer dan onze zonden verdienen, en een rest van ons hebt overgelaten, ESRA 9:14 overtreden wij nu opnieuw uw geboden en gaan wij verbintenissen aan met deze zondige volken? Moet Gij niet zo vertoornd op ons zijn dat Gij ons totaal vernietigt, en er geen rest of overschot overblijft? ESRA 9:15 Jahwe, God van Israël, rechtvaardig zijt Gij! Wij zijn de rest die vandaag nog overgebleven is. Zie ons hier voor U, beladen met onze schuld. Hoe durven wij zo nog voor U te verschijnen? ESRA 10:1 Terwijl Ezra bad en aller schuld beleed en zich wenend neerwierp voor de tempel, verzamelde zich een zeer grote menigte Israëlieten rondom hem, mannen, vrouwen en kinderen, en al het volk weende luidkeels. ESRA 10:2 En Sekanja, de zoon van Jechiël, een van de zonen van Elam, nam het woord en sprak tot Ezra: 'Wij hebben inderdaad misdaan tegen onze God en uitheemse vrouwen genomen uit de volken van het land, maar ook nu is er nog hoop voor Israël. ESRA 10:3 Als het mijn heer en allen die sidderen voor het gebod van onze God goeddunkt, willen wij ons tegenover onze God verplichten de vrouwen met hun kinderen weg te sturen, opdat de wet wordt nageleefd. ESRA 10:4 Sta op; u komt de beslissing toe, maar wij staan aan uw zijde; wees sterk en tast door.' ESRA 10:5 Nu stond Ezra op en vroeg de leiders van de priesters, van de levieten en van heel Israël, te zweren dat zij zo zouden handelen; en dat deden zij. ESRA 10:6 Ezra ging van waar hij zich bevond voor de tempel naar de kamer van Jochanan, de zoon van Eljasib. Daar bracht hij de nacht door. Hij at geen brood en dronk geen water, omdat hij treurde over de ontrouw van de ballingen. ESRA 10:7 Nu liet men door Juda en Jeruzalem omroepen dat alle teruggekeerde ballingen in Jeruzalem samen moesten komen. ESRA 10:8 Als iemand binnen drie dagen niet zou zijn gekomen, zou hij volgens het besluit van de leiders en de oudsten heel zijn bezit verbeuren en uitgesloten worden van de gemeenschap der ballingen. ESRA 10:9 Daarop kwamen alle mannen van Juda en Benjamin binnen drie dagen bijeen in Jeruzalem. Het was de twintigste dag van de negende maand, en heel de menigte zat op het open plein voor de tempel, bevend bij de gedachte aan wat er te gebeuren stond en niet minder vanwege de harde regen. ESRA 10:10 En Ezra, de priester, richtte tot hen het woord en sprak: 'Gij hebt misdaan door uitheemse vrouwen te huwen en daardoor nog meer schuld geladen op Israël. ESRA 10:11 Welnu, geef eer aan Jahwe, de God van uw voorvaderen; doe zijn wil en staak de omgang met de volken van het land en met de uitheemse vrouwen.' ESRA 10:12 En heel de gemeenschap gaf hem luid ten antwoord: 'Ja! Het is onze plicht te doen wat u gezegd hebt. ESRA 10:13 Maar er is veel volk en bovendien is het het regenseizoen, en wij kunnen het hier in de open lucht niet uithouden. De zaak kan in een, twee dagen niet afgehandeld worden, want wij hebben met zovelen hiertegen misdaan. ESRA 10:14 Laat onze leiders de hele gemeenschap vertegenwoordigen en laat op vooraf bepaalde tijden allen die in de verschillende steden een uitheemse vrouw hebben gehuwd, met de oudsten en de rechters van hun stad hierheen komen. Dan zal de verschrikkelijke toorn van onze God zich van ons afwenden.' ESRA 10:15 Alleen Jonatan, de zoon van Asaël, en Jachzeja, de zoon van Tikwa, verzetten zich hiertegen en Mesullam en Sabtai, de leviet, vielen hun bij. ESRA 10:16 De teruggekeerde ballingen deden evenwel zoals besloten was en zij staakten de omgang. Ezra, de priester, wees onder de familiehoofden, de leiders der families, een aantal mannen met name aan, die op de eerste dag van de tiende maand bij elkaar zouden komen om de zaak te onderzoeken. ESRA 10:17 En op de eerste dag van de eerste maand waren alle huwelijken van Israëlieten met uitheemse vrouwen behandeld. ESRA 10:18 Onder de priesters hadden de volgende uitheemse vrouwen gehuwd: van de afstammelingen van Jesua: de zoon van Josadak en diens broers Maaseja, Eleazar, Jarib en Gedalja; ESRA 10:19 zij gaven er hun hand op dat zij hun vrouwen zouden wegsturen en zij verplichtten zich een ram uit hun kudde als zoenoffer op te dragen; ESRA 10:20 van de zonen van Immer waren het Chanani en Zebadja; ESRA 10:21 van de zonen van Charim: Maaseja, Elia, Semaja, Jechiël en Uzzia; ESRA 10:22 van de zonen van Paschur: Eljoenai, Maaseja, Jismaël, Netanel, Jozabad en Elasa. ESRA 10:23 Onder de levieten: Jozabad, Simi, Kelaja, ook wel Kelita genoemd, Petachja, Jehuda en Eliezer. ESRA 10:24 Onder de zangers was het Eljasib en onder de deurwachters Sallum, Telem en Uri. ESRA 10:25 Uit Israël waren het: van de zonen van Paros: Ramja, Jizzia, Malkia, Miamin, Elazar, Malkia en Benaja; ESRA 10:26 van de zonen van Elam: Mattanja, Zekarja, Jechiël, Abdi, Jeremot en Elia; ESRA 10:27 van de zonen van Zattu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, Jeremot, Zabad en Aziza; ESRA 10:28 van de zonen van Bebai: Jehochanan, Chananja, Zabbai en Atlai; ESRA 10:29 van de zonen van Bani: Mesullam, Malluk, Adaja, Jasub, Seal en Jeremot; ESRA 10:30 van de zonen van Pachat moab: Adna, Kelal, Benaja, Maaseja, Mattanja, Besalel, Binnui en Menasse; ESRA 10:31 van de zonen van Charim: Eliezer, Jissia, Malkia, Semaja, Simon, ESRA 10:32 Benjamin, Malluk en Semarja; ESRA 10:33 van de zonen van Chasum: Mattenai, Mattatta, Zabad, Elifelet, Jeremai, Menasse en Simi; ESRA 10:34 van de zonen van Bani: Maadai, Amram en Uël, ESRA 10:35 Benaja, Bedeja, Keluhu, ESRA 10:36 Wanja, Meremot, Eljasub, ESRA 10:37 Mattanja, Mattenai en Jaasai, ESRA 10:38 Bani en Binnui, Simi, ESRA 10:39 Selemja, Natan en Waadja, ESRA 10:40 Maknadbai, Sasai, Sarai, ESRA 10:41 Azarel, Selemjahu, Semarja, ESRA 10:42 Sallum, Amarja en Jozef; ESRA 10:43 van de zonen van Nebo: Jeiël, Mattitja, Zabad, Zebina, Jaddai, Joel en Benaja. ESRA 10:44 Deze allen hadden uitheemse vrouwen gehuwd, maar zij stuurden ze weg met hun kinderen. NEHEMIA NEH 1:1 Gedenkschriften van Nehemia, de zoon van Chakalja. In de maand Kislew van het twintigste jaar, bevond ik mij in de hoofdstad Susan. NEH 1:2 Toen een van mijn broeders, Chanani, met mannen uit Juda mij kwam opzoeken, polste ik hen over de rest der joden die de ballingschap overleefd had en over Jeruzalem. NEH 1:3 Zij deelden mij mee dat degenen die de ballingschap overleefd hadden, daar in de provincie gebukt gingen onder allerlei rampspoed en schande, dat de muur van Jeruzalem grotendeels in puin lag en dat de poorten door brand verwoest waren. NEH 1:4 Toen ik dit alles hoorde, zette ik mij neer en barstte in tranen uit; ik treurde dagen aan een stuk en ik vastte en ik smeekte tot de God des hemels. NEH 1:5 En ik riep uit: 'Ach Jahwe, God des hemels, grote, ontzagwekkende God, die uw genaderijk verbond gestand doet aan allen die u liefhebben en uw geboden onderhouden, NEH 1:6 neig uw oor, open uw ogen en luister naar het gebed dat ik, uw dienaar, nu dag en nacht tot U richt voor de zonen van Israël, uw dienaren. Ik belijd de zonden die wij, zonen van Israël, ook ikzelf en mijn familie, jegens U bedreven hebben. NEH 1:7 Wij hebben tegen U misdaan, wij hebben uw geboden, uw wetten en voorschriften niet onderhouden, die Gij Mozes, uw dienaar, gegeven hebt. NEH 1:8 Wel hebt Gij Mozes, uw dienaar, gezegd: Wanneer gij tegen Mij in opstand komt zal Ik u onder de volken verspreiden. Maar weet NEH 1:9 dat Gij ook gezegd hebt: Als gij u dan tot Mij bekeert en mijn geboden weer onderhoudt en ze naleeft, dan zal Ik u uit uw ballingschap weer bijeenbrengen, al was het van het uiteinde der aarde, en dan voer Ik u terug naar de plaats die Ik uitverkoren heb om er mijn naam te doen wonen. NEH 1:10 Zij zijn uw dienaren, uw volk dat Gij verlost hebt met grote macht en sterke hand. NEH 1:11 Ach Heer, neig uw oor naar het gebed van uw dienaar en het smeken van uw dienaren, die uw naam van harte eren. Laat het vandaag toch uw dienaar gegeven zijn, genade te vinden bij die man.' Ik was schenker van de koning. NEH 2:1 Het gebeurde in de maand Nisan van het twintigste regeringsjaar van koning Artachsasta. De wijn stond op tafel; ik nam de wijn en reikte hem de koning aan. Nooit had ik mij bedroefd getoond in zijn tegenwoordigheid, NEH 2:2 maar nu zei de koning mij: 'Waarom kijk je zo treurig? Ziek ben je niet, dus moet er iets zijn dat je treurig stemt.' Ik ontstelde hevig NEH 2:3 en zei tot de koning: 'De koning leve in eeuwigheid! Hoe zou ik er niet treurig uitzien, nu de stad, de plaats waar mijn voorvaderen begraven liggen, een woestenij is geworden en haar poorten door het vuur verteerd zijn?' NEH 2:4 Daarop vroeg de koning: 'Wat is je verlangen?' Ik bad tot de God des hemels NEH 2:5 en zei tot de koning: 'Als het de koning behaagt en als uw dienaar genade gevonden heeft in uw ogen, moge u mij naar Juda zenden, naar de stad waar mijn vaderen begraven liggen, om haar weer op te bouwen.' NEH 2:6 De koningin zat naast de koning. De koning vroeg: 'Hoe lang duurt de reis en wanneer kom je terug?' Ik noemde hem een termijn; de koning stemde daarmee in en gaf mij verlof te vertrekken. NEH 2:7 Toen zei ik tot de koning: 'Als het de koning behaagt moge hij mij brieven meegeven voor de stadhouders aan de overzijde van de Rivier, zodat zij mij op mijn reis naar Juda doortocht verlenen. NEH 2:8 En ook een brief voor Asaf, de koninklijke houtvester, dat hij mij boomstammen moet leveren om er balken van te maken voor de poorten van de tempelburcht, voor de stadsmuur en voor een huis voor mijzelf.' Omdat mijn God mij genadig was, voldeed de koning aan mijn verzoek. NEH 2:9 Toen ik bij de stadhouders aan de overzijde van de Rivier kwam, overhandigde ik hun de brieven van de koning. De koning had mij een escorte van legeroversten en ruiters meegegeven. NEH 2:10 Toen Sanballat, de Choroniet, en Tobia, de Ammonitische magistraat, hoorden dat er iemand gekomen was om de belangen van de Israëlieten te behartigen, waren ze daar uiterst misnoegd over. NEH 2:11 Ik kwam in Jeruzalem aan en toen ik er drie dagen was, NEH 2:12 trok ik er 's nachts met nog een paar man op uit. Ik had niemand verteld van de plannen die God mij ingegeven had met betrekking tot Jeruzalem. Wij hadden geen ander rijdier dan dat waarop ik reed. NEH 2:13 In de nacht verliet ik dus de stad door de Dalpoort en trok van de Drakenbron naar de Aspoort en inspecteerde de muur van Jeruzalem; die lag grotendeels in puin en de poorten waren verteerd door het vuur. NEH 2:14 Ik reed verder naar de Bronpoort en naar de vijver van de koning. Daar ik er met mijn rijdier niet langs kon, NEH 2:15 trok ik in de nacht door het dal en inspecteerde vandaar uit de muur. Daarna keerde ik terug en ging door de Dalpoort de stad weer binnen. NEH 2:16 De magistraten wisten niet waar ik geweest was en wat ik gedaan had, want ik had de joden nog niets verteld, noch de priesters, noch de notabelen, noch de magistraten, noch de anderen die het werk zouden moeten uitvoeren. NEH 2:17 Nu zei ik tot hen: 'Gij ziet in wat voor een ellendige toestand wij verkeren: Jeruzalem ligt verwoest en de stadspoorten zijn door vuur verteerd. Kom, laat ons de muur van Jeruzalem weer optrekken, zodat wij die schande niet langer hoeven te dragen.' NEH 2:18 En ik vertelde hun hoe God mij zijn welwillendheid betoond had en wat de koning mij had gezegd. Daarop zeiden ze: 'Laten wij meteen een begin maken met de opbouw.' En vol goede moed gingen zij aan het werk. NEH 2:19 Toen Sanballat, de Choroniet, Tobia, de Ammonitische magistraat, en Gesem, de Arabier, hiervan hoorden, lachten ze ons uit en spottend zeiden ze tot ons: 'Wat doen jullie daar? Willen jullie opstand plegen tegen de koning?' NEH 2:20 Maar ik gaf hun ten antwoord: 'De God des hemels zal ons plan doen slagen. Wij, zijn dienaren, beginnen de herbouw van Jeruzalem, maar u hebt er rechtens geen deel, noch iets dat er uw gedachtenis in stand houdt.' NEH 3:1 Toen maakten Eljasib, de hogepriester, en zijn broeders, de priesters, een begin met de herbouw van de Schaapspoort. Ze brachten er de balklaag in aan, hingen er de deuren in en zetten het herstelwerk voort tot aan de Meatoren en de Chananeltoren. NEH 3:2 Het volgende muurpand werd hersteld door de burgers van Jericho, het daaropvolgende door Zakkur, de zoon van Imri. NEH 3:3 De Vispoort werd herbouwd door de burgers van Senaa; zij brachten er de balklaag in aan en hingen de deuren erin met de sluitbomen en de grendels. NEH 3:4 Verderop bouwde Meremot, de zoon van Uria, de zoon van Hakkos, daarnaast Mesullam, de zoon van Berekja de zoon van Mesezabel; vervolgens Sadok, de zoon van Baana. NEH 3:5 Naast dezen arbeidden de inwoners van Tekoa, maar de notabelen van die stad zetten hun schouders niet onder het werk van hun heer. NEH 3:6 Jojada, de zoon van Pesach en Mesullam, de zoon van Besodja, herstelden de Oude Poort; zij brachten er de balklaag in aan en hingen de deuren erin met de sluitbomen van de grendels. NEH 3:7 Naast hen werkten Melatja, de Gibeoniet, en Jadon, de Meronotiet, de burgers van Gibeon en Mispa, domeinen van de stadhouder aan de overzijde van de Rivier. NEH 3:8 Naast hen werkte Uzziël, de zoon van Charhaja, een goudsmid; vervolgens Chananja, een balsembereider: zij herstelden Jeruzalem tot aan de Brede Muur. NEH 3:9 Daarnaast werkte Refaja, de zoon van Chur, hoofd van het halve district Jeruzalem. NEH 3:10 Naast hem werkte Jedaja, de zoon van Charimaf, vlak bij zijn eigen huis. Verderop werkte Chattus, de zoon van Chasabneja. NEH 3:11 Malkia, de zoon van Charim, en Chassub, de zoon van de stadhouder van Moab, herstelden een andere sector, met de Bakoventoren. NEH 3:12 Naast hen werkte Sallum, de zoon van Halloches, hoofd van de andere helft van het district Jeruzalem, hijzelf en zijn dochters. NEH 3:13 Chanun en de bewoners van Zanoach herstelden de Dalpoort; zij bouwden haar weer op, hingen de deuren erin met de sluitbomen en de grendels en herstelden de muur over een lengte van duizend el, tot aan de Aspoort. NEH 3:14 Malkia, de zoon van Rekab, hoofd van het district Bet hakkerem, herstelde de Aspoort. Hij bouwde haar weer op en hing de deuren erin met de sluitbomen en de grendels. NEH 3:15 Sallum, de zoon van Kolchoze, hoofd van het district Mispa, herstelde de Bronpoort. Hij bouwde haar weer op, overkapte haar en hing er de deuren in met de sluitbomen en de grendels. Hij herstelde de muur van de Siloachvijver in de koninklijke tuin tot aan de trap die van de Davidstad omlaag voert. NEH 3:16 Verderop werkte Nechemja, de zoon van Azbuk, hoofd van het halve district Betsur, tot bij de graven van David en tot aan de kunstmatige vijver en de kazerne der soldaten. NEH 3:17 Daarnaast werkten levieten: Rechum, de zoon van Bani, en naast hem, voor zijn district, Chasabja, hoofd van het halve district Keila. NEH 3:18 Hun broeders, Bawwai, de zoon van Chenadad, hoofd van de andere helft van het district Keila, NEH 3:19 en naast hem Ezer, de zoon van Jesua, hoofd van Mispa, bouwden het volgende gedeelte, tot aan de Hoek, waar de weg omhoog loopt naar het wapendepot. NEH 3:20 Vervolgens herstelde Baruk, de zoon van Zabbai, het gedeelte vanaf de Hoek tot bij de ingang van het erf van Eljasib, de hogepriester. NEH 3:21 Naast hem herstelde Meremot, de zoon van Uria, de zoon van Hakkos, het gedeelte van de ingang van het erf van Eljasib tot waar het erf ophield. NEH 3:22 Verderop werkten de priesters, woonachtig in het Jordaandal; NEH 3:23 dan Benjamin en Chassub, tegenover hun huis; voorts Azarja, de zoon van Maaseja, de zoon van Ananja, bij zijn eigen huis. NEH 3:24 Daarnaast herstelde Binnui, de zoon van Chenadad, het gedeelte vanaf het huis van Azarja tot aan de hoek met de uitspringende toren; NEH 3:25 vervolgens Palal, de zoon van Uzai, het muurpand tegenover de hoek met de hoge uitspringende toren van het koninklijk paleis, vanwaar men uitziet op het binnenplein van de wacht. Daarnaast werkte Pedaja, de zoon van Paros. NEH 3:26 Naast hem werkten de tempelknechten die op de Ofel woonden, tot aan de Waterpoort aan de oostkant en tot de uitspringende toren. NEH 3:27 Verderop herstelden de inwoners van Tekoa het gedeelte bij de grote uitspringende toren tot aan de Ofelmuur. NEH 3:28 Voorbij de Paardenpoort werkten de priesters, ieder in de buurt van zijn huis. NEH 3:29 Daarnaast, ook in de buurt van zijn huis, Sadok, de zoon van Immer. Naast hem Semaja, de zoon van Sekanja, de wachter van de Oostpoort. NEH 3:30 Daarnaast herstelden Chananja, de zoon van Selemja, en Chanun, de zesde zoon van Salaf, een ander gedeelte. Vervolgens, in de buurt van zijn kantoor, Mesullam, de zoon van Berekja. NEH 3:31 Daarnaast werkte Malkia, een goudsmid, tot aan het verblijf van de tempelknechten en de kooplieden tegenover de wachtpoort bij de hoek met de bovenbouw. NEH 3:32 En tussen de hoek met de bovenbouw en de Schaapspoort werkten de goudsmeden en de kooplieden. NEH 3:33 Toen Sanballat hoorde dat wij bezig waren de muur te herstellen, werd hij toornig en in zijn grote woede hoonde hij de joden. NEH 3:34 In tegenwoordigheid van zijn ambtgenoten en het leger van Samaria zei hij: 'Wat zijn die stakkers van joden toch aan het doen? Zijn zij echt aan het bouwen? Denken ze al aan inwijdingsoffers? Zullen zij er ooit mee klaar komen? Die verkoolde stenen uit de puinhopen, zullen zij die weer tot leven wekken?' NEH 3:35 Tobia, de Ammoniet, stond naast hem en zei: 'Laat ze maar bouwen: morgen komt er een jakhals en die springt zo een gat in die stenen muur van ze!' NEH 3:36 Hoor toch, onze God, hoe wij een mikpunt van spot zijn geworden. Laat hun hoon op hun eigen hoofd neerkomen, stuur ze in ballingschap en geef ze aan uitbuiting prijs. NEH 3:37 Bedek hun schuld niet en delg hun zonde niet uit voor uw aanschijn, want ze hebben de bouwers gekrenkt. NEH 3:38 En wij zetten de bouw van de muur voort. De muur kwam over heel de omtrek tot op halve hoogte klaar, want het volk werkte vastberaden door. NEH 4:1 Toen Sanballat en Tobia, alsook de Arabieren, de Ammonieten en de Asdodieten hoorden dat het herstel van Jeruzalems muur gestaag vorderde en dat de bressen geleidelijk aan gedicht werden, waren ze hevig verontwaardigd. NEH 4:2 Zij sloten een bondgenootschap om samen Jeruzalem aan te vallen en er verwarring te stichten. NEH 4:3 Wij baden tot onze God en stelden een wacht in die dag en nacht dienst moest doen. NEH 4:4 Maar de Judeeërs klaagden: 'De opperlieden kunnen het niet aan; de puinhopen zijn te groot; wij zijn niet in staat de muur af te bouwen.' NEH 4:5 Onze vijanden zeiden: 'Zonder dat zij van iets weten of iets bemerken, moeten wij ze overvallen, ze doden en een einde maken aan het werk.' NEH 4:6 En de joden die onder hen woonden drongen er bij ons van alle kanten wel tien keer op aan: 'Kom bij ons terug!' NEH 4:7 Daarom plaatste ik bij de lager gelegen delen van de stad, op de onbeschermde plaatsen achter de muur, het volk, ingedeeld in families en gewapend met zwaarden, speren en bogen. NEH 4:8 Ik keek rond en richtte vervolgens het woord tot de notabelen, de magistraten en het overige volk: 'Wees niet bang voor hen. Denk aan onze grote, ontzagwekkende Heer en strijd voor uw broeders, uw zonen en dochters, uw vrouwen en uw bezit.' NEH 4:9 Toen onze vijanden vernamen dat wij op de hoogte waren en dat God hun plan verijdeld had, kon ieder zijn werk aan de muur hervatten. NEH 4:10 Van die dag af werd de arbeid verricht met slechts de helft van mijn mannen: de andere helft betrok de wacht, gepantserd en gewapend met speren, schilden en bogen, en stelde zich met hun leiders op achter het huis van Juda, NEH 4:11 dat aan de muur bouwde. De opperlieden droegen met de ene hand het materiaal en hielden in de andere hand een speer. NEH 4:12 De bouwers hadden bij het werk een zwaard aan hun lenden gegord. De bazuinblazer hield ik in mijn buurt. NEH 4:13 En ik zei tot de notabelen, de magistraten en het overige volk: 'Het werk is omvangrijk en ligt erg gespreid. Wij zijn over heel de muur verdeeld, op grote afstand van elkaar. NEH 4:14 Als u dus het signaal van de bazuin hoort, moet u zich bij ons verzamelen. Onze God zal voor ons strijden.' NEH 4:15 Terwijl de helft met speren de wacht hield, verrichtten wij dus het werk, van het krieken van de dag tot aan het eerste licht der sterren. NEH 4:16 In die tijd gaf ik het volk ook bevel dat ieder met zijn werkvolk in Jeruzalem moest overnachten. Zo waren ze voor ons een wacht in de nacht en een werkploeg overdag. NEH 4:17 Noch ik, noch mijn broers, mijn gevolg of de mannen van de wacht, niemand van ons was ooit uit de kleren en allen waren steeds met de speer gewapend. NEH 5:1 Maar onder het volk, ook onder de vrouwen, rezen ernstige klachten tegen medejoden. NEH 5:2 Sommigen zeiden: 'Wij zijn met onze zonen en dochters te talrijk om graan te kunnen kopen, zodat we kunnen eten en in leven blijven.' NEH 5:3 Anderen zeiden: 'Wij moeten onze velden, onze wijngaarden en huizen verpanden om graan te kunnen kopen tegen de honger.' NEH 5:4 Weer anderen zeiden: 'Wij hebben geld moeten lenen om de koninklijke belasting op onze velden en wijngaarden te kunnen betalen. NEH 5:5 Is ons vlees en bloed niet evenveel waard als dat van onze broeders? Zijn onze zonen soms minder dan hun zonen? Waarom moeten wij dan onze zonen en dochters als slaven verkopen? Verschillende van onze dochters hebben wij reeds als slavinnen verkocht. Maar wij kunnen er niets tegen doen, zolang anderen in het bezit zijn van onze velden en wijngaarden.' NEH 5:6 Toen ik deze klachten hoorde, was ik uiterst verontwaardigd. NEH 5:7 Ik ging bij mezelf te rade en bracht vervolgens een beschuldiging uit tegen de notabelen en de magistraten. Ik zei tot hen: 'U maakt zich tegenover uw broeders schuldig aan woeker.' Ik riep een grote vergadering bijeen NEH 5:8 en sprak deze als volgt toe: 'Zover het ons mogelijk was hebben wij onze joodse broeders die verkocht waren aan de heidenen, teruggekocht; maar u verkoopt uw broeders, zodat wij ze weer moeten terugkopen!' Ze zwegen en wisten niet wat te antwoorden. NEH 5:9 Ik vervolgde: 'Wat u daar doet is niet juist. Moet u God niet vrezen bij al wat u doet? Anders haalt u zich de smaad der heidenen, onze vijanden, op de hals. NEH 5:10 Ook ik, mijn broers en mijn gevolg, lenen hun geld en graan; laten wij hun die schuld kwijtschelden. NEH 5:11 Geef hun vandaag nog hun velden, hun wijngaarden, hun olijftuinen en hun huizen terug en scheld hun het percent kwijt op het geld, het graan, de most en de olie die gij hun geleend hebt.' NEH 5:12 En zij antwoordden: 'Wij zullen alles teruggeven; wij zullen van hen niets meer eisen; zoals u gezegd hebt zullen wij doen.' Ik riep de priesters en liet hen zweren dat zij hun belofte zouden nakomen. NEH 5:13 Toen schudde ik mijn mantel uit en zei: 'Zo zal God iedereen uit zijn huis en zijn bezit schudden die zijn belofte niet gestand doet, zodat hij uitgeschud en berooid achterblijft!' De hele vergadering riep: 'Zo zij het!' en zij prezen Jahwe. Het volk deed zoals besloten was. NEH 5:14 Vanaf de dag dat ik aangesteld werd als stadhouder over het land Juda, van het twintigste tot het tweeëndertigste regeringsjaar van koning Artachsasta, twaalf jaar lang, hebben ik en mijn broeders de toelage niet willen aannemen waar een stadhouder recht op heeft. NEH 5:15 De vroegere stadhouders, mijn voorgangers, hadden het volk een schatting opgelegd en van hen brood en wijn, en veertig zilveren sikkels geëist; ook hun dienaren legden het volk lasten op, maar ik deed dat niet, omdat ik God vreesde. NEH 5:16 Ik heb zelfs persoonlijk deelgenomen aan de bouw van de muur, ofschoon ik geen grond bezat. Al mijn dienaren hielpen gezamenlijk bij het werk. NEH 5:17 Steeds had ik joden aan tafel: honderdvijftig magistraten en degenen die uit de omwonende volken naar ons toegekomen waren. NEH 5:18 Dagelijks werd er een os bereid en zes van de beste schapen; ook vogels werden er op mijn kosten klaargemaakt en om de tien dagen een grote hoeveelheid wijn. Ondanks dat heb ik geen aanspraak gemaakt op de toelage van een landvoogd, want het lot van het volk was al zwaar genoeg. NEH 5:19 O God, reken mij ten goede wat ik voor het welzijn van dit volk gedaan heb. NEH 6:1 Sanballat, Tobia en Gesem, de Arabier, en onze andere vijanden hoorden dat ik de muur weer opgebouwd had en dat er geen bres meer overgebleven was. Op dat ogenblik had ik de deuren nog niet in de poorten geplaatst. NEH 6:2 Daarom zonden Sanballat en Gesem mij de volgende boodschap: 'Kom, laten wij een ontmoeting hebben in Kefirim in de Onovlakte.' Maar zij voerden kwaad in het schild. NEH 6:3 Ik stuurde daarom boden naar hen met de boodschap: 'Ik heb een groot werk onderhanden en daarom kan ik niet komen. Het werk zou blijven liggen als ik het in de steek liet om naar u toe te komen.' NEH 6:4 Vier keer stuurden ze mij dezelfde boodschap, maar ik gaf hun steeds hetzelfde antwoord. NEH 6:5 De vijfde keer dat Sanballat op deze wijze een boodschap stuurde, had zijn dienaar een open brief in de hand. NEH 6:6 Daarin stond: 'Onder de volken heeft men vernomen, en Gesem bevestigt het, dat u met de joden een opstand voorbereidt en dat u daarom de muur opbouwt; het heeft er alle schijn van dat u koning wilt worden. NEH 6:7 Zelfs profeten laat u optreden om in uw belang in Jeruzalem af te kondigen dat er een koning is in Juda. Dit alles zal de koning ter ore komen. Laten wij daarom samen overleg plegen.' NEH 6:8 Ik stuurde hem de volgende boodschap terug: 'Van wat u gezegd hebt is niets waar: u hebt dit alles maar verzonnen.' NEH 6:9 Al die lieden wilden ons namelijk schrik aanjagen, in de hoop dat wij het werk wel in de steek zouden laten en dat het nooit klaar zou komen. Nu was het zaak dapper te zijn. NEH 6:10 Op een dag begaf ik mij naar het huis van Semaja, de zoon van Delaja, de zoon van Mehetabel. In vervoering sprak hij: 'Laten we naar de tempel gaan, binnen in het heiligdom, en laten we de deuren van het heiligdom sluiten, want ze komen om u te doden; vannacht komen ze om u te doden.' NEH 6:11 Ik antwoordde: 'Zou een man als ik op de vlucht gaan? En zou iemand als ik zijn leven kunnen redden door het heiligdom binnen te gaan? Ik ga niet met u mee!' NEH 6:12 Ik dacht een ogenblik na en besefte toen dat hij niet door God gezonden was, maar door Tobia en Sanballat omgekocht was om over mij een profetisch woord te spreken. NEH 6:13 Zij hadden hem gehuurd om mij vrees aan te jagen en mij daardoor tot zonde te verleiden. Zij zouden mij dan in opspraak brengen en mij bekladden. NEH 6:14 O God, vergeld Tobia en Sanballat hun daden, en ook Noadja, de profetes, en de overige profeten die mij schrik wilden aanjagen. NEH 6:15 De muur kwam gereed op vijfentwintig Elul; men had er tweeënvijftig dagen aan gewerkt. NEH 6:16 Toen onze vijanden en alle omwonende volken dit zagen of ervan hoorden, voelden zij zich diep vernederd en erkenden zij dat dit werk door onze God gewild was. NEH 6:17 Maar ook toen nog waren er notabelen in Juda die brieven stuurden naar Tobia, en van hem ook brieven ontvingen. NEH 6:18 Velen in Juda waren door een eed met hem verbonden, omdat hij de schoonzoon was van Sekanja, de zoon van Arach, en zijn zoon Jehochanan gehuwd was met een dochter van Mesullam, de zoon van Berekja. NEH 6:19 In gesprekken met mij gaven zij hoog van hem op en al wat ik zei briefden ze aan hem over. En Tobia stuurde mij brieven om mij bang te maken. NEH 7:1 Toen de muur gereedgekomen was en ik de deuren geplaatst had, werden er uit de levieten poortwachters en zangers aangesteld. NEH 7:2 Ik droeg het bestuur van Jeruzalem over aan Chanani, mijn broer, en aan Chananja, de bevelhebber van de burcht, want dat was een bij uitstek betrouwbaar en godvrezend man. NEH 7:3 Ik zei hun dat de poorten van Jeruzalem niet open mochten voordat de hitte van de zon voelbaar werd, en dat zij gesloten en gegrendeld moesten worden voordat de wacht ingerukt was. Ik zei hun dat ze ook burgers van Jeruzalem als wachten moesten uitzetten in de buurt van hun woning. NEH 7:4 De stad was erg groot en uitgestrekt, maar de bevolking weinig talrijk, en de huizen waren nog niet hersteld. NEH 7:5 Op ingeving van God riep ik alle notabelen en magistraten en het volk bijeen om hen overeenkomstig hun verwantschap in te schrijven. Ik vond het geslachtsregister van de ballingen die als eersten waren teruggekeerd. Daarin stond het volgende: NEH 7:6 Dit zijn de ballingen die door Nebukadnessar, de koning van Babel, uit de provincie Juda in ballingschap waren weggevoerd, maar die teruggekeerd zijn naar Jeruzalem en Juda, ieder naar zijn plaats van afkomst. NEH 7:7 Ze zijn teruggekeerd onder leiding van Zerubbabel, Jesua, Nechemja, Azarja, Raamja, Nachamani, Mordekai, Bilsan, Misperet, Bigwai, Nechum en Baana. De aantallen mannen onder deze Israëlieten waren als volgt: NEH 7:8 Tweeduizend honderdtweeënzeventig afstammelingen van Paros; NEH 7:9 driehonderdtweeënzeventig afstammelingen van Sefatja; NEH 7:10 zeshonderdtweeënvijftig afstammelingen van Arach; NEH 7:11 tweeduizend achthonderdachttien afstammelingen van Pachat moab, uit de families van Jesua en Joab. NEH 7:12 Twaalfhonderdvierenvijftig afstammelingen van Elam; NEH 7:13 achthonderdvijfenveertig afstammelingen van Zattu; NEH 7:14 zevenhonderdzestig afstammelingen van Zakkai; NEH 7:15 zeshonderdachtenveertig afstammelingen van Binnui; NEH 7:16 zeshonderdachtentwintig afstammelingen van Bebai; NEH 7:17 tweeduizend driehonderdtweeëntwintig afstammelingen van Azgad; NEH 7:18 zeshonderdzevenenzestig afstammelingen van Adonikam; NEH 7:19 tweeduizend zevenenzestig afstammelingen van Bigwai; NEH 7:20 zeshonderdvijfenvijftig afstammelingen van Adin; NEH 7:21 achtennegentig afstammelingen van Ater uit de familie van Chizkia; NEH 7:22 driehonderdachtentwintig afstammelingen van Chasum; NEH 7:23 driehonderdvierentwintig afstammelingen van Besai; NEH 7:24 Honderdtwaalf afstammelingen van Charif' NEH 7:25 vijfennegentig afstammelingen van Gibeon; NEH 7:26 honderdachtentachtig burgers uit Bethlehem en Netofa; NEH 7:27 honderdachtentwintig burgers uit Anatot; NEH 7:28 tweeënveertig burgers uit Bet azmawet; NEH 7:29 zevenhonderddrieënveertig burgers uit Kirjat jearim, Kefira en Beerot; NEH 7:30 zeshonderdeenentwintig burgers uit Rama en Geba; NEH 7:31 honderdtweeëntwintig burgers uit Mikmas; NEH 7:32 honderddrieëntwintig burgers uit Betel en Ai; NEH 7:33 tweeënvijftig burgers uit het andere Nebo; NEH 7:34 twaalfhonderdvierenvijftig burgers uit het andere Elam; NEH 7:35 driehonderdtwintig afstammelingen van Charim; NEH 7:36 driehonderdvijfenveertig burgers uit Jericho; NEH 7:37 zevenhonderdeenentwintig burgers uit Lod, Chadid en Ono; NEH 7:38 en drieduizend negenhonderddertig burgers uit Senaa. NEH 7:39 Priesters: negenhonderddrieënzeventig afstammelingen van Jedaja, uit de familie van Jesua; NEH 7:40 duizend tweeënvijftig afstammelingen van Immer; NEH 7:41 twaalfhonderdzevenenveertig afstammelingen van Paschur; NEH 7:42 en duizendzeventien afstammelingen van Charim. NEH 7:43 Levieten: vierenzeventig afstammelingen van Jesua, uit de families van Kadmiël en de zonen van Hodewa. NEH 7:44 Zangers: honderdachtenveertig afstammelingen van Asaf. NEH 7:45 Poortwachters: honderdachtendertig afstammelingen van Sallum, Ater, Talmon, Akkub, Chatita en Sobai. NEH 7:46 Tempelknechten: van Sicha, Chasufa, Tabbaot, NEH 7:47 Keros, Sia, Padon, NEH 7:48 Lebana, Chagaba, Salmai, NEH 7:49 Chanan, Giddel, Gachar, NEH 7:50 Reaja, Resin, Nekoda, NEH 7:51 Gazza, Uzza, Peseach, NEH 7:52 Besai, Meunim, Nefissim, NEH 7:53 Bakbuk, Chakufa, Charchur, NEH 7:54 Baslit, Mechida, Charsa, NEH 7:55 Barkos, Sisera, Temach, NEH 7:56 Nesiach en Chatifa. NEH 7:57 Salomo's knechten: afstammelingen van Sotai, Soferet, Perida, NEH 7:58 Jaala, Darkon, Giddel, NEH 7:59 Sefatja, Chattil, Pokeret hassebaim en Amon. NEH 7:60 In totaal waren er driehonderdtweeënnegentig tempelknechten en Salomo's knechten. NEH 7:61 Ballingen uit Tel melach, Tel charsa, Kerub, Addon en Immer, die niet konden aantonen dat ze van Israëlitische families afstamden, waren NEH 7:62 de zeshonderdtweeënveertig afstammelingen van Delaja, Tobia en Nekoda. NEH 7:63 Ook de priesters uit het geslacht van Chobaja, Hakkos en Barzillai, welke laatste een dochter van Barzillai, uit Gilead gehuwd had en diens naam had aangenomen, NEH 7:64 zochten in het register naar het bewijs van hun priesterlijke afstamming, maar konden die niet aantonen en werden uitgesloten van het priesterlijke ambt. NEH 7:65 De landvoogd verbood hun van de heilige spijzen te eten, zolang er geen priester was die de oerim en toemmim kon raadplegen. NEH 7:66 De hele gemeenschap telde tweeënveertigduizend driehonderdzestig man. NEH 7:67 Daarbij kwamen nog zevenduizend driehonderdzevenendertig slaven en slavinnen en tweehonderdvijfenveertig zangers en zangeressen. NEH 7:68 Zij hadden vierhonderdvijfendertig kamelen en zesduizendzevenhonderdtwintig ezels. NEH 7:69 Een aantal familiehoofden deden schenkingen voor de wederopbouw. De landvoogd gaf voor het fonds duizend gouden drachmen, vijftig plengschalen en vijfhonderddertig priestergewaden. NEH 7:70 De familiehoofden gaven voor het bouwfonds twintigduizend gouden drachmen bijeen, tweeduizend honderd zilveren minen. NEH 7:71 De rest van het volk bracht twintigduizend gouden drachmen bijeen, tweeduizend zilveren minen en zevenenzestig priestergewaden. NEH 7:72 De priesters, de levieten, de poortwachters en de zangers, een gedeelte van het volk en de tempelknechten vestigden zich in Jeruzalem; de rest van Israël vestigde zich in de steden. NEH 8:1 Toen de zevende maand was aangebroken, stroomden alle Israëlieten die zich in de steden gevestigd hadden, samen op het plein voor de Waterpoort en verzochten Ezra, de schriftgeleerde, het boek te gaan halen van de wet die Jahwe door Mozes aan Israël gegeven heeft. NEH 8:2 En Ezra, de priester, bracht het boek voor de vergadering van mannen en vrouwen en allen die de voorlezing konden volgen. Het was de eerste dag van de zevende maand. NEH 8:3 Vanaf de dageraad tot de middag las Ezra voor uit het boek op het plein voor de Waterpoort ten aanhoren van de mannen en vrouwen en van allen die het konden volgen. Het volk luisterde aandachtig naar de voorlezing van het wetboek. NEH 8:4 Ezra, de schriftgeleerde, ging op een houten verhoging staan die voor die gelegenheid opgeslagen was. Aan zijn rechterhand stonden Mattitja, Sema, Anaja, Uria, Chilkia en Maaseja; aan zijn linkerhand Pedaja, Misaël, Malkia, Chasum, Chasbaddana, Zekarja en Mesullam. NEH 8:5 Ten aanschouwen van heel het volk, hij stak immers boven allen uit, opende Ezra het boek. Op dat ogenblik gingen allen staan. NEH 8:6 En Ezra prees Jahwe, de grote God, en heel het volk antwoordde: 'Amen, amen!' Zij staken hun handen omhoog, zij bogen het hoofd en zij aanbaden Jahwe met het gezicht tegen de grond. NEH 8:7 En Jesua, Bani, Serebja, Jamin, Akkub, Sabtai, Hodia, Maaseja, Kelita, Azarja, Jozabad, Chanan, Pelaja en de levieten verklaarden het volk daar ter plaatse de wet. NEH 8:8 Zij lazen uit het boek van Gods wet voor, legden het uit en verklaarden de betekenis, zodat allen de lezing verstonden. NEH 8:9 Vervolgens zeiden Nehemia, de landvoogd, Ezra, de priester en schriftgeleerde, en de levieten die de uitleg gaven tot heel het volk: 'Deze dag is aan Jahwe, uw God, gewijd. U mag dus niet treurig zijn en niet wenen.' Het hele volk was namelijk in tranen uitgebarsten toen het de woorden van de wet hoorde. NEH 8:10 En ze zeiden hun: 'Kom, ga lekker eten en drink er zoete drank bij en deel ervan mee aan wie niets heeft, want deze dag is aan onze Heer gewijd. Wees niet bedroefd, maar de vreugde die Jahwe u schenkt zij uw kracht.' NEH 8:11 Zo kalmeerden de levieten het volk en ze zeiden: 'Wees nu stil! Dit is een heilige dag, wees dus niet bedroefd.' NEH 8:12 En het volk ging eten en drinken en deelde van zijn maaltijd aan anderen mee. Ze vierden uitbundig feest, want ze hadden begrepen wat hun was voorgehouden. NEH 8:13 De volgende dag kwamen de familiehoofden van het volk, de priesters en levieten, bij Ezra, de schriftgeleerde, samen om zich te verdiepen in de woorden van de wet. NEH 8:14 En zij bevonden dat er in de wet, die Jahwe door Mozes gegeven heeft, geschreven staat dat de kinderen van Israël tijdens het feest van de zevende maand in loofhutten moeten wonen NEH 8:15 en dat men overal in de steden en in Jeruzalem moet afkondigen: 'Trek de bergen in, haal takken van olijf, oleaster, mirt, palm en loofboom en vier het loofhuttenfeest zoals dat voorgeschreven is.' NEH 8:16 Het volk trok uit en haalde takken en ieder bouwde zijn loofhut, op zijn dak, in zijn binnenhof, in de voorhoven van de tempel, op het plein voor de Waterpoort of op het plein voor de Efraimpoort. NEH 8:17 En heel de gemeenschap van de teruggekeerde ballingen vierde het loofhuttenfeest en woonde in hutten. Sinds de dagen van Jozua, de zoon van Nun, tot op die dag hadden de Israëlieten het zo niet meer gevierd; er heerste een uitbundige vreugde. NEH 8:18 Dagelijks, van de eerste tot de laatste dag, werd er voorgelezen uit het boek van Gods wet. Het feest duurde zeven dagen lang, en op de achtste dag vierde men, volgens voorschrift, het slotfeest. NEH 9:1 Op de vierentwintigste dag van dezelfde maand kwamen de Israëlieten opnieuw bijeen, ditmaal om in zak en as te vasten. NEH 9:2 Zij verbraken alle banden met de vreemdelingen, traden voor Jahwe en beleden hun zonden en de misdaden van hun voorvaderen. NEH 9:3 En daar ter plaatse besteedden zij een vierde van de dag aan de lezing van het wetboek van Jahwe, hun God, en een vierde aan de belijdenis van hun schuld, waarbij zij zich voor Jahwe, hun God, vernederden. NEH 9:4 Op de verhoging der levieten ging Jesua staan met Bani, Kadmiël, Sebanja, Bunni, Serebja, Bani en Kenani, en met luider stem riepen zij tot Jahwe, hun God. NEH 9:5 En de levieten Jesua, Kadmiël, Bani, Chasabneja, Serebja, Hodia, Sebanja en Petachja riepen: 'Kom, prijs Jahwe, uw God, van eeuwigheid tot eeuwigheid.' En zij prezen zijn glorierijke naam, die alle lof en roem te boven gaat. NEH 9:6 Gij alleen zijt Jahwe. Gij hebt de hemel en de hemel der hemelen geschapen, met heel het leger der sterren, de aarde met alles wat er zich op bevindt, de zeeën met al wat erin is. Gij geeft leven aan alles, en heel het leger der sterren is U onderworpen. NEH 9:7 Gij, Jahwe, zijt de God die Abram uitverkoren hebt, hem weggeleid hebt uit Ur in Chaldea en zijn naam veranderd hebt in Abraham. NEH 9:8 Gij hebt zijn hart trouw bevonden jegens U en hebt een verbond met hem gesloten, om zijn nageslacht het land te geven van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Jebusieten en Girgasieten, en Gij hebt uw woord gestand gedaan, want Gij zijt rechtschapen. NEH 9:9 Gij hebt neergezien op de ellende van onze voorvaderen in Egypte, en hebt hun noodkreten gehoord bij de Rietzee. NEH 9:10 En Gij hebt wonderen en tekenen voltrokken aan Farao, aan al zijn dienaars en al het volk in zijn land, want Gij zag hoe die hen mishandelden, en Gij hebt U een roem verworven, die nog altijd stand houdt. NEH 9:11 Voor hun ogen hebt Gij de zee in tweeën gespleten en droogvoets zijn ze midden door de zee getrokken, maar hun achtervolgers hebt Gij in de kolken geplonsd, als een steen in het bruisende water. NEH 9:12 Overdag zijt Gij hun voorgegaan in een wolkkolom, 's nachts in een vuurzuil, om de weg te verlichten die zij moesten volgen. NEH 9:13 Gij zijt op de berg Sinaï afgedaald en hebt uit de hemel tot hen gesproken en hun juiste voorschriften, betrouwbare verordeningen en voortreffelijke wetten en geboden gegeven. NEH 9:14 Gij hebt hun uw heilige sabbat geopenbaard en hun, door Mozes, uw dienaar, geboden, wetten en verordeningen gegeven. NEH 9:15 Brood hebt Gij uit de hemel laten neerkomen om hun honger te stillen, en water hebt Gij aan de rots laten ontspringen om hun dorst te lessen, en Gij hebt hun bevolen het land in bezit te nemen dat Gij onder ede beloofd had. NEH 9:16 Maar onze voorvaderen verzetten zich, zij waren hardnekkig en wilden niet naar uw geboden luisteren. NEH 9:17 Zij weigerden te luisteren en dachten niet meer aan de wonderen die Gij voor hen verricht had: Hardnekkig als ze waren stelden ze een leider aan en wilden ze terug naar de slavernij van Egypte. Maar Gij, God van vergeving, genadig en lankmoedig en groot in barmhartigheid, hebt hen niet aan hun lot overgelaten. NEH 9:18 Zelfs toen ze een beeld hadden gegoten van een jonge stier en riepen: Dit is uw god die u uit Egypte heeft geleid, en zij zich schuldig maakten aan zware godslasteringen, NEH 9:19 hebt Gij hen in uw grote erbarming toch niet in de woestijn aan hun lot overgelaten: de wolkkolom week niet van hen overdag, maar bleef hun voorgaan; en ook de vuurzuil verdween niet, maar bleef 's nachts hun weg verlichten. NEH 9:20 Gij hebt hun uw goede geest gegeven om hen te onderwijzen; het manna hebt Gij hun mond niet geweigerd en water hebt Gij hun gegeven tegen de dorst. NEH 9:21 Veertig jaar lang hebt Gij in de woestijn gezorgd voor hun onderhoud; zij kwamen niets te kort: hun kleren zijn niet versleten, hun voeten niet gezwollen. NEH 9:22 Koninkrijken en volken hebt Gij hun geschonken en hun als randgebied toegewezen; zij namen het land van Sichon in bezit, het land van de koning van Chesbon, en het land van Og, de koning van Basan. NEH 9:23 Hun zonen hebt Gij zo talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel en Gij hebt hen het land binnengevoerd dat Gij hun vaderen bevolen had in bezit te nemen. NEH 9:24 Hun zonen hebben het land in bezit genomen en Gij hebt de bewoners van het land, de Kanaänieten, aan hen onderworpen, en Gij hebt de koningen en de volkeren aan hen overgeleverd om ermee te doen wat ze wilden. NEH 9:25 En zij veroverden versterkte steden en vruchtbare grond, zij namen rijk voorziene huizen in bezit, met gehouwen putten, wijngaarden en olijftuinen en vruchtbomen zonder tal. Zij hebben gegeten en zich verzadigd en ze zijn vet geworden van al die overvloed. NEH 9:26 Toen zijn ze weerbarstig geworden, pleegden opstand tegen U, keerden uw wet de rug toe, doodden uw profeten, die hen vermaanden zich toch tot U te bekeren, en maakten zich schuldig aan grove godslasteringen. NEH 9:27 Toen hebt Gij ze uitgeleverd aan hun vijanden en die hebben hen onderdrukt. In hun ellende riepen zij tot U en Gij hoorde dat vanuit de hemel en gaf hun in uw grote barmhartigheid een redder, die hen bevrijdde uit de macht van hun vijanden. NEH 9:28 Maar nauwelijks werden ze met rust gelaten of ze bedreven weer hetzelfde kwaad tegen U. Weer leverde Gij hen over in de macht van hun vijanden en weer onderdrukten die hen. Opnieuw riepen zij tot U en opnieuw verhoorde Gij hen vanuit de hemel en in uw barmhartigheid verloste Gij hen talloze malen. NEH 9:29 Gij vermaande hen zich weer te voegen naar uw wet, maar zij waren te weerbarstig en luisterden niet naar uw geboden en zij zondigden tegen uw wetten die de gehoorzame mens het leven geven; zij waren hardnekkig en weerbarstig en weigerden te luisteren. NEH 9:30 Lange jaren hebt Gij hun uw lankmoedigheid betoond en Gij hebt hen door uw geest bij monde van uw profeten vermaand, maar zij hebben niet geluisterd. Daarom leverde Gij hen over in de macht van de omwonende volken. NEH 9:31 Maar in uw grote barmhartigheid hebt Gij hen niet vernietigd en hen niet in de steek gelaten, want Gij zijt een genadige en barmhartige God. NEH 9:32 Daarom, o God, onze grote en machtige en ontzagwekkende God, die uw verbond en uw barmhartigheid trouw blijft, onderschat toch niet de beproevingen die wij, onze koningen en prinsen, onze priesters en profeten, onze voorvaderen en heel uw volk, ondervonden hebben vanaf de dagen van de koningen van Assur tot vandaag toe. NEH 9:33 Gij hebt ons dit alles terecht laten overkomen: Gij zijt steeds trouw gebleven, maar wij hebben ons woord gebroken. NEH 9:34 Onze koningen, prinsen, priesters en voorvaderen hebben uw wet niet onderhouden; zij hebben geen acht geslagen op uw geboden en de voorschriften die Gij hun gegeven had. NEH 9:35 Ofschoon Gij hun het koningschap had verleend en hun grote welvaart had geschonken en ofschoon Gij hun een uitgestrekt en vruchtbaar land had gegeven, hebben zij U niet willen dienen en zich niet bekeerd van hun wandaden. NEH 9:36 Zie, vandaag zijn wij niet meer dan slaven, slaven zijn wij in het land dat Gij onze voorvaderen geschonken had om er de heerlijke vruchten van te genieten. NEH 9:37 De opbrengst komt slechts de koningen ten goede die Gij over ons aangesteld hebt vanwege onze zonden. Zij beschikken naar eigen goeddunken over onze persoon en over ons vee. Wij leven in grote benauwenis. NEH 10:1 Derhalve gaan wij een plechtige verbintenis aan en stellen die op schrift; de akte wordt getekend door onze leiders, levieten en priesters. NEH 10:2 Op de akte stonden de namen van Nehemia, de landvoogd, de zoon van Chakalja, en Sidkia; NEH 10:3 Seraja, Azarja, Jirmeja; NEH 10:4 Paschur, Amarja, Malkia; NEH 10:5 Hattus, Sebanja, Malluk; NEH 10:6 Charim, Meremot, Obadja; NEH 10:7 Daniël, Ginneton, Baruk; NEH 10:8 Mesullam, Abia, Miamin; NEH 10:9 Maazja, Bilgai en Semaja: dit zijn de priesters. NEH 10:10 Vervolgens de levieten: Jesua, de zoon van Azanja, Binnui, een van de zonen van Chenadad, Kadmiël; NEH 10:11 hun broeders Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Chanan; NEH 10:12 Micha, Rechob, Chasabja; NEH 10:13 Zakkur, Serebja, Sebanja; NEH 10:14 Hodia, Bani en Beninu. NEH 10:15 Verder de hoofden van het volk: Paros, Pachat moab, Elam, Zattu, Bani; NEH 10:16 Bunni, Azgad, Bebai; NEH 10:17 Adonia, Bigwai, Adin; NEH 10:18 Ater, Chizkia, Azzur; NEH 10:19 Hodia, Chasum, Besai; NEH 10:20 Charif, Anatot, Nobai; NEH 10:21 Magpias, Mesullam, Chezir; NEH 10:22 Mesezabel, Sadok, Jaddua; NEH 10:23 Pelatja, Chanan, Anaja; NEH 10:24 Hosea, Chananja, Hassub; NEH 10:25 Halloches, Pilcha, Sobek; NEH 10:26 Rechum, Chasabna, Maaseja; NEH 10:27 Achia, Chanan, Anan; NEH 10:28 Malluk, Charim en Baana. NEH 10:29 Heel het volk, priesters, levieten, poortwachters, zangers, tempelknechten en allen die de banden met de omwonende volken verbroken hebben in gehoorzaamheid aan de wet van God, met vrouwen, zonen en dochters, allen die de gave des onderscheids bezitten, NEH 10:30 sluiten zich aan bij hun hooggeëerde broeders en verplichten zich onder gelofte en ede te leven naar de wet van God, die Hij door Mozes, zijn dienaar, gegeven heeft, en nauwgezet alle geboden van Jahwe, onze Heer, zijn voorschriften en wetten te onderhouden. NEH 10:31 Wij zullen onze dochters niet uithuwelijken aan de omwonende volken en wij zullen hun dochters niet nemen voor onze zonen. NEH 10:32 En als de omwonende volken koopwaar of graan te koop aanbieden op de sabbat of op een feestdag, dan zullen wij niets van hen kopen. Elk zevende jaar zullen wij het land braak laten liggen en afzien van alle schuldvorderingen. NEH 10:33 Verder nemen wij de verplichting op ons, jaarlijks een derde sikkel te offeren voor de eredienst in het huis van onze God: NEH 10:34 voor de toonbroden, het dagelijks spijs- en brandoffer, voor de sabbatdagen, de nieuwe maanfeesten en de hoogtijdagen, voor de heilige gaven en zonde offers tot verzoening voor Israël, voor heel de eredienst in het huis van onze God, NEH 10:35 Ook hebben wij, priesters, levieten en volk, bij loting bepaald wie er moet zorgen voor het hout dat jaarlijks, op geregelde tijden, geleverd moet worden als een bijdrage voor de tempel van onze God, het huis van onze vaderen, om het vuur te onderhouden op het altaar van onze God, zoals dat door de wet is voorgeschreven. NEH 10:36 Voorts zullen wij de eerste vruchten van onze bodem, de eerstelingen van alle vruchtbomen, jaarlijks naar de tempel van Jahwe brengen. NEH 10:37 Onze eerstgeboren zonen en alle eerstgeboren dieren, runderen en schapen, zullen wij, zoals de wet dat voorschrijft, naar het huis van God brengen, naar de priesters die dienst doen in de tempel. NEH 10:38 Het puik van ons meel, van alle boomvruchten, van most en olie zullen wij als bijdrage voor de priesters brengen naar de voorraadkamers van het huis van onze God en de tienden van onze akkers zullen wij afdragen aan de levieten, en zij, de levieten, kunnen de tienden heffen overal in onze landbouwgemeenten. NEH 10:39 Maar de levieten moeten, wanneer zij de tienden heffen, vergezeld worden door een priester, een afstammeling van Aäron. Van die tienden moeten de levieten weer een tiende brengen naar de voorraadkamers van het huis van onze God. NEH 10:40 De Israëlieten en de levieten zullen hun bijdrage aan koren, most en olie naar de voorraadkamers brengen, daar waar ook het vaatwerk voor het heiligdom bewaard wordt en waar de dienstdoende priesters, poortwachters en zangers verblijven. Wij zullen het huis van onze God niet verwaarlozen. NEH 11:1 De leiders van het volk vestigden zich in Jeruzalem. Het overige volk wees bij loting op elke tien mensen er een aan om in Jeruzalem, de heilige stad, te gaan wonen, terwijl de negen overigen in de andere steden konden blijven wonen. NEH 11:2 En het volk sprak een zegenwens uit over allen die spontaan aanboden om in Jeruzalem te gaan wonen. NEH 11:3 Dit zijn de hoofden uit de provincie die zich in Jeruzalem vestigden; ook in de steden van Juda bleven wonen, ieder in zijn eigen stad en op zijn eigen erf, buiten het gewone volk: Israëlieten, priesters, levieten, tempelknechten en Salomo's knechten. NEH 11:4 In Jeruzalem woonden zowel Benjaminieten als Judeeërs. De Judeeërs waren: Ataja, de zoon van Uzzia, de zoon van Zekarja, de zoon van Amarja, de zoon van Sefatja, de zoon van Mahalalel, een van de zonen van Peres; NEH 11:5 en Maaseja, de zoon van Baruk, de zoon van Kolchose, de zoon van Chazaja, de zoon van Adaja, de zoon van Jojarib, de zoon van Zekarja, de zoon van Sela. NEH 11:6 In totaal woonden er vierhonderdachtenzestig afstammelingen van Peres in Jeruzalem, allen mannen van aanzien. NEH 11:7 En dit zijn de Benjaminieten: Sallu, de zoon van Messullam, de zoon van Joed, de zoon van Kolaja, de zoon van Maaseja, de zoon van Pedaja, de zoon van Kolaja, de zoon van Maaseja, de zoon van Itiël, de zoon van Jesaja; NEH 11:8 en met hem Gabbai en Sallai, tezamen negenhonderdachtentwintig man. NEH 11:9 Joel, de zoon van Zikri, was hun leider en Jehuda de zoon van Hassenua, was plaatsvervangend hoofd van de stad. NEH 11:10 De priesters waren Jedaja, de zoon van Jojarib, Jakin, NEH 11:11 Seraja, de zoon van Chilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Sadok, de zoon van Merajot, de zoon van Achitub, het hoofd van de tempelhuishouding; NEH 11:12 hun broeders, die het dienstwerk in de tempel verrichtten, waren achthonderdtweeëntwintig in getal, met Adaja, de zoon van Jerocham, de zoon van Pelalja, de zoon van Amsi, de zoon van Zekarja, de zoon van Paschur, de zoon van Malkia. NEH 11:13 Zijn broeders, de familiehoofden, waren tweehonderdtweeënveertig in getal, met Amassai, de zoon van Azarel, de zoon van Achzai, de zoon van Mesillemot, de zoon van Immer; NEH 11:14 hun broeders, weerbare mannen, waren honderdachtentwintig in getal en Zabdiël, de zoon van Gedolim, was hun leider. NEH 11:15 De levieten waren Semaja, de zoon van Hassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Chasabja, de zoon van Bunni. NEH 11:16 Tot de hoofden der levieten behoorden Sabtai en Jozabad, de hoofden van de buitendienst. NEH 11:17 Mattanja, de zoon van Michaja, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf, was leider van de voorzangers die bij de gebedsdienst de hymnen aanhieven; Bakbukja was zijn plaats vervanger; verder Abda, de zoon van Sammua, de zoon van Galal, de zoon van Jedutun. NEH 11:18 In totaal waren er in de heilige stad tweehonderdvierentachtig levieten. NEH 11:19 De poortwachters waren Akkub, Talmon en hun broeders, tezamen honderdtweeënzeventig poortwachters. NEH 11:20 De overige Israëlieten, priesters en levieten, woonden verspreid in de steden van Juda, ieder op zijn eigen erf. NEH 11:21 De tempelknechten woonden op de Ofel, en Sicha en Gispa stonden aan het hoofd. NEH 11:22 De leider van de levieten in Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, de zoon van Chasabja, de zoon van Mattanja, de zoon van Michaja; hij behoorde tot de zonen van Asaf, de zangers bij de eredienst in de tempel. NEH 11:23 Volgens koninklijk besluit moest aan de zangers dagelijks een vast rantsoen worden uitgereikt. NEH 11:24 Petachja, de zoon van Mesezabel, een van de zonen van Zerach, de zoon van Juda, was gevolmachtigde van de koning in alle aangelegenheden die het volk betroffen. NEH 11:25 Wat de dorpen met de landerijen betreft: er woonden Judeeërs in Kirjat haarba en onderhorigheden, in Dibon en onderhorigheden, in Jekabsel en bijbehorende dorpen, NEH 11:26 in Jesua, Molada en Bet pelet, NEH 11:27 in Chasar sual, in Berseba en onderhorigheden, NEH 11:28 in Siklag, in Mekona en onderhorigheden, NEH 11:29 in En rimmon, in Sora en Jarmut, NEH 11:30 in Zanoach, Adullam en onderhorigheden, Lakis en omgeving en Azeka en onderhorigheden. Zij woonden dus van Berseba tot het Hinnomdal. NEH 11:31 De Benjaminieten woonden in Geba, Mikmas, Aja, Betel en onderhorigheden, NEH 11:32 Anatot, Nob, Ananja, NEH 11:33 Hasor, Rama, Gittaim, NEH 11:34 Chadid, Seboim, Neballat, NEH 11:35 Lod, Ono en het Handwerkersdal. NEH 11:36 Afdelingen van de levieten woonden zowel in Juda als in Benjamin. NEH 12:1 Hier volgen de namen van de priesters en de levieten die met Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en met Jesua teruggekeerd zijn: Seraja, Jirmeja, Ezra, NEH 12:2 Amarja, Malluk, Hattus, NEH 12:3 Sekanja, Rechum, Meremot, NEH 12:4 Iddo, Ginnetoi, Abia, NEH 12:5 Miamin, Maadja, Bilga, NEH 12:6 Semaja, Jojarib, Jedaja, NEH 12:7 Sallu, Amok, Chilkia en Jedaja: dit waren de leiders der priesters met hun broeders in de dagen van Jesua. NEH 12:8 De levieten waren: Jesua, Binnui, Kadmiël, Serebja, Jehuda, Mattanja, die met zijn broers de leiding had bij de psalmdienst, NEH 12:9 Bakbukja, Unni en hun broeders die hun plaatsen hadden tegenover hen. NEH 12:10 Jesua verwekte Jojakim en Jojakim verwekte Eljasib en Eljasib Jojada; NEH 12:11 en Jojada verwekte Jonatan en Jonatan verwekte Jaddua. NEH 12:12 In de tijd van Jojakim waren de volgende priesters familiehoofden: van de familie van Seraja, Meraja; van die van Jirmeja, Chananja; NEH 12:13 van die van Ezra, Mesullam; van die van Amarja, Jehochanan; NEH 12:14 van die van Malluki, Jonatan; van die van Sebanja, Jozef; NEH 12:15 van die van Charim, Adna; van die van Merajot, Chelkai; NEH 12:16 van die van Iddo, Zekarja; van die van Ginneton, Mesullam; NEH 12:17 van die van Abia, Zikri; van die van Minjamin en van Moadja, Piltai; NEH 12:18 van die van Bilga, Sammua; van die van Semaja, Jehonatan; NEH 12:19 en van die van Jojarib, Mattenai; van die van Jedaja, Uzzi; NEH 12:20 van die van Sallai, Kallai; van die van Amok, Eber; NEH 12:21 van die van Chilkia, Chasabja; van die van Jedanja, Netanel. NEH 12:22 Van de levieten in de dagen van Eljasib, Jojada, Jochanan en Jaddua staan de familiehoofden opgetekend; ook van de priesters tot aan de regering van Darius, de Pers. NEH 12:23 Van de levieten staan de familiehoofden opgetekend in het boek der Kronieken tot de tijd van Jochanan, de zoon van Eljasib. NEH 12:24 De familiehoofden der levieten waren: Chasabja, Serebja en Jesua, de zoon van Kadmiël; met hun broeders die tegenover hen stonden bij de psalmzang, koor tegenover koor, volgens de bepalingen van David, de man Gods. NEH 12:25 Mattanja, Bakbukja, Obadja, Mesullam, Talmon en Akkub waren de poortwachters die toezicht hielden op de voorraadkamers bij de poorten. NEH 12:26 Zij waren tijdgenoten van Jojakim, de zoon van Jesua, de zoon van Sadok, en van Nehemis, de landvoogd, en Ezra, de priester en schriftgeleerde. NEH 12:27 Voor de inwijding van de stadsmuur nodigde men de levieten uit om van hun woonplaatsen naar Jeruzalem te komen om de inwijding luister bij te zetten met zang en lied, onder begeleiding van cimbalen, harpen en lieren. NEH 12:28 De zangers kwamen bijeen uit de omgeving van Jeruzalem, uit de dorpen der Netofatieten, NEH 12:29 uit Bet haggilgal en uit de streek van Geba en Azmawet; de zangers hadden namelijk hun dorpen rond Jeruzalem gebouwd. NEH 12:30 De priesters en de levieten reinigden zichzelf en zij reinigden het volk, alsook de poorten en de stadsmuur. NEH 12:31 Toen liet ik de leiders van Juda de stadsmuur bestijgen en vormde ik twee grote koren. Het ene trok over de muur in zuidelijke richting naar de Aspoort. NEH 12:32 Daarin liepen mee Hosaaja en de ene helft van Juda's leiders; NEH 12:33 alsmede Azarja, Ezra en Mesullam, NEH 12:34 Juda, Benjamin, Semaja en Jirmeja, NEH 12:35 allen priesters, voorzien van trompetten; vervolgens Zekarja, de zoon van Jonatan, de zoon van Semaja, de zoon van Mattanja, de zoon van Asaf, NEH 12:36 met zijn broeders Semaja, Azarel, Milalai, Gilalai, Maai, Netanel, Jehuda, Chanani, met de muziekinstrumenten van David, de man Gods; en Ezra, de schriftgeleerde, liep voorop. NEH 12:37 Voorbij de Bronpoort gingen ze rechtdoor de trappen op van de Davidstad, daar waar de muur oploopt, en langs het paleis van David trokken ze naar de Waterpoort aan de oostkant. NEH 12:38 Het tweede koor trok in noordelijke richting. Daarin liep ik mee met de andere helft van de leiders van het volk. Het koor trok over de muur langs de Bakoventoren naar de Brede Muur NEH 12:39 en langs de Efraimpoort, de Oude Poort en de Vispoort langs de Chananeltoren en de Meatoren naar de Schaapspoort, en hield stil bij de Gevangenpoort. NEH 12:40 Beide koren stelden zich vervolgens op in de tempel; ook ik en met mij de helft van de magistraten namen er onze plaatsen in; NEH 12:41 alsook de priesters Eljakim, Maaseja, Minjamin, Michaja, Eljoenai, Zekarja, Chananja met hun trompetten; NEH 12:42 tenslotte Maaseja, Semaja, Elazar, Uzzi, Jochanan, Malkia, Elam en Ezer. Toen hieven de zangers een lied aan onder leiding van Jisrachja. NEH 12:43 Er werden talrijke offers gebracht en men vierde feest, want God had hen vervuld met een grote blijdschap. Ook de vrouwen en de kinderen deelden in de vreugde, en het gejubel in Jeruzalem was tot ver in de omtrek te horen. NEH 12:44 Bij die gelegenheid werden er magazijnmeesters aangesteld, verantwoordelijk voor de voorraden die gevormd werden uit de bijdragen, de eerstelingen en de tienden, en belast met de inning van het door de wet voorgeschreven aandeel van priesters en levieten in de opbrengst van de rond de stad gelegen velden. NEH 12:45 Want de priesters en levieten vervulden hun ambt tot grote tevredenheid van de Judeeërs: ze onderhielden hun verplichtingen jegens God en de reinheidsvoorschriften, en zangers en poortwachters hielden zich aan de bepalingen van David en zijn zoon Salomo. NEH 12:46 Want vroeger, in de dagen van David en Asaf, bestond reeds het ambt van koorleider en waren er lof- en dankliederen ter ere van God. NEH 12:47 Ten tijde van Zerubbabel en Nehemia bracht Israël de dagelijkse rantsoenen voor de zangers en de poortwachters op; zij schonken de gewijde gaven aan de levieten en de levieten op hun beurt gaven daarvan aan de zonen van Aäron hun deel. NEH 13:1 In die tijd las men eens ten aanhoren van heel het volk de plaats voor uit het boek van Mozes, waar geschreven staat dat nooit een Ammoniet of Moabiet toegelaten mag worden tot de gemeente van God, NEH 13:2 omdat zij de Israëlieten niet van brood en water hebben voorzien, maar Bileam tegen hen hebben gehuurd om ze te vervloeken; maar onze God heeft de vloek veranderd in zegen. NEH 13:3 Toen men deze bepaling vernam, zonderde men allen die tot een ander ras behoorden, van Israël af. NEH 13:4 Enige tijd voordien had Eljasib, de priester die over de voorraadkamers van de tempel was aangesteld, en die verwant was met Tobia, NEH 13:5 een groot vertrek voor hem ingericht, waar tevoren de spijsoffers, de wierook, het vaatwerk, de tienden van koren, most en olie, het rantsoen van levieten, zangers en poortwachters en de bijdragen voor de priesters opgeslagen waren. NEH 13:6 Ik was destijds niet in Jeruzalem, want in het tweeëndertigste regeringsjaar van Artachsasta, de koning van Babel, was ik naar de koning gegaan. Na verloop van tijd nam ik afscheid van de koning NEH 13:7 en keerde naar Jeruzalem terug. Daar ontdekte ik het misdrijf waaraan Eljasib zich schuldig had gemaakt door voor Tobia een vertrek in te richten in de voorhoven van de tempel. NEH 13:8 Ik was hevig verontwaardigd en liet al het huisraad van Tobia uit het vertrek verwijderen. NEH 13:9 Op mijn bevel werd het vertrek gereinigd en ik liet er weer het vaatwerk van de tempel, de spijsoffers en de wierook in onderbrengen. NEH 13:10 Ik vernam ook dat de rantsoenen voor de levieten niet afgedragen werden en dat de levieten en zangers die de eredienst moesten verzorgen, er vandoor waren gegaan, naar hun velden. NEH 13:11 Ik deed mijn beklag hierover bij de magistraten en zei: 'Waarom wordt de tempel zo verwaarloosd?' Ik riep allen terug en liet ze hun plaatsen weer innemen. NEH 13:12 En heel Juda kwam weer bij de voorraadkamers zijn tienden van koren, most en olie afdragen. NEH 13:13 Vervolgens stelde ik Selemja, de priester, Sadok, de schriftgeleerde, en uit de levieten Pedaja over de voorraadkamers aan, en wees Chanan, de zoon van Zakkur, de zoon van Mattanja, aan als hun helper. Zij stonden bekend als betrouwbare mannen. Het was hun taak alles onder hun broeders te verdelen. NEH 13:14 Mijn God, wees mij hierom indachtig en wis de goede daden niet uit die ik verricht heb voor de tempel van de eredienst! NEH 13:15 In die dagen bemerkte ik ook dat men in Juda op sabbat de wijnpers trad, dat men op ezels vrachten graan aanvoerde en ook wijn, druiven, vijgen en allerlei andere vrachten, en dat die op sabbat Jeruzalem binnenkwamen. Toen ze dat voedsel gingen verkopen gaf ik hun een waarschuwing. NEH 13:16 De Tyriers die in de stad woonden, voerden vis en allerlei koopwaar aan en verkochten dat op sabbat aan de joden in Jeruzalem. NEH 13:17 Ik beklaagde mij hierover bij de notabelen van Juda en zei hun: 'Beseft u niet hoe groot kwaad u doet door de sabbat te ontwijden? NEH 13:18 Hebben uw vaders ook niet dergelijke dingen gedaan en heeft onze God daarom niet al die rampen over ons en onze stad gebracht? En wilt u nu opnieuw toorn over Israël afroepen door de sabbat te schenden?' NEH 13:19 Toen het duister viel over de poorten van Jeruzalem en de sabbat aanbrak, beval ik de deuren te sluiten en ze niet te openen voordat de sabbat voorbij zou zijn. Ik plaatste mijn dienaren op de poorten om te voorkomen dat er op de sabbat koopwaar de stad zou binnenkomen. NEH 13:20 De kooplieden en handelaars in allerlei waar brachten een paar maal de nacht buiten de muren van Jeruzalem door. NEH 13:21 Ik gaf ze een waarschuwing: 'Waarom brengt u de nacht door voor de muur? Als u dit weer doet, laat ik u inrekenen.' Sindsdien zijn ze op de sabbat niet teruggekeerd. NEH 13:22 Ik gaf de levieten opdracht zich te reinigen en voortaan de poorten te bewaken en aldus te zorgen dat de sabbat niet meer werd ontheiligd. Mijn God, reken mij ook dit ten goede en heb medelijden met mij in uw grote barmhartigheid. NEH 13:23 In diezelfde tijd ontdekte ik joden die vrouwen uit Asdod, Ammon en Moab gehuwd hadden, NEH 13:24 en van wier kinderen de helft Asdoditisch of een van de twee andere talen sprak en niet in staat was Judees te spreken. NEH 13:25 Ik voer tegen hen uit en vervloekte ze; enigen van die mannen sloeg ik en ik trok ze de haren uit; ik dwong ze bij God te zweren dat ze hun dochters niet zouden uithuwen aan de zonen der omwonende volken en daaruit geen vrouwen zouden nemen voor hun eigen zonen of voor zichzelf, NEH 13:26 en zei tot hen: 'Heeft ook Salomo, de koning van Israël, zich niet hieraan schuldig gemaakt? Onder alle volken was er geen koning als hij; hij werd bemind door God en God heeft hem tot koning gemaakt over heel Israël. Maar zijn buitenlandse vrouwen hebben zelfs hem tot zonde verleid! NEH 13:27 Is het dan niet ongehoord dat ook u zich aan dit grote kwaad schuldig maakt en dat u ontrouw wordt aan onze God door buitenlandse vrouwen te huwen?' NEH 13:28 Een zoon van Jojada, de zoon van Eljasib, de hogepriester, was de schoonzoon van Sanballat, de Choroniet, ik heb hem verbannen. NEH 13:29 Vergeld hun, mijn God, want zij hebben hun priesterlijke ambt en hun verplichtingen als priester en leviet onteerd. NEH 13:30 Ik zuiverde hen van al wat ons vreemd is en vaardigde voor de priesters en de levieten dienstvoorschriften uit, voor ieder overeenkomstig zijn taak, NEH 13:31 alsook bepalingen voor de levering van hout op gezette tijden en voor het aanbieden van de eerstelingen. Mijn God, reken het mij ten goede. TOBIT TOB 1:1 De geschiedenis van Tobit, de zoon van Tobiël, de zoon van Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon van Gabaël, uit het geslacht van Asiël, uit de stam van Naftali, TOB 1:2 die onder de regering van Enemessar, de koning van Assyrië, in ballingschap werd weggevoerd uit Tisbe, gelegen ten zuiden van Kydios naftali in Galilea en ten noorden van Aser. TOB 1:3 Ik, Tobit, heb heel mijn leven de weg van waarheid en gerechtigheid bewandeld; ik heb veel aalmoezen gegeven aan mijn stam en volksgenoten, die met mij naar Nineve in Assyrië getrokken waren. TOB 1:4 In mijn jeugd, toen ik nog in Israël, mijn vaderland woonde, had heel de stam van mijn voorvader Naftali zich afgescheiden van het heiligdom in Jeruzalem, de stad die uit alle stammen van Israël was uitverkoren als de plaats waar zij allen moesten offeren en waar de tempel stond, die gewijd was tot woning van de Allerhoogste en gebouwd voor alle geslachten tot in eeuwigheid. TOB 1:5 Alle afvallige stammen offerden aan het stierebeeld van Baäl, ook het huis van mijn voorvader Naftali. TOB 1:6 Maar ik alleen trok met de feestdagen menigmaal naar Jeruzalem, zoals het krachtens eeuwig gebod aan heel Israël is voorgeschreven, met de eerstelingen en tienden van het veldgewas en de eerste schapenwol. TOB 1:7 Die gaf ik aan de priesters, de zonen van Aäron, die aan het altaar dienst deden. Aan de levieten die in Jeruzalem werkzaam waren gaf ik een tiende van mijn veldgewas. Een tweede tiende maakte ik te gelde en daarvan deed ik mijn jaarlijkse inkopen in Jeruzalem. TOB 1:8 Een derde tiende gaf ik aan degenen die er recht op hadden, zoals Debora, de moeder van mijn vader, het mij had ingeprent. Ik was namelijk na de dood van mijn vader als wees achtergebleven. TOB 1:9 Eenmaal volwassen geworden, trouwde ik met Anna, die uit onze eigen familie stamde. Bij haar kreeg ik Tobias. TOB 1:10 Toen ik weggevoerd was naar Nineve, aten al mijn stam- en volksgenoten het voedsel der heidenen. TOB 1:11 Maar ik wachtte me ervoor dat te doen, TOB 1:12 omdat ik God van ganser harte toegedaan was. TOB 1:13 De Allerhoogste zorgde dat ik in de gunst kwam bij Enemessar en zijn vertrouwen won, zodat hij mij inkoper van het hof maakte. TOB 1:14 Geregeld reisde ik naar Medië. Te Rages in Medië gaf ik eens tien talenten zilver in bewaring aan Gabaël, de broer van Gabria. TOB 1:15 Toen Enemessar stierf, werd hij opgevolgd door zijn zoon Sennacherim. Op hem was geen staat te maken en aan reizen naar Medië viel niet meer te denken. TOB 1:16 Onder Enemessar had ik vaak de nood van mijn volksgenoten verlicht. TOB 1:17 Brood gaf ik aan de hongerigen en kleren aan de naakten; zag ik het lijk van een volksgenoot buiten de muren van Nineve liggen, dan begroef ik het. TOB 1:18 Ook degenen die koning Sennacherim na zijn vlucht uit Juda had laten ombrengen, begroef ik in het geheim. Om zijn woede te koelen had hij immers velen ter dood gebracht. Toen de koning naar de lijken liet zoeken vond men niets. TOB 1:19 Maar iemand uit Nineve bracht mij bij de koning aan, waarop ik mij verborg. Doch toen ik erachter kwam dat men mij zocht te doden, nam ik uit angst de vlucht. TOB 1:20 Al mijn bezittingen werden in beslag genomen; niets bleef me over dan mijn vrouw Anna en mijn zoon Tobias. TOB 1:21 Nog geen vijftig dagen later werd Sennacherim vermoord door twee van zijn zoons; deze namen daarop de wijk naar het Araratgebergte. Zijn zoon Sacherdon volgde hem op. Hij belastte Achiacharus, de zoon van mijn familielid Anaël, met al de financiële aangelegenheden van het koninkrijk en met het hele beheer. TOB 1:22 Achiacharus had een hoge achting voor mij, zodat ik naar Nineve kon terugkeren. Achiachar was immers schenker, zegelbewaarder, kanselier en schatmeester en was in deze functies door Sacherdon herbenoemd. Hij was een neef van mij. TOB 2:1 Toen ik weer in het bezit van mijn huis gekomen was en mijn vrouw Anna en mijn zoon Tobias me waren teruggegeven, werd ter ere van mij op pinksteren, het wekenfeest, een feestmaal aangericht. Toen ik aan tafel ging TOB 2:2 en de vele gerechten zag, zei ik tot mijn zoon: 'Ga eens kijken of je ergens een arme, godvrezende volksgenoot vindt. Breng hem dan mee; ik wacht op je.' TOB 2:3 Hij kwam terug met de boodschap: 'Vader, op de markt ligt een volksgenoot van ons, die ze gewurgd hebben.' TOB 2:4 Ik liet de spijzen onaangeroerd, sprong op en droeg het lijk naar een schuurtje, waar ik het liet liggen tot zonsondergang. TOB 2:5 Thuis gekomen waste ik me en gebruikte in droefheid de maaltijd. TOB 2:6 Ik moest denken aan wat de profeet Amos gezegd heeft: Verkeren zullen uw feesten in rouw en al uw vreugden in gejammer. En ik kon mijn tranen niet bedwingen. TOB 2:7 Toen de zon was ondergegaan dolf ik een graf en begroef het lijk. TOB 2:8 Mijn buren maakten zich er vrolijk over: 'Hij ziet er niet eens meer tegenop, zijn leven op het spel te zetten; hij is al eens moeten vluchten, maar hij gaat gewoon door met doden begraven!' TOB 2:9 Toen ik de dode begraven had en 's nachts thuiskwam, legde ik me, omdat ik onrein was, te ruste langs de muur van de binnenplaats, zonder mijn gezicht te bedekken. TOB 2:10 Ik had niet gemerkt dat er mussen op de muur zaten. Ik had mijn ogen nog open en op een gegeven moment viel er mussendrek in. Ik kreeg witte vlekken in mijn ogen. Ik ging naar verschillende artsen, maar ze konden mij niet helpen. Achiacharus voorzag in mijn onderhoud totdat hij naar Elymes vertrok. TOB 2:11 Mijn vrouw Anna probeerde toen met handwerken geld te verdienen. TOB 2:12 Op een keer kreeg ze van de klanten aan wie ze geregeld werk afleverde, bij de betaling een bokje ten geschenke. TOB 2:13 Toen ze daarmee thuiskwam begon het te mekkeren. Ik vroeg Anna: 'Waar komt het bokje vandaan? Het is toch niet gestolen? Breng het terug naar de eigenaar, want het is niet geoorloofd iets te eten dat gestolen is.' TOB 2:14 Zij antwoordde: 'Ik heb het bij mijn loon ten geschenke gekregen.' Maar ik geloofde haar niet en beval haar het bokje aan de eigenaar terug te geven. Ik schaamde me over haar. Maar zij wierp me tegen: 'Waar blijf jij met je aalmoezen en je goede werken? Nu komt je ware aard aan het licht.' TOB 3:1 Van verdriet barstte ik in tranen uit en bad in droefheid; TOB 3:2 'Rechtvaardig zijt Gij, Heer, en al uw werken en heel uw beleid getuigen van uw barmhartigheid en trouw en als Gij oordeelt zijt Gij trouw en rechtvaardig tot in eeuwigheid. TOB 3:3 Wees mij indachtig en zie op mij neer. Straf mij niet om wat ikzelf en mijn voorvaderen bewust of onbewust tegen U misdaan hebben. TOB 3:4 Zij hebben zich aan uw geboden niet gestoord. Daarom hebt Gij ons prijsgegeven aan plundering, gevangenschap en dood, en aan de spot en hoon van alle volken waaronder wij verstrooid zijn. TOB 3:5 Ook nu zijn al uw beschikkingen billijk, omdat Gij mij behandelt naar mijn eigen zonden en die van mijn voor vaderen. Wij hebben uw geboden immers niet onderhouden en hebben ons niet trouw betoond jegens U. TOB 3:6 Doe daarom met mij wat U goeddunkt. Neem mijn levensadem terug, zodat ik ontbonden word en tot aarde verga. Want de dood is me liever dan het leven, nu ik onverdiend gehoond word en in grote droefheid verkeer. Laat me eindelijk, uit deze benauwenis bevrijd, gaan naar de eeuwige woonplaats. Wend uw aangezicht niet van me af.' TOB 3:7 Diezelfde dag gebeurde het dat Sara, de dochter van Raguël, die in Ekbatana in Medië woonde, beledigd werd door de dienstmeisjes van haar vader. TOB 3:8 Zij was namelijk al aan zeven mannen ten huwelijk gegeven, maar de boze demon Asmodaus had hen gedood nog voor ze gemeenschap met haar hadden gehad. En nu zeiden de dienstmeisjes haar: 'Bent u soms niet goed wijs, dat u die mannen van u wurgt? Zeven hebt u er al gehad, maar met geen een uw voordeel gedaan. TOB 3:9 Daarom hoeft u ons toch niet te slaan? Zijn zij gestorven, gaat u ze dan maar achterna. Dat we nooit in der eeuwigheid een zoon of dochter van u te zien krijgen.' TOB 3:10 Door die woorden werd Sara zo geschokt dat ze zich wilde verhangen. Maar toen dacht ze: 'Ik ben mijn vaders enige kind. Als ik dat doe krijgt hij de schande te dragen en breng ik hem op zijn oude dag van verdriet in het dodenrijk.' TOB 3:11 En ze bad bij het venster: 'Gezegend zijt Gij, Heer mijn God, en gezegend is uw heilige en heerlijke naam de eeuwen door. Dat al uw werken U in eeuwigheid prijzen. TOB 3:12 Welnu, Heer, ik richt mijn ogen naar U. TOB 3:13 Haal me weg van de aarde, Heer, zodat ik geen beledigingen meer hoef te horen. TOB 3:14 Gij weet, Heer, dat ik nooit met een man gezondigd heb TOB 3:15 en dat ik mijn naam noch die van mijn vader heb onteerd in het land waar ik als balling leef. Ik ben mijn vaders enig kind. Hij heeft geen zoon als erfgenaam, noch een naaste bloedverwant voor wie of wiens zoon ik mezelf beschikbaar zou moeten houden. Al zeven mannen zijn me ontvallen. Waarom zou ik nog langer leven? Maar als het U niet behaagt me te laten sterven, zie dan op mij neer en ontferm U over mij, zodat ik geen belediging meer hoef te horen.' TOB 3:16 Hun beiden gebed vond verhoring voor de heerlijke troon van de Allerhoogste. TOB 3:17 En Rafaël werd gezonden om hen beide te genezen, om de witte vlekken van Tobits ogen weg te nemen, Sara, de dochter van Raguël, aan Tobias, de zoon van Tobit, tot vrouw te geven en om de boze demon Asmodaus in boeien te slaan. Want het was voor Tobias weggelegd om Sara tot vrouw te krijgen. Op hetzelfde ogenblik dat Tobit zijn huis weer binnenging, kwam Sara van haar dakkamer naar beneden. TOB 4:1 Die dag herinnerde Tobit zich, dat hij aan Gabaël te Rages in Medië geld in bewaring had gegeven. TOB 4:2 Hij zei bij zichzelf: 'Ik heb gebeden om de dood. Waarom dus mijn zoon Tobias niet geroepen om hem voor ik sterf op de hoogte te stellen?' TOB 4:3 Hij riep hem en begon: 'Mijn zoon, als ik gestorven zal zijn, begraaf me dan. Minacht je moeder niet, maar houdt haar in ere zolang je leeft. Wees haar ter wille en bedroef haar niet. TOB 4:4 Vergeet niet, mijn zoon, dat zij om jou veel gevaren heeft verduurd, toen ze jou in haar schoot droeg. Als zij gestorven is, begraaf haar dan naast mij in het zelfde graf. TOB 4:5 Wees steeds, mijn zoon, de Heer onze God indachtig en wacht je ervoor zijn geboden te overtreden. Beoefen heel je leven de gerechtigheid en bewandel niet de wegen van het onrecht. TOB 4:6 Want als je plichtsgetrouw handelt, ligt bij al wat je onderneemt de weg naar het welslagen open, zoals voor allen die de gerechtigheid beoefenen. TOB 4:7 Geef aalmoezen van wat je bezit en als je aalmoezen geeft, doe het dan zonder bedenken. Keer geen enkele arme de rug toe, dan zal God zijn aangezicht nooit van jou afkeren. TOB 4:8 Als je overvloed hebt, geef dan overvloedig aalmoezen; heb je weinig, wees dan niet bang om wat van dat weinige nog uit te delen. TOB 4:9 Dat is de beste belegging voor de tijd van nood. TOB 4:10 Want de aalmoes redt van de dood en verspert de weg naar de duisternis. TOB 4:11 Ze wordt alle gevers door de Allerhoogste aangerekend als een welgevallige offergave. TOB 4:12 Houd je verre, mijn zoon, van alle ontucht. Zorg ervoor een vrouw te nemen uit het geslacht van je voorvaders. Neem geen vreemde vrouw, een die niet uit de stam van je vader is. Wij zijn immers afstammelingen van profeten; herinner je Noach, Abraham, Isaak en Jakob, onze voorvaderen van oudsher: zij allen namen vrouwen uit hun verwanten en zij werden gezegend in hun kinderen en hun nageslacht zal het land bezitten. TOB 4:13 Houd dus ook van je volk, mijn zoon; acht jezelf niet verheven boven je volksgenoten, boven de zonen en dochters van je volk en neem gerust een vrouw uit hun midden. Hoogmoed leidt immers tot rampspoed en algehele ontreddering, en lediggang tot gebrek en ontbering. Want van lediggang komt honger. TOB 4:14 Het loon van de arbeider die voor je werkt mag je niet vasthouden tot de volgende morgen, maar je moet het prompt uitbetalen. Want als jij God dient, zal het jou ook vergolden worden. Neem je in acht, mijn zoon, bij al wat je doet en gedraag je als een welopgevoed man. TOB 4:15 Wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet. Bedrink je niet aan wijn en ga niet als een dronkaard door het leven. TOB 4:16 Deel je brood met de hongerige en je kleren met de naakte. Besteed al wat je overhebt zonder bedenken aan aalmoezen. TOB 4:17 Leg je brood op het graf van de rechtvaardige, maar geef het niet aan de zondaars. TOB 4:18 Win de raad in van wijze mensen en sla hun goede raad niet in de wind. TOB 4:19 Prijs onder alle omstandigheden God de Heer en vraag hem dat je altijd de rechte weg mag bewandelen en dat al wat je onderneemt tot een goed einde geraakt. Want geen mens heeft iets te beschikken, maar Hij, de Heer, geeft alle goeds aan wie Hij wil en wie Hij wil vernedert Hij, al naar het Hem goeddunkt. Wees daarom, mijn zoon, mijn vermaningen indachtig en prent ze onuitwisbaar in je hart. TOB 4:20 Nu heb ik je nog iets te zeggen. Ik heb aan Gabaël, de broer van Gabria, die in Rages in Medië woont, tien talenten zilver in bewaring gegeven. TOB 4:21 Maak je niet bezorgd, mijn zoon, over de armoede waartoe we vervallen zijn: je bezit een groot vermogen, als je God vreest, je verre houdt van alle zonde en doet wat Hem behaagt.' TOB 5:1 Daarop antwoordde Tobias: 'Vader, ik zal al uw vermaningen ter harte nemen. TOB 5:2 Maar hoe kan ik dat geld krijgen, aangezien ik die man niet ken?' TOB 5:3 Tobit gaf hem toen het ontvangstbewijs en zei hem: 'Zoek een reisgezel. Ik zal hem zijn loon geven, als ik zolang nog leef. TOB 5:4 Ga nu op weg en haal het geld.' TOB 5:5 Tobias ging iemand zoeken en hij vond Rafaël; dit was een engel, maar Tobias wist dat niet. Hij vroeg hem: 'Zoudt u met mij naar Rages in Medië kunnen reizen? Bent u in die streken bekend?' TOB 5:6 Waarop de engel antwoordde: 'Ja, ik ken de weg en ik heb er eens overnacht bij onze landgenoot Gabaël.' TOB 5:7 Hierop zei Tobias: 'Blijf op me wachten, dan ga ik het mijn vader vertellen.' TOB 5:8 De engel antwoordde: 'Doe dat, maar maak het niet te lang.' TOB 5:9 Zo kwam Tobias bij zijn vader met de boodschap: 'Vader, ik heb iemand gevonden die met me mee wil reizen.' Daarop zei Tobit: 'Vraag hem, bij me te komen; ik wil weten uit welke stam hij komt en of het iemand is met wie je gerust op reis kunt gaan.' TOB 5:10 Tobias ging hem halen. Rafaël kwam binnen en zij begroetten elkaar. TOB 5:11 Toen vroeg Tobit: 'Broeder, mag ik u vragen: uit welke stam bent u en uit welke familie?' TOB 5:12 Maar Rafaël antwoordde: 'Gaat het u om dingen als stam en familie of iemand die u wilt huren om uw zoon op reis te vergezellen?' Daarop zei Tobit: 'Ik zou toch graag weten, broeder, tot welke familie u hoort en hoe u heet.' TOB 5:13 Toen zei hij: 'Ik ben Azarias, de zoon van de grote Ananias, een volksgenoot.' TOB 5:14 Daarop zei Tobit hem: 'Wees welkom, broeder. Neem me niet kwalijk dat ik gevraagd heb naar uw stam en familie. U bent dus een volksgenoot van me, uit een aanzienlijk en voornaam geslacht. Want Ananias en Jatan, de zonen van de grote Simi, heb ik goed gekend toen we nog samen op bedevaart gingen naar Jeruzalem met de eerstelingen en tienden van de oogst. Zij zijn de dwaalwegen van ons volk niet gegaan. U bent van edele afkomst, broeder. TOB 5:15 Maar laat nu eens horen: hoe veel loon moet ik u geven? Een drachme per dag benevens de kosten van levensonderhoud voor u en mijn zoon? TOB 5:16 Als jullie gezond en wel terug zijn, geef ik u nog een toelage boven uw loon.' TOB 5:17 Aldus werd overeengekomen. Vervolgens zei hij tot Tobias: 'Maak je klaar voor de tocht. Ik hoop dat jullie een voorspoedige reis mogen hebben.' Toen zijn zoon zich voor de reis gereed maakte, zei zijn vader: 'Ga nu met die man op reis. Dat God, die in de hemel woont, jullie langs de goede weg geleide en moge zijn engel jullie vergezellen.' En beiden begaven zich op weg. De hond van Tobias ging met hen mee. TOB 5:18 Maar Anna, zijn moeder, kon haar tranen niet bedwingen en zei tot Tobit: 'Waarom heb je onze jongen op reis gestuurd? Was hij niet de stut voor onze hand, zolang hij hier bij ons leefde? TOB 5:19 Geld is ook maar geld. Bij onze jongen vergeleken mag het niet meer zijn dan slijk. TOB 5:20 Wat de Heer ons gegeven heeft om van te leven, dat is ons genoeg.' TOB 5:21 Tobit gaf haar ten antwoord: 'Maakt je toch geen zorgen, zuster. Hij zal gezond en wel terugkomen en jouw ogen zullen hem weer zien. TOB 5:22 Een goede engel trekt immers met hem mee; zijn reis zal voorspoedig zijn en behouden keert hij terug.' TOB 5:23 Toen droogde ze haar tranen. TOB 6:1 Op hun reis hadden Tobias en Rafaël tegen de avond de rivier de Tigris bereikt. Daar wilden ze overnachten. TOB 6:2 De jongeman liep de rivier in om zich te baden, toen er opeens een vis uit het water opdook en hem dreigde te verslinden. TOB 6:3 Maar de engel riep hem toe: 'Grijp hem!' waarop de jongen de vis greep en op het droge wierp. TOB 6:4 De engel vervolgde: 'Snijd de vis open, haal het hart, de lever en de gal eruit en berg die goed op.' TOB 6:5 En de jongeman deed wat de engel hem zei. Daarna bakten ze de vis en gingen eten. TOB 6:6 Samen zetten zij hun reis naar Ekbatana voort. TOB 6:7 Onderweg vroeg de jongeman aan de engel: 'Broeder Azarias, waarvoor dienen de lever, het hart en de gal van de vis?' TOB 6:8 Hij antwoordde: 'Als een man of een vrouw geplaagd wordt door een demon of boze geest, moet je het hart en de lever verbranden. Door de rook zal de betrokken persoon van zijn plaag verlost zijn. TOB 6:9 En de gal moet je gebruiken als zalf voor iemand die witte vlekken op zijn ogen heeft; dan zal hij genezen.' TOB 6:10 Toen ze Rages naderden TOB 6:11 zei de engel tot de jongeman: 'Broeder, vandaag zullen we te gast zijn bij Raguël. Hij is familie van jou. Hij heeft maar een kind, een dochter, die Sara heet. TOB 6:12 Ik zal Raguël voorstellen, haar jou tot vrouw te geven. Aangezien jij haar enige bloedverwant bent, komt het jou toe haar tot vrouw te krijgen. Het is een mooi en verstandig meisje. TOB 6:13 Luister goed: Ik praat dus met haar vader. En voordat we uit Rages vertrekken vieren we de bruiloft. Want ik ben er zeker van dat Raguël, getrouw aan de wet van Mozes, zijn dochter nooit aan een niet jood ten huwelijk zal geven: het zou hem zijn leven kosten. Eerder dan wie ook kom jij in aanmerking om haar tot vrouw te nemen.' TOB 6:14 Daarop zei de jongeman tot de engel: 'Broeder Azarias, ik heb gehoord dat het meisje is gegeven aan zeven mannen en dat die allemaal in het bruidsvertrek zijn omgekomen. TOB 6:15 Ik ben mijn vaders enige zoon en ik ben bang dat ik, als ik het bruidsvertrek binnentreed, mijn voorgangers in de dood zal volgen. Want een demon is verliefd op haar en die doet niemand kwaad behalve hun die haar willen naderen. Ik ben dus bang dat het mij het leven kost en dat ik zo mijn vader en moeder van verdriet om mij in het graf breng. En zij hebben geen andere zoon om hen te begraven.' TOB 6:16 Maar de engel hernam: 'Je bent toch niet vergeten, dat je vader je op het hart heeft gedrukt een vrouw te nemen uit je eigen volk? Luister naar me, broeder: zij zal jouw bruid worden. En maak je over die demon geen zorg: vanavond zal zij jou ten huwelijk worden gegeven. TOB 6:17 Als je het bruidsvertrek binnengaat, pak dan de wierookpan en leg een stukje van het hart en de lever van de vis op de gloeiende as. Als de demon de rook ruikt slaat hij op de vlucht, om nooit meer terug te komen. TOB 6:18 Maar wanneer je dan tot haar wilt gaan, roep dan samen staande de genadige God aan. Hij zal jullie in bescherming nemen en zich over jullie ontfermen. Wees niet bang, want zij is voor jou bestemd van eeuwigheid af. Jij zult haar gelukkig maken. Met jou zal ze meegaan en ik neem aan, dat je van haar kinderen zult krijgen.' TOB 6:19 Bij het horen van deze woorden vatte Tobias een grote genegenheid op voor Sara en voelde hij zich innig met haar verbonden. TOB 7:1 Ze kwamen in Ekbatana aan en begaven zich naar de woning van Raguël. Sara kwam hun tegemoet. Nadat ze elkaar hadden begroet, nodigde zij hen uit binnen te komen. TOB 7:2 Raguël zei tot zijn vrouw Edna: 'Wat lijkt die jongeman toch op mijn neef Tobit!' TOB 7:3 Daarom vroeg hij hun: 'Waar komt u vandaan, broeders?' Ze zeiden: 'Wij zijn van de stam Naftali en leven in ballingschap in Nineve.' TOB 7:4 'Kent u dan onze bloedverwant Tobit?' Zij antwoordden: 'Ja zeker.' TOB 7:5 'Maakt hij het goed?' Zij antwoordden: 'Hij is nog in leven en maakt het goed.' Tobias voegde eraan toe: 'Hij is mijn vader.' TOB 7:6 Toen sprong Raguël op, viel hem om de hals, brak in tranen uit en prees hem gelukkig met de woorden: 'Dan ben je de zoon van een nobel en voortreffelijk man.' Maar toen hij hoorde dat Tobit blind geworden was, werd hij tot tranen bewogen. TOB 7:7 Ook zijn vrouw Edna en zijn dochter Sara schreiden. Tobias en Rafaël werden met grote hartelijkheid opgenomen. TOB 7:8 Men slachtte een schaap en zette hun een welvoorziene tafel voor. TOB 7:9 Toen zei Tobias tot Rafaël: 'Broeder Azarias, als je nu eens ter sprake bracht waar je het onderweg over gehad hebt. De zaak moet haar beslag krijgen.' TOB 7:10 Rafaël deelde Raguël mee wat ze besproken hadden. Daarop richtte deze zich tot Tobias met de woorden: 'Eet en drink en laat het je goed smaken. Jou komt het immers toe om mijn dochter tot vrouw te krijgen. Maar ik moet je wel de waarheid vertellen. TOB 7:11 Ik heb mijn kind al aan zeven mannen gegeven. Maar in de nacht dat ze tot haar wilden gaan, zijn ze om het leven gekomen. Maar kom, doe je nu te goed.' TOB 7:12 Doch Tobias antwoordde: 'Ik zal hier niets meer van gebruiken voordat de zaak haar beslag gekregen heeft.' Daarop zei Raguël: 'Neem haar dan nu tot vrouw, overeenkomstig de wet. Jij bent aan haar verwant, zij behoort aan jou. Moge de barmhartige God jullie een mooie toekomst geven.' TOB 7:13 Toen riep hij zijn dochter Sara, nam haar bij de hand en gaf haar aan Tobias tot vrouw met de woorden: 'Hier is mijn dochter, neem haar volgens de wet van Mozes tot vrouw en ga met haar naar je vader.' En hij zegende hen. TOB 7:14 En nadat hij ook zijn vrouw Edna erbij geroepen had, nam hij een blad papier en maakte de huwelijksovereenkomst op, die zij met hun zegel bekrachtigden. Toen begonnen ze aan de maaltijd. TOB 7:15 Daarna riep Raguël zijn vrouw Edna en zei haar: 'Zuster, maak de andere kamer gereed en breng Sara daar binnen.' TOB 7:16 Ze deed wat hij gevraagd had. Toen ze Sara in de kamer bracht begon het meisje te schreien, maar Edna droogde de tranen van haar dochter en zei: 'Wees flink, mijn kind. De Heer van hemel en aarde zal je na al je verdriet zijn genade betonen. Wees flink, mijn dochter.' TOB 8:1 Na de maaltijd leidden ze Tobias naar Sara. TOB 8:2 Bij het binnengaan dacht Tobias aan wat Rafaël gezegd had. Hij pakte de wierookpan en legde het hart van de vis en de lever op de gloeiende as en er ontstond rook. TOB 8:3 Toen de demon de rook bemerkte, nam hij de wijk naar Opperegypte, waar de engel hem in boeien sloeg. TOB 8:4 Toen het paar in de kamer alleen was, kwam Tobias van het bed overeind en zei: 'Sta op, zuster, laten we bidden dat de Heer zich over ons ontferme.' TOB 8:5 En Tobias bad: 'Gezegend zijt Gij, God van onze vaderen en gezegend is uw heilige en heerlijke naam door de eeuwen heen. Mogen de hemelen en alle schepselen U prijzen. TOB 8:6 Gij hebt Adam gemaakt en hem Eva, zijn vrouw, tot hulp en stut gegeven. Uit hen is het menselijk geslacht voortgekomen. Gij hebt gezegd: Het is niet goed dat de mens alleen is; laten we een hulp voor hem maken die bij hem past. TOB 8:7 Welnu, Heer, als ik mijn zuster hier tot me neem, ga ik geen ongeoorloofde verbinding aan, maar ben ik trouw aan uw wet. Betoon mij uw barmhartigheid en laat mij aan haar zijde oud worden.' TOB 8:8 En Sara zei: 'Amen.' TOB 8:9 Daarop brachten zij samen de nacht door. TOB 8:10 Maar 's nachts stond Raguël op en ging een graf delven, want hij was bang dat ook Tobias gestorven was. TOB 8:11 Weer in huis gekomen TOB 8:12 zei Raguël tegen zijn vrouw Edna: 'Laat een van de dienstmeisjes eens gaan kijken of hij nog leeft. Zo niet, dan kunnen we hem begraven zonder dat iemand het merkt.' TOB 8:13 De dienstbode opende de deur, ging naar binnen en zag dat beiden sliepen. TOB 8:14 Zij ging weer naar buiten en meldde dat hij leefde. TOB 8:15 Daarop loofde Raguël God: 'Wees gezegend, God, met de zuiverste en heiligste zegeningen. Mogen uw heiligen en al uw schepselen U loven en dat al uw engelen en uitverkorenen U zegenen, alle eeuwen door. TOB 8:16 Gezegend zijt Gij, omdat Gij mij verblijd hebt: mij is niet overkomen wat ik duchtte, maar Gij hebt met ons gehandeld naar uw grote barmhartigheid. TOB 8:17 Gezegend zijt Gij, dat Ge u ontfermd hebt over twee eniggeborenen. Betoon hun uw barmhartigheid, Heer. Laat hun leven verlopen in gezondheid, vreugde en welzijn.' TOB 8:18 Vervolgens gaf hij zijn knechts opdracht de grafkuil dicht te gooien. TOB 8:19 Daarna richtte hij voor het paar een bruiloft aan van veertien dagen lang. TOB 8:20 Voordat de bruidsdagen voorbij waren, bezwoer Raguël Tobias om pas te vertrekken als de veertien bruiloftsdagen verstreken waren. TOB 8:21 Dan zou hij de helft van zijn vermogen ontvangen en gezond en wel naar zijn vader kunnen terugkeren.' De rest,' zei hij,' krijg je als ik en mijn vrouw gestorven zijn.' TOB 9:1 Tobias riep Rafaël en zei hem: TOB 9:2 'Broeder Azarias, ga met een slaaf en twee kamelen op weg naar Rages in Medië, naar Gabaël, haal het geld en nodig hem uit op de bruiloft. TOB 9:3 Want Raguël heeft mij bezworen niet weg te gaan TOB 9:4 en mijn vader telt de dagen; hoe langer ik wegblijf, des te zwaarder valt het hem.' TOB 9:5 Rafaël ging op weg en overnachtte bij Gabaël. Hij overhandigde hem het ontvangstbewijs, waarop Gabaël de verzegelde zakjes haalde en ze aan Rafaël ter hand stelde. TOB 9:6 Voor dag en dauw stonden ze samen op en begaven zich ter bruiloft. En Gabaël sprak een zegenwens uit over Tobias en zijn vrouw. TOB 10:1 Intussen telde zijn vader Tobit de dagen. En toen de tijd dat de reis zou duren verstreken was en zij maar niet terugkwamen, TOB 10:2 dacht hij: 'Als ze maar niet in moeilijkheden geraakt zijn! Wie weet is Gabaël gestorven en is er niemand om het geld aan mijn zoon te overhandigen.' TOB 10:3 Hij maakte zich erg ongerust. TOB 10:4 Zijn vrouw zei tegen hem: 'De jongen is zeker verongelukt, dat hij zo lang wegblijft.' En ze begon over hem te treuren: TOB 10:5 'Hoe heb ik het over mijn hart kunnen krijgen, mijn kind, jou te laten gaan, jou, het licht van mijn ogen!' TOB 10:6 Tobit sprak tot haar: 'Wees nu maar stil, maak je geen zorgen, hij maakt het goed.' TOB 10:7 Maar zij antwoordde: 'Zwijg toch, je hoeft me niets wijs te maken. Mijn jongen is verongelukt.' En iedere dag liep ze de stad uit, naar de weg waarlangs hij vertrokken was. Overdag at ze niet en 's nachts hield ze niet op te treuren over haar zoon Tobias. Intussen verliepen de veertien dagen van de bruiloft die Tobias op aandringen van Raguël daar doorbracht. TOB 10:8 Daarna zei Tobias tot Raguël: 'Laat me vertrekken, want ik vrees dat mijn vader en moeder de hoop hebben opgegeven mij terug te zien.' TOB 10:9 Maar zijn schoonvader antwoordde: 'Blijf nog bij me. Ik zal je vader laten weten hoe je het maakt.' Tobias echter hield aan: 'Laat me toch naar mijn vader teruggaan.' TOB 10:10 Toen stond Raguël op en gaf hem met Sara, zijn vrouw, de helft van zijn bezit mee: slaven, vee en geld. TOB 10:11 Bij het afscheid sprak hij de zegenwens: 'Moge de God des hemels jullie voorspoed schenken, kinderen, zodat ik zonder zorg kan sterven.' TOB 10:12 Tot zijn dochter zei hij: 'Eer je schoonouders. Voortaan zijn zij jouw ouders. Ik hoop goed nieuws van je te horen.' En hij kuste haar. TOB 10:13 Daarop sprak Edna tot Tobias: 'Lieve neef, moge de Heer des hemels je veilig naar huis geleiden en moge Hij mij de kinderen van jou en van mijn dochter Sara laten aanschouwen. Dan zal ik me verheugen in de heer. Ik vertrouw je mijn dochter toe; doe haar geen verdriet aan.' TOB 10:14 Toen vertrok Tobias, terwijl hij God prees, die zijn tocht had doen slagen, en Raguël en zijn vrouw alle goeds toewenste. TOB 11:1 Toen zij Nineve naderden zei Rafaël tot Tobias: TOB 11:2 'Je weet in welke toestand je vader zich bevond toen wij vertrokken. TOB 11:3 Laten wij vooruit reizen en thuis alles in orde maken voordat je vrouw aankomt. TOB 11:4 Zorg dat je de gal van de vis bij de hand hebt.' Ze reisden dus door, gevolgd door de hond. TOB 11:5 Intussen zat Anna aan de weg uit te kijken naar haar zoon. TOB 11:6 Op een gegeven ogenblik zag zij hem aankomen en ze meldde zijn vader: 'Daar komt je zoon aan en ook de man die met hem meegegaan is.' TOB 11:7 Rafaël zei tot Tobias: 'Ik ben er zeker van dat je vader het gezicht weer terugkrijgt. TOB 11:8 Strijk de gal op zijn ogen. Zodra ze gaan steken, moet hij zich in de ogen wrijven tot de witte vlekken verdwenen zijn en dan zal hij jou zien.' TOB 11:9 Anna was inmiddels toegesneld; ze viel haar zoon om de hals en riep uit: 'Eindelijk zie ik je dan weer, mijn jongen! Nu kan ik sterven.' En beiden schreiden. TOB 11:10 Tobit zocht tastend zijn weg naar de deur. Zijn zoon liep op hem toe, TOB 11:11 nam hem bij de arm, streek de gal op zijn ogen en zei: 'Moed houden, vader.' TOB 11:12 Zodra zijn ogen begonnen te steken wreef Tobit ze uit en als vliesjes vielen de witte vlekken uit de ooghoeken. TOB 11:13 En toen hij zijn zoon zag, viel hij hem om de hals en zei onder tranen: TOB 11:14 'Gezegend zijt Gij, God, en gezegend uw heilige naam tot in eeuwigheid en gezegend al uw heilige engelen. Gij hebt me gekastijd, maar Gij schenkt me weer genade, nu ik mijn zoon Tobias aanschouw.' TOB 11:15 Opgetogen ging nu zijn zoon naar binnen en verhaalde zijn vader van al het wonderbaarlijke dat hem in Medië was overkomen. TOB 11:16 Daarop ging Tobit jubelend en God prijzend naar buiten, naar de poort van Nineve, om de bruid van zijn zoon te begroeten. Allen die hem zagen lopen verbaasden zich erover dat hij kon zien. En Tobit verklaarde dat hij dat dankte aan Gods genade. TOB 11:17 Toen Tobit bij zijn schoondochter gekomen was, begroette hij haar, zeggend: 'Wees welkom, dochter. Gezegend is God, die jou tot ons heeft gebracht en gezegend zijn je vader en moeder.' TOB 11:18 En al Tobits volksgenoten in Nineve deelden in de vreugde. TOB 11:19 Achiachar en zijn neef Nasbas kwamen ook en zeven dagen lang vierde men in blijdschap het huwelijk van Tobias. TOB 12:1 Tobit riep zijn zoon Tobias en zei hem: 'Zorg voor de uitbetaling van je reisgezel. En je moet hem nog iets extra's geven.' TOB 12:2 'Vader,' antwoordde Tobias,' ik zou het niet onbillijk vinden hem zelfs de helft van wat ik heb meegebracht te geven. TOB 12:3 Hij heeft mij immers behouden bij u teruggebracht, mijn vrouw genezen, het geld voor mij gehaald en u eveneens genezen.' TOB 12:4 De oude man antwoordde: 'Daar heeft hij recht op.' TOB 12:5 Daarna riep hij de engel en zei hem: 'Wees zo goed, de helft aan te nemen van al wat jullie hebben meegebracht.' TOB 12:6 Toen nam de engel hen beiden ter zijde en zei: 'Loof God en dank Hem, eer Hem en laat al wat leeft uw dankbaarheid horen voor hetgeen Hij voor u gedaan heeft. Het is goed God te loven en zijn naam te verheerlijken door vol ontzag van zijn werken te gewagen. Aarzel niet Hem uw erkentelijkheid te betuigen. TOB 12:7 Geheimen van de koning behoort men te bewaren, maar de daden van God dienen openlijk geroemd te worden. Doe het goede, dan zal geen kwaad u treffen. TOB 12:8 Bidden is iets goeds als het gepaard gaat met vasten, liefdadigheid en rechtvaardigheid. Eerlijke armoede gaat boven oneerlijke rijkdom. Beter is het aalmoezen te geven dan goud op te hopen. TOB 12:9 Want de aalmoes redt van de dood en reinigt van de zonde. Wie liefdadigheid en rechtvaardigheid beoefent zal het leven bezitten in overvloed. TOB 12:10 Maar de zondaars doen hun eigen leven te kort. TOB 12:11 Ik wil u niets verbergen. Ik heb reeds gezegd, dat men geheimen van de koning behoort te bewaren, maar dat Gods werken openlijk dienen geroemd te worden. TOB 12:12 Nu dan: toen u bad, u en uw schoondochter Sara, heb ik uw gebed onder de aandacht van de Heilige gebracht. Ik was het ook die toen u de doden begroef, u nabij was. TOB 12:13 Ook toen u zonder dralen opstond en uw maaltijd liet staan om een dode te begraven, is die goede daad me niet ontgaan, maar was ik bij u. TOB 12:14 En daarom heeft God me gezonden om u te genezen, evenals uw schoondochter Sara. TOB 12:15 Ik ben Rafaël, een van de zeven heilige engelen die de gebeden van de heiligen opdragen en toegang hebben tot voor de heerlijke troon van de Heilige.' TOB 12:16 Toen ontstelden Tobit en Tobias hevig en vol vrees wierpen zij zich ter aarde. TOB 12:17 Maar hij zei hun: 'Vrees niet, u is vrede beschoren. Loof dus God in eeuwigheid. TOB 12:18 Want dat ik gekomen ben is geen gunst van mij geweest, maar was de wil van God. Loof Hem daarom in eeuwigheid. TOB 12:19 Al die tijd dat ik voor u zichtbaar was, at en dronk ik niet; het was slechts schijn wat u zag. TOB 12:20 Welaan, loof God, want ik stijg op naar Hem die mij gezonden heeft. Stel alles wat is voorgevallen te boek.' TOB 12:21 Toen zij zich weer oprichtten, zagen ze hem niet meer. TOB 12:22 Zij loofden de grote en wonderbare werken van God, wiens engel hun verschenen was. TOB 13:1 En Tobit schreef het volgende loflied: TOB 13:2 Geloofd zij God, die leeft en heerst de eeuwen door, want Hij kastijdt en toont erbarming, voert naar het dodenrijk en haalt er weer uit. Niemand ontkomt aan zijn hand. TOB 13:3 Dankt Hem, Israëlieten, ten aanhoren van de volken, want Hij heeft ons onder hen verstrooid. TOB 13:4 Verkondigt onder hen zijn grootheid, laat al wat leeft uw loflied horen. Want Hij is onze heer en God, Hij onze Vader in alle eeuwigheid. TOB 13:5 Hij kastijdt ons om onze ongerechtigheden, maar zal zich weer over ons erbarmen en ons verzamelen uit alle volken, waaronder gij verstrooit zijt. TOB 13:6 Als ge u tot Hem bekeert van ganser harte en met volle overgave uw verplichtingen jegens Hem nakomt, dan zal Hij zich keren tot u en zijn gelaat niet voor u verbergen. TOB 13:7 Geef acht op hetgeen Hij met u doet. En prijst Hem met luider stem. Looft de Heer der gerechtigheid en verheft de koning der eeuwen. TOB 13:8 In het land waar ik als balling leef prijs ik Hem, verkondig zijn kracht en grootheid aan een volk van zondaars. Bekeert u, zondaars, betracht wat recht is in zijn ogen. Wie weet, vindt Hij welgevallen in u en betoont Hij u zijn erbarming? TOB 13:9 Mijn God verhef ik, mijn ziel verheft de koning des hemels en jubelt om zijn grootheid. TOB 13:10 Mogen allen vol dankbaarheid in Jeruzalem zeggen: Jeruzalem, heilige stad, God kastijdt u om wat uw kinderen bedreven, maar zal zich weer ontfermen over de zonen der rechtvaardigen. TOB 13:11 Dank de Heer op waardige wijze, zegen de koning der eeuwen, opdat u met vreugde zijn tent ziet herrijzen, TOB 13:12 en Hij u de ballingen verblijde en in u de ongelukkigen zijn liefde betone van geslacht tot geslacht in eeuwigheid. TOB 13:13 Vele volken zullen van verre komen om de naam van God de Heer te eren. Met geschenken beladen, geschenken voor de koning des hemels; geslacht na geslacht zal u uitbundige vreugde verschaffen. TOB 13:14 Vervloekt allen die u haten, in eeuwigheid gezegend allen die u liefhebben. TOB 13:15 Verheug u en jubel over de zonen der rechtvaardigen, want zij zullen verzameld worden en de Heer der rechtvaardigen loven. Verheugen zullen zij zich over uw voorspoed. TOB 13:16 Zalig zij die hebben getreurd over al uw kastijdingen, want zij zullen zich over U verblijden, als ze al uw glorie aanschouwen en verheugen zullen ze zich in eeuwigheid. Mijn ziel, loof God, de grote koning, TOB 13:17 want Jeruzalem zal worden herbouwd met saffier en smaragd, met edelstenen uw muren, torens en tinnen met zuiver goud. Jeruzalems pleinen zullen met mozaieken van beryl, karbonkel en Ofirgesteente worden ingelegd. TOB 13:18 In al zijn straten klinkt het: Alleluia, en zingt men de lofzang: Geloofd zij God die u groot gemaakt heeft voor eeuwig. TOB 14:1 Daarmee eindigde Tobit zijn lofzang. TOB 14:2 Hij was achtenvijftig toen hij het gezicht verloor; acht jaar later kon hij weer zien. Hij gaf aalmoezen en bleef God de Heer vrezen en loven. TOB 14:3 Toen hij zeer oud geworden was, riep hij zijn zoon en diens kinderen en zei hem: 'Mijn zoon, je ziet dat ik oud ben en op het punt sta uit het leven te scheiden. Neem je kinderen en TOB 14:4 vertrek naar Medië, mijn kind, want ik geloof in hetgeen de profeet Jona aangaande Nineve gezegd heeft: het zal verwoest worden, maar in Medië zal het voorlopig rustig zijn. Bovendien zullen onze volksgenoten in Juda worden weggevoerd uit dat mooie land; Jeruzalem zal worden ontvolkt en het huis van God zal worden platgebrand en een tijdlang verlaten blijven liggen. TOB 14:5 Maar God zal zich weer over de ballingen ontfermen en hen naar het land terugbrengen; dan zullen zij de tempel, zij het ook in andere vorm, herbouwen, en die zal blijven bestaan totdat de tijden van de wereld vervuld zijn. Daarna zullen ze uit de ballingschap terugkeren en Jeruzalem waardig herbouwen en het huis van God aldaar zal in volle glans worden opgericht voor alle geslachten tot in eeuwigheid, zoals de profeten voorspeld hebben. TOB 14:6 En alle volken zullen zich bekeren om in waarheid God de Heer te vrezen en zij zullen hun afgoden begraven en alle volken zullen de Heer loven. TOB 14:7 Ook door zijn eigen volk zal God geprezen worden en de Heer zal zijn volk verheffen en allen die door trouw en rechtvaardigheid hun liefde voor God de Heer tonen, zullen zich verheugen. TOB 14:8 Welnu dan, jongen, vertrek uit Nineve, want wat de profeet Jona gezegd heeft zal zeker gebeuren. TOB 14:9 Onderhoud de wet en de geboden, beoefen de liefdadigheid en wees rechtvaardig, opdat het je goed ga. Zorg dat ik waardig begraven word en leg je moeder aan mijn zijde, en blijf dan niet langer in Nineve. TOB 14:10 Jongen, denk aan wat Aman zijn voogd Achiacharus aandeed: hoe hij hem van het licht in de duisternis bracht en hoe hij hem vergolden heeft. Achiacharus werd gered, maar die andere kreeg zijn verdiende loon en daalde af in de duisternis. Ook Manasse, die aalmoezen gaf, werd gered uit de dodelijke strik die Aman hem gespannen had. Juist Aman kwam in de strik en vond zo zijn einde. TOB 14:11 Zie dus, kinderen, wat aalmoezen vermogen en hoe gerechtigheid redding brengt.' Bij deze woorden gaf hij, liggend op zijn bed, de geest. Hij was honderdachtenvijftig jaar oud. Tobias bezorgde hem een eervolle begrafenis. TOB 14:12 Toen Anna gestorven was, begroef Tobias haar naast zijn vader. Daarna vertrok hij met zijn vrouw en zijn zonen naar Ekbatana, naar zijn schoonvader Raguël. TOB 14:13 Hij bereikte een eerbiedwaardige ouderdom. Zijn schoonouders begroef hij met alle eerbetoon en hij erfde hun bezit, zoals hij ook dat van zijn vader Tobit gekregen had. TOB 14:14 Hij stierf op de leeftijd van honderdzevenentwintig jaar in Ekbatana in Medië. TOB 14:15 Nog voor zijn dood vernam hij dat Nineve was gevallen en dat de inwoners door Nebukadnessar en Ahasveros in ballingschap waren weggevoerd. Dit was hem op zijn sterfbed een reden tot vreugde. JUDIT JUDIT 1:1 In het twaalfde regeringsjaar van Nebukadnessar, die in de grote stad Nineve heerste als koning van Assyrië, omgaf Arfaxad, die in Ekbatana heerste als koning van Medië, JUDIT 1:2 deze stad met een ringmuur van gehouwen stenen, drie el breed en zes el lang. De muur trok hij op tot een hoogte van zeventig bij een breedte van vijftig el. JUDIT 1:3 Met torens flankeerde hij haar poorten: honderd el hoog en aan de fundering zestig el breed. JUDIT 1:4 De poorten maakte hij zeventig el hoog en veertig el breed met het oog op het uitrukken van zijn keurtroepen en de parades van zijn voetvolk. JUDIT 1:5 In die tijd bond Nebukadnessar met koning Arfaxad de strijd aan in de grote vlakte in het gebied van Ragau. JUDIT 1:6 Aan diens zijde schaarden zich alle bewoners van het bergland, alsook allen die woonden aan de Eufraat, de Tigris en de Hydaspes en in de vlakte waarover Arioch, de koning van Elam, heerste. Vele volken sloten zich aaneen om te strijden tegen de Chaldeeën. JUDIT 1:7 Nebukadnessar, de koning van Assyrië, zond boden naar Perzië, naar het westen, Cilicië en Damascus, de Libanon en de Antilibanon en naar de kuststreken, JUDIT 1:8 naar de bewoners van de Karmel en van Gilead, naar Oppergalilea en de grote vlakte van Esdrelon, JUDIT 1:9 naar Samaria en omliggende steden, naar het Overjordaanse, alsook naar Jeruzalem, Batane, Chelus, Kades en de Beek van Egypte, naar Tafnas, Ramses en heel de landstreek Gosen, JUDIT 1:10 zelfs verder dan Tanis en Memfis, heel Egypte door, tot aan de Ethiopische grens. JUDIT 1:11 Maar alle bewoners van heel de aarde weigerden gevolg te geven aan de oproep van Nebukadnessar, de koning van Assyrië, om met hem ten strijde te trekken: zo weinig ontzag hadden ze voor hem. Ze waren ervan overtuigd dat hij alleen stond. Zijn gezanten moesten onverrichterzake en met schande overladen terugkeren. JUDIT 1:12 Toen ontstak Nebukadnessar in toorn tegen al die landen. Hij zwoer bij zijn troon en zijn koningschap zich te zullen wreken op Cilicië, Damascus en Syrië en alle bewoners van Moab en Ammon, alsook van heel Judea en Egypte tot aan het Gebied van de Twee Zeeën met het zwaard uit te roeien. JUDIT 1:13 In zijn zeventiende regeringsjaar bracht hij zijn troepenmacht tegen koning Arfaxad in het veld. In de strijd kreeg Nebukadnessar de overhand en hij dwong heel het leger van Arfaxad, met ruiterij en strijdwagens, tot de terugtocht. JUDIT 1:14 Hij maakte zich meester van diens steden en stiet door tot Ekbatana. Hij bezette de torens, plunderde de straten en deed de schoonheid der stad in schande verkeren. JUDIT 1:15 In het bergland van Ragau kreeg hij Arfaxad in handen; hij doorboorde hem met werpspiesen en maakte zo voorgoed aan zijn rijk een einde. JUDIT 1:16 Daarna keerde hij met heel zijn leger, een onafzienbare troepenmacht, terug naar Nineve, waar hij en zijn leger honderdtwintig dagen lang feest vierden en goede sier maakten. JUDIT 2:1 In zijn achttiende regeringsjaar, op de tweeëntwintigste dag van de eerste maand, nam Nebukadnessar, de koning van Assyrië, in zijn paleis heel de aarde, zoals hij gezworen had. JUDIT 2:2 Hij riep al zijn ministers en rijksgroten bijeen, bracht hen op de hoogte van zijn geheim besluit en kondigde plechtig al het kwaad aan waarmee hij de aarde wilde straffen. JUDIT 2:3 Zij spraken zich uit voor de ondergang van allen die geen gevolg hadden gegeven aan zijn oproep. JUDIT 2:4 Nu zijn besluit vaststond, ontbood Nebukadnessar, de koning van Assyrië, Holofernes, de opperbevelhebber van zijn leger, die na hem de hoogste waardigheid bekleedde, en hij zei hem: JUDIT 2:5 'Dit zegt de grote koning, de heer van heel de aarde: Trek erop uit met manschappen van beproefde kracht, voetknechten ten getale van honderdentwintigduizend, benevens twaalfduizend paarden en ruiters. JUDIT 2:6 U moet uitrukken tegen alle landen in het westen, want zij hebben geen gehoor gegeven aan mijn oproep. JUDIT 2:7 Gelast hun aarde en water aan te bieden, want in mijn toorn storm ik op hen af en bedek heel het aardoppervlak onder de voeten van mijn soldaten, aan wie ik ze ter plundering overlever. JUDIT 2:8 Dan vullen hun gevallenen de dalen en de beken en de rivieren raken boordevol lijken. JUDIT 2:9 De krijgsgevangenen zal ik wegvoeren naar de uiteinden van de aarde. JUDIT 2:10 Trek erop uit en begin met heel hun gebied te bezetten. Geven ze zich aan u over, spaar ze dan voor de dag waarop ik mij op hen kom wreken. JUDIT 2:11 Maar de weerspannigen mag u niet ontzien; geef ze prijs aan dood en plundering in het onderworpen gebied. JUDIT 2:12 Zo waar ik leef en bij de macht van mijn koningschap, dit is mijn besluit en ik zal het uitvoeren ook. JUDIT 2:13 En wat u betreft: geen van de orders van uw heer mag u overtreden, maar u moet zich strikt houden aan wat ik u heb bevolen; zonder dralen zult u het uitvoeren.' JUDIT 2:14 Holofernes ging heen en ontbood alle vorsten, veldheren en oversten van het leger van Assyrië. JUDIT 2:15 Hij koos zorgvuldig honderdentwintigduizend weerbare mannen uit, zoals zijn heer hem had opgedragen, alsook twaalfduizend bereden boogschutters, JUDIT 2:16 en stelde hen op in formaties als voor een oorlog gebruikelijk zijn. JUDIT 2:17 Hij nam een zeer groot aantal kamelen, alsmede ezels en muilezels mee om de uitrusting te vervoeren, alsook schapen, runderen en geiten zonder tal, als proviand, JUDIT 2:18 volop voedsel voor alle manschappen en bovendien veel goud en zilver uit het koninklijk paleis. JUDIT 2:19 Toen rukte hij uit aan het hoofd van heel zijn leger om alle landen in het westen onder de voet te lopen met zijn wagens en ruiters en keurkorpsen van voetvolk, en zo koning Nebukadnessar de weg te bereiden. JUDIT 2:20 Een grote massa lieden van allerlei slag, talrijk als een zwerm sprinkhanen en als het zand van de aarde, trok met hen mee: het waren er zoveel dat men ze niet kon tellen. JUDIT 2:21 Vanuit Nineve trokken zij drie dagmarsen op in de richting van de vlakte van Bektilet. Op enige afstand van Bektilet sloegen ze hun kamp op bij de berg in het noorden van Opper Cilicië. JUDIT 2:22 Vandaar trok hij met heel zijn leger, zijn voetvolk, ruiters en wagens, het bergland in. JUDIT 2:23 Hij verwoestte Put en Lud, plunderde alle Rassieten en de Ismaëlieten aan de rand van de woestijn ten zuiden van Cheleon. JUDIT 2:24 Hij bereikte de Eufraat, trok door Mesopotamië en ontmantelde alle vestingsteden langs de Abrona tot aan de zee. JUDIT 2:25 Daarna bezette hij het gebied van Cilicië, waar hij allen die hem tegenstand boden versloeg en drong door tot in de zuidelijke gebieden van Jafet, grenzend aan Arabië. JUDIT 2:26 Hij omsingelde de Midjanieten, stak hun kampementen in brand en roofde hun schaapskooien leeg. JUDIT 2:27 In de tijd van de tarweoogst zakte hij af naar de vlakte van Damascus, waar hij alle akkers platbrandde, het kleinvee en de runderen afslachtte, de steden plunderde, de velden onder de voet liep en alle jonge mannen met het zwaard doodde. JUDIT 2:28 Angst en beven voor Holofernes overviel de kustbewoners in Sidon en Tyrus, de bevolking van Sur en Okina en alle ingezetenen van Jamnia; ook de inwoners van Azot en Askelon raakten in paniek. JUDIT 3:1 Daarom zonden zij gezanten om hem gunstig te stemmen. Zij zeiden: JUDIT 3:2 'Wij zijn de knechten van de grote koning Nebukadnessar: wij zijn u onderworpen; beschik over ons zoals het u goeddunkt. JUDIT 3:3 Onze nederzettingen en heel ons gebied, al onze graanvelden, ons kleinvee en onze runderen en al de kooien bij onze tenten zijn u onderworpen; doe ermee wat u behaagt. JUDIT 3:4 Onze steden en hun inwoners zullen u dienen. Kom en houd er uw intocht, op de wijze die u behaagt.' JUDIT 3:5 Met deze boodschap kwamen de mannen bij Holofernes. JUDIT 3:6 Deze trok toen met zijn leger naar het kustgebied, legde een garnizoen in alle versterkte steden en lijfde het puik van de mannen in bij de hulptroepen. JUDIT 3:7 D e bewoners van de steden en van het land eromheen bereidden hem een feestelijke ontvangst met kransen, dans en tamboerijngerinkel. JUDIT 3:8 Hij verwoestte al hun heiligdommen en velde hun heilige bomen. Hij had de opdracht, alle inheemse goden te vernietigen; want alle volken moesten alleen Nebukadnessar aanbidden en elke taal en stam moest hem als god aanroepen. JUDIT 3:9 Zo naderde hij de vlakte van Esdrelon, niet ver van Dotan, aan de voet van de grote bergketen van Judea. JUDIT 3:10 Hij sloeg zijn legerplaats op tussen Geba en Scythopolis. Een maand lang bleef hij daar om heel de uitrusting van zijn leger in orde te brengen. JUDIT 4:1 De Israëlieten in Judea hoorden hoe Holofernes, de opperbevelhebber van Nebukadnessar, de koning van Assyrië, tegen de volken was opgetreden en hoe hij al hun heiligdommen geplunderd had en aan de vernietiging prijsgegeven. JUDIT 4:2 Ze werden door een grote, een zeer grote vrees voor hem bevangen en een hevige verontrusting over Jeruzalem en de tempel van de Heer hun God maakte zich van hen meester. JUDIT 4:3 Nog niet lang teruggekeerd uit de ballingschap, had het joodse volk zich ternauwernood weer in het land gevestigd; het tempelvaatwerk, het brandofferaltaar en de tempel waren eerst sinds kort opnieuw gewijd. JUDIT 4:4 Daarom zonden ze boden naar het gebied van Samaria, Kona, Bet choron, Belmain en Jericho, alsook naar Choba, Esora en het dal van Salem. JUDIT 4:5 Men liet de toppen van de hoge bergen bezetten, omwalde de dorpen in het bergland en legde met het oog op de oorlog grote voedselvoorraden aan. De velden waren pas afgeoogst. JUDIT 4:6 Joakim, die op dat ogenblik in Jeruzalem hogepriester was, richtte een schrijven aan de inwoners van Betulia en Betomestaim, dat aan de rand van de vlakte van Esdrelon ligt, tegenover de vlakte van Dotan. JUDIT 4:7 Hij droeg hun op de bergpassen te bezetten, daar die de toegang tot Judea vormden; het was betrekkelijk gemakkelijk de vijand de doorgang te beletten, daar de pas zo eng was dat er ten hoogste twee man tegelijk door konden. JUDIT 4:8 De Israëlieten gaven gevolg aan de bevelen van de hogepriester Jojakim en van heel het volk Israël, die in Jeruzalem zetelde. JUDIT 4:9 Alle Israëlieten baden met grote vurigheid tot God en zij kastijdden zich met grote volharding. JUDIT 4:10 Zijzelf, hun vrouwen en hun kinderen, hun vee, alsook al de vreemdelingen, huurlingen en slaven gordden het boetekleed om hun lendenen. JUDIT 4:11 En alle mannen, vrouwen en kinderen van Israël die in Jeruzalem woonden, wierpen zich neer voor de tempel, strooiden as op hun hoofd en spreidden hun boetekleed uit voor het aanschijn van de Heer. JUDIT 4:12 Het altaar omhulden ze met een boetekleed. Als uit een mond riepen ze onvermoeid tot de God van Israël, dat Hij zou verhoeden dat hun kinderen werden geroofd, hun vrouwen buitgemaakt, hun steden verwoest en het heiligdom prijsgegeven aan de ontwijding en aan de spot en hoon van de volken. JUDIT 4:13 De Heer luisterde naar hun gebed en zag hun nood. In heel Judea vastte het volk dagen lang, en ook in Jeruzalem voor het heiligdom van de almachtige Heer. JUDIT 4:14 De hogepriester Jojakim, alle priesters die dienst deden in de tempel en al degenen die belast waren met de zorg voor de eredienst, hadden zich de lendenen met een boetekleed omgord en droegen het dagelijks brandoffer op, alsook de gelofte offers en de vrijwillige gaven van het volk. JUDIT 4:15 Zij hadden hun hoofd met as bestrooid en riepen uit alle macht tot de Heer, dat Hij genadig het huis van Israël zou bezoeken. JUDIT 5:1 Men meldde aan Holofernes, de opperbevelhebber van het leger van Assyrië, dat de Israëlieten zich uitrustten tot de oorlog. De passen hadden ze afgesloten, versterkingen gebouwd op alle hoge bergtoppen en in de vlakten hindernissen opgeworpen. JUDIT 5:2 Holofernes werd wit van woede. Hij ontbood alle aanvoerders van Moab, de generaals van Ammon en alle satrapen van het kustgebied. JUDIT 5:3 'Mannen van Kanaän', zei hij,' zegt me eens, wat is dat voor een volk, dat in dit bergland leeft; in wat voor steden wonen ze, hoe groot is hun leger, hoe machtig en sterk zijn ze, wie regeert over hen als koning en voert hun leger aan? JUDIT 5:4 En waarom hebben ze geweigerd mij tegemoet te komen, in tegenstelling tot de andere bewoners van het westen?' JUDIT 5:5 Daarop gaf Achior, de bevelhebber van de Ammonieten, hem het volgende antwoord: 'Luister, heer, naar het woord uit de mond van uw dienaar. Ik zal u de waarheid vertellen over dat volk, dat niet ver van hier in de bergen woont. Geen leugen zal over de lippen van uw dienaar komen. JUDIT 5:6 Dat volk stamt af van de Chaldeeën. JUDIT 5:7 Daar zij weigerden de goden van hun vaderen, die in het land der Chaldeeën leefden, te vereren, hebben zij destijds in Mesopotamië gewoond. JUDIT 5:8 Zij waren afgeweken van de weg van hun voorouders en aanbaden de God des hemels, de enige God die zij erkenden. Daarom verdreven de Chaldeeën hen uit het rijk van hun goden en moesten ze vluchten naar Mesopotamië, waar ze zich lange tijd ophielden. JUDIT 5:9 Toen gaf hun God hun het bevel hun verblijfplaats te verlaten en naar Kanaän te trekken. Daar vestigden ze zich en verwierven veel goud en zilver en een onafzienbare veestapel. JUDIT 5:10 Vervolgens zakten ze af naar Egypte, want het land Kanaän ging gebukt onder hongersnood. Ze bleven daar wonen zolang ze er voedsel vonden en groeiden uit tot een groot volk, dat niet te tellen was. JUDIT 5:11 Daarom nam de koning van Egypte maatregelen tegen hen en maakte hun het leven moeilijk door ze zware arbeid te laten verrichten in de steenbakkerijen en ze tot slaven te vernederen. JUDIT 5:12 Toen riepen ze tot hun God en deze sloeg heel Egypte met onherstelbare rampen, zodat de Egyptenaren hen wegjoegen. JUDIT 5:13 God legde voor hen de Rode Zee droog JUDIT 5:14 en leidde hen naar de Sinaï en Kades barnea. Ze verdreven de woestijnbewoners JUDIT 5:15 en vestigden zich in het land van de Amorieten; ze waren sterk genoeg om alle Chesbonieten uit te roeien. Na de Jordaan te zijn overgetrokken namen ze heel het bergland in bezit. JUDIT 5:16 Kanaänieten, Perizzieten en Jebusieten, Sichemieten en alle Girgasieten joegen ze voor zich uit en ze vestigden zich daar voor lange tijd. JUDIT 5:17 Zolang ze niet zondigden in de ogen van hun God was het geluk aan hun zijde, want de God die met hen is haat de ongerechtigheid. JUDIT 5:18 Maar toen ze afweken van de weg die Hij hun had voorgeschreven, gingen ze door tal van oorlogen hun ondergang tegemoet en werden ze in ballingschap weggevoerd naar een vreemd land. De tempel van hun God werd met de grond gelijk gemaakt en hun steden vielen hun vijanden in handen. JUDIT 5:19 Nu echter zijn ze, na zich tot hun God bekeerd te hebben, teruggekomen uit de streken waarover zij verspreid waren. Ze hebben bezit genomen van Jeruzalem, waar hun tempel staat, en zich weer gevestigd in het bergland, dat verlaten was. JUDIT 5:20 Welaan dan, machtige heer, als dat volk een misstap begaan heeft en het zich jegens zijn God heeft schuldig gemaakt, en het voor ons vaststaat dat er bij hen zulk een misstap heeft plaats gehad, laten we dan tegen hen optrekken en we zullen hen verslaan. JUDIT 5:21 Maar als er onder dat volk geen ongerechtigheid is, laat mijn heer dan zijn handen ervan afhouden, uit vrees dat hun God hen dekt met zijn schild en hun God hen beschermt. Anders zouden wij te schande komen te staan voor heel de aarde.' JUDIT 5:22 Toen Achior uitgesproken was begon al het volk, dat rondom de tent stond, te morren. De officieren van Holofernes en de bewoners van het kustgebied en van Moab zeiden, dat men Achior een pak ransel moest geven. JUDIT 5:23 'We laten ons toch geen schrik aanjagen door de Israëlieten? Dat volk is niet krachtig en sterk genoeg voor een echte veldslag. JUDIT 5:24 Laten we daarom oprukken. Voor uw legermacht zullen ze een gemakkelijke prooi zijn, machtige Holofernes.' JUDIT 6:1 Toen de mannen in de vergadering tot bedaren gekomen waren, richtte Holofernes, de opperbevelhebber van het Assyrische leger, zich tot Achior ten aanhoren van heel de menigte vreemdelingen en alle Moabieten: JUDIT 6:2 'Wie bent u, Achior, u en de huurlingen van Efraïm, dat u ons zo de les komt lezen en dat u ons durft te zeggen dat wij niet tegen het volk van Israël ten strijde moeten trekken, omdat hun God hen met zijn schild zou dekken? Wie is er dan god behalve Nebukadnessar? Hij zal zijn macht ontplooien en hen van de aardbodem verdelgen en hun God zal hen niet kunnen redden. JUDIT 6:3 Integendeel, wij, dienaren van Nebukadnessar, zullen hen met een slag vermorzelen; ze zullen niet bestand zijn tegen de kracht van onze paarden. JUDIT 6:4 Wij zullen ze met onze ruiterij overspoelen. Hun bergen zullen dronken worden van hun bloed en hun vlakten bezaaid met hun lijken. Ze zullen tegen ons geen schijn van kans hebben, maar jammerlijk ten onder gaan, zegt koning Nebukadnessar, de heer van heel de aarde. Hij heeft gesproken en zijn woorden zullen niet ijdel blijken. JUDIT 6:5 Maar u, Achior, huurling uit Ammon, van deze dag af waarop u die voor u zo rampzalige woorden gesproken hebt, zult u mijn aangezicht niet meer zien totdat ik mij gewroken heb op dat volk uit Egypte. JUDIT 6:6 Dan zullen mijn soldaten en officieren u hun zwaard tussen de ribben steken; u zult neervallen temidden van de gesneuvelde joden, zodra ik me tegen hen keer. JUDIT 6:7 Mijn dienaren zullen u wegvoeren naar het bergland, waar ze u zullen achterlaten in een stad bij een van de bergpassen. JUDIT 6:8 En als voor de joden het uur heeft geslagen, zult ook u omkomen. JUDIT 6:9 En mocht u nog de stille hoop koesteren dat hun steden niet zullen worden ingenomen, en met vertrouwen de toekomst tegemoet zien, weet dan dat van de woorden die ik heb gesproken er niet een zijn uitwerking zal missen.' JUDIT 6:10 Toen gaf Holofernes aan de dienaren die bij zijn tent stonden het bevel Achior te grijpen en hem naar Betulia te brengen om hem aan de Israëlieten uit te leveren. JUDIT 6:11 Zijn dienaren grepen hem en gingen met hem vanuit de legerplaats naar de vlakte, waar ze zich bergwaarts begaven tot ze aankwamen bij de bronnen onder Betulia. JUDIT 6:12 Zodra de mannen van de stad hen zagen, namen ze hun wapens op, verlieten de stad en klommen naar de top van de berg waarop hun stad gelegen was; van daar af beletten zij de Assyriërs naar boven te komen door stenen op hen af te slingeren. JUDIT 6:13 Toen dezen onder tegen de helling dekking hadden gezocht boeiden ze Achior, lieten hem aan de voet van de berg liggen en keerden terug naar hun heer. JUDIT 6:14 De Israëlieten gingen vanuit de stad naar beneden; zij kwamen bij Achior, maakten hem los en brachten hem naar Betulia, bij de magistraten van de stad. JUDIT 6:15 Dat waren toen Uzzia, de zoon van Micha, uit de stam Simeon, Chabris, de zoon van Gotoniel, en Karmi, de zoon van Melchiel. JUDIT 6:16 Die riepen alle oudsten van de stad bijeen. Ook alle jongemannen en vrouwen kwamen naar de vergadering. Ze plaatsten Achior in het midden van het volk en Uzzia vroeg hem wat er gebeurd was. JUDIT 6:17 Achior deelde hun mede wat er in de raad van Holofernes besproken was, ook al wat hijzelf ten aanhoren van de Assyrische bevelhebbers had gezegd en hoe Holofernes had staan snoeven tegen het huis van Israël. JUDIT 6:18 Toen viel het volk in aanbidding voor God neer en riep uit: JUDIT 6:19 'Heer, God des hemels, zie hun overmoed, wees begaan met de vernedering van ons geslacht en zie nu toch neer op degenen die U zijn toegewijd.' JUDIT 6:20 Zij bemoedigden Achior en prezen hem zeer. JUDIT 6:21 Uzzia nam hem uit de vergadering mee naar zijn huis, waar hij voor de oudsten een maaltijd aanrichtte. En heel die nacht smeekten zij de God van Israël om hulp. JUDIT 7:1 De volgende dag gaf Holofernes aan heel zijn leger en al zijn hulptroepen order op te rukken in de richting van Betulia, de bergpassen te bezetten en de strijd aan te binden met de Israëlieten. JUDIT 7:2 Zo braken die dag al zijn troepen op. Zijn krijgsmacht bestond uit honderdzeventigduizend man voetvolk en twaalfduizend ruiters, ongerekend de tros en de mannen die daarin meetrokken, een onafzienbare menigte. JUDIT 7:3 Zij legerden zich in het dal bij Betulia aan de kant van de bron, over een gebied dat zich in de breedte uitstrekte van Dotan tot Belbaim en in de lengte van Betulia tot Kyamon aan de rand van de vlakte van Esdrelon. JUDIT 7:4 Bij het zien van die menigte werden de Israëlieten met ontzetting geslagen en zeiden tot elkaar: 'Die daar komen het hele land kaalvreten; niets zal het uithouden onder hun gewicht, geen bergtoppen, geen ravijnen of heuvels.' JUDIT 7:5 Ieder greep zijn wapens. Op de torens legden ze vuren aan en ze bleven wacht houden gedurende heel die nacht. JUDIT 7:6 De volgende dag liet Holofernes onder de ogen van de Israëlieten in Betulia heel zijn ruiterij uitrukken. JUDIT 7:7 Hij verkende de toegangswegen naar de stad, inspecteerde de waterbronnen, legde er beslag op en plaatste er wachtposten; daarin keerde hij naar zijn troepen terug. JUDIT 7:8 Toen kwamen de aanvoerders van de zonen van Ezau, de commandanten van de Moabieten en de bevelhebbers van het kustgebied allen hun opwachting bij hem maken en zeiden: JUDIT 7:9 'Moge onze gebieder toch naar ons woord luisteren, dan zal uw leger geen schade lijden. JUDIT 7:10 Dat volk van de Israëlieten verlaat zich niet op zijn lansen, maar op de hoogte van de bergen waarop ze wonen. Het is dan ook niet gemakkelijk hun bergtoppen te bereiken. JUDIT 7:11 Bind daarom, heer, niet de strijd met hen aan als in een geregelde veldslag. Dan zal er van uw leger niet een man sneuvelen. JUDIT 7:12 Blijf in uw kamp, verbied alle manschappen de legerplaats te verlaten, maar laat uw dienaren de waterbron bezetten die ontspringt aan de voet van de berg. JUDIT 7:13 Want daaruit voorzien alle inwoners van Betulia zich van water. Ze zullen van dorst vergaan en hun stad overgeven. Wij en onze mannen zullen de omringende bergtoppen bezetten en er wachtposten plaatsen om te verhinderen dat ook maar iemand de stad verlaat. JUDIT 7:14 Dan zullen zij met vrouwen en kinderen van honger omkomen en nog eer het zwaard hen treft zullen hun lijken de straten van hun woonplaats bedekken. JUDIT 7:15 Zo zult u hen zwaar laten boeten voor hun opstandigheid, omdat ze u niet goedschiks tegemoet zijn gekomen.' JUDIT 7:16 Hun voorstel beviel Holofernes en zijn staf en hij gelastte te doen wat zij gezegd hadden. JUDIT 7:17 Een afdeling Ammonieten brak op samen met vijfduizend Assyriërs. Zij legerden zich in het dal en maakten zich meester van de watervoorzieningen en de bronnen van de Israëlieten. JUDIT 7:18 De zonen van Ezau en de Ammonieten bestegen het gebergte tegenover Dotan en namen daar stellingen in. Enigen van hun mannen stuurden ze in zuidoostelijke richting om stellingen in te nemen tegenover Egrebel in de buurt van Chus aan de Mochmurbeek. De rest van de Assyrische krijgsmacht bleef in de vlakte gelegerd en nam heel het gebied in beslag. Hun tenten en uitrusting vormden een onafzienbaar kamp, want het leger was ontzaglijk groot. JUDIT 7:19 De Israëlieten riepen de Heer hun God aan, want ze begonnen de moed te verliezen, nu al hun vijanden hen omringden en er geen kans was aan hen te ontkomen. JUDIT 7:20 Heel het Assyrische leger, met voetvolk, wagens en ruiters, hield hen vierendertig dagen lang omsingeld. De inwoners van Betulia zagen hoe hun watervoorraden opraakten, JUDIT 7:21 de reservoirs waren bijna leeg. Niet een dag kon men naar behoefte drinken, want het water was gerantsoeneerd. JUDIT 7:22 Hun kinderen kwijnden weg, de vrouwen en de jongemannen begaven het van dorst en aan het eind van hun kracht en vielen ze neer op de straten van de stad en in de doorgangen van de poorten. JUDIT 7:23 Heel het volk, met jongemannen, vrouwen en kinderen, kwam bij Uzzia en de magistraten van de stad bijeen en riep de oudsten luidkeels toe: JUDIT 7:24 'God moge rechtspreken tussen u en ons, want u hebt ons een groot onrecht aangedaan door de Assyriërs niet welwillend tegemoet te treden. JUDIT 7:25 Nu komt niemand ons te hulp. Integendeel, God heeft ons in hun handen overgeleverd en laat ons voor hun ogen van dorst omkomen en jammerlijk te n onder gaan. JUDIT 7:26 Roep ze dus en geef de stad over als buit voor het volk van Holofernes en heel zijn leger. JUDIT 7:27 Het is immers beter hun ten prooi te vallen: al zullen we hun slaven worden, we brengen er toch het leven af en hoeven niet te zien hoe onze zuigelingen voor onze ogen sterven en hoe onze vrouwen en kinderen het begeven. JUDIT 7:28 Wij bezweren u bij hemel en aarde, bij onze God en de Heer van onze voorvaderen, die ons straft voor onze misdaden en voor de misdaden van onze voorvaderen, dat u vandaag nog zult doen wat wij gevraagd hebben.' JUDIT 7:29 Heel het vergaderde volk brak uit in een grote jammerklacht en luidkeels riepen ze tot God de Heer. JUDIT 7:30 Toen sprak Uzzia hun toe: 'Houd moed, broeders. Laten we het nog vijf dagen uithouden, in de hoop dat de Heer onze God zich over ons zal ontfermen. Hij zal ons niet voorgoed aan ons lot overlaten. JUDIT 7:31 Maar mocht die termijn verstrijken zonder dat er hulp komt opdagen, dan zal ik doen wat u hebt voorgesteld.' JUDIT 7:32 Toen liet hij het volk uiteengaan, ieder naar zijn post. Ze begaven zich naar de muren en torens van de stad en stuurden vrouwen en kinderen naar huis. Er heerste grote verslagenheid in de stad. JUDIT 8:1 Dat kwam Judit ter ore; zij was de dochter van Merari, de zoon van Ox, de zoon van Jozef, de zoon van Uzziel, de zoon van Elia, de zoon van Ananja, de zoon van Gideon, de zoon van Rafain, de zoon van Achitub, de zoon van Elia, de zoon van Chilkia, de zoon van Eliab, de zoon van Netanel, de zoon van Salamiel, de zoon van Sarasadai, de zoon van Israël. JUDIT 8:2 Haar man heette Manasse en behoorde tot dezelfde stam en familie als zij. Hij was gestorven in de tijd van de gerstoogst. JUDIT 8:3 Terwijl hij toezicht hield op de schovenbinders in de vlakte, kreeg hij een zonnesteek. Hij legde zich op zijn bed en stierf in Betulia, zijn woonplaats. Ze begroeven hem bij zijn voorvaderen op het veld dat ligt tussen Dotan en Balamon. JUDIT 8:4 Reeds drie jaar en vier maanden leefde Judit als weduwe. JUDIT 8:5 Op het dak van haar woning had ze een kamer laten bouwen. Om haar lendenen droeg ze een zak en ze ging als weduwe gekleed. JUDIT 8:6 Voortdurend vastte zij, behalve op de vooravond van de sabbat, op de sabbat zelf, daags voor en op nieuwe maan, alsook op de feest en vreugdedagen van het huis van Israël. JUDIT 8:7 Zij was een bekoorlijke verschijning, met de blik van een vrouw in de bloei van haar jaren. Haar man Manasse had haar goud en zilver nagelaten, knechten en dienstboden, vee en akkers; dit alles beheerde zij. JUDIT 8:8 Niemand wist iets kwaads van haar te vertellen: zij was zeer godvrezend. JUDIT 8:9 Judit hoorde van de heilloze eisen die het volk aan de magistraten van de stad gesteld had, omdat het door het watergebrek alle moed had verloren. Ook hoorde ze dat Uzzia hun onder ede beloofd had de stad na vijf dagen over te geven aan de Assyriërs. JUDIT 8:10 Ze stuurde haar kamenier, die met het beheer van al haar goederen belast was, naar Chabris en Karmi, de oudsten van haar stad, met het verzoek bij haar te komen. JUDIT 8:11 Toen ze bij haar gekomen waren, zei ze hun: 'Luister naar mij, magistraten van Betulia: het was verkeerd van u vandaag het volk te beloven, en u daartoe tegenover God met een eed te verbinden, de stad aan onze vijanden over te geven, als de Heer u binnen vijf dagen niet te hulp zou komen. JUDIT 8:12 Wie bent u wel, dat u het gewaagd hebt God op de proef te stellen en dat u zich vandaag als gewone mensen boven God hebt gesteld? JUDIT 8:13 U tracht de raadsbesluiten van de almachtige Heer te doorgronden, maar nooit in der eeuwigheid zult u daarin slagen. JUDIT 8:14 De diepte van het mensenhart kunt u niet eens peilen, noch vermag u de bewegingen van zijn geest te vatten. Hoe zult u dan God, die dat alles gemaakt heeft, kunnen doorzien, zijn gedachten doorgronden en zijn inzichten begrijpen? Nee, broeders, maak de Heer onze God niet toornig. JUDIT 8:15 Ook als Hij ons niet binnen vijf dagen te hulp komt, dan blijft Hij toch bij machte, ons op de tijd die Hij verkiest te redden of te vernietigen voor het oog van onze vijand. JUDIT 8:16 Maar u moet niet trachten van de Heer onze God besluiten af te dwingen. God laat zich niet als een mens in het nauw drijven, noch kan men Hem als aan een sterveling de wet voorschrijven. JUDIT 8:17 Laten we daarom geduldig blijven wachten tot Hij ons komt redden, en bidden dat Hij ons te hulp komt. Hij zal ons verhoren als het Hem behaagt. JUDIT 8:18 Want in onze tijd is er bij ons tot op de dag van vandaag geen stam of familie, geen gouw of stad, waar men zich neerbuigt voor met de hand gemaakte goden, zoals dat eertijds gebeurde. JUDIT 8:19 Daarom werden onze vaderen prijsgegeven aan zwaard en plundering en gingen zij voor onze vijanden rampzalig ten onder. JUDIT 8:20 Maar wij erkennen geen andere God dan Hem. Daarom mogen wij erop vertrouwen dat Hij ons en ons geslacht niet zal vergeten. JUDIT 8:21 Krijgen zij ons in hun macht, dan valt ook heel Judea hun in handen en zal ons heiligdom worden geplunderd. En voor die ontwijding zullen wij met ons bloed moeten boeten. JUDIT 8:22 Ook de dood van onze broeders, de knechting van het land en de verwoesting van ons erfdeel zal God op ons hoofd laten neerkomen, door ons als slaven onder de volken te verspreiden; we zullen een voorwerp van spot en hoon zijn voor wie ons kopen. JUDIT 8:23 Onze slavernij zal geen uitzicht bieden op begenadiging, maar de Heer onze God zal haar maken tot een blijvende schande. JUDIT 8:24 Welaan dan, broeders, laten we onze landgenoten tonen wat we waard zijn: hun leven immers hangt van ons af, en het heiligdom, de tempel en het altaar staan of vallen met ons. JUDIT 8:25 Danken we daarenboven de Heer onze God, dat Hij ons beproeft zoals Hij met onze voorvaderen gedaan heeft. JUDIT 8:26 Herinnert u hoe Hij met Abraham gehandeld heeft en Isaak op de proef heeft gesteld en al wat Jakob overkomen is in Syrisch Mesopotamië, waar hij de kudde weidde van Laban, de broer van zijn moeder. JUDIT 8:27 Want zoals Hij hen zwaar beproefd heeft om hun hart te keuren, zo tuchtigt Hij ook ons niet om ons te straffen; want degenen die zich tot Hem richten tuchtigt de Heer uit zorg voor hun welzijn.' JUDIT 8:28 Daarop zei Uzzia tot haar: 'Al wat u gezegd hebt is verstandig gesproken. Niemand zal iets daartegen in kunnen brengen. JUDIT 8:29 Het is niet de eerste keer dat u van wijsheid blijk geeft; heel het volk weet dat u al in uw jeugd een scherp inzicht toonde. U bent begiftigd met een helder oordeel. JUDIT 8:30 Maar het volk leed hevige dorst en het heeft ons een belofte afgedwongen en een eed van ons geëist die we niet mogen schenden. JUDIT 8:31 U bent een vrome vrouw; bid daarom voor ons, dat de Heer onze waterbakken vol laat regenen; dan zullen wij niet langer van dorst versmachten.' JUDIT 8:32 Judit antwoordde: 'Luister. Ik ga iets ondernemen waarvan de faam zal doordringen tot de verste geslachten van de zonen van ons volk. JUDIT 8:33 Zorg dat u vannacht bij de poort staat, dan zal ik met mijn kamenier de stad uitgaan. En binnen de termijn die u heeft vastgesteld voordat u de stad aan de vijand wilt overgeven, zal de Heer Israël door mijn hand redden. JUDIT 8:34 Maar probeer niet te achterhalen wat ik ga doen. Ik zeg er niets van totdat ik het heb uitgevoerd.' JUDIT 8:35 Uzzia en de magistraten zeiden haar: 'Ga in vrede en de Heer God moge u bijstaan om onze vijanden te straffen.' JUDIT 8:36 Ze verlieten haar woning en keerden terug naar hun post. JUDIT 9:1 Judit strooide as op haar hoofd, ontkleedde zich tot op haar rouwkleed en wierp zich ter aarde. Terwijl in Jeruzalem in de tempel het avondoffer werd opgedragen, riep Judit met luide stem tot de Heer: JUDIT 9:2 'Heer God van mijn vader Simeon, gij hebt mijn vader een zwaard ter hand gesteld om wraak te nemen op de vreemdelingen die de gordel van een maagd losmaakten om haar te bezoedelen, haar dijen ontblootten om haar te onteren en haar schoot ontwijdden om haar te beschamen. Ofschoon Gij verboden had zoiets te doen, hebben zij dat toch gedaan. JUDIT 9:3 En daarom hebt Gij hun aanvoerders overgeleverd aan de dood en hun bed, dat zich schaamde over hun bedrog, hebt Gij door bedrog in bloed gedrenkt. Gij hebt gedood de slaven tezamen met de heren, de heren op hun troon. JUDIT 9:4 Hun vrouwen hebt Ge aan uw geliefde zonen als buit gegeven, hun dochters aan hen uitgeleverd en heel hun bezit onder hen verdeeld, daar zij brandden van ijver voor U, de ontering van hun bloed verfoeiden en U te hulp riepen. O God, mijn God, verhoor ook mij, een weduwe. JUDIT 9:5 Gij toch zijt het die dat alles bewerkt hebt, alsook wat eraan voorafging en wat erop volgde. Wat vandaag is en morgen komt, hebt Gij beraamd; geschied is wat Gij in de geest had. JUDIT 9:6 De dingen waartoe Gij besluit dienen zich aan en zeggen: hier zijn we. Want al uw wegen hebt Gij reeds gebaand en wat Ge beslist hebt Ge reeds voorzien. JUDIT 9:7 Zie, de Assyriërs zetten een hoge borst op vanwege hun legermacht, zij snoeven op hun paarden en ruiters, gaan prat op de sterke arm van hun voetvolk en verlaten zich op schild en speer, op boog en slinger, en ze weten niet dat Gij de Heer zijt die alle oorlogstuig kan vernietigen. JUDIT 9:8 De Heer is uw naam: verpletter dan met uw macht hun leger, breek in uw toorn hun kracht. Zij zijn immers van plan uw heiligdom te ontwijden, de tent te bezoedelen waarin uw heerlijke naam woont en met geweld de horens van uw altaar af te slaan. JUDIT 9:9 Straf hun overmoed, stort uw gramschap uit over hun hoofd, schenk aan mijn hand de kracht die ik, weduwe, nodig heb om mijn plan uit te voeren. JUDIT 9:10 Dood door het bedrog van mijn lippen de slaaf samen met zijn heer, de heer samen met zijn knecht. Verbrijzel hun trots door de hand van een vrouw. JUDIT 9:11 Want uw kracht niet in een groot aantal en niet op geweldenaars steunt uw heerschappij, maar Gij zijt de God van de vernederden, de hulp van de geringen, de stut van de zwakken, de beschermer van de miskenden, de redder van de wanhopigen. JUDIT 9:12 God van mijn vader, God van het erfdeel van Israël, gebieder van hemel en aarde, schepper van de wateren, koning van heel uw schepping, verhoor mijn smeekbede. JUDIT 9:13 Laat mijn bedrieglijk woord als een bloedige gesel neerkomen op hen die gruwelijke plannen smeedden tegen uw verbond, uw heilige woning, de berg van Sion en het huis dat uw zonen bezitten. JUDIT 9:14 Moge heel uw volk en alle stammen ondervinden dat Gij God zijt, de God van alle macht en sterkte, want er is geen ander die het geslacht Israël beschermt dan Gij.' JUDIT 10:1 Nadat Judit aldus tot de God van Israël gebeden had, JUDIT 10:2 richtte zij zich uit haar liggende houding op, ontbood haar kamenier en ging naar beneden, het huis in, waar zij de sabbat en de feestdagen placht door te brengen. JUDIT 10:3 Ze ontdeed zich van haar rouwkleed en legde haar weduwedracht af. Daarna nam ze een bad, wreef zich in met zalfolie, stak haar haar op en deed er een hoofdband om. Ze trok haar mooiste kleren aan, die zij gedragen had toen haar man Manasse nog leefde. JUDIT 10:4 Ze deed sandalen aan haar voeten, tooide zich met haar halssnoeren, armbanden, ringen, oorhangers en al haar sieraden. Zij maakte zich zo mooi op, dat ze de aandacht moest trekken van elke man die haar zou zien. JUDIT 10:5 Zij gaf haar kamenier een leren zak met wijn en een kruik olie. Ze vulde een tast met geroosterde gerst, gedroogde vruchten en witte broden. Ook pakte ze haar kookgerei in en liet dit door haar kamenier dragen. JUDIT 10:6 Ze gingen op weg naar de stadspoort van Betulia, daar troffen ze Uzzia aan met de oudsten van de stad, Chabri en Charmi. JUDIT 10:7 Toen die Judit zagen, zo anders van gezicht en zo anders gekleed, kwamen ze onder de indruk van haar schoonheid en zeiden: JUDIT 10:8 'Moge de God van onze vaderen u genadig zijn en moge Hij uw plannen doen slagen, tot roem van Israëls zonen en tot glorie van Jeruzalem.' JUDIT 10:9 En Judit boog zich neer voor God. Vervolgens zei ze: 'Laat de stadspoort voor mij openmaken, dan kan ik op weg gaan om te volbrengen wat wij besproken hebben.' JUDIT 10:10 Daarop gaven ze de poortwachters het bevel voor haar de poort te openen, zoals zij gevraagd had. En dat deden ze. Judit verliet de stad, samen met haar dienstmeisje. De mannen uit de stad keken haar na, terwijl ze de berg afdaalde. Toen ze de overzijde van het dal bereikt had, verloren ze haar uit het oog. JUDIT 10:11 Terwijl zij dwars door het dal trokken, kwamen verkenners van de Assyriërs op haar af. JUDIT 10:12 Ze hielden haar staande en vroegen haar: 'Tot welk volk behoort u, waar komt u vandaan en waar gaat u heen?' Judit antwoordde: 'Ik ben een Hebreeuwse, maar ik ben van mijn volk weggelopen, want het zal niet lang meer duren of het zal u ten prooi vallen. JUDIT 10:13 Ik wil naar Holofernes toe, de opperbevelhebber van uw leger, om hem waardevolle inlichtingen te verschaffen. Ik zal hem een weg wijzen waarlangs hij moet trekken om heer en meester te worden van heel het bergland, zonder dat het een van zijn mannen het leven kost.' JUDIT 10:14 Toen de soldaten haar zo hoorden spreken en haar gezicht zagen, dat een wonder van schoonheid was, zeiden ze tot haar: JUDIT 10:15 'Het is uw behoud dat u onverwijld naar onze heer bent gekomen. Ga naar zijn tent. Enigen van ons zullen u begeleiden en u bij hem brengen. JUDIT 10:16 Als u voor hem staat, wees dan niet bang. Vertel hem wat u zojuist gezegd hebt en hij zal u goed behandelen.' JUDIT 10:17 Zij kozen uit hun midden honderd man. Dezen voegden zich bij haar en haar kamenier en brachten hen naar de tent van Holofernes. JUDIT 10:18 Heel de legerplaats liep te hoop, want het gerucht van haar komst had zich door het kamp verspreid. Ze vormden een kring om haar heen, terwijl ze nog buiten de tent van Holofernes stond, in afwachting van het ogenblik dat ze bij hem zou worden aangediend. JUDIT 10:19 Ze bewonderden haar schoonheid en door haar kregen ze ontzag voor de Israëlieten en ze zeiden tot elkaar: 'Wie zou een volk kunnen verachten dat zulke vrouwen heeft. Het zou dwaas zijn, ook maar een van hun mannen te sparen. Als zij de kans krijgen, bedriegen ze nog de hele wereld.' JUDIT 10:20 Toen kwamen de lijfwachten en adjudanten van Holofernes de tent uit om Judit te halen. JUDIT 10:21 Holofernes lag op zijn rustbed, onder een purperen muskietennet, versierd met goud, smaragd en kunstig gezette edelstenen. JUDIT 10:22 Toen ze hem hadden gemeld dat zij er was, begaf hij zich naar de voortent. Zilveren flambouwen werden voor hem uit gedragen. JUDIT 10:23 Zodra Holofernes en zijn gevolg Judit zagen, raakten allen in verrukking over de schoonheid van haar verschijning. Zij wierp zich ter aarde om hem hulde te betuigen. Maar zijn dienaren deden haar opstaan. JUDIT 11:1 Holofernes sprak tot haar: 'Wees gerust, mevrouw, vrees niet. Nog nooit heb ik iemand kwaad gedaan die Nebukadnessar, de koning van heel de aarde, wenste te dienen. JUDIT 11:2 Als dus uw volk, dat in het bergland woont, mij niet had geminacht, dan zou ik mijn speer niet tegen hen hebben opgeheven. Ze hebben het zichzelf aangedaan. JUDIT 11:3 Maar zeg me eens, waarom bent u van hen weggelopen en naar ons toegekomen? U bent zeker gekomen om uw leven te redden? Heb goede moed, van deze nacht af zult u veilig zijn. JUDIT 11:4 Niemand zal u onrecht aandoen, men zal u goed behandelen, zoals allen die mijn heer, koning Nebukadnessar, dienen.' JUDIT 11:5 Judit gaf hem ten antwoord: 'Wees zo goed te luisteren naar uw slavin. Sta uw dienstmaagd toe, het woord tot u te richten. Van wat ik mijn heer deze nacht ga zeggen is geen woord gelogen. JUDIT 11:6 Als u de aanwijzingen van uw dienstmaagd opvolgt, zal wat God met u onderneemt een volledig succes worden en mijn heer zal in zijn opzet niet falen. JUDIT 11:7 Zo waar Nebukadnessar, de koning van heel de aarde, leeft, en bij de macht van hem die u heeft gezonden om onder al wat leeft de orde te herstellen: dank zij u zijn niet alleen de mensen aan Nebukadnessar onderworpen, maar door uw kracht zijn ook de wilde dieren en het vee en de vogelen des hemels dienstbaar aan Nebukadnessar en heel zijn huis. JUDIT 11:8 Wij hebben immers gehoord van uw wijsheid en van uw gedurfde ondernemingen en over heel de aarde verkondigt men, dat niemand in het rijk zo bekwaam is als u, zo rijk aan kennis, zo geniaal als veldheer. JUDIT 11:9 Wij zijn op de hoogte van de redevoering die Achior in uw raad heeft gehouden. Want de mannen van Betulia hebben hem gespaard en hij heeft hun alles verteld wat hij bij u gezegd heeft. JUDIT 11:10 Daarom, machtige heer, veronachtzaam zijn woorden niet, maar neem ze ter harte, want ze zijn waar: ons volk wordt niet gestraft en niet door het zwaard bedwongen, tenzij het zondigt tegen God. JUDIT 11:11 Welnu, mijn heer zal niet worden teruggeslagen zodat hij onverrichterzake moet aftrekken, want de dood zal hen overvallen. De zonde heeft vat op hen gekregen; daardoor zullen ze de toorn van God opwekken zodra ze een misstap begaan. JUDIT 11:12 Toen ze gebrek kregen aan levensmiddelen en het water schaars werd, vatten ze het plan op hun vee te slachten en besloten ze zelfs datgene te eten wat hun door Gods wet verboden was. JUDIT 11:13 Ook hebben ze zich voorgenomen de eerstelingen van de tarwe en de tienden van wijn en olie, die zij bestemd en bewaard hebben voor de priesters, die in Jeruzalem dienst doen voor het aanschijn van onze God, zelf op te eten, hoewel niemand van het volk die zelfs maar mag aanraken. JUDIT 11:14 En ze hebben naar Jeruzalem, waar men tot dezelfde handelwijze is overgegaan, boden gestuurd, om van de raad der oudsten daarvoor verlof te krijgen. JUDIT 11:15 Zodra dat afkomt, en zij ernaar handelen, zullen zij aan u worden uitgeleverd en zo ten onder gaan. JUDIT 11:16 Toen ik, uw dienares, van dat alles op de hoogte kwam, ben ik van hen weggelopen. God heeft mij gezonden om door u dingen te ondernemen waarvan heel de wereld versteld zal staan. JUDIT 11:17 Want uw dienares is godvruchtig, dag en nacht de God des hemels toegewijd. Voortaan, mijn heer, blijf ik bij u. Maar 's nachts moet uw dienares naar het dal gaan om tot God te kunnen bidden; Hij zal mij zeggen wanneer zij hun zonden hebben bedreven. JUDIT 11:18 Ik kom u dan op de hoogte stellen; u rukt met heel uw leger uit en niemand van hen zal u weerstaan. JUDIT 11:19 Ik zal u dwars door Judea naar Jeruzalem leiden. In het hart van de stad plaats ik uw zetel. U zult met hen kunnen doen als met schapen zonder herder, en geen hond zal u aanblaffen. Hiervan werd mij de voorkennis vergund en ik ben gezonden om wat mij gezegd is aan u te boodschappen.' JUDIT 11:20 Haar woorden vielen bij Holofernes en heel zijn gevolg in goede aarde. Zij stonden verwonderd over haar wijsheid en zeiden: JUDIT 11:21 'In heel de wereld, van oost tot west, vindt deze vrouw in schoonheid en wijsheid haars gelijke niet.' JUDIT 11:22 Holofernes zei tot haar: 'God heeft er goed aan gedaan, u uit uw volk naar ons toe te zenden. Daardoor maakt Hij ons sterk, maar bewerkt Hij de ondergang van hen die mijn heer hebben veracht. JUDIT 11:23 U bent verrukkelijk om te zien en welbespraakt: als u doet wat u gezegd hebt, zal uw God mijn God zijn en zult u zetelen in het paleis van koning Nebukadnessar en gevierd zijn over heel de aarde.' JUDIT 12:1 Daarna liet hij haar brengen naar de plaats waar het zilveren servies stond. Hij gaf de opdracht haar van zijn eigen spijzen voor te zetten en van zijn wijn te drinken te geven. JUDIT 12:2 Maar Judit zei: 'Ik zal er niet van eten, want ik wil niet het gevaar lopen te zondigen. Sta mij toe te eten van wat ikzelf heb meegebracht.' JUDIT 12:3 'Maar,' vroeg Holofernes,' als uw proviand op is, waar kunnen wij dan voor u zulk voedsel vandaan halen? Volksgenoten van u zijn er niet onder ons.' JUDIT 12:4 Judit antwoordde: 'Zowaar u leeft, mijn heer, uw dienares zal wat ze bij zich heeft niet opgemaakt hebben, voordat de Heer door mij zijn plan heeft uitgevoerd.' JUDIT 12:5 Daarop brachten Holofernes' adjudanten haar naar haar tent; daar sliep ze tot middernacht. Tegen de morgenwake stond ze op JUDIT 12:6 en stuurde iemand naar Holofernes met het verzoek: 'Mijn heer moge zijn dienares verlof geven, het kamp te gaan verlaten om te gaan bidden.' JUDIT 12:7 Holofernes gaf aan zijn lijfwacht order haar niets in de weg te leggen. Zo verbleef zij drie dagen in de legerplaats. 's Nachts begaf ze zich naar het dal van Betulia, waar ze zich waste in het kamp bij de waterbron. JUDIT 12:8 Na het bad smeekte ze de Heer, de God van Israël, het zo te schikken dat ze het volk uit zijn nood zou kunnen opheffen. JUDIT 12:9 Daarna keerde ze terug en iedere omgang mijdend bleef ze in haar tent; tegen de avond gebruikte ze haar voedsel. JUDIT 12:10 Op de vierde dag liet Holofernes een maaltijd aanrichten, uitsluitend voor zijn gevolg; geen van de hoge officieren werd uitgenodigd. JUDIT 12:11 Hij zei tot de eunuch Bagoas, die zijn huishouding beheerde: 'Probeer die Hebreeuwse vrouw, die aan uw zorg is toevertrouwd, over te halen om met ons te komen eten en drinken. JUDIT 12:12 We zouden ons toch moeten schamen als we zo'n vrouw lieten lopen zonder van haar gezelschap te genieten. Als we niet proberen het met haar aan te leggen, lacht ze ons uit.' JUDIT 12:13 Bagoas begaf zich van Holofernes naar Judit en zei tot haar: 'Moge de wonderschone jongedame niet aarzelen naar mijn heer te komen, om vandaag in zijn tegenwoordigheid gevierd te worden en vrolijk met ons wijn te drinken zoals de Assyrische meisjes in het paleis van Nebukadnessar.' JUDIT 12:14 Judit gaf hem ten antwoord: 'Hoe zou ik mij tegen mijn heer durven verzetten? Al wat hem behaagt zal ik zonder uitstel doen. Dat zal mij een vreugde zijn tot de dag van mijn dood.' JUDIT 12:15 Ze stond op en tooide zich met de kleding en al de opschik waarmee vrouwen zich sieren. Haar dienstmeisje ging vooruit en spreidde tegenover Holofernes de vacht uit die Judit van Bagoas gekregen had en waarop zij dagelijks voor de maaltijd aanlag. JUDIT 12:16 Toen kwam Judit binnen en ging aanliggen. Holofernes raakte buiten zinnen, zijn binnenste kwam in beroering en hij werd aangegrepen door een felle begeerte om met haar samen te zijn. Vanaf de dag dat hij haar voor het eerst gezien had, zocht hij naar een gunstig ogenblik om haar te verleiden. JUDIT 12:17 Hij zei tot haar: 'Drink wat en laten we samen vrolijk zijn.' JUDIT 12:18 Judit antwoordde: 'Heel graag, heer, want sinds de dag van mijn geboorte heeft het leven me nog nooit zo toegelachen als vandaag.' JUDIT 12:19 En voor de ogen van Holofernes begon ze te eten en te drinken van hetgeen haar dienstmeisje had klaargemaakt. JUDIT 12:20 Holofernes was in de wolken over haar en hij dronk zeer veel wijn, meer dan hij ooit in zijn leven gedronken had. JUDIT 13:1 Toen het laat was geworden achtte het gevolg van Holofernes het ogenblik gekomen om heen te gaan. Bagoas zond de dienaren weg en sloot de tent van buiten af. Ieder zocht zijn legerstede op, uit geput door het overmatig drinken. JUDIT 13:2 Alleen Judit bleef in de tent achter. Holofernes lag languit voorover op zijn bed; hij was smoordronken. JUDIT 13:3 Judit had aan haar dienstmeisje gezegd dat ze, zoals elke dag, ook nu moest wachten bij de tent waar zij de nacht zou doorbrengen, totdat zij naar buiten kwam om, naar ze zei, te gaan bidden. Dienovereenkomstig had ze met Bagoas gesproken. JUDIT 13:4 Allen waren nu weg; volstrekt niemand was in de tent van Holofernes achtergebleven. Judit stond naast zijn bed en bad in stilte: 'Heer, God van alle kracht, zie in dit uur welwillend neer op het werk dat mijn handen gaan volvoeren tot glorie van Jeruzalem. JUDIT 13:5 Nu toch is het ogenblik gekomen om U te ontfermen over uw erfdeel, door mijn plan te doen slagen en de vijanden die ons bedriegen te vernietigen'. JUDIT 13:6 Toen liep ze naar de bedstijl vlak bij het hoofd van Holofernes, pakte daar zijn zwaard JUDIT 13:7 trad toe op het bed, greep Holofernes bij zijn hoofdhaar en zei: 'Heer God van Israël, geef mij nu kracht.' JUDIT 13:8 Toen liet ze met alle kracht het zwaard tot tweemaal toe op zijn nek neerkomen en sloeg hem het hoofd af. JUDIT 13:9 Ze rolde zijn lichaam van de legerstede en trok het muskietennet van de stijlen af. Kort daarna kwam ze naar buiten en gaf het hoofd van Holofernes aan haar kamenier. JUDIT 13:10 Deze deed het in haar levensmiddelentas. En samen begaven ze zich op pad, zoals ze steeds gedaan hadden als ze gingen bidden. Toen ze door de legerplaats heen waren, liepen ze in een boog door het dal, bestegen de berghelling van Betulia en kwamen aan bij de poort van de stad. JUDIT 13:11 Vanuit de verte riep Judit de poortwachters toe: 'Doe open, doe de poort open! God, onze God, is met ons; nog steeds toont Hij zijn geweldige kracht ten gunste van Israël tegen de vijand; ook vandaag heeft Hij dat weer gedaan.' JUDIT 13:12 Toen de mannen van de stad haar stem hoorden, haastten ze zich naar beneden, naar de poort, en waarschuwden de oudsten. JUDIT 13:13 Allen, van groot tot klein, liepen te hoop, want niemand had verwacht dat ze nog zou terugkeren. Ze openden de poort om hen binnen te laten. Ze ontstaken licht en gingen in een kring om hen heen staan. JUDIT 13:14 Judit riep hun luid toe: 'Prijs God, prijs Hem! Prijs God, die zijn erbarming niet aan het huis van Israël heeft onttrokken, maar in deze nacht onze vijanden door mijn hand heeft vernietigd.' JUDIT 13:15 Ze haalde het hoofd uit haar tas te voorschijn en toonde het hun: 'Hier is het hoofd van Holofernes, de opperbevelhebber van het Assyrische leger. En hier is het muskietennet waaronder hij zijn roes lag uit te slapen. De Heer heeft hem gedood door de hand van een vrouw. JUDIT 13:16 Zo waar Jahwe leeft, die mij behoed heeft op de weg die ik gegaan ben: mijn schoonheid heeft hem van de wijs gebracht, tot zijn ondergang, zonder dat hij met mij een zonde heeft kunnen bedrijven die me zou hebben bezoedeld of onteerd.' JUDIT 13:17 Heel het volk ontstak in geestdrift. Het boog zich neer om God te aanbidden en in koor riep het uit: 'Geprezen zijt Gij, onze God, die heden de vijanden van uw volk vernietigd hebt.' JUDIT 13:18 En Uzzia sprak haar toe: 'Gezegend bent u, dochter, door de allerhoogste God, meer dan alle vrouwen ter aarde, en geprezen zij God de Heer, die hemel en aarde geschapen heeft, en die het zo heeft beschikt dat u de aanvoerder van onze vijanden het hoofd hebt afgeslagen. JUDIT 13:19 Zolang er mensen zijn die Gods macht gedenken, zal de herinnering aan uw vertrouwen in God blijven voortleven. JUDIT 13:20 Dat geve u God tot uw blijvende roem, en Hij schenke u alle goeds, omdat u uw leven gewaagd hebt toen ons volk werd vernederd. Onze ondergang hebt u bezworen door rechtschapen Gods wegen te bewandelen.' En heel het volk riep: 'Amen, amen.' JUDIT 14:1 Daarna sprak Judit hen aldus toe: 'Luistert naar mij, broeders. Neemt dit hoofd en hangt het op aan de borstwering van de stadsmuur. JUDIT 14:2 Zodra de morgen aanbreekt en de zon opgaat over het land, moet ieder van u naar de wapens grijpen en moeten alle weerbare mannen de stad uittrekken. Stelt een aanvoerder over hen aan en doet alsof u naar beneden de vlakte intrekt, naar de voorpost van de Assyriërs. Maar doet dat niet werkelijk. JUDIT 14:3 Dan zullen zij ginds hun wapenrusting opnemen en naar hun kamp trekken om de generaals van het Assyrische leger te wekken. Maar als ze samendrommen bij de tent van Holofernes, zullen ze hem dood aantreffen. Dan zal een paniek hen overvallen en ze zullen voor u op de vlucht slaan. JUDIT 14:4 Met alle bewoners van Israëls grondgebied moet u hen dan achternazetten om ze op hun vlucht neer te slaan. JUDIT 14:5 Maar eerst moet u de Ammoniet Achior bij me roepen, opdat hij met eigen ogen de man kan herkennen die het huis van Israël heeft veracht en hem als een ter dood veroordeelde op ons afgestuurd.' JUDIT 14:6 Ze gingen naar het huis van Uzzia om Achior te halen. Nauwelijks was hij gekomen en had hij het hoofd van Holofernes gezien, getoond door iemand uit de volksvergadering, of hij viel voorover en verloor het bewustzijn. JUDIT 14:7 Toen ze hem overeind hadden geholpen, wierp hij zich neer aan de voeten van Judit, om haar zijn hulde te betuigen, en zei: 'Wees geprezen in alle tenten van Juda en onder alle volken; al wie uw naam vernoemen, zullen van ontzag worden vervuld. JUDIT 14:8 Wees nu zo goed te vertellen, wat u in deze dagen gedaan hebt.' Omringd door heel het volk verhaalde Judit hem toen wat zij allemaal had gedaan vanaf de dag van haar vertrek tot aan het ogenblik waarop zij tot hem sprak. JUDIT 14:9 Toen ze uitgesproken was brak het volk los in luid gejuich, zodat de stad van vreugdekreten weergalmde. JUDIT 14:10 Toen Achior zag al wat de God van Israël verricht had, geloofde hij vast in Hem; hij liet zich besnijden en behoorde van die dag af tot het huis van Israël. JUDIT 14:11 Bij het aanbreken van de morgen hingen zij het hoofd van Holofernes buiten aan de stadsmuur. Allen grepen naar de wapens en trokken in afdelingen naar de bergpassen. JUDIT 14:12 Zodra de Assyriërs hen zagen, waarschuwden ze hun officieren; dezen vervoegden zich op hun beurt bij de generaals en de hoofdofficieren, ieder bij zijn eigen commandant. JUDIT 14:13 Ze kwamen bij de tent van Holofernes en zeiden tot degene die zijn huishouden beheerde: 'Wek toch onze heer, want die slaven wagen het op ons af te komen, om de strijd aan te binden en zich tot de laatste man te laten uitroeien.' JUDIT 14:14 Bagoas begaf zich naar binnen en sloeg tegen het tentgordijn. Hij verkeerde immers in de veronderstelling, dat Holofernes met Judit lag te slapen. JUDIT 14:15 Maar toen niemand gehoor gaf, schoof hij het gordijn open, ging het slaapvertrek binnen en vond het lijk van Holofernes languit op het verhoog liggen waarop zijn bed stond; het hoofd was afgehouwen. JUDIT 14:16 Hij stiet een luide kreet uit, barstte los in tranen en scheurde jammerend en schreeuwend zijn kleren. JUDIT 14:17 Hij liep naar de tent waar men Judit had ondergebracht, maar vond haar niet. Hij rende naar buiten, naar het volk, en schreeuwde: JUDIT 14:18 'Die slaven hebben verraad gepleegd: een Hebreeuwse vrouw heeft schande gebracht over het huis van koning Nebukadnessar, want Holofernes ligt daarbinnen op de grond en zijn hoofd is er af!' JUDIT 14:19 Toen de Assyrische legercommandanten dat hoorden, scheurden ze hun kleren en raakten ze in paniek; er ontstond een heftig tumult in de legerplaats. JUDIT 15:1 Ook alle soldaten die nog in de tenten waren, raakten van streek, toen ze het nieuws vernamen. JUDIT 15:2 Angst en beven overvielen hen; niemand bekommerde zich meer om zijn buurman; ze stroomden het kamp uit en sloegen de wegen in door de vlakte en het bergland, door een gedachte bezield: vluchten! JUDIT 15:3 Toen ook de soldaten die in het bergland rondom Betulia gelegerd waren, op de vlucht sloegen, stormden alle strijdbare mannen van Israël op hen af. JUDIT 15:4 Uzzia stuurde koeriers naar Betomestaim, Bebe, Chobe en Kola en over heel Israëls grondgebied om te melden wat er zich had af gespeeld en om allen op te roepen zich op de vijand te storten en hem te vernietigen. JUDIT 15:5 Gevolg gevend aan deze oproep stortten de Israëlieten zich als een man op de Assyriërs en sloegen hen terug tot Choba. Ook uit Jeruzalem en het bergland kwamen ze aanzetten, want ook daar was het bericht doorgedrongen van wat er zich in het vijandelijke kamp had voorgedaan. De mannen uit Gilead en Galilea dreven hen terug tot het gebied van Damascus en brachten hun zware verliezen toe. JUDIT 15:6 De inwoners van Betulia die niet meegetrokken waren, wierpen zich op het legerkamp van de Assyriërs, plunderden het en maakten grote rijkdommen buit. JUDIT 15:7 Wat overbleef viel ten deel aan de overige Israëlieten, nadat die van de achtervolging waren teruggekeerd. Ook de dorpen en nederzettingen in het gebergte en de vlakte konden een flinke buit bemachtigen; er was immers een onafzienbare hoeveelheid. JUDIT 15:8 De hogepriester Jojakim en de raad van Israëls oudsten kwamen uit Jeruzalem om te zien welke weldaden de Heer aan Israël bewezen had en om Judit te bezoeken en haar geluk te wensen. JUDIT 15:9 Ze traden bij haar binnen en prezen haar eenparig: 'U bent de glorie van Jeruzalem, de trots van Israël, de roem van ons volk. JUDIT 15:10 U hebt dat alles zelf gedaan, u hebt Israëls heil bewerkt en God heeft daarin zijn welbehagen gevonden. Wees gezegend door de almachtige Heer in eeuwigheid.' En heel het volk riep: 'Amen.' JUDIT 15:11 Dertig dagen lang plunderde het volk de legerplaats. Aan Judit gaven zij de tent van Holofernes, zijn zilver en servies, zijn rustbedden, vaatwerk en heel zijn huisraad. Zij nam het in ontvangst, laadde een deel op haar muilezel en liet al het overige in de wagens laden die ze had laten aanspannen. JUDIT 15:12 Alle Israëlitische vrouwen kwamen aanlopen om haar te zien; zij prezen haar en voerden haar ter ere dansen uit; Judit nam olijftakken en deelde die uit aan de vrouwen in de kring. JUDIT 15:13 Zij en haar gezellinnen zetten zich olijfkransen op het hoofd. En ze ging voor heel het volk uit en leidde de reidans van alle vrouwen; de Israëlitische mannen volgden, in wapenrusting; allen waren met kransen getooid en zongen hymnen. JUDIT 15:14 En temidden van het volk hief Judit het volgende danklied aan en alle Israëlieten zongen haar luidkeels na. JUDIT 16:1 Heft aan voor mijn God met paukenslag, zingt voor de Heer met cimbalen, paart psalm aan lofdicht Hem ter eer, verheft en roemt zijn naam. JUDIT 16:2 De Heer is een God die wapens verbrijzelt; ontrukt heft Hij mij aan de hand van mijn vervolgers en teruggevoerd naar zijn legerkamp temidden van het volk. JUDIT 16:3 Assur rukte aan uit de bergen uit het noorden, met een leger van tienduizenden naderde hij. Hun drommen vulden de beddingen, hun paarden bedekten de heuvels. JUDIT 16:4 Hij zwoer mijn land te zullen platbranden, mijn jongemannen om te brengen met het zwaard, mijn zuigelingen ter aarde te smijten, mijn kinderen buit te maken en mijn maagden te ontvoeren. JUDIT 16:5 De almachtige Heer heeft hen vernietigd door de hand van een vrouw. JUDIT 16:6 Want geen jonge kerels hebben hun held geveld, geen titanenzonen hem neergeslagen, geen rijzige reuzen hebben hem overrompeld, maar Judit, de dochter van Merari, heeft hem verlamd door de schoonheid van haar gelaat. JUDIT 16:7 Haar weduwedracht legde zij af, om Israël uit de verdrukking op te heffen. Met welriekende olie zalfde zij haar gezicht; JUDIT 16:8 om haar haar deed zij een hoofdband, trok een linnen kleed aan om hem te misleiden. JUDIT 16:9 Haar sandaal verrukte zijn oog, haar schoonheid strikte zijn zinnen, haar zwaard kliefde zijn nek. JUDIT 16:10 De Perzen huiverden van haar durf, haar vermetelheid verbijsterde de Meden. JUDIT 16:11 Toen stiet mijn vernederde volk de strijdkreet uit, en de vijanden werden door vrees bevangen; mijn uitgeputte volk schreeuwde, en zij ontstelden; het verhief zijn stem, en zij namen de vlucht. JUDIT 16:12 Kinderen van jonge vrouwen doorstaken hen, neer sloegen zij de zonen der overlopers, allen kwamen om in de veldslag van mijn Heer. JUDIT 16:13 Ik zing voor mijn God een nieuw lied; Heer, groot zijt Gij en heerlijk, wonderbaarlijk in uw kracht, onoverwinnelijk. JUDIT 16:14 Dat al uw schepselen U dienen. Want Gij hebt gesproken en ze waren er; Gij zond uw geest en hij bracht tot stand; geen is er die uw stem weerstaat. JUDIT 16:15 Bergen en wateren sidderen tot op hun grondslagen, voor uw aanschijn smelten rotsen weg als was, maar aan hen die U vrezen toont gij nog steeds uw genade. JUDIT 16:16 Gering toch is elk offer, hoe welriekend ook, en onbeduidend het vet, voor U verbrand; maar hij die de Heer vreest is waarlijk groot. JUDIT 16:17 Wee de naties die zich keren tegen mijn volk; De almachtige Heer zal hen straffen op de dag van het oordeel, aan vuur en wormen zal Hij hun vlees prijsgeven; van pijn zullen ze huilen tot in eeuwigheid. JUDIT 16:18 In Jeruzalem aangekomen bogen ze zich neer voor God en toen heel het volk gereinigd was, offerden ze hun brandoffers, hun vrijwillige gaven en geschenken. JUDIT 16:19 Judit gaf heel de have van Holofernes, die het volk haar geschonken had, als wijgeschenk; ook het muskietennet, dat zijzelf uit zijn slaapvertrek had meegenomen, wijdde zij aan God toe. JUDIT 16:20 Drie maanden lang vierde het volk feest voor het heiligdom in Jeruzalem en Judit bleef bij hen. JUDIT 16:21 Daarna vertrok iedereen naar zijn eigen huis. Ook Judit keerde terug naar Betulia en bleef verder op haar bezitting. Bij haar leven al werd zij beroemd door heel het land. JUDIT 16:22 Velen dongen naar haar hand, maar met geen man verbond zij zich zolang zij leefde, nadat haar echtgenoot Manasse overleden en tot zijn volk vergaderd was. JUDIT 16:23 Zij werd zeer oud en bereikte de leeftijd van honderd vijf jaar in het huis van haar man. Haar kamenier schonk zij de vrijheid. Zij stierf in Betulia en men begroef haar in de grot van haar man Manasse. JUDIT 16:24 Het huis van Israël rouwde over haar zeven dagen lang. Voor haar dood had zij haar goederen verdeeld onder de naaste verwanten van haar man Manasse en haar eigen familie. JUDIT 16:25 Zolang Judit leefde en nog lange tijd na haar dood was er niemand meer die de Israëlieten opschrikte. ESTER EST 1:1 Het was in de dagen van Ahasveros - de Ahasveros, die van Indië tot Ethiopië als koning heerste, over honderdenzevenentwintig provincies - EST 1:2 in die dagen, toen Ahasveros, de koning, gezeten was op zijn koninklijke troon in de vesting van Susan. EST 1:3 In het derde jaar van zijn koningschap richtte hij een feestmaal aan voor al zijn rijksgroten en dienaren. De legeraanvoerders van Perzië en Medië, de edelen en de bestuurders van de provincies waren er getuigen van, EST 1:4 hoe hij de rijkdom en de luister van zijn koningschap en de stralende pracht van zijn majesteit ten toon spreidde, vele dagen achtereen, honderdentachtig dagen. EST 1:5 Toen die dagen verstreken waren, gaf de koning voor al het volk dat in de vesting van Susan woonde, van groot tot klein, een feest van zeven dagen in de binnentuin van het koninklijk paleis. EST 1:6 Linnen schermen, wit en violet van kleur, hingen met koorden van byssus en purperen stof aan zilveren ringen, die weer vastzaten aan albasten zuilen. Op een plaveisel van porfier en wit marmer, parelmoer en kostbaar gesteente stonden aanligbedden van goud en zilver. EST 1:7 Er werd geschonken in gouden bekers, de ene al mooier dan de andere, en er was overvloed aan koningswijn, met koninklijke gulheid gegeven. EST 1:8 Niemand mocht echter zo luidde het bevel tot drinken gedwongen worden. De koning had al zijn hofmeesters de opdracht gegeven, iedereen naar zijn eigen wens te bedienen. EST 1:9 Ook koningin Wasti gaf een feest voor de vrouwen, in het paleis van Ahasveros, de koning. EST 1:10 Op de zevende dag gaf de koning, vrolijk geworden door de wijn, aan Mehuman, Bizzeta, Charbona, Bigta, Abagta, Zetar en Karkas de zeven eunuchen, die Ahasveros, de koning, persoonlijk bedienden de opdracht EST 1:11 om koningin Wasti voor het aanschijn van de koning te brengen, getooid met haar koninklijk diadeem. Hij wilde het volk en de rijksgroten laten zien, hoe mooi zij was. Want zij was een lust voor het oog. EST 1:12 Maar Wasti, de koningin, weigerde te komen, zoals de koning het haar bij monde van de eunuchen beval. De koning was hevig verontwaardigd en ontstak in ziedende toorn. EST 1:13 Hij wendde zich tot de wijzen die de tijden kenden: het was namelijk de gewoonte dat de aangelegenheden van de koning werden voorgelegd aan de gezamenlijke wet en rechtsgeleerden, EST 1:14 zijn naaste medewerkers, Karsena, Setar, Admata, Tarsis, Meres, Marsena en Memukan, de zeven rijksgroten van Perzië en Medië, die toegang hadden tot het aanschijn van de koning en die de hoogste posten in het koninkrijk bekleedden. Hij zei tot hen: EST 1:15 'Wat moet er volgens recht en wet gebeuren met Wasti, de koningin, nu zij niet heeft gehoorzaamd aan het bevel, dat Ahasveros, de koning, haar door de eunuchen heeft laten overbrengen?' EST 1:16 Daarop nam Memukan het woord, ten overstaan van de koning en de rijksgroten: 'Koningin Wasti heeft niet alleen tegenover de koning misdaan, maar ook tegenover alle rijksgroten en tegenover alle mensen in alle provincies van Ahasveros, de koning. EST 1:17 Deze geschiedenis met de koning zal namelijk aan alle vrouwen ter ore komen, en dan zullen zij minachtend op hun mannen gaan neerzien. Ahasveros, de koning zullen zij zeggen gaf opdracht om koningin Wasti voor zijn aanschijn te brengen, maar zij kwam niet! EST 1:18 Nog vandaag zullen alle vrouwen van de rijksgroten van Perzië en Medië, die van de geschiedenis met de koningin gehoord hebben, hun mannen, de rijksgroten van de koning, dat laten horen. En daar zal heel wat minachting en ruzie van komen! EST 1:19 Als het de koning zo behaagt, laat er dan een koninklijke beschikking uitgaan, die geboekstaafd wordt bij de wetten van Perzië en Medië, zodat zij onherroepelijk wordt: dat Wasti niet meer mag verschijnen voor Ahasveros, de koning, en dat de koning haar koninklijke waardigheid aan een andere vrouw zal geven, die beter is dan zij. EST 1:20 En als dan het door de koning uitgevaardigde decreet bekend wordt in heel het koninkrijk, dat grote koninkrijk, dan zullen alle vrouwen hun mannen respecteren, van hoog tot laag.' EST 1:21 Dit voorstel vond instemming bij de koning en de rijksgroten, en de koning handelde naar het voorstel van Memukan. EST 1:22 Hij zond brieven naar alle provincies van de koning, naar elke provincie in haar eigen schrift en naar elk volk in zijn eigen taal: iedere man moest heer en meester zijn in zijn eigen huis en moest de taal van zijn eigen volk blijven spreken. EST 2:1 Na deze gebeurtenissen bekoelde de toorn van Ahasveros, de koning, en gingen zijn gedachten weer uit naar Wasti, naar wat zij gedaan had en wat er tegen haar besloten was. EST 2:2 De hovelingen die de koning dienden zeiden: 'Er zouden voor de koning mooie jonge meisjes gezocht moeten worden! EST 2:3 De koning moest in alle provincies van zijn koninkrijk zaakgelastigden aanstellen met de opdracht, alle mooie jonge meisjes in de vesting van Susan bijeen te brengen; daar komen ze dan in de harem onder de hoede van de koninklijke eunuch Hege, de bewaker van de vrouwen. Deze moet de meisjes van schoonheidsmiddelen voorzien. EST 2:4 Het meisje dat de koning het meest behaagt zal koningin worden in de plaats van Wasti.' De koning was met dit voorstel ingenomen en hij liet het ten uitvoer brengen. EST 2:5 Nu woonde er in de vesting van Susan een jood, die Mordekai heette; hij was de zoon van Jair, de zoon van Simi, de zoon van Kis, uit de stam Benjamin. EST 2:6 Mordekai behoorde tot de ballingen die uit Jeruzalem door Nebukadnessar, de koning van Babel, waren weggevoerd, tezamen met Jechonja, de koning van Juda. EST 2:7 Hij was de voogd van Hadassa, ook Ester geheten, die de dochter van zijn oom was en geen vader en moeder meer had. Het meisje was mooi van gestalte en een lust voor het oog. Na de dood van haar vader en moeder was zij door Mordekai als dochter aangenomen. EST 2:8 Toen het besluit en bevel van de koning bekend was geworden en vele meisjes in de vesting van Susan bijeen werden gebracht, waar ze onder de hoede van Hege kwamen, werd ook Ester naar het koninklijk paleis gebracht en onder de hoede van Hege gesteld, de bewaker van de vrouwen. EST 2:9 Het meisje viel bij Hege in de smaak en verwierf zijn gunst. Daarom gaf hij haar onverwijld alle dingen die zij nodig had voor haar opmaak en haar voeding. Ook stelde hij de zeven beste slavinnen van het koninklijk paleis tot haar beschikking en bracht haar met die slavinnen naar de mooiste vertrekken van de harem over. EST 2:10 Ester had over haar volk en haar familie niets gezegd: dat was haar door Mordekai verboden. EST 2:11 Er ging geen dag voorbij of Mordekai wandelde langs de voorhof van de harem om navraag te doen, hoe Ester het maakte en wat er met haar gebeurde. EST 2:12 Ieder meisje moest volgens de verordening voor de vrouwen een schoonheidskuur van twaalf maanden doormaken: zes maanden werd ze met mirre olie behandeld en zes maanden met balsems en andere vrouwelijke schoonheidsmiddelen. EST 2:13 Wanneer ze dan aan de beurt was om bij Ahasveros, de koning, te komen, werd haar uit de harem alles wat ze wenste naar het paleis van de koning meegegeven. EST 2:14 Ze ging er 's avonds heen en kwam 's morgens weer terug, maar dan ging ze naar een andere harem, waar ze onder de hoede kwam van Saasgaz, de eunuch van de koning, de bewaker van de bijvrouwen. Ze kwam niet meer bij de koning terug, tenzij de koning behagen in haar had gevonden en zij met name werd geroepen. EST 2:15 Toen Ester, de dochter van Abihail, de oom van Mordekai, door wie zij als dochter was aangenomen, aan de beurt was om bij de koning te komen, vroeg zij niets anders mee dan wat de koninklijke eunuch Hege, de bewaker van de vrouwen, haar had aangeraden. Toch waren allen die haar zagen vol bewondering voor haar. EST 2:16 Toen Ester bij Ahasveros, de koning in het koninklijk paleis gebracht werd, was het de tiende maand, de maand Tebet, in het zevende jaar van zijn koningschap. EST 2:17 De koning kreeg Ester meer lief dan alle andere vrouwen en zij verwierf zijn gunst en genegenheid, meer dan alle andere meisjes. Hij zette haar het koninklijk diadeem op het hoofd en maakte haar koningin in de plaats van Wasti. EST 2:18 De koning richtte een groot feestmaal aan voor al zijn rijksgroten en dienaren, het feestmaal van Ester. Hij schold de provincies hun belasting kwijt en deelde met koninklijke gulheid geschenken uit. EST 2:19 Toen er weer meisjes bijeengebracht werden, zat Mordekai in de koninklijke poort. EST 2:20 Ester bleef zwijgen over haar familie en over haar volk, overeenkomstig het bevel van Mordekai. Zij gehoorzaamde nog steeds aan Mordekai, zoals in de tijd toen zij onder zijn voogdij stond. EST 2:21 In die dagen dan, toen Mordekai in de koninklijke poort zat, waren er twee eunuchen van de koning, Bigtan en Teres, behorend tot de dorpelwachters, die in bittere woede een aanslag op Ahasveros, de koning, beraamden. EST 2:22 Mordekai kwam dat te weten en bracht koningin Ester op de hoogte, die het weer, namens Mordekai, aan de koning vertelde. EST 2:23 Een onderzoek bevestigde de juistheid van de mededeling en men hing het tweetal op aan een paal. Onder het oog van de koning werd het gebeurde in de kronieken opgetekend. EST 3:1 Na deze gebeurtenissen verleende Ahasveros, de koning, aan de Agagiet Haman, de zoon van Hammedata, een hoge waardigheid; hij verhief hem en deed hem hoger zetelen dan alle andere rijksgroten aan zijn hof. EST 3:2 Alle dienaren van de koning in de koninklijke poort vielen voor Haman op hun knieën en bogen zich voor hem neer, want zo had de koning het Haman ter ere bevolen. Maar Mordekai knielde niet en boog zich niet. EST 3:3 Daarom zeiden de dienaren van de koning in de koninklijke poort tot Mordekai: 'Waarom overtreedt u het bevel van de koning?' EST 3:4 Dag in dag uit spraken zij hem zo toe, maar hij luisterde niet naar hen. Toen vertelden zij het aan Haman. Zij wilden wel eens zien, of Mordekai in zijn houding zou kunnen volharden. Hij had hun namelijk gezegd, dat hij een jood was. EST 3:5 Toen zag Haman dat Mordekai niet knielde en zich niet voor hem boog. En Haman was een en al woede. EST 3:6 Hij nam er echter geen genoegen mee, de hand alleen aan Mordekai te slaan. Ze hadden hem immers verteld, tot welk volk Mordekai behoorde. Daarom zette Haman er zijn zinnen op, alle joden in het rijk van Ahasveros te verdelgen, het volk van Mordekai. EST 3:7 In de eerste maand, de maand Nisan, in het twaalfde jaar van Ahasveros, de koning, wierp men ten overstaan van Haman het poer dat is het lot over alle dagen en over alle maanden, tot en met de twaalfde, de maand Adar. EST 3:8 En Haman zei tot Ahasveros, de koning: 'Er is een enkel volk, dat onder de volken in alle provincies van uw koninkrijk verspreid is en dat zich afzondert. Hun wetten verschillen van die van alle andere volken, en aan de wetten van de koning houden zij zich niet. Het zou de koning niet passen deze lieden te laten begaan. EST 3:9 Als het de koning zo behaagt, dan moge hij een bevelschrift uitvaardigen, dat ze moeten worden uitgeroeid. Tienduizenden talenten zilver zal ik dan aan de ambtenaren kunnen afdragen om die in de schatkist van de koning te storten.' EST 3:10 De koning schoof de zegelring van zijn hand, gaf die aan de Agagiet Haman, de zoon van Hammedata, de jodenhater, EST 3:11 en zei tot hem: 'Dat geld wordt u gegeven, en ook dat volk: doe er maar mee wat u goeddunkt.' EST 3:12 Daarop werden de koninklijke schrijvers ontboden. Het was de eerste maand, de dertiende dag. Geheel volgens de aanwijzingen van Haman werd een bevelschrift opgesteld voor de satrapen van de koning, voor de stadhouders in alle provincies, voor de rijksgroten van alle volken, voor iedere provincie in haar eigen schrift, voor ieder volk in zijn eigen taal. Het werd in de naam van Ahasveros, de koning, opgesteld en met de ring van de koning verzegeld, EST 3:13 waarna de verzending van de brieven naar alle provincies van de koning aan de ijlboden werd toevertrouwd: alle joden moesten vervolgd worden, gedood en uitgeroeid, van jong tot oud, met kinderen en vrouwen, op een en dezelfde dag, de dertiende van de twaalfde maand, de maand Adar, en hun bezittingen moesten aan plundering worden prijsgegeven. EST 3:14 De tekst van het bevel moest bij wijze van wet in alle provincies uitgevaardigd en ter kennis van alle volken gebracht worden, zodat ze zich op de bewuste dag gereed konden houden. EST 3:15 Op een aansporing van de koning haastten de ijlboden zich heen. Ook in de vesting van Susan werd de wet uitgevaardigd. De koning en Haman gingen zitten drinken, de stad Susan kwam in rep en roer. EST 4:1 Toen Mordekai vernam wat er gebeurd was, scheurde hij zijn kleren doormidden, hulde zich in zak en as en ging de stad in, luidkeels en bitter schreiend. EST 4:2 Voor de koninklijke poort bleef hij staan, want in rouwkleren mocht men de koninklijke poort niet binnen. EST 4:3 Ook in al de provincies, waar het besluit en bevel van de koning bekend werd, maakten de joden groot misbaar; zij vastten, weenden en jammerden, en velen brachten in zak en as de nacht door. EST 4:4 Toen Esters kameniers en eunuchen haar op de hoogte kwamen stellen, schrok de koningin hevig. Zij liet kleren brengen om Mordekai die aan te doen, in plaats van zijn rouwkleed. Maar hij weigerde dat. EST 4:5 Toen ontbood Ester Hatak, een van de eunuchen van de koning, die deze haar als dienaar had gegeven, en stuurde hem naar Mordekai om naar het hoe en waarom te vragen. EST 4:6 En Hatak ging naar Mordekai, op het stadsplein voor de koninklijke poort. EST 4:7 Mordekai vertelde Hatak alles wat hem overkomen was. Hij wist hem ook nauwkeurig te zeggen, hoeveel geld Haman beloofd had aan de schatkist van de koning af te dragen, wanneer hij de joden mocht uitroeien. EST 4:8 Hij gaf hem ook de tekst van het te Susan uitgevaardigde bevelschrift om hen te verdelgen. Hatak moest dit aan Ester laten zien, haar op de hoogte brengen en haar opdragen naar de koning te gaan om zijn clementie in te roepen en de zaak van haar volk bij hem te bepleiten. EST 4:9 Hatak kwam bij Ester terug en bracht haar de woorden van Mordekai over. EST 4:10 Daarop zond Ester Hatak met het volgend antwoord naar Mordekai: EST 4:11 'Alle dienaren van de koning en de bewoners van de provincies van de koning weten, dat iedere man of vrouw, die ongeroepen naar de koning in de binnenhof komt, maar een maatregel te verwachten heeft, de doodstraf. Alleen degene aan wie de koning de gouden skepter toereikt blijft in leven. En ik ben al in geen dertig dagen meer bij de koning geroepen!' EST 4:12 Deze woorden van Ester werden aan Mordekai overgebracht. EST 4:13 En Mordekai liet aan Ester het volgende antwoord geven: 'Denk maar niet, dat jij als enige van alle joden gespaard zult blijven, omdat jij in het koninklijk paleis woont. EST 4:14 Integendeel, als jij op dit moment blijft zwijgen, komt er voor de joden toch uitkomst en redding, van een andere zijde, maar jij en het huis van je vader gaan dan te gronde. Wie weet of je niet voor een moment als dit tot de koninklijke waardigheid gekomen bent?' EST 4:15 Hierop liet Ester aan Mordekai het volgend antwoord brengen: EST 4:16 'Roep alle joden die in Susan wonen bijeen en gaat dan voor mij vasten. Drie etmalen lang moet u niet eten of drinken, overdag niet en 's nachts niet. Ik zal ook zelf zo vasten, met mijn kameniers; en dan ga ik naar de koning, tegen de wet in. Moet ik te gronde gaan, dan ga ik maar te gronde!' EST 4:17 Mordekai ging weg en voerde alles uit wat Ester hem had opgedragen. EST 5:1 Op de derde dag begaf Ester zich, als koningin gekleed, naar de binnenhof van het koninklijk paleis en bleef voor het verblijf van de koning staan. De koning zat op zijn koninklijke troon in de koningszaal, tegenover de ingang. EST 5:2 De koning zag koningin Ester in de voorhof staan en zij vond genade in zijn ogen. Hij reikte haar de gouden skepter toe, die hij in de hand hield. Ester trad naderbij en raakte de spits van de skepter aan. EST 5:3 De koning vroeg: 'Wat is er, koningin Ester? Wat is uw verzoek? Al is het de helft van mijn koninkrijk, het zal u gegeven worden.' EST 5:4 Ester zei: 'Als het de koning zo behaagt, zou dan de koning vandaag, samen met Haman, naar de maaltijd willen komen die ik voor hem bereid heb?' EST 5:5 Daarop beval de koning: 'Gaat onmiddellijk Haman halen: dan kunnen wij aan de uitnodiging van Ester gevolg geven.' Zo kwamen de koning en Haman naar de maaltijd die Ester bereid had. EST 5:6 Al wijn drinkend zei de koning tot Ester: 'Wat is uw verlangen? Het zal worden ingewilligd. Wat is uw verzoek? Al is het de helft van mijn koninkrijk, het zal u gegeven worden.' EST 5:7 Ester gaf ten antwoord: 'Mijn verlangen en mijn verzoek is... EST 5:8 Als ik genade heb gevonden in de ogen van de koning en als het de koning behaagt, mijn verlangen te vervullen en mijn verzoek in te willigen, zou dan de koning met Haman naar de maaltijd willen komen, die ik voor hen zal bereiden? En dan, morgen, zou ik de vraag van de koning willen beantwoorden.' EST 5:9 Welgemoed en opgewekt ging Haman die dag heen, maar toen hij in de koninklijke poort Mordekai zag, die niet opstond en zich voor hem niet verroerde, werd Haman ziedend kwaad op Mordekai. EST 5:10 Hij hield zich echter in. Thuis gekomen riep hij zijn vrienden en zijn vrouw Zeres bij zich. EST 5:11 Hij vertelde hun, hoe indrukwekkend rijk hij was, hoeveel zonen hij had, wat voor hoge waardigheden hem allemaal door de koning verleend waren en hoe deze hem boven de rijksgroten en de dienaren van de koning verheven had. EST 5:12 'Bovendien heeft koningin Ester' zo voegde hij eraan toe' aan de door haar bereide maaltijd behalve de koning niemand uitgenodigd dan mij alleen. En ik ben het weer, die ook voor morgen bij haar gevraagd ben, samen met de koning. EST 5:13 Maar dat alles geeft mij geen voldoening, zolang ik die jood Mordekai in de koninklijke poort zie zitten!' EST 5:14 Zijn vrouw Zeres en al zijn vrienden zeiden hem: 'Laat ze een paal gereedmaken, vijftig el hoog, en vraag dan morgenochtend aan de koning, dat ze daar Mordekai aan ophangen. Dan kunt U welgemoed met de koning aan tafel gaan.' Dat voorstel vond Hamans instemming. Hij liet de paal gereedmaken. EST 6:1 Die nacht kon de koning niet slapen. Daarom beval hij de kroniek van de gedenkwaardige feiten te brengen en daaruit liet hij zich voorlezen. EST 6:2 Zo kwamen ze aan de plaats waar vermeld stond, dat Mordekai twee eunuchen van de koning had aangeklaagd, Bigtan en Teres, behorend tot de dorpelwachters, die een aanslag beraamd hadden op Ahasveros, de koning. EST 6:3 De koning vroeg: 'Welk eerbewijs en welke onderscheiding zijn daarvoor aan Mordekai gegeven?' De hovelingen die de koning dienden antwoordden: 'Er is hem niets gegeven.' EST 6:4 Daarop vroeg de koning: 'Wie is er in de voorhof?' Nu was net Haman in de buitenhof van het koninklijk paleis gekomen om de koning te vragen, dat men Mordekai zou ophangen aan de paal, die hij voor hem had opgericht. EST 6:5 De hovelingen van de koning antwoordden: 'Haman staat daar in de voorhof.'' Laat hem binnenkomen,' zei de koning. EST 6:6 Haman kwam binnen en de koning vroeg hem: 'Wat moet er gebeuren met een man, aan wie de koning eer wil bewijzen?' Haman dacht bij zichzelf: 'Aan wie anders zou de koning eer willen bewijzen dan aan mij?' EST 6:7 Daarom gaf Haman de koning ten antwoord: 'Een man aan wie de koning eer wil bewijzen? EST 6:8 Voor die man moet men een koningsgewaad brengen, een gewaad dat de koning heeft gedragen en een paard dat de koning heeft bereden en dat op zijn kop de koninklijke kroon draagt. EST 6:9 Het kleed en het paard moeten toevertrouwd worden aan een van de rijksgroten van de koning, aan een van de edelen. Zo moet dan de man, aan wie de koning eer wil bewijzen gekleed worden, en men moet hem op dat paard over het stadsplein laten rijden en voor hem uit roepen: Dit gebeurt met de man aan wie de koning eer wil bewijzen!' EST 6:10 Daarop zei de koning tot Haman: 'Haal terstond dat kleed en dat paard en doe zoals u hebt voorgesteld met de jood Mordekai, die in de koninklijke poort zit. Laat niets achterwege van wat u hebt voorgesteld.' EST 6:11 Haman haalde het kleed en het paard, kleedde Mordekai en liet hem over het stadsplein rijden, terwijl hij voor hem uit riep: 'Dit gebeurt met de man aan wie de koning eer wil bewijzen!' EST 6:12 Daarna keerde Mordekai terug naar de koninklijke poort, terwijl Haman zich naar zijn huis haastte, jammerend en het hoofd omhuld. EST 6:13 Haman vertelde aan zijn vrouw Zeres en aan al zijn vrienden alles wat hem overkomen was, waarop zijn raadgevers en zijn vrouw Zeres tot hem zeiden: 'Als die Mordekai, tegen wie u het nu de eerste keer hebt afgelegd, tot de stam van de joden behoort, zult u niet tegen hem op kunnen, maar onherroepelijk onder zijn ogen ten val komen.' EST 6:14 Ze waren nog niet uitgesproken of daar kwamen de eunuchen van de koning al aan en brachten Haman met bekwame spoed naar de maaltijd, die Ester bereid had. EST 7:1 Zo kwamen de koning en Haman aan tafel bij koningin Ester. EST 7:2 Ook deze tweede dag vroeg de koning bij het drinken van de wijn aan Ester: 'Wat is uw verlangen, koningin Ester? Het zal worden ingewilligd. Wat is uw verzoek? Al is het de helft van mijn koninkrijk, het zal u gegeven worden.' EST 7:3 Koningin Ester gaf ten antwoord: 'Als ik genade heb gevonden in uw ogen, koning, en als het de koning zo behaagt, laat dan aan mij mijn leven gegeven worden dat is mijn verlangen , en ook mijn volk dat is mijn verzoek. EST 7:4 Want ik en mijn volk, wij zijn verkocht om verdelgd, gedood en uitgeroeid te worden. Waren we als slaven en slavinnen verkocht, dan had ik gezwegen: dat is geen nood die groot genoeg is om er de koning mee lastig te vallen.' EST 7:5 Toen sprak Ahasveros, de koning, hij zei tot koningin Ester: 'Wie is die man, waar is die man, die zich zoiets in het hoofd heeft gehaald?' EST 7:6 Ester antwoordde: 'Het is een harteloze booswicht, het is Haman, die schurk daar!' En Haman kromp van schrik ineen voor de koning en de koningin. EST 7:7 Woedend stond de koning op en liep van tafel weg, de paleistuin in. Haman bleef achter, hij wilde koningin Ester om zijn leven smeken. Hij zag wel dat hij van de koning het allerergste te verwachten had. EST 7:8 Juist toen de koning uit de paleistuin in de feestzaal terugkwam, had Haman zich neer laten vallen op de bank waarop Ester lag. De koning riep uit: 'Nu ook nog de koningin geweld aandoen, in mijn eigen huis!' De koning had die woorden amper uitgesproken, of men bedekte het gezicht van Haman. EST 7:9 Charbona, een van de eunuchen van de koning, zei: 'Er is ook nog de paal, die Haman gereed heeft gemaakt voor Mordekai, de man die het voor de koning had opgenomen. Hij staat bij het huis van Haman, vijftig el hoog.' De koning beval: 'Hangt hem daar dan aan op.' EST 7:10 En ze hingen Haman aan de paal, die hij voor Mordekai had opgericht. Toen bedaarde de woede van de koning. EST 8:1 Nog diezelfde dag gaf Ahasveros, de koning, het huis van Haman, de jodenhater, aan koningin Ester en werd Mordekai tot het aanschijn van de koning toegelaten, want Ester had verteld, in welke betrekking hij tot haar stond. EST 8:2 De koning deed de ring af, die hij Haman ontnomen had, en gaf die aan Mordekai. En Ester stelde Mordekai aan over het huis van Haman. EST 8:3 Toen nam Ester opnieuw het woord voor het aanschijn van de koning. Zij viel aan zijn voeten neer en smeekte hem onder tranen, het onheil te verijdelen, dat Haman, de Agagiet, tegen de joden beraamd had. EST 8:4 De koning reikte Ester de gouden skepter toe. Ester rees op en stond nu voor de koning. EST 8:5 Zij sprak: 'Als het de koning zo behaagt en ik genade heb gevonden in zijn ogen, en als mijn voorstel de goedkeuring van de koning kan wegdragen en ik hem welgevallig ben, laat er dan een schrijven uitgaan om de brieven te herroepen, die de Agagiet Haman, de zoon van Hammedata, uitgedacht en geschreven heeft om in al de provincies van de koning de joden uit te roeien. EST 8:6 Hoe immers zal ik het onheil kunnen aanzien, dat mijn volk zal treffen? Hoe zal ik kunnen aanzien dat mijn familie wordt uitgeroeid?' EST 8:7 Daarop zei Ahasveros, de koning, tot koningin Ester en tot de jood Mordekai: 'Heb ik Hamans huis al niet aan Ester gegeven en is hijzelf niet aan de paal opgehangen, omdat hij de hand wilde slaan aan de joden? EST 8:8 Schrijft u nu zelf maar neer wat u voor de joden gewenst acht, in naam van de koning, en verzegelt dat met de ring van de koning. U weet: wat in de naam van de koning geschreven en met de ring van de koning verzegeld is, kan niet herroepen worden.' EST 8:9 De koninklijke schrijvers werden ontboden. Toen dat gebeurde was het de derde maand, de maand Siwan, de drieëntwintigste dag. Geheel volgens de aanwijzingen van Mordekai werd er een bevelschrift opgesteld voor de joden, en voor de satrapen, de stadhouders en de bestuurders van de provincies, van Indië tot Ethiopië, honderdenzevenentwintig provincies, voor iedere provincie in haar eigen schrift en voor ieder volk in zijn eigen taal; ook aan de joden werd in hun eigen schrift en taal geschreven. EST 8:10 Mordekai stelde die beschikking op in naam van Ahasveros, de koning, en verzegelde haar met de ring van de koning. Daarna verzond hij afschriften met de bereden ijlboden, die reden op de koninklijke paarden, gefokt van bliksemsnelle merries. EST 8:11 De koning stond de joden in alle steden toe, zich aaneen te sluiten en zichzelf te verdedigen; iedere gewapende macht, van welk volk en uit welke provincie ook, die hen zou belagen, mochten zij verdelgen, doden en uitroeien, met kinderen en vrouwen, en zij mochten hun bezittingen plunderen, EST 8:12 op een en dezelfde dag in alle provincies van Ahasveros, de koning, de dertiende van de twaalfde maand, te weten de maand Adar. EST 8:13 De tekst van deze beschikking moest bij wijze van wet in alle provincies uitgevaardigd en ter kennis van alle volken gebracht worden en de joden moesten zich op de bewuste dag gereed houden om zich op hun vijanden te wreken. EST 8:14 Op bevel van de koning stoven de ijlboden, die op de koninklijke paarden reden, weg. Ook in de vesting van Susan werd de wet uitgevaardigd. EST 8:15 Toen ging Mordekai bij de koning weg, gekleed in een koninklijk gewaad van wit en violet linnen, met een grote gouden diadeem en een mantel van byssus en purperen stof. De stad Susan was opgetogen van vreugde. EST 8:16 Voor de joden was het een dag van licht en vreugde, van gejuich en glorie. EST 8:17 Ook in alle provincies en in alle steden, waar het besluit en bevel van de koning bekend werd, was er bij de joden vreugde en gejuich: er werden maaltijden aangericht en het was feest. Uit de bevolking van het land gingen velen tot het jodendom over, want vrees voor de joden had hen aangegrepen. EST 9:1 In de twaalfde maand, de maand Adar, op de dertiende dag, toen het besluit en bevel van de koning moest worden uitgevoerd, op die dag waarop de vijanden van de joden gehoopt hadden hen te kunnen overweldigen, gebeurde juist het omgekeerde: de joden overweldigden hun belagers. EST 9:2 In hun steden, in alle provincies van Ahasveros, de koning, sloten de joden zich aaneen om de hand te slaan aan degenen die hun ondergang zochten. Niemand kon hun weerstaan, want alle volken waren door vrees voor hen aangegrepen. EST 9:3 Alle bestuurders van de provincies, de satrapen, de stadhouders en de ambtenaren van de koning namen het op voor de joden, EST 9:4 want de vrees voor Mordekai had hen aangegrepen. Mordekai immers had grote invloed in het koninklijk paleis en zijn faam verbreidde zich in alle provincies; hij kreeg steeds groter invloed, Mordekai. EST 9:5 De joden sloegen met het zwaard op al hun vijanden in; zij sloegen hen met dood en vernietiging; zij deden met hun belagers wat zij wilden. EST 9:6 In de vesting van Susan doodden en vernietigden zij vijfhonderd man. EST 9:7 Ook Parsandata, Dalfon, Aspata, EST 9:8 Porata, Adalja, Aridata, EST 9:9 Parmasta, Arisai, Aridai en Waizata, EST 9:10 de tien zonen van Haman, de zoon van Hammedata, de jodenhater, doodden zij. Naar de bezittingen echter staken zij hun handen niet uit. EST 9:11 Toen de koning die dag hoorde, hoevelen er in de vesting van Susan gedood waren, EST 9:12 zei hij tot koningin Ester: 'In de vesting van Susan hebben de joden vijfhonderd man gedood en uitgeroeid, en bovendien nog de tien zonen van Haman. Wat zullen ze dan in de andere koninklijke provincies wel gedaan hebben? Wat verlangt u nu nog? Het zal u gegeven worden. Hebt u nog een verzoek? Het zal ingewilligd worden.' EST 9:13 Ester antwoordde: 'Als het de koning zo behaagt, zouden dan de joden in Susan ook morgen nog eens de wet mogen toepassen, die voor vandaag geldt? En ik zou ook graag zien, dat de tien zonen van Haman aan de paal gehangen werden.' EST 9:14 De koning gelastte dat het zo zou gebeuren. Te Susan werd een desbetreffende verordening uitgevaardigd en de tien zonen van Haman werden opgehangen. EST 9:15 Ook op de veertiende dag van de maand Adar sloten zich dus de joden van Susan aaneen en zij doodden nog eens driehonderd man. Naar de bezittingen echter staken zij hun handen niet uit. EST 9:16 Ook de andere joden, die in de provincies van de koning woonden, hadden zich aaneengesloten. Zij verdedigden zich, zij kregen rust van hun vijanden en zij doodden vijfenzeventigduizend van hun belagers. Naar de bezittingen echter staken zij hun handen niet uit. EST 9:17 Dat gebeurde op de dertiende dag van de maand Adar. Op de veertiende dag rustten zij uit en maakten die dag tot een dag van maaltijden en van vreugde. EST 9:18 De joden van Susan echter sloten zich zowel op de dertiende als op de veertiende dag aaneen. Op de vijftiende rustten zij uit en maakten die dag tot een dag van maaltijden en van vreugde. EST 9:19 Daarom vieren de joden die over het land verspreid in de niet ommuurde steden wonen, de veertiende dag van de maand Adar met vreugde en maaltijden, als een feestdag, waarop men elkaar porties van de maaltijden stuurt. EST 9:20 Mordekai maakte van deze gebeurtenissen een schriftelijk verslag, zond afschriften naar alle joden in alle provincies van Ahasveros, de koning, dichtbij en veraf, EST 9:21 om hen te verplichten ieder jaar de veertiende en de vijftiende dag van de maand Adar te vieren, EST 9:22 als de dagen, waarop de joden rust van hun vijanden hadden gekregen, en als de maand, waarin hun droefheid in vreugde was verkeerd en hun rouw in een feestdag was omgeslagen. Ze moesten die dagen maken tot dagen van maaltijden en van vreugde, elkaar porties van de maaltijden sturen en de armen goed bedenken. EST 9:23 Datgene wat de joden zelf al begonnen waren maakten zij, toen Mordekai hun dat had geschreven, tot een vast gebruik. EST 9:24 De Agagiet Haman, de zoon van Hammedata, de jodenhater, had immers het plan opgevat de joden uit te roeien. Hij had het poer dat wil zeggen het lot geworpen, toen hij hen wilde opjagen en uitroeien. EST 9:25 Dit was echter de koning ter ore gekomen en deze had zowel mondeling als schriftelijk verordend dat het onheil, door Haman tegen de joden beraamd, op diens eigen hoofd moest neerkomen en dat hij en zijn zonen aan de paal moesten worden opgehangen. EST 9:26 Daarom, vanwege het woord poer, gaven de joden aan die dagen de naam poerim. Daarom, vanwege de inhoud van dit schrijven en vanwege alles wat ze er zelf van gezien en ondervonden hadden, EST 9:27 legden zij als verplichting op en aanvaardden zij, zowel voor zichzelf en hun nakomelingen als ook voor allen die zich bij hen zouden aansluiten, onherroepelijk dat zij ieder jaar die twee dagen zouden vieren, volgens het desbetreffende voorschrift en op de daarvoor bepaalde tijd. EST 9:28 En deze dagen zouden herdacht en gevierd worden van geslacht tot geslacht en voor alle families en in alle provincies en in alle steden. Nooit mochten die poerim dagen bij de joden in onbruik raken en mocht deze herdenking bij hun nakomelingen teloorgaan. EST 9:29 Koningin Ester, de dochter van Abihail, schreef een stuk om deze tweede brief over poerim nadrukkelijk te bekrachtigen. EST 9:30 Er gingen afschriften uit naar alle joden in de honderdzevenentwintig provincies, waaruit het koninkrijk van Ahasveros bestond. Het was een boodschap van vrede en verbondenheid, EST 9:31 waarin de poerim dagen als een verplicht feest werden opgelegd, te vieren op de daarvoor aangewezen tijd, zoals de jood Mordekai het hun had gelast, en in overeenstemming met de voorschriften, die zij voor zichzelf en hun nakomelingen hadden opgesteld ten aanzien van het vasten en de weeklachten. EST 9:32 En het woord van Ester, dat de regels voor het poerim feest bepaalde, werd te boek gesteld. EST 10:1 Ahasveros, de koning, legde vasteland en eilanden een schatting op. EST 10:2 Al zijn machtige daden en krijgsverrichtingen en ook de bijzonderheden over de hoge waardigheid, die de koning aan Mordekai verleend had, zijn te vinden in de annalen van de koningen van Medië en Perzië. EST 10:3 De jood Mordekai immers kwam in rang onmiddellijk na Ahasveros, de koning. Hij stond bij de joden hoog in aanzien, hij was geliefd bij al zijn broeders, hij zocht steeds het geluk van zijn volk en was een pleitbezorger voor de vrede van heel zijn geslacht. (rest apocrief:) EST 10:24 En Mordekai sprak: 'Dit is het werk van God geweest! EST 10:25 Ik herinner mij de droom, waarin ik dit alles gezien heb; niets van die droom is onvervuld gebleven: EST 10:26 daar was de kleine bron, die een rivier werd, en er was licht, zon en veel water. De rivier is Ester, met wie de koning huwde en die door hem tot koningin werd gemaakt. EST 10:27 De twee draken zijn Haman en ik. EST 10:28 De vele wolken zijn degenen die zich aaneengesloten hebben om de naam van de joden uit te roeien. EST 10:29 Het ene volk, dat is mijn volk, Israël, degenen die tot God geroepen hebben en gered zijn. De Heer heeft zijn volk gered, de Heer heeft ons ontrukt aan al die rampen, God heeft de grote tekenen en wonderen verricht, die bij de heidenen nooit gebeurd zijn. EST 10:30 Want God had twee lotsbestemmingen gemaakt, een voor het volk van God en een voor alle andere volken. EST 10:31 En op het uur, de tijd en de dag van de beslissing besloot God die twee lotsbestemmingen te voltrekken, de ene voor alle volken, EST 10:32 de ander voor zijn eigen volk, doordat Hij het indachtig was en aan zijn erfdeel recht verschafte. EST 10:33 Voor hen zullen daarom die dagen van de maand Adar, de veertiende en de vijftiende van die maand, dagen van feestelijke samenkomsten en van vreugde zijn, voor Gods aan-gezicht, van geslacht tot geslacht in eeuwigheid, bij zijn volk Israël.' EST 11:1 In het vierde jaar van de regering van Ptolemeüs en Kleopatra bracht Dositeüs, die verklaarde dat hij priester en Leviet was, samen met zijn zoon Ptolemeüs, deze brief over het poerim feest. Zij verzekerden, dat hij echt was, en vertaald was door Lysimachus, de zoon van Ptolemeüs, van de gemeente te Jeruzalem. EST 11:2 In het tweede jaar van de regering van Artaxerxes de Grote, op de eerste van Nisan, had Mordekai, de zoon van Jair, de zoon van Simi, de zoon van Kis, uit de stam Benjamin, een droom. EST 11:3 Mordekai was een jood, woonachtig in de stad Susan, een man van aanzien, die een functie had aan het koninklijk hof. EST 11:4 Hij behoorde tot de ballingen, die door Nabuchodonosor, de koning van Babylon, uit Jeruzalem waren weggevoerd, te zamen met Jechonias, de koning van Juda. EST 11:5 Dit was zijn droom: Er waren kreten en tumult, donderslag en aardbeving, heel de wereld was in beroering. EST 11:6 Twee grote draken kwamen op, beide gereed om te vechten. Ze brulden luid. EST 11:7 Op hun gebrul maakten alle volken zich gereed voor de strijd, om te strijden tegen een volk van rechtvaardigen. EST 11:8 Ja, het was een dag van donkerte en duisternis. Verdrukking was er en benauwenis, rampspoed en grote beroering over de aarde. EST 11:9 Heel het rechtvaardige volk werd met ontzetting geslagen, vol angst voor de rampen die hen bedreigden. Zij bereidden zich voor op hun ondergang en riepen tot God. EST 11:10 Uit hun roepen kwam een vloed van water voort: uit een kleine bron een grote rivier. EST 11:11 Het werd licht, de zon kwam op, en de vernederden werden verheven en zij verslonden de hooggezetenen. EST 11:12 Wakker geworden, kon Mordekai deze droom, waarin hij had gezien wat God besloten had te doen, niet van zich afzetten. Hij trachtte met alle middelen de zin ervan te doorgronden, tot de nacht toe. EST 12:1 Toen Mordekai zich in het paleis te ruste had begeven, samen met Gabata en Tarra, de twee eunuchen van de koning, die met de bewaking van het paleis belast waren, EST 12:2 hoorde hij hen met elkaar overleggen en kwam hij op de hoogte van hun plannen. Hij merkt dat ze een aanslag beraamden op koning Artaxerxes, en hij waarschuwde de koning voor hen. EST 12:3 De koning nam de twee eunuchen een verhoor af: zij bekenden en werden weggevoerd. EST 12:4 De koning liet deze gebeurtenissen opschrijven om de herinnering eraan te bewaren; ook Mordekai legde deze gebeurtenissen schriftelijk vast. EST 12:5 De koning gaf Mordekai een functie aan het hof en beloonde hem met geschenken. EST 12:6 Maar de Bugeeer Haman, de zoon van Hamadatus, die bij de koning hoog in aanzien stond, nam het voor de twee eunuchen van de koning op en zocht een gelegenheid om Mordekai en diens volk te schaden. EST 13:1 Dit is de tekst van de brief: 'Artaxerxes, de grote koning, schrijft als volgt aan de bestuurders van de honderzevenentwintig provincies, van Indië tot Ethiopië, en aan de onder hen gestelde plaatselijke bestuurders: EST 13:2 Ik, die regeer over vele volken en de gehele wereld beheers, had mij voorgenomen en dat niet omdat ik mij door machtswellust liet meeslepen, maar omdat ik altijd redelijk en welwillend te werk wilde gaan mijn onderdanen onder alle omstandigheden een ongestoord bestaan te verzekeren en de door alle mensen verlangde vrede opnieuw te bevestigen, zodat mijn koninkrijk veilig bereisd kan worden, van grens tot grens. EST 13:3 Welnu, toen ik mijn raadslieden vroeg, hoe dit verwezenlijkt kon worden, heeft Haman, die bij ons uitmunt door zijn bezonnen oordeel, die zich steeds even toegewijd en zo de tweede plaats in het koninkrijk heeft gekregen, EST 13:4 ons onder het oog gebracht, dat zich onder alle stammen van de wereld een kwaadwillig volk verspreid heeft, dat door zijn wetten tegenover elk ander volk staat en de verordeningen van de koning doorlopend met minachting bejegent, met het gevolg dat er afbreuk wordt gedaan aan het door ons zo onberispelijk gevoerde beleid. EST 13:5 Wij hebben inderdaad vastgesteld, dat dit volk, en alleen dit volk, voortdurend met iedereen op gespannen voet staat, zich apart houdt door volgens vreemde wetten te leven, afkerig is van ons bestuur en de zwaarste misdaden bedrijft, zodat ons koninkrijk niet tot stabiliteit kan geraken. EST 13:6 Wij hebben derhalve verordend, dat degenen die u nader worden aangeduid in het schrijven van Haman, onze gevolmachtigde in bestuurszaken en onze tweede vader, dat zij allen, met vrouwen en kinderen, volledig worden uitgeroeid door het zwaard van hun vijanden, zonder enig mededogen en zonder pardon, op de veertiende dag van de twaalfde maand, de maand Adar, van het lopende jaar. EST 13:7 Zo zullen zij, die kwaadwilligen, vroeger en nu, op een dag naar de onderwereld gejaagd worden; dat zal ons voor de toekomst een altijd stabiel en ongestoord bestuur verzekeren.' EST 13:8 En Mordekai wendde zich smekend tot de Heer; al de werken van de heer indachtig bad hij: EST 13:9 Heer, Heer, Gij koning die over alles heerst: aan uw macht is alles onderworpen en als Gij Israël wilt redden, is er niemand die U weerstreeft; EST 13:10 Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt en alwat er onder de hemel te bewonderen valt; EST 13:11 Gij zijt Heer over allen en er is niemand die zich tegen U, de Heer, verzetten zal. EST 13:12 Gij doorziet alles; Gij weet, Heer, dat ik niet uit hoogmoed handelde, niet uit verwatenheid en niet uit eerzucht, toen ik voor die verwaten Haman niet op de knieën viel. EST 13:13 Ik had immers de zolen van zijn voeten graag gekust, als ik daarmee Israël had kunnen redden. EST 13:14 Als ik zo gehandeld heb, dan was dat veeleer om een mens niet hoger te eren dan God. Ik wil voor niemand knielen dan voor U, die mijn Heer zijt, en het is dus geen hoogmoed wanneer ik zo handel. EST 13:15 Welaan dan, Heer, God, koning, God van Abraham, spaar uw volk, want ze loeren op onze ondergang en hebben er hun zinnen op gezet om ons, uw erfdeel van oudsher te vernietigen. EST 13:16 Veronachtzaam uw eigendom niet, dat Gij U uit Egypte hebt vrijgekocht. EST 13:17 Verhoor mijn gebed, erbarm U over uw erfgoed en doe onze droefheid in vreugde verkeren. Laat ons leven, Heer, om de lof van uw naam te zingen en sluit niet de mond van hen die U prijzen. EST 13:18 En heel Israël riep uit alle macht, want zij zagen hun dood vlak voor zich. EST 14:1 Ook koningin Ester nam in doodsnood haar toevlucht tot de Heer. Zij legde haar staatsiekleren af en trok rouw en treurgewaden aan. EST 14:2 In plaats van fijne reukwerken strooide zij as en drek op haar hoofd. EST 14:3 Zij kastijdde haar lichaam streng, en overal waar zij vroeger een weelde van sieraden droeg liet zij nu haar verwarde haren hangen. En zij bad aldus tot de Heer, de God van Israël: EST 14:4 Mijn Heer, onze koning, Gij zijt de enige! Kom mij te hulp, mij die alleen sta en geen andere helper heb dan U, want ik ga een groot gevaar tegemoet. EST 14:5 Van mijn geboorte af heb ik in de stam waaruit ik voortkom gehoord, dat Gij, Heer, uit alle volken Israël en uit al hun voorouders onze vaderen hebt aangenomen als een blijvend erfdeel en dat Gij voor hen alles hebt gedaan wat Gij beloofd hadt. EST 14:6 Wij echter hebben tegen U gezondigd en Gij hebt ons aan onze vijanden overgeleverd, omdat wij hun goden geëerd hebben. EST 14:7 Gij zijt rechtvaardig, Heer! EST 14:8 Nu echter is onze bittere slavernij hun niet meer genoeg: zij hebben zich tegenover hun afgoden op handslag verplicht, EST 14:9 de toezegging uit uw mond te verijdelen, uw erfdeel te vernietigen, de mond te snoeren van hen die u prijzen, de luister van uw huis en uw altaar uit te doven, EST 14:10 de mond van de heidenen te openen om hun waangoden te prijzen, en eeuwige eerbied af te dwingen voor een vergankelijke koning. EST 14:11 Geef uw skepter, Heer, niet prijs aan hen die niet bestaan en laat ze niet lachen om onze rampspoed. Keer hun plan tegen henzelf en stel de man die tegen ons begonnen is aan de kaak. EST 14:12 Gedenk ons, Heer, openbaar U in het uur van onze nood en geef mij moed, Gij koning van de goden en heerser over alle heerschappij. EST 14:13 Leg mij een gelukkig woord in de mond, als ik sta tegenover de leeuw; verander zijn gezindheid en breng hem tot haat tegen de man die ons bestrijdt, zodat hij en zijn medestanders te gronde gaan. EST 14:14 Red ons door uw hand en kom mij te hulp, want ik sta alleen en heb niemand anders dan U, Heer. EST 14:15 Van alles draagt Gij kennis en Gij weet ook, dat ik het eerbetoon van de wettelozen verfoei en het bed verafschuw van de onbesnedenen en van alle vreemdelingen. EST 14:16 Gij weet, dat ik niet anders kan en dat ik een afschuw heb van het teken van mijn waardigheid, dat ik op mijn hoofd draag op de dagen dat ik mij vertonen moet. Ik walg ervan, als van een doek vol menstruatiebloed en ik draag het nooit op de dagen dat ik rust heb. EST 14:17 Uw dienares heeft niet gegeten van de maal van Haman en ik heb geen feestmaal van de koning eer aangedaan en niet gedronken van de offerwijn. EST 14:18 Sinds de dag dat ik hierheen ben overgebracht tot vandaag toe heeft uw dienares haar vreugde alleen gevonden in U, Heer, God van Abraham. EST 14:19 God, Gij die macht hebt over allen, aanhoor de stem van de wanhopigen, red ons uit de hand van de booswichten, red mij uit dit gevaar. EST 15:1 Denk eens terug, zo liet hij haar zeggen, aan de tijd dat je in ellende verkeerde en hoe je toen door mijn hand werd gevoed. EST 15:2 Haman, de eerste man na de koning, heeft voor onze dood gepleit. EST 15:3 Roep de Heer aan, pleit voor ons bij de koning en red ons van de dood.' EST 15:4 Op de derde dag hield zij op met bidden, legde haar boetekleren af en trok haar staatsiegewaad aan. EST 15:5 Zo, in haar volle luister, riep zij de hulp in van de alziende God en redder en zij begaf zich met haar twee kameniers op weg: EST 15:6 op de ene leunde zij, als een verfijnde EST 15:7 dame, de andere kwam achter haar aan en droeg de sleep van haar kleed. EST 15:8 Over haar gezicht lag de blos van de hoogste schoonheid en zij zag er opgetogen en innemend uit, maar haar hart kromp ineen van angst. EST 15:9 Nadat zij al de deuren was doorgegaan, kwam zij voor het aanschijn van de koning. Hij zat op zijn koningstroon bekleed met al zijn staatsiegewaden, een en al goud en kostbare stenen, en hij was zeer ontzagwekkend. EST 15:10 In vlammende toorn sloeg hij vol majesteit zijn ogen op en keek haar aan, ziedend van woede. De koningin wankelde, verbleekte, viel in onmacht en vond steun tegen het hoofd van de kamenier die vooropliep. EST 15:11 Toen vermurwde God het gemoed van de koning. Ontdaan sprong hij op van zijn troon, nam haar in zijn armen tot zij weer bijkwam en bemoedigde haar met vriendelijke woorden. EST 15:12 'Wat is er, Ester?' zei hij. EST 15:13 'Ik ben uw broer, wees gerust, u hoeft niet te sterven, want onze verordening geld alleen voor het gewone volk! EST 15:14 Kom maar naderbij.' EST 15:15 Hij hief de gouden skepter op en raakte daarmee haar hals aan; hij kuste haar en sprak: 'Zeg het mij maar!' EST 15:16 Ester antwoordde: 'Toen ik u zag, heer, was u als een engel van God, en mijn hart sidderde van ontzag voor uw majesteit. EST 15:17 Want u bent bewonderenswaardig, EST 15:18 heer en uw aangezicht is een en al schoonheid.' EST 15:19 Terwijl ze zo sprak, viel de koningin weer in onmacht. De koning wist geen raad en al zijn hovelingen trachtten haar bij te brengen. EST 16:1 Hier volgt de tekst van de brief: 'De grote koning Artaxerxes aan de bestuurders van de honderzevenentwintig provincies van Indië tot Ethiopië en aan degenen die ons trouw zijn: Saluut! EST 16:2 Velen, die door de uiterste goedgunstigheid van hun weldoeners al te zeer geëerd werden, hebben daardoor een te hoge dunk van zichzelf gekregen. EST 16:3 Zij trachten niet alleen onze onderdanen kwaad te doen, maar niet bij machte hun weelde te dragen, gaan zij ertoe over tegen hun weldoeners te intrigeren. EST 16:4 Zij doen niet alleen aan de dankbaarheid in de omgang met de mensen tekort, maar ze menen zelfs te kunnen ontsnappen aan de geen kwaad duldende gerechtigheid van de God, die altijd alles ziet. Zozeer hebben ze zich door het gezwets van deugnieten laten meeslepen. EST 16:5 Vele malen zijn ook vele machthebbers medeplichtig geworden aan het vergieten van onschuldig bloed en dientengevolge in onherstelbare ellende gestort door de overreding van vrienden, aan wie zij de behartiging van de staatszaken hadden toevertrouwd EST 16:6 en die met arglist en drogredenen de nobele goede trouw van de heersers bedrogen hebben. EST 16:7 U kunt dat niet alleen opmaken uit de oude overgeleverde verhalen; u hoeft niet ver weg te zoeken, om te zien, wat er zoal aan schandelijks bedreven is door de verdorvenheid van lieden die op onwaardige wijze macht uitoefenen. EST 16:8 U moet ook uw blik richten op de toekomst: hoe wij het koninkrijk ten bate van alle mensen rust en vrede zullen verschaffen. EST 16:9 Wij zullen geen veranderingen dulden, maar wel altijd redelijke tegemoetkomendheid oordelen over wat ons wordt voorgelegd. EST 16:10 Zo is er nu een zekere Haman, de zoon van Hamadatus, een Macedoniër, zeer zeker niet van Perzisch bloed en in rechtschapenheid niet met ons te vergelijken, die als gast bij ons is opgenomen EST 16:11 en die zozeer het voorwerp is geweest van onze menslievendheid tegenover alle volken, dat hij onze vader werd genoemd, de hoogste waardigheid na de koninklijke troon bekleedde en door allen met de knieval werd geëerd. EST 16:12 Maar deze hoge eer werd hem te machtig en hij zette er zijn zinnen op, ons van de heerschappij en zelfs van het leven te beroven. EST 16:13 Hij heeft onze redder en trouwe weldoener, Mordekai en onze onberispelijke deelgenote in het koningschap, Ester, te zamen met heel hun volk, door listig en slinks gekonkel ten val willen brengen. EST 16:14 Door dat geïntrigeer hoopte hij namelijk ons te isoleren en zo in zijn macht te krijgen, om vervolgens de heerschappij van de perzen aan de Macedoniërs te geven. EST 16:15 Wij echter zijn tot de bevinding gekomen dat de joden, door deze doortrapte booswicht voor de ondergang bestemd, geen misdadigers zijn, maar dat zij leven volgens zeer rechtvaardige wetten EST 16:16 en de zonen zijn van de allerhoogste, grootste en levende God, EST 16:17 die onze heerschappij, evenals die van onze vaderen, met opperste welgezindheid behoedt. EST 16:18 U zult er dus goed aan doen, geen rekening te houden met de door Haman, de zoon van Hamadatus, gezonden brief: de man die verantwoordelijk is voor die brief, is bij de poorten van Susan met zijn hele familie aan de paal gehangen; zo spoedig heeft de over alles gebiedende God het verdiende vonnis aan hem voltrokken. EST 16:19 U dient dus de tekst van dit schrijven overal zonder enige bedenking aan te slaan. Verder moet u de joden volgens hun eigen gebruiken laten leven EST 16:20 en hen met krachtige hand helpen om zich te verweren tegen degenen die hen zullen belagen op het ogenblik van de beproeving, op de dertiende dag van de twaalfde maand, Adar, de bewuste dag. EST 16:21 Want die dag, die voor het uitverkoren geslacht de dag van de ondergang had moeten worden, is door de allesbeheersende God voor hen tot een dag van vreugde gemaakt. EST 16:22 Daarom moet ook u onder uw vastgestelde feesten een speciale dag vieren, met kostelijke maaltijden, opdat die dag nu en in de toekomst een teken van redding mag zijn voor ons EST 16:23 en alle weldenkende Perzen en anderzijds onze belagers aan hun ondergang mag herinneren. EST 16:24 Alle steden of provincies, geen uitgezonderd, die niet naar dit bevel handelen, zullen zonder mededogen te vuur en te zwaard verwoest worden. Niet alleen door de mensen zullen ze gemeden worden, maar ook de wilde dieren en vogels zullen er een afschuw van hebben, voor altijd.' HET EERSTE BOEK MAKKABEEËN 1MAK 1:1 In die tijd ondernam de Macedoniër Alexander, de zoon van Filippus, vanuit het land van de Kittiërs een veldtocht tegen Darius, de koning van de Perzen en de Meden. Hij versloeg hem en werd koning in zijn plaats, na eerst alleen over Griekenland te hebben geregeerd. 1MAK 1:2 Hij voerde tal van oorlogen, veroverde vestingen en doodde de koningen van de aarde; 1MAK 1:3 hij drong door tot aan de uiteinden der aarde en brandschatte vele volken: de aarde durfde zich tegen hem niet meer te verzetten. Hij werd overmoedig en in zijn trots 1MAK 1:4 bracht hij een buitengewoon sterk leger op de been; hij maakte zich meester van landen, volken en vorsten en ze werden hem schatplichtig. 1MAK 1:5 Daarna werd hij ziek. Toen hij zijn einde voelde naderen, 1MAK 1:6 ontbood hij zijn dienaren, de edelen die van jongsaf met hem waren opgevoed, en verdeelde nog bij zijn leven zijn rijk onder hen. 1MAK 1:7 Alexander stierf na twaalf jaar te hebben geregeerd. 1MAK 1:8 Na zijn dood namen zijn dienaren het bestuur van het gebied dat hun was toegewezen, in handen, 1MAK 1:9 en bonden zich de diadeem om het hoofd en hun zonen volgden hen op. Gedurende de vele jaren dat hun bewind duurde, brachten zij veel ellende over de aarde. 1MAK 1:10 Uit hun geslacht kwam een slecht mens voort, Antiochus Epifanes, de zoon van koning Antiochus, die in Rome gijzelaar geweest was. Hij werd koning in het honderdzevenendertigste jaar van de heerschappij van de Grieken. 1MAK 1:11 In die tijd kwam in Israël een geslacht op, dat zich om de wet niet bekommerde en velen wist te winnen voor de gedachte een verbond te sluiten met de volken rondom.' Want,' zeiden ze,' sinds we ons van hen hebben afgescheiden, hebben ons vele rampen getroffen.' 1MAK 1:12 Overtuigd van de juistheid van deze redenering 1MAK 1:13 verklaarden enige mannen uit het volk zich bereid om naar de koning te gaan. Deze verleende hun volmacht om de levenswijze van de heidenen in te voeren. 1MAK 1:14 Zij richtten in Jeruzalem een atletiekschool op, zoals bij de heidenen gebruik was; 1MAK 1:15 zij lieten zich weer een voorhuid maken en braken met het heilig verbond; zij bukten zich onder het juk van de volken en boden zich aan om kwaad te doen. 1MAK 1:16 Toen Antiochus zijn heerschappij gevestigd zag, kwam in hem het verlangen op koning te worden van Egypte; dan zou hij de twee rijken regeren. 17 Hij trok dus met een talrijk leger, met strijdwagens en olifanten en met een grote vloot naar Egypte 1MAK 1:18 en viel Ptolemeus, de koning van Egypte, aan. Ptolemeüs werd door vrees bevangen en nam de vlucht, terwijl velen van zijn mannen sneuvelden. 1MAK 1:19 Antiochus veroverde de versterkte steden in Egypte en plunderde dat land. 1MAK 1:20 Na zijn overwinning op Egypte aanvaardde hij in het jaar honderddrieënveertig de terugtocht. Met een talrijk leger trok hij naar Israël en ging naar Jeruzalem. 1MAK 1:21 Daar drong hij in overmoed het heiligdom binnen, legde beslag op het gouden reukofferaltaar, de luchter met alles wat er bij hoort, 22 de tafel van de toonbroden, de plengschalen, de bekers, de gouden wierookschalen, het voorhangsel, de kransen en de gouden versierselen aan de voorgevel van de tempel en haalde overal de goudlaag af. 1MAK 1:23 Hij nam het goud, het zilver, het kostbare vaatwerk en de verborgen schatten die hij kon vinden in beslag 1MAK 1:24 en nam alles mee naar zijn land. Voor hij vertrok richtte hij een bloedbad aan en braakte schaamteloze taal uit. 1MAK 1:25 In stad en land van Israël heerste een grote verslagenheid: 26 Vorsten en oudsten zuchtten, maagden en jonge mannen kwijnden weg, de schoonheid der vrouwen verwelkte. 1MAK 1:27 De bruidegom hief een treurlied aan, de bruid rouwde in haar bruidsvertrek. 1MAK 1:28 Het land schokte van het verdriet van zijn bewoners, heel het huis van Jakob was met schaamte overdekt. 1MAK 1:29 Twee jaar later zond de koning de hoofdambtenaar, belast met het innen van de belastingen naar de steden van Juda. Met een sterk leger verscheen hij voor Jeruzalem 1MAK 1:30 en op sluwe wijze wist hij door vreedzame onderhandelingen het vertrouwen van de inwoners te winnen. Maar onverhoeds deed hij een aanval op de stad, trof haar zwaar en bracht veel Israëlieten om het leven. 1MAK 1:31 Hij plunderde de stad, stak haar in brand en liet de huizen en de stadsmuur omverhalen; 1MAK 1:32 vrouwen en kinderen werden gevangen weggevoerd en het vee werd in beslag genomen. 1MAK 1:33 De stad van David werd versterkt en voorzien van een grote, sterke muur met zware torens; ze werd een burcht 1MAK 1:34 waarin goddeloze soldaten en afvalligen zich verschansten. 1MAK 1:35 Zij sloegen er wapens en levensmiddelen op en brachten er in veiligheid wat ze in Jeruzalem buit maakten. Het was een geduchte valstrik, 36 een hinderlaag voor het heiligdom, een kwaadaardige belager, die Israël steeds in het oog hield. 1MAK 1:37 Onschuldig bloed vergoten zij rond de tempel en zij ontwijdden de heilige plaats. 1MAK 1:38 Uit vrees voor hen namen de bewoners van Jeruzalem de vlucht en werd de stad een woonplaats van vreemdelingen; zo vervreemdde Jeruzalem van haar eigen kroost en lieten haar kinderen haar aan haar lot over. 1MAK 1:39 Haar tempel lag verlaten als de woestijn, haar feesten waren dagen van rouw geworden, met de sabbat werd de spot gedreven; vroeger vereerd, werd nu de tempel veracht. 1MAK 1:40 Haar ontluistering evenaarde haar oude glorie, haar heerlijkheid was in ellende verkeerd. 1MAK 1:41 Daarna vaardigde de koning voor heel zijn rijk het bevel uit dat allen een volk moesten worden 1MAK 1:42 en dat ieder zijn eigen gebruiken moest opgeven. Alle volken voegden zich naar het woord van de koning. 1MAK 1:43 Zelfs onder de Israëlieten waren er velen die gaarne de godsdienst van de koning aannamen, aan de afgoden offerden en de sabbat niet meer hielden. 44 Ook naar Jeruzalem en de steden van Juda zond de koning boden met het schriftelijk bevel dat de Israëlieten de uitheemse gebruiken moesten overnemen 1MAK 1:45 en ophouden met de brand , slacht en plengoffers in de tempel; dat ze sabbat en feestdagen moesten afschaffen 1MAK 1:46 en de tempel en de heilige personen ontwijden, 1MAK 1:47 dat ze altaren, tempels en kapellen moesten oprichten voor afgoden en varkens en andere onreine dieren offeren; 1MAK 1:48 dat ze hun zonen niet meer mochten besnijden, en zich moesten bezoedelen door allerlei onreine en onheilige praktijken, 1MAK 1:49 om aldus de wet te vergeten en haar voorschriften te ontkrachten. 1MAK 1:50 Alwie niet zou gehoorzamen aan het bevel van de koning, zou gedood worden. 1MAK 1:51 Soortgelijke bepalingen liet hij in heel zijn rijk afkondigen. Tegelijkertijd stelde hij over het volk beambten aan die erop moesten toezien dat er in elke stad van Juda offers werden opgedragen. 1MAK 1:52 Velen uit het volk richtten zich naar hun voorschriften en stoorden zich niet aan de wet. Zij stichtten zoveel kwaad in het land 1MAK 1:53 dat de goede Israëlieten gedwongen waren zich te gaan verbergen in alle mogelijke schuilplaatsen. 1MAK 1:54 De vijftiende Kislew van het honderdvijfenveertigste jaar liet de koning de gruwel der verwoesting bouwen op het brandofferaltaar; in de steden van Juda werden afgodsaltaren opgericht en 1MAK 1:55 voor de ingang der huizen en op de pleinen brandde men wierook. 1MAK 1:56 Alle schriftrollen die men kon opsporen, werden verscheurd en verbrand 1MAK 1:57 en degene bij wie men een boek van het verbond aantrof, of die de wet nog onderhield, werd volgens koninklijk besluit ter dood gebracht. 1MAK 1:58 De beambten deden de Israëlieten hun macht gevoelen door maandelijks in hun steden degenen terecht te stellen die op overtreding betrapt waren. 1MAK 1:59 De vijfentwintigste van de maand werd er een offer opgedragen op het afgodsaltaar dat op het brandofferaltaar stond. 1MAK 1:60 De vrouwen die hun kinderen hadden laten besnijden, werden volgens het voorschrift van de koning ter dood gebracht, 1MAK 1:61 met de zuigelingen, vastgebonden aan de hals van hun moeder. Ook doodde men de familieleden en degenen die de besnijdenis hadden voltrokken. 62 Toch bleven vele Israëlieten standvastig en waren zij vastbesloten geen onreine spijzen te eten; 1MAK 1:63 zij wilden liever sterven dan zich met verboden spijzen te besmetten en het heilig verbond te schenden. Ze werden dan ook ter dood gebracht. 1MAK 1:64 Zeer zwaar drukte Gods toorn op Israël. 1MAK 2:1 In die tijd trok Mattatias, een zoon van Johannes en kleinzoon van Simeon, een priester uit het geslacht van Jojarib, weg uit Jeruzalem en vestigde zich in Modein. 1MAK 2:2 Hij had vijf zonen: Johannes, bijgenaamd Gaddi, 1MAK 2:3 Simeon, die Tassi genoemd werd, 1MAK 2:4 Judas, die Makkabai genoemd werd, 1MAK 2:5 Eleazar, die Avaran genoemd werd, en Jonatan die Affus genoemd werd. 1MAK 2:6 Bij het zien van de godslasterlijke dingen die in Juda en met name in Jeruzalem gebeurden, 1MAK 2:7 riep hij uit: 'Wee mij! Ben ik geboren om getuige te zijn van de vernietiging van mijn volk en de verwoesting van de heilige stad en machteloos te moeten toezien hoe de stad aan de vijanden is uitgeleverd en de tempel in de macht van vreemdelingen is? 1MAK 2:8 Jeruzalems tempel is als een man zonder aanzien, 1MAK 2:9 zijn prachtig vaatwerk is als buit weggevoerd. Jeruzalems kinderen zijn omgebracht op haar pleinen, haar jonge mannen door het zwaard van de vijand gedood. 1MAK 2:10 Is er een volk dat geen deel van haar koninkrijk heeft gekregen en dat zich niet aan haar bezit verrijkt heeft? 1MAK 2:11 Al haar sieraden zijn haar ontnomen, van vrije vrouw is zij slavin geworden. 1MAK 2:12 Zie eens hoe ons heiligdom, ons pronkjuweel, onze roem verlaten ligt, want de volken hebben het ontwijd. 1MAK 2:13 Waartoe leven we nog?' 1MAK 2:14 Mattatias en zijn zonen scheurden hun kleren stuk, hulden zich in zakken en gaven zich over aan bittere weeklachten. 1MAK 2:15 Op zekere dag kwamen de koninklijke beambten die de bevolking tot afval van de wet moesten dwingen, ook in de stad Modein om er offers op te dragen. 1MAK 2:16 Veel Israëlieten gingen naar hen toe, maar Mattatias en zijn zonen hielden zich afzijdig. 1MAK 2:17 De koninklijke beambten richtten zich daarom tot Mattatias met deze woorden: 'U bent een man van gezag in deze stad; u geniet eer en aanzien en hebt de steun van zonen en broers. 1MAK 2:18 Treed dus als eerste naar voren om het bevel van de koning te volbrengen. Alle volken hebben er reeds gevolg aan gegeven en ook de Judeeërs, met name degenen die nog in Jeruzalem wonen. Doet u wat de koning vraagt, dan zullen u en uw zonen worden opgenomen onder de vrienden van de koning, dan zullen u en uw zonen geëerd worden met goud, zilver en allerlei andere geschenken.' 1MAK 2:19 Hierop antwoordde Mattatias met luider stem: 'Al gehoorzamen ook alle volken in het rijk aan de koning, al valt iedereen van de godsdienst van zijn voorvaders af om zich te voegen naar zijn bevelen, 1MAK 2:20 ik, mijn zonen en mijn broers blijven trouw aan het voorvaderlijk verbond. 1MAK 2:21 Moge God ons ervoor behoeden de wet en haar geboden te verloochenen. 1MAK 2:22 Wij geven geen gehoor aan het bevel van de koning en zullen in geen enkel opzicht afwijken van hetgeen onze godsdienst ons gebiedt.' 1MAK 2:23 Nauwelijks had hij dat gezegd of voor aller ogen trad een jood naar voren om volgens het bevel van de koning op het afgodenaltaar van Modein te offeren. 1MAK 2:24 Toen Mattatias dat zag, ontstak hij in hevige woede en hij trilde van verontwaardiging; hij gaf de vrije loop aan zijn rechtmatige toorn, sprong vooruit en sneed de jood op het afgodsaltaar de keel af; 1MAK 2:25 daarna doodde hij ook de koninklijke beambte, die gekomen was om het volk tot offeren te dwingen, en vernielde het afgodsaltaar. 1MAK 2:26 Zo toonde hij zijn ijver voor de wet evenals Pinechas dat gedaan had met betrekking tot Zimri, de zoon van Sallum. 1MAK 2:27 Onmiddellijk trok Mattatias door de stad en riep met luider stem: 'Alwie zijn ijver voor de wet wil tonen en het opneemt voor het verbond, volge mij!' 1MAK 2:28 Hijzelf en zijn zonen lieten have en goed in de stad achter en vluchtten het gebergte in. 1MAK 2:29 In die tijd waren velen die rechtvaardig en volgens de wet wilden leven, uitgeweken naar de woestijn en daar hadden ze zich gevestigd 1MAK 2:30 met hun zonen, hun vrouwen en hun vee; de toestand was hun ondraaglijk geworden. 1MAK 2:31 Toen aan de koninklijke beambten en het garnizoen dat in Jeruzalem in de Davidstad lag, gemeld werd, dat lieden die zich van het bevel van de koning niets hadden aangetrokken naar de schuilplaatsen in de woestijn waren uitgeweken, 1MAK 2:32 trokken zij met een groot leger op hen af. Zij slaagden erin hun schuilplaats te bereiken en sloegen hun kamp tegenover hen op. Op de sabbat ging het leger van de koning tot de aanval over 1MAK 2:33 al roepend: 'Nu is het genoeg! Kom tevoorschijn en doe wat de koning beveelt, dan zullen jullie in leven blijven.' 1MAK 2:34 Maar de joden antwoordden: 'Wij komen niet tevoorschijn: wij zijn niet van plan om op bevel van de koning de sabbat te schenden.' 1MAK 2:35 Onmiddellijk ging men tot de aanval over. 1MAK 2:36 Maar de joden verweerden zich niet, slingerden geen stenen naar hen en sloten de toegang tot hun schuilplaats zelfs niet af. 1MAK 2:37 Zij riepen: 'Wij willen allen met een rein geweten de dood ingaan; hemel en aarde zijn onze getuigen dat jullie ons wederrechtelijk doden.' 1MAK 2:38 Het leger van de koning viel hen op de sabbat aan en ongeveer duizend personen, mannen, vrouwen en kinderen vonden met hun vee de dood. 1MAK 2:39 Toen Mattatias en zijn vrienden daarvan hoorden, bedreven zij luidkeels rouw over hen. 1MAK 2:40 Daarop zeiden ze tegen elkaar: 'Als wij allemaal doen zoals onze broeders en niet voor het behoud van ons leven en onze geboden de wapens opnemen tegen de heidenen, zullen ze ons al heel gauw van de aarde verdelgd hebben.' 1MAK 2:41 Nog diezelfde dag namen ze dit besluit: 'Als men ons op sabbat aanvalt, zullen wij ons weren om niet te sterven zoals onze broeders, die in hun eigen schuilplaatsen zijn omgekomen.' 1MAK 2:42 In die tijd sloot de partij van de Chasideeën zich bij hen aan; het waren strijdvaardige Israëlieten die met hart en ziel voor de wet opkwamen. 1MAK 2:43 Ook al degenen die ten gevolge van de ellendige toestand de vlucht namen, kwamen hun gelederen versterken. 1MAK 2:44 Zij vormden nu een leger en in hun toorn sloegen ze de zondaars neer en in hun woede degenen die zich om de wet niet bekommerden; de overigen wisten zich te redden door naar de heidenen te vluchten. 1MAK 2:45 Mattatias en zijn vrienden trokken door het land, vernielden de afgodsaltaren, 1MAK 2:46 lieten onbesneden kinderen, die ze in het gebied van Israël aantroffen, desnoods met geweld besnijden, 1MAK 2:47 en verjoegen degenen die in hun grote overmoed een eind wilden maken aan de wet. Onder hun leiding kwam het verzet op gang; 1MAK 2:48 zij redden de wet uit de greep van de heidenen en hun koningen en ontnamen de zondaars hun macht. 1MAK 2:49 Toen de laatste dagen van Mattatias gekomen waren, zei hij tegen zijn zonen: 'Wij leven in een tijd waarin men de wet vermetel veracht, maar ook in een tijd van bestraffing, in een tijd van rampspoed en hevige toorn. 1MAK 2:50 Nu is het de tijd, mijn zonen, om uw ijver voor de wet te tonen en uw leven te geven voor het verbond van onze voorvaderen. 1MAK 2:51 Denk aan wat onze voorvaderen geslacht na geslacht hebben gedaan, dan zullen ook jullie grote roem verwerven en een onsterfelijke naam. 1MAK 2:52 Is Abrahams trouw niet gebleken toen hij beproefd werd en rekende God hem dat niet als gerechtigheid aan? 1MAK 2:53 Jozef hield zich aan zijn opdracht, ook toen hij in het nauw gebracht werd en hij werd heer van Egypte. 1MAK 2:54 Pinechas, onze vader, heeft zijn ijver getoond voor de wet en daarom werd hem het priesterschap voor eeuwig toegewezen. 1MAK 2:55 Jozua vervulde zijn opdracht en daarom werd hij rechter over Israël. 1MAK 2:56 Kaleb heeft moedig getuigd voor het vergaderde volk en daarom kreeg hij bezit in het land. 1MAK 2:57 Om zijn godvrezendheid verkreeg David voor altijd het koningstroon. 1MAK 2:58 Elia heeft zijn ijver getoond voor de wet en daarom werd hij opgenomen in de hemel. 1MAK 2:59 Chananja, Azarja en Misaël stelden hun vertrouwen op God en daarom zijn ze voor de vuurdood behoed. 1MAK 2:60 Daniël werd om zijn rein geweten gered uit de muil van de leeuwen. 1MAK 2:61 Zo kunnen jullie nagaan van geslacht tot geslacht dat allen die op God vertrouwen niet bezwijken. 1MAK 2:62 Weest dus niet bang voor het dreigen van de zondaar, zijn glorie gaat immers naar de mesthoop en de wormen; 1MAK 2:63 is hij vandaag nog hoog verheven, morgen is hij verdwenen; teruggekeerd tot het stof waaruit hij voortgekomen is en met zijn plannen is het gedaan. 1MAK 2:64 Kinderen, weest mannen en staat pal voor de wet, want daardoor zullen jullie glorie verwerven. 1MAK 2:65 Van jullie broer Simeon weet ik dat hij een goed raadsman is: luistert steeds naar hem, hij zal jullie vader zijn. 1MAK 2:66 Judas de Makkabeeër is van jongsaf een dapper krijger geweest: hij zal jullie legeraanvoerder zijn en de oorlog tegen de heidenen leiden. 1MAK 2:67 Jullie moeten al degenen die de wet onderhouden rond jullie verzamelen, dan kunnen jullie ons volk wreken 1MAK 2:68 en de heidenen vergelden wat ze ons hebben aangedaan. Houdt je aan de voorschriften van de wet.' 1MAK 2:69 Na zijn zonen gezegend te hebben werd Mattatias met zijn voorvaderen verenigd. 1MAK 2:70 Hij stierf in het honderdzevenenveertigste jaar en werd begraven in het familiegraf in Modein. Heel Israël treurde in diepe rouw over zijn dood. 1MAK 3:1 Judas die Makkabai genoemd wordt, nam de plaats van zijn vader in; 1MAK 3:2 al zijn broers en al degenen die zich bij zijn vader hadden aangesloten, boden hem hulp en geestdriftig streden ze voor Israël. 1MAK 3:3 Hij heeft zijn volk alom beroemd gemaakt. Als een reus bekleed met het borstpantser, omgord met zijn wapens, wierp hij zich in de strijd en verdedigde het kamp met zijn zwaard. 1MAK 3:4 Hij vocht als een leeuw, als een leeuwewelp die zich brullend op zijn prooi stort. 1MAK 3:5 Die zich om de wet niet bekommerden spoorde hij op en joeg hij na, die zijn volk in verwarring brachten gaf hij aan de vlammen prijs; 1MAK 3:6 voor hem krompen ze van schrik ineen en de bewerkers van het kwaad werden met ontzetting geslagen. Onder zijn leiding werd de weg gebaand naar de bevrijding. 1MAK 3:7 Door zijn krijgsverrichtingen bezorgde hij tal van koningen bittere teleurstellingen, maar voor Jakob was hij een bron van vreugde. Zijn gedachtenis blijft eeuwig in ere. 1MAK 3:8 Hij trok door de steden van Juda om er de goddelozen te verdelgen; zo wendde hij Gods toorn van Israël af. 1MAK 3:9 Beroemd werd zijn naam tot de grenzen der aarde; die verloren dreigden te gaan heeft hij weer bijeen gebracht. 1MAK 3:10 Apollonius had uit de omliggende volken een leger bijeengebracht, waaronder een aanzienlijk contingent uit Samaria, om met Israël de strijd aan te binden. 1MAK 3:11 Toen Judas dat hoorde, trok hij hem tegemoet, versloeg hem en doodde hem. Velen van Apollonius' soldaten sneuvelden, de rest nam de vlucht. 1MAK 3:12 De joden maakten hun wapens buit; Judas nam het zwaard van Apollonius; voortaan streed hij met dat zwaard. 1MAK 3:13 Toen Seron, de bevelhebber van het leger van Syrië, vernam dat Judas een massa lieden om zich had verzameld, waaronder een groep wetsgetrouwen alsook strijdbare mannen, 1MAK 3:14 zei hij bij zichzelf: 'Dit is mijn kans om naam te maken en beroemd te worden in het koninkrijk: ik ga strijden tegen Judas en zijn aanhang, die het bevel van de koning naast zich neerleggen.' 1MAK 3:15 Zo rukte ook hij op met een sterk leger van goddelozen, die hem wilden helpen om de Israëlieten af te straffen. 1MAK 3:16 Op het ogenblik dat hij bij de steile weg naar Bet choron was gekomen, trok Judas hem met een kleine groep tegemoet. 1MAK 3:17 Bij het zien van het leger dat op hen afkwam, zeiden Judas' soldaten tegen hem: 'Hoe kunnen wij met ons kleine aantal de strijd aanbinden met zo'n groot en sterk leger? Daar komt nog bij dat wij ons slap voelen omdat we vandaag nog niet gegeten hebben.' 1MAK 3:18 Judas antwoordde daarop: 'Een groot leger kan gemakkelijk in handen vallen van een klein leger: voor de hemel maakt het geen verschil of Hij redding moet brengen door velen of door weinigen. 1MAK 3:19 In de oorlog hangt de overwinning niet af van de grootte van het leger, maar van de hulp van boven. 1MAK 3:20 Vol overmoed en haat tegen de wet komen zij op ons af om ons en onze vrouwen en kinderen om te brengen en ons uit te plunderen; 1MAK 3:21 maar wij, wij strijden voor ons leven en onze heilige gebruiken. 1MAK 3:22 Hij zal ze voor onze ogen verpletteren. Weest dus niet bang voor hen.' 1MAK 3:23 Nauwelijks had hij dat gezegd of plotseling stormde hij op de vijand los. Seron werd met zijn leger onder hun slagen verpletterd. 1MAK 3:24 Zij achtervolgden hem over de steile weg van Bet choron tot aan de vlakte; van de vijand sneuvelden er ongeveer achthonderd man, de rest vluchtte naar het land der Filistijnen. 1MAK 3:25 Van nu af begon men de kracht van Judas en zijn broers te duchten en angst voor hen maakte zich meester van de volken rondom. 1MAK 3:26 Zelfs de koning hoorde van hem en de hele wereld sprak over zijn gevechten. 1MAK 3:27 Bij het horen van deze gebeurtenissen ontstak koning Antiochus in toorn en gaf bevel al de legers van zijn rijk te verenigen in een ontzettend groot leger. 1MAK 3:28 Hij opende zijn schatkist, betaalde zijn troepen een jaar soldij vooruit en wees ze erop dat ze op alles voorbereid moesten zijn. 1MAK 3:29 Toen hij merkte dat het geld in de schatkist opraakte en de inkomsten uit de belasting in zijn gebied geslonken waren, als gevolg van de rampzalige opstanden die hij had uitgelokt door in het land de eeuwenoude gewoonten af te schaffen, 1MAK 3:30 vreesde hij, zoals reeds meer dan eens was voorgekomen, niet in staat te zijn zijn uitgaven te bestrijden, laat staan schenkingen te doen, wat hij tot dan toe met kwistige hand en rijkelijker dan de vroegere koningen gedaan had. 1MAK 3:31 Ten einde raad besloot hij naar Perzië te gaan om de belastingen van die gebieden te innen en veel geld bijeen te brengen. 1MAK 3:32 De behartiging van 's konings aangelegenheden en in de landen gelegen tussen de Eufraat en de grens van Egypte liet hij over aan Lysias, een man van aanzien en van koninklijke bloede. 1MAK 3:33 Hij belastte hem tot zijn terugkeer ook met de opvoeding van zijn zoon Antiochus. 1MAK 3:34 Hij vertrouwde hem de helft van zijn legers toe alsmede de olifanten. Hij droeg hem op ervoor te zorgen dat al wat hij wilde uitgevoerd werd; met name moest hij naar Judea en Jeruzalem 1MAK 3:35 een leger sturen om de weerstand van Israël te breken en wat er aan joden in Jeruzalem nog woonde uit te roeien, de herinnering aan hen in die stad uit te wissen, 1MAK 3:36 hun gebied met vreemdelingen te bevolken en hun land onder dezen te verdelen. 1MAK 3:37 In het jaar honderdzevenenveertig vertrok de koning met de andere helft van zijn legers vanuit zijn residentie Antiochië, stak de Eufraat over en trok door de hoger gelegen gebieden. 1MAK 3:38 Onder de vrienden van de koning wees Lysias enkele dappere mannen aan, Ptolemeus, de zoon van Dorymenes, Nikanor en Gorgias, 1MAK 3:39 en zond hen met veertigduizend man voetvolk en zevenduizend ruiters naar het land van Juda om het volgens het bevel van de koning te verwoesten. 1MAK 3:40 Met heel die legermacht gingen ze dus op weg en in Judea aangekomen sloegen ze hun kamp op in de vlakte bij Emmaüs. 1MAK 3:41 Toen de kooplui uit de streek het nieuws ter ore kwam, begaven zij zich met zeer veel zilver en goud alsmede boeien naar het kamp om de Israëlieten als slaven op te kopen. Bij het Syrische leger sloten zich ook troepen uit Idumea en uit het land der Filistijnen aan. 1MAK 3:42 Judas en zijn broers beseften dat de toestand zeer verslechterd was, nu de legers reeds in hun gebied lagen en, naar zij te weten waren gekomen, de koning bevel had gegeven hun volk geheel en al uit te roeien. 1MAK 3:43 Daarom zeiden ze tegen elkaar: 'Wij moeten ons verzetten tegen de vernietiging van ons volk en strijden voor ons volk en de tempel.' 1MAK 3:44 Het volk werd bijeengeroepen om zich klaar te maken voor de strijd en om te bidden en een beroep te doen op Gods medelijden en barmhartigheid. 1MAK 3:45 Jeruzalem lag verlaten als een woestijn: geen van haar kinderen ging er in of uit; de tempel was geschonden, vreemdelingen lagen in haar burcht, ze was een herberg geworden voor de heidenen. De vreugde was uit Jakob verdwenen, fluit en citer waren verstomd. 1MAK 3:46 Het volk kwam bijeen in Mispa, tegenover Jeruzalem gelegen, omdat er vroeger in Mispa een bedeplaats voor Israël was geweest. 1MAK 3:47 Zij vastten die dag, hulden zich in zakken, strooiden as op hun hoofd en scheurden hun kleren. 1MAK 3:48 Daarna rolden ze het boek van de wet open met hetzelfde doel als waarom de heidenen hun afgodsbeeld en ondervragen. 1MAK 3:49 Zij hadden de priesterlijke gewaden, de eerstelingen en de tienden meegebracht en de Nazireeërs opgeroepen wier tijd verstreken was. 1MAK 3:50 Zij riepen met luider stem naar de hemel: 'Wat moeten wij hiermee doen, waar moeten wij ze heenbrengen? 1MAK 3:51 Uw tempel is geschonden en ontwijd, uw priesters zijn vernederd en treuren. 1MAK 3:52 En nu hebben de heidenen zich aaneengesloten om ons te verdelgen. Gij weet wat ze tegen ons in het schild voeren. 1MAK 3:53 Hoe kunnen wij tegen hen stand houden, als Gij ons niet helpt?' 1MAK 3:54 Toen bliezen ze op de trompetten en stieten luide kreten uit. 1MAK 3:55 Daarna stelde Judas aanvoerders aan over het volk, aanvoerders over duizend man, over honderd, vijftig en tien man. 1MAK 3:56 In overeenstemming met de bepalingen van de wet gaf Judas aan degenen die een huis bouwden, of pas gehuwd waren, of een wijngaard hadden geplant, en aan degenen die bang waren, verlof om naar huis terug te keren. 1MAK 3:57 Daarna brak het leger op en sloeg het kamp op ten zuiden van Emmaüs. 1MAK 3:58 Toen zei Judas: 'Rust u toe voor de strijd en weest dapper. Morgenvroeg moeten jullie klaar staan om de strijd aan te binden met deze heidenen, die zich aaneengesloten hebben om ons uit te roeien en onze tempel te verwoesten. 1MAK 3:59 Het is beter voor ons op het slagveld te sterven dan getuigen te moeten zijn van de ellende van ons volk en van de tempel. 1MAK 3:60 Maar wat in de hemel besloten is, dat zal geschieden.' 1MAK 4:1 's Nachts brak Gorgias met vijfduizend man voetvolk en duizend uitgelezen ruiters op 1MAK 4:2 om het kamp van de joden te overvallen en ze onverhoeds neer te slaan. Mannen uit de burcht dienden hun tot gids. 1MAK 4:3 Zodra Judas dat vernam, brak ook hij met zijn dappere mannen op om het leger van de koning, dat in Emmaüs lag, te verslaan 1MAK 4:4 nog voordat het in slagorde opgesteld was. 1MAK 4:5 Toen Gorgias's nachts bij het kamp van Judas kwam, trof hij er niemand aan. Overtuigd dat de joden voor hem gevlucht waren, ging hij naar hen op zoek in de bergen. 1MAK 4:6 Bij het aanbreken van de dag verscheen Judas met drieduizend man in de vlakte. Terwijl ze zelf niet beschikten over de verdedigingswapens en zwaarden die ze wensten, 1MAK 4:7 zagen ze dat het kamp van de heidenen zwaar verschanst was, en omringd door de ruiterij, bestaande uit geschoolde soldaten. 1MAK 4:8 Daarom zei Judas tot zijn mannen: 'Weest niet bang voor hun aantal en laat je niet uit het veld slaan als ze de aanval inzetten. 1MAK 4:9 Denkt eraan hoe onze vaderen bij de Rode Zee werden gered, toen Farao hen met een leger achtervolgde. 1MAK 4:10 Laten we nu de hemel aanroepen, opdat Hij ons gunstig gezind zij, het verbond met onze vaderen gedenkt en dit leger vandaag nog voor onze ogen verplettert. 1MAK 4:11 Dan zullen alle volken weten, dat er iemand is die Israël verlost en bevrijdt.' 1MAK 4:12 Toen de vreemdelingen de joden op hen zagen afkomen 1MAK 4:13 trokken zij het kamp uit om de strijd aan te binden. De mannen van Judas bliezen op de trompetten 1MAK 4:14 en vielen aan. De heidenen werden verslagen en namen de vlucht naar de vlakte; 1MAK 4:15 maar degenen die niet zo snel konden wegkomen, vielen allen onder het zwaard van de joden, die hen achtervolgden tot Gezer en de vlakten van Idumea, Azotus en Jamnia. Van de heidenen sneuvelden ongeveer drieduizend man. 1MAK 4:16 Toen Judas met zijn leger van de achtervolging terugkeerde, 1MAK 4:17 zei hij tot het volk: 'Werp je niet op de buit, want er staat nog een strijd te wachten: 1MAK 4:18 Gorgias bevindt zich met zijn leger niet ver van ons in de bergen. Bied nu het hoofd aan onze vijanden en strijd tegen hen, daarna kunnen jullie je in alle gerustheid van de buit meester maken.' 1MAK 4:19 Judas had dit nog niet gezegd of daar verscheen een legerafdeling, die vanuit het gebergte het terrein verkende. 1MAK 4:20 Dezen ontdekten dat hun makkers op de vlucht waren gedreven en dat het kamp in brand gestoken was, want uit de rook die men waarnam bleek duidelijk wat er was voorgevallen. 1MAK 4:21 Bij deze ontdekking ontstelden ze hevig en toen ze bovendien bemerkten, dat het leger van Judas in de vlakte klaar stond voor de aanval, 1MAK 4:22 namen ze allen de vlucht naar het land van de Filistijnen. 1MAK 4:23 Daarop ging Judas over tot de plundering van het kamp; men maakte veel goud en zilver buit, paars en echt roodpurperen stoffen en andere zeer kostbare dingen. 1MAK 4:24 Op hun terugtocht zongen ze de hemel het lof en danklied toe: 'Hij is goed en eeuwig duurt zijn barmhartigheid.' 1MAK 4:25 Die dag is Israël op een grootse wijze gered. 1MAK 4:26 De vreemdelingen die ontkomen waren, gingen Lysias al het gebeurde melden. 1MAK 4:27 Bij het horen hiervan raakte hij van zijn stuk en werd hij moedeloos, omdat het met Israël niet gegaan was, zoals hij het had gewild en er niets was terechtgekomen van wat de koning hem had opgedragen. 1MAK 4:28 Het jaar daarop wierf hij een leger aan van zestigduizend uitgelezen infanteristen en vijfduizend ruiters om met de joden voor goed af te rekenen. 1MAK 4:29 Dat leger trok naar Idumea en sloeg het kamp op bij Bet sur. Judas trok hun met tienduizend man tegemoet. 1MAK 4:30 Toen hij zag hoe sterk het leger was, bad hij: 'Geloofd zijt Gij, redder van Israël, Gij die door uw dienaar David de aanval van de reus hebt gebroken en het leger van de Filistijnen hebt overgeleverd aan Jonatan, de zoon van Saul, en aan zijn wapendrager. 1MAK 4:31 Laat ook dit leger in handen vallen van uw volk Israël en laat ze beschaamd staan over hun voetvolk en ruiters. 1MAK 4:32 Zaai paniek onder hen, schok het vertrouwen dat zij in hun kracht stellen en laat ze de nederlaag lijden zo dat ze de moed opgeven. 1MAK 4:33 Vel ze neer met het zwaard van hen die U liefhebben. Dan zullen allen die uw naam kennen, U met lofzangen prijzen.' 1MAK 4:34 Daarop raakten de legers slaags; in het handgemeen vielen er aan de kant van Lysias ongeveer vijfduizend man. 1MAK 4:35 Toen Lysias zag dat zijn troepen in slagorde het dreigden te begeven, terwijl die van Judas zelfvertrouwen hadden gekregen en vastbesloten waren te leven of eervol te sterven, trok hij af en ging naar Antiochië terug. Hij wierf troepen aan om met een nog sterker leger opnieuw Judea binnen te vallen. 1MAK 4:36 Nu zeiden Judas en zijn broers: 'Onze vijanden zijn verslagen: laten we dus optrekken om de tempel te zuiveren en wederom in te wijden.' 1MAK 4:37 Heel het leger verzamelde zich en trok op naar de berg Sion. 1MAK 4:38 Toen ze de verlatenheid van de tempel zagen met het ontwijde brandofferaltaar, met de door brand verwoeste poorten, met het struikgewas in de voorhoven even dicht als in een bos of op een berg, met de vernielde zalen, 1MAK 4:39 scheurden ze hun kleren, hieven een luide weeklacht aan, bestrooiden zich met as 1MAK 4:40 en wierpen zich plat ter aarde; en op het signaal van de trompetten riepen ze luide ten hemel. 1MAK 4:41 Vervolgens wees Judas mannen aan, die de bezetting van de burcht in bedwang moesten houden zolang de reiniging van de tempel duurde. 1MAK 4:42 Verder koos hij priesters uit van onbesproken gedrag, die trouw waren aan de wet, 1MAK 4:43 om het heiligdom te zuiveren en de stenen die het ontwijd hadden, naar een onreine plaats af te voeren. 1MAK 4:44 Overleggend wat ze met het ontwijde brandofferaltaar moesten doen, 1MAK 4:45 kwamen ze op de goede gedachte het af te breken; dan zou dat altaar dat door de heidenen was ontwijd, nooit een reden kunnen zijn om met de joden de spot te drijven. Ze braken het dus af, 1MAK 4:46 maar legden de stenen op een passende plaats op de tempelberg in afwachting van het optreden van een profeet die daarover een uitspraak zou doen. 1MAK 4:47 Daarna bouwden ze van ongehouwen stenen, zoals de wet dat voorschrijft, een nieuw altaar naar het model van het vorige. 1MAK 4:48 Zij herstelden de tempel en het inwendige van het tempelhuis en zuiverden de voorhoven. 1MAK 4:49 Zij vervaardigden nieuwe heilige vaten en plaatsten de luchter, het reukofferaltaar en de tafel voor de toonbroden in de tempel. 1MAK 4:50 Daarna brandden ze wierook op het reukofferaltaar en ontstaken de lampen op de luchter om de tempel te verlichten, 1MAK 4:51 plaatsten de broden op de tafel en hingen de gordijnen op; daarmee was het werk dat ze ondernomen hadden, voltooid. 1MAK 4:52 In de vroege morgen van de vijfentwintigste van de negende maand, dus de maand Kislew, van het jaar honderdachtenveertig 1MAK 4:53 droegen ze volgens de voorschriften van de wet op het nieuwe brandofferaltaar dat ze hadden gebouwd, een offer op. 1MAK 4:54 Op dezelfde tijd en op dezelfde dag waarop de volken het altaar hadden ontwijd, werd het onder het zingen van lofliederen, begeleid met citers, lieren en cimbalen, weer ingewijd. 1MAK 4:55 Al het volk wierp zich in aanbidding ter aarde neer en loofde de hemel die hun ondernemingen had doen slagen. 1MAK 4:56 Acht dagen lang vierden zij het feest van de altaarwijding, waarbij ze vol vreugde brandoffers opdroegen, alsmede lof en dankoffers. 1MAK 4:57 Zij versierden de voorgevel van de tempel het gouden kransen en schilden, herstelden de poorten en de zalen en plaatsten nieuwe deuren. 1MAK 4:58 Er heerste een zeer grote vreugde onder het volk omdat de smaad, hun door de heidenen aangedaan, was weggenomen. 1MAK 4:59 In overleg met zijn broers en geheel de volksvergadering van Israël bepaalden Judas, dat ze, zolang ze leefden, het feest van de altaarwijding jaarlijks acht dagen lang, te beginnen op de vijfentwintingste van de maand Kislew, in vreugde en blijdschap zouden vieren. 1MAK 4:60 In diezelfde tijd versterkten ze ook de berg Sion met een hoge ringmuur en zware torens, om te verhinderen dat de heidenen de heilige plaats nog eens zouden onteren; 1MAK 4:61 ter bewaking plaatste Judas er een garnizoen. Bovendien versterkte hij Bet sur, opdat het volk een vesting zou hebben aan de grens van Idumea. 1MAK 5:1 Toen de heidenen rondom hoorden, dat het brandofferaltaar herbouwd en de tempel in zijn vroegere staat hersteld was, ontstaken ze in hevige toorn en 1MAK 5:2 besloten de nakomelingen van Jakob die onder hen woonden uit te roeien; reeds sloegen ze de hand aan hen om hen te vernietigen. 1MAK 5:3 Daarom trok Judas ten strijde tegen de zonen van Esau in Idumea, die de Israëlieten in Akrabattene belaagden. Hij bracht hen een zware nederlaag toe, beknotte hun macht en plunderde hen uit. 1MAK 5:4 Vervolgens keerde hij zich tegen de zonen van Bajan, die in hun laagheid een valstrik en een struikelblok voor het volk waren en vanuit hinderlagen langs de wegen de joden overvielen. 1MAK 5:5 Zij moesten zich voor Judas in hun torens terugtrekken; hij sloeg er het beleg om, sprak de banvloek over hen uit en stak de torens, met allen die erin waren, in brand. 1MAK 5:6 Daarna trok hij naar de Ammonieten, waar hij op een sterk en talrijk leger stiet, aangevoerd door Timoteüs. 1MAK 5:7 Na tal van gevechten weken ze voor Judas en hij versloeg hen. 1MAK 5:8 Na Jazer met de onderhorige plaatsen veroverd te hebben, keerde hij naar Judea terug. 1MAK 5:9 Toen de heidenen in Gilead samenspanden om de Israëlieten in hun gebied uit te roeien, vluchtten die naar de vesting Datema. 1MAK 5:10 Vandaar zonden ze naar Judas en zijn broers een brief met de volgende inhoud: De volken rondom ons spannen tegen ons samen om ons uit te roeien. 1MAK 5:11 Zij bereiden zich voor om onder aanvoering van Timoteüs de vesting waarin wij gevlucht zijn, te veroveren. 1MAK 5:12 Kom dus en red ons uit hun handen. Velen van ons zijn reeds gevallen. 1MAK 5:13 Al onze broeders in het gebied van Tobia zijn ter dood gebracht, hun vrouwen, kinderen en bezittingen buit gemaakt; ongeveer duizend man heeft men daar omgebracht. 1MAK 5:14 Men was nog niet klaar met het lezen van die brief, toen er ook uit Galilea boden in gescheurde kleren aankwamen met eenzelfde tijding: 1MAK 5:15 Ptolemais, Tyris, Sidon en heel het niet joodse Galilea spannen samen om ons uit te roeien. 1MAK 5:16 Toen Judas en het volk dat hoorden, belegden ze een grote vergadering, om te beraadslagen wat ze konden doen voor hun broeders, die door de volken werden aangevallen en in nood verkeerden. 1MAK 5:17 Judas zei tot zijn broer Simon: 'Kies mannen uit en ga je broeders in Galilea bevrijden, ik zelf zal met mijn broer Jonatan naar Gilead gaan.' 1MAK 5:18 Jozef, de zoon van Zekarja, en Azarja, leider van het volk, liet hij met de rest van het leger in Judea om het land te beschermen. 1MAK 5:19 Hij gaf hun dit bevel: 'U staat aan het hoofd van deze troepen, maar u mag niet de strijd aanbinden met de heidenen, zolang wij niet terug zijn.' 1MAK 5:20 Simon kreeg drieduizend man voor de veldtocht naar Galilea, Judas achtduizend voor die naar Gilead. 1MAK 5:21 Simon rukte dus op naar Galilea. Na een reeks van gevechten weken de heidenen voor hem 1MAK 5:22 en hij achtervolgde ze tot aan de poort van Ptolemais. Van de heidenen sneuvelden ongeveer drieduizend man; hun uitrusting maakte hij buit. 1MAK 5:23 De joden van Galilea en Arbakte nam hij met vrouwen, kinderen en al hun bezittingen mee en onder grote vreugde bracht hij ze naar Judea. 1MAK 5:24 Judas Makkabai en zijn broer Jonatan staken de Jordaan over. Na een mars van drie dagen door de woestijn 1MAK 5:25 ontmoetten zij Nabateeërs, die hen vriendelijk ontvingen en hun alles verhaalden wat hun broeders in Gilead was overkomen. 1MAK 5:26 'Veel joden zitten ingesloten in Bosora en Bozor, in Alema, Chasfo, Maked en Karnain, stuk voor stuk sterke en grote steden; 1MAK 5:27 ook in de overige steden van Gilead zijn er ingesloten. En er worden maatregelen getroffen om morgen de vestingen aan te vallen, in te nemen en alle joden op een en dezelfde dag om te brengen.' 1MAK 5:28 Hierop veranderden Judas en zijn leger meteen hun plan en sloegen de weg naar de woestijn van Bosora in. Zij veroverden die stad, joegen alle mannen over de kling, maakten hun bezittingen buit en staken de stad in brand. 1MAK 5:29 's Nachts vertrokken zij vandaar en rukten op naar de vesting. 1MAK 5:30 Toen het licht werd zagen zij een ontelbare menigte die ladders en stormtuig aansjouwden om zich van de vesting meester te maken, terwijl ze vanuit de vesting bestookt werden. 1MAK 5:31 Judas begreep dat de strijd reeds ontbrand was. Terwijl uit de stad luid geschreeuw en trompetgeschal ten hemel steeg, 1MAK 5:32 zei Judas tot zijn manschappen: 'Strijdt vandaag voor uw broeders!' 1MAK 5:33 In drie groepen vielen zij, onder trompetgeschal en het uitroepen van gebeden, de belegeraars van achteren aan. 1MAK 5:34 Toen het leger van Timoteüs bemerkte, dat het Makkabai was, sloeg het op de vlucht. Judas bracht hun zware verliezen toe: die dag sneuvelden er van hen ongeveer achtduizend man. 1MAK 5:35 Vandaar ging Judas naar Alema, viel het aan en veroverde het; hij doodde alle mannen, plunderde de stad en stak haar in brand. 1MAK 5:36 Daarna trok hij verder en veroverde Chasfo, Makked, Bozor en de overige steden van Gilead. 1MAK 5:37 Na deze gebeurtenissen bracht Timoteüs een nieuw leger op de been en sloeg zijn kamp op tegenover Rafon aan de overzijde van de beek. 1MAK 5:38 Judas zond spionnen om het kamp te verkennen. Deze meldden hem: 'Alle volken rondom ons hebben zich bij hem aangesloten, zodat hij over een zeer groot leger beschikt; 1MAK 5:39 ook Arabieren heeft hij als hulptroepen gehuurd. Ze hebben hun kamp opgeslagen aan de overzijde van de beek en staan klaar om tegen u op te trekken.' Judas trok ze tegemoet. 1MAK 5:40 Toen Judas met zijn leger de beek, die vol water stond, naderde, zei Timoteüs tot zijn legeroversten: 'Als hij voor ons de beek oversteekt, zijn wij niet in staat hem het hoofd te bieden, dan is hij ons zeker de baas; 1MAK 5:41 maar is hij bang en slaat hij aan de overzijde van de beek zijn kamp op, dan steken wij over en zijn we hem de baas.' 1MAK 5:42 Toen Judas bij de beek gekomen was, liet hij de legerschrijvers aan de beek postvatten met dit bevel: 'Zorgt ervoor dat niemand zijn tent opslaat, maar dat allen ten strijde trekken.' 1MAK 5:43 Judas stak als eerste naar de vijand over, gevolgd door heel het leger. De heidenen moesten voor hen wijken, wierpen hun wapens weg en vluchtten naar de tempel van Karnain. 1MAK 5:44 Maar de joden veroverden de stad en staken de tempel met allen die erin waren in brand. Karnain werd onderworpen en was niet meer in staat zich tegen Judas te verzetten. 1MAK 5:45 Judas bracht alle Israëlieten die in Gilead woonden, van hoog tot laag, met hun vrouwen, kinderen en bezittingen bijeen en trok met heel die menigte naar het land van Juda. 1MAK 5:46 Zo bereikten ze Efron, een grote en zwaar versterkte stad; de weg liep door de stad heen en het was niet mogelijk om er links of rechts langs te trekken. 1MAK 5:47 De inwoners van de stad sloten hen buiten en blokkeerden de poorten met stenen. 1MAK 5:48 Judas maakte hun zijn vreedzame bedoelingen kenbaar: 'Wij willen door uw gebied trekken om naar ons land te gaan; niemand zal u enig kwaad doen, wij willen alleen maar vrije doortocht.' Maar men weigerde de poorten voor hem te openen. 1MAK 5:49 Toen liet Judas in zijn leger afkondigen dat ieder halt moest houden op de plaats waar hij zich bevond. 1MAK 5:50 Daarna ging zijn leer tot de aanval over en bestookte de stad heel die dag en heel die nacht, waarna ze zich overgaf. 1MAK 5:51 Alle mannen joeg Judas over de kling, hij maakte de stad met de grond gelijk en trok met de buit over de lijken door de stad heen. 1MAK 5:52 Daarna staken ze de Jordaan over naar de grote vlakte van Bet san. 1MAK 5:53 Intussen zorgde Judas ervoor, dat de achterblijvers weer bij de groep kwamen en gedurende de hele tocht moedigde hij het volk aan. Na hun aankomst in het land van Juda 1MAK 5:54 bestegen ze vol vreugde en blijdschap de berg Sion en droegen er brandoffers op, omdat er niemand van hen was gesneuveld, maar allen behouden waren teruggekeerd. 1MAK 5:55 In de tijd dat Judas en Jonatan in Gilead waren en zijn broer Simon in Galilea was ter hoogte van Ptolemais, 1MAK 5:56 hoorden de legeroversten Jozef, de zoon van Zekarja, en Azarja, van hun heldendaden en gevechten. 1MAK 5:57 Ze zeiden tegen elkaar: 'Laten ook wij ons roem verwerven door te gaan strijden tegen de heidenen rondom ons.' 1MAK 5:58 Zij riepen hun leger op en trokken naar Jamnia. 1MAK 5:59 Gorgias deed met zijn mannen een uitval uit de stad en bond de strijd met hen aan. 1MAK 5:60 Jozef en Azarja werden verslagen en achtervolgd tot aan de grens van Judea. Die dag sneuvelden er van de Israëlieten ongeveer tweeduizend man. 1MAK 5:61 Deze zware nederlaag trof het volk, omdat ze niet naar Judas en zijn broers hadden geluisterd, maar van heldendaden hadden gedroomd. 1MAK 5:62 Zij behoorden nu eenmaal niet tot het geslacht van die mannen, aan wie het gegeven was de bevrijding van Israël te bewerken. 1MAK 5:63 Judas, een kerel uit een stuk, en zijn broers stonden in zeer hoog aanzien bij heel Israël en zelfs bij alle volken waar hun naam maar bekend was; 1MAK 5:64 van alle kanten kwam men ze gelukwensen. 1MAK 5:65 Judas trok met zijn broers naar het zuiden om tegen de zonen van Esau te strijden; hij veroverde Hebron en de onderhorige plaatsen, slechtte de vestingwerken en stak de torens rondom de stad in brand. 1MAK 5:66 Hij brak op en trok door Marisa naar het land der Filistijnen. 1MAK 5:67 Die dag sneuvelden er in een gevecht enige priesters, die zich door heldendaden wilden onderscheiden en daarom ondoordacht ten strijde waren getrokken. 1MAK 5:68 Vervolgens boog Judas af naar Azotus in het land der Filistijnen, vernielde er de altaren, verbrandde er de afgodsbeelden, plunderde de steden en keerde naar het land van Juda terug. 1MAK 6:1 Op zijn tocht door de hoger gelegen gebieden hoorde koning Antiochus van een stad Elymes in Perzië, die beroemd was om haar rijkdom, haar zilver en goud. 1MAK 6:2 Haar tempel moest zeer rijk zijn en in het bezit van de gouden schilden, helmen, borstpantsers en wapens die de Macedonische koning Alexander, de zoon van Filippus, de eerste koning der Grieken, daar had achtergelaten. 1MAK 6:3 Hij trok er dus heen en trachtte de stad in te nemen en te plunderen, maar hij slaagde er niet in, omdat zijn voornemen aan de inwoners bekend was geworden. 1MAK 6:4 Gewapenderhand verzetten zij zich tegen hem en hij moest de vlucht nemen. Diep teleurgesteld vertrok Antiochus vandaar om naar Babel terug te keren. 1MAK 6:5 Hij bevond zich nog in Perzië, toen men hem kwam melden, dat de legers die naar het land van Juda waren getrokken, verslagen waren; 1MAK 6:6 ook Lysias, die aan het hoofd van een sterk leger was opgerukt, had voor de joden de wijk moeten nemen. Dezen waren door hun wapens, hun troepenmacht en de grote buit, op de verslagen legers behaald, een geduchte macht geworden. 1MAK 6:7 De gruwel die hij op het brandofferaltaar in Jeruzalem had laten oprichten, hadden ze afgebroken en de hoge muren rondom de tempel hersteld; ook zijn stad Bet sur hadden ze ommuurd. 1MAK 6:8 Toen de koning dat hoorde, stond hij verbijsterd; hevig geschokt wierp hij zich op zijn bed en werd ziek van verdriet, omdat het hem niet was gegaan, zoals hij had verlangd. 1MAK 6:9 Zo lag hij daar vele dagen lang ten prooi aan herhaalde aanvallen van grote zwaarmoedigheid. Toen hij dacht dat hij ging sterven, 1MAK 6:10 ontbood hij al zijn vrienden en zei tot hen: 'De slaap is van mijn ogen geweken en mijn hart is van kommer gebroken. 1MAK 6:11 Ik heb tot mezelf gezegd: wat een kwelling is mijn bestaan geworden en wat een vloed van leed is over mij gekomen, terwijl ik toch zo mild was en bemind ondanks mijn macht. 1MAK 6:12 Maar nu herinner ik mij al het kwaad dat ik Jeruzalem heb berokkend door beslag te leggen op al het zilveren en gouden vaatwerk en door zonder reden de bewoners van Juda te laten uitroeien. 1MAK 6:13 Dat moet de reden zijn waarom deze rampen mij treffen en ik van verdriet en ellende omkom op vreemde bodem.' 1MAK 6:14 Hij liet Filippus, een van zijn vrienden, komen en belastte hem met het bestuur van heel zijn rijk. 1MAK 6:15 Hij gaf hem zijn diadeem, zijn mantel en zijn ring en droeg hem de opvoeding van zijn zoon Antiochus op, die hij moest voorbereiden op het koningschap. 1MAK 6:16 Koning Antiochus stierf daar in het jaar honderdnegenenveertig. 1MAK 6:17 Toen Lysias de dood van de koning vernam, riep hij diens minderjarige zoon Antiochus, voor wiens opvoeding hij zorg had gedragen, tot koning uit en gaf hem de naam Eupator. 1MAK 6:18 De bezetting van de burcht maakte het de Israëlieten in de omgeving van de tempel voortdurend lastig, trachtte hun op alle mogelijke manieren schade toe te brengen en vormde een steunpunt voor de heidenen. 1MAK 6:19 Daarom besloot Judas ze uit de weg te ruimen en riep hij heel het volk op om de burcht te gaan belegeren. 1MAK 6:20 Het volk kwam bijeen en begon de belegering in het jaar honderdvijftig. Men bouwde geschutstellingen en maakte belegeringswerktuigen. 1MAK 6:21 Uit de burcht wisten enkele mannen door de blokkade heen te breken en tezamen met enige afvallige Israëlieten, die zich bij hen aansloten, 1MAK 6:22 reisden ze naar de koning en zeiden tot hem: 'Wanneer zult u ons eindelijk recht verschaffen en onze broeders wreken? 1MAK 6:23 Wij hebben uw vader gaarne gediend; we hebben ons aan zijn voorschriften gehouden en zijn bevelen opgevolgd. 1MAK 6:24 Maar daarom hebben onze volksgenoten zich van ons afgekeerd; meer nog: al wie van ons in hun handen viel, werd ter dood gebracht en onze bezittingen hebben ze in beslag genomen. 1MAK 6:25 Niet alleen naar ons hebben ze de hand uitgestoken, maar ook naar al uw gebieden. 1MAK 6:26 En nu hebben ze het beleg geslagen voor de burcht in Jeruzalem om er zich meester van te maken. De tempel en Bet sur hebben ze reeds versterkt. 1MAK 6:27 Als u niet onmiddellijk ingrijpt, zullen ze nog erger dingen doen zonder dat u het hun kunt beletten.' 1MAK 6:28 Toen de koning dat hoorde, ontstak hij in toorn en riep hij al zijn vrienden, de bevelhebbers van het voetvolk en van de ruiterij bijeen; 1MAK 6:29 ook uit de andere rijken en van de eilanden in de zee boden huurtroepen hem hun diensten aan. 1MAK 6:30 Zo telde zijn leger honderdduizend man voetvolk, twintigduizend ruiters en tweeëndertig olifanten, die voor de oorlog waren afgericht. 1MAK 6:31 Dat leger trok door Idumea en sloeg het beleg voor Bet sur. Maar de strijd om de stad duurde dagen lang, daar de joden de belegeringswerktuigen van de vijand in brand staken, telkens als ze dapper vechtend een uitval deden. 1MAK 6:32 Tenslotte brak Judas het beleg voor de burcht af en sloeg zijn kamp op bij Bet zacharia tegenover het kamp van de koning. 1MAK 6:33 Vroeg in de morgen liet de koning zijn leger in allerijl naar Bet zacharia oprukken, waar de legers zich onder trompetgeschal in slagorde schaarden. 1MAK 6:34 De olifanten hield men sap van druiven en moerbeien voor om ze strijdlustig te maken. 1MAK 6:35 Daarna werden de dieren over de falanxen verdeeld: bij elke olifant stelde men duizend man voetvolk op, in maliënkolders gestoken en met bronzen helmen op het hoofd, alsmede vijfhonderd uitstekende ruiters, 1MAK 6:36 die de vaste begeleiders van zo'n olifant waren en het dier steeds vergezelden waar het ook ging, zonder er zich ooit van te scheiden. 1MAK 6:37 Op elke olifant was achter de kornak op een speciale wijze een sterke, goed afgedekte houten toren vastgegord, waarin een drietal soldaten zat, die vandaaruit aan de strijd deelnamen. 1MAK 6:38 De rest van de ruiterij stelde de koning links en rechts op aan de beide flanken van het leger, om aldus de vijand te kunnen bestoken en tevens een dekking te hebben voor de falanxen. 1MAK 6:39 Toen de zon op de gouden en bronzen schilden scheen, begonnen de bergen te schitteren en te glanzen als brandende fakkels. 1MAK 6:40 Het koninklijk leger zette zich in beweging: een deel trok vastberaden en in volmaakte orde boven over de berg, een ander deel door de vlakte. 1MAK 6:41 Allen die het geschreeuw van die drommen, het gedreun van hun massale opmars en het gekletter van hun wapens hoorden, sloeg de schrik om het hart; het leger was inderdaad buitengewoon groot en sterk. 1MAK 6:42 Judas ging met zijn leger tot de aanval over en van het leger van de koning vielen zeshonderd man. 1MAK 6:43 Eleazar Avaran merkte dat een van de olifanten, die groter was dan alle andere, met een koninklijke pantserbedekking was uitgerust. In de mening dat de koning zich op dat dier bevond 1MAK 6:44 besloot hij zichzelf te offeren om zijn volk te redden en zich zo een onsterfelijke naam te verwerven. 1MAK 6:45 Onverschrokken stormde hij op het dier af midden door de falanx heen, terwijl hij links en rechts dodelijke slagen toebracht zodat men aan weerszijde voor hem terugweek 1MAK 6:46 Hij dook onder de olifant, doorstak hem van onder en doodde hem. Het dier zakte ineen en verpletterde hem. Zo stierf Eleazar. 1MAK 6:47 Toen de joden zich bewust werden welk een legermacht het koninkrijk op de been kon brengen en hoe groot de stootkracht was van zijn troepen, trokken ze terug. 1MAK 6:48 De koninklijke troepen rukten nu op tegen de joden in Jeruzalem; de koning koos de plaats voor zijn kamp zo, dat hij zowel tegen Judea als tegen de berg Sion kon opereren. 1MAK 6:49 Daar de inwoners van Bet sur vanwege het sabbatjaar geen voedsel meer hadden om het beleg nog langer te kunnen doorstaan, gaven zij de stad over, waarop de koning vrede met hen sloot. 1MAK 6:50 Hij maakte zich meester van Bet sur en plaatste er een bezetting. 1MAK 6:51 Dagen lang belegerde de koning de tempel; hij richtte er geschutstellingen tegen op en belegeringswerktuigen, vlammenwerpers, blijden, schorpioentjes om pijlen af te schieten en slingers. 1MAK 6:52 Maar ook de joden vervaardigden oorlogstuig en stelden het op tegen dat van de koning; zo streden ze dagen lang. 1MAK 6:53 Daar het evenwel het zevende jaar was, waren er geen levensmiddelen in de opslagplaatsen; bovendien hadden de joden die vanuit niet joodse gebieden in Judea in veiligheid waren gebracht, wat aan voorraad nog restte opgegeten. 1MAK 6:54 De hongersnood die onder de verdedigers van de tempel heerste, dwong de een na de ander naar huis terug te keren. Daardoor waren er maar weinig over gebleven. 1MAK 6:55 Op dat ogenblik hoorde Lysias dat Filippus, aan wie koning Antiochus nog bij zijn leven opgedragen had zijn zoon Antiochus voor het koningschap op te leiden, 1MAK 6:56 uit Perzië en Medië was teruggekeerd met de troepen die de koning waren gevolgd, en dat hij ernaar streefde het bestuur van het rijk in handen te krijgen. 1MAK 6:57 Daarom wilde Lysias zo spoedig mogelijk het teken tot de aftocht geven. Hij zei tot de koning, de legeraanvoerders en de manschappen: 'We worden met de dag zwakker en hebben maar weinig te eten; de plaats die we belegeren is sterk en bovendien vragen de belangen van het rijk onze aandacht. 1MAK 6:58 Laat ons daarom deze mensen de hand reiken en vrede sluiten met hen en met heel hun volk. 1MAK 6:59 Laten we het recht toekennen om zoals vroeger volgens eigen gebruiken te leven; juist omdat we die gebruiken hebben willen afschaffen, zijn ze in toorn ontstoken en in opstand gekomen.' 1MAK 6:60 Dat voorstel vond bijval bij de koning en de legeroversten. Hij deed de joden een vredesaanbod, dat door hen werd aanvaard 1MAK 6:61 en door de koning en de legeroversten met een eed bekrachtigd. Daarop gaven de joden de vesting over. 1MAK 6:62 Toen de koning zijn intocht hield op de berg Sion en zag hoe zwaar die plaats versterkt was, schond hij de eed die hij had gezworen en gaf hij bevel de ringmuur te slechten. 1MAK 6:63 Daarna brak hij in alle haast op en keerde terug naar Antiochië. Daar stuitte hij op Filippus, die de stad in handen had. Hij nam de wapens tegen hem op en maakte zich met geweld meester van de stad. 1MAK 7:1 In het jaar honderdeenenvijftig verliet Demetrius, de zoon van Seleukus, Rome, landde met een klein gevolg in een kustplaats en liet er zich tot koning uitroepen. 1MAK 7:2 Toen hij de koninklijke residentie van zijn voorvaderen binnentrok, nam het leger Antiochus en Lysias gevangen om ze voor hem te brengen. 1MAK 7:3 Maar toen hij dat vernam zei hij: 'Laat me hun gezicht niet zien!' 1MAK 7:4 Daarop bracht het leger hen ter dood en besteeg Demetrius zijn koningstroon. 1MAK 7:5 Nu wendden alle goddeloze en afvallige Israëlieten zich tot Demetrius. Aan hun hoofd stond Alkimus, die hogepriester wilde worden. 1MAK 7:6 Ze klaagden het volk bij de koning aan, zeggend: 'Judas en zijn broers hebben al uw vrienden omgebracht en ons uit ons land verjaagd. 1MAK 7:7 Zend daarom iemand in wie u vertrouwen hebt, om de schade op te nemen die Judas ons en het gebied van de koning heeft berokkend en om hem en al degenen die hem geholpen hebben te straffen.' 1MAK 7:8 De koning liet zijn keus vallen op Bakchides, een van de vrienden van de koning, die stad houder was in het gebied westelijk van de Eufraat en grote invloed had in het rijk en de koning toegedaan was. 1MAK 7:9 Hem zond hij samen met de goddeloze Alkimus, die hij als hogepriester aanstelde, naar Israël met de opdracht de Israëlieten te straffen. 1MAK 7:10 Zij vertrokken en kwamen met een groot leger in het land van Juda aan. Bakchides zond boden naar Judas en zijn broers om vreedzame onderhandelingen met hen te voeren en ze zo te misleiden. 1MAK 7:11 Maar die gingen er niet op in; het was hun immers niet ontgaan dat hij met een groot leger was gekomen. 1MAK 7:12 Een groep schriftgeleerden daarentegen begaf zich naar Alkimus en Bakchides om billijke aanspraken te bepleiten. 1MAK 7:13 De Chasideeën waren onder de Israëlieten de eersten die hun om vrede verzochten. 1MAK 7:14 Ze zeiden: 'Met dit leger is een priester uit het geslacht van Aäron meegekomen: die zal ons geen kwaad doen.' 1MAK 7:15 Hij was vriendelijk voor hen en zwoer: 'Wij hebben geen kwade bedoelingen jegens u noch jegens uw vrienden.' 1MAK 7:16 En zij geloofden hem. Maar hij liet er zestig van hen gevangen nemen en op een dag ter dood brengen, naar het woord dat geschreven staat: 1MAK 7:17 Het vlees van uw heiligen en hun bloed hebben ze rond Jeruzalem geworpen en er was niemand die ze begroef. 1MAK 7:18 Heel het volk werd door angst en schrik voor hen bevangen en men zei: 'Zij zijn onbetrouwbaar en kennen geen rechtvaardigheid, want zij hebben hun belofte, met een eed bevestigd, geschonden.' 1MAK 7:19 Bakchides trok van Jeruzalem weg en sloeg zijn kamp op bij Bet zait. Vandaar liet hij veel strijders die naar hem waren overgelopen en ook enigen uit de burgerbevolking gevangen nemen; hij liet ze ter dood brengen en in de grote put werpen. 1MAK 7:20 Vervolgens droeg hij het bestuur van het land aan Alkimus over, stelde een leger tot zijn beschikking en keerde naar de koning terug. 1MAK 7:21 Alkimus spande al zijn krachten in om zijn hogepriesterschap erkend te zien. 1MAK 7:22 Alle onruststokers onder het volk sloten zich bij hem aan; zij kregen in het land van Juda de macht in handen en berokkenden Israël veel kwaad. 1MAK 7:23 Toen Judas zag dat Alkimus en zijn aanhang nog meer ellende over de Israëlieten brachten dan de heidenen hadden gedaan, 1MAK 7:24 trok hij heel Judea door, nam wraak op de overlopers en maakte het hun onmogelijk zich nog langer in het land te bewegen. 1MAK 7:25 Al gauw bemerkte Alkimus dat Judas en zijn aanhang zo sterk waren geworden, dat hij niet in staat was hun het hoofd te bieden; daarom keerde hij naar de koning terug en bracht zware beschuldigingen tegen hen in. 1MAK 7:26 Hierop zond de koning een van zijn beroemdste veldheren, Nikanor, die een bittere haat koesterde jegens Israël, en gaf hem opdracht het volk te vernietigen. 1MAK 7:27 Met een groot leger in Jeruzalem aangekomen, zond hij boden naar Judas en zijn broers om hen met verzoenende voorstellen te misleiden: 1MAK 7:28 'Laat het niet tot een oorlog komen tussen mij en u; ik kom met een klein gevolg naar u toe om vriendschappelijk met u te onderhandelen.' 1MAK 7:29 Hij kwam dus bij Judas en zij begroetten elkaar op vriendschappelijke wijze; maar de vijanden stonden al klaar, om Judas te ontvoeren. 1MAK 7:30 Toen Judas merkte dat Nikanor met verraderlijke bedoelingen naar hem toe was gekomen, werd hij bang voor hem en wilde hij hem niet meer zien. 1MAK 7:31 Nikanor begreep dat zijn toeleg ontdekt was; hij rukte uit en raakte met Judas slaags ter hoogte van Kafarsalama. 1MAK 7:32 Van Nikanors soldaten vielen er ongeveer vijfhonderd, de overigen namen de vlucht naar de stad van David. 1MAK 7:33 Na deze gebeurtenissen begaf Nikanor zich naar de berg Sion. Enige priesters en oudsten van het volk kwamen hem uit de tempel tegemoet om hem op vriendschappelijke wijze te begroeten en om zijn aandacht te vestigen op het brandoffer dat voor de koning werd opgedragen. 1MAK 7:34 Maar hij dreef de spot met hen en lachte hen uit, hij spuwde op hen en braakte overmoedige taal uit. 1MAK 7:35 In zijn woede zwoer hij: 'Als Judas en zijn leger deze keer mij niet in handen vallen, dan steek ik na mijn behouden terugkeer deze tempel in brand.' Hevig vertoornd ging hij heen. 1MAK 7:36 De priesters gingen weer naar binnen en staande voor het altaar en het heiligdom baden ze onder tranen: 1MAK 7:37 'Gijzelf hebt dit huis uitverkoren om uw naam te dragen en de plaats te zijn waar uw volk zijn gebeden en smekingen tot U kan richten. 1MAK 7:38 Neem dus wraak op deze man en zijn leger en laat ze vallen door het zwaard; gedenk hun godslasteringen en laat ze niet langer in leven.' 1MAK 7:39 Nikanor verliet Jeruzalem en sloeg zijn kamp op bij Bet choron, waar een leger uit Syrië zich bij hem aansloot. 1MAK 7:40 Judas lag met drieduizend man bij Adasa. Daar sprak hij dit gebed uit: 1MAK 7:41 'Toen de boden van de koning U lasterden, kwam uw engel en sloeg honderdvijfentachtigduizend mannen neer. 1MAK 7:42 Verpletter op dezelfde wijze nu ook dit leger hier voor onze ogen, dan zullen de overlevenden weten, dat hij uw tempel gelasterd heeft; straf hem overeenkomstig zijn boosheid.' 1MAK 7:43 De dertiende Adar werden de legers handgemeen. Het leger van Nikanor werd verslagen; hijzelf was de eerste die sneuvelde. 1MAK 7:44 Toen de soldaten van Nikanor zagen dat hij gevallen was, wierpen ze hun wapens weg en namen de vlucht. 1MAK 7:45 De joden achtervolgden hen een dagmars ver, van Adasa tot Gezer, terwijl ze op de signaaltrompetten bliezen. 1MAK 7:46 Uit alle joodse dorpen in de omgeving snelde men toe om de vluchtelingen de pas af te snijden; die keerden om, maar stieten op hun kameraden; zo werden allen de prooi van het zwaard, niemand ontkwam. 1MAK 7:47 De joden plunderden hen en legden beslag op hun buit; ze hieuwen Nikanor het hoofd af en de rechterhand, die hij in zijn overmoed had opgeheven, en stelden die vlak bij Jeruzalem ten toon. 1MAK 7:48 Het volk was uitbundig van blijdschap en vierde die dag als een grote feestdag. 1MAK 7:49 Men besloot deze gebeurtenis jaarlijks op de dertiende Adar te vieren. 1MAK 7:50 Het land van Juda genoot gedurende korte tijd enige rust. 1MAK 8:1 Judas had van de Romeinen horen zeggen, dat ze machtig waren en welwillend jegens allen die toenadering zochten en dat ze vriendschap sloten met allen die zich tot hen wendden. 1MAK 8:2 Dat ze machtig waren bleek uit wat men hem verhaalde over hun oorlogen en heldendaden in het gebied van de Galliërs; hoe ze hen hadden overwonnen en schatplichtig gemaakt; 1MAK 8:3 over hun verrichtingen in Spanje om zich meester te maken van de goud en zilvermijnen in dat land; 1MAK 8:4 hoe zij heel dat gebied, ondanks de zeer grote afstand, door hun beleid en volharding in hun macht hadden gekregen. Koningen die van het einde der aarde tegen de Romeinen waren opgetrokken, hadden ze verslagen en hun zware verliezen toegebracht, terwijl de overigen hun jaarlijks schatting moesten betalen. 1MAK 8:5 Ze hadden Filippus, Perseus, de koning van de Kittiërs, en anderen die tegen hen waren opgestaan, in een oorlog verslagen en onderworpen. 1MAK 8:6 Zelfs Antiochus de Grote, de koning van Azië, die met honderdtwintig olifanten en met ruiters, strijdwagens en zeer veel voetvolk tegen hen ten strijde waren getrokken, was door hen verslagen. 1MAK 8:7 Zij hadden hem levend gevangen genomen en hem en zijn troonopvolgers verplicht een hoge schatting te betalen, gijzelaars te geven en enige van zijn beste provincies af te staan, 1MAK 8:8 met name Indië, Medië, Lydië; zij hadden die gebieden weer overgedragen aan koning Eumenes. 1MAK 8:9 Toen het plan van de Grieken om de Romeinen uit te roeien, 1MAK 8:10 hun ter ore was gekomen, hadden ze een enkele veldheer op de Grieken afgestuurd om met hen de strijd aan te binden: veel Grieken sneuvelden, hun vrouwen en kinderen werden gevangen weggevoerd, hun bezittingen geplunderd, hun land in bezit genomen, hun vestingen ontmanteld en het volk werd onderworpen; het is onderworpen gebleven tot op de dag van vandaag. 1MAK 8:11 Ook de overige koninkrijken en eilanden, die zich ooit tegen de Romeinen hadden verzet, hadden ze vernietigd en onderworpen. 1MAK 8:12 Maar met hun vrienden en met degenen die zich op hen verlieten, onderhielden ze vriendschappelijke betrekkingen. Ze heersten over koningen dichtbij en veraf; alleen al het horen van hun naam boezemde ontzag in. 1MAK 8:13 Degenen die zij willen helpen om koning te worden, worden koning, maar ook naar believen zetten zij koningen af. Hoewel ze dus zeer machtig waren geworden, 1MAK 8:14 had toch niemand van hen zich de diadeem opgezet of in purper gestoken om daardoor in aanzien te stijgen. 1MAK 8:15 Zij hadden een raadhuis gebouwd en daar vergaderden dagelijks driehonderdtwintig man, steeds bezig met de vraag hoe zij het welzijn van het volk konden bevorderen. 1MAK 8:16 Elk jaar vertrouwden zij het bestuur en beheer van heel hun gebied toe aan een man, aan wie allen gehoorzaamden zonder nijd of afgunst. 1MAK 8:17 Judas koos nu Eupolemus uit, de zoon van Johannes uit het geslacht van Hakkos, en Jason, de zoon van Eleazar, en zond hen naar Rome om met de Romeinen vriendschap te sluiten en een bondgenootschap aan te gaan, 1MAK 8:18 en zodoende te bereiken, dat zij de joden het juk van de Grieken van de schouders zouden nemen, want het moest de Romeinen duidelijk zijn dat die Israël knechtten. 1MAK 8:19 Zij vertrokken dus en kwamen na een zeer lange reis in Rome aan. Daar legden ze voor de senaat de volgende verklaring af: 1MAK 8:20 'Judas, ook Makkabai genoemd, zijn broers en het volk der joden hebben ons tot u gezonden, om met u een verbond te sluiten en vriendschapsbetrekkingen aan te knopen, om opgenomen te worden onder uw bondgenoten en vrienden.' 1MAK 8:21 Dat verzoek werd welwillend ontvangen. 1MAK 8:22 Hier volgt een afschrift van de brief, die ze op bronzen platen lieten graveren en naar Jeruzalem zonden als een gedenkteken van de vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap: 1MAK 8:23 'Aan de Romeinen en het volk van de joden te land en ter zee in eeuwigheid heil! Mogen zwaard en vijand ver van hen blijven! 1MAK 8:24 Als Rome of een van zijn bondgenoten, waar ook binnen zijn machtssfeer, het eerst in oorlog geraakt, 1MAK 8:25 dan zal het volk der joden naarmate de omstandigheden zulks van hen vorderen, vastbesloten aan de zijde van Rome strijden. 1MAK 8:26 Aan de vijanden zal het geen voedsel, wapens, geld of schepen geven of ter beschikking stellen. Aldus heeft Rome besloten. Het zal zijn verplichtingen nakomen zonder tegenprestatie. 1MAK 8:27 Van hun kant zullen de Romeinen, als het volk der joden het eerst in oorlog geraakt, bereidwillig aan hun zijde strijden naarmate de omstandigheden dat van hen vorderen. 1MAK 8:28 Aan de vijanden zullen zij geen voedsel, wapens, geld of schepen verstrekken. Aldus heeft Rome besloten. Het zal deze verplichting zonder bedrog nakomen. 1MAK 8:29 Volgens deze termen hebben de Romeinen met het volk van de joden een verbond gesloten. 1MAK 8:30 Zou in de toekomst een van beide partijen iets willen toevoegen of weglaten, dan zal, als zulks met goedvinden van de andere partij geschiedt, de toevoeging of de weglating kracht van wet bezitten. 1MAK 8:31 Wij hebben koning Demetrius, naar aanleiding van het onrecht dat hij de joden aandoet, het volgende geschreven: Waarom legt u de joden, die onze vrienden en bondgenoten zijn, zulk een zwaar juk op? 1MAK 8:32 Als zij opnieuw klachten tegen u inbrengen, zullen wij hun recht verschaffen en u te land en ter zee bestrijden.' 1MAK 9:1 Toen Demetrius vernomen had dat Nikanor gesneuveld was en zijn troepen verslagen waren, zond hij opnieuw Bakchides en Alkimus met de rechter vleugel van zijn leger naar het land van Juda. 1MAK 9:2 Zij namen de weg door Galilea, belegerden Mesalot in het gebied van Arbela, veroverden het en doodden een groot aantal mensen. 1MAK 9:3 In de eerste maand van het honderd tweeënvijftigste jaar sloegen zij hun kamp op in de omgeving van Jeruzalem. 1MAK 9:4 Van daar braken ze weer op en trokken met twintigduizend man voetvolk en tweeduizend ruiters naar Berea. 1MAK 9:5 Judas lag met drieduizend uitgelezen soldaten bij Elasa. 1MAK 9:6 Bij het zien van de geweldige troepenmacht werden de joden zeer bang en velen deserteerden, zodat er slechts achthonderd man overbleven. 1MAK 9:7 Toen Judas, op het ogenblik dat hij de strijd niet kon ontwijken, merkte dat zijn leger uiteenviel, greep vertwijfeling hem aan, omdat de gelegenheid hem ontbrak zijn soldaten weer bijeen te brengen. 1MAK 9:8 In zijn verslagenheid riep hij degenen die bij hem gebleven waren toe: 'Vooruit, we trekken tegen onze vijanden op; misschien kunnen wij ze toch nog het hoofd bieden.' 1MAK 9:9 Maar zij poogden hem te weerhouden en zeiden: 'Voor het ogenblik kunnen we volstrekt niets anders doen dan ons leven in veiligheid brengen. Daarna komen wij met onze broeders terug om de strijd met de vijand aan te binden. Nu zijn we met te weinig man.' 1MAK 9:10 Hierop antwoordde Judas: 'Dat nooit! In geen geval ga ik voor hen op de vlucht. Als onze tijd gekomen is, moeten wij moedig de dood ingaan voor onze broeders en geen smet werpen op onze naam.' 1MAK 9:11 Toen het leger het kamp uittrok, stelden de joden zich er tegen op. De ruiterij was in twee afdelingen gesplitst; de slingeraars en boogschutters gingen voor het leger uit; die in de voorste linies streden waren allen geduchte krijgers. 1MAK 9:12 Bakchides bevond zich op de rechtervleugel. Het zwaargewapende voetvolk kwam tussen twee afdelingen onder trompetgeschal aanrukken. Ook de mannen van Judas bliezen op de trompetten, 1MAK 9:13 en de aarde dreunde van het krijgsgeschreeuw van de beide legers. Men werd handgemeen en de strijd woedde van de morgen tot de avond. 1MAK 9:14 Toen Judas zag dat Bakchides zich met de beste troepen aan de rechterzijde bevond, ging hij er met zijn dapperste soldaten op af. 1MAK 9:15 Zij versloegen de rechtervleugel en vervolgden haar tot aan het Hasorgebergte. 1MAK 9:16 Maar toen de soldaten van de linkervleugel zagen dat de rechtervleugel bezweken was, wendden zij zich om en zetten Judas en de zijnen achterna. 1MAK 9:17 Het werd een zware strijd en van beide zijden sneuvelden velen. 1MAK 9:18 Toen ook Judas viel, sloeg de rest op de vlucht. 1MAK 9:19 Jonatan en Simon namen hun broer Judas op en begroeven hem in het graf van zijn voorvaderen in Modein. 1MAK 9:20 Heel Israël beweende hem en treurde in diepe rouw over zijn dood; dagen lang klaagden ze: 1MAK 9:21 'Hoe kon de held vallen, de bevrijder van Israël!' 1MAK 9:22 Verdere bijzonderheden over Judas, zijn oorlogen, de heldendaden die hij verricht heeft en over alles wat van zijn grootheid getuigt, zijn niet opgetekend; het was teveel om alles op te noemen. 1MAK 9:23 Na de dood van Judas doken overal in het gebied van Israël de afvalligen weer op en begonnen de boosdoeners zich weer te roeren. 1MAK 9:24 En daar in die tijd een zeer zware hongersnood uitbrak, scheen zelfs de aarde hun zijde te kiezen. 1MAK 9:25 Bakchides koos de goddelozen uit om ze met het bestuur van het land te belasten. 1MAK 9:26 Die gingen op zoek naar de vrienden van Judas en brachten ze voor Bakchides, die ze bestrafte en hoonde. 1MAK 9:27 Israël werd heviger verdrukt dan ooit sinds het optreden van de laatste profeet het geval was geweest. 1MAK 9:28 Daarom kwamen alle vrienden van Judas bijeen en zeiden tot Jonatan: 1MAK 9:29 'Sinds de dood van uw broer Judas hebben wij niemand die zoals hij te velde kan trekken tegen de vijanden, tegen Bakchides en allen die ons volk haten. 1MAK 9:30 Daarom hebben wij heden onze keuze op u laten vallen, om in zijn plaats onze leider en aanvoerder te zijn in de strijd die wij te voeren hebben.' 1MAK 9:31 Zo volgde Jonatan zijn broer Judas op en nam hij de leiding in handen. 1MAK 9:32 Bakchides vernam dat en zocht hem te doden. 1MAK 9:33 Toen dat Jonatan ter ore kwam, vluchtte hij met zijn broer Simon en zijn aanhang naar de woestijn van Tekoa en sloeg zijn kamp op bij de put van Asfar. 1MAK 9:34 Op een sabbat kreeg Bakchides hiervan kennis en hij stak met heel zijn leger de Jordaan over. 1MAK 9:35 Jonatan zond zijn broer Johannes, aan het hoofd van de tros, naar zijn vrienden, de Nabateeën, om ze te vragen hun omvangrijke bagage bij hen in veiligheid te mogen brengen. 1MAK 9:36 Maar de zonen van Jambri rukten uit Medeba op, overmanden Johannes, namen al wat hij bij zich had in beslag en gingen ermee vandoor. 1MAK 9:37 Enige tijd later berichtte men Jonatan en zijn broer Simon, dat de zonen van Jambri een grote bruiloft gingen vieren en dat ze de bruid, de dochter van een van de aanzienlijkste personen in Kanaän, met groot gevolg van Nadabat zouden afhalen. 1MAK 9:38 Het bloed van hun broer Johannes indachtig trokken ze op en verscholen zich in een bergspleet. 1MAK 9:39 Vandaaruit namen ze op een gegeven ogenblik een rumoerige stoet waar; de bruidegom kwam met zijn vrienden en familieleden onder het slaan van pauken en het zingen van liederen, rijk uitgedost, hun richting uit. 1MAK 9:40 De joden sprongen uit hun hinderlaag te voorschijn en sloegen ze neer; velen vielen onder hun slagen, de overigen vluchtten het gebergte in; hun bezittingen maakten ze buit. 1MAK 9:41 Zo verkeerde de bruiloft in ruw en hun feestliederen in weeklachten. 1MAK 9:42 Het bloed van hun broer was gewroken. Jonatan en zijn aanhang begaven zich naar het moerasgebied bij de Jordaan. 1MAK 9:43 Toen Bakchides dat vernam, trok hij uit en verscheen op sabbat met een groot leger aan de oever van de Jordaan. 1MAK 9:44 Hierop zei Jonatan tot zijn mannen: 'Vooruit! We moeten strijden voor het behoud van ons leven, want het ziet er nu slechter voor ons uit dan ooit: 1MAK 9:45 van voren zowel als van achteren worden we aangevallen, links en rechts van ons is het water van de Jordaan, moerassen en kreupelhout: er is geen ontkomen meer aan! 1MAK 9:46 Roep nu dus luid de hemel aan, opdat jullie gered worden uit de macht van onze vijanden.' 1MAK 9:47 De strijd ontbrandde. Reeds strekte Jonatan zijn hand uit om Bakchides neer te slaan, toen deze hem door een achterwaartse beweging wist te ontwijken. 1MAK 9:48 Daarop sprongen Jonatan en zijn mannen in de Jordaan en zwommen naar de overkant. Maar de vijanden staken de Jordaan over om ze te achtervolgen. 1MAK 9:49 Aan de kant van Bakchides waren er die dag ongeveer duizend man gesneuveld. 1MAK 9:50 Teruggekeerd in Jeruzalem begon Bakchides een aantal steden in Judea te versterken: de vesting bij Jericho, Emmaüs, Bet choron, Betel, Timnata, Faraton en Tefon kregen hoge muren en poorten met grendels. 1MAK 9:51 Hij plaatste er garnizoenen die Israël in bedwang moesten houden. 1MAK 9:52 Ook de stad Bet sur versterkte hij, alsmede Gezer en de burcht, die hij van troepen en proviand voor zag. 1MAK 9:53 Tenslotte nam hij de zonen van de leidende persoonlijkheden van het land als gijzelaars en liet ze in de burcht van Jeruzalem in verzekerde bewaring houden. 1MAK 9:54 In de tweede maand van het jaar honderddrieënvijftig gaf Alkimus bevel de muur van de binnenste voorhof van de tempel af te breken. Zo wilde hij het werk van de profeten vernietigen. Reeds was men met de afbraak begonnen, 1MAK 9:55 toen Alkimus door een ziekte werd getroffen. Daardoor kon hij geen werk meer verrichten en verloor hij ook de spraak. Hij was verlamd en kon geen woord meer uiten en zijn huis niet meer beheren. 1MAK 9:56 Onder die omstandigheden vond Alkimus, ten prooi aan hevige pijnen, de dood. 1MAK 9:57 Toen Bakchides zag, dat Alkimus dood was, keerde hij naar de koning terug. Het land van Juda beleefde nu twee rustige jaren. 1MAK 9:58 Toen smeedden de afvalligen het volgende plan: 'Jonatan en zijn aanhang leven nu rustig en zijn op geen gevaar bedacht; als we Bakchides laten komen, kan hij ze allen in en nacht gevangen nemen.' 1MAK 9:59 Met dat voorstel gingen ze naar hem toe. 1MAK 9:60 Hij rukte op met een sterk leger en zond heimelijk brieven aan al zijn bondgenoten in Judea met het bevel om Jonatan en zijn aanhang gevangen te nemen. Daar slaagden ze evenwel niet in, omdat hun plan was uitgelekt. 1MAK 9:61 Jonatan wist zelfs ongeveer vijftig van de vooraanstaande mannen van het land, die dat boze plan op touw hadden gezet, gevangen te nemen en te doden. 1MAK 9:62 Hierop nam hij met Simon en zijn aanhang de wijk naar Bet bassi in de woestijn; zij bouwden het verwoeste deel van de stad weer op en versterkten haar. 1MAK 9:63 Toen Bakchides dat vernam, verzamelde hij zijn leger en riep ook zijn aanhang in Judea onder de wapens. 1MAK 9:64 Hij trok op en sloeg het beleg om Bet bassi; dagen lang deed hij aanvallen op de stad, waarbij hij gebruik maakte van belegeringswerktuigen. 1MAK 9:65 Jonatan liet zijn broer Simon in de stad en ging zelf met een kleine bende het land doorkruisen. 1MAK 9:66 Hij versloeg Odomera met diens broers en de zonen van Fasiron in hun tentenkamp. Door deze successen nam zijn leger in aantal toe. 1MAK 9:67 Simon van zijn kant deed met zijn mannen een uitval uit de stad en stak de belegeringswerktuigen in brand. 1MAK 9:68 Nu bonden ze de strijd aan met Bakchides en versloegen hem. Deze nederlaag was een hevige kwelling voor hem, omdat met de veldtocht ook zijn politiek gestrand was. 1MAK 9:69 Hij was woedend op de afvalligen die hem hadden aangeraden naar Judea te komen, liet velen van hen ter dood brengen en besloot naar zijn land terug te keren. 1MAK 9:70 Toen Jonatan dat hoorde, zond hij gezanten naar hem toe om vrede met hem te sluiten en de uitlevering van de krijgsgevangenen te verkrijgen. 1MAK 9:71 Bakchides stemde toe en hield zich aan zijn woord. Hij gaf Jonatan onder ede de verzekering, dat hij hem zijn leven lang geen kwaad meer zou doen. 1MAK 9:72 Ook gaf hij hem de personen terug die hij vroeger in het land van Juda had gevangen genomen. Daarop vertrok hij naar zijn land en is nooit meer in het gebied van de joden teruggekomen. 1MAK 9:73 Het zwaard was in de schede gestoken en liet Israël met rust. Jonatan vestigde zich in Mikmas. Daar begon hij het volk te besturen en hij zorgde ervoor dat de goddelozen uit Israël verdwenen. 1MAK 10:1 In het jaar honderdzestig trok Alexander Epifanes, de zoon van Antiochus, naar Ptolemais en maakte zich meester van de stad. Hij wierp er zich op als koning en men erkende hem. 1MAK 10:2 Toen koning Demetrius dat hoorde, bracht hij zeer veel troepen bijeen en trok tegen hem ten strijde. 1MAK 10:3 Tevens zond Demetrius Jonatan een zeer vriendelijke brief waarin hij hem beloofde zijn bevoegdheden uit te breiden. 1MAK 10:4 Want, dacht hij,' wij moeten hem aan ons verbinden, voordat hij zich verbindt met Alexander tegen ons; 1MAK 10:5 het kwaad dat wij hem, zijn broers en zijn volk hebben berokkend is hij zeker niet vergeten.' 1MAK 10:6 Hij machtigde Jonatan troepen te werven en wapens te vervaardigen en verklaarde hem tot zijn bondgenoot. Bovendien gaf hij bevel de gijzelaars die in de burcht waren aan hem terug te geven. 1MAK 10:7 Jonatan begaf zich met de brief naar Jeruzalem en las die ten aanhoren van heel het volk en van de bezetting van de burcht voor. 1MAK 10:8 De soldaten van de bezetting schrokken hevig, toen ze hoorden dat de koning Jonatan machtigde troepen te werven; 1MAK 10:9 ze gaven hem de gijzelaars terug en hij gaf ze weer aan hun ouders. 1MAK 10:10 Jonatan vestigde zich nu in Jeruzalem en maakte niet alleen een begin met de wederopbouw van de stad, maar gaf haar tegelijk een nieuw aanzien. 1MAK 10:11 Hij gaf de werklieden bevel de stadsmuur weer op te bouwen en de berg Sion als een vesting te omgeven met een muur van gehouwen stenen. Zo geschiedde. 1MAK 10:12 De vreemdelingen die in de vestingen lagen die Bakchides gebouwd had, namen de vlucht; 1MAK 10:13 zij verlieten hun post en keerden naar hun land terug. 1MAK 10:14 Alleen in Bet sur bevond zich nog een aantal van degenen, die de wet en zijn geboden overboord hadden geworpen; die stad was een toevluchtsoord voor hen geworden. 1MAK 10:15 Koning Alexander hoorde van de beloften die Demetrius aan Jonatan had gedaan. En toen men verhaalde van de oorlogen die hij en zijn broers gevoerd hadden, van de heldendaden die ze hadden verricht en van de moeilijkheden die ze hadden doorstaan, 1MAK 10:16 zei hij: 'Zo vind je er geen tweede! We moeten hem onmiddellijk tot onze vriend en bondgenoot zien te maken.' 1MAK 10:17 Hij schreef hem dus een brief van de volgende inhoud: 1MAK 10:18 'Koning Alexander aan zijn broeder Jonatan. Heil u! 1MAK 10:19 Naar wij hebben vernomen bent u een machtig man, waard om onze vriend te zijn. 1MAK 10:20 Bij dezen stellen wij u heden aan tot hogepriester van uw volk en verlenen u de titel van vriend des konings.' Hij deed hem tevens een purperen mantel en een gouden krans toekomen. Behartig dus onze belangen en betoon ons trouwe vriendschap.' 1MAK 10:21 Op het loofhuttenfeest in de zevende maand van het jaar honderdzestig bekleedde Jonatan zich met de heilige gewaden. Hij wierf troepen aan en liet veel wapens vervaardigen. 1MAK 10:22 Toen Demetrius dat hoorde, was hij pijnlijk getroffen en zei: 1MAK 10:23 'Hoe hebben wij het toch zover laten komen! Alexander is ons voor geweest en heeft zich, om zijn positie te versterken, de vriendschap van de joden verworven. 1MAK 10:24 Ook ik zal een beroep op hen doen onder toezegging van voorrechten en schenkingen, om mij van hun hulp te verzekeren.' 1MAK 10:25 Hij schreef hun als volgt: 'Koning Demetrius aan het volk der joden. Heil u! 1MAK 10:26 Wij hebben met vreugde vernomen dat u de met ons gesloten verdragen bent nagekomen, de vriendschap met ons bent trouw gebleven en u niet hebt aangesloten bij onze vijanden. 1MAK 10:27 Blijf ook nu in uw trouw jegens ons volharden; wij zullen alles wat u voor ons doet met weldaden vergelden, 1MAK 10:28 u veel vrijstellingen verlenen en u met schenkingen begunstigen. 1MAK 10:29 Hierbij ontsla en onthef ik u en alle joden van schatting, de heffing op zout en de kroongelden; 1MAK 10:30 van het land van Juda en van de drie districten van Samaria en Galilea die met ingang van heden voor goed bij Juda worden ingelijfd, zal ik van nu af aan niet meer de afdracht in baar geld eisen van het derde deel van de veldoogst en van de helft van de boomvruchten, die mij rechtens toekomen. 1MAK 10:31 Jeruzalem zal heilig zijn en onbelast, alsook zijn grondgebied, tienden en tollen. 1MAK 10:32 Ook doe ik afstand van mijn gezag over de burcht in Jeruzalem en draag dat over aan de hogepriester, die er als bezetting de mannen kan plaatsen die hij wenst. 1MAK 10:33 Aan alle joden die uit het land van Juda naar welk deel ook van mijn rijk zijn weggevoerd, geef ik zonder enige losprijs de vrijheid terug en niemand mag nog enige aanspraak op hun vee laten gelden. 1MAK 10:34 Alle joden in mijn rijk zullen op de feesten, sabbat, nieuwe maan, op wettelijk vastgestelde dagen, op de drie dagen voor de feesten en op de drie dagen erna vrij zijn van tol en belasting. 1MAK 10:35 Op die dagen heeft ook niemand het recht joden aan te houden of lastig te vallen om onverschillig welke zaak. 1MAK 10:36 Ongeveer dertigduizend joden zullen in het leger van de koning worden ingelijfd; zij ontvangen de soldij die vastgesteld is voor de troepen van de koning. 1MAK 10:37 Een deel van hen zal gelegerd worden in de grote vestingen van de koning, anderen zullen zich vertrouwensposten in het rijk zien toegewezen; hun bevelhebbers en oversten zullen uit hun eigen rangen worden gekozen; zij mogen volgens hun eigen wetten leven zoals de koning dat heeft vastgesteld voor het land Juda. 1MAK 10:38 De drie districten van de provincie Samaria die bij Judea zijn ingelijfd, zullen met Judea zodanig verenigd zijn, dat zij aan geen ander gezag gehoorzaamheid verschuldigd zijn dan aan dat van de hogepriester. 1MAK 10:39 Ptolemais met zijn grondgebied schenk ik aan de tempel van Jeruzalem, om aldus de kosten van de eredienst te bestrijden. 1MAK 10:40 Zelf zal ik jaarlijks vijftienduizend sikkels zilver geven ten laste van' s konings inkomsten uit draagkrachtige steden. 1MAK 10:41 Bovendien zullen de toelagen voor de tempeldienst, die vroeger gebruikelijk waren, maar de laatste jaren door de ambtenaren niet zijn uitbetaald, van nu af aan weer worden verstrekt. 1MAK 10:42 Verder worden de vijfduizend sikkels die jaarlijks als belasting op de tempeldienst uit de inkomsten ervan voldaan moeten worden, kwijtgescholden op grond van het feit, dat dit geld aan de dienstdoende priesters toekomt. 1MAK 10:43 Alwie vanwege schulden jegens de koning of anderszins zijn toevlucht gezocht heeft in de tempel van Jeruzalem of binnen het tempelgebied zal onschendbaar zijn met alle have en goed die hij in mijn rijk bezit. 1MAK 10:44 De kosten van verbouwing en restauratie van de tempel komen voor rekening van de koning; 1MAK 10:45 de kosten van de bouw van de muren van Jeruzalem en de verdedigingswerken komen voor rekening van de koning; hetzelfde geldt voor de bouw van de muren van de steden in Judea.' 1MAK 10:46 Toen Jonatan en het volk deze beloften hoorden, hechtten zij er geen geloof aan en gingen er niet op in. Ze herinnerden zich maar al te goed hoeveel kwaad Demetrius aan Israël berokkend had en hoe zwaar hij hen verdrukt had. 1MAK 10:47 Hun voorkeur ging uit naar Alexander, omdat in hun ogen zijn aanbod de beste waarborgen bood voor een vreedzame verhouding. Heel zijn regering bleven de joden zijn bondgenoten. 1MAK 10:48 Koning Alexander bracht een groot leger op de been en trok tegen Demetrius op. 1MAK 10:49 De twee koningen bonden de strijd aan en het leger van Alexander sloeg op de vlucht; Demetrius achtervolgde het, kreeg de overhand 1MAK 10:50 en zette de strijd hardnekkig voort tot zonsondergang. Maar diezelfde dag sneuvelde Demetrius. 1MAK 10:51 Daarop zond Alexander gezanten naar Ptolemeus, de koning van Egypte, met het volgende verzoek: 1MAK 10:52 'Ik ben in mijn koninkrijk teruggekeerd, heb de troon van mijn voorvaderen bestegen en het bestuur in handen genomen; ik heb Demetrius overwonnen en mij meester gemaakt van ons land; 1MAK 10:53 ik heb de strijd met hem aangebonden; hij is met zijn leger door ons verslagen en wij hebben bezit genomen van zijn koningstroon. 1MAK 10:54 Laten we dus vriendschap met elkaar sluiten. Geef mij uw dochter tot vrouw en laat mij uw schoonzoon zijn. Ik zal aan u zowel als aan haar geschenken geven die u waardig zijn.' 1MAK 10:55 Hierop antwoordde koning Ptolemeus als volgt: 'Gelukkig de dag waarop u naar het land van uw voorvaderen bent teruggekeerd en op hun koninklijke troon hebt plaatsgenomen. 1MAK 10:56 Welnu, ik ben bereid aan uw verzoek te voldoen, maar laten we eerst in Ptolemais een ontmoeting hebben om elkaar beter te leren kennen; dan zal ik u overeenkomstig uw wens tot mijn schoonzoon maken.' 1MAK 10:57 Vergezeld van zijn dochter Kleopatra vertrok Ptolemeus uit Egypte en kwam in het jaar honderdtweeënzestig in Ptolemais aan, 1MAK 10:58 waar de ontmoeting met koning Alexander plaatsvond. Ptolemeus gaf hem zijn dochter Kleopatra tot vrouw en vierde in Ptolemais met koninklijke luister haar bruiloft. 1MAK 10:59 Bij die gelegenheid schreef koning Alexander Jonatan een brief met het verzoek bij hem te komen. 1MAK 10:60 Met pracht en praal reisde Jonatan naar Ptolemais, waar hij een ontmoeting met beide koningen had. Hij bood hun en hun vrienden goud, zilver en allerlei andere geschenken aan en wist daardoor hun gunst te winnen. 1MAK 10:61 Wel kwamen gemene kerels uit Israël, mensen die zich om de wet niet bekommerden, een aanklacht tegen hem indienen, maar de koning schonk hun geen gehoor. 1MAK 10:62 Hij gaf integendeel bevel, dat men Jonatan van zijn gewaad zou ontdoen om hem met purper te bekleden. Toen dat geschied was, 1MAK 10:63 liet de koning hem naast zich plaats nemen. Hij gaf zijn adjudanten het bevel: 'Trekt met hem door de stad en maakt bekend, dat niemand het moet wagen enige beschuldiging tegen hem in te brengen of hem lastig te vallen om onverschillig welke zaak.' 1MAK 10:64 Toen de aanklagers de heraut hoorden en zagen hoe Jonatan, met purper bekleed, gehuldigd werd, namen ze allen de vlucht. 1MAK 10:65 De koning bewees hem grote eer door hem op te nemen onder zijn beste vrienden en hem te benoemen tot veldheer en stadhouder. 1MAK 10:66 Daarna keerde Jonatan in vrede en vreugde naar Jeruzalem terug. 1MAK 10:67 In het jaar honderdvijfenzestig kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, van Kreta naar het land van zijn voorvaderen. 1MAK 10:68 Hierdoor hevig vertoornd keerde koning Alexander naar Antiochië terug. 1MAK 10:69 Demetrius bevestigde Apollonius, de stadhouder van Cele syrië, in zijn functie. Deze bracht een groot leger op de been en sloeg zijn kamp op bij Jamnia. Vandaar zond hij de hogepriester Jonatan deze boodschap: 1MAK 10:70 'U bent de enige die zich tegen ons verzet en vanwege uw verzet word ik uitgelachen en bespot. Met welk recht maakt u in het bergland tegen ons gebruik van uw macht? 1MAK 10:71 Als u denkt u te kunnen verlaten op uw troepen, daal dan af naar de vlakte, dan zullen we ons daar met elkaar meten. Aan mijn kant staan de troepen uit de steden. 1MAK 10:72 Als u navraag doet en te weten tracht te komen wie ik ben en wie mijn helpers zijn, dan zal men u zeggen dat u tegen ons onmogelijk stand kunt houden. Uw voorvaderen zijn immers tot tweemaal toe in hun eigen land verslagen; 1MAK 10:73 nog veel minder kunt u thans het hoofd bieden aan zo'n sterke ruiterij en aan zo'n sterk leger in een vlakte zonder steen en kiezen en zonder schuilplaats.' 1MAK 10:74 Gegriefd door deze woorden van Apollonius koos Jonatan tienduizend soldaten uit en vertrok vanuit Jeruzalem; onderweg sloot zijn broer Simon met hulptroepen zich bij hem aan. 1MAK 10:75 Hij trok op tegen Joppe, waar een garnizoen van Apollonius lag. Toen de burgers de stadspoort voor Jonatan sloten, deed hij een aanval op de stad. 1MAK 10:76 Bang geworden openden de burgers de poort en Jonatan maakte zich meester van Joppe. 1MAK 10:77 Zodra Apollonius dit hoorde, trok hij met drieduizend ruiters en veel voetvolk in de richting van Azotus, ogenschijnlijk om daarheen te gaan; in feite wilde hij dieper de vlakte in, omdat hij zijn vertrouwen gesteld had op zijn grote ruiterij. 1MAK 10:78 Jonatan zette hem achterna en haalde hem bij Azotus in, waar de legers slaags raakten. 1MAK 10:79 Apollonius had heimelijk duizend ruiters achtergelaten die Jonatans leger in de rug moesten aanvallen. 1MAK 10:80 Maar Jonatan kwam te weten dat de vijand zich achter hem in hinderlaag gelegd had. Toen de ruiters zijn leger dan ook omsingelden en er hun pijlen op afschoten van de morgen tot de avond, 1MAK 10:81 hield het stand, zoals Jonatan bevolen had. Toen de paarden uitgeput waren, 1MAK 10:82 trok Simon met zijn leger vooruit en bond de strijd aan met het voetvolk. Daar de ruiterij uitgeschakeld was, werd het voetvolk door hem verslagen en nam de vlucht, 1MAK 10:83 terwijl de ruiterij zich over de vlakte verspreidde. De soldaten vluchtten naar Azotus en zochten hun toevlucht in Bet dagon, de tempel van hun god. 1MAK 10:84 Maar Jonatan stak Azotus en de omliggende plaatsen in brand en plunderde ze; ook de tempel van Dagon gaf hij, met al degenen die er hun toevlucht hadden gezocht, aan de vlammen prijs. 1MAK 10:85 Door het zwaard en door het vuur waren ongeveer achtduizend man omgekomen. 1MAK 10:86 Jonatan vertrok vandaar en sloeg zijn kamp op voor Askelon. De burgers gingen naar hem toe en betuigden hem hun hulde. 1MAK 10:87 Daarna keerden Jonatan en zijn mannen met veel buit naar Jeruzalem terug. 1MAK 10:88 Toen koning Alexander van deze wapenfeiten hoorde, verleende hij Jonatan nog hogere eerbewijzen: 1MAK 10:89 hij zond hem een gouden gesp, waarmee anders slechts personen van koninklijken bloede werden begiftigd. Verder gaf hij hem Akkaron met het onderhorige gebied in bezit. 1MAK 11:1 De koning van Egypte bracht een leger op de been zo talrijk als de zandkorrels aan het strand van de zee en rustte een grote vloot uit. Hij was van plan zich op listige wijze meester te maken van het rijk van Alexander en het in te lijven bij zijn rijk. 1MAK 11:2 Vreedzame bedoelingen voorgevend trok hij Syrië binnen. De bewoners van de steden openden voor hem de poorten en verwelkomden hem, omdat koning Alexander bevolen had dat voor zijn schoonvader te doen. 1MAK 11:3 Maar telkens als Ptolemeus een stad binnentrok, legde hij er troepen in garnizoen. 1MAK 11:4 Toen hij bij Azotus kwam, vestigde men zijn aandacht op de platgebrande tempel van Dagon, op de verwoesting van Asdod en omgeving, op de lijken die rondom verspreid lagen en op de verkoolde resten van degenen die Jonatan in de oorlog verbrand had en die nu langs de route die de koning volgde lagen opgestapeld. 1MAK 11:5 Om Jonatan verdacht te maken vertelde men de koning wat hij gedaan had, maar de koning zweeg. 1MAK 11:6 Jonatan ging naar Joppe om de koning luisterrijk te verwelkomen. Ze begroetten elkaar en brachten daar de nacht door. 1MAK 11:7 Daarna vergezelde Jonatan de koning tot aan de rivier de Eleuterus en keerde toen naar Jeruzalem terug. 1MAK 11:8 Maar koning Ptolemeus voerde tegen Alexander boze plannen in het schild en maakte zich meester van de kuststeden tot aan Seleukië aan zee. 1MAK 11:9 Vandaar zond hij gezanten naar koning Demetrius met het voorstel: 'Laten wij met elkaar een verbond sluiten dan zal ik u mijn dochter geven, die met Alexander is getrouwd, en zult u koning worden over het rijk van uw vader. 1MAK 11:10 Want het spijt me dat ik hem mijn dochter heb gegeven, daar hij gepoogd heeft mij te doden.' 1MAK 11:11 Omdat hij zijn rijk wilde hebben, schrok hij er niet voor terug Alexander verdacht te maken. 1MAK 11:12 Hij ontnam hem zijn dochter en gaf haar aan Demetrius. Zo brak hij met Alexander en werden ze openlijk vijanden. 1MAK 11:13 Ptolemeus trok Antiochië binnen en zette zich de diadeem van Azië op het hoofd. Twee diademen sierden nu zijn hoofd, namelijk die van Egypte en die van Azië. 1MAK 11:14 Op dat ogenblik bevond koning Alexander zich in Cilicië, omdat de bewoners van die streken in opstand waren gekomen. 1MAK 11:15 Maar toen hij van het gebeurde hoorde, trok hij tegen Ptolemeus ten strijde. Ook Ptolemeus rukte uit, ging hem met een sterk leger tegemoet en versloeg hem. 1MAK 11:16 Alexander vluchtte naar Arabië om er bescherming te zoeken, en zo werd koning Ptolemeus heer en meester. 1MAK 11:17 De Arabier Zabdiël sloeg Alexander het hoofd af en zond het aan Ptolemeus. 1MAK 11:18 Maar drie dagen later stierf koning Ptolemeus zelf en de soldaten die hij in de versterkte steden gelegerd had, werden door de inwoners gedood. 1MAK 11:19 Zo werd Demetrius in het jaar honderdzevenenzestig koning. 1MAK 11:20 In die tijd had Jonatan zijn strijdkrachten uit Judea opgeroepen om de burcht in Jeruzalem te veroveren. Zij hadden reeds veel belegeringswerktuigen opgesteld, 1MAK 11:21 toen enkele lieden, die hun eigen volk haatten en zich om de wet niet bekommerden, naar de koning gingen om hem mee te delen dat Jonatan de burcht belegerde. 1MAK 11:22 Op dat bericht ontstak de koning in toorn en vertrok onmiddellijk naar Ptolemais. Vandaar schreef hij Jonatan de belegering te staken en zo spoedig mogelijk naar Ptolemais te komen voor een onderhoud met hem. 1MAK 11:23 Jonatan legde dit bevel naast zich neer en liet de belegering voortzetten. Hij koos enkele oudsten van Israël en enkele priesters uit om hem te vergezellen en besloot zijn leven in de waagschaal te stellen. 1MAK 11:24 Met zilver, goud, gewaden en allerlei andere geschenken begaf Jonatan zich naar de koning in Ptolemais en wist diens gunst te winnen. 1MAK 11:25 Wel brachten enkele afvallige joden beschuldigingen tegen hem in, 1MAK 11:26 maar de koning behandelde hem zoals zijn voorgangers hadden gedaan en overlaadde hem in tegenwoordigheid van zijn vrienden met eerbewijzen. 1MAK 11:27 Hij bekrachtigde zijn aanstelling als hogepriester en al de andere waardigheden die hij vroeger had ontvangen, en nam hem op onder zijn beste vrienden. 1MAK 11:28 Jonatan verzocht de koning om Judea en de drie districten van Samaria te ontheffen van schatting en beloofde hem daarvoor driehonderd talenten te geven. 1MAK 11:29 De koning willigde dat verzoek in en richtte over al die aangelegenheden tot Jonatan het volgende schrijven: 1MAK 11:30 'Koning Demetrius aan zijn broeder Jonatan en aan het volk van de joden. Heil u! 1MAK 11:31 Om u op de hoogte te stellen van onze beschikkingen aangaande u, zenden wij u een afschrift van de brief die wij hebben geschreven aan onze verwant Lastenes. 1MAK 11:32 Koning Demetrius aan zijn vader Lastenes. Heil u! 1MAK 11:33 Wij hebben besloten het volk van de joden, dat met ons bevriend is en zijn verplichtingen jegens ons nakomt, te belonen voor de welwillendheid die ze ons betonen. 1MAK 11:34 Wij bevestigen hen in het bezit van Judea zowel als van de drie districten Efraïm, Lydda en Ramataim, die van Samaria zijn afgesplitst en in hun volle omvang bij Judea ingelijfd. Al degenen die in Jeruzalem offeren ontslaan wij van de betaling van het koninklijk aandeel in de veld en boomvruchten, dat de koning vroeger jaarlijks van hen ontving; 1MAK 11:35 ook ontslaan wij hen met ingang van heden van het deel van de tienden en tollen waarop wij recht hebben, van de belasting op de zoutwinning en de kroongelden. 1MAK 11:36 Met ingang van heden zijn deze beschikkingen van kracht en nooit zal een ervan worden ingetrokken. 1MAK 11:37 Zorg er dus voor dat hiervan een afschrift wordt gemaakt en aan Jonatan ter hand gesteld. Het moet worden aangeslagen op een goed zichtbare plaats op de heilige berg.' 1MAK 11:38 Toen koning Demetrius zag dat zijn land tot rust gekomen was en er nergens meer verzet tegen hem heerste, zond hij al zijn troepen naar huis, behalve de vreemde troepen die hij op de eilanden van de heidenen had aangeworven. Maar daardoor haalde hij zich de vijandschap op de hals van al de soldaten die al vanaf de tijd van zijn vader en grootvader in dienst waren. 1MAK 11:39 Tryfon, een vroegere aanhanger van Alexander, merkte dat alle troepen morden tegen Demetrius. Hij ging naar de Arabier Imalkuë, die Antiochus, de zoon van Alexander, opvoedde, 1MAK 11:40 en verzocht hem dringend hem het kind te geven, opdat hij ervoor kon zorgen dat het koning zou worden en zo de plaats van zijn vader innemen. Hij vertelde hem van de maatregelen die Demetrius had getroffen en van de vijandschap van zijn troepen die hij zich daardoor op de hals had gehaald. Tryfon bleef daar geruime tijd. 1MAK 11:41 Jonatan richtte tot koning Demetrius het verzoek zijn troepen terug te trekken uit de burcht in Jeruzalem en uit de andere vestingsteden, omdat ze Israël voortdurend lastig vielen. 1MAK 11:42 Demetrius zond Jonatan het volgende antwoord: 'Niet alleen wil ik door het inwilligen van uw verzoek u en uw volk terwille zijn, maar bovendien zal ik u en uw volk met eer overladen, zodra ik daartoe gelegenheid vind. 1MAK 11:43 Voor het ogenblik zou ik het op prijs stellen als u mij soldaten stuurt om voor mij te strijden, want al mijn troepen hebben mij in de steek gelaten.' 1MAK 11:44 Jonatan zond drieduizend dappere soldaten naar Antiochië. Zij dienden zich bij de koning aan en hij was zeer verheugd over hun komst. 1MAK 11:45 Het kwam in de stad tot een opstand: ongeveer honderdtwintigduizend inwoners stroomden naar het centrum en wilden de koning doden. 1MAK 11:46 De koning vluchtte naar het paleis, maar de inwoners van de stad bezetten de toegangswegen en gingen tot de aanval over. 1MAK 11:47 Daarop riep de koning de joden te hulp. Dezen groepeerden zich allen tezamen rond de koning, joegen de opstandelingen in de stad uiteen en doodden er die dag ongeveer honderdduizend. 1MAK 11:48 Diezelfde dag nog staken ze de stad in brand en maakten veel buit. Zo redden ze de koning. 1MAK 11:49 Toen de inwoners van de stad zagen, dat de joden er heer en meester waren, verloren ze de moed en smeekten ze de koning: 1MAK 11:50 'Reik ons de hand en laat de joden de strijd tegen ons en tegen de stad staken.' 1MAK 11:51 Zij legden de wapens neer en sloten vrede. De joden werden in tegenwoordigheid van de koning en van al de rijksgroten met eer overladen; ze hadden zich in het koninkrijk een naam verworven. Met veel buit keerden ze naar Jeruzalem terug. 1MAK 11:52 Koning Demetrius zat weer op zijn koningstroon en de rust was in zijn land teruggekeerd. 1MAK 11:53 Maar hij hield zich niet aan zijn beloften. Hij nam zelfs een vijandige houding aan tegenover Jonatan en in plaats van hem te belonen voor de bewezen diensten, maakte hij het hem zeer lastig. 1MAK 11:54 Na deze gebeurtenissen kwam Tryfon terug met Antiochus, die nog een kleine jongen was. Hij riep hem tot koning uit en zette hem de diadeem op. 1MAK 11:55 Alle troepen die Demetrius afgedankt had, kozen zijn partij en namen de wapens op tegen Demetrius, die verslagen werd en de vlucht nam. 1MAK 11:56 Tryfon kwam in het bezit van de olifanten en maakte zich meester van Antiochië. 1MAK 11:57 Toen richtte de jonge Antiochus het volgende schrijven tot Jonatan: 'Ik bekrachtig uw aanstelling als hogepriester en bevestig u als stadhouder over de vier districten en neem u op onder de vrienden van de koning.' 1MAK 11:58 Hij zond hem een gouden tafelservies en verleende hem het recht om uit een gouden beker te drinken, zich in purper te kleden en een gouden gesp te dragen. 1MAK 11:59 Simon, de broer van Jonatan, benoemde hij tot veldheer over het gebied tussen de Trap van Tyrus en de Egyptische grens. 1MAK 11:60 Daarop rukte Jonatan uit, doorkruiste het gebied westelijk van de Eufraat en bezocht de steden. Heel het leger van Syrië schaarde zich aan zijn zijde, bereid om met hem ten strijde te trekken. Toen hij in Askelon kwam, verwelkomden de burgers hem luisterrijk. 1MAK 11:61 Vandaar ging hij naar Gaza, maar de inwoners van Gaza sloten hun poorten. Hij belegerde de stad, brandde de omgeving plat en plunderde die uit. 1MAK 11:62 Toen verzochten de burgers van Gaza Jonatan om vrede. Hij reikte hun de hand; hij nam de zonen van de magistraten van de stad als gijzelaars en zond ze naar Jeruzalem. Daarna trok hij verder door het land tot aan Damascus. 1MAK 11:63 Toen Jonatan hoorde dat de veldheren van Demetrius, met een groot leger bij Kedes in Galilea lagen met de bedoeling hem te dwingen zijn onderneming op te geven, 1MAK 11:64 trok hij hun tegemoet, maar liet zijn broer Simon in het land achter. 1MAK 11:65 Simon sloeg het beleg om Bet sur; dagen lang bestookte hij de stad en sloot haar tenslotte in, 1MAK 11:66 waarop de burgers hem om vrede vroegen. Hij reikte hun de hand, maar dwong ze de stad te verlaten. Hij nam bezit van de stad en plaatste er een garnizoen. 1MAK 11:67 Jonatan had zijn kamp opgeslagen aan het meer van Gennesaret en was 's morgens vroeg naar de vlakte van Hasor getrokken. 1MAK 11:68 Daar trokken de huurtroepen van Demetrius hem tegemoet na een afdeling in de bergen in hinderlaag te hebben gelegd. Terwijl het leger recht op de joden aanrukte, 1MAK 11:69 kwamen de soldaten, die zich in hinderlaag hadden gelegd, te voorschijn en vielen aan. 1MAK 11:70 Alle soldaten van Jonatan weken terug, niemand bleef, behalve de legeraanvoerder Mattatias, de zoon van Absalom, en Judas, de zoon van Chalfi. 1MAK 11:71 Toen scheurde Jonatan zijn kleren, strooide stof op zijn hoofd en bad. 1MAK 11:72 Daarna ging hij weer tot de aanval over en bracht de vijand zulke slagen toe dat die terugweek. 1MAK 11:73 Toen zijn eigen vluchtende soldaten dit zagen, keerden ze naar Jonatan terug en samen met hem achtervolgden ze de vijand tot Kedes, waar zijn kamp was. Daar sloegen zij hun legerplaats op. 1MAK 11:74 Die dag sneuvelden van de huurtroepen van Demetrius ongeveer drieduizend man. Jonatan keerde naar Jeruzalem terug. 1MAK 12:1 Toen Jonatan zag dat de omstandigheden gunstig voor hem waren, koos hij enkele mannen uit en zond die naar Rome om de vriendschapsbetrekkingen met de Romeinen te vernieuwen. 1MAK 12:2 Naar Sparta en andere staten zond hij brieven van gelijke strekking. 1MAK 12:3 De gezanten vertrokken naar Rome. Daar traden ze de senaat binnen en spraken als volgt: 'De hogepriester Jonatan en het volk van de joden, hebben ons gezonden om de vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap van vroeger te laten vernieuwen.' 1MAK 12:4 De Romeinen gaven hun brieven mee voor de verschillende plaatselijke overheden met het doel hun een vrijgeleide naar het land Juda te verstrekken. 1MAK 12:5 Hier volgt een afschrift van de brief die Jonatan aan de Spartanen schreef: 1MAK 12:6 'De hogepriester Jonatan, de raad der oudsten van het volk, de priesters en het overige volk der joden aan hun broeders de Spartanen: Heil u! 1MAK 12:7 In vroeger tijd heeft reeds uw koning Areios een brief gezonden aan onze hogepriester Onias, waarin gezegd wordt dat u onze broeders bent, zoals blijkt uit het bijgevoegde afschrift. 1MAK 12:8 Onias heeft de gezant eervol ontvangen en de brief aanvaard, waarin het bondgenootschap en de vriendschapsbetrekkingen duidelijk omschreven worden. 1MAK 12:9 Daar wij onze troost putten uit de heilige boeken die wij bezitten, hebben we dergelijke betrekkingen niet nodig, 1MAK 12:10 maar om niet van u te vervreemden, doen wij een poging om door middel van een gezantschap de banden van een broederlijke vriendschap te vernieuwen. Want het is reeds lang geleden dat u iets van u hebt laten horen. 1MAK 12:11 Van onze kant laten we nooit een gelegenheid voorbij gaan, om op feesten en andere plechtige dagen bij onze offers en gebeden aan u te denken; want het past en betaamt dat broeders elkander indachtig zijn. 1MAK 12:12 Wij verheugen ons over het aanzien dat u geniet. 1MAK 12:13 Daarentegen zijn wij getroffen door veel rampen en oorlogen en hebben de koningen van de landen rondom ons de wapens tegen ons opgenomen. 1MAK 12:14 Desondanks hebben wij u noch onze andere bondgenoten en vrienden lastig willen vallen, 1MAK 12:15 wij hebben immers de hulp van de hemel die ons bij staat. Daardoor zijn we van onze vijanden vernederd. 1MAK 12:16 Wij hebben Numenius, de zoon van Antiochus, en Antipater, de zoon van Jason, uitgekozen en hen naar de Romeinen gezonden om met hen de oude vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap te vernieuwen. 1MAK 12:17 Tevens hebben wij hun opgedragen ook naar u te reizen, onze groeten aan u over te brengen en u onze brief te overhandigen over de vernieuwing van onze broederlijke betrekkingen. 1MAK 12:18 U zult ons ten zeerste verplichten, als wij daaromtrent antwoord van u mogen ontvangen.' 1MAK 12:19 En hier volgt het afschrift van de brief die de Spartanen aan Onias hadden gezonden: 1MAK 12:20 'Arius, de koning van de Spartanen, aan de hogepriester Onias. Heil u! 1MAK 12:21 Uit een geschrift over de Spartanen en de joden is gebleken dat ze broeders zijn en beiden van Abraham afstammen. 1MAK 12:22 Nu we dit weten, zoudt u ons zeer verplichten met ons te schrijven, hoe het u gaat. 1MAK 12:23 Wij van onze kant schrijven u reeds: Uw kudden en goederen zijn de onze, en de onze zijn de uwe. Wij hebben opdracht gegeven u van deze dingen op de hoogte te brengen.' 1MAK 12:24 Toen Jonatan hoorde, dat de aanvoerders van Demetrius waren teruggekomen met een leger dat groter was dan het vorige, om met hem de strijd aan te binden, 1MAK 12:25 brak hij op uit Jeruzalem en trok hun tot in het gebied van Hamat tegemoet; want hij wilde hun de kans niet geven zijn land binnen te rukken. 1MAK 12:26 Hij zond verkenners naar hun kamp; teruggekeerd deelden dezen mee dat de vijand voorbereidingen trof om hen in de komende nacht te overvallen. 1MAK 12:27 Na zonsondergang gaf Jonatan zijn troepen bevel te waken en gewapend te blijven om zodoende op ieder ogenblik van de nacht klaar te staan voor de strijd; verder zette hij rondom het kamp wachtposten uit. 1MAK 12:28 Maar toen de vijand hoorde dat Jonatan en zijn troepen klaar stonden voor de strijd, kregen ze schrik en verloren de moed. Ze ontstaken wachtvuren in hun kamp en trokken af. 1MAK 12:29 Omdat Jonatan en zijn leger de vuren zagen branden bemerkten ze niets van die aftocht voor de volgende morgen. 1MAK 12:30 Toen zette hij de achtervolging in, maar kon ze niet meer inhalen, omdat ze de rivier de Eleuterus reeds waren overgetrokken. 1MAK 12:31 Daarom staakte Jonatan de achtervolging en keerde zich tegen de Arabieren, die men Zabadeeën noemt; hij versloeg ze en maakte zich van hun bezittingen meester. 1MAK 12:32 Vervolgens brak hij op en ging naar Damascus; vandaar doorkruiste hij het hele gebied. 1MAK 12:33 Ook Simon was uitgerukt en had het gebied doorkruist tot Askelon en de naburige vestingen. Vervolgens had hij rechtsomkeert gemaakt, was naar Joppe getrokken en had de stad bezet. 1MAK 12:34 Want hij had vernomen dat de inwoners de vesting wilden overleveren aan de aanhangers van Demetrius. Simon plaatste er een garnizoen om de stad te bewaken. 1MAK 12:35 Na zijn terugkeer riep Jonatan de oudsten van het volk bijeen en nam in overleg met hen het besluit om in Judea vestingen te bouwen, 1MAK 12:36 de muren van Jeruzalem te verhogen, en tussen de burcht en de stad een hoge muur op te trekken om de burcht zodanig van de stad af te sluiten dat er geen handelsverkeer meer mogelijk was. 1MAK 12:37 Arbeiders werden bijeengebracht voor de bouw van de stadsmuur: een deel van de muur langs de beek aan de oostzijde van de stad was ingestort. De wijk die Chafenata wordt genoemd herstelde men. 1MAK 12:38 Simon versterkte Hadida in de Sefelavlakte en voorzag het van poorten met grendels. 1MAK 12:39 Tryfon streefde ernaar koning van Azië te worden, zich de diadeem op het hoofd te zetten en koning Antiochus uit de weg te ruimen. 1MAK 12:40 Hij was echter bang dat Jonatan hem niet zou laten begaan, maar de wapens tegen hem zou opnemen. Daarom zocht hij naar een middel om zich van Jonatan meester te maken en hem te doden. Hij rukte dus uit en kwam in Bet san. 1MAK 12:41 Jonatan trok hem tegemoet met een slagvaardig leger van veertigduizend man en kwam ook in Bet san. 1MAK 12:42 Toen Tryfon zag dat hij met een sterk leger gekomen was, schrok hij ervoor terug hem aan te vallen. 1MAK 12:43 Tryfon ontving hem met luister, stelde hem voor aan al zijn vrienden, bood hem geschenken aan en beval zijn vrienden en zijn troepen Jonatan te gehoorzamen als hem zelf. 1MAK 12:44 Daarna vroeg hij Jonatan: 'Waarom hebt u al dit volk deze overlast aangedaan? Er is toch geen oorlog die ons bedreigt? 1MAK 12:45 Kies enige mannen uit om u te begeleiden en stuur de rest naar huis. En ga dan met mij mee naar Ptolemais. Ik wil die stad met de overige vestingen, troepen en ambtenaren aan u overdragen. Daarna vertrek ik weer want dat is het doel van mijn komst.' 1MAK 12:46 Jonatan vertrouwde hem en deed wat hij had gevraagd: hij zond de troepen weg en deze keerden naar het land van Juda terug. 1MAK 12:47 Hij hield drieduizend man bij zich; daarvan zond hij er tweeduizend naar Galilea en gingen er duizend met hem mee. 1MAK 12:48 Maar nauwelijks was Jonatan in Ptolemais aangekomen, of de inwoners sloten de poorten; zij namen hem gevangen en allen die met hem waren meegekomen doodden ze met het zwaard. 1MAK 12:49 Daarop zond Tryfon voetvolk en ruiters naar Galilea en de grote vlakte om alle manschappen van Jonatan te doden. 1MAK 12:50 Die hadden echter reeds vernomen dat Jonatan gevangen genomen was en met zijn mannen de dood had gevonden; daarom spraken ze elkaar moed in en rukten ze in gesloten gelederen op, gereed om te vechten. 1MAK 12:51 Toen de achtervolgers zagen dat het een gevecht zou worden op leven of dood, keerden ze terug. 1MAK 12:52 Zo kwamen allen behouden in het land van Juda aan. Zij treurden over Jonatan en zijn mannen en waren zeer bevreesd. Heel Israël treurde in diepe rouw. 1MAK 12:53 De volken rondom deden weer pogingen om de Israëlieten uit te roeien; ze zeiden immers: 'De Israëlieten hebben geen aanvoerder meer en niemand die hen helpt; laten we daarom nu de strijd met hen aanbinden en hun aandenken bij de mensen uitwissen.' 1MAK 13:1 Simon hoorde dat Tryfon een groot leger op de been had gebracht en het land van Juda wilde binnenvallen en het verwoesten. 1MAK 13:2 Tevens zag hij dat het volk beefde van angst. Daarom ging hij naar Jeruzalem, riep het volk bijeen 1MAK 13:3 en sprak het moed in met deze woorden: 'U weet wat ik, mijn broers en mijn familie hebben gedaan voor de wet en de tempel, en hoeveel oorlogen en ellende we hebben doorstaan. 1MAK 13:4 Voor die zaak, de zaak van Israël, zijn al mijn broers omgekomen; ik alleen ben nog over. 1MAK 13:5 Maar zolang de omstandigheden zo benard zijn, denk ik er niet aan mijn leven te sparen; want ik ben niet beter dan mijn broers. 1MAK 13:6 Integendeel, ik wil mijn volk wreken en de tempel, uw vrouwen en kinderen, want uit haat tegen ons spannen de volken samen om ons uit te roeien.' 1MAK 13:7 Toen het volk deze woorden hoorde, herleefde de moed 1MAK 13:8 en luid riepen ze: 'U bent onze aanvoerder in plaats van Judas en van uw broer Jonatan; 1MAK 13:9 u neemt de leiding in de strijd die wij te voeren hebben: wat u beveelt, doen we.' 1MAK 13:10 Simon riep alle strijdbare mannen op, liet de muren van Jeruzalem zo snel mogelijk voltooien en bracht rondom de stad versterkingen aan. 1MAK 13:11 Hij zond Jonatan, de zoon van Absalom, met een groot leger naar Joppe, deze verdreef de inwoners en hield de stad bezet. 1MAK 13:12 Tryfon was met een groot leger van Ptolemais opgerukt om het land van Juda binnen te vallen; hij voerde Jonatan gevankelijk met zich mee. 1MAK 13:13 Simon sloeg zijn kamp op bij Hadida aan de rand van de vlakte. 1MAK 13:14 Toen Tryfon hoorde dat Simon de plaats van zijn broer Jonatan had ingenomen en op het punt stond om de strijd met hem aan te binden, liet hij hem door gezanten zeggen: 1MAK 13:15 'Omdat uw broer nog geld schuldig was aan' s konings schatkist, uit hoofde van het ambt dat hij bekleedde, hebben we hem in hechtenis genomen. 1MAK 13:16 We zullen hem vrij laten, als u honderd talenten zilver stuurt en twee van zijn zonen als gijzelaars, om te voorkomen dat hij na zijn vrijlating ons afvalt.' 1MAK 13:17 Ofschoon Simon begreep dat hij bedrogen werd, liet hij toch het geld en de kinderen halen, om zich niet de haat van het volk op de hals te halen. 1MAK 13:18 Want dat zou kunnen zeggen: 'Jonatan is omgekomen, omdat Simon hem het geld en de kinderen niet heeft gestuurd.' 1MAK 13:19 Hij zond dus de kinderen en de honderd talenten, maar Tryfon hield zijn woord niet en liet Jonatan niet vrij. 1MAK 13:20 Daarna brak Tryfon op om het land binnen te vallen en het te verwoesten. Daarvoor maakte hij een omweg over Adora. Maar Simon trok met zijn leger tegelijk met hem op en versperde de passen waarlangs hij wilde binnenrukken. 1MAK 13:21 De bezetting van de burcht zond boden naar Tryfon om er bij hem op aan te dringen met spoed door de woestijn naar hen toe te komen en hun levensmiddelen te sturen. 1MAK 13:22 Tryfon liet geheel zijn ruiterij in staat van paraatheid brengen om erheen te trekken; maar 's nachts viel er zoveel sneeuw, dat die niet vooruit kon. Daarop trok Tryfon af en ging naar Gilead. 1MAK 13:23 Toen hij in de buurt van Baskama gekomen was, doodde hij Jonatan. Deze werd daar begraven. 1MAK 13:24 Tryfon aanvaardde de terugtocht en vertrok naar zijn land. 1MAK 13:25 Simon liet het stoffelijk overschot van zijn broer Jonatan halen en begroef het in Modein, de stad van zijn voorvaderen. 1MAK 13:26 Heel Israël treurde in diepe rouw over zijn dood en dagen lang klonken er rouwklachten over hem. 1MAK 13:27 Op het graf van zijn vader en van zijn broers liet Simon een monument oprichten zo hoog dat het van verre te zien was; het was opgebouwd van stenen die zowel aan de achterzijde als de voorzijde gepolijst waren. 1MAK 13:28 Het bestond uit zeven piramiden; die voor zijn vader en moeder en zijn vier broers stonden tegenover elkaar. 1MAK 13:29 tot een eeuwig aandenken richtte hij rondom die piramiden in kunstvolle schikking zuilen op, afwisselend bekroond met wapenrustingen en gebeeldhouwde schepen, die zo groot waren dat ze door de zeevarenden gezien konden worden. 1MAK 13:30 Zo zag het grafmonument eruit dat Simon in Modein liet bouwen. Het staat er nu nog. 1MAK 13:31 Tryfon liet de jonge koning Antiochus op sluwe wijze ter dood brengen, 1MAK 13:32 wierp zich als zijn opvolger op en zette zich de diadeem van Azië op het hoofd. Daardoor bracht hij veel onheil over het land. 1MAK 13:33 Simon versterkte de vestingsteden van Judea, voorzag ze van hoge torens, zware muren en poorten met grendels, en liet in de vestingen levensmiddelen opslaan. 1MAK 13:34 Verder koos Simon enkele mannen uit die hij naar koning Demetrius zond met het verzoek, dat hij het land vrijstelling van belasting zou verlenen, aangezien het bewind van Tryfon een roverij was geweest. 1MAK 13:35 Koning Demetrius willigde zijn verzoek in en zond hem een schriftelijk antwoord van de volgende inhoud: 1MAK 13:36 'Koning Demetrius aan Simon, de hogepriester en vriend van de koningen, aan de oudsten en aan het volk der joden. Heil u! 1MAK 13:37 De gouden kroon en de palmtak die u gezonden hebt, hebben wij in ontvangst genomen. Wij zijn bereid een duurzame vrede met u te sluiten en zullen onze ambtenaren schrijven dat ze u moeten vrijstellen van belasting. 1MAK 13:38 Alwat wij bij dezen met betrekking tot u bepalen, is van kracht. De vestingen, door u gebouwd, behoren aan u. 1MAK 13:39 Wij verlenen u vergiffenis van al uw tekortkomingen en misslagen tot op de huidige dag, alsmede kwijtschelding van de kroongelden, die gij ons verschuldigd zijt; en mocht er nog een andere belasting in Jeruzalem worden geheven, dan wordt die in het vervolg niet meer gevorderd. 1MAK 13:40 Als er onder u mannen zijn die zich geschikt achten voor onze lijfwacht, dat ze zich dan laten inschrijven. Voortaan zij er vrede tussen ons.' 1MAK 13:41 In het jaar honderdenzeventig werd het juk van de volken van Israël afgenomen 1MAK 13:42 en begon het volk oorkonden en overeenkomsten te dateren met de formule: In het eerste jaar van Simon, hogepriester, veldheer en vorst der joden. 1MAK 13:43 In die tijd sloeg Simon het beleg om Gezer en sloot het met zijn leger in. Hij bouwde een stormtoren, reed die naar de stadsmuur, sloeg een bres in een van de torens en bezette die. 1MAK 13:44 De soldaten sprongen uit de stormtoren de stad in, en deze raakte in heftige beroering. 1MAK 13:45 De inwoners kwamen met vrouwen en kinderen de stadsmuur op, scheurden hun kleren en smeekten Simon luidkeels dat hij hun de hand zou reiken. 1MAK 13:46 Ze riepen: 'Behandel ons niet naar onze misdaden, maar toon ons uw barmhartigheid.' 1MAK 13:47 Simon gaf hieraan gevolg en staakte de strijd. Hij zette ze uit de stad, zuiverde de huizen van afgodsbeelden en hield toen zijn intocht onder het zingen van lof en dankliederen. 1MAK 13:48 Al wat onrein was ruimde hij op en hij liet er mensen wonen die de wet onderhielden. Hij versterkte de stad en liet er voor zichzelf een huis bouwen. 1MAK 13:49 Voor de bezetting van de burcht in Jeruzalem was alle verkeer met de buitenwereld onmogelijk gemaakt. Nu ze geen inkopen meer konden doen, begonnen ze ernstig gebrek te lijden en velen stierven van honger. 1MAK 13:50 Daarom smeekten ze Simon hun de hand te reiken. Hij deed dat en zette hen uit de burcht en zuiverde die van al wat aan afgoderij herinnerde. 1MAK 13:51 En op de drieëntwintigste dag van de tweede maand van het jaar honderdeenenzeventig hielden de joden er hun intocht onder gejuich en het wuiven met palmtakken, onder het spelen van citers, cimbalen en lieren, en onder het zingen van lof en dankliederen, want een grote vijand was uit Israël verdreven. 1MAK 13:52 Simon bepaalde dat men deze dag jaarlijks met vreugde zou vieren. De vesting die op de tempelberg aan de kant van de burcht ligt, versterkte hij en ging daar met de zijnen wonen. 1MAK 13:53 Omdat Simon had ervaren dat zijn zoon Johannes een kerel uit een stuk was, stelde hij hem aan tot aanvoerder van geheel het leger. Johannes vestigde zich in Gezer. 1MAK 14:1 In het jaar honderdtweeënzeventig riep koning Demetrius zijn troepen bijeen en trok naar Medië om daar hulp te zoeken voor zijn strijd tegen Tryfon. 1MAK 14:2 Toen Arsakes, de koning van Perzië en Medië, hoorde dat Demetrius zijn gebied was binnengetrokken, zond hij een van zijn veldheren om hem levend gevangen te nemen. 1MAK 14:3 Deze rukte uit, versloeg het leger van Demetrius, nam deze gevangen en bracht hem voor Arsakes, die hem in de gevangenis liet werpen. 1MAK 14:4 Tijdens Simons bewind genoot het land van Judas rust. Hij behartigde het welzijn van zijn volk, dat zolang hij leefde gelukkig was met zijn macht en roem. 1MAK 14:5 Groter roem verwierf hij zich nog, toen hij het volk een haven gaf door de verovering van Joppe, en zo de toegang opende tot het Middellandse zee gebied. 1MAK 14:6 Hij breidde het grondgebied van zijn volk uit door zich meester te maken van het land. 1MAK 14:7 Tal van vijanden maakte hij krijgsgevangen. Hij bedwong Gezer, Bet sur en de burcht en zuiverde die van alle sporen van afgodendienst, zonder dat iemand hem weerstand bood. 1MAK 14:8 Ongestoord bebouwde ieder zijn akker en de aarde bracht haar gewassen voort en de bomen in de vlakte hun vruchten. 1MAK 14:9 De bejaarden zakten samen langs de straten en spraken over de welvaart, de jonge mannen gingen gekleed in een schitterend krijgsgewaad. 1MAK 14:10 Hij voorzag de steden van levensmiddelen en rustte ze uit met verdedigingstuig. Zo werd zijn naam beroemd tot aan het einde der aarde. 1MAK 14:11 Vrede bracht hij over het land en in Israël heerste een uitbundige vreugde. 1MAK 14:12 Iedereen zat onbekommerd onder zijn wijnstok en vijgeboom. 1MAK 14:13 Want de vijanden waren in die tijd machteloos. 1MAK 14:14 Hij was een steun voor de geringen onder zijn volk, hij was vol ijver voor de wet en roeide goddelozen en boosdoeners uit. 1MAK 14:15 Hij verhoogde de luister van de tempel en vergrootte het aantal heilige vaten. 1MAK 14:16 Toen Rome en zelfs Sparta hoorden dat Jonatan overleden was, waren zij daarover diep bedroefd. 1MAK 14:17 Maar toen ze vernamen dat zijn broer Simon hem als hogepriester was opgevolgd en stad en land regeerde, 1MAK 14:18 vernieuwden ze met hem de vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap dat zij met zijn broers Judas en Jonatan gesloten hadden, legden dit schriftelijk vast op bronzen platen en stuurden die naar Simon. 1MAK 14:19 Lezing ervan geschiedde in de volksvergadering in Jeruzalem. 1MAK 14:20 Hier volgt een afschrift van de brief die de Spartanen zonden: 'De magistraten en de stad van de Spartanen aan Simon, de hogepriester, aan de oudsten, de priesters en het overige volk der joden, hun broeders. Heil u! 1MAK 14:21 De gezanten die u naar ons volk hebt afgevaardigd, hebben ons ingelicht over het aanzien en het gezag dat u geniet. We waren zeer verheugd over hun komst. 1MAK 14:22 Hun verklaringen hebben wij als volgt onder de staatsoorkonden opgenomen: Numenius, de zoon van Antiochus, en Antipater, de zoon van Jason, beiden gezanten van de joden, zijn tot ons gekomen om hun vriendschapsbetrekkingen met ons te vernieuwen. 1MAK 14:23 Het volk heeft besloten deze mannen eervol te ontvangen en een afschrift van hun verklaringen op te nemen in de staatsarchieven, opdat het volk der Spartanen de herinnering eraan bewaart. Een afschrift hiervan hebben ze aan de hogepriester Simon gezonden.' 1MAK 14:24 Daarna zond Simon Numenius met een groot gouden schild ter waarde van duizend minen naar Rome om het bondgenootschap te bevestigen. 1MAK 14:25 Vanwege al deze verdiensten vroeg het joodse volk zich af: 'Hoe kunnen we Simon en zijn zonen onze dankbaarheid betuigen? 1MAK 14:26 Want hijzelf, zowel als zijn broers en zijn familie zijn onwrikbaar geweest in de strijd tegen de vijanden van Israël; ze hebben de vijanden teruggeslagen en voor Israël de vrijheid verworven.' Daarom lieten ze op bronzen platen een oorkonde opmaken en bevestigen aan zuilen op de berg Sion. 1MAK 14:27 Hier volgt een afschrift van de oorkonde: 'Op de achttiende Elul van het jaar honderdtweeënzeventig, in het derde jaar van het hogepriesterschap van Simon, heeft men in het Asaramel, 1MAK 14:28 tijdens een grote vergadering van de priesters en het volk, van de leiders van het volk en de oudsten van het land, onze aandacht gevestigd op de volgende feiten: 1MAK 14:29 Tijdens de vele oorlogen die in ons land hebben gewoed, hebben Simon, de zoon van Mattatias, uit het geslacht van Jojarib, en zijn broers hun leven op het spel gezet en weerstand geboden aan de vijanden van hun volk voor het behoud van hun tempel en de wet. Daardoor hebben zij hun volk beroemd gemaakt. 1MAK 14:30 Nadat Jonatan, die zijn volk om zich verenigd had en hogepriester was geworden, bij zijn voorvaderen was bijgezet, 1MAK 14:31 besloten hun vijanden het land binnen te vallen om het te verwoesten en zich van de tempel meester te maken. 1MAK 14:32 Toen greep Simon naar de wapens en streed voor zijn volk. Hij besteedde een groot gedeelte van zijn persoonlijk vermogen om het leger van zijn volk te bewapenen en het soldij uit te betalen. 1MAK 14:33 Hij versterkte de steden van Judea en de grensplaats Betsur, dat een wapenplaats van de vijand was, en legerde daar een joods garnizoen; 1MAK 14:34 verder versterkte hij Joppe aan zee en het eertijds door de vijand bewoonde Gezer aan de grens van Azotus, dat hij met joden bevolkte; beide steden voorzag hij van alles wat nodig was voor hun onderhoud. 1MAK 14:35 Omdat Simon dat alles gedaan had in onkreukbare trouw jegens zijn volk, heeft dat volk, overtuigd van die trouw en van zijn toewijding voor de roem van zijn volk, hem aangesteld tot hun leider en hogepriester. Op alle mogelijke wijzen heeft hij ernaar gestreefd zijn volk te verheffen. 1MAK 14:36 Onder zijn bewind en door zijn toedoen is het gelukt de heidenen uit het land te verdrijven, waaronder ook de bezetting van de stad van David in Jeruzalem. Deze laatsten hadden daar een burcht gebouwd, van waar zij uitvallen deden, de omgeving van de tempel ontwijdden en de heiligheid ervan uitermate ernstig schonden. 1MAK 14:37 Simon legerde een joodse bezetting in de burcht, die hij nog sterker maakte ter beveiliging van stad en land; bovendien trok hij de muren van Jeruzalem hoger op. 1MAK 14:38 Koning Demetrius bevestigde hem in de hogepriesterlijke waardigheid zoals hieronder omschreven is. 1MAK 14:39 Hij nam hem onder zijn vrienden en bewees hem grote eer. 1MAK 14:40 De koning had immers vernomen dat de Romeinen de joden tot vrienden, bondgenoten en broeders hadden verklaard en dat ze de gezanten van Simon eervol hadden ontvangen. 1MAK 14:41 Ook was hij ervan in kennis gesteld, dat de joden en hun priesters besloten hadden dat Simon voor altijd hun leider en hogepriester zou zijn, tenzij er een betrouwbaar profeet mocht komen die anders zou beslissen, 1MAK 14:42 alsook hun legeraanvoerder. Hij was belast met de zorg voor de tempel en hem kwam het toe beambten aan te stellen over de openbare werken, mannen te benoemen om het land te besturen, de wapendepots te beheren en het bevel te voeren over de vestingen. 1MAK 14:43 Hij was belast met de zorg voor de tempel; allen moesten zijn bevelen gehoorzamen, alle officiële stukken in het land moesten onder zijn naam opgesteld worden; hij zou zich in purper kleden en de gouden gesp dragen. 1MAK 14:44 Niemand uit het volk of uit de priesters is het geoorloofd iets aan deze bepalingen af te doen of aan zijn bevelen te weerstaan, zonder zijn toestemming een vergadering in het land te beleggen, zich in purper te kleden of de gouden gesp te dragen. 1MAK 14:45 Degene die in strijd met deze beslissingen handelt of een ervan niet doet, zal strafbaar zijn. 1MAK 14:46 Heel het volk heeft besloten de genoemde volmachten aan Simon te verlenen. 1MAK 14:47 En Simon heeft ze aanvaard en zich bereid verklaard hogepriester, veldheer en leider van het joodse volk en zijn priesters te zijn en over allen het bewind te voeren.' 1MAK 14:48 Deze oorkonde lieten ze op bronzen tafels beitelen en die op een duidelijk zichtbare plaats binnen de ommuring van de tempel aanbrengen. 1MAK 14:49 Een afschrift ervan moest in de schatkamer worden gelegd ter beschikking van Simon en zijn zonen. 1MAK 15:1 Antiochus, de zoon van koning Demetrius, zond van de eilanden in de zee een brief aan Simon, de hogepriester en leider van de joden, en aan heel het volk. 1MAK 15:2 De inhoud luidde als volgt: 'Koning Antiochus aan Simon, de hogepriester en leider van het volk en aan het volk van de joden. Heil u! 1MAK 15:3 Aangezien enige booswichten het rijk van mijn voorvaderen hebben overweldigd en ik dat rijk weer wil terugwinnen, om het in zijn vroegere toestand te herstellen, heb ik veel troepen aangeworven en oorlogsschepen uitgerust. 1MAK 15:4 Daarmee wil ik aan land komen om wraak te nemen op degenen die ons land te gronde gericht en vele steden in mijn rijk ontvolkt hebben. 1MAK 15:5 Ik bekrachtig hiermee dan ook alle ontheffingen, u door mijn voorgangers geschonken, alsmede alle andere kwijtscheldingen die ze u hebben verleend. 1MAK 15:6 Ik sta u tevens toe voor uw land geld te munten. 1MAK 15:7 Jeruzalem en de tempel zullen vrij en onbelast zijn. Alle wapens, die u hebt laten maken, en de vestingen die u gebouwd hebt en die in uw bezit zijn, blijven van u. 1MAK 15:8 Alles wat u heden aan' s konings schatkist verschuldigd bent of in de toekomst zult zijn, is u vanaf heden en voor altijd kwijtgescholden. 1MAK 15:9 Zodra wij ons rijk weer hebben hersteld, zullen we u, uw volk en de tempel zo grote eer bewijzen, dat uw roem over heel de aarde bekend wordt.' 1MAK 15:10 In het jaar honderdvierenzeventig trok Antiochus naar het land van zijn voorvaderen. Bijna alle troepen kozen zijn zijde, zodat Tryfon slechts een klein leger overhield. 1MAK 15:11 Deze nam de vlucht en terwijl Antiochus hem achter volgde, week hij uit naar Dor aan zee; 1MAK 15:12 nu zijn leger hem in de steek had gelaten, wist hij dat de ene ramp na de andere hem bedreigde. 1MAK 15:13 Antiochus sloeg met honderdtwintigduizend man voetvolk en achtduizend ruiters het beleg voor Dor. 1MAK 15:14 Hij sloot de stad van alle kanten in, waarbij de schepen vanuit zee aan de omsingeling deelnamen. Zo bracht hij de stad zowel aan de land- als aan de zeezijde in het nauw en liet er niemand in of uitgaan. 1MAK 15:15 Intussen kwam Numenius met zijn gezellen uit Rome terug met brieven voor de koningen en de staten van de volgende inhoud: 1MAK 15:16 'Lucius, Romeins consul, aan koning Ptolomeüs. Heil u! 1MAK 15:17 De gezanten van de joden zijn tot ons gekomen als onze vrienden en bondgenoten om de vroegere vriendschapsbetrekkingen en het bondgenootschap te vernieuwen. Ze waren gezonden door de hogepriester Simon en door het joodse volk, 1MAK 15:18 en brachten een gouden schild mee ter waarde van duizend minen. 1MAK 15:19 Wij hebben daarom besloten aan de koningen en de staten te schrijven, hun geen schade te berokkenen, hen niet aan te vallen, noch hun steden of grondgebied, en geen hulp te verlenen aan degenen die oorlog tegen hen voeren. 1MAK 15:20 Wij hebben besloten het schild van hen in ontvangst te nemen. 1MAK 15:21 Mochten booswichten uit hun land naar u gevlucht zijn, lever ze dan uit aan de hogepriester Simon, opdat hij ze volgens hun wet bestraffen kan.' 1MAK 15:22 Hetzelfde had de consul geschreven aan koning Demetrius, Attalus, Ariarates en Arsakes, 1MAK 15:23 alsmede aan alle staten: aan Sampsane, Sparta, Delos, Myndus, Sikyon, Karië, Samos, Pamfylië, Lycië, Halikarnassus, Rhodos, Faselis, Kos, Side, Aradus, Gortyna, Knidus, Cyprus en Cyrene. 1MAK 15:24 Van die brieven werd een afschrift gezonden aan de hogepriester Simon. 1MAK 15:25 Koning Antiochus belegerde, zoals gezegd, Dor. Hij liet zijn troepen voortdurend aanvallen doen op de stad, maakte belegeringswerktuigen en sloot Tryfon zo in, dat elk verkeer met de buitenwereld voor hem onmogelijk was. 1MAK 15:26 Simon zond tweeduizend man keurtroepen naar Antiochus om hem te helpen, alsmede zilver en goud en veel andere geschenken. 1MAK 15:27 Maar deze wilde het niet aannemen, erger nog: hij maakte ongedaan wat hij vroeger met Simon had afgesproken en nam een vijandige houding tegenover hem aan. 1MAK 15:28 Hij zond Atenobius, een van zijn vrienden, voor een onderhoud naar Simon. Die moest hem zeggen: 'U houdt Jafo, Gezer en de burcht in Jeruzalem bezet, terwijl die steden in mijn rijk behoren. 1MAK 15:29 U hebt hun gebied verwoest, het land ernstige schade berokkend en u meester gemaakt van vele districten in mijn rijk. 1MAK 15:30 Geef de steden, die u bezet hebt, nu terug en betaal de schatting van de districten waarvan u zich buiten de grenzen van Judea meester hebt gemaakt. 1MAK 15:31 Doet u dat niet, dan moet u in plaats daarvan vijfhonderd talenten zilver geven en voor de verwoestingen die u hebt aangericht en voor de schatting van de steden nog eens vijfhonderd talenten zilver. Voldoet u ook hier niet aan, dan nemen we de wapens tegen u op.' 1MAK 15:32 Toen Atenobius, de vriend van de koning, in Jeruzalem kwam en daar de praal van Simon zag, de schenktafel met het gouden en zilveren vaatwerk en de grote staatsie die hij voerde, stond hij verbaasd. Maar toen hij Simon de boodschap van de koning had overgebracht 1MAK 15:33 gaf deze hem ten antwoord: 'Wij hebben ons geenszins meester gemaakt van het land van een ander of van de goederen van een ander, maar van ons voorvaderlijk erfdeel, dat gedurende enige tijd onrechtmatig in handen is geweest van onze vijanden. 1MAK 15:34 Nu de omstandigheden zich in ons voordeel gewijzigd hebben, houden wij vast aan ons voorvaderlijk erfdeel. 1MAK 15:35 Wat uw eisen aangaande Joppe en Gezer betreft: deze steden hebben ons volk en ons land zware slagen toegebracht; we zijn echter bereid u voor deze steden talenten te geven.' Zonder een woord te zeggen 1MAK 15:36 keerde Atenobius verontwaardigd naar de koning terug, deelde hem mee wat Simon gezegd had en lichtte hem in over de weelde en al het andere dat hij bij Simon gezien had. Toen de koning dat hoorde werd hij woedend. 1MAK 15:37 Intussen was Tryfon erin geslaagd in een schip naar Ortosia te ontvluchten. 1MAK 15:38 De koning stelde Kendebeus aan tot opperbevelhebber over het kustgebied, gaf hem voetvolk en ruiters, 1MAK 15:39 en beval hem aan de grens van Judea zijn kamp op te slaan, Kedron te versterken en van zware poorten te voorzien om dan de strijd aan te binden met het joodse volk. Daarop vertrok de koning om Tryfon te achtervolgen. 1MAK 15:40 Kendebeus trok naar Jamnia en begon het volk te prikkelen door invallen in Judea te doen, waarbij hij mensen gevangen nam en doodde. 1MAK 15:41 Hij versterkte Kedron en legerde er ruiterij en voetvolk om vandaaruit volgens het bevel van de koning Judea binnen te trekken. 1MAK 16:1 Johannes vertrok uit Gezer om zijn vader Simon te melden wat Kendebeus deed. 1MAK 16:2 En Simon sprak tot zijn twee oudste zoons, Judas en Johannes: 'Ik, mijn broers en de familie van mijn vader hebben van onze jeugd af tot nu toe de vijanden van Israël bestreden en herhaalde malen is het ons gelukt Israël te bevrijden. 1MAK 16:3 Nu ben ik oud geworden, maar jullie zijn, dank zij Gods barmhartigheid in de kracht van je jaren. Neem daarom mijn plaats en die van mijn broer in, trek ten strijde voor ons volk en moge de hulp van de hemel met jullie zijn!' 1MAK 16:4 Simon riep uit het land twintigduizend man voetvolk en ruiters op. Die trokken tegen Kendebeus op en brachten de nacht door in Modein. 1MAK 16:5 Toen ze 's morgens de vlakte in trokken kwam hun een groot leger van voetvolk en ruiters tegemoet. Tussen beide legers liep een beek. 1MAK 16:6 Johannes stelde zich met zijn leger tegenover de vijand op; toen hij bemerkte dat zijn mannen bang waren om de beek over te steken, ging hij zelf het eerst, waarop zijn leger hem volgde. 1MAK 16:7 Omdat de vijandelijke ruiterij zeer talrijk was, verdeelde hij zijn leger en plaatste hij zijn ruiterij tussen het voetvolk. 1MAK 16:8 Toen staken ze de trompet en Kendebeus werd met zijn leger terug gedreven; velen sneuvelden, de overigen trachtten naar de vesting te vluchten. 1MAK 16:9 In de strijd werd Judas, de broer van Johannes gewond. Johannes achtervolgde de vijand tot Kedron, dat Kendebeus versterkt had. 1MAK 16:10 Daar anderen een toevlucht gezocht hadden in de torens in het gebied van Asdod, stak hij die in brand. Zo kwamen er van de vijand ongeveer tweeduizend man om. Daarna keerde hij behouden naar Judea terug. verraderlijk vermoord 1MAK 16:11 Ptolemeus, de zoon van Abubus, was bevelhebber in de vlakte van Jericho. Hij bezat veel zilver en goud, 1MAK 16:12 want hij was de schoonzoon van de hogepriester. 1MAK 16:13 Hierdoor hoogmoedig geworden wilde hij zich meester maken van het land. Daartoe besloot hij Simon en zijn zonen op listige wijze uit de weg te ruimen. 1MAK 16:14 Simon was gewoon de steden in het land af te reizen, bekommerd om de behartiging van hun belangen. Zo kwam hij, vergezeld van zijn zonen Mattias en Judas, ook in Jericho. Het was in de elfde maand, de maand Sebat, van het jaar honderdzevenenzeventig. 1MAK 16:15 De zoon van Abubus nodigde hem op arglistige wijze uit naar de kleine vesting Dok, die hij had gebouwd. Daar richtte hij een groot drinkgelag voor hen aan, terwijl hij er zijn handlangers verborgen hield. 1MAK 16:16 Toen Simon en zijn zonen goed gedronken hadden, kwam Ptolemeus met zijn handlangers te voorschijn; ze grepen hun wapens, gingen de feestzaal binnen, wierpen zich op Simon en doodden hem en zijn twee zonen en enigen van zijn gevolg. 1MAK 16:17 Daardoor pleegde hij zwaar verraad en vergold hij goed met kwaad. 1MAK 16:18 Ptolemeus zond hiervan schriftelijk bericht aan de koning met het verzoek hem hulptroepen te sturen en het bestuur over de steden en het land aan hem over te dragen. 1MAK 16:19 Ook naar Gezer zond hij handlangers die Johannes uit de weg moesten ruimen. De legeroversten nodigde hij per brief uit bij hem te komen, dan zou hij hun zilver, goud en andere geschenken geven. 1MAK 16:20 Tenslotte stuurde hij nog handlangers om Jeruzalem en de tempelberg te bezetten. 1MAK 16:21 Maar iemand was hem voor geweest en had Johannes in Gezer reeds gemeld, dat zijn vader en zijn broers vermoord waren, en hem gewaarschuwd dat Ptolemeus handlangers uitgestuurd had om hem te doden. 1MAK 16:22 Bij dit bericht schrok hij hevig. De mannen die hem kwamen doden, liet hij grijpen en ter dood brengen; want hij kende hun bedoelingen. 1MAK 16:23 Verdere bijzonderheden over Johannes, over zijn krijgsverrichtingen en heldendaden, over de bouw van de stadsmuren die hij optrok en zijn overige daden 1MAK 16:24 zijn, te beginnen met de dag dat hij zijn vader opvolgde als hogepriester, te vinden in de annalen van zijn hogepriesterschap. HET TWEEDE BOEK MAKKABEEËN 2MAK 1:1 De Joden in Jeruzalem en in Judea aan hun broeders, de joden in Egypte. Heil u en overvloedige vrede! 2MAK 1:2 Moge God u voorspoed schenken en het verbond indachtig zijn dat Hij gesloten heeft met Abraham, Isaak en Jakob, zijn trouwe dienaars. 2MAK 1:3 Moge Hij u allen een hart schenken dat ontzag voor Hem heeft en in staat is zijn wil blij en toegewijd te volbrengen. 2MAK 1:4 Moge Hij u ontvankelijk maken voor zijn wet en zijn geboden en u daarin vrede geven. 2MAK 1:5 Moge Hij uw gebeden verhoren, zich jegens u genadig tonen en u niet verlaten in tijden van nood. 2MAK 1:6 Daarom bidden wij nu voor u. 2MAK 1:7 Onder de regering van Demetrius in het jaar honderdnegenenzestig hebben wij, joden, u het volgende geschreven: 'Tijdens de grootste rampspoed die ons getroffen heeft in deze jaren, sinds Jason en zijn aanhang de zaak van het heilige land en van Gods rijk afvallig zijn geworden, 2MAK 1:8 is de tempelpoort in brand gestoken en heeft men onschuldig bloed vergoten. Toen hebben wij tot de Heer gebeden en we zijn verhoord: we hebben een slacht en meeloffer opgedragen, de lampen aangestoken en de toonbroden geplaatst.' 2MAK 1:9 Vier daarom het loofhuttenfeest van de maand Kislew. In het jaar honderdachtentachtig. 2MAK 1:10 De inwoners van Jeruzalem en Judea, de raad der oudsten en Judas aan Aristobulus, de leermeester van koning Ptolemeus en afstammeling van het geslacht van de gezalfde priesters, en aan de joden in Egypte. Heil u en voorspoed! 2MAK 1:11 Door God uit grote gevaren gered, betuigen we Hem onze vurige dank, omdat Hij het voor ons opgenomen heeft tegen de koning. 2MAK 1:12 Hij was het immers die de vijandelijke legers uit de heilige stad heeft gesmeten. 2MAK 1:13 Want toen de veldheer naar Perzie was getrokken, werd hij met zijn schijnbaar onoverwinnelijk leger in de tempel van Nanea in stukken gehakt door de priesters van Nanea, die zich daartoe van een list bedienden. 2MAK 1:14 Antiochus had zich met zijn vrienden naar dat heiligdom begeven onder het voorwendsel van een huwelijk met de godin, maar in werkelijkheid om zich de schatten bij wijze van huwelijksgift toe te eigenen. 2MAK 1:15 De priesters van Nanea hadden de schatten te voorschijn gehaald en Antiochus was met een klein gevolg de omsloten ruimte van het heiligdom binnengegaan. Terwijl Antiochus zich in de tempel bevond, sloten zij die af, 2MAK 1:16 openden in de zoldering een geheime deur en stortten stenen omlaag, waardoor zij de veldheer verpletterden. Ze hakten de lijken in stukken en wierpen de hoofden toe aan degenen die buiten stonden. 2MAK 1:17 Onze God zij steeds geprezen, Hij die de goddelozen in het verderf heeft gestort. 2MAK 1:18 De vijfentwintigste Kislew zullen we de reiniging van de tempel vieren. We voelen ons verplicht u hiervan in kennis te stellen, opdat ook u het loofhuttenfeest zoudt vieren en het feest van het vuur, ter gedachtenis aan de dag, waarop Nehemia na het herstel van de tempel en het brandofferaltaar weer offers opdroeg. 2MAK 1:19 Toen onze voorvaderen naar Perzie werden weggevoerd, namen enige vrome priesters heimelijk wat vuur van het brandofferaltaar en verborgen het in de holle ruimte van een uitgedroogde put, waarvan ze de ligging zorgvuldig voor iedereen verborgen hielden. 2MAK 1:20 Na verloop van vele jaren behaagde het God dat Nehemia, die door de koning van Perzie naar Judea was gezonden, de nakomelingen van de priesters naar het vuur liet zoeken. Maar zij kwamen met de mededeling dat ze geen vuur, maar drabbig water hadden gevonden. Daarop beval hij hun er wat van te halen. 2MAK 1:21 Toen het offer in gereedheid gebracht was, gaf Nehemia aan de priesters bevel het hout met wat erop lag met dat water te begieten. 2MAK 1:22 Dat gebeurde. En toen na enige tijd de zon achter de wolken vandaan kwam en begon te schijnen, laaide er tot aller verbazing een groot vuur uit op. 2MAK 1:23 Terwijl het offer verteerd werd, baden de priesters en alle aanwezigen, waarbij Jonatan voorbad en de overigen, onder wie ook Nehemia, antwoordden. 2MAK 1:24 Het gebed luidde als volgt: 'Heer, God de Heer, schepper van alle dingen, ontzagwekkend en sterk, rechtvaardig en barmhartig, Gij alleen zijt koning, Gij alleen zijt goed, 2MAK 1:25 Gij alleen vrijgevig, Gij alleen rechtvaardig, almachtig en eeuwig. Gij redt Israël uit alle nood, Gij hebt onze voorvaderen uitverkoren en geheiligd. 2MAK 1:26 Neem dit offer aan voor heel uw volk Israël; behoed uw eigendom en heilig het. 2MAK 1:27 Breng ons uit de verstrooiing weer bijeen, hergeef de vrijheid aan hen die als slaven onder de heidenen leven, zie neer op hen die versmaad en veracht worden; laat de heidenen weten dat Gij onze God zijt. 2MAK 1:28 Straf degenen die ons verdrukken en die ons in hun overmoed honen. 2MAK 1:29 Plant uw volk weer in uw heilig land, zoals Mozes dat beloofd heeft.' 2MAK 1:30 Daarna zongen de priesters de gebruikelijke lofliederen. 2MAK 1:31 Toen het offer verteerd was, liet Nehemia het overige water over de grote stenen uitgieten. 2MAK 1:32 Onmiddellijk laaide er een vlam op, maar deze werd verslonden door het licht, dat tegelijkertijd vanaf het brandofferaltaar begon te stralen. 2MAK 1:33 Het gerucht over het gebeurde verspreidde zich; ook aan de koning van Perzie werd gemeld, dat op de plaats waar priesters, na hun wegvoering, het heilig vuur verborgen hadden, water te voorschijn was gekomen, waarmee Nehemia en zijn mannen het offer hadden gewijd. 2MAK 1:34 Na een onderzoek te hebben ingesteld, liet de koning de plaats omheinen en er een heiligdom van maken. 2MAK 1:35 Degenen aan wie hij welwillend de zorg ervoor toevertrouwde, liet hij delen in de rijke inkomsten die hij uit dat heiligdom ontving. 2MAK 1:36 De mannen van Nehemia noemden de vloeistof neftar, wat reiniging betekent, maar de meesten noemen het neftai. 2MAK 2:1 In de boeken staat niet alleen dat de profeet Jeremia de ballingen beval, iets van het vuur mee te nemen, zoals reeds is gezegd, 2MAK 2:2 maar ook dat hij hun de wet gaf en hun daarbij op het hart drukte, de geboden van de Heer niet te vergeten en zich niet te laten misleiden door de fraai versierde gouden en zilveren beelden, die ze zouden zien. 2MAK 2:3 Naast andere vermaningen drong hij erop aan voortdurend met de wet bezig te zijn. 2MAK 2:4 Verder staat er in hetzelfde geschrift, dat de profeet op goddelijke ingeving de verbondstent en de ark liet halen en achter hem aandragen, terwijl hij de berg beklom die Mozes bestegen had om het land van God te aanschouwen. 2MAK 2:5 Daar aangekomen vond Jeremia een rotsspelonk; daarin plaatste hij de tent, de ark en het reukofferaltaar en sloot de toegang af. 2MAK 2:6 Toen enigen van zijn metgezellen er weer heen gingen om de weg te markeren, konden ze de plaats niet meer vinden. 2MAK 2:7 Toen Jeremia van hun poging hoorde, deed hij hun verwijten en zei: 'Die plaats moet onbekend blijven, totdat God zijn volk weer samenbrengt en het barmhartigheid betoont. 2MAK 2:8 Dan zal de Heer dat alles weer te voorschijn brengen; dan zal de glorie van de Heer in een wolk verschijnen, zoals dat gebeurd is in de tijd van Mozes en ook in die van Salomo, toen hij bad, dat de tempel op grootse wijze geheiligd mocht worden.' 2MAK 2:9 Ook werd erin verhaald, wat Salomo in zijn wijsheid deed toen hij bij de voltooiing van de tempel het inwijdingsoffer opdroeg: 2MAK 2:10 zoals er op Mozes' gebed tot de Heer vuur uit de hemel was neergedaald, zo daalde er ook op zijn gebed vuur neer en dit verteerde de brandoffers. 2MAK 2:11 Met betrekking tot dat offer heeft Mozes verklaard: 'Omdat het zondeoffer niet genuttigd is, is het door het vuur verteerd.' 2MAK 2:12 Ook Salomo vier de acht dagen lang het inwijdingsfeest. 2MAK 2:13 Behalve deze dingen vermelden die boeken, namelijk de gedenkschriften van Nehemia, ook dat Nehemia een bibliotheek had aangelegd, waarin hij de boeken bijeenbracht die betrekking hadden op de koningen, de geschriften van de profeten en die van David, alsmede de brieven van de koningen betreffende schenkingen aan de tempel. 2MAK 2:14 Nu heeft Judas die boeken, die door de oorlog, waarin wij gewikkeld zijn geraakt, verspreid waren, weer bijeengebracht en zijn ze weer in ons bezit. 2MAK 2:15 Mocht u ze nodig hebben, dan kunt u ze laten halen. 2MAK 2:16 Wij schrijven u, omdat we van plan zijn de reiniging van de tempel te vieren. We zouden het op prijs stellen als u dat feest meeviert. 2MAK 2:17 God, die heel zijn volk bevrijd heeft en het land, het koningschap en de tempel aan zijn volk heeft teruggegeven, 2MAK 2:18 zoals Hij dat in de wet had beloofd, God zal zich spoedig, naar wij hopen, over ons ontfermen en ons van alle windstreken weer bijeen brengen in zijn heilig land. Want Hij heeft ons uit grote nood verlost en de tempel gereinigd. 2MAK 2:19 De geschiedenis van Judas de Makkabeeër en van zijn broers, de reiniging van de beroemde tempel en de wijding van het altaar, 2MAK 2:20 de oorlogen tegen Antiochus Epifanes en zijn zoon Eupator, 2MAK 2:21 de hemelse verschijningen die ten deel zijn gevallen aan degenen die met zoveel toewijding en zo heldhaftig streden voor het jodendom, dat ze ondanks hun klein aantal heel het land veroverd en de legers der barbaren verjaagd hebben, 2MAK 2:22 dat ze de wereldberoemde tempel teruggewonnen en de stad bevrijd hebben en dat ze de wetten, die bijna waren afgeschaft, weer in ere hersteld hebben, dank zij de grote goedheid die de Heer hun betoonde: 2MAK 2:23 dat alles heeft Jason van Cyrene in vijf boeken beschreven. Wij zullen trachten deze in een boek samen te vatten. 2MAK 2:24 Naar onze mening vormen de grote massa getallen en de overvloed aan materiaal, die dat werk biedt, een moeilijkheid voor degenen die zich in de beschrijving van die geschiedenis willen verdiepen. 2MAK 2:25 Daarom hebben wij ernaar gestreefd om onderhoudend en bevattelijk te zijn, zodat allen die ons werk in handen krijgen, zowel de eenvoudige lezer als degene die de feiten in zijn geheugen wil prenten, er hun voordeel mee kunnen doen. 2MAK 2:26 Voor ons was het schrijven van deze samenvatting geen gemakkelijk werk, maar een moeizame arbeid die veel zweetdruppels en slapeloze nachten heeft gekost, 2MAK 2:27 juist zoals het iemand die een feestmaal moet bereiden, niet zal gelukken om zonder moeite al zijn gasten tevreden te stellen. Toch hebben we ons deze moeite gaarne getroost, omdat we daardoor velen van dienst zijn. 2MAK 2:28 Het nauwkeurig onderzoek naar de feiten hebben wij overgelaten aan de schrijver, om alle zorg te kunnen besteden aan de samenstelling van het uittreksel. 2MAK 2:29 De architect van een nieuw huis moet voor de hele bouw zorgen, terwijl degene die het op zich genomen heeft er schilderingen in aan te brengen, zich alleen om een passende versiering hoeft te bekommeren. Dat is, dunkt me, ook met ons het geval. 2MAK 2:30 Het is de taak van de geschiedschrijver op het onderwerp in te gaan, het van alle kanten te bekijken, en het in zijn onderdelen nauwkeurig te onderzoeken. 2MAK 2:31 Maar iemand die een boek samenvat heeft het recht bondigheid van stijl na te streven en af te zien van volledigheid in de behandeling van het onderwerp. 2MAK 2:32 Laten we dan nu met ons verhaal beginnen zonder nog iets aan het gezegde toe te voegen: het zou immers dwaas zijn een lang voorwoord te schrijven op een verhaal dat we willen inkorten. 2MAK 3:1 Onder het bestuur van de vrome hogepriester Onias genoot de heilige stad, dank zij diens optreden tegen het kwaad, een volmaakte vrede en werden de wetten voorbeeldig onderhouden. 2MAK 3:2 Het was reeds voorgekomen dat zelfs de koningen hun ontzag voor de heilige plaats betoonden en de luister van de tempel met schitterende geschenken verhoogden. 2MAK 3:3 Zo bestreed Seleukus, de koning van Azie, uit eigen middelen alle uitgaven die voor de offerdienst nodig waren. 2MAK 3:4 Maar een zekere Simon uit de familie van Bilga, die tempeloverste was, kreeg onenigheid met de hogepriester over het toezicht op de markten in de stad. 2MAK 3:5 Omdat hij Onias niet voor zijn inzichten kon winnen, ging hij naar Apollonius van Tubi, die toen stadhouder was van Cele syrie en Fenicie. 2MAK 3:6 Hij vertelde hem, dat de schatkamer van de tempel in Jeruzalem gevuld was met onnoemelijke rijkdommen, waarvan het totaal niet te berekenen viel en in geen enkele verhouding stond tot wat er voor de offers nodig was; het was mogelijk dat dat geld ter beschikking van de koning kwam. 2MAK 3:7 In een onderhoud met de koning deelde Apollonius hem de inlichtingen mee die hem over het bestaan van die rijkdommen verstrekt waren. De koning liet daarop Heliodorus, zijn kanselier, komen en gaf hem opdracht genoemde rijkdommen in beslag te nemen. 2MAK 3:8 Onder voorwendsel de steden van Cele syrie en Fenicie te bezoeken, maar in feite om de wens van de koning ten uitvoer te brengen, begaf Heliodorus zich onmiddellijk op reis. 2MAK 3:9 Bij zijn aankomst in Jeruzalem werd hij door de hogepriester en de stad vriendelijk ontvangen. Daarna vertelde hij wat hij gehoord had en zette het doel van zijn komst uiteen. Op zijn vraag of zijn inlichtingen juist waren, 2MAK 3:10 legde de hogepriester hem uit dat het hier ging over het geld van weduwen en wezen, dat in bewaring gegeven was, 2MAK 3:11 en over het geld van Hyrkanus, de zoon van Tobia, iemand die een hoog aanzien genoot; in tegenstelling tot wat de goddeloze Simon voorgelogen had, bedroeg het totaal dat er aan zilver was, vierhonderd talenten, en aan goud tweehonderd. 2MAK 3:12 Overigens was het ontoelaatbaar mensen te benadelen die hun vertrouwen hadden gesteld op de heiligheid van deze plaats en op de eerbiedwaardigheid en onschendbaarheid van de tempel, die over de hele wereld een groot aanzien genoot. 2MAK 3:13 Daar stelde Heliodorus de opdracht die hij van de koning ontvangen had tegenover, en verklaarde dat het geld in ieder geval in de koninklijke schatkist moest gestort worden. 2MAK 3:14 Op de dag door hem bepaald ging Heliodorus de tempel in om een onderzoek betreffende die gelden in te stellen. Een grote angst had zich meester gemaakt van heel de stad. 2MAK 3:15 De priesters wierpen zich in hun heilige gewaden voor het brandofferaltaar ter aarde en zonden hun beden op naar de hemel, tot Hem die een wet had uitgevaardigd op bewaargeving, en smeekten Hem de goederen, die men aan de tempel had toevertrouwd, ongeschonden te bewaren. 2MAK 3:16 De aanblik van de hogepriester kon niemand onberoerd laten: zijn gelaatsuitdrukking en zijn bleke kleur spraken van de angst in zijn hart. 2MAK 3:17 Ten prooi aan een hevige ontsteltenis en bevend over zijn hele lichaam verried de man aan allen die hem zagen, hoezeer hij inwendig leed. 2MAK 3:18 In drommen stormden de mensen hun huizen uit om door een openbaar smeekgebed te voorkomen dat de tempel onteerd zou worden. 2MAK 3:19 Vrouwen in boetekleren, die onder de borst waren vastgemaakt, vulden de straten, meisjes die anders binnenshuis teruggetrokken leefden, liepen nu naar de poorten of de muren van de tempel of keken door de vensters naar buiten: 2MAK 3:20 zij strekten allen de handen ten hemel en baden. 2MAK 3:21 Het was deerniswekkend te zien hoe allen zonder onderscheid zich ter aarde wierpen en met welk een angstige bezorgdheid de hogepriester afwachtte wat er ging gebeuren. 2MAK 3:22 Terwijl zij tot de almachtige Heer baden, dat Hij de bezittingen die men aan de tempel had toevertrouwd, ongeschonden en veilig voor de eigenaars zou bewaren, 2MAK 3:23 ging Heliodorus ertoe over zijn besluit uit te voeren. 2MAK 3:24 Reeds bevond hij zich met zijn lijfwacht bij de schatkamer, toen dse Heer van alle geesten en machten op zo'n ontzagwekkende wijze verscheen, dat allen die het gewaagd hadden de tempel binnen te dringen, door Gods macht getroffen, alle kracht en moed verloren. 2MAK 3:25 Zij zagen een prachtig opgetuigd paard, bereden door een schrikwekkende ruiter; het dier stormde onstuimig vooruit en sloeg met zijn voorhoeven op Heliodorus. De ruiter schitterde in zijn gouden wapenrusting. 2MAK 3:26 Bovendien zag Heliodorus twee geweldig sterke jonge mannen, stralend van luister en prachtig gekleed; ze gingen aan weerszijden van hem staan en zonder ophouden geselden en ranselden ze hem. 2MAK 3:27 Plotseling stortte Heliodorus, door een dichte duisternis omvangen, ter aarde; men nam hem op en plaatste hem in een draagstoel. 2MAK 3:28 zojuist was die man met een groot gevolg en heel zijn lijfwacht doorgedrongen tot de voornoemde schatkamer en nu werd hij hulpeloos weggedragen door mensen die de macht van God openlijk erkenden. 2MAK 3:29 Terwijl hij door Gods kracht met stomheid geslagen en zonder enige hoop op behoud terneer lag, 2MAK 3:30 prezen de joden de Heer, die zijn tempel verheerlijkt had. En de tempel die kort te voren het toneel was geweest van angst en verwarring, galmde nu door de verschijning van de almachtige Heer, van kreten van blijdschap en vreugde. 2MAK 3:31 Enigen uit het gevolg van Heliodorus haastten zich naar Onias met het verzoek, dat hij de Allerhoogste zou smeken het leven te schenken aan de man die reeds op sterven lag. 2MAK 3:32 Bevreesd dat de koning zou kunnen vermoeden, dat de joden een aanslag op Heliodorus hadden gepleegd, droeg de hogepriester voor het herstel van de man een offer op. 2MAK 3:33 Terwijl nu de hogepriester het zoenoffer opdroeg, zag Heliodorus dezelfde jongemannen in dezelfde gewaden opnieuw en ze zeiden tot hem: 'U moet de hogepriester Onias uitermate erkentelijk zijn, want om zijnentwil schenkt de Heer u het leven. 2MAK 3:34 En nu u door de hemel getuchtigd bent, moet u aan iedereen de geweldige kracht van God verkondigen.' Na deze woorden verdwenen ze. 2MAK 3:35 Heliodorus bracht de Heer, die hem het leven gespaard had, een offer en deed Hem de heiligste beloften; hij nam afscheid van Onias en keerde met zijn leger naar de koning terug. 2MAK 3:36 Hij legde voor iedereen getuigenis af van de wonderwerken van de allerhoogste God, die hij met eigen ogen had aanschouwd. 2MAK 3:37 Toen de koning Heliodorus vroeg, wie hem het meest geschikt leek voor een nieuwe zending naar Jeruzalem, antwoordde hij: 2MAK 3:38 'Als u een vijand hebt of een oproermaker, stuur hem er dan heen; u krijgt hem afgeranseld terug, als hij het er tenminste levend afbrengt, want over die plaats waakt waarlijk een goddelijke macht. 2MAK 3:39 Hij die in de hemel woont, ziet nauwlettend toe op die tempel en beschermt hem; alwie er met boze bedoelingen komt, slaat Hij dood.' 2MAK 3:40 Dit was de geschiedenis van Heliodorus en van de redding van de tempelschat. 2MAK 4:1 Simon, van wie boven sprake was, verried niet alleen het geld, maar ook zijn vaderland. Hij belasterde Onias en beweerde dat hij het was geweest die die aanslag op Heliodorus had gepleegd en verantwoordelijk was voor het gestichte onheil. 2MAK 4:2 Hij schrok er niet voor terug de weldoener van de stad, de beschermer van zijn volksgenoten, de ijveraar voor de wet een oproermaker te noemen. 2MAK 4:3 De vijandschap liep zo hoog op dat door een van Simons aanhangers moorden werden gepleegd. 2MAK 4:4 Onias was er zich van bewust dat deze gespannen verhouding gevaarlijk was, temeer daar Apollonius, de zoon van Menesteus en de stadhouder van Cele syrie en Fenicie, het vijandig optreden van Simon steunde. 2MAK 4:5 Daarom begaf hij zich naar de koning, niet om zijn medeburgers aan te klagen, maar uit bezorgdheid voor de algemene en bijzondere belangen van heel het volk. 2MAK 4:6 Want hij zag in dat, zolang Simon zijn waanzinnig drijven niet zou staken, het herstel van de rust in het politiek bestel zonder de tussenkomst van de koning onmogelijk was. 2MAK 4:7 Na de dood van Seleukus nam Antiochus, bijgenaamd Epifanes, het bestuur van het koninkrijk in handen. Jason, de broer van Onias, had een ontmoeting met de nieuwe koning en wist op slinkse wijze het hogepriesterschap aan zich te trekken: 2MAK 4:8 hij beloofde de koning driehonderdzestig talenten zilver en verder tachtig talenten uit andere bronnen. 2MAK 4:9 Bovendien verplichtte hij zich om nog honderdvijftig talenten te betalen, als de koning hem machtigde op eigen gezag een atletiekschool te bouwen, een opleidingsinstituut voor jongeren op te richten en de inwoners van Jeruzalem de officiele benaming van Antiochenen te geven. 2MAK 4:10 De koning gaf zijn toestemming. Zodra Jason de macht in handen had, begon hij zijn volksgenoten naar Grieks model te hervormen. 2MAK 4:11 Hij schafte de voorrechten af, die de koningen welwillend aan de joden hadden geschonken, dank zij de bemoeiingen van Johannes, de vader van Eupolemus, die deel zou uitmaken van het gezantschap dat met de Romeinen vriendschapsbetrekkingen zou aanknopen en een bondgenootschap tot stand brengen; de door de wet bepaalde instellingen ontbond Jason om gebruiken in te voeren die ermee in strijd waren. 2MAK 4:12 Hij had er plezier in, juist aan de voet van de tempelberg een atletiekschool te bouwen en de beste jongeren een Griekse opleiding te geven en de efebenhoed te doen dragen. 2MAK 4:13 Door de verregaande schaamteloosheid van de goddeloze en onpriesterlijke Jason greep de vergrieksing zo om zich heen en ging de overname van uitheemse gebruiken zo ver, 2MAK 4:14 dat de priesters niet meer voelden voor de altaardienst. Ze minachtten de tempel en verwaarloosden de offers, maar ze haastten zich om hun diensten te verlenen aan het onwettige bedrijf in het worstelperk, zodra de oproep tot het discus werpen weerklonk. 2MAK 4:15 Ze stelden geen prijs op de ambten die bij de Grieken roemvol is. 2MAK 4:16 Door dat alles raakten ze in een jammerlijke toestand, want juist degenen, van wie ze de levenswijze trachtten over te nemen en die ze in alles wilden navolgen, werden hun vijanden en verdrukkers. 2MAK 4:17 Men schendt niet ongestraft de wet van God; het verloop van de gebeurtenissen zal dat bewijzen. 2MAK 4:18 Toen in Tyrus de vijfjaarlijkse spelen in tegenwoordigheid van de koning werden gehouden, 2MAK 4:19 zond de smerige Jason er als afgevaardigden van Jeruzalem Antiochenen heen met driehonderd drachmen zilver voor het offer aan Herakles. Omdat het naar het oordeel van de afgezanten niet paste dat het geld aan het offer besteed werd, gaven ze het een andere bestemming. 2MAK 4:20 Zo werd het geld, dat door de afzender bedoeld was als een bijdrage voor het offer aan Herakles, door toedoen van degenen die het overbrachten, gebruikt voor de bouw van galeien. 2MAK 4:21 Bij gelegenheid van de troonsbestijging van koning Filometor was Lonius, de zoon van Menesteus, in Egypte geweest om de koning te vertegenwoordigen. Van hem vernam Antiochus dat Filometor hem vijandig gezind was. Daarom ging hij maatregelen treffen voor de veiligheid van zijn rijk. Zodoende kwam hij in Joppe, vanwaaruit hij een bezoek bracht aan Jeruzalem. 2MAK 4:22 Hij werd door Jason en de stad luisterrijk ontvangen en hield er onder fakkellicht en toejuichingen zijn intocht. Daarop trok hij met zijn leger naar Fenicie. 2MAK 4:23 Drie jaar later zond Jason Menelaus, de broer van Simon, van wie boven reeds sprake was, naar de koning om de verschuldigde gelden af te dragen en de onderhandelingen over dringende landsbelangen af te wikkelen. 2MAK 4:24 Menelaus liet zich aan de koning voorstellen; hij bracht hem hulde en deed zich voor als een invloedrijk man. Door driehonderd talenten meer te bieden dan Jason wist hij het hogepriesterschap aan zich te trekken. 2MAK 4:25 Zo kwam die man, die in geen enkel opzicht het hogepriesterschap waardig was, maar als een wrede tiran aanvallen van woede had en te keer kon gaan als een wild dier, in het bezit van een koninklijke aanstelling in Jeruzalem aan. 2MAK 4:26 Aldus werd Jason, die zijn eigen broer onderkropen had, zelf het slachtoffer van de onderkruiperij van een ander en moest hij de vlucht nemen naar Ammon. 2MAK 4:27 Menelaus had nu de macht wel in handen, maar hij trof geen maatregelen om de koning het geld dat hij beloofd had te betalen, 2MAK 4:28 ondanks de aanmaningen van Sostratus, de bevelhebber van de burcht, die de belastingen moest innen. Daarom werden beiden door de koning ter verantwoording geroepen. 2MAK 4:29 Menelaus stelde zijn broer Lysimachus aan als plaatsvervangend hogepriester, Sostratus benoemde Krates, de bevelhebber van de Cyprioten, tot zijn plaatsvervanger. rmoord 2MAK 4:30 Juist op dit tijdstip kwamen Tarsus en Mallus in opstand, omdat die steden aan Antiochis, de bijzit van de koning, ten geschenke waren gegeven. 2MAK 4:31 In allerijl trok de koning er dus heen om de opstand te onderdrukken en liet Andronicus, een hoogwaardigheidsbekleder, als zijn plaatsvervanger achter. 2MAK 4:32 In de overtuiging dat de omstandigheden gunstig voor hem waren, verduisterde Menelaus gouden tempelvaten. Enige ervan schonk hij aan Andronicus, de overige wist hij te verkopen in Tyrus en omliggende steden. 2MAK 4:33 Over dit alles ontving Onias betrouwbare inlichtingen. Vanuit zijn vrijplaats in Dafne bij Antiochie, waar hij zich had teruggetrokken, protesteerde hij er heftig tegen. 2MAK 4:34 Het gevolg hiervan was dat Menelaus Andronicus in vertrouwen nam en hem wist over te halen om Onias uit de weg te ruimen. Andronicus begaf zich naar Onias. In het vertrouwen dat hij met een list in zijn opzet zou slagen begroette hij Onias vriendelijk en verzekerde hem onder ede van zijn goede bedoelingen. Ofschoon Onias argwaan koesterde, stemde hij er toch in toe zijn vrijplaats te verlaten. Nauwelijks had hij dat gedaan of hij werd door Andronicus gewetenloos omgebracht. 2MAK 4:35 Niet alleen de joden, maar ook vele andere bevolkingsgroepen waren verontwaardigd en ontdaan over de laaghartige moord op die man. 2MAK 4:36 Toen de koning dan ook uit Cilicie was teruggekeerd, kwamen de joden van Antiochie zich bij hem beklagen en ook de Grieken gaven hun afkeer te kennen over de wederrechtelijke wijze waarop Onias gedood was. 2MAK 4:37 Antiochus was pijnlijk getroffen en diep ontroerd; de herinnering aan Onias' bezonnenheid en zelftucht bewoog hem tot tranen. 2MAK 4:38 In woede ontstoken nam hij Andronicus onmiddellijk zijn purper af, scheurde hem de kleren van het lijf, liet de moordenaar door de hele stad rondvoeren en op dezelfde plaats, waar hij zich aan Onias vergrepen had, terecht stellen. Zo kreeg hij van de Heer zijn verdiende straf. 2MAK 4:39 Door Lysimachus werd, met goedvinden van Menelaus, de tempel van Jeruzalem van veel gouden vaatwerk beroofd. Toen dat bekend werd, liep het volk tegen Lysimachus te hoop. 2MAK 4:40 Deze bewapende ongeveer drieduizend man en liet die onder aanvoering van een zekere Auranus, even dom als oud, charges uitvoeren tegen de opgewonden en woedende menigte. 2MAK 4:41 Zodra die zagen dat Lysimachus hen liet aanvallen, grepen ze stenen, stukken hout en handenvol straatvuil en wierpen dat in het wilde weg naar de mannen van Lysimachus, 2MAK 4:42 van wie er velen verwondingen opliepen en enkelen zelfs gedood werden. Zo joegen ze hen op de vlucht; de tempelrover zelf sloegen ze dood bij de schatkamer. 2MAK 4:43 Naar aanleiding van deze gebeurtenissen spande men tegen Menelaus een proces aan. 2MAK 4:44 De koning kwam naar Tyrus en drie afgevaardigden van de raad der oudsten bepleitten hun zaak. 2MAK 4:45 Toen Menelaus zag, dat hij de rechtszaak ging verliezen, beloofde hij aan Ptolemeus, de zoon van Dorymenes, een grote som gelds, als hij de koning wist om te praten. 2MAK 4:46 Onder het voorwendsel dat de koning wat frisse lucht moest scheppen, leidde Ptolemeus hem naar een zuilengang en had zo de kans om hem van mening te doen veranderen. 2MAK 4:47 Het gevolg was dat Menelaus, die verantwoordelijk was voor al het kwaad dat gesticht was, werd vrijgesproken, maar de ongelukkigen, die zelfs door de Skyten vrijgesproken zouden zijn, werden ter dood veroordeeld. 2MAK 4:48 Mannen die voor de stad, voor het volk en voor de heilige vaten waren opgekomen, werden zonder uitstel en in strijd met alle recht gestraft. 2MAK 4:49 De inwoners van Tyrus waren hierover zo verontwaardigd dat ze de slachtoffers een grootse begrafenis gaven. 2MAK 4:50 Zo dankte Menelaus het behoud van zijn waardigheid aan de hebzucht van de machtigen. Hij groeide in boosheid en was de grote belager van zijn eigen landgenoten. 2MAK 5:1 In de tijd dat Antiochus zijn tweede veldtocht tegen Egypte ondernam, 2MAK 5:2 gebeurde het dat men ongeveer veertig dagen lang overal in de stad verschijningen had van ruiters die in gouddoorstikte gewaden en met lansen gewapend korpsgewijze door de lucht trokken. 2MAK 5:3 Men zag eskadrons, in slagorde opgesteld, op elkaar instormen en charges uitvoeren met zwaaiende schilden en massa's speren; zwaar den werden getrokken en pijlen afgeschoten; en bij dat alles fonkelden de gouden versierselen van de ruiters, die in allerlei harnassen waren gestoken. 2MAK 5:4 Iedereen bad dat de verschijning iets goeds mocht voorspellen. 2MAK 5:5 Op het valse gerucht dat Antiochus gestorven zou zijn verzamelde Jason niet minder dan duizend man en deed onverhoeds een aanval op de stad. Op de muren raakte men handgemeen, maar tenslotte werd de stad ingenomen en Menelaus moest de burcht in vluchten. 2MAK 5:6 Jason richtte een meedogenloze slachting aan onder zijn eigen medeburgers, zonder te bedenken dat een overwinning op volksgenoten behaald, de zwaarste nederlaag was; hij behandelde zijn eigen volk als moest hij een blijvende zege behalen op zijn vijand. 2MAK 5:7 Toch slaagde hij er niet in de macht in handen te krijgen; zijn plan mislukte schandelijk en hij moest opnieuw de vlucht nemen naar Ammon. 2MAK 5:8 Daarmee was aan zijn misdadig leven een einde gekomen. Aretas, de vorst van de Arabieren, hield hem in verzekerde bewaring; hij wist te ontsnappen en vluchtte van stad naar stad; door allen vervolgd, gehaat als een afvallige van de wet en veracht als de beul van zijn volk en vaderland, werd hij voortgejaagd naar Egypte. 2MAK 5:9 Tenslotte vluchtte hij naar Sparta, waar hij op grond van zijn verwantschap bescherming hoopte te vinden. Zo stierf de man, die zovelen uit hun land had verbannen, zelf in den vreemde; 2MAK 5:10 hij die zoveel lijken onbegraven had laten weggooien, had niemand die over hem treurde en hem de laatste eer bewees; hij kreeg geen plaats in het graf van zijn voorvaderen. 2MAK 5:11 Toen de koning ter ore kwam wat er in Jeruzalem gebeurd was, meende hij dat Judea in opstand was gekomen. Woedend als een wild dier trok hij uit Egypte op en nam Jeruzalem gewapenderhand in. 2MAK 5:12 Aan zijn soldaten gaf hij bevel allen te doden, zowel degenen die ze tegenkwamen als degenen die zich in de bovenkamer van hun huis hadden teruggetrokken. 2MAK 5:13 Jong en oud werden gedood, vrouwen en kinderen vermoord, meisjes en zuigelingen omgebracht. 2MAK 5:14 In drie dagen tijds maakte men er tachtigduizend slachtoffers: veertigduizend vielen ten prooi aan het zwaard en een even groot aantal werd als slaaf verkocht. 2MAK 5:15 Daarmee nog niet tevreden, waagde de koning het de heiligste tempel van de hele wereld binnen te dringen, onder geleide van Menelaus, de verrader van de wet en van zijn vaderland. 2MAK 5:16 Met zijn onreine vingers nam hij het heilig vaatwerk en met zijn ongewijde handen sleepte hij de wijgeschenken weg, waarmee andere koningen de luister en glorie van de heilige plaats verhoogd hadden. 2MAK 5:17 Voor dergelijke daden van overmoed schrok Antiochus niet terug, omdat hij niet wist dat de Heer vanwege de zonden van de bewoners van de stad, voor korte tijd in toorn was ontstoken en dat Hij daarom de heilige plaats aan haar lot had overgelaten. 2MAK 5:18 Waren ze niet in zoveel zonden verstrikt geweest, dan zou ook hij op het ogenblik zelf dat hij de tempel binnendrong, met geselslagen van zijn vermetel voornemen zijn afgebracht, evengoed als Heliodorus, die door koning Seleukus was gezonden om een onderzoek naar de tempelschat in te stellen. 2MAK 5:19 Maar de Heer heeft het volk niet uitgekozen om de heilige plaats, maar de heilige plaats om het volk. 2MAK 5:20 Daarom moest ook de tempel delen in de rampen die het volk troffen, zoals hij later deelgenoot zou zijn van de zegeningen; nu liet de Almachtige hem in zijn toorn in de steek, maar eenmaal verzoend, zou de grote Heerser hem in al zijn glorie herstellen. 2MAK 5:21 Eerder dan men verwacht had, vertrok Antiochus met achttienhonderd talenten die hij uit de tempel had geroofd, naar Antiochie. In zijn trots en overmoed verbeeldde hij zich, dat hij het land bevaarbaar en de zee begaanbaar kon maken. 2MAK 5:22 Voor zijn vertrek stelde hij gouverneurs aan om het volk te kwellen. In Jeruzalem was het Filippus, van afkomst een Frygier, van aard een nog groter barbaar dan de man die hem had aangesteld; 2MAK 5:23 op de berg Gerizzim Andronicus, en als ergste van allen heerste Menelaus over zijn medeburgers. Gedreven door een vijandige gezindheid jegens de joden, 2MAK 5:24 zond Antiochus Apollonius, de aanvoerder van de huurtroepen uit Mysie, met een leger van tweeëntwintigduizend man naar Jeruzalem en gaf hem bevel alle volwassen mannen te doden en de vrouwen en kinderen als slaven te verkopen. 2MAK 5:25 Bij zijn aankomst speelde Apollonius de vredelievende. Hij wachtte tot de heilige sabbatdag, waarop de joden rust hielden, en riep toen zijn manschappen op voor een gewapend appel. 2MAK 5:26 De joden die de stad uitgekomen waren om dit schouwspel te zien, liet hij neerslaan, daarna drong hij met de wapens in de hand de stad binnen en doodde een grote massa mensen. 2MAK 5:27 Intussen was Judas de Makkabeeër met nog negen anderen de woestijn ingetrokken en als de wilde dieren leefde hij met zijn mannen in de bergen. Om geen onreinheid op te lopen voedden ze zich uitsluitend met kruiden. 2MAK 6:1 Niet lang daarna zond de koning een oude Athener, die de joden moest dwingen de wet van hun voorvaderen te verloochenen en zich niet meer te houden aan de geboden van God. 2MAK 6:2 Hij had opdracht de tempel van Jeruzalem te ontheiligen door hem toe te wijden aan Zeus Olympius; de tempel op de berg Gerizzim moest hij, overeenkomstig het karakter van de bewoners van die plaats, toewijden aan Zeus Xenius. 2MAK 6:3 Het om zich heen grijpen van het kwaad viel zelfs de grote massa van het volk zwaar en het ergerde zich erover. 2MAK 6:4 In de tempel vierden de heidenen liederlijke en uitgelaten feesten, zij maakten er plezier met courtisanen, hielden in de heilige voorhoven gemeenschap met vrouwen en brachten er allerlei dingen binnen die er niet mochten zijn. 2MAK 6:5 Het brandofferaltaar lag vol met slachtoffers die met de heilige gebruiken in strijd waren en door de wet waren verboden. 2MAK 6:6 Het was niet langer geoorloofd de sabbat te onderhouden, de voorvaderlijke feesten te vieren, in een woord een belijdend jood te zijn. 2MAK 6:7 Met geweld werd men gedwongen deel te nemen aan de offermaaltijd, die maandelijks op de geboortedag van de koning werd gehouden; op het feest van Dionysus moest men met klimop omkranst meedoen in de op tocht ter ere van Dionysus. 2MAK 6:8 Op aanraden van Ptolemeus werd besloten dat de naburige Griekse steden met betrekking tot de joden dezelfde gedragslijn zouden volgen en dat ze de joden aan de offermaaltijden zouden laten deelnemen; 2MAK 6:9 degenen die weigerden de Griekse gewoonten over te nemen, moesten worden gedood. Het was toen duidelijk dat de joden veel lijden te wachten stond. 2MAK 6:10 Zo werden twee vrouwen opgebracht, die hun kinderen hadden besneden. Men hing ze de zuigelingen aan de borst, voerde ze aan de spot van het volk ten prooi door de stad en wierp ze toen van de stadsmuur naar beneden. 2MAK 6:11 Anderen waren in dichtbij de stad gelegen grotten samengekomen om in het geheim de sabbat te vieren. Ze werden aan Filippus verraden en deze liet ze levend verbranden; uit eerbied voor de heiligheid van de sabbat durfden ze zich niet te verdedigen. 2MAK 6:12 Allen die dit boek in handen krijgen verzoek ik zich niet te ergeren aan deze rampspoed, maar te bedenken dat deze bestraffing niet de ondergang, maar de verbetering van ons volk ten doel had. 2MAK 6:13 Het is een bewijs van grote welwillendheid, als God de zondaars niet lang ongemoeid laat, maar ze spoedig tuchtigt. 2MAK 6:14 Terwijl de Heer bij de andere volken met de bestraffing lankmoedig wacht tot ze de maat van hun zonden hebben volgemaakt, doet Hij dat niet met ons. 2MAK 6:15 Als Hij onze zonden tot het uiterste liet voortwoekeren, zou zijn bestraffing te laat komen. 2MAK 6:16 Maar Hij wil ons zijn barmhartigheid nooit onthouden en daarom is het feit dat Hij zijn volk tuchtigt met rampen, een teken dat Hij het niet in de steek laat. 2MAK 6:17 Na dit in enkele woorden in herinnering te hebben geroepen, gaan we nu weer verder met ons verhaal. 2MAK 6:18 Eleazar, een van de voornaamste schriftgeleerden, een man op jaren en een indrukwekkende verschijning, werd gedwongen varkensvlees te eten. 2MAK 6:19 Maar hij verkoos een roemvolle dood boven een besmeurd leven: hij ging vrijwillig naar de pijnbank, 2MAK 6:20 zo gaf hij een voorbeeld dat men moedig moet navolgen, door spijzen te weigeren, waarvan het genot niet door de liefde voor het leven gewettigd kan worden. 2MAK 6:21 Degenen die belast waren met de leiding bij dat afschuwelijke offermaal, namen Eleazar, die een oude bekende van hen was, ter zijde en spoorden hem aan vlees te halen dat hij eten mocht; hij zou het zelf klaar kunnen maken, als hij maar deed alsof hij at van het offervlees, dat door de koning was voorgeschreven. 2MAK 6:22 Deed hij dat, dan zou hij niet gedood worden, maar op grond van hun oude vriendschap vriendelijk worden bejegend. 2MAK 6:23 Maar hij nam een nobel besluit, zijn leeftijd waardig en passend bij het aanzien dat zijn ouderdom hem gaf, bij de adel van zijn grijze haren, die hij met ere droeg, bij het voorbeeldig leven dat hij van zijn jeugd af geleid had, een besluit dat bovenal in overeenstemming was met de heilige wet, door God zelf gegeven, en verklaarde zonder enige aarzeling dat men hem maar naar het dodenrijk moest sturen. 2MAK 6:24 Want, zo zei hij, op onze leeftijd past het niet te huichelen. Veel jonge mannen zouden dan geloven dat de negentigjarige Eleazar de zeden van de heidenen had aangenomen; 2MAK 6:25 en door mijn huichelarij, waardoor ik mijn leven een heel klein beetje kan verlengen, zouden zij op een dwaalspoor worden gebracht en daar ik voor die dwaling verantwoordelijk zou zijn, zou ik schande en smaad brengen over mij n oude dag. 2MAK 6:26 En al ontkom ik voor het ogenblik aan een bestraffing door de mensen, nooit, het zij levend of dood, ontkom ik aan de hand van de Almachtige. 2MAK 6:27 Daarom geef ik er de voorkeur aan nu moedig van dit leven afscheid te nemen; dan toon ik mij mijn ouderdom waardig 2MAK 6:28 en laat ik de jongeren een edel voorbeeld na van hoe men vrijwillig en fier kan sterven voor de eerbiedwaardige en heilige wet.' Na deze woorden ging hij naar de pijnbank. 2MAK 6:29 Degenen die hem zo juist nog welwillend gezind waren, voer den hem nu vol haat naar de folterplaats, daar wat hij gezegd had in hun ogen krankzinnig was. 2MAK 6:30 Voordat Eleazar onder de slagen bezweek, verzuchtte hij: 'De Heer weet in zijn heilige wijsheid, dat ik aan de dood kon ontkomen; en al lijd ik in mijn lichaam door de geseling gruwelijke pijnen, in mijn ziel voel ik vreugde dit alles uit eerbied voor Hem te ondergaan.' 2MAK 6:31 Zo stierf hij en liet door zijn dood niet alleen aan de jongeren, maar ook aan het grootste deel van het volk een voorbeeld na van edele gezindheid en onvergetelijke deugd. 2MAK 7:1 Ook zeven broers werden met hun moeder aangehouden en op bevel van de koning sloeg men ze met roeden en riemen om ze zo te dwingen het verboden varkensvlees te eten. 2MAK 7:2 Een van hen vroeg de koning in aller naam: 'Wat verlangt u van ons en wat wilt u van ons weten? We sterven liever dan de wet van onze voorvaderen te overtreden.' 2MAK 7:3 In woede ontstoken gaf de koning bevel om pannen en ketels heet te stoken. 2MAK 7:4 Zodra die gloeiend waren, liet hij hun woordvoerder de tong afsnijden, de huid van het hoofd afstropen en handen en voeten afhakken voor de ogen van zijn broers en zijn moeder. 2MAK 7:5 Toen liet hij hem, geheel verminkt maar nog levend, naar het vuur brengen en in de pan braden. Terwijl de walm uit de pan zich ver verspreidde, moedigden de overige broers en hun moeder elkaar aan om heldhaftig te sterven. Ze zeiden: 2MAK 7:6 'God de Heer ziet neer op ons en zal zich zeker over ons ontfermen, zoals Mozes het verklaard heeft in het lied waarin hij openlijk tegen Israël getuigt: Hij zal zich over zijn dienaren ontfermen.' 2MAK 7:7 Toen de eerste zo gestorven was, ging men de tweede folteren. Zij stroopten hem de huid met haren en al van het hoofd en vroegen hem: 'Wil je eten in plaats van lid voor lid over heel je lichaam gepijnigd te worden?' 2MAK 7:8 Hij antwoordde in zijn moedertaal: 'Neen!' Daarom kreeg ook hij achtereenvolgens dezelfde martelingen te verduren. 2MAK 7:9 Alvorens te sterven zei hij nog: 'Jij, ontaarde booswicht, ontneemt ons nu wel het leven, maar de Koning van de wereld zal ons, die voor zijn wet sterven, opwekken tot een eeuwig leven.' 2MAK 7:10 Na hem werd de derde gemarteld. Op verzoek van de beul stak hij onmiddellijk zijn tong uit en onverschrokken bood hij ook zijn handen aan. 2MAK 7:11 Fier zei hij: 'Van de hemel heb ik ze gekregen, maar omwille van Gods wet doe ik er gaarne afstand van, in de hoop ze eens van Hem terug te krijgen.' 2MAK 7:12 Zelfs de koning en zijn gevolg waren verbaasd over de moed van de jonge man, die zich om de pijnen niet bekreunde. 2MAK 7:13 Toen deze gestorven was, pijnigden en folterden ze de vierde op dezelfde wijze. 2MAK 7:14 De dood nabij zei hij: 'De door door de handen van mensen wordt begerenswaardig door de hoop die God ons geeft, dat Hij ons weer doet opstaan; maar voor u zal er geen verrijzenis ten leven zijn.' 2MAK 7:15 Vervolgens haalde men de vijfde en martelde hem. 2MAK 7:16 Hij vestigde zijn ogen op de koning en zei: 'Ofschoon u een sterfelijk mens bent, hebt u de macht om met de mensen te doen wat u wilt. Maar denk niet dat God ons volk in de steek laat. 2MAK 7:17 Heb maar geduld, dan zult u getuige zijn hoe zijn geweldige kracht u en uw nakomelingen zal kastijden.' 2MAK 7:18 Na hem bracht men de zesde. Stervende zei die: 'Maar u geen illusies; wijzelf zijn de oorzaak van ons lijden; omdat wij tegen onze God hebben gezondigd, gebeuren deze verbijsterende dingen. 2MAK 7:19 Maar verbeeld u niet, dat u ongestraft blijft, nu u het gewaagd hebt de strijd met God aan te binden.' 2MAK 7:20 Buitengewoon bewonderenswaardig was de moeder en haar nagedachtenis verdient in ere te blijven. Zij zag haar zeven zonen op een dag sterven, maar hield moedig stand, omdat zij op de Heer vertrouwde. 2MAK 7:21 Bezield met edele gevoelens moedigde zij ieder van hen in hun moedertaal aan. Haar vrouwelijke gevoeligheid hardde ze met mannelijke moed en sprak tot hen: 2MAK 7:22 'Ik weet niet hoe jullie in mijn schoot gevormd zijn; niet ik heb jullie de levensadem geschonken, niet ik heb de bestanddelen waaruit ieder van jullie bestaat, tot een harmonisch geheel geordend, 2MAK 7:23 maar de schepper van de wereld: Hij bewerkt het ontstaan van de mens, zoals Hij van alles de oorsprong is. Hij zal jullie in zijn barmhartigheid de levensadem teruggeven, omdat jullie omwille van zijn wet jezelf nu niet spaart.' 2MAK 7:24 Antiochus meende dat de vrouw op hem smaalde en hij verdacht haar van beledigende taal. Daarom trachtte hij haar jongste zoon, de enige die nog in leven was, niet alleen met vermanende woorden over te halen de voorvaderlijke zeden te verloochenen, maar hij beloofde ook onder ede, dat hij hem rijk en gelukkig zou maken, dat hij hem zou opnemen onder zijn vrienden en hem het beheer van staatszaken zou toevertrouwen. 2MAK 7:25 Toen de jongen daar in het geheel geen aandacht aan schonk, riep de koning de moeder en spoorde haar aan het ventje aan zijn verstand te brengen, dat het om zijn welzijn ging. 2MAK 7:26 Daar hij er bij haar met klem op aandrong, stemde zij er tenslotte in toe haar zoon te overtuigen. 2MAK 7:27 Zij boog zich naar hem toe en de spot drijvend met de wrede despoot, zei ze tot hem in hun moedertaal: 'Kind, heb medelijden met mij. Ik heb je negen maanden in mijn schoot gedragen, je drie jaar gevoed en je gekoesterd en opgevoed tot de jongen die je nu bent. 2MAK 7:28 Ik smeek je, mijn kind, beschouw de hemel en de aarde met al wat ze bevatten en bedenk dat God dit alles uit het niet gemaakt heeft en dat ook het menselijk geslacht op dezelfde wijze is ontstaan. 2MAK 7:29 Wees niet bang voor die beul, maar toon je je broers waardig en aanvaard de dood, dan zal ik je met je broers terugkrijgen op de dag dat God zich over ons ontfermt.' 2MAK 7:30 Nauwelijks had zij dit gezegd, of de jongen riep uit: 'Waar wacht u op? Ik gehoorzaam niet aan het bevel van de koning: ik gehoorzaam aan wat de wet beveelt, die door Mozes aan onze voorvaderen gegeven is. 2MAK 7:31 U bent de oorzaak van heel de rampspoed die de Hebreeërs treft, maar u zult niet ontkomen aan de hand van God. 2MAK 7:32 Het is waar dat we door onze eigen zonden ons dit lijden op de hals hebben gehaald; 2MAK 7:33 maar al toont de levende God een ogenblik zijn toorn door ons te tuchtigen en terecht te wijzen, toch zal Hij zich weer met zijn dienaars verzoenen. 2MAK 7:34 Maar jij, gemene schurk, hebt geen reden om trots te zijn en je te vleien met ijdele verwachtingen, nu je de hand slaat aan Gods dienaars; 2MAK 7:35 je bent het oordeel van de almachtige en alziende God nog niet ontlopen! 2MAK 7:36 Na een kortstondig lijden is aan mijn broers krachtens Gods verbond het eeuwig leven ten deel gevallen; maar jij zult voor je hoogmoed bij het oordeel van God je verdiende straf ontvangen. 2MAK 7:37 Evenals mijn broers geef ik mijn lichaam en leven prijs uit eerbied voor de wet van onze voorvaderen en ik smeek God, dat Hij zich spoedig over ons volk ontfermt en dat Hij jou door kwellingen en plagen dwingt te bekennen, dat Hij alleen God is. 2MAK 7:38 Moge door mij en mijn broers de toorn van de Almachtige, die terecht tegen heel ons volk is ontbrand, bedaren.' 2MAK 7:39 In woede ontstoken en gegriefd door de hoon hem aangedaan, liet de koning de jongen nog wreder martelen dan de anderen. 2MAK 7:40 Zo stierf ook hij met een rein geweten en in groot vertrouwen op de Heer. 2MAK 7:41 Na haar zonen stierf tenslotte ook de moeder. 2MAK 7:42 Hiermee is genoeg gezegd over de offermaaltijden en de buitensporige wreedheden. 2MAK 8:1 Judas de Makkabeeër en zijn getrouwen gingen in het geheim de dorpen af, deden een beroep op hun verwanten en op allen die het jodendom trouw waren gebleven en brachten zo ongeveer zesduizend man bij elkaar. 2MAK 8:2 Ze smeekten de Heer, dat Hij zou neerzien op het volk dat van alle kanten in het nauw werd gebracht, en zich zou ontfermen over de tempel die door de goddelozen was ontwijd; 2MAK 8:3 dat Hij medelijden zou tonen met de stad, die haar ondergang tegemoet ging en gevaar liep met de grond te worden gelijk gemaakt. Ze smeekten Hem te luisteren naar het vergoten bloed, dat tot Hem om wraak riep, 2MAK 8:4 de gruwelijke dood te gedenken van onschuldige kinderen en het lasteren van zijn naam te bestraffen. 2MAK 8:5 De toorn van de Heer verkeerde in barmhartigheid, en de Makkabeeër werd met zijn leger een macht waar de heidenen niet tegenop konden. 2MAK 8:6 Onverwachts overviel hij steden en dorpen en stak ze in brand en door het innemen van gunstige stellingen slaagde hij erin tal van vijanden op de vlucht te jagen. 2MAK 8:7 Voor zijn overvallen koos hij bij voorkeur de nacht. De faam van zijn dapperheid verspreidde zich alom. 2MAK 8:8 Toen Filippus zag, dat de man in korte tijd een geduchte tegenstander was geworden en, door het krijgsgeluk aangemoedigd, steeds fellere aanvallen ging doen, verzocht hij Ptolemeus, de stadhouder van Cele syrie en Fenicie, schriftelijk in het belang van de koning hulp te zenden. 2MAK 8:9 Deze ontbood onmiddellijk Nikanor, de zoon van Patroklus en een van de voornaamste vrienden van de koning en zond hem aan het hoofd van niet minder dan twintigduizend man, samengebracht uit verschillende volken, naar Judea om heel het joodse volk uit te roeien. Bovendien stelde hij hem Gorgias terzijde, een veldheer met grote krijgservaring. 2MAK 8:10 Nikanor rekende erop, uit de verkoop van joodse krijgsgevangenen de tweeduizend talenten te kunnen voldoen die de koning aan de Romeinen als schatting verschuldigd was. 2MAK 8:11 Hij nodigde daarom terstond de kuststeden uit om joodse slaven te komen kopen en beloofde negentig stuks te zullen leveren voor een talent. Hij vermoedde daarbij niet, dat de straf van de Almachtige hem weldra zou treffen. 2MAK 8:12 Het bericht dat Nikanor in aantocht was kwam Judas ter ore. Toen hij zijn mannen in kennis stelde van de komst van het leger, 2MAK 8:13 namen de vreesachtigen en degenen die niet durfden vertrouwen op Gods gerechtigheid de vlucht en zochten een veilig heenkomen. 2MAK 8:14 De overigen verkochten wat ze nog bezaten en smeekten de Heer hen te redden uit de handen van de goddeloze Nikanor, die hen reeds verkocht had voor de strijd begonnen was. 2MAK 8:15 Als zij niet verdienden gered te worden, dat God hen dan redde omwille van het verbond dat Hij met hun voorvaderen gesloten had, en omwille van zijn heilige en verheven naam, die over hen was uitgeroepen. 2MAK 8:16 De Makkabeeër verzamelde zijn troepen ten getale van zesduizend man en spoorde ze aan niet bang te zijn voor de vijand of angst te krijgen voor de grote massa heidenen, die zonder schijn van recht tegen hen oprukten, maar dapper te strijden; 2MAK 8:17 ze moesten de schandelijke ontwijding van de heilige plaats, door de heidenen bedreven, voor ogen houden, de gruwelen in de geteisterde stad geschied en de afschaffing van de voorvaderlijke gebruiken. 2MAK 8:18 En hij vervolgde: 'Zij steunen op hun wapens en hun stoutmoedigheid, maar wij vertrouwen op de almachtige God, die niet alleen dit leger dat ons aanvalt, maar heel de wereld met een wenk kan vernietigen.' 2MAK 8:19 Daarbij herinnerde hij hen aan de hulp, die hun voorvaderen hadden ondervonden: hoe onder Sanherib honderdvijfentachtigduizend man waren omgekomen, 2MAK 8:20 hoe in de strijd tegen de Galaten in Babylonie een leger van slechts achtduizend man dank zij de hulp uit de hemel honderdtwintigduizend man versloeg, waardoor het vierduizend in het nauw gedreven Macedoniers bevrijdde en rijke buit behaalde. 2MAK 8:21 Op deze wijze moedigde hij zijn mannen zozeer aan, dat ze bereid waren voor de wet en het vaderland hun leven te geven. Daarna verdeelde hij zijn leger in vier afdelingen, 2MAK 8:22 en stelde zijn broers Simon, Johannes en Jonatan, ieder over een afdeling van vijftienhonderd man, als aanvoerders aan. 2MAK 8:23 Vervolgens liet hij Eleazar een passage uit het heilige boek voorlezen en gaf als wapenkreet: 'Met Gods hulp!' Zelf nam hij de leiding van de eerste afdeling en bond de strijd met Nikanor aan. 2MAK 8:24 Omdat de Almachtige hun bondgenoot was, sloegen ze van de vijand meer dan negenduizend man neer, verwondden en verminkten het merendeel van Nikanors soldaten en joegen zijn leger op de vlucht. 2MAK 8:25 Het geld van de lui, die gekomen waren om hen op te kop en, maakten ze buit. Ze achtervolgden de vijand geruime tijd, maar het gevorderde uur dwong hen terug te keren, 2MAK 8:26 want het was de vooravond van de sabbat; daarom konden ze de achtervolging niet langer voortzetten. 2MAK 8:27 Nadat ze de wapens en de bezittingen van de vijand hadden buitgemaakt, gingen ze de sabbat vieren. Uitbundig prezen en loofden ze de Heer, die hen die dag had gered en daarmee was begonnen hun weer zijn barmhartigheid te tonen. 2MAK 8:28 Na de sabbat gaven ze een deel van de buit aan degenen die hadden geleden door de vervolging, aan de weduwen en wezen; de rest verdeelden ze onder elkaar en onder hun kinderen. 2MAK 8:29 Daarna baden ze gezamenlijk tot de barmhartige Heer en smeekten Hem zich geheel met zijn dienaars te verzoenen. 2MAK 8:30 Ze raakten ook slaags met de legers van Timoteus en Bakchides, doodden meer dan twintigduizend man en maakten zich dapper meester van hoog ommuurde vestingen. Ze verdeelden de overvloedige buit in twee gelijke delen en bestemden het ene deel voor henzelf, het andere voor de slachtoffers van de vervolging, voor de wezen en weduwen en ook voor de bejaarden. 2MAK 8:31 De buitgemaakte wapens brachten ze zorgvuldig op geschikte plaatsen bijeen. De rest van de buit namen ze mee naar Jeruzalem. 2MAK 8:32 Ze doodden de bevelhebber van Timoteus' leger, een schurk die de joden veel kwaad berokkend had. 2MAK 8:33 Gedurende de overwinningsfeesten in de hoofdstad verbrandden ze degenen, die de poorten van de tempel in brand hadden gestoken en die met Kallistenes in hetzelfde huis gevlucht waren. Hij kreeg het verdiende loon voor zijn goddeloze daad. 2MAK 8:34 De aartsbooswicht Nikanor, die duizend kooplui had laten komen om de joden op te kopen, 2MAK 8:35 werd met de hulp van de Heer juist door dat volk vernederd, dat hij als het onbeduidendste had beschouwd. Hij moest zijn prachtige uitrusting afleggen en eenzaam als een weggelopen slaaf vluchtte hij dwars door het land. Zo bereikte de man, wiens grootste succes bestond in de ondergang van zijn leger, Antiochie. 2MAK 8:36 Hij had op zich genomen uit de verkoop van de krijgsgevangenen uit Jeruzalem de schatting aan de Romeinen te betalen. Nu moest hij verkondigen, dat de joden iemand hadden die voor hen opkwam en dat ze onkwetsbaar waren, omdat ze gehoorzaamden aan de wet die Hij hun had opgelegd. 2MAK 9:1 Juist in diezelfde tijd moest Antiochus uit Perzie wegvluchten. 2MAK 9:2 Hij was namelijk een stad binnengedrongen, die Persepolis genoemd wordt, en had gepoogd de tempel te plunderen en de stad in zijn macht te krijgen. Maar het volk had naar de wapens gegrepen en was tot de aanval overgegaan. Antiochus werd teruggeslagen. Zo kwam het dat hij door de bewoners van die streek op de vlucht gedreven werd en roemloos de terugtocht moest aanvaarden. 2MAK 9:3 Toen hij in de buurt van Ekbatana was, vernam hij wat er gebeurd was met Nikanor en het leger van Timoteus. 2MAK 9:4 In woede ontstoken vatte hij het plan op, om de joden te laten boeten voor de smaad, hem aangedaan door het volk dat hem op de vlucht had gejaagd. Hij gaf zijn wagenmenner daarom bevel zonder onderbreking door te rijden en de weg zo snel mogelijk af te leggen. Maar het vonnis van de hemel haalde hem in. In zijn trots had hij gezegd: 'Zodra ik in Jeruzalem ben, maak ik van die stad een begraafplaats van joden.' 2MAK 9:5 De Heer die alles ziet, de God van Israël, sloeg hem met een ongeneeslijke en onbekende kwaal. Want nauwelijks had hij die woorden gezegd of hij voelde in zijn ingewanden een gruwelijke pijn en kreeg hevige inwendige smarten. 2MAK 9:6 Dat was zijn verdiende loon, omdat hij anderen met allerlei doortrapte folteringen in de ingewanden had gepijnigd. 2MAK 9:7 Toch volhardde hij in zijn overmoed. Van trots vervuld, spuwde hij in zijn woede vuur en vlam tegen de joden en beval nog sneller te rijden. Terwijl ze met onstuimige vaart voortreden, viel hij opeens van de wagen en werd zo ongelukkig tegen de grond gesmakt, dat al zijn ledematen ontzet waren. 2MAK 9:8 De man die zoeven nog in zijn bovenmenselijke verwaandheid gemeend had de golven van de zee te kunnen bevelen en zich verbeeld had hoge bergen op een schaal te kunnen wegen, moest nu van de grond worden opgeraapt en in een draagstoel worden gezet. Zo was hij een sprekend bewijs van Gods macht. 2MAK 9:9 Het werd zo erg met hem dat de wormen uit zijn ogen kropen en onder vreselijke pijnen van zijn levend lichaam het vlees in stukken afviel. Zijn rottend lichaam verspreid de zo'n stank dat heel het leger er last van had. 2MAK 9:10 Bij de man die pas nog gemeend had de sterren des hemels te kunnen grijpen, kon niemand het meer uithouden door de ondraaglijke stank. 2MAK 9:11 Eerst toen hij lichamelijk gebroken was, begon hij zijn buitensporige hoogmoed af te leggen; door Gods tuchtiging elk ogenblik ten prooi aan hevige pijnen kwam hij tot inzicht. 2MAK 9:12 Toen hij tenslotte zijn eigen stank niet meer kon verdragen, zei hij: 'Een sterfelijk mens moet zich aan God onderwerpen en zich niet zijn gelijke wanen.' 2MAK 9:13 En de booswicht beloofde in zijn gebed aan de Heer, die zich niet meer over hem zou ontfermen, 2MAK 9:14 dat hij de heilige stad, waarheen hij ijlings op weg was gegaan om ze met de grond gelijk te maken en in een begraafplaats te veranderen, de vrijheid zou schenken; 2MAK 9:15 de joden, die hij zelfs geen begrafenis waardig gekeurd had en die hij met hun kinderen als aas voor de roofvogels en wilde dieren had willen werpen, zou hij dezelfde rechten geven als de burgers van Athene bezaten; 2MAK 9:16 de heilige tempel, die hij vroeger had geplunderd, zou hij met de prachtigste wijgeschenken versieren, alle heilige vaten ruimschoots vergoeden en de ongedekte kosten, verbonden aan de offerdienst, zou hij voor zijn rekening nemen; 2MAK 9:17 bovendien beloofde hij jood te worden en de hele bewoonde wereld rond te zullen trekken, om Gods macht te verkondigen. 2MAK 9:18 Maar de pijnen minderden in het geheel niet, want Gods rechtvaardig vonnis werd aan hem voltrokken. In zijn wanhoop schreef hij de joden de volgende brief, die de vorm van een smeekschrift had. Hij luidde aldus: 2MAK 9:19 'Aan de joden, wakkere burgers, wenst de koning en veldheer Antiochus vreugde, gezondheid en voorspoed. 2MAK 9:20 Als het u en uw kinderen goed gaat en alles bij u naar wens verloopt, breng ik God daarvoor mijn innige dank, want op de hemel is hoop gevestigd. 2MAK 9:21 Ik lig nu ziek te bed en denk met liefde terug aan de blijken van hoogachting en welwillendheid, die ik van u heb ontvangen. Toen ik bij mijn terugkeer uit Perzie door een zware ziekte werd overvallen, vond ik het noodzakelijk maatregelen te treffen die de algemene belangen veilig stellen. 2MAK 9:22 Zulks niet omdat ik wanhoop aan mijn genezing; ik heb zelfs de beste verwachtingen dat ik deze ziekte te boven zal komen. 2MAK 9:23 Maar ik heb het voorbeeld van mijn vader voor ogen. Telkens als hij een veldtocht ondernam naar de landen aan de overzijde van de Eufraat, wees hij zijn opvolger aan. 2MAK 9:24 Dan hoefde men zich in het rijk geen zorgen te maken, als er onverwacht iets mocht gebeuren of verontrustende dingen gemeld zouden worden, omdat men wist aan wie het bestuur was toevertrouwd. 2MAK 9:25 Bovendien is het mij niet ontgaan, dat de vorsten van de landen die aan mijn koninkrijk grenzen, de ontwikkeling der gebeurtenissen volgen en op het gunstige ogenblik wachten. Daarom heb ik mijn zoon Antiochus als koning aangewezen. Ik heb hem reeds meermalen tijdens mijn tochten in de provincies aan de overzijde van de Eufraat vol vertrouwen bij de meesten van u aanbevolen. Ik heb hem een brief geschreven, waarvan ik de inhoud hieronder laat volgen. 2MAK 9:26 Ik verzoek u derhalve dringend de weldaden, die ik u in het algemeen of ieder van u in het bijzonder heb bewezen, indachtig te blijven en in uw goede gezindheid jegens mij en mijn zoon te volharden. 2MAK 9:27 Ik ben ervan overtuigd, dat hij mijn wensen zal eerbiedigen en een milde en menslievende houding tegenover u zal aannemen.' 2MAK 9:28 De moordenaar en godslasteraar, die anderen verschrikkelijk had doen lijden, stierf zelf, ten prooi aan de gruwelijkste pijnen, een ellendige dood ergens in de bergen van een vreemd land. 2MAK 9:29 Filippus, zijn vertrouweling, bracht het lijk over. Uit vrees voor de zoon van Antiochus ging hij naar Egypte, waar hij Ptolemeus Filometor zijn diensten aanbood. 2MAK 10:1 De Makkabeeër en zijn mannen namen met de hulp van de Heer bezit van de tempel en de stad. 2MAK 10:2 De altaren, die de heidenen op de markt hadden opgericht, en de heilige hoven vernielden ze. 2MAK 10:3 Ze reinigden de tempel en bouwden een nieuw brandofferaltaar. Uit stenen sloegen ze vuur en ontstaken daarmee het eerste offer, dat ze na een onderbreking van twee jaar weer konden opdragen; zij brandden wierook, verzorgden de lampen en legden weer toonbroden neer. 2MAK 10:4 Daarna wierpen ze zich ter aarde en smeekten de Heer, dat Hij hen voortaan voor zulke rampen zou sparen; zouden ze ooit weer zondigen, dat Hij hen dan genadig zou straffen, maar niet meer overleveren aan goddeloze en barbaarse heidenen. 2MAK 10:5 De tempelreiniging had plaats op de vijfentwintigste van de maand Kislew, dezelfde dag als waarop hij door de heidenen ontwijd was. 2MAK 10:6 Vol vreugde vierden ze acht dagen lang feest, zoals dit voor het loofhuttenfeest gebruikelijk is. Ze dachten daarbij terug aan het loofhuttenfeest, dat ze kortgeleden gevierd hadden, toen ze nog als wilde dieren in grotten in de bergen huisden. 2MAK 10:7 Daarom droegen ze met loof versierde stokken, groene takken en palmen en zongen lofliederen ter ere van Hem, die hun plan om zijn tempel te reinigen had doen slagen. 2MAK 10:8 Bij algemene verordening en volksbesluit werd voor heel het joodse volk bepaald, dat de dagen van de tempelreiniging jaarlijks gevierd zouden worden. 2MAK 10:9 Dat waren de omstandigheden waaronder Antiochus, bijgenaamd Epifanes, gestorven is. 2MAK 10:10 Nu gaan we spreken over de gebeurtenissen onder Antiochus Eupator, de zoon van die goddeloze Antiochus. Daarbij zullen we het verhaal van de ellende, die door de oorlogen veroorzaakt is, kort samenvatten. 2MAK 10:11 Toen Antiochus de regering had overgenomen, vertrouwde hij de behartiging van de belangen van het rij toe aan een zekere Lysias en hij benoemde Protarchus tot stadhouder van Cele syrie en Fenicie. 2MAK 10:12 Na al het onrecht, dat de joden was aangedaan, was Ptolemeus, bijgenaamd Makron, de eerste die hun recht wilde laten wedervaren; hij trachtte hun aangelegenheden op vreedzame wijze te regelen. 2MAK 10:13 Op grond daarvan werd hij door enige vrienden van de koning bij Eupator aangeklaagd; bovendien werd hij bij elke gelegenheid uitgemaakt voor een verrader, omdat hij het eiland Cyprus, dat hem door Filometor was toevertrouwd, verlaten had en naar Antiochus Epifanes was overgelopen. Hij slaagde er niet meer in zijn hoge waardigheid eervol uit te oefenen en maakte door vergif een einde aan zijn leven. 2MAK 10:14 Toen Gorgias bevelhebber van deze landen was geworden, nam hij huursoldaten in dienst en greep elke gelegenheid aan om de oorlog tegen de joden gaande te houden. 2MAK 10:15 Tegelijkertijd vielen ook de Idumeeën, die in het bezit waren van gunstig gelegen vestingen, de joden lastig; ze namen degenen die uit Jeruzalem verdreven waren op en probeerden de oorlog op gang te houden. 2MAK 10:16 De aanhangers van de Makkabeeër smeekten God in een gemeenschappelijk gebed hun bondgenoot te zijn en trokken op de vestingen van de Idumeeën af. 2MAK 10:17 Door een krachtige aanval kregen ze de stellingen in handen, sloegen allen die vanaf de muren streden terug en brachten allen die hun in handen vielen om het leven; ze doodden niet minder dan twintigduizend man. 2MAK 10:18 Minstens negenduizend man hadden hun toevlucht gezocht in twee zeer sterke torens, die van alles waren voorzien om een belegering te kunnen doorstaan. 2MAK 10:19 De Makkabeeër vertrouwde de belegering van deze torens toe aan Simon, die hij met Jozef, Zacheus en een voldoend aantal soldaten daar achter liet, om zelf naar plaatsen te gaan waar de nood hoger was. 2MAK 10:20 Maar de soldaten van Simon waren hebzuchtig en lieten zich door enkele belegerden omkopen; voor de som van zeventigduizend drachmen lieten ze er een aantal van hen ontsnappen. 2MAK 10:21 Toen de Makkabeeër dat hoorde, riep hij de aanvoerders van het leger bijeen en beschuldigde hen dat zij hun broeders voor geld hadden verkocht door vijanden, die tegen hen de wapens hadden opgenomen, te laten ontsnappen. 2MAK 10:22 Hij liet degenen die dat verraad gepleegd hadden terechtstellen. Daarna maakte hij zich onmiddellijk van de twee torens meester. 2MAK 10:23 Hij behaalde met zijn wapenen een volledig succes en doodde in de torens meer dan twintigduizend man. 2MAK 10:24 Timoteus, die vroeger door de joden verslagen was, had een groot leger van buitenlandse soldaten aangeworven en veel Aziatische paarden; hij viel Judea binnen om het gewapenderhand te veroveren. 2MAK 10:25 Toen hij in aantocht was, richtten de Makkabeeër en zijn mannen gebeden tot God, strooiden as op hun hoofd en omgordden hun leden met boetekleren. 2MAK 10:26 Ze wierpen zich neer aan de voet van het altaar en smeekten God, dat Hij zich over hen zou ontfermen en volgens de woorden van de wet de vijand van hun vijanden en de verdrukker van hun verdrukkers zou zijn. 2MAK 10:27 Na hun gebed namen ze hun wapens, trokken ver van de stad weg en hielden eerst halt, toen ze in de nabijheid van de vijand waren. 2MAK 10:28 Met het krieken van de dag gingen de twee legers tot de aanval over. Als waarborg voor het succes van de overwinning had de ene partij behalve dapperheid haar vertrouwen op God, de andere daarentegen verliet zich op haar strijdlust. 2MAK 10:29 In het heetst van de strijd zagen de vijanden hoe vanuit de hemel vijf prachtige uitgedoste mannen, gezeten op paarden met gouden teugels, de leiding namen van het joodse leger. 2MAK 10:30 Ze namen de Makkabeeër in hun midden, beschermden hem met hun wapens en zorgden ervoor dat hij niet gewond werd; op de vijanden schoten zij bliksemschichten af, waardoor die verblind werden en in grote verwarring geraakten. 2MAK 10:31 Twintigduizendvijfhonderd man voetvolk en zeshonderd ruiters werden gedood. 2MAK 10:32 Timoteus zelf vluchtte naar een zeer sterke vesting, Gezer genaamd, waarover Chereas het bevel voerde. 2MAK 10:33 De Makkabeeër en zijn mannen belegerden in een opgewekte stemming vier dagen lang de vesting, 2MAK 10:34 terwijl de belegerden in blind vertrouwen op de sterkte van de stad godslasteringen en andere ergerlijke taal uitbraakten. 2MAK 10:35 Bij het aanbreken van de vijfde dag bestormden twintig jonge mannen uit het leger van de Makkabeeër, brandend van woede over de godslasteringen, onverschrokken en verbeten als leeuwen de muur en sloegen allen neer die hun in de weg kwamen. 2MAK 10:36 Een tweede groep deed in een afleidingsmanoeuvre eveneens een aanval op de bezetting, legde het vuur aan de torens en stak opgestapeld hout in brand, zodat de godslasteraars door de vlammen levend verteerd werden. Een derde groep sloeg de poorten stuk en zo kon de rest van het leger naar binnen trekken en de stad bezetten. 2MAK 10:37 Timoteus, die zich in een put verborgen hield, doodden ze, alsook zijn broer Chereas en Apollofanes. 2MAK 10:38 Na deze krijgsverrichtingen prezen ze met lof en dankliederen de Heer, die Israël zulke weldaden bewezen had en hun de overwinning had geschonken. 2MAK 11:1 Lysias, de voogd en bloedverwant van de koning, die met het bestuur van het rijk belast was, was zeer ontstemd over het verloop van de gebeurtenissen in Judea. 2MAK 11:2 Hij bracht ongeveer tachtigduizend man voetvolk en heel zijn ruiterij bijeen en trok heel kort na wat boven verhaald is, op tegen de joden, met de bedoeling van Jeruzalem een Griekse stad te maken, 2MAK 11:3 de tempel op dezelfde wijze als de heiligdommen van de andere volken te belasten en de hogepriesterlijke waardigheid jaarlijks aan de meest biedende te verlenen. 2MAK 11:4 Daarbij hield hij volstrekt geen rekening met de macht van god, maar had het volste vertrouwen in zijn duizenden ruiters en zijn tachtig olifanten. 2MAK 11:5 Hij viel Judea binnen, trok naar Bet sur, een versterkte plaats, ongeveer honderdvijftig stadien van Jeruzalem verwijderd, en belegerde het. 2MAK 11:6 Toen de Makkabeeër en zijn mannen vernamen dat Lysias het beleg om de vestingen had geslagen, smeekten ze tezamen met het volk onder zuchten en tranen de Heer, dat Hij zijn goede engel zou zenden om Israël te redden. 2MAK 11:7 Daarop greep de Makkabeeër het eerst van allen naar de wapens en spoorde de anderen aan, om met hem het gevaar te trotseren en hun broeders te helpen. Vol moed braken ze samen op. 2MAK 11:8 Ze waren nog niet ver van Jeruzalem, toen ze een in het wit geklede ruiter zagen, die met een gouden zwaard en schild zwaaide en zich aan hun hoofd stelde. 2MAK 11:9 Eenstemmig prezen ze toen de barmhartige God; ze voelden zich zo sterk, dat ze in staat waren niet alleen mensen, maar ook de wildste dieren neer te slaan en ijzeren muren omver te lopen. 2MAK 11:10 In slagorde trokken ze op, vergezeld van de hemelse bondgenoot, die Gods barmhartigheid hun had gegeven. 2MAK 11:11 Als leeuwen stormden ze op de vijand in, sloegen elfduizend man voetvolk en zestienhonderd ruiters neer en dreven de overigen op de vlucht. 2MAK 11:12 Het merendeel van degenen die zich wisten te redden, was gewond en was de wapens kwijt geraakt; ook Lysias zelf had tot zijn schande zijn heil in de vlucht moeten zoeken. 2MAK 11:13 Maar Lysias was geen onverstandig man. Hij dacht na over de nederlaag die hij geleden had en begreep dat de Hebreeën onoverwinnelijk waren, omdat de almachtige God hun bondgenoot was. Hij zond dus een gezantschap 2MAK 11:14 om ze over te halen vrede met hen te sluiten, waartoe hij elke billijke voorwaarde wilde aanvaarden; met dat doel zou hij ook druk uitoefenen op de koning om hun vriend te worden. 2MAK 11:15 De Makkabeeër stemde met alle voorstellen van Lysias in, omdat hij meende dat zulks in het belang van de joden was; van zijn kant willigde de koning alle joodse eisen in, die de Makkabeeër schriftelijk aan Lysias had voorgelegd. 2MAK 11:16 De brief van Lysias aan de joden luid de als volgt: 'Lysias aan de joodse gemeenschap. Heil u! 2MAK 11:17 Uw afgevaardigden Johannes en Absalom hebben het door u ondertekende stuk aan mij overhandigd en mij verzocht de dingen die erin vermeld worden, toe te staan. 2MAK 11:18 De punten die ter kennis van de koning gebracht moesten worden, heb ik hem meegedeeld en wat aanvaardbaar was heeft hij ingewilligd. 2MAK 11:19 Als u volhardt in uw welwillende houding met betrekking tot de belangen van het rijk, zal ik ook in de toekomst mijn best doen om uw welzijn te bevorderen. 2MAK 11:20 Zowel uw afgevaardigden als de mijne heb ik opdracht gegeven alles punt voor punt met u te bespreken. 2MAK 11:21 Vaarwel! In het jaar honderdachtenveertig, de vierentwintigste dag van de maand Dioskorintios.' 2MAK 11:22 De brief van de koning luidde aldus: 'Koning Antiochus aan zijn broeder Lysias. Heil u! 2MAK 11:23 Het is mijn wil dat alle onderdanen zich ongestoord aan hun belangen kunnen wijden. Nadat mijn vader onder de goden is opgenomen, 2MAK 11:24 hebben wij vernomen dat de joden er niet in toestemmen om tot de Griekse zeden over te gaan, zoals mijn vader dat van hen gevraagd heeft, maar dat ze aan hun eigen levenswijze de voorkeur geven en daarom om de erkenning van hun wet verzoeken. 2MAK 11:25 Omdat het ons verlangen is, dat ook dit volk ongestoord zijn leven kan leiden, bepalen wij dat de tempel aan hen wordt teruggegeven en dat zij hun leven kunnen inrichten volgens de zeden van hun voorvaderen. 2MAK 11:26 U doet er dus goed aan, hun dit te laten weten en hun de hand te reiken. Na kennisneming van ons besluit zullen ze zich weer vol goede moed en met plezier wijden aan de behartiging van hun eigen belangen.' 2MAK 11:27 De brief van de koning aan het volk luidde aldus: 'Koning Antiochus aan de raad der oudsten en overige joden. Heil u! 2MAK 11:28 Als het u welgaat, zijn onze wensen vervuld. Wij zelf maken het goed. 2MAK 11:29 Menelaus heeft ons in kennis gesteld van uw verlangen om u weer aan uw eigen belangen te wijden. 2MAK 11:30 Welnu, de joden die voor de dertigste Xantikus naar hun huis terugkeren, krijgen de verzekering, 2MAK 11:31 dat ze hun eigen spijswetten en voorschriften mogen volgen zoals vroeger. Geen van hen zal op enigerlei wijze worden lastig gevallen om zijn vroegere tekortkomingen. 2MAK 11:32 Tegelijkertijd zend ik Menelaus naar u toe, die u zal geruststellen. 2MAK 11:33 Vaarwel! In het jaar honderd achtenveertig, de vijftiende dag van de maand Xantikus.' 2MAK 11:34 Ook de Romeinen zonden aan de joden een brief, met de volgende inhoud: 'Quintus Memmius en Titus Manius, gezanten aan de Romeinen, aan het volk der joden. Heil u! 2MAK 11:35 Wij gaan akkoord met hetgeen Lysias, de bloedverwant van de koning, u heeft toegestaan. 2MAK 11:36 Maar u moet nader overleg plegen over de zaken die hij gemeend heeft aan de koning te moeten voorleggen, en ons daarvan onmiddellijk in kennis stellen; dan kunnen we op passende wijze voor uw belangen opkomen, want we zijn op weg naar Antiochie. 2MAK 11:37 Zend daarom met spoed enkele mannen om ons van uw zienswijze op de hoogte te stellen. 2MAK 11:38 Vaarwel! In het jaar honderdachtenveertig, de vijfentwintigste dag van de maand Xantikus.' 2MAK 12:1 Na het sluiten van dit verdrag keerde Lysias naar de koning terug en gingen de joden zich weer toeleggen op de landbouw. 2MAK 12:2 Maar van de legeraanvoerders, die in dat gebied hun standplaats hadden, gunden Timoteus en Apollonius, de zoon van Genneus, Hieronymus, Demofon en vooral Nikanor, de bevelhebber van de huurtroepen uit Cyprus, de joden rust noch duur. 2MAK 12:3 De inwoners van Joppe bedreven de volgende schurkenstreek. Ze nodigden de joden die in Joppe woonden uit om met vrouw en kinderen aan boord te gaan van enige gereedliggende boten. Daar ze ogenschijnlijk geen kwaad in het schild voerden, 2MAK 12:4 maar uitvoering gaven aan een besluit, genomen door de gehele bevolking van de stad, namen de joden, die niets liever dan vrede wilden en geen argwaan koester den, de uitnodiging aan. Toen ze in volle zee waren liet men de boten zinken met de ongeveer tweehonderd joden die aan boord waren. 2MAK 12:5 Toen Judas hoorde van het rauwe schelmstuk dat men met zijn volksgenoten had uitgehaald, stelde hij zijn mannen ervan in kennis. 2MAK 12:6 Hij riep God, de rechtvaardige rechter, aan en rukte tegen de moordenaars van zijn broeders op. Hij stak des nachts de haven in brand, gaf de schepen aan de vlammen prijs en doodde allen die er hun toevlucht hadden gezocht. 2MAK 12:7 Omdat de stad zelf een eigen omwalling bezat, trok hij af met het plan om terug te komen en heel de bevolking van Joppe uit te roeien. 2MAK 12:8 Op het bericht dat ook de inwoners van Jamnia iets dergelijks wilden doen met de joden in hun stad, 2MAK 12:9 deed Judas ook op Jamnia een nachtelijke overval en stak de haven met de vloot in brand; de vuurgloed was tot in Jeruzalem, dus op een afstand van tweehonderdveertig stadien, te zien. 2MAK 12:10 Vandaar wilden de joden een veldtocht te gen Timoteus ondernemen. Ze hadden ongeveer negen stadien afgelegd, toen ze door een Arabisch leger van minstens vijfduizend man voetvolk en vijfhonderd ruiters werden aangevallen. 2MAK 12:11 Na een hevige strijd behaalde Judas met zijn leger, dank zij Gods hulp, de overwinning. De verslagen nomaden smeekten Judas hun de hand te reiken; ze beloofden hem vee te leveren en de joden ook op andere wijze van dienst te zijn. 2MAK 12:12 Daar Judas van oordeel was dat ze hem werkelijk in veel opzichten van nut konden zijn, stemde hij erin toe vrede met hen te sluiten. Hij reikte hun de hand, waarna zij naar hun tenten terugtrokken. 2MAK 12:13 Vervolgens viel Judas een stad aan, die de naam Kaspin droeg, achter aarden wallen verschanst en van ringmuren voorzien. Er woonde een gemengde bevolking. 2MAK 12:14 Vertrouwend op hun sterke muren en hun voorraad levensmiddelen namen de belegerden een onbeschofte houding aan tegenover de soldaten van Judas; ze dreven de spot met hem, lasterden God en sloegen afschuwelijke taal uit. 2MAK 12:15 Judas en zijn soldaten riepen de grote Heer van de wereld aan, die ten tijde van Jozua zonder stormrammen en belegeringswerktuigen de muren van Jericho had neergehaald, en bestormden als leeuwen de muren. 2MAK 12:16 Ze slaagden erin de stad te veroveren, omdat God dat wilde; ze richtten zulk een onbeschrijfelijk bloedbad aan, dat het bij de stad gelegen meertje, dat twee stadien breed was, met bloed gevuld scheen. 2MAK 12:17 Vandaar kwamen ze na een mars van zevenhonderdenvijftig stadien bij Charax, bij de joden in het gebied van Tobia. 2MAK 12:18 Timoteus troffen ze in dat gebied niet aan: hij was onverrichter zake vandaar weggetrokken; wel had hij op een bepaald punt een zeer sterke bezetting achtergelaten. 2MAK 12:19 Dositeus en Sosipater, twee veldheren van de Makkabeeër, trokken daar op af en doodden de meer dan tienduizend man, die Timoteus in de vesting gelegerd had. 2MAK 12:20 De Makkabeeër zelf verdeelde zijn leger in afdelingen, stelde er bevelhebbers over aan en trok op tegen Timoteus, die een leger had van honderdtwintigduizend man voetvolk en vijfentwintighonderd ruiters. 2MAK 12:21 Toen Timoteus vernam dat Judas tegen hem optrok, zond hij de vrouwen en kinderen en overtollige bagage onmiddellijk naar Karnion; die plaats was namelijk moeilijk te veroveren en slecht toegankelijk, omdat de wegen erheen nauw waren. 2MAK 12:22 Maar toen de eerste afdeling van Judas zich vertoonde, werden de vijanden door de verschijning van Hem die alles ziet, zo door angst en schrik bevangen, dat ze op de vlucht sloegen en in de ontstane verwarring elkaar verwondden of zelfs met hun zwaard doorstaken. 2MAK 12:23 Judas zette een heftige achtervolging in en sloeg de booswichten neer; hij doodde ongeveer dertigduizend man. 2MAK 12:24 Timoteus zelf viel de troepen van Dositeus en Sosipater in handen. Listig spiegelde hij hun voor, dat hij de ouders of broers van velen van hen in zijn macht had en dreigde dat het die slecht zou vergaan, als ze hem niet ongedeerd lieten vertrekken. 2MAK 12:25 Toen hij hen na veel gepraat overtuigd had, dat hij zich verplichtte hun verwanten gezond en wel vrij te zullen laten, lieten ze hem gaan, om zodoende hun broeders te redden. 2MAK 12:26 Judas trok op naar Karnion, waar het heiligdom van Atargatis stond en doodde er vijfentwintigduizend man. 2MAK 12:27 Na de nederlaag en ondergang van deze vijanden trok Judas met zijn leger naar de versterkte stad Efron, waar Lysanias zijn residentie had. Een leger van sterke jonge kerels stond voor de muren opgesteld en weerde zich dapper, binnen de stad lag een grote voorraad oorlogswerktuigen en projectielen. 2MAK 12:28 Maar de joden riepen de Heerser aan, die met sterke hand de macht van de vijand verbrijzelt, en veroverden de stad. Zij doodden ongeveer vijfentwintigduizend inwoners. 2MAK 12:29 Vandaar rukten ze op naar Skytopolis, dat zeshonderd stadien van Jeruzalem ligt. 2MAK 12:30 Maar de joden, die daar woonden, getuigden dat de inwoners van Skytopolis hun welwillend gezind waren en dat ze hen in moeilijke tijden goed hadden behandeld. 2MAK 12:31 Judas en zijn mannen dankten hen daarvoor en deden een beroep op hen om ook in de toekomst hun volk welgezind te blijven. Omdat het wekenfeest op handen was, keerden ze naar Jeruzalem terug. 2MAK 12:32 Na het zogenaamde Pinksterfeest rukten ze uit tegen Gorgias, de stadhouder van Idumea. 2MAK 12:33 Deze trok hun tegemoet met drieduizend man voetvolk en vierhonderd ruiters. 2MAK 12:34 Tijdens de strijd sneuvelde er een klein aantal joden. 2MAK 12:35 Maar een zekere Dositeus, een kloeke ruiter uit het korps van Bakenor, kreeg Gorgias bij zijn mantel te pakken. Reeds sleepte hij die vervloekte kerel met geweld mee in een poging om hem levend gevangen te nemen, toen en Tracische ruiter op Dositeus losstormde en hem de arm afhieuw. Zo kon Gorgias naar Maresa ontsnappen. 2MAK 12:36 Toen de soldaten van Esdris door de langdurige strijd uitgeput raakten, smeekte Judas de Heer zich hun bondgenoot en aanvoerder te tonen. 2MAK 12:37 Daarna hief hij met luider stem in zijn moedertaal de wapenkreet aan en zette een loflied in. Door een onverhoedse stormloop joeg hij de soldaten van Gorgias op de vlucht. 2MAK 12:38 Judas trok zijn leger samen en ging naar de stad Adullam. Daar de sabbat aanbrak, reinigden ze zich naar gebruik en vierden daar de sabbat. 2MAK 12:39 De volgende dag wijdden Judas en zijn mannen zich aan de dringende taak de lijken van de gevallenen te bergen en ze bij hun verwanten in hun familiegraf bij te zetten. 2MAK 12:40 Daarbij ontdekte men onder de kleren van al de gevallenen amuletten van de afgoden van Jamnia, dingen dus die de joden volgens de wet niet mogen bezitten. Toen was het voor allen duidelijk, waarom ze gesneuveld waren. 2MAK 12:41 Allen prezen de Heer, de rechtvaardige rechter, die het verborgene aan het licht brengt. 2MAK 12:42 Maar ze baden en smeekten ook, dat de zonde, door de gevallenen bedreven, geheel mocht worden vergeven. De edele Judas vermaande het volk zich van zonde vrij te houden; met eigen ogen hadden ze bij de gevallenen de gevolgen van de zonde kunnen aanschouwen. 2MAK 12:43 Daarna hield hij onder zijn soldaten een inzameling die tweeduizend drachmen zilver opbracht. Hij zond dat geld naar Jeruzalem voor een zondeoffer. Dat was een mooie en edele daad, ingegeven door de gedachte aan de verrijzenis. 2MAK 12:44 Want als hij niet gehoopt had, dat de gevallenen zouden verrijzen, dan was het nutteloos en dwaas geweest voor de overledenen te bidden. 2MAK 12:45 Bovendien overwoog hij, dat voor degenen die godvruchtig ontslapen een heerlijke beloning is weggelegd; inderdaad een heilige en vrome gedachte! Daarom liet hij voor de overledenen een zoenoffer opdragen, opdat ze van hun zonde zouden worden vrijgesproken. 2MAK 13:1 In het jaar honderdnegenenveertig vernamen Judas en zijn mannen, dat Antiochus Eupator met een groot leger tegen Judea optrok. 2MAK 13:2 Hij was vergezeld van zijn voogd Lysias, die met het bestuur van het rijk belast was. Zij beschikten over een Grieks leger van honderdtienduizend man voetvolk, drieënvijftighonderd ruiters, tweeëntwintig olifanten en driehonderd wagens met zeisen aan de wielen. 2MAK 13:3 Menelaus had zich bij hen aangesloten en stijfde op sluwe wijze Antiochus in zijn voornemen. Want hij bekommerde zich niet om het welzijn van zijn vaderland, maar hoopte zo in zijn waardigheid te worden hersteld. 2MAK 13:4 Maar door de beschikking van de Koning der koningen ontstak Antiochus in toorn tegen de schurk: toen Lysias aantoonde dat hij de oorzaak was van heel de ellende, gaf Antiochus bevel hem naar Berea te voeren om hem daar volgens plaatselijk gebruik terecht te stellen. 2MAK 13:5 In Berea staat namelijk een vijftig el hoge toren, die gevuld is met as en voorzien van een trechtervormige bovenbouw die steil in de as uitmondt. 2MAK 13:6 Tempelrovers en andere grote misdadigers worden naar boven gebracht en in de trechter gestort; zo komen ze aan hun einde. 2MAK 13:7 Op die wijze stierf ook de goddeloze Menelaus. Hij werd niet in de aarde begraven. 2MAK 13:8 En terecht! Want hij had veel misdaden bedreven tegen het altaar, waarvan het vuur en de as heilig zijn. Daarom vond hij ook in de as de dood. 2MAK 13:9 Met barbaarse bedoelingen rukte de koning op naar Judea, vastbesloten de joden heel wat erger te behandelen dan zijn vader het gedaan had. 2MAK 13:10 Toen Judas dat hoorde, spoorde hij het volk aan dag en nacht de Heer te smeken, dat Hij hun nu weer, evenals vorige keren, zijn bijstand zou verlenen 2MAK 13:11 daar zij gevaar liepen beroofd te worden van de wet, hun vaderland en de tempel, en dat Hij niet zou toelaten dat het volk, dat sinds kort weer op adem begon te komen, de goddeloze heidenen in handen zou vallen. 2MAK 13:12 Allen deden dat eensgezind; ter aarde liggend richtten ze onder tranen en vasten drie dagen lang onafgebroken hun smeekbeden tot de barmhartige Heer. Daarop sprak Judas hun moed in en beval hun zich voor de strijd gereed te houden. 2MAK 13:13 In een afzonderlijk overleg met oudsten besloot hij met de hulp van de Heer uit te rukken en de strijd te beslissen nog voordat het leger van de koning Judea was binnengevallen om zich van Jeruzalem meester te maken. 2MAK 13:14 De uitslag van de strijd overlatend aan de Schepper van de wereld, spoorde hij zijn mannen aan om dapper op leven of dood te strijden voor de wet, de tempel, de stad en hun vaderland met al zijn instellingen. In de omgeving van Modein sloeg Judas zijn legerkamp op. 2MAK 13:15 Na zijn soldaten de wapenkreet' God overwint' te hebben gegeven, koos hij de dapperste jongemannen uit om een nachtelijke overval uit te voeren op de tent van de koning. In het kamp doodden ze ongeveer tweeduizend man en velden de grootste olifant met de bemanning, die zich in zijn toren bevond. 2MAK 13:16 Nadat ze zo schrik en verwarring in het legerkamp hadden gezaaid, trokken ze tenslotte 2MAK 13:17 bij het krieken van de dag zegevierend af. De overval was geslaagd dank zij de bescherming die de Heer aan Judas verleende. 2MAK 13:18 Nu de koning een voorproef had gekregen van de dapperheid van de joden, trachtte hij met list de vestingsteden in handen te krijgen. 2MAK 13:19 Hij trok op naar Bet sur, een sterke joodse vesting, maar werd teruggeslagen; hij deed een nieuwe aanval, die eveneens mislukte. 2MAK 13:20 Intussen wist Judas de belegerden van al het nodige te voorzien. 2MAK 13:21 Maar een joodse soldaat, Rodokus geheten, verried het geheim aan de vijand. Hij werd betrapt, gegrepen en terechtgesteld. 2MAK 13:22 Toen de koning voor de tweede maal onderhandelingen aanknoopte met de bewoners van Bet sur en hun de hand reikte, namen zij die aan. Hij trok af 2MAK 13:23 en viel het leger van Judas aan, maar werd verslagen. Toen de koning vernam, dat Filippus, aan wie hij de behartiging van de aangelegenheden van het rijk in Antiochie had toevertrouwd, hem ontrouw was geworden, nodigde hij in zijn verbijstering de joden uit vrede te sluiten. Hij aanvaardde hun rechtmatige eisen en bevestigde onder ede zich eraan te zullen houden. De verzoening werd bekrachtigd door een offer dat hij liet opdragen in de tempel, waarvoor hij zijn eerbied betuigde. Hij toonde zijn welwillendheid jegens de heilige plaats en 2MAK 13:24 ontving zelfs de Makkabeeër. Hegemonides liet hij achter als stadhouder over het gebied dat zich uitstrekt van Ptolemais tot Gerar. 2MAK 13:25 Toen de koning in Ptolemais kwam, toonden de inwoners van die stad zich hevig verontwaardigd over het verdrag met de joden en wilden dat het ongedaan gemaakt zou worden. 2MAK 13:26 Lysias beklom het spreekgestoelte en verdedigde de overeenkomst zo goed hij kon. Hij slaagde erin het volk te kalmeren, te overtuigen en milder te stemmen. Daarna keerde hij naar Antiochie terug. Zo verliepen de opmars en de aftocht van de koning. 2MAK 14:1 Drie jaar later hoorden Judas en zijn mannen, dat Demetrius, de zoon van Seleukus, met een sterk leger en een vloot de haven van Tripolis was binnengevaren, 2MAK 14:2 zich van het land had meester gemaakt en Antiochus en diens voogd Lysias gedood had. 2MAK 14:3 Er was toen een zekere Alkimus, die reeds eerder hogepriester was geweest, maar die zich ten tijde van de opstand vrijwillig besmet had. Omdat hij begreep dat voor hem alle kansen verkeken waren en dat hij nooit meer tot het heilig brandofferaltaar zou kunnen opgaan, 2MAK 14:4 begaf hij zich in het jaar honderdeenenvijftig naar koning Demetrius en bood hem een gouden krans aan, een palmtak en bovendien enkele olijftakken, naar het gebruik van de tempel van Jeruzalem. Daartoe beperkte hij zich die dag. 2MAK 14:5 Maar hij kreeg de gelegenheid om zijn waanzinnig plan ten uitvoer te brengen, toen de koning hem in de vergadering van zijn raad ontbood en hem vroeg naar de gezindheid en plannen van de joden. Alkimus gaf op die vraag het volgende antwoord: 2MAK 14:6 'De joden die Chasideeën worden genoemd en onder leiding staan van Judas de Makkabeeër, sturen steeds weer aan op oorlog en opstand en laten het koninkrijk niet tot welvaart komen. 2MAK 14:7 Dat is de reden waarom ik, beroofd van de waardigheid die mij erfrechtelijk toekomt, ik bedoel het hogepriesterschap, hierheen ben gekomen. 2MAK 14:8 Op de eerste plaats ben ik oprecht bezorgd voor de belangen van de koning, maar vervolgens gaat ook het welzijn van mijn landgenoten mij ter harte, want door het domme drijven van genoemde mannen heeft heel ons volk veel te verduren. 2MAK 14:9 Nu u van al deze dingen op de hoogte bent, koning, moge ik u verzoeken in het belang van het land en ons onderdrukte volk maatregelen te treffen, ingegeven door de menslievendheid, die u allen zo gaarne betoont. 2MAK 14:10 Want zolang Judas leeft, komt er geen vrede in het rijk.' 2MAK 14:11 Na deze woorden van Alkimus maakten de overige vrienden van de koning, die Judas vijandig gezind waren, onmiddellijk van de gelegenheid gebruik en wakkerden de woede van Demetrius aan. 2MAK 14:12 Deze ontbood terstond Nikanor, die vroeger het bevel gevoerd had over het olifantenkorps, benoemde hem tot landvoogd van Judea en zond hem uit 2MAK 14:13 met de opdracht Judas te doden, zijn aanhangers uiteen te jagen en Alkimus als hogepriester in de hoogheilige tempel aan te stellen. 2MAK 14:14 De heidenen die voor Judas uit Judea waren weggevlucht, sloten zich met hele groepen bij Nikanor aan in de verwachting dat de rampspoed en het noodlot van de joden voor hen geluk zouden betekenen. 2MAK 14:15 Toen Judas en zijn mannen hoorden dat Nikanor in aantocht was en dat de heidenen van plan waren aan te vallen, bestrooiden ze zich met stof en baden tot degene die Israël voor eeuwig tot zijn volk gemaakt heeft en die steeds weer opnieuw met duidelijke tekenen voor zijn eigendom opkomt. 2MAK 14:16 Op bevel van hun aanvoerder trokken ze terstond vandaar op en raakten bij het dorp Dessau met de vijand slaags. 2MAK 14:17 Verbluft door het plotseling verschijnen van de vijand, leed Simon, de broer van Judas, bij het samentreffen met Nikanor een lichte nederlaag. 2MAK 14:18 Toch durfde Nikanor het niet te laten aankomen op een beslissing door wapengeweld; daarvoor had hij teveel gehoord over de dapperheid van Judas en zijn mannen en over de moed waarmee ze streden voor hun vaderland. 2MAK 14:19 Daarom vaardigde hij Posidonius, Teodotus en Mattatias af om over vredesvoorwaarden te onderhandelen. 2MAK 14:20 Na een uitvoerig onderzoek van de voorwaarden, stelde de aanvoerder zijn troepen ervan op de hoogte. Eenstemmig hechtten die hun goedkeuring aan de overeenkomst. 2MAK 14:21 Er werd een dag vastgesteld waarop de twee aanvoerders elkaar zouden ontmoeten. Van beide kanten kwam een voertuig naar voren en in het midden werden zetels geplaatst. 2MAK 14:22 Judas had op geschikte plaatsen gewapende mannen opgesteld, voor het geval dat de vijand onverwachts verraad mocht plegen. Het onderhoud verliep echter bevredigend. 2MAK 14:23 Nikanor verbleef in Jeruzalem zonder iets te doen dat misplaatst was; het volk dat zich in groepen bij hem aangesloten had, zond hij weg. 2MAK 14:24 Hij ging veel met Judas om, daar hij zich tot die man voelde aangetrokken. 2MAK 14:25 Hij gaf hem de raad te trouwen en een gezin te stichten. Judas deed dat, was gelukkig en genoot van het leven. 2MAK 14:26 Toen Alkimus deze wederzijdse vriendschap bemerkte, ging hij met een afschrift van het gesloten verdrag naar Demetrius en beschuldigde Nikanor ervan plannen te koesteren die met de belangen van het rijk in strijd waren, want Judas, de vijand van het koninkrijk, had hij tot opvolger bevorderd. 2MAK 14:27 De koning was woedend en opgehitst door de lasterpraatjes van deze schurk schreef hij Nikanor een brief waarin hij zijn misnoegen uitsprak over het verdrag en hem beval de Makkabeeër onverwijld geboeid naar Antiochie te sturen. 2MAK 14:28 Toen Nikanor dit bevel onder ogen kreeg, was hij zeer ontdaan; het viel hem hard de overeenkomst teniet te doen, daar Judas op geen enkel punt in gebreke was gebleven. 2MAK 14:29 Maar omdat hij niet tegen de koning kon ingaan, wachtte hij een geschikte gelegenheid af om met een list het bevel ten uitvoer te kunnen brengen. 2MAK 14:30 Van zijn kant ontging het de Makkabeeër niet, dat Nikanor hem strenger behandelde en bij hun regelmatige ontmoetingen norser was geworden. Hij begreep dat deze gestrengheid geen goeds voorspelde. Daarom verzamelde hij een groot aantal van zijn mannen om zich heen en hield zich voor Nikanor schuil. 2MAK 14:31 Zodra Nikanor bemerkte dat Judas hem op een nette manier te vlug af was geweest, ging hij naar de hoogheilige tempel en beval de priesters, die op dat ogenblik de gebruikelijke offers opdroegen, die man uit te leveren. 2MAK 14:32 Toen ze onder ede verklaarden dat ze niet wisten, waar de man die hij zocht zich bevond, 2MAK 14:33 hief hij zijn rechter hand op tegen de tempel en zwoer: 'Als jullie Judas niet geboeid aan mij uitleveren, maak ik dit heiligdom met de grond gelijk, slecht ik het brandofferaltaar en bouw ik op dezelfde plaats een prachtige tempel voor Dionysus.' 2MAK 14:34 Na deze bedreiging ging hij weg. De priesters hieven hun handen ten hemel en riepen Degene aan die altijd voor ons volk strijdt; ze baden aldus: 2MAK 14:35 'Heer, hoewel Gij niets nodig hebt, hebt Gij toch een tempel gewild, om onder ons te wonen. 2MAK 14:36 Welnu, heilige Heer, bron van alle heiligheid, behoed dit huis, dat onlangs is gereinigd, altijd voor ontwijding.' 2MAK 14:37 Een zekere Razis, een van de oudsten van Jeruzalem, werd bij Nikanor aangeklaagd. Hij was een man die zijn medeburgers een warm hart toedroeg, in hoog aanzien bij hen stond en vanwege zijn toewijding vader der joden werd genoemd. 2MAK 14:38 In de voorafgaande periode van de opstand had hij een veroordeling opgelopen vanwege zijn joodse gezindheid en in zijn onwrikbare standvastigheid lijf en leden voor het jodendom op het spel gezet. 2MAK 14:39 Om een bewijs te leveren van zijn vijandige gezindheid jegens de joden, zond Nikanor meer dan vijfhonderd soldaten om Razis gevangen te nemen. 2MAK 14:40 Want hij was ervan overtuigd, dat hij de joden met deze aanhouding een zware slag zou toebrengen. 2MAK 14:41 Om zich van de toren meester te maken, waarin Razis zich ophield, forceerden de troepen de hoofdingang en kregen ze opdracht vuur aan de deuren te leggen. Toen Razis zich van alle kanten omsingeld zag, stak hij het zwaard in zijn borst. 2MAK 14:42 In zijn fierheid wilde hij liever sterven dan in handen van schurken vallen, die hem zouden mishandelen op een wijze die zijn hoge afkomst onwaardig was. 2MAK 14:43 Maar in zijn overijling had hij zich niet op de juiste plaats geraakt. Terwijl de soldaten reeds door de poort naar binnen drongen, liep hij onverschrokken de muur op en stortte zich moedig op de menigte. 2MAK 14:44 Deze week snel een stuk achteruit, zodat hij in een open ruimte terechtkwam. 2MAK 14:45 Hoewel het bloed uit zijn zwaar gekwetste lichaam stroomde, leefde hij nog. Gloeiend van verontwaardiging stond hij op, liep door de menigte heen en ging op een steile rots staan. 2MAK 14:46 Reeds geheel leeggebloed, rukte hij zich de ingewanden uit het lijf en wierp ze met beide handen op de menigte. Nadat hij de Heer van het leven en van de geest had gesmeekt ze hem weer terug te geven, stierf hij. 2MAK 15:1 Toen Nikanor vernam, dat Judas en zijn mannen zich in het gebied van Samaria bevonden, besloot hij ze voor alle veiligheid op de rustdag aan te vallen. 2MAK 15:2 De joden die hem noodgedwongen volgden brachten daartegen in: 'U moogt ze niet op zo'n wrede en barbaarse wijze ombrengen. Heb eerbied voor de dag die Degene die alles ziet van het begin af heeft geeërd en geheiligd.' 2MAK 15:3 Op de vraag van die aartsschurk of er dan in de hemel een machthebber was, die bevolen had de sabbat te houden, 2MAK 15:4 antwoordden ze vrijmoedig: 'De levende Heer zelf is de machthebber in de hemel die bevolen heeft de zevende dag te vieren.' 2MAK 15:5 Maar de ander hernam: 'En ik ben machthebber hier op aarde en beveel de wapens op te nemen en de zaak van de koning te dienen.' Toch was hij niet in staat zijn rampzalig plan te volvoeren. 2MAK 15:6 Terwijl Nikanor in zijn mateloze verwaandheid reeds besloten had met de wapenrustingen van Judas' verslagen leger een groot gedenkteken te maken, 2MAK 15:7 bleef de Makkabeeër met een groot vertrouwen rekenen op de hulp van de Heer. 2MAK 15:8 Hij spoorde zijn mannen aan, niet beducht te zijn voor de aanval van de heidenen, maar te denken aan al de keren dat de hemel hen reeds geholpen had; daarom mochten ze ook nu weer verwachten, dat de Almachtige hun de overwinning zou schenken. 2MAK 15:9 Met teksten uit de Wet en uit de Profeten sprak hij hen moed in en hij herinnerde ze daarbij aan de gevechten die ze vroeger doorstaan hadden en wakkerde zo hun strijdlust aan. 2MAK 15:10 Tenslotte wees hij erop, dat de heidenen trouweloos waren en hun eden niet hielden. Nu hij de gemoederen in beweging had gebracht, gaf hij bevel de wapens op te nemen. 2MAK 15:11 Ieder van hen had hij niet zozeer gewapend met de zekerheid die schild en lans bieden, als met de troost van welgekozen woorden. Bovendien vertelde hij hun een geloofwaardige droom, een soort van visioen, waarmee hij allen tot geestdrift bracht. 2MAK 15:12 De droom was als volgt: Onias, de vroegere hogepriester, die een voortreffelijk mens was geweest, bescheiden in de omgang, zacht van karakter, waardig in zijn spreken en die zich van zijn jeugd af had toegelegd op alles wat deugd is, bad met uitgestrekte handen voor heel het joodse volk. 2MAK 15:13 Daarop zag Judas een andere man in dezelfde houding, die zich onderscheidde door zijn hoge leeftijd en zijn waardigheid; een bewonderenswaardige en waarlijk vorstelijke majesteit straalde van hem uit. 2MAK 15:14 Toen hoorde Judas Onias zeggen: 'Dit is Jeremia, de profeet van God, die zijn broeders liefheeft en veel bidt voor zijn volk en de heilige stad.' 2MAK 15:15 Daarop strekte Jeremia zijn rechterhand uit en overhandigde Judas een gouden zwaard, terwijl hij zei: 2MAK 15:16 'Neem dit heilige zwaard in ontvangst: het is een geschenk van God. Daarmee zult u de vijanden verpletteren.' 2MAK 15:17 Bezield door de indrukwekkende toespraak van Judas, die tot dapperheid aanvuurde en het gemoed van de jongeren staalde, besloten de joden geen legerplaats op te slaan, maar fier tot de aanval over te gaan en in een dapper gevecht van man tegen man de strijd te beslissen, want de stad, de heilige instellingen en de tempel waren in gevaar. 2MAK 15:18 Hun eerste en grootste bekommernis gold immers niet hun vrouwen en kinderen, hun broers en verwanten, maar de heilige tempel. 2MAK 15:19 Maar ook degenen die in de stad waren achtergebleven, verkeerden in grote angst, ongerust als ze waren over de uitslag van de aanval in het open veld. 2MAK 15:20 Terwijl allen met spanning de komende beslissing tegemoet zagen, trok de vijand zijn troepen samen en stelde ze in slagorde op: de olifanten werden in een gunstige positie geplaatst en de ruiterij over de beide vleugels van het leger verdeeld. 2MAK 15:21 Toen de Makkabeeër heel deze troepenmassa voor zich zag, de rijke verscheidenheid van hun wapens en het onheilspellend uiterlijk van de olifanten, hief hij zijn handen ten hemel en bad tot de Heer die wonderen kan doen, daar hij wist dat de zege niet door wapens bevochten wordt, maar dat hij ze behaalt die door de Heer waardig gekeurd wordt. 2MAK 15:22 Hij bad aldus: 'Heer, Gij hebt ten tijde van Hizkia, de koning van Juda, uw engel gezonden die ongeveer honderdvijfentachtigduizend man van het leger van Sanherib doodde. 2MAK 15:23 Vorst van de hemel, zend ook nu weer uw goede engel voor ons uit om angst en paniek te verspreiden. 2MAK 15:24 Verpletter door de kracht van uw arm degenen die met een godslastering op de lippen oprukken tegen uw heilig volk.' Dat was zijn gebed. 2MAK 15:25 Terwijl het leger van Nikanor onder trompetgeschal en krijgszang aanrukte, 2MAK 15:26 stormden de soldaten van Judas op de vijand af, terwijl ze smekend God aanriepen. 2MAK 15:27 Strijdend met de handen, baden ze in hun hart tot God. Zo sloegen ze niet minder dan vijfendertigduizend man neer, ten zeerste verheugd over de zichtbare hulp van God. 2MAK 15:28 Toen de strijd ten einde was en ze zich vol vreugde terugtrokken, vonden ze Nikanor in volle wapenrusting dood op de grond liggen. 2MAK 15:29 Na het geschreeuw en gejoel dat toen losbrak, hieven ze in hun moedertaal een loflied aan voor de Heer. 2MAK 15:30 De man die zich geheel en al, met hart en ziel had ingezet voor de verdediging van zijn medeburgers en die de toewijding voor zijn volksgenoten van zijn jeugd af onverminderd had bewaard, gaf bevel Nikanor het hoofd en de rechterarm af te slaan en ze naar Jeruzalem te brengen. 2MAK 15:31 In Jeruzalem gekomen riep hij zijn volksgenoten bijeen en liet de priesters voor het brandofferaltaar plaats nemen. Daarna ontbood hij de bezetting van de burcht, 2MAK 15:32 en toonde hun het hoofd van de smerige Nikanor en de hand, die de godslasteraar brutaal tegen de heilige woning van de Almachtige had uitgestoken. 2MAK 15:33 Daarop liet hij de tong van de goddeloze Nikanor uitsnijden en in stukjes aan de vogels voeren; als loon voor zijn dwaasheid hing hij zijn afgehouwen rechterhand tegenover de tempel op. 2MAK 15:34 Allen zonden hun dank ten hemel en prezen de Heer, die hen zo zichtbaar geholpen had, met de woorden: 'Geloofd zij Hij die zijn heiligdom ongerept heeft bewaard!' 2MAK 15:35 Het hoofd van Nikanor bevestigde Judas aan de muur van de burcht als een zichtbaar en duidelijk bewijs dat de Heer hen geholpen had. 2MAK 15:36 Met algemene instemming werd besloten deze dag niet ongemerkt te laten voorbijgaan, maar hem te vieren op de dertiende dag van de twaalfde maand, de maand die in het Aramees Adar heet, dus daags voor het Mordekaifeest. 2MAK 15:37 Zo verging het Nikanor. Sinds die tijd bleef de stad in het bezit van de Hebreeën. Daarom besluit ik hier mijn verhaal. 2MAK 15:38 Als de stof mooi en treffend geordend is, dan is mijn wens vervuld; ben ik daar maar zwak of middelmatig in geslaagd, dan heb ik toch gedaan wat ik kon. 2MAK 15:39 Evenals het schadelijk is voor de gezondheid alleen wijn of alleen water te drinken, terwijl wijn met water gemengd goed smaakt en een behaaglijk gevoel van vreugde geeft, zo is het ook juist door de ordening van de stof dat een verhaal de oren van de lezers streelt. En dit is het einde. JOB JOB 1:1 Eens leefde er in Us een onberispelijk en rechtschapen man die Job heette; hij vreesde God en hield zich ver van het kwaad. JOB 1:2 Zeven zonen had hij en drie dochters; JOB 1:3 hij bezat zevenduizend stuks kleinvee, drieduizend kamelen, vijfhonderd span runderen, vijfhonderd ezelinnen, en zeer veel slaven en slavinnen: hij was de rijkste man van heel het Oosten. JOB 1:4 Zijn zonen waren gewoon om de beurt een dag feest te geven, ieder in zijn eigen huis; ook hun drie zusters nodigden zij op die maaltijden. JOB 1:5 Als ieder aan de beurt was geweest, riep Job hen bij zich voor een reinigingsceremonie; vroeg in de morgen bracht hij dan een brandoffer voor ieder van hen, want, zei hij,' misschien hebben mijn zonen gezondigd en God in hun hart vervloekt.' Dit was zijn vaste gewoonte. JOB 1:6 Op de dag dat de hemelingen gewoonlijk bij Jahwe hun opwachting maken, kwam ook Satan met hen mee. JOB 1:7 En Jahwe zei tot Satan: 'Waar ben je allemaal geweest?' 'Ik heb rondgezworven over de aarde', antwoordde Satan. JOB 1:8 'Wel,' vroeg Jahwe,' heb je ook gelet op Job, mijn dienaar? Op aarde is er geen tweede zoals hij, onberispelijk, rechtschapen, hij vreest God en houdt zich ver van het kwaad.' JOB 1:9 Satan gaf ten antwoord: 'Hij vreest God niet voor niets! JOB 1:10 Gij hebt hemzelf, zijn familie en heel zijn bezit aan alle kanten omgeven en beschermd, Gij zegent al wat hij onderneemt, en zijn bezit grijpt steeds verder om zich heen in het land. JOB 1:11 Maar pak hem eens aan, tref hem in al wat hij heeft: wedden dat hij U vloekt in uw gezicht.' JOB 1:12 Toen zei Jahwe tegen Satan: 'Goed, al wat hij heeft is in jouw hand, alleen van hemzelf moet je afblijven.' En Satan verliet de vergadering. JOB 1:13 Welnu, op de dag dat de zonen en dochters van Job weer hun feestmaal hadden in het huis van hun oudste broer, JOB 1:14 komt daar een bode bij Job met de tijding: 'De runderen waren aan het ploegen, vlakbij graasden de ezelinnen, JOB 1:15 en daar komen de Sabeeën ons overvallen: ze roven het vee en slaan de knechten neer met het zwaard. Ik kom het u vertellen, ik ben de enige die over is.' JOB 1:16 Hij was nog niet uitgesproken, of een volgende kwam met de tijding: 'Een geweldig vuur is uit de hemel neergeregend, heeft vreselijk huisgehouden onder schapen, geiten, herders en ze vernietigd. Ik kom het u vertellen, ik ben de enige die over is.' JOB 1:17 Hij was nog niet uitgesproken, of weer kwam iemand met de tijding: 'De Chaldeeën hebben in drie groepen onze kamelen overvallen: ze hebben de dieren geroofd en de knechten neergeslagen met het zwaard. Ik kom het u vertellen, ik ben de enige die over is.' JOB 1:18 Hij was nog niet uitgesproken, of een vierde kwam met de tijding: 'Uw zonen en dochters hielden hun feestmaal in het huis van hun oudste broer; JOB 1:19 daar komt een machtige windhoos uit de woestijn en valt op alle vier de hoeken van het huis: het stort in en uw kinderen vinden de dood. Ik kom het u vertellen, ik ben de enige die over is.' JOB 1:20 Toen scheurde Job zijn kleed, schoor zijn hoofd kaal, wierp zich plat op de grond JOB 1:21 en zei: 'Naakt kom ik uit de schoot van moeder aarde, naakt keer ik daar terug. Jahwe geeft, Jahwe neemt, gezegend de naam van Jahwe.' JOB 1:22 Ondanks deze gebeurtenissen zondigde Job niet; hij deed God geen enkel verwijt. JOB 2:1 Op de dag dat de hemelingen gewoonlijk bij Jahwe hun opwachting maken, kwam Satan weer met hen mee om ook zijn opwachting te maken. JOB 2:2 En Jahwe zei tot Satan: 'Waar ben je allemaal geweest?' 'Ik heb rondgezworven over de aarde,' antwoordde Satan. JOB 2:3 'Wel,' vroeg Jahwe,' heb je ook gelet op Job, mijn dienaar? Op aarde is er geen tweede zoals hij, onberispelijk, rechtschapen, hij vreest God en houdt zich ver van het kwaad. Zijn leven is nog altijd even onberispelijk, zelfs nadat je Mij hebt overgehaald hem zonder enige aanleiding te ruineren.' JOB 2:4 Satan gaf ten antwoord: 'Dat is hem zijn huid wel waard! Want alles wat een mens bezit geeft hij graag in ruil voor zijn leven. JOB 2:5 Maar pak hem eens aan, tref hem in zijn gezondheid: wedden dat hij U vloekt in uw gezicht.' JOB 2:6 Toen zei Jahwe tegen Satan: 'Goed, hij is in jouw hand; maar je moet hem in leven laten.' JOB 2:7 En Satan verliet de vergadering. Hij sloeg Job met kwaadaardige zweren van voetzool tot kruin. JOB 2:8 Job krabde ze af met een scherf, gezeten in as en vuil. JOB 2:9 Toen zei zijn vrouw tegen hem: 'Blijf je nu nog de brave uithangen? Dan God maar prijzen tot je er aan dood gaat!' JOB 2:10 Maar hij antwoordde: 'Dat is onwijze vrouwenpraat. Het goede nemen we wel aan van God, waarom dan het kwade niet?' Ook nu kwam er geen onvertogen woord over zijn lippen. JOB 2:11 Elifaz uit Teman, Bildad uit Suach en Sofar uit Naama, drie vrienden van Job, hoorden van al de rampen die hem getroffen hadden. Zij gingen van huis en begaven zich samen naar Job om hun medeleven te tonen en hem te troosten. JOB 2:12 Al van verre zagen ze hem, maar aanvankelijk herkenden ze hem niet. Luid begonnen ze te klagen, scheurden hun kleren, en wierpen stof boven hun hoofden omhoog. JOB 2:13 Zeven dagen en zeven nachten zaten ze bij hem op de grond zonder een woord te zeggen; want ze zagen hoe groot zijn lijden was. JOB 3:1 Hierna opende Job zijn mond en vervloekte zijn bestaan. JOB 3:2 Zo begon hij: JOB 3:3 Weg met de dag waarop ik werd geboren, weg met de nacht die mijn ontvangenis zag. JOB 3:4 Die dag duisternis had hij moeten blijven; God in den hoge mag hem vergeten, laat er geen licht over stralen; JOB 3:5 stikkedonker mag hem hebben, wolken mogen hem omhullen, zonsverduistering hem slaan. JOB 3:6 Die nacht - duisternis had hem vast moeten houden, uitgesloten van de dagen van het jaar, niet toegelaten tot de kring der maanden. JOB 3:7 Was die nacht maar onvruchtbaar gebleven, geen kreet van vreugde had toen mogen klinken. JOB 3:8 Vervloek hem, bezweerders van de zee, die zelfs bij machte zijt de Leviatan te ringeloren. JOB 3:9 Dek de morgensterren af zodat die nacht vergeefs wacht op licht en het niet ziet dagen. JOB 3:10 Hij hield immers de poort van de moederschoot niet gegrendeld en mijn ogen bleef geen leed bespaard. JOB 3:11 Waarom in de schoot niet gestorven? Niet gestikt bij mijn geboorte? JOB 3:12 Waarom hebben knieën mij ontvangen? Waarom borsten mij gezoogd? JOB 3:13 Want o, neerliggen, rust hebben, slapen, ongestoord, JOB 3:14 naast koningen en prinsen van deze wereld die vervallen paleizen in vroegere glorie herstelden; JOB 3:15 naast vorsten die eens goud bezaten en huizen volgetast met zilver. JOB 3:16 Of was ik maar in de grond gestopt als een misgeboorte, als een kind dat nooit het levenslicht zag. JOB 3:17 Daar valt het bejag der boosdoeners stil, hun ongedurigheid komt er tot rust; JOB 3:18 gevangenen zijn daar geen gevangenen meer, geen schreeuwende opzichters drijven hen voort; JOB 3:19 iedereen is er gelijk, de slaaf vrij van zijn meester. JOB 3:20 Waarom licht geschonken aan ongelukkigen, leven aan verbitterde mensen? JOB 3:21 Zij zien uit naar de dood, en hij wil niet komen, zij begeren hem meer dan een verborgen schat. JOB 3:22 Blij zouden zij zijn met hun einde, juichend belanden in het graf. JOB 3:23 Waarom leven voor een mens die niet weet waar naartoe nu God hem de weg verspert? JOB 3:24 Zuchten is dagelijks brood, lijkt het wel, klagen het water dat ik te drinken krijg. JOB 3:25 Wat ik het meest vrees komt op mij af, wat mij angst aanjaagt heeft me getroffen; JOB 3:26 ik ken geen geluk, geen rust, geen vrede, mij kwellen martelende vragen. JOB 4:1 Hierop nam Elifaz uit Teman het woord: JOB 4:2 Wat ik ga zeggen kun je misschien niet verdragen, maar zwijgen kan ik niet. JOB 4:3 Luister: velen heb je de rechte weg gewezen, zwakke handen gestaald. JOB 4:4 Je woorden hebben struikelaars overeind gehouden, bevende knieën gestrekt. JOB 4:5 Maar nauwelijks zelf getroffen verlies je de moed, aangeslagen raak je in paniek. JOB 4:6 Was vroomheid niet jouw kracht, een onbesproken leven niet jouw hoop? JOB 4:7 Vertel mij: is ooit een schuldeloze verloren gegaan? Waar zijn ooit rechtvaardigen omgekomen? JOB 4:8 Mijn ervaring is: onheil ploegen en zaaien doet onheil maaien. JOB 4:9 God blaast en de onrechtvaardigen komen om, een ademtocht van zijn toorn, en zij liggen geveld. JOB 4:10 Al brullen, al grommen zij als leeuwen, hun tanden worden verbrijzeld; JOB 4:11 ze komen om bij gebrek aan prooi, hun welpen worden verstrooid. JOB 4:12 Heimelijk sprak iemand tot mij, fluisterde mij iets in het oor, JOB 4:13 op het onrustig uur van droomgezichten, als diepe slaap de mensen overmant. JOB 4:14 Schrik en angst grepen mij aan, een siddering voer door mijn gebeente. JOB 4:15 Een windvlaag trok langs mijn gezicht, storm deed mijn lijf huiveren. JOB 4:16 Daar stond het, een gestalte ik weet niet wat hij stond vlak voor mijn ogen. Het was stil ik hoorde een stem: JOB 4:17 'Kan een sterveling rechtvaardig zijn voor God, een mens onbesmet voor zijn Maker? JOB 4:18 Zelfs in zijn dienaars stelt Hij geen vertrouwen, zelfs in zijn engelen bespeurt Hij nog smetten; JOB 4:19 hoeveel temeer bij hen wier woning uit leem is opgetrokken en stof tot grondslag heeft. JOB 4:20 Als motten worden ze geplet, van vandaag op morgen vermorzeld, ze gaan naamloos te gronde, voorgoed. JOB 4:21 Het touw van hun tent wordt losgerukt: dood zijn ze eer ze het weten. JOB 5:1 Blijf maar roepen! Niemand geeft antwoord. Is er een uit de hemel je toevlucht? JOB 5:2 Geloof me, alleen de dwaas sterft aan ergernis, alleen de domoor gaat er aan dood. JOB 5:3 Mijn ervaring is: de dwaas schiet wel wortel, maar onverhoeds is hij niet meer. JOB 5:4 Zijn kinderen zijn verre van gelukkig, in de poort blijven zij rechteloos, zonder bijstand. JOB 5:5 De hongerige eet hun oogst op en sleept die weg voor zijn gezin, de dorstige aast op hun rijkdom. JOB 5:6 Komt kwaad soms voort uit het stof, ongeluk uit de aarde? JOB 5:7 Nee, van de mens komt alle ongeluk als vonken uit een vlam. JOB 5:8 Ik voor mij zou zeggen: zoek het bij God, leg Hem je zaak voor. JOB 5:9 Hij doet grote en ondoorgrondelijke dingen, ontelbare wonderen. JOB 5:10 Hij stort regen uit over de aarde, water over het veld. JOB 5:11 Onaanzienlijken brengt Hij tot aanzien, ongelukkigen voert Hij naar geluk. JOB 5:12 Hij verijdelt de opzet van de gewiekste man zodat hij geen succes heeft. JOB 5:13 Hij vangt de sluwen in hun eigen sluwheid, hun toeleg wordt in de kiem gesmoord. JOB 5:14 Bij klaarlichte dag stoten zij op duisternis tasten zij rond als was het nacht. JOB 5:15 Maar de behoeftigen redt Hij uit hun muil, de misdeelden uit de klauwen van de machtige. JOB 5:16 De arme kan dus hoop hebben en de onrechtvaardige wordt de mond gesnoerd. JOB 5:17 Ja, kastijding van de Almachtige is de mens een zegen; wijs dan ook zijn straffende hand niet af. JOB 5:18 Hij wondt, maar verbindt ook, slaat, maar heelt eveneens. JOB 5:19 In zes noden is Hij uw redder, zelfs in zeven zal geen onheil geschieden. JOB 5:20 In hongersnood redt Hij van de dood, in oorlog van de slag van het zwaard. JOB 5:21 Immuun voor laster ben je geworden, geen onheil schrikt je af. JOB 5:22 Spotten mag je met honger en nood en je behoeft niet beangst te zijn voor wilde beesten. JOB 5:23 Want je hebt een verbond met de geesten van het veld, vrede met de dieren. JOB 5:24 Weet: het zal je wel gaan in huis, tel je kudden maar na, je mist niets. JOB 5:25 Veel kinderen zul je krijgen, talrijk als het gras op het veld. JOB 5:26 Vol levenskracht blijf je tot in de dood: een schoof binnengehaald bij de oogst. JOB 5:27 Zie, dit is onze bevinding en ze is juist, neem ze in je op en denk er goed over na. JOB 6:1 Maar Job gaf ten antwoord: JOB 6:2 Werd mijn lijden maar eens gewogen, mijn leed op de weegschaal gelegd, JOB 6:3 zwaarder zou het blijken dan al het zand aan het strand van de zee; daarom vloeit mijn mond er van over. JOB 6:4 De Almachtige schiet zijn pijlen op mij af, ik word doordrenkt van hun gif; Gods verschrikkingen staan in slagorde voor mij. JOB 6:5 Balkt de ezel in een malse wei, loeit de os boven een gevulde trog? JOB 6:6 Zoutloze spijs is niet te eten, ze smaakt evenmin als het sap van de malve. JOB 6:7 Zulk eten raak ik niet aan, ik walg er zelfs van. JOB 6:8 O, mocht toch gebeuren wat ik wens, God mij geven wat ik verhoop; JOB 6:9 wilde Hij me maar verbrijzelen, laten vallen, lossnijden. JOB 6:10 Dat zou tenminste een troost zijn, jubelen zou ik ondanks dit wrede leed, want de Heilige ben ik niet ontrouw geweest. JOB 6:11 Waar vind ik kracht om staande te blijven, uitzicht om dit alles te verduren? JOB 6:12 Ik ben niet van steen; van vlees ben ik, niet van ijzer. JOB 6:13 Volkomen hulpeloos ben ik, ik zie geen uitkomst meer. JOB 6:14 Wie ontrouw is aan zijn vriend is ontrouw tegenover de Almachtige. JOB 6:15 Mijn vrienden zijn onbetrouwbaar als een beek, een bedding die leegloopt, JOB 6:16 soms overvol van smeltijs en dooiende sneeuw, JOB 6:17 maar spoorloos in de droge tijd, onvindbaar in de zomerhitte. JOB 6:18 Wie zijn route ervoor wijzigt belandt in de woestijn en komt om. JOB 6:19 Of het karavanen zijn uit Tema of uit Seba: als ze daarop hopen en vertrouwen, JOB 6:20 komen ze bedrogen uit en staan verslagen. JOB 6:21 Eerlijk, gij betekent niets meer voor mij, half in moeilijkheden, raak je helemaal van streek. JOB 6:22 Heb ik soms gezegd: 'help dan toch, koop de rechters om met uw vermogen, JOB 6:23 red mij van mijn tegenstander, koop mij los uit de greep van de machtigen?' JOB 6:24 Wijs me mijn fouten, dan zal ik zwijgen, maak me duidelijk waarin ik heb gefaald. JOB 6:25 Eerlijke kritiek kan ik verdragen, maar jullie argumenten zeggen me niks. JOB 6:26 Waarom vitten op mijn woorden? Zegt het niets dat wanhoop ze spreekt? JOB 6:27 Zelfs een wees zouden jullie verdobbelen, je beste vriend versjacheren. JOB 6:28 Ik vraag met aandrang: luister nu eens, ik belieg jullie toch niet in je gezicht? JOB 6:29 Hou toch op met die beschuldigingen, hou toch op, ik sta in mijn recht! JOB 6:30 Mijn tong weet wat ze zeggen kan, mijn gehemelte proeft wat verkeerd is. JOB 7:1 Moet een mens niet zwoegen op aarde, dagen maken van een dagloner? JOB 7:2 Hij snakt naar schaduw, ziet verlangend uit naar betaling. JOB 7:3 Zo ken ook ik vruchteloze maanden en nachtenlang van getob. JOB 7:4 's Avonds denk ik: 'wanneer wordt het morgen?' 's morgens: 'wanneer wordt het avond?' en zolang het licht is ben ik ziek van onrust. JOB 7:5 Overdekt is mijn lijf met vuil en wormen, van top tot teen etter en kloven. JOB 7:6 Mijn dagen verschieten sneller dan een weversspoel, ze lopen af, de draad is ten einde. JOB 7:7 God, bedenk toch: niet meer dan een zucht is mijn leven, ik zal nooit geen geluk meer zien. JOB 7:8 Wie mij zoekt ziet mij niet meer; zelfs uw oog kan mij niet vinden. JOB 7:9 Een wolk verdwijnt en is weg; zo komt geen mens meer terug uit de afgrond. JOB 7:10 Hij keert niet terug in zijn huis, op zijn erf ziet men hem nooit weer. JOB 7:11 Daarom: ik kan mijn mond niet houden, uitspreken zal ik mijn verdriet, uitschreeuwen mijn ergernis. JOB 7:12 Ben ik soms het wilde zeemonster, dat Gij mij muilkorft? JOB 7:13 Denk ik: op bed vind ik rust, slaap zal mijn zorg verlichten, JOB 7:14 dan schrikt Gij mij op, spookt in mijn angstige dromen. JOB 7:15 Ik stik liever, heel mijn wezen snakt naar de dood. JOB 7:16 Ik begeef het, zo kort is mijn leven, laat me met rust, een zucht is het, meer niet. JOB 7:17 Waarom een mens op laten groeien, met zoveel zorg omringen, JOB 7:18 en hem dan elke morgen controleren, uitproberen van uur tot uur? JOB 7:19 Kijkt Ge nou nooit eens de andere kant op? Ik krijg nog geen kans mijn speeksel in te slikken! JOB 7:20 Als ik al zondig, wat kan U dat schelen, cipier van de mensen? Waarom houdt Gij mij in het vizier, ben ik U soms tot last, Allerhoogste? JOB 7:21 Vergeef me mijn zonden, doe of ze niet bestaan. Ach, lag ik maar onder de grond; als Ge me dan zocht, was ik er tenminste niet meer. JOB 8:1 Daarop zei Bildad uit Suach: JOB 8:2 Hou toch eindelijk eens op; je kraamt verbijsterende onzin uit! JOB 8:3 Verdraait God soms het recht? Is de Almachtige werkelijk oneerlijk? JOB 8:4 Als je kinderen tegen Hem hebben gezondigd, dan gaf Hij straf naar schuld. JOB 8:5 Maar als jij God zoekt, om zijn genade smeekt, JOB 8:6 en je bent werkelijk onschuldig, rechtschapen, dan komt Hij voor je op, en verzekert je de plaats die je toekomt. JOB 8:7 Groot zal je toekomst zijn, groter dan je verleden. JOB 8:8 Vraag generatie op generatie, informeer naar hun ervaring. JOB 8:9 Wij zijn van gisteren, weten niets, ons leven hier is vluchtig als een schaduw; JOB 8:10 maar van hen kun je leren, zij hebben tenminste ervaring. JOB 8:11 Papyrus groeit toch alleen op drassige grond, oeverriet alleen aan het water; JOB 8:12 anders zal het in volle bloei, nog niet rijp voor de snee, verdorren voor alle ander gewas. JOB 8:13 Zo vergaat het ieder die God vergeet, zo vervliegt de hoop voor wie van God vervreemdt. JOB 8:14 Aan herfstdraden klampt zo'n man zich vast, een huis van spinrag is zijn toeverlaat. JOB 8:15 Leunt hij er tegen, dan blijft het niet staan, zoekt hij er steun, dan stort het in. JOB 8:16 Vol levenssap staat hij in de brandende zon, zijn loten schieten uit over de hele tuin; JOB 8:17 zijn wortels klampen zich vast, zelfs aan stenen, tussen rotsen kan hij nog weligheid vinden. JOB 8:18 Maar als hij wordt uitgerukt zeggen de mensen: ik heb je nooit gekend. JOB 8:19 Zie, zo vergaat het die man en anderen schieten op in zijn plaats. JOB 8:20 Je weet: God stoot de rechtschapen mens niet af en haalt de boosdoeners niet aan. JOB 8:21 Hij zal je voluit doen lachen, je zult weer zingen van blijdschap; JOB 8:22 je vijanden worden onder schande bedolven, de tent van de bozen blijft niet overend. JOB 9:1 Dit was het antwoord van Job: JOB 9:2 Ja, ik weet het, je hebt gelijk, tegenover God staat niemand in zijn recht, geen mens. JOB 9:3 Treed je met Hem in het geding, duizend tegen een dat je geen verweer hebt. JOB 9:4 Zo wijs is Hij en zo sterk dat niemand Hem ongestraft kan weerstaan. JOB 9:5 Bergen rukt Hij van hun plaats en ze weten het niet, in zijn toorn stoot Hij ze omver. JOB 9:6 Hij schudt de aarde: ze trilt los, wankelt op haar zuilen. JOB 9:7 Hij beveelt de zon en ze komt niet meer op, hij dekt de sterren af en ze schijnen niet meer. JOB 9:8 Hij, en Hij alleen spant het hemelgewelf, legt de geweldige zee aan zijn voeten. JOB 9:9 Hij schiep de Grote Beer en Orion, de Plejaden en de sterren van het zuiden. JOB 9:10 Grote, ondoorgrondelijke dingen brengt Hij tot stand, wonderen ontelbaar. JOB 9:11 Hij gaat voorbij, en ik zie Hem niet, glipt langs mij heen, en ik merk het niet eens. JOB 9:12 Wanneer Hij toeslaat, wie zal het beletten? Wie zal zeggen: wat doet Gij daar? JOB 9:13 God laat zijn toorn niet breidelen, zelfs Rahab met zijn trawanten moet buigen voor Hem. JOB 9:14 Hoe kan ik dan tegen Hem in het krijt treden, naar voren brengen wat ik wil? JOB 9:15 Al sta ik in mijn recht, ik heb geen verweer, ik kan mijn rechter slechts smeken om genade. JOB 9:16 Maar Hij luistert niet eens naar mijn roepen, al weet ik zeker dat Hij me hoort; JOB 9:17 Hij loert op me vanuit storm en wind, blijft mij wonden, ik weet niet waarom! JOB 9:18 Ik krijg geen kans om op adem te komen, zo overstelpt Hij mij met ellende, JOB 9:19 Gaat het om kracht, Hij is de sterkste; gaat het om recht, Hij is onschendbaar. JOB 9:20 Niet schuldig word ik schuldig verklaard, zonder smet besmet bevonden. JOB 9:21 Ik ben onschuldig! Maar het doet me niets, ik waag het erop, JOB 9:22 het maakt toch geen verschil. Ik zeg hardop: schuldig of niet schuldig, je gaat er aan. JOB 9:23 Als een ramp onschuldigen onverhoeds treft, spot Hij nog met hun wanhoop. JOB 9:24 Als boosdoeners de macht hebben, en de leiders van de wereld zijn verblind, dan is dat zijn werk, of niet? JOB 9:25 En sneller dan een bode ijlen mijn dagen voorbij, verdwijnen uit het zicht, zonder enig geluk, JOB 9:26 rieten bootjes in een stroomversnelling, arenden wegschietend naar hun prooi. JOB 9:27 Soms denk ik: opzij die zorgen, zet een vrolijk gezicht! JOB 9:28 Maar het lijden houdt mij in angst gevangen, ik weet: gij houdt mij voor schuldig. JOB 9:29 Als ik toch schuldig moet heten, waarom mij afbeulen voor niets? JOB 9:30 Al was ik mij met zeep, al reinig ik mijn handen met loog, JOB 9:31 Gij dompelt mij weer in het vuil zodat mijn kleren vies van mij zijn. JOB 9:32 Hij is geen mens zoals ik, mijn aanklacht vindt nergens gehoor, tegen Hem kan ik niet procederen; JOB 9:33 er is geen rechter bevoegd om uitspraak te doen over ons. JOB 9:34 Deed Hij die stok maar weg uit zijn hand, verlamde de schrik mij niet, JOB 9:35 kon ik spreken, onbevreesd. Maar zo is mijn situatie helaas niet. JOB 10:1 Ik ben eerder een man die twijfelt aan zichzelf, alleen maar klagen kan en spreken in verbittering. JOB 10:2 Daarom zeg ik: Spreek geen schuldig uit, Allerhoogste, of verklaar uw optreden tegen mij. JOB 10:3 Wat voor zin heeft het dat Gij onrecht doet, uw eigen schepsel verstoot, maar schurken in bescherming neemt? JOB 10:4 Hebt Gij ook maar mensenogen? Ziet Gij zoals wij? JOB 10:5 Is uw leven even kortstondig als dat van een mens? JOB 10:6 Waarom anders zo mijn schulden opsporen, mijn zonden napluizen, JOB 10:7 terwijl gij weet: hij kan niet ontsnappen ook al is hij onschuldig? JOB 10:8 Uw eigen handen hebben mij gemaakt, en zomaar, ineens, gaan ze mij vernielen! JOB 10:9 Bedenk: als aardewerk hebt Ge mij geboetseerd, en laat Ge mij nu vervallen tot stof? JOB 10:10 Gij hebt mij gevormd van melkachtig zaad, dat stremt als kaas, JOB 10:11 tot een lichaam van botten en spieren bespannen met huid en vlees. JOB 10:12 Dat leven werd zegen en geluk, het stond onder uw bescherming. JOB 10:13 Maar dit was uw heimelijke bedoeling, ja, dat weet ik nu: JOB 10:14 op iedere misstap van mij letten, niets ongestraft laten. JOB 10:15 Doe ik verkeerd wee mij! Doe ik goed toch moet ik buigen, ik zal mijn deel aan schande drinken. JOB 10:16 Richt ik mij op, Gij, leeuw, bespringt mij om waarom? uw macht te laten voelen. JOB 10:17 Nieuwe grieven komen bij U op, bezwaar op bezwaar volgt, een onoverzienbare reeks. JOB 10:18 Waarom hebt Gij mij uit de moederschoot getrokken? Was ik maar gestorven voor iemand mij zag, JOB 10:19 dan had ik nooit bestaan, zo van schoot naar graf gedragen. JOB 10:20 Is mijn leven niet kort genoeg? Laat me met rust. Of is die korte vreugde mij ook niet gegund JOB 10:21 voor ik beland waar niemand van keert, in het dal van het donker, het stikkedonker, JOB 10:22 de chaos waar zelfs het licht nog duisternis is. JOB 11:1 Toen kwam Sofar uit Naama aan het woord en hij sprak: JOB 11:2 Zo'n veelpraat moet een antwoord krijgen, anders denkt hij nog gelijk te hebben. JOB 11:3 Legt die onzin van jou ons het zwijgen op? Zou niemand tegen die laster in het geweer komen? JOB 11:4 Jij beweert: volgens mij ben ik rein, dus ben ik ook rein in Gods ogen! JOB 11:5 Als God zich maar liet horen zijn mond liet spreken, JOB 11:6 uitlegde hoe mysterieus zijn wijsheid is, hoe ondoorgrondelijk zijn doen, dan zou je de lust tot antwoorden vergaan. JOB 11:7 Dacht je God te doorvorsen, de Almachtige alzijdig te omvatten? JOB 11:8 Hij overtreft wat wil je de hoogte van de hemelen, de diepte van de Sjeool, JOB 11:9 de lengte van de aarde, zelfs de breedte van de zee. JOB 11:10 Als Hij aanstormt, je gevangen zet en veroordeelt: wie houdt Hem tegen? JOB 11:11 Hij weet wie onoprecht is, moeiteloos doorziet Hij de ondeugd. JOB 11:12 Een leeghoofd spreekt geen zinnig woord, een wilde ezel baart geen tamme. JOB 11:13 Maar jij, bezin je, strek je armen uit naar God. JOB 11:14 Heb je kwaad bedreven, doe het weg, geef het geen onderdak; JOB 11:15 dan kun je weer fier uit je ogen kijken, onbesmet, vaststaan als een beeld, onbedreigd; JOB 11:16 dan is al je ellende werkelijk vergeten, voorbij als stromend water wie denkt er nog aan? JOB 11:17 Je wereld straalt glanzender dan de middagzon, duisternis wordt dageraad, JOB 11:18 zelfbesef keert terug, want er is weer hoop; 's avonds loop je de ronde en je gaat rustig naar bed; JOB 11:19 's nachts schrikt niemand je wakker, ieder zoekt vriendschap met je. JOB 11:20 Maar de goddelozen teren weg in eenzaamheid, ze voelen zich nergens geborgen, de dood is hun enig verlangen. JOB 12:1 Hier bracht Job tegenin: JOB 12:2 Ach ja, ziehier de wijzen met wie de wijsheid staat of valt! JOB 12:3 Ik heb ook verstand, zo goed als jullie; ik loop niet achter; wie kent die leer niet? JOB 12:4 Mijn vrienden lachen met mij omdat ik God een antwoord vraag, lachen met de vrome en onschuldige. JOB 12:5 Ongeluk krijgt minachting op de koop toe daar houdt de gezeten burger het op wie struikelt geven ze een trap na. JOB 12:6 Maar overweldigers bezitten een vredig huis, die God uitdagen zijn veilig, met volle hand schenkt Hij hun geluk. JOB 12:7 Vraag de dieren, ze zullen het je zeggen, de vogels kunnen het uitleggen, JOB 12:8 de wilde beesten leren, de vissen vertellen; JOB 12:9 allemaal weten ze: zo handelt God. JOB 12:10 Alle leven is in zijn hand, elk wezen dankt Hem zijn adem. JOB 12:11 Oren kunnen toch horen en smaak kan toch proeven. JOB 12:12 God, oud van dagen, is wijs, Hij, de hoogbejaarde, heeft inzicht, JOB 12:13 ervaring en kracht, Hij doorziet en leidt de dingen. JOB 12:14 Wat Hij omverhaalt wordt niet herbouwd, wie Hij gevangen zet komt niet meer vrij; JOB 12:15 houdt Hij het water tegen, dan verdort het land, geeft Hij het vrij, dan wordt alles overspoeld. JOB 12:16 Aan Hem is de overmacht; zondaar en kwade genius zijn Hem onderworpen. JOB 12:17 Raadsheren stuurt Hij berooid de straat op, rechters zet hij voor schut; JOB 12:18 gordels van koningen maakt Hij los, hun macht en waardigheid valt weg; JOB 12:19 ook priesters stuurt hij berooid de straat op en gezetenen brengt Hij ten val; JOB 12:20 adviseurs stopt Hij de mond, ouderlingen maakt Hij kortzichtig, JOB 12:21 machtigen weerloos en Hij dompelt ze onder in smaad JOB 12:22 diepten duistervrij, duisternis licht. JOB 12:23 Naties verheft Hij om ze dan neer te slaan, Hij verstrooit om dan te verzamelen tot geluk. JOB 12:24 Leiders verbijstert Hij het verstand en ze verdwalen langs ongebaande wegen; JOB 12:25 ze tasten rond in diepe duisternis en waggelen als dronkaards. JOB 13:1 Twijfel je nog of ik alles zie, alles hoor, alles begrijp? JOB 13:2 Wat jullie weten weet ik ook; ik loop niet achter! JOB 13:3 Maar mijn verlangen is dit: spreken tot de Almachtige, mij verdedigen tegenover Hem. JOB 13:4 Terwijl jullie: jullie pleisteren alles dicht met leugens, jullie allemaal, kwakzalvers! JOB 13:5 In godsnaam zwijg, als je tenminste nog een greintje verstand hebt. JOB 13:6 Luister liever naar mijn pleidooi, hoor mijn verdediging. JOB 13:7 Liegen jullie, spreken jullie onwaarheid terwille van God? JOB 13:8 Wil je, partijdig genoeg, aan zijn kant gaan staan, zijn advocaat spelen? JOB 13:9 Kom nou, dat heeft Hij door, je kunt Hem niet bedotten als een mens. JOB 13:10 Hij zal je leren reken maar! als je op valse gronden partij kiest voor Hem. JOB 13:11 Heb je dan geen ontzag, huiver je niet voor zijn grootheid? JOB 13:12 As zijn die wijze woorden van jullie, los zand dat soort van uitspraken. JOB 13:13 Hou je mond, laat mij aan het woord, er kome van wat wil. JOB 13:14 Elk risico ben ik bereid te nemen, ik zet mijn leven op het spel. JOB 13:15 Wil God mij doden, ik ga Hem niet uit de weg, ik blijf mij verdedigen recht in zijn gezicht. JOB 13:16 Dat alleen al pleit voor mij, want een goddeloze durft zoiets niet. JOB 13:17 Luister goed naar mij, zet je oren open, JOB 13:18 Ik geef opening van zaken, overtuigd van mijn recht. JOB 13:19 Weerlegt iemand mijn argumenten, ik zwijg en geef mij gewonnen. JOB 13:20 Maar twee dingen vraag ik om niet voor u te hoeven wegkruipen: JOB 13:21 doe uw hand boven mij weg, bedreig mij niet; JOB 13:22 en houd uw pleidooi, dat ik antwoorden kan. Of zal ik eerst beginnen? JOB 13:23 Welke zijn dan mijn misstappen, mijn zonden? Noem ze eens op. JOB 13:24 Waarom keert gij u af van mij en behandelt ge mij als uw vijand? JOB 13:25 Wilt ge een neergewaaid blad opschrikken, achter een dorre strohalm aanzitten? JOB 13:26 Waarom mij anders over zoveel rekenschap vragen, mijn jeugdzonden op mij verhalen, JOB 13:27 mijn voeten in de kalk dopen, mijn gaan en staan bewaken, al mijn sporen nalopen? JOB 13:28 Zoveel moeite voor iemand die verrot en vergaat als een kleed door motten aangevreten: JOB 14:1 Voor een mens, kind van een vrouw, beperkt van dagen, overstelpt met zorgen, JOB 14:2 een bloem die bloeit en verwelkt vluchtig als een schaduw, onbestendig. JOB 14:3 Op zo iemand hebt Gij het begrepen, zo'n kleine mens daagt Gij voor het gerecht. JOB 14:4 En kon een onreine nu nog maar rein worden helaas, geen schijn van kans. JOB 14:5 Als het getal van zijn dagen en maanden eenmaal is vastgesteld, de duur van zijn leven bepaald, JOB 14:6 bespied hem dan niet meer, gun de dagloner zijn vreugde, laat hem van het leven genieten. JOB 14:7 Let wel, voor een boom is er hoop: zelfs omgehouwen kan hij nog uitbotten, opnieuw in blaren schieten. JOB 14:8 Al worden zijn wortels oud in de grond, al sterft zijn tronk diep in de bodem. JOB 14:9 hij hoeft maar water te ruiken en hij loopt uit, krijgt weer twijgen als een jonge plant. JOB 14:10 Maar een mens sterft, en het is gedaan, geeft de geest, en hij is voorbij: JOB 14:11 water uit de zee dat verdampt, een rivier die totaal verdroogt. JOB 14:12 Als een mens eenmaal geveld is, blijft hij liggen zolang de hemel bestaat, hij slaapt en wordt niet meer wakker. JOB 14:13 Verberg mij in de Sjeool, stop me weg tot uw toorn is geluwd, neem me in uw liefde terug als de termijn is verstreken. JOB 14:14 Zou een dode weer tot leven kunnen komen? Ach, heel mijn leven zou ik op wacht blijven staan tot mijn aflossing komt. JOB 14:15 Ik zou antwoorden als Gij roept, hunkerend naar uw eigen schepsel. JOB 14:16 Gij zoudt wel mijn stappen tellen, maar niet mijn zonden, JOB 14:17 die wilt Ge eerder opbergen in een zak en mijn schuld wegpleisteren met kalk. JOB 14:18 Maar bergen storten naar beneden, rotsen breken van hun plaats, JOB 14:19 water slijpt gesteente uit, stortregen spoelt de aarde van de bodem zo vernietigt Gij de hoop van de mens. JOB 14:20 Gij grijpt hem aan, en hij is weg voor altijd, Gij misvormt zijn uiterlijk en stoot hem af. JOB 14:21 Zijn zoons maken naam, hij weet van niets; zij verliezen die weer, het raakt hem niet. JOB 14:22 Hij voelt alleen zijn eigen pijn, hij treurt alleen om zichzelf. JOB 15:1 Nu sprak Elifaz uit Teman: JOB 15:2 Is dat de kletspraat van een wijze, die opgeblazen taal? JOB 15:3 Zijn dat zijn kronkelargumenten? Is dat zijn gebazel? JOB 15:4 Man, jij verkracht de godsdienst, jij bagatelliseert waarachtige bezinning. JOB 15:5 Zulke woorden vergroten je schuld, zij kiezen voor de leugen JOB 15:6 en klagen je aan niet ik, zij getuigen tegen je niet ik. JOB 15:7 Ben jij de eerstgeborene der mensen, ter wereld gekomen voor de heuvels bestonden? JOB 15:8 Ben jij toehoorder geweest in Gods raad? Heb je daar die brok wijsheid vandaan? JOB 15:9 Wat weet jij dat wij niet weten, wat doorzie jij dat wij niet begrijpen? JOB 15:10 Aan onze kant staan hoogbejaarde grijsaards die ouder zijn dan je vader. JOB 15:11 Is de troost van God je niet voldoende, zijn woord jou te min? JOB 15:12 Waarom laat je je zo gaan en blikkeren je ogen? JOB 15:13 Waarom je zo opwinden, zo tekeer gaan tegen God? JOB 15:14 Kan een mens ooit rein, het kind van een vrouw ooit rechtvaardig zijn? JOB 15:15 Als God in zijn engelen al geen vertrouwen stelt en zelfs de hemelbewoner niet rein is in zijn ogen, JOB 15:16 wat moet de mens Hem dan wel tegenstaan die het kwaad drinkt als water. JOB 15:17 Luister, ik geef je uitleg en vertel je van mijn ervaring; JOB 15:18 in die geest spreken ook de wijzen en zij hebben het weer van hun vaderen JOB 15:19 uit de tijd dat alleen zij het land bewoonden en geen vreemdeling daar was binnengedrongen: JOB 15:20 De goddeloze tiran beeft alle dagen, alle jaren die hem wachten. JOB 15:21 Altijd hoort hij onraad, op het moment dat het hem goed gaat stort de vernieling zich over hem heen. JOB 15:22 Hij ziet geen kans die dreiging te ontlopen, overal voelt hij het zwaard op zich gericht. JOB 15:23 Als een prooi tracht hij zijn havik te ontwijken, maar hij weet dat de dood naast hem staat. JOB 15:24 Angst staat klaar hem te grijpen, overmachtige angst houdt hem in zijn greep. JOB 15:25 Dat is het lot van wie zijn hand heft tegen God en de Almachtige uitdaagt, JOB 15:26 op Hem afstormt in overmoed, het zwaar beslagen schild vooruit, JOB 15:27 het gezicht ingesmeerd en de lendenen vet van olie. JOB 15:28 In verwoeste steden zal hij wonen, in onherbergzame huizen die tot puin vervallen; JOB 15:29 zijn rijkdom neemt niet toe en wat hij bezit is niet duurzaam: het vergezelt hem niet naar het dodenrijk; JOB 15:30 zelf ontkomt hij niet aan die duistere wereld, haar gloed verdort zijn loten, zij ontkomen niet aan die hete adem. JOB 15:31 Wie op luchtspiegelingen vertrouwt verdwaalt en komt bedrogen uit. JOB 15:32 Voortijdig verschrompelen zijn loten en zijn twijgen worden niet groen: JOB 15:33 een wijnstok die vruchten afstoot voor het rijpen, een olijf die zijn bloesem laat vallen. JOB 15:34 Zo blijven de goddelozen onvruchtbaar, de tent van de bedriegers gaat in vlammen op; JOB 15:35 ze dragen onheil, baren misdaad, hun schoot kweekt enkel wind. JOB 16:1 En Job gaf dit antwoord: JOB 16:2 Dat heb ik meer gehoord, onzalige troosters zijn jullie! JOB 16:3 Komt er geen eind aan die onzin? Wat een meewarige ijver! JOB 16:4 Precies zo zou ik kunnen spreken, stonden jullie in mijn plaats, alleen veel beter; wat zou ik hoofdschuddend JOB 16:5 bemoedigen, beklagen met woorden, woorden. JOB 16:6 Maar als ik spreek, trekt de pijn niet weg; als ik zwijg, blijft mijn verdriet. JOB 16:7 Hij heeft mij gebroken, helemaal weerloos gemaakt; JOB 16:8 Hij getuigt tegen mij, verloochent mij, draagt beschuldigingen aan, JOB 16:9 in zijn woede verscheurt en kwelt Hij mij, knarst met de tanden wet zijn zwaard en loert op mij. JOB 16:10 Ze zetten een grote mond, slaan me in mijn gezicht, de spotters, als een man staan ze dreigend voor mij. JOB 16:11 God levert mij uit aan misdadigers, aan de willekeur van goddelozen. JOB 16:12 Ik was in vrede, maar Hij jaagt me op, grijpt me in mijn nek om hem te breken. Ik ben zijn doelwit: JOB 16:13 zijn pijlen vliegen me om de oren, Hij spaart me niet, treft mijn nieren, mijn gal vloeit op de grond. JOB 16:14 Hij ramt mij open, een bres in de muur, en stormt als een krijger op mij af. JOB 16:15 Een zak is mijn kleed, stof mijn kroon; JOB 16:16 rood zijn mijn ogen van tranen, helemaal verduisterd. JOB 16:17 Toch heb ik nooit geweld gepleegd en mijn gebed is oprecht. JOB 16:18 Aarde, gun mij geen graf; dan blijft mijn bloed roepen om vergelding. JOB 16:19 Nog heb ik in de hemel een getuige, een verdediger in den hoge; JOB 16:20 nu mijn vrienden met mij spotten schrei ik tranen tot God: JOB 16:21 iemand moet toch bij God opkomen voor de mens zoals mensen voor elkaar opkomen? JOB 16:22 Ach, jaren ongeteld komen aan, ik ga de weg waar niemand van keert. JOB 17:1 Ik ben gebroken, mijn leven is voorbij, ik wacht slechts op mijn graf. JOB 17:2 De pas naar de onderwereld doemt voor mij op, daar zie ik de moerassen! JOB 17:3 Geef me toch een verdediger, wie wil nog voor mij instaan? JOB 17:4 Ge laat toch hen niet winnen die Gijzelf met domheid slaat? JOB 17:5 Wie zijn vriend aanklaagt worde met de dood betaald, en zelfs zijn kinderen verkwijnen. JOB 17:6 Mijn naam is een spotnaam bij iedereen, een schande voor alle mensen. JOB 17:7 Mijn ogen zijn dof van verdriet, mijn gestalte verschraalt tot een schim. JOB 17:8 De rechtvaardige distantiëert zich van mijn geval, zet zich af, in zijn onschuld, tegen zo'n goddeloze; JOB 17:9 in zijn eigen straatje bijt hij zich vast en ziet geen andere weg, met de beste wil niet. JOB 17:10 Kom, begin maar weer van voren af aan, van jullie valt geen zinnig woord te verwachten. JOB 17:11 Voor mij is plannen maken voorbij, al mijn energie is gebroken JOB 17:12 maar zij: nacht noemen ze dag, en ondanks de wolken zien zij de zon. JOB 17:13 Als de onderwereld het mij toegewezen huis is, mijn bed daar opgemaakt staat, JOB 17:14 als ik het graf van mijn vader moet noemen, de wormen groeten als moeder en zus, JOB 17:15 waar is dan nog uitzicht voor mij, wie kan het ontdekken? JOB 17:16 Daalt het soms in een omarming omkneld samen met mij af in de onderwereld? JOB 18:1 En weer zei Bildad uit Suach: JOB 18:2 Hou je nooit meer op met praten? Luister, dan is er tenminste kans op gesprek. JOB 18:3 Waarom ons beschouwen als redeloos vee, te stom in jouw ogen? JOB 18:4 Je vreet je op van ergernis. Moet dan om jou de wereld anders opgezet worden, de bergen van hun plaats gerukt? JOB 18:5 Nee, zo is het en blijft het: gedoofd wordt het licht van de goddeloze, zijn vuurgloed geblust; JOB 18:6 het licht in zijn tent straalt niet meer, in zijn huis gaan de lampen uit. JOB 18:7 Zijn vaste tred wordt wankel, hij struikelt over zijn eigen plannen. JOB 18:8 Onverhoeds verstrikt hij zich in het net, stapt op het vlechtwerk van een valkuil, JOB 18:9 raakt met zijn hiel in een klem, loopt vast in een strik; JOB 18:10 op de grond ligt een vangtouw verborgen, een voetangel waar hij ook gaat. JOB 18:11 Verschrikking, allerhand, springt op hem toe, jaagt hem op bij elke stap. JOB 18:12 Onderwereld, die gulzigaard, wacht hem op, rampspoed wijkt niet van zijn zijde, JOB 18:13 ziekte knaagt aan zijn huid, de pest doet zijn leden verteren. JOB 18:14 Uit zijn veilige tent wordt hij ontvoerd, weg naar koning Verschrikking. JOB 18:15 Zijn tent wordt in brand gestoken, zwavel op zijn woning gestrooid. JOB 18:16 Aan de voet verdorren zijn wortels, op de kruin verwelken zijn takken. JOB 18:17 Zijn nagedachtenis verdwijnt van de aarde, van hem wordt niet meer gesproken op straat, JOB 18:18 verstoten als hij is van licht naar duisternis, weggevaagd van de wereld. JOB 18:19 Hij heeft geen stamhouder meer onder zijn volk, onbewoond staat zijn huis. JOB 18:20 Het westen is ontsteld over zijn lot, het oosten met huiver geslagen: JOB 18:21 kijk, dat is nu de woning van de goddeloze die de Heer niet wilde erkennen. JOB 19:1 Zo luidde het antwoord van Job: JOB 19:2 Hoelang nog blijf je me kwellen, bedelven onder je woorden? JOB 19:3 Minstens tien maal heb je me beledigd, onbeschaamd mij vernederd. JOB 19:4 Natuurlijk, ik ben de man die dwaalt, de fout ligt bij mij, bij mij alleen. JOB 19:5 Als jullie mij willen overbluffen, mij mijn schande verwijten, JOB 19:6 weet dan: God is niet eerlijk en strikt mij in zijn net. JOB 19:7 Dat is onrechtvaardig, roep ik, maar niemand gaat erop in; ik smeek om mijn recht, maar krijg het niet. JOB 19:8 Hij verspert mijn weg, ik kan niet verder, Hij hult mijn pad in duisternis. JOB 19:9 Eerloos heeft Hij mij gemaakt, mij de kroon van het hoofd gerukt. JOB 19:10 Hij breekt mij af en het is uit met mij, mijn hoop ligt neer als een omgerukte boom. JOB 19:11 Zijn woede hitst Hij op tegen mij, Hij ziet in mij zijn vijand. JOB 19:12 Al zijn troepen trekken tegen mij op, banen zich een weg en belegeren mijn huis. JOB 19:13 Broers en zusters blijven op een afstand, kennissen herkennen mij niet, JOB 19:14 familie en vrienden laten mij in de steek, mijn gasten zijn mij vergeten, JOB 19:15 mijn slavinnen zien in mij een vreemdeling, in hun ogen ben ik de onbekende. JOB 19:16 Roep ik mijn knecht, hij luistert niet hoe vriendelijk ik ook vraag. JOB 19:17 Mijn vrouw kan mijn adem niet luchten, mijn eigen zonen vinden dat ik stink; JOB 19:18 kinderen maken zich vrolijk om mij, als ik opsta gaan ze op de loop. JOB 19:19 Mijn oude vrienden verachten mij, die ik liefhad keren zich van mij af. JOB 19:20 Vel over been ben ik, ik houd me nauwelijks staande. JOB 19:21 Vrienden dan toch, heb meelij met mij want de hand van God heeft mij geslagen. JOB 19:22 Waarom mij vervolgen zoals God? Waarom mijn vege lijf niet met rust gelaten? JOB 19:23 Ach, werden mijn woorden maar opgetekend, ergens in vastgelegd, JOB 19:24 door een ijzeren stift in rotssteen gedreven, met lood gevuld, tot blijvend getuigenis. JOB 19:25 Want ik weet, ik ben er zeker van: mijn verdediger leeft, tenslotte zal Hij deze wereld binnentreden. JOB 19:26 En al ben ik nog zo geschonden, ik zal God zien vanuit dit lijf. JOB 19:27 Aan mijn zijde zal ik Hem zien, met eigen ogen; ik sterf haast van verlangen. JOB 19:28 En jullie maar zeggen: wat wordt hij achterna gezeten, zijn rechtszaak uitgezocht tot op het bot! JOB 19:29 Pas zelf maar op voor zijn zwaard, want al die nijd kon je de kop wel kosten! Dan zul je weten wie de Almachtige is. JOB 20:1 Nu nam Sofar uit Naama het woord: JOB 20:2 Verontwaardigd ben ik, ik moet spreken, zulke beschuldigingen maken mij kwaad. JOB 20:3 Je uiteenzetting is grievend, je antwoord nonsens. JOB 20:4 Vanouds, dat moet jij toch weten, sinds mensenheugenis geldt: JOB 20:5 de vreugde van de boze is kortstondig, zijn blijdschap duurt maar even. JOB 20:6 Al raakt zijn kruin de hemel, al steekt zijn hoofd in de wolken, JOB 20:7 hij valt voor altijd verloren als zijn eigen drek, en zijn kennissen vragen: waar is hij nu? JOB 20:8 Spoorloos, ongrijpbaar vervliegt hij als een schrikbeeld, een duistere droom. JOB 20:9 Ogen zien hem niet meer, hij blijft onvindbaar in eigen huis. JOB 20:10 Zijn kinderen raken al zijn rijkdom kwijt, vragen zelfs bedelaars om een aalmoes. JOB 20:11 In de fleur van zijn leven ligt hij neer in het stof. JOB 20:12 Het kwaad smaakt hem zo goed en smelt zo heerlijk op zijn tong, JOB 20:13 dat hij, zuinig genoeg, het niet doorslikt en blijft proeven tegen zijn gehemelte. JOB 20:14 Maar, opgenomen in zijn lichaam, wordt het addergif in zijn buik. JOB 20:15 De rijkdom die hij binnenslokt geeft hij als braaksel op; die perst God hem uit het lijf. JOB 20:16 Wat hij opslurpt blijkt gif van een slangetong die hem doodt. JOB 20:17 Geen stromen olie, geen overvloed aan melk en honing kunnen hem verkwikking bieden. JOB 20:18 Wat hij zich verwerft geeft hij weer op, hij krijgt geen kans te slikken; zijn winstgevende handel bekomt hem slecht. JOB 20:19 Omdat hij de armen eerder slaat dan steunt, hun huizen eerder rooft dan beschermt; JOB 20:20 omdat zijn honger niet te stillen is en hij verteert wordt door hebzucht; JOB 20:21 omdat zijn vraatzucht alles verslindt daarom duurt zijn geluk zo kort. JOB 20:22 Op het toppunt van zijn weelde overrompelt hem de angst, valt het ongeluk velerhand op hem neer. JOB 20:23 Nog terwijl hij zich volpropt is daar de hete adem van Gods wraak, regent het vuur van Gods woede op hem neer. JOB 20:24 Vlucht hij voor de geharnaste aanvaller, dan treft hem een bronzen pijl. JOB 20:25 De spies dringt door in zijn rug, de glinsterende punt piekt in zijn lever; hij raakt in paniek. JOB 20:26 De glans van zijn schatten wordt verduisterd, een heimelijk vuur vreet alles aan, verslindt wat in zijn tent nog over was. JOB 20:27 De hemel brengt zijn boosheid aan het licht, de aarde getuigt tegen hem. JOB 20:28 Een stortvloed overspoelt zijn huis en sleurt hem mee op de dag van de wraak. JOB 20:29 Dat krijgt zo iemand van God, dat staat hem te wachten. JOB 21:1 Weer nam Job het woord en zei: JOB 21:2 Luister toch eindelijk eens naar mij, gun me tenminste de troost JOB 21:3 dat ik uit mag spreken; daarna kun je spotten zoveel je wilt. JOB 21:4 Ik heb het niet tegen een mens, dat weet je toch! daarom juist verlies ik mijn geduld. JOB 21:5 Kijk eens naar mij. Ben je dan niet verbijsterd? Sla je de handen niet voor de mond? JOB 21:6 In ieder geval: als ik nadenk, raak ik van mijn stuk, ril ik over heel mijn lijf. JOB 21:7 Waarom hebben de goddelozen het goed, ja steeds beter naarmate zij langer leven? JOB 21:8 Hun familie vaart wel, ouders leven nog, en de nieuwe generatie treedt al aan. JOB 21:9 Ongestoorde vrede geniet hun huis, Gods gesel treft hen niet. JOB 21:10 Het dekken van hun stieren slaat altijd aan, hun koeien kalven en weten van geen misdracht. JOB 21:11 Buiten spelen hun kinderen en het lijkt wel een huppelende kudde; JOB 21:12 zij zingen bij tamboerijn en citer, vermaken zich met muziek en fluit. JOB 21:13 En eerst na een leven in geluk gesleten dalen zij af naar het dodenrijk. JOB 21:14 Diezelfde mensen zeggen tot God: laat ons met rust, we stellen geen belang in uw plannen. JOB 21:15 Waarom de Almachtige dienen? Waarom tot Hem bidden? JOB 21:16 God schenkt de goddelozen alle goeds, maar Hij speelt in hun stuk geen rol. JOB 21:17 Gaat hun licht ooit uit? Krijgen zij de rampen die ze verdienen? Vermorzelt hen Gods wraak? JOB 21:18 Worden ze ooit weggeblazen als stro, als kaf meegezogen door de wind? JOB 21:19 God mag rijkdom bewaren voor zijn kinderen, als Hij hemzelf dan maar eens zijn straf liet voelen, JOB 21:20 als de Almachtige hemzelf zijn wraak maar liet zien, hemzelf de kelk van vergelding liet drinken. JOB 21:21 Wat kunnen hem, eenmaal dood, die kinderen schelen, als de reeks van zijn jaren ten einde is? JOB 21:22 Maar brengt God ooit de hoogmoedigen tot inzicht, spreekt Hij ooit een oordeel over hen uit? JOB 21:23 Nooit! De een blijft gezond tot aan zijn dood, leeft in vrede, zonder zorg. JOB 21:24 welgedaan en goed in het vlees, fris tot in het merg van zijn gebeente; JOB 21:25 de ander sterft droef te moede, zonder ooit geluk te hebben gekend. JOB 21:26 Ze liggen wel allebei in het stof, met wormen overdekt. JOB 21:27 Ik weet wat jullie denken, hier geforceerd tegenin zullen brengen: JOB 21:28 Wijs ons het huis van die heren, de tent waar die goddelozen wonen. JOB 21:29 Hebben jullie dan nooit reizigers gesproken? Of tel je niet wat zij zeggen? JOB 21:30 Hoor je niet: 'ook de boze blijft in leven, ook hij haalt de oordeelsdag?' JOB 21:31 Wie klaagt hem dan nog openlijk aan? Wie straft hem voor zijn misdaden? JOB 21:32 Hij wordt stichtelijk begraven; ook bij zijn tombe wordt gewaakt. JOB 21:33 Zacht rust hij onder de zoden; zo komen er velen na hem, zo gingen hem velen vooraf. JOB 21:34 Waardeloos is jullie troost; bedrog je antwoord, meer niet. JOB 22:1 Hierop antwoordde Elifaz uit Teman: JOB 22:2 Natuurlijk, niemand kan iets doen ten bate van God, al is hij nog zo wijs. JOB 22:3 De Almachtige heeft geen belang bij jouw rechtschapenheid, puurt geen winst uit jouw onbesproken gedrag. JOB 22:4 Maar als Hij je voor het gerecht daagt, met jou in geding treedt, gebeurt dat dan vanwege je vroomheid? JOB 22:5 Kom nou, toch vanwege je boosheid, omdat je schuld geen grenzen kent, JOB 22:6 omdat je onredelijk pand eist van je naaste, armen uitkleedt, JOB 22:7 dorstigen een dronk weigert, hongerigen geen brood geeft JOB 22:8 ja, de sterken hebben de macht, brutalen de halve wereld JOB 22:9 omdat je weduwen wegstuurt zonder iets, de bedelhanden van wezen leeg laat, JOB 22:10 daarom kun je geen kant meer uit, daarom word je door angst overvallen. JOB 22:11 Zie je de lucht niet donker worden? Je verdrinkt in de wassende vloed. JOB 22:12 God is de hoge Heer van de hemel, hij kijkt over alle sterren heen, hoe hoog ze ook zijn. JOB 22:13 Maar dan zeg jij: 'Wat weet God eigenlijk? Oordeelt en ziet hij dwars door de wolken heen? JOB 22:14 In nevels gehuld kan Hij niets zien, Hij wandelt ergens aan het eind van de wereld'. JOB 22:15 Moet jij zonodig de weg op der verblinding, het pad der leeghoofden gaan? JOB 22:16 Zulke mensen worden weggerukt voor hun tijd, van hun voetstuk gesleurd door de maalstroom, JOB 22:17 omdat ze zeggen tegen God: laat ons met rust, of: Wat kan de Almachtige ons maken?' JOB 22:18 Hij speelt in hun stuk geen rol en toch heeft Hij hun huizen volgetast. JOB 22:19 De rechtvaardige drijft de spot met zulke mensen, hun aanblik vervult hem met leedvermaak: JOB 22:20 Daar ligt hun grootheid geveld, en wat nog rest gaat in vlammen op. JOB 22:21 Maak het goed met God en sluit vrede, dan heb je alles gewonnen. JOB 22:22 Luister naar de lessen van zijn mond, schrijf zijn woorden in je hart. JOB 22:23 Als je terugkeert tot de Almachtige, verstandig bent, alle onrecht verre houdt van je woning, JOB 22:24 dan zal Hij die het goud weglegt in de aarde, in de rotsige beken van Ofir, JOB 22:25 de Almachtige Hij zal jouw goud zijn en jouw kostelijk zilver. JOB 22:26 Dan zul je vrede vinden bij de Almachtige, Hem weer onbevreesd aanzien. JOB 22:27 Bid je tot Hem, Hij zal je verhoren; doe je een gelofte, je kunt ze volbrengen; JOB 22:28 neem je een besluit, het wordt uitgevoerd; ga je ergens heen, licht gaat voor je uit. JOB 22:29 Is iemand vernederd en zeg jij: sta op! God zal de verslagene doen staan. JOB 22:30 En spreekt hij vrij die niet schuldvrij zijn, dan omwille van jouw schone handen. JOB 23:1 Opnieuw nam Job het woord: JOB 23:2 Ook nu nog kom ik in verzet al trek ik krom van verdriet. JOB 23:3 Ach, kon ik Hem toch eens vinden, doordringen tot zijn verblijf, JOB 23:4 ik zou mijn zaak bepleiten, al mijn argumenten voor Hem uitstorten. JOB 23:5 Eindelijk zou ik zijn antwoord kennen en horen wat Hij wil. JOB 23:6 Zou Hij dan met al zijn macht mij vervolgen, Hij zou mij toch niets ten laste kunnen leggen. JOB 23:7 Als ik open en eerlijk met Hem kon twisten, ontloop ik zijn vonnis voorgoed. JOB 23:8 Maar trek ik oostwaarts Hij is er niet, westwaarts ik vind Hem niet; JOB 23:9 werkt Hij in het noorden niemand te ontdekken; keert Hij naar het zuiden Hij blijft onvindbaar. JOB 23:10 Want Hij kent mijn levenswandel en weet: uit zijn loutering kom ik te voorschijn als goud. JOB 23:11 Mijn voeten hebben zijn spoor gevolgd, ik week niet af van zijn weg, JOB 23:12 liet zijn geboden niet los, ik bewaarde ze diep in mijn hart. JOB 23:13 Maar Hij is de Heer, niemand weerhoudt Hem, Hij doet wat Hij doen wil, JOB 23:14 zijn plan met mij zet Hij door, en Hij heeft veel zulke plannen. JOB 23:15 Daarom juist ben ik zo bang voor Hem; hoe meer ik dat besef hoe banger ik word. JOB 23:16 Bij Hem ontzinkt mij alle moed. Juist zijn almacht doemt mij tot onmacht. JOB 23:17 Niet zijn duisternis maakt mij bang, maar de wraak die erachter schuilgaat. JOB 24:1 Waarom is de Almachtige tijd en uur bekend en mogen zijn vrienden niet weten wanneer Hij ingrijpt? JOB 24:2 De booswichten verleggen maar grensstenen, sleuren kudde en herder weg, ongestoord; JOB 24:3 ze maken zich meester van de ezel der wezen, leggen beslag op de os van de weduwe, JOB 24:4 verkrachten het recht van de armen: onderduiken is hun enige kans. JOB 24:5 En dan gaan deze tobbers op pad, al vroeg door de steppe, als wilde ezels op zoek naar voedsel; en 's avonds laat hebben hun kinderen nog niets te eten. JOB 24:6 Oogsten mogen ze, ja, op een kale akker, of in de leeggeplukte wijngaard van de rijken. JOB 24:7 Zij liggen naakt te slapen, ongekleed, onbeschermd tegen de kou. JOB 24:8 Ze raken doorweekt van de regen uit de bergen, de kale rots is hun enige schuilplaats. JOB 24:9 Die schurken, ze ontrukken de wezen hun laatste stukje land, en leggen beslag op het schamel bezit van de armen. JOB 24:10 Naakt zwerven ze rond en ongekleed, helpen bij de oogst en moeten toch honger lijden, JOB 24:11 zwoegen op de wijnberg in de laaiende zon, treden de persen en moeten toch dorst lijden. JOB 24:12 Kreunend sterven zij overal in de stad, roepen gewond om hulp, maar God heeft geen oog voor deze verschrikking. JOB 24:13 Die onrechtvaardigen zijn als schurken die het licht schuwen ze willen er niets van weten en keren het de rug toe JOB 24:14 moordenaars die opstaan in het donker om armen en zwakken te doden, dieven die 's nachts rondsluipen, JOB 24:15 echtbrekers die wachten op de schemering niemand mag mij zien, denken ze, en ze bedekken hun gelaat JOB 24:16 inbrekers die 's nachts heimelijk binnendringen, maar overdag zich opsluiten. Zo schuwen zij het licht. JOB 24:17 De duisternis is hun morgen, de angstaanjagende donkerte hun element. JOB 24:18 Zelf drijven ze voorbij als schuim op het water; even snel verdort hun vruchtbaar land; niemand wil naar hun wijngaard toe. JOB 24:19 Zoals droogte en hitte het sneeuwwater opslorpen, zo verzwelgt de Sjeool die zondaar; JOB 24:20 zijn moeder vergeet hem, die wormen verteren hem, niemand denkt meer aan hem. De onrechtvaardige wordt geveld als een boom. JOB 24:21 Als God, die de kinderloze bijstaat en de ongelukkige weduwe, JOB 24:22 als God machtig opstaat om die sterken te grijpen, dan zijn ze hun overmoed kwijt. JOB 24:23 Hij laat hen zich wel veilig en zeker wanen, maar Hij houdt ze in de gaten; JOB 24:24 een moment staan ze aan de top, en dan is het uit, ze zijgen ineen, verschrompelen als de melde, hangen slap als al te zware halmen op hun steel. JOB 24:25 En gesteld dat dit niet klopt; wie bewijst dat ik lieg, dat mijn argumenten niet deugen? JOB 25:1 Weer nam Bildad uit Suach het woord: JOB 25:2 God heerst met macht en majesteit, zelfs de hemelen dwingt Hij tot een vredesverdrag; JOB 25:3 ontelbaar zijn zijn troepen; tegen zijn glans is niemand bestand. JOB 25:4 Hoe kan een mens dan rechtvaardig zijn tegenover God, rein zijn het kind van een vrouw? JOB 25:5 Als zelfs de maan niet glanst en de sterren niet schitteren in zijn ogen, JOB 25:6 wat moet dan een mens, een mensenkind, die nietige aardworm? JOB 26:1 Maar Job diende van antwoord: JOB 26:2 Dat noem ik hulp voor hulpelozen, dat noem ik troost voor troostelozen! JOB 26:3 Voor wie het niet goed meer ziet: daar is je raadsman, hij helpt je een end op weg! JOB 26:4 Waar haal je die kletspraat vandaan, wie is de bron van die wijsheid? JOB 26:5 Ja, de schimmen sidderden voor God, alle bewoners van onder de wateren; JOB 26:6 de onderwereld lag open voor Hem, onbeschut het dodenrijk JOB 26:7 en dan spant Hij de noorderhemel uit boven de diepte, en Hij laat de aarde drijven op het niets; JOB 26:8 dan perst Hij het water in wolken en toch scheurt de nevel daaronder niet; JOB 26:9 dan verduistert Hij de volle maan en hangt er zijn wolken voor; JOB 26:10 dan schrijft Hij een horizon aan de einder van de zee waar licht en duisternis elkaar ontmoeten. JOB 26:11 De hemel wankelde op zijn zuilen, sidderde voor de dreigende God JOB 26:12 en dan splijt Hij de zee met machtige hand, slaat Rahab neer met een welgemikte slag; JOB 26:13 zijn stormwind blaast de zee terug en Hij doorsteekt het kronkelend serpent. JOB 26:14 En slechts een deel van zijn werken komt hier aan bod, nog maar een half woord vernemen wij, de volle omvang kan niemand bevatten. JOB 27:1 Maar toch zo vervolgde Job toch: JOB 27:2 Bij de levende God die me mijn recht onthoudt, bij de Almachtige die mijn leven vergalt: JOB 27:3 zolang ik leef, zolang Gods adem mij bezielt, JOB 27:4 zullen mijn lippen niet liegen, zal mijn tong geen onwaarheid spreken. JOB 27:5 Nooit in der eeuwigheid zal ik jullie bijvallen, tot mijn laatste snik kom ik op voor mijn onschuld. JOB 27:6 Rechtvaardig ben ik, dat houd ik vol; geen dag van mijn leven kan mij iets verwijten. JOB 27:7 Nog liever zou ik dan volhouden: mijn Tegenstander staat in het ongelijk, mijn Vijand is de schuldige. JOB 27:8 Immers, wat mag ik als zondaar verwachten? God snijdt je weg, God eist je leven op. JOB 27:9 Of denk je dat God naar zondaars luistert, hun noodkreet Hem bereikt? JOB 27:10 Kunnen zij zich ooit veilig voelen bij Hem, de Almachtige aanroepen te allen tijde? JOB 27:11 Ik zal jullie leren wat God in zo'n geval doet, precies vertellen hoe Hij reageert. JOB 27:12 Trouwens, jullie met zijn allen zagen het toch zo goed; wat wil dit zinloos gesprek dan nog? JOB 27:13 Dit heb je als zondaar van God te verwachten, dit houdt de Almachtige voor zo iemand achter de hand: JOB 27:14 Talrijk zijn zijn kinderen, maar ze komen om door het zwaard; groot is zijn gezin, maar het verhongert. JOB 27:15 Wie gespaard blijft sterft aan de pest, geen weduwe die er om treurt. JOB 27:16 Al gaart hij geld bijeen als stof en mooie kleren als was het gewoon slijk, JOB 27:17 hij doet maar: de rechtvaardige trekt ze aan, de onschuldige gaat strijken met zijn geld. JOB 27:18 Het huis dat hij bouwt blijkt spinrag een nietige hut op het veld. JOB 27:19 Hij is nog rijk als hij gaat slapen, bij zijn ontwaken rest hem niets meer. JOB 27:20 Verschrikkingen vallen op hem bij klaarlichte dag en 's nachts rukt de stormwind hem weg. JOB 27:21 De oostenwind pakt hem op, sleurt hem mee, rukt hem weg van zijn plaats. JOB 27:22 Meedogenloos werpt God hem tegen de grond: probeer maar eens aan zijn greep te ontkomen. JOB 27:23 Men klapt vol leedvermaak in de handen, vanuit zijn eigen huis wordt hij nagefloten. JOB 28:1 Ja, zilver kun je wel ergens vinden, goud kun je wel ergens wassen, JOB 28:2 ijzer uit de bodem halen, erts omsmelten tot koper; JOB 28:3 het duister kun je terugdringen, en tot in de verste hoeken doorzoeken de donkere diepte van de rotsen; JOB 28:4 ja, men hakt gangen uit, ver van de bewoonde wereld waar bijna niemand komt, kronkelgangen als draden zo dun. JOB 28:5 Boven op de aarde ontkiemt het graan, diep onderin woelt een soort vuur. JOB 28:6 In haar gesteente is saffier te vinden en stofgoud ook. JOB 28:7 Geen roofvogel kent het pad daarnaartoe, zelfs de havik weet het niet te ontdekken. JOB 28:8 De machtigste dieren blijven er weg, geen leeuw is er ooit doorgedrongen. JOB 28:9 Alleen de mens, die de hand slaat aan het gesteente, de fundamenten van de bergen omwoelt, JOB 28:10 tunnels boort in de rotsen, die ontdekt inderdaad allerlei kostbaarheden; JOB 28:11 damt hij de bronnen van de rivieren af, dan brengt hij inderdaad de meest verborgen schatten aan het licht. JOB 28:12 Maar wijsheid, waar vind je die? Weet iemand waar zij woont? JOB 28:13 Geen mens kent de weg naar haar toe, in het land der levenden is zij onvindbaar; JOB 28:14 als de oceaan zegt: 'niet hier,' dan zegt de zee: 'hier evenmin.' JOB 28:15 Ze is voor geen goud te koop, met geen zilver te betalen. JOB 28:16 Goud uit Ofir is niet goed genoeg, kornalijn noch saffier. JOB 28:17 Goud of glas komen hier niet in aanmerking, geen sieraden hoe kostbaar ook halen het erbij. JOB 28:18 Koraal en kristal, zij verbleken, een vermogen aan parels weegt niet op tegen de wijsheid. JOB 28:19 Waardeloos blijkt topaas uit Koes en het zuiverste goud geen geschikte munt. JOB 28:20 Ja, waar komt de wijsheid vandaan, weet iemand waar zij woont? JOB 28:21 Zij is verborgen voor al wat leeft, zelfs de vogels in de lucht kunnen haar niet ontdekken. JOB 28:22 Dood en onderwereld zeggen: bij geruchte hebben wij vernomen JOB 28:23 God alleen kent het pad ernaartoe, Hij weet waar zij zich ophoudt. JOB 28:24 Zijn oog reikt tot aan de grenzen van de aarde, Hij ziet alles wat de hemel omspant. JOB 28:25 Hij die de kracht bepaalt van de wind, en de omvang van de zee, JOB 28:26 de wet voorschrijft aan de regen, donder en bliksem dirigeert, JOB 28:27 Hij ziet de wijsheid, kent, begrijpt en doorpeilt haar. JOB 28:28 Hij zegt tot de mens: 'Wijsheid? Wijsheid is: God vrezen, het kwaad vermijden.' JOB 29:1 En Job ging verder: JOB 29:2 Wie geeft mij de tijd van vroeger terug, de dagen dat God over mij waakte: JOB 29:3 zijn lamp scheen boven mijn hoofd, zijn licht wees mij de weg door het duister. JOB 29:4 Was het maar als in mijn beste jaren toen de Allerhoogste thuis was in mijn tent, JOB 29:5 de Almachtige met mij was en mijn kinderen om mij heen; JOB 29:6 mijn voeten baadden in boter en balsem, stromen olie vloeiden over mijn benen. JOB 29:7 kwam ik de stadspoort uit mijn zetel innemen op het plein, JOB 29:8 dan trokken de jongelui zich terug zo gauw ze me zagen; de ouderen stonden vol eerbied op; JOB 29:9 magistraten durfden niet meer te spreken en legden hun hand op de mond; JOB 29:10 notabelen stonden stom, hun tong kleefde aan hun gehemelte. JOB 29:11 Wie mij hoorde prees mijn woord, wie mij zag verkondigde mijn lof; JOB 29:12 want redder was ik van reddeloze armen, helper van hulpeloze wezen. JOB 29:13 Die bijna waren bezweken zegenden mijn optreden; ontroostbare weduwen bracht ik weer tot blijdschap. JOB 29:14 Gerechtigheid was mijn kleed, rechtvaardigheid mijn mantel en hoofddoek. JOB 29:15 Voor de blinde was ik zijn ogen, voor de lamme zijn voeten; JOB 29:16 een vader was ik voor behoeftigen, en ik zette mij in voor het recht van vreemden. JOB 29:17 Van misdadigers sloeg ik de kaken stuk en rukte de prooi uit hun bek. JOB 29:18 Daarom dacht ik: als een welgestelde zal ik sterven, in rijkdom ontelbaar als het zand aan de zee. JOB 29:19 Water volop vloeide naar mijn wortels 's nachts drenkte de dauw mijn takken. JOB 29:20 Mijn naam en eer verbleekten niet, mijn boog behield zijn spankracht. JOB 29:21 Iedereen luisterde vol verwachting naar wat ik zei; in eerbiedig zwijgen werd mijn beslissing aanhoord. JOB 29:22 Na mij kwam geen tweede spreker, want gretig dronken zij woord voor woord, JOB 29:23 ja, zij keken er naar uit als naar de regen en openden wijd de mond voor die lentedruppels. JOB 29:24 Lachte ik tegen hen, dan vatten zij moed; mijn glimlach verdreef hun somberheid. JOB 29:25 Ik wees hun weg, ik was hun hoofd, mijn tent was de koningstent temidden van een leger, ze lieten zich leiden waarheen ik hen bracht. JOB 30:1 Maar nu, nu word ik uitgelachen door jongeren wier vaders ik nog niet als herdershond zou willen. JOB 30:2 Niets is ermee aan te vangen! Ze missen alle energie, JOB 30:3 zijn het die niets presteren. Ze stropen de wildernis af naar eten, scharrelen wat op in de lege woestijn, JOB 30:4 plukken melde en wilde blaren en eten wortels van de brem. JOB 30:5 Ze worden uit de gemeenschap gestoten nagejouwd als dieven; JOB 30:6 in ruige wadi's huizen ze in grondholen of bergspelonken. JOB 30:7 Ze laten hun gebrul horen van onder de struiken en hokken er bij elkaar, JOB 30:8 eerloos, naamloos, weggejaagd uit hun land. JOB 30:9 En diezelfden zingen nu spotliedjes en roddelen over mij. JOB 30:10 Vol afschuw blijven ze op een afstand of spuwen me zelfs in het gezicht. JOB 30:11 Tomeloos gaan ze op mij los, ongeremd vieren zij zich uit. JOB 30:12 In drommen staan ze plotseling naast me, laten mij struikelen, banen een weg voor hun dodelijke aanval. JOB 30:13 Mijn pad breken ze op. Zij kiezen de zijde van mijn ongeluk; mijn zijde kiest niemand. JOB 30:14 Als door een gapende bres snellen ze op mij toe in golven ten aanval trekkend dwars door het puin. JOB 30:15 Van overal komt verschrikking op mij af, mijn eer wordt weggevaagd door die storm, mijn roem drijft weg als een wolk. JOB 30:16 Daarom breek ik uit in tranen, want dagen van ellende houden mij in hun greep. JOB 30:17 's Nachts priemt de pijn tot in mijn beenderen, dat knagend zeer kent geen slaap. JOB 30:18 God, de geweldenaar, bezoedelt mijn kleed; want nauwelijks heb ik het aangetrokken JOB 30:19 of hij smijt me tegen de grond en daar lig ik dan, een hoopje stof en as. JOB 30:20 Roep ik om hulp, Gij antwoordt niet al ziet Gij mij goed staan. JOB 30:21 Gij zijt mijn tiran geworden en achtervolgt mij met uw machtige arm. JOB 30:22 Gij licht mij op, sleurt mij mee op de wind en schudt mij heen en weer in de storm. JOB 30:23 Dit is zeker: Gij drijft me terug in de dood, het verzamelhuis van al wat leeft. JOB 30:24 Maar laat toch alwie niet geruineerd is de hand uitsteken als iemand in nood daarom bidt en smeekt! JOB 30:25 Ben ik soms niet droef geweest met de bedroefden, arm met de armen? JOB 30:26 Daarom verwachtte ik geluk, maar ongeluk kwam; daarom verwachtte ik licht, maar duisternis kwam. JOB 30:27 Mijn maag komt in opstand, blijft onrustig, want voor mij zie ik alleen maar ellende. JOB 30:28 In lompen loop ik rond verloren in de kou; sta ik nog op in de vergadering, dan slechts als smekeling. JOB 30:29 Voortaan woon ik onder de woestijndieren als een soort jakhals of struisvogel. JOB 30:30 Mijn huid wordt zwart en scheurt los, mijn beenderen gloeien van koorts. JOB 30:31 Geen harp en fluit meer, alleen ach en wee. JOB 31:1 Ik had mijn ogen de wacht aangezegd: niet meer naar meisjes kijken! JOB 31:2 En wat is mijn lot van Godswege, wat beschikt de Almachtige uit den hoge? JOB 31:3 Rampspoed voor de bozen zegt men tegenslag voor allen die kwaad bedrijven. JOB 31:4 Maar Hij ziet toch hoe ik leef, telt toch al mijn stappen? JOB 31:5 Liet ik mij ooit in met afgoden of was ik uit op zulk bedrog? JOB 31:6 Als God mij eerlijk weegt moet Hij weten wat ik waard ben. JOB 31:7 Als ik stappen zet naast de weg, als mijn hart doet wat mijn ogen begeren, als ik inderdaad vuile handen heb, JOB 31:8 laat dan een ander eten wat ik heb gezaaid, uitrukken wat ik heb geplant. JOB 31:9 Als mijn hart zich liet verleiden door een vrouw en ik zat te loeren aan de deur van mijn buurman, JOB 31:10 laat dan mijn vrouw koren malen voor een ander, laat anderen haar dan maar bezitten. JOB 31:11 Want zoiets is ontucht, een misdaad die voor de rechter dient gebracht, JOB 31:12 een dodelijk vuur dat almaar verder vreet en al mijn bezittingen zou verslinden. JOB 31:13 Heb ik slaaf of slavin ooit hun recht onthouden als zij iets met mij hadden? JOB 31:14 Nee, want wat zou ik moeten doen als God mij riep, wat antwoorden als Hij mij rekenschap vroeg? JOB 31:15 Een moederschoot vormde mij, een moederschoot vormde hen; een en dezelfde gaf ons het leven in die schoot. JOB 31:16 Nooit heb ik armen geweigerd waarom zij vroegen, nooit weduwen overgelaten aan hun lot, JOB 31:17 nooit mijn brood alleen opgegeten zonder het te delen met de wezen. JOB 31:18 Omdat God vanaf mijn jeugd mij grootbracht als een vader zorgde ik voor hen al sedert mijn jeugd. JOB 31:19 Als ik een naakte tobber zag of een arme zonder kleren, JOB 31:20 dan was zijn lijf mij dankbaar, omdat het zich mocht hullen in de wol van mijn schapen. JOB 31:21 Als ik ooit mijn vuisten hief tegen wezen, omdat ik vriendjes had onder de rechters in de poort, JOB 31:22 dan mag mijn schouder uit zijn kom schieten en mijn arm middendoor breken. JOB 31:23 Ja, de vrees voor Gods wrekende hand weerhield mij, tegenover zijn majesteit was ik weerloos. JOB 31:24 Heb ik ooit mijn hoop gesteld op geld? tegen het goud ooit gezegd: 'mijn steun en toeverlaat ben jij?' JOB 31:25 Heb ik mij ooit voor laten staan op mijn rijkdom, op zoveel bezit met eigen hand verworven? JOB 31:26 Heb ik, bij het zien van de stralende zon en de prachtig voortschrijdende maan, JOB 31:27 mij ooit heimelijk laten verleiden om hen met handkussen te vereren? JOB 31:28 Zoiets zou een misdrijf zijn dat voor de rechter dient; dan zou ik God in de hemel hebben verloochend! JOB 31:29 Heb ik gejubeld over de tegenslag van mijn vijand, was ik vol leedvermaak als ongeluk hem trof? JOB 31:30 Nee, mijn mond heeft niet gezondigd door hem vloekend naar het leven te staan. JOB 31:31 Mijn huisgenoten kunnen getuigen: ieder van ons kreeg vlees in overvloed. JOB 31:32 Geen vreemdeling hoefde buiten te slapen, voor reizigers stond mijn deur altijd open. JOB 31:33 Heb ik mijn zonden achterbaks gehouden, mijn schuld in mijn binnenste weggemoffeld? JOB 31:34 Dan zou ik toch schichtiger zijn voor de mensen, mij gedekt houden voor de afkeuring van mijn familie, altijd mijn mond houden en de deur niet uit durven. JOB 31:35 Ach, werd er maar naar mij geluisterd. Ziehier mijn handtekening nu is het woord aan de Almachtige! Had ook mijn aanklager alles maar op schrift gesteld, JOB 31:36 dan zou je meemaken hoe ik zelf ermee aan kwam dragen en het als een krans om mijn hoofd bond. JOB 31:37 Elk van mijn schreden zou ik verantwoorden, met open vizier voor Hem verschijnen. JOB 31:38 Als mijn akkers om vergelding roepen, als alle voren van mijn land er triest bij liggen, JOB 31:39 als ik wel vruchten at, maar niet betaalde en pachters uitbuitte, JOB 31:40 dan mogen dorens uitschieten op de plaats van de tarwe, stinkend onkruid op de plaats van de gerst. Hier eindigt het pleidooi van Job. JOB 32:1 De drie mannen zagen af van elk verder gesprek met Job; hij hield zichzelf toch voor onschuldig. JOB 32:2 Maar Elihu, zoon van Barakel, van de familie Ram uit Buz, ontstak in toorn. Toornig was hij op Job, die meende tegenover God in zijn recht te staan. JOB 32:3 Toornig was hij op de drie vrienden, die met al hun gepraat niet in staat waren gebleken Job van zijn schuld te overtuigen. JOB 32:4 Gedurende heel het gesprek had Elihu geduldig gezwegen, omdat de anderen ouder waren. JOB 32:5 Nu de drie vrienden niets meer wisten te zeggen, ontstak hij zoals gezegd in toorn. JOB 32:6 En Elihu, de zoon van Barakel uit Buz, sprak als volgt: Ik ben nog jong, u bent op jaren; daarom hield ik mij schuchter terug en waagde het niet mijn mening te zeggen. JOB 32:7 Ik dacht: laat de ouderdom aan het woord en tonen wat wijsheid is; JOB 32:8 want eerst dan krijgt haar geest vat op de mens, verleent de adem van de Almachtige hem inzicht. JOB 32:9 Maar leeftijd maakt nog niet wijs, grijze haren zijn geen garantie voor een juist oordeel. JOB 32:10 En daarom zeg ik nu: luister naar mij, ik zal eens laten horen wat ik ervan denk. JOB 32:11 Zolang u sprak heb ik gewacht, gewikt en gewogen, terwijl u probeerde te formuleren. JOB 32:12 Serieus, ik heb goed geluisterd, en concludeer: niemand heeft Jobs ongelijk bewezen of zijn argumenten weerlegd. JOB 32:13 En nou niet zeggen: Job was ons te wijs, alleen God en niet een mens kan hem klein krijgen. JOB 32:14 Want ik ben met hem nog niet in discussie geweest en ik heb heel andere argumenten dan u. JOB 32:15 Daar staan ze nu, met stomheid geslagen, geen weerwoord schiet hun te binnen. JOB 32:16 En ik maar wachten; maar zij weten niets meer, staan daar met de mond vol tanden. JOB 32:17 Goed, nu zal ik eens zeggen wat ik te zeggen heb en eens laten horen wat ik ervan denk. JOB 32:18 Ik zit boordevol argumenten, barstensvol argumenten; JOB 32:19 mijn binnenste gist als wijn die niet weg kan en zelfs nieuwe zakken dreigt te doen scheuren. JOB 32:20 Ik spreek; dat zal me opluchten; ik ga mijn mond open doen en de zaak formuleren. JOB 32:21 Ik zie niemand naar de ogen, ik praat niemand naar de mond, JOB 32:22 dat kan ik niet; trouwens God zou mij onmiddellijk wegvagen. JOB 33:1 Dus, Job, luister naar mijn woorden, volg oplettend mijn betoog; JOB 33:2 ik ga nu beginnen, de woorden liggen klaar voor in mijn mond; JOB 33:3 ze komen recht uit mijn hart, ik zeg mijn eerlijke overtuiging. JOB 33:4 De geest Gods heeft mij gemaakt, de adem van de Almachtige doet mij leven. JOB 33:5 Maar u mag mij toch gerust weerleggen, u schrap zetten en in de verdediging gaan. JOB 33:6 Tenslotte ben ik ook maar een aarden pot van God, afgeknepen van het leem. JOB 33:7 U moet dus niet bang voor mij zijn, laat u door mij niet overdonderen. JOB 33:8 Welnu, in mijn bijzijn hebt u gezegd ik hoor het u nog zeggen: JOB 33:9 'Rein ben ik en zonder schuld zuiver en zonder zonde, JOB 33:10 maar God zoekt schijnargumenten om mij als zijn tegenstander te kunnen behandelen; JOB 33:11 Hij doopt mijn voeten in de kalk, bewaakt mijn gaan en staan.' JOB 33:12 Mijn antwoord is: U hebt het mis; God is immers veel groter dan de mens. JOB 33:13 En dan: uw verwijt als zou God niet ingaan op tegenargumenten! JOB 33:14 Mijn antwoord is: God spreekt herhaaldelijk, heus, maar niemand die erop let, JOB 33:15 in dromen, nachtelijke visioenen als de mens in diepe slaap valt of sluimerend neerligt op bed; JOB 33:16 dan wil Hij gehoord worden, schrikt op door zijn waarschuwing JOB 33:17 om de mens zijn hoogmoed af te leren en hem daarvan te genezen. JOB 33:18 Daarmee behoedt Hij hem voor de afgrond en hoeft de mens niet het moeras in. JOB 33:19 Ook ziekte en bedlegerigheid manen hem en diep ingevreten koorts in zijn gebeente; JOB 33:20 hij kan geen eten meer zien, zelfs zijn lievelingskost staat hem tegen; JOB 33:21 zij lijf teert zienderogen weg; kon je vroeger zijn ribben niet zien, nu kun je ze tellen. JOB 33:22 Dan komt de afgrond dichtbij en staat hij vlak voor het moeras van de dood. JOB 33:23 Maar als dan een engel hem bijstaat, een van de ontelbaren voor hem opkomt en hem de rechte weg wijst, JOB 33:24 dan is God hem genadig en zegt: 'Laat af, hij hoeft de afgrond niet in, ik vind het zo genoeg.' JOB 33:25 Dan wordt zijn lichaam weer jong en fris, dan begint hij zijn tweede jeugd. JOB 33:26 Hij mag weer bidden want God heeft hem lief, Hij schenkt hem zijn gunst, zijn vreugde en nieuwe gerechtigheid. JOB 33:27 Hij mag weer zingen onder de mensen: 'ik zondigde, ging verkeerde wegen maar werd minder bestraft dan ik had verdiend. JOB 33:28 God heeft mij van de afgrond gered en ik geniet weer van het licht.' JOB 33:29 Ja, zulke dingen doet God voor de mens, tot twee, driemaal toe. JOB 33:30 Hij weerhoudt hem van de afgrond en schenkt telkens opnieuw geluk en leven. JOB 33:31 Let nu op, Job, en luister naar mij, nee, zwijgen, ik heb het woord. JOB 33:32 Ach, natuurlijk, als u een weerwoord hebt, spreek gerust, u krijgt een open kans. JOB 33:33 Zo niet, luister en zwijg, ik geef les in wijsheid. JOB 34:1 En Elihu begon weer opnieuw: JOB 34:2 Wijzen, luistert naar mijn woorden, opgelet, gij deskundigen. JOB 34:3 Het oor keurt woorden, zoals het gehemelte spijzen. JOB 34:4 Welnu, wij moeten keuren wat recht is, samen uitmaken wat goed is. JOB 34:5 Want Job zegt: 'ik sta in mijn recht, maar God weigert mij recht te doen, JOB 34:6 Hij doet mijn rechten tekort, raakt mij met zijn pijlen hoewel ik onschuldig ben.' JOB 34:7 Waar vind je nog zo'n man als Job die zijn dorst lest met laster? JOB 34:8 Hij hoort in gezelschap van boosdoeners en trekt op met de misdaad, JOB 34:9 want hij heeft durven zeggen: 'zinloos is het te zoeken naar de gunst van God.' JOB 34:10 Daarom, gij wijzen, luistert naar mij: God doet geen onrecht, de Almachtige pleegt geen kwaad. JOB 34:11 Loon naar werken geeft Hij, vergelding naar daden. JOB 34:12 Nee, God begaat geen fouten, de Almachtige verdraait het recht niet. JOB 34:13 En dan nog: wie gaf Hem de wereld in pacht, de aarde in handen? JOB 34:14 Als Hij zijn hart voor ons zou sluiten en geest en adem terugneemt, JOB 34:15 sterft al wat leeft, vervalt de mens opnieuw tot stof. JOB 34:16 Laat elke verstandige toch luisteren en aandacht schenken aan wat ik zeg: JOB 34:17 Zou de hoogste wetgever de wet haten, de bij uitstek rechtvaardige onrecht plegen? JOB 34:18 Hij die tot een koning kan zeggen: 'Nietsnut?' Hij die tot de edelen kan zeggen: 'Godvergeten gespuis?' JOB 34:19 Machthebbers ziet Hij niet naar de ogen, een rijke is niet meer dan een arme, alleen immers zijn het werk van zijn handen. JOB 34:20 In een oogwenk sterven ze midden in de nacht. zelfs de sterkste wankelt, wijkt; ook de machtigste wordt weggesleurd, zomaar. JOB 34:21 Want Gods ogen zijn afgesteld op de wandel van de mens, zien iedere stap die hij zet; JOB 34:22 voor Hem geen duisternis of donkerte waar boosdoeners zich schuil kunnen houden. JOB 34:23 De mens is dan ook de Allerhoogste niet die het tijdstip bepaalt van zijn gericht. JOB 34:24 Zonder vorm van proces velt God de machtigen en stelt anderen in hun plaats; JOB 34:25 Hij doorziet hun daden, en op een nacht worden zij omvergestoten en vermorzeld. JOB 34:26 Als misdadigers geselt Hij hen in het openbaar, ten aanschouwen van iedereen. JOB 34:27 Zij gaan immers eigen wegen; zijn weg negeren ze. JOB 34:28 Zij doen de arme het uitschreeuwen en God hoort het, want de klacht van de arme laat Hem niet onverschillig. JOB 34:29 En dan nog: als Hij niets doet, wie zal Hem oordelen? Als Hij zijn aangezicht verbergt, wie verwijt Hem dat? JOB 34:30 Al laat Hij over volken en enkelingen een schurk regeren, een listige profiteur, JOB 34:31 God blijft God! Moet Hij soms zeggen: 'Ik heb me vergist; ik zat ernaast; JOB 34:32 breng jij me aan mijn verstand wat ik niet zie, en als ik fout deed, het zal niet meer gebeuren? JOB 34:33 Moet Hij er, volgens u, vrede mee hebben dat u Hem kiest of afwijst naar eigen inzicht? Ik blijf er buiten. Zeg het maar, u weet het zo goed! JOB 34:34 Ach, toehoorders met een beetje verstand zullen zeggen: JOB 34:35 'Job? Job spreekt als een dwaas, wat hij zegt is nonsens. JOB 34:36 God geve dat hij nog meer op de proef wordt gesteld, want zijn woorden grenzen aan het godslasterlijke. JOB 34:37 En dan komt er nog bij dat hij prat gaat op zijn grote mond tegenover God.' JOB 35:1 En Elihu hield maar niet op: JOB 35:2 Meent u tegenover God in uw recht te staan en dit te kunnen verantwoorden JOB 35:3 met een schijnargument als: 'Wat schaad of wat baat ik Hem met mijn zonden?' JOB 35:4 U kunt mijn antwoord krijgen, u en die vrienden van u. JOB 35:5 Kijk eens naar de hemel, naar de wolken daar hoog boven u. JOB 35:6 Natuurlijk, als u zondigt, dat deert Hem niets! Al zijn uw zonden ontelbaar, wat maakt Hem dat! JOB 35:7 Trouwens, levert uw rechtschapenheid Hem iets op, wordt Hij daar beter van? JOB 35:8 Nee, als u slecht bent of goed, raakt het alleen uw medemens. JOB 35:9 En ook: als mensen hulp roepen in verdrukking, zuchten onder het juk van de rijken JOB 35:10 en niet zeggen: 'Waar is God mijn Maker die over mij waakt in de nacht, JOB 35:11 die ons verstand gaf meer dan dieren en vogels' JOB 35:12 dan kunnen ze aan het roepen blijven, God antwoord niet, want ze zijn goddeloos verwaand. JOB 35:13 God luistert nu eenmaal niet naar zinloze kreten, daar heeft de Almachtige geen oren naar. JOB 35:14 Zeker niet als u zegt: 'Hij laat zichzelf niet zien, maar mij wel wachten terwijl mijn zaak voor Hem dient.' JOB 35:15 Als Hij in zijn verontwaardiging zelfs nu niet ingrijpt, niet reageert op uw uitdagende woorden, JOB 35:16 is het zinloos zo'n grote keel op te zetten en nonsens uit te kramen. JOB 36:1 Elihu bleef maar aan het woord: JOB 36:2 Even geduld, en ik laat u horen wat God nog meer heeft aan te voeren. JOB 36:3 Ik haal mijn wijsheid van ver, namens mijn Maker verkondig ik u de waarheid. JOB 36:4 Wat ik zeg is geen verzinsel, ik spreek met kennis van zaken. JOB 36:5 God is de Oude van dagen maar tevens de Machtige; alle blaaskaken veracht Hij. JOB 36:6 Rijkaards doet Hij sterven, armen verschaft Hij recht. JOB 36:7 Hij kan zijn oog niet afhouden van de rechtvaardige, ja, Hij zet hem als een koning op de troon, Hij heeft hem hoog eens voor altijd. JOB 36:8 Zelfs als Hij hem vangt en boeit met koorden van ellende, JOB 36:9 wil Hij alleen maar aan het licht brengen hoe groot en talrijk zijn zonden zijn; JOB 36:10 wil Hij zijn manende stem laten horen: keer terug op uw schreden naar het kwaad. JOB 36:11 En als de mens dan luistert als een trouwe knecht: dagen van welzijn en jaren van geluk vallen hem ten deel! JOB 36:12 Luistert hij niet, dan verzinkt hij in het moeras, in de dood, en hij begrijpt niet waarom. JOB 36:13 Wie godvergeten wrok blijft koesteren en niet bidt als God hem in boeien slaat, JOB 36:14 die sterft vroeg af verlept als een tempeljongen. JOB 36:15 Dus: lijden is een redplank voor hen die lijden, een manende stem. JOB 36:16 Welnu: u hebt zich laten misleiden, meeslepen door uw onbeperkte mogelijkheden, door de veilige overvloed van uw welvoorziene tafel JOB 36:17 vol uitgelezen gerechten, en dat ten koste van uw eigen gerechtigheid. JOB 36:18 Pas toch op, laat u niet verleiden door overdaad aan kostelijke gaven. JOB 36:19 Rijkdom en macht, tenzij gelouterd, schaden eerder dan dat zij baten zouden. JOB 36:20 Koester niet bij nacht en ontij het verlangen om tot voor zijn aangezicht, zijn tribunaal, te komen. JOB 36:21 Houd u liever verre van dat onzalig idee en verdraag uw ellende. JOB 36:22 Bedenk: God is hoogverheven en machtig. Wie is als Hij? JOB 36:23 Wie wees Hem de weg die Hij moet inslaan? Wie zegt Hem: 'Gij hebt verkeerd gehandeld?' JOB 36:24 Het is uw plicht zijn werken te verheerlijken. Hem bezongen en bezingen alle mensen. JOB 36:25 Alle stervelingen zien naar Hem op van verre en vol eerbied. JOB 36:26 Ja, hoogverheven is God, we kennen Hem niet, onnaspeurlijk is zijn ouderdom. JOB 36:27 Hij schept de druppels van het watervlak, zeeft regen uit de nevels JOB 36:28 die in wolken en vlagen gutsend neerstort op de aarde. JOB 36:29 Hoe zou iemand Hem kunnen vatten? Zijn tent is een wolk, Hij woont in de stormen. JOB 36:30 Zie, Hij laat het weerlichten en legt de zee tot op de wortels bloot. JOB 36:31 Niettemin schenkt Hij voedsel aan de volken, geeft eten in overvloed. JOB 36:32 Zijn bliksem neemt Hij ter hand en houdt hem op zijn doel gericht; JOB 36:33 donder en wolken gaan vooraf aan het naderend onweer. JOB 37:1 Bij die aanblik krijg ik kloppingen en springt het hart mij in de keel. JOB 37:2 Luister toch naar het opkomend onweer, naar het machtig geluid van die stem; JOB 37:3 het weerlicht onder de hemelkoepel, zijn bliksem reikt tot het einde van de aarde, JOB 37:4 Zijn spreken wordt brullen, zwelt aan tot een geweldige donder. Toch bespeurt men Hem niet, ook al hoort men zijn stem nog zo duidelijk. JOB 37:5 Verbijsterend is die donder van God, overweldigend en niet te vatten. JOB 37:6 Zegt Hij tot de sneeuw: 'dwarrel neer,' en tot de slagregen: 'haal er de zweep over,' JOB 37:7 dan valt het werk van de mensen stil en zij zien op naar wat Hij vermag; JOB 37:8 de dieren kruipen weg in hun nest of blijven schuilen in hun hol. JOB 37:9 Storm en stromende regen wervelen uit hun opslagplaats. JOB 37:10 Vrieskou maakt zich los uit de adem van God en het watervlak wordt een harde plaat. JOB 37:11 En later breekt het licht door de wolken en jaagt de zon ze uiteen. JOB 37:12 Hij beschrijft zijn kringloop en volgt een voorgeschreven baan om Gods bevel te volvoeren over heel de bewoonde wereld, JOB 37:13 straffend als hij straffen moet, zegenend als hij zegenen moet. JOB 37:14 Job, luister nog eens aandachtig en beschouw de wonderwerken van God. JOB 37:15 Hebt u soms God zijn aanstelling gegeven? Hoe breekt dan het licht door de wolken? JOB 37:16 Weet u, hoe een wolkendek te spreiden? Nog zo'n meesterstuk van die grandioze Kunstenaar. JOB 37:17 Ja, weet u dat, zwetende tobber in benauwde kleren, als de zuidenwind verlammend over de aarde waait? JOB 37:18 hebt u samen met Hem het firmament gehamerd tot een gladde metalen spiegel? JOB 37:19 Geef ons de argumenten die wij tegen Hem kunnen aanvoeren, want wij in onze blindheid zien ze zien. JOB 37:20 Komt tot Hem over wat ik spreek, komt Hem ter ore wat iemand zegt? JOB 37:21 Mijn conclusie: als je niet in de zon kunt kijken wanneer die straalt aan het firmament de wind heeft alles schoongeveegd JOB 37:22 wat dan, als de Gouden Glans uit het Noorden komt, de Allerhoogste, God, vreeswekkend van majesteit? JOB 37:23 Deze Almachtige, onbereikbaar voor ons en oppermachtig, is niettemin de rechtvaardigheid zelf die nimmer het recht tiranniseert. JOB 37:24 Daarom dienen alle mensen Hem te eerbiedigen, zien alle mensen hoog tegen Hem op. JOB 38:1 Toen begon Jahwe in storm en wind tot Job te spreken: JOB 38:2 Wie waagt het daar met woordenkraam mijn bestel te verdoezelen? JOB 38:3 Weer je als een man, want Ik ga je vragen stellen, jij geeft bescheid. JOB 38:4 Waar was je toen Ik de aarde begon te bouwen? Spreek op als je zoveel weet. JOB 38:5 Wie stelde het bestek vast jij weet dat toch wie bepaalde de maten? JOB 38:6 Waarop werden haar zuilen afgezonken? Wie plaatste de sokkels JOB 38:7 onder het eenstemmig gejuich van de morgensterren en het gejubel van alle zonen van God? JOB 38:8 Waar was je toen de zee haar poorten beukte, onstuimig los wilde breken uit de moederschoot, JOB 38:9 toen Ik haar kleedde in wolken en hulde in windsels van morgenslierten, JOB 38:10 toen Ik haar paal en perk stelde, de poort vergrendelde JOB 38:11 en zei: tot hier en niet verder, hier breken uw trotse golven? JOB 38:12 Heb jij ooit de morgen ontboden en hem opdracht gegeven JOB 38:13 om de aarde bij zijn einders te grijpen en de zondaars eraf te schudden? JOB 38:14 Rood wordt de aarde als zegelklei, als een kleurig kleed. JOB 38:15 Maar de zondaars ontvangen dit licht niet, hun opgeheven arm wordt gebroken. JOB 38:16 Ben jij doorgedrongen tot de bronnen van de zee, heb jij rondgewandeld in de onpeilbare diepten van de oceaan? JOB 38:17 Zijn de poorten van de dood toegankelijk voor jou, de poorten van de duisternis, heb jij die ooit gezien? JOB 38:18 Omvat jouw begrip heel de uitgestrektheid van deze wereld? Vertel op dan, als je er toch alles van weet. JOB 38:19 Waar is de weg naar de woonplaats van het licht? Waar houdt het duister zich op? JOB 38:20 Dan kun jij ze thuis brengen en hen wegwijs maken. JOB 38:21 Jij weet dat toch, zo lang geleden geboren, met zo'n enorm aantal jaren achter de rug. JOB 38:22 Ben jij op bezoek geweest in de schatkamers van de sneeuw, de schatkamers van de hagel, heb jij die ooit gezien? JOB 38:23 Hagel en sneeuw die Ik opspaar voor moeilijke tijden, voor dagen van strijd en oorlog? JOB 38:24 Waar is de weg naar de tweesprong van het licht, waar in het oosten waaiert de dageraad uit? JOB 38:25 Wie groef een bedding voor de stromende regens, wie effende een pad voor de rollende donder JOB 38:26 om regen neer te gieten zelfs op een land zonder mensen, op de woestijn waar niemand woont, JOB 38:27 om wildernis en woestijn te drenken en zelfs daar fris groen te doen ontkiemen? JOB 38:28 Heeft de regen een vader? Van wie stammen de dauwdruppels? JOB 38:29 Uit welke schoot komt het ijs voort, wie is er moeder van de rijp die uit de hemel valt? JOB 38:30 Water wordt onherkenbaar tot ijzig gesteente, de oceaan stremt tot een ijzige vlakte. JOB 38:31 Kun jij de Pleiaden intomen of Orion uit zijn ketenen bevrijden? JOB 38:32 Kun jij de Hyaden op tijd naar buiten brengen, de Grote en de Kleine Beer mennen? JOB 38:33 Ken jij de wetten van de hemellichamen en leg jij die hier beneden vast? JOB 38:34 Als jij een bevel schreeuwt naar de wolken, stroomt dan de regen weldadig over je heen? JOB 38:35 Als jij de bliksem beveelt om te gaan, zegt die dan: 'Hier ben ik, Heer?' JOB 38:36 Wie heeft de ibis zo wijs gemaakt, wie de haan zo verstandig? JOB 38:37 Wie heeft het vermogen wolken af te tellen en de hemelkruiken leeg te storten, JOB 38:38 zodat het stof aaneenkleeft tot stevige kluiten aarde? JOB 38:39 Jaag jij de buit bijeen voor de leeuwin en verzadig jij haar hongerige welpen, JOB 38:40 als zij in hun schuilplaats weggedoken onder de struiken liggen te loeren? JOB 38:41 Wie draagt voedsel aan voor de raven wanneer hun jongen krijsen tot God fladderend van de honger? JOB 39:1 Stel jij vast wanneer de klipgeiten werpen en de reeën kalven? JOB 39:2 Als jij de maanden van hun dracht hebt afgeteld en het moment van baren bepaald, JOB 39:3 dan zakken ze door hun poten, beginnen te persen en stoten hun jong naar buiten, ja? JOB 39:4 En dan wordt het sterk en groot, loopt weg het veld in en komt niet meer terug, ja? JOB 39:5 Wie heeft de wilde ezel losgelaten, zijn boeien verbroken? JOB 39:6 Ik gaf hem de woestijn tot stal, de steppe tot verblijfplaats. JOB 39:7 Hij heeft maling aan de schreeuwers van de stad, hij hoort naar geen tierende drijvers; JOB 39:8 het bergland is zijn wei, daar snuffelt hij naar alles wat groen is. JOB 39:9 De oeros, is hij bereid voor jou te werken, en slaapt hij 's nachts in jouw stal? JOB 39:10 Houd je hem in de strengen om voren te trekken en loopt hij achter je aan de dalgrond te ploegen? JOB 39:11 Durf je op zijn grote kracht te vertrouwen en hem het werk te laten doen? JOB 39:12 Ben je er zeker van dat hij jouw oogst op de dorsvloer bijeenbrengt? JOB 39:13 Opgewekt klapt de struisvogel met haar vleugels vol kostelijke pennen en veren, JOB 39:14 maar als ze haar eieren op de grond heeft gelegd om ze te laten koesteren in het zand, JOB 39:15 vergeet ze de wilde dieren die er met hun poten op kunnen trappen. JOB 39:16 Haar hart is liefdeloos; het doet haar niets dat haar werk vergeefs is en zij geen kuikens heeft. JOB 39:17 Zo dom liet God haar, zo van elke wijsheid verstoken. JOB 39:18 Maar wel: zij springt op, rent weg, en paarden, ruiters hebben het nakijken. JOB 39:19 Geef jij het paard zijn kracht en zijn nek de wapperende manen? JOB 39:20 Laat jij het trillen zoals een sprinkhaan trilt? Angstaanjagend is zijn machtig gesnuif, JOB 39:21 te trappelen staat het van pure kracht, vurig, ontembaar trekt het ten strijde, JOB 39:22 spot met vrees, kent geen angst, deinst voor geen zwaard terug JOB 39:23 al rammelt de pijlkoker vlakbij, al flikkeren lansen en kromzwaarden. JOB 39:24 Nerveus en driftig vliegt het vooruit; daar klinkt de klaroen, en hij is niet meer te tomen, JOB 39:25 bij elke stoot roept hij: Hoera, strijd ruikt hij van verre met tierende commando's en krijgsgeschreeuw. JOB 39:26 De havik wiekt op en vliegt naar het zuiden met brede slag is dat een vondst van jou? JOB 39:27 De gier bouwt hoog zijn nest is dat een voorschrift van jou? JOB 39:28 Hij nestelt en slaapt in de bergen, de piek van een rots is zijn vesting, JOB 39:29 vandaar speurt hij naar voedsel met ogen die ver reiken. JOB 39:30 Zijn jongen likkebaarden van het bloed: waar lijken zijn daar zijn ook gieren. JOB 40:1 En Jahwe sprak tot Job: JOB 40:2 Jij, schuldeiser van God, wil je nog doorzetten, aanklager van God, wil je nog een laatste woord? JOB 40:3 Maar Job gaf ten antwoord: JOB 40:4 Nee, ik val te licht; wat moet ik zeggen? Ik leg mijn hand tegen mijn mond: JOB 40:5 een keer, hoogstens twee keer spreken is genoeg; van mij hoeft het niet meer. JOB 40:6 En Jahwe vervolgde vanuit de stormwind en sprak tot Job: JOB 40:7 Omgord je als een soldaat; Ik stel vragen, jij leest Mij de les. JOB 40:8 Wil jij mijn rechtsorde werkelijk omverwerpen, mij schuldig verklaren om zelf vrijuit te gaan? JOB 40:9 Heb jij een arm zo sterk als die van God? Heb jij een donderstem zo luid als die van God? JOB 40:10 Omhang je dan met de versierselen van je majesteit, kleed je in glorie en luister. JOB 40:11 Sproei in het rond de spetters van je toorn, zie om je heen en al wat trots is buigt, JOB 40:12 je hoeft maar te kijken en de hoogmoedigen vallen, jouw heerlijkheid doet hen ineenkrimpen. JOB 40:13 Stop ze weg allemaal onder de aarde, leg ze aan boeien in de onderwereld. JOB 40:14 Als je dat kunt, zal ook Ik jou eren, want met eigen hand heb je jouw eigen triomf gemaakt. JOB 40:15 Kijk naar het nijlpaard Ik heb het gemaakt zoals Ik jou gemaakt heb het vreet gras als een rund. JOB 40:16 Maar let eens op hoe sterk zijn lenden zijn, hoe krachtig zijn buikspieren, JOB 40:17 hoe gespannen zijn lid, als een ceder, hoe gebundeld de bilspieren, JOB 40:18 zijn knoken als buizen van brons, zijn botten als ijzeren staven. JOB 40:19 Een meesterwerk van Gods scheppende macht. Heb jij het gemaakt? Ga erop af met je zwaard JOB 40:20 De dieren van de bergen en de dieren van het veld, het zijn speeldieren, hem onderworpen. JOB 40:21 En hij maar lui onder de lotusplanten liggen, verborgen in riet en moeras JOB 40:22 onder scherm en schaduw van de lotus beschut door de wilgen langs de rivier. JOB 40:23 Al dreigt het water langs alle kanten, hij verroert niet, blijft onbewogen, al reikt de Jordaan tot boven zijn bek. JOB 40:24 Pak hem bij zijn ogen, haal een touw door zijn neus JOB 40:25 Jij slaat de krokodil aan de haak, jij legt een bit over zijn tong? JOB 40:26 Jij boort een rietstuk door zijn neus, een doorn in zijn kaken? JOB 40:27 En hij maar om genade roepen, flemerige woordjes tot jou spreken? JOB 40:28 Sluit hij met jou een akkoord om levenslang je vazal te zijn? JOB 40:29 Is hij jouw tamme speelvogel aan de lijn gelegd voor je dochters? JOB 40:30 En je collega's hem zeker verhandelen en onder de kooplui verdelen? JOB 40:31 Prik jij zijn huid vol harpoenen, zijn kop vol vishaken? JOB 40:32 Je hebt hem voor het grijpen. Maar pas op voor het gevecht. Je zult het wel laten JOB 41:1 Nee, wie daarop rekent komt bedrogen uit, De aanblik alleen al werpt hem achterover. JOB 41:2 Wakker gemaakt is dat beest niet te genaken, niemand houdt het bij hem uit. JOB 41:3 Wie hem durft aanvallen zal Ik belonen met al wat onder de hemel is. JOB 41:4 Nog niets heb Ik gezegd over zijn leden, zijn machtige rug en fraaie bouw. JOB 41:5 Wie legt zijn bovenhuid open, dringt door het dubbele pantser? JOB 41:6 Wie rukt de deur van zijn bek open, die bek met schrikwekkende tanden? JOB 41:7 Zijn rug is schild op schild toegesloten als met een zegel, JOB 41:8 toegesloten zo nauw en precies: geen wind kan tussen de kieren. JOB 41:9 Elk schild kleeft op het andere zo weerbarstig dat niemand ze vaneen krijgt. JOB 41:10 Als hij proest zie je de zon stralen en zijn ogen houd je voor de pupillen van de dageraad. JOB 41:11 Vlammen slaan uit zijn bek, vonken vliegen eraf. JOB 41:12 Damp komt uit zijn neusgaten als uit een ketel op aangeblazen rietvuur. JOB 41:13 Zijn adem doet houtskool gloeien, dat doet de vlam uit zijn muil. JOB 41:14 In zijn nek schuilt kracht, paniek golft voor hem uit. JOB 41:15 Zelfs zijn vleeskwabben sluiten hecht aaneen, zitten stevig en onwrikbaar vast. JOB 41:16 Zijn hart is van graniet, onvermurwbaar als de onderste molensteen. JOB 41:17 Als hij zich opricht, deinst zelfs de zeegod terug, weten de golven niet waar te vluchten. JOB 41:18 Al val je aan met zwaard, met speer, met werpspies of pijlpunt, winnen doe je nooit; JOB 41:19 ijzer is voor hem een strohalm, koper een vermolmd stuk hout, JOB 41:20 pijlen jagen hem niet op de vlucht, slingerstenen houdt hij voor strostoppels, JOB 41:21 knotsen al net zo, en met een suizend kromzwaard moet hij lachen. JOB 41:22 Zijn buik is een en al puntige scherf, een dorsslee die door de modder kerft. JOB 41:23 De wateren doet hij koken als in een pot en hij maakt van de zee een ziedende ketel; JOB 41:24 een lichtend spoor laat hij na, de oerzee krijgt zilverwit haar. JOB 41:25 Niemand op aarde kan hem aan, schrik is hem onbekend. JOB 41:26 Hij kijkt neer op alles wat groot is, want onder de groten zelfs is hij nog koning. JOB 42:1 Nu sprak Job tot Jahwe: JOB 42:2 Inderdaad, Gij kunt alles, voor U is niets onuitvoerbaar. JOB 42:3 Hoe durft onze kortzichtigheid uw plan te verdoezelen? En ik maar spreken zonder iets te weten over wondere dingen die ik niet begreep, JOB 42:4 en dan nog in de trant van: luister, ik zal spreken, ik stel vragen, probeer eens te antwoorden. JOB 42:5 Alleen van horen zeggen kende ik U, nu heb ik U gezien met eigen ogen. JOB 42:6 Alles herroep ik, over alles heb ik spijt, neergezeten in stof en as. JOB 42:7 Na zijn woorden tot Job richtte Jahwe zich tot Elifaz uit Teman: 'Zeer ontstemd ben Ik over u en uw beide vrienden, want gij hebt van Mij niet zo'n zuiver beeld gegeven als mijn dienaar Job. JOB 42:8 Haal daarom zeven jonge stieren en zeven rammen, ga daarmee naar mijn dienaar Job, draag een brandoffer op voor uzelf, en mijn dienaar Job zal voor u bidden. Wellicht ben Ik hem terwille; dan zal Ik u niet straffen voor uw dwaasheid, ofschoon gij van Mij niet zo'n zuiver beeld hebt gegeven als mijn dienaar Job.' JOB 42:9 Elifaz uit Teman, Bildad uit Suach en Sofar uit Naama gingen naar Job en deden wat Jahwe hun gezegd had; en Jahwe was Job terwille. JOB 42:10 En aan Job gaf Jahwe al zijn bezittingen weer terug, omdat hij gebeden had voor zijn vrienden. Zelfs het dubbele van zijn vroeger bezit schonk Hij hem. JOB 42:11 Toen kwamen zijn broers en zusters en al zijn vroegere kennissen weer bij hem thuis eten; zij betuigden hem hun medeleven en hielpen hem al de rampen te boven te komen die Jahwe hem overgezonden had; ze gaven hem ieder een hoeveelheid geld en een gouden ring. JOB 42:12 En Jahwe zegende het latere leven van Job nog meer dan het vroegere; hij had in bezit veertienduizend schapen en geiten, zesduizend kamelen, duizend span runderen en duizend ezelinnen. JOB 42:13 Zeven zonen kreeg hij nog en drie dochters. JOB 42:14 De eerste noemde hij Tortel, de tweede Kaneelbloesem, de derde Poederdoos. JOB 42:15 Onder de vrouwen in het hele land waren de dochters van Job de mooiste. Van hun vader kregen zij, net als hun broers, grond in bezit. JOB 42:16 Daarna leefde Job nog honderdveertig jaar; hij zag zijn kinderen en kleinkinderen tot in het vierde geslacht. JOB 42:17 Toen stierf Job oud en hoogbejaard. DE PSALMEN Psalm 1 De man die gekozen heeft PS 1:1 Gelukkig de man die niet treedt in het overleg van de bozen, op de weg van de schenders geen voet zet, niet zit in de kring van de spotters; PS 1:2 die veeleer in de wet van de Heer zich vermeit, zijn wet overpeinst dag en nacht. PS 1:3 Als een boom is hij, wortelend waar water stroomt, die vrucht draagt in het seizoen; zijn gebladerte zal niet verdorren. Tot ontplooiing komt al wat hij doet. PS 1:4 Hoe anders de bozen! Zij zijn als het kaf: de wind blaast het weg. PS 1:5 Zie, geen boze bestaat het gericht, geen schender de raad der rechtvaardigen. PS 1:6 Want de Heer kent de weg der rechtvaardigen, doch het pad van de bozen breekt af. Psalm 2 De koning van Godswege PS 2:1 Waarom zijn de volken oproerig, gaan zinloos de natiën aan? PS 2:2 Hoe posteren zich wereldse heersers, spannen samen de groten der aarde de Heer en zijn gezalfde trotserend: PS 2:3 'wij moeten hun ketenen verbreken, hun boeien werpen wij af!' PS 2:4 Die troont in de hemel, Hij lacht; Hij maakt, de Heer, hen tot spot. PS 2:5 Maar dan spreekt Hij tot hen in vergramdheid, slaat hen door zijn toornen met schrik: PS 2:6 'heb Ik hem niet gezalfd tot mijn koning op de Sion, mijn heilige berg?' PS 2:7 Zo gewaag ik van 's Heren besluit; Hij sprak tot mij: 'gij zijt mijn zoon, Ik riep heden u in het leven. PS 2:8 Vraag het Mij slechts en Ik geef volkeren u tot een erfdeel, u tot een eigen bezit de aarde tot aan haar randen. PS 2:9 Verbrijzelen moogt gij hen met ijzeren knots, hen als lemen kruiken vergruizelen.' PS 2:10 Komt heden, koningen, tot inzicht; laat u leren, bestuurders der wereld! PS 2:11 Dient de Heer met ontzag, betoont uw vreugd met vervaren, PS 2:12 en weest de zoon onderdanig, opdat hij niet zich vertoornt en gij omkomen zoudt op uw weg. Want licht kan ontbranden zijn gramschap! Gelukkig te prijzen dan allen die toevlucht vinden bij Hem! Psalm 3 Niet bevreesd PS 3:1 Een psalm van David. Toen hij moest vluchten voor zijn zoon Absalom. PS 3:2 Heer, mijn belagers hoe talloos, talloos, gekant tegen mij; PS 3:3 talloos zijn die van mij zeggen: 'voor hem geen redding bij God!' PS 3:4 Doch Gij zijt, Heer, het schild dat mij dekt, zijt mijn roem: het hoofd mag ik heffen. PS 3:5 Verhef ik mijn stem tot de Heer, van zijn heilige berg komt het antwoord. PS 3:6 Neerleggen mag ik mij, slapen, weer ontwaken de Heer is mijn rust PS 3:7 onbevreesd voor tienduizenden volks, al sloten zij rond mij hun rijen. PS 3:8 Verrijs, Heer mijn God, red mij uit! Gij trof al mijn vijanden op de kaak. Gij brak de tanden der bozen. PS 3:9 De Heer, Hij is de bevrijder. Zij uw zegen over uw volk. Psalm 4 De gelovige in verweer PS 4:1 Voor de koorleider. Met begeleiding van snaarinstrumenten. Een psalm van David. PS 4:2 Geef uw wederwoord op mijn aanroep, God die immer mij recht hebt gedaan, die in nood mij ruimte kan scheppen; ontferm U hoor mijn gebed. PS 4:3 Hoelang, mannen, blijft het nog duren dat mijn eer slechts verguizing oproept, gij uw zinnen zet op wat schijn is, het verwachten wilt van bedrog? PS 4:4 Beseft het: Jahwe heeft zijn gunst aan een bij uitstek geschonken; Jahwe hoort als ik tot Hem roep. PS 4:5 Draagt dan vrees, bezondigt u niet, spreekt met uzelf op uw leger, weet dat zwijgen u past. PS 4:6 Brengt offers gelijk het betaamt, stelt op Jahwe uw vertrouwen. PS 4:7 Steeds heet het: 'wie biedt ons uitzicht?' Doe Gij opgaan over ons uw lichtend aanschijn, Jahwe; PS 4:8 Gij geeft mij hartgrondiger vreugd dan de vreugd, destijds, om hun oogst overvloedig van most en van koren. PS 4:9 Vredig vind ik de rust en de slaap; Gij Jahwe, Gij alleen doet mij wonen beveiligd. Psalm 5 Gebed om bijstand PS 5:1 Voor de koorleider. Met fluitbegeleiding. Een psalm van David. PS 5:2 Hoor naar mijn woorden, Heer, versta mijn smartelijk klagen; PS 5:3 sla acht op mijn roepen om hulp, Gij zijt mijn koning, mijn God: laat mij tot u mogen bidden. PS 5:4 Heer, des morgens hoort Gij mijn stem, des morgens breng ik het voor U; wachtende zie ik uit. PS 5:5 Gij immers zijt niet een god bij wie laagheid ingang kan vinden, bij u kan het boze niet wonen, PS 5:6 eigenwaan houdt geen stand voor uw blik, Gij haat elk die verraderlijk handelt; PS 5:7 Gij vernietigt wie leugentaal spreekt, de Heer gruwt van wie moorden en bedriegen. PS 5:8 Zelf zal ik, door uw rijke genade, mogen binnengaan in uw huis, tot uw heiligdom mij mogen buigen in vreze voor wie Gij zijt. PS 5:9 Leid mij door uw gerechtigheid, Heer, ten spijt van wie mij belagen; bewerk dat ik uw weg kan gaan. PS 5:10 In hun mond is elk woord onoprecht, want bederf huist bij hen van binnen; een gapend graf is de keel van wie vleierig glad met de tong zijn. PS 5:11 Tref hen met vergelding, o God, laat hen struikelen over hun plannen; om al wat zij begingen: stoot toe! Tegen u is hun rebelleren. PS 5:12 Vreugde vinden die schuilen bij U; door de eeuwen heen gaat hun jubel, want rondom is uw bescherming: hoog verblijden zich die uw naam eren. PS 5:13 De rechtvaardige zegent Gij, Heer, als een schild houdt uw gunst hem omgeven. Psalm 6 De dood voor ogen PS 6:1 Voor de koorleider. Met begeleiding van snaarinstrumenten. Op de achtste wijze. Een psalm van David. PS 6:2 Heer, straf mij niet in uw toorn, tuchtig mij niet in uw gramschap. PS 6:3 Heer, erbarm U, mijn bloei is vergaan, Heer, genees mij, mijn kracht is teniet PS 6:4 en ontrust is mijn ziel bovenmate. En Gij, Heer, Gij tot hoe lang? PS 6:5 Keer weder, Heer, maak mij weer vrij, verlos mij krachtens uw goedheid: PS 6:6 in de dood wordt Gij niet meer gekend, wie kan U in het dodenrijk loven? PS 6:7 Kreunend en afgemat schrei ik nacht aan nacht op mijn bed, doordrenk ik mijn peluw met tranen; PS 6:8 mijn ogen, van wanhoop half blind, staren dof op al mijn belagers. PS 6:9 Komt mij met uw verraad niet te na! Want de Heer heeft mijn schreien gehoord. PS 6:10 Hij heeft acht op mijn smeken geslagen, mijn gebed de Heer neemt het aan. PS 6:11 Hoe smadelijk verslagen weldra mijn vijanden alle te zamen: in een oogwenk met schande op de aftocht! Psalm 7 Onschuldig PS 7:1 Een klaagzang van David, die hij zong tot Jahwe, om wat de Benjaminiet Kus hem aandeed. PS 7:2 Heer, mijn God, bij U zoek ik toevlucht, verlos mij van al mijn vervolgers, maak Gij dat ik word bevrijd; PS 7:3 straks heeft, als een leeuw die zijn prooi grijpt, een mij beet want er daagde geen redding. PS 7:4 Heer, mijn God, als ik dat heb gedaan, als er onrecht kleeft aan mijn handen, PS 7:5 wanneer ik kwaad heb gebracht over wie met mij leefde in vrede, of zelfs maar mijn tegenpartij iets ontnomen heb wat mij niet toekwam, PS 7:6 laat de vijand mij dan achterhalen, mijn leven vertreden ter aarde, neerwerpen mijn eer in het stof. PS 7:7 Verhef U, Heer, in uw toorn, stuit de stormloop van mijn belagers, grijp in: van u gaat het recht uit PS 7:8 en de raad der goden omringt U: Gij zult zetelen: hoog boven haar uit. PS 7:9 Heer, die richter zijt over de volken, doe mij recht, Heer, zowaar als ik recht sta, zowaar als ik mij zonder schuld weet. PS 7:10 Laat het kwaad der verstoorders verdwijnen, verleen de rechtvaardige sterkte: toetst Gij niet hart en geweten, o God die rechtvaardigheid zijt? PS 7:11 Mijn schild dat is Gods bescherming, Hij bevrijdt de oprechten van hart; PS 7:12 God, de rechtvaardige rechter, maar een God die kan toornen altijd. PS 7:13 Is een mens onbekeerlijk, dan wet Hij zijn zwaard, spant zijn boog Hij legt aan, PS 7:14 richt op hem zijn dodelijk wapen, maakt zijn pijlen tot schichten van vuur. PS 7:15 Zie, er was een mens boordevol boosheid, van kwaad zwanger, zijn kind was verraad: PS 7:16 een valkuil delft hij, spit steeds dieper en stort zelf in het gat dat hij groef! PS 7:17 Wat hij aanstichtte viel op zijn hoofd, zijn boosaardigheid brak hem de schedel. PS 7:18 Loven mag ik de Heer om zijn gerechtigheid, psalmzingen bij de harp ter ere van zijn naam: de Heer de Allerhoogste. Psalm 8 De mens temidden van gods schepping PS 8:1 Voor de koorleider. Met gittit begeleiding. Een psalm van David. PS 8:2 Heer, onze God, hoe vol macht is uw naam wijd en zijd op de aarde; gelijk Gij uw majesteit doet verschijnen hoog aan de hemel, PS 8:3 uit de mond der kleinen, de kreet van het kind uw vermogen bevestigt, dat uw tegenstanders het weten, dat vijand en verstoorder moet zwijgen. PS 8:4 Als uw hemel ik zie uwer vingeren werk, maan en sterren die Gij daar stelde, PS 8:5 wat is dan de mens dat Gij acht op hem slaat, het mensenkind dat Gij hem aanziet? PS 8:6 En nochtans gaaft Ge hem een haast goddelijke staat; met waardigheid hebt Gij, met schoonheid gekroond PS 8:7 die Gij heerser maakt over het werk uwer handen. Want alles hebt Gij aan zijn voeten gelegd: PS 8:8 de schapen, het hoornvee bijeen en de andere, de dieren des velds, PS 8:9 de vogelen des hemels, de vissen der zee: wat de banen der zeeën doorkruist. PS 8:10 Heer, onze God, hoe vol macht is uw naam wijd en zijd op de aarde. Psalm 9 God beeindigd het onrecht PS 9:1 Voor de koorleider. Op de wijze van' mutlabben'. Een psalm van David. PS 9:2 Heer, ik wil U met heel mijn hart loven, al uw wonderen wil ik verhalen, PS 9:3 vreugde dragen, in U mij verblijden, zingen uw naam ter eer, Allerhoogste; PS 9:4 want thans wijken mijn vijanden terug, struikelen, vergaan voor uw aanblik. PS 9:5 Gij beslechtte mijn pleit, mijn geding, zetelde als rechtvaardige rechter; PS 9:6 dreigend wees Ge de heidenen terug, deed uw haters spoorloos verdwijnen, hun naam delgde Gij: nu en voor eeuwig. PS 9:7 Het rijk van de vijand heeft uit, is voor altijd een puinhoop geworden, van de steden die Gij hebt geslecht is zelfs de herinnering verdwenen. PS 9:8 Zo troont Hij voor eeuwig, de Heer, heeft zijn zetel gegrond ten gerichte: PS 9:9 Hij toch oordeelt de wereld rechtvaardig, richt de volken naar ongekromd recht. PS 9:10 In waarheid betoont zich de Heer een vaste burcht voor de verdrukte, een burcht in tijden van nood. PS 9:11 Die uw naam kennen bouwen op U, nooit begeeft Gij, Heer, die U zoeken. PS 9:12 Zingt uw psalmen tot eer van Jahwe, die zijn woonstede heeft op de Sion, boodschapt onder de volken zijn daden. PS 9:13 Hij is die vergoten bloed wreekt, Hij is die de verslagenen gedenkt, Hem ontgaat niet de schreeuw der verdrukten. PS 9:14 Ontferm U dan over mij, Heer, zie hoe diep mij mijn haters doen bukken, draag mij weg van de drempel des doods, PS 9:15 dat ik voluit uw lof mag verkondigen, in de poorten van haar, Sions dochter, juichen mag: want Gij schenkt bevrijding. PS 9:16 Volken graven zichzelve een graf: hun eigen voet raakt in het net dat zij heimelijk uitgezet hadden. PS 9:17 Want de Heer heeft zich kenbaar gemaakt; Hij heeft het oordeel voltrokken. In zijn eigen strik worgt zich de boze. PS 9:18 aan de dood zijn Gods haters vervallen, alle volken die aan God voorbij gaan; PS 9:19 niet voorgoed blijft de arme vergeten, wat de nederigen hebben gehoopt is niet voor altijd verloren. PS 9:20 Verrijs, Heer: laat het niet zijn dat de sterveling zou triomferen; het oordeel over de volken, het ga van uw aangezicht uit. PS 9:21 Laat vrees hen vervullen, o Heer, opdat zij allen beseffen slechts nietige mensen te zijn. Psalm 10 Onderdrukkers en onderdrukten PS 10:1 Waarom blijft Gij, o Heer, zo onbereikbaar ver? waarom verbergt Gij U in tijden dat het nijpt? PS 10:2 Door de triomf der bozen lijdt de arme pijn, want anderen worden prooi van hun sluw overleg. PS 10:3 de rechtsverkrachter pocht dat zijn wil triomfeert, maakt woeker, spot met God: hij telt de Heer als niets. PS 10:4 Zo'n schurk verbeeldt zich heel wat: 'Hij zoekt geen verhaal!' de som van wat hij denkt: 'Welneen! Er is geen God!' PS 10:5 Langs eigen wegen komt hij altijd tot zijn doel; uw oordeel raakt hem niet: het gaat over zijn hoofd. Als iemand hem te na komt valt hij briesend uit PS 10:6 en bij zichzelve denkt hij: 'ik ga niet omver! zoeen als ik raakt nooit of te nimmer in de nood.' PS 10:7 Verwensing bergt zijn mond, met leugen en bedrog; onder zijn tong huist kwelzucht en boosaardigheid. PS 10:8 Achter een hofmuur ligt hij in zijn hinderlaag, en wordt sluipmoordenaar van een die argeloos was. Zijn ogen zien wel wie zich niet verweren kan! PS 10:9 Hij loert verdekt een leeuw tussen opgaand gewas; hij loert of hij de arme overvallen kan: hij overvalt hem, trekt het net rondom hem dicht. PS 10:10 Hij houdt zich weggedrukt, hij kromt zich voor de sprong: diep te beklagen is wie hem in handen valt. PS 10:11 'God zal het heus niet merken', denkt hij in zijn hart.' Hij laat zichzelf niet zien. Hij wordt dit nooit gewaar.' PS 10:12 Verhef U, Heer! Grijp in met machtige hand, o God! vergeet Gij dezen niet die neergebogen zijn: PS 10:13 want waarom mag hun kweller God achten als niets en mag hij heimelijk denken: 'Hij zoekt geen verhaal?' PS 10:14 Gij zijt alziende: wat verdriet en moeite is hebt Gij gepeild; Gij wilt het wegen in uw hand. Wie haast bezwijkt, hij vindt in u zijn toeverlaat; er blijft een helper voor de ouderloze: Gij. PS 10:15 Sla neer de kracht van wie afvallig rebelleert, vervolg zijn kwaad totdat Gij het verdwenen vindt. PS 10:16 De Heer zal koning zijn in tijd en eeuwigheid; dan zijn de heidenen verdwenen uit zijn land. PS 10:17 Wat de onderdrukten zochten hebt Gij, Heer, verstaan; Gij hebt hun moed gesterkt, aandachtig toegehoord. PS 10:18 Zo komt Gij voor de wees, voor de verdrukte op en geen aards nietig mens die hem nog schrik aanjaagt. Psalm 11 God is immers rechtvaardig! PS 11:1 Voor de koorleider. Van David. Mijn veiligheid is bij de Heer. Hoe durft ge te zeggen tot mij: 'vlied, vogeltje, naar uw bergnest!' PS 11:2 Zie, reeds spannen Gods haters de boog, staan gereed met de pijl op de pees argelozen in donker te treffen. PS 11:3 Waar de grondslagen om zijn gewoeld wat richt daar een rechtvaardige uit? PS 11:4 De Heer in zijn heilig paleis, de Heer in de hemel ten troon zijn ogen, peilende, zien, zijn wimpers doorgronden de mens; PS 11:5 de Heer die de rechtvaardige kent, Hij die de verdorvene doorziet: wie geweld aanhangt haat Hij hartgrondig. PS 11:6 Zijn haters treft Hij met een regen van gloeiende kolen, van zwavel; hun lippen verschroeit de woestijnwind. PS 11:7 Rechtvaardig is Hij, de Heer, Hij heeft de gerechtigheid lief. Wie oprecht is zal Hem aanschouwen. Psalm 12 Als het kwaad machtig wordt PS 12:1 Voor de koorleider. Op de achtste wijze. Een psalm van David. PS 12:2 Red ons, Heer: de vromen verdwijnen, trouw wordt schaars bij het mensengeslacht; PS 12:3 onoprecht spreekt de mens tot zijn naaste, sluw van lippen, dubbel van hart. PS 12:4 Maar de Heer slaat die listige lippen, slaat de taal der aanmatiging stom, PS 12:5 als het heet: 'onze tong is ons wapen;,, mond met ons!' 'Wie stelt ons de wet?' PS 12:6 'Om geweld aan de nederigen is het, het is om het klagen der armen dat Ik thans Mij verhef spreekt de Heer,' wie bedreigd wordt stel Ik in het heil.' PS 12:7 Taal des Heren, stralende taal, als zilver, puur uit de smeltkroes, gezuiverd tot zevenmaal toe. PS 12:8 En Gij handelt, Heer, naar uw woord; tegen dit verworden geslacht blijft eeuwig Gij onze beschermer: PS 12:9 al gaan alom de bozen hun wegen, al neemt bij de kinderen van Adam de laagheid de ereplaats in. Psalm 13 Hoofdstuk 13 Klaagpsalm PS 13:1 Voor de koorleider. Een psalm van David. PS 13:2 Hoe lang, Heer, zult Gij mij blijven vergeten, hoe lang nog verbergen uw aanschijn voor mij? PS 13:3 Hoe lang zal ik eenzaam op raad moeten zinnen, draag ik van dag tot dag zwijgend mijn droefenis? hoe lang zal mijn vijand mij uit blijven dagen? PS 13:4 Zie mij, geef mij uw antwoord, Heer, Gij zijt toch mijn God; wil Gij verlichten mijn ogen, dat ik niet inslaap ten dode, PS 13:5 dat mijn vijand niet roept: 'nu heb ik hem in mijn macht!', mijn belagers niet juichen omdat ik aanvang te wankelen. PS 13:6 Zelf kan ik slechts op uw genade vertrouwen. Tot mijn hart de vreugde hervindt om uw heil; dan is mijn lied voor de Heer: Hij heeft het aan mij vervuld! Psalm 14 Een samenleving zonder God PS 14:1 Voor de koorleider. Van David. De dwaas zegt bij zichzelf: 'welneen! er is geen God!' Stuitend, verfoeilijk kwaad wordt overal begaan: geen mens handelt oprecht. PS 14:2 God, uit zijn hemel, ziet op Adams kinderen neer, speurend of er soms is een sterveling met verstand, een die nog vraagt naar God. PS 14:3 Doch allen zwerven af, verdorven met elkaar! Geen mens handelt oprecht: geen enkele. Geen een. PS 14:4 Weten zij dan van niets, de stichters van dit kwaad, uitvreters van mijn volk? Dat vindt zijn brood gereed en kent Gods naam niet meer! PS 14:5 Totdat de schrik hen slaat: God staat zijn vromen bij. PS 14:6 Al uw boos overleg tegen de arme faalt: zijn toevlucht is de Heer. PS 14:7 O, dat toch Israëls heil uit Sion dagen mocht! Het komt: als God de keer, de keer brengt voor zijn volk en Jakob juichen mag, Israël feest zal vieren! Psalm 15 Wat God van ons vraagt PS 15:1 Een psalm van David. Heer, wie mag toeven binnen uw tent, wie wonen op uw heilige berg? PS 15:2 Die wandelt oprecht en gerechtigheid doet, die de waarheid hartgrondig belijdt, PS 15:3 die niet rondbrengt wat hem op de tong komt. Zijn medemens brengt hij geen kwaad toe, hij laadt geen smaad op zijn naaste. PS 15:4 De nietswaardige ziet hij met verachting, maar die de Heer vrezen, hem eert hij. Zwoer hij tot zijn schade, hij wijzigt het niet; PS 15:5 hij leent zonder rente te vragen, neemt niets aan tegen wie in zijn recht staat. Die aldus handelt, hij zal niet wankelen in eeuwigheid. Psalm 16 Leven met God PS 16:1 Een lied van bewaring. Van David. Hoed mij, God, bij U zoek ik toevlucht; PS 16:2 de Heer spreek ik: 'Gij zijt mijn Heer, mijn geluk. Boven U is er geen.' PS 16:3 Wat als goddelijk geldt in dit land, deze machten, ik kan daarin mijn vreugde niet vinden. PS 16:4 Hun afgoden zijn zonder tal, en ieder haast zich tot hun dienst; ik pleng hun geen offers van bloed, neem hun namen niet op mijn lippen. PS 16:5 O Heer, Gij mijn erve, mijn beker, Gij handhaaft mijn erfgoed voor mij. PS 16:6 De meetsnoeren zijn mij gevallen in oorden van lieflijkheid: hoe bekoort mij mijn erfdeel! PS 16:7 Ik zegen de Heer om zijn leiding: zelf des nachts vermaant Hij mijn geweten. PS 16:8 Ik blijf op de Heer zien, bestendig; staat Hij naast mij, ik kom niet ten val. PS 16:9 Wel mag mijn hart zich verheugen, wel mag mijn geest zich verblijden: mij komt het niet te na ik ben veilig. PS 16:10 Want Gij geeft mij niet prijs aan de dood, geen graf geeft Gij uw vrome voor ogen; PS 16:11 Gij leert mij wat de weg is ten leven, de volheid der vreugde waar Gij zijt: heerlijkheid, in uw schutse, voor immer. Psalm 17 Gebed van een vervolgde PS 17:1 Een gebed van David. Hoor, o Heer, naar wat staat in de waarheid, luister Gij naar mijn bittere klacht; wees ontvankelijk voor mijn gebed: het komt van een mond zonder leugen; PS 17:2 laat van U mijn beoordeling uitgaan, uw oog ziet wat onkreukbaarheid is. PS 17:3 Die mijn hart toetst, het peilt in de nacht, mij hebt uitgezuiverd met vuur bij mij vindt Ge geen sluwe bedenksels. En mijn mond bezondigt zich niet. PS 17:4 Tegenover het handelen der mensen, hun wegen van willekeur, was ik trouw aan het woord dat van U komt: PS 17:5 mijn treden hielden uw spoor, mijn schreden wankelden niet. PS 17:6 Ik roep U: Gij, God, weet het antwoord; luister naar mij, verhoor wat ik vraag: PS 17:7 toon de wonderen van uw genade; Gij redt immers wie tot U vluchten, van hun aanvallers vrij door uw hand! PS 17:8 Bewaar als uw oogappel mij, verberg mij, door uw vleugelen beschaduwd, PS 17:9 voor mijn haters die mij overweldigen, mijn doodsvijanden die mij omsingelen. PS 17:10 Hun hart is verhard, zonder toegang, en hun hoogmoed spreekt uit elk woord; PS 17:11 waar ik ga zie! zij zijn om mij heen; mij neer te slaan dat is hun oogmerk. PS 17:12 Zo belust als de leeuw op zijn prooi, een leeuw die loert in het verborgen. PS 17:13 Heer, verrijs! Sla hen af, maak hen machteloos bevrijd mij van hun kwaad door uw zwaard; PS 17:14 door uw hand, o Heer, van de mensen wier deel overdaad is op aarde: laat hen stijf staan van wat Gij hun toedeelt, zelfs hun zonen zijn er nog zat van. En er blijft voor hun kinderen nog over! PS 17:15 Doch laat mij, zo ik leef naar uw wil, uw aanschijn mogen aanschouwen, aan uw beeltenis mij mogen laven wanneer ik ontwaak. Psalm 18 Het danklied van David PS 18:1 Voor de koorleider. Van Jahwe's dienaar David, die voor Jahwe dit lied heeft gedicht toen Jahwe hem had gered uit de greep van al zijn vijanden en uit de hand van Saul. PS 18:2 Dit is wat hij zong: Hoezeer heb ik U lief, Heer, mijn sterkte! PS 18:3 De Heer is mijn steenrots, mijn burcht, gevaren doet Hij mij ontkomen: mijn God, mijn beschuttende rots, mijn schild, hoorn mijns heils, mijn verheffing. PS 18:4 Hem zij lof! Ik riep tot de Heer en ik was verlost van de vijand. PS 18:5 Mij omsloten banden des doods, mij belaagden onheilspellende stromen; PS 18:6 haast hield mij de doodskrocht gekluisterd, de dood met zijn worgstrik stond voor mij. PS 18:7 En de Heer riep ik aan in mijn angst, mijn God smeekte ik schreiend om bijstand: Hij hoorde mijn stem in zijn troonzaal, mijn kreten bereikten zijn oor. PS 18:8 Toen doorvoeren schokken de aarde, bewogen de gronden der bergen: zij beefden zijn toorn was ontbrand. PS 18:9 Rook sloeg van zijn adem omhoog, verterend vuur kwam uit zijn mond, verschroeiend sloeg het van Hem af. PS 18:10 Uit een donker zwerk streek Hij omlaag, donderwolken onder zijn voeten; PS 18:11 op een cherub voer Hij in zijn vlucht, op stormvleugelen nader gedragen. PS 18:12 En met duister heeft Hij zich omhuld, dat het was als een haag om Hem heen, zwarte wateren, torenende wolken. PS 18:13 Voor zijn gloed zijn de wolken ontweken hagel en verzengende bliksem. PS 18:14 Hij wekt donder, Jahwe, aan het zwerk, Hij verheft zijn stem, de Allerhoogste. PS 18:15 Hij schoot: een stortbui van pijlen, een noodweer van vurige schichten. PS 18:16 Zichtbaar werd de bedding der wateren, omgewoeld de grondslagen der wereld door uw dreigende gramschap, Jahwe, door het stormgeweld van uw adem. PS 18:17 Van omhoog reikte Hij, greep mij vast, hief mij boven de wassende wateren, PS 18:18 onttrok mij aan de machtige vijand, aan mijn haters, te sterk voor mijn kracht, PS 18:19 die mij hebben gezocht toen ik zwak stond: doch de Heer is mijn bijstand geweest. PS 18:20 Naar een wijd land deed Hij mij uitgaan, gaf mij vrijheid op grond van zijn gunst, PS 18:21 de Heer, die mijn gerechtigheid loonde, mij mijn reinheid van handen vergold. PS 18:22 Want ik hield de wegen des Heren, ik krenkte mijn God niet met kwaad; PS 18:23 heel zijn rechtsorde had ik voor ogen, zijn verbondseisen liet ik niet los; PS 18:24 ik hield mij aan Hem, volkomen, ik heb mij voor verkeerdheid gehoed. PS 18:25 En de Heer deed mij naar mijn gerechtigheid, waar mijn reinheid van handen Hij zag. PS 18:26 Wie getrouw is, hem toont Gij uw trouw, wie onkreukbaar is uw volmaaktheid; PS 18:27 wie gaaf is openbaart Ge uw gaafheid, van wie draait buigt Ge ongrijpbaar U af. PS 18:28 Gij bevrijdt het volk der verdrukten, doet hovaardigen de ogen neerslaan; PS 18:29 Gij ontsteekt, Heer, het licht van mijn luchter, mijn God maakt mij het donker tot licht. PS 18:30 Ja, met u bestorm ik een bolwerk, met mijn God spring ik over een wal. PS 18:31 Hij, God volmaakt is zijn weg; onvermengd is het woord van de Heer. Hij is schild voor wie bij Hem schuilen. PS 18:32 Wie mag God heten buiten de Heer, wie dan onze God zou mijn rots zijn? PS 18:33 die God die mij toerust met kracht, die bewerkt dat mijn weg voor mij uit ligt, PS 18:34 die mijn voeten maakt als die der hinden; op bergkammen doet Hij mij staan. PS 18:35 Die mijn handen geleerd heeft te strijden, mijn armen te spannen de boog. PS 18:36 Uw beveiligend schild heft Gij voor mij, uw hand houdt mij recht overeind. Door uw goedheid wassen mijn krachten. PS 18:37 kan ik gaan met machtige schreden: geen wankeling is in mijn tred. PS 18:38 Ik vervolg de vijand, achterhaal hem, laat niet af aleer hij is geveld; PS 18:39 die ik brak zijn onmachtig tot opstaan, liggen onder mijn voeten gestrekt. PS 18:40 Gij omgordt mij met kracht tot de strijd, die mij tarten doet Gij voor mij bukken PS 18:41 en de vijand jaagt Gij voor mij uit: wel heb ik mijn haters vernietigd! PS 18:42 Zij riepen: geen redder verscheen, tot de Heer Hij gaf hun geen antwoord. PS 18:43 Ik vergruizel hen stof op de wind, trap hen weg als het vuil van de straten. PS 18:44 Gij droeg mij door de twist van het volk heen, hebt mij hoofd van de stammen gemaakt, volken mij nog vreemd gaan mij dienen. PS 18:45 op het eerste bevel mij gehoorzaam, onderdanig, de zonen dier vreemden. PS 18:46 Zij bezweken, de zonen dier vreemden, hebben bevend hun burchten verlaten. PS 18:47 De Heer leeft! Gezegend mijn rots, hoogverheven de God die mijn heil is, PS 18:48 de God die mij wraak heeft vergund, die volkeren onder mij strekte, PS 18:49 mij ontkomen deed aan de vijand, ja, mij hief boven wie mij braveerden: Gij die van de tyran mij verlost hebt. PS 18:50 En daarom wil ik, o Heer, U loven temidden der volken, psalmzingen uw naam ter ere: PS 18:51 die zijn koning een grootse triomf bracht, die verbondstrouw bewees zijn gezalfde, David en zijn nazaten voor eeuwig. Psalm 19 De lof Gods uit de schepping, gevolgd door een loflied op de wet PS 19:1 Voor de koorleider. Een psalm van David. PS 19:2 De hemel verkondigt de majesteit Gods, het zwerk meldt het werk zijner handen. PS 19:3 De dag heft zijn roep tot de dag, de nacht aan de nacht zegt de mare. PS 19:4 Geen spreken verluidt er, geen woorden, geen taal voor het oor te verstaan; PS 19:5 maar hun maning vaart over het aardrijk, tot het einde der wereld hun aanroep. En Hij schiep daar een tent voor de zon. PS 19:6 Hij verschijnt: als een bruidegom die zijn bruidsvertrek uit komt getreden, een held stralend zo wil hij zijn baan gaan. PS 19:7 Van de hemelrand af is zijn opgang, en zijn omloop keert tot de randen. Niets is voor zijn lichtgloed verborgen. PS 19:8 De wet van Jahwe is volmaakt: en behoedt de ziel voor verdwalen, Jahwe's getuigenis waarachtig, het schenkt onwetenden wijsheid; PS 19:9 wat Jahwe bepaalt dat is recht, een verheugenis is het des harten; het gebod van Jahwe onaantastbaar: het schept verheldering van ogen. PS 19:10 Het woord van Jahwe het is feilloos, standhoudend in eeuwigheid; Jahwe's rechtsregelen zijn waarheid, rechtvaardig is heel hun bestel. PS 19:11 Kostbaarder dit alles dan goud een schat van het edelste goud, en te proeven zoeter dan honing, dan honing de raten ontvloeiend. PS 19:12 Ook uw knecht laat zich hierdoor vermanen; rijk geloond worden die dit betrachten. PS 19:13 Doch afdwalingen wie onderscheidt ze? de ongewetene scheld ze mij kwijt. PS 19:14 Wil uw knecht ook voor hoogmoed bewaren: nimmer krijge die over mij macht! Zo zal ik dan zijn ongeschonden, van vele overtredingen vrij. PS 19:15 Laat welgevallig zijn de woorden van mijn mond en wat mijn hart bepeinst nu het verschijnt voor u, Jahwe, mijn rots, mijn losser. Psalm 20 Gebed voor een koning PS 20:1 Voor de koorleider. Een psalm van David. PS 20:2 Dat Jahwe u verhore in dagen van nood, Jakobs God houde zijn naam u staande. PS 20:3 Hij zende u hulp van zijn heiligdom uit, Hij moge uit Sion uw steun zijn, PS 20:4 uw gaven alle gedenken, uw brandoffers schatten naar waarde, PS 20:5 vervullen de wens van uw hart, volvoeren al uw beraad: PS 20:6 dat wij juichen om uw triomf en in naam van Hem, onze God, de banieren hoog mogen heffen. PS 20:7 Heden weet ik: Jahwe houdt bereid de zege voor wie Hij gezalfd heeft, verhoort hem uit zijn hemel hoogheilig: Hij grijpt in met daden van heil. PS 20:8 Mogen dan anderen hun kracht in strijdkar zoeken, in paarden ons gaat dit ene slechts aan: de naam van Jahwe, onze God. PS 20:9 Zij slaan voorover, zij vallen; wij opgericht houden wij stand. PS 20:10 Geef, Jahwe, de koning de zege. Verhoor in dit uur onze aanroep. Psalm 21 Jahwe's overstelpende zegen PS 21:1 Voor de koorleider. Een psalm van David. PS 21:2 Het is, Jahwe, om uw machtsdaad dat de koning vervuld is van vreugde; in vervoering viert hij uw triomf. PS 21:3 Gij vervulde de wens van zijn hart, wees niet terug de vraag zijner lippen PS 21:4 waar met zegening mild Gij hem nadert, zijn hoofd kroont met hoog gouden tooi. PS 21:5 Leven vroeg hij van U en Gij gaaft het, duur van dagen, trotserend de tijd; PS 21:6 zijn majesteit rijst door uw zege, Gij omhult hem met hoogheid en luister. PS 21:7 Zie, tot zegen stelt Gij hem, voor immer, laat hem weiden in de glans van uw aanschijn. PS 21:8 Want de koning vertrouwt op Jahwe, onwankelbaar is zijn bestand bij de gratie van Hem, de Allerhoogste. PS 21:9 Uw hand treft uw vijanden alle! uw rechterhand treft uw haters, PS 21:10 die Gij stelt als in schroeiing van vuur in het uur, Jahwe, dat Gij verschijnt, hen vernietigt in uw vergramdheid, als een laaiende vlam hen verteert. PS 21:11 En hun zaad neemt Gij weg van de aarde, hun nageslacht weg uit het mensdom: PS 21:12 wagen zij in hun kwaad U te naderen, een aanslag te beramen zij falen. PS 21:13 Zie, ruggelings drijft Gij hen terug, spant uw boogpees: legt aan om te treffen! PS 21:14 Verhef U, Jahwe, in uw kracht en wij zingen bij harpspel het lied uw sterkte ter ere. Psalm 22 Uitgeleverd PS 22:1 Voor de koorleider. Op de wijze van' de hinde van de dageraad'. Een psalm van David. PS 22:2 Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten, ver van mijn roepen om uitkomst, ver van mijn schreien om hulp. PS 22:3 Bij dag roep ik, mijn God Gij blijft zwijgen, bij nacht en ik word niet gestild. PS 22:4 Gij die in heiligheid troont, Gij die van Israël de roem zijt, PS 22:5 op U hebben onze vaderen vertrouwd; zij vertrouwden en Gij bracht hun uitkomst. PS 22:6 Tot U riepen zij en er kwam redding: niet beschaamd werden die op u bouwden. PS 22:7 Doch ik een worm en geen mens, spot der schare, veracht door het volk. PS 22:8 Die mij zien treffen mij met hun hoon, grijnzen smadelijk, schudden het hoofd: PS 22:9 'hij wentelt zijn last op de Heer!' 'Die zal hem wel komen verlossen, die bevrijdt hem: hij staat in zijn gunst!' PS 22:10 Gij deed mij de moederschoot uitgaan, aan haar borst hebt Gij mij gevlijd; PS 22:11 u viel ik toe, nauwelijks geboren, van mijn oorsprong af zijt Gij mijn God. PS 22:12 O, blijf dan niet verre van mij: nu is mij wat dreigde genaderd; en er is geen mens die mij helpt. PS 22:13 Een troep stieren staat om mij heen, mij omsingelen de bisons van Basan, PS 22:14 en dreigend, met wijd open muil, verscheurende, brullende leeuwen. PS 22:15 Als water dat wegloopt verga ik, alsof heel mijn gebeente is ontwricht; mijn hart lijkt geworden tot was, het begint te begeven van binnen. PS 22:16 Een stuk potscherf zo droog is mijn keel, en mijn tong voelt gekleefd in mijn mond: stof des doods daarin laat Ge mij liggen. PS 22:17 Een troep honden is om mij heen; rond mij hokt de wreedaardige bende die mijn handen doorstak en mijn voeten. PS 22:18 Al mijn beenderen kan ik tellen en zij komen mij zien, mij bekijken, PS 22:19 zij verdelen samen mijn kleren: er wordt om mijn mantel geloot. PS 22:20 Gij, o Heer, houd U dan niet ver, Gij mijn kracht, kom mij ijlings te hulp; PS 22:21 houd mijn leven gered van het zwaard, van de moedwil der honden dit laatste; PS 22:22 bewaar mij voor de muil van de leeuw, voor de horens der bisons mij schamele. PS 22:23 Dat mijn broeders uw naam ik mag melden, uw lof zingen temidden der schare; PS 22:24 die de Heer vreest, zingt Hem uw lof, geeft Hem eer, al gij nazaten Jakobs, ducht Hem, al gij nazaten Israëls! PS 22:25 Want Hij heeft niet veracht, niet versmaad de vernederde in zijn vernedering, zijn gelaat niet van hem gewend; Hij hoorde naar wie tot Hem schreide. PS 22:26 U mijn lof waar de schare bijeen is: zo toch los mijn geloften ik in ten overstaan van wie Hem vrezen. PS 22:27 Eenmaal stillen de armen hun honger; loven mogen de Heer die Hem zoeken; hun hart vinde leven voor immer. PS 22:28 In dit weten bekeert tot de Heer zich de aarde tot haar verste grenzen, buigen zich voor zijn aangezicht neer alle stammen der heidense volken. PS 22:29 Want de koningsmacht is aan de Heer: Hij is heerser over de volkeren. PS 22:30 Dan zullen wie rijk zijn op aarde Hem nederig hulde bewijzen, dan zullen knielen voor Hem die in het stof zijn gezonken, die geen kracht hadden verder te leven. PS 22:31 Hun nakomelingschap zal Hem dienen en zegt zijn nageslacht wie de Heer is. PS 22:32 En dit komt zijn gerechtigheid melden aan het volk dat geboren gaat worden. Omdat het door Hem is volbracht. Psalm 23 De Heer is mijn herder PS 23:1 Een psalm van David. PS 23:2 De Heer is mijn herder mij zal niets ontbreken. PS 23:3 Hij wijst mij te liggen in grazige weiden, Hij voert mij naar wateren der rust. PS 23:4 Hij behoedt mijn ziel voor verdwalen, Hij leidt mij in sporen van waarheid getrouw aan zijn naam. PS 23:5 Moest ik gaan door het dal van de schaduw des doods, kwaad zou ik niet vrezen. Want naast mij gaat Gij, uw stok en uw staf zij doen mij getroost zijn. PS 23:6 Een tafel richt Gij mij aan in het aangezicht van mijn belagers en zalft met olie mijn hoofd. Mijn beker vloeit over. PS 23:7 Zo zijn dan geluk en genade om mijn schreden al de dagen mijns levens. Verblijven mag ik in het huis van de Heer tot in lengte van dagen. Psalm 24 Hoofdstuk 24 Processielied PS 24:1 Van David. Een psalm. Van de Heer is de aarde en al wat zij draagt, de wereld en wie haar bevolken: PS 24:2 want Hijzelf heeft haar op de zeeën gesteld, op de stromen heeft Hij haar gegrondvest. PS 24:3 Wie mag dan bestijgen de berg van de Heer, wie mag staan in zijn heilig domein? PS 24:4 Die rein is van handen en zuiver van hart, die zijn ziel aan valsheid niet biedt, die zijn eed aflegt zonder arglist. PS 24:5 Van de Heer draagt de zegen hij mee, ontvangt recht van de God die zijn heil is. PS 24:6 Aldus het geslacht van wie vragen naar Hem, van wie zoeken uw aanschijn: zij, Jakob. PS 24:7 Heft, poorten, uw hoofden omhoog, verheft u, ingangen aloud, dat inga de koning der ere! PS 24:8 Wie is dan de koning der ere? de Heer, machtig en triomfant! de Heer, triomfant in de strijd! PS 24:9 Heft, poorten, uw hoofden omhoog, verheft ze, ingangen aloud, dat inga de koning der ere! PS 24:10 Wie is Hij, de koning der ere? De Heer der hemelse scharen. Hij is de koning der ere. Psalm 25 Gebed PS 25:1 Van David. Tot U, Heer, stijgt mijn verlangen. PS 25:2 Op U, mijn God, is mijn vertrouwen: laat mij dan niet worden beschaamd, laat mijn vijanden niet triomferen; PS 25:3 wie op U hoopt wordt nooit beschaamd: beschaamd wordt wie achteloos ontrouw is. PS 25:4 Leer mij, Heer, te onderscheiden uw wegen, de paden te zien die Gij wijst; PS 25:5 onderricht mij, leid mij in uw waarheid, Gij zijt de God van mijn behoud u verbeid ik elke dag weder. PS 25:6 Bewaar, Heer, uw erbarmen, uw goedheid: in de eeuwigheid zijn zij gegrond; PS 25:7 wees hetgeen ik misdeed in mijn jeugd, wees mijn dwalingen niet steeds indachtig, doch zie in uw ontferming mij aan. PS 25:8 De Heer is mild en waarachtig: Hij toch wijst wie dwalen de weg, PS 25:9 leidt ootmoedigen daar waar zijn recht heerst, leert zijn weg aan wie nederig zijn. PS 25:10 Immer blijken de paden des Heren genade en waarheid, als wij zijn verbond en zijn uitspraken trouw zijn. PS 25:11 Heer wil mij getrouw aan uw naam mijn vergrijp, hoe groot ook, vergeven. PS 25:12 Geen mens met ontzag voor de Heer, of die leidt hem wanneer hij zijn weg kiest; PS 25:13 en zelf vindt hij de plek van zijn voorspoed, het land dat zijn nazaten beerven. PS 25:14 Het stil gesprek met de Heer is weggelegd voor wie Hem vrezen: zo wijdt Hij hen in zijn verbond in. PS 25:15 Immer is mijn oog op de Heer, Hij bevrijdt mijn voeten uit de valstrik. PS 25:16 Zie om naar mij, heb ontferming, want eenzaam ben ik en gekweld. PS 25:17 Mijn hart is beklemd schep mij ruimte, een uitweg uit wat mij pijnigt; PS 25:18 aanzie mijn gekweldheid, mijn nood, neem het van mij af al mijn zonden. PS 25:19 Zie hoe talrijk mijn vijanden zijn, met hoe harde haat zij mij haten; PS 25:20 behoed mijn leven, bewaar mij, maak dat ik niet word beschaamd: bij u mag ik toch beschermd zijn. PS 25:21 Laat eenvoud mij geleiden, oprechtheid: ik blijf U verbeiden, vol hoop. PS 25:22 O God, maak Israël vrij van wat het rondom insluit! Psalm 26 Vertrouwend gebed PS 26:1 Van David. Heer, doe mij recht wedervaren. Ik heb toch in onschuld gewandeld, ik heb toch vertrouwd op de Heer: er leefde geen twijfel in mij. PS 26:2 Toets mij dan, Heer, onderzoek mij, doorgrond mijn geweten, mijn hart; PS 26:3 uw goedheid vervult mijn gedachten, in uw waarheid ga ik mijn weg. PS 26:4 Ik mijd het bij gluipers te zitten, met huichelaars ga ik niet om; PS 26:5 min gezelschap vervult mij met afkeer, waar het kwaad heerst houd ik mij niet op. PS 26:6 In onschuld was ik mijn handen, maak de ommegang om uw altaar, PS 26:7 dat mijn stem zich verheft in het danklied, ik de reeks uwer wonderen noem. PS 26:8 Heer, hoe is mij uw woonstede lief, de plaats waar uw heerlijkheid zetelt; PS 26:9 werp mijn leven niet weg of ik slecht was, mijn bestaan of ik hoorde bij moordenaars, PS 26:10 wier handen kleven van sluwheid, wier rechterhand zich om kwaad geld sluit. PS 26:11 Ik zoek toch te wandelen in onschuld, verlos mij en wees mij genadig: PS 26:12 mijn voet staat op een weg die niet krom buigt. Laat mij U zo mogen loven in de samenkomsten, o Heer. Psalm 27 'Mijn licht en mijn heil' PS 27:1 Van David. De Heer is mijn licht en mijn heil: wie zou ik dan vrezen? De Heer is mijn burcht, mijn behoud: voor wie zou ik beducht zijn? PS 27:2 Komen mij mijn belagers te na en zij kunnen mij levend verscheuren, zo vijandig vervolgen zij mij zij struikelen, zij vallen. PS 27:3 Streken rond mij belegeraars neer, mijn hart zou niet versagen, stond een slagorde aanvalsgereed, ik zou nochtans gerust zijn. PS 27:4 Dat ene vroeg ik van de Heer, dat is al mijn verlangen: daar te zijn in het huis van de Heer, al de dagen mijns levens, dat ik Gods luister aanschouw, op Hem zien mag binnen zijn tempel. PS 27:5 Hij doet onder zijn schaduwdak mij schuilen in dagen van dreiging, beveiligt mij binnen zijn veilige tent. Hij stelt mij hoog op een steenrots. PS 27:6 Zo mag ik heffen het hoofd hoog boven de vijand rondom mij. voltrek ik in zijn domein bij geschal van bazuinen de offers. Voor de Heer is mijn harpspel, mijn lied. PS 27:7 Heer, hoor mijn aanroep tot U, geef mij genadig uw antwoord. PS 27:8 Gij zegt en mijn hart spreekt het na: 'zoekt mijn aanschijn.' Uw aanschijn, Heer, wil ik zoeken. PS 27:9 Wend uw aangezicht niet van mij af, wijs uw knecht niet toornig terug, Gij die immer mijn hulp zijt geweest, wil mij niet verwerpen en verlaten, o God, mijn bevrijding. PS 27:10 Al begaven mij vader en moeder, de Heer nam mij aan als de zijne. PS 27:11 Wijs mij, Heer, dan uw weg, leid mij op het pad dat niet afwijkt, wie er ook op de loer ligt! PS 27:12 Laat mij niet ten prooi aan mijn haters: want mijn lasteraars maken zich groot: geweld is hun adem. PS 27:13 O, als ik niet de zekerheid had het heil des Heren te zien in dit leven op aarde! PS 27:14 Wacht dan de Heer en wees sterk, onbezweken van hart. Wacht dan de Heer. Psalm 28 Nood en uitredding PS 28:1 Van David. Tot U roep ik, Heer die mijn rots zijt: stoot mij niet terug door uw zwijgen; bleef Gij tegen mij zwijgen ik werd als die in de groeve gedaald zijn. PS 28:2 Verhoor mijn roep om ontferming: ik kan U slechts smeken om hulp, vermag slechts mijn handen te heffen naar uw heiligdom, uw geheim. PS 28:3 Werp mij niet weg met de verstoorders, met hen die het kwade bedrijven, die hun naaste spreken van vrede, doch boosheid heerst in hun hart. PS 28:4 Reken Gij met hen af naar hun werken, naar de heilloosheid van hun daden, vergeld wat hun hand heeft voltrokken: wat zij stichtten verhaal het op hen! PS 28:5 Nooit hebben zij oog voor Gods werk, voor niets wat zijn hand heeft voltrokken. Daarom delgt Hij hen, zet hen niet voort. PS 28:6 Gezegend de Heer! Het is Hij die verhoorde mijn roep om ontferming: PS 28:7 de Heer is mijn sterkte, mijn schild, op Hem is mijn diepste vertrouwen. Hulp gewerd mij mijn hart is herleefd; ik mag met mijn lied Hem weer loven. PS 28:8 De Heer is de sterkte zijns volks, Hij, de burcht zijn gezalfde tot redding. PS 28:9 Herstel de vrijheid van uw volk, zegen die tot uw erfdeel behoren. Wees hun herder: neem hen met U mee tot het einde der tijden. Psalm 29 Gods majesteit in het onweer PS 29:1 Een psalm van David. Huldigt Jahwe, zonen des hemels, huldigt Jahwe om zijn glorie en macht; PS 29:2 huldigt Jahwe om zijn naam majesteitelijk, buigt voor Jahwe in heilige tooi. PS 29:3 De stem van Jahwe is over de wateren, de majesteit Gods spreekt in het onweer. Over de wateren wijd is Jahwe: PS 29:4 de stem van Jahwe in zijn macht, de stem van Jahwe in zijn grootheid. PS 29:5 De stem van Jahwe splijt de cederen; Hij, Jahwe, splijt de Libanoncederen; PS 29:6 opspringen doet Hij als een stierkalf de Libanon en de Sirjon, als een bisonzoon in zijn sprong. PS 29:7 De stem van Jahwe splitst het weerlicht, PS 29:8 de stem van Jahwe schudt de steppe, Jahwe schudt de steppe van Kades. PS 29:9 De stem van Jahwe schudt de eiken, en scheurt van de stammen de schors. Majesteit spreekt in heel zijn gewelf. PS 29:10 Jahwe troont boven de vloed. Hij neemt de troon in, Jahwe: koning tot in eeuwigheid. PS 29:11 Jahwe zal zijn volk weerstand verlenen, Jahwe zijn volk zegenen met vrede. Psalm 30 Een lied van dankbaarheid PS 30:1 Een psalm. Een lied bij de inwijding van de tempel. Van David. PS 30:2 Hoog eer ik U, Jahwe, want Gij hebt mij ontheven, Gij maakte dat mijn vijand het lachen heeft verleerd. PS 30:3 Ik heb, Jahwe, mijn God, tot u in nood geroepen: Gij hebt mij nieuw gemaakt. PS 30:4 Jahwe, Gij deed herrijzen mijn leven uit de doden; of Gij mij had herschapen ben ik het graf ontgaan. PS 30:5 Eert dan met zang en harp Jahwe, gij zijn getrouwen, looft zijn hoogheilige naam: PS 30:6 een oogwenk duurt zijn gramschap, een leven lang zijn goedheid; de avond daalt in tranen, met jubel komt de morgen. PS 30:7 Eens dacht ik, zelfverzekerd: 'ik zal niet struikelen, nimmer!' PS 30:8 Gij gaaft, Jahwe, goedgunstig mijn berg een sterk bestand; doch toen hebt Gij afkerig uw aangezicht omhuld. En ik wist mij verslagen. PS 30:9 Ik riep U aan, Jahwe, bad mijn Heer om ontferming: PS 30:10 'Wat wint Gij met mijn heengaan, mijn dalen in de groeve? kan ooit het stof U loven, kan het uw trouw ooit melden? PS 30:11 Hoor mij, Jahwe, heb deernis; wees Gij, Jahwe, mijn helper.' PS 30:12 En toen hebt Gij veranderd mijn rouwgang in een reidans, mijn sombere dracht ontgord en mij gekleed in vreugde. PS 30:13 Zo zingt mijn ziel voor U haar psalmen bij de harp: mijn stem zal niet meer zwijgen. Jahwe, Gij zijt mijn God. U mag ik eeuwig loven. Psalm 31 Waar niemand helpt helpt God PS 31:1 Voor de koorleider. Een psalm van David. PS 31:2 Bij U, o Heer, zoek ik toevlucht, laat mij niet voor immer vernederd, geef mij door uw gerechtigheid uitkomst; PS 31:3 hoor mij, kom mij ijlings te hulp. Wees mij tot een onneembare rots, tot een burchtmuur die mij beveiligt. PS 31:4 Mijn vesting op rotsgrond zijt Gij. Gij vermoogt het, getrouw aan uw naam, mij te leiden, mijn schreden te hoeden; PS 31:5 Gij kunt mij bevrijden uit het net dat zij heimelijk mij uitgezet hadden. Mijn sterkte zijt Gij. PS 31:6 In uw hand beveel ik mijn geest, Gij, Heer, die mijn losser wilt zijn, Gij, die een God zijt van waarheid. PS 31:7 IJDELE afgodendienst wekt mijn haat op: mijn zekerheid rust in de Heer. PS 31:8 Mijn vreugde hervind ik, mijn jubel, zo Gij mij goedgunstig wilt zijn, Gij die eens omzaagt naar mijn ellende en de nood van mijn ziel hebt verstaan, PS 31:9 mij niet gaaft in de macht van de vijand, mijn voeten deed staan in wijd land. PS 31:10 Heb ontferming, Heer, ik ben belaagd; mijn oog is mat van verdriet, mijn ziel is mat en mijn lichaam; PS 31:11 of geheel mijn leven in kommer, of mijn jaren in zuchten vergaan; mijn kracht begeeft van ellende, moe ben ik tot in het merg. PS 31:12 Door mijn kwellers word ik gehoond, voor mijn naburen ben ik een afschrik, ik wek bij mijn vrienden ontzetting. Wie mij ziet op straat neemt de wijk. PS 31:13 Vergeten, uit het hart als een dode een stuk afgedankt huisraad geworden. PS 31:14 Ik merk het gemompel der mensen: er hangt iets dreigends rondom, een samenspannen dat mij geldt: zij beramen een aanslag op mij. PS 31:15 Doch ik blijf, Heer, op u vertrouwen, ik zeg mijzelf: Gij zijt mijn God; PS 31:16 in uw hand is mijn spanne levens: bewerk toch dat ik word gered uit de macht van vijand en vervolger; PS 31:17 doe uw aanschijn lichten over uw knecht, verlos mij krachtens uw goedheid. PS 31:18 Heer, u roep ik maak mij niet te schande, neen, schande treffe uw haters, in het dodenrijk eindelijk verstomd. PS 31:19 Laat zwijgen de taal van de laster, het verwaten woord tegen wie recht staat, vol aanmatiging en vol hoon. PS 31:20 Hoe oneindige rijkdom, o Heer, hebt Gij weggelegd voor wie U vrezen, bereid voor wie bij U schuilen, ten aanschouwe van dit aards geslacht. PS 31:21 Hen verbergt Gij stil in uw nabijheid voor het samenscholen der mensen, in uw loverhut stelt Gij hen veilig veraf van het twisten der tongen. PS 31:22 Gezegend zij Hij, de Heer, die mij wonderen van goedheid bewees. Ik ben als in een vesting beveiligd. PS 31:23 Zelf heb ik gedacht in mijn angst: 'ik ben uit Uw ogen verbannen', doch Gij hebt mijn smeken verstaan toen ik U om hulp heb geroepen. PS 31:24 Hangt de Heer aan, gij die Hem behoort, de Heer behoedt wie Hem trouw zijn, doch wie zich uitviert in hoogmoed doet Hij het betalen: veelvoudig! PS 31:25 Weest sterk, onverslagen van hart: gij allen die hoopvol de Heer wacht. Psalm 32 Laat het berouw tot u toe! PS 32:1 Van David. Een compositie. Zalig wiens overtreding vergeven, wiens zonde uitgewist is; PS 32:2 zalig de mens wien de Heer niet meer toerekent wat is misdreven, in wiens hart niets heimelijks huist. PS 32:3 Want zolang ik zweeg, teerde mijn kracht weg, mijn snikken brak los, elke dag; PS 32:4 dag en nacht bleef uw hand op mij wegen: ik verschrompelde tot in het merg, of mij midzomerhitte verschroeid had. PS 32:5 Tot ik U mijn zonde bekend heb, mijn kwaad niet langer verzweeg, wist: de Heer biecht ik mijn overtreding. Toen vergaaft Gij mijn zonde, mijn schuld. PS 32:6 Daarom bidde tot U wie gelooft ten tijde dat hij zich belaagd weet; dan, hoe dreigend het water ook wast, hem vermag het niet te bereiken. PS 32:7 Gij, mijn schutse, ontheft mij van druk, bevrijding schept Gij rondom mij. PS 32:8 Inzicht geef Ik u, onderrichting, omtrent de weg die gij gaan moet. Ik geef raad. Mijn oog is op u. PS 32:9 Weest daarom niet als een paard, niet een redeloos muildier gelijk; men moet met toom en met bit zijn koppigheid weten te breken. Want anders komt het u te na! PS 32:10 Slagen talloos wachten wie kwaad zoekt, doch wie zijn rust weet in de Heer, hem zal Gods genade omgeven. PS 32:11 Verblijdt u: want Hij is de Heer. Zingt, vromen, Hem van uw vreugde, zingt, oprechten van hart, uw vervoering! Psalm 33 Loflied PS 33:1 Verheft, vromen, met jubel de Heer, wel voegt de oprechten een loflied! PS 33:2 Zingt de Heer bij de cither een lofzang, een psalm bij de tiensnarige harp; PS 33:3 zingt ter ere van Hem een nieuw lied, paart uw tokkelspel aan de bazuinen. PS 33:4 Volstrekt is het woord van de Heer, heel zijn handelen voltrekt zich in waarheid; PS 33:5 Hem behaagt de orde des rechts, zijn genade vervult heel de aarde. PS 33:6 Door zijn woord zijn de hemelen gemaakt, door zijn ademtocht heel hun heir; PS 33:7 rijzen deed Hij de zee als een wal, heeft haar kolken in krochten gekamerd. PS 33:8 Draag, aarde, ontzag voor de Heer, ducht Hem, al gij bewoners der wereld: PS 33:9 immers Hij sprak en het was, Hij gebood en het stond. PS 33:10 Hij ontwricht het beraad van de volken, doet hun aller plannen te niet; PS 33:11 doch zijn beraad staat voor eeuwig, zijn besluiten geslacht op geslacht. PS 33:12 Gelukzalig Jahwe's volk, het godsvolk, de stam die als zijn erfdeel Hij koos. PS 33:13 De Heer ziet uit de hemelen neder, heeft elk mensenkind in het oog; PS 33:14 zijn aandacht gaat, vanwaar Hij zetelt, over al wat de aarde bevolkt; PS 33:15 aller harten heeft Hij geformeerd, van een ieder doorgrondt Hij het handelen: PS 33:16 en geen vorst is door legermacht veilig, geen held is, hoe geducht ook, onkwetsbaar; PS 33:17 faalt het strijdros uw zege is te niet: een paard redt niet, hoe sterk ook, uw leven. PS 33:18 Weet: Gods oog rust op wie Hem vrezen, die van Hem de genade verbeiden, PS 33:19 dat Hij hen bewaart voor de dood, hen als hongersnood heerst wil behouden. PS 33:20 Ons hart wacht de komst van de Heer: 'onze hulp en ons schild dat is Hij!' PS 33:21 Onze diepste vreugd rust in Hem, ons vertrouwen in zijn naam hoogheilig. PS 33:22 Uw genade, Heer, zij over ons, gelijk wij U hoopvol verbeiden. Psalm 34 Alfabetisch gedicht PS 34:1 Van David. Toen hij tegenover Abimelek geveinsd had waanzinnig te zijn, zodat deze hem wegjoeg en hij zijns weegs kon gaan. PS 34:2 Loven wil ik de Heer te allen tijde, de lof Gods geef ik stem, altijd weer; PS 34:3 en mijn ziel zal in trots de Heer prijzen: wie verdrukt is hoort het met verrukking. PS 34:4 Verheer lijkt, met mij, de Heer, verheffen wij zijn naam eenparig. PS 34:5 Ik zocht de Heer: Hij gaf mij antwoord, Hij heeft mij bevrijd van mijn angsten. PS 34:6 Die op Hem zien stralen als licht, hun gelaat draagt nimmer vernedering. PS 34:7 Zie, er was een verdrukte die riep: de Heer heeft hem antwoord gegeven, hem verlost uit al wat hem kwelde. PS 34:8 De engel des Heren strijkt neder, legt zijn wacht rondom wie God vrezen. PS 34:9 Ervaart het, ziet: mild is de Heer, gelukzalig de mens die bij Hem schuilt. PS 34:10 Vreest de Heer, gij die Hem zijt gewijd, die Hem vrezen hun zal niets ontbreken. PS 34:11 De rijke verkommert en hongert, die God zoekt zal geen zegening derven. PS 34:12 Mijn zonen, komt, luistert naar mij; ik leer u wat ontzag voor de Heer is. PS 34:13 Zou niet elk mens het leven begeren duurzaam willen zien op zijn vreugden? PS 34:14 Bewaar uw tong voor wat kwaad brengt, uw lippen voor leugenarij. PS 34:15 Mijd het kwade, handel ten goede, zoek de vrede, tracht die te veroveren. PS 34:16 Toornig ziet de Heer op de verstoorders, dat hun voortbestaan uitsterft op aarde. PS 34:17 De Heer slaat de rechtvaardigen gade, zijn oor vangt hun hulpgeroep op. PS 34:18 Zij riepen, de Heer gaf hun antwoord, Hij heeft hen verlost uit hun noden. PS 34:19 De Heer helpt de gebrokenen van hart, die verslagen van geest zijn bevrijdt Hij. PS 34:20 De rechtvaardige treft menige rampspoed, doch de Heer verlost hem uit dit alles. PS 34:21 Hij houdt al zijn krachten bijeen; er wordt geen van zijn beenderen gebroken. PS 34:22 Het kwaad brengt wie het kwaad zoekt de dood: zo boet wie den rechtvaardige haatte. PS 34:23 Hij is de losser, de Heer, die zijn knechten het leven terug gaf. Die tot Hem vluchten zullen vrijuit gaan. Psalm 35 Vijandschap aan alle kanten PS 35:1 Van David. Bevecht, Heer, die mij bevechten, voer met mijn bestrijders de strijd; PS 35:2 grijp wapenrusting en rondas, verrijs om mij bijstand te bieden. PS 35:3 Hanteer de lans en de strijdbijl als Gij mijn vervolgers genaakt. Zeg mij: 'Ik ontzet u, Ikzelf.' PS 35:4 En beschaamd zullen worden, vernederd, die het hadden gemunt op mijn leven, aftrekken met schade en schande die uit zijn geweest op mijn ongeluk. PS 35:5 Laat hen worden als kaf op de wind en de engel Gods die hen voortjaagt PS 35:6 donker zij hun weg, langs de steilten en de engel Gods die hen vervolgt. PS 35:7 Niets misdeed ik zij spanden hun netten, niets misdeed ik men groef mij een kuil: PS 35:8 straks treft hen het onvoorzien onheil, vangt het net dat zij spanden henzelf; straks heeft hun val zich voltrokken. PS 35:9 Dan geldt mijn jubel de Heer, mijn vervoering Hem, de bevrijder. PS 35:10 Hartgrondig mag ik het belijden: 'wie is, o Heer, gelijk Gij, Gij die de verdrukte verlost van wie zijn overmacht uitviert, de arme van wie hem besteelt?' PS 35:11 Als de valse getuigen verschijnen vraagt men mij naar wat ik niet weet; PS 35:12 elk loont mij het goede met kwaad, ik voel mij van ieder verlaten. PS 35:13 Heb ik niet, toen ziekte hen trof, een zak omgeslagen als rouwdracht en mij zelf door vasten vernederd? Was mijn innig gebed niet voor hen? PS 35:14 Als gold het een vriend of een broeder, zo droeg ik het met mij om; of ik om een moeder in rouw was zo somber boog ik het hoofd. PS 35:15 Doch toen mijn gang moeizamer werd liepen zij te hoop in hun vreugde. Ook vreemden die ik niet kende sarden mij: zij hielden niet op; PS 35:16 zij tempteerden mij, deden mij na, knarsetandend als ze mij zagen. PS 35:17 Hoe lang, Heer, ziet Gij dit nog aan? Berg mijn leven voor hun vernielzucht, bescherm tegen de leeuwen dit laatste, PS 35:18 dat ik onder de schare U dank zeg, met de menigte samen uw lof zing. PS 35:19 Laat wie mij arglistig bestrijden geen leedvermaak over mij hebben, laat mij het geknipoog niet zien van wie mij redeloos haten. PS 35:20 Het woord vrede zij kennen het niet; het geldt de stillen in den lande wat zij lasteren, weloverlegd. PS 35:21 En mij schreeuwen zij in het gezicht, roepen: 'mooi zo! Nu zien wij het zelf!' PS 35:22 Heer, een die het ziet: dat zij Gij. Blijf dan niet zwijgen, o Heer, houd U niet verre van mij. PS 35:23 Ontwaak, verrijs, dat ik recht vind, strijd Gij, o God, voor mijn zaak; PS 35:24 verschaf mij recht krachtens uw waarheid: o Heer, Gij zijt toch mijn God. Laat hen niet over mij zich vermaken, PS 35:25 duld niet dat zij, heimelijk verheugd, gaan denken: 'mooi! Ons gaat het goed', zeggen: 'niets lieten wij van hem over!' PS 35:26 Doch laat smadelijk de nederlaag lijden die zich over mijn rampspoed verheugden: zij, beladen met schade en schande, die zich waanden hoog boven mij! PS 35:27 Dan vieren juichend hun vreugde die op mijn rechtvaardiging hoopten, het herhalend: 'groot is de Heer: Hij beschikt dat zijn knecht leeft in vrede.' PS 35:28 En ik geef uw gerechtigheid stem, als ik, elke dag weder, uw lof zing. Psalm 36 Gods bedoeling met het mensenleven PS 36:1 Voor de koorleider. Van Jahwe's dienaar David. PS 36:2 Een woord van overschrijding van de afgevallen mens: 'daarbinnen in mijn hart heerst geen ontzag voor God: ik kan zijn blik trotseren!' PS 36:3 Dit geeft hem veel voldoening, zijn schendtaal vindt hij prachtig. PS 36:4 Wat uitgaat uit zijn mond brengt onheil, is gelogen. Zelfkennis, eerlijk handelen het is hem vreemd geworden: PS 36:5 op bed denkt hij zijn kwaad uit, kiest welbewust een weg waarvan niets goeds kan komen. Hij zal geen laagheid schuwen. PS 36:6 Hemelhoog, Heer, uw goedheid, uw trouw reikt tot de wolken; PS 36:7 als het gebergte Gods staat uw gerechtigheid, zoals de grote vloed zo nadert uw gericht. Gij wilt de mens, het dier, Heer, in uw heil doen delen. PS 36:8 Hoe rijk is, God, uw goedheid: de mensenkinderen mogen zich welgeborgen weten in uwer vleugelen schaduw. PS 36:9 Het kostelijkst van uw huis gewordt hun als verkwikking, Gij laaft hen aan de beek van uwe heerlijkheden. PS 36:10 Gij bergt de bron des levens, in uw licht zien wij licht. PS 36:11 Bestendig dan uw goedheid voor wie met U verkeren, en uw gerechtigheid voor wie oprecht van hart zijn. PS 36:12 Laat niet over mij heengaan de voetstap van de heers zucht, de vuist van wie U haten mij niet tot vluchteling maken. PS 36:13 Zie, plotseling storten neer die in het kwaad volhardden; ter aarde liggen zij, tot opstaan niet bij machte. Psalm 37 Vermaan, bemoediging, troost PS 37:1 Van David. Wees nooit op boosdoeners afgunstig, benijd niet wie onrecht begaan: PS 37:2 straks zijn zij verdord als het gras, verwelkt als het groen van de velden. PS 37:3 Vertrouw op de Heer, doe wat goed is, hoed uw trouw in het land waar gij woont. PS 37:4 Vind uw diepste geluk in de Heer: en uw hartsverlangen vervult Hij. PS 37:5 Leg uw leven de Heer in de hand, bouw op Hem: Hij zal het volvoeren. PS 37:6 Hij doet rijzen uw recht als het licht, uw geding als de middagzon stralen. PS 37:7 Keer u stil tot de Heer en verbeid Hem; benijd niet, al bereikt hij zijn doel, de mens die met list weet te werken. PS 37:8 Ban uw wrok, laat varen uw toorn, voed geen afgunst: dat sticht louter onheil. PS 37:9 Want de boosdoeners worden verdelgd; die de Heer hoopvol hebben verbeid, zij zullen het aardrijk beerven. PS 37:10 Nog kort en wie kwaad zaait is heen, zoekt gij naar zijn standplaats verdwenen! PS 37:11 de ootmoedigen beerven het aardrijk, laven zich aan de volheid des vredes. PS 37:12 Al belaagt wie kwaad wil de rechtvaardige, knarsetandend als hij hem gewaar wordt, PS 37:13 de Heer heeft aan hem zijn vermaak: Hij toch ziet zijn dag reeds gekomen. PS 37:14 Wel trekken Gods haters hun zwaard, zijn zij bezig de bogen te spannen om te treffen wie weerloos en arm is, te vermoorden wie eerlijk zijn weg gaat. PS 37:15 Maar dit zwaard dringt hun zelf in het hart, hun boog wordt doormidden gebroken. PS 37:16 Meer heeft de rechtvaardige aan weinig dan zovele bedriegers aan rijkdom. PS 37:17 De arm van Gods haters wordt machteloos: de Heer geeft de rechtvaardigen bestand. PS 37:18 De Heer kent de dagen der vromen, eeuwig blijft hun het erfdeel bewaard: PS 37:19 in de kwade tijd onverslagen vinden zij zelfs bij hongersnood voedsel. PS 37:20 Straks zijn Gods haters vergaan; die vijandig zijn aan de Heer zijn welhaast als de tooi van de velden verdwenen, verdwenen in rook. PS 37:21 De bedrieger leent en hij houdt het; de rechtvaardige, meedogend, scheldt kwijt. PS 37:22 Die Hij zegent beerven het aardrijk, dan zijn uitgeroeid die Hij vervloekt. PS 37:23 De Heer houdt de mens recht op zijn voeten wanneer Hem zijn wandel behaagt: PS 37:24 mocht hij vallen, geveld is hij nooit, want de Heer heeft zijn hand reeds gegrepen. PS 37:25 Jong was ik en nu ben ik oud, nooit zag ik een rechtvaardige verlaten, noch zijn nageslacht bedelen om brood. PS 37:26 Wie barmhartig steeds klaar stond tot lenen, ook zijn nageslacht ontmoet zegen. PS 37:27 Mijd het kwade, doe gij het goede: zo zult ge voor immer hier wonen. PS 37:28 De Heer staat aan de kant van het recht, nooit zal Hij zijn getrouwen begeven, zij worden behouden voor eeuwig, en verdelgd het geslacht van Gods haters. PS 37:29 De rechtvaardigen beerven de aarde, zij mogen haar blijvend bewonen. PS 37:30 Wijsheid klinkt uit de mond des rechtvaardigen, zijn tong spreekt van het rechte bestel. PS 37:31 In zijn hart leeft de wet van zijn God; daarom zullen zijn schreden niet falen. PS 37:32 Al beloert wie kwaad wil de rechtvaardige, al zoekt hij hoe hem te vermoorden, PS 37:33 de Heer geeft hem niet in zijn macht, duld nooit dat zijn rechtszaak verkracht wordt. PS 37:34 Verbeid de Heer, ga waar Hij wijst, die u waard keurt het land te beerven: gij beleeft de verdelging der duisteren. PS 37:35 Een slecht mens zag ik, een tyran, een die als een sterke plant opschoot. PS 37:36 Iemand ging voorbij zie, hij was weg; ik zocht hem hij was nergens te vinden. PS 37:37 Zie toch de rechtschapene aan, houd het oog gericht op de oprechte; hij leeft voort, de drager van vrede. PS 37:38 Weggevaagd wordt wat Gods wetten schendt, uitgeroeid de nazaten der bozen. PS 37:39 De Heer schept de rechtvaardigen vrijheid, is hun toevlucht in tijden van dreiging; PS 37:40 de Heer helpt hen, Hij geeft hun uitkomst, onttrekt hen aan hun haters, verlost hen. Want zij zochten hun toevlucht in Hem. Psalm 38 Schuldig, ziek en vereenzaamd PS 38:1 Een psalm van David. Bij een reukoffer. PS 38:2 Heer, straf mij niet in uw toorn, tuchtig mij niet in uw gramschap; PS 38:3 uw pijlen zijn in mij gehecht, hard heeft uw hand mij getroffen. PS 38:4 Niets is aan mijn lichaam meer heel: steeds blijft uw gramschap mij aanzien, niets meer is in mijn binnenste gaaf: steeds staart mijn zonde mij aan; PS 38:5 ja mijn schuld rijst boven mij uit, als een last te zwaar om te dragen. PS 38:6 Vervuild en met stinkende wonden zie mijn dwaasheid ik in het gelaat; PS 38:7 gekromd ben ik, diep gebogen, alle dagen ga ik in het zwart. PS 38:8 Mijn lendenen branden van koorts, niets is er meer gaaf aan mijn lichaam; PS 38:9 verlamd ben ik, stukgebroken ik kan schreeuwen, zo hamert mijn hart. PS 38:10 Heer, al mijn verlangen ligt voor U: u ontgaat het niet hoe ik zucht; PS 38:11 mijn hart bonst, mijn kracht is vergaan, straks begeeft mij het licht van mijn ogen. PS 38:12 Vrienden keren zich af van mijn nood, die mij na staan houden zich verre; PS 38:13 mijn belagers spannen hun strik, die mij kwaad willen spellen mij onheil en fluisteren de dag lang hun leugens. PS 38:14 Dan houd ik mij doof, wil niet horen; een doofstomme: hij opent geen mond; PS 38:15 ik werd een man die niet hoort, die geen wederwoord in de mond heeft. PS 38:16 Al mijn hoop, Heer, stel ik op U, op uw antwoord, mijn Heer en mijn God; PS 38:17 ik denk: als ze maar niet om mij lachen, triomferen als struikelt mijn voet; PS 38:18 haast verlies ik de grond waar ik sta, en mijn enige gezel is mijn pijn. PS 38:19 Zie, ik wil bekennen mijn schuld, bekommerd ben ik om mijn zonde. PS 38:20 Maar springlevend mijn vijanden, weerbaar, ongeteld die vol arglist mij haten, PS 38:21 het goede lonend met kwaad, met vervolging mijn drang naar het goede. PS 38:22 Heer, laat mij niet alleen, mijn God, blijf niet verre van mij. PS 38:23 O, kom mij spoedig te hulp: Heer, wees Gij mijn redding! Psalm 39 De vernederde PS 39:1 Voor de koorleider. Voor Jedutun. Een psalm van David. PS 39:2 Ik dacht: laat ik mijn woorden bewaken, opdat mij mijn tong niet verleidt; mijn mond als met een muilband verzekeren zolang ik die schurk nog moet zien. PS 39:3 Dus zwijg ik, met stomheid geslagen, zie af van elk woord dat verlicht: maar nu is mijn pijn slechts verergerd, PS 39:4 hart verschroeit in mijn borst. Wat ik denk het verbrandt mij van binnen. En ik open toch nog mijn mond: PS 39:5 'gun mij, Heer, te weten mijn einde, wat de maat van mijn dagen zal zijn, en ik zal mijn kortstondigheid inzien. PS 39:6 Zie, mijn dagen bepaalt Gij een handbreed, voor uw oog is mijn levensduur niets; de mens, zo fier, is slechts een adem, PS 39:7 slechts een schaduw de baan die hij gaat: als een zucht is het leven vervluchtigd. Men vergaart en wie gaat ermee heen? PS 39:8 Wat mag ik, Heer, thans nog verwachten? mijn hopen is slechts op U; PS 39:9 bevrijd mij van al wat verkeerd was, richt de spot van de dwaas niet op mij. PS 39:10 Ik zwijg doe mijn mond niet meer open: het is alles geschied door uw hand; PS 39:11 neem uw teistering thans van mij weg, bleef uw hand tegen mij ik moest sterven. PS 39:12 Met tuchtiging om zijn schuld doet zwaar gij de sterveling boeten; aan zijn vroegere pracht vreet de mot: de mens hij is slechts een adem. PS 39:13 Hoor, o Heer, mijn gebed, versta hoe ik smeek om uw bijstand; o blijf voor mijn schreien niet doof: ik ben slechts een vreemdeling bij U, een bijwoner gelijk al mijn vaderen. PS 39:14 Wend uw straffende blik van mij af, dat ik nog vreugde mag vinden eer ik heenga en uit ben gewist.' Psalm 40 Geloofservaring PS 40:1 Voor de koorleider. Van David. Een psalm. PS 40:2 Ik heb de Heer vurig verbeid: toen boog Hij zich over tot mij, Hij verhoorde mijn roepen om hulp PS 40:3 en trok mij uit de groeve des doods, uit het slijk van dit zuigend moeras; Hij zette mijn voeten op rotsgrond, heeft mijn schreden vastheid gegeven. PS 40:4 Hij gaf mij een nieuw lied in de mond: de lofzang voor wie onze God is. O, mocht elk dit verstaan in ontzag, op de Heer zich leren verlaten: PS 40:5 want gelukkig de man die voorgoed op de Heer zijn vertrouwen gegrond heeft, zich niet bij zelfverzekerden schaart, noch bij wie zich verliezen in leugens. PS 40:6 Hoe ontelbaar, Heer onze God, zijn de wonderen die Gij verricht hebt, uw bestemmingen om onzentwille; uw grootheid is onvergelijkelijk: wilde ik die onthullen met woorden, het was boven de macht van mijn taal. PS 40:7 Gij die offers afwees en geschenken hebt mijn dove oren geopend: brand- en zondoffers zeggen U niets. PS 40:8 Toen heb ik gesproken: 'hier ben ik. Mij geldt wat in de boekrol vervat is: PS 40:9 God, uw wil te doen is mijn vreugde, uw wet is binnenin mij gegrift.' PS 40:10 Bode van uw gerechtigheid ben ik waar de schare tesamengestroomd is; zie, mijn lippen hield ik niet gesloten: Gij, Heer, Gij weet dit van mij. PS 40:11 Uw gerechtigheid haar heb ik nimmer in het eigen hart weggeborgen: ik verkondig uw trouw, uw verlossing, zwijg niet van uw genade, uw waarheid, waar de velen bijeen zijn vergaderd. PS 40:12 Heer, ontzeg mij dan niet uw ontferming: mogen uw genade, uw waarheid mij behoeden te allen tijde, PS 40:13 want rondom sluiten rampen mij in zij worden welhaast ontelbaar; door mijn zonden word ik achtervolgd, hen aan te zien niet bij machte; talloos mijn hoofdharen te boven. En mijn hart vertwijfelt in mij. PS 40:14 Heer, behage het U mij te redden, Heer, kom mij haastig te hulp. PS 40:15 Laat beschaamd staan, bewust van hun schande, die het hadden gemunt op mijn leven, geef Gij de smadelijke aftocht van wie op mijn ongeluk hoopten, PS 40:16 mogen zelf zich verschuilen, vernederd, die schateren: 'raak! die is raak!' PS 40:17 Wacht geluk en vreugde in U niet elk wiens hart naar u uitgaat? Het woord' grootmachtig is God' mogen telkendage herhalen zij die verbeiden uw heil. PS 40:18 Ik ben zo ellendig, zo arm Heer, wil aan mij denken. Mijn hulp zijt Gij, mijn bevrijder: mijn God, laat U niet wachten. Psalm 41 Gebed in ziekte en verlatenheid PS 41:1 Voor de koorleider. Een psalm van David. PS 41:2 Gelukkig wie oog voor de nederige heeft: staat het kwaad, de Heer brengt hem ontzet; PS 41:3 de Heer hoedt hem, waakt over zijn leven, geluk wordt op aarde zijn deel Hij geeft hem niet prijs aan zijn haters. PS 41:4 De Heer staat hem bij op het ziekbed, Hij wendt het waar machteloos hij lag. PS 41:5 Zo vraag ik thans: 'Heer, wees mij goedgunstig, genees mij al krenkte ik U.' PS 41:6 Mijn vijanden wensen mij kwaad: 'wanneer sterft hij en eindigt zijn naam?' PS 41:7 Komt er een om mij te zien, gehuicheld is het wat hij zegt; hier vindt zijn boosaardigheid stof: hij gaat het vertellen op straat. PS 41:8 Samen fluisteren over mij die mij haten, zij denken het ergste mij toe: PS 41:9 ''t Is kwaadaardig wat hem heeft gegrepen! Wie zo ligt staat niet meer op!' PS 41:10 Hij zelfs, mijn vriend, mijn vertrouwde, met wie ik mijn brood heb gedeeld, hij hief zijn hiel tegen mij. PS 41:11 Heer, ontferm Gij U, richt mij op, en ik zal hen naar mijn trant betalen, PS 41:12 hieraan weten dat Gij naar mij omziet: over mij roept geen vijand triomf! PS 41:13 Onaangerand bleef ik Gij schraagt mij, stelt mij voor uw aanschijn. Voor immer. PS 41:14 Geprezen zij de Heer, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen, ja amen. Psalm 42 Verlangen naar God PS 42:1 Voor de koorleider. Een compositie. Van de Korachieten. PS 42:2 Gelijk het hert dat reikt naar waar het water stroomt, zo in verlangen reikt mijn ziel naar U, o God. PS 42:3 Mijn ziel lijdt dorst naar God, naar God die leven is; wanneer mag ik opgaan, dat ik voor God verschijn? PS 42:4 Mijn tranen zijn mijn brood bij dagen en bij nacht, waar men van vroeg tot laat mij zegt: 'waar is uw God?' PS 42:5 Voor ogen wil ik zien, uitschreien wat mij kwelt, hoe eens ik in de stoet vooraanging naar Gods huis, als jubelend zong de dank, aanzwol het feestgedruis. PS 42:6 Wat buigt ge u neer, mijn ziel, wat zijt ge ontrust in mij? Stel gij op God uw hoop: eenmaal loof ik Hem weer die mij bevrijdt mijn God. PS 42:7 Mijn ziel buigt zich terneer en dan denk ik aan U, van dit Jordaanland uit, de Hermontoppen ginds, vanaf het laaggebergte. PS 42:8 Kolking roept kolking op waar daverend water stort. wieling en waterval op mij loopt alles storm. PS 42:9 Zo de Heer dag aan dag zijn gunst weer uit deed gaan, Hem gold tot in de nacht mijn lied een lofgezang tot God die leven is. PS 42:10 Thans vraag ik God, mijn rots: waarom vergeet Gij mij? Waarom ga ik in rouw en heeft mijn vijand macht?' PS 42:11 Mij rakend in het hart honen mijn kwellers mij, waar elk van vroeg tot laat mij zegt: 'waar is uw God?' PS 42:12 Wat buigt ge u neer, mijn ziel, wat zijt ge ontrust in mij? Stel gij op God uw hoop: eenmaal loof ik Hem weer die mij bevrijdt mijn God. Psalm 43 Niet verlaten PS 43:1 Doe Gij, o God, mij recht, beslecht het pleit voor mij tegen dit ontrouw volk; verlos mij van de mens die liegt en die verraadt. PS 43:2 Gij, God, mijn toevlucht eens, waarom verstoot Gij mij? Waarom ga ik in rouw en heeft mijn vijand macht? PS 43:3 Uw waarheid zend, uw licht, en zij gaan voor mij uit, geleiden mij naar ginds, uw heilige berg tot aan de woningen waar Gij zijt, PS 43:4 ik voor Gods altaar treed God, mijn geluk, mijn feest en U met harpspel loof, God, die mijn God wilt zijn. PS 43:5 Wat buigt ge u neer, mijn ziel, wat zijt ge ontrust in mij? Stel gij op God uw hoop: eenmaal loof ik Hem weer die mij bevrijdt mijn God. Psalm 44 Het godsvolk onder vervolging PS 44:1 Voor de koorleider. Van de Korachieten. Een compositie. PS 44:2 God, wij hoorden het met eigen ogen, onze vaderen verhaalden het ons: wat in hun dagen Gij liet geschieden, in die dagen van het begin. PS 44:3 Met eigen hand hebt Gij verdreven de heidenen, hen daar geplant; volksstammen verdelgd, hen vermeerderd. PS 44:4 Want waarlijk niet dankzij hun zwaard kregen zij dit land in bezit, eigen strijdbaarheid bracht hun geen zege: uw ingreep, uw lichtend aanschijn bracht redding. Gij schonk hun uw gunst. PS 44:5 Gij waart het, mijn koning, mijn God, die gebood de bevrijding van Jakob: PS 44:6 met u vellen wij onze belagers, wij hebben op hen die ons tartten de voet gezet in uw naam. PS 44:7 Mijn vertrouwen is niet op mijn boog, mijn zwaard brengt mij niet de zege; PS 44:8 Gij slechts redt ons van onze vervolgers, Gij maakt onze haters beschaamd: PS 44:9 God gold onze triomf, dag aan dag; uw naam mochten wij altijd weer loven. PS 44:10 En nu hebt Ge ons verstoten, vernederd, gaat niet meer aan de spits onzer scharen, PS 44:11 doet ons wijken voor de belagers; onze haters plunderen zich rijk. PS 44:12 Gij levert als slachtvee ons uit, Ge verstrooit ons onder de heidenen, PS 44:13 Gij verkoopt uw volk wel niet duur, hebt zijn waarde niet hoog aangeslagen. PS 44:14 Gij zendt ons: van de naburen hoon, spot en terging van wie ons omringen, PS 44:15 maakt ons onder de volken spreekwoordelijk; heidenen schudden het hoofd over ons. PS 44:16 Elke dag opnieuw zie ik mijn schande, de vernedering ligt op mijn gelaat PS 44:17 om de taal van wie spotten en honen, om de blikken van haat en van wraakzucht. PS 44:18 Het kwam alles over ons hoofd: en toch wij vergaten U nimmer, lichtten nooit de hand met uw verbond; PS 44:19 ons hart was nimmer ontrouw, ons voetspoor week niet van uw pad, PS 44:20 ofschoon Ge ons gaan deed, gekromd, door het oord waar de jakhalzen huizen, ons in schaduw des doos hebt gehuld. PS 44:21 Zo wij Gods naam hadden verzaakt, tot een vreemde God hieven de handen, PS 44:22 zou God dat niet hebben gepeild? Hij toch weet wat het hart houdt verborgen. PS 44:23 Om u doodt men ons dag aan dag, ziet men ons als slachtvee een troep schapen. PS 44:24 O, ontwaak! Waarom sluimert Gij, Heer? ontwaak verwerp ons niet voor immer. PS 44:25 Waarom wendt Ge uw aangezicht af, vergeet Gij onze nood en verdrukking? PS 44:26 Onze ziel ligt terneer in het stof, ons lijf is aan de aarde gebonden. PS 44:27 Verrijs! Kom Gij ons te hulp: verlos ons in uw ontferming! Psalm 45 Bruiloftsgedicht voor een koning PS 45:1 Voor de koorleider. Op de wijze van' Lelien'. Van de Korachieten. Een compositie. Een minnedicht. PS 45:2 Mijn hart trilt van de taal der vervoering, voor een koning het lied dat ik voordraag! mijn vers rept zich een snellende schrijfstift. PS 45:3 Boven mensen uit draagt gij uw schoonheid, betovering legt zich op uw lippen: zo heeft God u gezegend voor immer. PS 45:4 Gord het zwaard, o held, aan de heup, draag uw majesteit en uw luister; PS 45:5 span uw boog, rijd onvervaard uit voor de waarheid, voor recht dat verdrukt wordt: uw hand gebiede ontzag! PS 45:6 Want scherp zijn uw pijlen gepunt en het krijgsvolk valt u te voet waar zijn kern had de vijand des konings. PS 45:7 Uw troon, naar Gods wil, staat voor eeuwig; uw koningschap voert een scepter die scepter der rechtsorde is. PS 45:8 Gij koos voor het recht, haat het onrecht: zo heeft God, uw God, u gezalfd, u gezalfd met olie der vreugde boven al uwe medegenoten. PS 45:9 Myrrhe, aloe, cassia hechten aan uw gewaden hun geuren; uit ivoren paleizen klinkt op snarenspel om u te behagen. PS 45:10 Koningsdochters zijn onder uw schonen, statig, rechts van u, uw gemalin in het glanzende goud van Ofir. PS 45:11 'Luister, jonkvrouw, zie op, geef gehoor, laat uw volk, laat het huis van uw vader, PS 45:12 zo de koning uw schoonheid begeert hij uw heer buig u voor hem neder: PS 45:13 straks zoeken, o dochter van Tyrus, met geschenken rijksgroten uw gunst.' PS 45:14 Nog toeft in opperste pracht in het binnenvertrek de prinses; van goudbrokaat is haar gewaad. PS 45:15 Naar waar de borduurselen prijken, naar de koning wordt zij geleid; meisjes in haar gevolg, gezellinnen, ook zij worden tot u gebracht, PS 45:16 voortgeleid onder vreugde en jubel. Zo treden de troonzaal zij in. PS 45:17 Voortzettend de rij uwer vaderen staan uw zonen: zover als dit land reikt zult gij hen aanstellen tot vorsten. PS 45:18 Geroepen weet ik mij uw naam geslacht op geslacht te doen leven; zo mogen de volken u loven van thans tot in eeuwigheid. Psalm 46 Een vaste burcht is onze God PS 46:1 Voor de koorleider. Van de Korachieten. Op de wijze van 'Jonkvrouwen'. Een lied. PS 46:2 God is ons een toevlucht, een sterkte, hulp in noden hogelijk bevonden. PS 46:3 In dit weten zijn wij zonder vrees, al werd ook de aarde ontwricht, al werd het gebergte ontzet tot diep in het hart van de zeeën. PS 46:4 Moge daveren, bruisen de branding, dat de bergwand schokt als het hoog gaat: de Heer der heerscharen Hij is met ons, een burcht is ons de God Jakobs. PS 46:5 Vlietend water verblijdt de stad Gods, woonstee des Allerhoogsten hoogheilig. PS 46:6 En binnenin zetelt God, onwrikbaar is haar bestand: God zelf, Hij brengt haar ontzet, in het uur dat de dageraad nadert. PS 46:7 De volkeren morren opstandig, koninkrijken storten ineen; zijn stem klinkt en de aarde krimpt terug: PS 46:8 de Heer der heerscharen Hij is met ons, een burcht is ons de God Jakobs. PS 46:9 Komt, aanschouwt de daden des Heren, waar vervaarlijk op aarde Hij ingrijpt, PS 46:10 de strijd neerslaat zover de aarde reikt, de boog breekt, versplintert de lans, strijdwagens in vlammen doet opgaan. PS 46:11 Laat af en beseft dat Ik God ben, Ik: boven de volken verheven, verheven hoog boven de aarde. PS 46:12 De Heer der heerscharen. Hij is met ons: een burcht is ons de God Jakobs. Psalm 47 Feestlied PS 47:1 Voor de koorleider. Van de Korachieten. Een psalm. PS 47:2 Alle gij volken, klapt in de handen, schalle voor God de klaroen van uw jubel. PS 47:3 Waarlijk, geducht is de Heer, de Allerhoogste, koning grootmachtig, het aardrijk beheersend. PS 47:4 Volkeren heeft Hij voor ons zich doen buigen, heeft op hun stamland de voet ons doen zetten. PS 47:5 Hij heeft dit erfdeel gemaakt tot het onze, pronkjuweel Jakobs: hem schonk Hij zijn liefde. PS 47:6 God voer omhoog bij gejuich als bazuinen; Hij, Hij Jahwe, bij de stoot op de ramshoorn. PS 47:7 Zingt God ter ere uw loflied bij harpslag, zingt onze koning bij harpslag uw psalmen. PS 47:8 Hij is de koning beheersend het aardrijk; zingt God ter ere uw welgevoegd harplied. PS 47:9 God is gebieder beheersend de volken, God zet zich neder ten zetel hoogheilig. PS 47:10 Samengeschaard is de adel der volken, Hem tot een godsvolk die Abrahams God is. Zie, God behoren die schilden der aarde: Hem, hoogverheven. Psalm 48 Jeruzalem, de Godsstad PS 48:1 Een lied. Een psalm van de Korachieten. PS 48:2 Groot, hoog te loven Jahwe: in de stad van Hem, onze God, waar zijn heilige berg zich verheft, PS 48:3 schoon in zijn verhevenheid, een verrukking voor allen op aarde: de berg Sion, het noordelijk domein, van de koning grootmachtig de stad. PS 48:4 En God waar haar bouwwerken zijn openbaart zich als sterkte dier stad. PS 48:5 Zie, koningen smeedden hun krijgsplan, zij rukten gezamenlijk uit; PS 48:6 door haar aanblik alleen al vervaard zijn zij afgedeinsd zijn zij verslagen. PS 48:7 Een siddering greep hen daar aan als de kramp van een barende vrouw, PS 48:8 of de stoot van de oosterorkaan die de schepen van Tarsis versplintert. PS 48:9 Gelijk het ons was verhaald, zo mochten wij op haar zien, de stad van de Heer der heerscharen, de stad van Hem, onze God. God deed haar verrijzen voor eeuwig. PS 48:10 Uw genade beseffen wij, God, in het hart van uw tempelberg hier; PS 48:11 hoe reikt uw lof, God, als uw naam tot de verste grenzen der aarde. De gerechtigheid rust in uw hand. PS 48:12 Zo draagt dan de Sionsberg vreugde, hoe juichen de dochters van Juda om wat Gij als rechter gebiedt. PS 48:13 Maakt een ommegang rondom Sion opdat gij moogt tellen haar torens, PS 48:14 ziet met trots naar haar vestingmuur, laat uw oog langs haar bouwwerken gaan. En verhaalt dan het komend geslacht: PS 48:15 'Zie, deze is God, onze God, in tijd en in eeuwigheid, die tot over de dood ons zal leiden.' Psalm 49 Uw leven behoort niet tot uw bezit PS 49:1 Voor de koorleider. Van de Korachieten. Een psalm. PS 49:2 Hoort mijn woorden, alle gij volken, luistert allen, bewonend dit aardse, PS 49:3 de gewone man en de voorname, zonder onderscheid rijken en armen. PS 49:4 Wat mijn mond verkondigt is wijsheid, het is inzicht wat spreekt in mijn hart: PS 49:5 ik neig mijn oor tot een lering, en ontsluit mijn geheim bij de cither. PS 49:6 Zou ik vrezen in donkere dagen al omsluit mij de sluwheid der slinksen, PS 49:7 die vertrouwen op hun machtig bezit, op hun overvloed zich laten voorstaan? PS 49:8 Weet: geen mens loopt daarmee zich vrij, nooit kan hij God zijn losprijs betalen: PS 49:9 te hoog is de prijs voor zijn leven, voor de eeuwigheid reikt hij niet toe: PS 49:10 kan een mens soms voortleven voor eeuwig, dat hij nooit de groeve zou zien? PS 49:11 Veeleer ziet men: wijzen zij sterven, dwaas en dom komen samen aan hun einde, hun bezitting valt anderen toe, PS 49:12 en hun blijvend huis wordt het graf, voor de duur der geslachten hun stee: zij, die gaven hun naam aan domeinen! PS 49:13 De mens blijft in zijn rijkdom niet wonen: als een stom beest komt hij aan zijn eind. PS 49:14 Zo loopt het af met de zatten, zo vergaat het wie graag hun mond roeren. PS 49:15 Zij daalden in de afgrond als schapen de dood is hun herder geweest regelrecht in de groeve gezonken, daar waar hun verschijning vergaan zal, en tot huis heeft het huis van de dood. PS 49:16 Maar mij bevrijdt God uit de greep van het dodenrijk: Hij neemt mij tot zich. PS 49:17 Wees niet bang wanneer iemand zo rijk is en zijn huis in gewichtigheid toeneemt: PS 49:18 hij neemt niets daarvan mee bij zijn sterven, zijn glorie daalt hem niet achterna. PS 49:19 Prijst een mens bij zijn leven zich zalig, oogst hij roem omdat welstand zijn deel werd, PS 49:20 hij komt tot het geslacht zijner vaderen, zij die nooit meer het zonlicht aanschouwen. PS 49:21 Een mens in hoge staat zonder inzicht komt als een stom beest aan zijn eind. Psalm 50 Gods harde waarheden PS 50:1 Een psalm van Asaf. De God der goden, Jahwe, Hij spreekt; Hij roept tot de aarde, van waar de zon rijst tot haar dalen: PS 50:2 uit Sion, kroon aller schoonheid, is God in straling verschenen. PS 50:3 Hij nadert, God, breekt het zwijgen; verterend vuur gaat voor Hem uit, het stormt rondom Hem vervaarlijk. PS 50:4 Hij roept: tot de hemel daarboven, tot de aarde; zijn volk gaat Hij richten. PS 50:5 'Vergadert Mij mijn getrouwen, hen die Mij brachten hun offers, zich plechtig met Mij verbonden.' PS 50:6 De hemel meldt het: 'Hij zal recht doen. God zelf is als richter verschenen.' PS 50:7 'Hoor, mijn volk, Ik wil tot u spreken, tegen u, o Israël, getuigen. God ben Ik: uw eigen God. PS 50:8 Om uw offers kan Ik u niet laken, offerrook stijgt gestaag tot Mij op; PS 50:9 doch Ik wens geen stier uit uw stal, geen bokjes uit uw omheining. PS 50:10 Mij behoort wat er leeft in het woud, en de duizenden dieren in de bergen, PS 50:11 Mij ontgaat geen vogel daarboven; wat er huist in het veld behoort Mij. PS 50:12 Had Ik honger Ik vroeg niets aan u: Mij behoort de aarde en haar rijkdom. PS 50:13 Dacht gij dat Ik stierenvlees at, dat Ik bloed van bokken zou drinken? PS 50:14 Dankbaarheid zij uw offer aan God de Allerhoogste; kwijt Hem uw geloften: PS 50:15 roept Mij dan, in het uur van uw nood en Ik red u: dan zult gij Mij eren.' PS 50:16 En tot wie onoprecht zijn spreekt God: 'wat hebt gij mijn geboden op te zeggen, wat voert gij mijn verbond in de mond? PS 50:17 gij die u verzet tegen tucht, die mijn woorden zo achteloos laat liggen? PS 50:18 Ziet ge een dief aanstonds wordt ge zijn maat, met ontuchtigen zijt ge gemeenzaam, PS 50:19 uw mond laat ge vrij in zijn kwaad, uw tong koppelt leugen aan leugen. PS 50:20 Waar ge zit bepraat ge uw broeder, brengt de zoon van uw moeder in opspraak. PS 50:21 Zo deed ge en moet Ik dan zwijgen? in uw waan acht ge Mij uw gelijke: uw schuld stel Ik gestreng u voor ogen. PS 50:22 Godvergetenen, ziet het toch in! Als Ik toesla zijt gij verloren. PS 50:23 Offert dank: dan bewist gij Mij eer. Wie de weg baant hem doe Ik Gods heil zien.' Psalm 51 Gebed om vergeving PS 51:1 Voor de koorleider. Een psalm van David. PS 51:2 Toen de profeet Natan bij hem was geweest, omdat hij tot Batseba was gegaan. PS 51:3 Wees mij, God, in uw goedheid genadig, neem in uw oneindig erbarmen mijn overtredingen weg. PS 51:4 Zuiver mij geheel van mijn zonde, reinig mij van wat ik misdeed. PS 51:5 Want ik ben mij bewust dat ik schuld heb: steeds ziet wat ik begaan heb mij aan; PS 51:6 tegen U, U alleen was mijn zonde, Gij doorziet het kwaad dat ik deed. Hoe Gij vonnist: Gij zijt rechtvaardig, onaantastbaar in uw gericht. PS 51:7 Zie, als zondig mens ben ik geboren, in die schuld bij mijn moeder verwekt; PS 51:8 waarheid eist Gij zie! tot op de bodem, geeft mij inzicht waar ik mij verberg. PS 51:9 Raak met hysop mij aan: ik zal rein zijn, maak mij smetteloos: witter dan sneeuw, PS 51:10 spreek mij weer van de volheid der vreugde en mijn kracht die Gij brak springt omhoog. PS 51:11 Wend uw aangezicht af van mijn zonden, al wat ik beging delg het uit; PS 51:12 God, herschep mijn hart, maak het zuiver, geef mijn geest, diep in mij, nieuw bestand; PS 51:13 verban mij niet: ver van uw aanschijn, noch onttrek mij uw heilige geest. PS 51:14 Hergeef mij het geluk om uw heil, laat bereide gezindheid mijn kracht zijn: PS 51:15 want dan wijs ik verdoolden uw wegen, schuldigen vinden de weg tot U terug. PS 51:16 Bloedbevlekt ben ik God, neem het van mij! dat ik jubelend uw vrijspraak mag melden: PS 51:17 Heer, leg Gij mij het woord op de lippen en mijn mond verkondigt uw lof. PS 51:18 Ik weet: offers zult Gij niet verkiezen, bracht ik brandoffers Gij wees ze af; PS 51:19 mijn offer aan God: mijn berouw, een berouwvol en nederig hart zult Gij, God, niet als te gering zien. PS 51:20 Verleen Sion, behaagt het U, voorspoed; bouw Jeruzalems muren weer op. PS 51:21 Dan zult Gij genadig aanvaarden offers U gebracht naar den eis, offerdieren verteerd door het vuur, en leidt men, om brandoffer te zijn, jonge stieren tot uw altaren. Psalm 52 De intrigant PS 52:1 Voor de koorleider. Een compositie van David. PS 52:2 Toen de Edomiet Doeg Saul bericht was komen brengen en tot hem had gezegd: 'David is bij Achimelek binnengegaan.' PS 52:3 Wat spreekt ge, machtig heerschap, vol trots over uw wandaad? Dag aan dag werkt Gods goedheid: PS 52:4 gij zocht verderf te zaaien een tong scherp als een scheermes! zijt sterk in kwade trouw. PS 52:5 Kwaad kiest ge boven goed, boven oprechtheid leugen; PS 52:6 gij kiest steevast het woord dat rampen tot gevolg heeft: zo is de lastertong! PS 52:7 Maar God breekt u voorgoed. Zijn greep trekt u de tent uit; reeds heeft Hij u ontworteld: rukt u uit de aarde los. PS 52:8 Rechtvaardigen zien huiverend hoe met zo een gespot wordt: PS 52:9 'Zie onze held, die nimmer God tot zijn toevlucht stelde, zijn kracht zocht in zijn rijkdom: die groeide in wat zijn val werd.' PS 52:10 Ik als een groene olijfboom weet ik mij in Gods hoven, van Gods genade zeker voor tijd en eeuwigheid. PS 52:11 U loof ik, zonder einde, want Gij brengt de vervulling; uw naam vol rijkdom wacht ik, door uw getrouwen omringd. Psalm 53 Een samenleving zonder God PS 53:1 Voor de koorleider. Op de wijze van Machalat. Een compositie van David. PS 53:2 De dwaas zegt bij zichzelf: 'welneen! Er is geen God!' Stuitend, verfoeilijk kwaad wordt overal begaan: geen mens handelt oprecht. PS 53:3 God, uit zijn hemel, ziet op Adams kinderen neer, speurend of er soms is een sterveling met verstand, een die nog vraagt naar God. PS 53:4 Doch allen zwerven af: verdorven met elkaar! Geen mens handelt oprecht, geen enkele. Geen een. PS 53:5 Weten zij dan van niets, de stichters van dit kwaad, uitvreters van mijn volk? Dat vindt zijn brood gereed en kent Gods naam niet meer! PS 53:6 Totdat de schrik hen slaat, de redeloze schrik, als God de krachten van zijn vijanden verstrooit. Hoe maakt gij hen beschaamd: want zie, God wierp hen uit! PS 53:7 O, dat toch Israëls heil uit Sion dagen mocht! PS 53:8 Het komt: als God de keer, de keer brengt voor zijn volk en Jakob juichen mag, Israël feest zal vieren. Psalm 54 In de macht van vreemden PS 54:1 Voor de koorleider. Met begeleiding van snaarinstrumenten. Een compositie van David. PS 54:2 Toen de Zifieten Saul waren komen zeggen: 'weet ge wel dat David zich bij ons verborgen houdt?' PS 54:3 God, maak mij vrij door uw naam, beslecht mijn zaak door uw sterkte; PS 54:4 God, luister naar mijn gebed, hoor wat ik tracht U te zeggen. PS 54:5 Een vreemd volk rukt tegen mij uit, staat kwaadaardig mij naar het leven: dat handelt als was er geen God. PS 54:6 Zie, God zelf is mijn helper geworden, met mij is de Heer die mij draagt, PS 54:7 die het kwaad keert tegen mijn kwellers. Breek hen, krachtens uw waarheid, voorgoed: PS 54:8 en mijn dankoffers wil ik U brengen, loven, Heer, uw heilbrengende naam, PS 54:9 die mij redde uit elke bedreiging. Zo zie ik op mijn vijand met trots. Psalm 55 Als alles tegen is PS 55:1 Voor de koorleider. Met begeleiding van snaarinstrumenten. Een compositie van David. PS 55:2 Hoor, o God, mijn gebed, wees niet voor mijn smeken onvindbaar; PS 55:3 zie toch naar mij om, geef mij antwoord: kreunend dool ik en vind nergens rust, PS 55:4 moe van het getier van de vijand, moe van het gesar van uw haters; onheil brengen zij over mijn hoofd, blijven mij met woede vervolgen. PS 55:5 Mijn hart krimpt ineen in mijn borst, telkens overvalt mij de doodsschrik; PS 55:6 angst en beven grijpen mij aan, huivering gaat over mijn lichaam. PS 55:7 Kon ik vleugels uitslaan als een duif, ik vloog weg, zocht een plek om te nestelen; PS 55:8 o, ver zou mijn vlucht zijn, ver weg, ik was in de woestijn eer de nacht viel, PS 55:9 ijlings wist ik beschutting te vinden van de rukwinden af, van de storm. PS 55:10 Sticht verdeeldheid, Heer, in hun kamp, sticht verwarring van taal in hun midden! Want geweld zie ik, twist in mijn stad, PS 55:11 dag en nacht omwarend haar muren; binnenin heerst ellende en pijn, PS 55:12 binnenin blijft het ongeluk wonen; het brute geweld, het bedrog, het wil van haar straten niet wijken. PS 55:13 O, niet dat de vijand mij hoont dat wist ik wellicht te verduren niet dat mij mijn hater kleineert hem wist ik wel te vermijden PS 55:14 maar gij, een mens mij zo na, mijn boezemvriend, mijn vertrouweling. PS 55:15 Want hoe heerlijk was ons bijeenzijn; hoe gingen wij op naar Gods huis, een met de toestromende schare. PS 55:16 Treffe die het verstoorden de dood! laat hen levend het dodenrijk ingaan: waar zij huizen daar schuilt het kwaad! PS 55:17 Eenzaam blijf ik roepen tot God, de Heer die mij uitkomst zal geven: PS 55:18 avond en morgen en middag zou ik kunnen kreunen en kermen. Totdat Hij mijn aanroep verhoort, PS 55:19 mij verlossing zal geven en vrede van wat mij vervolgt: met zovelen zijn zij en ik sta alleen! PS 55:20 God verhoort mij Hij weet te buigen, Hij, tronend van den beginne, wie halsstarrig is, God niet vreest; PS 55:21 wie de hand opheft tegen zijn naaste die toch met hem leefde in vrede, zijn bindende afspraak te niet doet. PS 55:22 Een die spreken kan gladder dan boter, doch vijandigheid huist in zijn hart; zijn woorden vloeien als olie, maar hun zin is een mes uit de schee. PS 55:23 Werp wat u bezwaart op de Heer, Hij zelf zal zorg voor u dragen: Hij gedoogt in de eeuwigheid niet dat een rechtvaardige ten val komt. PS 55:24 Doch uw haters, God, doet Gij zinken in de peilloze afgrond der doden: die leefden bij doodslag en leugen zien nauwlijks de helft van hun dagen. Doch ik weet mij geborgen bij U. Psalm 56 Wat kan een mens mij doen? PS 56:1 Voor de koorleider. Op de Griekse wijze van' verre eilanden'. Van David. Een lied van bewaring. Toen de Filistijnen hem in Gat vasthielden. PS 56:2 Wees mij genadig, God, waar mensen op mij jagen, vijandig dag aan dag mij drijven in het nauw. PS 56:3 Zij maken op mij jacht mij dag aan dag belagend; hun overmacht bestookt mij van hun hoogten uit. PS 56:4 Toch, in mijn bangste uur, blijf ik op u vertrouwen: PS 56:5 in God, wiens woord ik loof, in God vind ik mijn rust; en ik mag onbevreesd zijn: wat kan een mens mij doen? PS 56:6 Dag aan dag weten zij mijn woorden te verdraaien; hun duister overleg is tegen mij gericht; PS 56:7 nooit laten zij mij rust, zij spieden, zij bewaken de schreden die ik zet: zij schaduwen mij steeds. PS 56:8 Zouden zij met hun list uiteindelijk nog ontkomen? Sla Gij hun benden thans o God, in gramschap neer. PS 56:9 Hoe vaak ik balling was? Gij slechts hebt het geboekstaafd. Teken mijn tranen op: slechts Gij kent hun getal. PS 56:10 Vast deinst de vijand af het uur dat ik U aanroep; dit is mijn zekerheid: God is mijn bondgenoot. PS 56:11 In God, wiens woord ik loof, Jahwe, wiens woord ik loof, PS 56:12 in God vind ik mijn vastheid, hoef niet bevreesd te wezen: wat kan een mens mij doen? PS 56:13 God, mijn geloften aan U zijn nog oningelost: ik mag U thans betalen het offer van mijn dank; PS 56:14 Gij die gevrijwaard hebt mijn leven voor de dood, mijn voet voor aanstoot. Zo wandel ik voor Gods aanschijn in licht dat leven is. Psalm 57 De zekerheid der verhoring PS 57:1 Voor de koorleider. Op de wijze van' vernietig niet'. Van David. Een lied van bewaring. Toen hij voor Saul in de spelonk was gevlucht. PS 57:2 Ontferming voor mij, God, ontferming; ik zoek mij te bergen bij U, door uw vleugelen veilig beschaduwd tot dit onheil voorbij is gegaan. PS 57:3 Ik blijf roepen tot God, de Allerhoogste, God of Hij het voor mij beslecht, PS 57:4 verlossing gebiedt uit de hemel, te schande maakt wie op mij jaagt. God gebiedt zijn genade en waarheid. PS 57:5 Hier leger ik tussen leeuwen, adamskinderen: hun adem is vuur, speerpunten en pijlen hun tanden, hun tong is een scherp gewet zwaard. PS 57:6 Hoger, God, dan de hemelen verhef U: laat uw glorie de aarde omvatten. PS 57:7 Een net spanden zij waar mijn weg liep, en zij braken welhaast mijn kracht; groeven, waar ik moest langsgaan, een valkuil: kwamen zelf op de bodem terecht! PS 57:8 Mijn hart, God, weet zich weer gerust: zingen mag ik, tokkelen de snaren. PS 57:9 Ontwaak, o mijn glorie harp, cither, ontwaak: en het morgenrood zing ik wakker; PS 57:10 u ter ere, Heer, doe ik klinken mijn loflied onder de volken, alom in hun landen mijn harpzang. PS 57:11 Want hemelhoog is uw genade; tot de wolken toe reikt uw trouw. PS 57:12 Hoger, God, dan de hemelen verhef U, laat uw glorie de aarde omvatten. Psalm 58 Tegen de schurken in machtsposities PS 58:1 Voor de koorleider. Op de wijze van' vernietig niet'. Van David. Een lied van bewaring. PS 58:2 Is waarlijk, machtigen, uw woord volgens het recht? Zonen van Adam, is uw uitspraak ongekromd? PS 58:3 Neen! uw verborgen kwaad doet gij wel werkzaam zijn: in het land heerst willekeur als gij de schaal hanteert. PS 58:4 Afvallig zijn de bozen vanaf de moederschoot; de leugenaars op een dwaalweg van hun geboorte af. PS 58:5 Zij dragen een vergif zoals de gifslang heeft, een adder die niet hoort, zich niet toespreken laat: PS 58:6 hij houdt zich voor de stem van de bezweerder doof, de meesterbanner die zijn ban te leggen weet. PS 58:7 Breek zulken dan, o God, de tanden uit de kaak, ram Gij dit leeuwenbroed de scheurtanden, Jahwe! PS 58:8 Verdwijnen moeten zij! als water dat vervliet; als gras dat wordt vertrapt zo zullen zij vergaan; PS 58:9 beter nog! als de slak verslijmend in zijn spoor, of als een misdracht die het zonlicht nooit zal zien. PS 58:10 Eer uw kookpot de gloed van het houtvuur heeft gevoeld het zij groen hout of dor waait Hij het uit elkaar. PS 58:11 Die trouw bleef hij draagt vreugd; hij heeft de wraak beleefd; hij stond waar vloeide het bloed der schenders van het recht. PS 58:12 Dan spreekt de mens het uit: 'ja! wie trouw houdt is rijk. Ja, God bestaat en Hij beslecht op aarde het pleit.' Psalm 59 Mijn vijanden zijn met zovelen! PS 59:1 Voor de koorleider. Op de wijze van' vernietig niet'. Van David. Een lied van bewaring. Toen Saul mensen had uitgestuurd om voor het huis te posten en hem te doden. PS 59:2 Bevrijd mij, God, van mijn bestrijders, hef mij boven mijn aanvallers uit; PS 59:3 bevrijd mij van wie handelen in arglist, houd mij voor hun moordzucht bewaard. PS 59:4 Zie, hoe zij mijn leven belagen, heel hun overmacht is tegen mij. En ik heb niets begaan, niets misdreven. PS 59:5 mij rust geen enkele schuld. Zij zijn snel, zij sluiten hun rijen: daag Gij tot mijn hulp zie mij aan. PS 59:6 Gij, Jahwe, God der hemelse scharen, die de God van Israël zijt, verrijs, dat Gij hun benden de wet stelt; spaar hen niet met hun schandelijk verraad PS 59:7 Als de avond valt zijn zij daar weer, bassend zwerfhonden onder de muren. PS 59:8 Hoor! zij vieren in grootspraak zich uit: in hun taal staan de zwaarden getrokken, zij denken: 'wie staat ons te woord?' PS 59:9 Doch Gij, Heer, Gij lacht om hen allen, heel hun bende is U tot vermaak. PS 59:10 Op u blijf ik zien, o mijn sterkte, een vaste burcht heb ik: God. PS 59:11 Gods goedheid voorkomt zelfs mijn vragen, God maakt dat ik hun aanslagen tart. PS 59:12 Dood hen, God, dat mijn volk niet bezwijkt, ontrust hen door uw macht, sla hen neer. Gij die ons, o Heer, tot een schild zijt. PS 59:13 Het kwade ligt hun in de mond, bij elk woord komt het over hun lippen: straks bezwijken zij aan hun aanmatiging, hun laster, hun leugenarij. PS 59:14 Breng het eind in uw toorn, breng het einde, dat elk spoor van hen uit wordt gewist, dat elk wete: God heerst in Jakob, tot de einden der aarde heerst Hij. PS 59:15 Als de avond valt zijn zij daar weer, bassend zwerfhonden onder de muren, PS 59:16 rondwarend, belust op een prooi: zijn zij niet verzadigd, zij grommen. PS 59:17 Laat mij van uw macht mogen zingen, van uw goedheid een morgenlied, jubelend: een vaste burcht zijt Gij mij, in het uur van mijn nood mij een toevlucht. PS 59:18 O mijn sterkte, voor U zij mijn harplied: 'een vaste burcht heb ik: God. Hij is de God die mij aanneemt.' Psalm 60 Wanneer Gods toorn voorbij is PS 60:1 Voor de koorleider. Op de wijze van' Lelie der getuigenis'. Een lied van bewaring. Van David. Tot lering. PS 60:2 Toen hij in oorlog was met de Arameeërs van het Tweestromenland en de Arameeërs van Soba, en Joab op de terugweg de Edomieten versloeg in het Zoutdal: twaalfduizend man. PS 60:3 God, Gij hebt ons verworpen, verstrooid, vol gramschap. Wend eindelijk ons lot! PS 60:4 Gij die schokte dit land, die het spleet, heel zijn verscheurdheid: het ontvalt ons. PS 60:5 Wat Ge uw volk deed aanschouwen was hard, drinken moest het een wijn om te duizelen. PS 60:6 Doch Gij gaaft die U vrezen een banier om te heffen bij dreigende aanval. PS 60:7 Opdat thans uw verkorenen bevrijd zijn breng de zege met machtige hand: o, verhoor ons! PS 60:8 En God in zijn heiligdom sprak het. Juichend zal Ik Sichem verdelen, van Sukkot het rivierdal verkavelen; PS 60:9 van Mij Gilead, van Mij Manasse, Efraim is mijn hoofd tot een helm, Juda's heersersstaf is de mijne. PS 60:10 Moab moest mijn wasbekken wezen, op Edom werp Ik mijn sandaal, mijn triomfkreet treft Filistea. PS 60:11 Wie brengt mij in die stad zo onneembaar? wie gaat mij voor tot in Edom? PS 60:12 Ja, Gij God, die ons hiertoe bestemd hebt: gaat Gij niet aan de spits onzer scharen? PS 60:13 Geeft ons hulp tegen wie ons te na komt: uitredding door mensen een drogbeeld! PS 60:14 Met God weten wij ons te weren. Hij is het die onze belagers de voet zal zetten op de nek. Psalm 61 De schaduw van uw vleugelen PS 61:1 Voor de koorleider. Met begeleiding van snaarinstrumenten. Van David. PS 61:2 Hoor, o God, mijn kreet van vertwijfeling, schenk aandacht aan mijn gebed: PS 61:3 u roep ik, hier ver in den vreemde, waar versombering heerst in mijn hart. Gij had hoog op een rots mij geheven, Gij wees mij hoe ik moest gaan; PS 61:4 altijd waart Gij mij de toevlucht, een bolwerk naar de vijand gekeerd. PS 61:5 Laat in uw tent mij wijlen voor immer, schuilen waar mij uw vleugelen beschutten. PS 61:6 Gij, God, hebt mijn geloften verstaan, die uw naam vrezen wilt Gij verhoren: PS 61:7 schenk de koning talloze dagen, levensjaren geslacht na geslacht, PS 61:8 een troon blijvend, onder Gods oog; laat genade en waarheid hem hoeden. PS 61:9 Dan draagt mijn lied uw naam door de tijden, mijn geloften getrouw: dag aan dag. Psalm 62 Bij God is veiligheid PS 62:1 Voor de koorleider. Naar de wijze van Jedutun. Een psalm van David. PS 62:2 Bij God alleen verstilt mijn ziel, van Hem komt mijn bevrijding: PS 62:3 mijn rots, mijn heil is Hij alleen, mijn burcht hoe zou ik wankelen? PS 62:4 Hoe lang al loopt ge op een mens storm, rammelt gij hem eenparig? PS 62:5 een wand die helt, een brokkelmuur een oogmerk slechts: hem slopen! En huichelen doen zij al te graag: de zegenwens ligt in de mond, het hart bergt de vervloeking. PS 62:6 Bij God alleen verstilt mijn ziel, van Hem blijf ik het wachten; PS 62:7 mijn rots, mijn heil is Hij alleen: mijn burcht hoe zou ik wankelen? PS 62:8 Mijn vrijheid rust in God, mijn eer, mijn onbezweken rots is Hij: bij God weet ik mijn wijkplaats. PS 62:9 Verlaat, mijn volk, u steeds op Hem, opent voor Hem Uw harten: God is voor ons de toevlucht. PS 62:10 Een mens niets dan een ademtocht, vervluchtigend zelfs de grootsten; zij gaan omhoog op de balans, nauwelijks een zucht tesamen! PS 62:11 Zoekt het in onderdrukking niet, droomt niet van roof op anderen; wast uw bezit vervaarlijk aan, geef uw hart niet gevangen. PS 62:12 Want eenmaal heeft God het gezegd en andermaal verstond ik: 'Kracht heeft in God zijn grondslag.' PS 62:13 Heer, de genade rust in U: Gij handelt aan een ieder mens naar dat hij heeft gehandeld. Psalm 63 U zoekt mijn hart PS 63:1 Een psalm van David. Toen hij in de woestijn van Juda was. God, mijn God, naar u blijf ik zoeken, mijn ziel dorst van verlangen naar U; PS 63:2 al wat ik ben smacht naar U in een troosteloos dor land zonder water. PS 63:3 Hoe zag ik in de tempel op U, om uw macht te ontwaren, uw grootheid: PS 63:4 uw genade gaat boven dit leven. En mijn lippen spraken uw lof. PS 63:5 Kon ik zo heel mijn leven U prijzen, uw naam noemen, de handen geheven: PS 63:6 kracht vind ik als door kostelijke spijs, jubelend ligt mij uw naam op de lippen, PS 63:7 als ik denk over U op mijn leger, in de nachtwaken over u peins. PS 63:8 Waart Gij niet immer mijn hulp? onder uwer vleugelen schaduw heb ik mijn jubel gezongen: PS 63:9 u zoekt mijn hart u hangt het aan. Uw hand zal mij vast blijven houden. PS 63:10 Die met wreedheid mij staan naar het leven zullen zelf in de afgrond geraken, PS 63:11 zij vervallen alhaast aan het zwaard, zijn tenslotte een aas voor de jakhals. PS 63:12 Maar de koning verblijdt zich in God: die Hem trouw zwoer prijst zich gelukkig als de lasteraar de mond sluit voorgoed. Psalm 64 Vrees niet: want God grijpt in PS 64:1 Voor de koorleider. Een psalm van David. PS 64:2 Hoor, God, mijn kreet in nood! Houd Gij voor 's vijands dreiging mijn leven toch bewaard. PS 64:3 Behoed mij voor de plannen van wie hun kwaad beramen, het wroeten van hun arglist. PS 64:4 Hoe vlijmend scherp hun tong! zij richten als een pijl het woord dat wonden slaat, PS 64:5 om uit hun hinderlaag wie argeloos is te treffen: snel raak! zij weifelen nooit. PS 64:6 De kwade zaak doorzetten, valstrikken aan de hand doen, fluisterend: 'dat ziet geen sterveling.' PS 64:7 Zo list na list uitdenken, bedekken wat bedacht is: o mensenhart, hoe peilloos zijn uw verborgen gronden! PS 64:8 Tot God hen treft. Een boogschot, een flits, zij zijn verslagen. PS 64:9 Zo heeft hun schandelijk woord hun val teweeg gebracht. Het hoofd schudt wie hen aanziet. PS 64:10 En ieder, in ontzag, vertelt hoe God hier ingreep, beseft dat dit zijn werk is. PS 64:11 Hij die rechtvaardig leeft vindt zijn geluk in God, weet zich bij Hem geborgen: hun vreugde mogen vieren alwie oprecht van hart zijn. Psalm 65 Eerbied en dankbaarheid PS 65:1 Voor de koorleider. Een psalm van David. Een lied. PS 65:2 U gewijd zij stilte en lofzang, o God, die woont op de Sion; ingelost de gelofte aan U. PS 65:3 O hoorder van het gebed, voor u moet de sterveling treden: PS 65:4 had het kwade macht over mij, Gij verzoent wat wij hebben misdreven. PS 65:5 Gelukzalig die Gij verkiest, die Gij noodt in uw hoven te wonen; in ons daalt de weldaad van uw huis, de heiligheid van uw tempel. PS 65:6 Ontzagwekkend, gerechtigheid zelf, komt uw woord tot ons, God die ons redde, toeverlaat tot de einden der aarde, tot de verste grenzen der zee. PS 65:7 Gij wiens kracht het gebergte gegrond heeft, die omgeven zijt door uw almacht; PS 65:8 die het grommen der zeeën bedaart, het donker gegrom van hun golven, de morrende opstand der volken. PS 65:9 De verste bewoners der aarde vervult het ontzag voor uw tekenen; waar de morgen zich opent, de avond, wekt Gij de bazuintoon. PS 65:10 Tot de aarde komt Gij, geeft haar groeikracht, rijkdom geeft Gij die zich vermeerdert: want de beek van Gods regen vloeit over. Zo geeft Gij het graan zijn begin, schept Gij het begin op de akker, PS 65:11 drenkt de voren, effent het ploegland, maakt met zware regens het willig. En Gij zegent wat gaat ontkiemen. PS 65:12 En dan kroont Gij het jaar met uw gaven; welig groeit waar Gij trad het gewas, PS 65:13 heerlijk groent het gras van de steppe en der heuvelen dracht is een feest. PS 65:14 Overdekt zijn de velden met schapen, en de dalen dragen het graan. Waar de vreugderoep is tot elkaar en het zingen. Psalm 66 Lof en dank PS 66:1 Voor de koorleider. Een lied. Een psalm. Steekt Gods loftrompet alom op aarde, PS 66:2 zingt tot eer van zijn naam majesteitelijk, doet statig stijgen zijn loflied. PS 66:3 Zingt God toe: 'hoe geducht zijn uw werken! Uw almacht dwingt uw bestrijders U nederig hulde te brengen. PS 66:4 U zal alles op aarde aanbidden, zingen U, zingen uw naam ter eer.' PS 66:5 Aanzie dan de daden van God, om de mens in zijn handelen vervaarlijk: PS 66:6 Hij heeft vermocht dat de zee droogviel, dat zij droogvoets de stroom overstaken. Daar droegen wij vreugde in Hem PS 66:7 die heerst door zijn sterkte voor eeuwig, wiens ogen de volkeren peilen. Rebellen, weerstaat gij Hem niet! PS 66:8 Zegent, volkeren, Hem onze God, laat ver zijn loflied weerklinken: PS 66:9 Hij die heel ons leven vernieuwde, onze voet voor wankelen behoed heeft. PS 66:10 Wel hebt Gij, God, ons getoetst, ons gelouterd gelouterd als zilver PS 66:11 Gij hebt ons in de engte gedreven, ons met knelling de lendenen omsnoerd: PS 66:12 mensen reden ons over het hoofd, door het vuur gingen wij, door het water, maar Gij leidde ons uit tot uw volheid. PS 66:13 Met brandoffers wil ik tot uw huis gaan, zo los ik mijn geloften U in PS 66:14 die mijn lippen U toegezegd hadden, die ik opnoemde toen ik in nood was. PS 66:15 Rijke brandoffers zal ik U brengen, offergeur van rammen doen opgaan, stieren brengen als gave en bokken. PS 66:16 Hoort mij dan: want ik wil verhalen aan elk die God waagt te vrezen, wat Hij in mijn leven gedaan heeft. PS 66:17 Nauwelijks ging mijn aanroep tot Hem uit of een loflied lag mij op de lippen. PS 66:18 Zo ik heimelijk het kwade beoogd had, nimmer had de Heer mij verhoord. PS 66:19 Maar God heeft mij waarlijk verhoord, mij verstaan toen ik biddend Hem aanriep. PS 66:20 Lof zij God, die mijn bede niet afwees, die mij nooit zijn genade ontzegd heeft. Psalm 67 Gods zegenrijk bestuur PS 67:1 Voor de koorleider. Met begeleiding van snaarinstrumenten. Een psalm. Een lied. PS 67:2 God zij ons genadig, Hij zegene ons, doe zijn aanschijn over ons lichten: PS 67:3 dat op aarde uw weg zij geweten, onder alle volken uw heil, PS 67:4 en de volken U loven, o God, U loven de volken tesamen, PS 67:5 elk land deelt in de jubelende blijdschap. Want Gij richt de volken naar recht. Gij leidt alle landen op aarde. PS 67:6 En de volken loven U, God, U loven de volken tesamen. PS 67:7 De aarde gaf haar gewas: God, onze God, wil ons zegenen. PS 67:8 Hij wil ons zegenen, God. Eerbied voor Hem en ontzag tot de verste einden der aarde! Psalm 68 De triomf van Jahwe PS 68:1 Voor de koorleider. Van David. Een psalm. Een lied. PS 68:2 God verrijst zijn vijanden verstuiven, voor zijn aanblik vlieden zijn haters. PS 68:3 Zoals rook verwaait op de wind, zoals was wegsmelt voor het vuur, zo vergaan voor Gods aanblik de duisteren. PS 68:4 De rechtvaardigen echter met jubel verblijden zij zich voor Gods aanschijn, vieren in vervoering hun vreugde. PS 68:5 Zingt God ter eer, psalmzingt zijn naam, baant die rijdt door de wolken de heerbaan: Jahwe is zijn naam juicht voor zijn aanschijn. PS 68:6 Hij die vader is der verweesden, voor de vrouw die haar man mist het pleit voert, God, Hij in zijn heilig domein. PS 68:7 God, die vereenzaamden een thuis geeft, die gevangenen doet uitgaan in voorspoed. Doch wie Hem tart woont in woestijnland. PS 68:8 Toen Gij, God, uw volk voor zijt gegaan, uw weg door de woestijn hebt genomen, PS 68:9 beefde de aarde, het zwerk brak in droppelen voor de aanwezigheid Gods, Hij die God is van Israël. PS 68:10 Gij zond neer, God, als regen uw mildheid, gaf uw uitgeput erfland weer krachten, PS 68:11 dat uw volk zich daar neder kon laten; Gij bereidde het land in uw goedheid, o God, voor wie waren verdrukt. PS 68:12 De Heer doet zijn aanzegging uitgaan, blijde tijdingen uitzwermend talloos: PS 68:13 'legervorsten, zij vlieden, zij vlieden!' Zij verdeelt, die het huis hoedt, de buit: PS 68:14 duivenvleugelen, betogen met zilver, de slagpennen met weerschijn van goud, PS 68:15 Toen de Almachtige de koningen uiteendreef, te dien tijde viel sneeuw op de Salmon: PS 68:16 o berg Gods, gebergte van Basan, berg der steilten, gebergte van Basan, PS 68:17 berg der steilten, wat staart gij afgunstig naar de berg die God tot zijn domein koos? Weet: de Heer zal voor eeuwig daar wonen. PS 68:18 Strijdwagens heeft God, myriaden, duizendtallen duizenden malen; de Heer heeft de Sinaï betreden, verschenen in heiligheid; PS 68:19 Gij ontsteeg, voerde mee de gevangenen, hebt gevorderd de gaven van mensen, ook hen die U wilden weerstaan; om woning te maken, Heer, God. PS 68:20 Gezegend de Heer, dag aan dag, Hij arbeidt om onzentwille: de God in wie ons behoud is. PS 68:21 Hij, God ons een God van verlossing: bij de Heer is een weg uit de dood. PS 68:22 Doch zijn vijanden breekt God de schedel, het hoofd ruig van wie weiden in misdaad. PS 68:23 De Heer sprak: 'Ik haal binnen: uit Basan, binnen: zelfs uit de diepte der zeeën; PS 68:24 dan staat gij waar zal vloeien het bloed, en de tong van uw honden krijgt mee van wat eens tot de vijand behoord heeft. PS 68:25 Zichtbaar, God, wordt uw feestelijke rei, tempelrei van mijn God, van mijn koning. PS 68:26 Zangers gaan vooraan in de stoet, aan het eind die de snaren bespelen; meisjes, middenin, slaan op de handtrom. PS 68:27 Altesamen loven zij God, Hem Jahwe, de springader Israëls. PS 68:28 Zie daar Benjamin, de jongste, vooraangaan, de vorsten van Juda in drommen, die vorsten van Zebulon zijn, die vorsten zijn van Naftali. PS 68:29 Maak, God, uw macht openbaar God die machtig aan ons hebt gehandeld PS 68:30 uit uw tempel hoog boven Jeruzalem: koningen zullen hun schatting U brengen. PS 68:31 Dreig het monster tussen het riet, de troep stieren, stierkalven der heidenen. Knielend met baren zilver en goud volken vroeger belust op de strijd. PS 68:32 Zij naderen, Egypte's rijksgroten, Ethiopie gaat zich beijveren de handen te heffen tot God. PS 68:33 Zingt Gods lof, koninkrijken der aarde, zingt bij de harp voor de Heer, PS 68:34 die rijdt langs de alhemel des aanvangs, hoor! Hij spreekt met machtige stem. PS 68:35 Erkent dan God in zijn macht: zijn hoogheid is over Israël. In de wolken zetelt zijn kracht. PS 68:36 Geducht vanuit zijn heiligdom God, God van Israël, Hij die verleent weerbaarheid, oerkracht aan zijn volk. Gezegend zij God! Psalm 69 De haat der wereld PS 69:1 Voor de koorleider. Op de wijze van' lelien'. Van David. PS 69:2 Verlos mij, God, want het water is mij tot de lippen gekomen; PS 69:3 in bodemloos slijk zak ik weg, ik vind geen grond om te staan, in diepe wateren geraakt. En straks neemt de stroming mij mee. PS 69:4 Moegeroepen ben ik en hees, blindgestaard van het wachten op mijn God; PS 69:5 mijn hoofdharen te boven in aantal die redeloos een haat aan mij hebben, sterk genoeg om voorgoed mij te breken die trouweloos mijn vijanden zijn: de dief heet ik van wat ik nooit wegnam. PS 69:6 Gij, God, Gij weet van mijn dwaasheid, mijn misslagen zijn U niet verborgen: PS 69:7 stel om mij niet teleur die U wachten, de Heer der hemelse scharen, laat om mij geen vernedering lijden, die U zoeken, Israëls God! PS 69:8 Want smaad draag ik om Uwentwille, vernedering ligt op mijn gelaat; PS 69:9 voor mijn broeders werd ik een vreemde, een van elders voor mijn moeders zonen; PS 69:10 ijver voor uw huis heeft mij verteerd, mij trof de smaad van uw smaders. PS 69:11 Doch kastijdde ik mijzelve door vasten, ik heb enkel aanstoot gegeven, PS 69:12 sloeg ik een zak om als rouwkleed een spreuk wist men die op mij sloeg; PS 69:13 mij bepraat wat daar zit in de stadspoort, op mij weten de drinkers een liedje. PS 69:14 Doch zelf blijf ik, Heer, tot U bidden, wend, God, ten goede het uur; verhoor mij in uw grote ontferming, met uw trouw die verlossing bewerkt: PS 69:15 trek mij uit het slijk eer ik wegzink. Laat mij mijn vervolgers ontgaan, aan dit bodemloos water ontkomen: PS 69:16 dat zijn wassende vloed mij niet meevoert, dat de maalstroom mij niet omlaag trekt, niet de put zijn mond boven mij sluit! PS 69:17 Heer, verhoor mij, Gij mild in ontferming, zie mij aan in uw mateloos erbarmen; PS 69:18 Uwend uw aanschijn niet af van uw knecht bedreigd ben ik antwoord mij ijlings. PS 69:19 Wees mijn leven nabij, wees mijn losser, maak mij vrij mijn belagers ten spijt! PS 69:20 Gij kent de smaad die ik draag, mijn schaamte en mijn vernedering: al mijn belagers doorziet Gij; PS 69:21 hun honen brak mij het hart, doodziek ben ik achtergebleven. Op meeleven hoopte ik. Niets. Op troost die ik niet heb gevonden. PS 69:22 Zo mengden zij gif in mijn spijs, gaven mij azijn toen ik verdorstte: PS 69:23 zij hun eigen dis hun tot verderf, voor hun zelfvoldaanheid een worgstrik. PS 69:24 In hun ogen dove het licht, verlam hun voor immer de lendenen; PS 69:25 stort uw strafgericht over hen uit, laat de vlam van uw gramschap hen grijpen! PS 69:26 Verlatenheid heerse in hun kamp, in hun tenten zij geen bewoner: PS 69:27 hun vervolging geldt een die Gij sloeg, die Gij trof zij verzwaren zijn foltering. PS 69:28 Voeg daarom schuld bij hun schuld, laat hen nimmer uw vrijspraak verkrijgen, PS 69:29 uit het boek des levens gedelgd, niet vermeld bij het tal der rechtvaardigen. PS 69:30 Al leef ik in verdrukking en pijn, uw heil, God, kan mij doen herrijzen: PS 69:31 dan loof ik Gods naam door een lied, van zijn grootheid zing ik de lofzang. PS 69:32 Dat verblijdt de Heer meer dan een dier, de offerstier gehoefd en gehorend. PS 69:33 Die verdrukt zijt, ontwaart het met vreugd, die God zoekt, uw hart mag herleven: PS 69:34 de Heer zal de misdeelden verhoren, Hij veracht niet de zijnen in kluisters. PS 69:35 Laat dan hemel en aarde Hem loven, met de zeeën, vol wemelend leven: PS 69:36 want God zal Sion bevrijden, herbouwen de steden van Juda, opdat zij het erfelijk bewonen. PS 69:37 Het geslacht van zijn knechten beerft het: wie zijn naam in liefde vereren, in dit land maken zij woning. Psalm 70 Kort gebed om hulp PS 70:1 Voor de koorleider. Van David. Bij een reukoffer. PS 70:2 O God, kom mij toch ontzetten, Heer, kom mij haastig te hulp. PS 70:3 Laat beschaamd staan, bewust van hun schande, die het hadden gemunt op mijn leven, geef Gij de smadelijke aftocht van wie op mijn ongeluk hoopten: PS 70:4 mogen zelf zich verschuilen, vernederd, die schateren: 'raak! die is raak!' PS 70:5 Wacht geluk en vreugde in U niet elk wiens hart naar u uitgaat? Het woord' grootmachtig is God' mogen telkendage herhalen zij die verbeiden uw heil. PS 70:6 Ik ben zo ellendig, zo arm o God, kom spoedig tot mij! Mijn hulp zijt Gij, mijn bevrijder: Heer, laat U niet wachten. Psalm 71 Als een leven met God zich verduistert PS 71:1 Heer, bij U zoek ik toevlucht, laat mij niet voor immer vernederd. PS 71:2 Gij die rechtvaardig zijt, ontzet mij toch, geef mij uitkomst. Neig uw oor tot mij, schenk mij uw heil. PS 71:3 Wees mij tot een rots, tot een burcht waarheen ik immer mag komen, waar Gij mij stelt in uw heil. Mijn rots, mijn bergvesting zijt Gij. PS 71:4 Houd mij, God, uit de greep van de bozen, die klauw van wie vals zijn en wreed. PS 71:5 Gij, Heer, Gij waart mijn hoop, mijn betrouwen van dat ik jong was: PS 71:6 van de moederschoot af was ik veilig bij U, Gij, mijn helper sinds ze mij droeg. En voor U was immer mijn loflied. PS 71:7 Gods hand kon een elk aan mij zien: Gij waart mij de machtige toevlucht. PS 71:8 Vervuld was mijn mond van uw lof, elke dag opnieuw van uw luister: PS 71:9 o verwerp mij dan niet nu ik oud word, mijn kracht mindert laat mij niet alleen. PS 71:10 Want mijn vijanden praten over mij, mijn belagers gaan samen te rade; PS 71:11 en het luidt: 'God heeft hem verlaten. Op hem los! Niemand neemt hem ons af.' PS 71:12 God, blijf niet verre van mij, mijn God, kom mij ijlings te hulp: PS 71:13 dan moeten van schaamte vergaan die genadeloos mij vervolgen, moeten schande dragen en smaad die steeds op mijn ongeluk uit zijn. PS 71:14 Ikzelf ik blijf hopen bestendig: dat ik weer mag verhogen uw lof, PS 71:15 dat mijn mond uw gerechtigheid meldt gewaagt, elke dag weer, van uw heil dat ik nooit kan beseffen ten volle, PS 71:16 en ik uitspreek de daden van Hem, van de Heer, uw gerechtigheid de enige aanzeg. PS 71:17 Gij hebt mij van jongsaf onderricht, God, en nog spreek ik van uw wonderen. PS 71:18 In mijn ouderdom thans, in mijn grijsheid, wil evenmin, God, mij begeven; moge ik nog uw vermogen onthullen, het geslacht dat gaat komen uw sterkte, PS 71:19 uw gerechtigheid, God, naar zij oprijst, hoe Gij grote dingen gedaan hebt. Wie is, o God, gelijk Gij? PS 71:20 Die mij zien deed beproevingen talloos wilt weder mijn leven vernieuwen, uit afgronds zuigende kolken mij wederom doen ontstijgen; PS 71:21 Gij wilt mij weder verhogen, wendt U toe en schenkt mij uw troost. PS 71:22 Dan mag ik U weer loven met harpspel o mijn God, om uw trouw, bij de cither mijn psalmen zingen, Gij Heilige Israëls, PS 71:23 U psalmzingen met jubelende wijzen: om mijn leven dat Gij hebt verlost. PS 71:24 En elke dag mag mijn woord het verkondigen dat Gij recht doet: als schande dragen en smaad zij wier opzet mijn ondergang was. Psalm 72 De gestalte van de werkelijke koning PS 72:1 Van Salomo. God, vertrouw de koning uw recht toe, hem de vorst uw gerechtigheid: PS 72:2 dat uw volk rechtvaardig hij richte, uw verdrukten voorsta naar recht; PS 72:3 dan dragen de bergen vrede, de heuvelen, stralend, het recht. PS 72:4 Hij komt op voor de armsten des volks en behoudt de kinderen der schamelen. Hij zal hun verdrukker vertreden. PS 72:5 Hij zal duren als de duur van de zon, gelijk de maan, eeuwen na eeuwen, PS 72:6 Hij als regen die daalt op het gras, zware regenval, drenkend de aarde. PS 72:7 De gerechtigheid breekt door in zijn dagen, de vrede komt tot vervulling: totdat geen maan er meer is. PS 72:8 Heersen zal hij van zee tot zee, van de Stroom tot de einden der aarde; PS 72:9 voor hem buigt zich het volk der woestijn, zijn vijanden lekken het stof. PS 72:10 De vorsten van Tarsis, het kustland, zij komen geschenken hem brengen, de koningen van Sjeba en Seba, zij dragen hun schatting hem aan: PS 72:11 alle heersers brengen hem hulde, alle volken zijn hem onderhorig. PS 72:12 Redt hij niet de nooddruftige die jammert, de arme van helper verstoken? PS 72:13 met wie weerloos gebrek lijdt in deernis bewaart hij het leven der schamelen, PS 72:14 ontheft hen van druk en geweld: hun bloed in zijn oog is het kostbaar. PS 72:15 Hij leve Sjeba's goud zij zijn deel, immer gaat voor hem het gebed op; men zegent hem, telken dage. PS 72:16 Er zij weelde van graan in het land, het neigt langs de kam van de bergen; op de Libanon glanze zijn oogst, gekiemd als het gras op de velden. PS 72:17 En in eeuwigheid blijve zijn naam, worde voortgeplant zolang de zon staat; tot een zegenspreuk moge hij zijn: want geen volk of het prijst hem gelukkig. PS 72:18 Geloofd zij God de Heer, de God van Israël, die wonderen doet, Hij alleen. PS 72:19 Geloofd zij voor eeuwig zijn heerlijke naam: moge zijn heerlijkheid heel de aarde vervullen. Amen, ja amen. PS 72:20 Hier eindigen de gebeden van David, de zoon van Isai. Psalm 73 Overwonnen twijfel PS 73:1 Een psalm van Asaf. Waarlijk, God is voor Israël goed, voor die rein zijn gebleven van hart. PS 73:2 Toch met mij was het zo dat bijna mijn voeten verkeerd gegaan waren; niets had het gescheeld of mijn schreden zette ik op glibberige paden: PS 73:3 want afgunstig was ik op de pralers, steeds zag ik naar de voorspoed der bozen. PS 73:4 Immers kwellingen kennen zij niet, sterk, weldoorvoed in hun lichaam; PS 73:5 moet de sterveling zwoegen zij niet, elk mens treffen de slagen hen nimmer. PS 73:6 Zo werd hoogmoed het snoer om hun hals, werd wreedheid de dracht die hen kleedt; PS 73:7 dikgegeten dat hun ogen puilen: de eigenwaan slaat van hen af! PS 73:8 Grijnslachend, kwaadaardig van taal, staan zij sterk genoeg om te dreigen; PS 73:9 hun mond komt de hemel te na, hun tong viert zich uit op de aarde. PS 73:10 En zo dwaalt zijn volk hiertoe af: zij bezatten zich aan wat Hem toekomt; PS 73:11 en zij zeggen: 'hoe zou God dat merken? Heeft de Allerhoogste daar weet van?' PS 73:12 Ziedaar hoe zij, sluw als ze zijn, steeds verzekerder winnen aan macht. PS 73:13 Wat helpt het dat ik mijn hart rein hield, mijn handen in onschuld mocht wassen? PS 73:14 de hele dag word ik gekweld, iedere morgen voltrekt zich mijn tuchtiging. PS 73:15 Doch zei ik: 'voortaan spreek ik hun taal', zie! ik pleegde, verholen, verraad tegenover het volk van uw zonen. PS 73:16 Ik ging denken om het te verstaan: hoe ik staarde, het was mij te moeilijk. PS 73:17 Tot Gods heiligdom ik mocht ingaan, en het eind dat hen wachtte gewaar werd; PS 73:18 wel hebt Gij hen gesteld waar het afglijdt: verpletterend voltrekt Ge hun val. PS 73:19 Een oogwenk en er blijft slechts iets naamloos. Voorbij! gruwzaam zijn zij vergaan. PS 73:20 Als een droom, Heer, waaruit men ontwaakt, wist Gij, als Ge oprijst, hun beeld weg. PS 73:21 Toen mijn hart zo verbitterd was want het sneed mij tot op het leven PS 73:22 toen was ik een dwaas en een weetniet, een redeloos dier in uw bijzijn; PS 73:23 en toch was ik niet altijd bij U? Gij hield mijn rechterhand vast, PS 73:24 Gij die mij leidt door uw raad, mij later in heerlijkheid wegneemt. PS 73:25 Zonder bijstand ben ik doch bij U verlang ik niets meer op aarde; PS 73:26 zou mijn lichaam bezwijken, mijn hart, God is immer mijn rots: Hem behoud ik. PS 73:27 Zie, wie U ontwijkt vindt geen pad meer, wie U schandelijk verlaat delgt Gij uit. PS 73:28 Mijn geluk dat is Gods nabijheid, mijn toevlucht weet ik bij de Heer. Moge ik zo heel uw handelen verhalen. Psalm 74 Hoe kan God het toelaten? PS 74:1 Een compositie van Asaf. Waarom, God, gaat Gij voort te verwerpen? Waarom over de schapen uwer weide uw donker wolkende toorn? PS 74:2 Gedenk: voormaals wierf Ge uw schare, loste haar die stam werd uw erfdeel, de berg Sion: daar maakte Gij woning. PS 74:3 Schrijd herwaarts waar eindeloos het puin ligt, heel de tempel vernield door de vijand. PS 74:4 Daar was het gejoel van uw haters in het hart van uw heilige plaats; zij plantten er als tekenen hun vaandels. PS 74:5 En hakten er, zwaaiend hun bijlen, alsof ze het struikgewas kapten, PS 74:6 sloegen in korte tijd al het snijwerk met bijl en met moker aan splinters, PS 74:7 staken dan de brand in uw tempel, haalden neer het huis van uw naam; PS 74:8 dachten heimelijk: 'nu al het uitwas! Verbrandt elke plaats Gods in dit land!' PS 74:9 En tekenen aan ons zien wij niet. Geen profeet is er meer. Geen van ons weet tot hoelang. PS 74:10 Tot hoelang, God, de hoon van uw haters? smaadt de vijand dan eindeloos uw naam? PS 74:11 Waarom is het dat Gij uw hand inhoudt, uw rechterhand bergt in uw kleedplooi? PS 74:12 God, Gij koning van den beginne, die doorstoot met uw heil hier op aarde: PS 74:13 Gij kliefde de zee door uw kracht, hebt de drakekoppen vermorzeld boven de oceaan. Gij hebt hem, PS 74:14 Leviatan, de koppen verbrijzeld. Gij gaaft ze de vissen als aas. PS 74:15 Gij doet bron ontspringen en bergbeek, Gij maakt waterloos machtige stromen, PS 74:16 de dag schiep Gij, schiep de nacht, Gij formeerde het licht en de zon; PS 74:17 Gij hebt vast afgebakend de aarde. Zomer, winter Gij hebt ze omgrensd. PS 74:18 Weet dan, Heer, dat de vijand U hoont; uw naam minacht een volk van verdwaasden. PS 74:19 Laat haar niet aan de havik, uw tortel: het bestaan der verdrukten, de uwen, wil het niet vergeten voorgoed. PS 74:20 Hoed Gij het verbond: want dit land is vol duistere holen van onrecht. PS 74:21 Niet steeds sta de weerloze vernederd: uw naam love wie arm en ontrecht was. PS 74:22 Verrijs, God, vecht uw geding uit: merk toch hoe Gij wordt gesmaad door dwazen zolang de dag duurt! PS 74:23 Tel niet licht het geschreeuw van uw haters, het rebels getier tegen U dat opstijgt ononderbroken. Psalm 75 God zelf zal richten naar recht PS 75:1 Voor de koorleider. Op de wijze van' vernietig niet'. Een psalm van Asaf. Een lied. PS 75:2 U ons loflied, God, U ons loflied: waar uw naam nabij is, uw wonderen verluiden. PS 75:3 'Wanneer Ik het uur heb bepaald zal Ik zelve richten naar recht. PS 75:4 En wankelt de aarde en wie wonen op haar: Ik zal vastzetten haar zuilen.' PS 75:5 Ik spreek tot wie pralen: 'praalt niet!' tot wie tarten: 'verheft niet uw hoorn! PS 75:6 verheft niet uw horen zo hoog, gij die spreekt met het hoofd in de nek.' PS 75:7 Wacht het niet uit het oosten, het westen, niet uit het rotsig woestijnland: PS 75:8 nee, God is het die zal richten; de een vernedert Hij, verheft de ander. PS 75:9 In de hand van de Heer is een beker met schuimende wijn, zwaar van geuren, daaruit schenkt Hij: doch slechts de heffe, de droesem krijgen te drinken die het kwade aanhangen op aarde. PS 75:10 En ik mag dit doen klinken voor immer: psalmzingen wil ik Jakobs God; PS 75:11 Ik houw af de horens der bozen, dat de hoorn der rechtvaardigen verrijst. Psalm 76 Gods geweldig ingrijpen PS 76:1 Voor de koorleider. Met begeleiding van snaarinstrumenten. Een psalm van Asaf. Een lied. PS 76:2 God heeft zich in Juda doen kennen, groot werd in Israël zijn naam. PS 76:3 Zijn tent heeft in Salem gestaan, Hij maakte woning op Sion, PS 76:4 daar brak Hij de flitsende boogpijl, de wapenen: het schild en het zwaard. PS 76:5 Gij kwaamt in schittering van licht, vervaarlijk, van de bergen des roofs, PS 76:6 en krijgshaftigen werden uw buit, gingen weerloos de slaap in, trotse strijders hun hand werd verlamd: PS 76:7 voor uw dreigen, Gij, God van Jakob, stonden wagen en paard als versteend. PS 76:8 Gij, de geduchte. Wie kan bestaan uw aanblik als nadert uw toorn? PS 76:9 Aan het zwerk deed Ge horen het oordeel: en de aarde in vreze werd stil PS 76:10 toen God zich verhief ten gerichte, opdat Hij de verlossing voltrok van wie worden verdrukt op de aarde. PS 76:11 En de mens, hoe opstandig, erkent U; de laatste rebellen Gij voegt ze U toe. PS 76:12 Doet de Heer uw geloften, kwijt ze uw God; alles rondom Hem heen brenge Hem, de geduchte, zijn gaven: PS 76:13 die de trots der vorsten besnoeit, die de koningen der aarde ontzag leert. Psalm 77 Worstelend met Gods verborgenheid PS 77:1 Voor de koorleider. Op de wijze van Jedutun. Van Asaf. Een psalm. PS 77:2 Met luider stem roep ik tot God, roep ik tot God om verhoring; PS 77:3 mijn Heer zoek ik bij dag in mijn nood, bij nacht is mijn hand uitgestrekt; niet moede wordt zij te vragen. Mijn ziel weigert andere troost. PS 77:4 Aan God denk ik en ik blijf kreunen, blijf prevelen mijn geest buigt zich neder; PS 77:5 Gij laat mij mijn ogen niet luiken, ik vind voor mijn onrust geen woorden. PS 77:6 En ik denk aan de dagen van eertijds, de jaren van het begin, PS 77:7 denk terug aan mijn snarenspel, in de nacht, alleen met mijzelve: ik prevel en mijn geest blijft vragen. PS 77:8 Zal de Heer voor eeuwig verstoten, goedgunstig zijn nimmermeer? PS 77:9 Is voorgoed voorbij zijn genade: zijn belofte, geslachten omvattend, kan zij te niet zijn gedaan? PS 77:10 Vergeet God ontfermend te zijn, of ontzegt Hij, vertoornd, zijn erbarmen? PS 77:11 Ik zeg enkel en het doorsteekt mij: 'de hand des Allerhoogsten liet af.' PS 77:12 Weer gedenk ik het handelen Gods, ga uw wonderen na van den aanvang, PS 77:13 al uw werken wil ik bepeinzen, overdenken uw machtige daden. PS 77:14 Ongenaakbaar, God, is uw weg; geen god die Gods grootheid nabij komt: PS 77:15 Gij, de God die wonderen voltrok, die de volken uw macht openbaarde, PS 77:16 die uw volk door uw arm hebt verlost: van Jakob de zonen, van Jozef. PS 77:17 Het water, God, werd U gewaar, het water zag U, het kolkte, het schokte tot in zijn gronden; PS 77:18 in regens braken de wolken en het daverde aan het zwerk. Weer en weer verschoten uw schichten. PS 77:19 Het geweld van uw donder blijft rollen, hemelvuur striemt de wereld met licht dat de aardbodem siddert en schokt. PS 77:20 Door de zee heen voerde uw weg, door oneidige wateren uw pad. Uw voetsporen bleven onkenbaar. PS 77:21 Gij die leidde uw volk als een kudde, door de hand van Mozes, van Aäron. Psalm 78 Israëls geschiedenis: spiegel van Gods handelen PS 78:1 Een compositie van Asaf. Luister thans, mijn volk, naar mijn lering, neig tot mijn uitspraken uw oor: PS 78:2 openen wil ik mijn mond tot een les, wat voormaals was verborgen ontsluiten. PS 78:3 Wat wij hoorden, wat wij mogen weten, wat ons onze vaderen vertelden, PS 78:4 dat onthouden wij niet hun kindskinderen: verhalend het volgend geslacht de roem des Heren, zijn macht, en de wonderen die Hij gedaan heeft. PS 78:5 Hij stelde een getuigenis in Jakob, heeft geplant in Israël de wet, en gebood dienaangaande onze vaderen hun kinderen daarin te onderrichten, PS 78:6 dat het volgend geslacht het zou weten: dat de kinderen daaruit geboren in hun plaats zouden treden en dit hen kinderen weer zouden verhalen; PS 78:7 opdat deze naar God zouden uitzien, niet Gods handelen zouden vergeten, veeleer zijn geboden bewaren; PS 78:8 niet worden hun vaderen gelijk: een geslacht vol wrok en verzet, een geslacht onbestendig van hart, niet oprecht van geest jegens God. PS 78:9 Zonen Efraims, boogschutters vaardig: weglopers de dag van de strijd! PS 78:10 Want zij hielden Gods verbond niet, weigerachtig naar zijn wet te wandelen, PS 78:11 zij waren zijn handelen vergeten, zijn wonderen, die Hij hun deed zien, PS 78:12 wonderdaden, zichtbaar voor hun vaderen, in Egypteland, Soans gebied. PS 78:13 Hij kliefde de zee voor hun doortocht, heeft het water gestuwd tot een dam; PS 78:14 ging des daags hun voor in een wolk, de nacht lang in een schijnsel van vuur. PS 78:15 Hij spleet de rots in de woestijn, deed hen drinken het gutsende water, PS 78:16 beken riep Hij op uit de steen, deed het water neerstorten bij stromen. PS 78:17 Maar zij zondigen weer tegen Hem, tartten in de woestijn de Allerhoogste, PS 78:18 zij beproefden God in gedachten door naar eigen zin voedsel te vragen, PS 78:19 zij lasterden God door te zeggen: 'vermag God een dis aan te richten hier middenin de woestijn? PS 78:20 Ja, Hij sloeg de rots, water welde, er begonnen beken te stromen, maar zou Hij ook brood kunnen geven, verstrekt Hij ook vlees aan zijn volk?' PS 78:21 Dit nu hoorde de Heer, zeer verbolgen, vuur schoot omhoog tegen Jakob eindelijk laaide zijn toorn tegen Israël, PS 78:22 omdat het in God geen geloof had, zijn uitredding niet had vertrouwd. PS 78:23 En de wolken daarboven gebood Hij, heeft de deuren des hemels geopend. PS 78:24 liet het manna tot spijs op hen regenen, hemelkoren was wat Hij hun gaf; PS 78:25 brood voor engelen kreeg ieder te eten, voedsel zond Hij hun toe tot verzadens! PS 78:26 Oostenwind liet Hij los aan de hemel, deed met macht de zuidenwind komen, PS 78:27 en gaf vlees, op hen regenend als stof, een zandstorm van wiekende vogels, PS 78:28 liet ze neerkomen pal in hun kamp, overal in het rond bij hun tenten. PS 78:29 En zij aten zich oververzadigend: wat zij wensten, Hij had het verschaft. PS 78:30 Maar terwijl hun begeerte niet afliet hun eten was nog in hun mond PS 78:31 verhief zich Gods toorn tegen hen, sloeg Hij hen in hun weerbaarste zonen: de bloem Israëls heeft hij geveld. PS 78:32 Bij dit alles bleven zij zondigen: zij geloofden in zijn wonderen niet. PS 78:33 Hij in damp deed hun dagen Hij opgaan, vergaan in verschrikking hun jaren. PS 78:34 Sloeg Hij toe zij vroegen naar Hem, bekeerden zich, zochten God, PS 78:35 wisten weer: Hij, God, was hun rots, God, de Allerhoogste, hun losser; PS 78:36 maar bedrogen Hem toch met hun mond, bleven toch met hun tong Hem beliegen, PS 78:37 want hun hart was niet blijvend bij Hem, zij geloofden niet in zijn verbond. PS 78:38 Maar Hij bleef barmhartig, vergaf hun het kwaad Hij liet hen niet sterven; nog wendde Hij telkens zijn toorn, riep al zijn gramschap niet wakker; PS 78:39 Hij bedacht: het waren slechts mensen een adem die gaat en niet keert. PS 78:40 Hoe vaak, in de woestijn, tartten zij, griefden zij in die eenzaamheid Hem, PS 78:41 telkens weer verzochten zij God, krenkten zij de Heilige Israëls, PS 78:42 vergaten hoe zijn hand destijds hen verlost had van hun onderdrukker, PS 78:43 hoe zij tekenen Hij deed in Egypte, zijn wonderen in Soans gebied. PS 78:44 Want Hij maakte de Nijlstroom tot bloed, zijn waterlopen ondrinkbaar, PS 78:45 Hij zond steekvliegen die hem tempteerden, van de kikvorsen kwamen zij om. PS 78:46 Aan de kaalvreter gaf Hij hun oogst, aan de sprinkhaan wat zij verbouwden, PS 78:47 Hij vernielde hun wijnstok door hagel, hun moerbeibomen door ijzel; PS 78:48 en hun vee gaf Hij prijs aan het noodweer, aan het vuur van de bliksem hun kudden, PS 78:49 liet brandend zijn toorn op hen los, verbolgenheid, dreiging en gramschap: een zwerm van boden des onheils. PS 78:50 Want nu liet Hij zijn woede ruim baan; voor de dood heeft Hij hen niet gespaard; aan de pest gaf hun levens Hij prijs, PS 78:51 Hij trof elke eerstgeborene in Egypte, de eerstverwekten in de tenten van Cham; PS 78:52 maar zijn volk liet als schapen Hij uitgaan, ging hun kudde voor door de woestijn; PS 78:53 veilig leidde Hij hen niets te vrezen! had de zee niet hun vijand bedekt? PS 78:54 Hij bracht hen naar zijn heilig gebied, waar de berg was die Hij zich bestemd had, PS 78:55 en volksstammen dreef Hij voor hen uit, mat het erfland hen toe met het meetsnoer wier tenten Hij gaf ten verblijf aan de stammen van Israël. PS 78:56 Wantrouwend, opstandig nochtans weerstreefden zij God, de Allerhoogste, hielden zich aan zijn uitspraken niet; PS 78:57 onttrokken zich, slinks, als hun vaderen, sprongen terug als een falende boog, PS 78:58 met hun offerterpen Hem ergerend, met vervaardigde goden Hem prikkelend. PS 78:59 God merkt het in wassende gramschap, bovenmate verachtte Hij Israël: PS 78:60 toen verwierp Hij zijn woning in Silo waar Hij onder de mensen zijn tent had. PS 78:61 En zijn ark heeft Hij weg laten voeren, gaf zijn kleinood de vijand in handen. PS 78:62 Zijn volk gaf Hij prijs aan het zwaard, Hij woedde tegen de zijnen. PS 78:63 Vuur verteerde hun weerbare jeugd, geen bruidslied klonk meer voor hun dochteren; PS 78:64 hun priesterschap viel door het zwaard, tranenloos bleef de smart hunner weduwen. PS 78:65 Toen verrees de Heer, als uit een slaap een held die zijn roes van zich afschudt; PS 78:66 zijn haters joeg Hij voor zich uit, met eeuwige smaad hen beladend, PS 78:67 Jozefs tent werd door Hem verworpen, hij verkoos de stam Efraim niet! PS 78:68 De stam Juda was het die Hij uitkoos, de berg Sion die had hij lief PS 78:69 waar Hij hemelhoog bouwde zijn heiligdom, als de aarde het grondde voor eeuwig. PS 78:70 Zijn knecht David: hem heeft Hij verkozen, nam hem weg van de kooien der schapen, PS 78:71 nam hem weg van achter de ooien, om Jakob te weiden, zijn volk, Israël want het was zijn erfdeel. PS 78:72 En geweid heeft hij hen in oprechtheid, met omzichtige hand hen geleid. Psalm 79 Rouwklacht over Jeruzalem PS 79:1 Een psalm van Asaf. O God, heidenen drongen in uw domein, bevlekten de tempel, uw heiligdom; zij maakten Jeruzalem tot puin. PS 79:2 Zij gaven de lijken uwer knechten als aas aan de vogelen des hemels, het lichaam van uw getrouwen het wild gedierte ten prooi. PS 79:3 Hun bloed is als het water vergoten vlak onder Jeruzalem. En geen die de doden begroef. PS 79:4 Ons bestaan van de naburen smaad, spot en terging van wie ons omringen. PS 79:5 Hoe lang nog, Heer? Toornt Gij dan eeuwig, woedt als vuur uw ongena voort? PS 79:6 Stort uw gramschap uit over volken die U niet willen erkennen, over koninkrijken waar nimmer de aanroep van uw naam heeft verluid: PS 79:7 als een prooi verscheurden zij Jakob, woestenij werd zijn weidegebied! PS 79:8 Scheld ons kwijt de zonde der vaderen, kome tot ons, met haast, uw erbarmen; zie het: hoe machteloos wij zijn! PS 79:9 Help Gij ons, God die ons heil zijt, om de wil van uw heerlijke naam, maak ons vrij, verzoen onze zonden, indachtig de naam die Gij voert. PS 79:10 Waarom mogen de heidenen dat zeggen: 'waar houdt zich die God van hen op?' Laat ons zien aan die heidenen bewezen! wat een strafgericht is: want door hen werd het bloed van uw knechten vergoten; PS 79:11 laat de klacht der gevangenen u naderen, red de kinderen des doods door uw machtsdaad! PS 79:12 Betaal Gij, in zevenvoud, onze nabuurvolken terug de smaad, Heer, waarmee zij u smaadden. PS 79:13 Wij, die uw volk zijn, wij, schapen onder uw hoede, eeuwig zij U onze dank: als wij, geslacht op geslacht, de lofzegging voor U mogen spreken. Psalm 80 Gebed om herstel voor Israël PS 80:1 Voor de koorleider. Op de wijze van' Lelien'. Een getuigenis van Asaf. Een psalm. PS 80:2 Herder Israëls, hoor! Gij die Jozef leidt als uw schapen, die troont op de cherubs, verschijn ons. PS 80:3 Voor Efraim, Benjamin, Manasse, laat thans ontwaken uw kracht: kom tot onze verlossing! PS 80:4 Breng Gij, o God, ons de keer: in het licht van uw aanschijn bevrijding! PS 80:5 Heer, God der hemelse scharen, hoelang nog de wolk van uw gramschap over het gebed van uw volk? PS 80:6 Brood der tranen hebt Gij het doen eten, hebt het tranen overvloedig doen drinken; PS 80:7 nabuurvolken laat Gij om ons twisten, onze vijanden lachen om ons. PS 80:8 God der hemelse scharen, breng Gij ons de keer: in het licht van uw aanschijn bevrijding! PS 80:9 Een wijstok groef Gij los uit Egypte, verdreef volken dat hij hier geplant werd: PS 80:10 de grond hebt Gij voor hem bereid, toen heeft hij wortels gemaakt, hij heeft het land overdekt. PS 80:11 Zijn schaduw bedekte de bergen, zijn ranken de cederen Gods, PS 80:12 tot de zee reikte hij met zijn takken, met zijn uitlopers tot de Rivier. PS 80:13 Waarom hebt Gij geslecht zijn ommuring, dat elk die voorbij komt hem plundert, PS 80:14 het wilde zwijn aan hem vreet, het gedierte des velds aan hem knaagt? PS 80:15 God der hemelse scharen, o keer toch, zie neer uit de hemel, aanschouw het: hergeef hem uw zorg, deze wijnstok, PS 80:16 de loot die uw rechterhand plantte, de zoon die Gij sterkte verleend hebt; PS 80:17 die hem wilden verbranden als afval vergaan voor uw dreigend gelaat. PS 80:18 Zij uw hand over deze uw gunsteling, het geslacht dat Gij sterkte verleend hebt: PS 80:19 en nooit dwalen wij meer van U af. Doe ons leven aanroepen uw naam. PS 80:20 Heer der hemelse scharen, breng Gij ons de keer: in het licht van uw aanschijn bevrijding! Psalm 81 Viert Hem die getrouw is en trouw vraagt PS 81:1 Voor de koorleider. Met gittit begeleiding. Van Asaf. PS 81:2 Laat schallen uw vreugde voor God, onze sterkte, voor Jakobs God steekt de trompet. PS 81:3 Zet een psalm in bij tamboerijnslag, bij de heerlijke cither, de harp. PS 81:4 Blaast met nieuwe maan de bazuin en met volle maan: voor onze feestdag. PS 81:5 Want een inzetting is dit voor Israël, door Jakobs God werd dit wet. PS 81:6 Tot getuigenis in Jozef stelde Hij het, toen tegen Egypte Hij uittrok. Spreken hoorde ik nimmer vernomen: PS 81:7 'Nu neem Ik de last van zijn schouder, zijn handen zijn vrij van de draagkorf. PS 81:8 Toen gij riep in de nood bracht Ik uitkomst, gaf in donder verborgen u antwoord. Maar bij Meriba's wateren zag Ik wie gij waart. PS 81:9 Hoor, mijn volk, Ik vermaan u met kracht: Israël, mocht gij naar Mij horen! PS 81:10 Laat geen vreemde god bij u toe, buig u niet voor een afgod uitheems! PS 81:11 Ik, Jahwe, ben uw God, die u uitgeleid heeft uit Egypte; open wijd uw mond: Ik stil uw honger. PS 81:12 Maar mijn volk hoorde niet naar mijn stem, Israël ging tegen Mij in: PS 81:13 toen liet Ik hen, in hun verstoktheid van hart, hun eigen voornemen volgen. PS 81:14 Dat toch mijn volk Mij verstond, Israël wilde gaan langs mijn wegen! PS 81:15 aanstonds sloeg Ik zijn vijanden neer, was mijn hand tegen zijn achtervolgers. PS 81:16 De haters des Heren zij zouden het nederig hulde bewijzen. Zijn tijd was gekomen voorgoed! PS 81:17 En hoe zou Ik het voeden met kostelijke tarwe, met vloeiende honing had Ik het verzaad.' Psalm 82 Oproep om recht te doen PS 82:1 Een psalm van Asaf. In de godenschare, onwrikbaar, staat God, houdt temidden der goden het recht hoog. PS 82:2 Hoe lang nog richt gij in onrecht, verleent gij de bozen uw gunst? PS 82:3 Geef de schamele recht en de wees, bescherm wie gering en berooid is, PS 82:4 geef wie arm is en honger lijdt uitkomst, ontruk hem aan de greep van wie kwaad wil. PS 82:5 Geen besef is er meer en geen oordeel: in duisternis wandelen zij om. Alom wankelt de grondslag der aarde. PS 82:6 Ik was het die sprak: 'gij zijt goden, zonen des Allerhoogsten gij allen.' PS 82:7 Toch de dood van elk mens zult gij sterven: zogoed als een vorst valt valt gij. PS 82:8 Verrijs, o God, richt de aarde: Gij die rechtmatig bezit alle volken. Psalm 83 Coalitie van Gods vijanden PS 83:1 Een lied. Een psalm van Asaf. PS 83:2 God, hul Uzelf niet in zwijgen, blijf niet doof, God, niet onbewogen, PS 83:3 merk toch hoe uw vijanden aangaan, uw haters opsteken het hoofd. PS 83:4 Hun listig beraad geldt uw volk, die Gij wilt bewaren hun plannen; PS 83:5 hun kreet is: 'vooruit: uitroeien dat volk! dat niemand meer noemt de naam Israël!' PS 83:6 Hoe eensgezind spannen zij samen, hun verbond sloten zij tegen u: PS 83:7 de tenten van Edom, van Ismaël, Moab en de zonen van Hagar, PS 83:8 en Gebal en Ammon en Amalek, Filistea, het stadsvolk van Tyrus; PS 83:9 en nu voegt zich Assur bij hen, Lots zonen tot machtige arm. PS 83:10 Als met Midian handel met hen, als met Sisera, Jabin, bij Kisjon de beek, PS 83:11 die bij Endor werden vernietigd, die werden tot mest voor het veld. PS 83:12 En laat het hun leiders vergaan als het Oreb en Zeeb vergaan is, hun koningen stuk voor stuk als het Zebach, Salmunna verging, PS 83:13 die riepen: 'wij trekken aan ons die weidegebieden van God!' PS 83:14 Mijn God, maak hen tot dwarrelend stof, tot kaf in de greep van de wind! PS 83:15 Als een bosbrand, verterend het woud, als het vuur dat blakert de bergen, PS 83:16 zo Gij: jaag hen voort in uw storm, gesel hen uiteen met uw vlagen, PS 83:17 maak Gij hun verschijnen te schande: merken zullen zij, Heer, wie Gij zijt! PS 83:18 En vernederd, reddeloos verslagen, met verijdelde hoop op de aftocht, PS 83:19 weten zij dat slechts Gij wiens naam is de Heer over heel de aarde ten troon zit. Psalm 84 Het lied van Gods nabijheid PS 84:1 Voor de koorleider. Met gittit begeleiding. Van de Korachieten. Een psalm. PS 84:2 Hoe hartverrukkend uw woningen, Heer der hemelse scharen; PS 84:3 mijn ziel vergaat van verlangen naar de voorhoven van de Heer; mijn hart, ja al wat ik ben, het roept tot de levende God. PS 84:4 Vindt zelfs de mus niet een huis, heeft niet de zwaluw haar nest waar zij haar jongen mag bergen? O, uw altaren te naderen, Heer der hemelse scharen, Gij, mijn koning, mijn God! PS 84:5 Gelukkig die wonen in uw huis, die immer u mogen loven; PS 84:6 gelukkig de mensen die sterk zijn in U, met de pelgrimsweg in het hart. PS 84:7 Gaan zij door een laagte van dorre woestijngroei, een oase scheppen zij daar: de eerste regen daalt er weldadig; PS 84:8 van kracht tot kracht gaan zij voort om op Sion voor God te verschijnen. PS 84:9 Heer, God der hemelse scharen, hoor gij dan mijn gebed, verhoor mij, o God van Jakob; PS 84:10 God die ons beveiligt, zie neer, aanschouw die is uw gezalfde. PS 84:11 In uw voorhoven is mij een dag meer toch dan duizend dagen; liever te staan op die drempel daar, in het huis van mijn God, dan te wijlen in de tenten der boosheid. PS 84:12 Want een wering, een schild is de Heer, zijn gunst schenke God ons, zijn luister; de Heer zal geen zegening onthouden aan wie in oprechtheid hun weg gaan. PS 84:13 Heer der hemelse scharen, gelukzalig de mens wiens rust is in U. Psalm 85 Uitzicht op Gods heil PS 85:1 Voor de koorleider. Van de Korachieten. Een psalm. PS 85:2 Gij koos, Heer, dit land tot het uwe, hebt de keer voor Jakob gebracht; PS 85:3 hebt verdragen het kwaad van uw volk, hebt al zijn zonden bedekt; PS 85:4 Gij hield al uw verbolgenheid in, liet af van uw brandende toorn. PS 85:5 Herstel ons dan, God die ons heil zijt, doorbreek uw afkeer van ons: PS 85:6 wilt Gij tegen ons woeden voor eeuwig, door geslachten doen duren uw toorn? PS 85:7 Zijt Gij niet die ons nieuw kunt doen leven? dan verblijdt zich uw volk weer in U. PS 85:8 Doe ons, Heer, uw genade aanschouwen, laat komen uw heil over ons. PS 85:9 En ik mag de verkondiging horen van Hem die de God is, de Heer: Het is vrede wat Hij verkondigt aan zijn volk: dat zijn zijn getrouwen. Laat thans de traagheid voorbij zijn! PS 85:10 Gelooft het! welhaast is genaderd voor wie Hem vrezen zijn heil; dan woont heerlijkheid in ons land: PS 85:11 zij ontmoeten elkander, genade en waarheid, gerechtigheid en vrede zij kussen elkaar. PS 85:12 Dan wast waarheid op uit de aarde, reikt gerechtigheid neer van de hemel. PS 85:13 Overvloed geeft de Heer daarenboven: onze aarde draagt haar gewas. PS 85:14 De gerechtigheid zal voor Hem uitgaan: reeds begon op de heerbaan haar loop. Psalm 86 God kan helpen PS 86:1 Een gebed van David. Neig, Heer, uw oor, geef mij antwoord; want ellendig ben ik en arm. PS 86:2 Hoed mijn leven, ik ben U getrouw, geef uitredding, mijn God, voor uw knecht die op U zijn vertrouwen gegrond heeft. PS 86:3 Ontferm U over mij, Heer, heel de dag al roep ik tot U; PS 86:4 geef het hart van uw knecht weer geluk: tot U is mijn verlangen geheven. PS 86:5 Goedertieren zijt Gij, Heer, vergevend, vol ontferming voor elk die U aanroept: PS 86:6 verneem dan, Heer, mijn gebed, en sla acht op mijn roep om erbarmen; PS 86:7 in dit uur van de nood roep ik U: want Gij kunt mij verhoren. PS 86:8 Geen god, Heer komt U nabij, uw werken zijn onvergelijkelijk; PS 86:9 alle volken hun schepper zijt Gij zullen opgaan, Heer, U aanbidden; zij geven uw naam de eer: PS 86:10 'machtig zijt Gij, werker van wonderen, Gij, o God, Gij alleen!' PS 86:11 Wijs dan, Heer, mij uw weg, dat ik wandelen mag in uw waarheid; richt Gij mijn hart onverdeeld op dit ene: ontzag voor uw naam. PS 86:12 Zo loof ik U, mijn god, in oprechtheid, verheerlijk uw naam ik voor immer. PS 86:13 Groot over mij was uw ontferming, Gij, die mijn leven bewaard hebt voor het dodenrijk daar beneden. PS 86:14 Sterk maken zich, God, die mij tarten, hun bende vervolgt mij genadeloos! Nooit stond Gij hun voor de geest. PS 86:15 Heer, Gij God van erbarmen en genade, die lankmoedig zijt, rijk aan ontferming en trouw, PS 86:16 wil mij aanzien, wees mij goedgunstig, stel Gij uw knecht in uw sterkte, verlos de zoon van uw dienstmaagd. PS 86:17 Merk mij met een teken ten zegen: laat beschaamd mijn haters ontwaren dat Gij, Heer, mij helpt en mij troost. Psalm 87 Sion, de moeder der volken PS 87:1 Van de Korachieten. Een psalm. Een lied. PS 87:2 Door Hem op heilige bergen gegrondvest: Jahwe koos zich de poorten van Sion boven alle woningen Jakobs. PS 87:3 Majesteitelijk draagt gij uw naam: de stad Gods. PS 87:4 Ik tel Rachab en Babel als bij mij behorend, en zie: Filistea en Tyrus, ook Nubie: 'een die daar is geboren'. PS 87:5 Van Sion zal het heten: 'ieder is daar geboren'. De Allerhoogste Hij schiep haar bestand. PS 87:6 Jahwe tekent het aan bij de naamlijst der volken: 'een die daar is geboren'. PS 87:7 En zij zingen, dansend hun reidans: 'Al mijn bronnen ontspringen in u!' Psalm 88 In duisternis PS 88:1 Een lied. Een psalm van de Korachieten, Voor de koorleider. Op de wijze van Machalat. Voor een boetedienst. Een compositie van Heman de Ezrachiet. PS 88:2 Heer, God die mijn heil zijt, U roep ik bij dag, bij nacht zoek ik uw nabijheid; PS 88:3 nadere mijn gebed tot uw aanschijn, neig tot mijn klagen uw oor. PS 88:4 Want mijn ziel is van rampen verzadigd, aan de grens van het dodenrijk ben ik, PS 88:5 ik behoor bij wie daalden in de groeve, ik werd tot een man zonder kracht. PS 88:6 Mijn leger is bij de doden, de verslagenen zij zijn begraven en Gij gedenkt hen niet meer; zij zijn weggerukt uit uw hand. PS 88:7 Naar een afgrond hebt Gij mij verwezen, naar duisternissen onpeilbaar PS 88:8 en zwaar rust op mij uw gramschap: al uw brandingen stapelt Gij op. PS 88:9 Gij vervreemdde van mij die mij kenden, hebt mij hun tot een gruwel gemaakt. Gevangen ben ik, zonder uitweg, PS 88:10 en mijn ogen zijn blind van ellende; U roep ik, Heer, de dag lang, mijn handen strek ik naar U uit. PS 88:11 Wilt Gij wonderen doen aan gestorvenen, zullen schimmen opstaan tot uw lof? PS 88:12 Verluidt in het graf uw genade, in die troosteloosheid uw trouw? PS 88:13 Wie zou merken in dat duister uw wonderen? Heeft een in dat land van vergeten van uw gerechtigheid weet? PS 88:14 Ik blijf tot U roepen, o Heer, als het daagt zoekt U mijn gebed. PS 88:15 Waarom, Heer, verwerpt Ge mijn leven, keert Gij uw aanschijn van mij af? PS 88:16 van mijn jeugd af rampzalig ten dode draag uw dreigingen ik, zonder troost. PS 88:17 Al uw gramschap gaat over mij heen, uw verschrikkingen zij slaan mij stom, PS 88:18 heel de dag mij omringend als water; zij sluiten zich rondom mij dicht. PS 88:19 En hen hebt Gij van mij vervreemd die mijn vrienden waren, mijn naasten: die ik kende zijn duister voor mij. Psalm 89 God, gedenk uw belofte aan David PS 89:1 Een compositie van Etan de Ezrachiet. PS 89:2 Wat de Heer genadig verleende dat drage mijn lied door de tijden; moge ik geslacht op geslacht uw trouw door mijn mond openbaren. PS 89:3 En het luidt: 'de genade staat eeuwig; in de hemel fundeert Gij uw trouw.' PS 89:4 Een verbond sloot Ik met mijn verkorene, Ik bezwoer het David, mijn knecht: PS 89:5 'uw huis doe Ik zetelen voor eeuwig, grond uw troon: geslacht op geslacht.' PS 89:6 En de hemel, Heer looft uw vermogen, looft een schare van heiligen uw trouw. PS 89:7 Wie daarboven reikt tot de Heer, welke godenzoon evenaart Hem? PS 89:8 God, hoog gevreesd in der heiligen raad, geducht boven allen rondom Hem. PS 89:9 Heer, God der hemelse scharen, wie die uw kracht heeft, Jahwe, de waarachtigheid die van U uitgaat? PS 89:10 Zo temt Gij de trots van de zee, mogen hoog gaan haar golven Gij stilt ze. PS 89:11 Gij doorstak het oermonster, versloeg het, uw toeslaan verstrooide de vijand, PS 89:12 Gij, wien hemel en aarde behoren, die de wereld formeerde en haar volheid. PS 89:13 Het noorden, het zuiden Gij schiep ze: uw naam ruisen de Tabor, de Hermon. PS 89:14 Machtig is de arm die gij voert, sterk uw hand: uw rechterhand heft zich; PS 89:15 en de orde des rechts schraagt uw troon, voor U uit gaan genade en waarheid. PS 89:16 Gelukzalig het volk dat dit kent: de jubel, de stoot der bazuin, wandelt, Heer in het licht van uw aanschijn, PS 89:17 in uw naam dag aan dag zich verblijdt; uw gerechtigheid is hun verheffing. PS 89:18 Gij zijt de glans van hun macht, door uw gunst verheft zich onze hoorn. PS 89:19 Want ons schild gewerd ons van de Heer, onze vorst van de Heilige Israëls. PS 89:20 Voormaals hebt Gij het, in een gezicht, uw getrouwen onthuld toen Gij zeide: 'op een held deed mijn bijstand Ik dalen, Ik verhief uit het volk een verkorene: PS 89:21 mijn knecht David heb Ik ontwaard, hem gezalfd met mijn heilige olie; PS 89:22 hem zal mijn hand wezen tot steun, mijn arm zal hem sterkte verlenen. PS 89:23 Geen vijand zal hem overvallen, geen zoon des kwaads hem doen bukken; PS 89:24 zijn belagers vel Ik voor zijn ogen, zijn haters zal zelf Ik verslaan. PS 89:25 Want met hem is mijn trouw, mijn genade: door mijn naam verheft zich zijn hoorn. PS 89:26 En dan leg Ik zijn hand op de zee, zijn rechterhand op de stromen. PS 89:27 Gelijk hij mijn naam zegt: 'Gij mijn Vader, mijn God, mijn rots en mijn heil'. PS 89:28 zo doe Ik hem mijn eersteling wezen: boven koningen der aarde troont hij. PS 89:29 Ik verzeker hem eeuwig mijn gunst, mijn verbond met hem het houdt stand, PS 89:30 en zijn zaad zet voor eeuwig Ik voort, zijn troon als de dagen des hemels. PS 89:31 Doch verlaten zijn zonen mijn wet, weigerend naar mijn rechtsorde te wandelen, PS 89:32 zouden zij mijn verbondseisen schenden, zich niet houden aan mijn geboden: PS 89:33 met de stok straf Ik hun overtreding, Ik bezoek met slagen hun kwaad. PS 89:34 Doch hem zal Ik mijn gunst niet onttrekken, Ik verloochen mijn trouw aan hem niet, PS 89:35 Ik, die niet schend mijn verbond, de uitspraak van mijn lippen niet terugneem. PS 89:36 Eenmaal bij mijn heiligheid zwoer Ik: 'nimmer zal Ik David verzaken, PS 89:37 zijn zaad zet voor eeuwig voort, zijn troon staat naar mijn wil als de zon, PS 89:38 als de maan, die gesteld is voor eeuwig aan het zwerk, die toeziet en niet faalt.' PS 89:39 En toch: thans verstoot Gij, verwerpt Gij, zijt verbolgen op uw gezalfde, PS 89:40 hebt ontkracht het verbond met uw knecht; zijn kroon wierp Gij smadelijk ter aarde. PS 89:41 Al zijn muren hebt Gij gerammeid; zijn vestingwerken geslecht, PS 89:42 zodat elk die voorbijkomt hem plundert: hij werd zijn naburen tot spot. PS 89:43 Zijn belagers zwaar deed Ge hen toeslaan, Ge gaaft al zijn vijanden vreugd; PS 89:44 ja Gij wendde het scherp van zijn zwaard, zodat hij het niet hield in de strijd. PS 89:45 Zijn luister hebt Gij gedoofd, zijn troon omgeworpen ter aarde, PS 89:46 de dagen verkort van zijn jeugd, hebt met schande hem overdekt. PS 89:47 Tot hoelang, Heer? Verbergt Gij u durend? Blijft uw ongena woeden als vuur? PS 89:48 O, gedenk hoe kortstondig ik ben, de mens die Gij schiep hoezeer schaduw! PS 89:49 Zou er een mens kunnen bestaan die nimmer de dood zal aanschouwen, wiens leven de doodskrocht ontkomt? PS 89:50 Waar zijn, Heer, uw vroegere gaven? deed Gij David geen eed in uw trouw? PS 89:51 Gedenk, Heer, de smaad die uw knecht draagt, die ik meedraag van zovele volken PS 89:52 smaad van uw vijanden, Heer, smaad waar uw gezalfde zijn voet zet. PS 89:53 Geloofd zij voor eeuwig de Heer! Amen, ja amen. Psalm 90 Laat de mens zich niets verbeelden! PS 90:1 Een gebed van Mozes, de man Gods. Heer, de toevlucht voor ons waart Gij, geslacht na geslacht. PS 90:2 Eer de bergen waren geboren, voldragen aarde en wereld, ja, van eeuwig tot eeuwig, zijt Gij, God, die Gij zijt. PS 90:3 De mens doet Gij weer worden tot stof; Gij spreekt: 'wordt weder stof, mensenkinderen!' PS 90:4 Duizend jaren toch zijn in uw ogen als de dag van gisteren voorbij! een wake gelijk in de nacht: PS 90:5 Gij wist ze uit, sluimer geworden. Zo des morgens het gras, dat gaat groeien: PS 90:6 in de morgen groent het en gaat groeien, 's avonds is het verschrompeld, verdord. PS 90:7 Zo vergaan wij onder uw toorn, worden wij door uw gramschap vernietigd; PS 90:8 Gij stelt voor U wat wij bedreven: wat wij hadden willen verbergen, het komt in het licht van uw aanschijn. PS 90:9 Zo neigen al onze dagen ten einde onder uw gramschap, wij leven onze jaren een zucht. PS 90:10 De dagen van onze jaren omvatten zeventig jaren, voor de krachtigsten tachtig jaren; hun trots werd moeite en leed: hoe snel voorbij zijn wij een wiekslag! PS 90:11 Wie kent de kracht van uw toorn, uw verbolgenheid, zozeer te duchten? PS 90:12 Leer ons zo onze dagen te tellen dat ons wijsheid des harten gewordt. PS 90:13 Keer, heer, tot ons weder. Hoelang nog? Erbarm U over uw knechten, PS 90:14 maak ons morgenlijk rijk met uw goedheid, dat wij jubelend vieren onze vreugde telken dage dat wij mogen zijn. PS 90:15 Schenk ons blijdschap, zovele dagen als de dagen dat Gij ons deed lijden; jarenlang was onheil ons uitzicht. PS 90:16 Zichtbaar zij aan uw knechten uw werk, zij over hun kinderen uw luister. PS 90:17 Moge zo de goedgunstigheid zijn van de Heer onze God over ons: geef Gij het werk onzer handen bestand, ja, bestendig het werk onzer handen. Psalm 91 Gods machtige bescherming PS 91:1 Wie vertoeft in de schuilplaats des Allerhoogsten, vernacht in de schaduw van de Almachtige PS 91:2 en zegt tot de Heer: 'mijn toevlucht, mijn sterkte, mijn God op wie ik mij verlaat.' PS 91:3 Want Hij is het die u bewaart voor de strik van de vogelvanger, bewaart voor de gruwelijke pest. PS 91:4 Met zijn wieken zal Hij u dekken, gij vindt onder zijn vleugelen toevlucht. Een schild, een rondas is zijn trouw. PS 91:5 Gij hoeft nimmer te duchten de verschrikking der nacht, de pijl die vliegt overdag, PS 91:6 de pest die waart in het donker, de moordende steek van de middag. PS 91:7 Zouden duizend vallen aan uw zijde, tienduizend aan uw rechterhand, tot u zal het niet naderen. PS 91:8 Houd gij slechts uw ogen gericht: gij ontwaart dat de bozen hun straf treft. PS 91:9 Gij kent de Heer als de toevlucht, de Allerhoogste weet gij uw schutse. PS 91:10 Zo vermag u geen onheil te treffen, geen plaag zal naderen uw tent; PS 91:11 u aangaande gebiedt Hij zijn engelen om u, waar gij ook gaat, te bewaren; PS 91:12 zij zullen op de handen u dragen, dat gij niet uw voet aan een steen stoot; PS 91:13 treden zult gij op leeuw en op adder, leeuwenwelp vertrapt gij en slang. PS 91:14 'Bij Mij bergt hij zich, Ik stel hem veilig, hoog hef Ik hem: hij kent mijn naam; PS 91:15 zijn aanroep zal Ik verhoren, Ik ben met hem in de nood, bevrijd hem, herstel hem in ere. PS 91:16 Met lengte van dagen zal Ik hem verzadigen, Ik doe hem aanschouwen mijn heil.' Psalm 92 Gods regering: nooit genoeg bezongen PS 92:1 Een psalm. Een lied voor de sabbatdag. PS 92:2 Heerlijk is het te loven de Heer, te bezingen uw naam, Allerhoogste, PS 92:3 met de dageraad uw goedheid te roemen, in de nachten uw trouw, PS 92:4 spelend op de tien snaren, de harp, tokkelend muziek op de cither. PS 92:5 Want Gij brengt mij in verrukking o Heer, door wat Gij volvoerd hebt; mijn lied viert het werk uwer handen. PS 92:6 Hoe groots is uw schepping, o Heer, hoe grondeloos zijn uw gedachten, PS 92:7 al beseft wie te bot is dit nimmer, al heeft de dwaas daarvoor geen oog. PS 92:8 Of de bozen al opschieten als onkruid, of gedijt al wat onrecht bedrijft hun ondergang wordt het uiteindelijk: PS 92:9 Gij, Heer, neemt de troon in voor eeuwig. PS 92:10 Het wordt zichtbaar: uw vijanden, Heer zichtbaar wordt het: uw vijanden falen. Die het kwaad stichtten ruimen het veld. PS 92:11 Maar mijn kracht stoot Gij op, als een bisonhoorn hoog. Gij zalft mij met vernieuwende olie. PS 92:12 Wakker ziet mijn oog op mijn belagers: kanten zich tegen mij kwaadgezinden, mijn oren luisteren gespitst. PS 92:13 De rechtvaardige groeit als een palmboom, als de Libanonceder omhoog: PS 92:14 die geplant in het huis van de Heer in de hoven van God mogen groeien, PS 92:15 maken nog in hun grijsheid nieuw lot. Groen zullen zij zijn en vol frisheid. PS 92:16 Mogen melden: 'de Heer is waarachtig.' Hij mijn rots. In Hem is geen onrecht. Psalm 93 Bij God is alle macht PS 93:1 De Heer is koning. Met majesteit is Hij bekleed. Met macht heeft de Heer zich bekleed en omgord. Vast staat thans de wereld, onwrikbaar; PS 93:2 vast staat, van den beginne, uw troon: voor de tijden waart Gij. PS 93:3 Watervloeden verheffen, o Heer, watervloeden verheffen de stem, de wateren stuwen hun branding. PS 93:4 Hoog boven het daveren der machtige wateren, de baren vervaarlijk der zee, vervaarlijk de Heer in den hoge. PS 93:5 Uw uitspraken hoezeer waarachtig! Heiligheid kroont uw huis, Heer, ten eeuwigen dage. Psalm 94 Machtsmisbruik en strafgericht PS 94:1 God der wrake, Jahwe, God der wraak, openbaar U: PS 94:2 verhef U, richter der aarde, tref met vergelding de trotsen. PS 94:3 Hoelang, Heer, mogen de bozen, de bozen hoelang triomferen, PS 94:4 in grootspraak zich laten gaan, aan het woord zijn die onrecht bedrijven? PS 94:5 't Is uw volk, Heer, dat zij vertreden, uw eigendom wat zij verdrukken; PS 94:6 de weduwe is het, de vreemdeling, die zij het leven afsnijden, en wezen sterven door hen. PS 94:7 Zij denken: 'dat ziet Jahwe niet! Jakobs God Hij zal het niet merken.' PS 94:8 Komt tot inzicht, hardhoofden in Israël, onnozelen, wanneer wordt gij wijzer? PS 94:9 Die het oor plantte, zou Hij niet horen, die het oog vormde, zou Hij niet zien, PS 94:10 die volken hun les leert niet straffen? Gaf Hij niet de mens zijn verstand? PS 94:11 De Heer kent de overlegging der mensen. Niets dan een adem zijn zij. PS 94:12 Gelukkig de man die Gij recht buigt, Jahwe, die Gij uit uw wet onderricht; PS 94:13 zo kan hij kwade dagen bestaan. Maar de kuil voor de bozen wordt diep! PS 94:14 Neen, de Heer laat niet varen zijn volk, zal nimmer prijsgeven zijn erfdeel: PS 94:15 als het recht tot gerechtigheid weerkeert, blijven zij de oprechten van hart. PS 94:16 Wie nam mijn partij tegen hun laagheid? Wie stond pal voor mij tegen hun onrecht? PS 94:17 Was de Heer mijn hulp niet geweest, welhaast woonde mijn ziel in de stilte; PS 94:18 dacht ik: 'mijn voet vindt geen steun', uw goedheid, Heer, hield mijn staande. PS 94:19 Wanneer talloze zorgen in mij woelden, werd mijn ziel door uw troost verkwikt: PS 94:20 en zoudt Gij dan de rechterstoel van de ongerechtigheid schragen? Daar heet recht het leed dat gesticht wordt. PS 94:21 de rechtvaardige staat men naar het leven: en onschuldig bloed vloeit bij het vonnis. PS 94:22 Mij was de Heer tot een burcht, mijn God is mijn rots en mijn toevlucht: PS 94:23 Hij die tegen de schuldigen hun schuld keert, middenin hun kwaad hen vernietigt. Hen vernietigt: De Heer onze God. Psalm 95 God zij lof: door uw lied, door uw daden PS 95:1 Komt, maakt thans muziek voor de Heer: de bazuin voor de rots onzer vrijheid! PS 95:2 Treden wij voor zijn aanschijn met lofzang, jubelend bij de harpen voor Hem. PS 95:3 Want een godheid groot is de Heer, koning groot, alle goden te boven. PS 95:4 In zijn hand zijn aan de diepten der aarde en de steilten der bergen beheerst. Hij; PS 95:5 aan Hem hoort de zee want Hij schiep haar, en het land, dat zijn handen formeerden. PS 95:6 Nadert, buigen deemoedig wij neer, knielen wij voor de Heer die ons maakte: PS 95:7 onze God is Hij, wij zijn het volk dat Hij weidt de schapen in zijn hoede. Het is heden! hoort naar zijn stem: PS 95:8 verhardt niet uw hart, als bij Meriba, als bij Massa, toen in de woestijn; PS 95:9 toen uw vaderen Mij hebben verzocht, Mij tartten en nog zagen mijn daden! PS 95:10 Veertig jaren heeft dat geslacht mijn wrevel gaande gemaakt en Ik dacht: 'zij blijven een volk dat zwerfziek is in zijn hart: zij willen mijn wegen niet kennen!' PS 95:11 Toen zwoer Ik mijzelf in mijn toorn: 'de rustplaats die Ik voor hen had als zij daar nog ooit zullen komen!' Psalm 96 De éne Heer PS 96:1 Zingt nu de Heer een nieuw lied, zingt de Heer, aarde alom; PS 96:2 zingt de Heer, zegent zijn naam, dag op dag verkondigt zijn heil. PS 96:3 Meldt onder de volken zijn glorie, alom in de landen zijn wonderen. PS 96:4 Want groot is de Heer, hoog te loven, boven alle goden geducht. PS 96:5 Al de goden der heidenen afgoden! Hij, de Heer, is de schepper des hemels; PS 96:6 glans en heerlijkheid zijn waar Hij nadert, macht en straling vervult zijn domein. PS 96:7 Eert de Heer, gij geslachten der volken, eert de Heer om zijn glorie en macht, PS 96:8 eert de Heer om zijn heerlijke naam: draagt dan uw gaven Hem aan, komt in zijn hoven getreden. PS 96:9 Buigt, plechtig getooid, voor de Heer, beef, aarde alom, bij zijn naderen! PS 96:10 Verkondigt het onder de volken: de Heer heeft de troon ingenomen, vast staat thans de wereld, onwrikbaar. Hij richt de volken naar recht. PS 96:11 In de hemel is vreugde, de aarde zingt mee, de zee davert met machtige branding; PS 96:12 het is feest op het veld en bij al wat daar leeft, alle bomen des wouds ruisen jubel: PS 96:13 voor de Heer, want in aantocht is Hij, in aantocht als richter der aarde; dan richt Hij de wereld rechtvaardig, haar volkeren krachtens zijn trouw. Psalm 97 De Heer is koning PS 97:1 De Heer is koning, Hem viere de aarde; vreugde reike van kust tot kust. PS 97:2 Rondom Hem is donker van wolken, de orde des rechts schraagt zijn troon. PS 97:3 Vuur gaat voor zijn naderen uit, verschroeit wie Hem willen weerstreven. PS 97:4 Zijn schichten doorflitsen de wereld. De aarde ontwaart het en beeft, PS 97:5 en bergen smelten als was wanneer Hij nadert, de Heer, nadert die heel het aardrijk gebiedt. PS 97:6 Dat Hij recht doet verkondigt de hemel, alle volken ontwaren zijn glorie, PS 97:7 wie bogen voor beelden treft schande: die in afgoden zochten hun roem. Gij goden, buigt alle voor Hem! PS 97:8 Met verrukking hoort Sion de mare: hoe jubelen de dochters van Juda om wat Gij, Heer, als rechter gebiedt! PS 97:9 Want Gij zijt de Heer, souverein, boven heel de aarde verrijzend, hoog alle goden te boven. PS 97:10 Schuwt, zo gij de Heer kiest, het kwade! Die het leven hoedt van zijn getrouwen redt hen ook uit de greep van de bozen. PS 97:11 Er daagt voor de rechtvaardigen licht, vreugde wacht de oprechten van hart. PS 97:12 Viert, rechtvaardigen, met vreugde de Heer: looft Hem, dien heilig wij heten. Psalm 98 Een nieuw lied: tot de einden der aarde PS 98:1 Een psalm. Zingt voor de Heer een nieuw lied, want wonderen heeft Hij gedaan; triomf heeft zijn hand Hem gebracht, overwinning zijn heilige arm. PS 98:2 De Heer openbaarde zijn heil; Hij heeft voor de ogen der volken onthuld zijn gerechtigheid; PS 98:3 zijn goedheid bleef Hij, zijn trouw jegens het huis Israël indachtig: alle einden der aarde aanschouwen het heil van Hem, onze God. PS 98:4 Juich, aarde alom, voor de Heer, zet de zang in, speelt op de snaren, PS 98:5 psalmzingt de Heer bij de cither, bij de cither, bij tokkelmuziek; PS 98:6 met trompetten, met helle bazuin schalt triomf voor de koning, de Heer. PS 98:7 De zee en haar rijkdom verheffe de stem, de wereld en wie daarop wonen; PS 98:8 laat de stromen klappen in de handen; alle bergen ruisen tesamen: PS 98:9 voor het aangezicht van de Heer, want Hij komt om het aardrijk te richten. In gerechtigheid richt Hij de wereld, de volken naar ongekromd recht. Psalm 99 Heilig is Hij PS 99:1 De heer is koning, de volken vervaren; Hij troont op de cherubs, de aarde zwicht. PS 99:2 De Heer, in Sion grootmachtig, boven alle volken ten troon. PS 99:3 Geloofd zij uw naam, groot en geducht: 'heilig is Hij!' PS 99:4 De koning, in majesteit, koos voor het recht, Gij grondde het recht, ongebogen; recht en gerechtigheid hebt Gij binnen Jakob geschapen. PS 99:5 Verheft de Heer, onze God, werpt U voor zijn voetschabel neder: 'heilig is Hij!' PS 99:6 Mozes onder zijn priesters, Aäron, Samuël een van wie riepen zijn naam, zij riepen de heer aan: Hij antwoordde hun; PS 99:7 in de wolkkolom sprak Hij tot hen en zij bleven zijn uitspraken trouw, zijn inzetting die tot hen uitging. PS 99:8 Gij, Heer onze God, gaaft het antwoord: Gij waart hun een God van vergeving, al moest Gij hun wandaden straffen. PS 99:9 Verheft de Heer, onze God, voor zijn heilige berg werpt u neder: de Heer, onze God, Hij is heilig. Psalm 100 Looft Hem! PS 100:1 Een psalm bij het lofoffer. Juicht voor de Heer, aarde alom! PS 100:2 dient de Heer met verblijden, komt voor zijn aanschijn met jubel. PS 100:3 Beseft het: de Heer is God; Hij schiep ons, wij horen aan Hem, zijn volk Hij weidt het als schapen. PS 100:4 Treedt zijn poorten in met een danklied, gaat met lofzang zijn voorhoven binnen, looft Hem, zegent zijn naam. PS 100:5 Overvloed geeft Hij, de Heer: tot in eeuwigheid is zijn genade, van geslacht tot geslacht is zijn trouw. Psalm 101 Een troonrede PS 101:1 Van David. Een psalm. Thans een lied van verbondstrouw en recht; U ter ere, Heer, wil ik het zingen: PS 101:2 ik wil trachten naar eerlijke wandel, wanneer zult Gij komen tot mij? Ik verkeer in oprechtheid des harten in het binnenvertrek van mijn huis, PS 101:3 zal nimmer voor ogen gedogen enig ding dat geen daglicht kan zien; het doen der afvalligen haat ik, op mij heeft het geen vat. PS 101:4 En arglist laat ik niet tot mij toe, van laagheid wil ik niet weten; PS 101:5 een die heimelijk zijn naaste belastert, ik zal hem doen zwijgen voorgoed. Laatdunkende blikken, verbeelding, ik duld het niet om mij heen. PS 101:6 Want mijn ogen blijven gericht op de waarheidsgetrouwen in den lande, dat zij zich zetten rondom mij: de man die eerlijk zijn weg gaat, hem kies tot mijn dienaar ik uit. PS 101:7 Binnen mijn huis vindt geen verblijf wie handelt in laffe onoprechtheid, en iemand die leugens verkondigt kan niet voor mijn ogen bestaan. PS 101:8 Elke morgen maak ik korte metten met wie niet deugen in dit land: dat ik delg uit de stad van Jahwe elkeen die handelt ten kwade. Psalm 102 Nood van enkeling en volk PS 102:1 Gebed van een ongelukkige als hij dreigt te bezwijken en dan zijn hart voor Jahwe uitstort. PS 102:2 Heer, hoor mijn gebed, laat mijn hulpgeroep tot U naderen, PS 102:3 wend uw aanschijn niet van mij af thans, in het uur van mijn nood; maar neig Gij tot mij uw oor: waar ik roep tot U antwoord mij ijlings. PS 102:4 Want als rook vervliegen mijn dagen, het brandt binnenin mij als vuur; PS 102:5 dor gras, zo verschroeid is mijn hart; mijn brood vergeet ik te eten. PS 102:6 Jammerklagend ben ik weggeteerd tot op het bot; PS 102:7 de kraai van de steppe gelijk ik, ben een uil die in bouwvallen huist; PS 102:8 ik vind de slaap niet, ik word als de vogel, eenzaam op het dak. PS 102:9 Heel de dag gaan mijn vijanden aan en vervloeken al scheldend mijn naam: PS 102:10 zo eet ik dan as voor brood, wat ik drink vermeng ik met tranen PS 102:11 ten overstaan van uw gramschap, uw toorn: Gij hief mij en hebt mij verworpen. PS 102:12 Mijn dagen een neigende schaduw, en ikzelf, ik verschrompel dor gras. PS 102:13 Nochtans, Heer, uw troon staat voor eeuwig, uw naam blijft geslacht op geslacht. PS 102:14 Gij zult opstaan, om Sion bewogen, zie! de tijd haar genadig te zijn, de tijd voorbestemd is gekomen: PS 102:15 hoe lief zijn uw knechten haar stenen, met deernis zien zij haar puin. PS 102:16 Volken, Heer, zullen duchten uw naam, alle koningen der aarde uw glorie PS 102:17 als Jahwe Sion heeft herbouwd, is verschenen in majesteit, PS 102:18 tot de beden der armsten zich neigde, hun smeekgebed niet heeft versmaad. PS 102:19 Voor het nageslacht zij dit geboekstaafd: een herschapen volk spreekt Gods lof, PS 102:20 dat van heilige hoogten Hij schouwde, neerzag uit de hemel op aarde PS 102:21 om de klacht der gevangenen te horen, te bevrijden de kinderen des doods; PS 102:22 dat Jahwe's naam in Sion gemeld zij, zijn lof in Jeruzalem, PS 102:23 wanneer samenstromen de volken, koninkrijken: tot dienst aan de Heer. PS 102:24 Hoe brak Hij op de weg mijn kracht! Mijn dagen heeft Hij verkort. PS 102:25 Ik pleit: 'doe Gij mij niet heengaan, mijn God, op de helft van mijn dagen: uw jaren zijn eeuwen en eeuwen!' PS 102:26 Gij hebt voormaals de aarde gegrondvest, de hemel is werk uwer handen; PS 102:27 zouden zij vergaan, Gij houdt stand: raakten zij versleten als een mantel als uw wisselkleed wisselt Gij hen PS 102:28 nochtans blijft Gij die Gij zijt, uw jaren nemen geen einde. PS 102:29 Laat van ons, uw knechten, de kinderen hier woning maken. En geef hun nazaten bestand voor uw aanschijn. Psalm 103 Gods onbegrijpelijke goedheid PS 103:1 Van David. Loof, mijn ziel, de Heer, heel mijn hart zijn heilige naam. PS 103:2 Loof, mijn ziel, de Heer, vergeet nimmer alwat Hij gedaan heeft. PS 103:3 Hij die vergeeft wat gij hebt misdreven, Hij die geneest al waar ge aan krank gaat, PS 103:4 Hij die verlost van de groeve uw leven, Hij die u kroont met genade en erbarmen, PS 103:5 Hij die uw jaren overstelpt met zijn gaven, dat uw jeugd als een adelaar herrijst. PS 103:6 Gerechtigheid schept Hij, de Heer, doet recht aan elk die verdrukt wordt; PS 103:7 Hij deed Mozes kennen zijn wegen, de kinderen Israëls zijn daden. PS 103:8 Barmhartig de Heer en genadig, lankmoedig, rijk aan ontferming; PS 103:9 niet zal voor immer Hij twisten, niet blijft voor eeuwig Hij toornen. PS 103:10 Niet naar onze schulden behandelt Hij ons, niet naar onze zonden maakt Hij het met ons: PS 103:11 zo hoog als de hemel is boven de aarde welft zich zijn genade over wie Hem wil vrezen; PS 103:12 zo ver de zonsopgang is van de avond, doet Hij verre van ons hetgeen wij misdeden. PS 103:13 Een vader zich over zijn kinderen ontfermend zo ontfermt zich de Heer over wie Hem wil vrezen: PS 103:14 Hij immers weet van ons maaksel, Hij gedenkt dat wij stof zijn. PS 103:15 Want de mens als gras zijn zijn dagen, hij bloeit als de bloem op het veld; PS 103:16 gaat de wind erover verdwenen, en de plek heeft geen weet meer van hem. PS 103:17 Maar de goedheid des Heren, zij blijft: zij is eeuwig met wie Hem vrezen; zijn gerechtigheid blijft het deel van de kinderen hunner kinderen, PS 103:18 van wie trouw zijn aan zijn verbond, zijn opdrachten immer indachtig, gezind die gehoorzaam te zijn. PS 103:19 De Heer grondde zijn troon in de hemel, als koning beheerst Hij het al. PS 103:20 Looft de Heer, gij zijn engelen, sterke strijders, volvoerend zijn woord, gij die zijn bevelen moogt horen; PS 103:21 looft de Heer, al zijn hemelse scharen, gij dienaren, volvoerend zijn wil. PS 103:22 Looft de Heer, alle zijn werken, allerwegen waar hij regeert. Loof de Heer, mijn ziel! Psalm 104 De zichtbare wereld: door God gewild PS 104:1 Loof, mijn ziel, de Heer! Heer, mijn God, hoe ontzaglijk zijt Gij, met glans en luister bekleed, PS 104:2 gehuld in een mantel van licht; de hemel spant Gij als een tentkleed. PS 104:3 Gij zijt die zijn opperzalen te zolderen vermocht op de wateren, die wolken maakt tot zijn wagen, op de vleugelen vaart van de wind; PS 104:4 die macht heeft dat stormen zijn boden, vuurvlammen zijn dienaren zijn. PS 104:5 Gij grondde de aarde op haar zuilen, onwrikbaar, eeuwig van duur, PS 104:6 dekte haar met een sluier, de oerzee. Het water stond boven de bergen. PS 104:7 Doch het week voor uw dreigen terug, het vlood voor de stem van uw donder: PS 104:8 en de bergen kwamen omhoog, hun kloven werden tot dalen alnaar Gij de plaats hun beschikt had. PS 104:9 Een grens stelde Gij, niet te overschrijden: de vloed dekke de aarde niet weder! PS 104:10 Bronnen wijst Gij hun loop naar de beken: tussen bergen door wandelt het water, PS 104:11 drenkt alle dieren des velds, de woudezels lessen hun dorst; PS 104:12 boven nestelen de vogelen des hemels, doen zich horen van tussen de takken. PS 104:13 Gij zijt het die hoog uit zijn zalen de bergen doet vloeien van water; de aarde leeft van de gave uwer schepping: PS 104:14 kiemen doet Gij het gras voor het vee, het gewas dat de mens het bewerkt, dat het brood uit de aarde zal geven. PS 104:15 Er is wijn, die het mensenhart deugd doet, als van olie glanst het gelaat en brood dat het mensenhart kracht geeft. PS 104:16 De bomen Gods trekken hun sappen, de Libanon ceders, zijn planting; PS 104:17 daar hebben de vogels hun nest, in hun kruin maakt de ooievaar woning; PS 104:18 en de bergtoppen zijn voor de steenbok, in de rots verbergt zich de klipdas. PS 104:19 De maan schiep Ge getijden ontstonden, de zon weet wanneer zij moet dalen; PS 104:20 als Gij duister gebiedt valt de nacht, in de dieren des wouds komt de onrust. PS 104:21 Jonge leeuwen brullen roofgierig om hun voedsel te vragen van God; PS 104:22 gaat de zon op dan trekken ze af, zij legeren zich in hun holen, PS 104:23 en de mens gaat op weg om te werken, naar zijn arbeid tot aan de avond. PS 104:24 Ongeteld zijn uw werken, o Heer, Gij schiep ze alle met wijsheid. Van uw rijkdom vervuld is de aarde. PS 104:25 Groots, wijd uitgestrekt ligt de zee: daar is eindeloos levend bewegen van dieren de kleine, de grote; PS 104:26 daar nemen de schepen hun weg; Leviatan huist er, formatie van U, Gij kunt ermee spelen. PS 104:27 En zij allen wachten op U, dat Gij voedsel hun geeft, telkenmale, PS 104:28 het hun reikt: zij mogen het nemen, Gij opent uw hand en zij mogen met overvloed zich verzadigen. PS 104:29 Wendt Ge uw aanschijn af, zij bezwijken, onttrekt Gij hun de adem, zij sterven: zij keren weder tot stof; PS 104:30 zendt Ge uw ademtocht; zij ontstaan: het gelaat van de aarde vernieuwt Gij. PS 104:31 Eeuwig zij de roem van de Heer, dat de Heer zich vermeie in zijn werken! PS 104:32 Treft zijn blik de aarde zij beeft, raakt de bergen Hij aan er gaat rook op. PS 104:33 Voor de Heer zij mijn lied, heel mijn leven, een psalm, tot het laatst, voor mijn God. PS 104:34 Hem behage dit lied van mijn lippen: heel mijn vreugde vind ik in de Heer. PS 104:35 Eens verdwijnen de bozen van de aarde, zijn spoorloos de verstoorders vergaan. Loof de Heer, mijn ziel! God lof! Psalm 105 Hoe God onze vaderen leidde PS 105:1 Looft de Heer, roept aan zijn naam, onder de volken verkondigt zijn daden; PS 105:2 zingt Hem, speelt op de snaren voor Hem, wijdt een lied aan zijn talloze wonderen. PS 105:3 Weet uw roem in zijn heilige naam, gij die de Heer zoekt, verblijdt u van harte; PS 105:4 keert u tot de Heer en zijn macht, zoekt met volharding zijn aanschijn. PS 105:5 De wonderen gedenkt die Hij deed, zijn tekenen, zijn afgekondigd bestel, PS 105:6 gij zaad van Abraham, zijn knecht, Jakobs zonen, door Hem verkoren. PS 105:7 Hij is de Heer, onze God, zijn bestel regeert heel de aarde PS 105:8 Hij die eeuwig gedenkt zijn verbond, gebodwoord voor duizend geslachten, PS 105:9 hetwelk Hij met Abraham sloot, zijn eed aan Isaak gedaan. PS 105:10 Jakob tot een inzetting stelde Hij het, Israël tot een eeuwig verbond, PS 105:11 sprekende: 'Ik geef u het land Kanaän, dat als erfland u toe wordt gemeten.' PS 105:12 Toen gering nog zij waren in aantal, onaanzienlijk, slechts vreemdelingen daar, PS 105:13 moesten trekken van volk tot volk, van het ene rijk naar het andere, PS 105:14 stond Hij mensen niet toe hen te knechten, om hen wees Hij koningen terecht: PS 105:15 'raakt nimmer aan mijn gezalfden, vergrijpt u niet aan mijn profeten!' PS 105:16 Hij riep hongersnood over het land, heeft elke broodstaf gebroken; PS 105:17 maar eerst zond Hij een man voor hen uit: Jozef, die als slaaf werd verkocht. PS 105:18 Zij klemden zijn voeten in boeien, in de ijzers werd hij gesloten, PS 105:19 tot de tijd dat afkwam zijn voorspelling, Jahwe's woord hem onfeilbaar deed blijken. PS 105:20 Farao gaf last hem te ontboeien, hem bevrijdde de heerser der volken, PS 105:21 stelde hem tot heer over zijn huis aan, tot beheerder van al zijn bezit: PS 105:22 om rijksgroten de wet voor te schrijven, om zijn raadslieden wijsheid te leren PS 105:23 Zo kwam Israël naar Egypte, was Jakob in den vreemde, in Cham. PS 105:24 Grote vruchtbaarheid gaf Hij zijn volk, dat het zijn onderdrukkers te sterk werd; PS 105:25 hun gezindheid sloeg om: zij haatten zijn volk, vol arglist tegen zijn knechten. PS 105:26 Toen dan zond Hij hun Mozes, zijn dienaar, Aäron, die Hij zich had verkozen; PS 105:27 zij zeiden zijn tekenen hun aan, wondertekenen in het land Cham. PS 105:28 Hij zond duisternis, het werd duister: zij bleven zijn woorden weerstaan. PS 105:29 Hij veranderde het water in bloed en deed hun vissenvolk sterven; PS 105:30 van kikvorsen wemelde hun land tot in de vertrekken der vorsten. PS 105:31 Hij sprak en de steekvliegen kwamen, muggen zover hun landsgrenzen reikten; PS 105:32 voor regen gaf Hij hun hagel, hemelvuur bracht Hij over hun land; PS 105:33 hun wijnstok, hun vijgeboom trof Hij, het geboomte in hun land sloeg Hij neer. PS 105:34 Hij sprak en de sprinkhanen kwamen, kaalvreters zij waren ontelbaar; PS 105:35 die vraten alle groen in hun land af, vraten weg het gewas op hun akker. PS 105:36 Sloeg toen elke eerstgeborene in Egypte, eersteling van elks manlijke kracht: PS 105:37 doch hen leidde Hij uit met zilver, met goud! niemand onder hun stammen die uitviel. PS 105:38 Met vreugd zag Egypte hen trekken: zwaar lag op hen de schrik voor dit volk. PS 105:39 Hij ontplooide een wolk ter bedekking, een vuur om te lichten in de nacht; PS 105:40 zij vroegen: kwartels deed Hij komen, heeft met hemelbrood hen verzadigd; PS 105:41 en Hij spleet de rots, water welde, langs de dorre grond liep het: een beek! PS 105:42 Zo bleef Hij zijn heilig woord trouw, de belofte aan Abraham, zijn knecht; PS 105:43 zijn volk deed in vreugde Hij uitgaan, zijn uitverkorenen in jubel. PS 105:44 En Hij schonk hun de landen der volken, wier arbeid zij mochten beerven: PS 105:45 om naar zijn verbondseisen te leven, om te onderhouden zijn wetten. Godlof! Psalm 106 Kroniek van Israëls ongehoorzaamheid PS 106:1 Godlof! Looft de Heer: goedertieren is Hij, tot in eeuwigheid duurt zijn genade. PS 106:2 Wie verwoordt de machtsdaden des Heren, wie zal voluit zijn lof doen verluiden? PS 106:3 Gelukkig wie zich aan zijn wet houdt, te allen tijde in gerechtigheid handelt. PS 106:4 Denk dan zo, Heer, aan ons, goedgunstig als Gij voor uw volk zijt; betrek Gij ons in uw heil: PS 106:5 dan zien wij uw verkorenen gezegend, vieren als uw volk onze vreugde, glorieren met wie U behoren. PS 106:6 Zondig waren wij als onze vaderen, deden het verkeerde, het kwade. PS 106:7 Onze voorvaderen in Egypte sloegen op uw wonderen geen acht, zij vergaten uw talloze gunsten, tartten bij de Schelfzee de Allerhoogste. PS 106:8 Toch heeft Hij, zijn naam trouw, hen bevrijd, dat zijn kracht zou worden geweten. PS 106:9 Hij dreigde de Schelfzee, die droog viel, heeft hen tussen de wateren doen wandelen als over een vlakte van zand; PS 106:10 hen verlost uit de greep van hun hater, hen bevrijd uit de macht van de vijand. PS 106:11 Het water bedolf hun vervolgers: niet een van hen bleef gespaard. PS 106:12 Toen geloofden zij dan zijn belofte, hebben Hem hun loflied gezongen. PS 106:13 Doch zijn daden vergaten zij spoedig: zij verlieten zich niet op zijn plan, PS 106:14 wilden in de woestijn eten hebben; in die eenzaamheid tartten zij God. PS 106:15 En waar zij om vroegen, Hij gaf het; Hij verschafte het meer dan zij lustten! PS 106:16 Toen weer, in de legerplaats, werden zij afgunstig op Mozes, op Aäron, des Heren gewijde. PS 106:17 De aarde spleet: heeft Datan verzwolgen, bedolf met zijn bende Abiram; PS 106:18 vuur schoot omhoog tussen de muiters, de gloed heeft de schuldigen verteerd. PS 106:19 En zij maakten een kalf bij de Horeb, bogen voof dat gegoten metaal, PS 106:20 gaven prijs de aanwezigheid Gods voor het beeld van een stierkalf dat gras vreet; PS 106:21 waren God, hun bevrijder, vergeten: wat Hij machtig voltrok in Egypte, PS 106:22 wondertekenen in het land Cham, vervaarlijke daden aan de Schelfzee. PS 106:23 Hij had hen, zo dreigde Hij, vernietigd, indien Mozes niet, zijn verkorene, op de bres had gestaan, Hem weerhoud end: deze wist zijn gramschap te keren, dat Hij hen niet uit heeft geroeid. PS 106:24 Zij wilden het kostelijke land niet, geloofden niet in zijn belofte, PS 106:25 maar zij mokten voort in hun tenten, hoorden niet naar de stem van de Heer. PS 106:26 Toen zwoer Hij en Hij hief zijn hand hen in de woestijn te doen vallen, PS 106:27 het geslacht dat zij hadden verwekt te doen sterven temidden der heidenen, te verstrooien over de aarde. PS 106:28 En zij gaven zich af met Baäl Peor, aten mee van de doden offers: PS 106:29 zo tergden zij Hem door hun daden, en een ziekte brak onder hen uit. PS 106:30 Pinechas verhief zich, greep in: toen kwam de ziekte tot staan; PS 106:31 en dit heeft hem gestrekt tot rechtvaardiging, met heel zijn geslacht voor altijd. PS 106:32 Zij vergramden bij Meriba's wateren Mozes: boeten moest hij door hun schuld; PS 106:33 doordat zij zijn drift hadden geprikkeld ontviel hem het ondoordacht woord. PS 106:34 Zij roeiden die volken niet uit die de Heer hun genoemd had met name, PS 106:35 lieten liever zich in met die heidenen: hun gebruiken volgden zij na. PS 106:36 Hun afgoden gingen zij dienen, werden in hun netten verstrikt: PS 106:37 zij brachten ten offer hun zonen, hun dochters aan de demonen, PS 106:38 vergoten schuldeloos bloed, het bloed van hun zonen, hun dochters die zij Kanaäns afgoden offerden! , door bloedschuld werd de aarde ontwijd. PS 106:39 Zo bevlekten zij zich door hun daden, overspelig in heel hun bedrijf PS 106:40 tot de brandende toorn van de Heer zich keerde tegen zijn volk: een afschuw kreeg Hij van de zijnen. PS 106:41 Hij gaf hen in de macht van de heidenen, dat hun haters hen overheersten, PS 106:42 dat hun vijanden hen onderdrukten! zij kromden zich onder hun macht. PS 106:43 Telkenmale heeft Hij hen gered, maar weerspannig bleef hun gezindheid; dieper zonken zij weg in hun kwaad. PS 106:44 Maar als Hij hun nood dan aanschouwde, als Hij dan hun jammeren weer hoorde, PS 106:45 dacht Hij, om hen, aan zijn verbond, werd zo groot is zijn goedheid bewogen, PS 106:46 maakte dat zij barmhartigheid vonden bij wie hen wegvoerden destijds, PS 106:47 Verlos ons, Heer onze God, breng ons uit de wereld weer samen, dat wij loven uw heilige naam, in uw lof onze roem mogen weten. PS 106:48 Gezegend zij de Heer, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. En heel het volk zegge: amen! Godlof! Psalm 107 De geredden PS 107:1 'Looft de Heer, goedertieren is Hij: tot in eeuwigheid blijft zijn genade!' PS 107:2 Spreken zo de verlosten des Heren, die Hij loste uit de macht van hun kweller, PS 107:3 die Hij saam heeft gebracht uit de landen, van de zonsopgang, van het westen, van het noorden en van de zee. PS 107:4 Moesten omdolen in de woestijn, op de trek door de eenzaamheid, vermochten geen woonplaats te vinden; PS 107:5 en zij leden honger en dorst, hun geest werd in donker gehuld PS 107:6 riepen toen tot de Heer in hun angst: uit hun noden heeft Hij hen gered, PS 107:7 heeft een effen weg hun gebaand om te gaan, om een woonplaats te vinden. PS 107:8 Laat zij loven de Heer om zijn goedheid, zijn wonderen aan het mensengeslacht: PS 107:9 dorstend leven heeft Hij gelaafd, Hij heeft hongerend leven verzadigd. PS 107:10 Moesten huizen in duister, in schaduw des doods, in pijnigend ijzer geklonken; PS 107:11 want zij hadden Gods woorden getart, de raad des Allerhoogsten versmaad, PS 107:12 die hun hart door beproeving terneer boog; zij struikelden er was geen helper: PS 107:13 riepen toen tot de Heer in hun angst, uit hun noden heeft Hij hen verlost, PS 107:14 hen geleid uit het duister, de schaduw des doods: Hij heeft hun boeien verbroken. PS 107:15 Laat zij loven de Heer om zijn goedheid, zijn wonderen aan het mensengeslacht, PS 107:16 Hem die bronzen deuren verbrak, die grendels van ijzer deed springen. PS 107:17 Dwazen aan hun afvallige wandel, aan hun eigen wandaden ziek, PS 107:18 elk voedsel werd hun tot een walg geraakten aan de poorten des doods; PS 107:19 riepen toen tot de Heer in hun angst, uit hun noden heeft Hij hen verlost, PS 107:20 heeft zijn woord gezonden, genas hen: Hij deed hen de groeve ontgaan. PS 107:21 Laat zij loven de Heer om zijn goedheid, zijn wonderen aan het mensengeslacht, PS 107:22 Hem offeren offers ten dank, met jubel zijn daden verhalen. PS 107:23 En naar zee trokken er, gingen scheep, op de wijde wateren bedrijvig: PS 107:24 wat zij zagen! de schepping des Heren, zijn wonderen daar diep in de zee. PS 107:25 Hij sprak, Hij ontbood de wind: een orkaan die de golven deed opslaan, PS 107:26 hemelhoog, tot de gronden omlaag hun ontzonk in dit noodweer de moed. PS 107:27 En zij duizelden, slingerden als dronken: al hun zeemanskunst was vergaan. PS 107:28 Tot de Heer riepen zij in hun angst, uit hun noden wees Hij hun een weg, PS 107:29 Hij bedaarde de storm dat het stil werd: de golven kwamen tot rust; PS 107:30 die met blijdschap de kalmte ervoeren bracht Hij naar de haven der wensen. PS 107:31 Laat zij loven de Heer om zijn goedheid, zijn wonderen aan het mensengeslacht, PS 107:32 Hem verheffen in de bijeenkomst des volks, in de raad der oudsten Hem prijzen. PS 107:33 Stroomgebied maakte Hij tot woestijn, het werd dor waar eens water welde: PS 107:34 vruchtbaar land tot een zoutkorst werd het, om de boosheid van wie het bewoonden. PS 107:35 Waar woestijn was schiep Hij een meer, riep uit bar zand bronnen te voorschijn, PS 107:36 wees een plaats daar wie hongerig waren: en zij stichtten ter woning een stad. PS 107:37 Akkerland hebben zij er bezaaid, wisten er te planten hun wijngaard; en die gaf hun vrucht voor de pluk. PS 107:38 Hij zegende hen: zij vermeerderden zeer, ook hun kudden liet Hij niet verminderen PS 107:39 zij, gering eertijds en verdrukt, in de greep van rampspoed en kommer. PS 107:40 Schande stortte Hij over de machtigen, deed waar weg noch steg is hen dolen; PS 107:41 doch de arme ontrukt Hij aan onheil, maakte talrijk als schapen de stammen. PS 107:42 Vol vreugde zien dit de oprechten. alle onrecht moet sluiten de mond. PS 107:43 Wie is wijs? Hij die dit wil betrachten: die beseft de weldaden des Heren. Psalm 108 Bij het morgenrood PS 108:1 Een lied. Een psalm van David. PS 108:2 Mijn hart, God, weet zich gerust. Zingen mag ik, tokkelen de snaren: ja dat is mijn glorie. PS 108:3 Ontwaak, mijn cither, mijn harp, ik zing het morgenrood wakker, PS 108:4 U ter ere, Heer, doe ik klinken mijn loflied onder de volken, alom in hun landen mijn harpzang. PS 108:5 Want hemelhoog is uw genade, tot de wolken toe reikt uw trouw. PS 108:6 Hoger, God, dan de hemelen verhef U, laat uw glorie de aarde omvatten, PS 108:7 opdat uw geliefden bevrijd zijn. Geef met sterke hand de triomf; o, verhoor mij! PS 108:8 En God in zijn heiligdom sprak het. juichend zal Ik Sichem verdelen, van Sukkot het rivierdal verkavelen; PS 108:9 van Mij Gilead, van Mij Manasse, Efraim is mijn hoofd tot een helm, Juda's heersersstaf is de mijne. PS 108:10 Moab moet mijn wasbekken wezen, op Edom werp Ik mijn sandaal, mijn triomfkreet treft Filistea. PS 108:11 Wie brengt mij in die stad zo onneembaar? Wie gaat mij voor tot in Edom? PS 108:12 Ja, Gij God, die ons hiertoe bestemd hebt: gaat Gij niet aan de spits onzer scharen? PS 108:13 Geef ons hulp tegen wie ons te na komt: uitredding door mensen een drogbeeld! PS 108:14 Met God weten wij ons te weren. Hij is het die onze belagers de voet zal zetten op de nek! Psalm 109 God is sterker dan de vloek PS 109:1 Voor de koorleider. Van David. Een psalm. Blijf, God van mijn loflied, niet zwijgen; PS 109:2 een muil van laagheid, van laster staat tegen mij opengesperd: met een leugentong spreekt men mij aan; PS 109:3 er zijn woorden van haat om mij heen, als een vijand geld ik onverdiend. PS 109:4 Als dank voor mijn vriendschap vervolging; en ik mijn gebed was voor hen. PS 109:5 Kwaad voor goed betalen zij mij, voor mijn genegenheid haat: PS 109:6 'Breng een schurk tegen hem in het veld, maak dat die zich als aanklager opstelt: PS 109:7 en zijn rechtszaak loopt uit op een vonnis. Gelde als zonde zelfs zijn gebed! PS 109:8 Dan zullen zijn dagen geteld zijn: en dan krijgt een ander zijn ambt. PS 109:9 Laat zijn kinderen vaderloos worden, tot weduwe worden zijn vrouw; PS 109:10 Laat ze zwerven, zijn kinderen, als bedelaars, moeten schooien van honger en dorst; PS 109:11 laat de woekeraar azen op zijn have: al zijn werk vreemden maken het buit. PS 109:12 En laat geen hem trouw blijven in vriendschap, geen omzien naar wie vaderloos zijn, PS 109:13 laat zijn nakroost uitgeroeid worden, gedelgd, een geslacht verder, zijn naam. PS 109:14 En laat wat zijn vaderen misdreven de Heer in herinnering zijn, wat zijn moeder misdeed onuitwisbaar. PS 109:15 Laat dit steeds voor het oog van de Heer staan; dan snijdt Hij hun voortbestaan af.' PS 109:16 'Daar hem elke barmhartigheid ver was, daar hij veeleer de weerloze arme, de wanhopige, joeg in de dood, PS 109:17 de vervloeking verkoos en die sla hem de zegen verwierp die ontga hem , PS 109:18 daar hij zich met die vloek had ommanteld dat verkwikt hem als water van binnen, dat bekomt zijn botten als olie PS 109:19 zij die vloek de dracht die hij moet dragen, de riem die voorgoed hem omsnoert.' PS 109:20 Lone zo de Heer mijn vervolgers; en alwie mijn leven verwenst! PS 109:21 Gij aldus, Jahwe, die mijn Heer zijt, sta mij bij, getrouw aan uw naam; rijk is uw ontferming behoud mij: PS 109:22 ik ben zo ellendig, zo arm, zo diep gewond in mijn hart, PS 109:23 moet vergaan als een schaduw die neigt, weggevaagd word ik als een sprinkhaan. PS 109:24 Van het vasten knikken mijn knieën, mijn lijf is verschrompeld, verdord, PS 109:25 en tot spot ben ik anderen geworden: zij zien mij en schudden het hoofd. PS 109:26 Sta mij bij, mijn Heer en mijn God, verlos mij krachtens uw goedheid, PS 109:27 dat uw hand hierin wordt herkend: Gijzelf, Heer, hebt het voltrokken. PS 109:28 Zij vervloeken zegen geeft Gij, zij verheffen zich worden vernederd. Doch vreugde is het deel van uw knecht. PS 109:29 Minachting omgeeft mijn vervolgers, in de mantel der schande gehuld. PS 109:30 Hoog wil ik loven de Heer, Hem temidden der menigte prijzen: PS 109:31 want nevens de arme staat Hij, om hem te verlossen uit de greep van wie vonnis hadden gewezen. Psalm 110 Jahwe's koning PS 110:1 Van David. Een psalm. Zo zegt het Jahwe tot mijn heer: 'wees gezeten aan mijn rechterhand: welhaast doe ik uw vijanden zijn een voetschabel voor uw voeten.' PS 110:2 Want Jahwe strekt uw heersersstaf vanuit Sion: gebieden zult gij tot diep in vijandelijk land. PS 110:3 U toegewijd is uw volk als de dag aanbreekt van uw heerban. Getooid als gold het een feest, uit de schoot van de dageraad zie! als schitterdauw uw jonge krijgers. PS 110:4 Jahwe zwoer het Hij neemt het niet terug: 'gij zult priester zijn, de eeuwen door, krachtens mijn uitspraak: Melchisedek.' PS 110:5 Mijn heer zetelt aan uw rechterhand: koningen slaat hij neer als hij toornt, PS 110:6 richt over de heidenen, velt hen ongeteld, verplettert hun sterkte zover de aarde reikt, PS 110:7 lest zijn dorst onderweg uit de beek. Hoog mag hij het hoofd heffen. Psalm 111 Gods leiding PS 111:1 Godlof! De Heer wil ik loven van harte in de kring der oprechten, zijn schare. PS 111:2 Grootmachtig de daden des Heren, voor wie dankbaar gezind zijn herkenbaar; PS 111:3 verheven en heerlijk zijn handelen, zijn gerechtigheid houdt stand voor eeuwig. PS 111:4 Zijn wonderen Hij wil ze herdacht zien. Genadig de Heer en barmhartig. PS 111:5 Hij geeft wie Hem vrezen hun nooddruft; zijn verbond is Hij eeuwig indachtig. PS 111:6 Zijn volk deed Hij zijn machtsdaden kennen; Hij schonk hun het erfland der heidenen. PS 111:7 Wat zijn hand schept, is waarheid, is orde; al wat Hij opdraagt is waarachtig, PS 111:8 onwrikbaar: voor immer en eeuwig, voltrokken in waarheid, volstrektheid. PS 111:9 Bevrijding schonk Hij zijn volk, schiep voor de eeuwigheid zijn verbond. Heilig, ontzagwekkend zijn naam! PS 111:10 Grondbeginsel der wijsheid: ontzag voor de Heer; heilzaam inzicht voor wie dit betrachten. Zijn lof zal standhouden voor eeuwig! Psalm 112 Het beste deel PS 112:1 Godlof! Gelukkig de man die de Heer vreest, diepe vreugde vindt in zijn geboden; PS 112:2 zijn stam zal sterk wezen op aarde, het geslacht der oprechten is gezegend. PS 112:3 Welvaart, voorspoed woont in zijn huis, zijn gerechtigheid trotseert de tijden. PS 112:4 Want de oprechten daagt licht uit het duister. Genadig, barmhartig, rechtvaardig. PS 112:5 Zijn loon vindt de man die gul uitleent, naar betaamt orde stelt op zijn zaken; PS 112:6 want hij staat voor immer onwrikbaar: de naam van de rechtvaardige blijft leven. PS 112:7 Opspraak heeft hij niet te duchten; vast verlaat zich zijn hart op de Heer. PS 112:8 Zijn standvastigheid is zonder vrees, aan het eind braveert hij zijn belagers! PS 112:9 Waar nood is geeft hij overvloedig: zijn gerechtigheid trotseert de tijden. En machtig verheft zich zijn hoorn. PS 112:10 Die kwaad wil ziet het met afgunst. Knarsetandend vergaat hij van woede. De toeleg der bozen moet falen. Psalm 113 Wie is als de Heer onze God? PS 113:1 Looft, knechten des Heren, looft de naam van de Heer. PS 113:2 De naam van de Heer zij gezegend van thans tot in eeuwigheid. PS 113:3 Van de opgang der zon tot haar dalen zij geprezen de naam van de Heer. PS 113:4 Hoog boven alle volken de Heer; hemelhoog is zijn glorie. PS 113:5 Wie is als de Heer onze God, die woning maakt in den hoge, PS 113:6 die neder wil zien op dit laagland? in de hemel Hij en op aarde; PS 113:7 die de arme opricht uit het stof, uit het slijk wil heffen de schamele, PS 113:8 dat hij zetelen mag met de machtigen, met de machtigen van zijn volk. PS 113:9 Die de onvruchtbare geeft haar plaats in het huis: een lachende moeder van kinderen. Godlof! Psalm 114 Een weg van wonderen PS 114:1 Toen Israël weg uit Egypte trok, Jakobs huis weg van het vreemdgetaald volk, PS 114:2 is Juda geworden zijn heiligdom, Israël zijn domein. PS 114:3 De zee zag het en week, de Jordaan boog ruggelings terug; PS 114:4 de bergen sprongen als rammen, als lammeren de heuvelenrij. PS 114:5 Wat was er, zee, dat gij week, Jordaan, dat ge ruggelings terugboog, PS 114:6 dat, bergen, ge opsprongt als rammen, als lammeren gij heuvelenrij? PS 114:7 Aarde, beef voor het aanschijn uws Heren, voor het aanschijn van Jakobs God, PS 114:8 die een watersprong schiep uit de rots, uit een steenblok fonteinen van water! Psalm 115 Wat de afgoden niet kunnen PS 115:1 Niet om ons, Heer, niet om ons: laat het wezen tot eer van uw naam, om uw goedheid en om uw trouw. PS 115:2 Waarom mogen de heidenen dat zeggen: 'waar houdt zich die God van hen op?' PS 115:3 Weet: onze God is in de hemel, Hij voltrekt al wat Hem behaagt. PS 115:4 Hun goden zijn afgoden: zilver en goud, maaksel van mensenhanden: PS 115:5 hebben een mond maar zij kunnen niet spreken, ogen hebben ze kunnen niet zien, PS 115:6 oren hebben ze kunnen niet horen, hebben een neus en toch ruiken zij niets! PS 115:7 Kunnen met hun handen niet grijpen, kunnen met hun voeten niet gaan. Verstoken van stem is hun keel. PS 115:8 En hun evenbeeld zijn hun makers, ja elk die op hen zich verlaat. PS 115:9 Israël, bouw op de Heer, hun hulp en hun schild dat is Hij! PS 115:10 Huis van Aäron, bouw op de Heer, hun hulp en hun schild dat is Hij! PS 115:11 Gij die de Heer vreest, bouwt op de Heer, hun hulp en hun schild dat is Hij! PS 115:12 Ons gedenkt de Heer, Hij wil ons zegenen, Hij wil zegenen Israëls huis, wil zegenen het huis van Aäron; PS 115:13 wil zegenen die vrezen de Heer de kleinen, de groten tesamen. PS 115:14 Hij make u talrijk, de Heer, talrijk uzelf en uw kinderen. PS 115:15 Gezegend dan gij door de Heer, die gemaakt heeft hemel en aarde: PS 115:16 de hemel behoort aan de Heer, aan het mensdom schonk Hij de aarde. PS 115:17 Niet de doden spreken Gods lof, geen van wie zijn gedaald in de stilte; PS 115:18 maar wij, wij zegenen God, van thans tot in eeuwigheid. Godlof! Psalm 116 Van de dood gered PS 116:1 Hem, de Heer, heb ik lief: Hij hoorde mijn roep om erbarmen; PS 116:2 zijn oor heeft Hij tot mij geneigd in de ure dat ik Hem riep. PS 116:3 Toen koorden des doods mij omsnoerden, naar mij grepen angsten voor de afgrond, beklemming mij aangreep en pijn, PS 116:4 toen riep ik de naam van de Heer aan: 'laat mij, Heer, toch het leven behouden!' PS 116:5 Genadig de Heer en rechtvaardig; onze God, Hij is vol ontferming: PS 116:6 de Heer hoedt wie argeloos zijn, bracht mij, de verslagene, redding. PS 116:7 Keer dan weder, mijn ziel, tot uw rust, want de Heer heeft het voor u voltrokken: PS 116:8 Gij verloste mijn leven uit de dood, hebt de tranen gewist van mijn ogen, nam de aanstoot weg voor mijn voet. PS 116:9 Thans wandel ik vrij voor Gods aanschijn in het land waar de levenden zijn. PS 116:10 Ik geloofde; ook toen ik sprak: 'al te diep word ik nedergebogen', PS 116:11 toen ik heb gezegd in mijn nood: 'heel het mensengeslacht is bedrieglijk'. PS 116:12 Kan ik ooit vergelden de Heer alwat Hij voor mij heeft volvoerd? PS 116:13 De beker des heils wil ik heffen, aanroepen de naam van de Heer, PS 116:14 de Heer mijn geloften inlossen ten overstaan van heel zijn volk. PS 116:15 De Heer ziet het niet als gering, het sterven van zijn getrouwen. PS 116:16 O, Heer, uw knecht mag ik zijn, uw knecht ben ik, zoon van uw dienstmaagd: want Gij hebt mijn boeien ontsloten. PS 116:17 Mijn dankoffer wil ik U brengen, aanroepen de naam van de Heer, PS 116:18 inlossen de Heer mijn geloften ten overstaan van heel zijn volk: PS 116:19 in zijn voorhoven, in het huis van Jahwe: waar uw hart is, Jeruzalem. Godlof! Psalm 117 Looft, wereld, uw Heer! PS 117:1 Looft de Heer, alle gij volken, roemt Hem, alom ter wereld: PS 117:2 ons omgeeft zijn genade, grootmachtig, en de trouw van de Heer staat voor eeuwig. Godlof! Psalm 118 Dankceremonie PS 118:1 Looft de Heer, goedertieren is Hij; tot in eeuwigheid is zijn genade. PS 118:2 Spreke het Israël uit: tot in eeuwigheid is zijn genade. PS 118:3 Spreke het huis van Aäron het uit: tot in eeuwigheid is zijn genade. PS 118:4 Spreke alwie de Heer vreest het uit: tot in eeuwigheid is zijn genade. PS 118:5 In benardheid riep ik tot Jahwe; mij verhoorde ruim werd het Jahwe. PS 118:6 De Heer is met mij en ik vrees niet: wat zou mij een mens kunnen doen? PS 118:7 De Heer is met mij, aan mijn zijde: zo kan ik mijn haters trotseren. PS 118:8 Beter veilig te zijn bij de Heer dan het te verwachten van mensen; PS 118:9 beter veilig te zijn bij de Heer dan van machtigen het te verwachten. PS 118:10 Mij omringden horden van heidenen: in de naam van Jahwe sloeg ik toe! PS 118:11 Zij omringden mij, sloten mij in: in de naam van Jahwe sloeg ik toe! PS 118:12 Als bijen omzwermden zij mij, maar zij doofden een doorntakkenvuur: in de naam van Jahwe sloeg ik toe! PS 118:13 Zij raakten mij, wilden mij neerslaan, maar Jahwe is mijn bijstand geweest; PS 118:14 mijn kracht en mijn lied is Jahwe: door Hem gewerd mij bevrijding. PS 118:15 Een roep van vreugd en triomf; in de tenten is het der rechtvaardigen: 'de hand van Jahwe toont zijn macht, PS 118:16 de hand van Jahwe is geheven, de hand van Jahwe toont zijn macht.' PS 118:17 Mij wacht niet de dood ik mag leven en verhalen hoe handelt Jahwe. PS 118:18 Zwaar getuchtigd heeft Hij mij, Jahwe, maar de dood heeft Hij van mij geweerd. PS 118:19 Ontsluit mij gerechtigheids poorten, laat mij ingaan en loven Jahwe. PS 118:20 'Ja, dit is de poort van Jahwe: de rechtvaardigen mogen hier ingaan.' PS 118:21 Ik loof U dat Gij mij verhoord hebt: door U gewerd mij bevrijding. PS 118:22 De steen die de bouwers verwierpen thans is hij tot hoeksteen geworden; PS 118:23 door de Heer kreeg dit zijn bestand: het deed zich ons voor als een wonder. PS 118:24 Zie, deze dag schept de Heer, laat ons hem vieren met vreugde. PS 118:25 O Heer, geef ons dan uw heil, o Heer, geef dat wij het behalen. PS 118:26 'Zij gezegend wie komt: met de naam van de Heer. Wij, uit het huis van de Heer, verwelkomen u met de zegen.' PS 118:27 God de Heer heft zijn licht over ons! Vormt met twijgen feestelijke reien tot de horens toe van het altaar. PS 118:28 Mijn God zijt Gij: ik mag U loven, mijn God, ik mag U verheffen. PS 118:29 Looft de Heer, goedertieren is Hij; tot in eeuwigheid is zijn genade. Psalm 119 Leven met Gods wet en Gods beloften PS 119:1 Rijk zijn wie onaantastbaar hun weg gaan, daar hun wandel de wet van de Heer volgt; PS 119:2 rijk wie naar zijn uitspraken leven, Hem met heel hun hart willen zoeken. PS 119:3 Zie, onrecht begaan is hun vreemd; zij bewandelen immers zijn wegen. PS 119:4 Gijzelf hebt uw opdrachten verordend opdat zij vervuld worden: feilloos. PS 119:5 O, waren mijn wegen zo zeker dat ik steeds uw verbondseisen nakwam; PS 119:6 want dan kon ik zonder beschaming zien op ieder van uw geboden. PS 119:7 Ik loof U in oprechtheid des harten nu ik uw rechtsorde verstaan ga. PS 119:8 Uw verbondseisen wil ik getrouw zijn; verlaat mij dan niet geheel. PS 119:9 Wie jong is hoe wandelt hij schuldloos? Als hij daarbij acht op uw woord slaat. PS 119:10 Met heel mijn hart blijf ik U zoeken; laat mij van uw geboden niet wijken. PS 119:11 Uw woord berg ik diep in mijn hart, opdat ik niet tegen U zondig. PS 119:12 Gezegend zijt Gij, Jahwe! Leer mij uw verbondseisen kennen. PS 119:13 Overluid zal ik het vermelden, heel het recht door uw spreken verordend. PS 119:14 Uwer uitspraken reeks zij verrukt mij of ik schatten bezat menigvoud. PS 119:15 Uw opdrachten wil ik bepeinzen, op de paden acht slaan die Gij wijst, PS 119:16 Uw verbondseisen daar ligt mijn vreugde; uw woord zal ik nimmer verzaken. PS 119:17 Herschep mij, uw knecht, tot nieuw leven; moge ik zo uw woord onderhouden. PS 119:18 Maak mijn ogen nieuw, dat ik zien mag wat uw wet aan wonderen bergt. PS 119:19 Een vreemdeling ben ik op aarde; Houd mij uw geboden niet verre. PS 119:20 Verteerd wordt mijn ziel van verlangen naar uw rechtsbestel elke dag weer. PS 119:21 Dreigend striemt uw stem de verwatenen die huns weegs gaan, ver van uw geboden. PS 119:22 Neem mijn last af van smaad en vernedering; ik hield aan uw uitspraken vast. PS 119:23 Zweren machtigen ook tegen mij samen, uw knecht blijft uw verbondseisen nagaan. PS 119:24 Uw uitspraken ja, mijn hoogste vreugde; zij zijn mijn raadslieden geworden. PS 119:25 Mijn ziel komt niet los van het stof; geef Gij, naar uw woord, mij nieuw leven. PS 119:26 Spreek ik U van mijn wegen, Gij antwoordt; leer mij wat uw verbondseisen zijn. PS 119:27 Leer mij zien hoe uw opdrachten wijzen: zo mag ik uw wonderen bepeinzen. PS 119:28 Mijn ziel blijft schreien van droefheid; richt mij op: getrouw aan uw woord. PS 119:29 Houd mij ver van de weg der onwaarheid, geef genadig mij deel aan uw wet. PS 119:30 De weg der waarheid wil ik kiezen; ik houd mij uw rechtsbestel voor. PS 119:31 In uw uitspraken vind ik mijn vastheid; maak, Heer, dat ik niet word beschaamd. PS 119:32 Mij valt licht de weg uwer geboden; Gij neemt de druk van mijn hart. PS 119:33 Leer mij, Heer, uw verbondseisen volgen, en ik houd mij daaraan tot het einde. PS 119:34 Geef mij inzicht opdat ik uw wet houd en met heel mijn hart daaraan trouw blijf. PS 119:35 Leid mij langs het pad uwer geboden, want daarheen gaat mijn verlangen. PS 119:36 Doe mijn hart naar uw uitspraken uitgaan en houd het van winstbejag ver. PS 119:37 Wend mijn oog af van al wat geen zin heeft; geef, langs uw weg, mij werkelijk leven. PS 119:38 Doe uw knecht uw belofte gestand: worde zo uw geduchtheid ervaren. PS 119:39 Houd wat schendt van mij weg, want ik schuw het; uw rechtsbestel bergt het heil. PS 119:40 Zie, uw opdrachten heb ik gekozen: Gij die recht doet geef mij nieuw leven. PS 119:41 Laat, o Heer, mij uw goedheid ervaren en, naar uw belofte, uw heil. PS 119:42 Ik dien mijn smaders van antwoord doordat ik op uw woord vertrouw. PS 119:43 Laat in mij het woord van de waarheid niet verstommen: uw rechtsorde wacht ik. PS 119:44 Uw wet wil ik bij voortduring trouw zijn; zo zij het voor immer en eeuwig. PS 119:45 Zo dan mag in een wijd land ik wandelen: uw opdrachten zoek ik te volgen. PS 119:46 Van uw uitspraken zal ik getuigen zelfs voor koningen onbeschroomd. PS 119:47 Diepe vreugd vind ik in uw geboden; al mijn liefde gaat daarnaar uit. PS 119:48 Uw geboden zoek ik te grijpen, uw verbondseisen blijf ik bepeinzen. PS 119:49 Wees het woord tot uw knecht dan indachtig: daarmee hebt Gij mij uitzicht geboden. PS 119:50 Ben ik in kommer, dit troost mij: uw belofte geeft mij nieuw leven. PS 119:51 Hoezeer mij hun hoogmoed ook sarde, ik ben van uw wet niet geweken. PS 119:52 Uw rechtsbestel staat mij voor ogen in zijn eeuwigheid, Heer als mijn troost. PS 119:53 Een brandende toorn grijpt mij aan om de zondigen die uw wet verzaken. PS 119:54 Harpmuziek blijft mij: uw verbondseisen in het huis mijner vreemdelingschap. PS 119:55 Aan uw naam, Heer, denk ik in de nacht en hoe ik uw wet moet betrachten. PS 119:56 Dit is wat ik heb mogen ontvangen omdat ik uw opdrachten nakom. PS 119:57 Heer, dit mag het mijne ik noemen: dat ik uw woorden getrouw ben. PS 119:58 Heel mijn hart vraagt dat Gij mij wilt aanzien; wees mij, naar uw belofte, genadig. PS 119:59 Altijd sla ik acht op mijn wegen; ik keer steeds tot uw uitspraken terug. PS 119:60 Ik haast mij, ik wil nimmer aarzelen om te handelen naar uw geboden. PS 119:61 Willen mij uw haters verstrikken, nochtans: uw wet laat ik niet los. PS 119:62 Middernacht tot uw lof wil ik opstaan, denkend aan uw rechtvaardig bestel. PS 119:63 In verbond sta ik met wie U vrezen, met hen die uw opdrachten trouw zijn. PS 119:64 Heer, uw goedheid doordringt heel de aarde: leer mij wat uw verbondseisen zijn. PS 119:65 Hoe hebt Gij uw knecht goedheid bewezen, getrouw, o Heer, aan uw woord! PS 119:66 Leer mij onderscheiding en inzicht, vaste grond vind ik in uw geboden. PS 119:67 Eer ik mij boog was ik een doler: thans houd ik mij strikt aan uw woord. PS 119:68 Goed zijt Gij slechts uw handelen is goedheid; leer mij wat uw verbondseisen zijn. PS 119:69 Onwaarachtigheid wijt men mij, schaamteloos: mij, vurig uw opdrachten trouw. PS 119:70 Verhard is hun hart, toegesloten; mij hoe brengt mij uw wet in vervoering! PS 119:71 Mijn verdrukking werd mij tot zegen: uw verbondseisen heb ik begrepen. PS 119:72 De wet uw woord is mij meer waard dan goud en zilver bij schepels. PS 119:73 Mij maakten, mij vormden uw handen; leer Gij mij dan onderscheiden: dat ik uw geboden verstaan mag. PS 119:74 Die U vrezen, zij zien mij met vreugde: want hoe hoopvol verbeid ik uw woord! PS 119:75 Heer uw rechtsbestel weet ik rechtvaardig: het blijft waarheid als Gij mij beproeft. PS 119:76 Laat dan uw genade mijn troost zijn, naar uw woord het belooft aan uw knecht. PS 119:77 Nadert mij uw ontferming, ik leef weer; en hoe brengt mij uw wet in vervoering! PS 119:78 Schande treffe hen die mij schaamteloos, mij verraderlijk hebben beticht: slechts aan uw opdrachten dacht ik. PS 119:79 Welkom zullen mij zijn die U vrezen, die uw uitspraken hebben verstaan. PS 119:80 Laat mijn hart uw verbondseisen trouw zijn onverdeeld dat ik nimmer beschaamd sta. PS 119:81 Smachtend ziet mijn ziel uit naar uw heil: van uw woord wacht ik de vervulling. PS 119:82 Uw woord gaaft ge hoe hunkeren mijn ogen: 'wanneer', vragen zij,' zult Gij mij troosten?' PS 119:83 Werd ik dan als een zak in de rook: ik verzaak uw verbondseisen nimmer. PS 119:84 Van uw knecht de dagen hoeveel nog? Wanneer vonnist Gij mijn vervolgers? PS 119:85 Hoe schaamteloos graaft mij een kuil wat niet naar uw wet wenst te leven! PS 119:86 Uw geboden tesamen: de waarheid. Men vervolgt mij verraderlijk: help mij! PS 119:87 Haast had men in dit land mij vernietigd: nooit heb ik uw opdrachten verzaakt. PS 119:88 Geef mij, krachtens uw goedheid, nieuw leven; laat mij wachter zijn van uw getuigenis. PS 119:89 Tot in alle eeuwigheid, Heer, staat uw woord in de hemelen gegrondvest. PS 119:90 Van geslacht tot geslacht is uw trouw; Gij grondvestte de aarde: zij stond er. PS 119:91 Naar uw bestel staat tot op heden heel de schepping: aan U onderworpen. PS 119:92 Was uw wet er niet mijn hoogste vreugde ik was aan mijn ellende bezweken. PS 119:93 Nooit verzaak ik uw opdrachten. Nimmer. Want daarin gaaft Gij mij nieuw leven. PS 119:94 U behoor ik: stel mij in uw heil; uw opdrachten vraag ik te kennen. PS 119:95 Uw weerstrevers beogen mijn ondergang; ik tracht uw uitspraken te peilen. PS 119:96 Niets voltooid, of ik zie: het is eindig. Uw woord verwijdt zich onbegrensd. PS 119:97 Uw wet hoezeer heb ik haar lief! De dag lang blijf ik haar bepeinzen. PS 119:98 Wegwijs maakt mij o meer dan de vijand! uw gebod: mijn bijstand te allen tijde. PS 119:99 In verstand beschaam ik mijn meesters: om uw uitspraken cirkelt mijn peinzen. PS 119:100 Inzicht win ik: meer dan wie vergrijsd zijn, doordat ik uw opdrachten nakom. PS 119:101 Geen voet zet ik op euvele paden, want ik wil uw woord onderhouden. PS 119:102 Van uw rechtsorde wijk ik niet af: Gij zijt het die mij in de leer naamt. PS 119:103 Hoe kostelijk uw woorden te proeven; bij het zeggen zoeter dan honing. PS 119:104 Uit uw opdrachten won ik mijn inzicht: daarom ga ik elk kronkelpad haten. PS 119:105 Een lamp voor mijn voet is uw woord, een schijnend licht op mijn pad. PS 119:106 Ik zwoer en ik zal het gestand doen mij aan uw rechtsorde te houden. PS 119:107 Ik ben wel ten diepste verslagen; geef, Heer, naar uw woord, mij nieuw leven. PS 119:108 Heer, aanvaard wat als dank ik U toezeg: leer mij dan wat uw rechtsorde is. PS 119:109 Mijn leven staat steeds op het spel; maar nooit heb ik uw wet losgelaten. PS 119:110 Willen mij uw weerstrevers verstrikken, ik zwerf niet van uw opdrachten af. PS 119:111 Uw uitspraken mijn deel onvervreemdbaar; zij blijven de vreugde mijns harten. PS 119:112 Ik heb er mijn hart op gezet volgens uw verbondseisen te leven. Dit zij voor eeuwig mijn richtsnoer. PS 119:113 Wie op twee gedachten hinkt haat ik; al mijn liefde gaat uit naar uw wet. PS 119:114 Mijn schutse zijt Gij, mijn schild; op grond van uw woord mag ik hopen. PS 119:115 Laat van mij af, gij verleiders! Wat mijn God gebiedt zal ik houden. PS 119:116 Richt mijn leven op, naar uw belofte; beschaam mij niet in mijn verwachting. PS 119:117 Geef mij kracht dat ik vrijkomen mag, zien mag op uw verbondseisen durend. PS 119:118 Die uw verbondseisen ontlopen veracht Gij: hun slimheid is ijdel. PS 119:119 Gij hebt hen verworpen als afval die U weerstreefden op aarde: temeer wil ik uw uitspraken eren. PS 119:120 Van schrik voor u siddert mijn lichaam; ik moet uw rechtsbestel duchten. PS 119:121 Gij schiep de orde des rechts: laat mij niet door hun overmacht grijpen. PS 119:122 Wees Gij borg voor uw knecht dat hij rust vindt: laat mij niet door hun hoogmoed vernederen. PS 119:123 Uw heil daarnaar hunkeren mijn ogen, naar het recht dat uw woord ons belooft. PS 119:124 Handel met uw knecht naar uw genade: leer mij wat uw verbondseisen zijn. PS 119:125 Ik ben uw knecht: geef Gij mij inzicht, dat ik uw uitspraken verstaan mag. PS 119:126 Het uur breekt aan, Heer, om te handelen: zij slaan schendig de hand aan uw wet. PS 119:127 Met recht begeer ik uw geboden boven goud, boven onvermengd goud. PS 119:128 Met recht volg ik uw opdrachten strikt; ieder kronkelpad wekt mijn afschuw. PS 119:129 Uw uitspraken wonderen alle; zo dat heel mijn hart daarbij leeft. PS 119:130 Als uw woord open gaat wordt het licht: het schenkt onwetenden inzicht. PS 119:131 Ik open gretig mijn mond; ik honger naar uw geboden. PS 119:132 Keer U tot mij, wees mij genadig: zo bejegent Gij wie uw naam eren. PS 119:133 Richt, door uw belofte, mijn voetstap: laat het kwaad geen greep op mij krijgen. PS 119:134 Maak mij vrij van het dwingen der mensen, opdat ik uw opdrachten nakom. PS 119:135 Stel uw knecht in het licht van uw aanschijn: leer mij wat uw verbondseisen zijn. PS 119:136 Als bronwellen vloeien mijn tranen: omdat men uw wet veronachtzaamt. PS 119:137 Rechtvaardig zijt Gij, o Heer; volstrekt is uw orde des rechts. PS 119:138 Uw uitspraken stelt Gij: zij gelden; men mag er zich vast op verlaten. PS 119:139 Mijn ijveren voor U brandt mij op; die mij kwellen vergeten uw woorden. PS 119:140 Uw woord van het puurste gehalte; uw knecht vereert het in liefde. PS 119:141 Ik mag nietig zijn, weinig in tel: uw opdrachten ontrouw was ik nimmer. PS 119:142 Uw gerechtigheid geldt voor de eeuwen; uw wet betekent de waarheid. PS 119:143 Hoezeer nood en verdrukking mij troffen, uw geboden zijn mijn hoogste vreugde. PS 119:144 Uw uitspraken gelden voor eeuwig; geef mij daarin inzicht: ten leven. PS 119:145 Heel mijn hart roept U. Antwoord mij, Heer: ik zal uw verbondseisen trouw zijn. PS 119:146 Ik blijf om U roepen; verlos mij: ik wil naar uw uitspraken leven. PS 119:147 Eer het schemert verheft zich mijn roepen; uw woord daarop stel ik mijn hopen. PS 119:148 Mijn oog, eer de nachtwaken ingaan, keert zich peinzend naar uw belofte. PS 119:149 Hoor, krachtens uw goedheid, mijn aanroep; geef mij, Heer, naar uw orde nieuw leven. PS 119:150 Naderbij die hun aanslag beogen, van uw wet zich hebben verwijderd. PS 119:151 Gijzelf, Heer, Gij zijt nabij: al uw geboden zijn waarheid. PS 119:152 Allereerst uit uw uitspraken weet ik: voor eeuwig maakt Gij ze tot grondslag. PS 119:153 Zie naar mijn ellende, bevrijd mij: nooit heb ik uw wet losgelaten. PS 119:154 Voer mijn rechtsgeding, doe mij vrijuit gaan; maak mijn leven nieuw naar uw belofte. PS 119:155 Het heil wijkt ver van de bozen: uw verbondseisen zoeken zij niet. PS 119:156 Uw erbarmen, Heer, is oneindig; geef mij, naar uw orde, nieuw leven. PS 119:157 Ongeteld mijn vervolgers, mijn kwellers: van uw uitspraken wil ik niet wijken. PS 119:158 De slinksen zie ik met afschuw: wie zo is licht de hand met uw woord. PS 119:159 Zie, hoezeer ik uw opdrachten aanhang; geef mij, Heer, in uw goedheid nieuw leven. PS 119:160 Hoofdsom van uw woord is de waarheid: heel uw rechtsbestel staat voor eeuwig. PS 119:161 Die macht hebben vervolgen mij blindelings. Mijn bevend ontzag geldt uw woord. PS 119:162 Zo verheugd ben ik om uw belofte als een mens die een schat heeft bemachtigd. PS 119:163 Ik haat, ik verafschuw onwaarheid; al mijn liefde gaat uit naar uw wet. PS 119:164 Dagelijks spreek ik uw lof zeven malen, om de orde gegrond in uw recht. PS 119:165 Grote vrede ervaart wie uw wet eert; voor hem ligt er geen steen des aanstoots. PS 119:166 Uw heil, Heer, blijf ik verbeiden; uw geboden leef ik trouw na. PS 119:167 Mijn hart wil naar uw uitspraken leven die het lief heeft gekregen steeds meer. PS 119:168 Uw opdrachten heb ik betracht. Zie, mijn levensgang ligt voor U open. PS 119:169 Laat mijn aanroep, Heer, tot U naderen: geef mij, uw woord getrouw, inzicht. PS 119:170 Mijn smeken bereike uw aanschijn: maak mij vrij, uw belofte getrouw. PS 119:171 Laat mijn stem een lofzang doen opgaan: Gij leert mij uw verbondseisen kennen. PS 119:172 Laat mijn lied zingen van uw belofte: elk gebod van U houdt het recht in. PS 119:173 Zo zij dan uw hand mij tot hulp; voor uw opdrachten heb ik gekozen. PS 119:174 Naar uw heil, o Heer, blijf ik verlangen; uw wet brengt mij in vervoering. PS 119:175 Dat mijn ziel waarlijk leeft en uw lof zingt: moge uw rechtsorde daartoe mijn hulp zijn. PS 119:176 Soms zwerf ik een schaap dat verdwaald is. O, breng Gij uw knecht dan terug: nimmer liet ik hen los uw geboden. Psalm 120 Ongrijpbare tegenstanders PS 120:1 Een bedevaartslied. Tot de Heer in al mijn benardheid riep ik: en Hij heeft mij geantwoord PS 120:2 'Heer, bescherm mij: tegen lippen die liegen, tegen het verraad van de tong.' PS 120:3 Waarmee zal Hij u lonen in tweevoud! verraad van de tong? PS 120:4 Met scherpschutterspijlen geweerhaakt, met felgloeiend bremhout: het schroeit! PS 120:5 Helaas, ik moet leven in Mesek, wonen tussen de tenten van Kedar; PS 120:6 te lang al moet ik wonen met heimwee midden tussen de vrede haters! PS 120:7 Ik het vredewoord wil ik spreken, zij zijn op vijandschap uit. Psalm 121 De behoeder van Israël PS 121:1 Een bedevaartslied. Ik hef op naar de bergen mijn ogen: vanwaar zal mij komen de hulp? PS 121:2 De hulp komt mij van de Heer, die gemaakt heeft hemel en aarde. PS 121:3 Hij laat niet wankelen uw voet, niet sluimeren zal uw behoeder. PS 121:4 Zie, niet sluimert, niet slaapt de behoeder van Israël. PS 121:5 De Heer, Hij is uw behoeder, de Heer is schaduw voor u aan uw rechterzijde. PS 121:6 Bij dag zal de zon u niet steken, noch de maan in de nacht. PS 121:7 De Heer zal u behoeden voor alle kwaad, behoeden wil Hij uw ziel. PS 121:8 Hij behoedt uw uitgaan en ingaan van thans tot in eeuwigheid. Psalm 122 Jeruzalem, gij stad zo hoog gebouwd PS 122:1 Een bedevaartslied. Van David. Hoe verblijd was ik toen zij mij zeiden: 'wij gaan op naar het huis van de Heer.' PS 122:2 Zo staan dan nu onze voeten in uw poorten, Jeruzalem, PS 122:3 Jeruzalem, gij, gebouwd als een stad tot hechte eenheid gevoegd. PS 122:4 Het is daarheen dat opgaan de stammen, de stammen van Hem, van Jahwe: voorschrift voor Israël dit, dat zij loven de naam van de Heer. PS 122:5 Daar zijn ook de zetels gezet ten gerichte, de zetels van Davids huis. PS 122:6 Vrede vraagt over Jeruzalem, rust voor wie u beminnen; PS 122:7 er zij vrede binnen uw muur, en in uw burchten zij rust. PS 122:8 Om mijn broeders en om wie mij na zijn laat mij spreken: 'vrede over u!' PS 122:9 Om het huis van de Heer onze God vraag ik dat gij gezegend moogt zijn. Psalm 123 Wachten op God PS 123:1 Een bedevaartslied. Tot U sla mijn ogen ik op, Gij die woont in de hemel. PS 123:2 Zie, gelijk de ogen der knechten zijn gericht op de hand van hun meester, gelijk de ogen der dienstmaagd zijn gericht op de hand der gebiedster, zo zijn onze ogen op de Heer onze God, totdat Hij zich onzer ontfermt. PS 123:3 Ontferm U, Heer, ontferm U onzer: want wel kregen wij aan verachting meer dan ons deel. PS 123:4 Onze ziel kreeg meer dan haar deel van de spot van wie zeker zich wanen, de verachting van wie zo hoog tronen. Psalm 124 Vervolging en uitredding PS 124:1 Een bedevaartslied van David. Was het niet dat Jahwe ons bij had gestaan. spreke het Israël uit PS 124:2 was het niet dat Jahwe ons bij had gestaan toen mensenmacht ons vervolgde, PS 124:3 vast hadden ze, als beesten, ons levend verscheurd: zo hoog laaide hun haat tegen ons. PS 124:4 Vast hadden de wateren ons meegevoerd, had de kolkende stroom ons bedolven, PS 124:5 vast had ons levend bedolven het water in zijn geweld. PS 124:6 Gezegend de Heer: Hij gaf ons niet prijs, niet ten prooi aan hun tanden! PS 124:7 Onze ziel, als een vogel, kwam vrij uit de vogelaarsstrik: de strik brak en wij, wij ontkwamen. PS 124:8 Onze hulp is in de naam van de Heer, die gemaakt heeft hemel en aarde. Psalm 125 Wat stand houdt PS 125:1 Een bedevaartslied. Zij die bouwen op de Heer zijn als de Sionsberg: wankelen zal hij nooit, houdt tot in eeuwigheid stand. PS 125:2 Jeruzalem heeft bergen rondom: zo is de Heer rondom zijn volk van thans tot in eeuwigheid. PS 125:3 Niet zal rusten de staf van het onrecht op het erfland van wie daar behoren: het zij verre dat anderen strekken daarnaar onrechtmatig de hand. PS 125:4 Heer, geef dan uw ware volk voorspoed: dat zijn zij die oprecht zijn van hart; PS 125:5 maar die kronkelende paden begaan spoorloos zal de Heer doen verdwijnen die bedrijvers van het bedrog. Vrede over Israël! Psalm 126 Het lied der hoop PS 126:1 Een bedevaartslied. Als de Heer doet keren de ballingen Sions zal het ons zijn of wij dromen. PS 126:2 Dan zal vol lachen zijn onze mond, jubel zal op onze tong zijn; dan verluidt bij de volken: 'groot heeft Jahwe gehandeld aan hen!' PS 126:3 Groot heeft de Heer gehandeld aan ons, blijdschap is ons geworden. PS 126:4 Doe keren onze ballingen, Heer, als de waterbeken in het zuiden. PS 126:5 Zij die zaaien met tranen, zij zullen oogsten met jubel. PS 126:6 Hij gaat en hij schreit bij het gaan die het zaaizaad draagt en het zaait; hij keert met jubelen, hij keert een die mag dragen zijn schoven. Psalm 127 Wie waarlijk het huis wil bouwen PS 127:1 Een bedevaartslied. Van Salamo. Als de Heer het huis niet wil bouwen, vergeefs zwoegen daaraan de bouwers; wil de Heer de stad niet bewaken, vergeefs staat de wachter op wacht. PS 127:2 Vergeefs is het dat gij vroeg opstaat, vergeefs dat ge laat pas u rust gunt, dat gij het brood eet der smarten: Hij toch schenkt die Hij lief heeft de slaap. PS 127:3 Zie wat Hij heeft toegedacht: zonen, zijn gave: de vrucht van de schoot. PS 127:4 Als pijlen in de hand van de strijder zo zijn de zonen der jeugd. PS 127:5 Wel is hij gelukkig, de man die met deze zijn pijlkoker vulde: zij maken hem niet beschaamd als zij te woord moeten staan vijanden in de stadspoort. Psalm 128 Gezegend leven PS 128:1 Een bedevaartslied. Gelukkig alwie de Heer vreest, wie wandelen wil in zijn wegen. PS 128:2 Leeft Gij dan van het werk uwer handen, welvaart en geluk zijn uw deel. PS 128:3 Uw vrouw als een vruchtbare wijnstok in het binnenvertrek van uw huis; als olijvenloten uw zonen rondom uw tafel geschaard. PS 128:4 Zie, zo zal worden gezegend de man die de vrees voor de Heer kent. PS 128:5 Hij zegene u uit Sion, de Heer, En zie dan Jeruzalems voorspoed en al de dagen uws levens; PS 128:6 en zie uwer kinderen kinderen. Vrede over Israël! Psalm 129 Doorstane vervolging PS 129:1 Een bedevaartslied. Hoe hebben ze mij van mijn jeugd af bekneld, spreke het Israël uit PS 129:2 hoe hebben ze mij van mijn jeugd af bekneld, maar ze hielden geen macht over mij. PS 129:3 Ploegers hebben mijn rug doorploegd, doorgetrokken hun voren. PS 129:4 Maar de Heer, de rechtvaardige, heeft gekapt de strengen der bozen. PS 129:5 Straks met schande trekken zij af, al deze haters van Sion. PS 129:6 Zij zullen zijn als het gras op het dak, dat, eer het aar maakt, verdort. PS 129:7 Niet voor de greep van de maaiershand, niet voor de arm van de binder. PS 129:8 En geen die voorbij komt zegt het tot hen: 'de zegen des Heren op u; wij zegenen u met de naam van de Heer.' Psalm 130 Uit diepten van schuld PS 130:1 Een bedevaartslied van Salamo. Uit afgronden roep ik U, Heer; PS 130:2 hoor mij, Heer, ik blijf vragen. O, mocht uw oor het verstaan hoe ik schrei om erbarmen. PS 130:3 Onthield Gij de schulden, o God, wie hield stand in uw oordeel? PS 130:4 Doch vergeving is er bij U, want zo wilt Ge gevreesd zijn. PS 130:5 Ik wacht de Heer, ik wacht Hem, ik hoop op zijn belofte: PS 130:6 stil verbeid ik de Heer, meer dan wachters de morgen, zij die wachten de morgen. PS 130:7 Dat Israël wachte de Heer; want bij de Heer is genade, kwijtschelding bij Hem menigvuldig. PS 130:8 Hij is het die Israël kwijtscheldt al wat het aan schuld heeft. Psalm 131 Tot rust gebracht PS 131:1 Een bedevaartslied. Van David. Heer, niet verheft zich mijn hart, mijn ogen vermeten zich niet. Ik begeef mij niet in wat te groot is, te wonderbaarlijk voor mij. PS 131:2 Neen, bedaren liet ik, verstillen mijn ziel als een kind bij zijn moeder geborgen; als dat kind zo voel ik mijn ziel. PS 131:3 Dat Israël wachte de Heer, van thans tot in eeuwigheid. Psalm 132 God neemt zijn belofte niet terug PS 132:1 Een bedevaartslied van David. Wees David indachtig, Heer, al wat er op hem gerust heeft, PS 132:2 hoe hij het de Heer had gezworen, een gelofte aan de Machtige Jakobs: PS 132:3 'Niet wil ik in mijn huis onder dak zijn, niet bestijg ik het bed van mijn rust, PS 132:4 mijn ogen gun ik geen slaap, geen sluimering gun ik mijn wimpers, PS 132:5 eer ik vind een plaats voor de Heer, een verblijf voor de Machtige Jakobs.' PS 132:6 Zie, te Efrata hoorden wij het, vonden de ark in de velden van Jaar: PS 132:7 'laat ons ingaan tot zijn verblijf, laat ons voor zijn voetschabel buigen!' PS 132:8 'Rijs, Jahwe, tot de plaats van uw rust, Gij en uw machtige ark!' PS 132:9 Laat gerechtigheid uw priesters bekleden, uw getrouwen U jubelend vieren; PS 132:10 om de wille van David, uw knecht, weer hem niet af, uw gezalfde. PS 132:11 Aldus was Jahwe's eed aan David en Hij neemt zijn belofte niet te rug: 'Ik plaats een uit uw zaad op uw troon; PS 132:12 zo uw zonen het verbond met Mij houden, dit getuigenis dat Ik hun leer, zullen ook hun zonen voor immer mogen innemen deze uw troon.' PS 132:13 Want de Heer heeft Sion verkoren, het zich tot een zetel verlangd: PS 132:14 'Hier laat Ik mij neder voor immer, hier woon Ik: hier heb Ik mijn wens. PS 132:15 Mild zal Ik met voedsel het zegenen, Ik verzadig zijn schamelen met brood; PS 132:16 dan bekleed Ik zijn priesters met heil, vieren jubelend hun vreugd zijn getrouwen. PS 132:17 Daar laat Davids hoorn Ik verrijzen, stel Ik voor mijn gezalfde de luchter; PS 132:18 doch zijn vijanden hul Ik in schande. Dan omstraalt hem als wijding zijn kroon.' Psalm 133 Broedelijke gemeenschap PS 133:1 Een bedevaartslied. Van David. Zie, hoe goed, hoe weldadig broeders te wezen en samen te zijn, PS 133:2 olie kostelijk op het hoofd, nedervloeiend over de baard, de baard van Aäron die nederdaalt over de rand van zijn priestergewaad, PS 133:3 dauw van de Hermon die nederdaalt over de bergen van Sion. PS 133:4 Want daar gebiedt Hij de zegen, de Heer: leven in eeuwigheid. Psalm 134 Klein wisselgezang PS 134:1 Een bedevaartslied. Thans, zegent de Heer, alle gij knechten des Heren, die staat in zijn huis als de nacht valt. PS 134:2 Heft uw handen in heiliging: zegent de Heer. PS 134:3 'En Hij zegene u uit Sion, de Heer, die gemaakt heeft hemel en aarde.' Psalm 135 Het Godsvolk looft zijn Heer PS 135:1 Godlof! Looft de naam van de Heer, looft Hem, knechten des Heren, PS 135:2 gij die staat in zijn huis, in de voorhoven van onze God. PS 135:3 Godlof, want mild is de Heer, psalmzingt zijn naam, zo weldadig. PS 135:4 Hij Jahwe, heeft zich Jakob verkoren, tot zijn eigendom Israël. PS 135:5 Ik belijd het: groot is de Heer, onze Heer alle goden te boven. PS 135:6 Wat de Heer behaagt geeft Hij aanzijn: in de hemel en op de aarde, in de zeeën, de diepte der wateren. PS 135:7 Hij die van de einden der aarde de zwevende nevels doet opgaan, die het bliksemen laat en de bui valt, die de wind komen doet uit zijn kameren; PS 135:8 die Egyptes eerstelingen sloeg, gelijkelijk de mens en het vee; PS 135:9 Hij die tekens en wonderen zond, Egypte, midden in uw land, tegen Farao en al zijn knechten; PS 135:10 Hij die volkeren talloos versloeg en machtige koningen gedood heeft PS 135:11 Sichon, de koning der Amorieten, Og, de koning van Basan ieder koninkrijk Kanaäns sloeg; PS 135:12 die hun land heeft gegeven ten erfdeel, ten erfdeel aan Israël zijn volk. PS 135:13 Heer, in eeuwigheid is uw naam, Heer, geslacht op geslacht draagt U verder. PS 135:14 Want de Heer zal recht doen zijn volk, Hij ontfermt zich over zijn knechten. PS 135:15 De afgoden der heidenen zilver en goud, maaksel van mensenhanden: PS 135:16 hebben een mond maar zij kunnen niet spreken, ogen hebben ze kunnen niet zien, PS 135:17 oren hebben ze kunnen niet horen; nog geen adem is er in hun mond! PS 135:18 En hun evenbeeld zijn hun makers, ja elk die op hen zich verlaat. PS 135:19 Huis van Israël, zegent de Heer, huis van Aäron, zegent de Heer, PS 135:20 huis van Levi, zegent de Heer, gij die de Heer vreest, zegent de Heer. PS 135:21 Gezegend uit Sion de Heer, die zijn woonstede heeft in Jeruzalem. Godlof! Psalm 136 Grote feesthymne PS 136:1 Looft de Heer, goedertieren is Hij, tot in eeuwigheid is zijn genade. PS 136:2 Looft de oppermachtige God, tot in eeuwigheid is zijn genade, PS 136:3 looft de oppermachtige Heer, tot in eeuwigheid is zijn genade. PS 136:4 Hij die wonderen doet, Hij alleen: tot in eeuwigheid is zijn genade. PS 136:5 Die de hemelen schiep in zijn wijsheid, tot in eeuwigheid is zijn genade, PS 136:6 die de aarde op de wateren neerliet, tot in eeuwigheid is zijn genade, PS 136:7 die de grote lichten formeerde: tot in eeuwigheid is zijn genade PS 136:8 de zon, heerser over de dag, tot in eeuwigheid is zijn genade PS 136:9 de maan om de nacht te beheersen, tot in eeuwigheid is zijn genade. PS 136:10 Die Egypte in zijn eerstelingen sloeg, tot in eeuwigheid is zijn genade, PS 136:11 Israël daar de uittocht gebaand heeft tot in eeuwigheid is zijn genade PS 136:12 sterk van hand, met gebiedend gebaar, tot in eeuwigheid is zijn genade. PS 136:13 Die de Schelfzee sneed in twee helften, tot in eeuwigheid is zijn genade, PS 136:14 Israël daar de doortocht gebaand heeft, tot in eeuwigheid is zijn genade, PS 136:15 die bedolf Farao met zijn leger, tot in eeuwigheid is zijn genade. PS 136:16 Die zijn volk voorging door de woestijn, tot in eeuwigheid is zijn genade, PS 136:17 Hij die machtige koningen versloeg tot in eeuwigheid is zijn genade PS 136:18 en vervaarlijke vorsten gedood heeft: tot in eeuwigheid is zijn genade PS 136:19 Sichon, koning der Amorieten, tot in eeuwigheid is zijn genade PS 136:20 Og, de koning van Basan tot in eeuwigheid is zijn genade PS 136:21 en hun land heeft gegeven ten erfdeel, tot in eeuwigheid is zijn genade PS 136:22 ten erfdeel aan Israël zijn knecht: tot in eeuwigheid is zijn genade. PS 136:23 Die in onze vernedering ons aanzag, tot in eeuwigheid is zijn genade, PS 136:24 ons ontrukte aan onze belagers, tot in eeuwigheid is zijn genade, PS 136:25 Hij die voedsel geeft aan al wat leeft, tot in eeuwigheid is zijn genade. PS 136:26 Looft Hem, de God van de hemelen: tot in eeuwigheid is zijn genade. Psalm 137 Het lied van de ballingen PS 137:1 Aan de stromen van Babylon daar zaten wij neer, en wij schreiden wanneer wij dachten aan Sion. PS 137:2 Aan de populieren rondom hadden wij onze harpen gehangen. PS 137:3 Want daar vroegen onze ontvoerders van ons dat wij zouden zingen, vroegen zij die ons kwelden muziek: 'zingt ons een van die liederen van Sion!' PS 137:4 Hoe kunnen wij zingen het lied van Jahwe op vreemde grond? PS 137:5 Als ik u, Jeruzalem, vergeet, dat begeve mij mijn rechterhand, PS 137:6 dan verstomme mijn tong in mijn mond, als ik uwer niet blijf gedenken, als Jeruzalem ik niet uithef hoog boven de kroon mijner vreugde. PS 137:7 Reken toe, Heer, de zonen van Edom de dag van Jeruzalem, hoe zij riepen: 'Haal neer, haal neer, tegen de grond ermee!' PS 137:8 Dochter Babels, gij, straks verwoest, geprezen die u vergeldt wat gij bij ons aan hebt gericht. PS 137:9 Geprezen die grijpt en verplettert uw kinderen tegen de rots! Psalm 138 Gods trouw PS 138:1 Van David. Loven wil ik U met heel mijn hart, de afgoden tartend mijn psalmen U zingen, PS 138:2 buigen wil ik voor uw heiligdom, prijzen uw naam om uw goedheid en om uw trouw: hoger nog dan uw roep van voorheen hief Gij hoog uw belofte. PS 138:3 Gij die mij verhoorde het uur dat ik riep, mij bezielde, mij kracht hebt gegeven: PS 138:4 gij dien loven de vorsten der aarde, als zij, eenmaal, verstaan wat gij aanzegt; PS 138:5 en hun lied prijst de leiding des Heren: 'groot de majesteit van Jahwe!' PS 138:6 Ja, verheven de Heer, die de nederige ziet en doorgrondt de trotse van verre; PS 138:7 moest ik gaan door het hart der ellende, nog hield Gij mijn leven bewaard, heft de hand waar mijn vijanden dreigen: uw rechterhand brengt mij heil. PS 138:8 De Heer voltrekt het voor mij: tot in eeuwigheid, Heer, uw genade. Laat niet varen het werk uwer handen. Psalm 139a God die mij kent PS 139a:1 Voor de koorleider. Van David. Een psalm. Heer, Gij doorgrondt en Gij kent mij, PS 139a:2 Gij weet van mijn zitten, mijn opstaan, Gij verstaat mijn gedachten van verre; PS 139a:3 mijn op weg zijn keurt Ge, mijn rusten, al mijn wegen zijn U vertrouwd. PS 139a:4 Want er komt geen woord op mijn tong, of zie, Heer, Gij kent het volkomen. PS 139a:5 Achter mij zijt Gij, voor mij, rondom mij: Gij hebt uw hand op mij gelegd. PS 139a:6 Dit te vatten het is mij te wonderbaar, te verheven ik reik er niet toe. PS 139a:7 Waar zou uw geest ik ontkomen? waar zou ik uw aanschijn ontgaan? PS 139a:8 Klom ik op tot de hemel Gij waart er, lag ik neer bij de doden daar staat Gij, PS 139a:9 sloeg ik dageraadsvleugelen uit, streek ik neer aan de uiterste zeekust, PS 139a:10 ook daar zou uw hand mij geleiden, hield mij uw rechterhand vast. PS 139a:11 Sprak ik: 'mij mag het duister omsluiten, het licht worde nacht om mij heen' PS 139a:12 voor u heerst in het duister geen duister: lichtend is de nacht als de dag, de duisternis is gelijk licht. PS 139a:13 Gij zijt die mijn kern hebt gevormd, die mij weefde in de schoot mijner moeder, PS 139a:14 en ik loof U in het besef dat ik ben eerbiedwekkend van maaksel, een wonder is wat Gij schiep. Mijn wezen kent Gij volkomen. PS 139a:15 Mijn oorsprong was U niet verholen toen ik in het verborgene gevormd werd, als in diepten der aarde ontworpen. PS 139a:16 Uw oog zag mij, vormeloos nog: in uw boek waren alle geschreven de dagen dezer formering, toen er nog niet een daarvan was. PS 139a:17 Te groots voor mij, God, uw gedachten, te machtig daarvan de som, PS 139a:18 zomin als woestijnzand te tellen. Was ik radeloos nog was ik bij U. PS 139a:19 Sla dan, God, de afvalligen neer: o had van hun moordzucht ik vrede! PS 139a:20 zij blijven u tarten, arglistig, noemen zich in hun waan uw bestrijders. PS 139a:21 Zou ik, Heer, uw haters niet haten, niet met afschuw zien die U trotseren? PS 139a:22 ik haat hen, mijn haat is volstrekt: tussen ons moet het vijandschap zijn. PS 139a:23 Doorgrond mij, God, ken mijn hart, toets mij, weet mijn verborgen gedachten, PS 139a:24 zie of niet mijn weg mij verkeerd leidt: wijs de weg van de eeuwigheid mij. Psalm 139b Gij kent mij Heer PS 139b:1 Gij kent mij Heer, en Gij doorschouwt mij, PS 139b:2 Gij ziet mij waar ik ga of sta.Van verre kent Gij mijn gedachten, PS 139b:3 Gij weet waarom ik bezig ben of rust, Gij let op al mijn wegen. PS 139b:4 Heer, voor het woord nog op mijn tong is weet Gij reeds wat ik zeggen ga. PS 139b:5 Waar ik mij wend, Gij staat op wacht, uw hand rust altijd op mijn schouder. PS 139b:6 Uw kennis is voor mij te wonderbaar, zo hemelhoog, dat ik ze niet kan vatten. PS 139b:7 Waar zou ik ooit ontkomen aan uw Geest, waar zou ik mij voor uw Gelaat verbergen? PS 139b:8 Al stijg ik naar de hemel op: daar zijt Gij reeds, al daal ik in het dodenrijk: Gij zijt aanwezig; PS 139b:9 Al leen ik ook de vleugels van de dageraad en strijk ik neer aan gene zijde van de zee: PS 139b:10 Ook daar is het uw hand die mij blijft leiden, ook daar houdt Gij mij stevig vast. PS 139b:11 En zeg ik: laat het duister mij dan dekken, laat alle licht verzwolgen worden door de nacht: PS 139b:12 dan zal de duisternis voor U niet donker zijn, de nachten even helder als de dagen; voor U zijn licht en duisternis gelijk. PS 139b:13 Want wat er in mij is hebt Gij geschapen, Gij hebt mij als een weefsel in de moederschoot gevormd. PS 139b:14 Ik dank U voor het wonder van mijn leven, voor alle wonderwerken die Gij hebt gemaakt. Gij weet ook wat er omgaat in mijn geest, mijn diepste wezen is U niet verborgen. PS 139b:15 Toen ik geheimnisvol werd voortgebracht mijn levensdraden in de schoot gevlochten werden; PS 139b:16 Toen zagen reeds uw ogen al mijn daden, zij waren reeds beschreven in uw boek. PS 139b:17 Mijn dagen waren al door U geteld voordat de eerste nog was aangebroken. PS 139b:18 Maar hoe onpeilbaar zijn voor mij uw plannen, God, hoe onafzienbaar in hun menigvuldigheid. PS 139b:20 Ga ik ze na, het zijn er meer dan korrels zand en aan het eind heb ik van U nog niets begrepen. PS 139b:23 Doorzoek mij, God, en peil mijn hart, beproef mij en beoordeel mijn gezindheid. PS 139b:24 Zie of ik soms verkeerde wegen ga en leid mij langs beproefde paden. Psalm 140 Het kwaad loont zijn meester PS 140:1 Voor de koorleider. Een psalm van David. PS 140:2 Red mij, God van wie duister gezind zijn, voor wie leven van onrecht behoed mij: PS 140:3 zij zijn het die broeden op kwaad, de dag lang zinnen op twist. PS 140:4 Hun tong is als een slangetong spits, addergif schuilt achter hun lippen. PS 140:5 Houd mij, Heer, uit de greep van hun boosheid, voor wie leven van onrecht bewaar mij. Zij bedoelen mijn voet te doen struikelen. PS 140:6 Zonder schaamte strikten zij mij de verborgen lus van hun koorden. zetten uit hun net langs het pad, een slagnet om mij te vangen. PS 140:7 Tot de Heer bid ik: 'Gij zijt mijn God, hoor, Heer, hoe ik smeek om uw bijstand; PS 140:8 Heer mijn God, Gij wiens kracht mijn behoud is, komt de strijd, uw bescherming is om mij. PS 140:9 Verhoed, Heer, wat uw haters begeren, laat niet voortgaan wat zij beramen: dat waarop zij zich voor laten staan!' PS 140:10 Dit venijn van wie mij omsluiten, die laster keert terug tot de lasteraars, PS 140:11 overstort hen: schroeiend en brandend; zij komen terecht in de maalstroom, zij vinden geen grond om te staan! PS 140:12 Geen lasteraar houdt stand hier op aarde; die van onrecht leeft eigen kwaad haalt hem in: het valt over hem heen. PS 140:13 Ik weet: de Heer voert het geding van de arme, het pleit van de schamele. PS 140:14 Zo looft de rechtvaardige uw naam, in uw glans verwijlt wie oprecht is. Psalm 141 De moeilijke weg PS 141:1 Een psalm van David. Heer, u roep ik kom ijlings tot mij, hoor mijn stem waar ik smeek om uw hulp: PS 141:2 laat mijn gebed mogen stijgen als wierook omhoog tot uw aanschijn; moge het, als mijn handen ik ophef, tot een avondoffer U zijn. PS 141:3 Stel, Heer, een wacht voor mijn mond, bewaak de deur mijner lippen, PS 141:4 en hoed mijn hart voor de verleiding het kwade spel mee te spelen, bij bedrijvers van onrecht te horen: ik wil mij niet scharen aan hun dis! PS 141:5 Als mij dan een rechtvaardige afstraft, wijst mij een uwer vromen terecht, ik stoot die weldaad niet terug. En waar kwaad heerst gaat mijn gebed voort; PS 141:6 deze golven slaan tegen een rots: mijn wederwoord blijft ingetogen. PS 141:7 Als in aarde doorploegd en doorscheurd zo is straks ons gebeente verstrooid: voor ons strekt zich de doodskrocht. PS 141:8 Maar mijn ogen, Heer, zijn op U; bij u schuil ik laat mij niet teloor gaan. PS 141:9 Hoed mij voor de strik die zij spannen, voor het slagnet van de belagers. PS 141:10 Zij raken in het net, die U haten: met elkaar. Doch ik zet mijn weg voort. Psalm 142 Als niemand helpt PS 142:1 Een compositie van David. Toen hij in de grot was. Een gebed. PS 142:2 Ik verhef mijn stem tot de Heer, mijn stem tot de Heer om erbarmen, PS 142:3 stort mijn kommer uit voor zijn aanschijn; mijn nood leg ik open voor Hem. PS 142:4 Want bijna ontzinkt mij de moed: en Gij, Gij kent toch mijn pad op de weg die ik moet begaan hebben zij mij de strik al gezet. PS 142:5 Zie, ik zoek uw hulp, sla mij gade: niemand trekt zich iets van mij aan, er is nergens toevlucht voor mij, geen mens vraagt hoe ik nog leef. PS 142:6 Tot u blijf ik roepen, o Heer, U die ik mocht noemen' mijn schuilplaats, mijn plek gronds in dit aardse leven.' PS 142:7 Sla dan op mijn jammeren acht, zelf ben ik te weerloos geworden: red Gij mij van mijn vervolgers, want zij worden te machtig voor mij. PS 142:8 O, bevrijd uit de engte mijn leven, dat ik weer moge loven uw naam, dat rechtvaardigen mij omringen. Want Gij voltrekt het voor mij. Psalm 143 Hoofdstuk 143 Hoop voor de wanhopige PS 143:1 Een psalm van David. Heer, hoor mijn gebed, luister naar mijn smeken om ontferming en antwoord mij in uw trouw: om uwer gerechtigheid wille. PS 143:2 Treed niet in het gericht met uw knecht: in uw licht is geen schepsel rechtvaardig. PS 143:3 Zie, de vijand staat mij naar het leven, hij zet mij de voet op de nek, doet mij huizen in duisternissen, gelijk de doden voorlang: PS 143:4 in donkerte hult zich mijn geest, mijn hart in de diepte vertwijfelt. PS 143:5 En de dagen van vroeger gedenk ik, noem prevelend al uw daden, overpeins de werken uwer handen; PS 143:6 tot u strek ik mijn handen uit, mijn ziel dorre grond smacht naar U. PS 143:7 Antwoord mij ijlings, o Heer, ik ben aan het eind van mijn kracht. Wend uw aanschijn niet van mij af, dan werd ik als wie daalden in de groeve; PS 143:8 laat mij morgenlijk weten uw goedheid: Gij zijt het op wie ik vertrouw wijs Gij mij de weg die ik gaan moet. Mijn leven geef ik in uw hand. PS 143:9 Doe mij, Heer, mijn vijanden ontkomen, een wijkplaats zoek ik bij U; PS 143:10 richt mijn handelen naar uw behagen, Gij die ik ken als mijn God; laat uw geest mij goedgunstig geleiden daar waar het land ligt gebaand. PS 143:11 Hoed mijn leven, getrouw aan uw naam; doe recht: dat het de druk mag ontkomen. PS 143:12 Sla mijn vijand, behaagt het U, neer; Ik weet mij in uw dienst. Psalm 144 Jahwe, de machtige medestander PS 144:1 Van David. Gezegend de Heer die mijn rots is: die mijn handen geleerd heeft te strijden. mijn vingers te voeren het zwaard. PS 144:2 Goedgunstig is Hij mij: een vesting, de burcht waar ik veiligheid vind; mijn schild: bij Hem mag ik schuilen die volken aan mij onderwerpt. PS 144:3 Heer, wat is de mens dat Gij hem aanziet, het mensenkind dat Gij hem telt? PS 144:4 de mens die een adem gelijk is, wiens dagen als schaduw vergaan. PS 144:5 Heer, verdonker het zwerk, daal Gij neder, tref de bergen dat zij in rook staan; PS 144:6 breek met flitsende bliksem hun aanval, schiet uw schichten, sla hen met paniek! PS 144:7 En strek van omhoog uw hand: ontruk mij, laat mij ontkomen deze stroom in zijn wassend geweld, de greep van de zonen dier vreemden; PS 144:8 want hun mond is een leugenmond, hun hand is een hand van bedrog. PS 144:9 Een nieuw lied, God, wil ik U zingen, een psalm bij de tiensnarige harp. PS 144:10 Gij kunt koningen de zege verlenen; gekeerd van David, uw knecht, hebt Gij het verraderlijk zwaard. PS 144:11 Ontruk mij, laat mij ontkomen aan de greep van de zonen dier vreemden: want hun mond is een leugenmond, hun hand is een hand van bedrog. PS 144:12 Onze zonen maak Gij hen als loten hoog opgegroeid in hun jeugd; hoekzuilen gelijk onze dochters, als beeldhouwwerk in een paleis. PS 144:13 Mogen onze schuren gevuld zijn met voorraden: veldvrucht na veldvrucht; onze schapen bij duizendtallen zich vermeerderen op onze velden, PS 144:14 onze runderen zwaar zijn van dracht. En geen bres zij er en geen scheur, geen noodgeschrei in onze straten. PS 144:15 Gelukkig het volk dat zo leeft, gelukkig het volk dat Jahwe als zijn God kent. Psalm 145 Als men gaat verstaan wie God is PS 145:1 Een loflied. Van David. U mijn God koning! wil ik verheffen, uw naam zegenen: immer, voor eeuwig; PS 145:2 zegenen die Gij zijt, dag aan dag, uw naam loven: immer, voor eeuwig. PS 145:3 Groot is de Heer, hoog te loven, nooit is te doorgronden zijn grootheid. PS 145:4 Geslacht na geslacht roemt uw werken, maakt gewag van uw daden van macht: PS 145:5 van uw majesteit, stralend in luister, van uw wonderen zij ook mijn woord; PS 145:6 bij de mare hoe duchtig Gij ingrijpt zij uw grootheid ook mij op de lippen. PS 145:7 Al uw goedheid: steeds weer geroemd, uw gerechtigheid: jubelend bezongen. PS 145:8 Genadig de Heer en barmhartig, lankmoedig, rijk aan ontferming; PS 145:9 de Heer geeft wat ieder behoeft: alle schepselen omvat zijn erbarmen. PS 145:10 Al uw werken, Heer, spreken uw lof, dankbaar zegenen U uw getrouwen; PS 145:11 sprake gaat van uw goddelijk rijk en getuigenis van uw vermogen: PS 145:12 opdat de mens weet van uw macht, van uw koningschap, stralend in luister. PS 145:13 Uw heerschappij blijft: de eeuwen door, uw rijk duurt: geslacht na geslacht. PS 145:14 De Heer schraagt wie dreigen te vallen, Hij richt de gebogenen op. PS 145:15 Aller ogen wachten: op U die het voedsel geeft, altijd weder PS 145:16 Gij opent uw hand en verzadigt uit uw overvloed alles wat leeft. PS 145:17 Gerecht is de Heer in zijn wegen, genadig in al wat Hij doet; PS 145:18 de Heer is wie Hem aanroept nabij, elk die Hem aanroept in vertrouwen. PS 145:19 Hij geeft die Hem vrezen hun nooddruft, hoort hun bange klacht en verlost hen. PS 145:20 De Heer behoedt wie Hem lief heeft, doch wie zich van Hem afkeert verdelgt Hij. PS 145:21 De lof Gods is mij op de lippen: moge alles wat leeft zegenen zijn heilige naam. Immer, voor eeuwig. Psalm 146 Leven vanuit de hoop op Gods trouw PS 146:1 Godlof! Loof, mijn ziel, de Heer! PS 146:2 Een loflied voor de Heer, heel mijn leven, een psalm, tot het laatst voor mijn God. PS 146:3 Zoekt het niet bij de groten der aarde, bij een mensenkind dat u niet uitredt; PS 146:4 wijkt zijn adem, hij wordt weer tot aarde: op die dag zijn zijn plannen voorbij. PS 146:5 Gelukkig wien Jakobs God bijstaat, wiens hoop op de Heer is, zijn God; PS 146:6 die geschapen heeft hemel en aarde, de zee en al wat daarin is, die tot in eeuwigheid trouw houdt. PS 146:7 Hij die recht doet aan de verdrukten, brood geeft aan wie hongerig zijn. De Heer, die de geboeiden bevrijdt, PS 146:8 de Heer, die de blinden weer zien doet, de Heer die opricht de gekromden, de Heer heeft de rechtvaardigen lief; PS 146:9 de Heer waakt over de vreemdeling en houdt staande weduwe en wees. Maar de wandel der bozen verstoort Hij. PS 146:10 De Heer heerst tot in eeuwigheid, uw God, Sion, geslacht op geslacht. Godlof! Psalm 147 Dankt, dankt nu allen God PS 147:1 Godlof! Een psalm voor onze God: dat is vreugde, dat is feest: wel voegt ons een loflied PS 147:2 voor de Heer, die Jeruzalem herbouwt, de verdrevenen Israëls bijeenbrengt; PS 147:3 die geneest de gebrokenen van hart, die wil verbinden hun wonden. PS 147:4 Hij bepaalt het getal van de sterren; Hij roept ze op: alle met name. PS 147:5 Groot is Hij, onze Heer, oppermachtig; zijn inzicht is ongemeten. PS 147:6 De ootmoedigen schraagt Hij, de Heer, doet de bozen bukken ter aarde. PS 147:7 Zet het danklied dan in voor de Heer, psalmzingt onze God bij de cither: PS 147:8 Hem die hult de hemel in wolken, die maakt dat het regent op aarde, die het gras op de bergen doet kiemen; PS 147:9 die de honger stilt van de dieren, van het ravenjong dat om voer schreeuwt. PS 147:10 Hem bekoort niet de kracht van het strijdros, niet behaagt Hem de gang van de voetknecht: PS 147:11 die Hem vrezen behagen de Heer, die op zijn goedgunstigheid hopen. PS 147:12 Roem, Jeruzalem, de Heer, prijs, o Sion, uw God: PS 147:13 Hij versterkt de sluitbalk uwer poorten, zegent in uw midden uw zonen. PS 147:14 Hij die vrede schept in uw gebied, u verzadigt met kostelijke tarwe; PS 147:15 die zijn aanzegging zendt naar de aarde, hoe haastig rept zich zijn woord PS 147:16 de sneeuwvlokken laat dalen als wol, de rijp strooit als dwarrelende as; PS 147:17 die als scherven zijn ijzel doet vallen. Wie kan voor zijn koude bestaan? PS 147:18 Zijn bevel zendt Hij en de dooi komt, zendt de wind uit de wateren vloeien. PS 147:19 Jakob heeft Hij zijn woorden onthuld, Israël het bestel van zijn wetten. PS 147:20 Nooit deed Hij aldus aan een volk. Zijn bestel is anderen verborgen. Godlof! Psalm 148 Hem moet al het geschapene loven PS 148:1 Godlof! Looft de Heer vanuit het hemelgewelf, looft Hem, gij in den hoge; PS 148:2 looft Hem, koor van zijn engelen, looft Hem, koor zijner hemelse scharen. PS 148:3 Looft Hem, zon en maan, looft Hem, heir van lichtende sterren; PS 148:4 looft Hem, hemel der hemelen, en gij water omwelvend de hemelen. PS 148:5 Alles love de naam van de Heer: Hij gebood en het al was geschapen, PS 148:6 dat Hij grondde voor altijd en eeuwig, met een maatgang, niet te verbreken. PS 148:7 Looft de Heer, gij hier op de aarde: zeegedrochten in uw baaierd van water, PS 148:8 vuur en hagel, wolken en sneeuw, stormwind die volbrengt zijn bevelen; PS 148:9 gij bergen en heuvelen tesamen, vruchtbomen en cederenwoud; PS 148:10 gij dieren in het wild, in het veld, kruipgedierte en vogels bevederd. PS 148:11 Gij aardse koningen, gij volken, vorsten, machthebbers der wereld; PS 148:12 jonge mannen en gij, jonge meisjes: ja, oud en jong met elkander PS 148:13 laat hen loven de naam van de Heer. Want zijn naam alleen is hoogverheven, zijn luister tooit aarde en hemel. PS 148:14 Hij doet rijzen de hoorn van zijn volk, tot een lofzang voor al zijn getrouwen: de kinderen Israëls, het volk van zijn nabijheid. Godlof! Psalm 149 Israëls God PS 149:1 Godlof! Zingt voor de Heer een nieuw lied, zingt zijn lof in de drom der getrouwen! PS 149:2 Viere Israël met vreugde zijn schepper, Sions zonen met jubel hun koning; PS 149:3 love alles zijn naam: door een reidans, door bij cither en bij tamboerijn de psalm te doen horen voor Hem. PS 149:4 Want de Heer schept behagen in zijn volk en de nederigen kroont Hij met zege. PS 149:5 Zijn getrouwen jubelen hun glorie, roemen Hem waar zij zijn gelegerd, PS 149:6 met de lofprijzing Gods op de lippen. In hun hand is het tweesnijdend zwaard: PS 149:7 tot voltrekking van wraak aan de heidenen, tot een strafgericht over de volken: PS 149:8 om hun koningen in ketenen te slaan, Hun groten in boeien van ijzer; PS 149:9 te voltrekken aan hen, naar de letter, het recht: Glorie is dit voor al zijn getrouwen. Godlof! Psalm 150 'Looft God de Heer met zingen en met spelen.' PS 150:1 Godlof! Looft God in zijn heilig domein, looft Hem in zijn groots firmament, PS 150:2 looft Hem om zijn daden van macht, looft Hem krachtens zijn mateloze grootheid. PS 150:3 Looft Hem met de stoot op de ramshoorn, looft Hem met harp en met cither, PS 150:4 looft Hem met handtrom en reidans, looft Hem met snaren en fluit. PS 150:5 Looft Hem met slaande cymbalen, looft Hem met klinkende cimbels. PS 150:6 Alles wat adem heeft love de Heer! Godlof! SPREUKEN SPR 1:1 Dit zijn de Spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning in Israël: SPR 1:2 daardoor kan men wijsheid leren en tucht, kan men van zinrijke woorden de zin doorgronden, SPR 1:3 kan men zich ontvankelijk maken voor een vruchtbaar onderricht, voor rechtvaardigheid, plichtsbesef en rechtschapenheid. SPR 1:4 Zij kunnen de onervarenen vaardigheid geven, de jongeling kennis en voorzichtigheid. SPR 1:5 Luistert een wijze ernaar, dan vermeerdert hij het verworven weten en de schrandere zal er beleid door leren. SPR 1:6 Zij kunnen spreuk en duistere taal doen doorgronden, de woorden der wijzen en hun raadsels. SPR 1:7 De vrees voor Jahwe is het begin van de kennis; wijsheid en tucht worden door de dwazen versmaad. SPR 1:8 Luister, mijn zoon, naar de onderrichting van uw vader en verwerp de lering van uw moeder niet, SPR 1:9 want een lieflijke krans zijn zij om uw hoofd en een schone keten om uw hals. SPR 1:10 Mijn zoon, als de zondaars u willen verleiden, stem dan niet toe. SPR 1:11 Als zij zeggen: `Ga met ons mee! Wij gaan loeren op bloed; wij gaan, zonder reden, de onschuldigen belagen, SPR 1:12 Wij gaan hen, als waren wij de onderwereld, in de kracht van hun leven verslinden, geheel en al, zoals diegenen verslonden worden die dalen in de groeve. SPR 1:13 Dan vinden wij allerlei kostbare dingen en vullen onze huizen met buit. SPR 1:14 Loop maar met ons mee: wij hebben een beurs met ons allen!' SPR 1:15 Mijn zoon, ga niet met hen op weg, zet uw voet niet op hun pad, SPR 1:16 want hun voeten snellen naar het kwade en zij haastten zich om bloed te vergieten. SPR 1:17 Vergeefs immers wordt het net gespannen, terwijl alle vogels het zien. SPR 1:18 Ja, zij loeren op hun eigen bloed en belagen hun eigen leven. SPR 1:19 Zo gaan de paden van allen die uit zijn op onrechtmatig gewin: het kost zijn bezitters het leven. SPR 1:20 De Wijsheid roept luidkeels, buiten op straat, en zij verheft haar stem op de pleinen. SPR 1:21 Op de hoeken der woelige straten staat zij te roepen; bij de ingangen der poorten, in de stad verkondigt zij haar boodschap: SPR 1:22 Hoe lang nog, onverstandigen, bemint gij het onverstand en vinden de spotters plezier in hun spot en zijn de dwazen afkerig van kennis? SPR 1:23 Als gij aan mijn vermaning weer aandacht schenkt, dan zal ik mijn geest aan u openbaren en u mijn woorden mededelen. SPR 1:24 Omdat, toen ik riep, gij hebt geweigerd, omdat, toen ik mijn hand uitstak, geen mens er acht op sloeg, SPR 1:25 omdat gij al mijn raadgevingen hebt afgewezen en niet hebt willen weten van mijn vermaningen, SPR 1:26 daarom zal ik bij uw rampspoed lachen, zal ik spotten, wanneer de schrik u overvalt, SPR 1:27 wanneer de schrik u overvalt als een onweer, uw rampspoed als een stormwind aankomt, nood en benauwenis u overvallen. SPR 1:28 Dan zullen zij mij roepen, maar ik geef geen antwoord; dan zullen zij mij zoeken, maar zij vinden mij niet. SPR 1:29 Omdat zij de kennis hebben verworpen en de vrees voor Jahwe niet hebben verkozen, SPR 1:30 omdat zij niet wilden weten van mijn raadgevingen en al mijn vermaningen hebben versmaad, SPR 1:31 daarom zullen ze de vruchten eten van hun gedrag en hun bekomst krijgen van hun plannen. SPR 1:32 Want de onverstandigen vinden de dood door hun eigen onverschilligheid en de dwazen gaan te gronde door hun eigen lichtzinnigheid. SPR 1:33 Wie echter naar mij luistert, voelt zich veilig; hij is gerust en vreest geen onheil. SPR 2:1 Mijn zoon, als gij mijn woorden aanneemt en mijn geboden zorgvuldig bewaart SPR 2:2 en uw oor dan spitst op de wijsheid en uw hart naar het inzicht keert, SPR 2:3 ja, als gij de schranderheid tot u roept en tot het inzicht uw stem verheft, SPR 2:4 als gij ernaar zoekt als naar zilver en speurt als naar verborgen schatten, SPR 2:5 dan zult gij de vrees voor Jahwe verstaan en vindt gij de kennis van God. SPR 2:6 Jahwe immers geeft de wijsheid; uit zijn mond komen kennis en inzicht. SPR 2:7 Hij verzekert de voorspoed van de rechtvaardigen en de bescherming van wie onberispelijk leven. SPR 2:8 Hij behoedt de paden van het recht en beschermt de weg van zijn getrouwen. SPR 2:9 Dan zult gij gerechtigheid verstaan en recht, rechtschapenheid en alle goede wegen. SPR 2:10 Wanneer de wijsheid binnentreedt in uw hart en de kennis lieflijk is voor uw ziel, SPR 2:11 dan zal de bedachtzaamheid u bewaken, het inzicht u behoeden, SPR 2:12 om u te redden van de slechte weg, van de man die slinkse taal spreekt, SPR 2:13 van hen die de rechte paden verlaten om duistere wegen te gaan, SPR 2:14 van hen die hun vreugde vinden in kwaaddoen en juichen over slinkse streken tegen hun naaste, SPR 2:15 van hen wier paden krom zijn en die verkeerde wegen begaan; SPR 2:16 om u te redden van de vreemde vrouw, de onbekende, die gladde woorden spreekt, SPR 2:17 die de vriend van haar jonge jaren heeft verlaten en haar heilig verbond heeft vergeten. SPR 2:18 Want haar huis zinkt weg in de dood, haar paden leiden naar de schimmen. SPR 2:19 van allen die bij haar binnengaan komt niemand terug: zij bereiken de paden van het leven niet meer. SPR 2:20 Daarom moet gij de weg van de goeden begaan, op de paden van de rechtvaardigen blijven, SPR 2:21 want de rechtschapenen zullen het land bewonen en de deugdzamen mogen er blijven, SPR 2:22 maar de goddelozen worden uit het land weggevaagd en de trouwelozen worden er uitgeroeid. SPR 3:1 Mijn zoon, vergeet mijn lering niet en laat uw hart mijn geboden bewaren, SPR 3:2 want lengte van dagen, jaren van leven en vrede: dat brengen zij u in overvloed. SPR 3:3 Laat liefde en trouw u niet verlaten! Bind ze om uw hals, schrijf ze op de tafel van uw hart: SPR 3:4 dan wordt gij bemind en als verstandig gewaardeerd door God en de mensen. SPR 3:5 Vertrouw op Jahwe met heel uw hart en verlaat u niet op uw eigen inzicht. SPR 3:6 Denk aan Hem op al uw wegen en Hij zal uw paden effenen. SPR 3:7 Houd uzelf niet voor wijs, vrees Jahwe en vermijd het kwade: SPR 3:8 het zal genezing brengen aan uw lichaam en verkwikking aan uw gebeente. SPR 3:9 Verheerlijk Jahwe met uw bezit, met de eerstelingen van alles wat bij u binnenkomt. SPR 3:10 Dan zullen uw graanschuren rijk gevuld worden, uw perskuipen overlopen van most. SPR 3:11 De terechtwijzing van Jahwe, mijn zoon, moet gij niet versmaden en gij moet om zijn kastijding niet neerslachtig worden, SPR 3:12 want Jahwe kastijdt die Hij liefheeft, zoals een vader doet met zijn geliefde zoon. SPR 3:13 Gelukkig de mens die wijsheid vindt, de mens die inzicht verkrijgt, SPR 3:14 want men kan beter inzicht verwerven dan zilver, beter wijsheid winnen dan goud. SPR 3:15 Zij is waardevoller dan koralen en geen van uw kostbaarheden komt haar nabij. SPR 3:16 Lengte van dagen ligt in haar rechterhand, rijkdom en eer in haar linker. SPR 3:17 Haar wegen zijn lieflijke wegen en al haar paden zijn vrede. SPR 3:18 Een boom des levens is zij voor wie haar verwerven en wie haar vasthouden zijn gelukkig. SPR 3:19 Door wijsheid heeft Jahwe de aarde gegrondvest, de hemel heeft Hij bevestigd door inzicht; SPR 3:20 door zijn kennis braken de waterkolken los en druppelt de dauw uit de wolken. SPR 3:21 Mijn zoon, verlies ze niet uit het oog en bewaar ze: de schranderheid en de bedachtzaamheid, SPR 3:22 zodat ze het leven zijn voor uw ziel en een sieraad om uw hals. SPR 3:23 Dan zult ge veilig uw weg kunnen gaan en uw voet niet stoten. SPR 3:24 Als ge u neerlegt, zult ge niet vrezen en als ge neerligt, slaapt ge heerlijk. SPR 3:25 Vrees niet de verschrikking die plotseling aankomt, noch het dreigend geweld van de bozen, SPR 3:26 want Jahwe zal aan uw zijde staan en Hij zal uw voet voor de valstrik bewaren. SPR 3:27 Onthoud niets goeds aan wie het toekomt. zolang gij bij machte zijt het te geven. SPR 3:28 Zeg niet tot uw naaste: `Ga heen, kom maar eens terug!' Of: `Morgen geef ik het u wel' terwijl gij het nu hebt. SPR 3:29 Beraam tegen uw naaste geen kwaad, terwijl hij niets duchtend naast u leeft. SPR 3:30 Laat het niet zonder reden tot een geschil komen met iemand die u geen kwaad heeft gedaan. SPR 3:31 Wees niet afgunstig op een man die onrecht pleegt en kies geen van zijn wegen. SPR 3:32 want de boosdoener is een gruwel voor Jahwe, maar met de rechtvaardigen gaat Hij vertrouwelijk om. SPR 3:33 De vloek van Jahwe ligt op het huis van de boze, maar zijn zegen rust op de woning van de rechtvaardigen. SPR 3:34 De spotters bespot Hij maar aan de ootmoedigen schenkt Hij zijn gunst. SPR 3:35 Glorie zal het deel van de wijzen zijn, maar over de dwazen komt de ergste smaad. SPR 4:1 Luistert, zonen, naar de vermaning van een vader; weest aandachtig, opdat gij inzicht verwerft, SPR 4:2 want een weldadig weten deel ik u mee: legt mijn lering niet naast u neer. SPR 4:3 Want toen ik nog mijn vaders kind was, mijn moeders jeugdige, enige zoon, SPR 4:4 onderrichtte hij mij en sprak hij tot mij: `Laat uw hart mijn woorden opnemen en onderhoud mijn voorschriften: dan zult gij leven. SPR 4:5 Doe wijsheid op, doe inzicht op, vergeet niet de woorden van mijn mond en wijk er niet van af. SPR 4:6 Verlaat de wijsheid niet en zij zal u bewaren; heb haar lief en zij zal u behoeden. SPR 4:7 Het begin van de wijsheid is: verwerf wijsheid, verwerf inzicht en geef daar zelfs uw hele bezit voor. SPR 4:8 Houd haar hoog en zij zal u verheffen; zij zal u verheerlijken, als gij haar omarmt. SPR 4:9 Zij legt om uw hoofd een liefelijke krans en verschaft u een prachtige kroon.' SPR 4:10 Luister, mijn zoon, en neem mijn woorden aan: dan zullen de jaren van uw leven talrijk zijn. SPR 4:11 De weg van de wijsheid zal ik u leren en u de paden van het recht doen betreden. SPR 4:12 Als gij daar gaat, belemmert niets uw schreden; als gij daar voortsnelt, struikelt gij niet. SPR 4:13 Houd vast aan dit onderricht, zonder te verflauwen; bewaar het, want het is uw leven. SPR 4:14 Betreed niet het pad van de bozen en bewandel de weg van de zondaars niet; SPR 4:15 vermijd hem en ga er niet over; ontwijk hem en ga eraan voorbij. SPR 4:16 Zij slapen niet als ze geen kwaad kunnen doen; hun slaap wordt hun ontnomen als ze niemand laten struikelen, SPR 4:17 want zij eten het brood van de boosheid en drinken de wijn van het geweld. SPR 4:18 Maar de weg van de rechtschapenen is als het klare licht, dat steeds helderder straalt tot het volop dag is. SPR 4:19 De weg van de bozen is als de duisternis; zij weten niet waarover zij gaan struikelen. SPR 4:20 Mijn zoon, geef aandacht aan mijn woorden en neig uw oor naar mijn uitspraken; SPR 4:21 zorg dat gij ze niet uit het oog verliest en bewaar ze in uw hart. SPR 4:22 Want zij zijn leven voor wie ze vinden en genezing voor wie ze verkondigen. SPR 4:23 Bewaar uw hart, meer dan alles wat gij moet behoeden, want daar ontspringt de bron van het leven. SPR 4:24 Weer leugenachtig gepraat van uw mond en verwijder alle valsheid van uw lippen. SPR 4:25 Laat uw ogen recht voor zich uit zien en laat uw blikken gericht zijn op wat voor u ligt. SPR 4:26 Let op het pad dat uw voeten gaan en laat al uw wegen betrouwbaar zijn. SPR 4:27 Wijk niet af naar rechts en niet naar links en weerhoud uw voet van het kwade. SPR 5:1 Mijn zoon, schenk uw aandacht aan mijn wijsheid en neig uw oor naar mijn inzicht, SPR 5:2 om te zorgen dat gij bedachtzaam blijft en dat uw lippen de kennis bewaren. SPR 5:3 Van honing druipen de lippen van de vreemde vrouw en haar verhemelte is gladder dan olie, SPR 5:4 maar haar eind is zo bitter als alsem, zo scherp als een tweesnijdend zwaard. SPR 5:5 Haar voeten dalen af naar de dood, haar schreden gaan recht op de onderwereld toe. SPR 5:6 Om te voorkomen dat gij de weg naar het leven ontwaart, gaan haar paden her en derwaarts, zonder dat gij het beseft. SPR 5:7 En dus, mijn zonen, luistert naar mij en wijkt niet af van de woorden van mijn mond. SPR 5:8 Houdt uw wegen verre van haar en komt niet te dicht bij de deur van haar huis: SPR 5:9 anders geeft gij uw bloesem prijs aan vreemden, uw jaren aan een meedogenloos wezen; SPR 5:10 dan verzadigen anderen zich aan uw kracht en komt uw gezwoeg ten goede aan het huis van een onbekende; SPR 5:11 dan kermt gij tenslotte, als uw vlees en uw lichaam weggeteerd zijn, SPR 5:12 en zegt gij: `Waarom heb ik de tucht verfoeid en heeft mijn hart de vermaningen versmaad? SPR 5:13 Waarom heb ik niet naar de stem van mijn leraren geluisterd en mijn oor niet geneigd naar mijn meesters? SPR 5:14 Haast was mij het ergste overkomen te midden van het vergaderde volk.' SPR 5:15 Drinkt het water uit uw eigen regenbak en wat er opwelt in uw eigen put. SPR 5:16 Moeten uw bronnen over de straat stromen en uw waterbeken over de pleinen? SPR 5:17 Laat ze voor u alleen zijn en niet voor vreemden, samen met u! SPR 5:18 Laat uw bronwel gezegend zijn en verheug u met de vrouw van uw jonge jaren. SPR 5:19 Die lieftallige hinde, die bekoorlijke gazelle: laat haar liefkozingen u altijd laven en weest altijd verrukt van haar liefde. SPR 5:20 Waarom, mijn zoon, zoudt gij u laten verrukken door een vreemde vrouw en de boezem van een onbekende omarmen? SPR 5:21 De ogen van Jahwe zijn immers gericht op de wegen van de mens en Hij let op al zijn gangen. SPR 5:22 De boze raakt in zijn eigen misdaden verstrikt en hij wordt geboeid met de koorden van zijn eigen zonde. SPR 5:23 Hij zal sterven bij gebrek aan tucht en door de grote dwaasheid, die hem zo verrukte. SPR 6:1 Mijn zoon, als gij u borg hebt gesteld voor uw naaste, als gij een vreemde iets op handslag beloofd hebt, SPR 6:2 als gij verstrikt zijt in de woorden van uw mond, in de woorden van uw mond gevangen zit, SPR 6:3 doe dan het volgende, mijn zoon, en zorg dat gij weer vrij wordt, want gij zijt in de macht van uw naaste geraakt. Ja, dring aan bij uw naaste en laat hem geen rust. SPR 6:4 Gun uw ogen geen slaap, uw oogleden geen rust; SPR 6:5 maak u vrij, als een gazelle uit de strik, als een vogel uit de strik van de vogelaar. SPR 6:6 Ga naar de mier, gij luiaard, bekijk haar gedrag en word wijs. SPR 6:7 Zij heeft geen aanvoerder, geen opzichter, geen heerser, SPR 6:8 maar zij zorgt toch 's zomers voor haar proviand en slaat in de oogsttijd haar voedsel op. SPR 6:9 Hoe lang blijft gij nog liggen, luiaard? Wanneer staat gij op uit uw slaap? SPR 6:10 Nog even slapen, nog even rusten, nog even de armen over elkaar en liggen! SPR 6:11 Zo overvalt u de armoede als een rover, het gebrek als een welbewapend man. SPR 6:12 Een booswicht is het, een slechtaard, de man die rondgaat met leugenachtige mond, SPR 6:13 die knipoogt, die met zijn voeten schuifelt, die met zijn vingers wijst. SPR 6:14 Zijn hart zit vol slinkse streken; hij smeedt altijd maar kwalijke plannen en brengt ruzie teweeg. SPR 6:15 Daarom zal het verderf hem eensklaps overvallen en zal hij ineens gebroken worden, onherstelbaar. SPR 6:16 Dit zijn zes dingen, die Jahwe verfoeit, ja, zeven, die Hem een gruwel zijn: SPR 6:17 hoogmoedige ogen, een leugenachtige tong en handen die onschuldig bloed vergieten, SPR 6:18 een hart dat misdadige plannen smeedt en voeten die zich haastig reppen naar het kwade, SPR 6:19 een valse getuige die leugens uitslaat en degene die onder broeders ruzie teweegbrengt. SPR 6:20 Neem de voorschriften van uw vader in acht, mijn zoon, en verwerp de lering van uw moeder niet. SPR 6:21 Bind die steeds weer op uw hart en hang ze om uw hals. SPR 6:22 Zij zullen u leiden waar gij gaat; zij waken over u waar gij ligt en wordt gij wakker, dan spreken zij u toe. SPR 6:23 Want de voorschriften zijn een lamp, de lering is een licht en opwekkingen tot tucht zijn een weg naar het leven, SPR 6:24 om u te behoeden voor een verdorven vrouw, voor de gladde tong van een vreemde. SPR 6:25 Laat uw hart haar schoonheid niet begeren en laat u niet vangen door haar gelonk, SPR 6:26 want een hoer kost maar een stuk brood, maar een getrouwde vrouw bedreigt uw leven. SPR 6:27 Steekt iemand soms vuur in de plooi van zijn gewaad zonder dat zijn kleren in brand raken? SPR 6:28 Als iemand op gloeiende kolen loopt, schroeit hij dan zijn voeten niet? SPR 6:29 Zo gaat het degene die komt bij de vrouw van zijn naaste: niemand die haar aanraakt blijft ongestraft. SPR 6:30 Men neemt de dief het stelen niet eens zo kwalijk, als hij honger heeft en zijn eetlust bevredigt, SPR 6:31 maar als hij betrapt wordt, moet hij het zevenvoudig vergoeden en alwat zijn huis bezit ervoor geven. SPR 6:32 Een man die overspel pleegt heeft geen verstand; wie ontucht bedrijft, richt zichzelf te gronde. SPR 6:33 Schade en schande oogst hij en zijn smaad is onuitwisbaar, SPR 6:34 want de jaloezie brengt een man tot razernij: niets ontziet hij op de dag van de wraak; SPR 6:35 hij wil van geen zoengeld weten en hij blijft onvermurwbaar al biedt gij hem nog zo veel aan. SPR 7:1 Mijn zoon, blijf mijn woorden indachtig en bewaar mijn geboden zorgvuldig. SPR 7:2 Wees mijn geboden indachtig dan zult gij leven en behoed mijn lering als de appel van uw oog. SPR 7:3 Bind ze om uw vingers, schrijf ze op de tafel van uw hart. SPR 7:4 Zeg tot de wijsheid: `Gij zijt mijn zuster,' en noem de schranderheid uw bloedverwante, SPR 7:5 om u te behoeden voor de vreemde vrouw, voor de onbekende die gladde woorden spreekt. SPR 7:6 Want door het venster van mijn huis, door mijn tralies keek ik naar buiten. SPR 7:7 Daar zag ik onder het onervaren volk, merkte ik op onder de jongelieden een knaap zonder verstand. SPR 7:8 Hij kwam de straat af, vlak bij een hoek, en ging in de richting van haar huis, SPR 7:9 in de schemering, bij het vallen van de avond, op het ogenblik van het nachtelijk duister. SPR 7:10 En zie, daar komt hem een vrouw tegemoet, als een hoer gekleed, arglistig van hart, SPR 7:11 een opgewonden, weerspannige vrouw: haar voeten vinden in haar huis geen rust. SPR 7:12 Zij loopt op de straat, zij loopt op de pleinen en op elke hoek staat zij te loeren. SPR 7:13 Zij grijpt hem vast, zij geeft hem een kus en zegt met een brutaal gezicht: SPR 7:14 `Ik moest nog een dankoffer brengen en vandaag heb ik mijn gelofte vervuld. SPR 7:15 Daarom ben ik uitgegaan om jou te ontmoeten, om jou te zoeken, en ik heb je gevonden. SPR 7:16 Ik heb mijn bed gespreid en het bedekt met kleurige weefsels van Egyptisch linnen. SPR 7:17 Ik heb mijn rustbed besprenkeld met myrrhe, aloë en kaneel. SPR 7:18 Kom, laten wij ons aan liefkozingen bedrinken, tot de morgen toe, laten wij samen genieten van de liefde. SPR 7:19 Want mijn man is niet in zijn huis, hij is op reis gegaan, ver weg. SPR 7:20 Hij heeft een beurs vol geld meegenomen; pas als het volle maan is keert hij terug naar zijn huis.' SPR 7:21 Zij haalt hem over met haar vele woorden, door de gladheid van haar lippen troont zij hem mee. SPR 7:22 Blindelings loopt hij achter haar aan, als een rund dat naar het slachthuis gaat, als een hert dat naar de strik toedartelt, SPR 7:23 totdat een pijl zijn lever doorboort, als een vogel die zich rept naar het klapnet, niet wetend, dat dit zijn leven belaagt. SPR 7:24 Welnu, mijn zonen, luistert naar mij en schenkt aandacht aan de woorden van mijn mond. SPR 7:25 Laat uw hart niet afwijken naar haar paden en begeeft u niet op haar dwaalwegen. SPR 7:26 Want talrijk zijn de verslagenen, die zij heeft geveld, en haar slachtoffers zijn met velen. SPR 7:27 Haar huis is een weg naar de onderwereld, een weg die afdaalt naar de kamers van de dood. SPR 8:1 Zie, de Wijsheid roept, het Inzicht laat zijn stem horen. SPR 8:2 Boven op de hoogten langs de weg, op het kruispunt van de paden heeft zij post gevat. SPR 8:3 Naast de poorten roept zij luidkeels, bij de poortingangen verheft zij haar stem: SPR 8:4 `U, mannen, roep ik toe, mijn stem richt zich tot de zonen der mensen. SPR 8:5 Begrijpt wat verstandig is, gij onervarenen, verwerft u inzicht, gij dwazen! SPR 8:6 Luistert, want ik ga u iets verhevens vertellen en wat over mijn lippen komt is rechtschapen. SPR 8:7 Want mijn verhemelte spreekt waarheid en mijn lippen verfoeien de boosheid. SPR 8:8 Al de woorden van mijn mond zijn rechtvaardig, geen enkel ervan is krom of verdraaid. SPR 8:9 Ze zijn alle redelijk voor hem die verstand heeft en heilzaam voor hen die kennis bezitten. SPR 8:10 Aanvaardt mijn onderricht, liever dan zilver en verkiest mijn kennis boven uitgelezen goud; SPR 8:11 want de wijsheid is meer waard dan koralen en geen kostbaarheden komen haar nabij. SPR 8:12 Ik, de Wijsheid, ik woon bij de verstandigheid en ik beschik over weldoordachte kennis. SPR 8:13 Het kwade haten: dat is de vrees voor Jahwe. Hoogmoed, verwaandheid, wangedrag en een mond vol slinkse woorden: die haat ik. SPR 8:14 Bij mij ligt raad en schranderheid; ik ben het inzicht, bij mij ligt de kracht. SPR 8:15 Door mij zijn de koningen koning en stellen de vorsten vast wat recht is. SPR 8:16 Door mij heersen de heersers en de gebieders, al degenen die rechtvaardig oordelen. SPR 8:17 Wie mij liefhebben heb ik lief en wie mij zoeken zullen mij vinden. SPR 8:18 Bij mij zijn rijkdom en roem, duurzaam bezit en gerechtigheid. SPR 8:19 Mijn vrucht is meer waard dan goud, dan zuiver goud, mijn opbrengst meer dan uitgelezen zilver. SPR 8:20 Ik bewandel de weg van de gerechtigheid, de paden van het recht, SPR 8:21 om aan hen die mij liefhebben bezit te verlenen en hun schatkamers te vullen.' SPR 8:22 Jahwe schiep mij aan het begin van zijn wegen, nog voor zijn werken, van oudsher. SPR 8:23 Van eeuwigheid ben ik gevormd, vanaf het begin, voordat de aarde ontstond. SPR 8:24 Toen er nog geen oceaan was, was ik al ontvangen, toen er nog geen bronnen waren, rijk aan water. SPR 8:25 Voordat de bergen waren neergezet, eerder dan de heuvelen was ik ontvangen. SPR 8:26 Hij had de aarde nog niet gemaakt en de velden, zelfs niet de elementen van de wereld. SPR 8:27 Toen Hij de hemel op zijn plaats zette, was ik erbij, toen Hij over de oceaan een boog trok, SPR 8:28 toen Hij daarboven het machtige wolkengewelf zette, toen Hij de geweldige bronnen van de oceaan maakte, SPR 8:29 toen Hij de zee haar grens gaf, zodat het water zijn gebod niet overtrad, toen Hij de grondvesten der aarde bouwde. SPR 8:30 Ik was bij Hem als uitvoerster, ik was zijn vreugde, dag in dag uit mij verheugend voor zijn aanschijn, altijd door, SPR 8:31 mij verheugend over zijn aardrijk en mijn vreugde vindend bij de mensen. SPR 8:32 Welnu, zonen, luistert naar mij: gelukkig degenen die zich aan mijn wegen houden! SPR 8:33 Luistert naar mijn onderricht, zodat gij wijs wordt, en onttrekt u er niet aan. SPR 8:34 Gelukkig de man die naar mij luistert, die waakt bij mijn poorten, dag in dag uit, die blijft wachten bij mijn deurposten. SPR 8:35 Want wie mij vindt, die vindt het leven en verwerft de gunst van Jahwe, SPR 8:36 maar wie mij misloopt, schaadt zichzelf: allen die mij haten beminnen de dood. SPR 9:1 De Wijsheid heeft zich een huis gebouwd, zeven zuilen heeft zij zich uitgekapt; SPR 9:2 zij heeft haar slachtvee geslacht, haar wijn gemengd en ook haar tafel al gedekt. SPR 9:3 Zij heeft haar dienaressen uitgestuurd en zij roept op de allerhoogste plaatsen van de stad: SPR 9:4 `Wie onervaren is moet hierheen komen' en tot wie zonder verstand is zeg ik: SPR 9:5 `Komt, eet mijn brood en drinkt de wijn die ik gemengd heb. SPR 9:6 Laat uw onverstand varen en gij zult leven, en betreedt de weg van het inzicht.' SPR 9:7 Wie een spotter berispt haalt zich smaad op de hals, wie een slechtaard zijn gebreken verwijt evenzo. SPR 9:8 Maak een spotter geen verwijten: hij gaat u maar haten. Doe het een wijze: die zal u waarderen. SPR 9:9 Deel mee aan een wijze en hij zal nog wijzer worden, onderricht een rechtvaardige en hij zal zijn weten nog vermeerderen. SPR 9:10 Het begin van de wijsheid is de vrees voor Jahwe, de Hoogheilige kennen is inzicht. SPR 9:11 Want door mij worden uw dagen talrijk en vermeerderen zich uw levensjaren. SPR 9:12 Zijt gij wijs, dan zijt gij wijs tot uw eigen voordeel; zijt gij een spotter, dan draagt gij zelf de gevolgen. SPR 9:13 Vrouwe Dwaasheid is een ongedurig iemand, vol onverstand, zij weet van niets. SPR 9:14 Zij zit bij de deur van haar huis, op een stoel, ergens hoog in de stad, SPR 9:15 en zij roept de voorbijgangers toe, degenen die rechtdoor willen lopen: SPR 9:16 `Wie onervaren is moet hierheen komen' en tot wie geen inzicht heeft zeg ik: SPR 9:17 `Gestolen water is lekker en heimelijk gegeten brood smaakt heerlijk!' SPR 9:18 En dat weet men niet, dat daar de schimmen wonen en dat haar gasten in de diepte van de onderwereld vertoeven. SPR 10:1 Spreuken van Salomo. Een wijze zoon brengt vreugde aan zijn vader, een dwaze zoon is het verdriet van zijn moeder. SPR 10:2 De schatten, door onrecht verkregen, brengen geen baat, maar gerechtigheid redt van de dood. SPR 10:3 Jahwe laat de rechtvaardige geen honger lijden, maar Hij verzet zich tegen de begeerte van de zondaars. SPR 10:4 Een luie hand brengt armoede, maar ijverige handen maken rijk. SPR 10:5 Wie `s zomers een voorraad verzamelt is een wijs man, wie de oogsttijd verslaapt is een schandvlek. SPR 10:6 Zegen rust op het hoofd van de rechtvaardige, maar de mond van de zondaars zit vol onrecht. SPR 10:7 Het aandenken van de recht vaardige is een zegen, maar de naam van de zondaars zal verrotten. SPR 10:8 Wie wijs van hart is aanvaardt geboden, maar wie dwaasheid uitkraamt komt ten val. SPR 10:9 Wie onberispelijk wandelt, hij wandelt veilig, maar wie kronkelwegen gaat wordt ontmaskerd. SPR 10:10 Wie knipoogt brengt verdriet teweeg en wie dwaasheid uitkraamt komt ten val. SPR 10:11 Een bron van leven is de mond van de rechtvaardige, maar de mond van de zondaars zit vol onrecht. SPR 10:12 De haat brengt twist teweeg, maar de liefde bedekt alle zonden. SPR 10:13 Op de lippen van wie schrander is wordt wijsheid gevonden, op de rug van wie geen verstand heeft komt de stok neer. SPR 10:14 De wijzen bewaren hun kennis zorgvuldig, maar de mond van de dwaas is een naderend onheil. SPR 10:15 Het bezit van de rijke is voor hem een machtige stad, het onheil van de noodlijdenden is hun armoede. SPR 10:16 Wat de rechtvaardige verwerft leidt tot leven, de inkomsten van de zondaar leiden tot zonde. SPR 10:17 Wie onderrichting ter harte neemt is op weg naar het leven, maar wie een vermaning versmaadt dwaalt af. SPR 10:18 Hij die zijn haat verbergt heeft leugenachtige lippen, hij die laster verbreidt is een dwaas. SPR 10:19 Bij een overvloed van woorden blijft de zonde niet uit, maar wie zijn lippen in toom houdt handelt verstandig. SPR 10:20 Uitgelezen zilver is de tong van de rechtvaardige, maar het hart van de zondaars heeft maar weinig waarde. SPR 10:21 De lippen van de rechtvaardige voeden velen, de dwazen sterven door onverstand. SPR 10:22 De zegen van Jahwe is het, die rijk maakt: daarmee vergeleken richt ons eigen zwoegen niets uit SPR 10:23 In het plegen van een schanddaad vindt een dwaas genoegen, maar in wijsheid de man van inzicht. SPR 10:24 Wat de zondaar vreest, dat overkomt hem, maar het verlangen van de rechtvaardige wordt vervuld. SPR 10:25 Nauwelijks is de storm voorbij, of de zondaar is verdwenen, maar de rechtvaardige houdt altijd stand. SPR 10:26 Als azijn voor de tanden, als rook voor de ogen, zo is de luiaard voor wie hem een opdracht geven. SPR 10:27 De vrees voor Jahwe vermeerdert de dagen, maar de jaren der zondaars worden verkort. SPR 10:28 Voor de rechtvaardige is vreugde weggelegd, maar de hoop der goddelozen gaat ten onder. SPR 10:29 Jahwe is een bolwerk voor wie in onschuld wandelt, maar Hij brengt verderf over de boosdoeners. SPR 10:30 De rechtvaardige zal nooit ofte nimmer wankelen, maar de zondaars blijven het land niet bewonen. SPR 10:31 De mond van de rechtvaardige brengt wijsheid voort, maar de slinkse tong wordt afgesneden. SPR 10:32 De lippen van de rechtvaardige weten wat welgevallig is, de mond van de zondaars weet alleen van slinkse streken. SPR 11:1 Een vervalste weegschaal is Jahwe een gruwel; een eerlijke weegsteen is zijn welbehagen. SPR 11:2 Waar de overmoed komt, komt schande mee, maar de wijsheid woont bij de ootmoedige. SPR 11:3 De rechtschapenen worden door hun deugdzaamheid geleid, maar de trouwelozen worden te gronde gericht door hun verkeerdheid. SPR 11:4 Op de dag van de toorn zal bezit niet baten, maar de gerechtigheid redt van de dood. SPR 11:5 De gerechtigheid van de deugdzame effent zijn weg, maar de zondaar komt ten val door zijn zondigheid. SPR 11:6 De rechtschapenen worden door hun gerechtigheid gered, maar de trouwelozen raken in hun eigen begeerte verstrikt. SPR 11:7 Als de zondaar sterft, is het uit met zijn hoop; wat hij van zijn rijkdom verwacht gaat teloor. SPR 11:8 De rechtvaardige wordt uit de benauwenis gered, de zondaar komt in zijn plaats. SPR 11:9 Door zijn mond richt de goddeloze zijn naaste te gronde, maar de rechtvaardigen worden door hun kennis gered. SPR 11:10 De stad is verheugd over het geluk van de rechtvaardigen, maar bij de ondergang der zondaars klinkt gejuich. SPR 11:11 Door de zegen van de rechtschapenen bloeit een stad op, maar door de mond van de zondaars wordt zij gesloopt SPR 11:12 Wie op zijn naaste smaalt heeft geen verstand; een man met inzicht weet te zwijgen. SPR 11:13 Wie praatzuchtig rondgaat verraadt geheimen; een betrouwbaar man weet iets voor zich te houden. SPR 11:14 Waar beleid ontbreekt, gaat een volk te gronde, maar het wordt gered als er veel raadgevers zijn. SPR 11:15 Wie borg blijft voor een vreemde is er slecht aan toe, maar wie de handslag schuwt leeft veilig. SPR 11:16 Een bevallige vrouw verwerft eer, krachtige mannen verwerven rijkdom. SPR 11:17 Een barmhartig man is weldadig voor zichzelf, maar een meedogenloos iemand bezorgt zichzelf verdriet. SPR 11:18 De zondaar krijgt een bedrieglijke winst, maar wie gerechtigheid zaait, oogst een betrouwbaar loon. SPR 11:19 Wie de gerechtigheid beoefent, vindt het leven, wie het kwade najaagt, de dood. SPR 11:20 Verdorven harten zijn Jahwe een gruwel, maar wie in onschuld wandelen zijn hem welgevallig. SPR 11:21 De hand erop: de boze blijft niet ongestraft, maar het nageslacht van de rechtschapenen blijft ongedeerd. SPR 11:22 Een gouden ring in de snuit van een varken is een mooie vrouw die geen verstand heeft. SPR 11:23 Wat de rechtvaardigen verlangen brengt niets dan goeds, de hoop van de zondaars loopt uit op de gramschap. SPR 11:24 De een deelt rijkelijk uit en krijgt steeds meer, de ander houdt wederrechtelijk vast en wordt maar armer. SPR 11:25 Een man die zegen brengt wordt zelf verzadigd, wie anderen laaft wordt ook zelf gelaafd. SPR 11:26 Wie het koren vasthoudt wordt door het volk verwenst, maar zegen daalt op het hoofd van wie het verkoopt. SPR 11:27 Wie streeft naar het goede vraagt om het welbehagen, maar wie uit is op het kwade wordt door het kwade getroffen. SPR 11:28 Wie bouwt op zijn rijkdom komt ten val, maar de rechtvaardigen groeien als het jonge lover. SPR 11:29 Wie zijn huis in wanorde brengt zal wind oogsten en de dwaas wordt de slaaf van de wijze. SPR 11:30 De vrucht van de rechtvaardigheid is een levensboom, maar onrecht rooft het leven. SPR 11:31 Indien de rechtvaardige op aarde krijgt wat hem toekomt, hoeveel te meer dan de goddeloze en de zondaar! SPR 12:1 Wie een vermaning liefheeft heeft het inzicht lief; wie een terechtwijzing schuwt is stom. SPR 12:2 De goede mens verwerft de gunst van Jahwe, maar de arglistige wordt door Hem veroordeeld. SPR 12:3 Geen mens kan stand houden door kwaad te doen, maar de wortel van de rechtvaardigen raakt niet los. SPR 12:4 Een sterke vrouw is de kroon van haar man, een minderwaardige vrouw is als verrotting in zijn gebeente. SPR 12:5 De gedachten van de rechtvaardige houden zich aan het recht, de plannen van de zondaars beogen bedrog. SPR 12:6 De woorden van de zondaars loeren op bloed, maar de mond van de rechtschapenen brengt redding. SPR 12:7 De zondaars worden omvergeworpen en zij bestaan niet meer, maar het huis van de rechtvaardigen houdt stand. SPR 12:8 Naar de maat van zijn inzicht wordt een man geprezen, maar wie verdorven van hart is wordt veracht. SPR 12:9 Beter een onaanzienlijk man, maar met een knecht, dan een grootdoener die niet genoeg te eten heeft. SPR 12:10 De rechtvaardige weet wat zijn beesten behoeven, maar de zondaars zijn meedogenloos van aard. SPR 12:11 Wie zijn land bewerkt heeft volop te eten, maar wie nietigheden najaagt heeft geen verstand. SPR 12:12 Wat de zondaar verlangt wordt de valstrik voor de slechten, maar de wortel der rechtvaardigen geeft kracht. SPR 12:13 De boze verstrikt zich in de zonde van zijn lippen, maar de rechtvaardige ontkomt aan de nood. SPR 12:14 Door de vrucht van zijn mond wordt een man met het goede verzadigd en het werk van iemands handen keert naar hem terug. SPR 12:15 De dwaas houdt zijn eigen weg voor recht, maar de wijze luistert naar raad. SPR 12:16 De toorn van een dwaas is aanstonds te merken, een verstandig man gaat op een smaadwoord niet in. SPR 12:17 Een betrouwbaar getuige zegt de waarheid, een valse getuige liegt. SPR 12:18 Er zijn mensen wier praten op dolksteken lijkt, maar de tong van de wijzen brengt genezing. SPR 12:19 Een betrouwbaar woord houdt altijd stand, leugentaal slechts een ogenblik. SPR 12:20 Bedrog woont in het hart van hen die kwaad beramen, maar blijdschap bij hen die heilzame raad geven. SPR 12:21 De rechtvaardige wordt door geen enkel onheil getroffen, maar de zondaar wordt door rampspoed overstelpt. SPR 12:22 Leugenachtige lippen zijn voor Jahwe een gruwel, maar betrouwbare mensen zijn Hem welgevallig. SPR 12:23 Een verstandig man houdt zijn kennis voor zich, het hart van de dwazen kraamt zotternij uit. SPR 12:24 De hand van ijverige mensen komt tot heerschappij, maar luiheid voert tot knechtschap. SPR 12:25 Verdriet in het hart van een mens maakt neerslachtig, maar een goed woord geeft blijdschap. SPR 12:26 De rechtvaardige onderricht zijn vriend, maar het gedrag van de zondaars brengt op een dwaalspoor. SPR 12:27 De luiaard zal zijn wild niet vangen, maar voor de ijverige mens is een kostbare schat weggelegd. SPR 12:28 Op de weg der gerechtigheid is leven: wie dat pad betreedt ontkomt aan de dood. SPR 13:1 Een wijze zoon laat zich door zijn vader vermanen, maar een spotter luistert niet naar verwijten. SPR 13:2 De goede mens eet van de vruchten van zijn mond; de begeerte van de goddeloze richt zich op gewelddadigheid. SPR 13:3 Wie zijn mond in toom houdt behoedt zichzelf, maar hem die zijn lippen niet beheerst wacht onheil. SPR 13:4 De luiaard is begerig, maar hij krijgt niets; de wensen van de ijverigen worden rijkelijk vervuld. SPR 13:5 De rechtvaardige haat leugentaal, maar de zondaar gedraagt zich minderwaardig en schaamteloos. SPR 13:6 De gerechtigheid beschermt hem die zich onberispelijk gedraagt, maar de zonde brengt de goddelozen ten val. SPR 13:7 Sommigen doen zich rijk voor en bezitten helemaal niets, anderen houden zich arm en zijn schatrijk. SPR 13:8 Het losgeld voor iemands leven is zijn rijkdom; een arme krijgt geen bedreiging te horen. SPR 13:9 Het licht van de rechtvaardigen straalt heerlijk, de lamp van de zondaars gaat uit. SPR 13:10 De dwaas brengt door zijn verwatenheid ruzie teweeg, maar wijsheid hebben zij die zich laten raden. SPR 13:11 Uit niets gewonnen rijkdom slinkt weer weg, maar wie gaandeweg verzamelt wordt rijk. SPR 13:12 Altijd maar hopen maakt het hart ziek, maar een vervuld verlangen is een levensboom. SPR 13:13 Wie een voorschrift versmaadt moet boeten, maar wie een gebod eerbiedigt blijft onverlet. SPR 13:14 Het onderricht van de wijze is een bron van leven en vrijwaart voor de strikken van de dood. SPR 13:15 Verstandig inzicht wekt welbehagen, maar de weg der trouwelozen wordt hun ondergang. SPR 13:16 Iedere verstandige man gaat met overleg te werk, maar de dwaas loopt met zijn domheid te koop. SPR 13:17 Een ondeugdelijke afgezant stort anderen in het ongeluk, maar een betrouwbare bode brengt herstel. SPR 13:18 Armoede en schande treffen hem die vermaningen veronachtzaamt, maar wie terechtwijzingen aanvaardt wordt geëerd. SPR 13:19 Een vervuld verlangen is aangenaam voor de ziel, maar het kwade vermijden is een gruwel voor de dwazen. SPR 13:20 Wie met wijzen verkeert wordt zelf wijs, maar wie met dwazen omgaat, komt er slecht af. SPR 13:21 Rampspoed achtervolgt de zondaars, maar de rechtvaardigen worden met geluk beloond. SPR 13:22 De goede laat zijn kindskinderen erven, maar het bezit van de zondaar is weggelegd voor de rechtvaardige. SPR 13:23 De pas ontgonnen grond van de armen geeft rijkelijk voedsel, maar het bezit wordt geroofd als er geen recht is. SPR 13:24 Wie de roede spaart, is zijn zoon slechtgezind; als hij hem liefheeft, tuchtigt hij hem vroegtijdig. SPR 13:25 De rechtvaardige eet en verzadigt zich, maar de maag van de zondaars komt te kort. SPR 14:1 De wijsheid bouwt zich haar huis, maar de dwaasheid breekt het met eigen handen af. SPR 14:2 Wie wandelt in rechtschapenheid vreest Jahwe, wie verkeerde wegen gaat veracht Hem. SPR 14:3 In de mond van de dwaas ligt de roede voor zijn hoogmoed, maar de wijzen worden door hun lippen beschermd. SPR 14:4 Waar geen runderen zijn blijft de kribbe leeg, maar door de kracht van de ossen komt er veel binnen. SPR 14:5 Een betrouwbaar getuige liegt niet, maar een valse getuige slaat leugens uit. SPR 14:6 Een spotter zoekt wijsheid, maar tevergeefs; een verstandig man verwerft gemakkelijk kennis. SPR 14:7 Kom niet in de buurt van een dwaas: gij merkt daar niets van verstandige taal. SPR 14:8 De wijsheid van een schrander man is dat hij zijn weg kent, maar van het onverstand der dwazen komt bedrog. SPR 14:9 Bij de dwazen woont de schuld, maar bij de rechtvaardigen het welgevallen. SPR 14:10 Het hart kent zijn eigen leed en in zijn vreugde mengt zich geen vreemde. SPR 14:11 Het huis van de zondaars wordt verwoest, maar de tent van de rechtschapenen is welvarend. SPR 14:12 Soms denkt een mens, dat zijn weg recht is, maar tenslotte leidt die toch naar de dood. SPR 14:13 Ook bij het lachen kan het hart pijn hebben en het eind van de blijdschap kan verdriet zijn. SPR 14:14 De afvallige krijgt alle gevolgen van zijn gedrag. de goede mens krijgt ze van het zijne. SPR 14:15 De onverstandige gelooft elk woord, maar de schrandere kijkt uit waar hij gaat. SPR 14:16 De wijze vreest en hij vermijdt het kwade, de dwaas gaat zich te buiten en waant zich veilig. SPR 14:17 Een kortaangebonden man doet dwaze dingen; een arglistig man maakt zich gehaat. SPR 14:18 Dwaasheid is het deel van de onverstandigen; de schranderen dragen hun kennis als een kroon. SPR 14:19 De slechten buigen zich voor de goeden en de goddelozen staan aan de poorten van de rechtvaardigen. SPR 14:20 Zelfs door zijn naasten wordt de arme geminacht, maar de rijke heeft vele vrienden. SPR 14:21 Wie zijn naaste veracht maakt zich schuldig, maar gelukkig hij die zich over de armen ontfermt. SPR 14:22 Zij die kwade plannen smeden lopen stellig verloren, maar liefde en trouw zijn bij hen die het goede beogen. SPR 14:23 Elk zwoegen brengt gewin, maar praten brengt niets dan gebrek. SPR 14:24 De kroon van de wijzen is hun rijkdom, maar de dwaasheid van de onverstandigen blijft dwaasheid. SPR 14:25 Een betrouwbaar getuige redt levens, maar een leugenachtig getuige is misleidend. SPR 14:26 De vrees voor Jahwe geeft hechte zekerheid en voor zijn zonen is Hij een toevlucht. SPR 14:27 De vrees voor Jahwe is een bron van leven en zij vrijwaart voor de strikken van de dood. SPR 14:28 Een talrijk volk is de roem van een koning; bij gebrek aan onderdanen gaat een vorst te gronde. SPR 14:29 Wie lankmoedig is toont veel verstand, maar de kortaangebondene drijft de domheid ten top. SPR 14:30 Een tevreden hart is leven voor het lichaam, maar afgunst is verrotting in het gebeente. SPR 14:31 Wie een arme onderdrukt, beledigt diens Maker: wie zich over een noodlijdende ontfermt, brengt Hem eer. SPR 14:32 De zondaar komt ten val door zijn eigen slechtheid, maar de rechtvaardige heeft een toevlucht als hij sterft. SPR 14:33 In een schrander hart vindt de wijsheid rust, maar in het gemoed van de dwazen wordt zij onderdrukt. SPR 14:34 De gerechtigheid maakt een volk groot, maar de zonde brengt schande over de naties. SPR 14:35 De gunst van de koning geldt een verstandige dienaar, maar zijn gramschap treft degene die zich schandelijk gedraagt. SPR 15:1 Een vriendelijk antwoord doet de gramschap wijken, maar een krenkend woord wekt de toorn op. SPR 15:2 De tong van de wijzen vloeit over van kennis, maar de mond van de dwazen druipt van domheid. SPR 15:3 Jahwe's ogen zijn overal aanwezig, acht gevend op de kwaden en de goeden. SPR 15:4 Een milde tong is een levensboom, maar een kwade tong verbrijzelt het gemoed. SPR 15:5 De dwaas versmaadt de onderrichting van zijn vader, maar wie een vermaning ter harte neemt wordt verstandig. SPR 15:6 In het huis van de rechtvaardige is veel rijkdom, maar wat de goddeloze binnenbrengt, dat bederft. SPR 15:7 De lippen van de wijzen verspreiden kennis, maar het hart van de dwazen is onbestendig. SPR 15:8 Het offer van de zondaars is Jahwe een gruwel, maar het gebed der rechtschapenen is Hem welgevallig. SPR 15:9 De weg van de zondaar is Jahwe een gruwel, maar Hij bemint degene die de gerechtigheid najaagt. SPR 15:10 Wie de weg verlaat, wordt streng getuchtigd; wie afkerig is van een terechtwijzing, moet sterven. SPR 15:11 Dodenrijk en onderwereld liggen open voor Jahwe: hoeveel te meer de harten van de mensenkinderen. SPR 15:12 De spotter is niet gesteld op een terechtwijzing en hij komt niet bij wijze mensen. SPR 15:13 Een blij hart maakt het aangezicht vrolijk, maar van hartzeer komt neerslachtigheid. SPR 15:14 Een schrander hart zoekt kennis, maar de mond van de dwazen voedt zich met onverstand. SPR 15:15 Voor de arme zijn alle dagen ellendig, maar voor een gelukkig hart is het altijd feest. SPR 15:16 Beter weinig, met de vrees voor Jahwe, dan grote schatten, met onrust erbij. SPR 15:17 Beter een schotel groente waar liefde is dan een vetgemeste os, met haat erbij. SPR 15:18 Een heethoofd brengt ruzie teweeg, maar de lankmoedige doet de twist bedaren. SPR 15:19 De weg van de luiaard lijkt op een doornhaag, maar het pad van de rechtschapenen is welgebaand. SPR 15:20 Een wijze zoon verblijdt zijn vader, maar een domkop veracht zijn moeder. SPR 15:21 De dwaasheid is een vreugde voor mensen zonder verstand, maar een man met inzicht houdt de rechte weg. SPR 15:22 Waar geen overleg is falen de plannen, maar zij slagen als er veel raadgevers zijn. SPR 15:23 Een man vindt vreugde in het antwoord dat hij geeft. Een woord op zijn tijd: wat is dat mooi! SPR 15:24 De weg ten leven, die naar boven loopt, is de weg van de verstandige en zo ontkomt hij aan het dodenrijk daarbeneden. SPR 15:25 Jahwe sloopt het huis van de hoogmoedigen, maar de grenssteen van de weduwe legt Hij vast. SPR 15:26 De plannen van boosaardige mensen zijn Jahwe een gruwel, maar liefdevolle woorden zijn rein. SPR 15:27 Wie onregelmatig gewin zoekt, vernielt zijn eigen huis, maar wie de geschenken haat, zal leven. SPR 15:28 De rechtvaardige overdenkt in zijn hart wat hij zal antwoorden, maar de mond van de zondaars druipt van onheil. SPR 15:29 Jahwe is ver van de zondaars, maar het gebed der rechtvaardigen verhoort Hij. SPR 15:30 Stralende ogen verheugen het hart, een blijde tijding verkwikt het gebeente. SPR 15:31 Hij wiens oor naar vermaningen ten leven luistert, hij woont in de kring van de wijzen. SPR 15:32 Hij die onderrichting versmaadt, verwaarloost zichzelf, maar wie naar een vermaning luistert, verwerft inzicht. SPR 15:33 De vrees voor Jahwe voedt op tot wijsheid; de deemoed gaat aan de eer vooraf. SPR 16:1 Een mens overlegt in zijn hart, maar het antwoord van de tong komt van Jahwe. SPR 16:2 Heel het gedrag van een mens mag in zijn eigen ogen rein zijn, Jahwe toetst de geesten. SPR 16:3 Beveel Jahwe uw werken aan en uw plannen zullen slagen. SPR 16:4 Jahwe heeft alles gemaakt voor zijn doel; zelfs de zondaar heeft Hij bestemd voor de dag van het onheil. SPR 16:5 Alle hoogmoedigen zijn Jahwe een gruwel. De hand erop: zij blijven niet ongestraft. SPR 16:6 Door liefde en trouw wordt de zonde verzoend; door de vrees voor Jahwe vermijdt men het kwaad. SPR 16:7 Als Jahwe behagen heeft in iemands gedrag, zal Hij zelfs diens vijanden met hem verzoenen. SPR 16:8 Beter weinig, met gerechtigheid, dan grote inkomsten, met onrecht. SPR 16:9 Het hart van een mens overdenkt zijn weg, maar Jahwe richt zijn schreden. SPR 16:10 Gods woord ligt op de lippen van de koning: zijn mond faalt niet wanneer hij vonnist. SPR 16:11 De balans en de eerlijke weegschaal komen van Jahwe; de hele bundel weegstenen is zijn werk. SPR 16:12 Het bedrijven van kwaad is de koningen een gruwel, want een troon wordt bevestigd door gerechtigheid. SPR 16:13 Een koning vindt zijn welgevallen in oprechte taal en hem die rechtschapen spreekt heeft hij lief. SPR 16:14 De toorn van een koning is een boodschapper van de dood, maar een wijs man brengt hem tot bedaren. SPR 16:15 In het stralend gelaat van de koning ligt het leven; zijn gunst is als een wolk die lenteregen brengt. SPR 16:16 Wijsheid verwerven: hoeveel beter is dat dan goud! Inzicht verwerven: het is te verkiezen boven zilver! SPR 16:17 Wie het pad van de rechtschapenen betreedt, ontkomt aan het kwaad en wie acht geeft op zijn weg, beschermt zichzelf. SPR 16:18 De hovaardij gaat vooraf aan de rampspoed, de hoogmoed aan de val. SPR 16:19 Men kan beter deemoedig zijn met de geringen dan met de hoogmoedigen de buit te verdelen. SPR 16:20 Wie acht geeft op het woord, vindt het geluk, en zalig hij die op Jahwe vertrouwt. SPR 16:21 Wie wijs is van hart, wordt verstandig genoemd en aangename taal geeft kracht aan het betoog. SPR 16:22 Het verstand is een levensbron voor wie het bezitten, maar de dwazen worden gestraft door hun dwaasheid. SPR 16:23 Het hart van een wijze maakt zijn mond verstandig en geeft kracht aan het betoog van zijn lippen. SPR 16:24 Aangename woorden zijn raten vol honing, zoet voor de ziel en gezond voor het gebeente. SPR 16:25 Soms denkt een mens, dat zijn weg recht is, maar tenslotte leidt die toch naar de dood. SPR 16:26 De honger van de werkman werkt voor hem, want zijn mond laat hem geen rust. SPR 16:27 Een booswicht delft boosheid op en op zijn lippen ligt als het ware een verzengend vuur. SPR 16:28 Een man met slinkse streken brengt ruzie teweeg en een lasteraar stoot zijn vriend van zich af. SPR 16:29 Een onverlaat troont zijn naaste mee en brengt hem op de weg van de misdaad. SPR 16:30 Wie zijn oog toeknijpt, beraamt slinkse streken; wie zijn lippen samenperst, heeft het kwaad al gereed. SPR 16:31 Grijze haren zijn een heerlijke kroon: op de weg van de gerechtigheid is die kroon te vinden. SPR 16:32 Een lankmoedig man is meer dan een groot strijder en wie zichzelf bedwingt is meer dan wie een stad verovert. SPR 16:33 In de plooi van het kleed wordt het lot geschud, maar wat het ook beslist, het komt van Jahwe. SPR 17:1 Beter een stuk droog brood, met vrede erbij, dan een huis vol feestmaaltijden en tweedracht. SPR 17:2 Een verstandige knecht wordt meester van een minderwaardige zoon en samen met de broers deelt hij de erfenis. SPR 17:3 De smeltkroes toetst het zilver, de oven het goud, maar Jahwe toetst de harten. SPR 17:4 De booswicht luistert naar kwaadaardige taal, de bedrieger is bedacht op heilloos gepraat. SPR 17:5 Wie een arme bespot, beledigt diens Maker; wie zich over een anders ongeluk verheugt, blijft niet ongestraft. SPR 17:6 De kroon van de bejaarden zijn hun kindskinderen en de vaders zijn de roem van hun zonen. SPR 17:7 Voortreffelijke woorden passen niet bij een dwaas; hoeveel te minder passen leugens bij een aanzienlijk man. SPR 17:8 Een steekpenning is een toversteen voor wie ermee werkt: waarheen hij ook gaat, hij heeft succes. SPR 17:9 Wie een misdaad vergeeft is op vriendschap gesteld, maar wie een zaak weer ophaalt, stoot een vriend van zich af SPR 17:10 Een berisping maakt op een verstandig mens meer indruk dan honderd stokslagen op een dwaas. SPR 17:11 De booswicht zoekt alleen weerspannigheid, maar hij krijgt een onbarmhartige bode op zich afgezonden. SPR 17:12 Men kan beter een van haar jongen beroofde berin ontmoeten dan een dwaas die zijn dwaasheid botviert. SPR 17:13 Wie goed met kwaad vergeldt, zal nooit het kwaad van zijn huis zien wijken. SPR 17:14 Wie een twist begint, laat een watervloed los: houdt op voor de ruzie uitbreekt! SPR 17:15 Hij die de zondaar vrijspreekt en hij die de rechtvaardige veroordeelt: zij zijn beiden Jahwe een gruwel. SPR 17:16 Wat baat het geld in de hand van een dwaas? Wil hij er wijsheid mee kopen zonder verstand te hebben. SPR 17:17 Een vriend heeft te allen tijde lief, een broeder is geboren voor de nood. SPR 17:18 Een mens zonder verstand geeft handslag en blijft borg voor zijn naaste. SPR 17:19 Wie de ruzie liefheeft, heeft de misdaad lief. Wie zijn deur hoog maakt, zoekt een instorting. SPR 17:20 Wie verdorven van hart is, vindt geen geluk; wie een slinkse tong heeft, stort in het ongeluk. SPR 17:21 Wie een dwaas verwekt, bezorgt zich verdriet; de vader van een zot kent geen blijdschap. SPR 17:22 Een blij hart bevorderd de genezing, maar neerslachtigheid verdort het gebeente. SPR 17:23 De zondaar neemt omkoopgeld aan uit de plooi van het kleed om de wegen van het recht te verdraaien. SPR 17:24 De verstandige heeft de wijsheid voor ogen, maar de ogen van de dwaas zijn gericht op de grenzen der aarde. SPR 17:25 Een dwaze zoon is een ergernis voor zijn vader en een verdriet voor haar die hem gebaard heeft. SPR 17:26 Een rechtvaardige beboeten is verkeerd en aanzienlijke mensen slaan is een schending van het recht. SPR 17:27 Wie spaarzaam is met zijn woorden, toont verstand en wie zichzelf beheerst, is een man van inzicht. SPR 17:28 Als hij zwijgt wordt zelfs een dwaas voor wijs gehouden, en als hij zijn lippen op elkaar houdt, geldt hij als verstandig. SPR 18:1 Wie zich afzijdig houdt, zoekt zijn eigen zin en keert zich tegen alle goede raad. SPR 18:2 De dwaas is niet gesteld op inzicht, maar hij loopt graag met zijn gevoelens te koop. SPR 18:3 Waar de zonde komt, komt de smaad en met de schanddaad komt de oneer mee. SPR 18:4 De woorden uit de mond van een man zijn diepe wateren, een bruisende beek, een bron van wijsheid. SPR 18:5 Het is verkeerd de zondaar naar de ogen te zien om bij de rechtspraak de rechtvaardige af te schepen. SPR 18:6 De lippen van de dwaas belanden in ruzie en zijn mond roept om slagen. SPR 18:7 De mond van de dwaas is zijn ondergang en zijn lippen zijn voor hemzelf een valstrik. SPR 18:8 De woorden van een lasteraar zijn als lekkernijen; ze dalen af tot diep in de ingewanden. SPR 18:9 Wie traag is bij zijn arbeid is al een broeder van de vernieler. SPR 18:10 De naam van Jahwe is een machtige toren: de rechtvaardige snelt erheen en is in veiligheid. SPR 18:11 Het bezit van de rijke is voor hem een machtige stad, iets als een veilige muur, in zijn verbeelding. SPR 18:12 Voor de val is het hart van de mens hoogmoedig, maar aan de glorie gaat de deemoed vooraf. SPR 18:13 Antwoord geven alvorens te luisteren is dwaas voor een mens en brengt beschaming. SPR 18:14 Geestkracht houdt de mens in zijn ziekte staande, maar een terneergeslagen gemoed, wie beurt het op? SPR 18:15 Het hart van een verstandig man doet kennis op en het oor van de wijzen zoekt kennis. SPR 18:16 Iemands geschenken banen hem de weg en geven hem toegang tot de aanzienlijken. SPR 18:17 Wie het eerst zijn taak bepleit, heeft gelijk, maar dan komt de ander en voelt hem aan de tand. SPR 18:18 Het lot brengt geschillen tot bedaren en haalt zelfs de machtigen uit elkaar. SPR 18:19 Een verongelijkte broeder is erger dan een machtige stad en geschillen zijn als de grendel van een vesting. SPR 18:20 Van de vrucht van iemands mond worden zijn ingewanden verzadigd en hij verzadigt zich aan wat zijn lippen opleveren. SPR 18:21 Dood en leven hangen af van de tong; wie zijn tong graag gebruikt, zal haar vruchten eten. SPR 18:22 Wie een vrouw vindt, vindt het geluk en ontvangt een gunst van Jahwe. SPR 18:23 De arme spreekt op smekende toon, maar bars is het antwoord van de rijke. SPR 18:24 De man met de vele vrienden gaat zijn ongeluk tegemoet, maar een enkele vriend is aanhankelijker dan een broer. SPR 19:1 Beter een arme die onberispelijk wandelt dan een man met slinkse woorden die een dwaas is. SPR 19:2 IJVER zonder inzicht deugt niet en wie met zijn voeten te vlug is, stapt mis. SPR 19:3 De dwaasheid van de mens brengt hem op de verkeerde weg, en dan is hij nog kwaad op Jahwe! SPR 19:4 Rijkdom bezorgt een man veel vrienden, maar de arme raakt zijn ene vriend nog kwijt. SPR 19:5 Een valse getuige blijft niet ongestraft, een leugenachtige getuige komt er slecht af. SPR 19:6 Velen zoeken de hooggeplaatste gunstig te stemmen en iedereen is de vriend van een vrijgevig man. SPR 19:7 Wanneer de arme al verfoeid wordt door al zijn broers, hoeveel te meer laten hem dan zijn vrienden in de steek: hij roept hun nog woorden na, maar zij zijn weg. SPR 19:8 Wie wijsheid verwerft, heeft zichzelf lief en wie zich door inzicht laat leiden, vindt het geluk. SPR 19:9 Een valse getuige blijft niet ongestraft, een leugenachtige getuige gaat te gronde. SPR 19:10 Het past niet, dat een dwaas de leiding krijgt en nog minder, dat een knecht over vorsten heerst. SPR 19:11 Verstand maakt een man lankmoedig en het is zijn glorie, een fout door de vingers te zien. SPR 19:12 De toorn van een koning is als het gebrul van een leeuw, maar zijn gunst is als dauw op het gras. SPR 19:13 Een dwaze zoon is een ramp voor zijn vader en het geruzie van een vrouw is een druppelend lek. SPR 19:14 Huis en have zijn een erfenis van de vaderen, maar een verstandige vrouw komt van Jahwe. SPR 19:15 Luiheid veroorzaakt diepe slaap en een leegloper moet honger lijden. SPR 19:16 Wie het gebod onderhoudt, onderhoudt zijn leven, maar wie zijn plichten verwaarloost, moet sterven. SPR 19:17 Wie zich over een arme ontfermt, leent aan Jahwe: Hij zal hem zijn weldaad vergelden. SPR 19:18 Kastijd uw zoon, zolang er nog iets van te verwachten valt, en bekommer u niet om zijn gejammer. SPR 19:19 Wie zich in zijn woede laat gaan, moet er maar voor boeten, want als gij wilt helpen, maakt gij het nog erger. SPR 19:20 Luister naar raad en aanvaard terechtwijzingen, dan zult gij tenslotte wijzer worden. SPR 19:21 In het hart van een man gaan veel plannen om, maar wat Jahwe besluit, dat komt tot stand. SPR 19:22 Wat van een man verlangd wordt, is betrouwbaarheid en een arme is beter dan een leugenaar. SPR 19:23 De vrees voor Jahwe voert tot het leven; door haar slaapt men verzadigd, van geen onheil bezocht. SPR 19:24 De luiaard doopt zijn hand in de schotel, maar hij brengt haar niet eens terug naar zijn mond. SPR 19:25 Tuchtig de spotter en de onnozele wordt verstandig; berisp de wijze en hij krijgt er inzicht door. SPR 19:26 Wie zijn vader mishandelt en zijn moeder op de vlucht drijft is een schandelijk slechte zoon. SPR 19:27 Houdt gij op, mijn zoon, naar vermaningen te luisteren, dan raakt gij ver weg van wat het verstand zegt. SPR 19:28 Een boosaardig getuige spot met het recht en de mond van de zondaars zwelgt in het kwaad. SPR 19:29 Voor de spotters liggen straffen gereed, en slagen voor de rug van de dwazen. SPR 20:1 De wijn is een spotter, de drank een lawaaimaker en niemand die zich daaraan te buiten gaat wordt wijs. SPR 20:2 Het dreigen van een koning is als het gebrul van een leeuw: wie zijn toorn opwekt, verspeelt zijn leven. SPR 20:3 Het strekt een man tot eer zich van twisten te onthouden, maar een dwaas maakt altijd ruzie. SPR 20:4 Als de herfst begint, ploegt de luiaard niet, maar zoekt hij in de oogsttijd, dan valt er niets te halen. SPR 20:5 Diepzittend water: dat is het voornemen in het hart van de mens, maar een man van inzicht haalt het naar boven. SPR 20:6 Veel mensen verkondigen luid hun eigen trouw, maar iemand op wie men kan bouwen: wie vindt die? SPR 20:7 De rechtvaardige gedraagt zich onberispelijk: gelukkig de zonen die na hem komen. SPR 20:8 De koning, op zijn rechterstoel gezeten, verjaagt met zijn blik alle kwaad. SPR 20:9 Wie kan zeggen: `Ik heb mijn hart gelouterd, ik ben gezuiverd van mijn zonde?' SPR 20:10 Tweeërlei gewichten, tweeërlei maten: zowel het een als het ander is een gruwel voor Jahwe. SPR 20:11 Een jongeman laat zich al kennen door zijn daden en men ziet eraan, of zijn gedrag zuiver is en rechtschapen. SPR 20:12 Het oor dat hoort en het oog dat ziet, ze zijn allebei door Jahwe gemaakt. SPR 20:13 Heb de slaap niet lief, want dan vervalt gij tot armoede. Houd uw ogen open: dan hebt gij in overvloed uw brood. SPR 20:14 `Waardeloos! Waardeloos!' roept de koper en als hij verdwijnt, wenst hij zichzelf geluk. SPR 20:15 Al heeft men goud en een massa koralen, verstandige lippen zijn het kostbaarste kleinood. SPR 20:16 Pak zijn kleed maar, want hij is voor een vreemde borg gebleven, en neem hem maar als pand voor een ander! SPR 20:17 Het brood van de leugen mag iemand aangenaam smaken, maar later zit zijn mond vol grind. SPR 20:18 Plannen komen door beraad tot stand: voer oorlog met beleid. SPR 20:19 Wie praatzuchtig rondgaat, verraadt geheimen. verkeer niet met een loslippig man. SPR 20:20 Wie zijn vader en zijn moeder verwenst, diens lamp gaat uit op het ogenblik van de duisternis. SPR 20:21 Een bezit dat met gierigheid begonnen is zal zonder zegen eindigen. SPR 20:22 Zeg toch niet: `Ik zal het kwaad vergelden.' Vertrouw op Jahwe en Hij zal u bevrijden. SPR 20:23 Twee gewichten zijn Jahwe een gruwel en een vervalste weegschaal is verkeerd. SPR 20:24 Van Jahwe komen de schreden van een man: hoe kan de mens zijn eigen weg begrijpen? SPR 20:25 Het is voor de mens een valstrik, iets ondoordacht heilig te noemen en pas na zijn gelofte na te denken. SPR 20:26 Een wijze koning verjaagt de zondaar en laat het rad over hem heengaan. SPR 20:27 De geest van de mens is een lamp van Jahwe: hij doorzoekt al de diepten van zijn ingewanden. SPR 20:28 Liefde en trouw behoeden een koning en hij schraagt zijn troon met liefde. SPR 20:29 Het sieraad van de jongemannen is hun kracht, de luister van de bejaarden zijn hun grijze haren. SPR 20:30 Bloedige striemen polijsten de wil en slagen zuiveren de diepten van de ingewanden. SPR 21:1 Een waterloop: dat is het hart van de koning in Jahwe's hand: Hij leidt het waarheen het Hem behaagt. SPR 21:2 Heel het gedrag van een mens mag in zijn eigen ogen rechtschapen zijn, maar Jahwe toetst de harten. SPR 21:3 Dat men gerechtigheid en recht doet is Jahwe aangenamer dan een offer. SPR 21:4 Trotse ogen en een verwaten hart: de lamp van de bozen is de zonde. SPR 21:5 De plannen van de ijverige mens brengen gewin, maar ieder die zich overhaast komt tot gebrek. SPR 21:6 Schatten verwerven door leugentaal: dat is de vluchtige leegheid van hen die de dood zoeken. SPR 21:7 De zondaars worden meegesleurd door hun geweld, omdat zij weigeren recht te doen. SPR 21:8 Kronkelig is de weg van de zondige mens, maar van de reine mens zijn de daden rechtschapen. SPR 21:9 Men kan beter op de punt van het dak zitten dan samenhuizen met een twistzieke vrouw. SPR 21:10 Het verlangen van de zondaar richt zich op het kwaad; zijn naaste vindt in zijn ogen geen genade. SPR 21:11 De onnozele wordt wijs, als de spotter gestraft wordt, maar als men de wijze onderricht, doet hij kennis op. SPR 21:12 De Gerechte houdt het huis van de boze in het oog en Hij stort de zondaars in het verderf. SPR 21:13 Wie zijn oor gesloten houdt voor de kreet van de arme, hij zal ook zelf eens roepen en geen antwoord krijgen. SPR 21:14 Een stille gift doet de toorn bedaren en een geschenk in de plooi van het kleed stilt een hevige gramschap, SPR 21:15 Recht doen is een vreugde voor de rechtvaardige, maar een verschrikking voor de boosdoeners. SPR 21:16 De mens die afdwaalt van de weg van het verstand komt in de vergadering van de schimmen terecht. SPR 21:17 Wie van feestvieren houdt, wordt een behoeftig man en wie van wijn en olie houdt, wordt niet rijk. SPR 21:18 De zondaar is de losprijs voor de rechtvaardige: de trouweloze komt in de plaats van de rechtschapenen. SPR 21:19 Het is beter in een woestenij te wonen dan met een twistzieke, gemelijke vrouw. SPR 21:20 De wijze heeft kostbare schatten en olie in huis, maar de dwaas jaagt zijn bezit erdoor. SPR 21:21 Wie gerechtigheid nastreeft en goedheid, hij vindt leven, heil en glorie. SPR 21:22 De wijze klautert tegen een stad van helden op en haalt het bolwerk neer waarop zij vertrouwden. SPR 21:23 Wie behoedzaam is met zijn mond en zijn tong behoedt zichzelf voor benauwenissen. SPR 21:24 De verwaten trotsaard spotter is zijn naam handelt in mateloze trots. SPR 21:25 De begeerte van de luiaard wordt zijn dood, omdat zijn handen weigeren te werken. SPR 21:26 Hij blijft maar begeren, de hele dag door, maar de rechtvaardige geeft en is niet karig. SPR 21:27 Het offer van de zondaars is een gruwel, vooral wanneer het met slechte bedoelingen gebracht wordt. SPR 21:28 Een leugenachtige getuige komt ten val, maar de man die weet te luisteren zal altijd kunnen spreken. SPR 21:29 De zondige mens zet een stalen gezicht, maar de oprechte geeft aan zijn wandel vastheid. SPR 21:30 Geen wijsheid, geen inzicht en geen beleid houdt stand tegenover Jahwe. SPR 21:31 Een paard wordt opgetuigd voor de dag van de strijd, maar de overwinning komt van Jahwe. SPR 22:1 Een goede naam gaat boven grote rijkdom en aanzien is beter dan zilver en goud. SPR 22:2 Rijken en armen ontmoeten elkaar: Jahwe heeft hen allen gemaakt. SPR 22:3 De schrandere ziet het onheil en bergt zich, maar de onverstandigen gaan hun gang en krijgen hun straf. SPR 22:4 Het loon van de ootmoed en van de vrees voor Jahwe is rijkdom en glorie en leven. SPR 22:5 Doornen en valstrikken liggen op de weg van de verdorvene, maar wie bezorgd is voor zijn leven, houdt zich daar ver van. SPR 22:6 Onderricht de knaap, hoe zijn weg dient te zijn en zelfs in zijn ouderdom wijkt hij er niet van af. SPR 22:7 De rijke heerst over de arme en wie leent wordt de slaaf van wie uitleent. SPR 22:8 Wie onrecht zaait zal onheil oogsten en de roede van zijn verwatenheid wordt vernietigd. SPR 22:9 Iemand met een vriendelijk oog wordt gezegend, want hij geeft van zijn brood aan de arme. SPR 22:10 Verjaag de spotter en de ruzie is afgelopen en het is gedaan met twisten en schelden. SPR 22:11 Degene die de zuiverheid van hart bemint en aangenaam kan spreken, heeft de koning tot vriend. SPR 22:12 De ogen van Jahwe behoeden het weten, maar Hij verijdelt de woorden van de trouweloze. SPR 22:13 De luiaard zegt: `Er loopt een leeuw op straat! Als ik op het plein kom ga ik er aan!' SPR 22:14 De mond van vreemde vrouwen is een diepe kuil: degene op wie Jahwe vertoornd is valt er in. SPR 22:15 Als de dwaasheid vastzit in het hart van een jongeman, wordt zij er door de tuchtroede uit verwijderd. SPR 22:16 Verdrukt men de arme, dan brengt het hem voordeel; geeft men aan de rijke, dan komt er alleen maar gebrek van. SPR 22:17 Neig uw oor en luister naar de woorden van de wijzen: richt uw hart op wat ik weet. SPR 22:18 Het is immers goed, dat gij ze bewaart in uw binnenste en dat zij alle tezamen op uw lippen liggen. SPR 22:19 Om u op Jahwe te doen vertrouwen geef ik heden mijn onderricht aan u, ja aan u. SPR 22:20 Voorwaar, ik heb er een dertigtal voor u opgetekend, raadgevingen vol inzicht, SPR 22:21 om u waarheid te leren, betrouwbare woorden, zodat gij aan hem die u zendt een betrouwbaar antwoord kunt geven. SPR 22:22 Beroof de arme niet, omdat hij arm is, en vertrap de behoeftige niet in de poort, SPR 22:23 want Jahwe neemt hun zaak in handen en Hij berooft hun berovers van het leven. SPR 22:24 Ga niet om met een driftkop, en geef u niet af met een heethoofd: SPR 22:25 gij zoudt u aan zijn paden gewennen en een valstrik spannen voor uzelf. SPR 22:26 Behoor niet tot degenen die handslag geven, die borg blijven voor schulden. SPR 22:27 Waarom zoudt gij, als gij niet betalen kunt, uw bed onder u laten weghalen? SPR 22:28 Verleg de aloude grenssteen niet, die uw vaderen hebben neergezet. SPR 22:29 Ziet gij een man die vaardig is in zijn werk? Hij mag in dienst staan van koningen en zal geen onaanzienlijke lieden dienen. SPR 23:1 Als gij neerzit om met een heerser te eten, wees dan voorzichtig met wat voor u staat. SPR 23:2 Zet u een mes op de keel, als gij een gulzig heerschap zijt! SPR 23:3 Wees niet begerig naar zijn lekkernijen, want het is een maaltijd waar bedrog in steekt. SPR 23:4 Maak u niet moe om rijk te worden en houd ermee op, uw verstand daartoe te gebruiken. SPR 23:5 Gij richt uw ogen op de rijkdom en hij is verdwenen: hij maakt zich vleugels en als een adelaar vliegt hij hemelwaarts. SPR 23:6 Eet niet het maal dat een gierigaard u voorzet en wees niet begerig naar zijn lekkernijen, SPR 23:7 want hij is als iemand die bij zichzelf zit te rekenen. Eet en drink! zegt hij tegen u, maar zijn hart is niet met u. SPR 23:8 Het maal dat gij gegeten hebt zult gij weer uitspuwen en uw vriendelijke woorden hebt gij verspild. SPR 23:9 Spreek niet ten aanhoren van een dwaas, want hij minacht uw verstandige woorden. SPR 23:10 Verleg de aloude grenssteen niet en zet uw voet niet op het veld van de wezen, SPR 23:11 want hun Wreker is sterk en zal hun zaak tegen u in handen nemen. SPR 23:12 Laat uw hart naar vermaningen luisteren en uw oor naar verstandige woorden. SPR 23:13 Onthoud de jongeman geen tuchtiging: als gij hem met de roede slaat, dan gaat hij niet dood. SPR 23:14 Als gij hem slaat met de roede, dan redt gij hem van het dodenrijk. SPR 23:15 Mijn zoon, als uw hart wijs is, dan is ook mijn hart verheugd SPR 23:16 en mijn nieren jubelen, als uw lippen spreken wat recht is. SPR 23:17 Laat uw hart de zondaars niet benijden, maar in de vrees voor Jahwe volharden, altijddoor, SPR 23:18 want dan is er een toekomst voor u en wordt uw verwachting niet afgesneden. SPR 23:19 Luister, mijn zoon, en word wijs en leid uw hart op de rechte weg. SPR 23:20 Behoor niet tot degenen die zich aan wijn bedrinken, tot degenen die zich te buiten gaan aan vlees, SPR 23:21 want die drinkers en die eters worden arm en de slaap hult hen in lompen. SPR 23:22 Luister naar uw vader: hij heeft u verwekt; en minacht niet uw moeder als zij oud is geworden. SPR 23:23 Koop de waarheid en verkoop niet de wijsheid en evenmin de vermaning en het inzicht. SPR 23:24 De vader van een rechtvaardige zal luid juichen en wie een wijze zoon heeft verwekt, verheugt zich over hem. SPR 23:25 Mogen uw vader en uw moeder zich verheugen en moge zij die u gebaard heeft juichen. SPR 23:26 Geef mij uw hart, mijn zoon, en laat uw ogen welgevallen hebben in mijn wegen. SPR 23:27 Want een ontuchtige vrouw is een diepe kuil, een vreemde vrouw is een enge put. SPR 23:28 Als een rover, zo ligt zij op de loer en maakt onder de mensen velen trouweloos. SPR 23:29 Bij wie wordt wee geroepen? Bij wie ach? Bij wie is er ruzie, bij wie gejammer? Bij wie zijn er onnodige wonden? Bij wie fletse ogen? SPR 23:30 Bij hen die blijven zitten bij de wijn, bij hen die diep in het mengvat gaan turen. SPR 23:31 Kijk niet, hoe rood de wijn is, hoe hij u toelacht in de beker, hoe hij vlot naar binnen glijdt, SPR 23:32 Maar later bijt hij als een slang en spuit hij gif als een adder. SPR 23:33 Dan zien uw ogen vreemde dingen en spreekt uw hart verdorven taal. SPR 23:34 Dan zijt gij als een man die midden in zee ligt, als een man die boven op de ra ligt. SPR 23:35 Ze hebben me geslagen, ik voelde geen pijn; ze hebben mij afgeranseld, ik merkte er niets van! Wanneer word ik wakker? Dan ga ik er weer op uit!' SPR 24:1 Benijd de boosdoeners niet en verlang niet naar hun gezelschap; SPR 24:2 want hun hart overweegt geweld en hun lippen spreken onheil. SPR 24:3 Door wijsheid wordt een huis gebouwd en door inzicht wordt het stevig gemaakt. SPR 24:4 Door kennis worden de kamers gevuld met allerlei kostbaar en heerlijk bezit. SPR 24:5 Een wijs man is een sterk man en een man van kennis toont veel kracht; SPR 24:6 want met beleid moet ge oorlog voeren en de overwinning valt daar waar veel raadgevers zijn. SPR 24:7 Voor een dwaas is de wijsheid te verheven en hij doet in de poort zijn mond niet open. SPR 24:8 Hij die op het kwade zint zal een arglistig man genoemd worden. SPR 24:9 Wat de dwaasheid beraamt is zonde en de spotter is de mensen een gruwel. SPR 24:10 Als gij u zwak toont op de dag van de benauwenis, is uw kracht maar gering. SPR 24:11 Red degenen die weggeleid worden om te sterven en behoed toch hen die wankelend ter slachting gaan. SPR 24:12 Als gij zegt: `Wij wisten het immers niet!' Hij die de harten doorgrondt, Hij weet er alles van; en Hij die op u let, neemt het waar en vergeldt de mens naar zijn werken. SPR 24:13 Eet honing, mijn zoon, want die is goed en honingzeem streelt uw gehemelte. SPR 24:14 Iets dergelijks zijn kennis en wijsheid voor uw ziel: als gij ze vindt, is er toekomst voor u en wordt uw hoop niet afgesneden. SPR 24:15 Gij zondaar, belaag de woning van de rechtvaardige niet en verwoest niet zijn verblijfplaats; SPR 24:16 want al valt de rechtvaardige zevenmaal, hij staat weer op, maar de zondaars tuimelen neer in het kwaad. SPR 24:17 Verheug u niet, als uw vijand valt, en laat uw hart niet juichen, als hij tuimelt. SPR 24:18 Anders zou Jahwe dat zien en het misprijzen en zijn toorn van hem afwenden. SPR 24:19 Wees niet jaloers op boosdoeners en benijd de zondaars niet, SPR 24:20 want voor de boze is er geen toekomst en de lamp van de zondaars gaat uit. SPR 24:21 Mijn zoon, vrees Jahwe en de koning en laat u niet in met andersgezinden; SPR 24:22 want plotseling komen die twee met hun onheil: wie kent de rampspoed die zij teweegbrengen? SPR 24:23 Verdere woorden van de wijzen. Partijdigheid bij de rechtspraak deugt niet. SPR 24:24 Wie tot de schuldige zegt: `U bent onschuldig' hij wordt door de volken vervloekt, door de naties verwenst. SPR 24:25 Maar zij die weten te straffen worden gelukkig en over hen komt rijke zegen. SPR 24:26 Wie een oprecht antwoord geeft, hij drukt een kus op de lippen. SPR 24:27 Doe eerst uw werkzaamheden buiten en maak de arbeid op de akker af: dan kunt gij daarna uw huis gaan bouwen. SPR 24:28 Wees geen lichtvaardig getuige tegen uw naaste: zoudt gij met uw lippen bedriegen? SPR 24:29 Zeg niet: `Zoals hij mij heeft gedaan, doe ik hem! Ik zal die man naar zijn werken vergelden!' SPR 24:30 Ik kwam langs de akker van een luiaard en langs de wijngaard van iemand zonder verstand. SPR 24:31 En jawel! Er groeiden alleen maar distels en onkruid bedekte de grond; zijn stenen muur was ingestort. SPR 24:32 Ik bekeek het, ik dacht erover na, Ik zag het en ik trok er lering uit: SPR 24:33 Nog even slapen, nog even rusten, nog even de armen over elkaar en liggen! SPR 24:34 Zo komt de armoede op u toe en het gebrek, als een welbewapend man. SPR 25:1 Verdere spreuken van Salomo, bijeengebracht door de mannen van Hizkia, de koning van Juda. SPR 25:2 Het is de glorie van God, dingen verborgen te houden; de glorie van de koningen is het, dingen te doorgronden. SPR 25:3 De hoogte van de hemel, de diepte van aarde, en het hart van de koningen, ze zijn ondoorgrondelijk. SPR 25:4 Haal het schuim weg van het zilver en de edelsmid maakt het tot een stralend schoon stuk. SPR 25:5 Haal de zondaar weg bij de koning en zijn troon staat vast door gerechtigheid. SPR 25:6 Doe niet aanmatigend in het bijzijn van de koning en ga niet op de plaats van de aanzienlijken staan, SPR 25:7 want men kan beter tot u zeggen: `Kom hierheen, hogerop!' dan dat men in het bijzijn van een aanzienlijke u een lagere plaats wijst. Wat uw ogen hebben gezien, SPR 25:8 breng dat niet overijld te pas bij een twist: Wat moet gij dan tenslotte doen, als uw naaste u beschaamd maakt? SPR 25:9 Vecht uw zaak uit met uw naaste, maar verraad niet het geheim van een ander. SPR 25:10 Als iemand dat hoort, zou hij u honen en uw slechte naam zou niet meer verdwijnen. SPR 25:11 Gouden appels op een zilveren pronkschaal: dat is een woord, als het te rechter tijd wordt gesproken. SPR 25:12 Een gouden ring en een kostbaar sieraad: dat is een wijze vermaner en een oor dat luistert. SPR 25:13 Als koele sneeuw op een dag in de oogsttijd is een betrouwbare bode voor hen die hem zenden: hij verkwikt het gemoed van zijn meester. SPR 25:14 Wolken en wind en toch geen regen: dat is een man die ophef maakt van een geschenk dat niet komt. SPR 25:15 Door geduld laat een heerser zich vermurwen en een zachte tong kan beenderen breken. SPR 25:16 Vindt gij honing, eet dan alleen wat ge nodig hebt: anders krijgt gij er te veel van en spuwt gij het uit. SPR 25:17 Zet zelden uw voet in het huis van uw naaste: anders krijgt hij te veel van u en gaat hij u haten. SPR 25:18 Een knots, een zwaard, een scherpe pijl: dat is iemand die met een vals getuigenis tegen zijn naaste optreedt. SPR 25:19 Een brokkelige tand, een zwikkende voet: dat is de steun die een trouweloze biedt op de dag van de benauwenis. SPR 25:20 Zijn kleed uittrekken op een koude dag of azijn gieten op loogzout: dat doet degene die liedjes zingt in het bijzijn van iemand die bedroefd van hart is. SPR 25:21 Als uw vijand honger heeft, geef hem dan brood om te eten; heeft hij dorst, geef hem dan water om te drinken: SPR 25:22 zo immers stapelt gij gloeiende kolen op zijn hoofd en Jahwe zal het u vergelden. SPR 25:23 De noordenwind baart regenbuien en achterbaks gepraat een misnoegd gezicht. SPR 25:24 Men kan beter op de punt van het dak zitten dan samenhuizen met een twistzieke vrouw. SPR 25:25 Koel water voor een dorstige keel: dat is een goede tijding uit een ver land. SPR 25:26 Een troebele fontein, een vervuilde bron: dat is een rechtvaardige die wankelt als hij tegenover een zondaar staat. SPR 25:27 Veel honing eten is niet goed, maar het onderzoeken van moeilijke dingen is eervol. SPR 25:28 Een open stad, die geen muren meer heeft: dat is een man die zichzelf niet beheerst. SPR 26:1 Zoals sneeuw niet past bij de zomer en regen niet bij de oogsttijd, zo past glorie niet bij een dwaas. SPR 26:2 Zoals een mus wegfladdert en een zwaluw heenvliegt, zo gaat het met een ongegronde vervloeking: zij komt niet uit. SPR 26:3 De zweep is voor het paard, de teugel voor de ezel en de stok voor de rug van de dwazen. SPR 26:4 Antwoord een dwaas niet zo naar zijn domheid dat gijzelf aan hem gelijk wordt. SPR 26:5 Antwoord een dwaas zo naar zijn domheid dat hij niet wijs wordt in zijn eigen ogen. SPR 26:6 Hij hakt zichzelf de voeten af en hij drinkt ellende, degene die een boodschap laat overbrengen door een dwaas. SPR 26:7 De benen van een lamme die slap hangen: dat is een spreuk in de mond van de dwazen. SPR 26:8 Zoals het vastbinden van een steen aan een slinger, zo is het geven van eer aan een dwaas. SPR 26:9 Een doorn die steekt in de hand van een dronkaard: dat is een spreuk in de mond van een dwaas. SPR 26:10 Een schutter die iedere voorbijganger treft is hij die een dwaas en een dronkaard in dienst neemt. SPR 26:11 Als een hond die naar zijn braaksel terugkeert is de dwaas die zijn domheid herhaalt. SPR 26:12 Ziet gij een man die wijs is in zijn eigen ogen, dan is er meer hoop voor een dwaas dan voor hem. SPR 26:13 De luiaard zegt: `Er loopt een leeuw op straat! Op het plein loopt een leeuw!' SPR 26:14 De deur draait op de deurpin, de luiaard op zijn bed. SPR 26:15 De luiaard doopt zijn hand in de schotel, maar hij is te moe om haar naar zijn mond terug te brengen. SPR 26:16 Een luiaard is wijzer in zijn eigen ogen dan zeven mensen die verstandige antwoorden geven. SPR 26:17 Hij grijpt een passerende hond bij de oren, de man die zich mengt in een twist die hem niet aangaat. SPR 26:18 Zoals een dolleman die staat te schieten met schichten en pijlen en moordtuig, SPR 26:19 zo is de man die zijn naaste bedriegt en zegt: `Ik doe het toch maar voor de grap.' SPR 26:20 Als er geen hout meer is, gaat het vuur uit. Als er geen lasteraar meer is, houdt de ruzie op. SPR 26:21 Wat een blaasbalg is voor de gloeiende kolen en wat hout is voor het vuur, dat is een twistziek mens als het op ruziestoken aankomt. SPR 26:22 De woorden van een lasteraar zijn als lekkernijen: ze dalen af tot diep in de ingewanden. SPR 26:23 Als zilverglazuur op een potscherf, zo zijn brandende lippen, terwijl het hart boosaardig is. SPR 26:24 Iemand die haat, veinst met zijn lippen, maar in zijn binnenste zint hij op bedrog. SPR 26:25 Ook al spreekt hij vriendelijk, vertrouw hem niet, want er schuilen zeven gruwelen in zijn hart. SPR 26:26 Al verbergt zijn haat zich achter veinzerij, zijn boosaardigheid komt in de vergadering toch aan het licht. SPR 26:27 Wie een kuil graaft, valt er zelf in; wie een steen voortrolt, wordt er zelf door getroffen. SPR 26:28 Een leugenachtige tong haat haar slachtoffers en een gladde mond brengt verderf. SPR 27:1 Roem niet op de dag van morgen, want gij weet niet wat die dag zal baren. SPR 27:2 Een ander moet u roemen, niet uw eigen mond, een vreemde, niet uw eigen lippen. SPR 27:3 Een steen is zwaar en zand weegt veel, maar de ergernis, door een dwaas veroorzaakt, weegt zwaarder dan die twee. SPR 27:4 Woede is onverbiddelijk, toorn is onstuimig, maar wie is er opgewassen tegen jaloezie? SPR 27:5 Een duidelijke berisping is beter dan liefde die verborgen blijft. SPR 27:6 De wonden, door een vriend geslagen, zijn een teken van zijn trouw, maar de kussen van een vijand zijn bedrieglijk. SPR 27:7 Iemand die verzadigd is vertrapt zelfs honing, maar voor een hongerige is al het bittere zoet. SPR 27:8 Zoals een vogel die wegvliegt van zijn nest, zo is een man die wegvlucht van zijn woonplaats. SPR 27:9 Olie en reukwerk verheugen het hart: zo ook een beminnelijke vriend, die goede raad geeft. SPR 27:10 Laat uw eigen vriend en de vriend van uw vader niet in de steek en treedt het huis van uw broeder niet binnen op een dag dat gij door rampspoed wordt getroffen. Een buur dichterbij is beter dan een vriend ver weg. SPR 27:11 Wees wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart: dan kan ik een antwoord geven aan wie mij versmaadt. SPR 27:12 De schrandere ziet het onheil en bergt zich, maar de onverstandigen gaan hun gang en krijgen hun straf. SPR 27:13 Pak zijn kleed maar, want hij is voor een vreemde borg gebleven, en neem hem maar als pand voor een ander! SPR 27:14 Als iemand 's morgens vroeg zijn naaste luidkeels zegent, dan wordt hem dat als een vloek aangerekend. SPR 27:15 Een druppelend lek op een dag met hevige regen en een twistzieke vrouw, ze lijken op elkaar. SPR 27:16 Wie haar opsluit, sluit wind op en zijn rechterhand grijpt olie. SPR 27:17 IJZER wordt met ijzer gescherpt: zo wordt een mens gescherpt door zijn evenmens. SPR 27:18 Wie een vijgeboom verzorgt, zal de vruchten eten, wie zorgt voor zijn meester, wordt geëerd. SPR 27:19 Zoals door het water het gelaat wordt weerspiegeld, zo wordt het de mens door zijn hart. SPR 27:20 Het dodenrijk en de onderwereld raken nooit verzadigd en ook de ogen van de mens raken nooit verzadigd. SPR 27:21 De smeltkroes toetst het zilver, de oven het goud: de mens moet toetsen wat zijn lofprijzer zegt. SPR 27:22 Al stampt gij een dwaas in een vijzel, samen met de graankorrels, met een stamper, dan gaat zijn dwaasheid er nog niet uit. SPR 27:23 Weet goed, hoe het met uw vee staat en zorg voor uw kudde, SPR 27:24 want rijkdom duurt niet eeuwig en een kroon blijft niet van geslacht tot geslacht. SPR 27:25 Als het gras verdwenen is en het nagras zich vertoont en de kruiden op de bergen zijn ingezameld, SPR 27:26 dan hebt gij lammeren voor uw kleding en bokken om een akker te kopen; SPR 27:27 dan hebt gij voldoende geitemelk als voedsel, als voedsel voor uzelf en voor uw huis en als levensonderhoud voor uw dienstmaagden. SPR 28:1 De zondaars vluchten zonder dat iemand hen nazet, maar de rechtvaardigen voelen zich zo veilig als een jonge leeuw. SPR 28:2 Is een land opstandig, dan krijgt het veel koningen, maar door mensen van inzicht en verstand blijft de orde lang duren. SPR 28:3 Een heerser die de armen verdrukt is als een regen die wegspoelt en geen brood brengt. SPR 28:4 Zij die de rechte leer verlaten, prijzen de zondaars; zij die zich aan de rechte leer houden, zijn vertoornd op hen. SPR 28:5 Slechte mensen begrijpen niet wat rechtvaardig is, maar zij die Jahwe zoeken, begrijpen het volkomen. SPR 28:6 Een arme die onberispelijk wandelt is beter dan een man die slinkse wegen gaat en rijk is. SPR 28:7 Wie de rechte leer bewaart, is een verstandige zoon, maar wie met slempers omgaat, maakt zijn vader te schande. SPR 28:8 Wie zijn bezit door rente en woeker vermeerdert, verzamelt het voor degene die medelijden heeft met de arme. SPR 28:9 Als iemand zijn oor afwendt om de rechte leer niet te horen, dan is zelfs zijn gebed een gruwel. SPR 28:10 Wie de rechtschapenen doet afdwalen naar de slechte weg, valt in zijn eigen kuil, maar de vromen erven het geluk. SPR 28:11 De rijkaard is wijs in zijn eigen ogen, maar een verstandige arme doorziet hem. SPR 28:12 Als de rechtvaardigen juichen, is de bijval groot, maar als de zondaars zich verheffen, verbergt zich iedereen. SPR 28:13 Wie zijn zonden verheelt, zal geen voorspoed kennen, maar wie ze belijdt en ze nalaat, zal barmhartigheid ondervinden. SPR 28:14 Gelukkig de mens die altijd de vrees bewaart, maar hij die zijn hart verhardt valt in het ongeluk. SPR 28:15 Een brullende leeuw en een hongerige beer: dat is een zondaar die heerst over een behoeftig volk. SPR 28:16 Een vorst zonder inzicht maakt zich vaak aan afpersing schuldig, maar een die onrechtvaardig gewin haat, hij zal lang leven. SPR 28:17 Een mens die met bloedschuld beladen is zal vluchten tot in zijn graf: houd hem niet tegen! SPR 28:18 Wie onberispelijk wandelt, wordt gered, maar wie slinkse wegen gaat, komt onverhoeds ten val. SPR 28:19 Wie zijn akker bebouwt, verzadigt zich aan brood, maar wie nietigheden najaagt, verzadigt zich aan armoede. SPR 28:20 Een eerlijk man zal rijk gezegend worden, maar wie haast heeft om zich te verrijken, blijft niet ongestraft. SPR 28:21 Partijdigheid deugt niet: voor een stuk brood kan een man zich bezondigen. SPR 28:22 De man met de afgunstige blik heeft haast om rijk te worden, maar hij weet niet dat hij door gebrek bedreigd wordt. SPR 28:23 Wie iemand terechtwijst, zal tenslotte meer gunst genieten dan hij die zijn tong glad maakt. SPR 28:24 Wie zijn vader en moeder besteelt en zegt, dat het geen zonde is, is een metgezel van de vernieler. SPR 28:25 De hebzuchtige veroorzaakt twist, maar als iemand zich op Jahwe verlaat, zal het hem goed gaan. SPR 28:26 Wie zich op zijn eigen hart verlaat, is een dwaas; wie in wijsheid wandelt, wordt gered. SPR 28:27 Hij die aan de arme geeft, lijdt geen gebrek, maar wie zijn ogen voor hem sluit, wordt zwaar vervloekt. SPR 28:28 Als de zondaars zich verheffen, verbergt zich iedereen, maar als zij ten onder gaan, komen de rechtvaardigen aan de macht. SPR 29:1 Een man, die ondanks veel berispingen halsstarrig blijft, zal plotseling gebroken worden, en hij zal niet meer genezen. SPR 29:2 Als de rechtvaardigen aan de macht zijn, verblijdt zich het volk, maar als de zondaars heersen, jammert het volk. SPR 29:3 Een man die de wijsheid liefheeft, verblijdt zijn vader, maar wie met ontuchtige vrouwen omgaat, verkwist zijn vermogen. SPR 29:4 Door recht te doen houdt een koning het rijk in stand, maar een die veel belasting heft, richt het te gronde. SPR 29:5 De man die zijn naaste vleit spant een net uit voor zijn voeten. SPR 29:6 Voor de voeten van de slechte mens ligt een valstrik, maar de rechtvaardige juicht en is verheugd. SPR 29:7 De rechtvaardige erkent het recht van de armen, de zondaar heeft er geen begrip voor. SPR 29:8 Spotters stoken onrust in een stad, maar wijzen temperen de toorn. SPR 29:9 Als een wijs man een rechtszaak heeft met een dwaas, dan kan hij zich kwaad maken of lachen: er komt geen oplossing. SPR 29:10 Bloeddorstige mensen haten de vrome, maar de rechtschapenen zoeken zijn behoud. SPR 29:11 De dwaas lucht al zijn gevoelens, maar de wijze brengt ze tenslotte tot bedaren. SPR 29:12 Als een heerser naar leugens luistert, zijn al zijn dienaren goddelozen. SPR 29:13 De arme en de onderdrukker ontmoeten elkaar: Jahwe geeft aan beiden het licht in hun ogen. SPR 29:14 Als een koning de armen eerlijk hun recht geeft, staat zijn troon voor altijd vast. SPR 29:15 De roede en de terechtwijzing brengen wijsheid bij, maar een losbandige jongeman doet zijn moeder schande aan. SPR 29:16 Als de zondaars aan de macht zijn, wordt de opstandigheid machtig, maar de rechtvaardigen zullen met vreugde hun val zien. SPR 29:17 Tuchtig uw zoon en hij zal u rust verschaffen en vreugde brengen aan uw ziel. SPR 29:18 Waar het visioen ontbreekt, verwildert het volk; als het de rechte leer onderhoudt, is het gelukkig. SPR 29:19 Met woorden wordt een slaaf niet getuchtigd, want al verstaat hij ze, hij stoort zich er niet aan. SPR 29:20 Ziet gij een man die te haastig is met zijn woorden, dan is er voor een dwaas meer hoop dan voor hem. SPR 29:21 Als men zijn slaaf van jongs af vertroetelt, dan wordt hij tenslotte onhandelbaar. SPR 29:22 Een opvliegend man veroorzaakt twist, een driftkop hoopt zonden op. SPR 29:23 De hoogmoed van de mens brengt hem vernedering, maar de nederige verwerft aanzien. SPR 29:24 Wie deelt met een dief haat zichzelf: al heeft hij de vervloeking gehoord, hij zal niets aangeven. SPR 29:25 De vrees voor de mensen betekent een valstrik, maar wie op Jahwe vertrouwt, wordt beschermd. SPR 29:26 Velen zoeken de gunst van de heerser, maar van Jahwe krijgt de mens zijn recht. SPR 29:27 Een boosdoener is een gruwel voor de rechtvaardigen; wie zich rechtschapen gedraagt, is voor de zondaar een gruwel. SPR 30:1 De woorden van Agur, de zoon van Jake, uit Massa. Godsspraak van die man: Ik heb mij vermoeid, o God! Ik heb mij vermoeid, o God, ik kan niet meer! SPR 30:2 Ik was dommer dan ooit een man was en menselijke kennis heb ik niet; SPR 30:3 ik heb geen wijsheid geleerd en ik ken ook niet de wetenschap van de Hoogheilige. SPR 30:4 Wie is ten hemel opgestegen en weer neergedaald? Wie heeft de wind in zijn handen gevat? Wie heeft het water in een kleed gebonden? Wie heeft de grenzen der aarde vastgesteld? Hoe luidt zijn naam? Hoe luidt de naam van zijn zoon, als gij het weet? SPR 30:5 Ieder woord van God is door het vuur gelouterd en Hij is een schild voor wie bij Hem schuilen. SPR 30:6 Aan zijn woorden moogt gij niets toevoegen, want Hij zou u berispen en gij zoudt blijken een leugenaar te zijn. SPR 30:7 Twee dingen vraag ik van U, weiger mij die niet, aleer ik sterf: SPR 30:8 Houd valsheid en leugen verre van mij, geef mij armoede noch rijkdom, doe mij het brood genieten dat mijn rantsoen is, SPR 30:9 opdat ik niet verzadigd raak en U ga verloochenen en ga zeggen: `Wie is Jahwe?' opdat ik niet arm word en ga stelen en mij aan de naam van mijn God vergrijp. SPR 30:10 Belaster een slaaf niet bij zijn meester: hij zou u vervloeken en het zou u duur te staan komen. SPR 30:11 Er is een geslacht dat zijn vader vervloekt en zijn moeder niet zegent; SPR 30:12 er is een geslacht, dat rein is in zijn eigen ogen, maar dat van zijn vuil niet schoon is gewassen; SPR 30:13 er is een geslacht met o zo verwaten ogen, zo hoog geheven wimpers; SPR 30:14 er is een geslacht, dat tanden heeft als zwaarden en een gebit als messen, om uit het land de armen weg te eten, uit het mensenvolk de behoeftigen. SPR 30:15 De bloedzuiger heeft twee dochters, Geef en Geef. Drie dingen worden nooit verzadigd, vier dingen zeggen nooit: `Het is genoeg': SPR 30:16 de onderwereld, de onvruchtbare schoot, het land dat niet met water te verzadigen is en het vuur dat nooit zegt: `Het is genoeg'. SPR 30:17 Een oog dat een vader hoont en de gehoorzaamheid aan een moeder minacht, door de raven aan de beek zal het worden uitgepikt en door de arendsjongen worden opgevreten. SPR 30:18 Drie dingen zijn mij al te wonderbaarlijk, vier dingen begrijp ik niet: SPR 30:19 de weg van de arend door de lucht, de weg van een slang over de rots, de weg van een schip dwars door de zee en de weg van een man naar een jong meisje. SPR 30:20 Zo is ook de weg van de overspelige vrouw, die eet en haar mond afveegt en zegt: `Ik heb geen kwaad gedaan'. SPR 30:21 Om drie dingen beeft de aarde, om vier dingen, die zij niet verdraagt: SPR 30:22 om een slaaf, die koning wordt, om een zot die zich heeft volgegeten, SPR 30:23 om een versmade vrouw die een man krijgt, om een slavin die haar meesteres heeft verdrongen. SPR 30:24 Vier dingen op aarde zijn heel klein, maar ze zijn wijzer dan de wijzen: SPR 30:25 de mieren, een volk dat niet sterk is, zorgen in de oogsttijd voor hun voedsel, SPR 30:26 de klipdassen, een volk dat niet machtig is, vinden hun verblijf in de rotsen; SPR 30:27 de sprinkhanen hebben geen koning, maar zij trekken als geordende scharen op; SPR 30:28 de hagedis kan met de handen gepakt worden, maar zij woont in koningspaleizen. SPR 30:29 Drie zijn er, die een statige tred hebben, en vier een statige gang: SPR 30:30 de leeuw, de held onder de dieren; hij maakt voor niemand rechtsomkeert; SPR 30:31 de haan, de bok en de koning, vergezeld van zijn krijgsvolk. SPR 30:32 Of gij u nu in onbezonnenheid verheft of weloverwogen: hand op de mond! SPR 30:33 Slaat men op de melk, dan komt er boter; slaat men op de neus, dan komt er bloed, slaat men op de toorn, dan komt er ruzie. SPR 31:1 Woorden van Lemuel, de koning van Massa, waarmee zijn moeder hem vermaand heeft. SPR 31:2 Neen, mijn zoon, neen, zoon van mijn schoot, neen, zoon van mijn geloften! SPR 31:3 Geef uw kracht niet aan de vrouwen en uw rijkdom niet aan haar, die koningen te gronde richten. SPR 31:4 Het past koningen niet, Lemuel, het past koningen niet wijn te drinken, en vorsten niet sterke drank te begeren, SPR 31:5 opdat zij niet, al drinkend, de geboden vergeten en het recht van alle noodlijdenden verkrachten. SPR 31:6 Geef sterke drank aan hem die te gronde gaat, wijn aan hem die bedroefd van hart is: SPR 31:7 Laat hem, al drinkend zijn armoede vergeten en zijn ellende niet meer gedachtig zijn. SPR 31:8 Open uw mond voor de stomme, voor het recht van hulpelozen; SPR 31:9 open uw mond en geef een rechtvaardig oordeel en verschaf recht aan de armen en noodlijdenden. SPR 31:10 Een sterke vrouw, wie zal haar vinden? Haar waarde gaat die van koralen ver te boven! SPR 31:11 Het hart van haar man vertrouwt op haar en het zal hem aan winst niet ontbreken. SPR 31:12 Zij brengt hem geluk, geen ongeluk, alle dagen van haar leven. SPR 31:13 Zij zoekt zorgvuldig wol en linnen uit en doet ermee wat haar handen aangenaam vinden. SPR 31:14 Zij is als het schip van een koopman en haalt van verre haar voedsel. SPR 31:15 Zij staat op terwijl het nog nacht is en deelt leeftocht uit aan haar gezin en geeft haar dienstmaagden het deel dat hen toekomt. SPR 31:16 Zij slaat het oog op een akker en koopt die, van de vrucht van haar handen plant zij een wijngaard. SPR 31:17 Zij omgordt haar lenden met kracht en maakt haar armen sterk. SPR 31:18 Zij merkt dat haar ondernemingen slagen: 's nachts gaat haar lamp niet uit. SPR 31:19 Zij strekt de handen uit naar het spinrokken en houdt de weefspoel in haar vingers. SPR 31:20 Zij opent haar hand voor de behoeftige en strekt haar armen uit naar de misdeelde. SPR 31:21 Zij vreest voor haar gezin geen sneeuw, want heel haar gezin is in scharlaken gekleed. SPR 31:22 Zij vervaardigt dekens; Zij is in byssus en purper gekleed. SPR 31:23 Haar man is vermaard in de poorten, als hij daar zetelt met de oudsten van het land. SPR 31:24 Zij vervaardigt linnen kleren en verkoopt ze; zij levert gordels aan de koopman. SPR 31:25 Kracht en luister zijn haar gewaad en zij ziet lachend de komende dag tegemoet. SPR 31:26 Zij opent haar mond en zij spreekt wijsheid; van haar tong komen lieflijke lessen. SPR 31:27 Zij gaat de gangen van haar gezin na en eet haar brood niet in ledigheid. SPR 31:28 Haar zonen staan op en prijzen haar gelukkig, haar man staat op en roemt haar: SPR 31:29 `Veel vrouwen hebben zich wakker gedragen, maar gij overtreft ze alle!' SPR 31:30 Bevalligheid is bedrieglijk, schoonheid vluchtig, maar een vrouw die Jahwe vreest, moet geroemd worden. SPR 31:31 Bejubelt haar om de vrucht van haar handen en roemt haar in de poorten om haar werken. PREDIKER PRED 1:1 De woorden van Prediker, zoon van David, koning in Jeruzalem. PRED 1:2 IJL en ijdel, zegt Prediker, ijl en ijdel, alles is ijdel. PRED 1:3 Wat heeft de mens aan al zijn zwoegen en tobben onder de zon? PRED 1:4 Geslachten gaan en geslachten komen, en de aarde blijft al maar bestaan. PRED 1:5 De zon komt op en de zon gaat onder, en haast zich dan weer naar de plaats waar haar loop begint. PRED 1:6 De wind waait naar het zuiden en draait naar het noorden. Hij draait en draait en waait, en telkens keert hij op zijn draaien terug. PRED 1:7 Alle rivieren stromen naar zee en de zee raakt niet vol. Naar de plaats waar ze begonnen zijn keren de rivieren terug om opnieuw te gaan stromen. PRED 1:8 Het wordt een vermoeiend verhaal en geen mens kan er iets over zeggen. Hij kijkt wel maar ziet niets, hij luistert zonder iets te verstaan. PRED 1:9 Wat geweest is zal weer zijn. Wat gebeurd is zal weer gebeuren: nieuw is er niets onder de zon. PRED 1:10 Er is wel eens iets waarvan men zegt: ` Kijk, dit is iets nieuws! ' Maar dat is niet zo: in vroeger tijden was het er ook al. PRED 1:11 Aan de mensen van vroeger wordt niet meer gedacht, evenmin als aan die van later zal worden gedacht door degenen die na hen komen. PRED 1:12 Ik, Prediker, was koning over Israel in Jeruzalem. PRED 1:13 Ik had mij voorgenomen in alles wat onder de hemel gebeurt ijverig te zoeken naar wijsheid: een trieste bezigheid die God de mens heeft opgelegd om er zich mee af te tobben. PRED 1:14 Ik bekeek al het gedoe onder de zon. En het bleek allemaal ijdel en grijpen naar wind. PRED 1:15 Wat krom is krijg je niet recht en wat ontbreekt kun je niet meetellen. PRED 1:16 Ik zei bij mezelf: Ik heb nu meer wijsheid verworven dan al mijn voorgangers in Jeruzalem. Overvloed van wijsheid en kennis heb ik opgedaan. PRED 1:17 Ik nam mij voor het verschil te leren kennen tussen wijsheid en dwaasheid, tussen kennis en onverstand. Maar ik kwam tot het inzicht: ook dat is grijpen naar wind. PRED 1:18 Want veel wijsheid brengt veel verdriet; en hoe groter de kennis, hoe groter de smart. PRED 2:1 Ik zei bij mezelf: Zoek het eens in het plezier en geniet van het goede. Maar ook dat bleek ijdel. PRED 2:2 Lachen is dwaasheid, zeg ik, en plezier maken levert niet op. PRED 2:3 Zo heb ik het ook eens geprobeerd met de wijn het was de wijsheid die mij dat ingaf : ik wilde erachter komen of in de dwaasheid nu het geluk ligt waar de mens en voor werken onder de zon, heel hun kortstondig bestaan. PRED 2:4 Ik heb grootse werken ondernomen. Huizen heb ik gebouwd en wijngaarden geplant. PRED 2:5 Ik heb tuinen en parken aangelegd en ze met allerlei fruitbomen volgeplant. PRED 2:6 Ik heb vijvers aangelegd om een bos van jonge bomen te bevloeien. PRED 2:7 Ik kocht slaven en slavinnen en kreeg er nog bij door geboorte. Mijn veestapel, runderen en schapen, was groter dan die van al mijn voorgangers in Jeruzalem. PRED 2:8 Ook kostbaarheden stapelde ik op: zilver en goud uit alle koninkrijken en provincies. Ik hield er zangers en zangeressen op na, en vrouwen, mooie vrouwen, waar een man van geniet. PRED 2:9 Zo was ik machtiger en rijker dan al mijn voorgangers in Jeruzalem; bovendien had ik nog mijn wijsheid. PRED 2:10 Niets wat mijn ogen begeerden heb ik ze onthouden; geen genoegen heb ik mij ontzegd. Naar hartelust genoot ik van alles wat ik verworven had. Dat althans had ik met mijn zwoegen bereikt. PRED 2:11 Maar toen ik terugzag op alles wat ik gepresteerd had en op al de moeite die mij dat gekost had, stelde ik vast: het is allemaal ijdel en grijpen naar wind. Er valt niets mee te winnen onder de zon. PRED 2:12 Toen richtte ik mijn aandacht weer op de wijsheid en vergeleek ze met dwaasheid en onverstand. Wat kan een opvolger doen? Niets meer dan zijn voorganger. PRED 2:13 Ik weet wel dat wijsheid iets voorheeft op dwaasheid, zoals licht iets voorheeft op duisternis: PRED 2:14 een wijze heeft ogen in zijn hoofd, terwijl een dwaas in het duister tast. Maar tegelijk stel ik vast dat beiden eenzelfde lot beschoren is. PRED 2:15 Daarom zei ik bij mezelf: Als mijn lot hetzelfde is als dat van een dwaas, waar heeft mijn wijsheid dan toe gediend? Zo kwam ik tot de slotsom: ook dat is ijdel. PRED 2:16 Aan een wijze blijft men evenmin denken als aan een dwaas. Op de duur worden beiden vergeten. Het is treurig, maar de wijze sterft net als de dwaas. PRED 2:17 Ik werd het leven moe; al het gedoe onder de zon stond mij tegen. Het is allemaal ijdel en grijpen naar wind. PRED 2:18 Het vreselijkste leek mij dat ik alles wat ik met mijn zwoegen onder de zon had bereikt, aan mijn opvolger moest achterlaten. PRED 2:19 En wie weet of hij een wijs man zal zijn of een dwaas? Toch zal hij beschikken over alles wat ik met wijsheid bij elkaar gebracht heb onder de zon. Ook dat is ijdel. PRED 2:20 Ik zag geen enkele zin meer in al mijn zwoegen en tobben onder de zon. PRED 2:21 Want heeft iemand door zijn kennis en wijsheid moeizaam iets gepresteerd, hij moet het toch overlaten aan een ander die er niets voor gedaan heeft. Ook dat is ijdel, onzinnig. PRED 2:22 Wat heeft een mens dan aan zijn gezwoeg, aan al zijn zorgen en tobben onder de zon? PRED 2:23 Zijn leven is een lijdensweg, zijn werk een bron van ellende. Zelfs ' s nachts vindt hij geen rust. Ook dat is ijdel. PRED 2:24 Het beste voor de mens is nog: eten en drinken en genieten van wat hij met veel zwoegen bereikt heeft. Want ook dat, zo begreep ik, komt uit de hand van God. PRED 2:25 Of je het nu goed hebt of in de zorgen zit, het gaat nooit buiten Hem om. PRED 2:26 Aan iemand die Hem bevalt, schenkt God wijsheid, kennis en blijdschap. Maar een zondaar laat Hij moeizaam sparen en vergaren om het dan over te dragen aan iemand die Hem bevalt. Ook dat is ijdel en grijpen naar wind. PRED 3:1 Alles heeft zijn uur, alle dingen onder de hemel hebben hun tijd. PRED 3:2 Er is een tijd om te baren en een tijd om te sterven, een tijd om te planten en een tijd om wat geplant is te oogsten. PRED 3:3 Een tijd om te doden en een tijd om te genezen, een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen. PRED 3:4 Een tijd om te huilen en een tijd om te lachen, een tijd om te rouwen en een tijd om te dansen. PRED 3:5 Een tijd om stenen weg te gooien en een tijd om stenen te verzamelen, een tijd om te omhelzen en een tijd om van omhelzen af te zien. PRED 3:6 Een tijd om te zoeken en een tijd om te verliezen, een tijd om te bewaren en een tijd om weg te doen. PRED 3:7 Een tijd om stuk te scheuren en een tijd om te herstellen, een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken. PRED 3:8 Een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten, een tijd voor oorlog en een tijd voor vrede. PRED 3:9 Wat heeft iemand dan aan al zijn werken en zwoegen? PRED 3:10 Ik overzag de bezigheden die God de mensen heeft opgelegd om er zich mee af te tobben. PRED 3:11 Alles wat Hij doet is goed op zijn tijd; ook heeft Hij de mens besef van duur ingegeven, maar toch blijft Gods werk voor hem van het begin tot het eind ondoorgrondelijk. PRED 3:12 Daarom lijkt het mij voor de mens nog het beste vrolijk te zijn en het er goed van te nemen. PRED 3:13 Als hij kan eten en drinken en genieten van wat hij met al zijn zwoegen bereikt heeft, is dat immers een gave van God. PRED 3:14 Ik kwam tot het inzicht dat alles wat God doet voor altijd blijft: er valt niets aan toe te voegen en niets gaat eraf. God maakt dat de mensen ontzag voor Hem hebben. PRED 3:15 Wat is, was tevoren al; wat zijn zal, is vroeger al geweest. God haalt wat voorbij is steeds weer terug. PRED 3:16 Nog iets anders zag ik onder de zon: op de plaats van het recht heerst onrecht, op de rechterstoel zit de schuldige. PRED 3:17 Ik zei bij mezelf: God oordeelt over goeden en slechten. Want elk ding, elk werk heeft zijn tijd. PRED 3:18 Ik zei bij mezelf: God geeft de mensen wel een eigen plaats maar laat ze toch merken dat ze eigenlijk dieren zijn. PRED 3:19 Want eenzelfde lot treft mensen en dieren: beiden ademen hetzelfde leven, beiden sterven dezelfde dood. De mens heeft dus niets voor op het dier. Alles is ijdel. PRED 3:20 Beiden gaan naar dezelfde plaats: ze zijn voortgekomen uit stof en keren terug tot stof. PRED 3:21 En wie weet of de levensgeest van de mens omhoog gaat en die van het dier omlaag naar de aarde? PRED 3:22 Zo besefte ik dat het voor de mens nog het beste is te genieten van zijn werk. Dat is het enige wat hij heeft. Niemand kan hem immers laten genieten van wat na hem komt! PRED 4:1 Ook werd ik getroffen door al de onderdrukking die er heerst onder de zon. Onderdrukten zie je in tranen, maar niemand die ze troost. Ze gaan gebukt onder de macht van verdrukkers, maar niemand die ze troost. PRED 4:2 Daarom zeg ik: Wie dood en begraven is, is beter af dan een die nog leeft. PRED 4:3 Maar het beste af is hij die nooit werd geboren; hij hoeft al dat ellendig gedoe onder de zon niet mee te maken. PRED 4:4 Ook zag ik dat alles wat mensen tot stand brengen, op onderlinge naijver berust. Ook dat is ijdel en grijpen naar wind. PRED 4:5 Zeker: de dwaas zit met zijn handen over elkaar en ruineert zo zichelf. PRED 4:6 Maar: beter een handjevol rust dan handenvol zwoegen en grijpen naar wind. PRED 4:7 Nog zag ik iets ijdels onder de zon. PRED 4:8 Iemand staat alleen, hij heeft geen zoon of geen broer; niemand heeft hij naast zich. Toch zwoegt hij zonder ophouden en is met zijn rijkdom nooit tevreden. Voor wie beul ik me eigenlijk af en ontzeg ik mij zoveel goede dingen? Ook dat is ijdel, een zinloos gedoe. PRED 4:9 Je kunt beter met tweeen zijn dan alleen; dan heb je iets aan je moeite. PRED 4:10 Als de een valt helpt de ander hem op de been. Maar ongelukkig de alleenstaande die valt: hij heeft niemand om hem overeind te helpen. PRED 4:11 En: twee die bij elkaar slapen hebben het warm. Maar hoe moet iemand die alleen ligt het warm krijgen? PRED 4:12 Iemand alleen kan overweldigd worden, maar met z'n tweeen kun je een aanvaller baas. Een driedubbel koord krijg je heel moeilijk stuk. PRED 4:13 Beter een arme jonge man die wijs is dan een oude koning die dwaas is en geen enkele raad meer aanneemt. PRED 4:14 Ik denk aan zo iemand, die na zijn gevangenschap koning werd en nog wel van het land waar hij arm was geboren. PRED 4:15 Ik zag hele menigten, alle levenden onder de zon, partij kiezen voor die jongeman die de plaats van de oude koning innam. PRED 4:16 Het volk was niet te tellen, iedereen liep achter hem aan. Maar later waren ze ook over hem niet meer tevreden. Ook dat is ijdel en grijpen naar wind. PRED 4:17 wat je doet als je naar het huis van God gaat. Erheen gaan om te luisteren is verstandiger dan er offers te brengen zoals de dwazen: ze beseffen het niet eens wanneer ze kwaad doen. PRED 5:1 Als je voor God staat, wees dan niet te vlug met je tong en spreek niet overijld. Want God is in de hemel en jij bent op aarde. Wees daarom zuinig met je woorden. PRED 5:2 Want te veel werk leidt tot gedroom en te veel praten tot gebazel. PRED 5:3 Heb je God een belofte gedaan, volbreng ze dan zonder uitstel. Hij houdt niet van dwazen. Wat je beloofd hebt moet je volbrengen. PRED 5:4 Je kunt beter niets beloven dan een gedane belofte niet nakomen. PRED 5:5 Zorg dat je door je mond geen schuld op je laadt om dan tegen de priester te zeggen dat het een vergissing was. Waarom zou je God ontstemmen en Hem het werk van je handen teniet laten doen? PRED 5:6 Dromen en ijdele woorden zijn er genoeg. Vrees liever God. PRED 5:7 Als je ziet dat in een bepaald gebied de kleine man onderdrukt wordt en dat recht en rechtvaardigheid worden verkracht, verbaas je dan niet. Want ambtenaren nemen elkaar in bescherming tot de hoogsten toe. PRED 5:8 Bij dit alles is er nog een geluk voor een land: een koning die bekommerd is om de landbouw. PRED 5:9 Wie uit is op geld heeft nooit genoeg en wie uit is op rijkdom wil altijd meer. Ook dat is ijdel. PRED 5:10 Hoe groter je bezit, hoe meer profiteurs. En wat heb je er als eigenaar aan? Je kunt er naar kijken, meer niet. PRED 5:11 Iemand die werkt slaapt goed, of hij nu veel of weinig te eten heeft. Maar een rijke heeft zo'n overvloed dat hij niet rustig kan slapen. PRED 5:12 Nog een grote narigheid zag ik onder de zon: iemand pot rijkdommen op en dan gaat het verkeerd. PRED 5:13 Door tegenslag raakt hij alles kwijt, en zijn kinderen staan met lege handen. PRED 5:14 Zoals een mens uit de schoot van zijn moeder gekomen is moet hij terug: even naakt. Van zijn bezittingen kan hij niets meenemen. PRED 5:15 Inderdaad, het is erg pijnlijk: net zoals hij gekomen is moet hij weer gaan. Wat heeft hij dan bereikt? Hij heeft gezwoegd voor niets. PRED 5:16 Troosteloos was zijn hele bestaan, vol ergernis, ellende en bitterheid. PRED 5:17 Maar iets goeds heb ik toch ontdekt. Wat deugd doet is eten en drinken en van het goede genieten bij alle zwoegen en tobben onder de zon, de korte tijd die God je toemeet. Dat is het enige wat je hebt. PRED 5:18 Inderdaad, als God je welstand en rijkdom schenkt en je de kans geeft ervan te profiteren, als je je deel krijgt en gelukkig bent bij al je werk, dan is dat een gave van God. PRED 5:19 Je denkt dan niet voortdurend aan de kortheid van je bestaan: God geeft je zoveel dat je er helemaal in opgaat. PRED 6:1 Ik zag nog een ander kwaad onder de zon, waar de mensen zwaar onder lijden. PRED 6:2 God geeft iemand rijkdom, welstand en aanzien, alles wat hij maar wensen kan. Maar God laat niet toe dat hij ervan geniet en een vreemde maakt alles op. Dat is ijdel, een trieste zaak. PRED 6:3 Iemand mag honderd kinderen hebben en nog zo lang leven, als hij al die tijd niet van het goede kan genieten en niet eens een begrafenis krijgt, dan zeg ik: een misgeboorte is beter af dan hij. PRED 6:4 Zo'n kind komt ter wereld voor niets en naamloos verdwijnt het in het duister. PRED 6:5 Het heeft nooit de zon gezien, het heeft nergens weet van en kent dus veel meer rust dan die man. PRED 6:6 Dit geldt zelfs als iemand tweeduizend jaar zou leven, zonder het geluk te vinden. Gaan allen tenslotte niet naar dezelfde plaats? PRED 6:7 De mens zwoegt aldoor om zijn honger te stillen, maar hij heeft nooit genoeg. PRED 6:8 Wat heeft een wijze voor op een dwaas; wat heeft een arme eraan te weten wat er in de wereld te koop is? PRED 6:9 Beter genieten van wat je pakken kunt dan begerig achter iets aan blijven lopen. Ook dat is ijdel en grijpen naar wind. PRED 6:10 Wat is, werd lang geleden vastgesteld; men weet dat een mens het niet kan opnemen tegen de Sterkere. PRED 6:11 Hoe meer woorden, hoe meer onzin. En wat heb je daaraan? PRED 6:12 Niemand weet immers wat goed is voor de mens in dit ijdel, kortstondig bestaan dat als een schaduw voorbijgaat. En niemand kan hem vertellen wat er na hem komt onder de zon. PRED 7:1 Een goede naam is beter dan goede parfum, een sterfdag beter dan een geboortedag. PRED 7:2 Je kunt beter naar een begrafenis dan naar een feest gaan. Want de begrafenis is het einde van iedere mens en de levenden doen er goed aan dat te bedenken. PRED 7:3 Je kunt beter huilen dan lachen. Want achter een treurig gezicht kan een opgewekt gemoed schuilgaan. PRED 7:4 Iemand die wijs is gaat liever naar een feest. PRED 7:5 Je kunt beter luisteren naar de verwijten van een wijze dan naar de toejuichingen van dwazen. PRED 7:6 Het lachen van dwazen is als het geknetter van dorens onder een ketel. Ook dat is ijdel. PRED 7:7 Chantage brengt een wijs man tot dwaze dingen en door steekpenningen wordt hij corrupt. PRED 7:8 Beter iets aan het einde beoordelen dan aan het begin, beter geduldig zijn dan verwaand. PRED 7:9 Wind je niet al te gauw op; zich opwinden is eigen aan dwazen. PRED 7:10 Vraag niet waarom de tijden vroeger beter waren dan nu; zoiets vragen getuigt niet van wijsheid. PRED 7:11 Wijsheid is beter dan bezit, iedereen die de zon ziet heeft daar baat bij. PRED 7:12 Wijsheid en geld geven beide beschutting. Maar de wijsheid heeft dit voor; ze houdt hen die haar bezitten in leven. PRED 7:13 Wat het werk van God betreft: wie kan recht maken wat Hij krom heeft gemaakt? PRED 7:14 Heb je een goede dag, geniet ervan. Heb je een kwade dag, bedenk dan dat God ook die gemaakt heeft. Hij wil eenvoudig niet dat de mens achterhaalt wat de volgende brengt. PRED 7:15 Beide dingen heb ik meegemaakt in mijn ijdel bestaan: rechtvaardige mensen die omkomen ondanks hun rechtvaardigheid en slechte mensen die lang leven ondanks hun slechtheid. PRED 7:16 Wees dus niet al te rechtvaardig en doe niet al te wijs. Je zou wel eens bedrogen uit kunnen komen. PRED 7:17 Maar leef ook niet al te slecht en handel niet als een dwaas. Je zou dood kunnen gaan voor je tijd. PRED 7:18 Het beste is het ene vast te houden en het andere niet los te laten. Wie God vreest houdt het juiste midden. PRED 7:19 Een wijze staat door zijn wijsheid veel sterker dan een heel stadsbestuur. PRED 7:20 Geen mens ter wereld is zo rechtvaardig dat hij alleen maar goed doet en nooit verkeerd. PRED 7:21 Verder: schenk geen aandacht aan het gepraat van de mensen; anders hoor je nog hoe je slaaf je verwenst. PRED 7:22 En je weet best hoe vaak je zelf anderen hebt verwenst. PRED 7:23 Zo heb ik in alles naar wijsheid gezocht. Ik dacht: ` ik wil wijs worden. ' Maar de wijsheid bleef buiten mijn bereik. PRED 7:24 Al wat bestaat is onbereikbaar en onpeilbaar diep. Wie kan erbij? PRED 7:25 Ik heb er mij met alle zorg en ijver op toegelegd om erachter te komen wat wijs en verstandig is en heb alleen maar ontdekt dat boosheid dom en dwaasheid onverstandig is. PRED 7:26 Sommige vrouwen zijn, volgens mij, nog erger dan de dood. Ze zijn een vangnet, hun hart is een val en hun handen zijn boeien. Wie Gods gunst geniet ontsnapt eraan, maar de zondaar raakt erin verstrikt. PRED 7:27 Dit, zegt Prediker, heb ik bij mijn zoeken naar inzicht geleidelijk ontdekt. PRED 7:28 Ik zocht nog verder, maar zonder veel resultaat. Een man op duizend kon ik nog vinden, maar niet een enkele vrouw op de duizend. PRED 7:29 Tenslotte heb ik alleen dit gevonden: naar Gods bedoeling is het leven eenvoudig, maar de mens haalt zich van alles in ' t hoofd. PRED 8:1 Wie is werkelijk wijs en wie kent de verklaring der dingen? Wijsheid doet het gezicht stralen en neemt de harde trekken weg. PRED 8:2 Doe wat de koning beveelt, denk aan je eed van trouw. PRED 8:3 Ga niet voortijdig bij hem vandaan, maar blijf hem ook niet lastig vallen met vervelende kwesties. Hij doet alles toch naar eigen goeddunken. PRED 8:4 Het woord van de koning is nu eenmaal wet. Wie zou hem durven vragen: ` Wat doet U? ' PRED 8:5 Wie zich aan de voorschriften houdt, krijgt geen moeilijkheden. Een wijs man voelt aan wanneer en hoe gehandeld moet worden. PRED 8:6 Want voor alles is er een juiste tijd en een juiste aanpak, hoewel de mens grote risico's loopt. PRED 8:7 Hij weet immers niet wat kom en gaat. En wie zou hem dat kunnen vertellen? PRED 8:8 Geen mens is bij machte de wind tegen te houden, evenmin heeft hij de macht over de dag van zijn dood. In de oorlog krijgt niemand verlof en de bozen worden niet gered door hun boosheid. PRED 8:9 Dit is het besluit van mijn bezinning over wat er gebeurt onder de zon, zolang de ene mens macht heeft over de andere, tot diens ongeluk. PRED 8:10 Verder zag ik dat misdadigers een begrafenis krijgen, maar mensen die goed leven moeten weg van de heilige plaats en worden in de stad vergeten. Ook dat is ijdel. PRED 8:11 Omdat slechte dagen niet onmiddellijk worden bestraft, is de mens steeds uit op het kwaad. PRED 8:12 De zondaar blijft immers leven, ook al doet hij honderd keer kwaad. Ik weet wel dat ze zeggen: Wie God vreest zal het goed gaan juist omdat hij God vreest. PRED 8:13 De boze daarentegen zal het slecht gaan, hij leeft maar kort, als een schaduw, juist omdat hij God niet vreest. PRED 8:14 Maar in de wereld doet zich de ongerijmdheid voor dat er rechtvaardigen zijn die het vergaat als de bozen en bozen die het vergaat als de rechtvaardigen. Ik zei: ook dat is ijdel. PRED 8:15 Daarom prees ik de vreugde, want het beste voor de mens onder de zon is nog: eten en drinken en blij zijn. Dat is het enige wat hij heeft bij al zijn gezwoeg, heel het korte bestaan dat God hem geeft onder de zon. PRED 8:16 Ik zocht naar wijsheid en naar de zin van de moeite die de mens zich op aarde getroost. Zelfs als hij zich overdag en ' s nachts geen rust gunt, PRED 8:17 dan nog, stelde ik vast, krijgt hij geen inzicht in het werk van God, in alles wat er gebeurt onder de zon. Hoe hij zich ook inspant, tot inzicht komt hij niet. Zelfs de wijze is daartoe niet in staat, ook al beweert hij van wel. PRED 9:1 Na dit alles te hebben overwogen heb ik duidelijk ingezien dat ook de rechtvaardigen en wijzen met al wat zij doen geheel van God afhankelijk zijn. Wacht hen liefde of haat? Geen mens weet het. Beide zijn mogelijk. PRED 9:2 Allen wacht ook eenzelfde lot: rechtvaardigen en bozen, reinen en onreinen, hen die offers brengen en hen die er geen brengen. Het gaat de goeden net als de zondaars, degenen die eden afleggen net als wie dit vermijden. PRED 9:3 Dat is het trieste van al wat gebeurt onder de zon: eenzelfde lot treft iedereen. Daarom is de mens steeds uit op het kwaad en zit zijn hoofd vol dwaze gedachten zolang hij leeft. Daarna is het toch gedaan. PRED 9:4 Zolang iemand leeft is er nog hoopt. Beter een levende hond dan een dode leeuw. PRED 9:5 Levenden weten tenminste nog dat ze doodgaan, maar doden weten helemaal niets meer. Ze hebben niets meer te verwachten, zelfs hun naam wordt vergeten. PRED 9:6 Hun liefde, hun haat en hun naijver: het is allemaal voorbij. Nooit meer hebben ze deel aan wat zich afspeelt onder de zon. PRED 9:7 Eet daarom je brood met vreugde en drink je wijn met een opgewekt hart. Dat heeft bij voorbaat Gods zegen. PRED 9:8 Ga altijd feestelijk gekleed en zorg steeds voor parfum op je hoofd. PRED 9:9 Geniet van het leven met de vrouw van je hart, heel het ijdel en kortstondig bestaan dat God je geeft onder de zon. Dat is het enige wat je hebt in dit leven voor al je zwoegen en tobben onder de zon. PRED 9:10 Grijp met beide handen de kansen die je nu krijgt, want in de onderwereld waarheen je op weg bent is het gedaan met denken en doen, met kennis en wijsheid. PRED 9:11 Nog iets anders zag ik onder de zon: niet altijd winnen de snelsten de wedloop of de dappersten de oorlog. Het zijn niet altijd de wijzen die te eten hebben, de verstandigen die rijk worden of de deskundigen die bijval krijgen. Alles hangt af van tijd en toeval. PRED 9:12 Bovendien weet geen mens wanneer het zijn tijd is. Zolang een vis ineens gevangen zit in de fuik of een vogel vastraakt in een klapnet, zo wordt ook de mens gestrikt op een kwaad moment dat hem onverwachts overvalt. PRED 9:13 Op het gebied van wijsheid heb ik nog iets meegemaakt onder de zon, waarvan ik diep onder de indruk kwam. PRED 9:14 Er was een klein stadje met weinig inwoners. Een machtige koning rukte op tegen dit stadje, omsingelde het en bouwde grote belegeringswerken. PRED 9:15 Nu was er een arme man die zo wijs was, dat hij het stadje had kunnen redden. Maar niemand schonk aandacht aan die man, want hij was arm. PRED 9:16 Daarom zeg ik: wijsheid mag meer waard zijn dan kracht, de wijsheid van een arme telt niet mee en naar zij n woord wordt niet geluisterd. PRED 9:17 Het rustige betoog van een wijze vindt meer gehoor dan het luide geschreeuw van de dwazen. PRED 9:18 Wijsheid is meer waard dan wapens. Ja, maar een fout kan veel goeds bederven. PRED 10:1 Een dode vlieg bederft de beste parfum. Een beetje dwaasheid kan heel wat wijsheid te niet doen. PRED 10:2 Het hart van een wijze zit rechts, maar dat van een dwaas zit links. PRED 10:3 Waar een dwaas ook loopt, men ziet dat hij geen verstand heeft; hij laat iedereen merken hoe dwaas hij is. PRED 10:4 Als een heerser tegen je uitvalt, verlaat dan niet meteen je post. Kalmte voorkomt grote misstappen. PRED 10:5 Ik heb iets ergs gezien onder de zon, een vergissing die gezagdragers steeds weer maken: PRED 10:6 dwazen krijgen hoge functies en bekwame mensen blijven op een lage post. PRED 10:7 Slaven zag ik hoog te paard en magistraten gingen als slaven te voet. PRED 10:8 wie een kuil graaft kan er in vallen; wie een muur omverhaalt kan door een slang worden gebeten. PRED 10:9 Wie stenen lostrekt kan zich bezeren; een houthakker kan zich verwonden. PRED 10:10 Als je een botte bijl niet slijpt moet je teveel kracht zetten. Met wijsheid heb je meer kans van slagen. PRED 10:11 Bijt een slang omdat ze niet tijdig is bezworen, dan heeft de slangenbezweerder niets aan zijn kunst. PRED 10:12 Woorden van een wijze bezorgen hem bijval, maar het gepraat van een dwaas stort hem in het ongeluk. PRED 10:13 Zo gauw hij zijn mond opendoet praat hij onzin, en wat hij verder nog zegt is baarlijke nonsens. PRED 10:14 Een dwaas heeft over alles iets te zeggen, ofschoon geen mens weet wat komen gaat en niemand hem dat kan vertellen. PRED 10:15 De dwaas zwoegt maar en mat zich af, maar hij weet niet eens hoe hij in de stad moet komen. PRED 10:16 Wee u, land, als uw koning te jong is en uw magistraten ' s morgens vroeg al aan tafel zitten. PRED 10:17 Gelukkig land, als uw koning een man van adel is en uw magistraten aan tafel gaan wanneer het hoort, om zich te sterken en niet om zich te bedrinken. PRED 10:18 Als iemand lui is verzakt het gebinte, en als hij geen hand uitsteekt regent het binnen. PRED 10:19 Eten doet men voor zijn plezier en wijn brengt vreugde in het leven: voor geld is alles te krijgen. PRED 10:20 Verwens een rijke niet eens in je slaapkamer, een koning zelfs niet in je gedachten; want de vogels in de lucht vertellen het verder en op hun vleugels dragen ze het uit. PRED 11:1 Gooi je brood op het water; na lange tijd vind je het misschien terug. PRED 11:2 Beleg je bezit in zeven of acht zaken; je weet niet welke ramp de aarde kan treffen. PRED 11:3 Als de wolken vol zitten, gieten ze regen uit over het land. Een boom kan naar het zuiden vallen of naar het noorden, maar zoals hij valt blijft hij liggen. PRED 11:4 Wie alsmaar let op de wind komt aan zaaien niet toe, en wie naar de wolken blijft kijken komt niet tot oogsten. PRED 11:5 Evenmin als je weet hoe in de moederschoot het leven ontstaat, evenmin weet je iets van het werken van God, de maker van alles. PRED 11:6 Begin in de morgen te zaaien en gun je hand tot de avond geen rust. Je weet immers niet of het de ene keer lukt of de andere, of dat het beide keren goed uitvalt. PRED 11:7 Het licht is zalig en het is een weldaad voor de ogen de zon te zien. PRED 11:8 Hoe lang iemand ook leeft, laat hij genieten van elke dag en bedenken dat er nog donkere dagen genoeg zullen zijn en dat alles wat daarna komt ijdel is. PRED 11:9 Jongeman, geniet van je jeugd en neemt het ervan zolang je nog jong bent. Doe wat je hart je ingeeft en wat je ogen begeren. Maar besef dat God je over alles rekenschap vraagt. PRED 11:10 Zet alle zorgen van je af en houd alle kwalen van je lijf, want jeugd en morgenlicht zijn zo voorbij. PRED 12:1 Houd je schepper in ere zolang je nog jong bent, eer de kwade dagen komen en de jaren dat je zegt: het bevalt me niet meer. PRED 12:2 Eer het zonlicht verduistert, de maan en de sterren verbleken, en de wolken na de regen blijven hangen. PRED 12:3 Als het zover is staan de huisbewakers te beven en lopen de sterke mannen gebogen. De weinige maalsters die er nog zijn staken hun werk, de vrouwen aan het venster zien alleen maar duisternis. PRED 12:4 De huisdeur valt in het slot, het geluid van de molen vervaagt, het gefluit van de molen vervaagt, het gefluit van de vogels verstomt, alle tonen sterven weg. PRED 12:5 Onderweg is men overal bang voor en iedere helling schrikt af. De amandel smaakt niet langer, de sprinkhaan ligt zwaar op de maag en de kappervrucht helpt niet meer: de mens is op weg naar zijn laatste verblijf, de rouwklagers staan op straat al te wachten. PRED 12:6 Het zilveren koord knapt af, de gouden schaal breekt, de kruik gaat stuk bij de bron en het scheprad valt gebroken in de put. PRED 12:7 Het stof keer terug naar de aarde waar het vandaan kwam en de levensgeest naar God die hem schonk. PRED 12:8 IJL en ijdel, zegt Prediker, alles is ijdel. PRED 12:9 Prediker was een wijs man, hij heeft het volk veel kennis bijgebracht. Wikkend en wegend heeft hij vele spreuken opgesteld. PRED 12:10 Prediker probeerde goede gezegden te vinden en eerlijk de waarheid onder woorden te brengen. PRED 12:11 Woorden van een wijze zijn prikkels, goed vastzittende spijkers de verzameling ervan. Door een herder werden ze geschonken. PRED 12:12 Tenslotte nog dit: Mijn zoon, wees gewaarschuwd: veel boeken schrijven is een werk zonder eind, en veel studeren put een mens uit. PRED 12:13 Om te besluiten, nu je alles hebt gehoord: vrees God en onderhoud zijn geboden; daar komt voor een mens alles op aan. PRED 12:14 Want van alles wat je doet, zelfs in het verborgene, zal Gods oordeel uitwijzen of het goed is of kwaad. HOOGLIED HOOGL 1:1 Het hooglied van Salomo. HOOGL 1:2 Overstelp mij met de kussen van uw mond, want uw liefkozingen zijn zoeter dan wijn. HOOGL 1:3 Uw zalven zijn heerlijk om te ruiken, de klank van uw naam is als rijk parfum; daarom hebben de meisjes u lief. HOOGL 1:4 Trek mij mee, laat ons vluchten, neem mij mee, o koning, in uw vertrekken! Wij willen juichen, ons met u verblijden, wij willen zingen van uw liefde, zoeter dan wijn: iedereen moet wel van u houden! HOOGL 1:5 Wel ben ik donker, maar toch bekoorlijk, dochters van Jeruzalem, als tenten van Kedar, als paviljoens van Salma. HOOGL 1:6 Minacht mij niet omdat ik donker ben: de zon heeft mij gekleurd. De zonen van mijn moeder waren hard tegen mij: zij lieten mij hun wijngaarden bewaken, zo heb ik voor mijn eigen wijngaard niet kunnen zorgen. HOOGL 1:7 Zeg mij toch, mijn zielsbeminde, waar laat u uw kudde grazen, waar rusten uw schapen in de middag? Moet ik soms als een gesluierde de kudden van uw vrienden afgaan? HOOGL 1:8 Als u niet weet waar hij weidt, schoonste der vrouwen, volg dan het spoor van de kudde en ga uw geiten hoeden bij de tenten der herders. HOOGL 1:9 Mijn vriendin, je bent als de merrie voor Farao's wagen! HOOGL 1:10 Hoe bekoorlijk zijn je wangen tussen de oorhangers, hoe bekoorlijk je hals met de snoeren! HOOGL 1:11 Ik zal gouden hangers voor je laten maken met zilveren balletjes. HOOGL 1:12 Terwijl mijn koning aan tafel is, verspreid mijn nardus zijn geur. HOOGL 1:13 Mijn lief is als een zakje mirre dat rust tussen mijn borsten. HOOGL 1:14 Een tros hennabloemen uit de tuinen van Engedi is mijn lief voor mij. HOOGL 1:15 Wat ben je mooi, mijn vriendin, wat ben je mooi; je ogen zijn als duiven! HOOGL 1:16 U bent mooi, mijn lief, en zo zoet! Ons rustbed is het frisse groen, HOOGL 1:17 en de binten van ons huis zijn van cederhout, de wanden van cypressen. HOOGL 2:1 Ik ben een krokus van de Saronvlakte, een lelietje van dalen! HOOGL 2:2 Ja, als een lelie onder de doornen, zo is mijn vriendin onder de meisjes. HOOGL 2:3 Als een kweeboom tussen het wilde hout, zo is mijn lief onder de jonge mannen. Ik smacht ernaar in zijn schaduw te zitten; zijn vrucht is zoet voor mijn mond. HOOGL 2:4 Hij heeft mij binnengeleid in het wijnhuis waar het schild van de liefde uithangt. HOOGL 2:5 Sterk mij met druivenkoeken, verkwik mij met kweeappels, want ik ben ziek van liefde! HOOGL 2:6 Zijn linkerarm is onder mijn hoofd en zijn rechter om mij heen. HOOGL 2:7 Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem, bij de gazellen en bij de hinden in het veld: wek mijn geliefde niet, maar laat haar sluimeren zolang ze wil. HOOGL 2:8 Hoor, daar is mijn lief! Kijk, daar komt hij aan: springend komt hij over de bergen, over de heuvels komt hij aangesneld. HOOGL 2:9 Mijn lief is als een gazel, hij lijkt wel het jong van een hert. Daar staat hij achter de muur van ons huis. Hij ziet door het venster en kijkt door de tralies naar binnen HOOGL 2:10 Nu roept mijn lief en zegt tegen mij: Sta op, mijn liefste, kom toch, mijn schoonste. HOOGL 2:11 Kijk maar, de winter is heen, de regentijd voorgoed voorbij. HOOGL 2:12 op het veld staan weer bloemen; de tijd om te zingen breekt aan; de roep van de tortel klinkt over het land. HOOGL 2:13 De vijgeboom draagt zijn eerste vruchten al, en wat ruikt de bloeiende wijnstok heerlijk! Sta op, mijn liefste, kom toch, mijn schoonste! HOOGL 2:14 Mijn duif, verscholen in de spleten van de rots, in de holten van de bergwand, laat mij je gezicht zien, laat mij je stem horen, want je stem is zo mooi, je gezicht zo lieftallig! HOOGL 2:15 Vang ons de vossen, de geniepige vossen, die de wijngaard vernielen, onze wijngaard die in bloei staat! HOOGL 2:16 Mijn lief is van mij en ik ben van hem, die tussen lelies weidt. HOOGL 2:17 Kom mijn lief, voor de morgenbries opsteekt en de schaduwen vlieden; wees als de gazel, of het hertejong, op de bergen aan de horizon. HOOGL 3:1 Des nacht op mijn bed zoek ik mijn zielsbeminde, maar hoe ik ook zoek, ik vind hem niet. HOOGL 3:2 Ik sta op, doorkruis de stad, zoek op pleinen en in straten naar mijn zielsbeminde, maar hoe ik ook zoek, ik vind hem niet. HOOGL 3:3 Daar kom ik de wachters tegen die de stad doorkruisen: `Hebt U mijn zielsbeminde gezien?' HOOGL 3:4 Nauwelijks ben ik ze voorbij, of daar vind ik mijn zielsbeminde! Ik pak hem vast en laat hem niet meer los voor ik hem binnengeleid heb in het huis van mijn moeder, in de kamer van haar die mij het leven schonk! HOOGL 3:5 Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem, bij de gazellen en bij de hinden in het veld: wek mijn geliefde niet, maar laat haar sluimeren zolang ze wil. HOOGL 3:6 Wat komt daar aan uit de woestijn, gehuld in wolken van rook, van geurige mirre en wierook, van kruiden uit verre landen? HOOGL 3:7 Het is de draagkoets van Salomo, door zestig van Israëls helden omringd, HOOGL 3:8 allen ervaren krijgers, die het zwaard weten te hanteren; zij dragen het zwaard aan de gordel tegen onraad bij nacht. HOOGL 3:9 Koning Salomo heeft een draagkoets laten maken van cederhout; HOOGL 3:10 de stijlen zijn van zilver, het baldakijn is van goud; de zetel is met purper bekleed; stoffen met emblemen der liefde vormen de wanden. HOOGL 3:11 Dochters van Jeruzalem, ga koning Salomo tegemoet. Hij draagt de kroon waarmee zijn moeder hem heden gekroond heeft; want dit is de dag van zijn huwelijk, de dag van de vreugde zijns harten! HOOGL 4:1 Wat ben je mooi, mijn vriendin, wat ben je mooi! Je ogen achter je sluier zijn als duiven; je lokken zijn als een kudde geiten die neergolven van Gileads bergen. HOOGL 4:2 Je tanden zijn als een kudde schapen die pas geschoren uit het bad komen, twee aan twee, en geen enkele is alleen. HOOGL 4:3 Je lippen zijn een lint van purper, je mond is zo bekoorlijk, je wangen achter je sluier zijn als het hart van een granaatappel. HOOGL 4:4 Je hals is als de toren van David, gebouwd om er trofeeën aan te hangen: duizend schilden hangen rondom, allemaal schilden van helden. HOOGL 4:5 Je beide borsten zijn twee welpen, de tweeling van een gazel, weidend tussen de lelies. HOOGL 4:6 Voordat de morgenbries opsteekt en de schaduwen vlieden ga ik naar de mirreberg en de wierookheuvel. HOOGL 4:7 Je bent volmaakt schoon, mijn vriendin, zonder enig gebrek. HOOGL 4:8 Kom van de Libanon, mijn bruid, kom van de Libanon, kom; daal af van de top van de Amana, van de top van de Senir en de Hermon, de bergen waar leeuwen legeren en panters huizen. HOOGL 4:9 Je hebt me van mijn zinnen beroofd, mijn zuster, mijn bruid! Je hebt me van mijn zinnen beroofd met een blik van je ogen, met een kraal van je snoer! HOOGL 4:10 Hoe heerlijk zijn je liefkozingen, mijn zuster, mijn bruid! Hoeveel zoeter zijn je liefkozingen dan wijn; de geur van je zalven gaat alle reukwerk te boven! HOOGL 4:11 Van honing druipen je lippen, mijn bruid, honing en melk is het onder je tong, de geur van je kleren is als de geur van Libanon. HOOGL 4:12 Een gesloten hof ben je, mijn zuster, mijn bruid, een gesloten hof, een verzegelde bron. HOOGL 4:13 Je staat in bloei als een lusthof vol granaatbomen met kostelijke vruchten, vol hennabloemen en nardusplanten. HOOGL 4:14 nardus en saffraan, kalmus en kaneel, allerlei wierookbomen, mirre en aloë, de fijnste geurige kruiden. HOOGL 4:15 Je bent een bron in een tuin, een fontein van levend water, water dat stroomt van de Libanon. HOOGL 4:16 Steek op, noordenwind, kom, zuidenwind, en blaas over mijn tuin, dat zijn geuren zich verspreiden! Moge dan mijn lief in zijn tuin komen en er genieten van de kostelijke vruchten! HOOGL 5:1 Ik ben al in mijn tuin, mijn zuster, mijn bruid, ik vergaar er mijn mirre en balsem, ik eet er mijn honingraat, ik drink er mijn wijn en mijn melk. Eet vrienden, en drink en word dronken van liefde! HOOGL 5:2 Ik sliep, maar mijn hart was wakker. Daar hoorde ik mijn geliefde kloppen: Doe open, mijn zuster, mijn vriendin, mijn duifje, mijn schoonste. Mijn hoofd is nat van de dauw, mijn lokken zijn vochtig van de nachtelijke nevels. HOOGL 5:3 Maar ik heb mijn kleed al uitgetrokken, moet ik mij weer aankleden? Ik heb mijn voeten gewassen, moeten ze weer vuil worden? HOOGL 5:4 Daarop stak mijn lief zijn hand door het klinkgat. Ik kreeg met hem te doen HOOGL 5:5 en stond op om de deur te openen voor mijn lief. Mijn handen dropen van mirre, van mijn vingers vloeide de mirre op de handgrepen van de sluitboom. HOOGL 5:6 Ik opende de deur voor mijn lief, maar mijn lief was weg, verdwenen. Ik ging achter hem aan; ik zocht naar hem, maar vond hem niet; ik riep naar hem, maar er kwam geen antwoord. HOOGL 5:7 Daar stiet ik op de wachters die de stad doorkruisten. Zij sloegen mij, verwondden mij, ze rukten me mijn sluier af, de wachters van de stad! HOOGL 5:8 Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem, als u mijn lief vindt, zeg hem dat ik ziek ben van liefde! HOOGL 5:9 Wat onderscheidt uw lief van ieder ander, schoonste der vrouwen? Wat onderscheidt uw lief van ieder ander, dat u ons met zoveel klem daarom smeekt? HOOGL 5:10 Mijn lief is blank en blozend, onder tienduizend anderen is hij te herkennen. HOOGL 5:11 Zijn hoofd is van het zuiverste goud, zijn lokken zijn dadelristen, ravezwart. HOOGL 5:12 Zijn ogen zijn duiven aan stromende beken, die zich wassen in melk en baden in overvloed. HOOGL 5:13 Zijn wangen zijn een balsemgaard, torens van reukwerken. Zijn lippen zijn lelies, zij druipen van vloeibare mirre. HOOGL 5:14 Zijn armen zijn staven van goud, met chrysoliet bezet; zijn lijf is van gepolijst ivoor, afgezet met saffieren. HOOGL 5:15 Zijn dijen zijn zuilen van albast, rustend op voetstukken van zuiver goud. Zijn gestalte is als de Libanon, rijzig als een ceder. HOOGL 5:16 Zijn mond is een en al zoetigheid. Hij is de aantrekkelijkheid zelf. Zo is mijn lief, zo is mijn vriend, dochters van Jeruzalem. HOOGL 6:1 Waar is uw lief dan heengegaan, schoonste der vrouwen? Welke richting is hij ingeslagen? Dan zullen wij hem samen met u zoeken. HOOGL 6:2 Mijn lief is naar zijn tuin gegaan, naar zijn balsemgaard, om daar te weiden en er lelies te plukken. HOOGL 6:3 Ik ben van mijn lief en mijn lief is van mij; hij weidt tussen de lelies. HOOGL 6:4 Je bent mooi, mijn vriendin, mooi als Tirsa, bekoorlijk als Jeruzalem, maar ook geducht als een leger in slagorde! HOOGL 6:5 Wend je ogen van mij af, ze brengen me in verwarring. Je lokken zijn als een kudde geiten, die neergolven van Gileads bergen; HOOGL 6:6 je tanden zijn als een kudde ooien die opstijgen uit het bad; twee aan twee, en geen enkele is alleen. HOOGL 6:7 Je wangen achter je sluier zijn als het hart van een granaatappel. HOOGL 6:8 Koninginnen zijn er wel zestig, en bijvrouwen tachtig, en jonge meisjes zijn er zonder tal, HOOGL 6:9 doch zoals mijn duifje, mijn schoonste, is er maar een, zoals zij de enige was voor haar moeder, de lieveling van wie haar baarde. Gelukkig prijzen haar de meisjes die haar zien; de koninginnen en de bijvrouwen roemen haar. HOOGL 6:10 Wie rijst daar op als de dageraad, schoon als de maan, stralend als de zon en geducht als een leger in slagorde? HOOGL 6:11 Ik ging naar de notentuin om te kijken naar de bloesem in het dal, om te zien of de wijnstok uitbotte en de granaten al bloeiden; HOOGL 6:12 en de wagen van Amminadab maakte dat ik mezelf niet meer herkende. HOOGL 7:1 Terug, kom terug, Sulammitische! Terug, kom terug, wij willen u zien! Waarom wilt u de Sulammitische zien? Zij is toch geen straatdanseres? HOOGL 7:2 Hoe welgevormd zijn je voeten in de sandalen, prinses! De ronding van je heupen is als een halssnoer, gemaakt door een kunstenaar. HOOGL 7:3 Je navel is een ronde kom: moge de gekruide wijn er niet ontbreken. Je schoot is als een tarwehoop, door lelies omgeven. HOOGL 7:4 Je beide borsten zijn twee welpen, de tweeling van een gazel. HOOGL 7:5 Je hals is als de ivoren toren, je ogen zijn als de vijvers van Bat rabbim, de poort van Chesbon. Je neus is als de Libanontoren, die uitziet op Damascus. HOOGL 7:6 Je hoofd is als de Karmel, je haarlokken zijn omwonden met een band van koningspurper. HOOGL 7:7 Hoe mooi ben je, mijn liefste, hoe bevallig en bekoorlijk! HOOGL 7:8 Je gestalte is zo slank als een palm, je borsten zijn als druiventrossen. HOOGL 7:9 Ik dacht bij mijzelf: ik klim in die palm en pluk zijn dadels. Laat je borsten voor mij zijn als de trossen van de wijnstok, de reuk van je adem als de geur van kweeappels, HOOGL 7:10 en je mond als zoete wijn. De wijn moet vloeien voor mijn lief, naar binnen druppelen tussen zijn lippen en tanden. HOOGL 7:11 Ik ben van mijn lief; naar mij gaat zijn verlangen uit. HOOGL 7:12 Kom, mijn lief, laten wij naar buiten gaan, laten we overnachten in de dorpen. HOOGL 7:13 Dan trekken we 's morgens vroeg de wijngaarden in om te zien of de wijnstok al uitbot, of de knoppen zijn opengebroken en de granaatbomen al bloeien. Dan zal ik u met liefkozingen overstelpen! HOOGL 7:14 De liefdesappelen geuren reeds en boven onze deur hangen de kostelijkste vruchten, jonge vruchten en oude, die ik bewaard heb voor u, mijn lief! HOOGL 8:1 Was u maar mijn broeder, gevoed aan de borsten van mijn moeder! Dan kon ik u kussen als ik u op straat ontmoette en niemand zou er aanstoot aan nemen! HOOGL 8:2 Ik zou u bij de hand nemen, u in het huis van mijn moeder brengen: u zou mij leren, en ik zou u gekruide wijn te drinken geven en de most van mijn granaatappels. HOOGL 8:3 Zijn linkerarm is onder mijn hoofd. en zijn rechter om mij heen. HOOGL 8:4 Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem, wek mijn geliefde niet, maar laat haar sluimeren zolang ze wil. HOOGL 8:5 Wie komt daar aan uit de woestijn, leunend op de arm van haar lief? Onder de kweeappelboom heb ik je gewekt, daar waar je moeder je ontving, daar waar zij die je baarde je ontvangen heeft. HOOGL 8:6 Draag mij als een zegel op uw hart, als een zegel aan uw arm: want sterk als de dood is de liefde, met de onverbiddelijkheid van het dodenrijk sluit zij ieder ander buiten. Haar vonken zijn bliksemschichten, vlammen van Jahwe. HOOGL 8:7 Geen stortvloed van water kan de liefde blussen, geen rivier spoelt haar weg. Al bood iemand al wat hij bezit voor de liefde, met verachting zou men hem afwijzen. HOOGL 8:8 Een zusje hebben wij, borsten heeft ze nog niet. Wat kunnen we voor ons zusje doen, wanneer men naar haar hand dingt? HOOGL 8:9 Is zij een muur, dan bouwen wij er zilveren kantelen op; is zij een deur, dan bekleden we haar met cederhout. HOOGL 8:10 Ik ben een muur, en mijn borsten zijn de torens. Daarom ben ik in zijn ogen de stad waar men vrede vindt. HOOGL 8:11 Salomo had in Baäl hamon een wijngaard. Hij gaf die aan pachters, die voor het vruchtgebruik duizend sikkel de man moesten betalen. HOOGL 8:12 Mijn wijngaard houd ik voor mijzelf. Die duizend sikkel gun ik u, Salomo, en tweehonderd aan de pachters. HOOGL 8:13 Jij die in de tuin vertoeft, laat mij je stem weer horen, je stem die mannen betovert. HOOGL 8:14 Kom snel, mijn lief, wees als de gazel of het hertejong op de bergen met de balsemstruiken. WIJSHEID WIJSH 1:1 Hebt de gerechtigheid lief, gij die het land bestuurt; richt uw gedachten op de Heer in goede gezindheid en zoekt Hem in eenvoud van hart, WIJSH 1:2 omdat Hij zich laat vinden door wie Hem niet uitdagen en zich toont aan wie niet weigeren in Hem te geloven. WIJSH 1:3 want kronkelige redeneringen verwijderen de mensen van God en als zij willen beproeven, hoever zijn macht reikt, worden zij, de dwazen, te schande gemaakt. WIJSH 1:4 In een ziel die op het kwade belust is neemt de wijsheid niet haar intrek en zij woont niet in een lichaam dat zich aan zonde heeft overgegeven. WIJSH 1:5 Want de heilige geest die wijsheid leert is afkerig van onoprechtheid en wars van dom geredeneer en Hij trekt zich terug waar de ongerechtigheid nadert. WIJSH 1:6 De wijsheid is een geest die de mensen liefheeft, maar zij laat de godslasteraar niet ongestraft voor wat er over zijn lippen komt: God immers is de getuige van zijn nieren, de feilloze waarnemer van zijn hart en de beluisteraar van zijn tong. WIJSH 1:7 Want de geest van de Heer vervult het aardrijk en Hij die alles omvat houdt, Hij weet wat er gesproken wordt. WIJSH 1:8 Geen enkel mens die zondige dingen zegt kan dan ook verborgen blijven en de gerechtigheid zal hem zeker niet voorbijgaan als zij straffend optreedt. WIJSH 1:9 De gedachten van de goddeloze ontkomen namelijk niet aan een onderzoek en het geluid van zijn woorden dringt door tot de Heer: zo worden zijn ongerechtigheden bestraft. WIJSH 1:10 Want het jaloerse oor hoort alles en morrende geluiden blijven niet onopgemerkt. WIJSH 1:11 Wacht u dus voor gemor waar gij niet beter van wordt en behoedt uw tong voor lasterpraat, want zelfs wat heimelijk gezegd wordt blijft niet zonder gevolgen en een mond die liegt vermoordt de ziel. WIJSH 1:12 Jaagt niet de dood na door op uw levensweg te dwalen en haalt u het verderf niet op de hals door de werken van uw handen; WIJSH 1:13 want God heeft de dood niet gemaakt en Hij vindt geen vreugde in de ondergang van hen die leven, WIJSH 1:14 maar alles heeft Hij voor het zijn geschapen en de schepselen in de wereld zijn heilzaam; er is geen kruid bij dat verderf brengt en de onderwereld heerst niet over de aarde, WIJSH 1:15 want de gerechtigheid is onsterfelijk. WIJSH 1:16 Het zijn de goddelozen, die met hun handen en hun woorden de dood hebben ontboden: zij vergingen van verlangen naar hem die zij voor hun vriend hielden en zij sloten een verbond met hem: en verdienen nu eenmaal zijn prooi te worden. WIJSH 2:1 Zij redeneerden onjuist, toen zij onder elkaar zeiden: `Kort is ons leven en vol verdriet; er is geen remedie als de mens doodgaat en het is nooit vertoond, dat iemand uit de onderwereld terugkwam. WIJSH 2:2 Wij zijn immers maar toevallig ontstaan en later zullen wij zijn als waren wij er nooit geweest, want damp is de adem in onze neus en het denken is een vonk die springt bij het kloppen van ons hart. WIJSH 2:3 Is zij uitgedoofd, dan vergaat het lichaam tot as en de geest vervliegt als ijle lucht. WIJSH 2:4 Onze naam wordt op den duur vergeten en niemand denkt dan nog aan wat wij gedaan hebben. Ons leven gaat voorbij als de laatste sporen van een wolk, het lost zich op als een nevel, die verdreven wordt door de stralen van de zon en bezwijkt voor haar gloed. WIJSH 2:5 Een vluchtige schaduw zijn onze dagen en ons einde is onherroepelijk, want het is bezegeld en niemand keert terug. WIJSH 2:6 Vooruit dan, laten wij genieten van het goede dat we hebben en maar meteen van het geschapene profiteren, nu wij nog jong genoeg zijn. WIJSH 2:7 Laten wij ons te goed doen aan kostelijke wijn en aan parfums en laat geen lentebloesem ons ontgaan. WIJSH 2:8 Laten wij ons bekransen met rozeknoppen, voordat ze verwelken. WIJSH 2:9 Geen feestwei mag verstoken blijven van ons plezier. Overal willen wij tekenen achterlaten van onze vrolijkheid, want dat is ons deel en dat is ons lot. WIJSH 2:10 Laten wij de rechtschapen arme tiranniseren en de weduwe niet ontzien en ons niet storen aan de grijze haren van de hoogbejaarde. WIJSH 2:11 Onze kracht moet de maatstaf zijn van het recht, want wat zwak is dient kennelijk tot niets. WIJSH 2:12 Laten wij de rechtschapene belagen, want hij is ons tot last en hij verzet zich tegen wat wij doen. Hij verwijt ons overtredingen van de wet en hij beschuldigt ons ervan dat wij afwijken van wat wij geleerd hebben. WIJSH 2:13 Hij beroemt er zich op God te kennen en noemt zich een dienaar van de Heer WIJSH 2:14 Hij is een aanklacht tegen onze opvattingen geworden; het valt ons al zwaar hem te zien, WIJSH 2:15 want zijn levenswijze is niet die van de anderen en zijn gedragingen zijn zonderling. WIJSH 2:16 Hij ziet ons aan voor valse broeders en mijdt onze wegen alsof ze onrein waren. Het einde van de rechtvaardigen prijst hij zalig en hij pocht dat God zijn vader is. WIJSH 2:17 Wij willen wel eens zien of zijn woorden waar zijn en ons ervan vergewissen wat er bij zijn heen gaan gebeurt. WIJSH 2:18 Want als de rechtvaardige een zoon van God is, dan zal die het voor hem opnemen en hem redden uit de hand van zijn tegenstanders. WIJSH 2:19 Laten wij hem maar eens op de proef stellen met niets ontziende folteringen, om zijn zachtmoedigheid te leren kennen en zijn geduld te toetsen. WIJSH 2:20 Laten wij hem veroordelen tot een smadelijke dood: er wordt toch over hem gewaakt, zoals hij beweert.' WIJSH 2:21 Zo redeneren zij, maar zij vergissen zich, want hun boosheid maakt hen blind. WIJSH 2:22 Zij hebben geen besef van Gods geheimenissen; zij verwachten niet dat de vroomheid beloond wordt en zij geloven niet dat op een onberispelijk leven een bekroning volgt. WIJSH 2:23 God heeft immers de mens geschapen voor een onvergankelijk leven en Hij heeft hem gemaakt tot een beeld van zijn eigen eeuwigheid, WIJSH 2:24 maar door de afgunst van de duivel is de dood in de wereld gekomen en hij wordt ondergaan door diens aanhangers. WIJSH 3:1 De zielen van de rechtvaardigen echter zijn in Gods hand en geen foltering zal hen deren. WIJSH 3:2 In de ogen van de dwazen schenen zij dood te zijn en hun heengaan werd als een onheil beschouwd, WIJSH 3:3 hun verdwijnen uit ons midden als een vernietiging. Zij zijn echter in vrede. WIJSH 3:4 Ook al worden zij naar de mening van de mensen gestraft, zij zijn vervuld van een hoop, de onsterfelijkheid; WIJSH 3:5 na een korte tuchtiging zullen zij een grote weldaad ontvangen, omdat God hen op de proef heeft gesteld en bevonden heeft, dat zij Hem waardig zijn. WIJSH 3:6 Als goud in de smeltkroes heeft Hij hen gekeurd; als een brandoffer heeft Hij hen aanvaard. WIJSH 3:7 Wanneer dan de tijd van hun oordeel komt, zullen zij ontbranden en als vlammen door een stoppelveld jagen. WIJSH 3:8 Zij zullen rechtspreken over de naties en heersen over de volkeren en de Heer zal hun koning zijn, in eeuwigheid WIJSH 3:9 Zij die op Hem vertrouwen zullen de waarheid verstaan en zij die trouw zijn zullen in liefde bij Hem verblijven, want genade en barmhartigheid vallen zijn uitverkorenen ten deel. WIJSH 3:10 De goddelozen echter zullen de straf krijgen, die zij met hun redeneringen verdiend hebben, want zij hebben de rechtvaardige veracht en zijn van de Heer afvallig geworden. WIJSH 3:11 Hij immers die wijsheid en tucht geringschat is een ongelukkig mens: ijdel is hun hoop en hun moeite vergeefs en nutteloos zijn hun werken. WIJSH 3:12 Hun vrouwen zijn dwaas en hun kinderen verdorven; vervloekt is hun nageslacht. WIJSH 3:13 Zalig de onvruchtbare vrouw, die zich niet heeft bezoedeld, die van geen zondig bed heeft geweten: zij zal vrucht dragen bij het oordeel over de zielen. WIJSH 3:14 Zalig ook de castraat, wiens hand de wet niet heeft geschonden en die geen zondige gedachten tegen de Heer heeft gekoesterd. want hij zal voor zijn trouw een uitgelezen gunstbewijs ontvangen en een kostelijker aandeel aan de tempel van de Heer. WIJSH 3:15 Het streven naar het goede immers brengt roemrijke vruchten voort en zijn wortel, de verstandigheid, is zonder gebrek. WIJSH 3:16 Kinderen van echtbrekers evenwel zullen niet tot hun bestemming komen en wie in een onwettig bed verwekt is zal spoorloos verdwijnen. WIJSH 3:17 Al leven zij lang, zij zullen nooit in tel zijn en het loopt uit op een ouderdom zonder aanzien. WIJSH 3:18 En sterven zij vroeg, voor hen is er geen hoop en op de dag van het oordeel geen troost, WIJSH 3:19 want hard is het einde van een boos geslacht. WIJSH 4:1 Dan is kinderloosheid nog beter, als zij met deugd gepaard gaat, want die blijft in onsterfelijke herinnering, omdat zij zowel bij God als bij de mensen in aanzien staat. WIJSH 4:2 Waar zij is, volgt men haar na en men verlangt haar terug, als zij is heengegaan; in de eeuwigheid houdt zij haar triomftocht, getooid met de lauwerkrans, omdat zij gezegevierd heeft in de strijd om onbederfelijke prijzen. WIJSH 4:3 De kinderrijke massa van de goddelozen echter brengt geen baat; met haar bastaardloten schiet zij niet diep wortel en krijgt zij geen vaste grondslag. WIJSH 4:4 Al bot zij ook voor een korte tijd in twijgen uit, toch staat zij niet stevig en wordt zij door de wind heen en weer geslingerd en door het geweld van de winden ontworteld. WIJSH 4:5 De onvolgroeide takken knappen af en hun vrucht is onbruikbaar, niet rijp genoeg om te eten en nergens goed voor. WIJSH 4:6 Ja, de kinderen die uit zondige omgang zijn geboren getuigen bij het oordeel tegen hun verdorven ouders. WIJSH 4:7 De rechtvaardige echter vindt rust, al sterft hij ook voor zijn tijd. WIJSH 4:8 Want het aanzien van de ouderdom berust niet op een lang leven en wordt niet afgemeten naar het aantal jaren. WIJSH 4:9 Neen, een mens is een grijsaard door zijn verstandigheid en hij is bejaard door zijn onbesproken leven. WIJSH 4:10 Hij was welgevallig aan God en werd door Hem bemind; hij leefde te midden van zondaars en werd weggenomen. WIJSH 4:11 Hij werd weggerukt, opdat geen boosheid zijn inzicht zou vertroebelen en geen bedrog zijn ziel zou verleiden. WIJSH 4:12 Want de betovering van de ondeugd verduistert het goede en de roes van de hartstocht verderft een onschuldig gemoed. WIJSH 4:13 In korte tijd tot voleinding gekomen heeft hij de volheid van vele jaren bereikt, WIJSH 4:14 want zijn ziel was welgevallig aan de Heer: daarom ging hij spoedig heen uit de slechte wereld. De mensen zien dat wel, maar begrijpen het niet; in hun gedachten komt zoiets niet eens op, WIJSH 4:15 dat genade en barmhartigheid zijn uitverkorenen ten deel vallen en dat er over zijn heiligen gewaakt wordt. WIJSH 4:16 Een rechtvaardige die sterft zal een veroordeling zijn van de goddelozen die leven en een jongeman die vroeg tot volmaaktheid komt zal de hoogbejaarde zondaar veroordelen. WIJSH 4:17 Zij zullen immers het sterven de wijze zien zonder te begrijpen wat de Heer met hem voorhad en waarom Hij hem in veiligheid heeft gebracht. WIJSH 4:18 Zij zullen het zien, vol verachting, maar de Heer zal hen uitlachen. WIJSH 4:19 En tenslotte worden zij smadelijke kadavers en een voorwerp van spot onder de doden, voor eeuwig, want Hij zal hen breken en hen sprakeloos voorover laten vallen en hen van hun grondvesten losrukken; zij zullen totaal verwoest worden en kwellingen verduren, en de herinneringen aan hen zal vergaan. WIJSH 4:20 Zij zullen vol angst verschijnen, wanneer de rekening van hun zonden wordt opgemaakt, en hun ongerechtigheden zullen dan als aanklagers tegen hen optreden. WIJSH 5:1 Dan zal de rechtvaardige daar met grote vrijmoedigheid staan tegenover degenen die hem verdrukt hebben en die zijn inspanningen waardeloos vonden. WIJSH 5:2 Als zij dat zien, zullen ze verbijsterd worden door hevige schrik en versteld staan om die onvoorziene redding. WIJSH 5:3 Vol spijt zullen zij tot elkaar zeggen en in hun benauwdheid zullen zij zuchten: `Dat was nu de man, om wie wij eens gelachen hebben en op wie wij onze spotlust hebben botgevierd, WIJSH 5:4 wij dwazen! Zijn leven beschouwden wij als waanzin en zijn dood als smadelijk. WIJSH 5:5 Hoe bestaat het: nu wordt hij onder Gods zonen gerekend en heeft hij zijn aandeel onder de heiligen! WIJSH 5:6 Wij zijn dus afgedwaald van de weg der waarheid en het licht van de gerechtigheid heeft niet voor ons geschenen en de zon is voor ons niet opgegaan. WIJSH 5:7 Wij hebben ons moegelopen op de paden van de ongerechtigheid en het verderf en wij zijn onbegaanbare woestijnen doorgetrokken, maar de weg van de Heer hebben wij niet gekend. WIJSH 5:8 Wat heeft onze overmoed ons gebaat en wat heeft rijkdom en bluf ons opgeleverd? WIJSH 5:9 Dat alles is voorbijgegaan als een schaduw en als een vluchtig bericht, WIJSH 5:10 als een schip dat door het golvende water vaart: na zijn doortocht is er geen spoor van te vinden, noch het pad, door zijn kiel in de golven gebaand; WIJSH 5:11 of zoals men, wanneer een vogel vliegt door de lucht, geen teken van zijn tocht meer kan vinden: gezweept door het slaan van de wieken, gespleten door de suizende kracht van de bewegende vleugels, wordt de ijle lucht doorkliefd en er is geen blijk van die vlucht meer in te vinden; WIJSH 5:12 of zoals, wanneer een pijl naar zijn doel schiet, de lucht wordt doorsneden en aanstonds weer samenvloeit, zodat men zijn baan niet meer bespeurt: WIJSH 5:13 zo zijn ook wij geboren en weer verdwenen en wij hebben geen blijk van deugd kunnen tonen, maar zijn in onze boosheid ten onder gegaan.' WIJSH 5:14 Ja, de hoop van de goddeloze is als kaf dat door de wind wordt meegevoerd, als lichte rijp die door een storm wordt weggeblazen, als rook die door de wind wordt verspreid en als de vluchtige herinnering als een gast die een dag is gebleven. WIJSH 5:15 De rechtvaardigen echter leven tot in eeuwigheid; zij vinden hun loon bij de Heer en de Allerhoogste draagt zorg voor hen. WIJSH 5:16 Daarom zullen zij de heerlijke kroon en de schone diadeem uit de hand van de Heer ontvangen: Hij zal hen met zijn rechterhand behoeden en met zijn arm beschutten. WIJSH 5:17 Hij zal zijn ijverzucht als wapenrusting nemen en Hij zal de schepping bewapenen om zijn vijanden te straffen WIJSH 5:18 De gerechtigheid zal Hij als harnas aantrekken en een niets ontziend oordeel zal de helm zijn die Hij draagt. WIJSH 5:19 Onoverwinnelijke heiligheid zal Hij als een schild hanteren WIJSH 5:20 en van zijn onverbiddelijke toorn zal Hij een scherp zwaard maken; het heelal zal met Hem strijden tegen de dwazen. WIJSH 5:21 De goedgerichte bliksemschichten zullen neerschieten en van de strak gespannen boog der wolken naar hun doelwit vliegen. WIJSH 5:22 Zijn gramschap zal een slinger zijn waarmee zware hagelstenen geworpen worden; het water van de zee zal tegen hen woeden en de stromen zullen hen onverbiddelijk overspoelen. WIJSH 5:23 Een machtige adem zal zich tegen hen verheffen en hen als een stormwind verstrooien. Zo zal de ongerechtigheid de hele aarde tot een woestenij maken en zal de misdadigheid de tronen der machthebbers omverwerpen. WIJSH 6:1 Luistert dus, koningen, en weest aandachtig, laat u onderrichten, gij die rechtspreekt tot aan de grenzen der aarde. WIJSH 6:2 Spitst uw oren, gij die over velen heerst en groot gaat op de menigten van uw volkeren, WIJSH 6:3 want uw macht is van de Heer afkomstig en uw heerschappij van de Allerhoogste, die uw daden zal onderzoeken en uw bedoelingen zal naspeuren. WIJSH 6:4 Gij zijt de dienaren van zijn koningschap, maar gij hebt niet goed geregeerd, de wet niet onderhouden en niet gewandeld volgens Gods wil. WIJSH 6:5 Huiveringwekkend en snel zal Hij tegen u optreden, want een onverbiddelijk vonnis treft de hooggeplaatsten. WIJSH 6:6 Aan de lager geplaatste immers wordt uit deernis vergiffenis geschonken, de machtigen echter worden met macht bestraft. WIJSH 6:7 De Heer van allen is immers voor niemand bevreesd, en bekommert zich niet om grootheid, want klein en groot heeft Hij zelf gemaakt en voor allen heeft Hij evenveel zorg. WIJSH 6:8 De machtigen echter staat een streng onderzoek te wachten. WIJSH 6:9 Tot u dus, heersers, zijn mijn woorden gericht, opdat gij wijsheid leert en niet ten val komt. WIJSH 6:10 Want zij die het heilige heilig onderhouden zullen geheiligd worden en wie daarin onderwezen zijn zullen zich kunnen verantwoorden. WIJSH 6:11 Zet dus uw hart op mijn woorden, weest er begerig naar en gij zult onderwezen worden. WIJSH 6:12 Stralend en onverwelkbaar is de wijsheid en zij wordt gemakkelijk ontdekt door wie haar liefhebben en gevonden door wie haar zoeken. WIJSH 6:13 Aan wie haar begeren laat zij zich aanstonds kennen. WIJSH 6:14 Wie vroeg voor haar opstaat, hoeft zich niet moe te maken, want hij vindt haar zitten aan zijn deur. WIJSH 6:15 Want zijn gedachten op haar richten getuigt van een volmaakt inzicht en wie om haar wakker blijft zal spoedig geen moeilijkheden meer hebben. WIJSH 6:16 Want zij gaat zelf rond, zoekend naar mensen die haar waardig zijn en op de wegen vertoont zij zich minzaam aan hen en komt hun tegemoet bij iedere gedachte. WIJSH 6:17 Haar begin is het oprechte verlangen naar onderrichting; WIJSH 6:18 de drang naar onderrichting is liefde; de liefde echter is het onderhouden van haar wetten; de ijver voor de wetten is een waarborg voor de onvergankelijkheid; WIJSH 6:19 de onvergankelijkheid brengt in de nabijheid van God; WIJSH 6:20 het verlangen naar de wijsheid leidt dus tot de heerschappij. WIJSH 6:21 Als gij derhalve, heersers over de volken, uw vreugde vindt, in tronen en in skepters, moet gij de wijsheid in ere houden: dan regeert gij tot in eeuwigheid. WIJSH 6:22 Wat is nu de wijsheid en hoe is zij ontstaan? Ik zal het u bekend maken en u haar geheimen niet verbergen: vanaf het begin van de schepping zal ik haar spoor volgen en hetgeen ik van haar weet zal ik in het volle licht plaatsen en aan de waarheid zal ik niet voorbij gaan. WIJSH 6:23 Ik zal ook niet op weg gaan met de uitgemergelde afgunst, want die heeft met de wijsheid niets gemeen. WIJSH 6:24 Een groot aantal wijzen is de redding van de wereld en een verstandige koning is het welzijn van het volk. WIJSH 6:25 Laat u dus door mijn woorden onderrichten en gij zult er baat bij hebben. WIJSH 7:1 Ook ik ben een sterfelijk mens, gelijk alle anderen, en een afstammeling van de eerst geboetseerde, die uit de aarde is voortgekomen In de moederschoot werd ik tot een lichaam gemodelleerd WIJSH 7:2 in tien maanden tijds, nadat ik in het bloed was vastgezet door het mannelijk zaad en door de lust, die de bijslaap vergezelde. WIJSH 7:3 En toen ik geboren was, ademde ook ik de gemeenschappelijke lucht in en ik viel op de aarde, zoals het ons allen vergaat, en ik liet mijn eerste geschrei horen, juist als alle anderen. WIJSH 7:4 In windsels werd ik grootgebracht en ik werd met zorgen omringd. WIJSH 7:5 Geen enkele koning immers is zijn leven anders begonnen. WIJSH 7:6 De intrede in het leven is eender voor allen en gelijk is ook de uittocht. WIJSH 7:7 Ik heb derhalve gebeden en er werd mij inzicht gegeven. Ik heb gesmeekt en de geest van de wijsheid kwam tot mij. WIJSH 7:8 Ik schatte haar hoger dan skepters en tronen en ik beschouwde rijkdom als niets in vergelijking met haar. WIJSH 7:9 Geen onbetaalbare steen stelde ik met haar gelijk, want naast haar is alle goud maar wat zand en tegenover haar geldt zilver als slijk. WIJSH 7:10 Meer dan gezondheid en schoonheid kreeg ik haar lief en ik verkoos haar boven het licht, want de glans die zij uitstraalt dooft nimmer. WIJSH 7:11 En tegelijk met haar vielen mij alle goede dingen ten deel en onmetelijke rijkdom lag in haar handen. WIJSH 7:12 Ik verheugde mij, omdat de wijsheid dat alles meebrengt: ik wist nog niet, dat zij er de moeder van is. WIJSH 7:13 Zonder bijbedoelingen heb ik de wijsheid verworven, zonder afgunst deel ik haar mee: haar rijkdom verberg ik niet. WIJSH 7:14 Want zij is voor de mensen een onuitputtelijke schat: wie die schat verwerven winnen de vriendschap met God, omdat zij Hem aangenaam zijn geworden door de vruchten van wat zij hebben geleerd. WIJSH 7:15 God geve mij, te spreken overeenkomstig mijn inzicht en te denken op een manier die past bij wat mij is gegeven, want Hij zelf is zowel de gids naar de wijsheid als de taalmeester van de wijzen. WIJSH 7:16 Want wij zijn in zijn hand, wijzelf en onze woorden en ook alle inzicht en kunstvaardigheid. WIJSH 7:17 Hij zelf immers heeft mij gegeven betrouwbare kennis van wat er bestaat, zodat ik de bouw ken van het heelal en de kracht van de elementen, WIJSH 7:18 het begin en het eind en het midden der tijden, de wisseling van de zonnewenden en de opeenvolging van de seizoenen, WIJSH 7:19 de kringloop der jaren en de standen der sterren, WIJSH 7:20 de geaardheden van de dieren en de instincten van de wilde beesten, de macht van de geesten en de gedachten van de mensen, de verschillen tussen de planten en de krachten van de wortels. WIJSH 7:21 Als wat verborgen en al wat zichtbaar is heb ik leren kennen, want de wijsheid, de maakster van alles, heeft mij onderricht. WIJSH 7:22 In haar immers is een geest, die verstandig is, heilig, enig, veelzijdig, subtiel, beweeglijk, doordringend, smetteloos, helder, onkwetsbaar, bedacht op het goede, scherpzinnig, WIJSH 7:23 onweerstaanbaar, weldadig, menslievend, standvastig, onwankelbaar, onbekommerd, alles vermogend, alles overziende, alle geesten doordringend, hoe verstandig, zuiver en subtiel ze ook zijn. WIJSH 7:24 Want de wijsheid is beweeglijker dan alle beweging; zij doordringt en doortrekt alles door de kracht van haar zuiverheid. WIJSH 7:25 Want zij is de ademtocht van Gods kracht en de pure afstraling van de heerlijkheid van de Almachtige: daarom wordt zij niet aangetast door iets dat bezoedeld is. WIJSH 7:26 Zij is de afglans van het eeuwig licht, de onbeslagen spiegel van Gods werkzaamheid en het beeld van zijn goedheid. WIJSH 7:27 Hoewel zij een is, vermag zij alles; hoewel zij in zichzelf blijft, vernieuwt zij alles; wat geslacht tot geslacht treedt zij binnen in heilige zielen en maakt hen tot vrienden van God en tot profeten. WIJSH 7:28 Want God bemint alleen diegene die met de wijsheid samenwoont. WIJSH 7:29 Want zij is schoner dan de zon en overtreft de hele sterrenhemel. Met het daglicht vergeleken blijkt zij de meerdere te zijn, WIJSH 7:30 want het daglicht wordt afgelost door de nacht, maar de wijsheid wordt niet overmeesterd door de boosheid. WIJSH 8:1 Machtig reikt zij van het ene einde tot het andere en op voortreffelijke wijze bestuurt zij alles. WIJSH 8:2 Haar heb ik lief gekregen en ik heb haar van mijn jeugd af gezocht; ik zocht haar als mijn bruid met mij mee te voeren en ik werd een vereerder van haar schoonheid. WIJSH 8:3 Zij roemt op edele afkomst, want zij woont bij God en de Heer van alles heeft haar lief; WIJSH 8:4 zij is ingewijd in Gods kennis en zij is de deelgenote aan zijn werken. WIJSH 8:5 Als rijkdom een begeerlijk bezit is in het leven, wat is er rijker dan de wijsheid, die zich alles weet te verwerven? WIJSH 8:6 Als inzicht werken tot stand brengt, waar vindt men dan iemand die kundiger is dan de wijsheid? WIJSH 8:7 En als iemand de gerechtigheid liefheeft, de vruchten van de wijsheid zijn de deugden: matigheid leert zij en voorzichtigheid, rechtvaardigheid en sterkte, de allernuttigste dingen in het menselijk leven. WIJSH 8:8 En ook, als iemand rijke ervaring verlangt, de wijsheid kent het verre verleden en zij vermoedt de toekomst; zij weet ingewikkelde wendingen te verklaren en raadsels op te lossen; zij weet wat tekenen en vreemde gebeurtenissen voorspellen en zij kent vooraf het verloop van perioden en tijden. WIJSH 8:9 Daarom besloot ik haar met mij mee te voeren om met haar samen te wonen, wetende dat zij voor mij een goede raadgeefster zou zijn en een troost in zorgen en verdriet. WIJSH 8:10 Door haar zou ik roem verwerven bij de menigten en achting bij de bejaarden, zo jong als ik was. WIJSH 8:11 Ik zou scherpzinnig blijken in mijn oordeel en bewondering vinden bij de machthebbers. WIJSH 8:12 Als ik zweeg, zouden zij wachten en als ik sprak, zouden zij luisteren en als ik nog voortging met spreken, zouden zij hun hand op hun mond leggen. WIJSH 8:13 Door haar zou ik onsterfelijkheid verwerven en een eeuwige herinnering nalaten bij hen die na mij zouden komen. WIJSH 8:14 Ik zou volkeren regeren en naties zouden mij onderworpen zijn. WIJSH 8:15 Vreeswekkende vorsten zouden beven, wanneer zij van mij hoorden. Onder het volk zou ik mij vriendelijk tonen en in de oorlog dapper. WIJSH 8:16 Thuis gekomen zou ik rusten bij haar, want de omgang met haar kent geen bitterheid en het samenwonen met haar geen verdriet, maar alleen blijdschap en vreugde. WIJSH 8:17 Toen ik dit bij mijzelf had overdacht en ik in mijn hart had overwogen, dat er onsterfelijkheid ligt in de band met de wijsheid, WIJSH 8:18 in de vriendschap met haar een edel genoegen, in de werken van haar handen een onuitputtelijke rijkdom, in de vertrouwelijke omgang met haar een juist inzicht en roem in de gesprekken met haar, toen ging ik rond en zocht ik, hoe ik haar tot de mijne kon maken. WIJSH 8:19 Ik was een mooie, welgevormde jongeman en ook de ziel die ik gekregen had was goed WIJSH 8:20 of liever, ik was goed en ik was in een gaaf lichaam gekomen. WIJSH 8:21 Maar omdat ik inzag, dat ik de wijsheid niet anders kon verwerven dan wanneer God haar gaf ook dat was al inzicht, te weten, wiens gave het was wendde ik mij tot de Heer en bad ik tot Hem en ik zei uit heel mijn hart: WIJSH 9:1 `God van de vaderen, Heer van de ontferming, Gij die alles gemaakt hebt door uw woord WIJSH 9:2 en die in uw wijsheid de mens hebt toegerust om te heersen over de schepselen, die door U het aanzijn hebben gekregen, WIJSH 9:3 om de wereld te besturen in heiligheid en gerechtigheid en om in oprechtheid van hart zijn oordeel te vellen, WIJSH 9:4 geef mij de wijsheid, die naast U troont en sluit mij niet buiten de kring van uw kinderen, WIJSH 9:5 want ik ben uw dienaar, de zoon van uw dienstmaagd, een zwakke mens, van geringe levensduur; die te kort schiet in het verstaan van recht en wetten. WIJSH 9:6 Ja, ook al is er onder de zonen der mensen iemand die volmaakt is, wanneer de wijsheid ontbreekt die van U komt, dan wordt hij voor niets geteld. WIJSH 9:7 Gij hebt mij uitverkoren tot koning van uw volk en tot rechter over uw zonen en dochters WIJSH 9:8 Gij hebt mij bevolen een tempel te bouwen op uw heilige berg en in de stad van uw verblijf een offeraltaar: een afbeelding van de heilige tent, die gij al van het begin af bereid hebt. WIJSH 9:9 Bij U is de wijsheid die uw werken kent, die aanwezig was, toen Gij de wereld hebt geschapen, en die ook weet, wat in uw ogen welgevallig is en wat recht is volgens uw geboden. WIJSH 9:10 Zend haar uit de heilige hemelen en laat haar neerdalen van de troon van uw heerlijkheid om bij mij te zijn en met mij te werken, zodat ik weet wat U welgevallig is. WIJSH 9:11 Want zij weet en begrijpt alles en zij zal mij verstandig leiden bij mijn werk en mij behoeden met haar glorie. WIJSH 9:12 Dan zullen mijn werken aangenaam zijn en zal ik uw volk rechtvaardig besturen en mij de troon van mijn vader waardig tonen. WIJSH 9:13 Welke mens immers kent Gods raadsbesluit of wie bevroedt wat de Heer wil? WIJSH 9:14 Want armzalig is het denken van de stervelingen en wankel zijn onze overwegingen. WIJSH 9:15 Het vergankelijk lichaam bezwaart de ziel en de aarden tent is een last voor de veel denkende geest. WIJSH 9:16 Wij vermoeden amper de dingen op aarde; zelfs wat voor de hand ligt ontdekken wij maar met moeite: wie speurt er dan na wat er in de hemelen is? WIJSH 9:17 Wie zou uw raadsbesluit gekend hebben, als gij de wijsheid niet hadt gegeven en niet uw heilige geest uit den hoge hadt gezonden? WIJSH 9:18 Zo zijn de paden recht gemaakt van hen die de aarde bewonen; zo hebben de mensen geleerd wat U welgevallig is en zijn zij gered door de wijsheid.' WIJSH 10:1 Zij heeft de eerst geboetseerde, de vader van de wereld, behoed, toen alleen hij nog was geschapen en zij heeft hem bevrijd uit zijn val. WIJSH 10:2 Zij heeft hem ook de kracht gegeven om over alles te heersen. WIJSH 10:3 Toen echter een boosdoener in zijn razernij zich van haar had afgewend, ging ook hij te gronde aan de woede waarin hij zijn broer vermoordde. WIJSH 10:4 Toen om hem de vloed over de aarde kwam, heeft de wijsheid haar opnieuw gered, door op een pover stuk hout de rechtvaardige er doorheen te loodsen. WIJSH 10:5 Toen over de volken om hun eensgezindheid in het kwade de verwarring was gekomen, was zij het ook die de rechtvaardige opmerkte, die hem onberispelijk voor God bewaarde en bij alle liefde voor zijn kind, hem staande hield. WIJSH 10:6 En zij was het die, terwijl de goddelozen te gronde gingen, de rechtvaardige gered heeft, toen hij vluchtte voor het vuur dat op de Pentapolis neerkwam. WIJSH 10:7 Als getuigenis van die boosheid ligt daar nog een walmende woestenij, vindt men er planten die ontijdig vrucht dragen en staat er het monument van een ongehoorzaam hart, een hoog oprijzende zoutzuil. WIJSH 10:8 Want zij, die zich om de wijsheid niet bekommerd hebben, werden niet alleen verhinderd het goede te kennen, maar ze lieten de wereld ook een gedenkteken na van hun dwaasheid, want wie zo gezondigd hadden mochten niet onbekend blijven. WIJSH 10:9 Maar degenen die de wijsheid dienden zijn door haar uit de moeilijkheden gered. WIJSH 10:10 Zij was het die de rechtvaardige, toen hij voor de woede van zijn broer vluchtte, langs rechte paden geleid heeft; zij toonde hem het koninkrijk van God en gaf hem kennis van het heilige; zij verleende hem welstand door zijn zwoegen en deed zijn arbeid gedijen. WIJSH 10:11 Tegen de hebzucht van zijn verdrukkers stond zij hem bij en zij maakte hem een rijk man. WIJSH 10:12 Zij beschermde hem tegen zijn vijanden en beveiligde hem tegen zijn belagers. Zij deed hem zegevieren in een zware strijd, opdat hij zou weten dat vroomheid machtiger is dan alles. WIJSH 10:13 Zij was het die de rechtvaardige, toen hij verkocht was, niet in de steek heeft gelaten, maar hem bewaard heeft voor de zonde. WIJSH 10:14 Zij daalde met hem af in de kerker en liet hem in zijn boeien niet alleen, totdat zij hem de skepter van het koninkrijk verschaft had en de heerschappij over zijn onderdrukkers. Zij ontmaskerde zijn aanklagers als leugenaars en gaf hem eeuwige roem. WIJSH 10:15 Zij was het die een heilig volk en een vlekkeloos geslacht bevrijd heeft van een volk van onderdrukkers. WIJSH 10:16 Zij trad binnen in de ziel van een dienaar van de Heer en met wonderen en tekenen trotseerde zij schrikwekkende koningen. WIJSH 10:17 Zij bezorgde de heiligen het loon voor hun zwoegen; zij leidde hen langs een wonderlijke weg en werd voor hen een beschutting overdag en sterrenlicht in de nacht. WIJSH 10:18 Zij voerde hen door de Rode Zee en bracht hen door dat vele water. WIJSH 10:19 Hun vijanden echter overspoelde zij en wierp hen weer omhoog uit de diepte van de afgrond. WIJSH 10:20 Zo plunderden de rechtvaardigen de goddelozen en bezongen zij, Heer, uw heilige naam en prezen eensgezind uw hand die hen verdedigde, WIJSH 10:21 want de wijsheid opende de monden van de stommen en de tongen van de onmondigen liet zij helder klinken. WIJSH 11:1 Zij deed hun ondernemingen slagen door de hand van een heilige profeet. WIJSH 11:2 Ze trokken door een onbewoonde woestijn en sloegen op onbetreden plaatsen hun tenten op. WIJSH 11:3 Ze trotseerden hun vijanden en ze weerden de aanvallers af. WIJSH 11:4 Toen ze dorst kregen, riepen zij U aan en uit een steile rots werd hun water gegeven en heul voor hun dorst uit de harde steen. WIJSH 11:5 Want door datgene waardoor hun vijanden getuchtigd werden werd hun welgedaan in hun nood. WIJSH 11:6 In plaats van het water uit de altijd stromende rivier, die vertroebeld was door walgelijk bloed, WIJSH 11:7 als straf voor het bevel tot de kindermoord, hebt Gij aan hen, onverhoopt, water in overvloed gegeven WIJSH 11:8 en hebt Gij getoond, door die dorst van toen, hoe Gij hun tegenstanders hadt getuchtigd. WIJSH 11:9 Want toen zij beproefd werden, alleen maar in barmhartigheid terechtgewezen, begrepen zij de foltering van de goddelozen, toen die in gramschap geoordeeld werden: WIJSH 11:10 voor henzelf immers zijt Gij als een vader geweest, die hen op de proef stelde en vermaande, maar voor die anderen als een onverbiddelijke koning, die hen verhoorde en vonniste. WIJSH 11:11 Zowel afwezig als aanwezig werden zij evenzeer gekweld, WIJSH 11:12 want zij werden getroffen door een dubbel leed en moesten jammeren bij de herinnering aan het verleden, WIJSH 11:13 want toen zij hoorden, dat aan die anderen was welgedaan door wat hun eigen straffen waren geweest, werden zij de Heer gewaar; WIJSH 11:14 want naar degene die zij spottend hadden afgewezen, omdat hij eens te vondeling was gelegd, hebben ze aan het eind van de gebeurtenissen met bewondering opgezien: met hun eigen dorst was het niet zo gegaan als met die van de rechtvaardigen. WIJSH 11:15 Voor de onzinnige redeneringen van hun ongerechtigheid, waardoor zij zich lieten misleiden en redeloze reptielen en waardeloze beesten vereerden, hebt Gij als straf een menigte redeloze dieren op hen afgezonden. WIJSH 11:16 Zo moesten zij begrijpen, dat een mens gestraft wordt door datgene waardoor hij zondigt. WIJSH 11:17 Uw alvermogende hand, die uit vormeloze stof de wereld heeft geschapen, was immers niet onmachtig een menigte beren of drieste leeuwen op hen los te laten WIJSH 11:18 of nieuw geschapen, van woede vervulde, ongekende dieren, die ofwel een vurige adem uitbliezen of een sissende damp verspreidden of uit hun ogen vreselijke vonken schoten, WIJSH 11:19 dieren, waarvan niet alleen het geweld hen kon ombrengen, maar zelfs de schrikwekkende aanblik hen kon doden. WIJSH 11:20 Maar ook zonder dat alles hadden zij door een ademstoot geveld kunnen worden, achtervolgd door de gerechtigheid en door de adem van uw macht uiteengeslagen. maar Gij hebt alles naar maat en getal en gewicht geordend. WIJSH 11:21 Het is U immers altijd mogelijk uw macht te ontplooien en wie zal er weerstaan aan de kracht van uw arm? WIJSH 11:22 Want de hele wereld is voor U als de kleinigheid die de weegschaal doet hellen en als een dauwdruppel die in de morgenschemering op de aarde valt. WIJSH 11:23 Maar Gij ontfermt u over allen, omdat Gij alles vermoogt en Gij telt de zonden van de mensen niet, om hen tot inkeer te laten komen. WIJSH 11:24 Want alles wat bestaat hebt Gij lief en Gij verafschuwt niets van wat Gij gemaakt hebt; ja, als Gij iets gehaat hadt, zoudt Gij het niet geschapen hebben. WIJSH 11:25 En hoe zou iets in stand zijn gebleven, als Gij het niet gewild hadt, of hoe zou iets behouden zijn, dat door U niet was geroepen? WIJSH 11:26 Gij spaart echter alles, omdat het van U is, Gij Heer, die al wat leeft bemint. WIJSH 12:1 Uw onvergankelijke geest is immers in alles. WIJSH 12:2 Daarom straft Gij slechts gaandeweg degenen die misdoen en Gij vermaant hen door hun onder ogen te brengen waarin zij zondigen, opdat zij, uit hun boosheid bevrijd, in U, Heer, geloven. WIJSH 12:3 Ook de oude bewoners van uw heilig land WIJSH 12:4 hebt Gij gehaat om hun verfoeilijke praktijken, het werken met tovermiddelen en de goddeloze ceremonies: WIJSH 12:5 die onbarmhartige kindermoordenaars, die ingewand eters aan maaltijden van mensenvlees en bloed, die ingewijden uit een stoet van uitzinnigen, WIJSH 12:6 en die ouders, die hulpeloze wezentjes doodden, hebt Gij door de hand van onze vaderen willen verdelgen WIJSH 12:7 opdat het land, dat U bovenal dierbaar is, een waardige bevolking zou krijgen: de zon en van God. WIJSH 12:8 Maar ook die oude bewoners hebt Gij gespaard, omdat het mensen waren: als voorlopers van uw leger hebt Gij wespen gezonden, die hen slechts langzamerhand te gronde moest richten. WIJSH 12:9 Toch waart Gij niet onmachtig, in een open veldslag de goddelozen aan de rechtvaardigen te onderwerpen of hen door vreeswekkende dieren of door een streng bevel ineens om te brengen. WIJSH 12:10 Maar door hen langzamerhand te straffen hebt Gij hun gelegenheid tot inkeer gegeven, ook al was het U niet onbekend, dat hun oorsprong slecht was en hun boosheid ingeboren en dat hun gedachten in geen eeuwigheid zouden veranderen, WIJSH 12:11 omdat het van het begin af aan een vervloekt geslacht was. Het was ook niet uit vrees voor de een of ander dat Gij hun zonden nog ongestraft liet. WIJSH 12:12 Wie immers zal zeggen: 'Wat hebt Gij gedaan?' of wie zal zich kanten tegen uw vonnis? Wie zal U aanklagen wegens de ondergang van volken die Gij zelf geschapen hebt, of wie zal er voor U treden om onrechtvaardige mensen vrij te pleiten? WIJSH 12:13 Buiten U is er toch ook geen God die zorg draagt voor allen, zodat Gij zoudt moeten bewijzen dat Gij niet onrechtvaardig gevonnist hebt. WIJSH 12:14 Ook is er geen koning of heerser die U kan trotseren, wanneer Gij iemand gestraft hebt. WIJSH 12:15 Omdat Gij rechtvaardig zijt, bestuurt Gij alles rechtvaardig; iemand veroordelen die geen straf verdient acht Gij onverenigbaar met uw macht. WIJSH 12:16 Want uw kracht is de bron van de gerechtigheid en uw heerschappij over allen maakt dat Gij allen spaart. WIJSH 12:17 Waar in de volkomenheid van uw macht niet geloofd wordt, daar toont Gij immers uw kracht en bij hen die haar kennen beschaamt Gij de vermetelheid, WIJSH 12:18 Gij echter die de kracht onder uw heerschappij hebt, Gij oordeelt met zachtheid en met grote mildheid regeert Gij over ons, want wanneer Gij maar wilt, staat U de macht ten dienste. WIJSH 12:19 Door zo te doen hebt Gij uw volk geleerd, dat de rechtvaardige menslievend moet zijn en hebt Gij uw zonen goede hoop gegeven, dat Gij, waar gezondigd wordt, gelegenheid tot inkeer geeft. WIJSH 12:20 Want als Gij de vijanden van uw zonen, hen, die de dood verdienden, zo behoedzaam en gematigd gestraft hebt, door hun tijd en ruimte te geven om zich van hun boosheid af te wenden, WIJSH 12:21 hoe omzichtig hebt Gij dan wel uw zonen geoordeeld, aan wier vaderen Gij eden hebt geschonken en verbonden vol goede beloften! WIJSH 12:22 Terwijl Gij ons tucht bijbrengt, geeft Gij onze vijanden duizenden geselslagen, opdat wij uw goedheid zouden gedenken, als wij oordelen, maar als wij geoordeeld worden, op barmhartigheid zouden hopen. WIJSH 12:23 Daarom hebt Gij ook degenen die in verdwazing en ongerechtigheid leefden door hun eigen gruwelijkheden gekweld. WIJSH 12:24 Want verder dan de gewone dwaalwegen waren zij afgedwaald door onder de afzichtelijke dieren de meest verachtelijke als goden te beschouwen, misleid als kinderen zonder verstand. WIJSH 12:25 Daarom hebt Gij hun als kinderen die geen rede verstaan, een straf gezonden die hen bespottelijk maakte. WIJSH 12:26 Zij echter die zich niet lieten waarschuwen door de spotternij van die berisping zullen een straf ondergaan die God waardig is. WIJSH 12:27 Geplaagd door de wezens waarvan ze te lijden hadden, gestraft door die wezens die ze als goden beschouwden, werden zij Hem gewaar, van wie zij zo lang niet hadden willen weten en begrepen dat Hij de ware God is. Daarom trof hen ook de aller zwaarste straf. WIJSH 13:1 Volslagen onwijs immers zijn alle mensen, die met onwetendheid over God behept zijn, en die niet in staat zijn geweest uit de zichtbare goederen Hem te kennen die is en evenmin door het beschouwen van de werken de kunstenaar hebben leren kennen, WIJSH 13:2 maar die of het vuur of de wind of de snel bewegende lucht of de sterrenhemel of het onstuimige water of de lichten aan de hemel zijn gaan houden voor de beheerders van de wereld, voor goden. WIJSH 13:3 Indien zij, door hun schoonheid bekoord, die dingen voor goden gingen aanzien, dan hadden zij moeten begrijpen, hoeveel voortreffelijker de Heer van dat alles is, want Hij die het geschapen heeft is de oorsprong van de schoonheid. WIJSH 13:4 Indien zij het echter deden, omdat zij verbijsterd waren over die macht en werking, dan hadden zij uit de verschijnselen moeten begrijpen, hoeveel machtiger de Maker ervan is, WIJSH 13:5 want uit de grootheid en de schoonheid van de schepselen wordt men door vergelijking hun Schepper gewaar. WIJSH 13:6 Niettemin treft deze mensen maar weinig blaam, want zij komen misschien op een dwaalspoor, terwijl zij God toch zoeken en willen vinden. WIJSH 13:7 Want terwijl zij zich met zijn werken bezighouden en zoeken verlaten zij zich op hun ogen: wat zij zien is immers mooi. WIJSH 13:8 Anderzijds zijn ook zij niet te verontschuldigen. WIJSH 13:9 Want indien zij in staat waren zoveel te weten, dat zij zich van de wereld een gedachte konden vormen, waarom hebben zij dan niet veeleer de Heer van dat alles gevonden? WIJSH 13:10 Er zijn echter ook rampzaligen, mensen die hun hoop op dode dingen stellen: zij die werken van mensenhanden goden hebben genoemd, goud en zilver, met kunst bewerkt, en afbeeldingen van dieren of een waardeloze steen, handwerk uit de oude tijd. WIJSH 13:11 Zo zaagt bijvoorbeeld een houtbewerker een geschikte boom om, ontdoet hem vakkundig van zijn hele schors en maakt er, na een passende bewerking, een nuttig stuk huisraad van, dat het leven vergemakkelijkt. WIJSH 13:12 Wat er afvalt bij die bezigheid gebruikt hij om zijn maaltijd te bereiden en hij verzadigt zich. WIJSH 13:13 En wat daarvan nog als afval overblijft en nergens meer voor dient, een krom stuk hout, een en al knoest, pakt hij dan vast, kerft erin, om in zijn vrije tijd iets te doen te hebben, geeft er vlot en handig vorm aan en maakt er iets van dat lijkt op een mens WIJSH 13:14 of overeenkomst heeft met een armzalig dier; hij besmeert het met menie, verft de huid purperrood en besmeert iedere vlek die erop zit. WIJSH 13:15 Hij maakt er een passend onderdak voor, zet het tegen de wand en bevestigt het met een stuk ijzer. WIJSH 13:16 Hij neemt dus zijn voorzorgen dat het niet valt, omdat hij weet dat het niet bij machte is zichzelf te helpen; WIJSH 13:17 Maar als hij wil bidden voor zijn bezittingen, voor zijn huwelijk en zijn kinderen, schaamt hij zich niet dat levenloze ding toe te spreken: hij roept het krachteloze aan om gezondheid, WIJSH 13:18 hij vraagt het dode om leven, hij smeekt het onbenulligste om bijstand en datgene wat geen voet kan verzetten om een goede reis, WIJSH 13:19 en met het oog op winst, arbeid, en geluk in wat zijn handen aanvatten, vraagt hij hulp aan iets dat volkomen krachteloze handen heeft. WIJSH 14:1 Een ander weer, die een zeereis wil ondernemen en de woeste golven gaat bevaren, roept een stuk hout aan dat nog brozer is dan het schip dat hem draagt. WIJSH 14:2 Want dat schip is in gedachte opgekomen door de begeerte naar winst en het is gebouwd door bekwaam vakmanschap. WIJSH 14:3 Maar uw voorzienigheid, Vader, stuurt het schip, want Gij hebt zelfs in de zee een weg gebaand en in de golven een veilig pad, WIJSH 14:4 daarmee tonend, dat Gij uit alles kunt redden, zodat men zelfs zonder zeemanschap aan boord zou kunnen gaan. WIJSH 14:5 Gij wilt dat de werken van uw wijsheid niet werkeloos blijven; daarom vertrouwen de mensen zelfs aan een klein stuk hout hun leven toe: zij varen op een vlot over de golvende zee en blijven behouden. WIJSH 14:6 Ook in de oude tijd al, toen de trotse reuzen omkwamen, zocht de hoop van de wereld haar toevlucht op een vlot en liet, door uw hand bestuurd, aan de wereld de kiem na van een nageslacht. WIJSH 14:7 Gezegend immers is het hout, waardoor gerechtigheid geschiedt, WIJSH 14:8 maar dat met handen gemaakte ding, het is vervloekt, het beeld en zijn maker, omdat hij het vervaardigd heeft en omdat het vergankelijk ding God is genoemd. WIJSH 14:9 Want bij God zijn zij evenzeer gehaat, de goddeloze en zijn goddeloosheid: WIJSH 14:10 met de maker immers zal ook het maaksel gestraft worden. WIJSH 14:11 Daarom zal er afgerekend worden ook met de beelden van de heidenen, omdat zij in Gods schepping een gruwel zijn geworden, een ergernis voor de zielen van de mensen en een valstrik voor de voeten van de dwazen. WIJSH 14:12 Het begin toch van de ontucht is de gedachte aan afgodsbeelden en de uitvinding daarvan is het bederf van het leven. WIJSH 14:13 Zij hebben immers niet van het begin af bestaan en zij zullen niet tot in eeuwigheid blijven. WIJSH 14:14 Door de ijdele waan van de mensen zijn ze in de wereld gekomen en daarom is hun een spoedig einde toegedacht. WIJSH 14:15 Een vader namelijk, te vroeg door rouw gekweld, heeft een beeld gemaakt van het zo haastig weggerukte kind; en wat eens een dode mens was is hij nu als een god gaan eren en hij heeft voor zijn onderhorigen ceremonies en riten ingesteld. WIJSH 14:16 Vervolgens heeft dat goddeloos gebruik zich gaandeweg vastgezet en is men het als een wet gaan onderhouden. Op bevel van vorsten werd toen aan de gesneden beelden goddelijke eer bewezen. WIJSH 14:17 En omdat de mensen de vorsten niet in hun bijzijn konden eren, omdat ze ver weg woonden, hebben zij die verre gestalte weergegeven en een waarneembaar beeld gemaakt van de vereerde koning, om door hun ijver de afwezige te vleien, alsof hij aanwezig was. WIJSH 14:18 Ook zij die de koning niet kenden werden er door de toewijding van de kunstenaar toe gebracht die eredienst meer luister bij te zetten. WIJSH 14:19 Want hij had, toch wel om de heerser te behagen, door zijn kunst de gelijkenis tot groter schoonheid opgevoerd. WIJSH 14:20 En de menigte, aangetrokken door de bekoorlijkheid van het werk, is hem, die kor tevoren een vereerd mens was, als een voorwerp van aanbidding gaan beschouwen. WIJSH 14:21 En zo viel het leven in een hinderlaag: de mensen raakten in de ban van het ongeluk of van de koninklijke macht en zij gaven aan stukken steen of hout de naam die met niemand gedeeld mag worden. WIJSH 14:22 En vervolgens was het nog niet genoeg dat zij dwaalden omtrent de kennis van God: ook al leven zij in een hevige strijd, door hun onwetendheid veroorzaakt, zij noemen al die ellende nog vrede. WIJSH 14:23 Want zij vieren riten met kindermoorden of heimelijke ceremonies of dolle gelagen met vreemde gebruiken WIJSH 14:24 en voor het leven hebben ze evenmin respect meer als voor de reinheid van het huwelijk, maar de een vermoordt de ander verraderlijk of grieft hem door echtbreuk. WIJSH 14:25 Het is een grote warboel van bloed en moord, van diefstal en bedrog, van verleiding, trouweloosheid, oproer en meineed, WIJSH 14:26 van paniek onder de goede mensen, van ondank voor weldaden, van besmeuring der zielen, verwisseling van geslacht, ontwrichting van huwelijken, echtbreuk en wulpsheid. WIJSH 14:27 De verering immers van de goden zonder naam is het begin, de oorzaak en de voleinding van alle kwaad: WIJSH 14:28 ze geven zich over aan waanzinnige uitgelatenheid of ze profeteren onwaarheden of ze leven in ongerechtigheid of ze zweren vlotweg valse eden, WIJSH 14:29 want vertrouwend op de levenloosheid van de afgodsbeelden verwachten ze geen nadelige gevolgen van hun zondige eden. WIJSH 14:30 Om twee redenen zal de gerechte straf hen treffen: omdat ze, door de afgoden aan te hangen, verkeerd hebben gedacht over God, en omdat ze, in hun minachting voor wat heilig is, arglistig valse eden hebben gezworen. WIJSH 14:31 Want niet de macht van degenen bij wie men zweert, maar de straf, die de zondaars verdienen, treft altijd de overtreding van de boosdoener. WIJSH 15:1 Gij echter, onze God, zijt genadig en trouw, lankmoedig en met barmhartigheid alles besturend. WIJSH 15:2 Ook als wij zondigen, wij zijn van U, omdat wij uw macht erkennen; maar wij willen niet zondigen, omdat wij weten dat wij U toebehoren. WIJSH 15:3 Want U kennen is volkomen gerechtigheid en weten van uw macht is de wortel der onsterfelijkheid WIJSH 15:4 Wij immers zijn niet misleid door een bedrieglijk bedenksel van mensen, noch door het nutteloze werk van schilders, een beeld met bonte kleuren besmeurd, WIJSH 15:5 dat door zijn aanblik de begeerte van de dwaas opwekt: hij verlangt naar de onbezielde gestalte van een levenloos beeld. WIJSH 15:6 Zowel degenen die ze maken als degenen die ernaar verlangen en ze vereren zijn aanhangers van het kwade en zulke verwachtingen waardig. WIJSH 15:7 Een pottenbakker bijvoorbeeld, die moeizaam de weke aarde kneedt, geeft, om ons te gerieven, aan stuk na stuk zijn vorm, maar uit hetzelfde leem vormt hij zowel de vaten die dienen voor propere bezigheden, als andere voor het tegenovergestelde, alle vaten op dezelfde manier. En welke bestemming elk stuk zal hebben, wordt door de leembewerker uitgemaakt. WIJSH 15:8 En met misplaatste ijver vormt hij dan uit hetzelfde leem een loze god, hij die onlangs uit de aarde is ontstaan en binnenkort terugkeert naar haar uit wie hij genomen is, nadat van hem de levensadem is teruggevraagd, die hij in leen heeft gekregen. WIJSH 15:9 Maar zijn zorg is niet, dat zijn krachten hem zullen begeven, en ook niet, dat hij maar een kortstondig leven heeft: neen, hij wedijvert met goud- en zilversmeden en hij bootst de bronsgieters na en hij beschouwt het als een eer vervalsingen te vervaardigen. WIJSH 15:10 Zijn hart is as, zijn hoop armzaliger dan stof, zijn leven waardelozer dan leem, WIJSH 15:11 omdat hij Hem miskent, die hem gevormd heeft en hem een werkdadige ziel heeft ingeademd en een geest van leven ingeblazen. WIJSH 15:12 Hij echter meent, dat ons leven een spel is en het bestaan een winstgevende kermis, want men moet, beweert hij, aan alles verdienen, zelfs aan het kwaad. WIJSH 15:13 Deze man weet beter dan wie ook, dat hij zondigt, hij die uit aardse stof breekbare vaten en beelden vervaardigt. WIJSH 15:14 De domsten van allen echter, ergere stakkers dan een onnozel kind, zijn degenen die, uw volk vijandig, het hebben onderdrukt, WIJSH 15:15 omdat zij zelfs al de afgoden van de andere volken als goden hebben beschouwd, wezens die hun ogen niet kunnen gebruiken om te zien, noch hun neus om lucht in te ademen, noch hun oren om te horen, noch de vingers aan hun handen om te tasten, terwijl hun voeten machteloos zijn om te gaan. WIJSH 15:16 Dat komt omdat ze gemaakt zijn door een mens en gevormd door iemand die het leven maar in leen had. Geen mens is immers bij machte een God te vervaardigen die aan hemzelf gelijk is. WIJSH 15:17 Sterfelijk als hij is maakt hij, met zijn zondige handen, een dood ding, Hij is zelf beter dan de dingen die hij vereert: hij leeft, zij nooit ofte nimmer. WIJSH 15:18 Zelfs de walgelijkste dieren vereren zij, en ook wat domheid betreft valt de vergelijking met andere dieren in hun nadeel uit. WIJSH 15:19 Mooi zijn ze ook niet, zodat men erop gesteld kan zijn, zoals dat bij het zien van dieren mogelijk is, want ze hebben zowel Gods lof als zijn zegen gemist. WIJSH 16:1 Daarom kregen die lieden hun verdiende straf door soortgelijke wezens en werden ze door een massa ongedierte gekweld. WIJSH 16:2 In tegenstelling tot deze straf hebt Gij uw volk weldaden bewezen: toen het reikhalsde van verlangen, hebt gij het ongewone spijs, de kwartel, te eten gegeven. WIJSH 16:3 Zo moesten die anderen, terwijl ze naar voedsel verlangden, vanwege het weerzinwekkende van de op hen afgestuurde dieren zich zelfs van hun natuurlijke eetlust afkeren, terwijl de mensen van uw volk, na even gebrek te hebben geleden zelfs een ongewone spijs genoten. WIJSH 16:4 Want over de eersten, de onderdrukkers, moest een onverbiddelijk gebrek komen, terwijl aan de uwen alleen maar moest worden getoond, hoe hun vijanden gekweld werden. WIJSH 16:5 Want ook toen de grimmige woede van wilde dieren over hen kwam en zij door de beten van kronkelende slangen omkwamen, duurde uw toorn niet tot het einde toe. WIJSH 16:6 Zij werden alleen bij wijze van waarschuwing voor korte tijd verschrikt en kregen toen een teken van hun redding om hen te herinneren aan wat uw wet gebiedt. WIJSH 16:7 Want wie zich naar dat teken wendde, werd niet gered door wat hij aanschouwde, maar door U, de enige redder. WIJSH 16:8 Ook daardoor hebt Gij onze vijanden bewezen, dat Gij alleen uit alle kwaad verlost. WIJSH 16:9 Zij werden namelijk gedood door de beten van sprinkhanen en vliegen omdat zij verdienden door dat soort wezens gestraft te worden. WIJSH 16:10 Uw zonen echter werden zelfs niet overwonnen door de tanden van giftige slangen, want uw barmhartigheid kwam te hulp en genas hen. WIJSH 16:11 Zij werden namelijk gestoken om aan uw geboden herinnerd te worden en zij werden spoedig gered: zij mochten die niet zo verregaand vergeten dat ze niet meer ontvankelijk zouden zijn voor uw weldadigheid. WIJSH 16:12 Want geen kruid en geen zwachtel heeft hen genezen, maar uw woord, Heer, dat alles heelt. WIJSH 16:13 Gij immers hebt macht over leven en dood; Gij voert naar de poorten van de onderwereld en Gij brengt weer omhoog. WIJSH 16:14 Een mens kan wel door zijn boosheid doden, maar de geest die is heengegaan brengt hij niet terug en een ziel, die in de onderwereld is, verlost hij niet. WIJSH 16:15 Aan uw hand echter valt niet te ontkomen. WIJSH 16:16 Want de goddelozen, die weigerden U te erkennen, werden door de kracht van uw arm gegeseld: zij werden achtervolgd door ongewone regenvlagen, hagelstormen en onverbiddelijke onweersbuien en verteerd door het bliksemvuur. WIJSH 16:17 En wat het meest bevreemdende was: in het water dat alles blust werkte het vuur met groter kracht, want het heelal strijdt voor de rechtvaardigen. WIJSH 16:18 Nu eens werd de vlam getemperd om de dieren niet te verbranden, die op de goddelozen waren afgezonden, zodat zij zelf, als zij het zagen, moesten begrijpen dat ze dood Gods oordeel werden vervolgd. WIJSH 16:19 Dan weer laaide de vlam op, zelfs nog midden in het water, met groter kracht dan aan vuur eigen is, zodat het gewas van het zondige land werd vernietigd. WIJSH 16:20 Uw volk daarentegen hebt Gij met engelenspijs gevoed en hun vanuit de hemel zonder ophouden een toebereid brood gegeven, dat iedere smaak in zich had en aangenaam was voor ieder die het proefde. WIJSH 16:21 Uw gave immers maakte op zichzelf uw goedheid jegens uw kinderen zichtbaar, maar zij voegde zich bovendien naar het verlangen van de gebruiker en veranderde in wat ieder wenste. WIJSH 16:22 Sneeuw en ijs was tegen het vuur bestand en het smolt niet, opdat men zou weten, dat de vruchten van de vijanden vernietigd werden door het vuur, dat in de hagel vlamde en in de regenvlagen bliksemde, WIJSH 16:23 en dat anderzijds datzelfde vuur zijn eigen kracht vergeten was om te zorgen dat de rechtvaardigen te eten hadden. WIJSH 16:24 Want de schepping, dienstbaar aan u, haar Maker, versterkt haar kracht om de onrechtvaardigen te bestraffen en matigt die om wel te doen aan hen die op U vertrouwen. WIJSH 16:25 Daarom heeft zij ook toen allerlei veranderingen ondergaan en is zij dienstbaar geweest aan uw alvoedende gave naar de wens van degenen die haar behoefden. WIJSH 16:26 Zo moesten uw zonen, die Gij liefhadt, Heer, ervaren, dat de mens niet gevoed wordt door allerlei vruchten, maar dat uw woord in stand houdt alwie op U vertrouwen. WIJSH 16:27 Want datgene wat door het vuur niet werd vernietigd smolt zonder meer, zodra het even door een zonnestraal verwarmd werd. WIJSH 16:28 Zo kan men weten, dat men U dank moet zeggen aleer de zon opgaat en voor U moet verschijnen bij de komst van het licht. WIJSH 16:29 Want hij die geen dank brengt ziet zijn hoop wegsmelten als winterse rijp, wegstromen als nutteloos water. WIJSH 17:1 Ja, machtig zijn uw oordelen en moeilijk onder woorden te brengen; daarom zijn zij die zich niet lieten onderrichten tot dwaling vervallen. WIJSH 17:2 Want de zondaars, die meenden een heilig volk te kunnen onder drukken, werden de gevangenen van de duisternis, in voetboeien geslagen door een lange nacht, en zij lagen in hun huizen opgesloten, verstoken van de eeuwige voorzienigheid. WIJSH 17:3 Zij meenden verborgen te blijven, bij hun heimelijke zonden, onder de duistere sluier van de verborgenheid, maar zij werden uiteengejaagd, hevig ontsteld en door drogbeelden verbijsterd, WIJSH 17:4 Want zelfs de schuilhoek die hen verborg vrijwaarde hen niet voor vrees en neerdreunende geluiden schalden om hen heen en er vertoonden zich triestige spookbeelden met sombere aangezichten. WIJSH 17:5 Geen macht van vuur was sterk genoeg om licht te brengen en de schitterende vlammen van de sterren waagden het niet die gruwelijke nacht te verlichten. WIJSH 17:6 Het enige dat zich aan hen vertoonde was een vuurmassa, vanzelf ontstaan en vol van verschrikking: maar door angst bevangen hielden zij wat ze zagen voor erger dan dat niet goed waargenomen verschijnsel. WIJSH 17:7 Daar lagen nu de bedriegerijen van hun toverkunst, en hun gepoch op hun inzicht werd smadelijk weerlegd. WIJSH 17:8 Want zij die verzekerden, dat zij angst en verwarring uit een lijdende ziel konden verdrijven leden zelf aan een belachelijke angst. WIJSH 17:9 Want als niets vreeswekkends hen beangstigde, werden zij toch verschrikt door het voorbijgaan van ongedierte en het sissen van slangen: WIJSH 17:10 zij vergingen van angst en zij weigerden de duisternis in te kijken, die men nergens kon ontvluchten. WIJSH 17:11 Boosheid namelijk is van nature vreesachtig en zij wordt door haar eigen getuigenis veroordeeld; als zij door het geweten gekweld wordt, maakt zij de moeilijkheden steeds erger. WIJSH 17:12 Vrees immers is niets anders dan het prijsgeven van de hulpmiddelen, die het redelijk denken biedt. WIJSH 17:13 Als echter innerlijk de hoop geringer is, houdt zij haar onwetendheid voor erger dan de oorzaak die de kwelling teweegbrengt. WIJSH 17:14 Degenen nu die in die waarlijk onmogelijke nacht, over hen komend uit de schuilhoeken van een onmogelijke onderwereld, dezelfde slaap sliepen, WIJSH 17:15 werden deels door schrikwekkende spookgestalten achtervolgd, deels door vertwijfeling verlamd, omdat er een plotselinge, onverwachte angst over hen was gekomen. WIJSH 17:16 Zo werd een ieder, wie hij ook was, daar waar hij neerviel vastgehouden, opgesloten in een kerker zonder ijzer. WIJSH 17:17 Want of hij nu boer was of herder of arbeider aan de werken in de woestijn, hij werd overvallen en hij moest die onontkoombare dwang ondergaan. WIJSH 17:18 Want in eenzelfde keten, de duisternis, werden zij allen gekluisterd. En of het nu de fluitende wind was of het lieflijk geluid van vogels in dicht struikgewas of het ruisen van een onstuimige waterstroom WIJSH 17:19 of het hevig geraas van neerstortende stenen of het ongeziene rennen van springende dieren of het brullen van de vervaarlijkste beesten of de echo die weergalmde uit een kloof in de bergen, het verschrikte en verlamde hen. WIJSH 17:20 Heel de wereld immers straalde in glanzend licht en overal gingen de werkzaamheden ongehinderd voort; WIJSH 17:21 zij echter waren de enigen over wie een drukkende nacht gespreid lag, een beeld van de duisternis die hen zou gaan opnemen, maar zij waren voor zichzelf drukkender dan de duisternis. WIJSH 18:1 Over uw heiligen echter straalde het klaarste licht. De anderen, die wel hun stemmen hoorden, maar hun gedaanten niet zagen, prezen hen gelukkig omdat zij niet hetzelfde ondergaan hadden. WIJSH 18:2 Zij waren ook dankbaar, dat ze niet geschaad werden door degenen die door hen onrechtvaardig behandeld waren, en ze vroegen vergiffenis voor hun vijandig gedrag. WIJSH 18:3 Daartegenover hebt Gij een vlammende vuurzuil gegeven als gids op een onbekende weg, als een onschadelijke zon op een roemvolle tocht. WIJSH 18:4 Die anderen immers verdienden het, van het licht te worden beroofd en te worden opgesloten in de kerker van de duisternis, omdat zij uw zonen in een kerker hadden opgesloten, door wie het onvergankelijke licht van de wet aan de wereld moest worden geschonken. WIJSH 18:5 Toen zij besloten hadden de kinderen van de heiligen te doden en toen dat ene kind te vondeling gelegd was en gered, hebt Gij tot hun straf een menigte van hun kinderen weggenomen en henzelf, allen tegelijk, door een vloed van water omgebracht. WIJSH 18:6 Die nacht was onze vaderen te voren bekend gemaakt, opdat zij, zeker wetend op welke eden zij vertrouwden, vol vreugde zouden zijn. WIJSH 18:7 Wat door uw volk verwacht werd was: redding voor de rechtvaardigen, ondergang voor de vijanden. WIJSH 18:8 Want datgene waarmee Gij de tegenstanders gestraft hebt, daarmee hebt Gij roem verleend aan ons, de door U geroepenen. WIJSH 18:9 In het verborgene immers brachten de heilige zonen der vromen hun offer en zij aanvaardden eendrachtig de goddelijke wet, dat de heiligen gelijkelijk zouden delen in dezelfde goede dingen en dezelfde gevaren; vooraf zongen zij reeds de lofzangen van hun vaderen. WIJSH 18:10 Daartegenin weerklonk het wanluidend geschreeuw van de vijanden en was overal de jammerklacht te horen om de betreurde kinderen. WIJSH 18:11 Door dezelfde straf werden de slaaf en de heer getuchtigd en de man uit het volk onderging hetzelfde lot als de koning. WIJSH 18:12 Allen samen hadden zij door een zelfde soort dood ontelbare lijken; en zelfs om die te begraven waren de levenden niet talrijk genoeg, want in een oogwenk was hun kostbaarste nageslacht te gronde gegaan. WIJSH 18:13 Zij die vanwege hun toverkunsten volkomen ongelovig waren gebleven, erkenden bij de ondergang van hun eerstgeborenen, dat dit volk de zoon van God was. WIJSH 18:14 Want terwijl een diepe stilte alles omgaf en de nacht in zijn snelle loop halverwege was gekomen. WIJSH 18:15 kwam uw alvermogend woord van zijn koningstroon in de hemel en sprong hij als een grimmig krijgsman midden in het onzalige land. WIJSH 18:16 Hij droeg een scherp zwaard, uw ondubbelzinnig bevel; hij stelde zich op en verspreidde overal de dood; hij raakte de hemel, terwijl hij op de aarde stond. WIJSH 18:17 En meteen brachten toen vreselijke droomgezichten hen in verwarring en onverwachte angsten overvielen hen. WIJSH 18:18 Halfdood stortten zij neer, de een hier, de ander daar, en maakten bekend, waarom zij stierven. WIJSH 18:19 Dat was hun namelijk tevoren onthuld door de dromen die hen hadden verbijsterd, opdat zij niet zouden omkomen zonder te weten, waarom zij zo zwaar getroffen werden. WIJSH 18:20 Maar ook de rechtvaardigen werden door een beproeving van de dood overvallen en in de woestijn werd de menigte geteisterd, maar de toorn hield niet lang aan; WIJSH 18:21 want een onberispelijk man sprong ijlings voor hen in de bres, uitgerust met de wapenen van zijn eigen bediening. gebed en verzoenend wierookoffer. Hij weerstond de gramschap en maakte een eind aan het onheil, tonend dat hij uw dienaar was. WIJSH 18:22 En hij zegevierde over het onheil niet met lichaamskracht en niet met wapengeweld, maar met zijn woord bedwong hij degene die de straf voltrok, door de eden, aan de vaderen gezworen, en de verbonden in herinnering te brengen. WIJSH 18:23 Toen immers de doden reeds bij hopen op elkander lagen, ging hij in het midden staan, stuitte de toorn en sneed de weg af naar de levenden; WIJSH 18:24 want op zijn mantel stond de hele wereld en de roem der vaderen op vier rijen gesneden stenen en uw majesteit op het diadeem van zijn hoofd. WIJSH 18:25 Daarvoor week de verdelger, daarvoor was hij beducht: alleen een proeve van de toorn was al voldoende. WIJSH 19:1 Over de goddelozen echter kwam ongenadige gramschap, tot het uiterste toe; zelfs wat er met hen zou gaan gebeuren wist Hij immers reeds tevoren: WIJSH 19:2 dat zij, na zelf op hun vertrek te hebben aangedrongen en hen ijlings te hebben weggezonden, spijt zouden krijgen en hen achterna zouden zitten. WIJSH 19:3 Want terwijl ze nog doende waren met hun rouw en weeklaagden aan de graven van de doden, namen zij een ander, een onzinnig besluit, en degenen die zij onder smeekbeden hadden weggestuurd achtervolgden zij nu als weglopers, WIJSH 19:4 want tot dat uiterste dreef hen een drang die zij zelf verdiend hadden; die deed hen vergeten wat er gebeurd was, zodat zij de straf, die nog aan hun kwelling ontbrak, ten volle zouden ondergaan WIJSH 19:5 en uw volk een ongehoorde tocht zou wagen, maar zij een ongewone dood zouden vinden. WIJSH 19:6 Want heel de schepping werd in haar eigen aard weer opnieuw gevormd, in gehoorzaamheid aan uw bevelen, opdat uw zonen zonder letsel behouden zouden blijven. WIJSH 19:7 Men zag de wolk de legerplaats overschaduwen en droog land oprijzen waar tevoren water stond: de Rode Zee werd een welgebaande weg, de wilde branding een grazige vlakte. WIJSH 19:8 Zij die door uw hand werden beschut, trokken daar met heel hun volk doorheen, na wonderbaarlijke tekenen aanschouwd te hebben. WIJSH 19:9 Zij weidden daar als paarden en huppelden er als lammeren, terwijl zij de lof zongen van U, Heer, hun Redder. WIJSH 19:10 Zij herinnerden zich ook nog wat zij in den vreemde hadden meegemaakt, hoe de muggen niet door levende wezens werden voortgebracht maar uit de aarde te voorschijn kwamen, en hoe de kikkers niet door waterdieren werden voortgebracht. maar door de rivier in grote menigte werden uitgebraakt. WIJSH 19:11 Later zagen zij ook een nieuw ontstaan van vogels, toen zij, door begeerte gedreven, om uitgelezen vleesspijs vroegen; WIJSH 19:12 want om hen tevreden te stellen stegen er uit de zee toen kwartels voor hen op. WIJSH 19:13 De straffen troffen de zondaars ook niet zonder dat er tekenen waren voorafgegaan door heftige bliksemflitsen. Terecht leden zij om hun eigen boze daden, want zij hadden zich overgegeven aan een bijzonder bittere haat tegen vreemdelingen. WIJSH 19:14 Die anderen immers wilden de onbekende mannen, die tot hen kwamen, niet opnemen; zij echter hadden vreemdelingen die hun weldoeners waren tot hun slaven gemaakt. WIJSH 19:15 En dat niet alleen, maar er zal zeker een bepaald oordeel over die anderen geveld worden, aangezien ze de vreemdelingen vijandig ontvingen; WIJSH 19:16 zij daarentegen hebben hen met feestbetoon ontvangen en daarna, toen ze reeds in hun rechten deelden, met harde arbeid gekweld. WIJSH 19:17 Zij zijn dan ook met blindheid geslagen - net als die anderen bij de deur van de rechtvaardige , toen zij omgeven werden door een onmetelijke duisternis en ieder de weg moest zoeken naar zijn eigen deur. WIJSH 19:18 De elementen namelijk wijzigen hun onderlinge verhouding en veranderen daardoor, net als de tonen op een harp, het soort ritme, terwijl ze geheel en al hun klank behouden, hetgeen duidelijk valt op te maken uit een beschouwing van wat gebeurd is. WIJSH 19:19 Landdieren immers veranderden in waterdieren en zwemmende dieren verhuisden naar het land. WIJSH 19:20 Het vuur overtrof in water zijn eigen kracht en het water vergat zijn vermogen om te blussen. WIJSH 19:21 Anderzijds werd het vlees van zeer kwetsbare dieren niet verzengd door de vlammen waarin ze rondliepen en de ijsachtige, licht smeltbare substantie van de goddelijke spijs smolt er niet door, WIJSH 19:22 Ja, in alle opzichten, Heer, hebt Gij uw volk groot gemaakt en verheerlijkt. Gij hebt het niet in de steek gelaten, maar het altijd en overal bijgestaan. WIJSHEID VAN JEZUS SIRACH SIR 1:1 Alle wijsheid komt van de Heer en is bij Hem tot in eeuwigheid. SIR 1:2 Het zand van de zeeën, de druppels van de regen en de dagen van de tijd: wie kan ze tellen? SIR 1:3 De hoogte van de hemel, de breedte van de aarde en de diepte van de zee: wie kan ze achterhalen? SIR 1:4 Voor alle andere dingen is de wijsheid geschapen en het denkend verstand is van eeuwigheid. SIR 1:5 De bron van de wijsheid, dat is het woord van God in den hoge, en haar wegen zijn eeuwige regels. SIR 1:6 Voor wie werd de wortel van de wijsheid blootgelegd en wie kent haar diepzinnig beleid? SIR 1:7 Aan wie is de kennis van de wijsheid meegedeeld en wie heeft haar rijke weten bevat? SIR 1:8 Een alleen is wijs en zeer te vrezen: Hij die zit op zijn troon, SIR 1:9 de Heer. Hij is degene die de wijsheid heeft geschapen, die haar heeft bezien en uitgemeten en haar heeft uitgestort over al zijn werken; SIR 1:10 in al wat leeft is zij aanwezig, zoals Hij haar geeft. Hij deelt haar toe aan wie Hem liefhebben. SIR 1:11 De vrees voor de Heer is eer en roem, zij is vreugde en een feestelijke krans. SIR 1:12 De vrees voor de Heer verkwikt het hart, zij geeft vreugde en blijdschap en lengte van dagen. SIR 1:13 Degene die de Heer vreest, hem zal het goed gaan, als het einde komt; op de dag van zijn dood wordt hij gelukkig geprezen. SIR 1:14 De Heer vrezen is het begin van de wijsheid. Zij is met de vromen, in de moederschoot met hen mee geschapen. SIR 1:15 Zij heeft zich onder de mensen een woning gebouwd, voor eeuwig gegrondvest, en in hun geslacht zal zij haar vertrouwen stellen. SIR 1:16 De Heer vrezen is de voltooiing van de wijsheid en zij verzadigt de mensen met haar vruchten. SIR 1:17 Hun hele huis vult zij met kostelijkheden en hun voorraadkamers met wat zij voortbrengt. SIR 1:18 De vrees voor de Heer is de bekroning van de wijsheid: zij doet vrede opbloeien en gave gezondheid. SIR 1:19 Hij heeft haar gezien en uitgeteld; weten en inzicht heeft Hij neer doen regenen en Hij heeft de roem verhoogd van hen die haar verkregen hebben. SIR 1:20 De Heer vrezen is de wortel van de wijsheid en haar takken zijn lange levensdagen. SIR 1:21 De vrees voor de Heer drijft de zonden uit; waar zij bestendig is wendt zij alle toorn af. SIR 1:22 Wie ten onrechte woedend wordt is niet te rechtvaardigen; de heftigheid van zijn woede wordt zijn val. SIR 1:23 De geduldige mens draagt zijn leed tot het ogenblik is gekomen, waarop de vreugde voor hem opbloeit. SIR 1:24 Hij houdt zijn woorden in tot het ogenblik is gekomen, waarop de lippen van velen zullen gewagen van zijn inzicht. SIR 1:25 In de kluizen van de wijsheid liggen spreuken vol weten, maar voor de zondaar is godvrezendheid een gruwel. SIR 1:26 Als gij naar wijsheid verlangt, neem dan de geboden in acht, en de Heer zal u de wijsheid schenken. SIR 1:27 Want de vrees voor de Heer bestaat in wijsheid en tucht en de welgevalligheid aan Hem ligt in trouw en zachtmoedigheid. SIR 1:28 Verzet u niet tegen de vrees voor de Heer en nader haar niet in dubbelhartigheid. SIR 1:29 Huichel niet tegenover de mensen en let goed op uw woorden. SIR 1:30 Verhef u niet: anders valt gij en brengt gij schande over uzelf. Dan zal de Heer uw verborgen daden onthullen en u neerwerpen in het midden van de gemeente, omdat gij niet genaderd zijt tot de vrees voor de Heer en omdat uw hart vol bedrog was. SIR 2:1 Mijn zoon, wanneer gij de Heer gaat dienen, bereid u dan voor op beproevingen SIR 2:2 Laat uw hart de juiste weg inslaan en laat het sterk zijn, en wind u niet op als de tegenspoed komt. SIR 2:3 Houd u aan Hem vast en laat Hem niet los: dan zult gij uiteindelijk verheven worden. SIR 2:4 Alles wat u overkomt moet ge aanvaarden; gij moet geduldig zijn in de wederwaardigheden die u vernederen. SIR 2:5 Want goud wordt in het vuur beproefd en de aan God welgevallige mens in de oven van de vernedering. SIR 2:6 Vertrouw op Hem en Hij zal u helpen; bewandel rechte wegen en stel uw hoop op Hem. SIR 2:7 Gij die de Heer vreest, verwacht zijn erbarming en wijkt niet af van de weg: gij zoudt kunnen vallen. SIR 2:8 Gij die de Heer vreest, vertrouwt op Hem en uw loon blijft zeker niet uit. SIR 2:9 Gij die de Heer vreest, hoopt op het goede, op eeuwige blijdschap en erbarming. SIR 2:10 Richt uw ogen op de geslachten van vroeger en ziet: Is er iemand geweest die op de Heer vertrouwde en beschaamd werd? Heeft er iemand in de vrees voor Hem volhard die in de steek werd gelaten? Heeft iemand Hem aangeroepen zonder verhoord te worden? SIR 2:11 Want de Heer is barmhartig en genadig. Hij vergeeft de zonden en redt op het ogenblik van de verdrukking. SIR 2:12 Wee de laffe harten en de krachteloze handen en de zondaar die twee wegen bewandelt! SIR 2:13 Wee het krachteloze hart: omdat het geen vertrouwen heeft, daarom wordt het niet beschermd. SIR 2:14 Wee u, die de volharding hebt verloren! Wat zult gij doen, wanneer de Heer verantwoording komt eisen? SIR 2:15 Wie de Heer vrezen zijn niet ongehoorzaam aan zijn woorden. Wie Hem liefhebben nemen zijn wegen in acht. SIR 2:16 Wie de Heer vrezen zoeken zijn welbehagen; wie Hem liefhebben zijn vol van de wet. SIR 2:17 Wie de Heer vrezen houden hun hart bereid en vernederen zich voor Hem. SIR 2:18 Laat ons maar in de handen van de Heer vallen en niet in de handen van de mensen, want zoals zijn grootheid is, zo is ook zijn erbarming. SIR 3:1 Luistert, zonen, naar het oordeel van uw vader en handelt ernaar: dan wordt gij gered. SIR 3:2 Want de Heer heeft aan de vader aanzien gegeven bij zijn kinderen, en Hij heeft het oordeel van de moeder bindend gemaakt voor haar zonen. SIR 3:3 Wie zijn vader hoogacht krijgt vergeving van zijn zonden SIR 3:4 en wie zijn moeder eer bewijst is als iemand die schatten verzamelt. SIR 3:5 Wie zijn vader hoogacht zal vreugde aan zijn kinderen beleven en als hij bidt, wordt hij verhoord. SIR 3:6 Wie zijn vader eer bewijst, zal lang leven. en wie luistert naar de Heer zal zijn moeder aanzien geven. SIR 3:7 Wie de Heer vreest zal zijn vader eren en hij zal zijn ouders als zijn meesters dienen. SIR 3:8 Eer uw vader met woord en daad: dan zal zijn zegen over u komen. SIR 3:9 Want de zegen van de vader stut de huizen van de kinderen, maar de vloek van de moeder ontwortelt de fundamenten. SIR 3:10 Zoek uw eer niet in de smaad van uw vader want de smaad van uw vader strekt u niet tot eer. SIR 3:11 Want de eer van een mens komt voort uit de achting die zijn vader geniet en een geschandvlekte moeder is een blaam voor de kinderen. SIR 3:12 Zoon, verzorg uw vader als hij oud is, en doe hem geen verdriet, zolang hij leeft. SIR 3:13 Ook al is zijn verstand verzwakt, gij moet het hem niet kwalijk nemen, en hem niet verachten, gij die nog al uw kracht hebt. SIR 3:14 Want een weldaad, aan uw vader bewezen, wordt niet vergeten: wat de zonden afbreken, bouwt zij weer voor u op. SIR 3:15 Op de dag van het leed wordt aan u gedacht: zoals wanneer de zon op het ijs schijnt, zo smelten dan uw zonden weg: SIR 3:16 Hij die zijn vader in de steek laat staat gelijk met een godslasteraar en wie zijn moeder treitert is door de Heer vervloekt. SIR 3:17 Wat gij doet, mijn zoon, doe dat met zachtheid en gij zult meer bemind worden dan iemand die geschenken geeft. SIR 3:18 Hoe hoger gij staat, des te kleiner moet gij u maken, en gij zult genade vinden bij de Heer. SIR 3:19 Velen zijn wel hoogverheven en vermaard, maar aan de zachtmoedigen openbaart Hij zijn geheimen. SIR 3:20 Want groot is de barmhartigheid van de Heer en aan de nederigen toont Hij zijn geheimen. SIR 3:21 Zoek niet wat te moeilijk voor u is en vors niet na wat uw krachten te boven gaat. SIR 3:22 Geef uw aandacht aan de dingen die u zijn opgedragen, want wat verborgen is brengt geen baat. SIR 3:23 Tob u niet af met dingen die niet tot uw taak behoren, want er is u toch al meer getoond dan mensen kunnen bevatten. SIR 3:24 Want zelfoverschatting heeft velen op een dwaalspoor gebracht en ongezonde inbeelding heeft hun gedachten ontwricht. SIR 3:25 SIR 3:26 Een verstokt hart zal het uiteindelijk slecht vergaan, en wie het gevaar bemint, komt erin om. SIR 3:27 Een verstokt hart zal het zwaar te verduren krijgen en de zondaar stapelt zonde op zonde. SIR 3:28 Voor de kwaal van de hoogmoedige bestaat geen genezing, want de plant van de boosheid heeft wortel in hem geschoten. SIR 3:29 Het hart van de verstandige mens overdenkt de spreuken; wat de wijze zich wenst is een oor dat luistert. SIR 3:30 Een laaiend vuur wordt door water geblust en weldadigheid verzoent de zonden. SIR 3:31 Wie weldaden vergeldt denkt aan de toekomst; op het ogenblik dat hij gaat vallen zal hij een steun vinden. SIR 4:1 Mijn zoon, ontneem de behoeftige niet wat hij nodig heeft om te leven, en laat de hunkerende ogen niet wachten. SIR 4:2 Doe de hongerige geen pijn en verbitter geen mens die in nood is. SIR 4:3 Maak een verbitterd hart niet radeloos en laat de vrager niet op de gave wachten. SIR 4:4 Wees niet weigerachtig tegen een smekeling in nood en wend uw gezicht niet af van de bedelaar. SIR 4:5 Wend uw oog niet af van degene die vraagt en geef niemand reden om u te vervloeken. SIR 4:6 Want als hij u vervloekt in de bitterheid van zijn gemoed, zal zijn Maker zijn bede verhoren. SIR 4:7 Maak u bemind in de gemeente en buig uw hoofd voor de hooggeplaatste. SIR 4:8 Neig uw oor naar de bedelaar en sta hem vriendelijk en zachtmoedig te woord. SIR 4:9 Bevrijd de verdrukte uit de handen van de verdrukker en wees niet kleinmoedig, als gij recht spreekt. SIR 4:10 Wees als een vader voor de wezen en neem bij hun moeder de plaats van haar man in: dan zult gij zijn als een zoon van de Allerhoogste en door Hem bemind worden meer dan door uw moeder. SIR 4:11 De wijsheid brengt haar zonen groot en zij zorgt voor degenen die haar zoeken. SIR 4:12 Wie haar liefheeft heeft het leven lief en wie haar in de vroegte worden met vreugde vervuld. SIR 4:13 Degene die haar bemachtigt zal roem als erfdeel krijgen, en waar zij binnenkomt, daar geeft de Heer zijn zegen. SIR 4:14 Degenen die haar huldigen dienen de Heilige en degenen die haar beminnen worden door de Heer bemind. SIR 4:15 Wie naar haar luistert zal recht spreken over de volken en wie haar is toegedaan zal zich veilig in zijn woning. SIR 4:16 Als hij op haar vertrouwt, krijgt hij haar als erfdeel en zullen zijn nakomelingen haar blijvend bezitten. SIR 4:17 In het begin bewandelt zij kronkelwegen met hem; zij jaagt hem vrees en angst aan; zij toetst hem met haar tucht, totdat zij zijn gezindheid vertrouwt, en zij beproeft hem met haar bevelen. SIR 4:18 Daarna wendt zij zich rechtstreeks tot hem en verblijdt zij hem en openbaart zij hem haar geheimen. SIR 4:19 Als hij afdwaalt, laat zij hem los en levert hem over aan zijn ondergang. SIR 4:20 Beid uw tijd en wacht u voor het kwade en zorg, dat gij over uzelf niet beschaamd hoeft te zijn. SIR 4:21 Want er is een schaamte die tot zonde leidt, en er is een schaamte die een luisterrijk sieraad is. SIR 4:22 Wees niet overmoedig tot uw eigen schade en breng niet uw eigen val teweeg. SIR 4:23 Laat een woord niet ongesproken, wanneer het ogenblik erom vraagt en verberg uw wijsheid niet. SIR 4:24 Want iemands wijsheid maakt zich kenbaar door het woord, en in het spreken van zijn tong komt aan de dag wat hij heeft geleerd. SIR 4:25 Verzet u niet tegen de waarheid en wees u bewust van uw onwetendheid. SIR 4:26 Schaam u niet uw zonden te bekennen; probeer een stromende rivier niet tegen te houden. SIR 4:27 Wees niet inschikkelijk tegenover een dwaas en zie een machthebber niet naar de ogen. SIR 4:28 Tot de dood toe moet ge voor de waarheid vechten: dan zal God de Heer voor u strijden. SIR 4:29 Wees niet driest met uw tong en tegelijk lui en traag in uw daden. SIR 4:30 Wees niet in uw huis een soort leeuw en wees geen ingebeelde zot tegenover uw slaven. SIR 4:31 Laat uw hand niet geopend zijn om te krijgen en dichtgeknepen als ze moet geven. SIR 5:1 Verlaat u niet op uw bezittingen en zeg niet: `Ik kan mij er wel mee redden.' SIR 5:2 Laat u niet meeslepen door uw eigen zin en uw kracht om te wandelen naar de begeerten van uw hart. SIR 5:3 Zeg niet: `Wie zal mij commanderen?' Weet wel: de Heer bestraft dat zwaar. SIR 5:4 Zeg niet: `Ik heb gezondigd, en is mij nu iets overkomen?' Weet wel: de Heer is lankmoedig. SIR 5:5 Over de verzoening moet gij niet zo luchthartig zijn, dat gij zonde op zonde gaat stapelen. SIR 5:6 Gij moet ook niet zeggen: `Zijn barmhartigheid is groot; Hij zal mijn vele zonden wel vergeven.' Let wel: er is bij Hem zowel barmhartigheid als toorn, en op de zondaars ligt zijn gramschap. SIR 5:7 Blijf niet wachten met uw terugkeer tot de Heer en stel die niet uit, van dag tot dag, want de toorn van de Heer komt plotseling los en in het uur van de bestraffing gaat gij te gronde. SIR 5:8 Verlaat u niet op oneerlijk verkregen bezit, want het baat u niets op de dag van de rampspoed. SIR 5:9 Gij moet niet wannen bij iedere wind en niet op ieder pad lopen. Dat doet de zondaar, de man met twee tongen. SIR 5:10 Sta vast in uw overtuiging en blijf bij uw woord. SIR 5:11 Wees er vlug bij om te luisteren en bedenk u lang voordat gij antwoord geeft. SIR 5:12 Antwoord uw naaste, als gij iets weet; zo niet, leg uw hand op uw mond. SIR 5:13 Van spreken komt zowel eer als schande en de tong brengt de mens ten val. SIR 5:14 Zorg dat ge niet een roddelaar genoemd wordt en leg geen lagen met uw tong, want schande treft de valsaard en een vernietigend vonnis wacht de man die met twee tongen spreekt. SIR 5:15 Bega geen misstap, groot noch klein, SIR 6:1 en word van vriend niet tot vijand, want het erfdeel van een slechte naam is schande en smaad: die komen over de zondaar, de man met twee tongen. SIR 6:2 Laat u niet overheersen door uw hartstocht: want hij wordt als een stier die uw kracht afgraast, SIR 6:3 uw loof wegvreet, en u achterlaat als een dorre boom. SIR 6:4 Kwade hartstocht wordt de ondergang van wie ermee behept is en levert hem over aan het leedvermaak van zijn vijanden. SIR 6:5 Minzame taal maakt overal vrienden en een hoffelijke tong krijgt overal welwillend antwoord. SIR 6:6 Laat velen met u in vrede leven, maar laat slechts een op de duizend uw raadsman zijn. SIR 6:7 Wilt gij iemand tot uw vriend maken, doe dat pas na hem beproefd te hebben en vertrouw hem niet te haastig. SIR 6:8 Menigeen is uw vriend, zolang het hem goed uitkomt, maar hij blijft niet trouw op de dag van de rampspoed. SIR 6:9 Menigeen is uw vriend, maar wordt uw vijand en brengt tot uw schande de ruzie op straat. SIR 6:10 Menigeen is uw vriend en zit met u aan tafel, maar hij blijft niet trouw op de dag van de rampspoed. SIR 6:11 In voorspoed staat hij aan uw kant en gaat hij gemeenzaam met uw bedienden om. SIR 6:12 Maar gaat het u slecht, dan keert hij zich tegen u en laat hij zich niet meer bij u zien. SIR 6:13 Houd u ver van uw vijanden en wees op uw hoede voor uw vrienden. SIR 6:14 Een trouwe vriend is een machtige schutsmuur; wie hem vindt, heeft een schat gevonden. SIR 6:15 Een trouwe vriend is niet te betalen; het is een heerlijkheid waar niets tegen opweegt. SIR 6:16 Een trouwe vriend is een levenskruid; wie de Heer vrezen zullen er een vinden. SIR 6:17 Wie de Heer vreest houdt zijn vriendschap ongekreukt, want zoals hij zelf is, is ook zijn naaste. SIR 6:18 Mijn zoon, aanvaard al van jongs af aan de tucht van wie u opvoeden; dan zult gij nog met grijze haren wijsheid vinden. SIR 6:19 Als iemand die ploegt en die zaait, zo moet gij de wijsheid benaderen, en gij moet weten te wachten op haar goede vruchten; want het werken aan haar kost u maar even moeite en al spoedig zult gij van haar vruchten eten. SIR 6:20 Hoe hard is de wijsheid voor wie niets geleerd hebben; de onverstandige houdt het bij haar niet uit: SIR 6:21 als een steen die hem zwaar op de proef stelt, zo drukt zij op hem en het duurt niet lang of hij werpt haar van zich af. SIR 6:22 Want de wijsheid is wat haar naam zegt; zij is maar voor weinigen weggelegd. SIR 6:23 Luister, mijn zoon, aanvaard mijn inzicht en wijs mijn raad niet af. SIR 6:24 Steek uw voeten in haar kluisters en uw nek in haar keten. SIR 6:25 Zet uw schouders eronder en neem haar op en laat haar banden u niet te zwaar wegen. SIR 6:26 Ga met heel uw ziel op haar af en volg haar wegen met al uw kracht. SIR 6:27 Spoor haar op en zoek haar: dan zult gij haar ontdekken; en als gij haar gegrepen hebt, laat haar dan niet meer los. SIR 6:28 Tenslotte zult gij rust bij haar vinden en zal zij voor u tot vreugde worden. SIR 6:29 Dan worden voor u haar kluisters een machtige bescherming en haar ketens een luisterrijk tooisel. SIR 6:30 Met goud is zij dan versierd en haar banden zijn purperen snoeren. SIR 6:31 Als een luisterrijk tooisel, zo doet gij haar aan, en als een vreugdekrans, zo zet gij haar op uw hoofd. SIR 6:32 Als gij maar wilt, mijn zoon, zult gij leren en als gij u geeft met hart en ziel, zult gij een verstandig man worden. SIR 6:33 Als zij graag luistert, krijgt ge iets te horen en als gij uw oor neigt, wordt ge wijs. SIR 6:34 Zoek het gezelschap van de ouderen en luister trouw naar hun wijsheid. SIR 6:35 Luister vooral naar ieder godsdienstig betoog en laat u geen wijze spreuken ontgaan. SIR 6:36 Als gij een verstandig mens vindt, ga hem dan al vroeg in de morgen bezoeken en laat uw voet de drempels van zijn deuren uitslijten. SIR 6:37 Blijf met uw gedachten bij de voorschriften van de Heer en overweeg voortdurend zijn geboden: dan zal Hij uw hart sterken en wordt u de wijsheid gegeven waarnaar gij verlangt. SIR 7:1 Doe geen kwaad: dan zal u geen kwaad overkomen. SIR 7:2 Houd u ver van het onrecht: dan zal het u uit de weg gaan. SIR 7:3 Zaai niet in de voren van de ongerechtigheid: dan hoeft gij van dat zaad geen zevenvoudige oogst te vrezen. SIR 7:4 Tracht van de Heer geen macht te krijgen en vraag van de koning geen erezetel. SIR 7:5 Geef u ten overstaan van de Heer niet de schijn van rechtvaardigheid en doe bij de koning niet alsof gij de wijsheid in pacht hebt. SIR 7:6 Streef er niet naar om rechter te worden: gij mocht eens onmachtig zijn de ongerechtigheid weg te nemen of bang worden tegenover een machthebber en uw onkreukbaarheid in gevaar brengen. SIR 7:7 Maak u niet schuldig tegenover het volk in de stad en verlaag u niet ter wille van de massa. SIR 7:8 Verstrik u niet tweemaal in een zonde, want zelfs voor eenmaal blijft gij niet ongestraft. SIR 7:9 Zeg niet: `Hij ziet wel naar mijn vele gaven en als ik God, de Allerhoogste, iets aanbied, dan neemt Hij het wel.' SIR 7:10 Wees niet karig met uw gebed en verzuim niet aalmoezen te geven. SIR 7:11 Kijk niet lachend neer op een man die bitter bedroefd is, want het is dezelfde die vernedert en verhoogt. SIR 7:12 Strooi geen leugens rond over uw broeder en evenmin over uw vriend. SIR 7:13 Pas ervoor op, leugen na leugen te vertellen, want voortdurend liegen brengt geen baat. SIR 7:14 Zwets niet in de vergadering van de ouderen en verval niet in herhalingen, als gij bidt. SIR 7:15 Wees niet afkerig van zwaar werk en van de landarbeid, die door de Allerhoogste is ingesteld. SIR 7:16 Zorg dat ge niet gerekend wordt bij de menigte van de zondaars: denk eraan dat de toorn niet uit zal blijven. SIR 7:17 Verootmoedig u diep, want het vuur en de worm is de straf van de goddeloze. SIR 7:18 Verkoop geen vriend voor geld en geen trouwe broeder voor het goud van Ofir. SIR 7:19 Laat een wijze, goede vrouw niet in de steek, want zij is aantrekkelijker dan goud. SIR 7:20 Doe een slaaf, die eerlijk zijn werk verricht, geen kwaad, en evenmin een dagloner, die zich ten volle geeft. SIR 7:21 Wees een verstandige slaaf van harte genegen en weiger hem de vrijheid niet. SIR 7:22 Hebt gij vee? Zie er dan naar om! En als het u van nut is, zorg dan dat gij het houdt. SIR 7:23 Hebt gij zonen? Voed hen op en buig hun nek van jongs af aan. SIR 7:24 Hebt gij dochters? Waak over haar, en kijk ze niet al te vriendelijk aan. SIR 7:25 Huw uw dochters uit dan hebt gij iets moois verricht en geef haar aan een verstandige man. SIR 7:26 Hebt gij een vrouw naar uw hart? Verstoot haar niet, en als een vrouw u niet aanstaat, vertrouw u dan niet aan haar toe. SIR 7:27 Eer uw vader met heel uw hart en vergeet de barensweeën van uw moeder niet. SIR 7:28 Bedenk dat gij uw leven aan hen te danken hebt! En wat kunt gij hun teruggeven voor wat zij u gegeven hebben? SIR 7:29 Vrees de Heer met heel uw hart en hebt ontzag voor zijn priesters. SIR 7:30 Heb uw Maker lief met heel uw kracht en laat zijn dienaren niet in de steek. SIR 7:31 Vrees de Heer en eer de priester en geef hem zijn deel, zoals u bevolen is: de eerstelingen, het schuldoffer, de schouderstukken, het heiligingsoffer en de eerstelingen van heilige bijdragen. SIR 7:32 Strek uw hand uit naar de bedelaar: dan zal uw zegen volkomen zijn. SIR 7:33 Begunstig met uw gave eenieder die leeft en onthoud ook de dode uw gunst niet. SIR 7:34 Onttrek u niet aan hen die schreien en treur met de treurenden. SIR 7:35 Wees niet onwillig om een zieke te bezoeken, want door zulke daden maakt gij u geliefd. SIR 7:36 Denk bij al uw woorden aan uw levenseinde en gij zult uw leven lang niet zondigen. SIR 8:1 Weerstreef geen machtig man: gij zoudt ooit in zijn handen kunnen vallen. SIR 8:2 Maak geen ruzie met een rijk man, want hij zou u zijn overwicht laten voelen. Velen immers zijn aan het goud te gronde gegaan en harten van koningen zijn erdoor misleid. SIR 8:3 Twist niet met een kletskous: gij moet op zijn vuur geen houtblokken stapelen. SIR 8:4 Maak geen grappen met een onopgevoed mens, want het zou oneer brengen over uw voorouders. SIR 8:5 Smaad geen mens die zich van de zonde afwendt: bedenk dat wij allen straf verdienen. SIR 8:6 Tast geen oude man in zijn eer aan, want wij worden misschien ook wel oud. SIR 8:7 Verheug u niet over iemands dood: bedenk dat wij allemaal sterven. SIR 8:8 Sla de betogen der wijzen niet in de wind en blijf hun spreuken overdenken, want bij hen zult gij inzicht opdoen en de hooggeplaatsten leren dienen. SIR 8:9 Versmaad de betogen der grijsaards niet, want ook zij hebben van hun vaders geleerd: van hen zult gij begrip leren en op het juiste moment leren antwoorden. SIR 8:10 Wakker de vuurgloed van de zondaar niet aan: gij zoudt uzelf aan zijn vlammen branden. SIR 8:11 Laat u door een brutale spotter niet van de wijs brengen: gij zoudt hem de kans geven u onverhoeds in uw woorden te vangen. SIR 8:12 Leen geen geld uit aan iemand die sterker is dan gij: als gij het doet, beschouw het geld dan maar als verloren. SIR 8:13 Sta niet borg boven uw vermogen: als gij zo borg staat, reken er dan maar op dat gij moet betalen. SIR 8:14 Procedeer niet met een rechter, want zijn aanzien bepaalt het vonnis. SIR 8:15 Ga niet op weg met een waaghals: hij zou u in zware ellende brengen, want hij volgt toch zijn eigen zin en gij gaat door zijn onverstand mee te gronde. SIR 8:16 Ga niet vechten met een driftkop en trek niet met hem de woestijn door, want bloedvergieten is voor hem maar een kleinigheid en zodra gij geen hulp hebt, slaat hij u neer. SIR 8:17 Pleeg geen overleg met een dwaas want hij kan geen woord voor zich houden. SIR 8:18 Doe in het bijzijn van een vreemde niets dat geheim moet blijven, want gij weet niet wat ervan uitlekt. SIR 8:19 Leg uw hart niet open voor iedereen en probeer niet u daarmee geliefd te maken. SIR 9:1 Wees niet jaloers op de vrouw van uw hart en leer haar geen kwaad: het treft uzelf. SIR 9:2 Geef uw hart niet zo aan een vrouw, dat zij u op de kop gaat zitten. SIR 9:3 Kom niet in de buurt van een lichte vrouw: gij zoudt in haar netten verstrikt kunnen raken. SIR 9:4 Geef u niet af met een zangeres: gij zoudt voor haar verleidingen kunnen bezwijken. SIR 9:5 Geef niet te veel aandacht aan een jong meisje: de prijs voor haar zou u kunnen ruineren. SIR 9:6 Verslinger u niet aan publieke vrouwen: gij zoudt er uw erfdeel aan verspelen. SIR 9:7 Kijk niet rond in de straten van de stad en dwaal er niet door de stille buurten. SIR 9:8 Wend uw oog af van een mooie vrouw en geef niet te veel aandacht aan schoonheid die een ander toebehoort; door de schoonheid van een vrouw zijn velen op de verkeerde weg geraakt, want daardoor vat de liefde vlam, als een vuur. SIR 9:9 Ga nooit bij een getrouwde vrouw zitten en wees niet haar tafelgenoot bij een drinkgelag: gij zoudt uw hart aan haar kunnen verliezen en bebloed de dood intuimelen. SIR 9:10 Laat een oude vriend niet in de steek, want een nieuwe evenaart hem niet, een nieuwe vriend is nieuwe wijn: pas als hij belegen is, drinkt gij hem met genoegen. SIR 9:11 Benijd een zondaar zijn succes niet; want gij weet niet hoe zijn einde zal zijn. SIR 9:12 Overschat de welvaart van de goddeloze niet; denk eraan: zij worden niet gerechtvaardigd, tot aan de dood toe niet. SIR 9:13 Blijf uit de buurt van een man, die bij machte is te doden; dan zult gij zelfs niet vermoeden wat vrees voor de dood is. Komt gij in zijn nabijheid, doe dan niets verkeerds: hij zou u om het leven kunnen brengen. Besef dat gij te midden van valstrikken loopt en dat gij wandelt op de wallen van een stad. SIR 9:14 Kijk uit, zo goed als gij kunt, met wie gij verkeert en ga te rade bij wijze mensen. SIR 9:15 Praat met verstandige mannen en houd u in al uw gesprekken aan de wet van de Allerhoogste. SIR 9:16 Zit met rechtvaardige mannen aan tafel en zoek uw roem in de vrees voor de Heer. SIR 9:17 Om de meesterhand van de makers wordt een werkstuk geprezen en de leider van een volk geldt als wijs om zijn woord, SIR 9:18 Een kletskous is de schrik van zijn stad en een flapuit wordt met de nek aangezien. SIR 10:1 Een wijs magistraat voedt zijn volk op en een verstandige man voert een ordelijk beleid. SIR 10:2 Zoals de magistraat van het volk is, zo zijn ook zijn ambtenaren; zoals de bestuurder van de stad is, zo zijn ook al haar bewoners. SIR 10:3 Een onbekwame koning richt zijn volk te gronde en een stad wordt een bewoonbaar oord door het verstand van zijn bestuurders. SIR 10:4 In de hand van de Heer ligt de macht over de aarde en te juister tijd stelt Hij over haar de geschikte man aan. SIR 10:5 In de hand van de Heer ligt het welvaren van een man en Hij verleent zijn luister aan het gelaat van de wetgever. SIR 10:6 Wrok niet tegen uw naaste, wat voor onrecht hij ook heeft gedaan, en zoek het nooit in eigenmachtige daden. SIR 10:7 Hoogmoed is gehaat bij de Heer en bij de mensen en voor beiden is onrecht een wanklank. SIR 10:8 De heerschappij verplaatst zich van volk naar volk door onrechtvaardigheden, door euveldaden en door het geld. SIR 10:9 Waarom is stof en as zo verwaand? Al tijdens zijn leven zitten zijn ingewanden vol bederf. SIR 10:10 Een onbeduidende ziekte: de dokter vindt het niet ernstig; maar wie vandaag koning is, sterft morgen. SIR 10:11 En als de mens sterft worden maden, ongedierte en wormen zijn erfdeel. SIR 10:12 Het begin van de hoogmoed bestaat hierin, dat de mens de Heer verlaat en dat zijn hart zich afwendt van zijn Maker. SIR 10:13 Want het begin van de hoogmoed is de zonde; wie zich in de zonde vastbijt loopt van afschuwelijkheid over. Daarom heeft de Heer hen overrompeld met zijn kastijdingen en heeft hij hen totaal vernietigd. SIR 10:14 Tronen van heersers heeft de Heer omvergeworpen en in hun plaats de zachtmoedigen neer doen zitten. SIR 10:15 De Heer heeft volkeren ontworteld en in hun plaats de nederigen geplant. SIR 10:16 De Heer heeft de woonplaatsen van volkeren verwoest en die vernietigd tot op hun fundamenten in de aarde. SIR 10:17 Hij heeft hen uit de mensenwereld weggerukt en hen vernietigd en zelfs hun aandenken heeft Hij van de aarde doen verdwijnen. SIR 10:18 Hoogmoed hoort niet bij de mensen en heftige toorn niet bij de kinderen van vrouwen. SIR 10:19 Wie worden geëerd, welke mensenkinderen? Degenen die de Heer vrezen. Wie blijven van eer verstoken, welke mensenkinderen? Degenen die de geboden overtreden. SIR 10:20 Hij die de leider van zijn broeders is wordt in hun midden geëerd. SIR 10:21 Zij die de Heer vrezen worden door Hem geëerd. SIR 10:22 De vreemdeling, de buitenlander en de bedelaar: hun roem ligt in hun vrees voor de Heer. SIR 10:23 Het is niet rechtvaardig een vrome bedelaar gering te schatten en het betaamt niet een zondaar te verheerlijken. SIR 10:24 De vorst, de rechter, de machthebber staan in ere en toch is geen van hen groter dan hij die de Heer vreest. SIR 10:25 Een wijze slaaf wordt door vrije mannen gediend en een verstandig man moppert daar niet over. SIR 10:26 Kom niet met spitsvondigheden aan, als gij uw werk moet doen, en praal niet wanneer gij het krap hebt. SIR 10:27 Beter is iemand die werkt en ruimschoots van alles voorzien is, dan een die maar pralend rondwandelt en gebrek heeft aan brood. SIR 10:28 Mijn zoon, gij moogt uzelf met bescheidenheid prijzen en u de eer toekennen die gij verdient. SIR 10:29 Als iemand zichzelf onrecht aandoet, wie zal hem dan rechtvaardigen? En wie zal iemand eren die zichzelf geringschat? SIR 10:30 Een arme wordt geëerd om zijn kennis en een rijke wordt geëerd om zijn rijkdom. SIR 10:31 Hij die als arme man geëerd werd, hoeveel te meer wordt hij het als rijke! En hij die als rijke man geminacht werd, hoeveel te meer wordt hij het als arme! SIR 11:1 Door wijsheid wordt de nederige verheven en komt hij te zitten in de kring van de machthebbers. SIR 11:2 Prijs niemand om zijn schoonheid en verafschuw geen mens om zijn uiterlijk. SIR 11:3 Klein is de bij onder de gevleugelde dieren, maar wat zij voortbrengt is het puik van alwat zoet is. SIR 11:4 Wees niet trots op de kleren die gij draagt en word niet verwaand, als men u eer bewijst, want de werken van de Heer zijn wonderbaar, ook al zijn ze voor de mensen verborgen. SIR 11:5 Veel heersers zijn op de vloer komen te zitten, terwijl de man in wie men geen erg had de diadeem te dragen kreeg. SIR 11:6 Veel machthebbers zijn diep in oneer geraakt en aanzienlijken zijn overgeleverd in de handen van vreemden. SIR 11:7 Spreek geen afkeuring uit voordat gij onderzoek hebt gedaan. Denk eerst na en geef dan pas uw berisping. SIR 11:8 Antwoord niet voordat gij hebt geluisterd en onderbreek niemand, terwijl hij nog aan het woord is. SIR 11:9 Strijd niet over een zaak die voor u geen belang heeft en ga niet met zondaars op de rechterstoel zitten. SIR 11:10 Mijn zoon, bemoei u niet met al te veel dingen! Doet gij te veel, dan blijft ge niet vrij van schuld; wat gij najaagt bereikt gij niet en wat gij vlucht, ontloopt gij niet. SIR 11:11 Er zijn er die zwoegen en werken en rennen en die des te meer achteropkomen. SIR 11:12 Anderen zijn sukkels, om bijstand verlegen, met tekort aan kracht en teveel aan armoe, maar de ogen van de Heer zien hen goedgunstig aan en hij richt hen op uit hun armzaligheid. SIR 11:13 Hij heft hun hoofden op, tot verbazing van velen. SIR 11:14 Wel en wee, leven en dood, armoe en rijkdom, het komt van de Heer. SIR 11:15 SIR 11:16 SIR 11:17 Wat de Heer geeft is het blijvend deel van de vromen en zijn gunst werpt altijd goede vrucht af. SIR 11:18 Sommigen worden rijk door hardnekkige hebzucht en het loon dat hun toevalt is, SIR 11:19 dat ze zeggen: `Ik ben binnen! Nu ga ik genieten van mijn bezit!' terwijl ze niet weten wanneer hun uur zal komen: dan moeten zij alles aan anderen laten en gaan zij dood. SIR 11:20 Houd u aan uw verplichtingen en blijf erbij en ga voort met uw werk tot gij oud zijt. SIR 11:21 Vergaap u niet aan wat de zondaar doet; vertrouw op de Heer en volhard in uw werk, want voor de Heer is het een kleinigheid, een arme eensklaps rijk te maken. SIR 11:22 De zegen van de Heer is het loon van de vrome en zijn welslagen bloeit in een oogwenk op. SIR 11:23 Zeg niet: `Wat heb ik nog nodig? Wat voor goed kan ik verder nog krijgen?' SIR 11:24 Zeg niet: `Mijn bezit is groot genoeg! Wat voor kwaad kan mij verder nog treffen?' SIR 11:25 In voorspoed wordt de tegenslag vergeten, in tegenspoed weet men niet meer van de voorspoed. SIR 11:26 Het is voor de Heer niet moeilijk een mens op de dag van zijn dood naar zijn levenswandel te vergelden. SIR 11:27 Een uur lijden doet alle weelde vergeten en het eind van de mens brengt zijn daden aan het licht. SIR 11:28 Voor zijn dood moet ge niemand gelukkig prijzen; pas aan zijn einde wordt een man gekend. SIR 11:29 Haal niet iedereen in uw huis want een bedrieger zit vol slinkse streken. SIR 11:30 Als een lokpatrijs in een kooi, zo is het hart van de hoogmoedige en hij loert als een belager op uw val; SIR 11:31 listig verdraait hij goed tot kwaad en zelfs het kostbaarste bederft hij. SIR 11:32 Een vonk kan een groot vuur worden en een zondaar loert nu eenmaal op bloed. SIR 11:33 Wacht u voor de boosdoener, want hij smeedt kwaad; hij kan voorgoed een smet op u werpen. SIR 11:34 Als gij iemand die niet deugt in uw huis haalt, zal hij u in verwarring en dwaling brengen en u van uw verplichtingen vervreemden. SIR 12:1 Als gij goed doet, weet dan aan wie, en gij zult dank krijgen voor uw goedheid. SIR 12:2 Doe goed aan een vroom man; het zal u vergolden worden, zo niet door hemzelf, dan door de Allerhoogste. SIR 12:3 Hem die de zondaar goed doet, gaat het niet goed, want hij heeft zeker geen gerechtigheid beoefend. SIR 12:4 Geef aan een vrome man en help de zondaar niet. SIR 12:5 Doe goed aan wie nederig is en geef niet aan de onvrome! Geef hem geen wapen in de hand waarmee hij u de baas kan worden. Want het kwaad dat gij zult ondervinden zal dubbel zo groot zijn als al het goed dat gij hem gedaan hebt. SIR 12:6 Ook de Allerhoogste immers verfoeit de zondaars en Hij straft de onvromen. SIR 12:7 Geef aan een goed mens en help de zondaar niet. SIR 12:8 In voorspoed weet men niet, wie zijn vriend is, in tegenspoed blijft de vijand niet verborgen. SIR 12:9 Gaat het iemand goed, dan hebben zijn vijanden hartzeer, gaat het hem slecht, dan neemt ook zijn vriend de wijk. SIR 12:10 Vertrouw uw vijand niet, nooit van uw leven, want zoals koper groen wordt zo komt bij hem de kwaadaardigheid te voorschijn. SIR 12:11 Ook als hij zich vernedert en ineengedoken loopt, moet ge u in acht nemen en voor hem oppassen. Dan zult ge zijn als iemand, die een spiegel gepolijst heeft, maar goed weet dat hij steeds weer uitslaat. SIR 12:12 Laat hem niet naast u staan, want hij brengt u ten val en hij neemt uw plaats in. Laat hem niet aan uw rechterhand zitten, want hij zou op uw zetel uit zijn, en gij zoudt te laat mijn vermaan begrijpen en dan diep getroffen zijn door mijn woorden. SIR 12:13 Wie heeft er meelij met een bezweerder die door een slang gebeten wordt en met al degenen die te dicht bij wilde dieren komen? SIR 12:14 Datzelfde geldt ook voor iemand die met een zondaar omgaat en een smet van diens zonden meekrijgt. SIR 12:15 Een tijdlang zal hij bij u blijven, maar als het met u misloopt, houdt hij geen stand. SIR 12:16 De lippen van de vijand zijn honingzoet, maar zijn hart zint erop u in een kuil te laten tuimelen. De ogen van uw vijand staan vol tranen, maar wanneer hij de kans krijgt, is hij met geen bloed te verzadigen. SIR 12:17 Treft u een ongeluk, dan vindt gij hem naast u, als om te helpen, maar hij komt om u de voet te lichten. SIR 12:18 Dan schudt hij zijn hoofd, dan klapt hij in zijn handen en onder veel gefluister trekt hij een ander gezicht. SIR 13:1 Wie pek aanraakt, maakt zich vuil en wie met een hoogmoedig mens omgaat wordt aan hem gelijk. SIR 13:2 Til geen last die voor u te zwaar is en ga niet om met iemand die sterker en rijker is dan gij. Hoe kan een pot met een ketel omgaan? Een stoot van de ketel, en de pot ligt in scherven. SIR 13:3 Als de rijke onrecht doet, maakt hij er ook nog ophef van. Als de arme onrecht lijdt, moet hij ook nog om hulp vragen. SIR 13:4 Brengt gij hem nut, dan profiteert hij van u, maar wanneer gij bezwijkt, laat hij u liggen. SIR 13:5 Zolang gij iets bezit, teert hij op u en hij kleedt u uit en het doet hem niets. SIR 13:6 Heeft hij u nodig, dan misleidt hij u, hij lacht u toe, hij geeft u hoop, hij praat vriendelijk en vraagt: `Wat is er van uw dienst?' SIR 13:7 Zolang hij daar baat bij heeft, drijft hij zijn spel met u; tweemaal, driemaal kleedt hij u uit en tenslotte hoont hij u. Ziet hij u naderhand weer terug, dan laat hij u links liggen en schudt hij zijn hoofd over u. SIR 13:8 Pas op dat gij u niet laat misleiden en door uw dwaasheid vernederd wordt. SIR 13:9 Als een machtig man u uitnodigt, wees dan gereserveerd: te vriendelijker zal hij u uitnodigen. SIR 13:10 Dring u niet op, want dan kunt gij afgewezen worden. Maar houd u ook niet teveel terug, want dan kunt gij vergeten worden. SIR 13:11 Probeer niet als gelijke met hem om te gaan, en vertrouw zijn vele woorden niet, want met zijn vele praten toetst hij u en met een glimlach hoort hij u uit. SIR 13:12 Een machthebber kent geen mededogen; hij bedreigt het leven van velen. SIR 13:13 Wees dus waakzaam en zeer omzichtig en ga niet om met geweldplegers. SIR 13:14 SIR 13:15 Elk levend wezen heeft zijns gelijke lief en elk mens degene die hem het naast is. SIR 13:16 Alwat leeft sluit zich aan bij zijn soortgenoten; ook de mens voegt zich bij zijn gelijke. SIR 13:17 Kan een wolf samenleven met een lam? Evenmin een zondaar met een vrome! SIR 13:18 Kan er vrede zijn tussen een hyena en een hond? En kan er dan vrede zijn tussen een rijke en een arme? SIR 13:19 De ezels in de woestijn zijn een prooi voor de leeuwen. Zo zijn de armen de graasgronden van de rijken. SIR 13:20 Voor een hoogmoedig mens is nederigheid een gruwel. Zo is een arme een gruwel voor de rijke. SIR 13:21 Als een rijke wankelt, wordt hij door zijn vrienden op de been gehouden, maar als de mindere man valt, krijgt hij van zijn vrienden een trap na. SIR 13:22 Als een rijke struikelt, zijn er velen die hem helpen; zegt hij onbehoorlijke dingen, dan weet men het goed te praten. Struikelt de mindere man, dan maakt men hem ook nog verwijten; spreekt hij verstandige taal, dan ziet men hem niet staan. SIR 13:23 Spreekt de rijke, dan houden allen hun mond en verheffen ze zijn woord tot de wolken. Spreekt de arme, dan zeggen ze: `Wie is dat?' En als hij struikelt, geven ze hem nog een duw mee. SIR 13:24 Goed is de rijkdom die niet uit zonde voortkomt, slecht is de armoede die een gevolg is van hoogmoed. SIR 13:25 Met het hart van een mens verandert ook zijn gezicht, hetzij ten goede, hetzij ten kwade. SIR 13:26 Een opgewekt gezicht wijst op een gelukkig hart. Het vinden van spreuken vraagt moeizaam nadenken. SIR 14:1 Gelukkig de man, die met zijn mond niet misdaan heeft en niet wordt geplaagd door wroeging over zijn zonden. SIR 14:2 Gelukkig de man, die door zijn gemoed niet wordt veroordeeld en die zijn hoop niet heeft verloren. SIR 14:3 Een krententeller heeft niets aan zijn rijkdom, en wat moet een gierigaard met geld? SIR 14:4 Wie zo spaart dat hij zichzelf tekort doet, vergaart voor anderen, en van zijn goederen vieren vreemden feest. SIR 14:5 Wie slecht is voor zichzelf, voor wie zal hij goed zijn? Hij geniet niet eens van zijn eigen bezit. SIR 14:6 Niemand is slechter dan hij, die zichzelf gierig behandelt: hij betaalt zelf het loon voor zijn slechtheid. SIR 14:7 Als hij goed doet, doet hij het onbedoeld en uiteindelijk verraadt hij toch zijn boosheid. SIR 14:8 Slecht is de man met het hebzuchtige oog, die zijn gezicht afwendt en zich om de mensen niet bekommert. SIR 14:9 Het oog van de hebzuchtige is niet voldaan met zijn aandeel en zijn ongerechtig oog mergelt hem uit. SIR 14:10 Het ongerechtig oog is karig met het brood; zo'n mens zit misdeeld aan zijn eigen tafel. SIR 14:11 Mijn zoon, als gij iets bezit, bedien u ervan en doe uzelf tegoed, zoveel als gij kunt. SIR 14:12 Bedenk, dat de dood niet draalt en dat het verdrag met het dodenrijk u niet getoond is. SIR 14:13 Voordat gij doodgaat, moet gij uw vriend goed doen en met uitgestrekte hand aan hem geven. SIR 14:14 Laat een gelukkige dag u niet ontsnappen en zorg, dat uw deel van het geluk u niet voorbijgaat, SIR 14:15 Zult gij uw bezit niet aan een ander nalaten en zal de vrucht van uw zwoegen niet worden verloot? SIR 14:16 Geef en neem en doe u te goed, want in het dodenrijk is geen genoegen meer te vinden. SIR 14:17 Alwat leeft verslijt als een kleed en vanouds geldt de beschikking: gij moet sterven. SIR 14:18 Zoals met het loof aan een tierige boom hij laat zijn bladeren vallen en weer andere groeien zo gaat het met de mensen van vlees en bloed: het ene geslacht gaat dood, het andere wordt geboren. SIR 14:19 Ieder werk wordt voos en vergaat en met het werk verdwijnt ook de maker. SIR 14:20 Gelukkig de man die zich op de wijsheid toelegt en die erop uit is inzicht te krijgen, SIR 14:21 de man, die de wegen der wijsheid in zijn hart overdenkt en haar verborgenheden tracht te ontdekken, SIR 14:22 die op weg gaat en haar als een speurder nazit en op de loer ligt waar zij ingaat, SIR 14:23 die door haar ramen spiedt en aan haar deuren staat te luisteren, SIR 14:24 die zich neerlaat dicht bij haar woning en zijn tentpin slaat in haar muren, SIR 14:25 die zijn tent vlak naast haar opzet en zijn intrek neemt op een plek waar het goed is. SIR 14:26 Hij plaatst zijn kinderen onder haar beschutting en hij woont onder haar takken. SIR 14:27 Door haar wordt hij tegen de hitte beschut en onder haar luister vindt hij rust. SIR 15:1 Zo doet degene die de Heer vreest; wie zich houdt aan de wet zal de wijsheid verwerven. SIR 15:2 Als een moeder komt zij hem tegemoet en zij begroet hem als de vrouw van zijn jeugd. SIR 15:3 Zij geeft hem het brood van het inzicht te eten en laat hem het water van de wijsheid drinken. SIR 15:4 Hij steunt op haar en hij wankelt niet, hij hecht zich aan haar en hij wordt niet beschaamd. SIR 15:5 Zij zal hem verheffen boven zijn naasten en in het midden van de vergadering ontsluit ze zijn mond. SIR 15:6 Blijdschap en een vreugdekrans en een onvergankelijke naam zal zij hem schenken. SIR 15:7 Mensen zonder inzicht verwerven haar niet en zondaars krijgen haar nooit te zien. SIR 15:8 Zij houdt zich ver van de hoogmoed en leugenaars denken nooit aan haar. SIR 15:9 De lofprijzing in de mond van een zondaar is misplaatst, want ze is hem niet door de Heer ingegeven. SIR 15:10 De lofprijzing moet in wijsheid uitgesproken worden, want dan geeft de Heer er zijn zegen aan. SIR 15:11 Zeg niet: `Het ligt aan de Heer, dat ik mij van Hem heb afgewend!' Wat Hij verfoeit, veroorzaakt Hij niet. SIR 15:12 Zeg niet: `Hij heeft mij zelf misleid!' Want aan een zondaar heeft Hij geen behoefte. SIR 15:13 De Heer haat alles wat verfoeilijk is en Hij bespaart het aan wie Hem vrezen. SIR 15:14 Hij heeft vanaf het begin, toen Hij de mens maakte, die mens aan zijn eigen beslissingen onderworpen. SIR 15:15 Wanneer gij wilt, kunt gij de geboden onderhouden en het is ook verstandig te doen wat Hem behaagt. SIR 15:16 Hij heeft vuur en water voor u neergezet: gij kunt uw hand uitstrekken naar wat ge verkiest. SIR 15:17 Voor de mensen liggen het leven en de dood, en wat een mens behaagt wordt hem gegeven. SIR 15:18 Want groot is de wijsheid van de Heer, zijn macht is geweldig en Hij ziet alles. SIR 15:19 Zijn ogen zijn gericht op wie Hem vrezen en iedere daad van de mens is Hem bekend. SIR 15:20 Hij heeft niemand bevolen te zondigen en aan niemand verlof gegeven om kwaad te doen. SIR 16:1 Verlang niet naar veel kinderen wanneer die niet zouden deugen, en verheug u niet over onvrome zonen. SIR 16:2 Ook al hebt ge veel zonen, gij moet er u niet om verheugen wanneer zij de vrees voor de Heer niet hebben. SIR 16:3 Vertrouw er niet op, dat uw zonen in leven zullen blijven, en verlaat u niet op hun aantal, want een die Gods wil doet is beter dan duizend andere, en kinderloos sterven is beter dan onvrome kinderen te hebben. SIR 16:4 Want om een verstandig man blijft een stad in stand, maar een stam van tuchtelozen gaat ten onder. SIR 16:5 Dat soort dingen heeft mijn oog vaak gezien en nog ergere heeft mijn oor gehoord. SIR 16:6 In de samenscholing der zondaars laaide het vuur op en onder het ongezeglijk volk ontbrandde de toorn. SIR 16:7 Hij was de reuzen van de oude tijd niet genadig, toen zij met heel hun macht oproerig werden. SIR 16:8 Evenmin spaarde Hij de lieden bij wie Lot woonde, vanwege hun verwatenheid door de Heer verfoeid. SIR 16:9 Hij ontfermde zich niet over het volk dat met de banvloek was geslagen, over hen die om hun zonden verdreven zijn. SIR 16:10 Zo is Hij ook opgetreden tegen de zeshonderdduizend voetknechten die om de verstoktheid van hun hart werden uitgeroeid. SIR 16:11 Ook al is er maar een hardnekkig, het zou verbazingwekkend zijn, als die zonder straf bleef. Er is ontferming bij Hem en toorn: Hij is machtig in genadigheid, maar Hij laat ook zijn toorn gaan. SIR 16:12 Zo groot als zijn ontferming is, zo groot is ook zijn strengheid. Hij oordeelt de mens naar zijn daden. SIR 16:13 De zondaar ontkomt niet met zijn roofgoed en de verwachting van de vrome blijft niet onvervuld. SIR 16:14 Wie gerechtigheid doet ontvangt wat hij verdient; eenieder krijgt loon naar zijn werken. SIR 16:15 SIR 16:16 SIR 16:17 Zeg niet: `Ik verberg mij wel voor de Heer! Wie zal daarboven aan mij denken? In de massa val ik toch niet op. Wat ben ik in die onmetelijke schepping?' SIR 16:18 Weet wel: de hemel, tot de hoogste hemel toe, de diepte en de aarde, zij wankelen onder zijn blik. SIR 16:19 De grondvesten der bergen en de fundamenten der aarde, zij trillen en beven als Hij hen aanziet. SIR 16:20 En toch schenkt Hij geen aandacht aan mij! Wie zal er letten op mijn wegen? SIR 16:21 Als ik zondig, is er geen oog dat mij ziet. En als ik in het diepte geheim misdoe, wie weet er dan van? SIR 16:22 De goede daden, wie praat erover? Wie wacht erop? De afrekening blijft nog lang uit! SIR 16:23 Dat zijn de gedachten van een kortzichtig man; een domoor, een dwaallicht denkt zulke onzin. SIR 16:24 Luister naar mij, mijn zoon, en laat u onderrichten en neem mijn woorden ter harte. SIR 16:25 Weloverwogen onderwijs zal ik geven en ik zal mijn kennis nauwgezet mededelen. SIR 16:26 De werken van de Heer zijn van het begin af door Hem geschapen en van hun schepping af heeft Hij aan ieder werk zijn plaats gegeven. SIR 16:27 Hij heeft hun werkzaamheden voor altijd geordend en hun heerschappij geregeld naar hun aard. Zij komen niet te kort en worden niet moe en leggen hun werkzaamheden nooit neer. SIR 16:28 Zij brengen elkaar niet in verdrukking en tot in eeuwigheid zijn zij gehoorzaam aan zijn woord. SIR 16:29 Daarna heeft de Heer op de aarde neergezien en haar met zijn goede gaven gevuld. SIR 16:30 Met allerlei levende wezens heeft Hij haar aanschijn bedekt en zij keren tot haar weer terug. SIR 17:1 De Heer heeft de mens uit de aarde geschapen en heeft hem weer tot haar doen terugkeren. SIR 17:2 Hij schonk hun een aantal dagen en een bestemde tijd en gaf hun de macht over de dingen op de aarde. SIR 17:3 Hij heeft hen bekleed met een kracht als de zijne en hen gemaakt naar zijn beeld. SIR 17:4 In al wat leeft heeft Hij de vrees voor de mens gelegd en hem tot heer gemaakt over dieren en vogels. SIR 17:5 SIR 17:6 Hij heeft hun tong gevormd en hun ogen en hun oren en hun een hart gegeven om te denken. SIR 17:7 Hij heeft hen vervuld met onderscheidingsvermogen; Hij toonde hun het goed en het kwaad. SIR 17:8 Hij heeft zijn oog in hun hart geplant om hun te laten zien hoe groot zijn werken zijn, SIR 17:9 zodat zij van de grootheid van zijn werken gewagen SIR 17:10 en zijn heilige naam prijzen. SIR 17:11 Hij heeft hun ook kennis geschonken en Hij gaf hun de wet van het leven als erfdeel. SIR 17:12 Hij sloot met hen een altijddurend verbond en toonde hun zijn voorschriften. SIR 17:13 Hun ogen zagen de grootheid van zijn glorie en hun oor heeft de glorie van zijn stem gehoord. SIR 17:14 En Hij zei tot hen: `Wacht u voor alle onrecht!' En Hij schreef hun voor, wat ieder aan zijn naaste verplicht is. SIR 17:15 Hun wegen zijn Hem altijd bekend en blijven voor zijn ogen niet verborgen. SIR 17:16 SIR 17:17 Want toen Hij de volken over heel de aarde verdeelde, stelde Hij over ieder volk een heerser aan, maar Israël is het deel van de Heer. SIR 17:18 SIR 17:19 Al hun werken zijn zonneklaar voor Hem en zijn ogen zijn onafgebroken op hun wegen gericht. SIR 17:20 Hun ongerechtigheden zijn niet voor Hem verborgen en al hun zonden zijn de Heer bekend. SIR 17:21 SIR 17:22 De liefdadigheid van een man bewaart Hij als een zegelring en iemands weldaad behoedt Hij als zijn oogappel. SIR 17:23 Uiteindeiljk zal Hij opstaan en hun geven naar hun verdienste; wat zij verdienen zal Hij op hun hoofd doen neerkomen. SIR 17:24 Alleen aan hen die boetvaardig zijn staat Hij de terugkeer toe en hen die versagen spoort Hij aan tot volharding. SIR 17:25 Bekeert u tot de Heer en laat de zonden varen! Bid voor zijn aangezicht en zorg dat gij zo weinig mogelijk aanstoot geeft. SIR 17:26 Keer terug tot de Allerhoogste en wend u af van de ongerechtigheid en haat hevig wat verfoeilijk is. SIR 17:27 Wie zal in het dodenrijk de Allerhoogste loven, zoals degenen die leven en Hem hun danklied zingen? SIR 17:28 Bij een dode, die als niets meer is, verstomt de lofprijzing. Prijs de Heer, terwijl gij leeft en gezond zijt! SIR 17:29 Hoe groot is de barmhartigheid van de Heer en hoe genadig is Hij voor wie zich tot Hem bekeren! SIR 17:30 Want voor de mens is niet alles bereikbaar, omdat het mensenkind niet onsterfelijk is. SIR 17:31 Wat straalt er helderder dan de zon? En toch wordt ook zij verduisterd. Maar vlees en bloed zijn tot het kwade gezind. SIR 17:32 De zon overschouwt de legermacht van de hoge hemel, de mensen zijn allemaal stof en as. SIR 18:1 Hij die tot in eeuwigheid leeft heeft het heelal geschapen. SIR 18:2 Alleen de Heer wordt rechtvaardig bevonden. SIR 18:3 SIR 18:4 Niemand heeft Hij in staat gesteld zijn werken voluit te verkondigen. En wie doorgrondt zijn grote daden? SIR 18:5 De macht van zijn majesteit, wie meet ze? En wie zal dan al de blijken van zijn barmhartigheid verhalen? SIR 18:6 Men doet er niets aan af, men voegt er niets aan toe: de wonderdaden van de Heer zijn niet te doorgronden. SIR 18:7 Als een mens is uitgedacht, staat hij nog aan het begin, en als hij ermee ophoudt ziet hij nog geen uitweg. SIR 18:8 Wat is de mens en waartoe deugt hij? Wat betekenen zijn goede, wat zijn kwade daden? SIR 18:9 Voor een mensenleven is honderd jaar heel veel. SIR 18:10 Een waterdrop uit de zee en een korreltje zand, dat zijn die paar jaren op de eeuwigheid. SIR 18:11 Daarom heeft de Heer geduld met de mensen en stort Hij over hen zijn barmhartigheid uit. SIR 18:12 Hij ziet en Hij weet, dat hun einde ellendig is: daarom biedt Hij rijkelijk verzoening. SIR 18:13 De barmhartigheid van de mens gaat uit naar zijn buurman, maar de barmhartigheid van de Heer gaat uit naar alles wat leeft; Hij wijst hen terecht, Hij tuchtigt en onderwijst hen en Hij voert hen terug als een herder zijn kudde. SIR 18:14 Hij ontfermt zich over hen, die zijn tuchtiging aanvaarden en zich ijverig naar zijn voorschriften voegen. SIR 18:15 Mijn zoon, voeg bij goede gaven geen verwijt en bij een geschenk nooit grievende woorden. SIR 18:16 Maakt de dauw geen eind aan de hitte? Zo is een woord ook beter dan een geschenk. SIR 18:17 Maar al is een woord beter dan een mooi geschenk, bij een beminnelijk man gaan ze samen. SIR 18:18 De dwaas krenkt door zijn hatelijke woorden en het geschenk van een wrevelig mens doet de ogen tranen. SIR 18:19 Voordat gij spreekt moet gij u laten onderrichten en gij moet voor uw gezondheid zorgen, voordat gij ziek wordt. SIR 18:20 Voordat gij wordt geoordeeld, moet gij uzelf onderzoeken om in het uur van het verhoor genadigheid te vinden. SIR 18:21 Voordat gij ziek wordt, moet gij u vernederen en tijdig tonen, dat gij u van uw zonden bekeerd hebt. SIR 18:22 Laat u niet weerhouden een gelofte bijtijds in te lossen en wacht niet tot aan uw dood om in het reine te komen. SIR 18:23 Voordat gij een gelofte doet moet gij u bezinnen en gij moet niet zo iemand worden die de Heer op de proef stelt. SIR 18:24 Denk aan de toorn, die komt in de dagen van de dood, en aan het moment van de bestraffing, als Gods aangezicht zich afwendt. SIR 18:25 Denk aan de tijd van de honger in tijden van overvloed en aan de armoe en het gebrek in dagen van rijkdom. SIR 18:26 Tussen morgen en avond wisselen de kansen: kortstondig is alles voor de Heer. SIR 18:27 Een wijs mens is altijd behoedzaam en in zondige tijden wacht hij zich voor een overtreding. SIR 18:28 Ieder verstandig mens erkent de wijsheid en hij prijst degene die haar gevonden heeft. SIR 18:29 Zij die woorden van wijsheid verstaan geven zelf ook blijk van wijsheid en zij laten treffende spreuken regenen. SIR 18:30 Loop niet achter uw begeerten aan en houd u ver van uw lusten. SIR 18:31 Als gij aan uw hart toestaat wat uw begeerte wenst, zal u dat tot de spot van uw vijanden maken. SIR 18:32 u niet in grote weelde en zoek haar gezelschap niet. SIR 18:33 Breng uzelf niet tot de bedelstaf door feest te vieren met geleend geld, terwijl gij niets in uw beurs hebt. SIR 19:1 Wie zo aan zijn drankzucht toegeeft wordt niet rijk, en wie het kleine niet eert gaat langzaam maar zeker te gronde. SIR 19:2 Wijn en vrouwen brengen verstandige mannen van de wijs en wie zich met hoeren afgeeft wordt steeds driester. SIR 19:3 Aan de maden en de wormen valt hij toe en hij wordt weggerukt, die drieste mens. SIR 19:4 Wie te snel vertrouwen geeft is lichtzinnig en wie zich daarna schuldig maakt misdoet tegen zichzelf. SIR 19:5 Wie zich in het kwaad verlustigt zal gevonnist worden. SIR 19:6 Wie een afkeer heeft van geroddel vermindert het kwaad. SIR 19:7 Nooit moet gij een verhaal verder vertellen: dan zult gij zelf ook nooit schade lijden. SIR 19:8 Bij vriend noch vijand moet gij het verder vertellen en als dat zonder zonde kan, moet gij het niet openbaar maken. SIR 19:9 Want wie het van u gehoord heeft, hij is voor u op zijn hoede en zal u te zijner tijd gaan haten. SIR 19:10 Hebt gij iets gehoord? Laat het met u sterven! Wees maar niet bang! Het doet u heus niet barsten! SIR 19:11 Een dwaas, hij krijgt weeën van een verhaal, zoals een vrouw die moet baren ze krijgt van haar kind. SIR 19:12 Als een pijl, die vastzit in het vlees van de dij, zo steekt een verhaal in het binnenste van een dwaas. SIR 19:13 Doe navraag bij uw vriend: hij heeft het misschien niet gedaan; en als hij het gedaan heeft, zorg dan dat hij er niet mee doorgaat. SIR 19:14 Doe navraag bij uw naaste: hij heeft het misschien niet gezegd; en als hij het gezegd heeft, zorg dan dat hij het niet herhaalt. SIR 19:15 Doe navraag bij uw vriend, want er wordt dikwijls gelasterd, en geloof niet ieder verhaal. SIR 19:16 Iedereen kan een fout maken, ook zonder opzet, en wie is in zijn spreken nooit tekortgeschoten? SIR 19:17 Doe navraag bij uw naaste voordat gij gaat dreigen en schik u naar de wet van de Allerhoogste. SIR 19:18 SIR 19:19 SIR 19:20 De vrees voor de Heer is de hele wijsheid en die wijsheid houdt het volbrengen van de wet in. SIR 19:21 SIR 19:22 Ervarenheid in het kwaad is geen wijsheid en wat de zondaars beramen getuigt niet van verstand. SIR 19:23 Er bestaat een schranderheid die een gruwel is en er bestaan domme mensen met te weinig inzicht, SIR 19:24 maar beter is een godvrezend man die weinig verstand heeft dan een man van groot intellect die de wet overtreedt. SIR 19:25 Er bestaat een onmiskenbare schranderheid, die misdadig is en er bestaan mensen die de luister van de rechtspraak aantasten. SIR 19:26 Menigeen gaat gebogen en in het zwart gehuld, maar innerlijk steekt hij vol listigheid. SIR 19:27 Hij loopt met zijn gezicht naar de grond en hij houdt zich doof, maar zodra er niet op hem gelet wordt, is hij u te vlug af; SIR 19:28 en als hij door gebrek aan kracht niet in staat is te misdoen, dan doet hij zijn kwaad zodra hij de kans krijgt. SIR 19:29 Aan zijn oogopslag wordt iemand gekend en aan de wijze waarop hij u aanziet wordt de verstandige man gekend. SIR 19:30 Iemands kleding en de lach van zijn tanden en ook de gang van een mens melden wie hij is. SIR 20:1 Een terechtwijzing komt soms niet op de juiste tijd en wie dan zwijgt, hij is verstandig. SIR 20:2 Het is beter terecht te wijzen dan te keer te gaan SIR 20:3 en degene die zijn schuld erkent wordt voor schade behoed. SIR 20:4 Als een castraat die een meisje begeert te ontmaagden, zo is hij die het recht geweld aandoet. SIR 20:5 Menigeen die zwijgt wordt voor wijs gehouden en menigeen maakt zich gehaat door veel te praten. SIR 20:6 Menigeen zwijgt omdat hij geen antwoord heeft en menigeen zwijgt omdat hij zijn tijd weet. SIR 20:7 Een wijs mens zwijgt tot het goede moment gekomen is, maar zwetsers en domme mensen lopen aan het goede moment voorbij. SIR 20:8 Wie veel praat wordt verafschuwd en wie zich gezag aanmatigt maakt zich gehaat. SIR 20:9 In ongeluk ligt voor een mens soms voorspoed en een buitenkansje kan verlies voor hem worden. SIR 20:10 Er zijn geschenken die u niet baten en er zijn geschenken, die u dubbel worden terugbetaald. SIR 20:11 Er bestaat vernedering als gevolg van roem en er zijn ook mensen die na de vernedering het hoofd weer opheffen. SIR 20:12 Sommigen kopen veel voor weinig geld, en anderen betalen zeven maal te veel. SIR 20:13 De wijze maakt zich door zijn woorden bemind; de vriendelijkheden van de dwazen gaan verloren. SIR 20:14 Een geschenk van een onverstandig mens brengt u geen baat, want het ene ding dat hij geeft zien zijn ogen in veelvoud. SIR 20:15 Hij geeft weinig en heeft veel aan te merken en hij zet een mond op als een omroeper; vandaag leent hij uit en morgen vraagt hij terug: afschuw verdient zo iemand! SIR 20:16 De dwaas zegt: `Ik heb geen vriend en mijn goede daden worden niet gewaardeerd; die mijn brood eten hebben een valse tong.' SIR 20:17 Hoe vaak zullen velen om hem lachen! SIR 20:18 Uitglijden op de vloer is beter dan uitglijden met de tong; zo komen de bozen spoedig ten val. SIR 20:19 Als een onaangenaam persoon, zo is een verhaal op een verkeerd moment; men hoort het telkens weer uit de mond van onbeheerste mensen. SIR 20:20 Een spreuk uit de mond van een dwaas wordt met minachting ontvangen, omdat hij hem nooit op het juiste moment laat horen. SIR 20:21 Menigeen wordt door armoede van het kwade weerhouden en zijn rust wordt niet door wroeging gestoord. SIR 20:22 Menigeen richt zichzelf te gronde door valse schaamte en gaat door menselijk opzicht verloren. SIR 20:23 Menigeen doet uit schaamte zijn vriend een belofte en maakt hem nodeloos tot zijn vijand. SIR 20:24 Een leugen is een schandvlek op een mens; men hoort ze telkens weer uit de mond van onbeheerste mensen. SIR 20:25 Een dief is nog te verkiezen boven iemand die voortdurend liegt, maar de ondergang is hun beider erfdeel. SIR 20:26 Het gedrag van een leugenaar is iets onterends en zijn schande blijft hem voortdurend bij. SIR 20:27 Wie wijs is in zijn woorden brengt zichzelf vooruit en een verstandig mens geniet de gunst van de notabelen. SIR 20:28 Wie het land bewerkt bouwt hoge schelven en wie de gunst van de notabelen geniet kan het onrecht weer goedmaken. SIR 20:29 Giften en geschenken verblinden de ogen der wijzen en houden hun als een muilkorf de terechtwijzingen in de mond. SIR 20:30 Verborgen wijsheid en een onzichtbare schat: wat voor nut hebben die twee? SIR 20:31 Beter een mens die zijn dwaasheid verbergt dan een mens die zijn wijsheid verbergt. SIR 21:1 Mijn zoon, hebt gij gezondigd? Ga er dan niet mee door en bid ook om vergeving voor uw vroegere zonden. SIR 21:2 Vlucht de zonde, als een slang, want als ge haar te na komt, bijt ze u. Haar tanden zijn leeuwetanden, die mensenlevens vernietigen. SIR 21:3 Alle ongerechtigheid is als een tweesnijdend zwaard: de wond die zij slaat is ongeneeslijk. SIR 21:4 Bluf en brutaliteit richten de rijkdom te gronde: daardoor wordt het huis van de verwatene verwoest. SIR 21:5 Het smeekbede van de arme gaat van zijn mond naar Gods oren en dan komt zijn oordeel met spoed. SIR 21:6 Wie afkerig is van een terechtwijzing loopt in het voetspoor van de zondaar, maar wie de Heer vreest neemt ze ter harte. SIR 21:7 Een snoever valt al spoedig op: een verstandig man kent hem aan zijn ontsporingen. SIR 21:8 Degene die zijn huis bouwt met andermans geld is als iemand die stenen bijeenbrengt voor zijn graf. SIR 21:9 De buit van de zondaars is als een stapel vlas en hun eind is een vlammend vuur. SIR 21:10 De weg van de zondaars is effen, vrij van stenen, maar aan zijn einde ligt de kuil van het dodenrijk. SIR 21:11 Wie de wet onderhoudt begrijpt haar zin en de volmaakte vrees voor de Heer is wijsheid. SIR 21:12 Wie niet schrander is laat zich niets leren, maar er is een schranderheid die veel bitterheid brengt. SIR 21:13 De kennis van de wijze is als een overvloed van water en zijn raad een bron van leven. SIR 21:14 Het innerlijk van de dwaas is als een gebroken kruik: het kan geen enkele kennis bevatten. SIR 21:15 Als een verstandig man een wijs woord hoort, dan prijst hij het en voegt er nog een bij, maar als een losbol het hoort, dan mishaagt het hem en werpt hij het achter zijn rug. SIR 21:16 Het betoog van een dwaas is als een last onderweg, maar op de lippen van een verstandig man ligt bekoorlijkheid. SIR 21:17 Wat uit de mond van de wijze komt wordt in de vergadering op prijs gesteld en zijn woorden worden ter harte genomen. SIR 21:18 Als een bouwval is de wijsheid van een dwaas en de kennis van de onverstandige is wartaal. SIR 21:19 Voor de dwaas is onderricht een keten aan zijn voeten en als een handboei aan zijn rechterhand. SIR 21:20 Een dwaas lacht luidkeels, maar een schrander man glimlacht hoogstens. SIR 21:21 Voor een verstandig man is onderricht als een gouden sieraad en als een armband aan zijn rechterarm. SIR 21:22 Een dwaas rent haastig een huis binnen, maar een levenswijs man blijft bescheiden wachten. SIR 21:23 Een onverstandig man gluurt aan de deur het huis binnen, maar een welopgevoed man blijft buiten staan. SIR 21:24 Een onbeschaafd mens luistert aan de deuren, maar voor de verstandige is dat een zware schande. SIR 21:25 De lippen van de praters vertellen maar raak, maar de woorden van verstandige mensen worden gewogen. SIR 21:26 De dwazen dragen het hart op de tong, maar de wijzen dragen hun tong in hun hart. SIR 21:27 Als een goddeloze zijn tegenstander vervloekt, dan vervloekt hij zichzelf. SIR 21:28 De roddelaar maakt alleen zichzelf vuil en hij wordt in zijn omgeving verfoeid. SIR 22:1 De luiaard is te vergelijken met een bevuilde steen en iedereen fluit hem uit om zijn schande. SIR 22:2 Met het vuil van een mesthoop is een luiaard te vergelijken: iedereen die het aanraakt slaat het van zijn hand af. SIR 22:3 Het is een schande voor een vader, een onbeheerste zoon te hebben verwekt, en een dochter die zo is wordt een schadepost. SIR 22:4 Een verstandige dochter krijgt een man die bij haar past, maar een dochter die schande brengt is een verdriet voor haar vader. SIR 22:5 Een brutale vrouw brengt schande over haar vader en over haar man en zij wordt door beiden veracht. SIR 22:6 Als feestmuziek bij rouw is een verhaal op het verkeerde moment, maar geselslagen en tucht getuigen te allen tijde van wijsheid. SIR 22:7 SIR 22:8 SIR 22:9 Wie een dwaas onderwijst is als iemand die scherven aaneenlijmt of die een slaper wekt uit een diepe slaap. SIR 22:10 Redeneren tegen een dwaas is als redeneren tegen iemand die maar knikkebolt en dan tenslotte vraagt: `Wat is er?' SIR 22:11 Schrei om een dode, want hij is verstoken van licht, en schrei om een dwaas, want hij is verstoken van verstand. Schrei zachter om een dode, want hij heeft rust gevonden, maar het leven van de dwaas is erger dan de dood. SIR 22:12 De rouw over een dode duurt zeven dagen, maar die om een dwaas en een goddeloze duurt al de dagen van zijn leven. SIR 22:13 Spreek niet te veel met een dwaas en ga niet naar een onverstandig man. Hoed u voor hem, om moeilijkheden te vermijden: dan wordt gij ook zeker niet bevuild door wat hij van zich afschudt. Ontwijk hem en gij zult rust vinden en gij zult geen last hebben van zijn verdwazing. SIR 22:14 Wat is zwaarder dan lood en hoe heet dat zwaardere anders dan `dwaze mens'? SIR 22:15 Zand, zout en een klomp ijzer zijn lichter om te dragen dan een onverstandig mens. SIR 22:16 Een houten gebint dat in een gebouw is vastgezet wordt bij een aardbeving niet ontwricht: zo raakt een hart, dat steunt op een weldoordacht besluit op een beslissend ogenblik niet ontzet. SIR 22:17 Een hart dat zich op verstandig overleg verlaat is als fraai pleisterwerk op een gepolijste muur. SIR 22:18 Steentjes die op een hoge plek liggen zijn niet bestand tegen de wind. Zo zal een wankelmoedig hart dat op een dwaas besluit steunt tegen geen enkele vrees bestand zijn. SIR 22:19 Wie het oog raakt doet tranen vloeien; wie het hart raakt verdrijft de vriendschap. SIR 22:20 Wie een steen naar vogels gooit jaagt ze weg, wie een vriend hoont maakt een eind aan de vriendschap. SIR 22:21 Als gij het zwaard tegen een vriend hebt getrokken, wanhoop dan niet, want er is nog een weg terug. SIR 22:22 Als gij tegen een vriend een grote mond hebt opgezet, maakt u dan geen zorgen, want er is nog verzoening mogelijk. Maar hoon en hooghartigheid, het verraden van een geheim en slinkse streken: daarvoor gaan alle vrienden op de loop. SIR 22:23 Verwerf het vertrouwen van uw naaste als hij arm is: dan zult gij ook volop delen in zijn voorspoed. Blijf bij hem in tijden van nood: dan zult gij delen in zijn erfenis. SIR 22:24 Voordat er vuur komt geeft de oven walm en rook: zo vallen er scheldwoorden voordat er bloed vloeit. SIR 22:25 Ik zal mij niet schamen een vriend te beschermen en ik zal mij niet verbergen als hij komt. SIR 22:26 En als mij door hem iets kwaads gebeurt, zal ieder die het hoort voor hem oppassen. SIR 22:27 Wie zet een wacht voor mijn mond en legt een zegel van omzichtigheid op mijn lippen, zodat ik er niet door ten val kom en mijn tong mij niet te gronde richt? SIR 23:1 Heer, vader en meester van mijn leven, laat mij niet over aan het beeld van mijn lippen en sta niet toe dat ik door hen ten val kom. SIR 23:2 Wie legt een zweep gereed om mijn denken te slaan en de roede van de wijsheid om mijn hart te tuchtigen? Dan zal die zweep mij niet sparen als ik domheden bega, en zal die roede nooit de fouten van mijn lippen ongestraft laten. SIR 23:3 Dan zullen mijn dwaasheden niet toenemen en mijn zonden niet talrijker worden; dan zal ik niet ten val komen onder het oog van mijn tegenstanders en zal mijn vijand zich niet over mij verheugen. SIR 23:4 Heer, vader en God van mijn leven bewaar mij voor hoogmoedige ogen SIR 23:5 en wend de begerigheid van mij af; SIR 23:6 laten gulzigheid en wellust mij niet in hun greep krijgen en lever mij niet over aan schaamteloze hartstocht. SIR 23:7 Hoort, zonen, hoe de mond beteugeld wordt: wie zich daaraan houdt, raakt niet verstrikt. SIR 23:8 De zondaar wordt het slachtoffer van zijn eigen lippen, de lasteraar en de hoogmoedige komen erdoor ten val. SIR 23:9 Wen uw mond niet aan eden en gewen er u niet aan de naam van de Heilige te noemen. SIR 23:10 Want zoals aan een slaaf die voortdurend wordt verhoord de striemen niet bespaard blijven, zo zal ook hij die altijd maar zweert en de heilige naam noemt niet vrij blijven van zonde. SIR 23:11 De man die veel zweert belaadt zich met ongerechtigheid; de gesel zal niet wijken van zijn huis. Als hij zijn eed niet houdt, drukt zijn zonde op hem; als hij hem geringschat, zondigt hij dubbel, en als hij zonder reden zweert, wordt hij niet gerechtvaardigd: zijn huis zal met rampen overladen worden. SIR 23:12 Er is een manier van spreken waar de dood op staat: laat die in Jakobs erfdeel niet gevonden worden, want de vromen mogen zich met dat alles niet afgeven en zij mogen zich niet in zonden wentelen. SIR 23:13 Wen uw mond niet aan vunzige platheden, want dan zondigt gij door uw woorden. SIR 23:14 Denk aan uw vader en uw moeder, als gij te midden van de notabelen zetelt; gij moet ze in hun aanwezigheid niet vergeten en onder invloed van die omgang geen dwaas worden, zodat hij zoudt wensen niet verwekt te zijn en de dag van uw geboorte vervloekt. SIR 23:15 Iemand die zich went aan schampere taal wordt zijn leven lang geen beschaafd mens. SIR 23:16 Twee soorten mensen beladen zich met zonde en een derde soort roept de toorn af. Brandende begeerte is als een laaiend vuur: zij wordt niet geblust voor zij is opgebrand. Een mens die met zijn eigen lichaam ontucht bedrijft houdt niet op totdat het vuur hem verteert. SIR 23:17 Voor een ontuchtig mens is alle brood lekker: hij wordt het niet moe tot hij doodgaat. SIR 23:18 De man die overspel pleegt zegt bij zichzelf: `Wie ziet mij? Het is donker om mij heen, de muren houden mij verborgen en niemand ziet mij. Waarvoor zou ik bang zijn? De Allerhoogste zal mijn zonden niet gedenken!' SIR 23:19 Wat hij vreest zijn de ogen van de mensen en hij beseft niet, dat de ogen van de Heer tienduizendmaal zo helder zijn als de zon: zij zien alle wegen van de mensen en dringen tot in verborgen hoeken door. SIR 23:20 Alles was Hem bekend voordat het werd geschapen en het blijft Hem bekend nadat het voltooid is. SIR 23:21 Zo iemand wordt in de straten van de stad gestraft en gegrepen waar hij er niet op verdacht is. SIR 23:22 Zo ook de vrouw die haar man ontrouw is en hem een erfgenaam bezorgt van een vreemde. SIR 23:23 Ten eerste is zij ongehoorzaam geweest aan de wet van de Allerhoogste; ten tweede heeft zij zich misdragen tegenover haar man; ten derde heeft zij ontucht en echtbreuk gepleegd en haar man kinderen bezorgd die door een vreemde verwekt zijn. SIR 23:24 Zo'n vrouw zal voor de vergadering gebracht worden en over haar kinderen zal leed komen. SIR 23:25 Haar kinderen zullen geen wortel schieten en haar takken geen vrucht dragen. SIR 23:26 Haar nagedachtenis zal een vloek zijn en haar schande zal niet worden uitgewist. SIR 23:27 Zij die achter blijven zullen inzien dat niets beter is dan de vrees voor de Heer en niets zoeter dan het onderhouden van de geboden van de Heer. SIR 24:1 De wijsheid gaat zichzelf prijzen en zich te midden van haar volk beroemen; SIR 24:2 in de gemeente van de Allerhoogste zal zij haar mond openen en zich beroemen ten overstaan van zijn legermacht. SIR 24:3 `Uit de mond van de Allerhoogste ben ik voortgekomen en als een nevel heb ik de aarde bedekt. SIR 24:4 Ik sloeg mijn tent op in den hoge en mijn troon stond op een wolkenzuil. SIR 24:5 Ik heb het hemelrond alleen doorlopen en in de diepte van de afgrond ben ik rondgegaan. SIR 24:6 Op de golven van de zee en overal op aarde, en bij alle volken en stammen kreeg ik de macht. SIR 24:7 Bij hen allen zocht ik een rustplaats: in wiens erfdeel moest ik gaan wonen? SIR 24:8 Toen gaf de Schepper van alles mij zijn opdracht en wees Hij die mij geschapen heeft de plaats aan voor mijn tent. Hij sprak: Sla uw tent op in Jakob en vind in Israël uw erfdeel! SIR 24:9 Voor de wereld, al in het begin, heeft Hij mij geschapen en zolang de wereld duurt verdwijn ik niet. SIR 24:10 In de heilige tent deed ik dienst voor zijn aangezicht en zo kreeg ik vaste voet op de Sion. SIR 24:11 In de geliefde stad gaf Hij mij eveneens een rustplaats en in Jeruzalem werd mijn heerschappij gevestigd. SIR 24:12 Te midden van een glorierijk volk heb ik wortel geschoten en het domein van de Heer werd mijn erfelijk bezit. SIR 24:13 Ik groeide als een ceder op de Libanon, als een cypres in het Hermongebergte. SIR 24:14 Ik groeide als een palmboom in En gedi, als een rozentuin in Jericho, als een schone olijfboom in de vlakte; als een plataan aan de waterkant. SIR 24:15 Als kaneel en balsem en als een uitgelezen mirre heb ik een heerlijke geur verspreid, als hars, kruidnagel en mirre olie en als een wierookwolk in de tent. SIR 24:16 Als een terebint stak ik mijn takken uit en het waren luisterrijke, mooie takken. SIR 24:17 Als een wijnstok kreeg ik mooie loten en mijn bloesems werden luisterrijke, volle vruchten. SIR 24:18 SIR 24:19 Komt tot mij, gij die naar mij verlangt, en verzadigt u met mijn vruchten, SIR 24:20 want het denken aan mij is zoeter dan honing en mij bezitten is zoeter dan honingraat. SIR 24:21 Wie mij eten houden nog honger naar mij en wie mij drinken wensen steeds meer. SIR 24:22 Hij die mij gehoorzaamt wordt niet beschaamd en zij die in mijn geest werken mislukken niet.' SIR 24:23 Dit alles is gegeven met het verbondsboek van de allerhoogste God, met de wet, die Mozes ons heeft opgelegd als erfdeel voor Jakobs gemeenten. SIR 24:24 SIR 24:25 De wet is boordevol wijsheid, zo vol als de Pison en de Tigris in de dagen van de nieuwe vruchten. SIR 24:26 Zij geeft overvloed aan inzicht; zij is als de Eufraat en de Jordaan in de dagen van de oogst. SIR 24:27 Zij doet kennis stromen, zo rijk als de Nijl en als de Gichon in de dagen van de druivenoogst. SIR 24:28 De eerste leert haar niet volledig kennen en de laatste achterhaalt haar evenmin. SIR 24:29 Want haar gedachten zijn voller dan de zee en voller dan de diepte zijn haar besluiten. SIR 24:30 En ik, ik ben als een waterloop, door een rivier gevoed, en als een wetering, die een lusthof binnenkomt. SIR 24:31 Ik zei: `Ik ga mijn boomgaard water geven en mijn plantage bevloeien.' En zie, mijn waterloop is een rivier en mijn rivier is een zee geworden. SIR 24:32 Verder wil ik mijn onderricht zo helder maken als de dageraad en het tot in de verte laten stralen. SIR 24:33 Verder wil ik mijn leer als een profetie laten stromen en haar nalaten aan verre geslachten. SIR 24:34 Ik heb mij dus niet alleen voor mijzelf ingespannen, maar voor allen die de wijsheid zoeken. SIR 25:1 In drie dingen vindt mijn hart behagen; zij zijn welgevallig bij de Heer en de mensen: eendracht onder broers, vriendschap met de naaste en een goede verstandhouding tussen man en vrouw. SIR 25:2 Drie soorten mensen verfoeit mijn hart en ik erger mij diep over hun levenswijze: een verwaande bedelaar, een oneerlijke rijkaards en een overspelige grijsaard met te weinig verstand. SIR 25:3 Wat gij in uw jeugd niet hebt bijeengebracht hoe zoudt gij dat in uw ouderdom vinden? SIR 25:4 Hoe aantrekkelijk is het, als mannen met grijze haren recht spreken, en als oudere mensen goede raad weten! SIR 25:5 Hoe aantrekkelijk is wijsheid bij oude mensen en doorzicht en goede raad bij mannen van aanzien! SIR 25:6 Rijke ervaring is de kroon van de oude mensen en de vrees voor de Heer is hun roem. SIR 25:7 Ik weet negen dingen die ik in mijn hart prijs en ook het tiende zal ik uitspreken: Een mens die vreugde beleeft aan zijn kinderen en iemand die nog bij zijn leven de val van zijn vijanden mag zien. SIR 25:8 Gelukkig is hij die een verstandige vrouw heeft en hij die niet met os en ezel tegelijk ploegt en hij die in zijn spreken niet uitglijdt en hij die niet zijn mindere hoeft te dienen. SIR 25:9 Gelukkig is hij die inzicht heeft gevonden en hij die spreekt voor oren die luisteren. SIR 25:10 Hoe groot is hij die wijsheid vindt! Maar niemand overtreft de man die de Heer vreest. SIR 25:11 De vrees voor de heer gaat alles te boven; wie haar bezit is met niemand te vergelijken. SIR 25:12 SIR 25:13 Alle leed desnoods, maar geen harteleed, alle kwaadaardigheid, maar geen kwaadaardigheid van een vrouw! SIR 25:14 Alle ellende desnoods, maar geen ellende van mensen die mij haten, alle afstraffingen, maar geen afstraffingen door vijanden! SIR 25:15 Geen erger gif dan het gif van een slang, geen erger woede dan de woede van een vrouw. SIR 25:16 Ik huis veel liever met een leeuw of een draak dan met een kwaadaardige vrouw. SIR 25:17 De kwaadaardigheid van een vrouw verandert haar oogopslag en verduistert haar gezicht tot zij er uitziet als een berin. SIR 25:18 Al zit haar man aan tafel tussen zijn buren, onwillekeurig moet hij bitter zuchten. SIR 25:19 Alle kwaad is gering vergeleken bij een kwade vrouw: het lot van de zondaar moge op haar vallen. SIR 25:20 Als een zandige helling voor de voeten van een grijsaard, zo is een praatzieke vrouw voor een rustige man. SIR 25:21 Bezwijk niet voor de schoonheid van een vrouw en zet uw zinnen niet op wat zij bezit. SIR 25:22 Het is een harde slavernij en een grote schande, wanneer een vrouw haar man onderhoudt. SIR 25:23 Een vernederd hart, een somber gezicht en hartzeer: die komen van een kwaadaardige vrouw. Slappe handen en knikkende knieën: die komen van een vrouw die haar man niet gelukkig maakt. SIR 25:24 Bij een vrouw is de zonde begonnen en door haar moeten wij allen sterven. SIR 25:25 Laat aan het water niet de vrije loop en aan een boosaardige vrouw niet de vrijheid van spreken. SIR 25:26 Als zij niet aan uw zijde wandelt, snijd haar dan af van uw vlees. SIR 26:1 Een goede vrouw maakt haar man gelukkig en het getal van zijn dagen wordt dubbel zo groot. SIR 26:2 Een flinke vrouw is een vreugde voor haar man en zij laat hem al zijn jaren in vrede doorbrengen. SIR 26:3 Met een goede vrouw is men goed bedeeld; wie God vrezen krijgen haar als hun deel. SIR 26:4 Rijk of arm, hun hart is gelukkig en hun gezicht staat altijd opgewekt. SIR 26:5 Voor drie dingen is mijn hart beducht en voor het vierde ben ik bang. Opspraak in de stad, een samenscholing van de massa en een valse beschuldiging zijn allemaal erger dan de dood. SIR 26:6 Maar een vrouw die jaloers is op een andere vrouw en de gesel van haar tong, die er iedereen in probeert te betrekken: dat geeft pijn in het hart en groot verdriet. SIR 26:7 Als een slingerend ossenspan is een kwaadaardige vrouw: wie haar in toom probeert te houden is als een man die een schorpioen vastpakt. SIR 26:8 Een vrouw die drinkt is een grote ergernis: zij verbergt haar schandelijk gedrag niet. SIR 26:9 De ontuchtigheid van een vrouw blijkt uit haar oogopslag en door haar gelonk verraadt zij zich. SIR 26:10 Houdt een rebelse vrouw terdege in het oog; anders vergooit ze zich, als ze de kans krijgt. SIR 26:11 Als haar ogen onbeschaamd zijn, ga dan haar gangen zorgvuldig na en verbaas u niet, wanneer zij zich tegen u misdraagt. SIR 26:12 Als een dorstige reiziger doet zij haar mond open en drinkt van ieder water in haar buurt, zij gaat tegenover iedere tentpaal zitten en opent haar koker voor de pijl. SIR 26:13 De bekoorlijkheid van de vrouw verblijdt haar man en haar vaardigheid geeft merg aan zijn gebeente. SIR 26:14 Een zwijgzame vrouw is een geschenk van de Heer en beschaving is iets onbetaalbaars. SIR 26:15 Een ingetogen vrouw is dubbel bekoorlijk en niets weegt op tegen haar zelfbeheersing. SIR 26:16 De zon die opgaat aan de hoge hemel van de Heer: zo is de schoonheid van een goede vrouw in haar welgeordend huis. SIR 26:17 Het licht dat op de heilige luchter staat te stralen: zo staat de schoonheid van haar aangezicht op haar rustige gestalte. SIR 26:18 Gouden zuilen op een zilveren voetstuk: zo staan haar mooie benen op de stevige hielen. SIR 26:19 SIR 26:20 SIR 26:21 SIR 26:22 SIR 26:23 SIR 26:24 SIR 26:25 SIR 26:26 SIR 26:27 SIR 26:28 Over twee dingen is mijn hart bedroefd en om een derde komt toorn in mij op: een vermogend man die tot armoe vervalt, verstandige mannen die geminacht worden en iemand die van gerechtigheid tot zonde komt: de Heer zal hem voor het zwaard bestemmen. SIR 26:29 Een zakenman blijft nauwelijks voor een misstap bewaard en ook een kleine handelaar ontkomt niet aan de zonde. SIR 27:1 Uit winstbejag zondigen velen en wie erop uit is rijk te worden wendt zijn ogen af. SIR 27:2 Zoals een pin vast komt te zitten in de voegen tussen de stenen, zo wringt de zonde zich tussen verkoop en koop. SIR 27:3 Als iemand niet sterk staat in de vrees voor de Heer, zal snel en onverwijld zijn huis te gronde gaan. SIR 27:4 Als men een zeef schudt, blijft de afval liggen: zo is de kwalijke kant van een mens in zijn berekening te vinden. SIR 27:5 Het vaatwerk van de pottenbakker wordt in de oven beproefd: zo toetst men een mens aan zijn berekening. SIR 27:6 De vrucht van de boom laat het werk van de kweker zien: zo toont de berekening de plannen in het hart van een mens. SIR 27:7 Voor de berekening moet ge een mens niet prijzen, want daarin wordt de mens beproefd. SIR 27:8 Als gij zoekt wat rechtvaardig is zult gij het vinden en het aantrekken als een luisterrijke mantel. SIR 27:9 Vogels nestelen bij hun soort soortgenoten en de waarheid keert steeds terug naar wie haar beoefenen. SIR 27:10 Een leeuw loert op zijn prooi: zo loert de zonde op hen die onrecht bedrijven. SIR 27:11 Het betoog van een vroom man is altijd wijsheid, maar de onverstandige is even wisselvallig als de maan. SIR 27:12 Als gij in het gezelschap van onverstandigen komt, moet gij de tijd in het oog houden, maar komt gij in het gezelschap van verstandige mensen, dan moet gij lang blijven. SIR 27:13 Het gepraat van dwazen is ergerlijk en hun gelach klinkt in zondige uitspattingen. SIR 27:14 De taal van wie veel zweert doet de haren te berge rijzen en om hun geruzie stopt men zich de oren toe. SIR 27:15 Het geruzie van de hoogmoedigen staat gelijk met bloedvergieten en hun gescheld is pijnlijk om aan te horen. SIR 27:16 Wie geheimen verklapt, verspeelt het vertrouwen en vindt nooit een vriend naar zijn hart. SIR 27:17 Houd van uw vriend en blijf hem trouw, maar als ge zijn geheimen verklapt hebt, loop dan maar niet meer achter hem aan. SIR 27:18 Want zoals een mens zijn erfdeel verspeelt, zo hebt gij de vriendschap van uw naaste verspeeld; SIR 27:19 en zoals gij een vogel uit uw hand laat ontsnappen, zo hebt gij uw naaste laten schieten en gij vangt hem niet meer. SIR 27:20 Ziet hem maar niet meer na, want hij is al ver weg, ontkomen als een gazelle aan het vangnet. SIR 27:21 Want een wond is nog te verbinden en voor een scheldwoord bestaat er vergeving, maar wie geheimen verklapt, heeft niets meer te hopen. SIR 27:22 Wie knipoogt, is iets kwaads van plan en wie het merkt, gaat hem uit de weg. SIR 27:23 Als u erbij bent, praat hij heel vriendelijk en hij is vol bewondering voor uw woorden, maar achteraf praat hij anders en werpt een smet op uw woorden. SIR 27:24 Er zijn veel dingen die ik verfoei, maar niets zo diep als een dergelijke man, en ook de Heer verfoeit hem. SIR 27:25 Wie een steen omhoog gooit, die gooit hem op zijn eigen hoofd en een verraderlijke slag slaat diepe wonden. SIR 27:26 Wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in en wie een strik uitzet raakt er zelf in gevangen. SIR 27:27 Als iemand kwaad bedrijft, valt het om hemzelf terug, en hij weet niet eens, vanwaar het hem treft. SIR 27:28 Spot en smaad zijn weggelegd voor de verwaande en de wraak loert op hem, als een leeuw. SIR 27:29 Wie zich over het ongeluk van de vromen verheugen komen zelf in een valstrik terecht, en zij worden door smart verteerd, nog voor hun dood. SIR 27:30 Ook wrok en gramschap zijn iets afschuwelijks: alleen een zondaar blijft ermee lopen. SIR 28:1 Wie wraak neemt, zal de wraak van de Heer voelen: Hij zag zijn zonden nooit uit het oog verliezen. SIR 28:2 Vergeef uw naaste zijn onrecht: dan worden, wanneer gij erom bidt, uw eigen zonden kwijtgescholden. SIR 28:3 Kan een mens, die tegenover een medemens in zijn gramschap volhardt, bij de Heer zijn heil komen zoeken? SIR 28:4 Kan hij, die onverbiddelijk is voor zijn evenmens, om vergeving bidden voor zijn eigen zonden? SIR 28:5 Als iemand, die zelf maar een mens is, in zijn wrok volhardt, wie zal dan verzoening bewerken voor zijn zonden? SIR 28:6 Denk aan het einde en houd op met haten; denk aan de ondergang en de dood en houd u aan de geboden. SIR 28:7 Denk aan de geboden en wrok niet tegen uw naaste; denk aan het verbond met de Allerhoogste en zie door de vingers wat maar onwetendheid is. SIR 28:8 Onthoud u van vechtpartijen en gij zult minder zondigen, want een driftig mens doet de strijd ontbranden. SIR 28:9 Een zondig mens zaait tweedracht tussen vrienden en brengt vijandschap onder hen die in vrede leven. SIR 28:10 Hoe meer hout er in het vuur komt, des te hoger vlamt het op; hoe hardnekkiger de strijd is, des te heviger wordt hij; hoe meer kracht iemand heeft, des te groter is zijn woede, en hoe rijker hij is, des te hoger laat hij zijn toorn oplaaien. SIR 28:11 Een plotselinge ontstane twist doet het vuur opvlammen en een overijlde vechtpartij doet bloed vloeien. SIR 28:12 Als gij op een vonk blaast, dan vlamt zij op en als gij erop spuwt, dan dooft zij uit. En toch is het een zowel als het ander het werk van uw mond. van de tong SIR 28:13 De roddelaar en de man met de dubbele tong, gij moet ze vervloeken, want velen die in vrede leven worden door hen in het ongeluk gestort. SIR 28:14 De tong van een derde heeft de rust van velen verstoord, heeft hen opgejaagd van volk tot volk, heeft sterke steden neergehaald en huizen van grote heren verwoest. SIR 28:15 De tong van een derde heeft kordate vrouwen verjaagd en beroofd van de vrucht van haar werk. SIR 28:16 Wie ernaar luistert vindt geen rust meer en woont nooit meer ongestoord. SIR 28:17 Een slag met een zweep maakt een striem, maar een slag met de tong breekt botten. SIR 28:18 Velen zijn gesneuveld door de snede van het zwaard, maar niet zoveel als er gesneuveld zijn door de tong. SIR 28:19 Gelukkig hij die tegen haar beschermd is, die niet het offer wordt van haar woede, die haar juk niet hoeft te torsen en door haar boeien niet gekluisterd wordt. SIR 28:20 want haar juk is een ijzeren juk en haar boeien zijn boeien van koper. SIR 28:21 De dood die zij brengt is een kwade dood en de onderwereld is beter dan zij. SIR 28:22 Op de vromen heeft zij geen vat en zij zullen in haar vuur niet branden. SIR 28:23 Degenen die de Heer verlaten vallen in haar macht en zij laait in hen op en is niet meer te blussen. Als een leeuw wordt zij op hen losgelaten en als een panter takelt zij hen toe. SIR 28:24 Omhein dus uw wijngaard met dorens, zet voor uw mond een deur en een grendel, SIR 28:25 sluit weg uw zilver en uw goud, maak voor uw woorden een weegschaal en een gewicht. Pas op, dat gij door de tong niet uitglijdt en dat gij niet ten val komt onder het oog van wie u belaagt. SIR 29:1 Wie barmhartig is, leent zijn geld aan zijn naaste en wie hem de helpende hand biedt, onderhoudt de geboden. SIR 29:2 Leen aan uw naaste, wanneer hij het nodig heeft. Geef anderzijds het geleende op tijd aan uw naaste terug. SIR 29:3 Houd u aan uw woord en toon u betrouwbaar in de omgang; dan vindt gij altijd wat gij nodig hebt. SIR 29:4 Velen beschouwen het geleende als gevonden geld en bezorgen last aan wie hen geholpen hebben. SIR 29:5 Zo iemand kust zijn naaste de handen totdat hij het geld heeft gekregen en vanwege zijn geld spreekt hij hem onderdanig aan, maar als het ogenblik van terugbetalen is gekomen, stelt hij het uit, betaalt hij onvriendelijke woorden terug en geeft de schuld aan de tijd. SIR 29:6 Ook al kan de schuldenaar best betalen, de eiser krijgt maar met moeite de helft en moet dat nog als gevonden beschouwen. Kan hij niet betalen, dan berooft hij de man van zijn geld en maakt hem nodeloos tot zijn vijand. Verwensingen en schimpscheuten betaalt hij hem terug en in plaats van eerbetoon betaalt hij hem smaad. SIR 29:7 Niet uit kwaadwilligheid zijn velen weigerachtig, maar uit vrees om nodeloos te worden beroofd, SIR 29:8 Wees toch maar grootmoedig voor de arme en laat hem niet op zijn aalmoes wachten. SIR 29:9 Help de arme, omdat het geboden is, en stuur hem, als hij in nood verkeert, niet met lege handen weg. SIR 29:10 Verlies uw geld maar aan een broer of vriend en laat het niet onder een steen verroesten en teloorgaan. SIR 29:11 Gebruik uw schatten volgens de geboden van de Allerhoogste, en zij brengen u meer op dan goud. SIR 29:12 Berg aalmoezen in uw schatkamers; die redden u uit alle ellende. SIR 29:13 Beter dan een sterk schild en beter dan een zware lans strijden zij voor u tegen de vijand. SIR 29:14 Een goed man blijft borg voor zijn naaste, maar een schaamteloze laat hem in de steek. SIR 29:15 Vergeet de vriendelijkheid van uw borg niet, want hij heeft zichzelf voor u gegeven. SIR 29:16 Wie het goed van zijn borg verkwist, is een zondaar SIR 29:17 en wie geen dankbaarheid voelt, laat zijn redder in de steek. SIR 29:18 Het borg blijven heeft veel welgestelden te gronde gericht en heeft hen heen en weer geslagen als de golven van de zee. Het heeft machtige mannen uit hun huizen verdreven zodat ze vagebonden werden onder vreemde volken. SIR 29:19 De zondaar stort zich op borgstellingen en in zijn zucht naar winst stort hij zich in processen. SIR 29:20 Help uw naaste naar vermogen, maar pas op dat gij niet ten val komt. SIR 29:21 De eerste levensbehoeften zijn water, brood, kleding en een huis dat de naaktheid bedekt. SIR 29:22 Beter is een armoedig bestaan onder een dak van planken dan heerlijke spijzen in andermans huis. SIR 29:23 Of gij nu weinig of veel krijgt, blijf tevreden, en gij zult u niet voor vreemdeling horen uitschelden. SIR 29:24 Het is een ellendig leven, van huis tot huis te gaan, want waar gij vreemdeling zijt, moogt gij uw mond niet opendoen. SIR 29:25 Gij moet trakteren en gij moet te drinken geven en ondank is uw loon; gij krijgt zelfs nog harde woorden te horen. SIR 29:26 `Kom binnen, vreemdeling! Dek de tafel maar en zet mij voor wat ge bij u hebt!' SIR 29:27 `Eruit vreemdeling! Mijn aanzien eist het! Mijn broer is mij bij komen logeren; ik heb het huis nodig.' SIR 29:28 Zwaar is dat voor een man met verstand, dat hem het huis niet gegund wordt en dat hij wordt gesmaad als was hij een schuldeiser. SIR 30:1 Wie zijn zoon liefheeft moet hem slagen blijven toedienen om tenslotte vreugde aan hem te beleven. SIR 30:2 Wie zijn zoon goed opvoedt zal er wel bij varen en zal zich op hem kunnen beroemen in de kring van zijn kennissen. SIR 30:3 Wie zijn zoon onderwijst maakt zijn vijand jaloers en gaat groot op hem tegenover zijn vrienden. SIR 30:4 Is de vader van die zoon overleden, dan is hij toch niet gestorven, want hij heeft zijn evenbeeld nagelaten. SIR 30:5 Bij zijn leven zag hij hem met vreugde en bij zijn overlijden had hij geen verdriet. SIR 30:6 Zijn vijanden heeft hij een wreker nagelaten, zijn vrienden een man die hun goedheid vergeldt. SIR 30:7 Als iemand zijn zoon vertroetelt zal hij zijn eigen wonden moeten verbinden en zal zijn hart beven bij iedere kreet. SIR 30:8 Zonder dressuur wordt een paard onhandelbaar en een zoon die men vrij laat springt uit de band. SIR 30:9 Verwen een kind en het zal u verbijsteren; speel met hem en hij zal u verdriet doen. SIR 30:10 Lach niet met hem mee, want dat brengt u leed en tenslotte maakt gij uw tanden stomp. SIR 30:11 Laat hem in zijn jeugd niet de volle vrijheid en verdraag zijn domme streken niet. SIR 30:12 Buig zijn nek in zijn jeugd en breek hem de ribben, zolang hij nog jong is; anders wordt hij onhandelbaar en gehoorzaamt hij u niet meer. SIR 30:13 Voed uw zoon goed op en maak zijn juk zwaar; anders struikelt gij over zijn onbehouwenheid. SIR 30:14 Beter een arme, die gezond is en sterk van gestel, dan een rijke, die lichamelijk een wrak is. SIR 30:15 Gezondheid en een goed gestel gaan alle goud te boven en een sterke geest is beter dan onmetelijke rijkdom. SIR 30:16 Geen rijkdom is meer waard dan een gezond lichaam en er is geen blijdschap die hartevreugde te boven gaat. SIR 30:17 De dood is verkieslijker dan een bitter leven en de eeuwige rust gaat boven een slepende kwaal. SIR 30:18 Lekkernijen, uitgestald bij een gesloten mond, zijn als spijsoffers, neergelegd bij een afgodsbeeld. SIR 30:19 Wat heeft het beeld aan dat offer? Het kan immers eten noch ruiken! Zo is het ook met hem, die door de Heer vervolgd wordt. SIR 30:20 Hij ziet het voor zijn ogen en hij zucht, net als een castraat die een meisje omarmt. SIR 30:21 Geef u niet over aan droefheid en kwel u niet met uw tobberijen. SIR 30:22 Blijheid van hart doet een mens leven en een vrolijke man leeft lang. SIR 30:23 Zoek afleiding voor uw zorgen en troost uw hart en jaag de droefheid ver van uw weg. Want door droefheid zijn velen te gronde gegaan en zij dient tot niets. SIR 30:24 Jaloezie en toorn verkorten het leven en kommer maakt iemand oud voor de tijd. SIR 30:25 De slaap van de blijhartige mens is als een lekkernij en zijn eten smaakt hem goed. SIR 31:1 Wakker liggen over de rijkdom mergelt het lichaam uit; dergelijke zorgen houden de slaap weg. SIR 31:2 Zorg over het levensonderhoud weert de slaap; meer dan een zware ziekte houdt ze de slaap weg. SIR 31:3 De rijke spant zich in en verzamelt geld en als hij ermee ophoudt, kan hij genieten, SIR 31:4 De arme spant zich in en krijgt niet genoeg en als hij ermee ophoudt, is hij noodlijdend. SIR 31:5 Wie het goud liefheeft valt niet te rechtvaardigen en wie winst najaagt komt op een dwaalspoor. SIR 31:6 Velen zijn door het goud ten val gekomen en stonden eensklaps voor hun ondergang. SIR 31:7 Het is een struikelblok voor wie er verzot op zijn: iedere dwaas laat er zich door vangen. SIR 31:8 Gelukkig de rijke die onberispelijk blijkt te zijn en niet achter het goud is aangelopen. SIR 31:9 Wie is hij? Dan prijzen wij hem gelukkig, want hij heeft zich te midden van zijn volk bewonderenswaardig gedragen. SIR 31:10 Wie is er op dit punt beproefd en is volmaakt gebleken? Hij zal erom geroemd worden. Wie kon zondigen en zondigde niet? Wie kon kwaad doen en deed het niet? SIR 31:11 Daarom zal zijn geluk bestendigd worden en zal de vergadering van zijn weldaden gewagen. SIR 31:12 Mijn zoon, wanneer gij aan een rijke tafel aanzit, sper uw keelgat dan niet open en zeg niet: `Er staat zo veel op!' SIR 31:13 Bedenk dat een afgunstig oog iets ergs is. Iets ergers dan zo'n oog is er niet geschapen; daarom traant het ook bij alles wat het ziet. SIR 31:14 Als iemand met zo'n oog toekijkt, moet gij uw hand niet uitsteken en gij moet in de schotel zijn hand niet raken. SIR 31:15 Beoordeel de gevoelens van uw disgenoot naar uzelf en denk na bij alles wat ge doet. SIR 31:16 Wat voor u staat moet gij als een behoorlijk mens opeten en gij moet niet gulzig zijn: anders wekt gij weerzin op. SIR 31:17 Wees de eerste die ophoudt: dat is welgemanierd; en wees geen veelvraat: anders geeft gij aanstoot. SIR 31:18 Zit gij in een groot gezelschap aan, steek dan niet als eerste uw hand uit. SIR 31:19 Een welgemanierd mens neemt met zo weinig genoegen! en hij ligt ook niet te hijgen op zijn bed. SIR 31:20 Op matig eten volgt een gezonde slaap: hij staat vroeg op en voelt zich dan monter. Hinderlijke slapeloosheid, onpasselijkheid en maagkrampen zijn het lot van de veelvraat. SIR 31:21 En als men u gedwongen heeft veel te eten, sta dan op en braak het maar uit en gij zult u opgelucht voelen. SIR 31:22 Luister naar mij, mijn zoon, en versmaad mij niet: dan zult ge tenslotte mijn woorden wel begrijpen. Wees bescheiden in alles wat gij doet: dan overkomt u geen enkele ziekte. SIR 31:23 Wie goede tafelmanieren heeft wordt geprezen en het getuigenis van zijn goede manieren blijft bestaan. SIR 31:24 Over hem die slechte tafelmanieren heeft spreekt de hele stad schande en het getuigenis van zijn slechte manieren blijft bestaan. SIR 31:25 Bij het wijndrinken moet ge geen held willen zijn, want de wijn heeft velen te gronde gericht. SIR 31:26 De oven beproeft het staal op zijn hardheid: zo beproeft de wijn de harten, als de hoogmoedigen ruzie maken. SIR 31:27 Wijn staat voor de mens gelijk met leven, wanneer ge hem met mate drinkt. Wat is het leven voor iemand die geen wijn heeft? Hij is al in het begin geschapen om vreugde te geven. SIR 31:28 Blijdschap van hart en vreugd in de ziel: die geeft de wijn, als hij op zijn tijd met mate wordt gedronken. SIR 31:29 Verbittering in de ziel door twist en krakeel: die geeft de wijn, als hij overdadig wordt gedronken. SIR 31:30 Dronkenschap maakt het hart van de dwaas zo heftig dat hij komt te vallen: zij ondermijnt zijn kracht en bezorgt hem ook nog wonden. SIR 31:31 Als gij samen wijn drinkt, moet gij uw buurman geen verwijten maken en gij moet hem niet minachten, als hij vrolijk wordt. Gij moet hem dan ook niet uitschelden en hem niet lastig vallen door iets van hem terug te vragen. SIR 32:1 Hebben ze u de leiding van het feest gegeven, verhef u daar dan niet op; wees in hun midden als een van de gasten. Zorg eerst voor de anderen en ga dan zelf pas zitten. SIR 32:2 Neem plaats als gij uw taak vervuld hebt. Dan zult gij u verheugen om hun eerbetoon en een krans krijgen voor uw hoffelijk optreden. SIR 32:3 Neem het woord maar, grijsaard: het komt u toe. Wees echter bescheiden met uw wijsheid en stoor de muziek niet. SIR 32:4 Waar iets ten gehore wordt gebracht, moet gij niet overdadig praten en gij moet niet uw wijsheid ten beste geven op een ongelegen ogenblik. SIR 32:5 Een robijnen zegel op een gouden sieraad: dat is een concert bij het wijndrinken. SIR 32:6 Een zegel van smaragd in goud gevat: dat is de melodie van de muziek bij zoete wijn. SIR 32:7 Neem het woord alleen, jongeman, als men u wil horen en doe het hoogstens na tweemaal gevraagd te zijn. SIR 32:8 Spreek kort en krachtig en zeg veel met weinig woorden. Wees als iemand die weet en zwijgt. SIR 32:9 In een kring van notabelen moet gij u niet te veel laten gelden en waar grijsaards zijn moet gij niet breedvoerig praten. SIR 32:10 Voor het dondert flitst de bliksem en welgevallen gaat de bescheiden mens vooraf. SIR 32:11 Sta bijtijds op en treuzel niet, loop vlug naar huis en blijf niet rondhangen. SIR 32:12 Daar kunt gij u vermaken en doen wat u invalt, maar misdoe niet door overmoedige taal. SIR 32:13 En om dat alles moet gij Hem prijzen die u gemaakt heeft en die u met zijn goede gaven verzadigt. SIR 32:14 Wie de Heer vreest zal zijn lessen ter harte nemen en wie Hem in de vroegte zoeken zullen zijn welbehagen vinden. SIR 32:15 Wie de wet zoekt zal ervan vervuld worden, maar degene die zich tegen haar verzet komt door haar ten val. SIR 32:16 Wie de Heer vrezen zullen zijn oordelen leren kennen en zullen zijn bevelen als een licht laten schijnen. SIR 32:17 Een zondig mens onttrekt zich aan het vonnis en vindt een uitleg naar zijn eigen wens. SIR 32:18 Een bedachtzaam mens zal bezinning niet versmaden, maar de verdwaasde en hoogmoedige weet van geen vrees. SIR 32:19 Doe niets zonder overleg en gij zult naderhand geen spijt hebben. SIR 32:20 Wandel niet over een verraderlijke weg en gij zult u aan geen stenen stoten. SIR 32:21 Waag u niet op de weg van de zondaars; SIR 32:22 dan hoeft gij voor de afloop niet bezorgd te zijn. SIR 32:23 Neem uzelf in acht bij al uw daden, want alwie dat doet onderhoudt de geboden. SIR 32:24 Wie de wet onderhoudt geeft acht op zichzelf en wie op de Heer vertrouwt zal niet beschaamd worden. SIR 33:1 Wie de Heer vreest wordt door geen onheil getroffen, en wordt hij beproefd, hij wordt ook weer gered. SIR 33:2 Wie een afkeer heeft van de wet wordt nooit een wijs man; hij wordt heen en weer geslingerd als een schip in de storm. SIR 33:3 Een verstandig man vertrouwt op de wet; hij heeft in de wet evenveel vertrouwen als in het raadplegen van orakels. SIR 33:4 Bereid uw woorden voor: dan zal men naar u luisteren. Breng bijeen wat gij geleerd hebt en geef dan antwoord. SIR 33:5 Als een wagenrad is het hart van een dwaas, als een draaiende as is zijn denken. SIR 33:6 Een spottende vriend is als een dekhengst die hinnikt onder iedere berijder. SIR 33:7 Waarom is de ene dag beter dan de andere? Alle zonlicht komt toch het hele jaar door van de zon? SIR 33:8 Ze zijn van elkaar gescheiden door de wijsheid van de Heer en hij heeft de verschillende tijden en feesten gemaakt. SIR 33:9 Sommige dagen heeft hij verheven en geheiligd en andere tot doordeweekse dagen gemaakt. SIR 33:10 Zo zijn alle mensen uit de aardbodem afkomstig en is Adam uit aarde geschapen. SIR 33:11 Maar in de volheid van zijn weten heeft de Heer de mensen gescheiden en hun verschillende wegen gewezen. SIR 33:12 Sommigen van hen heeft Hij gezegend en verheven, anderen heeft Hij geheiligd en tot zich laten naderen. Weer anderen heeft Hij vervloekt en vernederd en van hun plaats verjaagd. SIR 33:13 Als leem, dat de pottenbakker in zijn hand heeft om het te boetseren naar zijn welbehagen: zo zijn de mensen in de hand van hun Maker, die aan ieder geeft naar zijn beslissing. SIR 33:14 Tegenover het kwade staat het goede, tegenover de dood het leven: zo staat tegenover de vrome de zondaar. SIR 33:15 En zo moet gij alle werken van de Allerhoogste bekijken: paarsgewijs, het een tegenover het ander. SIR 33:16 Ik voor mij, ik was de laatste die waakte, als een nalezer was ik achter de druivenplukkers. SIR 33:17 Door de zegen van de Heer kwam ik naar voren en ik heb als een druivenplukker de perskuip gevuld. SIR 33:18 Bedenkt dat ik niet voor mijzelf alleen gezwoegd heb, maar voor allen die onderrichting zoeken. SIR 33:19 Luistert naar mij, gij machthebbers van het volk, en gij leiders van de vergadering, knoopt het in uw oor. SIR 33:20 Laat zoon noch vrouw, broeder noch vriend ooit macht over u krijgen, zolang gij leeft. Geef uw geld niet aan een ander; dan hoeft gij er later niet met spijt om te bedelen. SIR 33:21 Zolang gij leeft en er adem in u is, moet gij u door geen mens laten overheersen. SIR 33:22 Het is beter dat uw kinderen u iets moeten vragen dan dat gij naar de handen van uw zonen moet kijken. SIR 33:23 Blijf heer en meester, bij al wat gij doet, en laat op uw eer geen smet vallen. SIR 33:24 Op uw laatste dag, als uw leven voleind is, ja, als de dood is gekomen, verdeel dan uw erfenis. SIR 33:25 Voer en de stok en lasten zijn voor de ezel, brood, kastijding en arbeid zijn voor de slaaf. SIR 33:26 Zet uw knecht aan het werk en gij zult rust vinden; laat zijn handen werkeloos en hij zal de vrijheid zoeken. SIR 33:27 Haam en halster buigen de nek en voor een kwaadwillige slaaf zijn er nog lijfstraffen en folteringen. SIR 33:28 Zet hem duchtig aan het werk, ander wordt hij een leegloper, want van leegloperij leert hij niets dan kwaad. SIR 33:29 Laat hem werken, zoals dit voor hem past, en als hij niet gehoorzaamt, zet hem dan in het blok. SIR 33:30 Maar gij moogt van geen mens te veel vergen en niets doen wat onbillijk is. SIR 33:31 Als gij een slaaf hebt, beschouw hem dan als uzelf, want gij hebt hem met bloed gekocht; SIR 33:32 als gij een slaaf hebt, behandel hem dan als uw broeder, want gij hebt hem nodig als uw eigen leven. SIR 33:33 Wanneer gij hem slecht behandelt, dan loopt hij weg, dan loopt hij verloren. En waar zult gij hem dan zoeken? SIR 34:1 IJDELE en bedrieglijke verwachtingen: daar lijdt een onverstandig man aan en dromen brengen de dwazen het hoofd op hol. SIR 34:2 Als iemand die naar een schaduw grijpt en die de wind achternazit, zo is degene die op dromen afgaat. SIR 34:3 Een droomgezicht is louter herhaling, tegenover het gelaat de gelijkenis van het gelaat. SIR 34:4 Hoe komt er iets reins uit iets onreins en hoe komt er waarheid uit leugen? SIR 34:5 Waarzeggerij, wichelarij en dromen zijn bedrog en het hart beeldt zich in wat het hoopt. SIR 34:6 Wanneer ze niet door de Allerhoogste gezonden worden, bij wijze van gunst, moet gij er geen waarde aan hechten, SIR 34:7 want dromen hebben al velen op een dwaalspoor gebracht en die erop bouwden zijn ten val gekomen. SIR 34:8 De wet komt zonder bedrog tot haar recht en de wijsheid kan volstaan met een betrouwbaar woordvoerder. SIR 34:9 Iemand die veel heeft rondgereisd heeft veel kennis opgedaan en een man met veel ervaring weet verstandige dingen te vertellen. SIR 34:10 Wie geen ervaring heeft opgedaan weet ook niet veel, SIR 34:11 maar wie heeft rondgereisd, hij is van alle markten thuis. SIR 34:12 Ik heb op mijn reizen veel gezien en ik weet meer dan mijn woorden zeggen. SIR 34:13 Herhaaldelijk ben ik in doodsgevaar geweest en ben ik door Gods hulp gered. SIR 34:14 Die de Heer vrezen zullen in leven blijven, SIR 34:15 want hun hoop is gericht op Hem die redt. SIR 34:16 Wie de Heer vreest is voor niets beducht en hij deinst nooit terug, want de Heer is zijn hoop. SIR 34:17 Gelukkig het hart van hem die de Heer vreest. SIR 34:18 Op wie bouwt hij? Wie is zijn steun? SIR 34:19 De ogen van de Heer zijn gericht op degenen die Hem liefhebben, een machtig schild en een sterke steun, een beschutting tegen de schroeiende wind en een scherm tegen de middagzon. Hij behoedt hen voor struikelen en helpt hen om niet te vallen. SIR 34:20 Hij verhoogt hun levenskracht en verlicht hun ogen. Hij heeft genezing, leven en zegen. SIR 34:21 Als iemand offert van onrechtmatig verkregen goed, dan is dat offer bezoedeld, SIR 34:22 en de gaven van wie de wet niet achten zijn niet welgevallig. SIR 34:23 De Allerhoogste heeft geen welgevallen in de offers van de onvromen en voor hem is de veelheid van de offers geen reden om de zonden te vergeven. SIR 34:24 Iemand die de zoon afslacht onder de ogen van zijn vader: dat is degene die een offer brengt van het goed van de armen. SIR 34:25 Van bedelaarsbrood moeten de armen leven. Wie het hun ontrooft, vergrijpt zich aan hun bloed. SIR 34:26 Wie het levensonderhoud van zijn naaste wegneemt, is zijn moordenaar SIR 34:27 en wie een dagloner van zijn loon berooft, is een man die bloed vergiet. SIR 34:28 Als er een opbouwt en een afbreekt, wat baat dat dan? Zij tobben zich alleen maar af. SIR 34:29 Als er een bidt en een vervloekt, naar wiens stem moet de Heer dan luisteren? SIR 34:30 Als iemand, na zich gereinigd te hebben, hetzelfde lijk toch weer aanraakt, wat baat dan het wassen? SIR 34:31 Zo is het ook, als een man voor zijn zonden vast en dan toch weer hetzelfde gaat doen: wie zal er dan luisteren naar zijn gebed en wat baat het hem dan, dat hij zich heeft vernederd? SIR 35:1 Wie de wet in acht neemt brengt vele offers, SIR 35:2 wie zich houdt aan de geboden, brengt daarmee een vredeoffer; SIR 35:3 wie een weldaad bewijst, brengt een spijsoffer, SIR 35:4 en wie een aalmoes geeft, brengt een dankoffer. SIR 35:5 De Heer heeft welgevallen in het breken met de boosheid, en breken met de ongerechtigheid is verzoening. SIR 35:6 Verschijn niet met lege handen voor de Heer, SIR 35:7 want al deze dingen eist het gebod. SIR 35:8 Het offer van de rechtvaardige maakt het altaar vet, en de welriekende geur ervan komt voor de Allerhoogste; SIR 35:9 het offer van een rechtvaardige is welgevallig; en de herinnering eraan wordt niet vergeten. SIR 35:10 Verheerlijk de Heer met een blij gelaat en onttrek niets aan de eerstelingen die gij moet geven; SIR 35:11 toon bij al uw gaven een vrolijk gezicht, en heilig de tienden met vreugde. SIR 35:12 Geef aan de Allerhoogste naar hetgeen Hij u geschonken heeft; geef met een blij gelaat en naar uw vermogen, SIR 35:13 want Hij is een Heer die beloont: Hij geeft het u zevenvoudig terug. SIR 35:14 Probeer Hem niet om te kopen, want Hij aanvaardt het niet, SIR 35:15 en stel uw vertrouwen niet in een door onrecht verkregen offergave, want de Heer weet te oordelen en persoonlijk aanzien geldt niet bij Hem. SIR 35:16 Hij is niet partijdig ten nadele van de arme en Hij luistert naar het gebed van de ontrechte. SIR 35:17 Hij slaat acht op de smeekbede van de wees en op het lange verhaal, dat de weduwe doet, SIR 35:18 want de tranen van de weduwe stromen langs haar wangen en zij kermt over de man, die ze doet stromen. SIR 35:19 SIR 35:20 Wie God dient naar zijn welbehagen, vindt genade bij Hem en zijn smeekbede reikt tot de wolken. SIR 35:21 Het gebed van de nederige dringt door de wolken heen. Zolang het God niet bereikt heft, is hij ontroostbaar en hij houdt aan, tot de Allerhoogste naar hem omziet SIR 35:22 en oordeelt ten gunste van de rechtvaardige en dat oordeel ook ten uitvoer brengt. De Heer talmt zeker niet en voor de onbarmhartigen zal Hij niet lankmoedig zijn, maar Hij zal hun de lenden breken SIR 35:23 en aan de volken het strafgericht voltrekken. Hij zal de menigte van de hoogmoedigen uitroeien en de skepters van de onrechtvaardigen breken. SIR 35:24 Hij zal de mens naar zijn daden vergelden en de werken van de mensen naar hun bedoelingen, SIR 35:25 Hij zal de zaak van zijn volk beslechten en Hij zal hen met zijn erbarming verblijden. SIR 35:26 Even welkom is zijn erbarming in de tijd van de verdrukking als regenwolken in de tijd van de droogte. SIR 36:1 Erbarm U over ons, Heer, God van het heelal, SIR 36:2 en boezem alle volkeren schrik voor U in. SIR 36:3 Hef uw hand op tegen de vreemde volkeren en laat hen uw macht aanschouwen. SIR 36:4 Voor hun ogen hebt Gij in ons uw heiligheid getoond: toon zo ook voor onze ogen in hen uw glorie. SIR 36:5 Laten zij weten, zoals ook wij het weten, dat er geen God is, buiten U. SIR 36:6 Hernieuw de tekenen, herhaal de wonderen, SIR 36:7 toon de majesteit van uw hand en van uw rechterarm. SIR 36:8 Wek uw gramschap op en stort uw toorn uit, SIR 36:9 vaag de tegenstander weg en verdelg de vijand. SIR 36:10 Verhaast uw tijd en wees uw eed indachtig en laat men gewagen van uw grote daden. SIR 36:11 Wie tracht te ontkomen, laat hem verslonden worden door het vuur van uw toorn, en mogen zij die uw volk schaden de dood vinden. SIR 36:12 Verbrijzel de koppen van de aanvoerders der vijanden, die zeggen: `er is niemand buiten ons!' SIR 36:13 Breng al de stammen van Jakob bijeen en geef hun het erfdeel, zoals weleer. SIR 36:14 Erbarm U over het volk, o Heer, dat met uw naam genoemd wordt, en over Israël, dat Gij hebt verheven tot uw eerstgeborene. SIR 36:15 Erbarm U over de stad die U is toegeheiligd, over Jeruzalem, de plaats van uw rust. SIR 36:16 Vervul Sion met de faam van uw daden en uw tempel met uw glorie. SIR 36:17 Neem het op voor uw eerste werkstuk en vervul de profetieën, in uw naam gegeven. SIR 36:18 Beloon degenen die op U vertrouwen en laat uw profeten geloofwaardig blijken. Luister, Heer, naar het gebed van uw dienaren, SIR 36:19 zoals uw welbehagen in uw volk dat wil, en alle mensen op aarde zullen weten dat Gij de Heer zijt, de God van de eeuwen. SIR 36:20 Iedere spijs wordt door de keel geslikt, maar de ene spijs bekomt beter dan de andere. SIR 36:21 Het gehemelte herkent het wild aan zijn smaak: zo weet een verstandig hart leugens te onderscheiden. SIR 36:22 Een arglistig hart is een bron van leed, maar een ervaren man weert er zich wel tegen. SIR 36:23 Iedere man neemt zich een vrouw, maar de ene vrouw is mooier dan de andere. SIR 36:24 De schoonheid van een vrouw brengt glans op haar gelaat en overtreft alwat een mens kan verlangen; SIR 36:25 en heeft zij ook nog een zachte, verzoenende tong, dan is geen mensenkind met haar man te vergelijken. SIR 36:26 Wie zich een vrouw verwerft legt de grondslag voor zijn bezit; hij verwerft een hulp die bij hem past, een zuil die hem rust biedt. SIR 36:27 Waar geen omheining is wordt het bezit geroofd en waar geen vrouw is zwerft de man zwaarmoedig rond. SIR 36:28 Wie vertrouwt er een troep soldaten, die van stad naar stad zwermen? En wie een mens die geen nest heeft en gaat liggen waar hij 's avonds is? SIR 37:1 Iedere vriend zal zeggen: `Ik ben uw vriend,' maar sommige vrienden zijn het alleen maar in naam. SIR 37:2 Is het geen bijna dodelijk verdriet als een boezemvriend in een vijand verandert? SIR 37:3 Misdadige gezindheid, waar komt gij vandaan, gij die de aarde met bedrieglijkheid overdekt? SIR 37:4 Een slechte vriend lonkt naar de tafel, maar in tijd van nood houdt hij zich afzijdig. SIR 37:5 Een goede vriend strijdt mee tegen de vreemdeling en grijpt het schild tegen de vijand. SIR 37:6 Laat uw vriend niet alleen in de strijd en vergeet hem niet als gij buit hebt gemaakt. SIR 37:7 Iedere raadgever roemt zijn eigen raad, maar sommige raadgevers zijn uit op hun eigen belang. SIR 37:8 Wees op uw hoede voor iemand die raad geeft en ga eerst na, waar zijn belang ligt, want hij kan wel eens op zijn eigen voordeel uit zijn. Waarom zou hij zichzelf benadelen? SIR 37:9 Hij zegt wel: `U bent op de goede weg', maar hij gaat terzijde staan om te zien wat u zal overkomen. SIR 37:10 Ga niet te rade bij iemand die jaloers op u is en verberg uw plan voor wie u benijden. SIR 37:11 Raadpleeg geen vrouw over haar mededingster, geen lafaard over vechten geen koopman over een transactie, geen koper over koopwaar, geen querulant over dankbaarheid, geen luiaard over werk, geen losse arbeider over het afmaken van een taak, geen werkschuwe slaaf over een groot karwei. Wend u tot die mensen nooit om raad, SIR 37:12 maar houd u steeds aan een vroom man, die een van hart met u is, en die, als gij struikelt, deernis met u heeft. SIR 37:13 En geef ook acht op de raad van uw eigen hart, want geen mens verdient zozeer uw vertrouwen. SIR 37:14 Het hart van een mens weet soms meer te melden dan zeven wachters die hoog op een toren zitten. SIR 37:15 En daarbij moet gij dan de Allerhoogste bidden, dat Hij in zijn trouw uw schreden richt. SIR 37:16 Ieder werk begint met overleg en aan elke daad gaat een plan vooraf. SIR 37:17 Alle beleid wortelt in het hart, SIR 37:18 en daaruit schieten vier loten op; goed en kwaad, leven en dood. Maar wat over deze dingen tenslotte beslist, is de tong. SIR 37:19 Er zijn bekwame mensen die velen onderrichten, maar die zichzelf geen nut brengen. SIR 37:20 Er zijn wijze sprekers die zich door hun woorden gehaat maken; van alle genoegens zullen zij verstoken blijven. SIR 37:21 Want de Heer heeft hen niet begunstigd; zij zijn van alle wijsheid gespeend. SIR 37:22 Er zijn wijzen die wijs zijn voor zichzelf en de vruchten van hun verstand komen hunzelf ten goede. SIR 37:23 Een wijs man onderricht zijn volk en de vruchten van zijn verstand zijn betrouwbaar. SIR 37:24 Een wijs man wordt met zegen overladen en allen die hem zien prijzen hem gelukkig. SIR 37:25 De dagen van een mensenleven zijn te tellen, maar de dagen van Israël zijn ontelbaar. SIR 37:26 De wijze verwerft roem bij zijn volk en zijn naam leeft tot in eeuwigheid. SIR 37:27 Mijn zoon, onderzoek uw levenswijze, stel vast wat slecht voor u is en geef daar dan niet aan toe. SIR 37:28 Want niet alles is voor iedereen goed en niet iedereen kan van alle dingen genieten. SIR 37:29 Wees in uw genietingen nooit overdadig en ga u niet aan lekkernijen te buiten; SIR 37:30 want van veel eten komt ziekte en overdaad leidt tot onpasselijkheid. SIR 37:31 Door overdaad zijn vele gestorven, maar wie zich in acht neemt verlengt zijn leven. SIR 38:1 Houd de arts in ere, want gij hebt hem nodig en ook hij is door de Heer geschapen; SIR 38:2 want al komt de genezing van de Allerhoogste, hij krijgt van de koning een geschenk. SIR 38:3 Om zijn kundigheid wordt de arts hoog geëerd en hij wordt door de aanzienlijken bewonderd. SIR 38:4 De Heer laat de aarde geneeskrachtige kruiden voortbrengen en een verstandig man versmaadt die niet. SIR 38:5 Werd het water niet zoet gemaakt door het hout om de kracht van de Heer te tonen? SIR 38:6 Hijzelf heeft de mensen hun kennis gegeven om verheerlijkt te worden in zijn wonderbare werken. SIR 38:7 Met die kruiden stilt de arts de pijn en de apotheker maakt er balsem van. SIR 38:8 De werken van de Heer vinden nooit een einde en van Hem komt genezing over de aarde. SIR 38:9 Mijn zoon, wees niet onnadenkend als ge ziek zijt, maar bid tot de Heer, want Hij is het die geneest. SIR 38:10 Verzaak aan de zonden en handel rechtschapen en reinig uw hart van alle ongerechtigheid; SIR 38:11 brand wierook en breng een offer van fijn meel en maak uw gave zo rijk als gij kunt. SIR 38:12 En ook voor de arts moet gij een plaats inruimen, want ook hij is door de Heer geschapen; laat hij niet van u wijken, want ook hem hebt gij nodig. SIR 38:13 Er zijn immers ogenblikken, dat de goede afloop in hun handen ligt, SIR 38:14 want ook zij bidden er de Heer om, dat hij hun een gelukkige diagnose geeft en genezing brengt tot behoud van het leven. SIR 38:15 Wie zondigt tegen zijn Maker dient de moed te hebben om naar een arts te gaan. SIR 38:16 Mijn zoon, stort tranen over een dode, rouw en hef een klaagzang aan, begraaf zijn lichaam op passende wijze en verwaarloos zijn graf niet. SIR 38:17 Schrei hete tranen van bittere rouw en betuig uw leed, zoals het hem toekomt, een dag, twee dagen, om opspraak te voorkomen, en laat u dan troosten in uw verdriet, SIR 38:18 want uit het verdriet komt de dood voort en hartsverdriet tast uw krachten aan. SIR 38:19 In de rampspoed duurt het verdriet voort, en een leven in armoede is een vloek voor het hart. SIR 38:20 Geef uw hart niet over aan verdriet! Zet het van u af! Denk aan de gevolgen! SIR 38:21 Denk niet langer aan de dode, want er is voor hem geen hoop meer. Hem baat het niet en gij schaadt uzelf. SIR 38:22 Bedenk, dat zijn lot ook het uwe zal zijn: gisteren hij, vandaag gij. SIR 38:23 Als de dode rust, laat dan ook zijn nagedachtenis met rust en wees getroost over hem, nu zijn leven is heengegaan. SIR 38:24 De wijsheid van de schriftgeleerde hangt af van de gelegenheid tot studie en iemand die geen zware arbeid te verrichten heeft, krijgt de kans om wijs te worden. SIR 38:25 Hoe wordt iemand wijs die de ploeg bestuurt en fier met de prikstok zwaait, die de ossen drijft en met hen aan het werk is en het steeds maar over jonge stieren heeft? SIR 38:26 Met hart en ziel blijft hij voren trekken en hij offert zijn slaap op om de kalveren te kunnen voeren. SIR 38:27 Zo gaat het iedere werkman, iedere vakman, die dag en nacht bezig blijft. Zo gaat het de mannen die zegels graveren: ze worden niet moe altijd maar nieuwe figuren te snijden; zo'n man is met hart en ziel bezig de beeltenis gelijkend te maken en hij offert zijn slaap op om zijn werk te kunnen voltooien. SIR 38:28 Zo gaat het de smid, bij het aambeeld gezeten, vol aandacht voor het ijzer dat hij bewerkt; de gloed van het vuur doet zijn vlees smelten en hij zwoegt in de hitte van zijn oven; de hamerslagen dreunen hem steeds in de oren en zijn ogen blijven gericht op het model van zijn werkstuk. Met hart en ziel is hij bezig om zijn werkstukken te voltooien en hij offert zijn slaap op om iets gaafs en moois te kunnen maken. SIR 38:29 Zo gaat het ook de pottenbakker, bij zijn werk gezeten, die zijn voeten de schijf laat draaien, altijd door maar bezorgd voor zijn werk: al zijn verrichtingen zijn goed berekend; met zijn arm geeft hij vorm aan de leem en met zijn voeten maakt hij hem kneedbaar. Met hart en ziel is hij bezig om gaaf glazuur aan te brengen en hij offert zijn slaap op om de oven schoon te maken. SIR 38:30 Al deze mensen vertrouwen op hun handen en in zijn eigen werk heeft ieder zijn wijsheid. SIR 38:31 Zonder hen is geen stad te bewonen en komen er gasten noch reizigers. Maar voor de raad van het volk heeft men hen niet nodig SIR 38:32 en in de volksvergadering brengen zij het niet ver. Zij zitten niet op een rechterstoel en van de rechtsregels hebben ze geen begrip. Zij geven blijk van vorming noch oordeel en wijze spreuken zal men van hen niet horen; SIR 38:33 maar zij houden de goederen van deze wereld in stand en hun enige behoefte is hun ambacht uit te oefenen. SIR 39:1 Hij echter, die met al zijn aandacht de wet van de Allerhoogste overdenkt, hij speurt de wijsheid na van al de ouden, en hij houdt zich onledig met de profetieën. SIR 39:2 De verhalen van de vermaarde mannen bewaart hij en ingewikkelde spreuken doorgrond hij. SIR 39:3 Geheimzinnige gezegden verklaart hij en in raadselachtige spreuken is hij thuis. SIR 39:4 Hij verricht zijn dienst te midden van de hooggeplaatsten en hij verschijnt voor hen die de macht hebben. Hij trekt door de landen van vreemde volken en ervaart wat er onder mensen aan goed en aan kwaad is. SIR 39:5 Met hart en ziel zoekt hij in de vroege morgen de Heer die hem gemaakt heeft en bidt voor het aanschijn van de Allerhoogste. Hij opent zijn mond om te bidden en smeekt om vergeving van zijn zonden. SIR 39:6 Als de Heer, de machtige, het wil, wordt hij vervuld met een geest van inzicht. Hij laat de woorden van zijn wijsheid stromen en in zijn gebed prijst hij de Heer. SIR 39:7 Hij munt uit in beleid en in weten en overdenkt dingen, die voor hem verborgen zijn. SIR 39:8 Hij geeft blijk van de vorming, die hij heeft gekregen, en gaat groot op de wet van het verbond des Heren. SIR 39:9 Velen prijzen zijn inzicht en zijn naam wordt niet uitgewist zolang de wereld duurt. Zijn gedachtenis gaat nooit verloren en zijn naam zal leven van geslacht tot geslacht. SIR 39:10 Van zijn wijsheid zullen de volken gewagen en de gemeente zal zijn lof verkondigen. SIR 39:11 Als hij erin volhardt, zal hij een grote naam nalaten, meer dan duizend anderen, en is hij te ruste gegaan, dan komt hij niet te kort. SIR 39:12 Nog meer van mijn gedachten wil ik uitspreken: ik ben zo vol als de volle maan. SIR 39:13 Luistert naar mij, vrome zonen, en rijst op als rozen die groeien aan een waterstroom. SIR 39:14 Weest welriekend als wierook en bloeit als de lelien; verheft uw stem en zingt in koor en zegent de Heer om al zijn werken. SIR 39:15 Verheerlijkt zijn naam en prijst Hem met lofgezang, met liederen van uw lippen en met citers. Prijst Hem met deze woorden: SIR 39:16 De werken van de Heer, ze zijn alle zeer goed, en alles wat Hij beschikt gebeurt te zijner tijd. SIR 39:17 Men moet niet zeggen: `Wat is dit? Waartoe dient het?' Want alle dingen worden uitgezocht om te zijner tijd te gebeuren. Op zijn woord heeft het water zich als het ware opgehoopt en onder zijn bevel staan de wateropslagplaatsen. SIR 39:18 Hij beschikt alles naar zijn welbehagen en er is niemand die afbreuk kan doen aan zijn reddende macht. SIR 39:19 De daden van alle mensen liggen voor Hem open en niets blijft voor zijn ogen verborgen. SIR 39:20 Van eeuw tot eeuw ziet Hij toe, en zijn reddende macht is niet te meten. Niets is klein of gering voor Hem en niets is Hem te wonderbaarlijk of te groot. SIR 39:21 Men moet niet zeggen: `Wat is dit? Waartoe dient het?' Want alle dingen zijn geschapen om in een behoefte te voorzien. SIR 39:22 Zijn zegen overstroomt het dorre land als een rivier en drenkt het als een watervloed. SIR 39:23 Zo onterft zijn toorn de volkeren, en heeft Hij ook water in pekel veranderd. SIR 39:24 Zijn wegen zijn effen voor de vromen, maar voor de wettelozen vol hindernissen. SIR 39:25 Het goede is voor de goeden weggelegd, van het begin af, en het kwade voor de zondaars. SIR 39:26 De eerste levensbehoeften van de mens zijn water, vuur, ijzer, zout en tarwebloem, melk en honing, het bloed van de druif, olijfolie en kleding: SIR 39:27 dit alles is een weldaad voor de vromen, maar voor de zondaars verkeert het in rampspoed. SIR 39:28 Er zijn winden, gemaakt om te straffen, en in hun woede beuken zij er op los; als hun tijd is gekomen, ontketenen zij hun kracht en stillen de toorn van hun Schepper. SIR 39:29 Vuur, hagel, honger en dood: dit alles is gemaakt om te straffen; SIR 39:30 de tanden van wilde dieren, de schorpioenen en de adders en het wrekende zwaard, dat de goddelozen ombrengt, SIR 39:31 zij voeren met vreugde zijn opdracht uit; zij zijn geschapen voor de tijd dat er behoefte aan hen is; zij worden in de opslagplaatsen bewaard en te zijner tijd worden zij opgeroepen. SIR 39:32 Daarom was dit van het begin af mijn vaste overtuiging, die ik heb overdacht en te boek gesteld: SIR 39:33 de werken van de Heer zijn alle goed en Hij geeft te zijner tijd alle dingen waar behoefte aan is. SIR 39:34 Men moet niet zeggen: `Dit is erger dan dat.' Want op zijn tijd blijkt alles goed te zijn. SIR 39:35 Daarom moet gij uit heel uw hart en uit volle borst een lofzang aanheffen en de naam van de Heer zegenen. SIR 40:1 Veel kommer is weggelegd voor iedere mens en het juk drukt zwaar op de zonen van Adam, vanaf de dag dat zij de schoot van hun moeder verlaten tot op de dag dat zij terugkeren tot hun aller moeder. SIR 40:2 Hun berekeningen, de vrees voor hun hart, ze worden beheerst door zorg voor de toekomst, door de dag van de dood. SIR 40:3 Vanaf degene die hoog op de troon zetelt tot degene die diep in stof en as zit, SIR 40:4 vanaf degene die het purper en de kroon draagt tot degene die een grof linnen kiel aanheeft: SIR 40:5 het is altijd toorn en afgunst, verwarring en onrust, vrees voor de dood en wrok en ruzie. Zelfs op de tijd dat hij rust in zijn bed ontstelt de nachtelijke slaap nog het hart van de mens. SIR 40:6 Hij vindt weinig of geen rust en zo maakt hij zich in zijn slaap even moe als overdag, verbijsterd door wat zijn hart ziet, als iemand die voor de oorlog gevlucht is. SIR 40:7 Als de nood hoog is gestegen, ontwaakt hij en ziet verbaasd, dat er niets te vrezen viel. SIR 40:8 Zo gaat het bij alwat leeft, van mens tot dier, en bij de zondaars is het nog zeven keer zo erg: SIR 40:9 het is altijd dood en bloed en ruzie en zwaard, rampen en honger, verdrukking en zweepslagen. SIR 40:10 Al die dingen zijn weggelegd voor de wettelozen en om hen ook is de watervloed gekomen. SIR 40:11 Alwat uit de aarde komt, keert tot de aarde terug; wat uit het water komt, gaat weer terug naar de zee. SIR 40:12 Iedere steekpenning, ieder onrecht wordt weggevaagd, maar goede trouw houdt eeuwig stand. SIR 40:13 Het bezit van de onrechtvaardigen is als een rivier die uitdroogt en het gaat teloor als een donderslag in een regenbui. SIR 40:14 Wie met milde hand geeft wordt verblijd; even zeker gaan de zondaars voorgoed te gronde. SIR 40:15 De nakomelingen van de goddelozen krijgen niet veel takken; want de wortels van de zondaars liggen op de kruin van een rots; SIR 40:16 Ze zijn als rietgras, aan een water of aan de rand van een rivier, dat voor alle andere planeten wordt uitgeroeid. SIR 40:17 Goedheid echter is als een gezegend paradijs en een daad van barmhartigheid houdt altijd stand. SIR 40:18 Een leven bij wijn en drank is heerlijk, maar nog beter is het, een schat te vinden. SIR 40:19 Kinderen en een stad bestendigen iemands naam, maar nog beter is het, wijsheid te vinden. Een veestapel en akkers maken iemands naam vermaard, maar nog beter is een toegewijde vrouw. SIR 40:20 Wijn en drank verheugen het hart, maar nog beter is de genegenheid van vrienden. SIR 40:21 Fluit en harp maken heerlijke muziek, maar nog beter is een heldere stem. SIR 40:22 Gratie en schoonheid bekoren het oog, maar nog beter is het gewas op het veld. SIR 40:23 Vriend en makker wijzen te zijner tijd de weg, maar nog beter is een verstandige vrouw. SIR 40:24 Broeder en helper redden in tijd van nood, maar nog beter is een reddende weldaad. SIR 40:25 Goud en zilver steunen de voet, maar nog beter is een goede raad. SIR 40:26 Bezit en kracht verheffen het hart, maar nog beter is de vrees voor de Heer. Waar de vrees voor de Heer is, bestaat geen gebrek; waar zij is, daar hoeft men geen hulp meer te zoeken. SIR 40:27 De vrees voor de Heer is als een gezegend paradijs, een schutse van louter heerlijkheid. SIR 40:28 Mijn zoon, ga geen bedelaarsleven leiden; het is beter te sterven dan te bedelen. SIR 40:29 Een man die naar de tafel van een vreemdeling moet uitzien heeft geen leven dat die naam verdient: hij bezoedelt zijn ziel met vreemde spijzen; een verstandig en beschaafd man wacht zich daarvoor. SIR 40:30 De mond van een schaamteloos man weet wel vriendelijk te bedelen, maar in zijn binnenste laait een vuur. SIR 41:1 O dood, hoe bitter is de gedachte aan u voor de mens die in vrede leeft te midden van zijn bezittingen, voor de onbekommerde, wie het in alles wel gaat en die nog de kracht heeft van lekker eten te genieten. SIR 41:2 O dood, het is goed als gij verordend wordt over een mens die gebrek lijdt, die zijn krachten ziet slinken, over een afgeleefde mens, altijd door vrees geplaagd, ontmoedigd en niets meer verwachtend. SIR 41:3 Vrees niet, als de dood over u verordend wordt: denk aan hen die u zijn voorgegaan en aan hen die na u komen. SIR 41:4 De Heer heeft het zo verordend over alwat leeft. Waarom weigert gij wat de Hoogste behaagt? Of gij tien, honderd of duizend jaar geleefd hebt, in het dodenrijk kunt gij u niet beklagen over uw levensduur. SIR 41:5 Verfoeilijk zijn de kinderen der zondaars: zij verkeren in de kringen der onvromen. SIR 41:6 Het erfdeel van de kinderen der zondaars gaat verloren en op hun nageslacht rust blijvende schande. SIR 41:7 Kinderen verwijten het een onvrome vader, dat zij om hem gehoond worden. SIR 41:8 Wee u, onvrome mannen, die de wet van de Allerhoogste verlaat. SIR 41:9 Als gij talrijk wordt, loopt het uit op verderf, als gij verwekt, dan komt er gejammer van, als gij struikelt, dan is er geen eind aan de vreugde, en gij sterft, dan wordt gij vervloekt. SIR 41:10 Alwat uit de leegte komt, keert naar de leegte terug; zo komen de onvromen van niet tot niet. SIR 41:11 Een zucht is het lichaam van de mens, maar de naam van de vrome wordt niet uitgewist. SIR 41:12 Pas op voor uw naam, want die is duurzamer dan duizend grote kluizen vol goud. SIR 41:13 Van een goed leven zijn de dagen telbaar, maar een goede naam duurt ontelbare dagen. SIR 41:14 Brengt in praktijk wat gij geleerd hebt, mijn zoon, in alle vrede. Verborgen wijsheid en een onzichtbare schat, wat hebben die voor nut? SIR 41:15 Beter een man die zijn dwaasheid verbergt dan een man die zijn wijsheid verbergt. SIR 41:16 Gij moet u schamen voor de dingen die ik ga opnoemen, want het is niet passend, u voor alles te schamen en niet iedere schaamte is aanbevelenswaardig. SIR 41:17 Schaam u tegenover uw vader en moeder voor ontucht, tegenover een regeerder en een machthebber voor leugen, SIR 41:18 tegenover een rechter en een overheidspersoon voor wangedrag, tegenover de gemeente en het volk voor rebellie, tegenover een compagnon en een vriend voor onrecht, SIR 41:19 tegenover uw woonplaats voor diefstal. Schaam u tegenover de waarheid van God en tegenover het verbond, en schaam u ervoor, bij de maaltijd op uw elleboog te leunen, te schelden bij het nemen en geven, SIR 41:20 te zwijgen tegenover het die u groeten, te kijken naar een lichtekooi, SIR 41:21 uw gezicht af te wenden van een bloedverwant, hem zijn aandeel of geschenk af te nemen, aandacht te geven aan een gehuwde vrouw, SIR 41:22 al te vertrouwelijk om te gaan met uw slavin nader haar bed niet! tegenover vrienden scheldwoorden te gebruiken en scheld niet, als gij iets gegeven hebt! SIR 42:1 Schaam u ervoor verder te vertellen wat gij gehoord hebt en geheimen te verraden. Dan hebt gij de ware schaamte en zult gij bij iedereen in de gunst staan. Maar voor de volgende dingen moet gij u niet schamen en gij moet niet zondigen uit menselijk opzicht. SIR 42:2 Schaam u niet voor de wet van de Allerhoogste en het verbond, voor zijn gebod met het gevolg dat gij de goddeloze rechtvaardigt SIR 42:3 voor de afrekening met compagnon en reisgenoot, voor het uitkeren van erfgoed en eigendom, SIR 42:4 voor nauwgezetheid met weegschaal en gewichten, voor het bezit van veel of van weinig, SIR 42:5 voor de winst op de waar van een koopman, voor een strenge opvoeding van uw kinderen, voor een bloedige afstraffing van een slechte slaaf. SIR 42:6 Bij een vrouw die niet deugt is het verstandig een zegel te gebruiken en waar veel handen zijn moet men sleutels gebruiken. SIR 42:7 Als gij iets aflevert, laat het geteld en gewogen zijn; uitgaven en inkomsten, alles moet op schrift. SIR 42:8 Schaam u niet voor een terechtwijzing aan een domoor en een dwaas en aan een afgeleefde grijsaard, die op ontucht uit is. Dan zult gij echt een beschaafd mens zijn, door alle mensen gewaardeerd. SIR 42:9 Een dochter is voor haar vader een schat die hem wakker doet liggen. Zijn slaap wordt verjaagd door zorgen over haar: als zij jong is kan haar bloei voorbijgaan. als zij getrouwd is, kan zij haar man mishagen, SIR 42:10 als zij maagd is, kan zij onteerd worden, als zij nog in het huis van haar vader is, kan zij zwanger worden, als zij bij haar man leeft, kan zij zich misdragen, als zij getrouwd is, kan zij onvruchtbaar blijken. SIR 42:11 Waak streng over een lichtzinnige dochter: zij kan u belachelijk maken bij uw vijanden, u in opspraak brengen in de stad, u de vloek van het volk bezorgen en u te schande maken bij de massa. SIR 42:12 Aan geen man moet zij haar schoonheid tonen en in het gezelschap van de vrouwen moet zij niet verkeren, SIR 42:13 want uit de kleren komt de mot te voorschijn en van de ene vrouw komt de slechtheid van de andere. SIR 42:14 Een lastige man is beter voor haar dan een vriendelijke vrouw. Een dochter moet voor alle schande op haar hoede zijn. SIR 42:15 Ik wil de werken van de Heer gedenken en verhalen wat ik gezien heb: door de woorden van de Heer bestaan zijn werken en Hij heeft beslist zoals het Hem behaagde. SIR 42:16 De zon ziet lichtend op alles neer en het werk van de Heer is vol van zijn heerlijkheid. SIR 42:17 De Heer heeft zijn heiligen niet in staat gesteld al zijn wonderwerken te verhalen, die werken, waaraan de Heer, de Almachtige, vastheid heeft gegeven, zodat het heelal in stand blijft door zijn heerlijkheid. SIR 42:18 Hij peilt de afgrond en het mensenhart en Hij doorziet hun diepste gedachten, want de Allerhoogste weet alles en Hij ziet tot aan de eindpaal van de tijd. SIR 42:19 Hij verkondigt wat voorbij is en wat komen gaat en Hij brengt de sporen van verborgen dingen aan het licht. SIR 42:20 Geen enkele gedachte ontgaat Hem, niet een woord blijft voor Hem verborgen. SIR 42:21 De meesterwerken van zijn wijsheid heeft Hij goed geordend. Hij is de Enige, al voor de tijd en tot in eeuwigheid. Er wordt aan Hem niet toegevoegd of afgedaan en Hij heeft niemand als zijn raadsman nodig. SIR 42:22 Hoe bekoorlijk zijn al zijn werken, en wij kunnen er slechts een vonk van zien! SIR 42:23 Al die dingen leven en ze blijven altijddoor; overal waar zij nodig zijn staan ze Hem ten dienste, allemaal. SIR 42:24 Alle schepselen bestaan in paren, het een past bij het ander, en niets heeft Hij gemaakt dat onvolledig is. SIR 42:25 Elk schepsel bevestigt, hoe goed het andere is. Wie krijgt er ooit genoeg van, Gods heerlijkheid te zien? SIR 43:1 De roem van de hoogte, dat is het heldere firmament, de hemel die zich vol luister aan onze ogen vertoont. SIR 43:2 De zon straalt bij haar opgang gloed uit: hoe wonderlijk is dat werkstuk van de Heer! SIR 43:3 Op het middaguur verzengt zij het land. Wie kan haar hitte dan verdragen? SIR 43:4 Wie het vuur van een oven aanwakkert heeft een heet karwei; drie keer zo heet is de zon die de bergen blakert; vurige ademstoten blaast zij uit en met haar felle stralen verblindt zij de ogen. SIR 43:5 Groot is de Heer die haar gemaakt heeft en op wiens woord zij voortsnelt op haar baan. SIR 43:6 Ook de maan straalt op geregelde tijden; zij heerst tot het einde toe en is een blijvend teken. SIR 43:7 De maan bepaalt de feesten; zij is een lichtbron die vol wordt en afneemt. SIR 43:8 De maand is naar haar genoemd; zij is wonderlijk in haar wisselingen, zij, de standaard van de legerscharen in den hoge, die straalt aan het firmament van de hemel. SIR 43:9 De schoonheid van de hemel, dat is de luister van de sterren, lichtende sieraden in de hoogten van de Heer, SIR 43:10 Op het woord van de Heilige stellen zij zich op naar zijn bevel, en zij worden niet moe op hun posten. SIR 43:11 Zie de regenboog aan en zegen zijn Maker! Hij is zo heerlijk en glanst zo schoon. SIR 43:12 Hij legt langs de hemel een cirkel van luister: de handen van de Allerhoogste hebben hem gespannen. SIR 43:13 Hij jaagt door zijn bevel de sneeuw omlaag en de snelle bliksemflitsen van zijn oordeel. SIR 43:14 Daardoor worden ook de voorraadkamers geopend en vliegen er de wolken als vogels uit. SIR 43:15 In zijn grootheid maakt Hij de wolken hard en brokkelen er de hagelstenen af. SIR 43:16 De stem van zijn donder doet de aarde sidderen en de bergen dreunen door zijn kracht: SIR 43:17 door zijn wil woedt de zuiderstorm, het noorden en de cycloon. SIR 43:18 Als vogels die dalen strooit Hij de sneeuw uit; zij komt omlaag als neerstrijkende sprinkhanen. Het oog is verbaasd over haar blanke schoonheid en het hart is verrukt als zij neervalt. SIR 43:19 Hij strooit ook de rijp als zout over de aarde: bevroren, wordt die als dorens zo scherp. SIR 43:20 De koude noordenwind blaast en het water bevriest tot ijs. Hij legt een korst op ieder watervlak en de vijver trekt een harnas aan. SIR 43:21 De wind verteert de bergen en schroeit de steppe, als een vuur verbrandt Hij het frisse gras. SIR 43:22 Maar spoedig wordt alles hersteld door de vochtige wolken; dan komt de dauw, die na de hitte verkwikt. SIR 43:23 Volgens zijn plan heeft Hij de watervloed bedwongen en daar eilanden in geplant. SIR 43:24 Degenen die de zee bevaren vertellen hoe gevaarlijk zij is, en wij zijn verbaasd over wat wij horen. SIR 43:25 Daar zijn die vreemde, wonderbaarlijke werken, een bonte dierenwereld, gedrochtelijke schepsels. SIR 43:26 Door zijn toedoen heeft zijn bode succes en alles blijft bijeen door zijn woord. SIR 43:27 Hoeveel wij ook zeggen, wij schieten te kort. De slotsom van onze woorden is: Hij is het al. SIR 43:28 Waar vinden wij de kracht om Hem te verheerlijken? Want Hij is groter dan al zijn werken. SIR 43:29 Geducht is de Heer en zeer groot en zijn macht is bewonderenswaardig. SIR 43:30 Verheerlijkt de Heer en verheft Hem, zo hoog gij maar kunt, want Hij gaat uw lof steeds te boven. Als gij Hem verheft, spant dan al uw krachten in en wordt het niet moe, want nooit doet gij genoeg. SIR 43:31 Wie heeft Hem gezien en beschrijft Hem? Wie maakt Hem zo groot als Hij is? SIR 43:32 Veel is verborgen en nog groter dan wat ons bekend is: wij zien van zijn werken zo weinig. SIR 43:33 De Heer heeft alles gemaakt en aan de vromen wijsheid geschonken. SIR 44:1 Laat ons nu de roemrijke mannen prijzen, onze vaderen, geslacht na geslacht. SIR 44:2 Veel roem heeft de Heer hun gegeven; zij waren groot van oudsher. SIR 44:3 Zij waren heersers vol koninklijke waardigheid, mannen, vermaard om hun kracht, raadgevers, rijk aan inzicht, verkondigers van profetische woorden, SIR 44:4 leiders van het volk door hun wijze beslissingen, heersers door hun scherpzinnigheid, geleerden die anderen onderwezen, SIR 44:5 bedenkers van liederen, teboekstellers van spreuken, SIR 44:6 machtige mannen, toegerust met kracht, vredestichters in hun woonplaatsen. SIR 44:7 Zij werden allen geëerd door hun tijdgenoten en waren de roem van hun dagen. SIR 44:8 Sommigen onder hen hebben een naam nagelaten, zodat men hun lof verkondigt. SIR 44:9 Aan anderen wordt niet meer gedacht: zij zijn verdwenen, als hadden zij nooit bestaan; zij werden als waren zij niet geboren en zo ging het ook met hun kinderen na hen. SIR 44:10 De eerstgenoemden echter waren vrome mannen, wier rechtvaardige daden niet vergeten zijn; SIR 44:11 hun bezit blijft bij hun nageslacht, hun erfdeel bij de zonen van hun zonen. SIR 44:12 Hun nageslacht houdt zich aan het verbond; hun kinderen doen dat om hunnentwil. SIR 44:13 Tot in lengte van dagen blijft hun gedachtenis en hun roem wordt niet uitgewist. SIR 44:14 Hun lichamen zijn in vrede begraven en hun naam blijft leven van geslacht op geslacht. SIR 44:15 Van hun wijsheid gewaagt de vergadering. en de gemeente verkondigt hun lof. SIR 44:16 Henoch behaagde de Heer en werd weggenomen, een toonbeeld van wijsheid voor alle geslachten. SIR 44:17 Noach werd onberispelijk bevonden: ten tijde van de toorn werd hij het nieuwe begin. Om wille van hem werd de aarde een rest gegund, toen de zondvloed kwam. SIR 44:18 Met hem werd een eeuwig verbond gesloten, dat al wat leeft niet opnieuw door een zondvloed verdelgd zou worden. SIR 44:19 Abraham is de grote vader van een menigte volken; op zijn roem is geen smet gevallen. SIR 44:20 Hij heeft de wet van de Allerhoogste onderhouden en een verbond met Hem aangegaan; hij heeft dat verbond in zijn vlees gesneden en is in de beproeving trouw bevonden. SIR 44:21 Daarom heeft de Heer hem onder ede beloofd, dat in zijn nageslacht de volken gezegend zouden worden, dat Hij hem talrijk zou maken als het stof van de aarde, dat Hij zijn nageslacht zo hoog als de sterren zou verheffen en hun een erfdeel zou geven dat van zee tot zee zou reiken en van de Rivier tot het einde der aarde. SIR 44:22 Ook aan Isaak heeft Hij dat beloofd ter wille van Abraham, zijn vader. SIR 44:23 De zegen over alle mensen en het verbond liet Hij rusten op het hoofd van Jakob. Hij bevestigde hem in zijn zegen en gaf hem het erfgoed, dat Hij in stukken verdeelde en toewees aan de twaalf stammen. Uit hem heeft men een vroom man laten voortkomen, die aller genegenheid won SIR 45:1 en geliefd was bij God en de mensen, Mozes: zijn gedachtenis zij gezegend! SIR 45:2 Hij heeft hem in roem aan de heiligen gelijk gemaakt en hem verheerlijkt door de schrik van de vijanden. SIR 45:3 Op zijn woord heeft Hij terstond wonderen verricht en Hij heeft hem groot gemaakt voor het aangezicht van koningen. Hij gaf hem bevelen voor zijn volk en toonde hem zijn heerlijkheid. SIR 45:4 Vanwege zijn trouw en zijn nederigheid heeft Hij hem uit alle mensen uitverkoren. SIR 45:5 Hij liet hem zijn stem vernemen, bracht hem in de donkere wolk en gaf hem, van aangezicht tot aangezicht, zijn geboden, de wet van het leven en van de kennis, om Jakob in het verbond te onderrichten en Israël in zijn beschikkingen. SIR 45:6 Aäron, zijn broer uit de stam Levi, verhief Hij en Hij heiligde hem, evenals Mozes. SIR 45:7 Hij sloot met hem een eeuwig verbond en maakte hem tot de priester van het volk. Hij verheerlijkte hem met luister en omgordde hem met een stralend gewaad. SIR 45:8 Hij bekleedde hem met volmaakte schoonheid en tooide hem met de tekenen van zijn macht; Hij gaf hem het onderkleed, het lange opperkleed en de efodmantel; SIR 45:9 Hij omhing hem met de granaatappels, met vele gouden belletjes aan alle kanten, die moesten rinkelen als hij voortschreed en wier geluid in de tempel gehoord moest worden als teken voor de zonen van zijn volk, SIR 45:10 met het heilige gewaad, goud, blauw en purper, het werkstuk van een kunstenaar, met het borstschild van de beslissing, de efod en de gordel, SIR 45:11 uit scharlaken draad geweven, het werk van een vakman, met kostbare, als zegels gesneden stenen, in goud gevat, het werk van een steensnijder, die als herinnering moesten dienen, stenen met ingegraveerde letters overeenkomstig het aantal van de stammen van Israël. SIR 45:12 Hij gaf hem een gouden gordel om zijn hoofddeksel met het zegel van de toewijding erop gelegd, een luisterrijk eerbewijs, een machtig werk, een lust voor de ogen, prachtig versierd. SIR 45:13 Zo iets heerlijks is er voor hem niet geweest en tot in eeuwigheid treft geen vreemde het aan, maar alleen Aärons zonen en zijn afstammelingen, voor altijd. SIR 45:14 Zijn offers zullen volledig verbranden iedere dag twee keren, altijd door. SIR 45:15 Mozes stelde hem als priester aan en zalfde hem met de heilige olie; het werd voor hem een altijddurend verbond en ook voor zijn nageslacht, al de dagen dat de hemel blijft bestaan, dat hij de Heer zou dienen als priester en zijn volk zou zegenen met zijn naam. SIR 45:16 Uit alle levenden koos Hij hem uit om de offers aan de Heer te brengen, reukwerken en aangename geur, tot gedachtenis, om verzoening te bewerken voor het volk. SIR 45:17 Hij heeft hem zijn geboden gegeven en volmacht verleend in zaken van recht en wet, om aan Jakob zijn getuigenissen te leren en Israël met zijn wet te verlichten. SIR 45:18 Onbevoegden rebelleerden tegen hem en waren afgunstig op hem, in de woestijn, de mannen van Datan en Abiram en de aanhang van Korach, in woede en toorn. SIR 45:19 De Heer zag het en het behaagde Hem niet en door zijn woedende toorn werden zij verdelgd. Hij verrichtte wondertekenen aan hen en verteerde hen in zijn vlammend vuur. SIR 45:20 Hij vermeerderde de roem van Aäron en schonk hem een erfgoed; Hij gaf hem de heilige bijdragen tot voedsel en schonk hem voedsel in overvloed, SIR 45:21 want zij mochten eten van de offers, aan de Heer gebracht die Hij aan hem en aan zijn nageslacht schonk. SIR 45:22 Maar in het land, dat het volk kreeg, mocht hij geen erfelijk bezit ontvangen; in hun midden kreeg hij geen deel, want de Heer is zijn deel en zijn erfgoed onder de zonen van Israël. SIR 45:23 Pinechas, de zoon van Eleazar, is de derde geweest die roem verwierf, omdat hij ijverde voor de God van alles en voor zijn volk in de bres sprong en met al zijn moed en geestdrift voor Israël verzoening bewerkte. SIR 45:24 Daarom werd met hem een verbond van vrede gesloten: hij zou aan het hoofd staan van het heiligdom en van zijn volk en hij en zijn nageslacht zouden het hogepriesterschap vervullen, de eeuwen door. SIR 45:25 En terwijl bij het andere verbond, met David, de zoon van Isai uit de stam Juda, de erfopvolging van de koning alleen van zoon op zoon gaat, geldt de erfopvolging van Aäron voor zijn hele nageslacht. Zegent dus de Heer, die zo goed is en die u met luister heeft gekroond! SIR 45:26 Hij moge u wijsheid geven in uw hart om zijn volk in gerechtigheid te oordelen, opdat hun voorspoed niet zal verdwijnen en hun roem mag overgaan op de latere geslachten. SIR 46:1 Jozua, de zoon van Nun, was geweldig in de oorlog en hij volgde Mozes op in het profetenambt. Hij werd, zoals zijn naam het zegt, een groot man bij de redding van Gods uitverkorenen, de man, die de aangetreden vijanden af moest straffen, om Israël zijn erfdeel te geven. SIR 46:2 Hoe glorieus was hij, toen hij zijn hand ophief en zijn speer uitstak tegen de steden! SIR 46:3 Wie heeft hem kunnen weerstaan? Hij voerde immers de oorlogen van de Heer. SIR 46:4 Werd door zijn hand de zon niet tegengehouden en werd een dag niet tot twee gemaakt? SIR 46:5 Hij riep de hoogste Heerser aan, toen zijn vijanden hem aan alle kanten benauwden, en de grote Heer verhoorde hem met hagelstenen van geweldige kracht. SIR 46:6 Hij deed de oorlog zwaar op dat leger neerkomen en verdelgde zijn tegenstanders op de berghelling, om de volken te laten voelen, hoe machtig zijn wapens waren, omdat hij oorlog voerde voor het aanschijn van de Heer, want inderdaad, Jozua volgde de Heerser. SIR 46:7 Ook in de dagen van Mozes had hij trouw getoond, hij en Kaleb, de zoon van Jefunne: zij verzetten zich tegen de gemeenschap, zij weerhielden het volk van zonde en maakten een eind aan het kwalijk gepraat. SIR 46:8 En alleen die twee werden behouden, uit zeshonderdduizend voetknechten, om in hun erfdeel binnengeleid te worden, in het land dat overvloeit van melk en honing. SIR 46:9 En de Heer gaf Kaleb kracht, die hem tot zijn oude dag bijbleef, zodat hij het bergland kon beklimmen: zijn nageslacht kreeg het als erfdeel. SIR 46:10 Zo konden alle zonen van Israël ervaren, dat het goed is de Heer te volgen. SIR 46:11 En dan de Rechters, ieder met zijn eigen faam, wier hart niet ontuchtig werd en die zich niet van de Heer hebben afgewend: hun gedachtenis zij gezegend! SIR 46:12 Moge hun gebeente weer gaan bloeien op de plaats waar zij rusten en moge hun naam op hun zonen overgaan! SIR 46:13 Samuël, geliefd bij zijn Heer, de profeet van de Heer, stelde het koningschap in en hij zalfde heersers over zijn volk. SIR 46:14 Volgens de wet van de Heer sprak hij recht over het vergaderde volk en de Heer zag genadig neer op Jakob. SIR 46:15 Door de waarheid van zijn uitspraken bewees hij een echt profeet te zijn en om zijn woorden werd hij aanvaard als een waarachtig ziener. SIR 46:16 Toen zijn vijanden hem van alle kanten benauwden, riep hij de Heer aan, de Machtige, terwijl hij Hem een zuiglam offerde. SIR 46:17 En de Heer deed uit de hemel zijn donder klinken en liet met groot gedruis zijn stem horen. SIR 46:18 Hij verdelgde de veldheren van Tyrus en al de vorsten van de Filistijnen. SIR 46:19 En toen het ogenblik gekomen was waarop hij voor altijd ging rusten, getuigde hij ten overstaan van de Heer en van zijn gezalfde: `geen geld, zelfs geen sandaal heb ik ooit van iemand aangenomen!' En er was toen geen mens die hem beschuldigde. SIR 46:20 Zelfs na zijn ontslapen profeteerde hij en kondigde de koning zijn einde aan; hij verhief uit de aarde zijn stem om door zijn profetie de zonde van het volk uit te wissen. SIR 47:1 Na hem trad Natan op die profeteerde in de dagen van David. SIR 47:2 Zoals het vet wordt afgezonderd van het offer. zo werd David van de zonen van Israël afgezonderd. SIR 47:3 Hij speelde met leeuwen alsof het bokjes waren en met beren als met lammeren. SIR 47:4 Heeft hij in zijn jeugd niet een reus gedood en de smaad van het volk weggenomen, doordat hij zijn hand met de slingersteen hief en de trots van Goliat fnuikte? SIR 47:5 Want hij had de Heer, de Allerhoogste, aangeroepen en deze had kracht in zijn rechterhand gelegd om die man, zo geweldig in de oorlog, te vellen en de macht van zijn volk te verhogen. SIR 47:6 Zo eerde men hem om tienduizenden en prees men hem om de zegeningen van de Heer, terwijl men hem een erekroon bracht, SIR 47:7 want aan alle kanten had hij de vijanden verdelgd en de Filistijnen, zijn tegenstanders, vernietigd en hun macht gebroken, tot op de dag van vandaag. SIR 47:8 Bij al zijn daden prees hij de Heilige, de Allerhoogste, met heerlijke woorden. Met heel zijn hart bezong hij zijn Maker en had hij Hem lief. SIR 47:9 Tegenover het altaar stelde hij muzikanten met hun instrumenten op om door hun klanken de schoonheid van de liederen te verhogen. SIR 47:10 Hij zette de feesten luister bij en gaf de hoogtijdagen een volmaakte schoonheid: dan prezen zij de heilige naam van de Heer en al vroeg in de morgen weergalmde dan het heiligdom. SIR 47:11 De Heer heeft zijn zonde weggenomen en zijn macht voor altijd verhoogd; Hij heeft hem het koninklijk verbond gegeven en een luisterrijke troon in Israël. SIR 47:12 Na hem trad een wijze zoon op, die dank zij hem ongestoord kon wonen. SIR 47:13 Salomo regeerde in een tijd van vrede. God gaf hem rust aan alle kanten. om een huis te bouwen voor Gods naam en voor altijd een heiligdom te vestigen. SIR 47:14 Wat waart gij wijs in uw jonge jaren: als de Nijl, zo overlopend van inzicht! SIR 47:15 Uw geest bevloeide de aarde en gij hebt haar vervuld met raadselspreuken. SIR 47:16 Tot aan verre eilanden reikte uw naam en gij waart geliefd om uw vrede. SIR 47:17 Om uw liederen, spreuken en gelijkenissen en om uw verklaringen stonden hele landen verbaasd. SIR 47:18 In de naam van God, de Heer, van Hem, die de God van Israël heet, hebt gij goud vergaard alsof het tin was en zilver opgehoopt als lood. SIR 47:19 Maar gij hebt uw lendenen gegeven aan de vrouwen en die over uw lichaam laten heersen. SIR 47:20 Gij hebt een smet geworpen op uw eer en uw bed ontheiligd, zodat gij toorn bracht over uw kinderen en zij geslagen werden om uw onverstand; SIR 47:21 zodat de heerschappij verdeeld werd en uit Efraim een weerspannig koningschap opkwam. SIR 47:22 Maar de Heer geeft zijn trouw niet prijs en laat niet een van zijn woorden vallen. Hij verdelgt het nageslacht van zijn uitverkorene niet en roeit de nazaten niet uit van degene die Hem liefheeft. Hij heeft een rest gegeven aan Jakob en aan David een wortel van zijn stam. SIR 47:23 Salomo ging bij zijn vaderen te ruste maar de heerser die hij naliet, groot in dwaasheid, klein van verstand, Rechabeam, bracht door zijn raadsbesluit een scheuring onder het volk teweeg. SIR 47:24 Toen stond Jerobeam, de zoon van Nabat, op; hij deed Israël zondigen en bracht Efraim op de weg naar de ondergang. Hun zonden werden talrijk en daardoor werden zij uit hun land verjaagd. SIR 47:25 Alles wat kwaad was liepen zij na, totdat de straf over hen kwam. SIR 48:1 Toen stond Elia op, een profeet als een vuur, en zijn woord brandde als een fakkel. SIR 48:2 Hij bracht hongersnood over hen en door zijn ijver verminderde hij hun aantal. SIR 48:3 Krachtens het woord van de Heer sloot hij de hemel en bracht hij drie maal vuur naar beneden. SIR 48:4 Wat hebt gij een roem verworven, Elia, door uw wonderdaden! Wie kan erop roemen u te evenaren? SIR 48:5 Gij hebt een gestorvene opgewekt uit de dood en uit het dodenrijk, krachtens het woord van de Allerhoogste. SIR 48:6 Koningen hebt gij in het verderf gestort en aanzienlijken in hun bed laten sterven. SIR 48:7 Op de Sinaï hebt gij terechtwijzingen gehoord en op de Horeb strafgerichten. SIR 48:8 Gij hebt koningen gezalfd als vergelders en een profeet als uw opvolger. SIR 48:9 Gij zijt opgenomen in een wervelstorm, hemelwaarts in scharen van vuur. SIR 48:10 Van u staat geschreven dat gij u gereed houdt voor de vastgestelde tijd, om de toorn te stillen aleer hij gaat woeden, om de harten van de vaders naar de zonen te keren en de stammen van Jakob te herstellen. SIR 48:11 Gelukkig degenen die u gezien hebben en ontslapen zijn, maar veeleer gelukkig gij, omdat gij leeft. SIR 48:12 Dit was Elia, die in een wervelstorm verdween; en met zijn geest werd Elisa vervuld; hij heeft in zijn dagen voor geen heerser gebeefd en niemand is sterker geweest dan hij. SIR 48:13 Niets ging zijn kracht te boven en nog in de doodslaap profeteerde zijn lichaam. SIR 48:14 Bij zijn leven deed hij wonderen en ook na zijn dood waren zijn werken wonderbaarlijk. SIR 48:15 Met dat al bekeerde het volk zich niet en hielden zij niet op met hun zonden, totdat zij uit het land werden weggesleurd en over heel de aarde verstrooid. SIR 48:16 Slechts een heel klein volk bleef over. met nog een heerser in Davids huis. Sommigen van hen deden het goede, anderen gingen zich aan zonden te buiten. SIR 48:17 Hizkia versterkte zijn stad door het water binnen haar muren te leiden; hij doorboorde met ijzer de rotsen en legde vijvers aan voor het water. SIR 48:18 In zijn dagen rukte Sanherib op; hij zond zijn intendant, hief zijn hand op tegen Sion en lasterde God in zijn hoogmoed. SIR 48:19 Toen beefden hun harten en handen en zij sidderden als een vrouw in barensnood. SIR 48:20 Zij riepen de Heer aan, de barmhartige, en breidden hun handen naar Hem uit. En weldra verhoorde de Heilige hen uit de hemel en verloste hen door de hand van Jesaja. SIR 48:21 Hij sloeg het legerkamp van de Assyriers en zijn engel vermorzelde hen. SIR 48:22 Want Hizkia had gedaan wat de Heer behaagde: hij bleef trouw aan de wegen van David, zijn vader, zoals die hem waren gewezen door Jesaja, de profeet, groot en betrouwbaar in zijn visioenen. SIR 48:23 In zijn dagen week de zon achteruit en werd het leven van de koning verlengd. SIR 48:24 Door zijn machtige geest zag hij, Jesaja, de laatste dingen en troostte hij de treurenden van Sion; SIR 48:25 hij kondigde aan wat er ging gebeuren tot in de verre toekomst en voordat het geschiedde voorspelde hij wat nog verborgen was. SIR 49:1 De gedachtenis van Josia is als geurige wierook, met zout vermengd, door een reukwerker bereid. In ieders mond is zijn gedachtenis zo zoet als honing, als muziek bij een wijngelag. SIR 49:2 Hij was bedroefd om onze afvalligheid en maakte een einde aan de nietswaardige gruwels. SIR 49:3 Hij richtte zijn hart op de Heer en in de dagen van zonde beoefende hij de vroomheid. SIR 49:4 Met uitzondering van David, Hizkia en Josia hebben zij zich allen zeer zondig gedragen, want zij hebben de wet van de Allerhoogste verlaten, de koningen van Juda, tot de laatste toe. SIR 49:5 Zij hebben hun macht aan anderen verloren en hun glorie aan een vreemd volk. SIR 49:6 Die staken de uitverkoren stad van het heiligdom in brand en ontvolkten haar straten, vanwege Jeremia, SIR 49:7 want die hadden zij mishandeld. Hij was al in de moederschoot tot profeet geheiligd om uit te roeien, af te breken en te verdelgen en ook om op te bouwen en te planten. SIR 49:8 Ezechiël, hij zag een visioen van de heerlijkheid, die de Heer hem toonde op de wagen van de kerubs. SIR 49:9 Ook bracht hij Job in herinnering, die de rechte wegen tot het einde toe trouw bleef. SIR 49:10 En dan de twaalf profeten! Hun gebeente moge opbloeien uit hun rustplaats! Zij hebben Jakob gesterkt en hem door vertrouwvol geloof gered. SIR 49:11 Hoe zullen wij de lof zingen van Zerub babel? Hij was als een zegelring aan de rechterhand. SIR 49:12 Zo was ook Jezua, de zoon van Josadak: in hun dagen richtten zij het altaar op en bouwden zij de tempel, toegewijd aan de Heer en bestemd tot zijn eeuwige glorie. SIR 49:13 Sterk leeft ook de gedachtenis aan Nehemia, die onze ingestorte muren herbouwde, die poorten met grendels aanbracht en onze huizen herstelde. SIR 49:14 Op de aarde is er niemand geschapen die was zoals Henoch, want hij werd van de aarde weggenomen. SIR 49:15 Ook werd er geen mens geboren zoals Jozef, een heerser over zijn broers, de steun van zijn volk, wiens gebeente met zorg bewaard werd. SIR 49:16 Sem en Set werden geëerd onder de mensen, maar boven al wat leeft staat Adam in ere. SIR 50:1 Simon, de zoon van Onias, de hogepriester: in zijn tijd werd het godshuis hersteld en in zijn dagen de tempel versterkt. SIR 50:2 In zijn dagen werd de muur herbouwd en de torens van het heiligdom bij het koninklijk paleis. SIR 50:3 In zijn tijd werd een waterbekken uitgehouwen, een reservoir, met een omtrek als die van de Zee. SIR 50:4 Hij behoedde zijn volk voor de ondergang en versterkte de stad tegen belegeraars. SIR 50:5 Hoe stralend was hij, wanneer hij uit de tent keek en van achter het voorhangsel naar buiten trad. SIR 50:6 Dan was hij als een ster tussen de wolken, als de volle maan tijdens het hoogfeest, SIR 50:7 als de zon die schittert op een koningspaleis, als de regenboog die glanst in luisterrijke wolken, SIR 50:8 als een roos in het nieuwe seizoen, als lelies bij een waterbron, als een jonge twijg op de Libanon in de zomer, SIR 50:9 als brandende wierook op de wierookschaal, als een vaas van massief, gehamerd goud, versierd met allerlei kostbaar gesteente, SIR 50:10 als een olijfboom vol vruchten, als een cypres die tot aan de wolken oprijst. SIR 50:11 Wanneer hij zich hulde in zijn prachtige gewaad, zich met volmaakte luister bekleedde en opging naar het heilig altaar, vervulde hij de voorhof van het heiligdom met heerlijkheid. SIR 50:12 Wanneer hij uit de handen van de priesters de offerstukken aannam, staande bij de vuurhaard van het altaar, omringd door een krans van broeders, die als loten waren van ceders op de Libanon: als stammen van palmen stonden dan SIR 50:13 al de zonen van Aäron in volle luister om hem heen, met een offer voor de Heer in hun handen tegenover de hele gemeenschap van Israël. SIR 50:14 En als hij dan het altaar geheel gereed had gemaakt en de gaven voor de Allerhoogste, de Almachtige had neergelegd, SIR 50:15 strekte hij zijn hand uit naar de plengschaal en plengde het bloed van de druif. Hij goot het uit aan de voet van het altaar, een welriekende geur voor de Allerhoogste, de Koning over alles. SIR 50:16 Dan verhieven de zonen van Aäron hun stem en bliezen zij op metalen trompetten; zij lieten een machtig geluid horen, tot een herinnering voor het aanschijn van de Allerhoogste. SIR 50:17 Dan haastte zich heel het volk, als een man, en vielen zij met hun aangezicht ter aarde om hun Heer te aanbidden, de almachtige God, de Allerhoogste, SIR 50:18 en de zangers prezen Hem met hun liederen en luid klonk hun heerlijk gezang. SIR 50:19 En het volk smeekte de Heer, de Allerhoogste, biddend voor het aangezicht van de Barmhartige, totdat de dienst voor de Heer ten einde was en zij hun plicht tegenover Hem vervuld hadden. SIR 50:20 Dan daalde hij af en strekt hij zijn handen hoog uit over de hele gemeenschap van Israëls zonen, om met zijn lippen de zegen van de Heer te geven en zich te tooien met zijn naam. SIR 50:21 Dan vielen zij een tweede maal ter aarde om de zegen van de Allerhoogste te ontvangen. SIR 50:22 Prijst dan nu de Heer van het heelal, die alom grote dingen doet, die van de moederschoot af de mens groot maakt en met hem handelt naar zijn barmhartigheid. SIR 50:23 Hij geve ons blijdschap van hart en vrede in onze dagen, in Israël, zoals in de dagen van weleer. SIR 50:24 Moge zijn barmhartigheid ons altijd verzekerd zijn en moge Hij ons verlossen in onze dagen. SIR 50:25 Twee volken verfoei ik en het derde is geen volk: SIR 50:26 de bewoners van Seïr, de Filistijnen en het dwaze volk dat in Sichem woont. SIR 50:27 Lessen in wijsheid en kennis zijn neergelegd in dit boek door Jezus, de zoon van Sirach Eleazar, uit Jeruzalem, die wijsheid liet stromen uit zijn hart. SIR 50:28 Zalig degene die er zich mee bezighoudt: als hij ze ter harte neemt, wordt hij wijs. SIR 50:29 Want wie daarnaar handelt, zal alles vermogen: de vrees voor de Heer is leven. SIR 51:1 Ik wil U loven, Heer, Koning, en U prijzen als mijn God en Redder. Ik wil uw naam loven, SIR 51:2 omdat Gij mijn beschermer en helper zijt geweest en mij hebt gered van de dood, van de strikken, door lastertongen gelegd, van de lippen die leugentaal uitslaan. Tegenover hen die mij aanvielen zijt Gij mijn helper geworden SIR 51:3 en groot als uw erbarmen is en uw naam, hebt Gij mij verlost uit de strikken van hen die loerden op buit, uit de hand van hen die mij naar het leven stonden, uit de vele noden die mij overkwamen, SIR 51:4 uit het verstikkende vuur, waarmee mij de brandstapel omgaf, midden uit de vlammen, die ik niet had aangestoken, SIR 51:5 uit de diepe schoot van de onderwereld, verlost van de vurige tong en het lasterlijk gepraat, SIR 51:6 van de scherpe pijlen van de onrechtvaardige tong. Vlak bij de dood was ik gekomen: ik stond aan de rand van het dodenrijk, zo diep. SIR 51:7 Aan alle kanten omsingelden ze mij en er was niemand die mij hielp. Ik keek uit naar steun van mensen, maar die was er niet. SIR 51:8 Toen dacht ik, Heer, aan uw barmhartigheid, en aan uw weldaden, van oudsher bewezen: Gij helpt degenen die op U hopen en redt hen uit de hand van hun vijanden. SIR 51:9 Ik liet mijn noodkreet uit de diepte klinken en smeekte om van de dood verlost te worden. SIR 51:10 Ik riep tot de Heer: `Gij zijt mijn vader! Verlaat mij niet op de dag van de nood, op de dag van de rampspoed en de verlatenheid. SIR 51:11 Ik wil uw naam gestadig prijzen, en hem bezingen in mijn loflied.' Mijn gebed is verhoord, SIR 51:12 want Gij hebt mij van de ondergang gered en mij op de dag van het ongeluk geholpen. Daarom zal ik U loven en prijzen en de naam des Heren zegenen. SIR 51:13 Toen ik nog jong was, voordat ik mijn reizen begon, zocht ik openlijk door mijn gebed wijsheid te verkrijgen. SIR 51:14 Staande voor de tempel bad ik erom en tot het laatst toe zal ik haar zoeken. SIR 51:15 Wanneer zij gedijde, als een rijpende druif, verheugde mijn hart zich over haar. Mijn voet is de rechte weg opgegaan: van mijn jeugd af heb ik haar spoor gevolgd. SIR 51:16 Als ik maar even luisterde, leerde ik van haar en verwierf ik veel kennis. SIR 51:17 Zij heeft mij veel voordeel gebracht; degene die mij wijsheid geeft zal ik eren. SIR 51:18 Ik legde mij erop toe haar te beoefenen. Ik heb het goede nagestreefd en ik zal niet teleurgesteld worden. SIR 51:19 Ik heb om haar gestreden en de wet nauwlettend onderhouden. Ik heb mijn handen ten hemel geheven en mijn onwetendheid over haar betreurd. SIR 51:20 Ik heb mijn zinnen op haar gezet en ik heb haar door loutering gevonden. Met haar heb ik inzicht verworven, van het begin af aan: daarom zal ik haar nooit verlaten. SIR 51:21 Mijn binnenste vond geen rust, ik moest haar zoeken: daarom heb ik een kostbaar goed verworven. SIR 51:22 De Heer gaf mij als loon een vaardige tong en daarmee zal ik Hem prijzen. SIR 51:23 Komt naar mij toe, gij onwetenden, en neemt uw intrek in het leerhuis. SIR 51:24 Waarom blijft gij nog gebrek lijden en laat gij uw zielen versmachten? SIR 51:25 Ik open mijn mond en ik spreek: `Verwerft u toch wijsheid, kosteloos! SIR 51:26 Buigt uw hals onder haar juk en laat uw hart het onderricht opnemen: het is niet ver te zoeken! SIR 51:27 Gij kunt met uw eigen ogen zien dat ik mij maar matig hoefde in te spannen en voor mijzelf veel rust heb gevonden. SIR 51:28 Neemt deel aan het onderricht en gij zult u daarvoor veel zilver en goud verwerven. SIR 51:29 Verheugt u in de barmhartigheid van de Heer en schaamt u niet Hem te loven. SIR 51:30 Verricht uw werk voor de beslissende tijd en de Heer zal u te zijner tijd uw loon geven.' JESAJA JES 1:1 Visioen van Jesaja, de zoon van Amos, over Juda en Jeruzalem, in de tijd van Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia, koningen van Juda. JES 1:2 Hoort hemelen! luister, aarde! want Jahwe neemt het woord. Ik heb zonen grootgebracht en opgevoed, maar zij zijn tegen Mij in opstand gekomen. JES 1:3 Een os kent zijn eigenaar, een ezel de krib van zijn meester; maar Israël weet van niets, mijn volk heeft geen begrip. JES 1:4 Wee die zondige natie, dat volk, beladen met schuld, dat geslacht van boosdoeners, die verdorven zonen! Zij hebben Jahwe verlaten, Israëls Heilige veracht, zij hebben Hem de rug toegekeerd. JES 1:5 Waarom wilt gij verder nog worden geslagen, dat gij voortgaat met uw verzet? Uw hoofd is helemaal ziek, uw hart helemaal uitgeput. JES 1:6 Van uw voetzool tot uw schedel is er geen plek meer gaaf; het is niets dan builen, striemen en open wonden, die niet zijn uitgedrukt en niet zijn verbonden, noch met olie verzacht. JES 1:7 Uw land is een woestenij, uw steden zijn platgebrand, uw akkers worden voor uw ogen door vreemden leeggegeten. Het is een woestenij, als bij de verdelging van Sodom. JES 1:8 Sion alleen bleef over, als een hut in een wijngaard, als een slaaphok op een komkommerveld, als een belegerde stad. JES 1:9 Had Jahwe van de machten ons geen rest gelaten, dan waren wij als Sodom geworden, en aan Gomorra gelijk. JES 1:10 Hoort het woord van Jahwe, gij leiders van Sodom, luistert naar het onderricht van onze God, gij volk van Gomorra. JES 1:11 Wat heb Ik aan al uw offers? zegt Jahwe. Ik ben verzadigd van de brandoffers van uw rammen en van het vet van uw mestkalveren. Ik heb geen behagen in het bloed van stieren, lammeren en bokken. JES 1:12 Wie heeft u gevraagd mijn voorhoven plat te lopen als gij komt om voor Mij te verschijnen? JES 1:13 Brengt Mij toch niet langer nutteloze meeloffers. Uw wierook is mij een gruwel. Nieuwe maan, sabbat en feestvergadering: feestvieren samen met onrecht kan Ik niet uitstaan. JES 1:14 Uw nieuwe maan, uw feest en, Ik ben ze hartgrondig beu, zij zijn een last die Ik niet langer kan dragen. JES 1:15 Wanneer gij uw handen uitstrekt, sluit Ik mijn ogen voor u, zelfs als gij uw gebeden vermenigvuldigt, luister Ik niet naar u: uw handen zitten vol bloed. JES 1:16 Wat u, reinigt u! Uit mijn ogen met uw misdaden! Houdt op met kwaad doen. JES 1:17 Leert liever het goede te doen, betracht de rechtvaardigheid, helpt de verdrukten, verschaft recht aan de wezen, verdedigt de weduwen. JES 1:18 Komt laat ons de zaak afhandelen, zegt Jahwe. Zouden uw zonden, die als scharlaken zijn, wit kunnen worden als sneeuw? Zouden zij, rood als purper, kunnen worden als wol? JES 1:19 Als gij gewillig zijt en luistert, zult gij de opbrengst van uw land verteren. JES 1:20 Maar als gij weigert en opstandig blijft, zal het zwaard u verteren. De mond van Jahwe heeft het gezegd. JES 1:21 Hoe is de getrouwe veste toch een hoer geworden? Zij was vol van recht, en gerechtigheid woonde in haar; nu vindt men er niets dan moordenaars. JES 1:22 Uw zilver is metaalschuim geworden, uw wijn met water gemengd. JES 1:23 Uw leiders zijn rebellen, handlangers van dieven. Allen zijn op steekpenningen uit en azen op geschenken. Aan wezen verschaffen zij geen recht en de zaak van de weduwen krijgt bij hen geen gehoor. JES 1:24 Daarom luidt de godsspraak van de Heer, Jahwe van de machten de Sterke van Israël: Wee, Ik ga Mij wreken op mijn tegenstanders, mijn woede koelen op mijn vijanden. JES 1:25 Ik keer mijn hand tegen u: als met loog ga Ik uw schuim uitzuiveren en al uw afval verwijderen. JES 1:26 Uw rechters maak Ik als vroeger, uw raadsheren weer als voorheen. Dan zal men u noemen: stad van gerechtigheid, getrouwe veste. JES 1:27 Door recht alleen zal Sion gered worden en zijn inwoners door rechtschapenheid. JES 1:28 Maar afvalligen en zondaars gaan samen ten onder, zij die Jahwe verlaten, worden vernietigd. JES 1:29 Ja, gij zult uw schamen over de heilige eiken waar gij zo van houdt, en blozen over de tuinen die gij zo op prijs stelt: JES 1:30 ja, gijzelf zult zijn als een eik zonder bladeren, als een tuin zonder water. JES 1:31 Het vlas wordt tot afval, en bewerkt door een vonk: zo ontstaat een vuur dat niemand blust. JES 2:1 De openbaring over Juda en Jeruzalem, die Jesaja, de zoon van Amos, in een visioen ontving. JES 2:2 Op het einde der dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van Jahwe vast zal staan als de eerste der bergen, verheven boven de heuvels; en alle volken stromen naar hem toe, JES 2:3 naties gaan op weg en zeggen: `Komt, laat ons gaan naar de berg van Jahwe, naar het huis van Jakobs God: dan zal Hij ons zijn wegen wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen. Ja, uit Sion komt Gods onderricht, uit Jeruzalem het woord van Jahwe.' JES 2:4 Hij zal recht doen tussen de vele volken, en machtige naties tuchtigen. Dan smeden zij hun zwaarden om tot ploegscharen en hun speerpunten tot sikkels. Geen volk heft het zwaard meer tegen een ander en de oorlog leren ze niet meer. JES 2:5 Huis van Jakob, komt, laat ons wandelen in het licht van Jahwe. JES 2:6 Gij hebt uw volk verstoten, Jakobs huis. Het wemelt er van waarzeggers en wichelaars, als bij de Filistijnen; het krioelt er van vreemd gespuis. JES 2:7 Het land is vol goud en zilver en er komt geen eind aan de rijkdom. Het land is vol paarden en er komt geen eind aan hun wagens. JES 2:8 Het land is vol afgoden en zij werpen zich neer voor het werk van hun eigen handen, voor wat hun eigen vingers hebben gemaakt. JES 2:9 Maar de mens zal worden vernederd en allen zullen zij worden neergeslagen, zonder genade. JES 2:10 Kruip weg in de rotsen, verberg u in de grond, uit angst voor Jahwe, voor de luister van zijn majesteit. JES 2:11 De verwaten ogen der mensen worden neergeslagen, de hoogmoedigen worden vernederd. Jahwe alleen blijft nog verheven op die dag! JES 2:12 Ja, het wordt een dag van Jahwe van de machten tegen al wat verwaand is en trots, tegen al wat zich hoogmoedig verheft: JES 2:13 tegen al die ceders van de Libanon, tegen al die eiken van Basan, JES 2:14 tegen al die verheven bergen, tegen al die trotse heuvels, JES 2:15 tegen elke machtige toren, tegen elke onneembare vesting, JES 2:16 tegen alle Tarsis boten en alle rijkbeladen schepen. JES 2:17 De verwaten ogen der mensen worden neergeslagen, de hoogmoedigen worden vernederd. Jahwe alleen blijft hoog verheven op die dag! JES 2:18 Alle afgoden verdwijnen. JES 2:19 Men zal wegkruipen in spelonken in de rotsen en holen in de grond uit angst voor Jahwe, voor de luister van zijn majesteit als Hij opstaat om de aarde met ontzetting te slaan. JES 2:20 Op die dag zal de mens zijn afgodsbeelden van zilver en goud, die hij gemaakt had om te aanbidden, voor de ratten en de vleermuizen werpen. JES 2:21 Hij zal wegkruipen in rotsholten en bergspleten uit angst voor Jahwe, voor de luister van zijn majesteit, als Hij opstaat om de aarde met ontzetting te slaan. JES 2:22 Verlaat u niet op de mens, die slechts wat adem in zijn neus heeft: Wat is hij eigenlijk waard? JES 3:1 De Heer, jahwe van de legerscharen, ontneemt aan Jeruzalem en Juda iedere stut en steun: en alle stut van brood, alle steun van water, JES 3:2 krijgsman en soldaat, rechter en profeet, waarzegger en oudste, JES 3:3 hoofdman, notabele en raadsheer, tovenaar en bezweerder. JES 3:4 Knapen geef Ik hun als vorsten, en willekeur zal over hen heersen. JES 3:5 Onder het volk zal men elkaar aanvallen de een de ander, iedereen zijn naaste, knapen zullen de ouderen lastig vallen, nietsnutten mannen van aanzien. JES 3:6 In het ouderlijk huis zal de ene broer de andere vastgrijpen: `Gij hebt nog een mantel, wees dus onze leider, neem deze ruïne onder uw hoede.' JES 3:7 Maar de ander zal antwoorden: `Ik zal de verpleger niet zijn, ik heb voedsel noch kleren in huis, stel mij niet aan tot leider van een volk.' JES 3:8 Ja, Jeruzalem wankelt, Juda valt, omdat hun woorden en hun daden tegen Jahwe gericht zijn: zij tarten zijn majesteit. JES 3:9 Hun onbeschaamd gezicht getuigt tegen hen: gelijk Sodom stallen zij hun zonden uit, geen enkele houden zij verborgen, tot hun eigen schade, de ongelukkigen: zij doen zichzelf ellende aan. JES 3:10 Zie hoe gelukkig de rechtvaardigen zijn: zij verteren de vrucht van hun arbeid. JES 3:11 Wee de boze: hem gaat het slecht, hem wordt gedaan naar het werk van zijn handen. JES 3:12 Mijn volk wordt door woekeraars uitgebuit en door afpersers overheerst. Mijn volk, uw leiders doen u verdwalen, verwarren uw wegen voor u. JES 3:13 Jahwe maakt zich gereed voor een geding, Hij staat klaar om recht te verschaffen aan zijn volk. JES 3:14 Jahwe spant een proces aan tegen de oudsten en de leiders van zijn volk: `Gij hebt de wijngaarden leeggeplunderd, met het geroofde goed van de armen uw huizen gevuld. JES 3:15 Met welk recht vertrapt gij mijn volk, verplettert gij de armen?' Godsspraak van de Heer, Jahwe van de legerscharen. JES 3:16 Dit zegt Jahwe: Omdat de dochters van Sion zo verwaand zijn, omdat ze rondlopen met geheven hoofd, met lonkende ogen, met trippelende pasjes, met rinkelende ringen aan hun enkels, JES 3:17 zal de Heer de sluier afrukken van de schedels van Sions dochters, ontneemt Jahwe haar voorhoofd alle sier. JES 3:18 Op die dag ontneemt de Heer hun alle sieraden: voetringen, zonnetjes en maantjes, JES 3:19 oorbellen en armbanden, sluiers JES 3:20 en hoofddoeken, beenkettinkjes en linten, parfumdozen en amuletten, JES 3:21 vingerringen en neusringen, JES 3:22 rijke kleren, mantels en overgooiers, tasjes JES 3:23 en spiegeltjes, fijn linnen, mutsen en sjaals. JES 3:24 Stank zal er zijn in plaats van parfum, een touw in plaats van een gordel, kale hoofden in plaats van mooie vlechten, een rouwkleed in plaats van fijne gewaden, een brandmerk in plaats van schoonheid. JES 3:25 Uw mannen zullen vallen door het zwaard, uw keurtroepen in de oorlog.' JES 3:26 Dan klagen en rouwen Sions poorten, vereenzaamd zit zij op de grond. JES 4:1 Op die dag zullen zeven vrouwen een man vastgrijpen en zeggen: `Wij zullen ons eigen brood wel eten, onze eigen kleren trekken wij wel aan, als wij maar uw naam mogen dragen: neem zo de schade van ons weg.' JES 4:2 Op die dag zal datgene wat Jahwe doet ontluiken een luisterrijk sieraad zijn, zal de vrucht van het land een heerlijke tooi zijn voor de overlevenden van Israël. JES 4:3 Wie tot de rest van Sion behoort, wie in Jeruzalem gespaard bleef, wordt dan heilig genoemd: allen die in Jeruzalem ten leven staan opgeschreven. JES 4:4 Wanneer Jahwe de drek van Sions dochters heeft weggewist en het bloed van Jeruzalem heeft weggespoeld in een storm van oordeel en een storm van verwoesting, JES 4:5 dan schept Jahwe boven heel het domein van de berg Sion en boven degenen die er vergaderd zijn een wolk bij dag, en rook met glans van vlammend vuur bij nacht. Ja, op alles zal de heerlijkheid rusten als een baldakijn, JES 4:6 als een tent die schaduw biedt tegen de hitte overdag en beschutting tegen stortbuien en regen. JES 5:1 Ik wil zingen van mijn vriend, het lied van mijn vriend en zijn wijngaard. Mijn vriend had een wijngaard op een vruchtbare helling. JES 5:2 Hij spitte hem om, verwijderde de stenen, en beplantte hem met edelwingerd. Hij bouwde er een wachttoren en kapte er ook een wijnpers uit. Nu verwachtte hij dat hij druiven zou dragen, maar hij bracht slechts wilde bessen voort. JES 5:3 Welnu, bewoners van Jeruzalem, mannen van Juda, doet uitspraak tussen Mij en mijn wijngaard. JES 5:4 Wat kon Ik nog voor mijn wijngaard doen dat Ik niet heb gedaan? Waarom bracht hij slechts wilde bessen voort, waar Ik verwachtte dat hij druiven zou dragen? JES 5:5 Welnu, Ik zal u vertellen wat Ik met mijn wijngaard ga doen. Zijn omheining neem Ik weg, zodat hij kaal wordt gevreten; zijn muren verniel Ik, zodat hij vertrapt wordt. JES 5:6 Een wildernis maak Ik ervan, hij wordt gesnoeid noch gewied, distels en doornen groeien er hoog, en de wolken verbied Ik hem met regen te besproeien. JES 5:7 Ja, de wijngaard van Jahwe van de machten is Israëls huis, zijn bevoorrechte planten zijn de mensen van Juda. Hij hoopte op recht maar Hij zag onrecht, Hij zag geen betrachting van recht, maar verkrachting van recht. JES 5:8 Wee u die huis na huis opkoopt, die akker bij akker trekt tot er geen plaats meer overblijft, en gij alleen nog bezittingen hebt in het land. JES 5:9 In mijn oren klinkt de eed van Jahwe der legerscharen: `Die talrijke huizen vallen in puin, ook de mooiste en grootste staan leeg en verlaten. JES 5:10 Een wijngaard van tien morgen levert slechts een bat op, en een ezelslast zaad slechts een efa koren.' JES 5:11 Wee hen die van 's morgens vroeg reeds op zoek gaan naar sterke drank, en die tot laat in de avond zich verhitten met wijn. JES 5:12 Zij houden maar drinkgelagen bij citer en harp, bij fluit en tamboerijn, maar op Jahwe's daden letten zij niet, het werk van zijn daden bespeuren zij niet. JES 5:13 Daarom gaat mijn volk in ballingschap, voordat zij het vermoeden; de edelen vergaan van honger, de massa versmacht van dorst. JES 5:14 Daarom opent het dodenrijk zijn keel, spert het zijn muil mateloos open; luister en gewoel verzinken erin, hun gonzende leven en luidruchtige vreugde. JES 5:15 Dan wordt de mens vernederd, een ieder neergeslagen, de verwaten ogen der mensen worden neergeslagen. JES 5:16 Maar Jahwe van de legerscharen wordt groot in zijn oordeel, in zijn gerechtigheid toont de heilige God zijn heiligheid. JES 5:17 Lammeren grazen dan de puinen als hun weide af en voorbijtrekkende herders voeden zich van de ruïnes waar eens vette dieren leefden. JES 5:18 Wee hen die de straf naar zich toetrekken met schapekoorden en als met ossetouwen de vergelding, JES 5:19 die durven zeggen: `Laat Hij zich haasten en spoed zetten achter zijn werk, zodat wij het zien; laat het raadsbesluit van Israëls Heilige maar komen en worden uitgevoerd, dan weten wij bescheid.' JES 5:20 Wee hen die het kwade goed noemen en het goede kwaad, die van het duister licht maken en van het licht duisternis, van bitter zoet en van zoet bitter. JES 5:21 Wee hen die wijs zijn in eigen ogen, en verstandig naar hun eigen mening. JES 5:22 Wee die helden in het drinken van wijn, zo dapper in het mengen van dranken, JES 5:23 die voor een geschenk de schuldige in het gelijk stellen en de rechtvaardige van zijn recht beroven. JES 5:24 Daarom zal, zoals lekkend vuur het kaf verteert en het stro in de vlammen bezwijkt, hun wortel vergaan en hun bloesem verstuiven als stof, omdat zij het onderricht hebben veracht van Jahwe der legerscharen, omdat zij het woord hebben verworpen van de Heilige van Israël. JES 5:25 Daarom is Jahwe tegen zijn volk in toorn ontstoken, Hij heeft de hand opgeheven en slaat toe, zodat de bergen schudden. De lijken liggen als vuil op de straten en nog bedaart zijn woede niet, zijn hand blijft opgeheven. JES 5:26 Hij geeft een signaal aan een verre natie, Hij fluit ze bijeen van het uiteinde der aarde: daar komen zij vlug en gezwind. JES 5:27 Geen die vermoeid is of wankelt, niemand die dommelt of slaapt, geen gordel raakt los, geen schoenriem breekt. JES 5:28 De pijlen zijn gescherpt, bogen gespannen, de hoeven van hun paarden zijn als vuursteen, de wielen van hun wagens als een wervelwind. JES 5:29 Zij brullen als de leeuwin, zij brullen als jonge leeuwen, grommend grijpen zij hun prooi en slepen die weg, niemand kan haar meer redden. JES 5:30 Gebrul als van de zee breekt op die dag over hen los. Wie het land overschouwt ziet alleen benauwende duisternis en het licht is door wolken verduisterd. JES 6:1 In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Heer, gezeten op een hoge en verheven troon. De sleep van zijn mantel vulde heel de tempel. JES 6:2 Serafs stonden boven Hem opgesteld, elk met zes vleugels: twee om het gelaat te bedekken, twee om de voeten te bedekken, twee om te vliegen. JES 6:3 Zij riepen elkaar toe: `Heilig, heilig, heilig is Jahwe van de machten; al wat de aarde vult is zijn heerlijkheid.' JES 6:4 De deurpinnen in de dorpels schudden van het luid geroep en de tempel stond vol rook. JES 6:5 Ik zei: `Wee mij! Ik ben verloren! Ik ben een mens met onreine lippen, ik woon onder een volk met onreine lippen en ik heb met eigen ogen de Koning, Jahwe van de machten gezien!' JES 6:6 Maar een van de serafs vloog op mij toe met een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar had genomen, JES 6:7 hij raakte er mijn mond mee aan en sprak: `Zie, nu zij uw lippen heeft aangeraakt, is uw zonde verdwenen, en uw schuld bedekt.' JES 6:8 Daarop hoorde ik de stem van de Heer: `Wie zal Ik zenden, wie zal gaan in onze naam?' Ik antwoordde: `Hier ben ik, zend mij. JES 6:9 Toen zei Hij: `Ga dan en zeg tot dit volk: Luister maar, gij zult het toch niet begrijpen, kijk maar scherp toe, gij zult het niet vatten. JES 6:10 Verhard de geest van dit volk, maak zijn oren doof, strijk zijn ogen dicht, opdat het met zijn ogen niet ziet, met zijn oren niet hoort, opdat zijn geest niet begrijpt, opdat het zich niet bekeert, en geen genezing vindt.' JES 6:11 Ik zei: `Hoelang, Heer?' Hij antwoordde: `Totdat de steden in puin liggen, geheel ontvolkt, de huizen zonder bewoners zijn en het bouwland geteisterd is, een woestenij is geworden, JES 6:12 totdat Jahwe de mensen ver heeft weggevoerd, en alom verlatenheid heerst in dit land. JES 6:13 En blijft er nog een tiende deel over, dan is ook dat bestemd om verdelgd te worden, zoals bij een terebint en eik: worden die geveld, dan rest slechts een stronk. Een heilig zaad, die stronk!' JES 7:1 In de tijd dat Achaz, de zoon van Jotam, de zoon van Uzzia, koning van Juda was, trokken Resin, de koning van Aram, en Pekach, de zoon van Remaljahu en koning van Israël, tegen Jeruzalem ten strijde. Zij konden het evenwel niet innemen. JES 7:2 Er werd gemeld aan het huis van David: `De Arameeërs hebben zich in Efraïm gelegerd.' Toen beefden het hart van de koning en het hart van het volk, zoals de bomen in het woud beven onder de wind. JES 7:3 Maar Jahwe zei tot Jesaja: `Ga Achaz tegemoet, gij en uw zoon Rest terug, op de weg naar het Vollersveld, naar het einde van de waterleiding van de bovenste vijver. JES 7:4 Zeg hem: Bedwing u! Blijf rustig, vrees niet, laat u niet van streek brengen door die twee rokende houtstompen, door de vlammende toorn van Resin van Aram, en van de zoon van Remaljahu. JES 7:5 Laat Aram, Efraïm en de zoon van Remaljahu maar plannen smeden en zeggen: JES 7:6 Wij rukken op tegen Juda, om het uit elkaar te scheuren en te overmeesteren en wij stellen er de zoon van Tabeel tot koning aan. JES 7:7 Dit zegt Jahwe de Heer: Dat bestaat niet, dat gebeurt niet! JES 7:8 Zowaar als de hoofdstad van Aram slechts Damascus is, en het hoofd van Damascus slechts Resin, JES 7:9 zowaar als de hoofdstad van Efraïm slechts Samaria is, en het hoofd van Samaria de zoon van Remaljahu over vijfenzestig jaar is Efraïm als volk verdelgd , Als gij niet standvastig gelooft, dan houdt gij geen stand!' JES 7:10 Ook dit liet Jahwe tot Achaz zeggen: JES 7:11 `Vraag Jahwe, uwe God, om een teken, hetzij uit de diepte van de onderwereld of uit de hoogte daarboven.' JES 7:12 Maar Achaz antwoordde: `Dat doe ik niet, ik stel Jahwe niet op de proef.' JES 7:13 Toen zei de profeet: `Luister, huis van David! Is het u niet genoeg mensen te tergen, dat gij ook nog mijn God moet tergen? JES 7:14 Daarom geeft de Heer zelf u een teken: Zie de jonge vrouw is zwanger, en zal een zoon ter wereld brengen, en gij zult hem de naam Immanuël geven. JES 7:15 Boter en honing zal hij eten, totdat hij het kwade weet te verwerpen en het goede te kiezen. JES 7:16 Want voordat de knaap het kwade weet te verwerpen en het goede te kiezen, is het land van de beide koningen, die u zulk een angst aanjagen, ontvolkt. JES 7:17 Jahwe zal voor u en uw volk, en voor het huis van uw vader een tijd doen aanbreken, zoals er nooit een geweest is, sinds de dag dat Efraïm zich van Juda heeft afgescheiden: de koning van Assur.' JES 7:18 Op die dag geeft jahwe een fluitsignaal voor de vliegen aan de verste kanalen van Egypte en voor de bijen in Assur. JES 7:19 Allen te zamen komen zij neergestreken in de kloven der dalen en de spleten der rotsen, op alle doornstruiken en bij alle drinkplaatsen. JES 7:20 Op die dag huurt Jahwe een scheermes aan de overzijde van de Eufraat de koning van Assur, en scheert u het haar af, van kop tot teen, ook de baard neemt Hij weg. JES 7:21 Op die dag houdt een man een vaars en een paar geiten JES 7:22 en dank zij de overvloed aan melk die ze geven zal hij boter eten, want boter en honing zal ieder eten die in het land is overgebleven. JES 7:23 Op die dag zal ieder stuk grond, beplant met duizend wijnstokken en duizend zilverstukken waard, ten prooi vallen aan de distels en de doornen. JES 7:24 Slechts met pijl en boog dringt men er binnen, want het land zal een en al distels en doornen zijn. JES 7:25 En al het bergland dat vroeger met de hak werd bewerkt, men komt er niet meer uit vrees voor de distels en de doornen; men drijft er het rundvee in en de schapen lopen het plat. JES 8:1 Jahwe zei tot mij: `Neem een groot schrijftablet en schrijf daarop in gewoon schrift: Spoedig roof buit nabij.' JES 8:2 En ik nam als betrouwbare getuigen Uria de priester en Zekarja de zoon van Jeberekjahu. JES 8:3 Daarop had ik gemeenschap met de profetes' zij werd zwanger en bracht een zoon ter wereld. En Jahwe zei: `Noem hem Spoedig roof buit nabij. JES 8:4 Want voordat de knaap vader en moeder kan zeggen, wordt de rijkdom van Damascus en de buit van Samaria voor de koning van Assur gebracht.' JES 8:5 Verder zei Jahwe nog tot mij: JES 8:6 Omdat dit volk het rustig vloeiend water van Siloach versmaadt en bang is voor Resin en voor de zoon van Remaljahu; JES 8:7 daarom ontketent de Heer tegen hen de grote en geweldige wateren van de Eufraat, de koning van Assur met al zijn macht. Zij treden buiten heel hun bedding, stromen over al hun oevers heen, JES 8:8 zij dringen Juda binnen en overspoelen steeds verder het land, weldra reiken zij tot aan de nek. En als wijdgespreide vleugels bedekken zij uw land zo breed als het is, o Immanuël! JES 8:9 Heft uw krijgsgeschreeuw maar aan: gij raakt toch in paniek; luistert aandachtig, alle uithoeken der aarde! Omgordt u maar: gij raakt in paniek, omgordt u maar: gij raakt toch in paniek! JES 8:10 Smeedt maar plannen, zij worden verijdeld; sluit maar overeenkomsten, er komt niets van terecht; want God is met ons! JES 8:11 Zo heeft Jahwe tot mij gesproken toen Hij mij bij de hand greep en mij ervoor waarschuwde, de weg van dit volk te gaan: JES 8:12 Noem niet samenzwering wat dit volk samenzwering noemt; vrees niet wat zij vrezen en wees daarvoor niet beducht. JES 8:13 Jahwe van de legerscharen moet gij als heilig beschouwen, alleen voor Hem moet gij vrezen en beducht zijn. JES 8:14 Hij zal een heiligdom voor u zijn, voor beide huizen van Israël, een steen waaraan men zich stoot, een rotsblok waarover men struikelt, een net en een valstrik voor de bewoners van Jeruzalem. JES 8:15 Velen zullen struikelen; zij zullen vallen en zich verwonden, of in de strik gevangen worden. JES 8:16 Ik wil dit getuigenis zorgvuldig bewaren en dit onderricht in mijn leerlingen verzegelen. JES 8:17 Ik wacht vertrouwen op Jahwe die nu zijn gelaat verbergt voor het huis van jakob: op Hem blijf ik hopen! JES 8:18 Ik en de kinderen die Jahwe mij gegeven heeft, wij zijn tekens en zinnebeelden in Israël vanwege Jahwe van de legerscharen, die op de berg Sion woont. JES 8:19 En als zij u zeggen: `Ondervraagt de geesten der doden en de waarzeggers die lispelen en prevelen; een volk raadpleegt toch zijn goden en zijn doden ten behoeve van de levenden': JES 8:20 houdt gij u dan aan het onderricht en het getuigenis! Wee als men niet spreekt volgens dit woord, waartegen geen bezwering baat: JES 8:21 daardoor zwerft men uitgeput en hongerig rond, en verbitterd door de honger, vervloekt men zijn koning en zijn God. En kijkt men naar omhoog JES 8:22 of staart men naar de grond, dan is er overal benauwenis en donkerte, nacht en benardheid, verregaande duisternis. JES 8:23 Ja, er is geen ontkomen aan voor hem die erdoor omsloten wordt. In het verleden heeft God smaad gebracht over het land van Zebulon en over het land van Naftali, maar in de toekomst brengt Hij de Weg naar de Zee tot bloei, het Overjordaanse, en het Gewest van de heidenen. JES 9:1 Het volk dat ronddwaalt in het donker, ziet dan een helder licht, over hen die wonen in een land vol duisternis gaat dan een stralend licht op. JES 9:2 Uitbundig laat Gij hen juichen en overstelpt hen met vreugde; zij verheugen zich voor uw aanschijn zoals er vreugde is bij de oogst en gejuich bij het verdelen van de buit. JES 9:3 Want het drukkende juk, de stang op hun schouders, de stok van de drijver, Gij breekt ze stuk als op de dag van Midjan. JES 9:4 Want alle dreunend stampende laarzen en met bloed doordrenkte mantels worden verbrand en verteerd door het vuur. JES 9:5 Want een kind wordt ons geboren, een zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouders; men noemt hem: Wonder van beleid, Sterke God, Vader voor eeuwig, Vredevorst. JES 9:6 Groot is de macht en eindeloos de vrede voor de troon van David, voor zijn koninkrijk; hij zal het stichten en stutten door recht en gerechtigheid van nu af en voor altijd. De ijverzuchtige liefde van Jahwe der legerscharen zal dit bewerken. JES 9:7 De Heer richt zich tegen Jakob, zijn woord komt op Israël neer. JES 9:8 Het gehele volk van Efraïm en de bewoners van Samaria zullen het ondervinden, zij die in hun hoogmoed en de trots van hun hart beweerden: JES 9:9 `De bakstenen muren zijn ingestort, wij herbouwen met hardsteen; de vijgebomen zijn geveld, we zetten er ceders voor in de plaats.' JES 9:10 Maar Jahwe geeft hun tegenstanders macht, Hij brengt hun vijanden tegen hen in het veld: JES 9:11 de Arameeërs in het oosten en de Filistijnen in het westen, zij verslinden Israël met volle mond. En nog bedaart zijn gramschap niet, zijn hand blijft opgeheven. JES 9:12 Maar het volk bekeert zich niet tot Hem die het slaat, Jahwe van de legerscharen zoeken zij niet. JES 9:13 Daarom snijdt Jahwe in Israël kop en staart af, palm en riet, op een enkele dag. JES 9:14 De kop, dat zijn de oudsten en aanzienlijken, de staart, de profeten die leugens verkondigen. JES 9:15 De leiders van dit volk doen het verdwalen en die geleid moesten worden, raken in verwarring. JES 9:16 Daarom spaart de Heer de jonge mannen niet en heeft Hij geen medelijden met weduwen en wezen. Het hele volk is godvergeten en boos, iedere mond kraamt goddeloze taal uit. En nog bedaart zijn gramschap niet, zijn hand blijft opgeheven. JES 9:17 Ja, de boosheid brandt als een vuur, dat distels en doornen verteert, dat het struikgewas van het woud aansteekt en in rookwolken doet opgaan. JES 9:18 De toorn van Jahwe der legerscharen verschroeit het land, het volk wordt de prooi van de vlammen. Niemand spaart zijn medemens: JES 9:19 men bijt naar rechts en blijft toch hongerig; men hapt naar links en wordt niet verzadigd. Ieder verslindt het vlees van zijn eigen verwanten. JES 9:20 Manasse verslindt Efraïm en Efraïm Manasse, en samen keren zij zich tegen Juda. En nog bedaart zijn gramschap niet, zijn hand blijft opgeheven. JES 10:1 Wee hen die onrechtvaardige wetten uitvaardigen, die de verdrukking wettelijk bekrachtigen, JES 10:2 en zo de armen uit hun rechten ontzetten, en geringen van mijn volk onthouden wat hun toekomt, de weduwen plunderen en de wezen uitbuiten. JES 10:3 Wat zult gij doen op de dag van de afrekening, als de storm uit de verte komt opzetten? Tot wie zult gij dan vluchten om hulp, waar zult gij dan uw schatten laten? JES 10:4 Als gevangene zult gij uw rug buigen of vallen als slachtoffer in de strijd. En nog bedaart zijn gramschap niet, zijn hand blijft opgeheven. JES 10:5 Wee Assur, de roede van mijn gramschap, de stok die Ik in mijn woede hanteer. JES 10:6 Ik had hem ontboden tegen een goddeloos land, hem gezonden naar een volk dat mijn toorn opwekte, om er te plunderen en te roven, om het als straatvuil te vertrappen. JES 10:7 Hij echter bedoelde het anders, en had andere plannen in zijn hart: zijn hart was erop uit te verdelgen en talloze volken uit te roeien. JES 10:8 Hij zei: `Zijn mijn bevelhebbers niet allen aan koningen gelijk? JES 10:9 Is het Kalno niet vergaan als Karkemis, en Hamat als Arpad, en Samaria als Damascus? JES 10:10 Ik heb immers ook de hand gelegd op koninkrijken met afgodenbeelden, groter in aantal, dan die van Jeruzalem of Samaria.' JES 10:11 Ik heb ook afgerekend met Samaria en zijn afgoden, zou Ik zo ook niet kunnen doen met Jeruzalem en al zijn beelden? JES 10:12 Zodra de Heer zijn werk op de Sion en in Jeruzalem voltooid heeft, rekent Hij af met de vrucht van het trotse hart van Assurs koning, met de laatste vrucht van zijn trotse ogen! JES 10:13 Assur zei: `Door eigen kracht heb ik dat alles bewerkt, door eigen wijsheid, want verstandig ben ik. Grenzen van volken heb ik verlegd, rijkdommen weggesleept, en vorsten met geweld van hun troon gestoten. JES 10:14 Mijn hand nam de rijkdom van de volken in beslag alsof het een vogelnestje was en zoals men verlaten eieren vergaart, zo gaarde ik heel de aarde bijeen. Niet een verroerde een vleugel of opende zijn snavel om te piepen.' JES 10:15 Pocht een bijl soms tegen hem die ermee hakt, of verheft zich een zaag tegen hem die ze hanteert? Alsof een scepter diegene regeert die hem voert, of een stok hem die geen hout is, omhoog heft! JES 10:16 Daarom laat de Heer, Jahwe van de legerscharen, zijn vet wegteren en de koorts in zijn ingewanden branden, als een gloeiend vuur. JES 10:17 Het licht van Israël wordt een vlam, de Heilige van Israël een vuur, dat in een dag zijn distels en doornen verbrandt en verteert, JES 10:18 en de pracht van zijn wouden en wijngaarden vernietigt met al wat er leeft. Hij zal zijn als een zieke die wegteert. JES 10:19 Zelfs een kind zal het getal kunnen opschrijven van wat er in zijn woud nog aan bomen rest. JES 10:20 Op die dag zal de rest van Israël, wat er van Jakobs huis ontkomen is, niet langer steunen op degene door wie het werd geslagen, maar in oprechtheid steunen op Jahwe, de Heilige van Israël. JES 10:21 Een rest zal terugkeren: de rest van Jakob, tot de sterke God. JES 10:22 Al is uw volk als het zand aan de zee, Israël, alleen een rest zal terugkeren. De verdelging staat vast: een onweerstaanbare doorbraak van gerechtigheid. JES 10:23 Ja, een onherroepelijke verdelging wordt door de Heer, Jahwe van de machten, voltrokken in het hele land. JES 10:24 Daarom zegt de Heer, Jahwe van de legerscharen: Mijn volk, dat op de Sion woont, wees niet bang voor Assur, als hij u met de stok slaat, als hij zijn staf tegen u opheft zoals Egypte eens deed. JES 10:25 Want nog een korte, zeer korte tijd en mijn woede is voorbij; dan gaat mijn gramschap hen wegvagen, wend Ik mijn toorn van u af; dan richt Ik mij tegen hem om hem te vernietigen. JES 10:26 Dan striemt Jahwe van de legerscharen hem met de gesel, zoals Hij eens Midjan heeft geslagen bij de rots van Oreb, zwaait Hij zijn staf hoog tegen de zee, zoals eens in Egypte. JES 10:27 Op die dag glijdt de last van Assur van uw schouders en wordt uw nek van dat juk bevrijd. Zij komen aanrukken uit de richting van Rimmon, JES 10:28 overvallen Ajjat, trekken door Migron, in Mikmas legeren zij de tros. JES 10:29 Zij trekken de bergpas over, overnachten in Geba. Rama beeft, Gibea van Saul slaat op de vlucht. JES 10:30 Gil het uit, Bat gallim, luister, Lais, geef antwoord, Anatot! JES 10:31 Madmena neemt de vlucht, de inwoners van Gebim stuiven weg. JES 10:32 Vandaag nog staat de vijand in Nob, hij balt zijn vuist al tegen de berg Sion, tegen de heuvel van Jeruzalem. JES 10:33 Met vreselijk geweld houwt de Heer, Jahwe van de legerscharen, de loverkroon af: ook de trotse reuzen worden geveld, ook de hoogste worden kleingemaakt. JES 10:34 Het struikgewas in het bos wordt met de bijl neergeslagen; de Libanon word door een Machtige kleingemaakt. JES 11:1 Een twijg ontspruit aan de stronk van Isaï, een telg ontbloeit aan zijn wortel. JES 11:2 De geest van Jahwe rust op hem, een geest van wijsheid en inzicht, een geest van beleid en sterkte, een geest van kennis en ontzag voor Jahwe. JES 11:3 hij ademt ontzag voor Jahwe. Niet naar uiterlijke schijn spreekt hij recht en hij doet geen uitspraak op grond van loze geruchten; JES 11:4 hij geeft de geringen hun recht en de armen in het land krijgen een eerlijk vonnis. Hij kastijdt de verdrukkers met de roede van zijn mond en de bozen doodt hij met de adem van zijn lippen. JES 11:5 Gerechtigheid draagt hij als een gordel om zijn lenden, en trouw als een gordel om zijn heupen. JES 11:6 De wolf en het lam wonen samen, de panter vlijt zich neer naast het bokje, het kalf en de leeuw weiden samen: een kleine jongen kan ze hoeden. JES 11:7 De koe en de berin sluiten vriendschap, hun jongen liggen bijeen. De leeuw eet haksel als het rund, JES 11:8 de zuigeling speelt bij het hol van de adder, het kind strekt zijn hand uit naar het nest van de slang. JES 11:9 Niemand doet nog kwaad of handelt nog verderfelijk op heel mijn heilige berg; want de kennis van Jahwe vervult het hele land, zoals het water heel de bodem van de zee bedekt. JES 11:10 Op die dag staat de wortel van Isai als een banier voor de volken opgericht: de volken zoeken hem op, en zijn woonplaats zal luisterrijk zijn. JES 11:11 Op die dag strekt de Heer opnieuw zijn hand uit, om de rest van zijn volk vrij te kopen, wat er overbleef, uit Assur en Egypte, uit Patros en Kus, uit Elam en Sinear, uit Hamat en van de eilanden der zee. JES 11:12 Hij geeft een signaal aan de volken, Israëls verdreven brengt Hij bijeen en het verstrooide Juda verzamelt Hij van de vier uithoeken der aarde. JES 11:13 Dan verdwijnt de jaloersheid van Efraïm en komt er een eind aan de verdrukking van Juda. Dan is Efraïm niet meer afgunstig op Juda en wordt Juda's vijandschap gedelgd. JES 11:14 Samen strijken zij neer op de flank der Filistijnen aan de zee en plunderen zij de zonen van het oosten; over Edom en Moab strekken zij hun macht uit, en de Ammonieten worden hun onderhorig. JES 11:15 Dan splijt Jahwe de golf van de zee van Egypte, in zijn bloeiende toorn heft Hij de hand op tegen de Rivier en slaat hem uiteen in zeven beken, zodat men er met schoenen aan doorheen trekt. JES 11:16 Zo wordt er een weg gebaand voor de rest van mijn volk dat in Assur is achtergebleven, zoals eens voor Israël, toen het wegtrok uit Egypte. JES 12:1 Op die dag zult gij zeggen: Ik loof u, Jahwe; Gij waart toornig op mij, maar uw toorn is bedaard en Gij hebt mij getroost. JES 12:2 Ja, God is mijn redding, ik vrees niet, ik ben vol vertrouwen: Jahwe is mijn sterkte en kracht, Hij is mijn redding geworden. JES 12:3 En gij zult vol vreugde water putten uit de bronnen der redding. JES 12:4 Op die dag zult gij zeggen: Looft jahwe, roept zijn naam uit, maakt onder de volken zijn daden bekend, verkondigt zijn hoog verheven naam. JES 12:5 Zingt Jahwe lof, want Hij deed grootse dingen, laat het bekend zijn over heel de aarde! JES 12:6 Juicht en jubelt, bewoners van Sion: Israëls Heilige is groot in uw midden! JES 13:1 Uitspraak tegen Babel die Jesaja, de zoon van Amos, in een visioen heeft geschouwd: JES 13:2 Hijst de banier op een kale bergtop, roept op tot de strijd; wenkt met de hand dat zij oprukken naar de poorten der edelen. JES 13:3 Ik heb mijn heilige troepen bevel gegeven, mijn helden, die trots zijn op mijn grootheid, luidkeels opgeroepen om mijn toorn te voltrekken. JES 13:4 Hoort het gedreun op de bergen, het gedreun van een ontelbaar leger, hoort het geraas van de koninkrijken, van de verbonden naties: Jahwe van de machten monstert zijn legers. JES 13:5 Vanuit een ver land, vanuit de veste plaats onder de hemel rukken zij aan, Jahwe en de wapens van zijn toorn: zij komen het hele land verwoesten. JES 13:6 Heft een klaaglied aan, want de dag van Jahwe is nabij, hij komt als een verwoesting door de Machtige. JES 13:7 Daarom laat ieder zijn handen slap hangen, ontzinkt de mensen alle moed. JES 13:8 Allen zijn zij van streek, krampen en pijnen grijpen hen aan, zij kronkelen als een vrouw in haar weeën. Verbijsterd staren zij elkander aan, hun gezichten gloeien als vuur. JES 13:9 Daar komt de dag van jahwe, ongenadig, een en al grimmigheid en vlammende gramschap, waarop Hij dit land verandert in een woestenij en er de zondaars verdelgt. JES 13:10 De sterren en planeten aan de hemel geven geen licht meer; de zon is reeds bij haar opgaan verduisterd, de maan laat haar licht niet meer schijnen. JES 13:11 Ik straf de wereld om haar boosheid, de zondaars om hun misdaden. Ik maak een eind aan de trots der hooghartigen en de hoogmoed der geweldenaars sla Ik neer. JES 13:12 Ik maak mensen schaarser dan goud, zeldzamer dan het zuivere goud uit Ofir. JES 13:13 Daartoe doe Ik de hemel wankelen, de aarde geraakt van haar plaats, op de dag dat Jahwe van de legerscharen zijn woede loslaat, de dag van zijn vlammende gramschap. JES 13:14 Opgejaagd als gazellen, als schapen die niemand bijeenhoudt, keert iedereen terug naar zijn eigen volk en vlucht naar zijn eigen land. JES 13:15 Wie ontdekt wordt, wordt afgemaakt, wie gegrepen wordt, komt om door het zwaard. JES 13:16 Hun kinderen worden voor hun ogen verpletterd, hun huizen geplunderd, hun vrouwen onteerd. JES 13:17 De Meden hits Ik tegen hen op, die hechten geen waarde aan zilver en laten zich niet verleiden door goud. JES 13:18 Met hun boog doden zij jonge mannen, pasgeborenen sparen zij niet, zij ontzien geen kinderen. JES 13:19 Babel, de parel van alle koninkrijken, het sieraad en de trots van de Chaldeeën, ondergaat het lot van Sodom en Gomorra, die door God zijn verwoest. JES 13:20 Voor altijd blijft het onbewoond, ontvolkt van geslacht of geslacht. Geen Arabier slaat er zijn tent op, geen herder laat er zijn kudde rusten. JES 13:21 De dieren van de woestijn hebben er hun rustplaats, de huizen zitten vol uilen, struisvogels wonen er en saters dansen er in het rond. JES 13:22 Hyena's huilen er in de burchten, jakhalzen in de weelderige paleizen. het uur van Babel heeft geslagen, zijn dagen zijn geteld! JES 14:1 Maar over Jakob zal Jahwe zich ontfermen, het volk van Israël blijft zijn uitverkorene. Hij brengt hen weer naar hun eigen grond, vreemdelingen voegen zich bij hen en sluiten zich bij het huis van Jakob aan. JES 14:2 Volken brengen hem terug naar hun woonplaats: op het grondgebied van Jahwe worden zij het bezit van het huis van Israël, als slaven en slavinnen. De volken die hen gevangen hebben genomen, nemen zij nu gevangen en zij beheersen hun vroegere verdrukkers. JES 14:3 En wanneer Jahwe u rust verleent na al uw lijden, uw beproevingen en de harde slavernij die u werd opgelegd, JES 14:4 zult gij dit spotlied zingen over de koning van Babel: Gedaan is het nu met de verdrukker, gedaan met zijn dwingelandij! JES 14:5 De scepter van de bozen heeft Jahwe gebroken, de staf van de heersers, JES 14:6 waarmee zij zonder ophouden woedend op de volken insloegen, hen grimmig vertrapten en meedogenloos vervolgden. JES 14:7 De hele aarde is nu rustig en veilig, de mensen juichen van vreugde. JES 14:8 Ook de cypressen en de ceders van de Libanon roepen blij uit: `Sinds gij neerligt, komt er niemand meer om ons te vellen.' JES 14:9 Het dodenrijk beneden is druk in de weer om u te ontvangen. De schimmen, al de machtigen der aarde, worden voor uw gewekt. De koningen der volken moeten opstaan van hun troon. JES 14:10 Zij allen verwelkomen u met de woorden: `Nu zijt gij even machteloos als wij en aan ons gelijk. JES 14:11 Met al uw praal, uw ruisende citers, hebt gij naar het dodenrijk moeten afdalen, wormen zijn onder uw gespreid, maden zijn uw dek. JES 14:12 Hoe zijt gij uit de hemel neergestort, Morgenster, zoon van de dageraad! Daar ligt gij neergesmakt in de onderwereld, overwinnaar der volken! JES 14:13 Gij hebt bij uzelf gedacht: Ik klim naar de hemel, hoog boven Gods sterren plaats ik mijn troon; zetelen zal ik op de berg waar de goden samenkomen, op de hoogste toppen van de Safon. JES 14:14 Ik stijg hoog op de wolken, en word aan de Allerhoogste gelijk. JES 14:15 Maar nu zijt gij in het dodenrijk geworpen, in het diepst van de afgrond.' JES 14:16 Wie u ziet, staart u aan en volgt u met aandacht: `Is dat nu de man voor wie de aarde beefde en alle koninkrijken sidderden, JES 14:17 die de aarde veranderde in een woestijn en alle steden verwoestte, die nooit een gevangene naar huis liet teruggaan? JES 14:18 De koningen van de andere volken rusten vol eer in hun eigen graf. JES 14:19 Maar u hebben zij weggesmeten, ver weg van uw graf, een waardeloos geachte twijg; u hebben zij bedolven onder de lijken van mensen, gedood met het zwaard, die naar de stenen van de kuil zijn neergezonken, als een kadaver in een hoek getrapt. JES 14:20 Gij wordt met hen niet in een graf verenigd, omdat gij uw eigen land te gronde hebt gericht en uw eigen volk uitgemoord. En van het nageslacht van zulke schurken zal niemand meer spreken! JES 14:21 Maakt voor zijn zonen de slachtbank gereed om hen voor de schuld van hun vaderen te straffen; zij zullen niet opstaan om de wereld te veroveren en geen steden meer bouwen over de hele aarde. JES 14:22 Ik sta tegen hen op - godsspraak van Jahwe van de machten -, naam en rest van Babel roei Ik uit, met wortel en tak - zo luidt de godsspraak van Jahwe. JES 14:23 Babel maak Ik tot een domein voor wilde zwijnen, een grote waterpoel; Ik bezem het weg met de bezem van de vernieling - zo luidt de godsspraak van Jahwe der legerscharen. JES 14:24 Jahwe van de machten heeft gezworen: Wat Ik bedacht heb, zal gebeuren, wat Ik besloten heb, wordt uitgevoerd. JES 14:25 Assur ga Ik breken in mijn land, Ik verpletter het op mijn bergen; dan wordt zijn juk van mijn volk weggenomen en glijdt die last van hun schouders. JES 14:26 Dit is het besluit, besloten over heel de aarde, dit is de hand, over alle volken uitgestrekt. JES 14:27 Als jahwe van de machten een besluit neemt, wie zal het verijdelen? Als Hij zijn hand uitstrekt, wie trekt haar dan terug? JES 14:28 In het sterfjaar van koning Achaz geschiedde deze uitspraak: JES 14:29 Verheug u maar niet, Filistea, omdat de stok die u sloeg gebroken is; want de slang wordt een wortel waaruit een adder voortkomt en haar vrucht wordt weer een draak met vleugels. JES 14:30 De armen van mijn volk zullen weiden in mijn beemden, de geringen zullen zich ongestoord neervlijen; maar uw wortel doe Ik sterven van de honger, en wat er van u rest, dat roei Ik uit! JES 14:31 Weeklagen moet gij, poort, jammeren moet gij, stad! Sidder, Filistea, heel en al, want uit het noorden! nadert een rokende wolk, en er is daar niemand, die de gelederen verlaat. JES 14:32 Wat antwoorden wij de gezangen van dat volk? Dat Jahwe de grondvesten van Sion heeft gelegd, en dat de armen van zijn volk daar geborgen zijn. JES 15:1 Uitspraak over Moab. In de nacht dat Ar werd verwoest, ging Moab ten onder; in de nacht dat Kir werd verwoest, ging Moab ten onder! JES 15:2 Men trekt op naar Bet en Dibon, om op de hoogten te rouwen. Op de Nebo en in Medeba barst Moab in jammerklachten uit! Alle hoofden zijn kaal, alle baar den zijn weggeschoren. JES 15:3 Op de straten ziet men iedereen in rouwkleren gehuld, op daken en pleinen weeklaagt iedereen, in tranen neergezegen. JES 15:4 Chesbon en Elale schreeuwen het uit: tot in Jahas hoort men ze roepen. Daarom schokken de lendenen van Moab en is zijn geest ontdaan. JES 15:5 Mijn hart schreit om Moab: de bewoners vluchten tot in Soar en Eglat selisia, schreiend trekken zij door de pas van Luchit, op de weg naar Choronaim weerklinkt hun noodgeschrei. JES 15:6 De wateren van Nimrim verkeren in een woestenij, het gras verdwijnt, geen groen is er nog over. JES 15:7 Daarom wordt al wat is vergaard en opgespaard, over de Wilgenbeek in veiligheid gebracht. JES 15:8 Hun gehuil waart rond in Moabs land, tot in Eglaim en Beer elim dringt hun gejammer door. JES 15:9 In Dimon is het water rood van het bloed, maar nog meer ellende breng Ik over die stad: Ik laat een leeuw los op de overlevenden van Moab en op de rest van Adama. JES 16:1 Zendt een ram naar de heerser van het land vanuit Sela, door de woestijn, naar Sions berg. JES 16:2 Als vluchtende vogels, als een opgejaagd nest, drommen de vrouwen van Moab samen bij de voorden van de Arnon. JES 16:3 Schaft raad, neemt een beslissing! Maakt uw schaduw op de volle middag aan de nacht gelijk; beschut zo hen die verstrooid zijn en levert de vluchten den niet uit. JES 16:4 Laat hen die uit Moab verdreven zijn, wonen bij u; weest hun toevlucht tegen de verdelger. Als eenmaal de verdrukker het veld heeft geruimd, aan de verwoesting een eind is gekomen en de vernielers uit het land zijn verdwenen, JES 16:5 dan wordt er een troon gevestigd op trouw en daarop zetelt dan, in de tent van David, een regeerder vol standvastigheid, bedacht op het recht en ijverend voor de gerechtigheid. JES 16:6 Wij hebben gehoord van Moab. s, van zijn grenzeloze hoogmoed, van zijn hovaardigheid, zijn verwatenheid, zijn overmoed en van zijn gezwets, waarin geen waarheid is. JES 16:7 Daarom zal Moab weeklagen, zal weeklagen Moab, heel en al. Zuchtend en geheel verslagen denken zij terug aan Kir charesets druivenkoeken. JES 16:8 Want de akkers van Chesbon en de wijngaarden van Sibma verkommeren. De heersers van de volken hebben de edele druiven daar neergeslagen, die reikten tot Jazer, en doordrongen tot in de woestijn, de ranken die zich uitstrekten tot over de zee. JES 16:9 Daarom ween ik, evenals Jazer, over de wijnstokken van Sibma; ik besproei u met tranen, Chesbon en Elale; over uw oogst en uw ooft heeft een strijdkreet geklonken. JES 16:10 In de boomgaarden is het vreugdegejubel verstomd, in de wijngaarden joelt en juicht men niet meer, men perst geen wijn meer in de kuipen, de vreugdekreten zijn verstomd. JES 16:11 Als een harp trilt mijn gemoed om Moab, mijn binnenste siddert om Kir cheres. JES 16:12 Al maakt Moab zich moe om de hoogte te bezoeken en in zijn heiligdom te gaan bidden, het baat hem niets. JES 16:13 Dit is het woord dat Jahwe eens over Moab heeft uitgesproken; JES 16:14 maar nu spreekt Hij aldus: In drie jaar tijd, gerekend naar de jaren van een dagloner, wordt Moabs glorie ontluisterd, hoe groot zijn scharen ook zijn. Zijn rest zal schaars zijn, pover, gering. JES 17:1 Uitspraak over Damascus. Damascus zal geen stad meer zijn: er blijft slechts een puinhoop van over. JES 17:2 De steden van Aroer liggen verlaten; de kudden hebben er vrij baan; zij rusten er en niemand schrikt ze op. JES 17:3 Het is gedaan met Efraïms versterkte steden en met Damascus' koninkrijk. De rest van Aram zal het vergaan als de glorie van Israëls zonen, - zo luidt de godsspraak van jahwe der legerscharen. JES 17:4 Op die dag blijft er van Jakobs gewicht slechts weinig over, en slinkt zijn wel doorvoede lichaam weg. JES 17:5 Dan gaat het zoals wanneer een maaier de halmen bijeenpakt, en afmaait met zijn hand of als bij het aren lezen in het dal der Refaieten: JES 17:6 er blijft slechts een nalezing over; of bij het afslaan van de olijven: nog twee, drie rijpe vruchten boven in de top, nog vier of vijf aan de takken van de boom. Zo luidt de godsspraak van Jahwe, Israëls God. JES 17:7 Op die dag zullen de mensen opzien naar hun maker, hun ogen richten naar Israëls Heilige. JES 17:8 Zij zullen niet meer opzien naar hun altaren, het werk van hun handen, noch naar hun heilige palen en wierookbranders. JES 17:9 Op die dag zullen uw vestingsteden gelijken op verlaten plekken in het woud, op bergtoppen die men heeft verlaten uit vrees voor Israëls zonen: een woestenij. JES 17:10 Want gij hebt de God die uw heil is vergeten, aan de rots die uw vesting is niet meer gedacht: daarom hebt gij Adonistuinen aangelegd en er vreemde stekken geplant. JES 17:11 Laat ze gedijen op de dag zelf dat gij ze aanlegt laat ze maar bloeien die morgen dat gij ze plant: er komt geen oogst op de dag van de ziekte, van het ongeneeslijk zeer! JES 17:12 Wee, het razen van talrijke naties, geraas als van razende golven; gebulder van volken als het gebulder van bulderende wateren. JES 17:13 Volken bulderen als bulderende wateren, maar God dreigt en ver vluchten ze weg, als kaf op de bergen, gejaagd door de wind, bladeren, dwarrelend in de storm. JES 17:14 's Avonds worden zij opgeschrikt, en eer het morgen is zijn zij weggevaagd. Dat staat hun te wachten die ons beroven, dat is het lot van onze plunderaars. JES 18:1 Wee het land van de gonzende vleugels, dat zich uitstrekt tot over de rivieren van Kus, JES 18:2 dat gezanten zendt over zee, in boten van papyrus over het water. Trekt, op, gezwinde bonden, naar het rijzige volk met de glanzende huid, de natie, die heinde en ver wordt gevreesd, naar het sterke, tirannieke volk, in het land, met rivieren doorsneden. JES 18:3 Gij allen, bewoners der wereld die gans de aarde bevolkt, gij zult zien hoe op de bergen het signaal wordt gegeven, gij zult horen hoe de bazuin gestoken wordt. JES 18:4 Want dit heeft Jahwe mij gezegd: Vanuit mijn woonplaats blijf Ik toezien, roerloos als de blakende middaggloed, als de nevel in de hitte van de oogsttijd. JES 18:5 Voor de oogst, als de bloeitijd voorbij is, en de bloesem een rijpende druif is geworden, worden de ranken met snoeimessen afgesneden, de loten verwijderd en weggehakt. JES 18:6 Alles valt en prooi aan de roofvogels uit de bergen en aan alle dieren in het wild. De roofvogels brengen er de zomer door, de wilde dieren zijn er in de winter. JES 18:7 In die tijd worden er gaven gebracht aan Jahwe van de legerscharen door het rijzige volk met de glanzende huid, de natie, die heinde en ver wordt gevreesd, door het sterke, tirannieke volk, in het land, met rivieren doorsneden. Zij komen naar de plaats waar men de naam aanroept van Jahwe der legerscharen, de Sionsberg. JES 19:1 Uitspraak over Egypte. Gezeten op een snelle wolk komt Jahwe naar Egypte: Egyptes afgoden beven voor Hem, Egyptes hart is verlamd van schrik. JES 19:2 Egypte hits Ik op tegen Egypte, de een vecht met de ander, alle man met iedereen, stad tegen stad, en rijk tegen rijk. JES 19:3 Dan verliezen de Egyptenaren het hoofd. Ik stuur hun plannen in de war, hoe zij hun goden en waarzeggers, hun geesten en tovenaars ook ondervragen. JES 19:4 Ik lever de Egyptenaren over aan een hardvochtig meester, een meedogenloos vorst zal over hen heersen, zo luidt de godsspraak van de Heer, Jahwe van de legerscharen. JES 19:5 Het water van de zee ebt weg, de rivier verloopt en valt droog, JES 19:6 de rivierarmen stinken, de kanalen van Egypte lopen leeg en staan droog. Riet en biezen verwelken. JES 19:7 Het rietgras aan de rivier en aan zijn monding en alle bezaaide land aan de rivier, het verdort en verwaait, niets blijft er van over. JES 19:8 De vissers kermen en al degenen treuren die in de rivier hun angels uitwerpen, die in het water hun netten spannen, zij verkommeren. JES 19:9 De vlasbewerkers zijn radeloos, kamsters en spinners verbleken. JES 19:10 De wevers van Egypte zijn mismoedig, de loonarbeiders treurig gestemd. JES 19:11 De vorsten van Soan zijn een stel dwazen, de hooggeleerde raadslieden van de Farao een raad van domkoppen. Hoe durft gij tegen de Farao zeggen: `Ik ben een zoon van de wijzen, ik stam uit een oud koningsgeslacht?' JES 19:12 Waar zijn nu uw wijzen? Laat ze u eens vertellen en doen weten wat Jahwe van de legerscharen over Egypte beslist heeft! JES 19:13 Dwazen zijn de vorsten van Soan, en die van Nof laten zich bedotten; Egypte wordt misleid door zijn eigen gouverneurs. JES 19:14 Jahwe heeft over dat land een geest van verdwazing gebracht: Egypte raakt op een dwaalspoor bij al wat het doet: een dronkaard, die in zijn braaksel blijft rondtrappen. JES 19:15 Kop of staart, palm of riet, niemand in Egypte zal nog iets tot stand brengen. JES 19:16 Op die dag zullen de Egyptenaren als vrouwen sidderen en beven voor de hand die Jahwe van de legerscharen dreigend tegen hen opheft. JES 19:17 Juda's grondgebied wordt dan de schrik van Egypte: alleen het noemen van zijn naam al doet de Egyptenaren beven, omwille van het raadsbesluit dat Jahwe van de legerscharen tegen hen heeft genomen. JES 19:18 Op die dag zullen er in Egypte vijf steden zijn die de taal van Kanaän spreken en trouw zweren aan Jahwe van de legerscharen. Een ervan zal Ir haheres heten. JES 19:19 Op die dag verheft zich in Egypte voor Jahwe een altaar midden in het land, en aan de grens een zuil, JES 19:20 als teken en getuigenis voor Jahwe van de legerscharen in Egypte: wanneer zij dan, door vijanden in het nauw gedreven, tot Hem roepen, zal Hij een redder zenden die het voor hen opneemt en hen bevrijdt. JES 19:21 Zo zal Jahwe zich aan Egypte openbaren. Op die dag zal Egypte Jahwe kennen en Hem dienen met slacht en meeloffers, zij zullen Hem geloften doen en die ook volbrengen. JES 19:22 Jahwe zal Egypte slagen toebrengen en het zo helen; zij zullen tot Hem terugkeren, en Hij zal hen verhoren en genezen. JES 19:23 Op die dag verbindt een weg Egypte met Assur: Assur komt dan naar Egypte en Egypte naar Assur en samen met Assur dient Egypte dan Jahwe. JES 19:24 Op die dag zal Israël als derde, naast Egypte en Assur staan, een zegen op aarde. JES 19:25 Jahwe van de legerscharen zal hen zegenen met de woorden: `Gezegend zijn Egypte, mijn volk, Assur, het werk van mijn handen, en Israël, mijn erfbezit.' JES 20:1 In het jaar dat de opperbevelhebber van koning Sargon van Assur op diens bevel tegen Asdod optrok en het innam, JES 20:2 sprak Jahwe bij monde van Jesaja, de zoon van Amos. Hij had hem bevolen: `Leg het haren kleed om uw lenden af en doe uw sandalen uit.' De profeet had dit gedaan en naakt en barrevoets rondgelopen. JES 20:3 Toen verklaarde Jahwe: `Mijn dienaar Jesaja heeft drie jaar naakt en barrevoets rondgelopen, als teken en zinnebeeld van wat de Egyptenaren en de Kusieten te wachten staat: JES 20:4 de koning van Assur zal hen allen, jong en oud, als krijgsgevangenen en ballingen wegvoeren, naakt en barrevoets en met ontbloot achterste, tot schande van Egypte! JES 20:5 Dan zal men ontredderd zijn en zich schamen om Kus waarop men vertrouwde, en om Egypte waarop men zich beroemde. JES 20:6 Op die dag zullen de bewoners van dit kustland zeggen: Zie toch wat er gebeurd is met hem op wie wij vertrouwden en tot wij vluchtten om hulp, om gered te worden uit de hand van de koning van Assur. Hoe zullen wij zelf nu kunnen ontkomen?' JES 21:1 Uitspraak over de woestijn bij de zee. Als stormvlagen die over de Negeb jagen, komt het onheil opzetten uit de woestijn, uit een schrikaanjagend land. JES 21:2 Een somber visioen werd voor mij ontvouwd. Geweldenaars plegen geweld en verwoesters richten verwoestingen aan. Rukt uit, Elamieten. Meden, slaat het beleg! Aan alle gezucht maak Ik een einde. JES 21:3 Daarom worden mijn lenden door een siddering bevangen en weeën grijpen mij aan als een barende vrouw; ik ben verbijsterd door wat ik hoor, ontdaan door wat ik zie. JES 21:4 Ontredderd is mijn hart, paniek overvalt mij; de schemering die mij zo lief was, is nu voor mij een verschrikking! JES 21:5 De tafel wordt gedekt, kleden gespreid, men eet en drinkt! Vooruit, bevelhebbers, de schilden gesmeerd, JES 21:6 want de Heer heeft mij gezegd: `Zet een wachter uit, die moet melden wat hij ziet. JES 21:7 Ontwaart hij strijdwagens, met paarden bespannen, een legertros met ezels en kamelen, dan moet hij scherp, zeer scherp toezien.' JES 21:8 De wachter roept: `De hele dag sta ik op de wachttoren, Heer, en alle nachten blijf ik trouw op mijn post.' JES 21:9 Daar zijn zij, de strijdwagens, bemand en met paarden bespannen. En weer roept hij: `Babel is gevallen, gevallen! Al zijn afgodsbeelden liggen verbrijzeld tegen de grond. JES 21:10 O mijn volk, op de dorsvloer vertrapt, wat ik gehoord heb van Jahwe der legerscharen, de God van Israël, dat verkondig ik u. JES 21:11 Uitspraak over Duma. Men roept mij uit Seir: `Wachter, hoever is de nacht? Wachter, hoever is de nacht?' JES 21:12 De wachter antwoordt: `De morgen is gekomen, de nacht is voorbij. Als gij vragen wilt, vraagt dan, komt maar terug.' JES 21:13 Uitspraak over Arabië. Brengt de nacht door in het kreupelhout van Arabië, karavanen der Dedanieten. JES 21:14 Brengt de dorstigen water, bewoners van Tema, gaat de vluchtelingen met brood tegemoet. JES 21:15 Want zij zijn op de vlucht voor het zwaard, voor het getrokken zwaard, voor de gespannen boog, voor het geweld van de oorlog. JES 21:16 Dit heeft de Heer mij gezegd: Nog een jaar, gerekend naar de jaren van een dagloner, en het is uit met de glorie van kedar. JES 21:17 En wat er rest van de boogschutters onder Kedars strijders, zal gering in aantal zijn. Jahwe, de God van Israël, heeft gesproken. JES 22:1 Uitspraak over het Dal van het Visioen. Wat bezielt u toch om zo op de daken te klimmen, JES 22:2 uitgelaten stad, vol gewoel en rumoer? Uw gevallenen zijn niet gevallen door het zwaard, niet in de oorlog gesneuveld! JES 22:3 Neen, uw veldheren zijn als een man gevlucht, en zonder een schot gevangen genomen. Hoever zij ook waren gevlucht, allen zijn achterhaald en in boeien geslagen. JES 22:4 Daarom zeg ik: Wendt uw blik van mij af, want ik wil bittere tranen schreien; doet geen pogingen om mij te troosten over de vernietiging van de dochter, mijn volk. JES 22:5 Want het was een dag van verschrikking, verwoesting, verwarring: een dag van de Heer, Jahwe van de legerscharen. In het Dal van het Visioen klonk geschreeuw, hulpgeroep op de berg. JES 22:6 Elam greep naar de pijlkoker, strijdwagens en ruiterij stonden gereed, Kir haalde het schild te voorschijn. JES 22:7 Uw heerlijke valleien wemelden van strijdwagens, en ruiters vatten post bij de poorten. JES 22:8 Zo was Juda van alle dekking ontbloot. Op die dag hebt gij uw blik gericht naar het arsenaal van het huis van het Woud. JES 22:9 Gij vondt talrijke bessen in Davids Stad, gij sloeg het water van de Benedenvijver op. JES 22:10 Gij ging de huizen van Jeruzalem na en brak sommige af om de muren te versterken. JES 22:11 Tussen de beide muren bouwde gij een reservoir voor het water van de Oude Vijver. Maar op Hem die dit alles bewerkt, was uw blik niet gericht, gij hadt geen oog voor Hem die alles lang van te voren beschikt had. JES 22:12 Op die dag riep de Heer, Jahwe van de legerscharen, u op, om te wenen en te jammeren, om u kaal te scheren en het rouwkleed aan te trekken. JES 22:13 Maar er heerste warempel vreugde en plezier: er werden maar runderen gedood en schapen geslacht, vlees werd gegeten en wijn werd gedronken: `Laat ons eten en drinken, want morgen zijn wij dood!' JES 22:14 Jahwe van de legerscharen heeft mij dit alles geopenbaard. Nooit wordt die schuld u vergeven, tot uw dood toe niet! zegt de Heer, Jahwe van de legerscharen. JES 22:15 Dit zegt de Heer, Jahwe van de legerscharen: Ga binnen bij die hofmaarschalk, bij die Sebna, die het paleis bestuurt, JES 22:16 die ginder boven een graf uithouwt, zich in de rots een rustplaats laat kappen. Zeg hem: `Wat hebt gij hier en wie hebt ge hier, dat gij u hier een graaf uithouwt? JES 22:17 Met kracht slingert Jahwe u weg, man. Stevig grijpt Hij u beet, JES 22:18 windt u tot een kluwen ineen, en als een bal werpt Hij u weg naar een uitgestrekte vlakte. Daar zult gij sterven, daar komen uw praalwagens terecht, schande van het huis van uw meester.' JES 22:19 Ik verdrijf u uit uw ambt, Ik vaag u weg van uw plaats. JES 22:20 Op die dag ontbied Ik mijn dienaar Eljakim, de zoon van Chilkia, JES 22:21 Ik trek hem uw ambtsgewaad aan, Ik doe hem uw gordel om, hem bekleed Ik met uw macht. Hij zal een vader zijn voor de bewoners van Jeruzalem en voor het huis van Juda. JES 22:22 De sleutel van Davids huis leg Ik hem op de schouders wat hij opent, kan niemand sluiten; wat hij sluit, kan niemand openen. JES 22:23 Ik zet hem vast, een pin in een stevig stuk muur, hij wordt een luisterrijke zetel voor het huis van zijn vader. JES 22:24 Aan hem hangen zij dan heel het gewicht van zijn familie, de twijgen en het lover, al het klein gerei, van de schalen tot de kruiken. JES 22:25 Op die dag - zo luidt de godsspraak van Jahwe van de legerscharen -, raakt de pin los, die vastzat in dat stevig stuk muur. Zij breekt af en valt naar beneden, en de hele last die eraan hangt, wordt verbrijzeld. Waarachtig, Jahwe heeft gesproken. JES 23:1 Uitspraak over Tyrus. Barst in jammerkreten uit, schepen van Tarsis, want de huizen zijn verwoest. Bij hun thuiskomst uit het land van de Kittiërs is het hun duidelijk geworden. JES 23:2 Schreeuwt het uit, bewoners van het kustland, handelaars van Sidon; wier vertegenwoordigers de zee JES 23:3 en de machtige wateren doorkruisen. Het graan van Sichor, de oogst van het Nijlland vormt uw inkomen, gij leeft van de handel met de volken. JES 23:4 Schaam u, Sidon, trotse zeeburcht, en klaag: `Ik heb geen weeën meer, ik breng geen kinderen meer ter wereld, ik voed geen jongens meer op, ik breng geen meisjes meer groot.' JES 23:5 Als de Egyptenaren het horen, huiveren zij om het bericht over Tyrus. JES 23:6 Steekt over naar Tarsis, barst in jammerklachten uit, bewoners van het kustland! JES 23:7 Is dit nu uw dartele stad, met dat lange verleden, wier schreden haar reeds vroeg zo ver hebben gevoerd om elders kolonies te stichten? JES 23:8 Wie heeft deze beslissing over Tyrus genomen, de stad die eens kronen uitdeelde, wier handelaars vorsten waren, wier kooplieden tot de groten der aarde behoorden? JES 23:9 Het is Jahwe van de legerscharen die dit heeft besloten, om haar pralerige trots te vernederen en de groten der aarde te ontluisteren. JES 23:10 Bewerk uw grond, dochter Tarsis, zoals men doet aan de Nijl, het is met de scheepsbouw gedaan. JES 23:11 Jahwe strekt zijn hand uit over de zee, Hij doet koninkrijken beven. Hij geeft bevel, de vestingen van Kanaän te vernielen. JES 23:12 Gij zult niet langer dartel zijn, gij gekwelde dochter Sidon! Maak u klaar om naar de Kittiërs over te steken, maar ook daar wordt u geen rust gegund. JES 23:13 Kijk eens naar het land van de Chaldeeën: dat volk bestaat niet meer. Assur heeft hun gebied bestemd voor de dieren der woestijn, zij hebben er stormtorens opgesteld en de paleizen gesloopt. Zij hebben er een puinhoop van gemaakt. JES 23:14 Barst in jammerklachten uit, schepen van Tarsis, want uw vestingen zijn verwoest! JES 23:15 Op die dag raakt Tyrus in vergetelheid, zeventig jaar lang, de levensduur van een koning. Na verloop van die zeventig jaar vergaat het Tyrus als de hoer uit het liedje: JES 23:16 Neem je citer en loop door de stad, vergeten hoertje; blijf maar spelen en zingen zo goed en zo lang je maar kunt: misschien wordt er nog eens aan je gedacht! JES 23:17 Na verloop van zeventig jaar zal Jahwe zich weer met Tyrus inlaten. Dan zal hij opnieuw haar hoerenloon verdienen en zich afgeven met alle koninkrijken op heel de aarde. JES 23:18 Maar de winsten en haar loon worden aan Jahwe gewijd, zij worden niet meer gespaard en opgepot. Haar winsten zijn bestemd voor hen die in Jahwe's nabijheid wonen: die zullen er volop van eten en er zich fraai van kleden. JES 24:1 Hier is Jahwe die de aarde verwoest en vernielt, Hij keert ze ondersteboven en drijft haar bewoners uiteen. JES 24:2 Hetzelfde lot treft priester en volk, heer en slaaf, meesteres en slavin, verkoper en koper, borger en lener, schuldeiser en schuldenaar. JES 24:3 De aarde wordt totaal verwoest, helemaal leeggeplunderd: Jahwe heeft dit woord gesproken. JES 24:4 De aarde verdroogt en verkommert, hemel en aarde verwelken. JES 24:5 De aarde is ontwijd door haar bewoners: zij hebben de wetten geschonden, de geboden overtreden, het eeuwig verbond verbroken. JES 24:6 Daarom wordt de aarde door een vloek verteerd en boeten haar bewoners voor hun schuld. Daarom slinken de bewoners van de aarde in aantal en blijven slechts weinig mensen gespaard. JES 24:7 De wijn verdroogt, de wingerd verwelkt; de pretmakers kermen. JES 24:8 Het feestgedreun van de pauken verstomt, het gejuich van de joelende menigte valt stil, de muziek van de citers zwijgt. JES 24:9 Er wordt bij gezang geen wijn meer gedronken, de drank smaakt de drinkers bitter in de mond. JES 24:10 De verlaten stad ligt in puin, de toegang tot ieder huis is versperd. JES 24:11 In de straten roept men klagend om wijn; alle vreugde is verdwenen, alle gejuich verbannen uit het land. JES 24:12 De stad is een en al verwoesting, de poort is aan stukken geslagen. JES 24:13 Het vergaat de aarde en alle volken als bij het afslaan van de laatste olijven, als bij het nalezen van de wijngaard. JES 24:14 Iedereen roept het uit van vreugde, en tot in het westen jubelt men om de grootheid van Jahwe: JES 24:15 Verheerlijkt Jahwe in het land van het licht, verheerlijkt de naam van Jahwe, Israëls God, op de eilanden van de zee. JES 24:16 Van het uiteinde van de aarde horen wij liederen zingen: `Hulde aan de Rechtvaardige.' Maar ik zeg: `Ik ben uitgeput, ik kan niet meer, wee mij! Geweldenaars plegen geweld, geweldenaars plegen steeds weer geweld!' JES 24:17 Schrik en kuilen en strikken wachten u, bewoners der aarde: JES 24:18 wie vlucht voor schrikwekkend geraas, hij valt in een kuil, en wie uit de kuil weet te klimmen, wordt in een strik gevangen. De sluizen van de hemel worden opengezet, de aarde wankelt op haar grondvesten. JES 24:19 De aarde splijt gapend open, de aarde schudt en siddert, de aarde wankelt vervaarlijk. JES 24:20 De aarde waggelt als een beschonkene, zij schudt heen en weer als een hut. Zo zwaar weegt haar zonde, dat zij valt en niet meer opstaat. JES 24:21 Op die dag rekent Jahwe af: in de hemel met het leger van de hemel, op de aarde met de koningen der aarde. JES 24:22 Ze worden bijeengedreven, gevangen gezet in een kuil, opgesloten in een kerker, en nog een aantal van jaren gestraft. JES 24:23 De bleke man wordt rood van schaamte en de gloeiende zon bloost, omdat Jahwe van de machten als koning heerst op de berg Sion en in Jeruzalem: voor de oudsten verschijnt zijn heerlijkheid. JES 25:1 Jahwe, Gij zijt mijn God, U verheerlijk ik, uw naam prijs ik. Want Gij hebt uw wonderbare raadsbesluiten uitgevoerd, vaststaand en standvastig van oudsher. JES 25:2 Van de stad hebt Gij een puinhoop gemaakt, van de sterke vesting een ruïne; de burcht van de vreemden is geen stad meer, in eeuwigheid wordt zij niet meer herbouwd! JES 25:3 Daarom moeten machtige volken U verheerlijken, de stad van tirannieke naties U vrezen. JES 25:4 Want Gij zijt een toevlucht geweest voor de regeringen, een houvast voor de armen in nood, een beschutting tegen de regen, schaduw tegen de hitte. Het razen van tirannen is als regen in de winter, JES 25:5 als hitte in een dorre streek. Het gejuich van de vreemden hebt Gij onderdrukt, zoals hitte wordt bestempeld door de schaduw van een wolk; aan het zegelied van de tirannen hebt Gij een einde gemaakt. JES 25:6 Jahwe van de legerscharen richt op deze berg voor alle volken een feestmaal aan met uitgelezen gerechten, een feestmaal met belegen wijnen, verrukkelijke, uitgelezen gerechten, belegen, gelouterde wijnen. JES 25:7 Op deze berg verscheurt Hij de sluier die over alle volken ligt, de floers die alle naties bedekt. JES 25:8 Jahwe de Heer vernietigd de dood voor altijd, Hij veegt de tranen van alle gezichten, op heel de aarde wist Hij de smaad van zijn volk uit: Jahwe heeft het gezegd! JES 25:9 Op die dag zal men zeggen: Dat is onze God. Wij hoopten op Hem en Hij heeft ons gered. Dat is Jahwe, op wie wij hoopten; laat ons blij zijn en juichen om de redding die Hij heeft gebracht. JES 25:10 Want op deze berg rust de hand van Jahwe, maar Moab wordt op zijn eigen plaats vertrapt, zoals het stro op de mestvaalt vertrapt wordt, JES 25:11 Het spreidt zijn armen uit zoals een zwemmer ze uitspreidt om te zwemmen; maar Jahwe vernedert het trotse Moab ondanks zijn listig verweer. JES 25:12 Uw sterke, ontoegankelijke muren haalt Hij neer, Hij smakt ze op de grond, in het stof. JES 26:1 Op die dag zal men in Juda dit lied zingen: `Wij hebben een sterke stad, haar muren en wallen zijn onze bescherming. JES 26:2 Opent de poorten: laat het volk binnen dat rechtvaardig is en de trouw heeft bewaard. JES 26:3 Met standvastigheid handhaaft Gij de vrede, omdat het op U vertrouwt. JES 26:4 Vertrouwt op Jahwe voor altijd, want Jahwe is een eeuwige rots. JES 26:5 Die in de hoogte wonen haalt Hij neer, hun steile burcht sloopt Hij, Hij sloopt ze tot aan de grond en smakt ze in het stof. JES 26:6 De voeten der armen, de stappen der geringen lopen er overheen.' JES 26:7 Het pad van de vrome is effen: een rechte weg baant Gij voor hem. JES 26:8 Ook wij, Jahwe, hopen op de weg die Gij in uw rechtvaardigheid baant, en naar uw naam en gedachtenis gaat ons verlangen uit. JES 26:9 Iedere nacht verlang ik naar U, ik hunker naar U met heel mijn ziel. Als uw gerechtigheid over de aarde heerst, leren de aardbewoners wat recht is. JES 26:10 Worden de bozen begenadigd, dan leren zij nooit wat recht is: waar het recht heerst, blijven zij onrecht plegen, zij hebben geen oog voor Jahwe's verhevenheid. JES 26:11 Jahwe, uw dreigende hand zien zij niet. Maar uw ijver voor uw volk zullen zij tot hun schande wel moeten zien: het vuur dat uw vijanden treft, zal hen verslinden. JES 26:12 Jahwe, Gij schenkt ons vrede, want zelfs al ons eigen werk hebt Gij voor ons verricht. JES 26:13 Jahwe, onze God, andere meesters hebben over ons geheerst, maar U alleen, uw Naam, willen wij belijden. JES 26:14 Die doden herleven niet, die schimmen staan niet meer op, want Gij hebt ze gestraft en vernietigd, elke herinnering aan hen hebt Gij doen verdwijnen. JES 26:15 Maar uw volk, Jahwe, hebt Gij groot gemaakt, Gij hebt het groot gemaakt tot uw eer; zijn grondgebied hebt Gij uitgebreid naar alle kanten. JES 26:16 Jahwe, in de nood zocht het U, het riep tot U, als het door uw straffende hand werd getroffen. JES 26:17 Zoals een zwangere vrouw die bij het baren kronkelt en kerm in haar weeën, zo waren wij voor U, Jahwe. JES 26:18 Wij leken zwanger en kronkelden van pijn, maar niets dan wind barden wij: wij brachten het land geen uitkomst en wereldburgers werden er niet geboren. JES 26:19 Uw doden zullen herleven, mijn gestorven lichamen weer opstaan. Allen die slapen in het stof, zullen vol vreugde ontwaken. Want de dauw die u bedekt, is een lichtende dauw: de aarde brengt de schimmen weer tot leven. JES 26:20 Kom, mijn volk, ga uw binnenkamers in en sluit de deuren. Houd u nog even schuil, tot de toorn voorbij is. JES 26:21 Want Jahwe verlaat reeds zijn woning, om de misdaden van de bewoners der aarde te straffen. De aarde brengt al het vergoten bloed weer te voorschijn en houdt hen die werden vermoord niet langer verborgen. JES 27:1 Op die dag straft Jahwe Leviatan, de vluchtende slang. Leviatan, de kronkelende slang, met zijn geducht, groot, machtig zwaard, en slacht Hij het zeemonster af. JES 27:2 Op die dag zal men zeggen: `Wat een prachtige wijngaard! Zing daar een lied over!' JES 27:3 Ik, jahwe, bewaak hem, elk ogenblik bevloei Ik hem; dag en nacht houd Ik de wacht opdat niemand hem beschadigt. JES 27:4 Mijn toorn is voorbij! Wie wijst mij doornen en distels? Ik zou er strijdvaardig op afgaan en ze alle in brand steken; JES 27:5 of zij moeten mijn bescherming zoeken en vrede sluiten met Mij, vrede sluiten met Mij! JES 27:6 In de toekomst schiet Jakob weer wortel, zodat de hele aarde met de vruchten overdekt wordt. JES 27:7 Is Israël door Hem even hard geslagen als degenen die Israël geslagen hadden? Of heeft Hij Israël omgebracht zoals Hij hen heeft gedaan die Israël ombrachten? JES 27:8 Gij hebt de stad vervolgd door haar op te jagen en te verdrijven. Jahwe blies haar weg met zijn machtige adem, als op een dag met oostenwind. JES 27:9 Zo wordt de schuld van Jakob uitgeboet; en zo worden alle vruchten van zijn zonde weggevaagd: alle altaarstenen worden verpulverd, alsof zij van kalksteen waren; geen heilige paal of wierookaltaar blijft overeind. JES 27:10 Verlaten ligt de versterkte stad; haar gebied is ontvolkt, eenzaam als een woestijn: kalveren grazen en rusten er en vreten alle struiken kaal. JES 27:11 Als haar takken verdord zijn, breek men ze af: vrouwen verzamelen ze en maken er vuur mee. Omdat dit volk niet wil begrijpen, daarom heeft hun maker geen medelijden, kent hun schepper geen genade. JES 27:12 Op die dag slaat jahwe het graan uit de aren van de Rivier tot de beek van Egypte: dan wordt gij, zonen van Israël, een voor een verzameld! JES 27:13 Op die dag wordt de grote bazuin gestoken: allen die in Assur verloren waren of naar Egypte verdreven, komen dan terug, en buigen zich neer voor Jahwe op de heilige berg in Jeruzalem. JES 28:1 Wee de trotse kroon van Efraïms dronkaards, wee die verwelkende bloem, zijn fraaie diadeem, rustend op het hoofd van hen, die door wijn bedwelmd zijn. JES 28:2 Want de Heer beschikt over iemand, machtig en sterk als een hagelvlaag, sterk als een vernielende storm, als een vloedgolf van onstuimige wateren, iemand die alles met geweld tegen de grond gooit. JES 28:3 Zij wordt platgetrapt, die trotse kroon van Efraïms dronkaards. JES 28:4 De verwelkende bloem, dat fraaie diadeem boven het vruchtbare dal, vergaat het als een vroegrijpe vijg voor de zomer komt: wie ze ziet, slokt ze op, zo uit de hand! JES 28:5 Op die dag zal Jahwe van de legerscharen een heerlijke kroon en een prachtige diadeem zijn voor de rest van zijn volk, JES 28:6 een geest van gerechtigheid voor hem die zetelt op de rechterstoel, een kracht voor hen die aanvallers terugdrijven naar de poort. JES 28:7 Priester en profeet slingeren van de drank en zijn door de wijn verward; ze waggelen van de drank, bij hun visioenen staan ze te slingeren, ze wankelen op hun benen bij hun beslissingen. JES 28:8 Alle tafels zijn met walgelijk braaksel bedekt, geen plekje is er vrij van. JES 28:9 `Wie wil hij toch onderrichten, aan wie zijn boodschap verklaren? Aan zuigelingen die pas gespeend zijn, aan kinderen, de borst pas ontwend? JES 28:10 Zo van: saw lasaw, saw lasaw, qaw laqaw, qaw laqaw, kleintje hier, kleintje daar!' JES 28:11 Inderdaad, door mensen met een onverstaanbare tongval, en in een vreemde taal, richt Jahwe zich tot dit volk. JES 28:12 Eens heeft Hij hun gezegd: Hier is er rust, laat de vermoeiden wat rusten, hier is er verademing. Maar zij hebben niet willen luisteren. JES 28:13 Daarom zal dit Jahwe's woord tot hen zijn: `Saw, lasaw, saw lasaw, qaw, laqaw, qaw laqaw, kleintje hier, kleintje daar!' Zo komt het dat zij achterover vallen als zij willen gaan, zich verwonden, verstrikt raken en gevangen worden. JES 28:14 Hoort daarom het woord van Jahwe, opscheppers, die over dit volk van Jeruzalem regeert! JES 28:15 Gij denkt: `Wij hebben met de dood een verbond gesloten, met de dodenwereld een overeenkomst aangegaan. Als de aanstormende gesel over ons komt, zal hij ons niet deren, want wij hebben van de leugen onze toevlucht gemaakt, het bedrog is onze schuilplaats.' JES 28:16 Daarom zegt Jahwe de Heer: In Sion leg Ik een steen als fundament een steen van graniet, een kostbare hoeksteen als een hecht fundament. Wie gelooft, hoeft niet te vrezen. JES 28:17 Het recht maak Ik tot mijn meetsnoer, de gerechtigheid tot mijn schietlood. De leugen die uw toevlucht is, wordt door de hagel vernietigd, het water spoelt uw schuilplaats weg. JES 28:18 Uw verbond met de dood wordt verbroken, uw overeenkomst met de dodenwereld houdt geen stand: als de aanstormende gesel over u komt, wordt gij erdoor verpletterd! JES 28:19 Telkens als hij voorbijtrekt, zal hij u meesleuren; morgen aan morgen trekt hij voorbij, bij dag en bij nacht. Wat een ontzetting, deze boodschap te verstaan! JES 28:20 Het bed is nu eenmaal te kort om er zich op uit te strekken, de dekens zijn te smal om zich toe te dekken. JES 28:21 Want Jahwe zal zich weer doen gelden als op de Perasim, beven van woede als in de vlakte van Gibeon, en zijn werk een ongewoon werk verrichten, zijn taak een vreemde taak volbrengen. JES 28:22 Houdt dan op met dat spotten, anders knellen uw boeien nog sterker. Want ik heb een bevel tot vernietiging gehoord, uitgaande van de Heer, Jahwe van de legerscharen, dat het hele land zal treffen. JES 28:23 Luistert goed naar wat ik ga zeggen, luistert aandachtig naar mijn woorden. JES 28:24 Blijft de boer de hele tijd ploegen, de akker scheuren en voren trekken? JES 28:25 Egt hij ook zijn land niet en strooit hij dan geen komijn of karwijzaad? Zaait hij geen tarwe, gierst en gerst op hun plaats, en spelt op de rand van de akker? JES 28:26 Deze vaardigheid heeft hij geleerd van zijn God die hem daarin onderwees. JES 28:27 Karwijzaad wordt niet gedorst met de slede, men rolt geen dorsrad over komijn, karwijzaad wordt met een stok uitgeslagen en komijn met een vlegel. JES 28:28 Wordt broodkoren geplet? Neen, het rad van de dorswagen en de paarden brengt men in machten: maar het koren plet men niet. JES 28:29 Ook dit komt van Jahwe van de machten: zijn beleid is wonderbaar, groot is zijn wijsheid. JES 29:1 Wee Ariel, Ariel, de stad waar David zijn tenten opsloeg. Het ene jaar moge bij het andere aansluiten, de kringloop der feesten voortduren, JES 29:2 eens drijf Ik Ariel zo in het nauw, dat het vol klagen en kermen zal zijn. Dan zal het voor mij een Ariel zijn, een offeraltaar. JES 29:3 Van alle kanten beleger Ik u; met voorposten sluit Ik u in en werp wallen tegen u op. JES 29:4 Dan komt uw spreken diep uit de aarde en klinkt uw woord gedempt uit het stof omhoog; uw stem komt uit de aarde als die van de geest van een dode; uw woord klinkt piepend uit het stof. JES 29:5 Maar de horden van uw vijanden worden volkomen verpulverd, dwarrelend kaf worden de horden van uw verdrukkers. Plotseling, onverwacht, JES 29:6 grijpt Jahwe van de legerscharen voor u in, met donder en aardbeving en hevig gedruis, met wervelwind en storm, met vlammend vuur dat alles verteert. JES 29:7 Als een droom, een nachtelijk visioen, zijn dan de horden der volken die tegen Ariel strijden, allen die het bestrijden, insluiten en benauwen. JES 29:8 Als een uitgehongerde, die droomt dat hij eet, maar als hij wakker wordt nog even onvoldaan is, als een dorstige, die droomt dat hij drinkt, maar als hij wakker wordt nog even uitgeput is van de dorst, zo zal het de horden der volken vergaan, die de Sionsberg bestrijden. JES 29:9 Gij zult elkaar ontdaan en verstomd aanstaren, met niets ziende en verblinde ogen, dronken, maar niet van de wijn; waggelend, maar niet van de drank. JES 29:10 Want Jahwe stort een geest van diepe slaap over u uit: Hij sluit uw ogen de profeten . Hij omsluiert uw hoofden de zieners. JES 29:11 Elk visioen is voor u als de woorden in een verzegeld boek: geeft men het aan iemand die kan lezen met het verzoek: `Lees dit eens,' dan zal hij zeggen: `Dat kan ik niet, het is verzegeld.' JES 29:12 Geeft men het aan iemand die niet kan lezen, met het verzoek: `Lees dit eens,' dan zegt hij: `Ik kan niet lezen.' JES 29:13 De Heer zei: Dit volk nadert Mij wel met de mond, en eert Mij met de lippen, maar zijn hart is ver van Mij en zijn vrees voor Mij is niet meer dan wet van mensen, die door mensen worden aangeleerd. JES 29:14 Daarom zal Ik opnieuw wonderen doen voor dit volk, het ene na het andere. Dan gaat de wijsheid van zijn wijzen te niet en het verstand der verstandigen verdwijnt. JES 29:15 Wee degenen die hun plannen voor Jahwe diep willen verbergen en alles in het duister doen, en zeggen: `Wie ziet ons? Wie weet van ons?' JES 29:16 Zo keert men de zaken om. Wordt de pottenbakker soms met het leem gelijkgesteld? Kan het maaksel van zijn maker zeggen: `Hij heeft mij niet gemaakt?' Zegt het aardewerk van de pottenbakker: `Hij kan er niets van?' JES 29:17 Nog een korte tijd, en de Libanon verandert in een boomgaard, en die boomgaard wordt met een woud gelijkgesteld. JES 29:18 Op die dag horen de doven wat uit een boek wordt voorgelezen, en zien de blinden, want hun ogen zijn bevrijd van duisternis en donker. JES 29:19 De armen vinden hun vreugde weer in Jahwe, de misdeelden in het land juichen om de Heilige van Israël. JES 29:20 Dan is het gedaan met de verdrukkers, dan is het uit met de opscheppers; allen die zinnen op kwaad, worden uitgeroeid: JES 29:21 zij die door hun getuigenis anderen helpen veroordelen, die de rechters in de poort proberen te strikken, die onschuldigen door bedrog hun recht onthouden. JES 29:22 Daarom zegt Jahwe, de God van Jakobs huis, Hij die Abraham heeft verlost: Nu zal Jakob niet meer beschaamd worden, zijn aangezicht zal niet meer verbleken. JES 29:23 Als hij met zijn kinderen ziet wat Ik doe in hun midden, zullen zij de heiligheid van mijn naam erkennen. Zij zullen de heiligheid van Jakobs Heilige erkennen, ontzag hebben voor de God van Israël. JES 29:24 Zij die verward zijn komen tot inzicht, de misnoegden laten zich onderrichten. JES 30:1 Wee die opstandige zonen, - zo luidt de godsspraak van Jahwe -, zij maken plannen, maar buiten Mij om, zij sluiten verdragen, maar tegen mijn geest in, en stapelen daardoor zonde op zonde! JES 30:2 Zonder Mij raad te vragen trekken zij naar Egypte, om bij Farao bescherming te zoeken en te schuilen in de schaduw van Egypte. JES 30:3 Maar de bescherming van Farao zal hen ontgoochelen en schuilen in Egyptes schaduw brengt schande. JES 30:4 Hun leiders zijn in Soan geweest en hun gezanten naar Chanes getrokken, JES 30:5 maar allen zijn ze bedrogen uitgekomen bij een volk dat niets te bieden heeft, geen hulp en geen steun; het bezorgt hun alleen ontgoocheling en schande. JES 30:6 Uitspraak over de dieren van de Negeb. Door een land van verschrikking en angst, vol brullende leeuwen en leeuwinnen, vol adders en vliegende draken, voeren zij hun rijkdommen op de ruggen van ezels en op de bulten van kamelen hun schatten, naar een volk dat niets te bieden heeft. JES 30:7 De hulp van Egypte is waardeloos, zij betekent niets. Daarom noem ik dat land: Rahab Nietsnut. JES 30:8 Ga dit nu voor hen opschrijven, leg het vast in een dokument, als een getuigenis voor de toekomst, voor eeuwig en altijd: JES 30:9 Dit volk is opstandig, het zijn onbetrouwbare zonen, zonen die niet willen luisteren naar de onderrichting van Jahwe. JES 30:10 Tegen de zieners zeggen zij: `Weg met die visioenen.' Zij zeggen tegen de zieners: `Gij behoeft voor ons geen waarheid te schouwen, verkondigt maar aangename boodschappen en verzint uw visioenen zelf maar. JES 30:11 Wijkt eens af van de gewone wegen, verlaat het gebaande pad en stoort ons niet met die Heilige van Israël.' JES 30:12 Daarom zegt de Heilige van Israël: `Omdat gij mijn woorden minacht en op afpersing en bedrog vertrouwt en daarin uw steun zoekt, JES 30:13 daarom wordt gij door uw zonde een loszittend stuk aan een hoge vestingmuur, dat eensklaps en onverwachts omlaag valt JES 30:14 en stukslaat als een aarden kruik, die zo meedogenloos verbrijzeld wordt, dat geen van de scherven nog groot genoeg is, om vuur uit de haard te nemen of om water te scheppen uit een plas.' JES 30:15 Want dit zegt Jahwe de Heer, de Heilige van Israël: `In stille berusting ligt uw redding, in rustig vertrouwen uw kracht.' Maar gij hebt niet gewild; JES 30:16 gij hebt gezegd: `Neen, wij stormen voort op onze paarden!' Ja, wegstromen zult gij! Gij hebt gedacht: `Op onze snelle paarden gaan wij er vandoor.' Maar die u achterna zitten zijn even snel. JES 30:17 Duizend vluchten er voor de bedreiging van een man; en voor de bedreiging van vijf slaan er zoveel op de vlucht, dat er van u niet meer overblijft dan een eenzame mast op een bergtop, een banier op een heuvel. JES 30:18 Toch ziet Jahwe uit naar een gelegenheid om u zijn goedheid te bewijzen; toch zal Hij opstaan en zich over u ontfermen, want Jahwe is een rechtvaardige God. Gelukkig zijn allen die naar Hem uitzien! JES 30:19 Volk van Sion, volk dat in Jeruzalem woont, gij hoeft niet meer te wenen. Jahwe zal u genadig zijn, als uw roepen tot Hem doordringt; zodra Hij het verneemt, zal Hij u verhoren. JES 30:20 De Heer heeft u wel het brood der benauwing en het water der verdrukking gegeven, maar uw Leermeester zal zich niet langer verborgen houden, met eigen ogen zult gij Hem zien. JES 30:21 Met eigen oren zult gij achter u een stem horen zeggen: `Dit is de weg, volgt die, of hij nu naar rechts gaat of naar links.' JES 30:22 Die zilveren beelden, die met goud beklede afgoden zult gij dan als onrein beschouwen. Gij zult ze wegwerpen als afval. `Weg daarmee!' zult gij zeggen. JES 30:23 Dan schenkt Jahwe regen aan het zaad dat gij op uw akkers zaait, en het brood dat uw akkers opbrengen, zal smakelijk en voedzaam zijn. Op die dag grazen uw kudden in uitgestrekte weiden; JES 30:24 uw ossen en ezels die de grond bewerken, zullen voer eten, met zuring vermengd, zorgvuldig opgeschud met schop en gaffel. JES 30:25 Op elke hoge berg en op elke verheven heuvel stromen dan beken vol water, op de dag van de grote slachting, als de versterkte torens ineenstorten. JES 30:26 Het licht van de maan is dan als het licht van de zon, en het licht van de zon is zevenmaal sterker, even sterk als het licht van zeven dagen, op de dag dat Jahwe de wonden van zijn volk verbindt en het geneest van de opgelopen kwetsuren. JES 30:27 Zie, van verre nadert Jahwe's Naam, Hij ziedt van toorn, en is in dichte rook gehuld; zijn lippen spuwen verontwaardiging en zijn tong is een verterend vuur. JES 30:28 Zijn adem is een gezwollen bergbeek gelijk, die tot de hals reikt. Hij komt de naties ziften in de zeef van de vernieling, en de volken krijgen een bit tussen de kaken dat hen op een dwaalspoor brengt. JES 30:29 Dan zullen liederen bij u weerklinken als in de nacht van het heilige feest; er zal vreugde heersen in uw hart, zoals bij hen die onder fluitspel optrekken naar de berg van jahwe, de rots van Israël. JES 30:30 Jahwe zal zijn machtige stem doen horen en zijn striemende arm laten zien, in grimmige toorn en in vlammen van verterend vuur, in wolkbreuken, stortregens en hagelbuien. JES 30:31 Assur raakt in paniek bij het horen van Jahwe's stem, als het wordt getuchtigd met zijn roede. JES 30:32 Elke slag van de stok die Jahwe laat neerkomen, wordt begeleid door tamboerijnen en citers. Onder reidansen voert Hij strijd tegen hem! JES 30:33 Al van te voren is de vuuroven klaargemaakt, die ook voor Moloch diende, een hoge en brede brandstapel met massa's hout voor het vuur. Als een stroom van zwavel steekt Jahwe's adem die aan! JES 31:1 Wee hen die naar Egypte trekken om hulp, die steun verwachten van paarden, vertrouwen op strijdwagens in groten getale en de geweldige macht van de ruiterij, maar niet opzien naar de Heilige van Israël en Jahwe geen raad vragen. JES 31:2 Maar ook Hij is wijs. Hij kan rampen zenden en op zijn beslissingen komt Hij niet terug. Hij neemt het op tegen het huis van de boosdoeners en tegen de helpers van boeven. JES 31:3 De Egyptenaren zijn mensen, geen goden, hun paarden zijn vlees, geen geest. Steekt Jahwe de hand uit, dan struikelen de helpers en vallen die geholpen worden; samen gaan zij ten onder. JES 31:4 Dit heeft Jahwe mij gezegd: Zoals leeuwen of leeuwenwelpen grommen bij hun prooi, zonder vrees voor de vele herders die hen met hun geschreeuw trachten te verjagen. en zonder zich daardoor te laten afschrikken, zo zal Jahwe van de legerscharen neerdalen om te strijden op de Sionsberg en op zijn heuveltop. JES 31:5 Zoals vogels heen en weer vliegen boven hun jongen, zo zal Jahwe van de legerscharen Jeruzalem beschermen; Hij zal het beschermen en redden, Hij zal het behoeden en bevrijden. JES 31:6 Israëlieten, keert terug naar Hem van wie gij zo ver zijt afgedwaald. JES 31:7 Op die dag werpt gij allen de zilveren en gouden afgoden weg, die uw handen hebben gemaakt om ermee te zondigen. JES 31:8 Dan valt Assur door een zwaard, maar niet door dat van een mens; en door dat van een zwaard, niet dat van een mens, wordt het verteerd; het slaat ervoor op de vlucht en zijn jonge mannen moeten dwangarbeid verrichten. JES 31:9 Dan vergaat de rots van Assur van schrik, zijn leiders deserteren in paniek, luidt de godsspraak van Jahwe, die een vuur heeft op de Sion en een haard in Jeruzalem. JES 32:1 Als de koning rechtvaardig regeert, en de bestuurders besturen naar recht, JES 32:2 is ieder van hen een beschutting tegen de wind, een schuilplaats tegen de stortregen, een waterloop in een dorre streek, de schaduw van een zware rots in een uitgedroogd land. JES 32:3 De ogen der zienden zijn dan niet langer dichtgestreken, de oren der horenden zijn weer gespitst. JES 32:4 Onbezonnen geesten komen tot inzicht en krijgen begrip, en de tong van stotteraars spreekt vloeiend en klaar. JES 32:5 Een dwaas wordt niet meer edelachtbaar genoemd en een bedrieger heet niet langer aanzienlijk. JES 32:6 Want een dwaas vertelt maar dwaasheid en zijn hart zint op kwaad; snode daden begaat hij en predikt afval van Jahwe. Hongerigen geeft hij niets te eten en dorstigen weigert hij een dronk. JES 32:7 De middelen van de bedrieger zijn bedrieglijk, hij broedt op plannen, om de armen door leugens om te brengen wanneer de behoeftige opkomt voor zijn recht. JES 32:8 Maar de edele mens maakt edele plannen en streeft naar edele dingen. JES 32:9 Trotse vrouwen, luistert naar mijn stem, zorgeloze dochters, hoort wat ik zeg. JES 32:10 Over een goed jaar zult gij zorgelozen beven van schrik: dan zal er geen wijnoogst meer zijn en is het gedaan met de pluk van het fruit. JES 32:11 Beeft, gij trotse vrouwen, siddert, gij zorgeloze dichters. Ontkleedt u tot op de huid, omgordt uw lenden met een boetekleed. JES 32:12 Klopt vol droefheid op uw borst om de welige akkers, de vruchtbare wingerds, JES 32:13 en de grond van mijn volk, waar distels en doornen zullen groeien, om al die huizen vol blijdschap, en die dartele stad, JES 32:14 want het paleis zal verlaten zijn, de bruisende stad ontvolkt. Van Ofel en Wachttoren blijven niets dan kale plekken over voor altijd: een lustoord voor wilde ezels, een weideplaats voor het vee, JES 32:15 totdat uit den hoge de geest over ons wordt uitgestort: dan wordt de woestijn als een boomgaard, en die boomgaard wordt met een woud gelijkgesteld. JES 32:16 Dan woont het recht in de woestijn, de gerechtigheid in de boomgaard. JES 32:17 En de gerechtigheid brengt vrede voort, rust en veiligheid zijn haar vruchten. JES 32:18 Dan woont mijn volk in een gebied van vrede, een veilige woonplaats, een oord van ongestoorde rust. JES 32:19 Het woud wordt helemaal gerooid en de stad wordt volledig neergehaald. JES 32:20 Gelukkig zijt gij, die overal zaait waar water is en runderen en ezels vrij kunt laten grazen. JES 33:1 Wee u verwoester, die zelf niet verwoest zijt, geweldenaar, zelf niet overweldigd! Als gij klaar zijt met verwoesten, wordt gij zelf verwoest; als gij ophoudt met uw gewelddadigheid, wordt gij zelf overweldigd! JES 33:2 Jahwe, erbarm U over ons, wij hopen op U! Wees iedere morgen weer onze hulp, onze redding ten tijde van nood. JES 33:3 Bij het horen van uw luid gedruis slaan de volken op de vlucht; als Gij opstaat, stuiven de naties uiteen. JES 33:4 Dan wordt de buit binnengehaald zoals de sprinkhanen dat doen: zoals kaalvreters aanstormen zo stort men zich erop. JES 33:5 Hoog verheven is Jahwe: Hij woont in den hoge en overlaadt Sion met recht en gerechtigheid. JES 33:6 Hij geeft duurzaamheid aan uw leven, wijsheid en kennis zijn een reddende schat, de vrees voor Jahwe is de rijkdom van Sion. JES 33:7 Op straat jammeren de mensen van Ariel, de vredeboden storten bittere tranen. JES 33:8 De wegen liggen verlaten, er is geen reiziger meer te zien. Verdragen zijn geschonden, overeenkomsten verbroken, geen mens wordt nog ontzien. JES 33:9 Het land is verdord en verkommerd, de Libanon is verwelkt en schaamt zich; de Saron wordt een woestijn, Basan en de Karmel hebben geen loof meer. JES 33:10 Nu grijp Ik in, zegt Jahwe, nu richt Ik Mij op, nu verhef ik Mij. JES 33:11 Van stro zijt gij zwanger, kaf zult gij baren, als een vuur zal mijn adem u verteren. JES 33:12 De volken worden tot kalk verbrand, als afgekapte doornstruiken door het vuur verslonden. JES 33:13 Zij die ver weg zijn horen wat Ik doe, die dichtbij zijn beseffen mijn kracht. JES 33:14 In Sion schrikken de zondaars, de bozen sidderen van angst: Wie van ons is tegen dit verterend vuur bestand? Wie houdt het uit bij die aanhoudende gloed? JES 33:15 Hij die de wegen van het recht gaat, die waarheid spreekt, die een afschuw heeft van gewelddadig gewin, die zijn handen weerhoudt om steekpenningen te aanvaarden, zijn oren toedrukt om bloeddorstige plannen niet te horen en de ogen sluit om geen deel te hebben aan het kwaad. JES 33:16 Zo iemand woont in den hoge, onaantastbaar is zijn vesting op de rotsen. Brood wordt hem geleverd, van water is hij steeds verzekerd. JES 33:17 Uw ogen zullen de koning in al zijn luister zien, een uitgestrekt land zult gij aanschouwen. JES 33:18 Terugdenkend aan de angst zult gij zeggen: Waar is hij gebleven die alles telde? Waar hij, die alles woog? Waar hij, die torens telde? JES 33:19 Nooit krijgt gij dat brutale volk nog te zien, dat volk met zijn onbegrijpelijke taal, zijn barbaarse en onverstaanbare tongval! JES 33:20 Kijk naar Sion, de stad van onze plechtige feesten, wend uw ogen naar Jeruzalem, de veilige plaats, de tent die niet wordt afgebroken, waarvan de pinnen niet worden uitgerukt en de touwen niet breken. JES 33:21 Daar toont Jahwe ons zijn macht, daar zijn brede rivieren en stromen, waar geen galeien op varen en geen machtige schepen passeren. JES 33:22 Want Jahwe is onze rechter, Jahwe onze wetgever, Jahwe onze koning: Hij alleen zal ons redden. JES 33:23 Uw touwen hangen slap, zij houden de mast niet meer recht en het zeil niet meer gehesen. Dan delen ook de blinden in de buit en plunderen zelfs de kreupelen mee. JES 33:24 Geen van Sions burgers zal dan nog verklaren: `Ik ben ziek'; het volk dat er woont, krijgt vergiffenis van zijn zonden. JES 34:1 Komt, volken, luistert, naties, hoort toe. Luister, aarde met al wat op u leeft, wereld met al uw bewoners. JES 34:2 De woede van Jahwe richt zich tegen alle volken, zijn toorn tegen al hun scharen; zij zijn tot de ondergang gedoemd, aan de slachting prijsgegeven. JES 34:3 Hun doden blijven liggen, de stank van de lijken stijgt op, de bergen druipen van hun bloed. JES 34:4 Heel de schare van de hemellichamen gaat ten onder, de hemel wordt opgerold als een boekrol, heel zijn legerschaar dwarrelt omlaag als blaren van de wijnstok en verdroogde vruchten van de vijg. JES 34:5 Want aan de hemel verschijnt Jahwe's zwaard, het komt neer op Edom en voltrekt het vonnis aan het volk dat ten ondergang is gedoemd. JES 34:6 Jahwe's zwaard druipt van het bloed, het zit vol vet, vol bloed van lammeren en bokken, vol niervet van rammen. Want Jahwe voltrekt een offer in Bosra, een geweldige slachting in Edom. JES 34:7 Ook buffels storten neer en runderen en hengsten; hun land is doordrenkt met bloed, de grond verzadigd van vet. JES 34:8 Want het is de dag van Jahwe's wraak, het jaar der vergelding voor de verdediger van Sion. JES 34:9 De beken van Edom verkeren in pek, de grond verandert in zwavel; een en al ziedende pek wordt het land. JES 34:10 Dag en nacht blijft het branden, altijd stijgt er rook uit op. Van geslacht op geslacht is het een puinhoop, nooit ofte nimmer betreedt iemand het nog. JES 34:11 Het is het domein van kauwen en velduilen, ibissen en raven huizen er. Het meetsnoer van de chaos heeft Hij erover gespannen, het paslood van de verwoesting, JES 34:12 saters lopen er rond. De adel is er niet meer, er zijn geen mensen over om iemand tot koning uit te roepen, alle leiders zijn verdwenen. JES 34:13 De paleizen zitten onder de doornstruiken, netels en distels overwoekeren de burchten; zij zijn het domein van jakhalzen, het verblijf van struisvogels. JES 34:14 Woestijndieren en hyena's komen er samen, saters ontmoeten elkaar. Ook Lilit vindt er rust, zij woont er ongestoord. JES 34:15 De pijlslang maakt er zijn nest, legt haar eieren en broedt ze uit. Zij breken open en de jongen kruipen in de schaduw bijeen. Het is een verzamelplaats voor gieren, zij vinden er elkaar telkens weer terug. JES 34:16 Gaat het maar na: in het boek van Jahwe staat te lezen dat geen van hen er zal ontbreken. Want zijn mond heeft het bevolen, zijn geest ze bijeengebracht. JES 34:17 Hij zelf heeft het lot voor hen geworpen, zijn hand heeft hun gebied met het meetsnoer verdeeld; het is hun bezit voor altijd, zij wonen er van geslacht op geslacht. JES 35:1 Laat de woestijn en het dorre land zich verheugen, de wildernis jubelen en bloeien, JES 35:2 weelderig bloeien als de krokus; laat zij uitbundig juichen en jubelen. Zij wordt getoond met de glorie van de Libanon, de luister van de Karmel en de Saron. Dan zal men de glorie van Jahwe zien, de luister van onze God. JES 35:3 Geeft de zwakke handen weer kracht, maakt sterk de bevende knieën. JES 35:4 Zegt tot allen die radeloos zijn: `Houdt moed, weest niet bang, hier is uw God, Hij brengt de wraak mee, de goddelijke vergelding, Hij brengt u redding.' JES 35:5 Dan worden de ogen van de blinden ontsloten en de oren van de doven geopend. JES 35:6 Dan danst de kreupele als een hert en juicht de tong van de stomme. En water welt op in de woestijn, rivieren in het dorre land. JES 35:7 Het verschroeide land wordt een meer, de dorstige grond een waterrijke fontein. Op de plaats waar jakhalzen lagen, groeien dan riet en papyrus. JES 35:8 Daar komt een gebaande weg die de heilige weg zal heten. Geen onreine zal die betreden die gaat zijn eigen weg , geen dwazen dwalen er rond. JES 35:9 Leeuwen zijn er niet en wilde dieren zullen er niet gaan, die zijn er niet meer te vinden. Alleen verlosten gaan erover; JES 35:10 de verlosten van Jahwe keren erover terug; en met gejubel bereiken zij Sion, met een kroon van eeuwige vreugde getooid. Blijdschap en vreugde zullen terugkeren, kommer en gezucht zullen wegvluchten. JES 36:1 In het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia rukte koning Sanherib van Assur tegen de versterkte steden van Juda op en nam ze alle in. JES 36:2 Toen zond de koning van Assur vanuit Lakis zijn intendant met een machtig leger naar koning Hizkia in Jeruzalem. Hij stelde zich op bij de waterleiding van de Bovenvijver op de weg naar het Blekersveld. JES 36:3 De hofmaarschalk Eljakim, de zoon van Chilkia, kwam naar hem toe, vergezeld van de schrijver Sebna en de raadsheer Joach, de zoon van Asaf. JES 36:4 De intendant zei tot hen: `Dit moet u Hizkia zeggen: Dit zegt de grote koning, de koning van Assur: Waar steunt dat vertrouwen van u eigenlijk op? JES 36:5 Denkt u soms dat woorden op de lippen hetzelfde zijn als beleid en militaire macht? Op wie vertrouwt u, dat u zich tegen mij durft verzetten? JES 36:6 U stelt uw vertrouwen kennelijk op Egypte, die geknakte rieten stok. Op zo'n riet kan niemand leunen zonder dat het hem dwars door zijn hand steekt. Zo vergaat het allen die vertrouwen op de Farao, de koning van Egypte! JES 36:7 En nu kunt u wel tegen mij zeggen: Op Jahwe onze God vertrouwen wij! Maar juist diens offerhoogten en altaren heeft Hizkia opgeruimd en hij heeft tot de mensen van Juda en Jeruzalem gezegd: Voor dit altaar, hier in Jeruzalem, moet u zich neerbuigen. JES 36:8 Ga een weddenschap aan met mijn heer, de koning van Assur: ik zal u tweeduizend paarden leveren, als u in staat bent daar berijders voor te leveren. JES 36:9 Hoe zoudt u dan de aanval kunnen afslaan van een enkele stadhouder, een van de minste dienaren van mijn heer? Of vertrouwt u op Egypte voor wagens en wagenmenners? JES 36:10 Zou ik trouwens, zonder dat Jahwe het wilde, naar dit land zijn opgerukt om het te verwoesten? Neen, Jahwe heeft tot mij gezegd: Ruk op naar dat land en verwoest het!' JES 36:11 Toen zeiden Eljakim, de zoon van Chilkia, en Sebna en Joach tot de intendant: `Spreek toch Aramees met uw dienaren: wij verstaan dat wel. U moet met ons geen Judees spreken, terwijl het volk op de muur het hoort.' JES 36:12 Maar de intendant antwoordde: `Heeft mijn heer mij met deze boodschap alleen naar uw heer en naar u gezonden? Toch ook naar de mannen die op de muur zitten en die, net als u, hun eigen drek zullen moeten eten en hun eigen water zullen moeten drinken?' JES 36:13 Toen stelde de intendant zich op en riep met luide stem in het Judees: `Hoort! Dit is het woord van de grote koning, de koning van Assur: JES 36:14 Dit zegt de koning: Laat u niet door Hizkia bedriegen, want hij kan u niet redden. JES 36:15 En laat Hizkia u niet verleiden tot vertrouwen op Jahwe, wanneer hij verzekert dat Jahwe u zal redden en dat deze stad niet in handen van de koning van Assur zal vallen. JES 36:16 Luister niet naar Hizkia. Dit zegt de koning van Assur: Geef u over en kom naar buiten, mij tegemoet; dan kan ieder de vruchten eten van zijn wijnstok en zijn vijgeboom en water drinken uit zijn eigen put, JES 36:17 totdat ik kom om u mee te nemen naar een land dat even goed is als het uwe, een land van koren en most, van brood en wijngaarden. JES 36:18 Anders zal Hizkia u bedriegen door te beweren dat Jahwe u redden zal. Is er onder de goden van de volken ooit een geweest die zijn land heeft kunnen redden uit de greep van de koning van Assur? JES 36:19 Waar waren de goden van Hamat en Arpad, waar de goden van Sefarwaim? Hebben zij Samaria uit mijn greep kunnen redden? JES 36:20 Is er onder al de goden van die landen een geweest die zijn land uit mijn greep heeft kunnen redden? Zou Jahwe Jeruzalem dan wel uit mijn greep kunnen redden?' JES 36:21 Zij zwegen; niemand zei een woord terug, want de koning had bevolen hem geen antwoord te geven. JES 36:22 De hofmaarschalk Eljakim, de zoon van Chilkia, de schrijver Sebna en de raadsheer Joach, de zoon van Asaf, begaven zich met gescheurde kleren naar Hizkia en brachten hem op de hoogte van wat de intendant gezegd had. JES 37:1 Toen koning Hizkia dit hoorde, scheurde hij zijn kleren doormidden, deed een zak om en begaf zich naar de tempel van Jahwe. JES 37:2 De hofmaarschalk Eljakim, de schrijver Sebna en de oudsten van de priesters zond hij, gekleed in zakken, naar de profeet Jesaja, de zoon van Amos. JES 37:3 Ze zeiden tot hem: `Dit zegt Hizkia: Dit is een dag van benauwenis, een dag van straf en schande: het kind ontsluit de baarmoeder, maar de kracht om te baren is er niet. JES 37:4 Moge Jahwe uw God de woorden gehoord hebben van de intendant, die door de koning van Assur, zijn heer, gezonden was om de levende God te honen. Moge Jahwe uw God hem voor die woorden straffen. Spreek dus een gebed uit voor de rest die is overgebleven.' JES 37:5 Toen de hovelingen van koning Hizkia bij Jesaja gekomen waren, JES 37:6 zei deze tot hen: `Dit moet gij uw heer zeggen: Dit zegt Jahwe: Laat u geen angst aanjagen door wat u gehoord hebt, de woorden waarmee die jongens van de koning van Assur mij gelasterd hebben. JES 37:7 Want Ik, Ik zal hem in paniek brengen, zodat hij op het horen van een bericht rechtsomkeert maakt naar zijn land; daar, in zijn eigen land, zal Ik hem door het zwaard doen om komen.' JES 37:8 De intendant, die vernomen had dat de koning van Assur uit Lakis weggetrokken was, ging heen en voegde zich bij de koning, die op dat ogenblik Libna belegerde. JES 37:9 Maar toen de koning vernam dat Tirhaka, de koning van Kus, opgerukt was om de strijd met hem aan te binden, zond hij gezanten naar Hizkia met de boodschap: JES 37:10 `Dit moet u zeggen tot Hizkia, de koning van Juda: Laat u niet bedriegen door uw God, op wie u vertrouwt, en meen niet dat Jeruzalem niet in de handen van de koning van Assur zal vallen. JES 37:11 U hebt toch zelf gehoord wat de koningen van Assur alle landen hebben aangedaan, die ze verwoest hebben? En zoudt u dan gered worden? JES 37:12 De volken die door mijn voorvaderen in het verderf zijn gestort, Gozan, Haran, Resef en de zonen van Eden in Telassar, zijn die door hun goden gered? JES 37:13 Waar zijn ze gebleven, de koningen van Hamat, van Arpad, van de stad Sefarwaim, van Hena en Iwwa?' JES 37:14 Hizkia nam de boodschap van de gezanten aan en las die. Toen ging hij naar de tempel en legde de brief open voor Jahwe. JES 37:15 En Hizkia bad daar, voor Jahwe, als volgt: JES 37:16 `Jahwe van de machten, God van Israël, die op de kerubs troont, Gij alleen zijt God over alle koninkrijken der aarde, Gij die de hemel en de aarde hebt gemaakt. JES 37:17 Jahwe, neig uw oor en luister, Jahwe, open uw ogen en zie toe: hoor met welke woorden Sanherib de levende God laat honen. JES 37:18 Inderdaad Jahwe, de koningen van Assur hebben alle volken en hun landen verwoest JES 37:19 en hebben hun goden in het vuur geworpen: het waren dan ook geen goden, maar slechts maaksels van mensenhanden, hout en steen; daarom konden zij die vernietigen. JES 37:20 Maar Gij, Jahwe onze God, verlos ons uit zijn greep, opdat alle koninkrijken der aarde erkennen dat alleen Gij, Jahwe, God zijt.' JES 37:21 Toen liet Jesaja, de zoon van Amos, tot Hizkia zeggen: `Dit zegt Jahwe, de God van Israël: Ik heb het gebed gehoord dat gij tot Mij gericht hebt omwille van Sanherib, de koning van Assur.' JES 37:22 Dit is het woord dat Jahwe tegen hem heeft uitgesproken: Zij veracht u, zij bespot u, de maagd, de dochter Sion; achter uw rug schudt zij het hoofd, de dochter Jeruzalem. JES 37:23 Wie is het die gij hebt gehoond en beschimpt, tegen wie gij uw stem hebt verheven, op wie gij hoogmoedig uw blik hebt gericht? Het is de Heilige van Israël! JES 37:24 Door uw dienaars hebt gij de Heer gehoond en gij hebt gezegd: `Met mijn talrijke wagens bestijg ik de hoogten van de bergen, de flanken van de Libanon, Ik vel zijn statige ceders, zijn prachtigste cypressen. Tot zijn verste hoogte dring ik door, tot de weelde van zijn hof. JES 37:25 Wateren van vreemde landen heb ik aangeboord en gedronken. Met mijn voetstap leg ik droog alle waterlopen van Egypte.' JES 37:26 Maar hebt gij dan nooit gehoord dat Ik, Jahwe, van oudsher dit heb voorbereid, dat Ik het sinds de oertijd heb beschikt? Nu laat Ik het gebeuren! Gij moest sterke steden verwoesten; gij moest ze tot puinhopen maken. JES 37:27 De inwoners, met machteloze handen, stonden ontsteld en beschaamd; zij werden als planten op het veld, als jong groen, als gras op het dak, als koren, verzengd voor het halmen schiet. JES 37:28 Maar waar gij ook staat of zit, gaat of komt, Ik weet het, en ook hoe gij tegen Mij tekeergaat. JES 37:29 En omdat gij tegen Mij tekeer zijt gegaan en om uw geschreeuw dat steeg naar mijn oren, leg Ik door uw neus een ring en tussen uw lippen een bit, en daarmee breng Ik u terug langs de weg die gij gekomen zijt. JES 37:30 En voor u, Hizkia, zal dit het teken zijn: dit jaar moet gij nog van de naoogst eten, het volgend jaar van wat vanzelf is opgekomen; het derde jaar kunt gij zaaien en oogsten, wijngaarden planten en daar de vruchten van genieten. JES 37:31 Wat er gespaard blijft van het huis van Juda, die rest zal weer wortel schieten naar beneden en vruchten dragen naar boven. JES 37:32 Want uit Jeruzalem komt een rest, van de berg Sion komt wat gespaard blijft: de ijverzuchtige liefde van Jahwe der legerscharen zal dit bewerken. JES 37:33 Daarom zegt Jahwe dit over de koning van Assur: Hij komt deze stad niet binnen, geen pijl schiet hij op haar af, met geen schild komt hij haar te na, geen wal werpt hij tegen haar op. JES 37:34 Langs de weg die hij gekomen is keert hij terug, en deze stad komt hij niet binnen. Zo luidt de godsspraak van Jahwe. JES 37:35 Ik neem deze stad onder mijn hoede om haar te redden, omwille van Mijzelf en omwille van David, mijn dienaar. JES 37:36 De engel van Jahwe trok uit en hij doodde in de legerplaats van Assur honderdvijfentachtigduizend man; 's morgens vroeg lagen er niets dan lijken. JES 37:37 Sanherib, de koning van Assur, brak op, keerde naar zijn land terug en bleef in Nineve. JES 37:38 En toen hij daar eens neergebogen lag in de tempel van zijn god Nisrok, doodden zijn zonen Adrammelek en Sareser hem met het zwaard; zij ontkwamen naar het land Ararat. Zijn zoon Esarhaddon volgde hem als koning op. JES 38:1 In die dagen werd Hizkia dodelijk ziek. De profeet Jesaja, de zoon van Amos, ging naar hem toe en zei tot hem: `Dit zegt Jahwe: stel orde op uw huis, want gij gaat sterven en zult niet in leven blijven.' JES 38:2 Toen keerde Hizkia zijn gezicht naar de muur en bad tot Jahwe: JES 38:3 `Ach Jahwe, bedenk toch hoe ik onder uw ogen geleefd heb met een trouw en toegewijd hart, en hoe ik gedaan heb wat U behaagt.' En Hizkia weende luid. JES 38:4 Het woord van Jahwe kwam tot Jesaja: JES 38:5 `Ga aan Hizkia zeggen: Dit zegt Jahwe, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, uw tranen gezien. Ik zal aan uw leven vijftien jaar toevoegen; JES 38:6 Ik zal u en deze stad uit de greep van de koning van Assur redden en Ik neem deze stad onder mijn hoede. JES 38:7 Dit is het teken dat Jahwe u zal geven om u te laten weten dat Jahwe inderdaad het woord zal nakomen dat Hij gesproken heeft. JES 38:8 Ik laat op de trap van Achaz de schaduw die de zon al tien treden omlaag heeft doen gaan, tien treden omhoog gaan.' En de zon keerde tien treden terug op de treden die ze reeds afgedaald was. JES 38:9 Gedicht van Hizkia, koning van Juda, bij zijn genezing. JES 38:10 Ik dacht: Jammerend over mijn leven moet ik heengaan, ik ben veroordeeld om de rest van mijn jaren door te brengen binnen de poorten van het dodenrijk. JES 38:11 Ik dacht: In het land van de levenden zal ik Jahwe nooit meer aanschouwen; ik zal geen mens meer zien als ik met de bewoners van de onderwereld verkeer. JES 38:12 Mijn woning wordt neergehaald en boven mij weggerukt als de tent van een herder. Gij rolt mijn leven op als een stuk linnen dat een wever afsnijdt van het getouw. Heel de dag door, tot in de nacht, doet Gij mij verkommeren. JES 38:13 Tot aan de morgen toe word ik uitgemergeld; als een leeuw vermorzelt Hij al mijn botten, heel de dag door, tot in de nacht, doet Gij mij verkommeren. JES 38:14 Mijn gekerm is als het piepen van een zwaluw, van een lijster, als het kirren van een duif. Mijn ogen zien uitgeput naar omhoog. Heer, ik word gekweld, kom voor mij op! JES 38:15 Wat kan ik zeggen, hoe de Heer aanspreken, nu Hij voor mij optreedt? Ik kan mijn leven vervolgen ondanks de geleden ellende. JES 38:16 Heer, van zulke ervaringen kunnen mensen leven, ook mijn eigen leven wekken ze weer op. Houd Mij gezond en laat mij leven. JES 38:17 Mijn ellende is in vrede verkeerd, Gij immers hebt mij geheeld, mij uit het graf van de ondergang gered. Al mijn zonden hebt Gij weggedaan, Gij hebt ze de rug toegekeerd. JES 38:18 Het dodenrijk brengt U geen lof, de doden prijzen U niet. Wie in het graf is afgedaald hoopt niet meer op uw trouw. JES 38:19 Levende mensen alleen kunnen U loven, zoals ik heden doe. Een vader alleen maakt zijn zonen bekend met uw trouw. JES 38:20 Jahwe staat gereed om mij te redden; wij zullen dan ook op de snaren spelen bij Jahwe's huis, alle dagen dat wij leven. JES 38:21 Jesaja had gezegd: `Haal een vijgekoek en leg die op zijn gezwel, dan zal hij weer opleven.' JES 38:22 Daarop had Hizkia gevraagd: `Aan welk teken kan ik zien dat ik weer zal opgaan naar de tempel van Jahwe?' JES 39:1 In die tijd zond Merodak baladan, de zoon van Baladan en koning van Babel, gezanten naar Hizkia met een brief en geschenken, want hij had gehoord dat Hizkia ziek was. JES 39:2 Hizka was er zo blij mee dat hij hun zijn schatkamer toonde, het zilver en het goud, het reukwerk en de kostbare olie, het tuighuis en alles wat er in zijn voorraadkamers opgeslagen lag. Er was in zijn paleis en in heel zijn rijk niets meer over dat Hizkia hun niet had laten zien. JES 39:3 Toen begaf de profeet Jesaja zich naar koning Hizkia en vroeg: `Wat hebben deze mannen gezegd? Waar kwamen ze vandaan?' Hizkia antwoordde: `Ze kwamen uit een ver land, uit Babel.' JES 39:4 Daarop vroeg Jesaja: `Wat hebben zij in uw paleis allemaal gezien?' Hizkia antwoordde: `Alles wat er is hebben zij gezien; er is niets in mijn voorraadkamers dat ik hun niet getoond heb.' JES 39:5 Toen zei Jesaja tot Hizkia: `Luister naar het woord van Jahwe van de legerscharen: JES 39:6 De dagen komen dat alles wat er in uw paleis te vinden is, alles wat uw voorvaderen tot vandaag toe opgestapeld hebben, naar Babel wordt overgebracht. Niets blijft er over. Jahwe heeft het gezegd. JES 39:7 En sommige van de zonen die van u zullen afstammen, die gij zult verwekken, zullen worden weggevoerd om hofjonker te worden in het paleis van de koning van Babel.' JES 39:8 Hizkia gaf Jesaja ten antwoord: `Het woord van Jahwe dat u gesproken hebt is een goed woord.' En Hizkia dacht bij zichzelf: `Mij is het goed, als in mijn tijd de vrede maar behouden blijft.' JES 40:1 Bemoedigt, bemoedigt mijn volk, spreekt uw God. JES 40:2 Spreekt tot het hart van Jeruzalem en roept het toe dat zijn diensttijd voorbij is, dat zijn schuld is voldaan, dat het uit Jahwe's hand ontvangen heeft een dubbele straf voor al zijn zonden. JES 40:3 Hoort, iemand roept: `Bereidt Jahwe een weg in de woestijn, in het dorre land een rechte baan voor onze God. JES 40:4 Elk dal moet worden opgehoogd, en elke berg en heuvel afgegraven; oneffen plekken moeten vlak gemaakt worden en ruige gronden worden vrijgelegd. JES 40:5 Jahwe's glorie zal zich openbaren, en alle mensen zullen haar eenparig zien. Voorwaar, de mond van Jahwe heeft gesproken.' JES 40:6 Hoort, iemand zegt: `Roep!' En ik zeg: `Wat zal ik roepen?' Alle mensen zijn gras en hun trouw niets dan een veldbloem JES 40:7 Het gras verdort, de bloem verwelkt wanneer de adem van Jahwe erover waait; waarlijk, gras is dit volk! JES 40:8 Het gras verdort, de bloem verwelkt, maar het woord van onze God houdt in eeuwigheid stand.' JES 40:9 Klim op een hoge berg, met uw boodschap van vreugde, gij Sion, verhef met kracht uw stem, gij Jeruzalem, bode van vreugde, verhef ze, en wees niet bevreesd. Zeg tot de steden van Juda: `Hier is uw God.' JES 40:10 Hier is de Heer, Jahwe, komend in kracht; de heerschappij is in zijn hand; zie, zijn loon draagt Hij mee, en zijn zegeteken gaat voor Hem uit. JES 40:11 Als een herder zal Hij zijn kudde weiden; in zijn arm brengt Hij de lammeren samen en draagt ze aan zijn borst terwijl Hij de ooien voortleidt. JES 40:12 Wie heeft het water gepeild met de palm van zijn hand en de hemel met de handspan gemeten, wie in een maatje het stof van de aarde afgepast, de bergen in een weegschaal gelegd, en de heuvels in een balans afgewogen? JES 40:13 Wie kan de geest van Jahwe meten, en wie heeft Hem raad en onderricht gegeven? JES 40:14 Met wie heeft Hij beraadslaagd om inzicht te krijgen, om de weg van het recht te weten, om de weg van het inzicht te verstaan? JES 40:15 Zie, de volkeren zijn niet meer dan de druppel aan een emmer, betekenen zo weinig als een stofje op de weegschaal; zie, de eilanden weegt Hij als poeder. JES 40:16 De Libanon levert geen brandhout genoeg, geen dieren genoeg voor een offer aan Hem. JES 40:17 Alle volkeren zijn als niets in zijn oog, minder dan nul en nietigheid zijn zij voor Hem. JES 40:18 Met wie zoudt gij God vergelijken en welke voorstelling zoudt gij u van Hem maken? JES 40:19 Een vakman giet een beeld, een smid beslaat het met goud, en smeedt ketens van zilver. JES 40:20 Wie een votiefbeeld wil maken, kiest een stuk hout zonder molm, zoekt een vakman met ervaring die het beeld vast kan zetten, zodat het niet wankelt. JES 40:21 Weet gij het dan niet? Hoort gij het soms niet? Werd het u niet verkondigd vanaf den beginne? Hebt gij het niet begrepen sinds de grondvesting der wereld? JES 40:22 Hij troont op het gewelf dat de aarde overhuift, Hij, voor wie haar bewoners als sprinkhanen zijn; Hij spreidt de hemelen als een sluier uit, en spant ze als een tent waarin men kan wonen, JES 40:23 Hij maakt notabelen tot niets, de rechters dezer aarde tot een nietigheid. JES 40:24 Zij zijn te nauwer nood geplant, te nauwer nood gezaaid, te nauwer nood is de telg die zij zijn in de aarde geworteld, of reeds blaast Hij over hen en zij verdorren, en een stormwind neemt hen op als waren zij kaf. JES 40:25 `Met wie zult gij Mij dan vergelijken, met wie Mij gelijkstellen?' zegt de Heilige. JES 40:26 Heft uw ogen omhoog en ziet: wie heeft dat alles geschapen? Hij, die hun legerscharen in vollen getale uitrukken doet en ze alle bij name roept; zo groot is zijn macht, zo geweldig zijn kracht, dat er niet een ontbreekt. JES 40:27 Waarom zegt gij, Jakob, spreekt gij, Israël: `Mijn weg is voor Jahwe verborgen, en wat mijn recht is, ontgaat aan mijn God?' JES 40:28 Weet gij het niet of hebt gij het niet gehoord? Jahwe is een God van eeuwigheid, hij heeft de verste hoeken der aarde geschapen. Hij wordt niet moe noch uitgeput, zijn inzicht is niet te doorgronden. JES 40:29 Hij geeft aan de vermoeide weer sterkte, aan de onvermogende een overvloed van kracht. JES 40:30 Ook wie jong is wordt moe en raakt uitgeput, en jonge mannen kunnen zeker bezwijken, JES 40:31 maar zij, die bouwen op Jahwe, vernieuwen hun kracht en slaan hun vleugels als adelaars uit; zij lopen en worden niet moe, zij rennen en raken niet uitgeput. JES 41:1 Wendt u, eilanden, zwijgend naar Mij. Laat de volken hun krachten vergaren en nadertreden om het woord te doen; laten wij te zamen voor de rechterstoel gaan staan. JES 41:2 Wie heeft de man doen opstaan in het oosten, die zegepraal ontmoet waar hij zijn voeten zet? Wie levert volken aan hem uit en legt hun vorsten voor hem neer? Zijn zwaard maakt stof van hen en zijn boog jaagt hen als kaf uiteen. JES 41:3 Hij zit hen na en ongedeerd vervolgt hij zijn weg die zijn voeten nauwelijks raken. JES 41:4 Wie heeft het gedaan en bewerkt? Hij, die vanaf den beginne alle geslachten in het aanzijn roept. Ik alleen, Jahwe, de allereerste, die ook de allerlaatste zal zijn. JES 41:5 De eilanden zien en vrezen, de verste hoeken der aarde schrikken. JES 41:6 De een helpt de ander en zegt tot zijn broer: `Houd moed!' JES 41:7 De vakman moedigt de smid aan, de polijster met zijn hamer hem die op het aambeeld slaat; hij zegt van een soldering: `Dat is in orde.' Hij bevestigt het beeld dan met spijkers, zodat het niet wankelt. JES 41:8 Maar gij Israël, mijn dienstknecht, Jakob, die Ik uitverkoren heb, nazaat van Abraham, mijn vriend, JES 41:9 op wie Ik mijn hand heb gelegd in de verste hoeken, die Ik uit afgelegen oorden geroepen heb, tot wie Ik sprak: `Mijn dienstknecht zijt gij, die Ik uitverkoren heb en niet verworpen': JES 41:10 Wees niet bevreesd, want Ik ben met u; wees niet beangst, want Ik ben uw God; Ik maak u sterk en sta u bij, Ik ondersteun u met mijn zegenrijke rechterhand. JES 41:11 Zie, allen die woedend zijn op u moeten blozen van schaamte. Nietig worden zij en zij vergaan, de mannen, die tegen u in het krijt zijn getreden. JES 41:12 Als gij hen zoekt, zult gij ze niet meer vinden, die mannen, die u hebben aangeklaagd; zij worden nul en niet, die mannen, die u bestrijden. JES 41:13 Want Ik, Jahwe, Ik ben uw God, die u vasthoudt bij uw rechterhand, die u zegt: `Wees niet bevreesd, Ik sta u bij.' JES 41:14 Wees niet bevreesd, Jakob, gij wormpje, gij wichtje, Israël. Ik sta u bij, luidt de godsspraak van Jahwe, de Heilige van Israël is uw verlosser. JES 41:15 Zie, Ik maak een dorsslee van u, scherp, nieuw, met dubbele snede; bergen zult gij dorsen en verpulveren, heuvels behandelen als kaf. JES 41:16 Een wind waait ze weg als gij ze want, en een storm blaast ze uiteen; maar gij zult juichen om Jahwe, vol trots zingen, Israëls Heilige ter eer. JES 41:17 Armen en misdeelden zoeken water en het is er niet, hun tong is van de dorst verdroogd. Ik, Jahwe, zal hen verhoren; Ik, de God van Israël, verlaat hen niet. JES 41:18 Op kale plekken doe Ik beken ontspringen, en bronnen midden in de vlakten. Van de woestijn maak Ik een waterplas, een waterader wordt het dorre land. JES 41:19 Ik plant in de woestijn ceder en acacia, mirte en olijf; Ik zal in het dorre land cypressen zetten, olmen en buksbomen, alle bijeen. JES 41:20 Zo zal men inzien en erkennen, ter harte nemen en begrijpen, allen eenparig, dat Jahwe's hand dit heeft gedaan, dat Israëls Heilige het geschapen heeft. JES 41:21 Legt uw eisen voor, zegt Jahwe; voert uw argumenten aan, zegt Jakobs Koning. JES 41:22 Laat hen naderen en ons verkondigen wat er gebeuren zal. Wat vroeger is geschied, hebben zij daarvan iets aangekondigd dat onze aandacht verdient? Of doet ons horen wat nog gebeuren gaat, dan zouden wij de toekomst te weten komen. JES 41:23 Kondigt aan wat er na dezen gaat gebeuren, dan zullen wij erkennen dat gij goden zijt; verricht iets goeds of iets kwaads, en wij zullen u eerbiedig vrezen. JES 41:24 Ziet, zelf zijt gij minder dan niets en uw werken zijn nul, een gruwel is hij die voor u kiest. JES 41:25 Ik heb hem doen opstaan in het noorden en hij is gekomen; van de opgang der zon roept men hem bij name. Als slijk vertrapt hij de vorsten, hij treedt hen met voeten zoals een pottenbakker zijn leem. JES 41:26 Wie heeft het vooraf aangekondigd en ons doen weten, lang van tevoren zodat wij nu zeggen: `Het is juist?' Maar niemand kondigde iets aan, niemand liet het horen, niemand die woorden van u heeft vernomen. JES 41:27 Als eerste heb Ik het Sion verkondigd, heb Ik aan Jeruzalem een vreugdebode gezonden. JES 41:28 Ik zie naar hen uit, maar niemand is er, niemand die Mij raden kan, Mij antwoord geven als Ik vragen stel. JES 41:29 Zie, allen zijn zij niets, en hun daden zijn nul, wind en voosheid zijn hun godenbeelden. JES 42:1 Zie hier mijn dienstknecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene, die Mij welgevallig is. Ik heb mijn geest op hem gelegd, en hij maakt de volkeren het recht openbaar. JES 42:2 Hij roept niet en schreeuwt niet, hij laat zijn stem niet horen op straat. JES 42:3 Het gekwetste riet zal hij niet breken en de kwijnende vlaspit blaast hij niet uit. Waarlijk, het recht maakt hij openbaar. JES 42:4 Hij zal niet kwijnen en niet worden gekwetst, maar vestigt het recht op de aarde en de eilanden zullen zijn boodschap verbeiden. JES 42:5 Zo spreekt Jahwe, de ene God, die de hemel geschapen en uitgespannen heeft en de aarde gespreid met al wat zij voortbrengt, die adem geeft aan hen die er wonen en levensgeest aan allen die er hun wegen gaan. JES 42:6 Ik Jahwe zelf, heb u geroepen om heil te brengen, Ik neem u bij de hand, Ik vorm u en bestem u om de man te zijn van mijn verbond met het volk, het licht voor de naties, JES 42:7 om blinde ogen te ontsluiten, om gevangenen uit de kerker te bevrijden, uit de gevangenis degenen die wonen in de duisternis. JES 42:8 Ik ben Jahwe, dat is mijn naam, mijn glorie deel Ik met geen ander, mijn roem niet met de godenbeelden. JES 42:9 Wat vroeger gezegd is kwam uit en nieuwe dingen kondig Ik u aan, Ik laat ze u horen nog voor ze ontkiemen. JES 42:10 Zingt een nieuw lied, Jahwe ter eer, zijn lof moet weerklinken van de verste hoeken der aarde; laat ruisen de zee met al wat er leeft, de eilanden en hun bewoners. JES 42:11 Luide moet roepen de woestijn met haar steden en de dorpen waar Kedar woont; laat juichen de burgers van Sela, luidkeels, van de toppen der bergen. JES 42:12 Laten zij Jahwe's glorie bezingen, en zijn roem op de eilanden verkondigen. JES 42:13 Jahwe rukt uit als een held, als een krijgsman, laaiend van strijdlust, uitbundig laat Hij zijn strijdkreet weerklinken, krijgshaftig gaat Hij zijn vijand te lijf. JES 42:14 Lang heb Ik gezwegen, mij stilgehouden en bedwongen: nu kerm Ik als een vrouw die baren gaat, moet snuiven en briesen. JES 42:15 Teisteren zal Ik bergen en heuvels en al hun gewas doen verdrogen; van rivieren maak Ik eilanden en waterplassen leg Ik droog. JES 42:16 Ik voer blinden langs wegen die zij niet kennen, langs onbekende paden geleid Ik hen. Voor hen uit verander ik het duister in licht, en maak Ik ruwe plekken vlak. Dit alles doe Ik en laat hen niet in de steek. JES 42:17 Zij deinzen terug, blozend van schaamte, die lieden die op afgodsbeelden bouwen en tot gietstukken zeggen: `Gij zijt onze goden.' JES 42:18 Luistert, gij doven; gij blinden, kijkt toe om te zien. JES 42:19 Wie is zo blind als mijn dienstknecht en zo doof als de bode, door Mij gezonden? Wie is zo blind als de godgewijde, zo blind als de dienstknecht van Jahwe? JES 42:20 Veel hebt gij gezien, maar het niet onthouden, uw oren waren wijd open, maar ge hebt niets gehoord. JES 42:21 Het heeft Jahwe behaagd, omdat Hij wilde redden, zijn boodschap groots en heerlijk te doen zijn. JES 42:22 Maar zijn volk is beroofd en uitgeschud, allen in holen gevangen en in kerkers verborgen. Zij zijn geplunderd en er is niemand die redt, zij zijn uitgeschud en er is niemand die zegt: `Geef terug.' JES 42:23 Wie onder u heeft hier aandacht aan besteed, de oren gespitst en er met het oog op later naar geluisterd? JES 42:24 Wie heeft Jakob prijsgegeven aan de plunderaars en Israël aan de rovers? Wie anders dan Jahwe, tegen wie zij gezondigd hebben, wiens wegen zij niet wilden gaan en wiens boodschap zij niet wilden horen! JES 42:25 Hij liet zijn laaiende toorn de vrije loop, en goot oorlogsgeweld over hen uit, zij werden alom verzengd, maar zagen de reden niet in, maar namen niets ter harte. JES 43:1 Maar, zo spreekt Jahwe die u geschapen heeft, o Jakob, en die u, Israël, heeft gevormd: Wees nu niet bevreesd, want Ik heb u verlost, u geroepen bij uw naam: gij zijt van Mij. JES 43:2 Trekt gij door water, Ik ben bij u, gaat gij door rivieren, zij overspoelen u niet. Moet gij door vuur heen, gij zult u niet branden, en de vlammen deren u niet. JES 43:3 Want Ik ben Jahwe, uw God, de Heilige van Israël, uw Redder; Egypte geef Ik om u los te kopen, Kus en Seba geef Ik in uw plaats: JES 43:4 zo kostbaar zijt gij in mijn ogen, zo waardevol: Ik heb u lief. Andere mensen geef Ik in uw plaats en volken in ruil voor uw leven. JES 43:5 Wees niet bevreesd, want Ik ben bij u. Van het oosten breng Ik uw kroost en van het westen verzamel Ik u. JES 43:6 Ik zeg tot het noorden: Geef hier, en tot het zuiden: Houd hen niet vast; breng mijn zonen uit de verte en mijn dochters van de uithoeken der aarde, JES 43:7 allen die naar mijn naam zijn genoemd, die Ik tot mijn glorie heb geschapen, heb gevormd en gemaakt. JES 43:8 Laat nu het volk voorkomen, dat blind is en toch ogen heeft, en de doven, die toch oren hebben. JES 43:9 Alle naties komen samen en de volkeren zijn vergaderd. Wie onder hen heeft zoiets aangekondigd, en ons doen horen wat vroeger is gebeurd? Laat ze komen met getuigen, die hun gelijk bewijzen; laat anderen naar hen luisteren om te kunnen zeggen: `Het is waar.' JES 43:10 Gij zijt mijn getuigen, zo luidt de godsspraak van Jahwe, en mijn dienstknecht, die Ik heb uitverkoren, gij moet inzien en in Mij geloven, gij moet begrijpen dat Ik het ben. Eerder dan Ik werd er geen god gevormd, en ook na Mij zal er geen zijn. JES 43:11 Ik, Ik alleen ben Jahwe, en een redder buiten Mij is er niet. JES 43:12 Ik kondig aan, red en doe Mij horen, Ik, en geen vreemde god in uw midden. Gij zijt mijn getuigen, - luidt de godsspraak van Jahwe -: Ik alleen ben God. JES 43:13 Ik ben het ook nu nog; er is niemand, die aan mijn hand ontrukt. Als Ik iets doe, wie maakt het dan ongedaan? JES 43:14 Zo spreekt Jahwe, uw Verlosser, de Heilige van Israël: Omwille van u zend Ik iemand naar Babel en alle sluitbomen haal Ik omlaag en de Chaldeeën zullen kermen en klagen. JES 43:15 Ik ben Jahwe, uw Heilige, de Schepper van Israël, uw Koning. JES 43:16 Zo spreekt Jahwe, die een weg legt in de zee, en in machtige wateren een pad, JES 43:17 die wagens en paarden en heel de macht van het leger uitrukken deed; nu liggen zij neer, zij staan nooit meer op, gedoofd en als een vlaspitje uitgegaan : JES 43:18 Klampt u niet vast aan wat vroeger gebeurd is en geeft niet al uw aandacht aan wat eens is geschied; JES 43:19 Zie, iets nieuws ga Ik maken, het is al aan het kiemen, weet gij dat niet? Ja, een weg ga Ik leggen in de woestijn, en rivieren in het dorre land. JES 43:20 Wilde dieren zullen Mij verheerlijken, jakhalzen en struisen; want Ik geef water in de woestijn, rivieren in het dorre land, om mijn uitverkoren volk te laven. JES 43:21 Het volk, dat Ik Mij heb gevormd, Het zal van mijn lof gewagen. JES 43:22 Gij hebt Mij niet geroepen, Jakob, u om Mij niet moegemaakt, o Israël. JES 43:23 Brandoffers van schapen hebt gij Mij niet gebracht en uw offers verheerlijkten Mij niet; Ik heb u niet de last van meeloffers opgelegd, en Ik heb u om wierook niet vermoeid. JES 43:24 Gij hebt uw zilver niet besteed aan welriekend kruid, Mij ter eer, noch Mij met het vet van uw offers verzadigd. Gij hebt Mij slechts de last van uw zonden opgedrongen en Mij met uw misdaden moe gemaakt. JES 43:25 Toch wis Ik, en niemand anders, uw weerspannige daden uit om wat Ik ben en Ik zal uw zonden niet langer indachtig zijn. JES 43:26 Klaagt Mij aan, wij maken er een rechtszaak van, bepleit uw zaak en laat eens zien dat gij gelijk hebt. JES 43:27 Uw stamvader heeft al gezondigd en uw woordvoerders waren weerspannig tegen Mij. JES 43:28 Ik heb dan ook uw gewijde leiders omgebracht, Jakob aan de vernieling prijsgegeven en Israël aan de versmading. JES 44:1 Nu dan, luister, Jakob, mijn dienstknecht, gij, Israël, die Ik verkozen heb. JES 44:2 Zo spreekt Jahwe, uw Maker, die u gevormd heeft van de moederschoot af, en u bijstaat: Wees niet bevreesd, mijn dienstknecht, Jakob, Jesurun, die Ik heb uitverkoren. JES 44:3 Want Ik zal water laten stromen op dorstige aarde en beken op droge grond. Ik zal mijn geest laten stromen over uw nazaat, en mijn zegen over uw telgen; JES 44:4 zij zullen gedijen als de groene tamarisk, als wilgen langs het vlietende water. JES 44:5 De ene zal zeggen: Jahwe hoor ik toe, en de ander zich noemen met Jakobs naam; en weer een ander schrijft op zijn hand: Van Jahwe, en neemt de naam van Israël aan. JES 44:6 Zo spreekt Jahwe, Israëls koning en verlosser, Jahwe van de legerscharen: Ik ben de eerste en Ik ben de laatste, en buiten Mij is niemand god! JES 44:7 Wie is aan Mij gelijk? Laat hem spreken, het verkondigen en voor Mij bewijzen. Wie heeft vooraf verkondigd wat ging gebeuren? En laat men Ons openbaren wat er nog komen gaat. JES 44:8 Weest niet beangst of radeloos: heb Ik het u niet van oudsher bekend gemaakt en verkondigd? Gij zijt mij getuigen: is er een god buiten Mij? Er is geen andere rots, Ik ken er geen! JES 44:9 De makers van beelden zijn allen niets, hun lievelingen baten niets, en die voor hen getuigen zien het niet en begrijpen het niet, tot hun beschaming. JES 44:10 Wie boetseert of giet nu een godenbeeld dat niet baat? JES 44:11 Zie, al zijn aanhangers zullen beschaamd worden; de makers ervan zijn niet meer dan mensen. Dat zij allen samenkomen en voor het gerecht verschijnen, dan zullen zij sidderen van angst en beschaamd zijn. JES 44:12 De smid maakt een vuur en smeedt een bijl; hij bewerkt die met zijn sterke hand. Dan krijgt hij honger, zijn kracht is verdwenen; zo hij niet drinkt, raakt hij uitgeput. JES 44:13 De timmerman bepaalt de maten van het beeld en tekent het uit met de stift; dan bewerkt hij het hout met de beitel en gaat alles na met de passer. Hij maakt het naar het model van een man en geeft het een mooie menselijke vorm om het in een tempel te plaatsen. JES 44:14 Hij hakt een ceder om, een linde of een eik, die hij samen met andere bomen heeft gekweekt, of een pijnboom, die hij zelf heeft geplant en die door de regen is opgegroeid. JES 44:15 De mensen verbranden dat hout om er zich aan te verwarmen; zij leggen er vuur mee aan om brood te bakken; of zij maken er een god uit, waarvoor zij zich neerwerpen, een beeld dat zij aanbidden. JES 44:16 Een gedeelte verbranden zij; op een ander deel braden zij het vlees, waarmee zij hun honger stillen; zij verwarmen zich eraan en zeggen: `Ha, lekker warm dat vuur.' JES 44:17 En van de rest maken zij dan een god, een beeld dat zij aanbidden. Zij knielen er voor neer en smeken: `Red ons, want gij zijt onze god.' JES 44:18 Zij zijn dom en onwetend, want hun ogen zijn verblind zodat zij niets zien, en hun geest is van inzicht verstoken. JES 44:19 Het dringt niet tot hen door, hun begrip reikt niet zover dat zij zeggen: `De helft verbranden wij en op de houtskool bakken wij brood en braden wij vlees dat wij eten; van de rest maken wij dan een verwerpelijk beeld en voor dat hout knielen wij neer.' JES 44:20 Wie zich verlaat op zo'n brandbaar stuk hout, wordt misleid door een bedrogen geest. Hij vindt geen redding en vraagt zich niet eens af: `Houd ik geen leugen in mijn hand?' JES 44:21 Wees dit alles indachtig, gij Jakob, gij, Israël, die immers mijn dienstknecht zijt. Ik heb u gevormd, mijn dienstknecht zijt gij; Israël, gij wordt door Mij niet vergeten. JES 44:22 Uw weerspannige daden heb Ik weggewist als een wolk, uw zonden als een nevel; keer tot Mij terug, want Ik ben uw Verlosser. JES 44:23 Jubelt, hemelen, want Jahwe heeft gehandeld, juicht, diepten der aarde, breekt in gejubel uit, gij bergen, gij woud, met al uw bomen, want Jahwe heeft Jakob verlost, en in Israël zijn glorie getoond. JES 44:24 Zo spreekt Jahwe, uw Verlosser, die u gevormd heeft van moeders schoot af: Ik ben Jahwe, de maker van alles, die de hemel gespannen heeft, heel alleen, en de aarde uitgebreid, en wie was er bij Mij? JES 44:25 die de tekenen van wichelaars te niet doet, en de waarzeggers tot dwazen maakt; die wijzen terug doet treden en hun kennis in dwaasheid verandert, JES 44:26 die het woord van zijn dienstknecht vervult, en het plan, door zijn boden verkondigd, volbrengt, die over Jeruzalem zegt: `Het moet weer bewoond zijn', en over Juda's steden: `Zij worden herbouwd, de puinen zal Ik herstellen'. JES 44:27 Die zegt tot de diepte: `Word droog. uw stromen doe Ik verdorren', JES 44:28 die zegt over Kores: `Hij is mijn herder en al wat Mij behaagt brengt hij tot stand'; die over Jeruzalem zegt: `Het worde herbouwd', en tot de tempel: `Word opnieuw gegrondvest'. JES 45:1 Zo spreekt Jahwe tot Kores zijn gezalfde,, die Ik bij de rechterhand heb genomen, om volken voor hem neer te leggen en koningen de gordels van de heupen te rukken, en voor hij komt de deuren te ontsluiten, zonder dat een poort gesloten blijft: JES 45:2 Ik zal voor u uitgaan, steilten maak Ik vlak voor u, bronzen deuren zal Ik breken en ijzeren sluitbomen verpletteren. JES 45:3 Geheime schatten geef Ik u, voorraden die verborgen zijn, zo zult gij erkennen dat Ik Jahwe ben, die u roept bij uw naam, de God van Israël. JES 45:4 Omwille van Jakob mijn dienstknecht, om Israël mijn uitverkorene, heb Ik u bij uw naam geroepen, u een erenaam gegeven en gij kende Mij niet. JES 45:5 Ik ben Jahwe en niemand anders, buiten Mij is er geen god; Ik omgord u, en gij kent Mij niet. JES 45:6 Zo zullen zij erkennen, van de opgang der zon tot aan haar ondergang, dat er niemand anders is dan Ik alleen: Ik ben Jahwe, en niemand anders. JES 45:7 Ik, die het licht vormt en de duisternis schept, die vrede maakt en onheil schept, Ik, Jahwe, ben het die dit alles doet. JES 45:8 Hemelen, laat uw hoogten druipen van gerechtigheid, en laat haar stromen uit het zwerk. Aarde, open uw schoot en laat het heil ontbloeien en de gerechtigheid ontkiemen eveneens. Ik, Jahwe, heb dat alles geschapen. JES 45:9 Wee de mens, die twist met Hem door wie hij is gevormd, een scherf onder de scherven op aarde; zegt de leem tot hem die haar vorm geeft: `Wat doet ge? Uw werk is niets waard!' JES 45:10 Wee hem, die zegt tot zijn vader: `Waarom hebt gij verwekt?' en tot zijn moeder: `Waarom hebt gij gebaard?' JES 45:11 Zo spreekt Jahwe, de Heilige van Israël, die het ook gevormd heeft: `Stelt gij mij vragen over mijn zonen? En geeft gij Mij bevelen over het werk van mijn handen? JES 45:12 Ik heb de aarde gemaakt, en haar mensen heb Ik geschapen. Eigenhandig heb Ik de hemel uitgespannen, en Ik geef orders aan heel zijn legerschaar. JES 45:13 Ik heb hem doen opstaan voor de overwinning en al zijn wegen maak Ik vlak; hij is het, die mijn stad herbouwen zal en mijn verbannenen zal laten gaan zonder betaling en niet voor loon,' zegt Jahwe van de legerscharen. JES 45:14 Zo spreekt Jahwe: Het bezit van Egypte en de winsten van Kus, de mannen van Seba, stoere gestalten, zullen naar u overgaan en u toebehoren, zij zullen u volgen, in boeien voorbijgaan; in uw richting zullen zij zich buigen, naar u gericht belijden: `Bij u alleen is God, een ander is er niet, geen andere god.' JES 45:15 Waarlijk, Gij zijt een verborgen God, Gij, God en Redder van Israël. JES 45:16 Zij moeten allen blozen van schaamte, te zamen heengaan van schaamte, de makers van beelden. JES 45:17 Israël wordt door Jahwe gered, en zijn heil kent geen einde; gij hoeft niet te blozen van schaamte, nooit, in eeuwigheid niet. JES 45:18 Want zo spreekt Jahwe, die de hemelen heeft geschapen; Hij de ware God, die de aarde heeft gevormd en gemaakt, en haar grondslagen gelegd; die haar niet als een leegte heeft geschapen maar gevormd tot een bewoonbare plaats : `Ik ben Jahwe, en niemand anders. JES 45:19 Niet in het verborgene heb Ik gesproken, niet uit een plaats in een duistere streek. Ik heb niet gezegd tot Jakobs geslacht: Zoekt Mij in de leegte. Ik, Jahwe, Ik meld u heil, en verkondig wat recht is. JES 45:20 Verzamelt u en treedt aan, komt nader gij allen die aan de volken zijt ontkomen: onwetenden zijn zij die rondgaan met hun beelden van hout, en bidden tot een god, die niemand redden kan. JES 45:21 Zet uw argumenten voor ons uiteen, ja, laat hen samen overleggen; wie heeft dit vroeger aangekondigd, en vooraf bekend gemaakt? Ben Ik dat niet, Jahwe? Er is geen andere god, dan Ik alleen, buiten Mij bestaat geen god die rechtvaardig is en redt. JES 45:22 Wendt u tot Mij, en laat u redden, gij uithoeken der aarde; want Ik ben God en niemand anders. JES 45:23 Bij Mijzelf heb Ik gezworen, waarheid komt voort uit mijn mond, een woord, dat niet verloren gaat: voor Mij zal iedere knie zich buigen, bij Mij zal zweren iedere tong. JES 45:24 `Jahwe alleen', zo zal men zeggen, `beschikt over zege en kracht.' Vol schaamte zullen al diegenen tot Hem komen, die vroeger raasden tegen Hem. JES 45:25 Door Jahwe overwint heel Israëls geslacht; en vol trots zal het Hem roemen. JES 46:1 Bel is neergezegen, Nebo ingestort; hun beelden worden toevertrouwd aan de dieren en het vee, uw draagbare beelden zijn opgetild en zijn een last voor uitgeputte beesten. JES 46:2 Ingestort en neergezegen zijn zij, allen te zamen, zij konden hun dragers niet redden, en zijn zelf in gevangenschap gegaan. JES 46:3 Luistert naar Mij, huis van Jakob, en al wat er rest van Israëls huis; Gij, die werd opgetild vanaf de moederschoot, en sinds de geboorte gedragen. JES 46:4 Tot aan uw oude dag blijf Ik dezelfde, nog als gij grijs zijt zal Ik u torsen, Ik heb het gedaan en Ik blijf u dragen, Ik zal u torsen, Ik zal u redden. JES 46:5 Met wie zult gij Mij vergelijken en met wie Mij gelijkstellen, met wie Mij meten, die op Mij lijken zou? JES 46:6 Zij, die goud uit hun beurzen schudden en zilver in de weegschaal leggen, zij huren een smid, die er een god van maakt, en daarvoor knielen en buigen zij zich neer. JES 46:7 Zij dragen hem op hun schouders, en torsen hem voort. Zij zetten hem neer waar hij thuis hoort: daar staat hij en loopt nooit meer weg van zijn plaats! Als iemand hem aanroept, antwoordt hij niet, en redt hem niet uit zijn nood. JES 46:8 Herinnert u dat alles en luistert toe, neemt het ter harte, rebellen! JES 46:9 Herinnert u wat vroeger gebeurd is, in de oude tijd, want Ik ben God, niemand anders is God, niemand aan Mij gelijk. JES 46:10 Ik verkondig u het einde vanaf het begin, en vooraf wat nog niet is geschied. Ik zeg: Mijn besluit wordt uitgevoerd, en al wat Mij behaagt breng Ik tot stand, JES 46:11 die uit het oosten een roofvogel geroepen heb, uit een ver land de man van mijn raadsbesluit. Wat Ik heb gezegd, dat doe Ik gebeuren, Ik vorm een plan en voer het uit. JES 46:12 Luistert naar Mij, gij trotse harten, gij, zo verre van mijn reddende gerechtigheid. JES 46:13 Ik breng die gerechtigheid van Mij nabij, zij is niet ver van u; de redding die van Mij komt zal niet talmen. Ik breng in Sion redding en geef aan Israël mijn heerlijkheid. JES 47:1 Daal af van uw troon en zet u neer, gij maagd, dochter Babel, zet u neer op de grond en niet op uw troon, dochter der Chaldeeën, want gij heet niet langer verwekelijkt en verwend. JES 47:2 Neem de molen ter hand en maal uw eigen meel, leg uw sluier af, schort uw rokken op, laat uw blote benen zien, en waad rivieren door; JES 47:3 uw schaamte zal worden ontbloot, en uw schande aanschouwd; zo neem Ik wraak op u en niemand brengt Mij ervan af. JES 47:4 Onze Verlosser is Hij, Jahwe van de machten is zijn naam, de Heilige van Israël. JES 47:5 Zet u zwijgend neer, trek u in het duister terug, dochter der Chaldeeën, want niet langer heet gij gebiedster van koninkrijken. JES 47:6 Ik was vertoornd op mijn volk, en heb mijn erfdeel geschonden; Ik heb hen aan u uitgeleverd, maar gij hebt hen geen deernis getoond. Met uw ondragelijke juk hebt gij zelfs de grijsaard nog belast. JES 47:7 U zei: `Eeuwig zal ik gebiedster zijn, voor altijd.' Gij hebt dit alles niet ter harte genomen, en aan de afloop ervan hebt gij niet gedacht. JES 47:8 Hoor dit nu aan, wellustige, zo zelfbewust gezeten, die denkt bij uzelf: `Ik alleen en anders niets! Voor mij is er geen weduwschap en kinderloosheid blijft mij onbekend.' JES 47:9 Toch zullen beide u overkomen, ineens en op dezelfde dag. Kinderloosheid en weduwschap komen in volle omvang over u, ondanks uw talrijke toverspreuken, en uw bezweringen, zo krachtig als ze zijn. JES 47:10 Op uw kwaadaardigheid hebt gij vertrouwd en gezegd: `Niemand die mij ziet'; uw wijsheid en uw kennis hebben u misleid, en gij dacht bij u zelf: `Ik en anders niets'. JES 47:11 Maar eens zal een ramp u overkomen, die gij niet zult weten te bedwingen; een verderf zal u overvallen, dat gij niet zult kunnen keren; plotseling zal een ramp over u komen, waarvan gij geen vermoeden hadt. JES 47:12 Houdt u nu maar aan uw bezweringen en uw toverformules zonder tal, waarmee gij u hebt moegemaakt vanaf uw jeugd; misschien kunt gij u helpen, misschien schrikt de ramp ervan! JES 47:13 Het grote aantal van uw raadslieden heeft u uitgeput; laat ze optreden en u redden die hemelkenners en die sterrenkijkers, die u maand voor maand doen weten wat u overkomen zal. JES 47:14 Zie, zij zijn als kaf en worden door vuur verbrand, zij kunnen zichzelf niet redden uit de greep der vlammen. Het is geen kolenvuur om zich te warmen, geen vuur om zich bij neer te zetten. JES 47:15 Meer zijn zij niet voor u, die tovenaars met wie gij u hebt moegemaakt vanaf uw jeugd. Ieder loopt op zijn manier verloren. Niemand is er, die u redt. JES 48:1 Hoort dit, huis van Jakob, gij, die u noemt met Israëls naam, en uit Juda's bron zijt voortgekomen, die zweert bij Jahwe's naam en de God van Israël belijdt, maar niet in waarheid en gerechtigheid. JES 48:2 Want zij noemen zich naar de heilige Stad, en steunen op de God van Israël; Jahwe van de legerscharen is zijn naam. JES 48:3 Wat vroeger is gebeurd heb Ik vooraf verkondigd, het kwam van mijn lippen en Ik heb het laten horen; ineens heb Ik gehandeld en toen gebeurde het. JES 48:4 Want Ik wist dat gij halsstarrig zijt, van ijzer zijn de pezen van uw nek, en uw voorhoofd is van koper. JES 48:5 Ik had het u vooraf verkondigd en voor het gebeurde, heb Ik het u laten horen, gij kunt dus niet zeggen: `Mijn afgod heeft het gedaan, mijn beeld, mijn gietwerk heeft het zo beschikt'. JES 48:6 Gij hebt dit alles gehoord en gezien; zult gij het nu niet verkondigen? Van nu af laat Ik u nieuwe dingen horen, geheimen, die u tot dusver onbekend waren. JES 48:7 Nu eerst zijn zij geschapen en niet voorheen, en voor de dag van heden hebt gij er niet van gehoord. Gij kunt dus niet zeggen: `Zie, ik wist het reeds.' JES 48:8 Waarlijk, gij hebt het gehoord noch geweten, waarlijk, gij hebt voor dezen uw oren niet geopend. want Ik weet dat gij door en door trouweloos zijt, gij wordt rebels genoemd van de moederschoot af. JES 48:9 Omwille van mijn naam bedwing Ik mijn toorn, omwille van mijn eer houd Ik mij in en roei Ik u niet uit. JES 48:10 Zie, Ik heb u gelouterd, zij het niet voor geld, en u beproefd in de smeltoven der ellende. JES 48:11 Omwille van Mijzelf, om wille van Mijzelf zal Ik nu handelen. want mijn glorie, hoezeer ook geschonden deel Ik met geen ander. JES 48:12 Luister naar mij, Jakob, Israël, mijn geroepene, Ik ben het; Ik ben de eerste en Ik ben de laatste. JES 48:13 Mijn hand heeft de grondvesten der aarde gelegd, mijn rechterhand de hemelen uitgespreid; ik roep hen toe en ze staan paraat. JES 48:14 Verzamelt u allen en hoort: wie van de goden heeft dit aangekondigd, dat de vriend van Jahwe diens behagen zal doen geschieden aan Babel en aan het ras der Chaldeeën? JES 48:15 Ik alleen heb het gezegd en hem geroepen, en hem doen komen, zodat hij slaagt bij alles wat hij onderneemt. JES 48:16 Nadert tot mij, hoort dit aan: van oudsher heb Ik niet in het geheim gesproken, sinds de tijd dat het gebeurd is ben Ik er. En nu heeft Jahwe, de Heer, mij gezonden met zijn geest. JES 48:17 Zo spreekt Jahwe, uw Verlosser, de Heilige van Israël: Ik ben Jahwe, uw God. Ik onderricht u om te helpen, en leid u op de wegen die gij gaat. JES 48:18 Hadt gij maar geluisterd naar mijn geboden, dan was uw vrede als een rivier geweest, en uw welzijn als de golven der zee, JES 48:19 uw kinderen zouden als het zand geweest zijn en als de korrels ervan uw nakomelingen. Uw naam zal voor mijn ogen uitgewist noch vernietigd worden. JES 48:20 Trekt weg uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën. Verkondigt met jubelende stem en laat het horen, draagt het uit tot in de verste hoeken der aarde, en zegt: Jahwe heeft zijn dienstknecht Jakob verlost. JES 48:21 Hij voerde hen door dorre streken, en zij leden geen dorst; water liet Hij voor hen stromen uit een rots. Hij kloofde de rots en water gutste eruit. JES 48:22 Voor de bozen is er geen vrede, zegt Jahwe. JES 49:1 Luistert, eilanden, naar Mij, spits de oren, volken veraf! Toen ik nog in moeders schoot was heeft Jahwe mij geroepen, nog voor mijn geboorte heeft Hij mijn naam genoemd. JES 49:2 Hij heeft mijn mond snedig als een zwaard gemaakt, in de schaduw van zijn hand mij geborgen; Hij heeft van mij een gladgeslepen pijl gemaakt. en mij in zijn koker opgeborgen. JES 49:3 Hij sprak tot mij: `Gij zijt mijn dienstknecht, Israël, door u toon Ik mijn heerlijkheid.' JES 49:4 Toen zei ik: `Vergeefs heb ik mij moe gemaakt, mijn kracht heb ik voor niets en vruchteloos gebruikt'; maar Jahwe zal mij recht doen wedervaren en mijn God zal mij belonen. Ik sta hoog in aanzien bij Jahwe, en mijn God is mijn kracht. JES 49:5 Maar nu sprak Jahwe, die mij vormde tot zijn dienstknecht, nog voor mijn geboorte, om Jakob naar Hem te doen terugkeren, want Hij wilde Israël verzameld zien . JES 49:6 Hij sprak: `Voor u, mijn dienstknecht, is het te gering, alleen Jakobs stammen op te richten, en Israëls overlevenden terug te brengen; Ik stel u aan om een licht voor de volken te zijn: mijn heil moet reiken tot in de uithoeken der aarde.' JES 49:7 Zo spreekt Jahwe, Israëls Verlosser en Heilige, tot de diep verachte, die door de volken verafschuwd wordt, de dienstknecht der heersers: als koningen het zien, staan zij op van hun tronen, en vorsten buigen zich diep, omwille van Jahwe, die u trouw bleef, om Israëls Heilige, die u heeft uitverkoren. JES 49:8 Zo spreekt Jahwe: In de tijd van genade verhoor Ik u, op de dag van het heil sta Ik u bij; Ik vorm en bestem u om de man te zijn van mijn verbond met het volk en om het land weer op te richten, om het verlaten erfgoed weer toe te wijzen, JES 49:9 om de geboeiden te zeggen: `Naar buiten!' en hen die in duisternis zuchten: `Komt te voorschijn!' Langs de wegen zullen zij weiden, en op alle kale plekken zal graasgrond voor hen zijn. JES 49:10 Honger noch dorst zal hen deren, schroeiwind noch zon zal hen kwellen; want Hij die zich over hen erbarmt, zal hen leiden en bij waterbronnen laat Hij hen rusten. JES 49:11 Van al mijn bergen maak Ik een weg, en mijn straten worden opgehoogd. JES 49:12 Zie, zij komen van verre, sommigen uit het noorden en van de zee, en anderen uit het land Sinim. JES 49:13 Juicht, hemelen! aarde, jubel! Breekt uit in gejuich, gij bergen; want Jahwe heeft zijn volk bemoedigd, en zich over zijn ongelukkigen erbarmd. JES 49:14 Sion zei: `Jahwe heeft mij verlaten, de Heer heeft mij vergeten.' JES 49:15 Zal een vrouw haar zuigeling vergeten, een liefhebbende moeder het kind van haar schoot? En zelfs als die het zouden vergeten, Ik vergeet u nooit! JES 49:16 Zie, in mijn handpalmen heb Ik u geschreven, en uw muren staan Mij voortdurend voor ogen. JES 49:17 Die u herbouwen komen toegesneld, die u eens verwoestten en vernielden gaan van u heen. JES 49:18 Sla uw ogen op en zie in het rond: allen verzamelen zich en komen naar u; zowaar Ik leef, - luidt de godsspraak van Jahwe -, als een sieraad zult gij ze allemaal dragen, gij omgordt u ermee als een bruid. JES 49:19 Want met uw puinhopen, verlaten oorden en verwoeste land, biedt gij geen ruimte genoeg aan uw bewoners, en die u verslonden verwijderen zich. JES 49:20 En de zonen van uw kinderloze jaren, zij zeggen het weer klaar in uw oren: `Deze plaats is niet ruim genoeg voor mij, schik eens wat in, dan kan ik ook wonen.' JES 49:21 En gij zegt bij uzelf: `Wie heeft mij deze kinderen geschonken? Ik was toch kinderloos en onvruchtbaar, verbannen en verstoten, en wie heeft u grootgebracht? Zie, alleen was ik achtergelaten, waar waren zij toen? JES 49:22 Zo spreekt de Heer, Jahwe: Zie, Ik hef mijn hand op naar de volkeren, en steek voor de naties mijn banier omhoog; zij zullen uw zonen op hun armen naar u brengen, en uw dochters worden op hun schouders aangedragen. JES 49:23 Koningen zullen uw opvoeders zijn, en hun vorstinnen uw verzorgsters. Zij zullen voor u op hun aangezicht vallen, en het stof van uw voeten likken. Dan zult gij erkennen dan Ik Jahwe ben, dat zij die op Mij hopen, niet worden teleurgesteld. JES 49:24 Ontneemt iemand de sterke zijn buit? Of zal de gevangene van een tiran kunnen ontsnappen? JES 49:25 Toch zegt Jahwe: Zelfs de sterke zal zijn gevangene ontnomen worden, en de buit van een tiran zal ontsnappen; uw proces zal Ik voeren, zelf zal Ik uw zonen redden. JES 49:26 Uw verdrukkers zullen hun eigen vlees moeten eten, en zich bedrinken met de most van hun eigen bloed; en alle mensen zullen erkennen dat Ik, Jahwe, uw Redder ben, en uw Verlosser de Sterke van Jakob. JES 50:1 Zo spreekt Jahwe: Waar is de scheidingsbrief van uw moeder, waarmee Ik haar heb weggestuurd? Of aan wie van mijn schuldeisers heb Ik u verkocht? Zie, omwille van uw misdaden heeft men u verkocht, en omwille van uw weerspannigheid werd uw moeder weggestuurd. JES 50:2 Waarom was er niemand toen Ik kwam? Waarom kwam er geen antwoord toen Ik riep? Schiet mijn hand soms te kort om vrij te maken, of heb Ik geen kracht om te redden? Zie, door mijn afstraffend woord leg Ik de zee droog, en maak van rivieren een woestijn; de vissen zullen er verrotten, omdat er geen water is, zij zullen sterven van dorst. JES 50:3 Ik hul de hemelen in zwarte duisternis en bedek ze met een rouwgewaad. JES 50:4 De Heer Jahwe heeft mij als een leerling leren spreken, om uitgeputte mensen bij te kunnen staan. Met een woord wekt Hij mij in de morgen, in de morgen wekt Hij mijn oor om als een leerling toe te horen. JES 50:5 De Heer Jahwe heeft mijn oor ontsloten, en ik heb mij niet verweerd, en ben niet teruggedeinsd. JES 50:6 Mijn rug heb ik prijsgegeven aan hen die mij wilden slaan, en mijn wangen aan hen, die mij de baard uitrukten; mijn gezicht heb ik niet onttrokken aan beschimping en bespuwing. JES 50:7 De Heer Jahwe staat mij bij; daarom kom ik niet bedrogen uit; daarom maak ik mijn gezicht hard als een steen, ik weet dat ik niet beschaamd zal staan. JES 50:8 Nabij is hij, die mij vrijspreekt; wie spant een rechtszaak met mij aan? Laat ons een proces beginnen! Wie staat tegenover mij in zijn recht? Laat hem maar naar voren treden! JES 50:9 Zie, de Heer Jahwe staat mij bij; wie veroordeelt mij dan nog? Zie, zij zullen allen als in flarden uiteenvallen, als een kleed dat door de motten is stukgevreten. JES 50:10 Wie onder u vreest Jahwe, luistert naar de stem van zijn dienstknecht? Wie rondwaart in de duisternis, zonder een straal van licht, laat hij vertrouwen op de naam van Jahwe, en steunen op zijn God. JES 50:11 Zie, gij allen, die het vuur aansteekt, en brandende pijlen in een kring legt, zelf moet gij de gloed van uw vuur ingaan en door de brandende pijlen heen, die gij zelf hebt ontstoken. Door mijn hand is u dat gebeurd, in het oord van smarten zult gij u neerleggen. JES 51:1 Luistert naar Mij, gij, die het heil achtervolgt, die Jahwe zoekt, ziet op naar de rots, waaruit gij zijt gehouwen, en naar de groeve waaruit gij gegraven zijt. JES 51:2 Ziet op naar Abraham, uw vader, en naar Sara, die u heeft gebaard; toen Ik hem riep, was hij immers alleen, maar Ik heb hem gezegend en vermenigvuldigd. JES 51:3 Want Jahwe bemoedigt Sion, al haar puinhopen troost Hij; Hij maakt haar woestijn als een paradijs, haar dorre grond als een tuin van Jahwe; vreugde en blijdschap zijn er te vinden, JES 51:4 Luistert naar Mij, mijn volk, mijn natie, luistert naar Mij; want onderrichting gaat er van Mij uit en mijn recht is een licht voor de volken. JES 51:5 In een oogwenk breng Ik mijn gerechtigheid nabij, mijn heil verschijnt, met machtige arm doe Ik de volken recht wedervaren; de eilanden zien naar Mij uit en mijn arm is hun hoop. JES 51:6 Heft uw ogen naar de hemel op, en ziet naar de aarde beneden: de hemel mag vervliegen als rook en de aarde als een kleed in flarden uiteenvallen, en haar bewoners dood vallen als muggen; maar mijn heil blijft eeuwig bestaan en mijn gerechtigheid laat zich niet uit het veld slaan. JES 51:7 Luistert naar Mij, gij, die met gerechtigheid vertrouwd zijt, gij volk, dat mijn onderricht in het hart draagt; weest voor de hoon van mensen niet bevreesd, en laat u door hun smaad niet uit het veld slaan. JES 51:8 Want zij zijn als een kleed dat door de mot wordt weggevreten, als wol, die door ongedierte wordt verteerd; maar mijn gerechtigheid is eeuwig, mijn heil geldt voor alle geslachten. JES 51:9 Ontwaak, ontwaak, bekleed u met kracht, arm van Jahwe, ontwaak als in vroegere dagen, in de tijd van voorbije geslachten; zijt gij het niet geweest, die Rahab hebt gekliefd, en de draak hebt doorboord? JES 51:10 Zijt gij het niet geweest, die de zee hebt drooggelegd, de wateren van de grote vloed; die van de diepten der zee een weg hebt gemaakt een doorgang voor de verlosten? JES 51:11 De verlosten? van Jahwe zullen terugkeren en met gejubel naar Sion komen, met een kroon van eeuwige vreugde getooid. Blijdschap en vreugde zullen naderen; kommer en gezucht zullen wegvluchten. JES 51:12 Ik, Ik ben het zelf die u bemoedig; en wie zijt gij, dat gij bevreesd zijt voor een sterfelijk mens, en voor een mensenkind, dat als gras vergaat? JES 51:13 Gij zoudt Jahwe, uw Maker, vergeten, die de hemelen heeft gespannen en de aarde gegrondvest. Gij zoudt aanhoudend beangst zijn, heel de dag door, voor de woede van de verdrukker, als maakt hij zich op om u te vernietigen! Waar blijft de verdrukker met zijn woede? JES 51:14 De geknevelde wordt haastig vrijgelaten, hij zal niet sterven, een prooi voor de groeve, en zijn levenskracht verlaat hem niet. JES 51:15 Ik immers, Jahwe, ben uw God, die de zee opjaagt, zodat haar golven bruisen; Jahwe van de machten is zijn naam. JES 51:16 Ik heb mijn woorden in uw mond gelegd en in de schaduw van mijn hand heb Ik u geborgen, Ik die de hemel heb uitgespannen en de aarde gegrondvest heb, die tot Sion zegt: `Gij zijt mijn volk.' JES 51:17 Ontwaak, ontwaak, sta op, Jeruzalem, gij hebt uit Jahwe's hand de beker van zijn toorn gedronken, en de kelk der bedwelming gedronken en geledigd. JES 51:18 Niemand was er om haar te leiden onder al de zonen, die zij had gebaard; niemand nam haar bij de hand, van al de zonen, die zij had grootgebracht. JES 51:19 Twee rampen hebben u getroffen, maar wie zal u beklagen? Verwoesting en verderf, honger en zwaard en wie zal u vertroosten? JES 51:20 Uw zonen, zij liggen machteloos neer op de hoeken van de straten, als de antilope in het net. Zij waren overstelpt door Jahwe's gramschap, verlamd door de dreiging van uw God. JES 51:21 Daarom luister ongelukkige, gij, die dronken zijt, al is het niet van wijn, JES 51:22 zo spreekt uw Heer, Jahwe, uw God, die opkomt voor zijn volk: Zie, Ik neem de beker der bedwelming uit uw hand, en gij drinkt niet meer de kelk van mijn toorn. JES 51:23 Nu heb ik hem uw verdrukkers in de hand gegeven, hen die u zeiden: `Leg u op de grond, dan kunnen wij erover gaan.' En gij hebt uw rug toen als een vloer gemaakt, een straat voor hen die erover wilden gaan. JES 52:1 Ontwaak, ontwaak, hul u in macht, gij Sion, hul u in uw pronkgewaad, Jeruzalem, heilige stad, want geen onbesnedene of onreine gaat meer bij u binnen. JES 52:2 Schud het stof van u af en sta op en zet u op uw troon, Jeruzalem; maak los de ketens om uw hals, gevangene, dochter Sion. JES 52:3 Voorwaar, zo spreekt Jahwe: Voor niets werd gij verhandeld, en zonder geld zult gij worden losgekocht. JES 52:4 Want zo spreekt de Heer, Jahwe: In den beginne is mijn volk naar Egypte afgedaald om daar als vreemdeling te wonen, op het eind is het door Assur onderdrukt. JES 52:5 Maar nu, wie heb Ik nog over luidt de godsspraak van Jahwe, want mijn volk is voor niets meegenomen, zijn heersers tieren, - godsspraak van Jahwe -, en gedurig, dag aan dag, wordt mijn naam bespot. JES 52:6 Daarom zal mijn volk mijn naam erkennen op die dag; erkennen dat Ik het ben, Ik die zeg: `Hier ben Ik.' JES 52:7 Hoe welkom zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede meldt, van de vreugdebode met goed bericht die een boodschap van heil laat horen en tot Sion zegt: `Uw God is als koning gekomen!' JES 52:8 Hoort! Uw torenwachters verheffen hun stem, en jubelen eenparig, want zij zien met eigen ogen hoe Jahwe naar Sion terugkeert. JES 52:9 Breekt los in gejubel, allen te zamen, gij puinen van Jeruzalem; want Jahwe bemoedigt zijn volk; Hij heeft Jeruzalem verlost. JES 52:10 Jahwe toont zijn heilige arm voor de ogen van alle volken, en de verste hoeken der aarde hebben het heil gezien dat komt van onze God. JES 52:11 Gaat heen! Gaat heen! Trekt weg van daar, raakt niets aan dat onrein is; trekt weg uit haar midden en zuivert u, gij, die Jahwe's heilige vaten draagt. JES 52:12 Neen, niet in der haast zult gij vertrekken, en uw heengaan is geen vlucht; want Jahwe zal aan uw spits gaan, en Israëls God uw stoet sluiten. JES 52:13 Zie, mijn knecht zal slagen, hij zal oprijzen en hoog, zeer hoog verheven zijn. JES 52:14 Er was een tijd dat velen ontzet over u stonden, zijn verschijning was onmenselijk geschonden, en zijn uiterlijk had niets meer van een mensenkind, JES 52:15 maar eens zal hij vele volkeren doen opschrikken, dan sluiten koningen om hem hun mond, omdat zij zien wat hen niet is voorzegd, en iets opmerken waarvan ze nooit hebben gehoord. JES 53:1 `Wie heeft er geloofd in wat wij hebben gehoord, en aan wie is Jahwe's arm getoond?' JES 53:2 Als een jonge plant schoot hij recht omhoog, en als een wortel die in dorre grond ontkiemt; zijn uiterlijk noch schoonheid waren het bekijken waard, hij was geen verschijning, die bewondering wekt. JES 53:3 Geminacht en gemeden werd hij door de mensen, man van smarten, met ziekte vertrouwd, een mens die zijn gezicht voor ons verbergt, geminacht en als niet de moeite waard beschouwd. JES 53:4 Waarlijk, het waren onze ziekten die hij op zich nam, en onze smarten, die hij heeft gedragen; wij echter beschouwden hem als een geslagene, door God gekastijd en vernederd. JES 53:5 Hij werd doorstoken om onze weerspannigheid, om onze zonden gebroken; hij werd gestraft; ons bracht het vrede, en dank zij zijn striemen is er voor ons genezing. JES 53:6 Wij allen waren als schapen verloren gelopen, en ieder van ons was eigen wegen gegaan; maar op hem heeft Jahwe laten neerkomen de schuld van ons allen. JES 53:7 Hij werd gefolterd en diep vernederd, maar heeft zijn mond niet geopend, zoals een lam dat ter slachting geleid wordt. En, zoals een schaap dat stom is voor zijn scheerders, heeft hij zijn mond niet geopend. JES 53:8 Door een gewelddadig vonnis werd hij weggenomen; wie denkt nog over zijn bestemming na? Toch is hij uit het land der levenden weggerukt, geslagen om de weerspannigheid van mijn volk. JES 53:9 Men gaf hem een graf bij de boosdoeners, en bij de rijken een laatste rustplaats, hoewel hij geen onrecht heeft begaan en er in zijn mond geen bedrog is geweest. JES 53:10 Maar het heeft Jahwe behaagd hem ziek te maken en te breken. Waarlijk, als een zoenoffer gaf hij zijn leven. Nakomelingen zal hij mogen zien, en lang blijven leven; immers, wat Jahwe behaagde heeft zijn hand volvoerd. JES 53:11 Omwille van het doorstane lijden zal hij het licht mogen zien en met kennis verzadigd worden. Mijn rechtvaardige dienstknecht zal velen rechtvaardig maken, doordat hij hun zonden draagt. JES 53:12 Daarom geef Ik hem zijn deel te midden van de velen, en samen met hun machthebbers verdeelt hij de buit, omdat hij zijn leven prijsgaf totterdood, en zich bij de weerspannigen liet tellen. Hij echter had de zonde van velen op zich genomen en kwam zo voor de weerspannigen op. JES 54:1 Jubel het uit, gij onvruchtbare, die nooit hebt gebaard, breek uit in jubel en juich, die geen weeën hebt gekend, want talrijker zijn de zonen van de verlaten vrouw, dan van haar, die een man heeft, zegt Jahwe. JES 54:2 Vergroot de ruimte in uw tent, de wanden van uw woning moeten wijd zijn opgezet, wees er niet zuinig mee; verleng uw scheerlijnen, sla uw tentpinnen stevig vast. JES 54:3 Want naar rechts en naar links zult gij u uitbreiden, uw nageslacht zal volken aan zich onderwerpen en verlaten steden zullen zij bewonen. JES 54:4 Wees niet bevreesd, want gij behoeft u niet te schamen; voel u niet vernederd, want reden om te blozen hebt gij niet. De beschaming van uw jeugd zult gij vergeten en aan de smaad van uw weduwschap niet langer denken. JES 54:5 Want Hij die u gemaakt heeft is uw man, Jahwe van de machten is zijn naam, en uw Verlosser is de Heilige van Israël, die de God van heel de aarde heet. JES 54:6 Want gij waart een verstoten en zielsbedroefde vrouw toen Jahwe u riep; verstoot soms een man de vrouw van zijn jeugd? zegt uw God. JES 54:7 Een kort ogenblik heb Ik u in de steek gelaten, maar met groot erbarmen breng Ik u weer bijeen. JES 54:8 In een stortvloed van trouw heb Ik een ogenblik mijn gezicht voor u verborgen; maar met eeuwige toorn erbarm Ik Mij over u, zegt uw Verlosser, Jahwe. JES 54:9 Als in Noachs dagen is het Mij: zoals Ik toen gezworen heb dat de wateren van Noach de aarde nooit meer zullen overstromen, zo zweer Ik, dat Ik nooit meer zal toornen tegen u, nooit meer schelden op u. JES 54:10 Al wijken de bergen en wankelen de heuvels, mijn trouw wijkt niet van u, en mijn vredesverbond wankelt nooit, dat zegt Jahwe, die zich over u erbarmt. JES 54:11 Gij, ongelukkige, opgejaagd en niet bemoedigd, Ik leg uw stenen op kleurrijke mortel, en uw grondvesten op saffier; JES 54:12 Ik maak uw transen van robijn, uw poorten van karbonkelsteen, en geheel uw ringmuur van kostbaar gesteente. JES 54:13 Al uw zonen worden dan door Jahwe onderricht, en voor uw zonen zal er diepe vrede zijn, JES 54:14 op een fundament van gerechtigheid wordt gij gebouwd. Houd u ver van onderdrukking, want gij hoeft niet bevreesd te zijn, ver ook van verschrikking, want zij zal u niet benaderen. JES 54:15 Valt men u aan, dan komt het niet van Mij; maar wie u aanvalt, zal voor u bezwijken. JES 54:16 Zelf heb Ik de smid geschapen, die het kolenvuur aanblaast, en gereedschap voor zijn werk te voorschijn brengt; zo ben Ik het ook die de verdelger heeft geschapen om te gronde te richten. JES 54:17 Geen wapen, tegen u gesmeed, zal slagen, en gij zult de schuld bewijzen van elke tong die in het geding zich tegen u verheft. Dat is het erfdeel van Jahwe's dienstknechten en hun redding die Ik hun breng, - luidt de godsspraak van Jahwe. JES 55:1 Komt allen die dorst hebt, hier is water; en gij, die geen geld hebt, komt, koopt koren en eet zonder geld, en drinkt zonder betaling wijn en melk. JES 55:2 Waarom besteedt gij geld aan wat geen brood is, en uw loon aan iets wat niet verzadigt? Luistert aandachtig naar Mij, en gij zult eten wat goed is, en uw honger stillen met uitgelezen spijs. JES 55:3 Neigt uw oor en komt naar Mij, luistert en gij zult leven; een eeuwig verbond zal Ik met u sluiten, een blijk van mijn blijvende trouw aan David gezworen. JES 55:4 Zie, hem had Ik tot getuige voor de volkeren aangesteld, tot vorst en gebieder over de naties. JES 55:5 Zie, zo komt nu een volk, dat gij niet kent, naar u toe, en een volk dat u niet kent, snelt op u af, omwille van Jahwe, uw God, en wegens de Heilige van Israël, omdat Hij u luister heeft verleend. JES 55:6 Zoekt Jahwe, nu Hij te vinden is, roept Hem aan: Hij is nabij, JES 55:7 De zondaar moet zijn weg verlaten en de boosdoener zijn gedachten; en terugkeren naar Jahwe, die zich over hem erbarmen zal, naar onze God, die immers rijkelijk vergeeft. JES 55:8 Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen niet mijn wegen, zo luidt de godsspraak van Jahwe, JES 55:9 want zoals de hemel hoger is dan de aarde, zo gaan ook mijn wegen uw wegen te boven, en mijn gedachten uw gedachten. JES 55:10 Want zoals de regen en de sneeuw uit de hemel neerdalen en daarheen pas terugkeren, wanneer zij de aarde hebben gedrenkt, haar hebben bevrucht en met planten bedekt, wanneer zij zaad hebben gegeven aan de zaaier, en brood aan de eter; JES 55:11 zo zal het ook gaan met mijn woord, dat voortkomt uit mijn mond; het keert niet vruchteloos naar Mij terug, maar pas wanneer het heeft gedaan wat Mij behaagt, en alles heeft volvoerd, waartoe Ik het heb gezonden. JES 55:12 Want in vreugde zult gij vertrekken en in vrede worden thuisgebracht. Bergen en heuvels zullen voor u in gejubel uitbreken, en alle bomen van het veld zullen in de handen klappen. JES 55:13 Waar dorens stonden, zullen cypressen groeien; waar distels stonden, groeit een mirteboom; het zal voor Jahwe een eer zijn, een zegeteken voor eeuwig, dat nooit vernield zal worden. JES 56:1 Zo spreekt Jahwe: Onderhoudt het recht, beoefent de gerechtigheid, want de komst van mijn redding is nabij en mijn gerechtigheid wordt weldra geopenbaard. JES 56:2 Gelukkig de man die zo handelt, de mens die daaraan vasthoudt, die de sabbat onderhoudt, hem niet ontheiligt, en zijn hand ervoor behoedt enig kwaad te doen. JES 56:3 De vreemdeling die zich bij Jahwe aansluit hoeft niet te zeggen: `Jahwe houdt mij zeker afgezonderd van zijn volk.' Ook de kastraat mag niet zeggen: `Ik ben maar een dorre boom.' JES 56:4 Want dit zegt Jahwe: Aan de kastraten die mijn sabbat onderhouden, en verkiezen wat Mij welgevallig is en vasthouden aan mijn verbond, JES 56:5 aan hen geef Ik in mijn huis en binnen mijn muren een gedenksteen en een naam, een eeuwige naam geef Ik hun, een die nooit wordt uitgewist. JES 56:6 De vreemdelingen die zich bij Jahwe hebben aangesloten, om Hem te dienen en de naam van Jahwe te beminnen, om zijn dienstknechten te zijn; al degenen die de sabbat onderhouden, hem niet ontheiligen en vasthouden aan mijn verbond: JES 56:7 hen allen laat Ik komen naar mijn heilige berg, en schenk hun vreugde in mijn huis van gebed. Hun brand en slachtoffers zijn welgevallig op mijn altaar. Want mijn huis zal heten: Huis van gebed voor alle volken. JES 56:8 Zo luidt de godsspraak van Jahwe, de Heer, die het verstrooide Israël verzamelt: Nog anderen zal Ik verzamelen en voeg ze toe aan hen die reeds verzameld zijn. JES 56:9 Gij allen, dieren van het veld en dieren van het woud, komt en eet. JES 56:10 De wachters van mijn volk zijn blind en allen van kennis verstoken. Allen zijn zij honden, met stomheid geslagen, tot blaffen niet in staat; hijgend liggen zij neer, en zij zijn op hun rust gesteld. JES 56:11 Vraatzuchtige honden zijn het, verzadiging kennen zij niet. Dat zijn de herders, tot enig inzicht niet in staat; allen gaan zij eigen wegen, belust op eigen baat, allen, tot de laatste man. JES 56:12 `Komaan, ik haal wijn, en wij gieten ons vol drank. En morgen gaat het juist zoals vandaag, meer dan genoeg blijft er over!' JES 57:1 De rechtvaardige komt om en niemand gaat het ter harte; de getrouwen worden weggerukt maar niemand slaat er acht op; de rechtvaardige wordt weggerukt door de boosheid, JES 57:2 maar gaat de vrede binnen; zij die rechte wegen gaan, genieten rust op hun legersteden. JES 57:3 Komt naderbij, gij zonen van een heks, gebroed van echtbrekers en hoeren. JES 57:4 Over wie maakt gij u vrolijk? Tegen wie zet gij een grote mond op en steekt gij uw tong uit? Zijt gij geen kinderen van weerspannigheid, gebroed van de leugen? JES 57:5 Gij gloeit van lust bij de eiken, onder elke groenende boom; gij slacht uw kinderen af in de dalen en in de kloven van de rotsen. JES 57:6 Uw aandeel zal zijn te midden van de doden die in het dal begraven zijn, dat lot is voor u weggelegd; voor hem immers hebt gij offers geplengd, hen hebt gij meeloffers gebracht. Zou Ik Mij daarmee moeten troosten? JES 57:7 Op een hoogverheven berg spreidt gij uw legerstede uit; daarheen gaat gij op om uw offer te brengen. JES 57:8 Achter de deur en de deurpost plaatst gij uw schaamteloze beeltenis. Ver van Mij ontbloot gij uw schaamte, gij beklimt uw bed, spreidt het breed uit. Gij bedingt uw loon bij hen met wie gij zo graag slaapt, gij ziet hun schaamte aan. JES 57:9 Gij daalt met olie naar Melek af, gij zalft u rijkelijk voor hem. Gij zendt uw boden naar verre gewesten, tot diep in de onderwereld. JES 57:10 Met uw vele tochten maakt gij u moe, maar nooit bedenkt gij hoe nutteloos het is. Telkens vindt gij nieuw leven voor uw lust, daartoe verzwakt gij niet. JES 57:11 Wie vreest of ducht gij nog, die zo leugenachtig zijt, en aan Mij niet denkt en u van Mij niets aantrekt? Ja, Ik hield Mij stil en sloot de ogen toe, zodat gij Mij niet meer vreest. JES 57:12 Ik zal uw deugdzaamheid en uw goede werken eens aan het licht brengen: zij zullen u niets baten. JES 57:13 Als gij roept zal heel uw godenschaar u niet kunnen redden. De wind blaast hen weg, zelfs een zuchtje wind neemt ze op. Maar wie bij Mij zijn toevlucht zoekt krijgt een erfdeel in mijn land en een eigendom op mijn heilige berg. JES 57:14 Men zegt: `Hoogt de straten op, hoogt ze op en baant een weg, verwijdert de hindernissen van de weg van mijn volk.' JES 57:15 Want zo spreekt de Hoogverhevene, die troont voor eeuwig, wiens naam de Heilige is: `Ik ben de Heilige die woont in den hoge, maar ook in het geslagen en diep vernederd gemoed: Ik geef nieuw leven aan het vernederd gemoed, nieuw leven aan het geslagen hart. JES 57:16 Ik klaag u niet voor eeuwig aan, en blijf niet toornen voor altijd, want dan zou de levensgeest om Mij versmachten, de zaden die Ik zelf heb gemaakt. JES 57:17 Om zijn misdaden was Ik korte tijd vertoornd, Ik sloeg hem met afgewend gelaat en toornde, maar in zijn afvalligheid ging hij de wegen die zijn hart hem ingaf. JES 57:18 Ik heb die wegen gezien en wil hem genezen en leiden, en hem weer troosten. JES 57:19 Voor diegenen onder hen die treuren schep Ik nu lippen voor hen die veraf zijn, voor hen die nabij zijn, zegt Jahwe, Ik zal hen genezen.' JES 57:20 Maar de bozen zijn als een onstuimige zee, die maar niet tot rust kan komen; haar golven woelen slijk en modder op. JES 57:21 De bozen hebben geen vrede, zegt onze God. JES 58:1 Roep uit volle borst, houdt u niet in, verhef uw stem als een ramshoorn. Leg aan mijn volk hun weerspannigheid voor, aan Jakobs huis zijn zonden. JES 58:2 Dag aan dag zoeken zij Mij, verlangend mijn wegen te kennen, als gold het een volk dat gerechtigheid beoefent, en het recht van zijn God niet verwaarloost. Rechtvaardige oordelen vragen zij Mij verlangend naar Gods nabijheid. JES 58:3 `Waarom ziet Gij niet dat wij vasten, merkt Gij niet dat wij ons vernederen?' Op de dag dat gij vast zoekt gij nog uw voordeel, en beult gij uw slaven af. JES 58:4 Gij kijft en krakeelt als gij vast en slaat er boosaardig met uw vuisten op los. Neen, bij een vasten als dit dringt uw stem in den hoge niet door. JES 58:5 Is dat soms het vasten dat Ik verkies, is dat een dag waarop de mens zich vernedert? Zijn hoofd als een riet laten hangen en neerliggen in zak en as: noemt gij dat soms vasten, en een dag die Jahwe behaagt? JES 58:6 Is dit niet het vasten zoals Ik het verkies: boosaardige boeien slaken, de strengen van het juk losmaken, de geknechte de vrijheid hergeven, en alle jukken door te breken? JES 58:7 Is vasten niet dit: uw brood delen met wie honger heeft; arme zwervers opnemen in uw huis; een naakte kleden die gij ziet en u niet onttrekken aan de zorg voor uw broeder? JES 58:8 Dan breekt uw licht als de dageraad door en groeien uw wonden spoedig dicht; dan gaat uw geluk voor u uit, en sluit Jahwe's glorie uw stoet. JES 58:9 Als gij dan roept, geeft Jahwe u antwoord, en smeekt gij om hulp, Hij zal zeggen: `Hier ben Ik!' Als gij het juk uit uw midden verwijdert, geen vinger bedreigend meer uitsteekt en geen valse aanklachten indient, JES 58:10 de hongerige aanbiedt wat gij voor uzelf verlangt en de onderdrukte met voedsel verzadigt, dan zal uw licht in de duisternis opgaan, uw nacht als de heldere middag zijn. JES 58:11 Dan zal Jahwe u steeds blijven leiden, in verschroeide oorden uw honger stillen. Hij zal uw krachten sterken en gij zult zijn als een rijkbesproeide tuin, als een bron die nooit teleurstelt als men om water komt. JES 58:12 De oude ruïnes worden dan door u weer opgebouwd, gij herstelt de fundamenten van vroegere geslachten. Een hersteller van bressen zal men u noemen, herbouwer van straten. JES 58:13 Indien gij ophoudt de sabbat met voeten te treden en handel te drijven op mijn heilige dag, indien gij de sabbat `genoegen' noemt, Jahwe's heilige dag luisterrijk, indien gij hem heiligt door er niet op uit te gaan en u te onthouden van broodwinning en dagelijkse zaken, JES 58:14 dan zult gij in Jahwe uw genoegen vinden. Ik zal u doen rijden over de toppen van de aarde, en laten genieten van het erfdeel van Jakob, uw vader, Jahwe's mond zelf heeft het gesproken. JES 59:1 Neen, Jahwe's hand is niet te kort om te redden, en zijn oor niet te doof om te horen, JES 59:2 maar uw misdaden brengen een scheiding te weeg tussen u en uw God; door uw zonden is zijn gelaat voor u omhuld en hoort Hij u niet. JES 59:3 Uw handen zijn met bloed bevlekt, uw vingers met misdaad; uw lippen spreken leugentaal, uw tong is druk doende met onrecht. JES 59:4 Niemand dient volgens recht een aanklacht in, geen proces wordt nog in eerlijkheid gevoerd. Men bouwt op niets en bedriegt door zijn woord, men is zwanger van boosheid en brengt onheil ter wereld. JES 59:5 Addereieren broeden zij uit en zij weven spinnewebben. Wie van hun eieren eet, gaat eraan dood, als men ze breekt komt er een slang uit. JES 59:6 Van rag maakt men geen kleding, hun maaksels kan men niet aantrekken. Hun maaksel zijn heilloze maaksels, hun handen zijn doende met geweld. JES 59:7 Hun voeten rennen naar het onrecht; zij reppen zich om onschuldig bloed te vergieten. Hun gedachten zijn heilloze gedachten, verwoesting en puinen liggen op hun weg. JES 59:8 De weg van de vrede is hun onbekend, en waar zij gaan is er geen recht. Hun paden maken zij krom, wie erover gaat kent geen vrede. JES 59:9 Daarom is het recht zo ver van ons, en dringt de rechtvaardigheid niet tot ons door. Wij hopen op licht en zien niets dan duisternis, wij wachten op een heldere dag, maar wij wandelen in het donker. JES 59:10 Wij gaan als blinden tastend langs de muur, tastend als mensen zonder ogen; wij struikelen op klaarlichte dag, als op een donkere avond, en in volle gezondheid zijn wij aan doden gelijk. JES 59:11 Wij grommen allen als beren en kirren klagend als duiven. Wij hopen op recht maar zien er niets van, op redding, maar die blijft ver van ons weg. JES 59:12 Talrijk zijn onze rebelse daden in uw ogen en onze zonden getuigen tegen ons, want onze rebelse daden dragen wij mee en met onze misdaden zijn wij vertrouwd: JES 59:13 wij zijn rebels en verloochenen Jahwe, vallen af van onze God, wij preken onderdrukking en weerspannigheid en zinnen in ons hart op leugen. JES 59:14 Zo wordt het recht teruggedrongen, en blijft de rechtvaardigheid in de verte staan. Ja, de waarheid wordt op het plein ten val gebracht, en het recht wordt nergens toegelaten. JES 59:15 De waarheid laat verstek gaan en wie het kwade mijdt, stelt zich aan plundering bloot. Jahwe heeft het gezien en keurt af dat er geen recht meer is. JES 59:16 Vol verbijstering heeft Hij gezien dat er niemand was, niemand die tussenbeide kwam. Toen heeft hij zijn eigen arm Hem geholpen, zijn gerechtigheid heeft Hem ondersteund. JES 59:17 Hij trok de gerechtigheid aan als een pantser, zette de helm van het heil op zijn hoofd, Hij hulde zich in het kleed van de wraak, sloeg naijver als een mantel om. JES 59:18 Hij vergeldt ieder naar zijn daden: woede over zijn tegenstanders en wraak voor zijn vijanden; op de eilanden neemt Hij wraak JES 59:19 In het westen zal men de naam van Jahwe vrezen en zijn glorie in het oosten, want Hij komt als een versnelde stroom, die door de adem van Jahwe wordt voortgejaagd. JES 59:20 Maar als verlosser komt Hij naar Sion, naar alle zonen van Jakob die hun weerspannigheid opgeven, zo luidt de godsspraak van Jahwe. JES 59:21 Wat Mij betreft: dit is mijn verbond met hen, zegt Jahwe: mijn geest, die op u rust, en de woorden die Ik in uw mond heb gelegd, zullen niet wijken uit uw mond, noch uit de mond van uw nakomelingen, noch uit die van hun nakomelingen, van nu af en tot in eeuwigheid, zegt Jahwe. JES 60:1 Sta op en schitter, want uw licht is gekomen, de glorie van Jahwe gaat over u op, JES 60:2 En zie, de duisternis bedekt de aarde en donkerte de volken, maar over u gaat Jahwe lichtend op, zijn glorie verschijnt over u. JES 60:3 En volkeren komen naar uw licht, koningen naar de glans van uw dageraad. JES 60:4 Sla uw ogen op en zie om u heen, allen verzamelen zich en komen naar u toe: uw zonen komen aan uit de verte, uw dochters worden op de heup aangedragen. JES 60:5 Gij zult het zien en stralen van vreugde, uw hart zal trillen en zwellen: de schatten der zee worden naar u gebracht, de rijkdom der volken komt naar u toe. JES 60:6 Een vloed van kamelen zal u bedekken, dromedarissen van Midjan en Efa; alle bewoners komen uit Seba, met goud en wierook beladen; zij verkondigen de lof van Jahwe. JES 60:7 Al het kleinvee van Kedar is voor u samengedreven, de rammen van Nebajot staan u ter beschikking; zij gaan naar mijn altaar, een welgevallige gave. Mijn luisterrijke tempel zet Ik weer luister bij. JES 60:8 Wie vliegen daar aan als een wolk, als duiven, op weg naar hun til? JES 60:9 De boten der eilanden liggen bijeen, de Tarsis schepen voorop, om uw zonen van verre terug te brengen, tegelijk met hun zilver en goud, tot roem van Jahwe, uw God, van Israëls Heilige, die u luister verschaft. JES 60:10 Vreemdelingen zullen uw muren herbouwen, hun koningen staan u ten dienste; want al heb Ik u in mijn gramschap geslagen, in mijn welgevallen erbarm Ik Mij weer over u. JES 60:11 Uw poorten zullen altijd open staan, bij dag noch bij nacht ooit worden gesloten, zo kunnen de volken u rijkdommen brengen, door hun vorsten geleid. JES 60:12 Want het volk en het koninkrijk dat u niet dient zal ten onder gaan, en de volken zullen worden verdelgd. JES 60:13 De glorie van de Libanon zal tot u komen, cypressen, olmen en buksbomen, alle bijeen, om mijn heilige plaats luister bij te zetten, om de plaats van mijn voeten heerlijk te maken. JES 60:14 Diep gebogen komen zij naar u, de zonen van uw onderdrukkers, en allen die u vroeger verachtten werpen zich dan aan uw voeten neer. Zij noemen u de Stad van Jahwe, de Sion van Israëls Heilige. JES 60:15 Eens waart Gij een verlaten vrouw, een gehatene, die niemand bezocht, nu maak Ik een trots voor de eeuwen van u, een vreugde voor het ene geslacht na het andere. JES 60:16 De melk der volken zult gij zuigen, door koninklijke borsten gezoogd. Dan zult gij erkennen dat Ik, Jahwe, uw redder ben, uw verlosser, de Sterke van Jakob. JES 60:17 In de plaats van koper breng Ik u goud, in de plaats van ijzer breng Ik zilver, in de plaats van hout zal er koper, in de plaats van stenen ijzer zijn. De vrede benoem Ik tot gezaghebber bij u, en tot leider de gerechtigheid. JES 60:18 Men hoort dan niet langer van geweld in uw land, van verwoesting en puin binnen uw grenzen. Uw muren zult gij `redding' noemen, en uw poorten `roem'. JES 60:19 Bij dag zal de zon uw licht niet meer zijn, de glans van de maan u 's nachts niet verlichten; Jahwe zelf zal uw licht zijn voor eeuwig, en uw God wordt uw luister. JES 60:20 Uw zon gaat nooit onder, uw maan neemt niet meer af, want Jahwe zal uw licht zijn voor eeuwig; uw dagen van rouw zijn ten einde. JES 60:21 Uw volk zal alleen nog uit vromen bestaan, die het land bezitten voor eeuwig; zij zijn de stek die Ik plantte, het werk van mijn handen, een blijk van mijn luister. JES 60:22 De kleinste wordt een duizendtal, de geringste een machtig volk. Ik, Jahwe, doe dit alles haastig gebeuren als de tijd daar is. JES 61:1 De geest van Jahwe, mijn Heer, rust op mij, want Jahwe heeft mij gezalfd. Hij heeft mij gezonden om de armen het blijde nieuws te brengen, om te verbinden wier hart gebroken is, om aan de gevangenen vrijlating te melden, en aan de geboeiden de terugkeer naar het licht; JES 61:2 om een jaar van Jahwe's genade te melden, een dag van wraak voor onze God; om alle treurenden te troosten, JES 61:3 om aan de treurenden van Sion een kroon te geven in plaats van as, vreugdeolie in plaats van een rouwgewaad, een kleed van roem in plaats van een kwijnend gemoed. Men noemt hen eiken van heil, door Jahwe geplant, een blijk van zijn luister. JES 61:4 De oude ruïnes worden weer opgebouwd, de puinhopen van vroeger hersteld; de verwoeste steden herschapen, die puinhopen van vroegere geslachten. JES 61:5 Vreemden zullen uw kleinvee weiden, buitenlanders uw boeren en wijnbouwers zijn. JES 61:6 Gij echter wordt dan priesters van Jahwe genoemd en dienaren van onze God zult gij heten. Van de rijkdom der volken zult gij genieten, op hun luister zult gij u beroemen. JES 61:7 Omdat hun schande dubbel zo groot was en smaad en bespuwing hun deel, daarom zullen zij in het land een dubbel bezit verwerven en zal een eeuwige vreugde hun deel zijn. JES 61:8 Want Ik, Jahwe, Ik ben het recht toegenegen, maar heb een afkeer van onrecht en roof. Getrouw zal Ik hen belonen en een eeuwig verbond sluit Ik met hen. JES 61:9 Hun nageslacht wordt onder de volken bekend, hun afstammelingen te midden der naties; al wie hen ziet zal in hen herkennen, het geslacht, door Jahwe gezegend. JES 61:10 Ik verheug mij uitbundig om Jahwe, ik jubel en juich om mijn God, want Hij heeft mij bekleed met gewaden van redding, mij gehuld in een mantel van heil, zoals de bruidegom een kroon opzet en de bruid zich met haar opschik tooit. JES 61:11 Want zoals de aarde groen voortbrengt en een tuin het opgenomen zaad ontkiemen doet, zo laat de Heer, Jahwe, uw heil ontkiemen, uw luister voor het oog van alle volken. JES 62:1 Uit liefde voor Sion kan ik niet zwijgen, uit liefde voor Jeruzalem ken ik geen rust, totdat zijn heil straalt als een gloed en zijn redding als een brandende toorts. JES 62:2 De volken zullen uw heil zien en alle koningen uw glorie. Zij geven u een nieuwe naam, die Jahwe's eigen mond heeft bepaald. JES 62:3 Gij zult een luisterrijke kroon zijn in Jahwe's hand, een koninklijk diadeem in de hand van uw God. JES 62:4 Men noemt u niet langer Verstotene, en uw land niet langer Verlatene, maar gij zult heten: Mijn Welbehagen en uw land: Gehuwde; want Jahwe heeft welbehagen in u en uw land wordt gehuwd. JES 62:5 Zoals een jongeman een meisje huwt, zo zal Hij, die u opbouwt, u huwen. En zoals de bruidegom blij is met zijn bruid, zo zal uw God zich verblijden om u. JES 62:6 Jeruzalem, op uw muren heb ik wachtposten uitgezet; heel de dag en heel de nacht, nooit mogen zij zwijgen. Gij die Jahwe alles in herinnering brengt, er is voor u geen rust. JES 62:7 Gun ook Hem geen rust, tot Hij Jeruzalem herstelt en maakt tot de roem van het land. JES 62:8 Bij zijn rechterhand heeft Jahwe gezworen en bij zijn machtige arm: nooit meer geef Ik uw koren aan uw vijanden te eten; nooit drinken nog vreemden de wijn, waarvoor gij u hebt moegemaakt. JES 62:9 Maar zij die het graan oogsten, zullen het ook eten en Jahwe erom loven; en die de druiven lezen, zullen de wijn ervan drinken, in mijn heilige voorhof. JES 62:10 Trekt, trekt toch de poorten uit, baant een weg voor het volk; hoogt de straten op, hoogt ze op, verwijdert de stenen, steekt de banier voor de volken omhoog. JES 62:11 Jahwe laat het horen tot het uiteinde der aarde: Zeg aan de dochter Sion: zie, hier komt uw Redding, zijn loon draagt Hij mee, en zijn zegeteken gaat voor Hem uit. JES 62:12 Men noemt hen het heilige volk, en de verlosten van Jahwe, en gij heet de Gezochte, de nooit verlaten Stad. JES 63:1 Wie komt daar uit Edom, uit Bosra in helrode kleren, luisterrijk in zijn gewaad, fier in zijn geweldige kracht? `Ik ben het die rechtvaardig oordeelt, en een geding aangaat om te redden.' JES 63:2 Waarom is uw gewaad zo rood, en zijn uw kleren als die van een druivenperser? JES 63:3 `Ik heb geheel alleen de wijnpers getreden en van mijn volk was er niemand bij Mij. In mijn toorn heb Ik hen vertreden, in mijn gramschap hen vertrapt. Hun bloed is op mijn kleren gespat en heel mijn gewaad heb Ik besmeurd. JES 63:4 Want Ik had een dag van de wraak in de zin, het jaar van mijn verlossing was gekomen. JES 63:5 Ik keek rond; er was geen helper, Ik was verbaasd: want niemand ondersteunde Mij. Toen heeft mijn eigen arm Mij geholpen en mijn gramschap Mij ondersteund. JES 63:6 Ik heb volken in mijn toorn vertrapt en in mijn gramschap hen vermorzeld, Ik liet hun bloed ter aarde vloeien.' JES 63:7 De blijken van Jahwe's trouw wil ik bezingen, de roemvolle daden van Jahwe, alles wat Jahwe voor ons heeft gedaan, zijn grote goedheid voor Israëls huis, het mededogen dat Hij ons bewees, en de vele blijken van zijn trouw. JES 63:8 Hij sprak: Zij zijn toch mijn volk, kinderen die hun woord van trouw niet breken. Hij is hun redder geweest JES 63:9 in al hun nood. Niet een bode of een engel, maar Hij heeft hen zelf gered. In zijn liefde en zijn mededogen heeft Hijzelf hen verlost. Hij heeft hen opgenomen en gedragen, in alle vroegere dagen. JES 63:10 Maar zij waren opstandig en bedroefden zijn heilige geest. Zo werd Hij hun tot vijand, Hij zelf streed tegen hen. JES 63:11 Het volk dacht aan lang vervlogen dagen, aan Mozes en de zijnen: `Waar is Hij nu, die eens de herder van zijn kudde uit de zee heeft gehaald; waar is Hij nu, die zijn heilige geest in diens hart heeft gelegd? JES 63:12 Die zijn luisterrijke arm naast Mozes liet voortgaan; die voor hen uit het water liet splijten om zich een eeuwige naam te verwerven? JES 63:13 Waar is Hij nu, die hen door diepe waterkolken geleidde, als paarden door de woestijn, die nergens struikelen; JES 63:14 die hen geleidde als vee dat in een vallei afdaalt? De geest van Jahwe vergezelde hen. Ja, zo zijt Gij uw volk voorgegaan, om u een luisterrijke naam te verwerven. JES 63:15 Zie toch vanuit de hemel neer, vanuit uw heilig en heerlijk paleis. Waar blijft uw ijver en uw kracht? Waarom uw mededogen en uw erbarmen onderdrukken? JES 63:16 Gij zijt toch onze vader. Abraham kent ons niet meer, en Israël wil niet meer van ons weten. Gij, Jahwe, zijt ons vader, van oudsher heet Gij onze verlosser. JES 63:17 Waarom, Jahwe, liet Gij ons van uw wegen afdwalen, waarom liet Gij ons hart verstenen, dat het U niet meer vreest? Keer terug, wees uw dienstknechten ter wille, de stammen die uw eigendom zijn. JES 63:18 Hoe kort had uw heilig volk het land in bezit; en nu treden onze vijanden uw heiligdom met voeten! JES 63:19 Wij zijn geworden, als had Gij nooit over ons geregeerd, als was uw naam nooit over ons uitgeroepen. Mocht Gij de hemel toch openscheuren om af te dalen! De bergen zouden wankelen voor uw aangezicht. JES 64:1 Wees als een vuur dat dorre twijgen in vlam zet, of water doet zieden. Mocht Gij zo uw vijanden uw naam doen kennen en de volken voor U laten beven. JES 64:2 Dan zoudt Gij schrikwekkende dingen doen, waarop wij niet durfden hopen, JES 64:3 waarvan niemand ooit heeft gehoord. Geen oor heeft gehoord, en geen oog heeft gezien, dat een god buiten U aldus optreedt voor hen die op hem vertrouwen. JES 64:4 Mocht Gij mensen vinden die recht doen, en uw wegen gedenken! Gij zijt vertoornd, want wij deden kwaad; vertoornd op hen die onrecht bedreven: toch worden wij gered. JES 64:5 Allen hebben wij ons verontreinigd, heel onze gerechtigheid werd een stondendoek gelijk; en wij zijn allen als bladeren verwelkt; de wind van onze zonden blaast ons weg. JES 64:6 Niemand is er, die uw naam nog aanroept, niemand, die de moed heeft te steunen op U; want Gij hebt uw gelaat voor ons verborgen, en ons prijsgegeven vanwege onze schuld. JES 64:7 En toch, Jahwe, zijt Gij onze vader. Wij zijn de leem, Gij zijt de boetseerder, wij allen het werk van uw hand. JES 64:8 Jahwe, wees niet te zeer vertoornd. Gedenk niet eeuwig onze schuld; zie op ons neer, wij zijn allen uw volk. JES 64:9 Uw heilige steden zijn woestenijen geworden, Sion is een woestenij, Jeruzalem een wildernis. JES 64:10 Onze heilige, luisterrijke tempel, waar onze vaderen U hebben geprezen, is een prooi geworden van laaiend vuur; al wat ons dierbaar is ligt nu in puin. JES 64:11 En bij dit alles houdt Gij, Jahwe, u in? Blijft Gij dan zwijgen en ons zozeer vernederen? JES 65:1 Ik laat Mij zoeken door hen die niet naar Mij vragen, Ik laat Mij vinden door hen die Mij niet zoeken. `Hier ben Ik, hier ben Ik', zo zeg Ik tot een volk dat mijn naam niet aanroept. JES 65:2 Heel de dag door houdt Ik mijn handen uitgestrekt naar een weerspannig volk, dat slechte wegen begaat, achter zijn eigen gedachten aan, JES 65:3 een volk, dat Mij recht in mijn gezicht tergt. Zij offeren voortdurend in de tuinen, branden wierook op tegels. JES 65:4 Zij zitten in graven en overnachten op verborgen plaatsen, zij eten vlees van varkens, en uit hun schotels saus van onrein vlees; JES 65:5 zij zeggen: `Blijf waar gij zijt, raak mij niet aan, want ik ben te heilig voor u.' Dat alles is rook in mijn neus, en vuur dat altijd door brandt. JES 65:6 Voor Mij staat geschreven: Ik zal niet rusten voor Ik hen het volle pond heb uitbetaald JES 65:7 voor hun eigen misdaden en die van hun vaderen, zo spreekt Jahwe; zij hebben wierook gebrand op de bergen, en Mij op de heuvels gehoond. Ik betaal hun het loon voor hun vroegere daden uit. JES 65:8 Zo spreekt Jahwe: Zolang men nog sap in een druiventros vindt, zegt men: `vernietig hem niet, want er is nog zegen in'; aldus zal Ik mijn dienaren doen: Ik zal hen niet allen vernietigen. JES 65:9 Uit Jakob zal Ik kinderen doen voortkomen, uit Juda zonen om mijn bergen te bezitten, mijn uitverkorenen zullen die krijgen en mijn dienaren er wonen. JES 65:10 De Saron vlakte wordt een weiland voor het kleinvee, en in het dal van Achor rusten de runderen van het volk dat Mij zoekt. JES 65:11 Maar gij, die Jahwe verzaakt en mijn heilige berg vergeet, die de tafel dekt voor Gad en de beker voor Meni vult, JES 65:12 u bestem Ik voor het zwaard, gij zult u allen moeten buigen om u te laten slachten. Want toen Ik riep hebt gij niet geantwoord, toen Ik sprak, hebt gij niet geluisterd, gij hebt gedaan wat slecht is in mijn ogen, gij hebt gekozen wat Mij niet welgevallig is. JES 65:13 Daarom, zo spreekt de Heer, Jahwe: Mijn dienstknechten zullen eten, maar gij zult honger hebben; mijn dienstknechten zullen drinken, maar gij zult dorstig zijn; mijn dienstknechten zullen zich verheugen, maar gij zult beschaamd staan. JES 65:14 Mijn dienstknechten zullen van harte juichen, maar gij zult van harteleed schreien en wenen van verdriet. JES 65:15 De naam die gij zult achterlaten zullen mijn uitverkorenen als vloek gebruiken. De Heer, Jahwe, brengt u ter dood, maar aan zijn dienstknechten geeft Hij een andere naam. JES 65:16 Iedereen in het land die zegen over zich afroept, zal zich zegenen bij de God van het Amen, iedereen in het land die wil zweren, zal zweren bij de God van het Amen. De vroegere noden zijn vergeten, ja, niet meer zichtbaar voor mijn ogen. JES 65:17 Zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; en aan wat vroeger is geweest wordt niet meer gedacht, het komt niet meer in de gedachten op: JES 65:18 maar vreugde ga Ik voor u scheppen en jubel voor altijd; waarachtig, Jeruzalem wordt door Mij herschapen in een stad vol jubel met een bevolking vol blijdschap. JES 65:19 Dan zal Ik jubelen om Jeruzalem en Mij verblijden om mijn volk; en snikken noch kermen worden er nog gehoord. JES 65:20 Er is geen zuigeling meer aan wie slechts een kort leven beschoren is, en geen grijsaard die zijn leven niet voltooit, want de jongste sterft als man van honderd jaar, en wie de honderd jaar niet bereikt wordt als vervloekt beschouwd. JES 65:21 Zelf wonen zij in de huizen die zij hebben gebouwd, en eten de vruchten van de wijngaard die zij zelf hebben geplant. JES 65:22 Zij bouwen niet meer wat een ander zal bewonen en planten niets aan, waarvan een ander eten zal. Want de levensdagen van mijn volk zullen even talrijk zijn als die van de bomen, en mijn uitverkorenen zullen zelf genieten van het werk van hun handen. JES 65:23 Zij zullen zich niet moe maken voor niets, geen kinderen ter wereld brengen voor de verschrikking. Zij zijn een geslacht dat gezegend is door Jahwe, en hun nakomelingen met hen. JES 65:24 Nog voor zij roepen zal Ik hen antwoorden, terwijl ze nog spreken zal Ik hen verhoren. JES 65:25 Dan grazen de wolf en het lam eensgezind, de leeuw eet dan hooi zoals het rund, terwijl de slang zich voeden zal met stof. Niemand zal nog kwaad doen of onheil stichten op geheel mijn heilige berg, zo spreekt Jahwe. JES 66:1 Zo spreekt Jahwe: De hemelen zijn mijn troon en de aarde is mijn voetbank; wat voor huis zoudt gij voor Mij dan willen bouwen, en welk heiligdom zou mijn rustplaats zijn? JES 66:2 Dit alles heb Ik met eigen handen gemaakt, dit alles is mijn eigendom, luidt de godsspraak van Jahwe. Mijn ogen rusten op die mens, die deemoedig is en gebroken van hart, en die beeft voor mijn woord. JES 66:3 Iemand die voor Mij een rund slacht, meent ook een mens te mogen doden, en wie een schaap offert, wurgt ook een hond, wie een meeloffer brengt, schrikt niet terug voor varkensbloed, wie wierook offert, vereert ook een afgod. Zoals zij de voorkeur geven aan hun eigen wegen en welgevallen hebben in hun gruwelen, JES 66:4 zo zal Ik er de voorkeur aan geven, hen te kwellen en over hen brengen wat ze vrezen. Want toen Ik riep, heeft niemand geantwoord, en toen Ik sprak, heeft niemand geluisterd. Zij deden wat kwaad is in mijn ogen en gaven de voorkeur aan wat Mij mishaagt. JES 66:5 Hoort het woord van Jahwe, gij die beeft voor zijn woord! Uw eigen broeders die u haten, die u verstoten om mijn naam, hebben gezegd: Laat Jahwe zijn glorie tonen, wij zullen graag uw vreugde zien! Zij zullen zelf beschaamd staan. JES 66:6 Hoort! uit de stad klinkt tumult, hoort! uit de tempel gedruis: de stem van Jahwe die met zijn vijanden afrekent. JES 66:7 Nog voor zij weeën krijgt moet zij baren, nog voor de pijnen haar overvallen, wordt zij van een zoon verlost. JES 66:8 Wie heeft zoiets ooit gehoord, zoiets ooit gezien? Werd ooit een land in een dag ter wereld gebracht, een volk in een keer gebaard? Maar nauwelijks is zij in haar weeën, of Sion baart haar zonen. JES 66:9 Zou ik de schoot openen en niet laten baren? zegt Jahwe. Of zou Ik doen baren en dan de schoot sluiten? zegt uw God. JES 66:10 Verheugt u, samen met Jeruzalem, en juicht over haar, gij allen die haar liefhebt. Jubelt met haar van blijdschap, gij allen die over haar treurt, JES 66:11 gij moogt zuigen en u verzadigen aan haar troostrijke borsten, gij moogt drinken en genieten van haar luisterrijke boezem. JES 66:12 Want zo spreekt Jahwe: Vrede laat Ik haar toestromen als een rivier, de luister van de volken als een beek die buiten zijn oevers treedt. Haar zuigelingen worden op de heup gedragen en op de knieën vertroeteld. JES 66:13 Zoals een moeder haar kind troost, zo zal Ik u troosten: in Jeruzalem zult gij getroost worden. JES 66:14 Zielsblij zult gij het aanschouwen, en uw gebeente zal ontluiken als het groen. Jahwe's hand zal zich openbaren aan zijn dienaars, maar zijn gramschap aan zijn vijanden. JES 66:15 Want zie, Jahwe komt met vuur, zijn wagen is als een orkaan. Hij komt om zijn toorn in een gloed uit te vieren, zijn bedreiging met laaiende vlammen. JES 66:16 Want te vuur en te zwaard komt Jahwe met zijn oordeel over al wat leeft: en talrijk zijn zij, die door Hem worden terechtgesteld. JES 66:17 Zij die zich heiligen en zuiveren om naar de tuinen te gaan, iemand volgend die in hun midden is, zij die het vlees van varkens eten, afschuwwekkende dieren en muizen: al hun werken en plannen vergaan - zo luidt de godsspraak van Jahwe. JES 66:18 Maar Ik kom om alle volken en talen te verzamelen: zij zullen komen en mijn glorie zien. JES 66:19 Ik geef hun een teken en hun overlevenden zend Ik naar de volken, naar Tarsis, Put, Lud, Mesek, Ros, Tubal en Jawan, naar de verre eilanden, die mijn roem nog niet hebben gehoord en mijn glorie nog niet gezien; zij zullen mijn glorie onder de volken verkondigen. JES 66:20 Dan brengen zij al uw broeders uit de volken terug, als een offer voor Jahwe, op paarden, wagens, huifkarren, muildieren en draagstoelen, naar mijn heilige berg Jeruzalem, zoals Israëls zonen in reine vaten hun gaven brengen naar de tempel van Jahwe, zegt Jahwe. JES 66:21 En ook uit hen zal Ik Mij priesters en levieten kiezen, zegt Jahwe. JES 66:22 Want, zoals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die Ik ga maken voor mijn aanschijn blijven bestaan, zo luidt de godsspraak van Jahwe, zo blijven uw nageslacht en uw naam voor Mij bestaan. JES 66:23 Van nieuwe maan tot nieuwe maan, van sabbat tot sabbat, komt al wat leeft zich voor Mij neerbuigen, spreekt Jahwe. JES 66:24 Wanneer zij naar buiten gaan zullen zij de lijken mogen zien van de mensen die tegen Mij in opstand gekomen zijn: hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgaan; en zij zullen weerzinwekkend zijn voor alle levenden. JEREMIA JER 1:1 De woorden van Jeremia, zoon van Chilkia, een priester uit Anatot in Benjamin. JER 1:2 Tot hem kwam het woord van Jahwe, in de tijd van Josia, zoon van Amon, koning van Juda. Het was in het dertiende jaar van diens regering. JER 1:3 Vervolgens onder Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, tot het eind van het elfde jaar van Sidkia, zoon van Josia, koning van Juda; in de vijfde maand van dat jaar ging Jeruzalem in ballingschap. JER 1:4 Het woord van Jahwe kwam tot mij: JER 1:5 Voordat Ik u in de moederschoot vormde, koos Ik u uit; voordat ge geboren werd, bestemde Ik u voor Mij; als profeet voor de volken heb Ik u aangewezen. JER 1:6 Ik zei: `Ach, Jahwe, mijn Heer, ik kan niet spreken; ik ben veel te jong.' JER 1:7 Maar Jahwe antwoordde: Zeg niet: `Ik ben veel te jong!' Naar iedereen tot wie Ik u zend, moet gij gaan en alles wat Ik u opdraag, moet ge hun zeggen. JER 1:8 Wees niet bang voor hen, want Ik ben bij u om u te redden - godsspraak van Jahwe -. JER 1:9 Jahwe stak toen zijn hand uit, raakte mijn mond aan en Jahwe sprak tot mij: Ik leg hiermee mijn woorden in uw mond. JER 1:10 Ik stel u heden aan over volken en over koninkrijken, om ze uit te rukken en af te breken, om ze te vernielen en te verwoesten, om ze op te bouwen en te planten. JER 1:11 Het woord van Jahwe kwam tot mij: `Wat ziet gij, Jeremia?' Ik antwoordde: `Ik zie een amandeltak.' JER 1:12 En Jahwe zei: `Ge hebt goed gezien. Ik houd de wacht bij mijn woord en doe wat Ik zeg.' JER 1:13 Weer kwam het woord van Jahwe tot mij: `Wat ziet ge?' Ik antwoordde: `Ik zie een kokende ketel, kantelend vanuit het noorden.' JER 1:14 En Jahwe zei: Van het noorden uit breken de rampen los over alle bewoners van het land. JER 1:15 Waarachtig. Ik roep alle koningen van het noorden - godsspraak van Jahwe - Zij komen en plaatsen hun troon vlak voor Jeruzalems poorten, onder de wallen die haar omringen en voor de steden van Juda. JER 1:16 Dan vel Ik mijn vonnis over hen vanwege hun misdaden: want Mij hebben ze verlaten, offers gebracht aan andere goden, en zich gebogen voor hun eigen maaksel. JER 1:17 Omgord uw lenden, sta op en zeg hun alles wat Ik u opdraag. Laat u door hen geen angst aanjagen; anders jaag Ik u angst aan voor hen. JER 1:18 Ik maak heden van u een versterkte stad, een ijzeren zuil, een koperen muur tegenover het hele land: de koningen en edelen van Juda, de priesters en de burgers. JER 1:19 Zij zullen u bestrijden, maar u niets kunnen doen. Want Ik ben bij u om u te redden - godsspraak van Jahwe -. JER 2:1 Het woord van Jahwe kwam tot mij: JER 2:2 Ga, roep Jeruzalem toe: Dit zegt Jahwe: Ik denk terug aan de trouw van uw jeugd aan de liefde van uw bruidstijd; hoe gij Mij zijt gevolgd in de woestijn, het land waar niets wordt gezaaid. JER 2:3 Israël was Jahwe's heilig bezit, de eerste vrucht van zijn oogst. Allen die ervan durfden eten moesten het boeten: onheil kwam over hen - godsspraak van Jahwe -. JER 2:4 Hoor het woord van Jahwe, huis van Jakob, alle geslachten van Israël. JER 2:5 Dit zegt Jahwe: Wat voor verkeerds vonden uw voorvaderen in Mij, dat ze van Mij weg zijn gegaan, achter wind zijn aangelopen, en wind zijn geworden. JER 2:6 Zij vroegen niet: `Waar is Jahwe, die ons uit Egypte heeft gevoerd, die ons geleid heeft door de woestijn, dat land vol steppen en ravijnen, dat dor en duister oord waar geen mens doorheen trekt en waar geen sterveling woont.' JER 2:7 Ik heb u gebracht in een veilig land, Ik liet u van zijn heerlijke vruchten genieten. Maar onmiddellijk na uw komst hebt ge mijn land onteerd zodat Ik een afkeer kreeg van mijn eigen grond. JER 2:8 De priesters vroegen niet: `Waar is Jahwe?' De kenners van de weg erkenden Mij niet; de vorsten zijn Mij ontrouw geworden; de profeten werden profeten van Baäl: ze liepen goden achterna, die niet baten. JER 2:9 Daarom span Ik nog een rechtszaak tegen u aan - godsspraak van Jahwe -, een rechtszaak ook tegen uw kleinkinderen. JER 2:10 Vaar naar de eilanden van de Kittiërs, stuur mensen naar Kedar en kijk maar, of ooit zoiets gebeurd is. JER 2:11 Is ooit een volk van goden veranderd? En dat zijn niet eens goden! Maar mijn volk heeft zijn machtige God vervangen door een god die niet baat. JER 2:12 Hemel, sta hierover ontsteld, huiver en sidder - godsspraak van Jahwe -, JER 2:13 want mijn volk heeft dubbel misdreven: Mij hebben ze verlaten, de bron van levend water, en ze hebben regenbakken gehouwen, vol barsten en die geen water houden. JER 2:14 Israël is toch geen knecht; hij is ook niet als slaaf geboren! Hoe is hij dan een prooi geworden JER 2:15 waartegen de leeuwen brullen! Ze hebben van zijn land een wildernis gemaakt; zijn steden zijn platgebrand en ontvolkt. JER 2:16 Zelfs de mensen van Nof en Tachpanches grazen uw hoogten af. JER 2:17 Komt dit niet over u, omdat ge Jahwe, uw God hebt verlaten toen Hij u leidde op uw tocht? JER 2:18 Waarom moest ge naar Egypte gaan en water van de Nijl drinken? Waarom moest ge naar Assur gaan en water van de Eufraat drinken? JER 2:19 Uw eigen misdaad straft u; uw ontrouw kastijdt u. Besef dus, hoe slecht en bitter het is Jahwe uw God te verlaten en Mij niet te vrezen, - godsspraak van Jahwe -, de Heer van de machten . JER 2:20 Al lang geleden hebt ge uw juk afgeschud, uw banden stuk getrokken. Gij hebt gezegd: ik wil niet dienen! Op elke hoge heuvel en onder elke groene boom hebt ge u neergevleid als een hoer. JER 2:21 Ik had u geplant als een edele wijnstok van de fijnste soort. Hoe zijn dan uw ranken ontaard en een wilde wingerd geworden? JER 2:22 Al wast ge u met loog en gebruikt ge nog zoveel zeep, uw schuld blijft voor Mij onuitwisbaar - godsspraak van Jahwe de Heer -. JER 2:23 Hoe durft ge beweren: `Ik ben niet onrein; ik ben de baals niet nagelopen.' Kijk naar uw gedrag in het dal, besef wat ge gedaan hebt gij jonge kameel, die wild op en neer draaft, JER 2:24 gij wilde ezelin, gewend aan de woestijn, die in haar drift de lucht opsnuift en in haar bronst niet is te houden. Zonder moeite sporen de ezels haar op; in haar bronstijd laat ze zich vinden. JER 2:25 Pas op, ge loopt uw voeten stuk; uw keel verschroeit van de dorst. Maar uw antwoord was: `Wat doet dat er toe? Ik ben op die goden gesteld; hen loop ik na.' JER 2:26 Zoals een dief die betrapt wordt, beschaamd staat, zo staat het huis van Israël beschaamd met zijn koningen en edelen, zijn priesters en profeten. JER 2:27 Ze zeggen tot een stuk hout: `Gij zijt mijn vader' en tot een steen: `Gij hebt mij het leven geschonken.' Ze hebben Mij de rug toegekeerd en niet hun gezicht. Maar in tijden van nood roepen ze: `Sta op, kom ons te hulp!' JER 2:28 Waar zijn dan de goden die ge gemaakt hebt?' Laat die maar opstaan om u te helpen in tijden van nood. Uw goden, Juda, zijn toch even talrijk als uw steden! JER 2:29 Hoe kunt ge Mij aanklagen? Allen zijt ge Mij ontrouw geworden - godsspraak van Jahwe -. JER 2:30 Tevergeefs heb Ik uw zonen geslagen. ze hebben er niets van geleerd. Uw zwaard heeft uw profeten verslonden als een verscheurende leeuw. JER 2:31 Gij, mensen van dit geslacht, let op het woord van Jahwe: Ben Ik voor Israël een woestijn geweest, een duister oord? Waarom zegt dan mijn volk: `Wij willen vrij zijn; we komen niet meer naar U.' JER 2:32 Een meisje zal nooit haar opschik vergeten, sinds onafzienbare tijd. JER 2:33 Hoe goed weet ge de weg als het er om gaat liefde te vinden! Gij zijt in het kwaad wel bedreven. JER 2:34 Zelfs aan de zoom van uw kleed kleeft bloed van onschuldigen, van mensen, die niet op inbraak zijn betrapt. JER 2:35 En ondanks alles durft ge te beweren: `Mij treft geen schuld, zijn toorn is immers geweken van mij.' Nu ge zegt: `Ik heb niet gezondigd', daag ik u voor het gerecht. JER 2:36 Het schijnt u niet moeilijk te vallen een andere weg in te slaan. Ook Egypte zal u ontgoochelen, zoals Assur dat heeft gedaan. JER 2:37 Ook daarvandaan komt ge terug met de handen boven uw hoofd, want Jahwe heeft hen op wie ge vertrouwt, verstoten. Ge zult niets bereiken met hen. JER 3:1 Als een man zijn vrouw wegstuurt en zij gaat heen en trouwt met een ander, neemt hij haar dan nog terug? Is dit land dan niet ontwijd? En gij geeft u af met allerlei minnaars en gij wilt bij Mij terugkomen - godsspraak van Jahwe -? JER 3:2 Is er op de heuvels een plek, waar ge niet werd onteerd? Langs de wegen zit ge te wachten als een Arabier in de woestijn. Zo hebt ge het land door uw liederlijke ontucht ontwijd. JER 3:3 Toen de regen uitbleef en ook de late regen niet kwam, bleef uw blik onbeschaamd als die van een hoer. JER 3:4 En nog durft ge roepen: `Gij zijt mijn vader, de vriend van mijn jeugd. JER 3:5 Hij blijft niet kwaad; Hij blijft niet zinnen op wraak.' Dat zijn uw woorden en ondertussen bedrijft ge het ene kwaad na het andere. JER 3:6 In de tijd van koning Josia zei Jahwe tegen mij: Hebt ge gezien wat Israël, de afvallige, gedaan heeft? Hoe ze op de bergen bij elke groene boom ontucht heeft bedreven? JER 3:7 Ik dacht: `Als ze van dat alles genoeg heeft, komt ze wel bij Mij terug.' Maar ze is niet gekomen. Haar zuster Juda, de trouweloze, had dat gezien. JER 3:8 Ze had gezien dat Ik Israël, de afvallige, om haar overspel had verstoten en haar de scheidingsbrief had gegeven. Maar haar zuster Juda, de trouweloze, liet zich daardoor niet afschrikken; ook zij gaf zich over aan ontucht. JER 3:9 Zonder zich aan iets te storen ontwijdde ze het land met haar ontucht. Ze bedreef overspel met goden van steen en van hout. JER 3:10 En nadat alles kwam haar zuster Ja, de trouweloze, wel terug: maar ze was niet oprecht, ze deed maar alsof -godsspraak van Jahwe -. JER 3:11 Toen zei Jahwe tegen mij: Israël, de afvallige, is nog heilig vergeleken met Juda, de trouweloze. JER 3:12 Roep naar het noorden en zeg: Kom terug, afvallig Israël - godsspraak van Jahwe -, Ik ben niet kwaad meer op u. Neen, Ik ben genadig - godsspraak van Jahwe -, Ik blijf niet zinnen op wraak. JER 3:13 Erken alleen uw schuld, erken dat ge Jahwe, uw God ontrouw zijt geweest, dat ge u hebt afgegeven met vreemde goden onder elke groene boom, en naar Mij niet hebt geluisterd - godsspraak van Jahwe -. JER 3:14 Kom terug, afvallige zonen, - godsspraak van Jahwe -. Ik ben uw meester, Ik haal u uit alle steden en uit alle volken, en breng u naar Sion. JER 3:15 Ik geef u vorsten naar mijn hart, die u regeren met kennis en inzicht. JER 3:16 Als ge talrijk wordt in die tijd en sterk aangroeit in het land, - godsspraak van Jahwe -, dan wordt er niet meer gezegd: `Ark van het verbond van Jahwe!' Ze verdwijnt uit het geheugen, men denkt er zelfs niet meer aan, niemand mist ze, een andere wordt nooit meer gemaakt. JER 3:17 In die tijd zal Jeruzalem heten: `Troon van Jahwe'! Alle stammen komen samen, bij de naam van Jahwe, in Jeruzalem. Niet langer blijven ze hardnekkig in hun boosheid. JER 3:18 In die tijd voegt Juda zich bij Israël en samen komen zij uit het noorden naar het land dat Ik aan hun voorvaderen gegeven heb. JER 3:19 Ik dacht: Wat zou Ik u graag als mijn kinderen behandelen, u een heerlijk land geven, mooier dan van enig ander volk! Ik dacht: Ge zult mij uw Vader noemen en u niet van Mij afwenden. JER 3:20 Maar zoals een vrouw ontrouw wordt aan een minnaar zo zijt gij, Israël, Mij ontrouw geworden - godsspraak van Jahwe -. JER 3:21 Op de hoogten weerklinkt geschrei: Israëls zonen wenen en smeken. Ze zijn de verkeerde weg opgegaan; ze hebben Jahwe hun God vergeten. JER 3:22 Kom terug, afvallige zonen, dan genees Ik u van uw ontrouw. Hier zijn wij. We komen naar U, want Gij, Jahwe, zijt onze God. JER 3:23 Inderdaad, het rumoer op de hoogten en op de bergen is bedrog. Inderdaad, bij Jahwe onze God is er redding voor Israël. JER 3:24 Sinds onze jeugd slokt Baäl heel het bezit van onze families op: schapen en runderen, zonen en dochters. JER 3:25 In schande liggen wij neer, onder smaad gaan wij gebukt, want tegen Jahwe onze God hebben we gezondigd, wij zelf en onze voorvaderen, van onze jeugd af tot heden toe. Wij hebben niet geluisterd naar Jahwe onze God. JER 4:1 Israël, als gij u bekeert - godsspraak van Jahwe - moogt ge bij Mij terugkomen. Als ge de afgoden verwijdert en Mij niet blijft ontvluchten, JER 4:2 Als ge zweert: zo waar Jahwe leeft, en ge doet dat waarachtig, eerlijk en oprecht, dan komt door u zegen en vreugde over de volken JER 4:3 Dit immers zegt Jahwe tegen de mannen van Juda en tegen Jeruzalem: Ontgin een nieuw land en zaai niet tussen de doornen. JER 4:4 Mannen van Juda en burgers van Jeruzalem, besnijd u voor Jahwe, doe de voorhuid weg van uw hart, anders laait mijn toorn op als een vuur en die brand wordt door niemand geblust. Zo slecht zijn uw daden. JER 4:5 Maak het bekend in Juda, laat het horen in Jeruzalem. Blaas de bazuin in het land, schreeuw het uit en roep: Verzamelen! De vestingen in! JER 4:6 Geef het signaal aan Sion: Zoek een heenkomen, draal niet, want onheil breng Ik over u uit het noorden, een vreselijke ramp. JER 4:7 De leeuw staat op uit de struiken, de volkenverslinder rukt uit, hij is al van zijn basis vertrokken; uw land wordt verwoest, uw steden worden een puinhoop, zonder bewoners. JER 4:8 Trek dus rouwkleren aan, klaag en jammer, want Jahwe's ziedende toorn wijkt niet van ons. JER 4:9 Op die dag - godsspraak van Jahwe - verdwijnt de moed van de koning en de moed van de edelen; de priesters staan verbijsterd, de profeten verstommen. JER 4:10 Toen zei ik: `Ach, Jahwe mijn Heer, Gij hebt dit volk en Jeruzalem bedrogen met de belofte: vrede zal heersen bij u, en nu is het zwaard ons op de keel gezet.' JER 4:11 In die tijd zal over dit volk en over Jeruzalem worden gezegd: Uit de heuvels in de woestijn komt een verzengende wind over mijn volk, niet om te wannen, niet om te ziften, JER 4:12 een stormwind stuur Ik op u af: Ik ben het zelf, die het komt vonnissen. JER 4:13 Daar komt hij aan als een dichte wolk. Zijn wapens zijn als een orkaan, zijn paarden sneller dan arenden, Wee ons, wij zijn verloren! JER 4:14 Jeruzalem, was u schoon van het kwaad, dan wordt gij gered. Waarom zint ge steeds op het kwade? JER 4:15 Hoor! Een bode uit Dan, slecht nieuws brengt hij uit het bergland van Efraïm: JER 4:16 Bericht aan dit volk, meld aan Jeruzalem: De vijand komt uit een ver land, hij heft de strijdkreet aan tegen de steden van Juda. JER 4:17 Hij omringt ze als wachters hun velden, omdat ze zich tegen Mij hebben verzet - godsspraak van Jahwe -. JER 4:18 Uw wangedrag heeft u dit aangedaan, uw eigen zonde maakt het zo bitter en treft u in het hart. JER 4:19 O mijn borst, mijn borst! Ik krimp van de pijn, mijn hart begeeft het, het bonst in mijn binnenste, ik houd het niet meer. Ik hoor geschal van trompetten, het sein voor de aanval. JER 4:20 Ramp op ramp wordt gemeld: Heel het land ligt verwoest; plotseling is mijn tent vernield, het tentdoek verscheurd. Hoe lang moet ik die standaard nog zien, dat trompetgeschal horen? JER 4:21 JER 4:22 Hoe dwaas is mijn volk, Mij kennen ze niet; het zijn domme mensen, zonder begrip. In het kwaad zijn ze bedreven maar van het goede weten ze niets. JER 4:23 Ik keek naar de aarde: Ze was een woestenij, naar de hemel: Het licht was verdwenen. JER 4:24 Ik keek naar de bergen: Ze beefden, naar de heuvels: ze trilden. JER 4:25 Ik keek: er was geen mens meer en alle vogels waren gevlogen. JER 4:26 Ik keek: het bouwland was een woestijn en alle steden lagen in puin door de hevige toorn van Jahwe. JER 4:27 Want dit zegt Jahwe: Heel het land wordt een woestenij; Ik maak het met de grond gelijk. JER 4:28 De aarde treurt er om; de hemel daarboven wordt donker. Ik heb gesproken, mijn besluit staat vast; Ik kom er niet meer op terug. JER 4:29 Als ze de ruiters en boogschutters horen vluchten ze weg uit de stad; ze lopen de bossen in en verschuilen zich in de bergen. Alle steden liggen verlaten; niemand woont er meer. JER 4:30 Waarom u kleden in purper, waarom u omhangen met goud, waarom uw ogen bijwerken? Uw opsmuk is tevergeefs! Uw minnaars verachten u nu; ze staan u naar het leven. JER 4:31 Ik hoor schreeuwen als van een vrouw in haar weeën, gillen als bij een eerste bevalling. Het is de dochter van Sion die naar adem snakt, met opgestoken handen: `Wee mij! Ik sterf. De moordenaars! Ze hebben mij gedood.' JER 5:1 Loop de straten van Jeruzalem door, kijk goed uit, zoek de pleinen af. Als ge ook maar iemand kunt vinden, die zijn plichten vervult en oprecht wil leven, dan vergeef Ik de stad. JER 5:2 Al zeggen ze ook: zo waar Jahwe leeft; hun eed is vals. JER 5:3 Jahwe, Gij wilt alleen waarachtigheid zien. Slaat Gij hen, het raakt hen niet; verplettert Gij hen, het maakt hen niet wijzer. Hun koppen zijn hard als een kei; ze willen zich niet bekeren. JER 5:4 Ik dacht eerst: `Dat zijn de armen. Die weten niet beter, die kennen de wil van Jahwe niet; ze weten niet wat God van hen vraagt. JER 5:5 Ik ga naar de aanzienlijken en richt mij tot hen. Zij kennen de wil van Jahwe; zij weten wat God van hen vraagt.' Maar ook zij hadden het juk afgeschud, de banden stuk getrokken. JER 5:6 Daarom: de leeuw uit het bos velt hen neer, de wolf uit de steppe verscheurt hen, de panter ligt op de loer bij hun steden: Wie zich buiten waagt, rijt hij in stukken; want talrijk zijn hun misdaden, hun overtredingen zijn niet te tellen. JER 5:7 Hoe zou Ik u nog kunnen vergeven? Uw zonen hebben Mij verlaten; ze zweren bij afgoden. Ik schonk hun overvloed, maar zij plegen echtbreuk, ze lopen de bordelen plat. JER 5:8 Geile, bronstige hengsten zijn het, die hinniken naar de vrouw van hun naaste. JER 5:9 En Ik zou zoiets niet straffen - godsspraak van Jahwe -, Mij niet wreken op zo'n volk? JER 5:10 Trek de wijnbergen in en verniel ze, trap alles plat, ruk de ranken af, ze zijn niet meer van Jahwe. JER 5:11 Want Israël en Juda zijn Mij ontrouw geworden - godsspraak van Jahwe -. JER 5:12 Ze hebben Jahwe verloochend, ze hebben gezegd: `Neen, geen ramp zal over ons komen, geen zwaard, geen honger ons treffen. JER 5:13 En de profeten? Wind zijn ze, God spreekt niet door hen.' Dat alles moge henzelf overkomen. JER 5:14 Daarom zegt Jahwe, de God van de machten: Nu ge dit durft zeggen, maak Ik mijn woorden in uw mond als een vuur en dit volk als het hout dat er door wordt verteerd. JER 5:15 Israël, Ik stuur een volk uit een ver land op u af - godsspraak van Jahwe -, een onvergankelijk, eeuwenoud volk. Zijn taal verstaat ge niet en ge begrijpt niet wat het zegt. JER 5:16 Zijn pijlkoker is een open graf; stuk voor stuk zijn het soldaten. JER 5:17 Ze verslinden uw oogst en uw voorraden, ze verslinden uw zonen en uw dochters, ze verslinden uw schapen en uw runderen, ze verslinden uw wijnstok en uw vijgeboom. De versterkte steden waar gij op vertrouwt, verwoesten ze door het zwaard. JER 5:18 In die tijd - godsspraak van Jahwe - reken Ik voor goed met u af. JER 5:19 Als men vraagt: `Waarom doet Jahwe onze God ons dit alles aan'. antwoord hun dan: `Omdat gij Mij hebt verlaten en in uw eigen land vreemde goden hebt gediend. Daarom zult ge vreemden dienstbaar zijn in een land dat niet het uwe is.' JER 5:20 Maak het bekend aan Jakob en laat het horen aan Juda: JER 5:21 Luister toch, dwaas en onverstandig volk, dat ogen heeft maar niet ziet, dat oren heeft maar niet hoort. JER 5:22 Waarom vreest ge Mij niet - godsspraak van Jahwe -, hebt ge geen ontzag voor Mij die het strand heeft gemaakt tot de grens van de zee, een blijvende grens die ze nooit overschrijdt? Al rollen de golven aan, het is tevergeefs; al beuken ze, ze overschrijden die niet. JER 5:23 Maar dit volk is opstandig en weerspannig, het is zijn eigen weg gegaan. JER 5:24 Ze zeiden niet bij zichzelf: `Wij moeten Jahwe onze God vrezen, die ons op tijd regen geeft, in de herfst en in de lente, die zorgt voor een vaste tijd om te oogsten.' JER 5:25 Door eigen schuld zijn u deze gaven onthouden; door uw zonden zijn ze uitgebleven. JER 5:26 Er huizen misdadigers onder mijn volk; ze liggen op de loer als vogelaars; ze zetten strikken uit om mensen te vangen. JER 5:27 Zoals een korf vol vogels zit, zo zitten hun huizen vol buit; op die manier zijn ze rijk en machtig geworden. JER 5:28 Ze glimmen van het vet; zij zijn door en door verdorven. Ze verkrachten het recht; ze komen niet op voor de wezen; de zaak van de armen behartigen zij niet. JER 5:29 En zoiets zou Ik niet straffen - godsspraak van Jahwe -, Mij niet wreken op zo'n volk? JER 5:30 Wat in dit land gebeurt is verschrikkelijk, afschuwelijk. JER 5:31 De profeten profeteren leugens; de priesters treden eigenmachtig op en mijn volk vindt het zo goed. Maar wat zult ge doen als uw einde komt? JER 6:1 Zoek een heenkomen, zonen van Benjamin, trek uit Jeruzalem weg. Blaas de bazuin in Tekoa, geeft signaal aan Bet hakkerem, want onheil dreigt uit het noorden, een vreselijke ramp. JER 6:2 Vruchtbare weidegrond zijt gij, dochter van Sion. JER 6:3 De herders trekken er heen met hun kudden; overal slaan ze hun tenten op; ieder weidt op zijn deel. JER 6:4 Wij maken ons klaar voor de strijd tegen haar. Deze middag rukken wij op. Helaas, de dag loopt ten einde; de avond valt. JER 6:5 Dus rukken we op in de nacht, wij vernielen haar burchten. JER 6:6 Want dit zegt Jahwe van de legerscharen: Vel de bomen, werp een wal op tegen Jeruzalem. Ze is een stad van bedrog en verdrukking. JER 6:7 Zoals uit een bron het water blijft stromen, zo houdt de stroom van haar wandaden niet op. Men hoort er alleen van geweld en mishandeling; onophoudelijk zie Ik kwalen en wonden. JER 6:8 Wees gewaarschuwd, Jeruzalem, anders keer Ik mij van u af en maak u tot een woestijn, een onbewoond land. JER 6:9 Dit zegt Jahwe van de legerscharen: Ga nogmaals de rest van Israël oogsten zoals men doet met een wijnstok. Ga er met uw hand overheen als een druivenplukker over de ranken. JER 6:10 Tot wie moet Ik mij richten, wie moet Ik waarschuwen? Hun oren zijn onbesneden: niet tot luisteren in staat. Het woord van Jahwe is voor hen een verwijt dat ze liever niet willen horen. JER 6:11 Ik ben vol van de toorn van Jahwe; ik kan hem niet meer bedwingen. Stort hem uit over de kinderen op straat en over de opgroeiende jeugd. Ook mannen en vrouwen worden gevangen genomen, grijsaards en ouden van dagen. JER 6:12 Hun huizen gaan op anderen over met akkers en vrouwen, want Ik hef mijn hand op tegen de bewoners van het land - godsspraak van Jahwe -. JER 6:13 Iedereen, groot en klein, is op eigen voordeel uit. Priesters en profeten, allen plegen bedrog. JER 6:14 Ze genezen zogenaamd de kwaal van mijn volk; ze beweren: `Het gaat goed! Alles gaat goed!' Maar het gaat helemaal niet goed. JER 6:15 En schamen ze zich over hun wandaden? Neen, ze schamen zich niet in het minst, ze weten niet eens meer wat schaamte is. Daarom vallen ze, de een na de ander; als de tijd van hun straf komt, struikelen zij, zegt Jahwe. JER 6:16 Dit zegt Jahwe: Ga op de kruispunten staan en kijk uit. Vraag naar de oude paden, vraag wat de goede weg is en volg die, dan zult ge rust vinden. Maar ze zeiden: `Wij gaan niet!' JER 6:17 Ik stelde wachters over u aan, die riepen: `Let op het teken van onze bazuin.' Maar ze zeiden: `Daar letten wij niet op.' JER 6:18 Volken, luister dan en weet wat er met hen gebeurt. JER 6:19 Aarde, luister! Ik breng rampen over dit volk, als de vruchten van hun ontrouw. Want ze letten niet op mijn woorden, mijn wet hebben ze geminacht. JER 6:20 Wat geef Ik om wierook uit Seba, om de geurige kalmoes uit verre streken? Uw brandoffers behagen Mij niet; uw slachtoffers schenken Mij geen genoegen. JER 6:21 Daarom zegt Jahwe: Ik leg voor dit volk een struikelblok neer: Ze vallen er over, vaders en zonen; buren en vrienden komen om. JER 6:22 Dit zegt Jahwe: Daar komt een volk uit het noorden, een grote natie rukt op van het einde der aarde, JER 6:23 gewapend met sabel en boog, meedogenloos, zonder erbarmen. Als het geraas van de onstuimige zee is de hoefslag van hun aanstormende paarden. Ze staan in slagorde geschaard tegenover u, dochter van Sion. JER 6:24 Toen wij dit bericht ontvingen vielen onze handen sla. Angst greep ons aan, pijn als van een vrouw in haar weeën. JER 6:25 Ga niet buiten de stad, vermijd de wegen, want alom zaait het zwaard van de vijand verschrikking. JER 6:26 Mijn volk, trek het boetekleed aan, wentel u in het stof, Treur als over een enig kind, zing een bitter klaaglied, want onverhoeds komt over ons de verwoesting. JER 6:27 Als keurmeester heb Ik u aangesteld om het gedrag van mijn volk te toetsen. JER 6:28 Allen zijn mateloos opstandig: lasterpraat strooien ze rond. Allen zijn even slecht. JER 6:29 De blaasbalg wakkert het vuur aan; maar het lood komt er onveranderd uit. Vergeefs doet de smelter zijn werk; de slakken komen niet los. JER 6:30 Men noemt hen `afgekeurd zilver,' want Jahwe heeft hen afgekeurd. JER 7:1 Dit woord van Jahwe kwam tot Jeremia: JER 7:2 Ga naar het huis van Jahwe en verkondig daar in de poort deze boodschap: Luister naar het woord van Jahwe, mannen van Juda, die door deze poort gaat om u voor Hem neer te buigen. JER 7:3 Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Beter uw leven, dan laat Ik u wonen op deze plaats. JER 7:4 Vertrouw niet op de valse leus: `Dit is de tempel van Jahwe, de tempel van Jahwe, de tempel van Jahwe!' JER 7:5 Maar beter uw leven, behandel elkaar rechtvaardig, JER 7:6 verdruk geen vreemdeling, weduwe of wees, vergiet geen onschuldig bloed op deze plaats en loop niet achter andere goden aan, tot uw eigen verderf. JER 7:7 Dan laat Ik u wonen op deze plaats, in het land dat Ik aan uw voorvaderen gegeven heb voor altijd. JER 7:8 Maar gij vertrouwt op valse, waardeloze leuzen. JER 7:9 Gij steelt, gij moordt, ge pleegt echtbreuk, ge zweert vals, ge offert aan de baals en loopt achter andere goden aan, die gij nooit hebt gekend. JER 7:10 En dan durft ge in dit huis dat mijn naam draagt nog voor mij verschijnen en zeggen: `We zijn veilig!' Maar ondertussen blijft ge al die wandaden bedrijven. JER 7:11 Is het huis dat mijn naam draagt, in uw ogen soms een rovershol? In mijn ogen beslist niet - godsspraak van Jahwe -. JER 7:12 Ga eens naar de plaats in Silo, waar Ik vroeger mijn naam heb gevestigd, en kijk wat Ik daarmee gedaan heb om de wandaden van Israël, mijn volk. JER 7:13 Welnu, omdat gij dergelijke dingen doet - godsspraak van Jahwe -, omdat ge niet luistert, ofschoon Ik voortdurend tot u heb gesproken, niet antwoordt, ofschoon Ik heb geroepen, JER 7:14 daarom zal Ik met dit huis dat mijn naam draagt en waar ge zo op vertrouwt met de plaats die Ik aan uw vaderen gegeven heb, hetzelfde doen als Ik met Silo gedaan heb. JER 7:15 Ik verstoot u, zoals Ik met uw broeders, met heel Efraïm, heb gedaan. JER 7:16 Bid niet meer voor dit volk, blijf niet jammeren en smeken, dring niet langer aan: Ik verhoor u toch niet. JER 7:17 Ziet ge soms niet wat er in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem gebeurt? JER 7:18 De kinderen sprokkelen hout, de vaders stoken het vuur en de vrouwen kneden deeg om koeken te bakken voor de koningin van de hemel. Ze beledigen Mij door offers te brengen aan andere goden. JER 7:19 Maar beledigen ze Mij wel - godsspraak van Jahwe - en niet veeleer zichzelf, tot hun eigen schande? JER 7:20 Daarom zegt Jahwe de Heer: Mijn gloeiende toorn stort zich uit over deze plaats, over mens en dier, over de bomen op het veld en de vruchten op de akker: een brand die niet wordt gedoofd. JER 7:21 Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Vermeerder uw brand en slachtoffers maar, en eet er het vlees van. JER 7:22 Toen Ik uw voorvaderen uit Egypte leidde, heb Ik hun niets gezegd, hun geen voorschriften gegeven over brand en slachtoffers. JER 7:23 Dit alleen heb Ik hen bevolen: Luister naar Mij, dan zal Ik uw God zijn en gij zult mijn volk zijn. Volg de weg die Ik u wijs, dan zal het u goed gaan. JER 7:24 Maar ze hebben niet geluisterd en Mij niet gehoorzaamd. Ze bleven hardnekkig in de boosheid. Hoe langer hoe meer keerden ze zich van Mij af. JER 7:25 Sinds de uittocht van uw voorvaderen uit Egypte, tot heden toe, heb Ik u mijn dienaren de profeten gezonden, telkens weer. JER 7:26 Maar ze hebben niet naar Mij geluisterd en Mij niet gehoorzaamd. Ze bleven hardnekkig, meer nog dan hun voorvaderen. JER 7:27 Zeg hun dat alles, luisteren zullen ze niet; roep het hun toe, antwoorden zullen ze niet. JER 7:28 Dan moet ge tegen hen zeggen: Hier is nu het volk dat niet wil luisteren naar Jahwe zijn God, dat zich niet laat beleren. Weg is de oprechtheid, ze komt niet meer over hun lippen. JER 7:29 Knip uw haar af en gooi het weg. Hef op de hoogten een klaaglied aan, want Jahwe heeft dit volk verworpen en het in zijn woede verstoten. JER 7:30 Het kwaad van de Judeeërs heeft mijn misnoegen opgewekt - godsspraak van Jahwe -. Zij hebben het huis dat mijn naam draagt, onteerd; ze hebben er hun afgodsbeelden opgesteld. JER 7:31 Ze bouwden de offerhoogten van Tofet in het Ben hinnom dal om er hun zonen en dochters te verbranden, ofschoon Ik dat niet had bevolen en er nooit van heb willen weten. JER 7:32 Daarom komt er een tijd - godsspraak van Jahwe - dat men niet meer zal zeggen: `Tofet en Ben hinnom dal', maar `dal van de slachting'. En Tofet wordt een grote begraafplaats. JER 7:33 De vogels en de wilde dieren azen op lijken van dit volk, zonder dat iemand ze opschrikt. JER 7:34 In de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem laat Ik de kreten van blijdschap en vreugde, het zingen voor bruidegom en bruid verstommen: het land wordt een puinhoop. JER 8:1 In die tijd - godsspraak van Jahwe - haalt men de beenderen van de koningen van Juda en van hun edelen, de beenderen van de priesters en van de profeten en de beenderen van de inwoners van Jeruzalem uit hun graven. JER 8:2 Men spreidt ze uit onder de zon, de maan en de sterren. Die hebben ze immers met liefde gediend, die hebben ze vurig gezocht en vereerd. Hun gebeente wordt niet meer bijeengebracht, het wordt nooit meer begraven. Het blijft liggen als mest op de akker. JER 8:3 Iedereen die overblijft van dit boze geslacht waar Ik het ook heb verspreid zal de dood liever zijn dan het leven - godsspraak van Jahwe - van de legerscharen. en vonnis JER 8:4 Gij moet hen zeggen: Dit zegt Jahwe: Als iemand valt, staat hij dan niet op? Als iemand verdwaalt, keert hij dan niet terug? JER 8:5 Waarom blijft dan dit volk afvallig, waarom blijft Jeruzalem ontrouw? Ze volharden in het bedrog en weigeren zich te bekeren. JER 8:6 Ik heb goed naar hem geluisterd, maar ze spreken onwaarheid. Niemand heeft berouw over zijn misdaden en niemand zegt: `Wat heb ik gedaan?' Iedereen holt maar door als een paard dat zich in de strijd stort. JER 8:7 Zelfs de ooievaar weet zijn tijd, de tortel, de zwaluw en de reiger hebben een vaste tijd voor hun trek; maar mijn volk weet niet wat Jahwe wil. JER 8:8 Hoe durft gij zeggen, dat ge de wijsheid bezit en de wet van Jahwe hebt, terwijl de leugenachtige pen van de schrijvers die wet heeft vervalst! JER 8:9 Beschaamd staan de wijzen, verbijsterd zijn zij en verslagen. Ze hebben het woord van Jahwe geminacht, wat voor wijsheid hebben ze dan? JER 8:10 Daarom geef Ik hun vrouwen aan anderen, hun akkers aan nieuwe meesters. Want iedereen, groot en klein, zoekt eigen voordeel; profeten en priesters plegen allen bedrog. JER 8:11 Ze genezen zogenaamd de kwaal, ze beweren: `Het gaat goed, alles gaat goed.' Maar het gaat helemaal niet goed. JER 8:12 En schamen ze zich nu over hun wandaden? Neen, ze schamen zich helemaal niet, ze weten niet eens wat schaamte is. Daarom vallen ze, de een na de ander. Als de tijd van de straf komt, struikelen zij, zegt Jahwe. JER 8:13 Ik verniel hun oogst - godsspraak van Jahwe -. Er blijft geen druif aan de wijnstok, geen vijg aan de vijgeboom. de blaren verwelken. JER 8:14 `Waarom blijven wij zitten? Laten we de vestigingen ingaan en daar samen afwachten; want Jahwe onze God wil onze ondergang. Hij geeft ons vergif te drinken, omdat wij tegen Hem hebben gezondigd. JER 8:15 We hoopten op geluk, maar het bleef uit; op een tijd van herstel, maar schrik overviel ons. JER 8:16 Vanuit Dan hoort men de paarden snuiven, bij het gehinnik van de hengsten siddert het hele land. Ze komen over het land, ze verslinden alles wat er groeit, de stad en al de inwoners.' JER 8:17 Giftige slangen stuur Ik op u af die ge niet kunt bezweren, hun beet is dodelijk - godsspraak van Jahwe -. JER 8:18 Leed heeft mij getroffen, mijn hart begeeft het. JER 8:19 Hoor het hulpgeschrei van mijn volk overal in het land. Is Jahwe niet in Sion, is zijn koning daar niet? Waarom beledigen zij Mij dan met hun beelden, met die vreemde, nietige goden? JER 8:20 De oogst is voorbij, de zomer ten einde, maar wij zijn nog steeds niet gered. JER 8:21 Door de slagen die mijn volk treffen ben ikzelf getroffen. Ik ga in de rouw, ontzetting grijpt mij aan. JER 8:22 Is er geen balsem meer in Gilead, zijn daar geen heelmeesters meer? Waarom worden de wonden van mijn volk dan niet genezen? JER 8:23 Ach, was mijn hoofd een waterval, waren mijn ogen een bron van tranen, dag en nacht zou ik schreien over de gevallenen van mijn volk. JER 9:1 Ach, was er in de woestijn een onderkomen, dan ging ik weg en verliet mijn volk; want echtbrekers zijn het allemaal, een trouweloze bende. JER 9:2 Ze spannen hun tong als een boog, leugen en oneerlijkheid heersen in het land. Ze vervallen van kwaad tot erger en Mij kennen ze niet - godsspraak van Jahwe -. JER 9:3 Pas op voor elkaar, vertrouw uw medemens niet; het zijn allemaal bedriegers, iedereen belastert zijn naaste. JER 9:4 De een bedriegt de ander, niemand van hen spreekt de waarheid, hun tong is aan liegen gewend. Ze zijn bedorven, ze kunnen niet anders meer. JER 9:5 Ze stapelen geweld op geweld, bedrog op bedrog, en weigeren Mij te erkennen - godsspraak van Jahwe -. JER 9:6 Daarom zegt Jahwe van de legerscharen: Ik zuiver hen uit in de smeltkroes. Wat kan ik anders met hen doen bij al hun slechtheid? JER 9:7 Hun tong is een dodelijke pijl, hun mond is vol bedrog. Ze groeten elkaar vriendelijk, maar ondertussen belagen ze elkaar. JER 9:8 En zoiets zou Ik niet straffen - godsspraak van Jahwe -, op zo'n volk Mij niet wreken? JER 9:9 Ik schrei en treur over de bergen, Ik zing een klaaglied over de oasen in de woestijn: Ze liggen verlaten, niemand trekt er meer door. Men hoort er geen kudden meer blaten, vogels en dieren zijn er verdwenen. JER 9:10 Jeruzalem maak Ik een puinhoop, een plaats waar de jakhalzen huizen; van de steden van Juda een woestijn waar niemand meer woont. JER 9:11 Wie is zo wijs dat hij dit kan verstaan; tot wie sprak Jahwe dat hij dit kan verklaren: Waarom is het land te gronde gegaan? Waarom ligt het verlaten als een woestijn waar niemand meer door trekt? JER 9:12 Jahwe zei: Omdat ze zich van de wet die Ik hun gaf niets hebben aangetrokken en Mij niet hebben gehoorzaamd, omdat ze mijn wet niet hebben nageleefd. JER 9:13 Ze gaan hardnekkig hun eigen weg; ze lopen achter de baals aan, zoals ze dat van hun voorvaderen hebben geleerd. JER 9:14 Daarom zegt Jahwe van de legerscharen, Israëls God: Ik geef dit volk alsem te eten en vergif te drinken. JER 9:15 Ik verstrooi hen onder de volken die zij noch hun voorvaderen hebben gekend. En met het zwaard blijf Ik hen achtervolgen, totdat Ik hen heb uitgeroeid. JER 9:16 Dit zegt Jahwe van de machten: Roep de klaagvrouwen op; laat ze hierheen komen, JER 9:17 dat ze zich haasten. Laat ze voor ons een klaaglied zingen, tot onze ogen schreien en vol tranen staan. JER 9:18 Daar klinkt een klaaglied uit Sion: `Helaas, we zijn te gronde gericht, groot is onze schande. We worden het land uitgezet en uit onze huizen verdreven.' JER 9:19 Vrouwen, hoor het woord van Jahwe, luister naar het woord dat Hij spreekt. Leer uw dochters een treurzang, leer elkaar een klaaglied, JER 9:20 want de dood is door vensters binnengeklommen, hij is in onze burchten gedrongen; de kinderen maait hij neer in de straten, de jeugd op de pleinen. JER 9:21 De lijken van de mensen liggen als mest op het veld, als halmen achter de maaier die niemand bijeenraapt. JER 9:22 Dit zegt Jahwe: De wijze moet niet roemen op zijn wijsheid, de sterke niet roemen op zijn kracht, de rijke niet op zijn rijkdom. JER 9:23 Wie toch wil roemen, het moet zich er op beroemen, in te zien en te erkennen dat ik, Jahwe, genade schenk, en recht en gerechtigheid vestig op aarde, want daarin vind Ik mijn genoegen - godsspraak van Jahwe -. JER 9:24 De tijd komt dat Ik alle besnedenen straf: JER 9:25 Egypte, Juda, Edom, Ammon, Moab en alle mensen met kortgeknipt haar in de woestijn: Al die volken zijn onbesneden, maar Israël is onbesneden van hart. JER 10:1 Israël, hoor het woord dat Jahwe tot u richt: JER 10:2 Dit zegt Jahwe: Neem de gewoonten van andere volken niet over; schrik niet voor tekens aan de hemel, ook al schrikken die volken daar voor. JER 10:3 Hetgeen zij doen betekent niets: Ze hakken blokken hout in het bos, een vakman bewerkt ze met de beitel, JER 10:4 hij belegt ze met goud en zilver, met een hamer spijkert hij ze vast zodat ze niet wankelen. JER 10:5 Het zijn vogelverschrikkers tussen de komkommers: Ze kunnen niet spreken, men moet ze dragen, ze kunnen geen stap verzetten. Wees niet bang voor hen, ze doen geen kwaad en goed doen ze evenmin. JER 10:6 Jahwe, niemand is aan U gelijk, Gij alleen zijt groot, groot is uw almachtige naam. JER 10:7 Iedereen moet U vrezen, koning van de volken; dat komt U toe. Onder de wijze mannen van volken en koninkrijken is niemand aan U gelijk, JER 10:8 allen zijn dom en dwaas. Hun afgoden zijn van hout, JER 10:9 met bladzilver van Tarsis en goud uit Ufaz belegd, door een goudsmid bewerkt, bekleed met blauw en rood purper: dat alles is maakwerk. JER 10:10 Jahwe is waarlijk God, Hij is de levende God en koning voor eeuwig. Voor zijn toorn beeft de aarde, geen volk is tegen zijn woede bestand. JER 10:11 Dit moet ge hen zeggen: De goden die aarde en hemel niet hebben gemaakt, zullen van hemel en aarde verdwijnen. JER 10:12 Hij vormde de aarde door zijn kracht, bracht in zijn wijsheid de wereld tot stand, spande kundig de hemel. JER 10:13 Zijn donder dreunt: het water ruist neer uit de hemel. Wolken haalt Hij op van het eind van de aarde. Bij de regen smeedt Hij bliksems, Hij roept de wind uit zijn schuren te voorschijn. JER 10:14 De mensen staan verstomd, ze begrijpen het niet. De goudsmid schaamt zich over zijn beelden, zijn gietsels zijn leugens, ze bezitten geen levenskracht, JER 10:15 ze betekenen niets, ze zijn bespottelijk maakwerk. Als de tijd van de straf komt, gaan ze ten onder. JER 10:16 De God van Jakob is niet zoals zij; Hij is de schepper van het heelal en Israël is zijn eigen bezit. Zijn naam is: Jahwe van de legerscharen. JER 10:17 Gij, die in de belegerde stad woont, pak uw bezittingen bijeen en trek het land uit. JER 10:18 Want dit zegt Jahwe: Als stenen slinger Ik deze keer de inwoners weg uit het land. En dan drijf Ik hen in het nauw, zodat men hen weet te vinden. JER 10:19 `Wee mij! Ik ben gekwetst, mijn wonden zijn niet te genezen. Ik had nog gedacht: Dit lijden kan ik wel dragen. JER 10:20 Maar mijn tent is vernield, al de lijnen zijn stuk. Mijn kinderen zijn weggetrokken, ze zijn er niet meer. Niemand zet mijn tent op en spant weer het zeil.' JER 10:21 De herders waren dwaas, ze zochten Jahwe niet; daarom liep alles hun tegen, heel hun kudde werd verstrooid. JER 10:22 Hoor het nieuws: Daar komen ze met hevig gedreun uit het noorden en maken van de steden van Juda een wildernis, een plaats waar de jakhalzen huizen. JER 10:23 Ik weet het, Jahwe, geen sterveling bepaalt zijn eigen weg, geen mens gaat waar hij wil. JER 10:24 Straf ons, Jahwe, maar met mate, niet in toorn, anders zijn we verloren. JER 10:25 Stort uw woede uit over de volken die U niet kennen, over de naties die uw naam niet vernoemen. Want ze hebben Jakob verdelgd, verdelgd en uitgeroeid, van zijn weiden een wildernis gemaakt. JER 11:1 Dit woord kwam van Jahwe tot Jeremia: JER 11:2 Spreek tot de Judeeërs en tot de inwoners van Jeruzalem: JER 11:3 Dit zegt Jahwe, Israëls God: Vervloekt de man die niet luistert naar de voorschriften van het verbond, JER 11:4 die Ik uw voorvaderen heb gegeven, bij hun uittocht uit de ijzeroven van Egypte, toen Ik hen zei: Luister naar Mij en doe alles wat ik u voorschrijf. Dan zult gij mijn volk en Ik zal uw God zijn. JER 11:5 Dan houd Ik mij aan de eed die Ik uw voorvaderen gezworen heb en geef hun een land van melk en honing. En dat heb Ik ook gedaan. Ik antwoordde: `Zo is het, Jahwe.' JER 11:6 Jahwe hernam: Dit moet gij verkondigen in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem: Luister naar de voorschriften van dit verbond en volg ze op. JER 11:7 Sinds Ik uw voorvaderen uit Egypte gevoerd heb tot vandaag toe heb Ik hen nadrukkelijk en onophoudelijk gewaarschuwd: Luister naar mij. JER 11:8 Maar ze hebben niet geluisterd en Mij niet gehoorzaamd. Ze bleven hardnekkig in de boosheid. Daarom trok Ik hen met al de bedreigingen van het verbond. Zij hadden dat moeten houden, maar ze hebben zich er niet aan gestoord. JER 11:9 Jahwe zei tot mij: Het lijkt wel of de Judeeërs en de inwoners van Jeruzalem het afgesproken hebben. JER 11:10 Ze zijn teruggevallen in de zonden van hun voorvaderen, die weigerden naar mijn voorschriften te luisteren. Ze zijn andere goden nagelopen en hebben die gediend. Israël en Juda hebben het verbond, dat Ik met hun voorvaderen sloot, verbroken. JER 11:11 Daarom zegt Jahwe: Ik breng rampen over hen, waaraan ze niet kunnen ontkomen. Hoe ze ook tot Mij roepen om hulp, Ik zal hen niet verhoren. JER 11:12 Laat de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem maar om hulp roepen tot de goden, aan wie ze offers hebben gebracht. Laat die hen redden in tijden van nood. JER 11:13 Uw goden, Juda, zijn toch even tal rijk als uw steden; even talrijk als uw straten, Jeruzalem, zijn de altaren die gij hebt gebouwd om offers te brengen aan Baäl. JER 11:14 Bid niet meer voor dit volk, blijf niet jammeren en smeken; Ik luister toch niet als zij in hun nood tot Mij roepen. JER 11:15 Mijn geliefde, wat doe je nog in mijn tempel? Kunnen beloften en offerdieren rampen afweren? Dat zou je graag willen. JER 11:16 `Prachtige groene olijfboom' heeft Jahwe u genoemd. Maar in een hevig onweer heeft Hij hem in vlammen doen opgaan, met takken en al. JER 11:17 Jahwe van de legerscharen die u heeft geplant, kondig rampen over u aan; want Israël en Juda hebben kwaad bedreven: Ze hebben Mij beledigd en offers gebracht aan Baäl. JER 11:18 Toen Jahwe mij waarschuwde, kreeg ik het pas door; Gij hebt mij inderdaad hun plannen laten zien. JER 11:19 Ik was argeloos als een lam dat ter slachting geleid wordt; ik vermoedde niet wat ze tegen mij beraamden: `We vellen de boom in zijn volle kracht. We bannen hem uit het land van de levenden, zodat zijn naam niet meer worden genoemd.' JER 11:20 Jahwe van de machten, uw oordeel is rechtvaardig, Gij doorgrondt hart en nieren. Laat mij dan zien, hoe Ge u op hen wreekt; ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd. JER 11:21 Over de mannen van Anatot, die mij naar het leven staan en zeggen: `Als je nog optreedt als profeet van Jahwe, zul je door onze hand sterven', zegt Jahwe van de legerscharen: JER 11:22 Ik zal hen straffen. De soldaten sterven door het zwaard, de kinderen komen om van de honger. JER 11:23 Niemand blijft over. Rampen breng Ik over de mannen uit Anatot, als de tijd van hun straf is gekomen. JER 12:1 Jahwe, Gij zijt rechtvaardig. ik kan niets tegen U inbrengen. Toch leg ik U een vraag voor: Waarom gaat het slechte mensen goed? en leven alle goddelozen gerust? JER 12:2 Gij plant hen en ze schieten ook wortel. Ze groeien en ze dragen ook vrucht. Hun mond hebben ze vol over U, maar ze dragen U niet in hun hart. JER 12:3 Jahwe, Gij kent mij, Gij ziet mij: Gij doorgrond mijn hart. Sleep hen weg als schapen naar de slachtbank, bestem hen voor de slachting. JER 12:4 Hoelang ligt het land nog droog en verdort het groen op het veld? Om de slechtheid van de bewoners zijn dieren en vogels verdwenen; want ze zeggen: Hij zal ons einde niet zien. JER 12:5 Als ge al moeite hebt om een voetganger bij te houden, hoe zult ge het dan tegen een paard opnemen? Als ge het in een veilig land al opgeeft, wat moet ge dan beginnen in het struikgewas langs de Jordaan? JER 12:6 Ook uw verwanten en uw naaste familie laten u in de steek, achter uw rug honen zij u. Vertrouw hen dus niet, hoe vriendelijk ze ook voor u zijn. JER 12:7 Ik heb mijn huis opgegeven, mijn eigendom afgestoten; wat het liefst was, heb Ik aan de vijand overgeleverd. JER 12:8 Mijn eigendom is geworden als een leeuw in het bos en brult luid tegen Mij; Ik heb er een afkeer van gekregen. JER 12:9 Mijn eigendom is geworden als een hyena, door roofvogels omringd. Roep de wilde dieren bijeen, laat ze komen om het te verslinden. JER 12:10 De herders hebben met hun kudden mijn wijngaard vernield, mijn akker vertrapt, van mijn vruchtbaarste akker een troosteloze woestijn gemaakt. JER 12:11 Een wildernis is het geworden, verdord en verlaten. Het hele land ligt verwoest en niemand bekommert zich erom. JER 12:12 Over alle hoogten van de woestijn zijn de plunderaars aangerukt. Van het ene eind van het land tot het andere is niemand meer veilig. Het is het zwaard van Jahwe, dat alles verslindt. JER 12:13 Ze hebben tarwe gezaaid, maar doornen geoogst; al hun moeite was tevergeefs. De opbrengst is beschamend door de ziedende toorn van Jahwe. JER 12:14 Dit zegt Jahwe: Alle slechte naburen, die het eigendom dat Ik had gegeven aan mijn volk Israël, hebben aangevallen, verdrijf Ik uit hun land. Ook Juda voer Ik weg. JER 12:15 Maar is dat eenmaal gebeurd, dan ontferm Ik mij weer over hen en breng ze allemaal terug naar hun eigen grond, naar hun eigen land. JER 12:16 Als zij dan het geloof van mijn volk aanvaarden en zweren bij mijn naam: `Zowaar Jahwe leeft' zoals ze eens mijn volk leerden zweren bij Baäl , dan worden ze opgenomen in mijn volk. Maar het volk dat niet luistert, voer Ik weg; Ik verdelg het, Ik vernietig het - godsspraak van Jahwe -. JER 13:1 Dit zegt Jahwe tot mij: `Ga een linnen lendendoek kopen, sla die om uw middel en zorg dat hij niet nat wordt.' JER 13:2 Ik kocht dus een lendendoek, zoals Jahwe had gevraagd, en sloeg die om mijn middel. JER 13:3 Weer kwam het woord van Jahwe tot mij: JER 13:4 'Ga naar de Eufraat met de lendendoek die gij gekocht hebt om uw middel, en verberg hem daar in een rotsspleet.' JER 13:5 Ik ging naar de Eufraat en verborg hem daar, zoals Jahwe mij bevolen had. JER 13:6 Geruime tijd nadien zei Jahwe tot mij: `Ga naar de Eufraat en haal de lendendoek op die ge daar op mijn bevel hebt verborgen.' JER 13:7 Ik ging naar de Eufraat, zocht de plek op waar ik de lendendoek had verborgen en haalde hem weer te voorschijn. Maar de lendendoek was vergaan, hij deugde nergens meer voor. JER 13:8 Daarna kwam het woord van Jahwe tot mij: JER 13:9 `Dit zegt Jahwe: Op dezelfde manier zal Ik de trots van Juda en van Jeruzalem laten vergaan. JER 13:10 Dit verdorven volk dat niet naar mijn woorden wil luisteren, en hardnekkig zijn eigen weg gaat, dat achter vreemde goden aanloopt, hen dient en vereert, wordt als deze lendendoek die nergens meer voor deugt. JER 13:11 Want zo vast als een lendendoek zit om het middel van een man, zo vast had Ik heel Israël en heel Juda aan Mij gehecht - godsspraak van Jahwe -; ze zouden mijn volk, mijn eer, mijn roem en mijn glorie zijn. Maar ze hebben niet geluisterd.' JER 13:12 Spreek tot hen deze woorden: `Dit zegt Jahwe, Israëls God: Kruiken vult men met wijn.' Als ze dan antwoorden: `Kruiken vult men met wijn, dat weten wij ook!' JER 13:13 dan moet ge hen zeggen: `Zo giet Ik alle inwoners van dit land vol tot ze dronken zijn, de koningen die op de troon van David zetelen, de priesters, de profeten en alle inwoners van Jeruzalem. JER 13:14 Ik sla hen tegen elkaar te pletter, de vaders tegen de zonen - godsspraak van Jahwe -; Ik vernietig hen meedogenloos, zonder genade, zonder erbarmen.' JER 13:15 Luister goed! Wees niet zo trots! Jahwe heeft het woord. JER 13:16 Geef eer aan Jahwe uw God, voordat Hij het duister laat worden, voordat gij uw voet stoot in het donker der bergen. Gij verwacht licht, maar Hij maakt het aardedonker en hult alles in duisternis. JER 13:17 Als gij niet luistert, zal ik in het verborgen schreien, om die hoogmoed van u, en bittere tranen storten omdat de kudde van Jahwe wordt weggevoerd. JER 13:18 Zeg tot de koning en de koningin moeder: Daal af van uw troon, want de schitterende kroon is van uw hoofd gevallen. JER 13:19 De steden van de Negeb blijven gesloten, niemand kan er in Juda gaat in ballingschap tot de laatste man. JER 13:20 Sla uw ogen op en kijk, wie daar komt uit het noorden. Waar is de kudde die u werd toevertrouwd, waar zijn die prachtige schapen? JER 13:21 Wat zult ge zeggen, als de vroegere minnaars uw meesters worden? Zult ge niet kronkelen van pijn als een vrouw in haar weeën? JER 13:22 Ge vraagt u af: Waarom overkomt mij dit alles? Om uw vele misdaden is uw kleed opgelicht en wordt ge verkracht. JER 13:23 Kan een Moor zijn huidskleur veranderen of een panter zijn vlekken? En gij zoudt het goede kunnen doen, gij die met het kwaad zijt vergroeid? JER 13:24 Ik jaag hen uiteen als stro voor de woestijnwind. JER 13:25 Dat is het lot, dat Ik u heb toegemeten - godsspraak van Jahwe -, omdat gij Mij hebt vergeten en op afgoden vertrouwt. JER 13:26 Ikzelf haal uw kleed omhoog, tot over uw hoofd, zodat men uw schande kan zien: JER 13:27 uw overspel, uw wellust, uw schandelijke ontucht. Op de heuvels en in de vlakte heb Ik uw afgodsbeelden gezien. Wee u, Jeruzalem, wordt gij dan nooit eerbaar? JER 14:1 Het woord van Jahwe kwam tot Jeremia naar aanleiding van de grote droogte; JER 14:2 Heel Juda verdort, alle steden verschrompelen, ze liggen treurend ter aarde, gejammer klinkt uit Jeruzalem op. JER 14:3 De aanzienlijke sturen hun dienaars om water: ze komen bij de putten, maar vinden geen water, met lege kruiken keren ze terug, beschaamd, teleurgesteld, het gezicht bedekt. JER 14:4 Het land ligt droog: er viel geen regen op aarde. Daarom staan de boeren beschaamd en bedekken hun gezicht. JER 14:5 Zelfs de hinde laat het jong in de steek omdat er geen gras meer is. JER 14:6 De wilde ezels staan op de heuvels als jakhalzen te happen naar lucht. Hun ogen breken, omdat er geen groen meer is. JER 14:7 Jahwe, al getuigen onze slechte daden tegen ons, treed op, omwille van uw naam. Inderdaad, vaak waren wij afvallig, wij hebben tegen U gezondigd. JER 14:8 Gij hoop van Israël, redder in tijden van nood, waarom zijt Gij als een vreemde in het land, als een reiziger die maar een nacht blijft? JER 14:9 Waarom zijt Gij als een verslagen man, als een soldaat, niet in staat om te redden? Gij zijt toch in ons midden, Jahwe, wij dragen uw naam, wij behoren U toe. Laat ons niet alleen! JER 14:10 Jahwe zegt over dit volk: Ze lopen alle kanten heen; ze doen niets liever, nooit worden ze het moe. Daarom houdt Jahwe niet meer van hen. Hij gaat nu hun schuld verrekenen, hun zonden bestraffen. JER 14:11 Jahwe zei tot mij: `Bid niet voor het welzijn van dit volk. JER 14:12 Al vasten ze. Ik luister niet naar hun klagen; al dragen ze brand en meeloffers op, Ik aanvaard ze niet meer. Door oorlog, honger en pest roei Ik hen uit.' JER 14:13 Ik zei: `Ach Jahwe mijn Heer, de profeten beweren: Er komt geen oorlog, geen hongersnood; ongestoorde vrede geef Ik u hier.' JER 14:14 Maar Jahwe zei tot mij: `De profeten doen wel alsof ze namens Mij optreden, maar Ik heb hen niet gezonden, Ik heb hun geen opdracht gegeven. Ik heb niet tot hen gesproken. Hun visioenen zijn bedrog, hun orakels berusten nergens op, ze verkondigen eigen verzinsels. JER 14:15 Daarom zegt Jahwe: De profeten die in mijn naam optreden, zonder dat Ik hen gezonden heb, en die zeggen: Oorlog noch honger zullen dit land treffen, komen zelf om door oorlog en honger. JER 14:16 De mensen voor wie ze optreden, worden in de straten van Jeruzalem geveld door hongersnood en oorlog, zonder dat iemand hen begraaft: mannen en vrouwen, zonen en dochters. Zo laat Ik hun slechtheid op hun eigen hoofd neerkomen.' JER 14:17 Ik zou moeten wenen dag en nacht, zonder ophouden, want een vreselijke ramp heeft mijn dochter getroffen, door een zware slag ligt mijn volk geveld. JER 14:18 Ga ik de stad uit, dan zie ik ze daar geveld door het zwaard; ga ik de stad in, dan zie ik ze daar, uitgeteerd door de honger. Zelfs profeten en priesters worden weggesleept naar een onbekend land. JER 14:19 Hebt Gij Juda verworpen, hebt Ge van Sion een afkeer gekregen? Waarom hebt Ge ons dan zo geslagen, dat er geen genezing meer is? We hoopten op vrede, maar die bleef uit, op een tijd van herstel, maar de verschrikking bleef duren. JER 14:20 Jahwe, wij erkennen onze misdaden en de schuld van onze voorvaderen. Wij hebben inderdaad tegen U gezondigd. JER 14:21 Omwille van uw naam, verwerp ons niet, haal uw roemrijke troon niet door het slijk. Denk toch aan uw verbond met ons en verbreek het niet. JER 14:22 Brengen de goden der volken soms regen of laat de hemel zelf die neerstromen? Neen, Gij zijt het, Jahwe onze God. Wij hopen op U, want dit alles komt van U. JER 15:1 Jahwe zei tot mij: Al stonden Mozes en Samuël voor Mij, dan nog liet Ik Mij met dit volk niet meer in. Stuur ze weg, laat ze gaan. JER 15:2 Als ze u vragen: Waar moeten we heen, antwoord dan: Dit zegt Jahwe: Wie voor de dood is bestemd, naar de dood; wie voor het zwaard, naar het zwaard; wie voor de honger, naar de honger; wie voor ballingschap, naar de ballingschap. JER 15:3 Vier nachten laat Ik op hen los - godsspraak van Jahwe -: het zwaard om hen uit te moorden, de honden om hen weg te slepen, de vogels en de wilde dieren om hen te verscheuren en te verslinden. JER 15:4 Ik maak hen tot een schrikbeeld voor al de koninkrijken op aarde JER 15:5 Jeruzalem, wie heeft nog medelijden met u, wie is nog met u begaan? Wie komt naar u toe om te vragen hoe u het maakt? JER 15:6 Gij hebt Mij verlaten - godsspraak van Jahwe -, ge zijt van Mij weggegaan. Daarom hef Ik mijn hand tegen u op om u te vernietigen. Ik ben niet meer in staat u te vergeven. JER 15:7 In alle steden van het land schud Ik mijn volk in de wan. Ik beroof hen van al hun kinderen. Ik roei hen uit, omdat zij hun eigen weg blijven gaan. JER 15:8 Hun weduwen worden talrijker dan de zandkorrels op het strand. Soldaten stuur Ik af op de moeders, geweldenaars op klaarlichte dag. Onverhoeds sla Ik hen met schrik en ontzetting. JER 15:9 Moeders die vele kinderen baarden, bezwijken en vallen in onmacht. Midden op de dag gaat de zon voor hen onder, ze staan beschaamd en ontgoocheld. En wie dat nog overleeft lever Ik over aan het zwaard van de vijand - godsspraak van Jahwe -. JER 15:10 Wee mij, moeder, dat u mij het leven schenkt, een man met wie het hele land strijdt en twist. Ik heb niets uitgeleend en niets in leen ontvangen, en toch vervloekt iedereen mij, JER 15:11 Ik bad: Jahwe, ik heb u toch gediend voor hun welzijn, ik heb voor mij vijand ten beste gesproken in tijden van onheil en nood. JER 15:12 Maar ijzer uit het noorden of koper, kan men dat breken? JER 15:13 Uw rijkdommen en uw voorraden laat Ik plunderen: dat is de prijs voor uw zonden, overal in het land. JER 15:14 Ik maak u de slaaf van uw vijand in een onbekend land. Want de vlammen van mijn toorn slaan uit en woeden tegen u. JER 15:15 Jahwe, denk aan mij, kom mij te hulp. Wreek mij op mijn vervolgers, heb niet zoveel geduld met hen dat het mijn ondergang wordt. Gij weet dat ik versmaad wordt om U. JER 15:16 Zodra uw woord mij bereikte, verslond Ik het, het was mijn vreugde, het maakte mij zielsgelukkig. Ik draag immers uw naam, Jahwe, God van de legerscharen. JER 15:17 Nooit zat ik in vrolijk gezelschap, nooit heb ik vreugde gekend. Ik leefde eenzaam, gegrepen door U, en was van uw toorn vervuld. JER 15:18 Waarom komt er geen eind aan mijn smart, waarom is mijn wond niet te helen, waarom wil ze niet genezen? Gij zijt voor mij een onbetrouwbare beek waarop geen staat valt te maken. JER 15:19 Daarop antwoordde Jahwe: Neem uw woorden terug dan neem Ik u weer in mijn dienst. Spreek edele, geen onwaardige taal, dan moogt ge weer mijn tolk zijn. Zij moeten zich richten naar u, gij moogt u niet richten naar hen. JER 15:20 Dan maak Ik u voor dit volk tot een onneembare, koperen muur. Ze zullen u bestrijden, maar u niets kunnen doen, want Ik ben bij u om u te helpen en u te redden - godsspraak van Jahwe -; JER 15:21 Ik red u uit de greep van de machtigen. JER 16:1 het woord van Jahwe kwam tot mij: JER 16:2 Ge moogt hier niet huwen en geen kinderen hebben. JER 16:3 Want dit zegt Jahwe over de kinderen die in dit land worden geboren, over de moeders die hen ter wereld brengen en de vaders die hen verwekken: JER 16:4 Ze zullen sterven aan dodelijke ziekten; niemand treurt over hen, niemand begraaft hen; ze liggen als mest op de akker. Ze komen om door oorlog en hongersnood. De vogels en de wilde dieren azen op hun lijken. JER 16:5 Dit zegt Jahwe: Ge moogt geen sterfhuis binnengaan; ge moogt niet rouwen en geen deelneming betuigen. Want Ik ontneem dit volk het heil, de genade en de ontferming, die ik het heb gegeven - godsspraak van Jahwe -. JER 16:6 Klein en groot vindt de dood in dit land; niemand die hen begraaft of over hen treurt; niemand die zich het lichaam kerft of zich kaal scheert. JER 16:7 Niemand brengt troost door brood aan te bieden of een beker te reiken aan hen die rouwen over een dode, al was het een vader of moeder. JER 16:8 Ga ook geen huis binnen waar gefeest wordt om mee te eten en te drinken. JER 16:9 Want dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Gij zult het nog meemaken, dat Ik hier de kreten van blijdschap en vreugde, het zingen voor bruidegom en bruid laat verstommen. JER 16:10 Wanneer ge dit volk dit alles verkondigt en ze vragen: `Waarom kondigt Jahwe ons die grote rampen aan, wat hebben we misdaan, waarom hebben wij gezondigd tegen Jahwe onze God?', JER 16:11 dan moet ge hen antwoorden: `Uw voorvaderen hebben mij verlaten - godsspraak van Jahwe -, ze zijn achter andere goden aangelopen, om die te dienen en te vereren. Maar Mij hebben ze verlaten, mijn wet hebben ze niet onderhouden. JER 16:12 En gij maakt het nog erger dan uw voorvaderen: iedereen blijft hardnekkig in de boosheid, niemand luistert naar Mij. JER 16:13 Daarom verdrijf Ik u uit dit land naar een onbekend land dat ook uw voorvaderen niet kenden. Daar kunt ge andere goden dienen, dag en nacht, want Ik heb met u geen medelijden meer.' JER 16:14 De tijd komt - godsspraak van Jahwe -, dat men niet meer zegt: `Zowaar Jahwe leeft die de Israëlieten uit Egypte heeft geleid', JER 16:15 maar: `Zowaar Jahwe leeft die de Israëlieten uit het noorden heeft geleid, uit alle landen waarheen Hij hen had verdreven'; want Ik breng hen terug naar de grond, die Ik hun voorvaderen gegeven had. JER 16:16 Ik stuur een groot aantal vissers uit om hen te vangen - godsspraak van Jahwe -. Daarna stuur Ik een groot aantal jagers om hen uit de verste schuilhoeken, in bergen en heuvels op te jagen. JER 16:17 Ik houd mijn ogen gericht op al wat zij doen, niets blijft voor Mij verborgen, geen misstap ontgaat Mij. JER 16:18 Hun misdaden en zonden zet ik hen dubbel betaald, omdat ze mijn land hebben ontwijd met het aas van hun verachtelijke goden. Heel mijn gebied wemelt van hun afschuwelijke beelden. JER 16:19 Jahwe, mijn sterkte, mijn burcht, mijn toevlucht in tijd van nood, van het eind van de aarde komen de volken naar U en bekennen: De goden van onze vaderen waren leugen en lucht, ze dienden tot niets. JER 16:20 Kan de mens soms goden maken? Dat zijn immers geen goden. JER 16:21 Dat zal Ik hen leren! Deze keer laat Ik hen de macht van mijn hand voelen. Ze zullen weten dat mijn naam Jahwe is. JER 17:1 De zonde van Juda staat met een ijzeren stift geschreven, met een diamanten punt gegrift in de schrijftafel van hun hart, op de horens van hun altaren. JER 17:2 Hun zonen denken alleen aan hun altaren en aan hun heilige palen bij iedere groene boom, op alle hoge heuvels JER 17:3 en op de bergen in de vlakte. Uw rijkdommen en uw voorraden laat Ik plunderen: Dat is de prijs voor uw zonden, overal in het land. JER 17:4 Het gebied dat Ik u gegeven heb, moet ge opgeven. Ik maak u slaaf van uw vijand in een onbekend land, want de vlammen van mijn toorn slaan uit en woeden tegen u. JER 17:5 Dit zegt Jahwe: Vervloekt is hij die op mensen vertrouwt, die steunt op een schepsel en zich afkeert van Jahwe. JER 17:6 Hij is een kale struik in de steppe; nooit krijg hij regen. Hij staat op dorre woestijngrond in een onvruchtbaar, verlaten gebied. JER 17:7 Gezegend is hij die op Jahwe vertrouwt, en zich veilig weet bij Hem. JER 17:8 Hij is een boom aan een rivier met wortels tot in het water Hij heeft geen last van de hitte, zijn bladeren blijven groen. Een tijd van droogte deert hem niet, hij blijft vrucht dragen. JER 17:9 Niets is zo onbetrouwbaar als het hart, onverbeterlijk is het, wie kan het peilen? JER 17:10 Ik Jahwe, doorgrond hart en nieren, Ik vergeld ieder naar zijn gedrag. naar de vrucht van zijn werk. JER 17:11 Als een patrijs die eieren uitbroedt die ze niet heeft gelegd, zo is iemand die oneerlijk rijkdom verwerft. In de bloei van zijn leven moet hij er afstand van doen; als zijn einde komt, blijkt hij een dwaas. JER 17:12 Een hoge, roemrijke troon is van ouds de plaats, waar de tempel staat. Jahwe, hoop van Israël, JER 17:13 allen die U verloochenen, staan beschaamd; die zich van U afkeren, zijn opgeschreven ten dode, want ze hebben de bron van levend water verlaten. JER 17:14 Jahwe, genees mij, en ik zal gezond zijn, red mij, en ik zal veilig zijn, want U komt alle eer toe. JER 17:15 Hoor wat ze tegen mij zeggen: `Waar blijf je met het woord van Jahwe? Laat het maar in vervulling gaan.' JER 17:16 Ik heb niet aangedrongen op rampen, een onheilsdag heb ik niet gewild. Gij weet alles wat over mijn lippen kwam, al mijn woorden zijn U bekend. JER 17:17 Ik smeek U, word dan mijn ondergang niet, Gij, mijn toevlucht in tijden van nood. JER 17:18 Laat mijn vervolgers beschaamd worden, niet mij. Mogen zij ten ondergaan, niet ik. Breng de onheilsdag over hen. Verpletter hen totaal. JER 17:19 Dit zegt Jahwe tot mij: Ga staan in de Volkspoort, waardoor de koning; en van Juda de stad in en uitgaan, en in de andere poorten van Jeruzalem JER 17:20 en zeg hun: Koningen van Juda, inwoners van Juda en van Jeruzalem, die door deze poorten komt, luistert naar het woord van Jahwe. JER 17:21 Hij zegt: Wacht u er wel voor, op de sabbat door de poorten van Jeruzalem lasten binnen te dragen. JER 17:22 Ge moogt op de sabbat ook geen lasten uw huis uit dragen of ander werk doen. De sabbat moet heilig zijn voor u, zoals Ik uw voorvaderen heb geboden. JER 17:23 Maar die hebben niet geluisterd en Mij niet gehoorzaamd. Hardnekkig weigerden ze Mij te gehoorzamen, ze namen niets van Mij aan. JER 17:24 Maar als gij wel naar Mij luistert - godsspraak van Jahwe - en op de sabbat geen lasten door de poorten de stad binnen brengt, als gij de sabbat heiligt door op die dag niet te werken, JER 17:25 dan blijven de koningen die op de troon van David zitten, op paarden en wagens door deze poorten de stad in en uitgaan, evenals hun edelen en de inwoners van Juda en Jeruzalem. Dan blijft deze stad voor altijd bewoond. JER 17:26 En uit de steden van Juda, uit de omstreken van Jeruzalem, uit Benjamin, uit de Sefela, uit het bergland en uit de Negeb komt men naar het huis van Jahwe met brandoffers, slachtoffers, meeloffers, reukoffers en dankoffers. JER 17:27 Maar als gij tegen mijn woord in de sabbat niet heiligt, als ge op die dag lasten door de poorten Jeruzalem binnendraagt, dan steek Ik die poorten in brand; de burcht van Jeruzalem gaat op in vlammen, ze worden niet gedoofd. JER 18:1 Dit woord van Jahwe kwam tot Jeremia: JER 18:2 `Ga naar het huis van de pottenbakker. Daar zal Ik u laten horen wat Ik heb te zeggen.' JER 18:3 Ik ging naar het huis van de pottenbakker. Deze was juist aan het werk op de schijf. JER 18:4 Toen de pot die hij aan het boetseren was onder zijn handen mislukte, begon hij met de leem een andere pot te maken, die hem wel beviel. JER 18:5 Daarop kwam het woord van Jahwe tot mij: JER 18:6 Huis van Israël, kan Ik niet met u doen als deze pottenbakker - godsspraak van Jahwe -? Als leem in de hand van de pottenbakker zijt gij in mijn hand, huis van Israël. JER 18:7 De ene keer richt Ik mij tot een volk of een koninkrijk om het uit te rukken, af te breken, te vernielen. JER 18:8 Maar als het volk waartoe Ik mij richtte, zich bekeert, dan krijg Ik spijt over de rampen waarmee Ik het heb bedreigd. JER 18:9 De andere keer richt Ik mij tot een volk of een koninkrijk om het op te bouwen en te planten. JER 18:10 Maar als het doet wat Mij mishaagt en niet naar Mij luistert, dan krijg Ik spijt over de weldaden die Ik het heb willen bewijzen. JER 18:11 Zeg nu aan de mannen van Juda en aan de inwoners van Jeruzalem: `Dit zegt Jahwe: Ik smeed een plan en beraam onheil tegen u. Verlaat het slechte pad en beter uw leven.' JER 18:12 Maar zij zullen u zeggen: `Vergeefse moeite! Wij gaan onze eigen weg en blijven hardnekkig in de boosheid.' JER 18:13 Daarom zegt Jahwe: Vraag aan de volken, of iemand ooit zo iets gehoord heeft, zo iets afschuwelijks als Israël heeft bedreven. JER 18:14 De stenen in het veld, de sneeuw op de Libanon verdwijnen die ooit? Stromende wateren, borrelende bronnen drogen die ooit uit? JER 18:15 Maar mijn volk heeft Mij vergeten, aan goden van niets brengen zij offers. Op hun eigen vertrouwde wegen zijn ze gestruikeld, ze volgen zijpaden, die ongebaand zijn. JER 18:16 Ze hebben van hun land een schrikbeeld gemaakt, een teken van blijvende spot. Ieder die er doorheen trekt, staat verbijsterd en schudt meewarig het hoofd. JER 18:17 Als de oostenwind jaag Ik hen voor de vijand uiteen, Ik keer hun mijn rug toe, niet mijn gezicht op de dag van het onheil. JER 18:18 Ze zeiden: `We beramen een aanslag op Jeremia. Nooit ontbreekt het de priesters aan onderricht, de wijzen aan raad of de profeten aan woorden. Wij zullen hem met onze tong slagen toebrengen. Wij letten niet meer op wat hij zegt.' JER 18:19 Geef mij gehoor, Jahwe, luister naar mijn klacht: JER 18:20 Mag men goed met kwaad vergelden? Toch graven zij een kuil voor mij. Vergeet niet, dat ik voor u stond om voor hen ten beste te spreken en uw toorn van hen af te wenden. JER 18:21 Laat dan hun kinderen omkomen van honger, lever hen uit aan het zwaard. Laat de vrouwen achter zonder kinderen, zonder man. Hun mannen zullen sterven aan de pest, hun jongens sneuvelen door het zwaard. JER 18:22 Geschrei zal men horen uit hun huizen, als Gij onverwachts rovers op hen afstuurt. Want zij hebben een kuil gegraven om mij te vangen en strikken gezet voor mijn voeten. JER 18:23 Jahwe, Gij kent hun moorddadige plannen: Vergeef hun misdaden niet, wist hun zonde niet uit. Laat hen voor uw ogen bezwijken, reken met hen af als uw toorn begint. JER 19:1 Dit zegt Jahwe: Koop een aarden kruik, ga met enkele oudsten van het volk en van de priesters JER 19:2 naar het Ben hinnomdal, bij de Schervenpoort, en verkondig daar wat Ik u opdraag. JER 19:3 Gij moet hun zeggen: Hoor het woord van Jahwe, koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem: Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Rampen breng Ik over deze plaats, zodat de oren tuiten van iedereen die het hoort. JER 19:4 Want zij hebben Mij verlaten, deze plaats voor Mij onherkenbaar gemaakt en er offers gebracht aan andere goden, die zij, evenmin als hun voorvaderen en de koningen van Juda, hebben gekend. Alles is hier doordrenkt met onschuldig bloed. JER 19:5 Er zijn door hen offerhoogten voor Baäl gebouwd om er hun kinderen voor hem te verbranden, ofschoon Ik dat niet had bevolen en er nooit van heb willen weten. JER 19:6 Daarom komt er een tijd - godsspraak van Jahwe - dat deze plaats niet meer Tofet of Ben hinnom dal heet, maar Dal van de slachting. JER 19:7 Ik verijdel de plannen die Juda en Jeruzalem daar hebben beraamd; Ik vel hen door het zwaard van de vijanden die hen belagen. De vogels en de wilde dieren zullen azen op hun lijken. JER 19:8 Deze stad maak Ik tot een schrikbeeld en een teken van spot. Iedereen die er langs komt, staat verbijsterd over al die rampen en houdt de adem in. JER 19:9 Ik breng hen zover dat ze het vlees van hun eigen kinderen eten en dat ze elkaar verslinden in de nood en de benauwdheid waarin de vijanden die hen belagen, hen brengen. JER 19:10 Dan moet ge voor de ogen van de mannen die met u zijn meegegaan, de kruik verbrijzelen JER 19:11 en zeggen: Dit zegt Jahwe van de legerscharen: Ik verbrijzel dit volk en deze stad, zoals men een aarden kruik onherstelbaar verbrijzelt. De Tofet wordt een grote begraafplaats. JER 19:12 Zo handel Ik met deze plaats en met zijn bewoners - godsspraak van Jahwe -; Ik maak deze stad aan de Tofet gelijk. JER 19:13 De huizen van Jeruzalem en van de koningen van Juda worden even onrein als de Tofet, al die huizen waar men op de daken wierook heeft gebrand voor alle hemellichamen en plengoffers gebracht aan andere goden. JER 19:14 Daarop ging Jeremia van de Tofet waar Jahwe hem met deze boodschap naar toe had gezonden, naar de voorhof van Jahwe's huis en zei tot heel het volk: JER 19:15 `Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Ik breng over deze stad en over de andere steden al de rampen waarmee Ik gedreigd heb, want ze weigeren hardnekkig naar Mij te luisteren.' JER 20:1 Toen Paschur, zoon van Immer, priester en hoofdopzichter van de tempel, deze profetie van Jeremia hoorde, JER 20:2 liet hij de profeet stokslagen toedienen en sloot hem boven in de Benjaminpoort van de tempel in het blok. JER 20:3 Maar toen Paschur hem de volgende morgen uit het blok los maakte, zei Jeremia tot hem: `Voortaan noemt Jahwe je geen Paschur meer, maar `Ontzetting overal'. JER 20:4 Want dit zegt Jahwe: Ik maak je tot een ontzetting voor je zelf en voor je vrienden. Zij zullen vallen door het zwaard van de vijand en met je eigen ogen zul je dat moeten aanzien. Alle Judeeërs lever Ik over aan de koning van Babel. Hij voert ze in ballingschap en slaat ze neer met het zwaard. JER 20:5 Have en goed van deze stad, alle kostbaarheden, alle schatten van de koningen van Juda geef Ik aan de vijand, die ze buit maakt en meeneemt naar Babel. JER 20:6 Ook jij gaat met heel je familie als gevangene naar Babel. Daar zul je sterven, daar word je begraven, met al je vrienden aan wie je leugens hebt verkondigd.' JER 20:7 Jahwe, Gij hebt mij overgehaald; ik ben bezweken, Gij waart mij te sterk. Ik kan niet tegen U op. De hele dag lacht men mij uit, iedereen drijft de spot met mij. JER 20:8 Telkens als ik het woord neem, moet ik schreeuwen en `geweld en onderdrukking' roepen. Het woord van Jahwe brengt mij iedere dag schande en smaad. JER 20:9 Soms denk ik: Ik wil er niets meer van weten, ik spreek niet meer in zijn naam. Maar dan laait er een vuur op in mijn hart, het brandt in mijn gebeente. Ik doe alle moeite om het in bedwang te houden maar dat lukt me niet. JER 20:10 Ik hoor velen fluisteren: `Daar heb je `Ontzetting overal'. Breng hem aan.' Ja, we brengen hem aan. Al mijn vrienden willen niets liever dan mij ten val brengen. Ze zeggen: `Misschien laat hij zich misleiden, dan overmeesteren we hem en kunnen we ons op hem wreken.' JER 20:11 Jahwe is bij mij als een machtig strijder. Mijn achtervolgers vallen neer, ze zullen niet overwinnen. Ze worden diep beschaamd, nooit bereiken ze niets. Hun schande duurt eeuwig, ze wordt nooit vergeten! JER 20:12 Jahwe van de hemelse machten, die alles rechtvaardig onderzoekt, die hart en nieren doorgrondt, laat mij zien hoe Gij u op hen wreekt. Ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd. JER 20:13 Zing een lied, een loflied voor Jahwe, want Hij heeft het leven van de arme uit de macht van de boosdoeners gered. JER 20:14 Vervloekt de dag waarop ik ben geboren, vervloekt de dag dat mijn moeder mij het leven schonk. JER 20:15 Vervloekt de man die mijn vader het nieuws bracht: `Je hebt een zoon!' en hem daar blij mee maakte. JER 20:16 Het zal die man vergaan als de steden die Jahwe meedogenloos heeft verwoest. Geschreeuw zal hij horen in de morgen, krijgsrumoer in de namiddag. JER 20:17 Hij had mij in de schoot moeten doden; dan was mijn moeder mijn graf geworden en haar schoot voor altijd zwanger gebleven. JER 20:18 Ben ik dan ter wereld gekomen om niets dan ellende en zorg te kennen en mijn dagen in schande te slijten? JER 21:1 Het woord van Jahwe kwam tot Jeremia, toen koning Sidkia Paschur, de zoon van Malkia en de priester Sefanja, zoon van Maaseja, naar hem toe zond met het verzoek: JER 21:2 `Koning Nebukadnessar van Babel voert oorlog tegen ons. Raadpleeg Jahwe, of Hij misschien voor ons een van zijn wonderen herhaalt en koning Nebukadnessar die tegen ons optrekt dwingt tot de aftocht.' JER 21:3 Jeremia antwoordde hun: `U moet aan Sidkia zeggen: JER 21:4 Dit zegt Jahwe, Israëls God: De legers waarmee u buiten de muren vecht tegen de koning van Babel en tegen de Chaldeeën, die u belegeren, drijf Ik terug binnen deze stad. JER 21:5 Want Ikzelf strijd tegen u met opgeheven hand, met sterke arm, in grimmige toorn en grote woede. JER 21:6 Alles wat in de stad woont, sla Ik neer, mens en dier; door een vreselijke pest komen ze om. JER 21:7 Daarna - godsspraak van Jahwe - lever Ik Sidkia, de koning van Juda, zijn hovelingen en iedereen die in deze stad aan de pest, het zwaard en de honger is ontkomen, over aan Nebukadnessar, de koning van Babel, aan de vijanden die hen naar het leven staan. Hij brengt ze om met het zwaard, meedogenloos zonder genade, zonder erbarmen. JER 21:8 Tot het volk moet u zeggen: `Dit zegt Jahwe: Ik geef u de keus tussen de weg naar het leven en de weg naar de dood. JER 21:9 Wie in deze stad blijft, sterft door het zwaard, de honger en de pest; wie de stad verlaat en overloopt naar de Chaldeeën, blijft behouden en brengt het er levend af. JER 21:10 Want Ik heb besloten rampen te brengen over deze stad, geen zorgen - godsspraak van Jahwe -. Ze valt in de macht van de koning van Babel, die haar legt in de as.' JER 21:11 Over het koningshuis van Juda. Hoor het woord van Jahwe, JER 21:12 huis van David. Dit zegt Jahwe: Spreek iedere morgen rechtvaardig recht. Bevrijd de verdrukte uit de macht van de verdrukker. Anders laait mijn toorn op als een vuur en die brand wordt door niemand geblust. Zo slecht zijn uw daden. JER 21:13 Ik kom op u af - godsspraak van Jahwe -, op u die troont boven het dal, op de rotsen en pocht: `Wij zijn ongenaakbaar. Niemand komt onze vesting binnen.' JER 21:14 Ik straf u zoals ge verdient - godsspraak van Jahwe -. Ik steek de bossen in brand, heel de streek gaat op in vlammen. JER 22:1 Dit zegt Jahwe: Ga naar het paleis van de koning van Juda en verkondig daar: JER 22:2 Hoor het woord van Jahwe, koning van Juda, die op de troon van David zit, met uw hovelingen en onderdanen die door deze poorten in en uitgaan. JER 22:3 Dit zegt Jahwe: Oordeel rechtvaardig en eerlijk. Bevrijd de verdrukte uit de macht van de verdrukker, doe vreemdelingen, wezen en weduwen niet te kort, zorg dat hun geen onrecht geschiedt. Vergiet geen onschuldig bloed op deze plaats. JER 22:4 Als gij dit werkelijk doet, dan blijven de koningen die op Davids troon zitten, op wagens en paarden door de poorten van dit paleis in en uitgaan, evenals hun hovelingen en onderdanen. JER 22:5 Maar als gij naar deze woorden niet luistert, dan zeer Ik bij mijzelf, dat dit paleis een puinhoop wordt - godsspraak van Jahwe -. JER 22:6 Dit zegt Jahwe over het paleis van de koning van Juda: Gij waart voor mij als Gilead, als de top van de Libanon, maar Ik maak van u een woestijn, een uitgestorven stad. JER 22:7 Ik ontbied slopers, om u met hun werktuigen neer te slaan. Uw prachtig cederhout slaan ze stuk, ze werpen het in het vuur. JER 22:8 Dan zeggen vele volken die langs deze stad komen tot elkaar: `Waarom heeft Jahwe deze grote stad zo behandeld?' JER 22:9 En men zal antwoorden: `Omdat zij het verbond met Jahwe hun God niet zijn nagekomen en andere goden hebben vereerd en gediend.' JER 22:10 Treur niet over de dode, geef geen blijk van deelneming. Treur liever over hem die wegging, want hij komt niet naar zijn geboorteland terug, nooit ziet hij het weer. JER 22:11 Want dit zegt Jahwe over Sallum, zoon van Josia, koning van Juda, die zijn vader op de troon is opgevolgd: Hij die nu weg is uit deze stad, keert hier niet meer terug. JER 22:12 In het land waarheen hij is verbannen, zal hij sterven; zijn eigen land ziet hij nooit weer. JER 22:13 Wee hem die een paleis bouwt op een onrechtvaardige wijze en het optrekt in onrecht; die zijn naaste laat werken voor niets en hem zijn loon niet betaalt; JER 22:14 die zegt: `Ik ga een geweldig huis bouwen met ruime bovenvertrekken, van vensters voorzien, met cederhout bekleed, met menie geverfd.' JER 22:15 Bent u soms koning, alleen omdat u meer cederhout hebt dan een ander? Uw vader heeft zich in niets te kort gedaan, maar hij bleef daarbij rechtvaardig en eerlijk. En toen ging het hem goed. JER 22:16 Hij kwam op voor armen en behoeftigen. Dat noem Ik: Mij kennen - godsspraak van Jahwe -. JER 22:17 Maar gij zijt alleen uit op eigen gewin, op onschuldig bloed vergieten, op verdrukking en afpersing. JER 22:18 Daarom zegt Jahwe over Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda: Niemand heft een klaaglied over hem aan: `Ach mijn broeder, ach mijn zuster!' Niemand heft een klaaglied over hem aan: `Ach heer, ach majesteit!' JER 22:19 Als een ezel wordt hij begraven: Men sleept hem weg en werpt hem buiten de poorten van Jeruzalem. JER 22:20 Bestijg de Libanon en schreeuw het uit, laat uw geroep in Basan weerklinken, schreeuw het uit van de Abarim, want al uw minnaars liggen verslagen. JER 22:21 Ik heb tot u gesproken, toen het u goed ging, maar gij hebt geantwoord: `Ik luister niet.' Van jongs af hebt ge niet anders gedaan, nooit hebt ge naar Mij geluisterd. JER 22:22 De wind voert uw leiders mee; uw minnaars gaan in ballingschap. Dan komt schaamte en schande over u om al uw misdaden. JER 22:23 Ge moogt dan al op de Libanon wonen en nesten bouwen in ceders, kreunen zult ge als de pijnen u overvallen, kronkelen als een vrouw in haar weeën. JER 22:24 Zo waar Ik leef - godsspraak van Jahwe -, Konja, zoon van Jojakim, koning van Juda, zelfs al was u de zegelring aan mijn vinger, Ik trek u eraf. JER 22:25 Ik lever u over aan hen die u naar het leven staan en voor wie u zo bang bent, aan Nebukadnessar, de koning van Babel, en aan de Chaldeeën. JER 22:26 Ik drijf u en de moeder die u gebaard heeft, naar een land waar u niet bent geboren: Daar zult u sterven. JER 22:27 Nooit meer keren zij terug naar het land dat ze zo graag zouden weerzien. JER 22:28 Is die Konja soms een afgedankte kruik, een pot die niemand meer wil? Waarom is hij dan toch met zijn gezin weggegooid, weggeslingerd naar een onbekend land? JER 22:29 Land, o land, luister naar het woord van Jahwe! JER 22:30 Dit zegt Jahwe: Schrijf deze man in als kinderloos, als iemand wiens leven niet is geslaagd. Want geen van zijn kinderen zal er in slagen op de troon van David te komen en weer over Juda te heersen. JER 23:1 Wee de herders, door wie de schapen van mijn kudde omkomen en verloren lopen - godsspraak van Jahwe -. JER 23:2 Daarom zegt Jahwe, Israëls God, tot de herders die mijn volk weiden: Door uw schuld zijn mijn schapen verloren gelopen en uiteengedreven; ge hebt er niet op gelet. Maar Ik let wel op u vanwege al uw misdaden - godsspraak van Jahwe -. JER 23:3 Zelf breng Ik de overgebleven schapen bijeen uit alle landen waarheen Ik ze heb verdreven. Ik breng ze terug naar hun weiden; ze worden weer vruchtbaar en talrijk. JER 23:4 Dan stel Ik herders over hen aan, die hen werkelijk weiden. Ze hoeven niet meer bang of angstig te zijn, geen van hen wordt nog vermist - godsspraak van Jahwe -. JER 23:5 Geloof mij, de tijd komt dat Ik een wettige telg van David doe opstaan - godsspraak van Jahwe -; hij zal met bekwaamheid regeren en het land rechtvaardig en eerlijk besturen. JER 23:6 Dan wordt Juda bevrijd, leeft Israël veilig. Dit is de naam die men het geeft: `Jahwe, onze gerechtigheid.' JER 23:7 Eens komt de tijd - godsspraak van Jahwe -, dat men niet meer zegt: `Zowaar Jahwe leeft, die de Israëlieten uit Egypte heeft geleid', JER 23:8 maar: `Zowaar Jahwe leeft, die de nakomelingen van Israël heeft teruggebracht uit het noorden, uit alle landen waarheen Hij hen had verdreven. Op hun eigen grond zullen zij weer wonen.' JER 23:9 Over de profeten. Ik ben geschokt tot diep in mijn hart, ik beef over al mijn leden. Ik lijk wel dronken, bevangen door de wijn, zo vol ben ik van Jahwe's heilige woorden. JER 23:10 Overal in het land pleegt men echtbreuk, daarom ligt het land verdord, zijn de oasen in de woestijn uitgedroogd. Zij zinnen alleen maar op kwaad, hun macht steunt op onrecht. JER 23:11 Zelfs profeten en priesters zijn verdorven, in mijn eigen huis heb Ik hen op misdaden betrapt - godsspraak van Jahwe -. JER 23:12 Daarom wordt de weg die zij gaan een glibberig pad in het donker, waar zij struikelen en vallen. Want rampen breng Ik over hen, als de tijd van hun straf is gekomen - godsspraak van Jahwe -. JER 23:13 Ik heb gezien, dat de profeten van Samaria iets verschrikkelijks deden: Zij traden op als profeten van Baäl en misleidden mijn volk Israël. JER 23:14 Maar de profeten van Jeruzalem heb Ik nog erger dingen zien doen: overspel en bedrog. De bozen stijven zij in hun boosheid, zodat niemand tot inkeer komt. De hele stad is voor Mij een Sodom, de hele bevolking een Gomorra. JER 23:15 Daarom zegt Jahwe van de legerscharen over de profeten: Ik geef hun alsem te eten en vergif te drinken, want door de profeten van Jeruzalem komt verderf over het hele land. JER 23:16 Dit zegt Jahwe van de legerscharen: Luister niet naar wat de profeten u verkondigen. Ze bedriegen u; hun visioenen zijn eigen verzinsels en geen boodschap van Jahwe. JER 23:17 Tot hen die het woord van Jahwe minachten, zeggen zij: `Het zal u goed gaan.' En tot ieder die verstokt blijft in de boosheid, zeggen zij: `U zal geen kwaad overkomen.' JER 23:18 Maar wie van hen had zitting in de raad van Jahwe? Wie was erbij en hoorde wat Hij besloot? Wie vernam zijn besluiten en bracht ze over? JER 23:19 De stormwind van Jahwe steekt op, een wervelstorm breekt los over de boosdoeners. JER 23:20 De toorn van Jahwe komt niet tot bedaren, tot Hij al zijn plannen ten uitvoer gebracht heeft. Later zal dit u duidelijk worden. JER 23:21 Ik heb die profeten niet gezonden en toch sloven ze zich uit. Ik heb niet tot hen gesproken en toch treden ze op als profeet. JER 23:22 Hadden ze zitting gehad in mijn raad, dan zouden ze mijn volk mijn besluiten verkondigen en het afbrengen van zijn verkeerde weg, van zijn slecht gedrag. JER 23:23 `Ben Ik alleen een God die in de nabijheid is; ben ik ook niet een God die ver weg is?' JER 23:24 Nergens kan een mens zich verbergen zonder dat Ik hem zie - godsspraak van Jahwe -. Hemel en aarde zijn vol van Mij - godsspraak van Jahwe -. JER 23:25 Ik hoor de profeten die in mijn naam leugens verkondigen, zeggen: `Ik had een droom.' JER 23:26 Hoelang moet dat nog duren! Wat bezielt die profeten, die verkondigers van eigen verzinsels? JER 23:27 Ze vertellen mijn volk hun dromen en menen dat het daardoor mijn naam zal vergeten, zoals hun voorvaderen, die mijn naam vergaten voor die van Baäl. JER 23:28 De profeet die een droom heeft, vertelt alleen een verzinsel; maar hij die mijn woord heeft ontvangen, spreekt in waarheid mijn woord: Stro heeft niets met tarwe gemeen - godsspraak van Jahwe -. JER 23:29 Mijn woord is als een vuur - godsspraak van Jahwe -, als een hamer die een rots vaneensplijt. JER 23:30 Ik verzeker u: Ik zal de profeten, die mijn woorden van elkaar stelen - godsspraak van Jahwe -. JER 23:31 Ik zal de profeten, die al wat over hun lippen komt als orakels beschouwen - godsspraak van Jahwe -. JER 23:32 Ik zal de profeten, die mijn volk misleiden met hun zogenaamde dromen, met hun leugens en hun woordenvloed - godsspraak van Jahwe -. Ik heb hen niet gezonden, Ik heb hun geen opdracht gegeven. Ze zijn voor dit volk van geen enkel nut - godsspraak van Jahwe -. JER 23:33 Wanneer iemand, al was het een profeet of een priester, u vraagt: `Wat is de `last' van Jahwe?', antwoordt dan: `Gij zijt zelf een last; Ik werp u dan ook af - godsspraak van Jahwe -.' JER 23:34 De profeet, de priester of wie dan ook die nog van de `last' van Jahwe spreekt, straf ik met heel zijn familie. JER 23:35 Vraagt elkaar liever: `Wat is het antwoord van Jahwe? Wat heeft Hij gezegd?' JER 23:36 Maar de uitdrukking `last' van Jahwe moogt ge niet meer gebruiken. Doet gij dat toch, dan zult ge er zelf de last van ondervinden, omdat ge de woorden van onze God, de levende God, Jahwe van de machten, een verkeerde betekenis geeft. JER 23:37 Ge moet de profeet vragen: `Wat is het antwoord van Jahwe? Wat heeft Hij gezegd?' JER 23:38 Als gij blijft spreken van de `last' van Jahwe, dan zegt Hij: Nu gij van de `last' van Jahwe blijft spreken, ofschoon Ik u liet waarschuwen dat niet meer te doen, JER 23:39 nu til Ik u op samen met deze stad die Ik aan u en aan uw voorvaderen gegeven heb, en werp u weg. JER 23:40 Eeuwige smaad breng Ik over u, eeuwige schande, die nooit wordt vergeten. JER 24:1 Van Jahwe kreeg ik een visioen: Ik zag twee manden met vijgen staan bij de tempel van Jahwe. Het was kort nadat Jekonja, zoon van Jojakim, de koning van Juda, de edelen van Juda, de smeden en de slotenmakers door Nebukadnessar, de koning van Babel, uit Jeruzalem naar Babel waren weggevoerd. JER 24:2 In de ene mand zaten prachtige vijgen, vijgen van de eerste pluk; in de andere zaten slechts vijgen, te slecht om te eten. JER 24:3 En Jahwe vroeg mij: `Wat ziet gij, Jeremia?' Ik antwoordde: `Ik zie vijgen. De goede vijgen zijn uitstekend, maar de slechte zijn bijzonder slecht, te slecht om te eten.' JER 24:4 Toen kwam het woord van Jahwe tot mij: JER 24:5 Dit zegt Jahwe, Israëls God: Zoals voor deze goede vijgen, zo zorg Ik goed voor de ballingen van Juda die Ik van hier naar het land van de Chaldeeën heb laten gaan. JER 24:6 Ik heb alleen hun welzijn voor ogen en breng hen terug naar dit land. Ik bouw hen weer op en breek hen niet af, Ik plant hen en ruk hen niet uit. JER 24:7 Ik geef hun een hart om te erkennen dat Ik Jahwe ben. Zij zullen mijn volk en Ik zal hun God zijn, want ze zullen met heel hun hart naar mij terugkeren. JER 24:8 Maar zoals met de slechte vijgen, te slecht om te eten, zo handel Ik met Sidkia, de koning van Juda, met zijn edelen, met de rest van zijn volk dat nog in dit land is overgebleven, en met degenen die zich in Egypte hebben gevestigd, zegt Jahwe. JER 24:9 Ik maak hen tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken op aarde, een teken van smaad, een mikpunt van schimp en spot, een vloek overal waar Ik hen verstrooi. JER 24:10 Het zwaard, honger en pest stuur Ik op hen af, tot ze geheel verdwenen zijn van de grond die Ik hun en hun voorvaderen had gegeven. JER 25:1 Dit woord kwam tot Jeremia voor heel het volk van Juda. Het was in het vierde jaar van de regering van Jojakim, zoon van Josia, de koning van Juda, in het jaar dat Nebukadnessar koning van Babel werd. JER 25:2 De profeet Jeremia sprak tot heel het volk van Juda en alle inwoners van Jeruzalem: JER 25:3 Vanaf het dertiende jaar dat Josia, zoon van Amon, koning van Juda was, tot op deze dag, drie en twintig jaar lang, is het woord van Jahwe tot mij gekomen. Onophoudelijk heb ik tot u gesproken, maar ge hebt niet geluisterd. JER 25:4 Jahwe heeft naar u zijn dienaars de profeten gezonden, telkens weer, maar ge hebt niet geluisterd, ge hebt mij niet gehoorzaamd. JER 25:5 Steeds weer zeiden ze: Laat uw slecht gedrag en uw zondig leven varen. Dan blijft gij wonen op de grond, die Jahwe aan u en uw voorvaderen voor altijd gegeven heeft. JER 25:6 Loopt geen andere goden na, dient ze niet, vereert ze niet. Beledigt mij niet met uw eigengemaakte beelden, anders laat Ik u omkomen. JER 25:7 Maar ge hebt niet naar Mij geluisterd - godsspraak van Jahwe -; ge hebt Mij beledigd met uw eigengemaakte beelden, tot uw eigen verderf. JER 25:8 Daarom zegt Jahwe van de legerscharen: Omdat gij niet naar Mij hebt geluisterd, JER 25:9 roep Ik alle volken uit het noorden op: koning Nebukadnessar van Babel, mijn dienaar - godsspraak van Jahwe -, Ik stuur hen af op dit land, op zijn bewoners en op alle volken in de omgeving. Ik vernietig hen en maak voor altijd hen tot een schrikbeeld, een mikpunt van spot en smaad. JER 25:10 Ik maak een eind aan hun kreten van blijdschap en vreugde, aan het zingen voor bruidegom en bruid, aan het knarsen van de molensteen, aan het licht van de lamp. JER 25:11 Het hele land wordt een verschrikkelijke puinhoop. De volken zullen de koning van Babel dienstbaar zijn, zeventig jaar. JER 25:12 Maar na die zeventig jaar zal Ik de koning van Babel en zijn volk hun misdaden vergelden - godsspraak van Jahwe -. Het land van de Chaldeeën maak Ik voor altijd tot een woestijn. JER 25:13 Alles wat Ik tegen dit land heb aangekondigd, laat Ik in vervulling gaan, alles wat in dit boek staat geschreven. De profetieën van Jeremia over de volken. JER 25:14 Machtige volken en grote koningen zullen hen op hun beurt onderwerpen. Ik vergeld hen hun misdaden. JER 25:15 Dit zegt Jahwe, Israëls God: Neem deze beker uit mijn hand en laat alle volken tot wie Ik u zend de wijn van de gramschap drinken. JER 25:16 Laat hen drinken tot ze waggelen als dwazen, door het zwaard dat Ik op hen afzend. JER 25:17 Ik nam de beker uit Jahwe's hand en liet alle volken tot wie Hij mij zond er uit drinken: JER 25:18 Jeruzalem en de steden van Juda met hun koningen en edelen, waarvan Ik nu een puinhoop gemaakt heb, een schrikbeeld, een mikpunt van spot en een vloek; JER 25:19 Farao, de koning van Egypte, met zijn hovelingen, zijn edelen, zijn volk JER 25:20 en alle vreemdelingen; de koningen van Us; de Filistijnse koningen van Askelon, Gaza, Ekron en Asdod voor zover het nog bestaat; JER 25:21 Edom, Moab en Ammon; JER 25:22 de koningen van Tyrus, van Sidon, van de overzeese gebieden; JER 25:23 Dedan, Tema, Buz en alle mensen met kortgeknipt haar; JER 25:24 de koningen van Arabie en alle woestijnbewoners; JER 25:25 de koningen van Zimri, van Elam en van Medië; JER 25:26 de koningen in het noorden, zowel dichtbij als veraf; in een woord: alle koninkrijken op de hele aarde, waar dan ook. Als laatste van allen drinkt de koning van Sesak er uit. JER 25:27 Dan moet ge hen zeggen: Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Drink u goden, tot ge ervan braakt, tot ge erbij neervalt en niet meer opstaat, door het zwaard dat Ik op u afzend. JER 25:28 En als ze de beker weigeren, die ge hun aanbiedt, dan moet ge hun zeggen: Dit zegt Jahwe van de machten: Drinken zult gij JER 25:29 De rampen die Ik breng over de stad die mijn naam draagt, zijn pas het begin en gij denkt te kunnen ontsnappen? Neen, ge zult niet ontsnappen! Ik roep het zwaard op tegen alle bewoners van de aarde - godsspraak van Jahwe van de legerscharen -. JER 25:30 Gij moet hun verkondigen: Jahwe briest uit de hemel, uit zijn heilige woning donder zijn stem. Hij buldert tegen zijn stad, als de druivenpersers schreeuwt Hij tegen alle bewoners der aarde. JER 25:31 De strijdkreet dringt door tot het eind van de aarde: Jahwe velt vonnis over de volken, Hij oordeelt alle mensen en levert de goddelozen uit aan het zwaard - godsspraak van Jahwe -. JER 25:32 Dit zegt Jahwe van de legerscharen: Daar breekt de hel los en treft volk na volk als een zware storm die opsteekt van de uithoeken der aarde. JER 25:33 Zij die door Jahwe op die dag zijn geveld, liggen van het ene eind van de aarde tot het andere. Niemand rouwt over hen, niemand brengt hen bijeen, niemand begraaft hen: ze blijven liggen als mest op de akker. JER 25:34 Herders, hef een klaaglied aan, schreeuwt het uit, wentelt u in het stof, herders der kudde, want de dag van uw slachting is aangebroken: JER 25:35 als vette bokken valt ge neer. De herders kunnen nergens meer heen. de herders van de kudde kunnen niet meer ontsnappen. JER 25:36 Hoor de herders klagen, de hoeders van de kudde schreien, omdat Jahwe hun kudden uitmoordt. JER 25:37 De vredige weiden zijn platgetrapt door Jahwe's brandende toorn. JER 25:38 Als een leeuw kwam Hij uit zijn schuilplaats en hun land werd een wildernis door de toorn, de brandende toorn van Jahwe. JER 26:1 In het begin van de regering van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, kwam dit woord van Jahwe tot Jeremia: JER 26:2 Dit zegt Jahwe: Ga naar de tempel van Jahwe en zeg in de voorhof tot hen die uit de steden van Juda naar de tempel komen om Hem te aanbidden alles wat Ik u opdraag, zonder een woord weg te laten. JER 26:3 Misschien luisteren zij en komen ze tot inkeer, zodat Ik spijt krijg over de rampen die Ik tegen hen om hun zondig leven beraamde. JER 26:4 Zeg daarom tot hen: Dit zegt Jahwe: Als ge niet naar Mij luistert en niet leeft volgens de wet die Ik u heb gegeven. JER 26:5 als ge niet luistert naar mijn dienaars, de profeten die Ik telkens weer, maar vergeefs, naar u zend, JER 26:6 dan doe Ik met dit huis hetzelfde als Ik met Silo gedaan heb en deze stad maak Ik tot een vloek bij alle volken op aarde. JER 26:7 De priesters, de profeten en alle aanwezigen hoorden de rede die Jeremia in de tempel hield. JER 26:8 Nauwelijks had Jeremia de rede die hij in opdracht van Jahwe voor alle aanwezigen hield beëindigd, of de priesters, de profeten en alle aanwezigen grepen hem vast en schreeuwden: `Sterven zul je! JER 26:9 Hoe durf je als profeet van Jahwe te zeggen: Deze tempel zal het vergaan als de tempel van Silo en deze stad wordt een puinhoop, zonder bewoners.' En allen stormden tegelijk op Jeremia af in de tempel van Jahwe. JER 26:10 Toen de edelen van Juda vernamen wat er gebeurde, begaven zij zich van het paleis naar de tempel en namen hun plaats in bij de nieuwe poort. JER 26:11 De priesters en de profeten zeiden tot hen en tot alle aanwezigen: `Deze man is de dood schuldig. Hij heeft tegen deze stad geprofeteerd; u hebt het zelf gehoord.' JER 26:12 Maar Jeremia zei tot de edelen en tot alle aanwezigen: `Alle bedreigingen tegen deze tempel en tegen deze stad die u hebt gehoord, heb ik uitgesproken in opdracht van Jahwe. JER 26:13 Beter dus uw leven, luister naar Jahwe uw God. Misschien krijgt Hij dan spijt over het onheil waarmee Hij u heeft bedreigd. JER 26:14 Met mij kunt u natuurlijk doen wat u wilt: ik ben in uw macht. JER 26:15 Maar als u mij doodt, moet u wel weten dat u onschuldig bloed brengt over uzelf, over deze stad en over haar inwoners, want het is in opdracht van Jahwe, dat ik dit alles verkondig.' JER 26:16 Daarop zeiden de edelen en alle aanwezigen tot de priesters en de profeten: `Deze man is de dood niet schuldig. Hij heeft tot ons gesproken namens Jahwe.' JER 26:17 Enige oudsten stonden op en zeiden tot heel de vergadering: JER 26:18 `Onder koning Hizkia van Juda trad Micha uit Moreset op als profeet en zei tot het hele volk: Dit zegt Jahwe van de legerscharen: Sion wordt omgeploegd als een akker, Jeruzalem wordt een puinhoop, op de tempelberg groeit struikgewas. JER 26:19 Toch hebben koning Hizkia van Juda en zijn volk hem niet ter dood gebracht. Integendeel, Hizkia had ontzag voor Jahwe en trachtte Hem gunstig te stemmen. Toen kreeg Jahwe spijt over het onheil waarmee Hij hen had bedreigd. Wij zouden dus een zware schuld op ons laden.' JER 26:20 Nog een andere profeet trad op namens Jahwe: Uria zoon van Semaja, uit Kirjat jearim. Hij verkondigde tegen de stad en tegen het land hetzelfde als Jeremia. JER 26:21 Koning Jojakim, zijn officieren en zijn edelen hoorden ervan en zochten hem te doden. JER 26:22 Toen Uria dit vernam, werd hij bang en vluchtte naar Egypte. Maar koning Jojakim stuurde Elnatan, zoon van Akbor, met enkele mannen naar Egypte. JER 26:23 Zij haalden Uria uit Egypte terug en brachten hem bij koning Jojakim. Deze liet hem doden met het zwaard en zijn lijk liet hij in de gemeenschappelijke grafkuil werpen. JER 26:24 Het was vooral aan Achikam, zoon van Safan, te danken, dat Jeremia niet in handen viel van het gepeupel dat hem wilde doden. JER 27:1 In het begin van de regering van Jojakim, zoon van Josia, de koning van Juda, kwam dit woord van Jahwe tot Jeremia: JER 27:2 Dit zegt Jahwe tot mij: Gij moet een juk maken met riemen en dat op uw schouders nemen. JER 27:3 Dan moet ge aan de gezanten van de koningen van Edom, Moab en Ammon, van Tyrus en Sidon, die in Jeruzalem bij koning Sidkia van Juda zijn, JER 27:4 de volgende boodschap meegeven voor hun meesters: `Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Gij moet uw meesters zeggen: JER 27:5 Ik heb de aarde, de mensen en de dieren die erop wonen, gemaakt met grote macht en opgeheven arm, en Ik geef haar aan wie Ik wil. JER 27:6 Welnu, Ik geef uw gebieden aan mijn dienaar, koning Nebukadnessar van Babel. Zelfs over de dieren geef Ik hem macht. JER 27:7 Aan hem, zijn zoon en zijn kleinzoon zullen alle volken onderworpen zijn, totdat ook voor zijn land de tijd komt, dat machtige volken en grote koningen het onderwerpen. JER 27:8 Het volk of het koninkrijk dat zich niet onderwerpt aan koning Nebukadnessar van Babel en zijn nek niet buigt onder zijn juk, sla Ik met zwaard, honger en pest - godsspraak van Jahwe -, totdat het geheel in zijn macht is. JER 27:9 Luister dus niet naar uw profeten, uw waarzeggers, uw droomuitleggers, uw wichelaars, uw tovenaars die zeggen: Onderwerp u niet aan de koning van Babel. JER 27:10 Met alle leugens die zij u verkondigen, bereiken ze slechts dat u uit uw land wordt verjaagd, dat Ik u verdrijf, uw ondergang tegemoet. JER 27:11 Maar het volk dat zijn nek buigt onder het juk van de koning van Babel en zich aan hem onderwerpt, laat Ik op zijn eigen grond wonen - godsspraak van Jahwe -.' JER 27:12 Tot koning Sidkia van Juda zeg ik hetzelfde: `Buig uw nek onder het juk van de koning van Babel; onderwerp u aan hem en zijn volk, dan blijft u in leven. JER 27:13 Of wilt u met uw volk omkomen door het zwaard, de honger en de pest, waarmee Jahwe het volk heeft bedreigd dat zich niet onderwerpt aan de koning van Babel? JER 27:14 Luister niet naar de profeten die zeggen: Onderwerp u niet aan de koning van Babel. Want ze verkondigen leugens. JER 27:15 Ik heb hen niet gezonden - godsspraak van Jahwe -. Met de leugens die ze in mijn naam verkondigen, bereiken ze slechts dat Ik u verdrijf, uw ondergang tegemoet, samen met die profeten.' JER 27:16 Ook tot de priesters en het hele volk zeg ik: `Luister niet naar de profeten die u verkondigen: Alle tempelschatten komen binnenkort weer uit Babel terug. Ze verkondigen leugens. JER 27:17 Luistert dus niet naar hen. Onderwerpt u aan de koning van Babel, dan blijft u in leven. Of wilt u, dat deze stad een puinhoop wordt? JER 27:18 Als zij werkelijk profeten zijn en het woord van Jahwe spreken, laten ze er dan bij Jahwe van de legerscharen op aandringen dat de schatten die nog in de tempel van Jahwe, in het koninklijk paleis en in Jeruzalem zijn gebleven, niet naar Babel gaan. JER 27:19 Want dit zegt Jahwe van de legerscharen over de zuilen, de Zee met de onderstellen en de andere schatten die nog in deze stad zijn gebleven JER 27:20 en van die bij de wegvoering van Jekonja, zoon van Jojakim, en de edelen van Juda en Jeruzalem, naar Babel niet door koning Nebukadnessar van Babel zijn meegenomen, JER 27:21 dit zegt Jahwe van de machten. Israëls God: De schatten die in de tempel, in het koninklijk paleis en in Jeruzalem zijn gebleven JER 27:22 worden naar Babel gebracht, en daar blijven ze, tot op de dag dat Ik ze weer onder mijn hoede neem - godsspraak van Jahwe -. Dan breng Ik ze terug naar deze plaats. JER 28:1 Toen Sidkia pas koning van Juda was, in de vijfde maand van het vierde jaar, zei de profeet Chananja, zoon van Azzur uit Gibeon, in tegenwoordigheid van de priesters en het hele volk, in de tempel tot mij: JER 28:2 `Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Ik breek het juk van de koning van Babel. JER 28:3 Binnen twee jaar breng Ik al de schatten, die koning Nebukadnessar van Babel uit de tempel van Jahwe heeft meegenomen, hier terug. JER 28:4 Ook Jekonja, zoon van Jojakim, de koning van Juda, en alle ballingen van Juda breng Ik uit Babel naar deze plaats terug - godsspraak van Jahwe -; want Ik breek het juk van de koning van Babel.' JER 28:5 Toen richtte de profeet Jeremia zich in tegenwoordigheid van de priesters en van allen die zich in de tempel van Jahwe bevonden, tot de profeet Chananja JER 28:6 en zei: `Ja, moge Jahwe dat doen. Moge Hij al uw voorspellingen in vervulling doen gaan en de tempelschatten en de ballingen uit Babel terugbrengen. JER 28:7 Maar luister nu ook eens naar wat ik u en alle aanwezigen ga zeggen. JER 28:8 De profeten die mij en u zijn voorafgegaan, hebben aan machtige landen en grote rijken steeds oorlog, honger en pest aangekondigd. JER 28:9 Kondigt een profeet dus heil aan, dan kan hij pas als gezondene van Jahwe erkend worden, wanneer zijn woord in vervulling is gegaan.' JER 28:10 Daarop rukte de profeet Chananja Jeremia het juk van de nek, brak het in stukken, JER 28:11 en zei tot alle aanwezigen: `Dit zegt Jahwe: Zo breek Ik het juk van koning Nebukadnessar van Babel; binnen twee jaar neem Ik het van alle volken af.' De profeten Jeremia ging toen maar heen. JER 28:12 Maar kort nadat de profeet Chananja dat juk had gebroken, kwam het woord van Jahwe tot Jeremia: JER 28:13 `Ga naar Chananja, en zeg hem: Dit zegt Jahwe: Een houten juk hebt ge gebroken; een ijzeren juk komt er voor in de plaats. JER 28:14 Want dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Een ijzeren juk leg Ik alle volken op. Zij zullen zich moeten onderwerpen aan koning Nebukadnessar van Babel; zelfs over de wilde dieren geef Ik hem macht.' JER 28:15 En tot Chananja zelf zei Jeremia: `Luister goed, Chananja, Jahwe heeft u niet gezonden. U wekt bij dit volk ijdele hoop. JER 28:16 Daarom zegt Jahwe: Ik vaag u weg van de aarde. Nog dit jaar zult ge sterven, omdat ge opstand tegen Jahwe hebt gepreekt.' JER 28:17 En de profeet Chananja stierf, in de zevende maand van dat jaar. JER 29:1 Dit is de tekst van de brief die de profeet Jeremia vanuit Jeruzalem zond aan de belangrijkste oudsten in ballingschap, aan de priesters, aan de profeten en aan alle mensen die Nebukadnessar naar Babel had gevoerd. JER 29:2 Koning Jekonja, de koningin moeder, de hovelingen, de edelen van Juda en Jeruzalem, de smeden en de slotenmakers waren toen reeds uit Jeruzalem weg. JER 29:3 Hij gaf de brief mee aan Elasa, zoon van Safan, en aan Gemarja, zoon van Chilkia, die als gezanten van koning Sidkia van Juda naar koning Nebukadnessar van Babel gingen. JER 29:4 `Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God, tot al de ballingen die Ik uit Jeruzalem naar Babel heb gevoerd: JER 29:5 Gij moet huizen bouwen en daarin gaan wonen, tuinen aanleggen en er de opbrengst van eten; JER 29:6 ge moet trouwen en kinderen krijgen, vrouwen kiezen voor uw zonen en uw dochters uithuwelijken, die op hun beurt weer kinderen krijgen. Zorgt dat ge groter wordt in aantal, niet kleiner. JER 29:7 Zet u in voor de welvaart van de stad, waarheen Ik u verbannen heb, en bidt voor haar tot Jahwe, want van haar welvaart hangt de uwe af. JER 29:8 Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Laat u niet misleiden door de profeten en de waarzeggers die er onder u zijn. Luistert niet naar hun dromen. JER 29:9 Ze misbruiken mijn naam om leugens te verkondigen; Ik heb hen niet gezonden - godsspraak van Jahwe -. JER 29:10 Want dit zegt Jahwe: Eerst nadat de zeventig jaar van Babel voorbij zijn, trek Ik mij uw lot weer aan; Ik vervul de belofte die Ik u deed en breng u terug naar deze plaats. JER 29:11 Ik ken de plannen die Ik met u heb: ze hebben uw heil op het oog, niet uw onheil, en bereiden u een hoopvolle toekomst. JER 29:12 Als ge Mij aanroept en tot Mij bidt, zal Ik u verhoren. JER 29:13 Als ge Mij zoekt, met heel uw hart zoekt, zult ge Mij vinden. JER 29:14 dan laat Ik Mij vinden - godsspraak van Jahwe -. Ik herstel u weer in uw vroegere staat, uit de verstrooiing over alle volken en plaatsen breng Ik u weer samen - godsspraak van Jahwe -. Ik breng u terug naar deze plaats, waaruit Ik u heb weggevoerd. JER 29:15 Dit zegt Jahwe van de legerscharen tot de koning die op de troon van David zit en tot alle mensen van deze stad, uw volksgenoten, die niet met u in ballingschap zijn gegaan: JER 29:16 Ik stuur het zwaard, de honger en de pest op hen af. Ik behandel hen als slechte vijgen, te slecht om te eten. JER 29:17 Ik achtervolg hen, met zwaard, honger en pest; Ik maak hen tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken op aarde, een vloek, een verschrikking, een mikpunt van spot en van smaad bij de volken, waar Ik hen verstrooid heb, JER 29:18 omdat ze niet naar Mij hebben geluisterd - godsspraak van Jahwe -. Telkens opnieuw heb Ik mijn dienaars de profeten tot u gezonden, maar gij hebt niet geluisterd - godsspraak van Jahwe -. JER 29:19 Luistert eindelijk naar het woord van Jahwe, nu Ik u uit Jeruzalem naar Babel heb verbannen. JER 29:20 Omdat ge zegt: Jahwe heeft ons ook in Babel profeten gegeven, JER 29:21 daarom zegt Jahwe van de machten, Israëls God, tot Achab, zoon van Kolaja, en tot Sidkia, zoon van Maaseja, die mijn naam misbruiken om leugens te verkondigen: Ik lever hen uit aan koning Nebukadnessar van Babel, die hen voor uw ogen zal doden. JER 29:22 De ballingen van Juda in Babel zullen dan ook als verwensing zeggen: Moge Jahwe met u doen, als met Sidkia en Achab, die door de koning van Babel op het vuur zijn geroosterd. JER 29:23 Ze hebben een schanddaad in Israël bedreven en overspel gepleegd met vrouwen van anderen. Ze hebben mijn naam misbruikt om leugens te verkondigen zonder enige opdracht van Mij. Ik weet wat Ik zeg; Ik ben getuige - godsspraak van Jahwe -.' JER 29:24 Tot Semaja uit Nachlam moet gij zeggen: JER 29:25 Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Gij hebt op eigen gezag aan de bevolking van Jeruzalem, aan de priester Sefanja, zoon van Maaseja, en aan de overige priester de volgende brief gezonden: JER 29:26 `Jahwe heeft u tot priester aangesteld om toezicht te houden in de tempel en om iedere idioot die zich als profeet uitgeeft, in het blok te zetten en in boeien te slaan. JER 29:27 Waarom bent u dan niet opgetreden tegen Jeremia uit Anatot die zich bij u als profeet uitgeeft? JER 29:28 Nu heeft hij ons in Babel een brief gestuurd waarin hij zegt: Het duurt nog lang! Gij moet huizen bouwen en daarin gaan wonen, tuinen aanleggen en er de opbrengst van eten.' JER 29:29 Toen de priester Sefanja deze brief voorlas aan de profeet Jeremia, JER 29:30 kwam het woord van Jahwe tot hem: JER 29:31 Stuur een brief aan alle ballingen en zeg hun: `Dit zegt Jahwe over Semaja uit Nachlam: Omdat Semaja bij u als profeet optreedt zonder dat Ik hem gezonden heb, en omdat hij bij u ijdele hoop wekt, JER 29:32 daarom zegt Jahwe: Ik zal Semaja uit Nachlam en zijn nageslacht straffen; geen van zijn nakomelingen zal onder mijn volk blijven leven of de weldaden zien, die Ik het ga bewijzen - godsspraak van Jahwe -, want hij heeft opstand tegen Jahwe gepreekt.' JER 30:1 Dit woord kwam van Jahwe tot Jeremia: JER 30:2 Dit zegt Jahwe, Israëls God: Stel alles wat Ik u gezegd heb op schrift. JER 30:3 Er komt een tijd dat Ik mijn volk Israël en Juda in hun vroegere staat herstel, zegt Jahwe, en hen terugbreng naar het land, dat Ik hun vaderen in bezit had gegeven, - godsspraak van Jahwe -. JER 30:4 Dit zijn de woorden die Jahwe tot Israël en Juda heeft gesproken: JER 30:5 Wij horen schreeuwen van angst, en heerst schrik en onrust. JER 30:6 Vraag eens of iemand ooit mannen zag baren? Waarom zie Ik ze dan allemaal met de handen op de heupen, als een vrouw in haar weeën? Waarom is hun gezicht lijkbleek? JER 30:7 Wee! Dit is de grote dag, met geen ander te vergelijken. Het is een angstige tijd voor Jakob, maar hij wordt er uit gered, JER 30:8 Op die dag - godsspraak van Jahwe van de legerscharen - haal Ik het juk van hun nek en breek hun boeien. Ze zullen geen vreemden meer dienen. JER 30:9 Jahwe hun God zullen zij dienen, en David de koning, die Ik onder hen doe opstaan: JER 30:10 Vrees dus niet, Jakob, mijn dienaar - godsspraak van Jahwe -, wees niet bang, Israël: Ik bevrijd u en uw kinderen uit het verre land van hun gevangenschap. Dan woont Jakob weer ongestoord en veilig, zonder dat iemand hem opschrikt. JER 30:11 Want Ik ben bij u om u te redden - godsspraak van Jahwe -. Met alle volken, waarover Ik u verstrooid heb, reken Ik voor goed af, maar met u doe Ik dat niet. Wel tuchtig Ik u zoals ge verdient; Ik laat u niet ongestraft. JER 30:12 Dit zegt Jahwe: Uw kwaal is ongeneeslijk, uw wonden zijn niet te helen. JER 30:13 Niemand verzorgt uw zweren, uw wonden sluiten zich niet. JER 30:14 Al uw minnaars zijn u vergeten, ze lopen u niet meer achterna, omdat Ik als een vijand op u heb ingeslagen en u meedogenloos heb gestraft om uw vele misdaden en uw talrijke zonden. JER 30:15 Wat jammert ge dan om uw wonden en uw onverdraaglijke pijnen? Om uw vele misdaden en uw talrijke zonden heb Ik u dit alles aangedaan. JER 30:16 Op mijn woord, wie u verslindt, wordt zelf verslonden, al uw vijanden worden gevangen genomen, uw plunderaars worden zelf geplunderd, wie u berooft laat Ik beroven. JER 30:17 Ik sluit uw wonden, uw kwalen genees Ik - godsspraak van Jahwe -. Men noemde u Sion, de verstotene naar wie niemand omziet. JER 30:18 Dit zegt Jahwe: Ik herstel de tenten van Jakob, Ik ontferm Mij over zijn huizen. De stad wordt herbouwd op zijn puinhoop, de burcht komt weer op zijn vroegere plaats. JER 30:19 Een loflied weerklinkt, men hoort hen weer lachen. Ik maak hen talrijk, nooit nemen ze in aantal af. Ik breng hen tot aanzien, nooit worden ze meer veracht. JER 30:20 Hun zonen zijn voor Mij weer als vroeger, hun gemeenschap blijft altijd bestaan. Hun onderdrukkers straf Ik. JER 30:21 Hun vorst is een van hen, hun heerser komt voort uit hun midden. Ik laat hem bij Mij komen, hij mag tot Mij naderen. Wie anders zou met gevaar voor zijn leven tot Mij durven naderen - godsspraak van Jahwe -? JER 30:22 Gij zult mijn volk en Ik zal uw God zijn. JER 30:23 De stormwind van Jahwe steekt op, een wervelstorm breekt los boven het hoofd van de boosdoeners. JER 30:24 De toorn van Jahwe komt niet tot bedaren, voordat Hij al zijn plannen ten uitvoer heeft gebracht. Later zal u dit duidelijk worden. JER 31:1 In die tijd - godsspraak van Jahwe - zal Ik de God zijn van alle stammen van Israël en zij zullen mijn volk zijn. JER 31:2 Dit zegt Jahwe: Het volk dat ontkwam aan het zwaard vond genade in de woestijn. Aan Israël, op zoek naar rust, JER 31:3 is Jahwe reeds van verre verschenen. Mijn liefde voor u duurt eeuwig, Ik blijf u altijd trouw. JER 31:4 Israël, Ik richt u weer op. Weer slaan uw jonge vrouwen de tamboerijn en gaan vrolijk ten dans. JER 31:5 Weer legt ge wijngaarden aan op de bergen van Samaria; die ze planten, zullen er de vruchten van eten. JER 31:6 De dag breekt aan dat de wachters in het gebergte van Efraïm roepen: `Kom, wij trekken naar Sion, naar Jahwe onze God.' JER 31:7 Want dit zegt Jahwe: Jubel van vreugde om Jakob, juich om de heerser der volken. Verkondig overal Gods lof met deze woorden: `Jahwe heeft redding gebracht aan zijn volk, aan wat van Israël nog rest.' JER 31:8 Ik haal hen terug uit het noorden; van het einde der aarde breng Ik hen bijeen, ook de blinden en lammen, de zwangere en barende vrouwen. In dichte drommen keren zij terug. JER 31:9 Bedroefd gingen zij heen, getroost leid Ik hen terug. Ik voer hen naar stromende beken, over gebaande wegen waarop ze niet struikelen. Ik immers ben Israëls vader en Efraïm is mijn eerstgeborene. JER 31:10 Volken, hoor het woord van Jahwe; maak het op de verste eilanden bekend: Hij die het volk van Israël verstrooid heeft, brengt het ook weer bijeen. Hij hoedt het als een herder zijn kudde. JER 31:11 Jahwe heeft Jakob verlost en van zijn overheersers bevrijd. JER 31:12 Zingend trekken zij naar de hoogten van Sion, stralend van vreugde om de goede gaven van Jahwe, om het koren, de wijn en de olie, de schapen en de runderen. Ze voelen zich als een besproeide tuin die het nooit aan water ontbreekt. JER 31:13 Dan dansen de meisjes van vreugde; de mannen doen mee, jong en oud. Hun droefheid verander Ik in blijdschap, Ik troost hen en geef hun vreugde na verdriet. JER 31:14 Ik schenk de priesters veel vet van de offers en het volk overstelp Ik met mijn gaven - godsspraak van Jahwe -. JER 31:15 Dit zegt Jahwe: Hoor het klagen in Rama, het droeve geween: Rachel schreit om haar kinderen en wil niet worden getroost, omdat ze er niet meer zijn. JER 31:16 Dit zegt Jahwe: Houd op met schreien, droog uw tranen. Er is uitkomst voor uw lijden - godsspraak van Jahwe -: uw kinderen keren terug uit het land van de vijand. JER 31:17 Er is hoop voor de toekomst: ze komen terug naar hun eigen land. JER 31:18 Ik hoor Efraïm aldoor klagen: `Gij hebt mij geslagen om mij als een wilde stier te temmen. Breng mij nu terug, Jahwe, Gij zijt toch mijn God. JER 31:19 Ik ben nu bekeerd en heb berouw; ik ben tot bezinning gekomen en sla mij op de borst. Ik sta diep beschaamd en ga gebukt onder de zonden van mijn jeugd.' JER 31:20 Is dan mijn zoon Efraïm Mij zo lief en zo dierbaar, dat Ik na ieder hard woord toch aan hem blijf denken en zo met hem meevoel, dat Ik weer medelijden krijg - godsspraak van Jahwe -? JER 31:21 Zet bakens uit, richt mijlpalen op, let goed op de weg die ge volgt. Keer terug, Israël, jonkvrouw, keer terug naar uw steden. JER 31:22 Waarom al maar uw eigen weg zoeken, opstandige? Jahwe maakt iets heel nieuws op aarde: Een vrouw zoekt een man. JER 31:23 Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Wanneer Ik hen in hun vroegere staat herstel, zullen ze in de steden van Juda weer zeggen: Jahwe zegene u, zetel van gerechtigheid, heilige berg. Heel Juda woont daar weer samen: stedelingen, boeren en herders. JER 31:24 JER 31:25 Die uitgeput waren, verkwik Ik, Ik les de dorst van hen die versmachten. JER 31:26 Daarop werd Ik wakker, had een visioen en opnieuw overviel mij de slaap. JER 31:27 De tijd komt - godsspraak van Jahwe -, dat Ik Israël en Juda weer met mensen en dieren bevolk. JER 31:28 Eerst had Ik er alles op gezet hen uit te rukken en af te breken, hen te verwoesten en te vernielen met ramp op ramp, maar nu heb Ik er alles op gezet hen op te bouwen en te planten - godsspraak van Jahwe -. JER 31:29 In die tijd zegt men niet meer: De vaders eten onrijpe druiven, de kinderen krijgen er de bittere smaak van in de mond. JER 31:30 Neen! Iedereen sterft door zijn eigen schuld. Ieder die onrijpe druiven eet, krijgt zelf de bittere smaak in zijn mond. JER 31:31 Er komt een tijd - godsspraak van Jahwe - dat Ik met Israël en Juda een nieuw verbond sluit; JER 31:32 geen verbond zoals Ik met hun voorvaderen gesloten heb, toen Ik hen bij de hand heb genomen om hen uit Egypte te leiden. Want dit verbond hebben zij verbroken, ofschoon Ik hun meester was - godsspraak van Jahwe -. JER 31:33 Dit is het nieuwe verbond dat Ik in de toekomst met Israël sluit: Ik schrijf mijn wet hun binnenste, Ik grif ze in hun hart. Ik zal hun God, en zij zullen mijn volk zijn. JER 31:34 Dan hoeft niemand een ander nog voor te houden: `Leer Jahwe kennen.' Want iedereen, groot en klein, kent Mij al - godsspraak van Jahwe -. Ik vergeef hun misstappen, Ik denk niet meer aan hun zonden. JER 31:35 Dit zegt Jahwe, die de zon heeft gemaakt als het licht voor de dag, de maan en de sterren als het licht in de nacht; die de zee opzweept dat de golven bruisen, die heet: Jahwe van de legerscharen: JER 31:36 Als deze orde ophoudt te bestaan - godsspraak van Jahwe - dan blijft ook Israël niet langer mijn volk. JER 31:37 Dit zegt Jahwe: Evenmin als iemand de hemel boven kan meten of de grondvesten der aarde beneden kan peilen, evenmin verwerp Ik ooit het geslacht van Israël, ondanks alles wat het misdaan heeft - godsspraak van Jahwe -. JER 31:38 De tijd komt - godsspraak van Jahwe - dat de stad van Jahwe wordt herbouwd van de toren van Chananel tot aan de Hoekpoort. JER 31:39 Nog verder loopt het meetsnoer, rechtdoor tot de hoogte van Gareb alvorens af te buigen naar Goa. JER 31:40 Heel het dal met de lijken en de as, heel het gebied langs de Kedron tot aan de hoek van de Paardepoort in het oosten wordt aan Jahwe gewijd. Het wordt nooit meer vernield of verwoest. JER 32:1 In het tiende regeringsjaar van koning Sidkia, het achttiende van Nebukadnessar, kwam het woord van Jahwe tot Jeremia. JER 32:2 Het leger van de koning van Babel had toen Jeruzalem omsingeld en de profeet Jeremia zat gevangen in het kwartier van de paleiswacht. JER 32:3 Koning Sidkia had hem daar laten opsluiten, omdat hij verkondigde: `Dit zegt Jahwe: Ik geef de stad in de macht van de koning van Babel; hij zal ze innemen. JER 32:4 Koning Sidkia van Juda zal niet aan de Chaldeeën ontsnappen. Hij wordt uitgeleverd aan de koning van Babel. Dan kan hij persoonlijk met hem spreken, onder vier ogen. JER 32:5 Hij wordt door hem naar Babel gevoerd; daar blijft hij tot Ik Mij over hem bekommer - godsspraak van Jahwe -. Ook als telt ge u tegen de Chaldeeën te weer, het is tevergeefs.' JER 32:6 Jeremia zei: Het woord van Jahwe kwam tot mij: JER 32:7 `Chananel, een zoon van uw oom Sallum, komt u vragen: Wil je mijn akker in Anatot kopen? Jij hebt er het eerst recht op.' JER 32:8 Mijn neef Chananel kwam inderdaad bij mij in het kwartier van de wacht, zoals Jahwe gezegd had, en vroeg: `Wil je mijn akker in Anatot kopen? Als oudste verwant heb je daar recht op. Je kunt hem dus kopen.' Toen begreep ik dat dit de wens van Jahwe was. JER 32:9 Ik kocht dus van mijn neef Chananel de akker in Anatot en betaalde de prijs: zeventien zilveren sikkels. JER 32:10 Ik maakte de koopakte op, verzegelde die in tegenwoordigheid van getuigen en woog het geld af. JER 32:11 De koopakte, zowel die volgens vast gebruik was verzegeld als de niet verzegelde akte, JER 32:12 overhandigde ik in tegenwoordigheid van mijn neef Chananel, van de getuigen die het contract hadden ondertekend, en van de Judeeërs die in het kwartier van de wacht aanwezig waren, aan Baruch, zoon van Neria, zoon van Machseja. JER 32:13 In hun aanwezigheid gaf ik hem de opdracht: JER 32:14 `Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Leg deze akten, de verzegelde en de nietverzegelde, in een aarden kruik, zodat ze lange tijd bewaard blijven. JER 32:15 Want dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Men zal in dit land weer huizen, akkers en wijngaarden kopen.' JER 32:16 Nadat ik de akte aan Baruch, zoon van Neria, had gegeven, bad ik tot Jahwe: JER 32:17 `Ach, Jahwe mijn Heer! Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt in uw grote macht, met opgestoken arm. Niets is onmogelijk voor U JER 32:18 die aan duizenden genade schenkt, maar de schuld van de vaders wreekt op hun kinderen. Gij zijt een grote, sterke God, uw naam is Jahwe van de legerscharen. JER 32:19 Uw plannen zijn groot, uw daden machtig. Alles wat de mensen doen, ligt open voor U; gij vergeldt ieder naar zijn gedrag, naar de vrucht van zijn werk. JER 32:20 Gij hebt wondertekenen gedaan vanaf het verblijf in Egypte tot heden toe voor Israël en voor heel de mensheid, zodat uw naam nu overal bekend is. JER 32:21 Gij hebt uw volk, Israël, uit Egypte gevoerd met tekenen en wonderen, met sterke hand en opgestoken arm, onder grote verschrikkingen. JER 32:22 Gij hebt hun dit land gegeven, het land van melk en honing dat Gij aan hun voorvaderen onder ede beloofd had. JER 32:23 Maar toen zij daar aankwamen en het in bezit namen, luisterden ze niet naar U. Ze leefden niet volgens uw voorschriften en voerden uw bevelen niet uit. Daarom hebt Gij over hen al deze rampen gebracht. JER 32:24 De belegeringswallen reiken al tot de stad; ze wordt ingenomen, ze valt in de handen van de Chaldeeën die haar bestormen; ze bezwijkt door het zwaard, de honger en de pest. Wat Gij hebt aangekondigd, gaat nu gebeuren. Gij ziet het zelf. JER 32:25 En toch, Jahwe mijn Heer, hebt Gij tot mij gezegd: Koop de akker en betaal de prijs in tegenwoordigheid van getuigen. En dit, terwijl de stad in de `handen van de Chaldeeën dreigt te vallen.' JER 32:26 Toen kwam het woord van Jahwe tot Jeremia: JER 32:27 Ik ben Jahwe, de God van al wat leeft. Niets is onmogelijk voor Mij. JER 32:28 Daarom zegt Jahwe: Ik lever deze stad over aan de Chaldeeën, aan koning Nebukadnessar van Babel: hij zal ze innemen. JER 32:29 De Chaldeeën die de stad belegeren, dringen er binnen, steken ze in brand en leggen ze in de as met al de huizen waar men Mij beledigde door op de daken wierook te branden voor Baäl en plengoffers te brengen aan andere goden. JER 32:30 De Israëlieten en de Judeeërs hebben van het begin af alleen gedaan wat Mij mishaagt, en Mij beledigd met hun eigengemaakte beelden - godsspraak van Jahwe -. JER 32:31 Vanaf de dag dat deze stad gebouwd werd tot nu toe, heeft ze zozeer mijn toorn en mijn woede opgewekt, dat Ik ze laat verdwijnen. JER 32:32 De Israëlieten en de Judeeërs hebben Mij allen beledigd door het kwaad dat ze bedreven hebben: hun koningen en edelen, hun priesters en profeten, de bevolking van Juda en de inwoners van Jeruzalem. JER 32:33 Ze hebben Mij steeds de rug toegekeerd, niet hun gezicht. Steeds weer heb Ik hen onderricht, maar niemand wilde luisteren of zich laten gezeggen. JER 32:34 Ze hebben het huis dat mijn naam draagt, met hun afgodsbeelden onteerd. JER 32:35 Ze hebben in het Ben hinnom dal offerhoogten voor Baäl gebouwd en er hun zonen en dochters aan Moloch geofferd, ofschoon Ik dat niet had aanbevolen; nooit heb Ik gewild dat re Juda door een dergelijke wandaad tot zonde zouden verleiden. JER 32:36 Over de stad waarvan gij zegt: `Zij is in de handen gevallen van de koning van Babel door het zwaard, de honger en de pest', zegt Jahwe, Israëls God nu: JER 32:37 Ik breng haar bewoners bijeen uit alle landen waarheen Ik hen in mijn grimmige toorn en mijn grote woede verdreven heb; Ik breng hen terug naar deze plaats en laat hen er veilig wonen. JER 32:38 Zij zullen mijn volk zijn en Ik hun God. JER 32:39 Ik maak hen één van hart en één van zin, zodat ze Mij altijd zullen vereren, voor hun eigen welzijn en dat van hun kinderen. JER 32:40 Ik sluit met hen een eeuwig verbond; Ik keer Mij nooit meer van hen af en blijf hen goed doen. De eerbied voor Mij leg Ik in hun hart, zodat ze Mij mooit meer verlaten. JER 32:41 Ik zal er vreugde in vinden hen gelukkig te maken. Met heel mijn hart en heel mijn ziel plant Ik hen voorgoed in dit land. JER 32:42 Dit zegt Jahwe: Zoals ik nu zware rampen over dit volk heb gebracht, zo zal Ik over hen de weldaden brengen, die ik beloofde. JER 32:43 In dit land waarvan gij zegt: 'Het is een wildernis, verlaten van mens en dier; het is in handen gevallen van de Chaldeeën', zullen weer akkers worden gekocht. JER 32:44 Men betaalt de prijs, maakt de koopakte op en verzegelt die, in tegenwoordigheid van getuigen: in Benjamin, in de omgeving van Jeruzalem, in de steden van Juda, van het bergland, van de Sefela en van de Negeb. Want Ik herstel ze in hun vroegere staat - godsspraak van Jahwe -. JER 33:1 Voor de tweede keer kwam het woord van Jahwe tot Jeremia, toen hij nog in het kwartier van de wacht zat opgesloten: JER 33:2 Dit zegt Jahwe die de aarde schiep en ze vorm gaf, Jahwe is zijn naam . JER 33:3 Roep Mij aan en Ik verhoor u. Grote, ondoorgrondelijke dingen maak Ik u bekend. JER 33:4 Over de huizen van deze stad en over de koninklijke paleizen, die zijn verwoest tijdens de belegering JER 33:5 door de Chaldeeën en nu vol lijken liggen, omdat Ik Mij in mijn grimmige toorn wegens hun slechtheid van deze stad heb afgekeerd, zegt Jahwe, Israëls God: JER 33:6 Ik verzorg hen, Ik heel hun wonden; Ik genees hen weer en schenk hun een onvermoed duurzaam geluk. JER 33:7 Ik keer het lot van Juda en Israël en herstel hen weer in hun vroegere staat. JER 33:8 Ik zuiver hen van alle zonden die ze tegen Mij hebben bedreven; Ik vergeef hun schuld en hun ontrouw. JER 33:9 De stad wordt mijn trots en mijn vreugde, mijn roem en mijn glorie bij alle volken op aarde, die zullen horen van de weldaden die Ik haar bewijs. Zij zullen versteld staan, verbaasd om de welvaart en de voorspoed die Ik haar geef. JER 33:10 Dit zegt Jahwe: In dit land waarvan gij zegt: `Het ligt vernield, verlaten van mens en dier', in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem die zijn verwoest, waar geen mens of dier meer woont, JER 33:11 hoort men weer de kreten van blijdschap en vreugde, het zingen voor bruidegom en bruid; weer klinkt het lied: `Loof Jahwe van de legerscharen, want Jahwe is goed, zijn genade duurt eeuwig.' Weer brengt men dankoffers naar de tempel van Jahwe. Ik herstel het land in zijn vroegere staat, zegt Jahwe. JER 33:12 Dit zegt Jahwe van de legerscharen: In het land dat vernield is, verlaten van mens en dier, zal bij alle steden weer weidegrond liggen, waar de herders met hun schapen kunnen rusten: JER 33:13 bij de steden van het bergland, van de Sefela, de Negeb, in Benjamin, in de omgeving van Jeruzalem en bij de andere steden van Juda. Weer zullen de schapen doorgaan onder de hand van de teller, zegt Jahwe. JER 33:14 De tijd komt - godsspraak van Jahwe -, dat Ik de belofte vervul die Ik Israël en Juda gedaan heb. JER 33:15 In die dagen, in die tijd schenk Ik aan David een wettelijke afstammeling die het land rechtvaardig en eerlijk bestuurt. JER 33:16 In die dagen wordt Juda gered en is Jeruzalem veilig. En de stad zal heten `Jahwe, onze gerechtigheid'. JER 33:17 Dit zegt Jahwe: Het zal David nooit aan een opvolger ontbreken, die op de troon van Israël zetelt. JER 33:18 Ook zullen er altijd levitische priesters blijven, die Mij dagelijks brandoffers opdragen, meeloffers en slachtoffers. JER 33:19 Het woord van Jahwe kwam tot Jeremia: JER 33:20 Dit zegt Jahwe: Als iemand ooit mijn verbond met de dag en de nacht zou verbreken, zodat het niet meer op tijd dag en nacht wordt, JER 33:21 dan wordt ook mijn verbond verbroken met mijn dienaar David; dan zal hij geen zoon meer hebben om hem op de troon op te volgen. Dit geldt ook voor mijn verbond met de levitische priesters die in mijn dienst staan. JER 33:22 Zo ontelbaar als de sterren aan de hemel, zo onmetelijk als het zand aan de zee, maak Ik het nageslacht van mijn dienaar David en van de levieten die in mijn dienst staan. JER 33:23 Het woord van Jahwe kwam tot Jeremia: JER 33:24 Hebt gij gemerkt wat de volken zeggen: `De twee stammen die Jahwe had uitverkoren, heeft Hij verworpen.' Ze verachten mijn volk; het is in hun ogen geen natie meer. JER 33:25 Maar nu zegt Jahwe: Zowaar als Ik een verbond heb gesloten met de dag en de nacht en aan hemel en aarde vaste wetten heb gegeven, JER 33:26 zowaar zal Ik nooit het nageslacht van Jakob en van mijn dienaar David verwerpen; steeds weer kies Ik iemand uit zijn geslacht om over de nakomelingen van Abraham, Isaak en Jakob te heersen. Ik herstel hen in hun vroegere staat en ontferm Mij over hen. JER 34:1 Dit woord kwam van Jahwe tot Jeremia, toen koning Nebukadnessar van Babel, met heel zijn leger en dat van alle koninkrijken en volken waarover hij heerste, oorlog voerde tegen Jeruzalem en de steden in de omgeving: JER 34:2 Dit zegt Jahwe, Israëls God: Ga aan koning Sidkia van Juda zeggen: Dit zegt Jahwe: Ik lever deze stad over aan de koning van Babel, hij zal haar in de as leggen. JER 34:3 Ook gij zult hem niet ontsnappen; ge wordt gegrepen en aan hem uitgeleverd. Onder vier ogen zult ge persoonlijk met de koning van Babel spreken en dan gaat ge naar Babel. JER 34:4 Maar luister naar het woord van Jahwe, Sidkia, koning van Juda. Dit zegt Jahwe over u: Ge komt niet om door het zwaard, JER 34:5 ge zult een vredige dood sterven. Zoals men ter ere van uw voorvaderen, de koningen die u voorafgingen, het dodenvuur ontstak, zo zal men dat ook doen ter ere van u en het klaaglied `Ach heer!' over u zingen. Dit is mijn woord - godsspraak van Jahwe -. JER 34:6 Toen de profeet Jeremia al deze woorden in Jeruzalem overbracht aan koning Sidkia van Juda, JER 34:7 had de koning van Babel troepen ingezet tegen Jeruzalem en tegen Lakis en Azeka, de enige vestingen van Juda die nog stand hielden. JER 34:8 Dit woord kwam van Jahwe tot Jeremia, nadat koning Sidkia met alle inwoners van Jeruzalem was overeengekomen, alle Hebreeuwse slaven en slavinnen JER 34:9 vrij te laten, zodat niemand nog een andere Judeeër in dienst zou houden. JER 34:10 Al de edelen en burgers die waren overeengekomen hun slaaf of hun slavin vrij te laten en niet langer in dienst te houden, hadden dit ook gedaan. JER 34:11 Maar later waren zij op hun beslissing teruggekomen; ze hadden de slaven en de slavinnen die ze hadden vrijgelaten, gedwongen terug te keren en hen weer te dienen. JER 34:12 Toen kwam het woord van Jahwe tot Jeremia: JER 34:13 Dit zegt Jahwe, Israëls God: Toen Ik uw voorvaderen uit het slavenhuis van Egypte voerde, heb Ik met hen dit verbond gesloten: JER 34:14 `Elk zevende jaar moet ieder van u de Hebreeër, die zich aan u moest verkopen, vrijlaten. Als hij u zes jaar gediend heeft, moet ge hem vrijlaten.' Maar uw voorvaderen hebben naar Mij niet geluisterd en Mij niet gehoorzaamd. JER 34:15 Nu had gij u bekeerd; ge had gedaan wat Ik verlang en uw volksgenoten vrijgelaten. In mijn tegenwoordigheid, in het huis dat mijn naam draagt, had ge dat op u genomen. JER 34:16 Maar gij zijt op uw beslissing teruggekomen en hebt daardoor mijn naam onteerd. Gij hebt de slaaf en de slavin die gij vrij had gelaten, gedwongen terug te keren en u weer als slaaf en slavin te dienen. JER 34:17 Daarom zegt Jahwe: Omdat ge niet naar Mij hebt geluisterd en de vrijlating van uw volksgenoten hebt ingetrokken, daarom laat Ik het zwaard, de pest en de honger los tegen u - godsspraak van Jahwe -. Ik maak u tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken op aarde. JER 34:18 De mannen die mijn verbond geschonden hebben en zich niet hebben gehouden aan de overeenkomst die ze in mijn tegenwoordigheid hadden gesloten, behandel Ik als de stieren die ze in stukken hebben gesneden om er tussen door te gaan: JER 34:19 de edelen van Juda en Jeruzalem, de hovelingen, de priesters en de burgers van het land, allen die tussen de stukken zijn doorgegaan. JER 34:20 Ik lever hen over aan de vijanden die hen naar het leven staan. De vogels en de dieren azen op hun lijken. JER 34:21 Ook koning Sidkia van Juda en zijn edelen lever Ik uit aan de vijanden die hen naar het leven staan, aan het leger van de koning van Babel dat nu is weggetrokken. JER 34:22 Op mijn bevel - godsspraak van Jahwe - keren ze terug naar deze stad, die ze belegeren, innemen en in de as leggen. Van de steden van Juda maak Ik een wildernis waar niemand meer woont. JER 35:1 Dit woord kwam van Jahwe tot Jeremia in de tijd van Jojakim, zoon van Josia, de koning van Juda: JER 35:2 Ga naar de Rekabieten, overreed hen om met u mee te gaan naar de tempelhallen en bied hun daar wijn aan. JER 35:3 Ik slaagde erin Jaazanja, zoon van Jirmeja, zoon van Chabassinja, met zijn broers en zijn zonen, de hele stam van de Rekabieten, JER 35:4 naar de tempel van Jahwe te brengen, in het verblijf van de zonen van Chanan, zoon van Jigdalja, de man Gods. Dit lag naast het verblijf van de edelen, boven dat van Maaseja, zoon van Sallum, de tempelwachter. JER 35:5 Ik zette de Rekabieten kannen wijn voor en bekers en nodigde hen uit te drinken. JER 35:6 Maar zij antwoordden: `Wij drinken geen wijn; onze vader Jonadab, zoon van Rekab, heeft ons dat verboden. Hij heeft gezegd: Je mag geen wijn drinken, ook je zonen mogen dat niet. JER 35:7 Je mag geen huizen bouwen, je mag niet zaaien, geen wijnstokken planten of in eigendom hebben. Altijd moet je in tenten wonen; dan zul je lang leven in het land waar je als vreemdeling verblijft. JER 35:8 AL deze bevelen van onze vader Jonadab, zoon van Rekab, hebben wij opgevolgd. Wij drinken ons hele leven geen wijn, ook onze vrouwen en kinderen niet. JER 35:9 Wij bouwen geen huizen, wij hebben geen wijngaarden, geen akkers, geen zaaigoed JER 35:10 en wij wonen in tenten. Wij houden ons aan alles wat onze vader Jonadab heeft voorgeschreven. JER 35:11 Pas toen koning Nebukadnessar van Babel dit land was binnengevallen, hebben wij gezegd: Laat ons naar Jeruzalem gaan om aan de legers van de Chaldeeën en van de Arameeën te ontkomen: en zo leven wij nu in Jeruzalem.' JER 35:12 Toen kwam het woord van Jahwe tot Jeremia: JER 35:13 Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Ga de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem zeggen: Hier kunt ge leren, hoe ge mijn woorden moet gehoorzamen - godsspraak van Jahwe -. JER 35:14 Het bevel van Jonadab, zoon van Rekab, die zijn zonen verbood wijn te drinken, wordt nageleefd. Tot vandaag toe drinken ze geen wijn, uit eerbied voor het bevel van hun stamvader. Maar naar de woorden die Ik telkens opnieuw tot u richt, luistert ge niet. JER 35:15 Telkens opnieuw heb Ik mijn dienaren, de profeten, tot u gezonden met de boodschap: Bekeer u en beter uw leven. Loop geen andere goden na en vereer ze niet. Dan blijft ge wonen in het land, dat Ik u en uw voorvaderen gegeven heb. Maar ge hebt niet geluisterd en Mij niet gehoorzaamd. JER 35:16 De afstammelingen van Jonadab, zoon van Rekab, hebben het bevel van hun stamvader uitgevoerd. Maar dit volk heeft naar Mij niet geluisterd. JER 35:17 Daarom zegt Jahwe, de God van de legerscharen, Israëls God: Ik breng over Juda en de inwoners van Jeruzalem al de rampen waarmee Ik hen bedreigd heb; want Ik heb tot hen gesproken, maar ze hebben niet geluisterd; Ik heb tot hen geroepen, maar zij hebben niet geantwoord. JER 35:18 En tot de Rekabieten zei Jeremia: `Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Omdat gij uw stamvader Jonadab gehoorzaamt, al zijn voorschriften onderhoudt en doet wat hij u heeft opgedragen, JER 35:19 daarom zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Nooit zal het Jonadab, zoon van Rekab, aan nakomelingen ontbreken, die in mijn dienst staan.' JER 36:1 In het vierde regeringsjaar van Jojakim, zoon van Josia, de koning van Juda, kwam dit woord van Jahwe tot Jeremia: JER 36:2 Neem een boekrol en teken er alles in op wat ik heb gezegd over Israël, over Juda en over de volken, toen Ik tot u begon te spreken, vanaf de tijd van Josia tot nu toe. JER 36:3 Misschien bekeert het huis van Juda zich bij het horen van al de rampen die Ik hun wil aandoen, en kan Ik hun misdaden en zonden vergeven. JER 36:4 Jeremia liet Baruch, zoon van Neria, roepen en deze tekende in de boekrol alle woorden van Jahwe op die Jeremia dicteerde. JER 36:5 Daarop gaf Jeremia aan Baruch de opdracht: `Nu men mij belet naar de tempel te gaan, JER 36:6 ga jij er heen en lees uit de boekrol voor alle aanwezigen op de vastendag de woorden van Jahwe die ik gedicteerd heb, ook voor de Judeeërs uit de andere steden. JER 36:7 Misschien bidden ze dan tot Jahwe en bekeren ze zich, want Jahwe is zeer vertoornd op dit volk.' JER 36:8 Baruch, zoon van Neria, deed wat de profeet Jeremia hem had opgedragen en las in de tempel uit de boekrol de woorden van Jahwe voor. JER 36:9 In de negende maand van het vijfde regeringsjaar van Jojakim, zoon van Josia, de koning van Juda, vastten de inwoners van Jeruzalem en de Judeeërs uit de andere steden ter ere van Jahwe. JER 36:10 Toen las Baruch in de tempel voor alle aanwezigen uit de boekrol alle woorden van Jeremia voor. Dit gebeurde op het bovenste plein in het verblijf van Gemarja, zoon van de schrijver Safan, vlak bij de Nieuwpoort. JER 36:11 Toen Michajehu, zoon van Gemarja, zoon van Safan, alle woorden van Jahwe hoorde die in de boekrol stonden, JER 36:12 begaf hij zich naar het kabinet van de schrijver in het koninklijk paleis. Alle edelen waren daar in zitting bijeen: de schrijver Elisama, Delaja, zoon van Semaja, Elnatan, zoon van Akbor, Gemarja, zoon van Safan, Sidkia, zoon van Chananja, en de overige edelen. JER 36:13 Michajehu deelde hun mee wat hij Baruch uit de boekrol aan alle aanwezigen had horen voorlezen. JER 36:14 Daarop stuurden de edelen Jehudi, zoon van Netanja, zoon van Selemja, zoon van Kusi, naar Baruch met het bevel: `Kom hierheen met de boekrol die u het volk hebt voorgelezen.' En Baruch, zoon van Neria, ging met de boekrol naar hen toe. JER 36:15 Ze zeiden hem: `Ga zitten en lees.' En Baruch begon te lezen. JER 36:16 Toen ze alles hadden gehoor, waren ze diep onder de indruk en zeiden tot Baruch: `Wij moeten de koning onmiddellijk op de hoogte brengen.' JER 36:17 En zij vroegen Baruch: `Vertel eens: waar komt alles wat u geschreven hebt vandaan?' JER 36:18 Hij antwoordde: `Van Jeremia, hij dicteerde mij en ik schreef alles met inkt in de boekrol.' JER 36:19 Toen zeiden de edelen tot Baruch: `Verberg u samen met Jeremia en laat niemand weten waar u bent.' JER 36:20 Zij gingen naar het hof en brachten de koning van alles op de hoogte; de boekrol hadden ze in het kabinet van de schrijver Elisama achtergelaten. JER 36:21 De koning stuurde Jehudi daarheen om de boekrol te halen en deze las hem voor aan de koning en aan de aanwezige edelen. JER 36:22 De koning zat in het winterpaleis bij het vuur; het was december. JER 36:23 Telkens als Jehudi drie of vier kolommen had gelezen, sneed de koning ze met een pennemes af en wierp ze in het vuur, totdat de hele rol was verbrand. JER 36:24 Noch de koning noch zijn hovelingen raakten onder de indruk bij het horen van alles wat er in stond; niemand scheurde zijn kleren. JER 36:25 Elnatan, Delaja en Gemarja smeekten de koningen nog de boekrol niet te verbranden, maar hij luisterde niet naar hem. JER 36:26 Zelfs gaf hij aan zijn zoon Jerachmeel, aan Seraja, zoon van Azriel, en aan Selamja, zoon van Abdeel, bevel de schrijver Baruch en de profeet Jeremia gevangen te nemen. Maar Jahwe hield hen verborgen. JER 36:27 Toen de koning de rol met alles wat Jeremia aan Baruch had gedicteerd, verbrand had, kwam het woord van Jahwe tot Jeremia: JER 36:28 Neem een andere rol en schrijf er opnieuw alles in, wat er in de rol stond die koning Jojakim van Juda verbrand heeft. JER 36:29 En tot koning Jojakim van Juda moet ge zeggen: Dit zegt Jahwe: Ge hebt die boekrol verbrand en gezegd: Waarom hebt u daarin geschreven: De koning van Babel komt dit land verwoesten, zodat er geen mens of dier overblijft? JER 36:30 Daarom zegt Jahwe over koning Jojakim van Juda: Geen van zijn nakomelingen zal op de troon van David zitten. Zijn lijk zal blijven liggen overdag in de hitte, 's nachts in de kou. JER 36:31 Ik zal zijn misdaden straffen, die van zijn nageslacht en van zijn hof; Ik breng over hen, over de inwoners van Jeruzalem en over de burgers van Juda alle rampen die Ik heb aangekondigd, zonder dat ze hebben geluisterd. JER 36:32 Jeremia stelde de schrijver Barüch een nieuwe boekrol ter hand. Deze schreef daarin wat Jeremia dicteerde: alles wat in de boekrol gestaan had die door koning Jojakim van Juda was verbrand en nog vele andere woorden van dezelfde strekking. JER 37:1 Koning Sidkia, zoon van Josia, was Konja, de zoon van Jojakim, opgevolgd; hij was door koning Nebukadnessar van Babel als koning van Juda aangesteld. JER 37:2 Hij luisterde niet naar de woorden die Jahwe bij monde van de profeet Jeremia sprak, evenmin als zijn hovelingen en burgers. JER 37:3 Eens zond koning Sidkia Jehukal, zoon van Selemja, en de priester Sefanja, zoon van Maäseja, naar de profeet Jeremia met het verzoek:'Bid voor ons tot Jahwe onze God.' JER 37:4 Jeremia was toen nog vrij; hij was nog niet gevangen gezet. JER 37:5 De legers van Farao rukten uit Egypte op, en de Chaldeeën die Jeruzalem belegerden waren bij het horen daarvan weggetrokken. JER 37:6 Toen kwam het woord van Jahwe tot de profeet Jeremia: JER 37:7 Dit zegt Jahwe, Israëls God: Aan de koning van Juda, die u zendt om Mij te raadplegen, moet ge zeggen: De legers van Farao die oprukken om u te helpen, trekken weer naar Egypte af. JER 37:8 Dan komen de Chaldeeën terug, vallen deze stad aan, nemen ze in en leggen ze in de as. JER 37:9 Dit zegt Jahwe: Maak u niets wijs en zeg niet: De Chaldeeën zijn voorgoed weg, want ze zijn niet weg. JER 37:10 Al zoudt ge ook het leger van de Chaldeeën dat u aanvalt verslaan, zodat er alleen gewonden over zijn, dan zouden die nog uit hun tent komen en deze stad in de as leggen. JER 37:11 Toen het leger van de Chaldeeën van Jeruzalem was weggetrokken, omdat de legers van Farao in aantocht waren, JER 37:12 wilde Jeremia de stad uitgaan om in Benjamin met zijn familie een erfenis te regelen. JER 37:13 Bij de Benjaminpoort hield de officier van de wacht, Jiria, zoon van Selemja, zoon van Chananja, de profeet aan en beschuldigde hem: 'U wilt overlopen naar de Chaldeeën.' JER 37:14 Jeremia antwoordde: 'Dat is niet waar. Ik loop niet over naar de Chaldeeën.' Maar Jiria luisterde niet naar Jeremia; hij arresteerde hem en leidde hem voor de edelen. JER 37:15 De edelen waren woedend op Jeremia; zij lieten hem stokslagen toedienen en hem in het huis van de schrijver Jonatan opsluiten. JER 37:16 Dat was als gevangenis ingericht. Zo kwam Jeremia in de ondergrondse kerker terecht, waar hij geruime tijd zou blijven. JER 37:17 Eens liet koning Sidkia hem in het geheim naar zijn paleis brengen en vroeg hem: `Is er een woord van Jahwe?' Jeremia antwoordde: `Jazeker! U wordt uitgeleverd aan de koning van Babel.' JER 37:18 Toen vroeg Jeremia aan de koning: `Wat heb ik misdaan, uw hovelingen of uw onderdanen, dat u mij in de kerker geworpen hebt? JER 37:19 Waar zijn nu uw profeten die verkondigen: De koning van Babel rukt niet op tegen u en tegen dit land? JER 37:20 Luister dan, heer koning, wijs mijn verzoek niet af en stuur mij niet terug naar het huis van de schrijver Jonatan, want dat zou mijn dood zijn.' JER 37:21 Toen gaf koning Sidkia bevel Jeremia vast te houden in het kwartier van de wacht. Hij kreeg iedere dag een brood uit de bakkerstraat, tot al het brood in de stad op was, maar hij moest in het kwartier van de wacht blijven. JER 38:1 Sefanja, zoon van Mattan, Gedalja, zoon van Paschur, Jukal, zoon van Selemja, en Paschur, zoon van Malkia hoorden dat Jeremia aan iedereen bleef verkondigen: JER 38:2 `Dit zegt Jahwe: Wie in de stad blijft, komt om door het zwaard, de honger en de pest; wie overloopt naar de Chaldeeën blijft behouden; hij brengt het er levend af. JER 38:3 Dit zegt Jahwe: Deze stad wordt overgeleverd aan het leger van de koning van Babel; ze wordt door hem ingenomen.' JER 38:4 De edelen zeiden daarom tot de koning: `Die man moet sterven. Door zo te spreken tast hij het moreel aan van de soldaten die nog in de stad zijn en van de hele bevolking. Die man zoekt niet het welzijn van het volk, maar zijn ondergang.' JER 38:5 Koning Sidkia antwoordde: `Goed, hij is in uw macht; ik kan niet tegen u op.' JER 38:6 Toen grepen ze Jeremia en wierpen hem in de put van prins Malkia, in het kwartier van de wacht; aan touwen lieten ze hem neer. In de put stond wel geen water, maar Jeremia zakte weg in de modder. JER 38:7 De Ethiopiër Ebed melek, een ambtenaar aan het hof, vernam dat Jeremia in de put was geworpen. Terwijl de koning zitting hield in de Benjaminpoort, JER 38:8 kwam hij uit het paleis naar hem toe en zei: JER 38:9 `Heer koning, die mannen hebben een misdaad begaan door de profeet Jeremia in de put te werpen: hij zal daar sterven van honger, want in de stad is al het brood op.' JER 38:10 Daarop gaf de koning aan de Ethiopiër Ebed melek de opdracht: `Neem drie mannen met u mee en haal de profeet Jeremia uit de put, eer hij sterft.' JER 38:11 Ebed melek ging met drie mannen naar het koninklijk paleis, haalde uit het magazijn lappen versleten en gescheurde kleren en liet die met touwen neer in de put tot bij Jeremia. JER 38:12 Hij zei tegen Jeremia: `Doe die lappen rond het touw onder uw oksels', en Jeremia deed dat. JER 38:13 Toen trokken ze hem aan de touwen uit de put omhoog. Jeremia verbleef nu weer in het kwartier van de wacht. JER 38:14 Koning Sidkia liet de profeet Jeremia bij zich brengen bij de derde ingang van de tempel en zei tegen hem: `Ik heb u iets te vragen, verberg mij niets.' JER 38:15 Maar Jeremia zei tegen Sidkia: `Als ik niets verberg, laat u mij doden, en als ik u een raad geef, luistert u niet.' JER 38:16 Koning Sidkia verzekerde hem daarop in het diepste geheim: `Bij Jahwe, die ons het leven heeft gegeven, ik laat u niet doden; ik lever u niet uit aan uw vijanden.' JER 38:17 Daarop zei Jeremia tot Sidkia: `Dit zegt Jahwe, de God van de machten, Israëls God: Als gij u overgeeft aan de bevelhebbers van de koning van Babel, blijft ge leven en de stad wordt niet in de as gelegd. Ge blijft leven met heel uw gezin. JER 38:18 Maar als ge u niet overgeeft aan de bevelhebber van de koning van Babel, valt de stad in handen van de Chaldeeën. Die leggen ze in de as en gijzelf zult niet ontsnappen.' JER 38:19 Maar koning Sidkia zei tot Jeremia: `Ik ben bang voor de Judeeërs die al naar de Chaldeeën zijn overgelopen. Als men mij aan hen uitlevert, zullen ze mij gruwelijk mishandelen.' JER 38:20 Jeremia antwoordde: `Dat zal niet gebeuren. Luister toch naar wat Jahwe u door mij laat zeggen; dan zal het u goed gaan en blijft u in leven. JER 38:21 Maar als u zich niet overgeeft, dan gebeurt wat Jahwe mij liet zien. JER 38:22 Alle vrouwen die nog in het paleis van de koning van Juda zijn, worden weggevoerd naar de bevelhebbers van de koning van Babel. Dan zullen ze zeggen: Ze hebben u bedrogen en overweldigd, die goede vrienden van u. Nu uw voeten wegzakken in de modder, trekken zij zich terug. JER 38:23 Uw vrouwen en kinderen worden weggevoerd naar de Chaldeeën en ook uzelf zult niet ontkomen. U wordt gevangen genomen door de koning van Babel en deze stad wordt in de as gelegd.' JER 38:24 Daarop zei Sidkia: `Als uw leven u lief is, laat dan niemand hier iets van te weten komen. JER 38:25 Als de edelen toch van ons onderhoud zouden horen en dan bij u komen en vragen: Laat horen wat je tegen de koning gezegd hebt; als je ons niets verzwijgt, zullen wij je niet doden; of als zij vragen: Wat heeft de koning gezegd?, JER 38:26 dan moet u antwoorden: Ik heb de koning gesmeekt mij niet terug te sturen naar het huis van Jonatan om daar te sterven.' JER 38:27 Toen de edelen inderdaad bij Jeremia kwamen en hem trachtten uit te horen, zei hij hun precies wat de koning hem had opgedragen. Ze moesten hem toen wel met rust laten, want niemand had het gesprek gehoord. JER 38:28 Jeremia bleef in het kwartier van de wacht, totdat Jeruzalem werd ingenomen; bij de inneming was hij daar nog. JER 39:1 In het negende regeringsjaar van koning Sidkia van Juda, in de tiende maand, was koning Nebukadnessar van Babel met heel zijn leger voor Jeruzalem gekomen en had de stad ingesloten. JER 39:2 In het elfde jaar, de negende dag van de vierde maand namen zij de stad stormenderhand in. JER 39:3 De bevelhebbers van de koning van Babel namen plaats bij de Middenpoort: de opperbevelhebbers Negal sareser van Sin magir, de hofmaarschalk Nebusazban en de andere bevelhebbers van de koning van Babel. JER 39:4 Toen koning Sidkia van Juda en alle soldaten dit zagen, namen zij de vlucht. In de nacht wisten zij aan de kant van de koninklijke tuin door de poort tussen de beide muren de stad uit te komen en vluchtten de Araba in. JER 39:5 Maar het leger van de Chaldeeën zette de achtervolging in en achterhaalde Sidkia in de vlakte van Jericho. Hij werd gevangen genomen en naar koning Nebukadnessar van Babel gebracht in Ribla, in het gebied van Chamat. Daar velde de koning van Babel het vonnis over hen. JER 39:6 Sidkia's zonen liet hij voor diens ogen in Ribla ter dood brengen; ook de edelen van Juda liet hij afslachten. JER 39:7 Sidkia zelf liet hij de ogen uitsteken, in koperen ketenen slaan en wegvoeren naar Babel. JER 39:8 De Chaldeeën staken het koninklijk paleis en de huizen van de bevolking in brand en sloopten de muren van Jeruzalem. JER 39:9 Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, voerde de rest van de mensen gevangen naar Babel; de mensen die nog in de stad waren, en degenen die naar hem waren overgelopen. JER 39:10 Alleen de armsten van het volk, die geen eigen bezit hadden, liet Nebukadnessar in het land achter en gaf hun wijngaarden en akkers. JER 39:11 Met betrekking tot Jeremia gaf koning Nebukadnessar van Babel aan Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, het volgende bevel: JER 39:12 `Neem Jeremia onder uw bescherming, zorg dat hem niets overkomt en doe alles wat hij vraagt.' JER 39:13 Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, gaf dit bevel door aan de hofmaarschalk Nebusazban, aan de opperbevelhebber Nergal sareser en aan de andere bevelhebbers van de koning van Babel. JER 39:14 Zij haalden Jeremia uit het kwartier van de wacht en vertrouwden hem toe aan Gedalja, zoon van Achikam, zoon van Safan, die hem mee naar huis nam. Zo bleef Jeremia bij het volk. JER 39:15 Toen Jeremia nog in het kwartier van de wacht zat opgesloten, kwam dit woord van Jahwe tot hem: JER 39:16 Ga de Ethiopiër Ebed melek zeggen: Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Alles wat Ik over deze stad heb gezegd, laat Ik in vervulling gaan tot zijn ondergang en niet tot zijn heil; voor uw ogen zal het gebeuren. JER 39:17 Maar u red Ik op die dag - godsspraak van Jahwe -; gij wordt niet uitgeleverd aan hen voor wie gij zo bang zijt. JER 39:18 Ik zal u redden; ge zult niet vallen door het zwaard; ge brengt het er levend af, omdat ge op Mij hebt vertrouwd - godsspraak van Jahwe - JER 40:1 Het woord van Jahwe kwam tot Jeremia, nadat Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, hem in Rama had vrijgelaten. Deze had hem daar geboeid aangetroffen tussen de ballingen van Jeruzalem en Juda die naar Babel werden weggevoerd. JER 40:2 Hij liet Jeremia bij zich brengen en zei hem: `Jahwe uw God heeft de rampen die Hij deze stad had aangekondigd JER 40:3 voltrokken en gedaan wat Hij gezegd had. Omdat u tegen Jahwe hebt gezondigd en niet naar Hem geluisterd, zijn deze rampen over u gekomen. JER 40:4 Ik maak nu uw boeien los. Als u met mij naar Babel wilt gaan, doe dat gerust; ik zal persoonlijk voor u zorgen. Als u niet met mij naar Babel wenst te gaan, ook goed. Het hele land ligt voor u open. U kunt gaan waar u wilt. JER 40:5 Als u hier wenst te blijven, kunt u naar Gedalja, zoon van Achikam, zoon van Safan, gaan, die door de koning van Babel is aangesteld als gouverneur over de steden van Juda. U kunt bij hem blijven onder uw volksgenoten of gaan waar u verkiest.' Daarop gaf de commandant van de lijfwacht aan Jeremia levensmiddelen en geschenken en liet hem gaan. JER 40:6 Jeremia ging naar Gedalja, zoon van Achikam, in Mispa, en bleef bij zijn volksgenoten die in het land waren achtergebleven. JER 40:7 De officieren en manschappen die nog te velde waren, vernamen dat Gedalja, zoon van Achikam, door de koning van Babel als gouverneur was aangesteld en dat hij belast was met de zorg voor de armsten van het land, mannen, vrouwen en kinderen die niet in ballingschap naar Babel waren weggevoerd. JER 40:8 Jismaël, zoon van Netanja, Jochanan en Jonatan, zonen van Kareach, Seraja, zoon van Tanchumet, de zonen van Efai uit Netofa, en Jezanja, de Maakatiet, trokken met hun manschappen naar Gedalja, in Mispa. JER 40:9 Gedalja, zoon van Achikam, zoon van Safan, bezwoer hen: `Onderwerp u gerust aan de Chaldeeën. Blijf in het land en onderwerp u aan de koning van Babel; u zult er wel bij varen. JER 40:10 Ik zelf blijf hier in Mispa om te onderhandelen met de Chaldeeën die naar ons toekomen. U moet de wijn, de vijgen en de olie oogsten en in vaten doen; u kunt u vestigen in de steden die u verkiest.' JER 40:11 Ook de Judeeërs in Moab, Ammon en Edom en overal elders hadden gehoord, dat de koning van Babel een deel van de bevolking in Juda had achtergelaten en dat Gedalja, zoon van Achikam, zoon van Safan, als gouverneur was aangesteld. JER 40:12 Zij kwamen uit de streken waar zij verspreid waren, terug naar Juda, naar Gedalja in Mispa. Er werd een rijke oogst aan wijn en vruchten binnengehaald. JER 40:13 Jochanan, zoon van Kareach, en de andere officieren te velde kwamen naar Gedalja in Mispa JER 40:14 en vroegen: `Weet u, dat koning Baälis van Ammon, Jismaël, zoon van Netanja, heeft uitgestuurd met de opdracht u om het leven te brengen?' Maar Gedalja, zoon van Achikam, geloofde hem niet. JER 40:15 Daarop deed Jochanan, zoon van Kareach, hem te Mispa in het geheim dit voorstel: `Laat mij begaan; ik zal Jismaël, zoon van Netanja, doden zonder dat iemand het weet. Of wilt u dat hij u om het leven brengt, dat de Judeeërs die zich rond u hebben geschaard, verstrooid worden en ook de rest van Juda ten onder gaat?' JER 40:16 Maar Gedalja, zoon van Achikam, antwoordde hem: `Dat mag u niet doen. Wat u over Jismaël zegt, is niet waar.' JER 41:1 In de zevende maand kwam Jismaël, zoon van Netanja, zoon van Elisama, die van koninklijke afkomst was, met tien man naar Gedalja, zoon van Achikam, in Mispa. Ze zaten daar samen aan tafel, JER 41:2 toen Jismaël, zoon van Netanja, en zijn tien handlangers plotseling opstonden en Gedalja, zoon van Achikam, zoon van Safan, met het zwaard neerstaken. Zo vermoordde hij de man, die door de koning van Babel als gouverneur van het land was aangesteld. JER 41:3 Ook de Judeeërs die bij Gedalja in Mispa waren, en de soldaten van het Chaldeese garnizoen bracht hij om. JER 41:4 Daags na de moord op Gedalja, toen nog niemand het wist, JER 41:5 kwamen er tachtig mannen aan uit Sichem, Silo en Samaria. Ze hadden hun baard afgeschoren, droegen gekleurde kleren en hadden zich wonden toegebracht. Ze wilden in het huis van Jahwe meeloffers en wierook aanbieden. JER 41:6 Jismaël, zoon van Netanja, ging de stad uit, trad wenend op hen toe en zei: `Welkom bij Gedalja, zoon van Achikam.' JER 41:7 Maar toen zij in de stad kwamen, slachtten Jismaël en zijn mannen hen af en wierpen hen in een regenput. JER 41:8 Maar tien van hen zeiden tot Jismaël: `Dood ons niet. Wij hebben op het land verborgen voorraden: tarwe, gerst, olie en honing.' Deze mannen spaarde hij dus en doodde hen niet zoals hun gezellen. JER 41:9 De put waar Jismaël de lijken van de vermoorde mannen in wierp, was de grote put die koning Asa had aangelegd tijdens de oorlog met koning Baësa van Ismaël, zoon van Netanja, gooide hem vol met de lijken. JER 41:10 De hele bevolking van Mispa, ook de prinsessen en de mensen die in Mispa waren achtergebleven en die Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, aan de zorgen van Gedalja, zoon van Achikam, had toevertrouwd, werd door Jismaël, zoon van Netanja, gevangen genomen. Hij wilde ze meevoeren naar Ammon. JER 41:11 Toen Jochanan, zoon van Kareach, en de andere officieren hoorden wat Jismaël, zoon van Netanja, had aangericht, JER 41:12 verzamelden zij hun manschappen en rukten tegen hem uit. Bij de grote vijver van Gibeon vonden ze hem. JER 41:13 Toen de mensen die Jismaël uit Mispa had meegevoerd Jochanan, zoon van Kareach, en de andere officieren zagen, waren zij blij. JER 41:14 Ze liepen onmiddellijk naar hem over. JER 41:15 Jismaël zelf en acht anderen wisten aan Jochanan te ontsnappen en vluchtten naar Ammon. JER 41:16 Jochanan, zoon van Kareach, en de officieren die hem vergezelden, aanvaardden vanuit Gibeon de terugtocht met de mannen, de vrouwen, de kinderen en de hovelingen, alle mensen die Jismaël, zoon van Netanja, na de moord op Gedalja uit Mispa had meegevoerd. JER 41:17 Onderweg hielden ze halt in Gerut kimham, bij Betlehem. Vandaar trokken ze naar Egypte JER 41:18 uit vrees voor de Chaldeeën, vanwege de moord van Jismaël, zoon van Netanja, op Gedalja, zoon van Achikam, die de koning van Babel tot gouverneur van het land had aangesteld. JER 42:1 De officieren, onder wie Jochanan, zoon van Kareach, en Azarja, zoon van Hosaaja, en alle anderen, groot en klein, kwamen JER 42:2 bij de profeet Jeremia en zeiden: 'Wij smeken u tot Jahwe uw God te bidden voor ons die nog over zijn. Wij waren zeer talrijk; nu zijn we maar met weinigen meer, zoals uzelf kunt zien. JER 42:3 Vraag Jahwe uw God dat Hij ons wijst, welke weg wij moeten gaan en wat wij moeten doen. JER 42:4 De profeet Jeremia antwoordde: 'Goed, ik zal tot Jahwe uw God bidden, zoals u verlangt. Ik zal u het antwoord van Jahwe laten horen zonder iets te verzwijgen.' JER 42:5 Van hun kant verzekerden zij Jeremia: 'Waarachtig, Jahwe uw God moge tegen ons getuigen, als wij niet alles doen wat u ons namens Hem zegt. JER 42:6 Of het ons aangenaam is of niet, wij zullen gehoorzamen aan Jahwe onze God tot wie wij u zenden, want daarvan hangt ons geluk af. U kunt ervan op aan: wij zullen Hem gehoorzamen.' JER 42:7 Tien dagen later kwam het woord van Jahwe tot Jeremia. JER 42:8 Hij riep Jochanan, zoon van Kareach, de officieren die hem vergezelden, en alle anderen, groot en klein, bij zich JER 42:9 en zei: 'Dit zegt Jahwe, Israëls God, tot wie ik op uw verzoek heb gebeden: JER 42:10 Als gij in dit land blijft wonen, bouw Ik u op en breek u niet af, Ik plant u en ruk u niet uit, want Ik heb spijt over het kwaad dat Ik u heb aangedaan. JER 42:11 Gij hoeft de koning van Babel niet langer te vrezen: vreest hem werkelijk niet - godsspraak van Jahwe -; Ik ben bij u om u te redden en u uit zijn macht te bevrijden. JER 42:12 Als Ik u genadig ben, zal ook hij u genadig zijn en u terug laten gaan naar uw land. JER 42:13 Maar als gij Jahwe uw God niet gehoorzaamt en zegt: Wij blijven niet in dit land, JER 42:14 wij gaan naar Egypte en daar blijven we. Wij willen geen oorlog meer zien, geen hoorngeschal horen en geen honger meer lijden, JER 42:15 luistert dan naar het woord van Jahwe, allen die van Juda zijt overgebleven: Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Als gij met alle geweld naar Egypte wilt gaan en daar blijven, JER 42:16 zal het zwaard waarvoor ge zo bang zijt, u daar achtervolgen en ge zult er de dood vinden. JER 42:17 Iedereen die besloten heeft naar Egyte te gaan en daar te blijven, komt om door het zwaard, de honger en de pest. Niemand van hen ontkomt aan de rampen die Ik over hen zend. JER 42:18 Want dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Zoals mijn toorn en mijn woede zijn neergekomen op de inwoners van Jeruzalem, zo zal mijn woede neerkomen op u, als ge naar Egyte gaat. Een vloek zult ge zijn, een schrikbeeld, een mikpunt van schimp en van smaad en dit land ziet ge nooit meer terug.' JER 42:19 Jahwe heeft u dus gezegd, allen die van Juda zijn overgebleven: Ga niet naar Egyte, Ik heb u vandaag duidelijk gewaarschuwd, JER 42:20 dat u een grote misstap begaat. Uzelf hebt mij naar Jahwe uw God gezonden en gevraagd: Bid voor ons tot Jahwe uw God; deel ons mee wat Jahwe onze God zegt, en wij zullen het doen. JER 42:21 Maar nu ik u heb meegedeeld wat Jahwe uw God mij heeft opgedragen, luistert u niet. JER 42:22 Wees er dan ook van overtuigd dat u door het zwaard, de honger en de pest zult sterven in het land waar u wilt gaan wonen.' JER 43:1 Nauwelijks had Jeremia deze woorden namens Jawe hun God gesproken JER 43:2 of Azarja, zoon van Hosaäja, Jochanan, zoon van Kareach, en verschillende andere mannen schreeuwden hem brutaal toe: 'U liegt! Jahwe onze God heeft u niet opgedragen te zeggen, dat wij niet naar Egyte mogen gaan en daar blijven wonen. JER 43:3 Baruch, zoon van Neria, heeft u tegen ons opgezet, omdat hij ons aan de Chaldeeën wil uitleveren, in de hoop dat zij ons doden of in ballingschap naar Babel wegvoeren.' JER 43:4 Jochanan, zoon van Kareach, de overige officieren en alle anderen wilden Jahwe niet gehoorzamen en in Juda blijven. JER 43:5 Heel de rest van Juda werd door Jochanan en de overige officieren meegesleept: degenen die uit de streken waar zij verspreid waren naar Juda waren teruggekeerd om daar te blijven, JER 43:6 en ook de mannen, de vrouwen, de kinderen en de prinsessen die Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, had achtergelaten bij Gedalja, zoon van Achikam, zoon van Safan. Ook de profeet Jeremia en Baruch, zoon van Neria, namen zij mee. JER 43:7 Zonder acht te slaan op het woord van Jahwe hun God trokken zij naar Egypte en kwamen aan in Tachpanches. JER 43:8 In Tachpanches kwam het woord van Jahwe tot Jeremia: JER 43:9 Neem een paar grote stenen en metsel die in het bijzijn van de Judeeërs in de lemen vloer van het plein voor het paleis van Farao in Tachpanches. JER 43:10 Dan moet ge hun zeggen: Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Ik ontbied mijn dienaar Nebukadnessar, de koning van Babel, hij zal zijn troon plaatsen op de stenen die Ik hier ingemetseld heb, en er zijn koningstent opslaan. JER 43:11 Hij zal Egypte verslaan: Wie voor de dood is bestemd, treft de dood, wie voor de ballingschap, de ballingschap; wie voor het zwaard, het zwaard. JER 43:12 De tempels van de Egyptische goden laat hij opgaan in de vlammen, hun godenbeelden verbrandt hij of voert hij mee; iedereen haalt hij uit Egypte, zoals een herder de luizen uit zijn mantel haalt. Dan keert hij ongehinderd terug. JER 43:13 De obelisken van de zonnetempel in Egypte slaat hij stuk, de tempels van de Egyptische goden legt hij in de as. JER 44:1 Dit woord kwam tot Jeremia voor al de Judeeërs die in Egypte woonden, in de steden Migdol, Tachpanches en Nof en in de streek van Patros: JER 44:2 Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Gij hebt zelf de rampen gezien die Ik over Jeruzalem en de andere steden van Juda gebracht heb. Ze zijn nu een puinhoop waar niemand meer woont. JER 44:3 Dat komt, omdat ze Mij door hun misdaden hebben getart: ze hebben offers gebracht en eer bewezen aan andere goden die ze niet kenden, evenmin als gij of hun voorvaderen. JER 44:4 Steeds opnieuw heb Ik mijn dienaars, de profeten, gezonden met de boodschap: `Laat die afschuwelijke praktijken varen; Ik walg ervan.' JER 44:5 Maar ze hebben niet geluisterd en Mij niet gehoorzaamd; ze hebben zich niet bekeerd en zijn offers blijven brengen aan andere goden. JER 44:6 Toen is mijn toorn losgebarsten, mijn woede ontvlamd tegen de steden van Juda en de straten van Jeruzalem. Zo zijn ze de puinhoop en de wildernis geworden die ze nu zijn. JER 44:7 Welnu dan, dit zegt Jahwe, de God van de machten, Israëls God: Waarom doet ge uzelf dit aan? Waarom wilt ge de ondergang van de mannen en vrouwen, de kinderen en zuigelingen van Juda, zodat er niemand meer overblijft? JER 44:8 Waarom tart ge Mij met uw eigengemaakte beelden en brengt ge in Egypte waar ge nu woont, offers aan andere goden? Of wilt ge zelf ook ten onder gaan en een vloek en een schimp worden voor alle volken op aarde? JER 44:9 Zijt ge dan het kwaad vergeten van uw vaderen, van de koningen van Juda en hun vrouwen, of hetgeen gijzelf en uw vrouwen in Juda en in de straten van Jeruzalem bedreven hebt? JER 44:10 Tot op heden heeft niemand berouw, niemand vreest Mij of leeft volgens de wet en de voorschriften die Ik u en uw voorvaderen gegeven heb. JER 44:11 Daarom zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Ik heb besloten rampen over u te brengen; heel Juda roei Ik uit. JER 44:12 De rest van Juda die besloot naar Egypte te gaan om daar te wonen, vernietig Ik. Ze komen allemaal om in Egypte door het zwaard en de honger; ze worden tot een vloek, een schrikbeeld, een voorwerp van spot en van smaad. JER 44:13 Al degenen die in Egypte wonen, straf Ik door het zwaard, de honger en de pest, zoals Ik met Jeruzalem heb gedaan. JER 44:14 Van de rest van Juda die in Egypte is gaan wonen, zal niemand ontsnappen of ontkomen; niemand behalve een enkele vluchteling zal terugkeren naar Juda, hoe graag ze dat ook zouden willen. JER 44:15 Maar alle mensen die in Patros in Egypte woonden, al de mannen die wisten dat hun vrouwen offers brachten aan andere goden, en de vrouwen die in groten getale aanwezig waren, antwoordden Jeremia: JER 44:16 `Wij luisteren niet naar wat ons in naam van Jahwe hebt gezegd. JER 44:17 Wij houden ons aan onze beloften: we brengen reukoffers en plengoffers aan de koningin van de hemel, zoals wij vroeger deden in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem, wij en onze voorvaderen, onze koningen en edelen. Toen hadden wij eten in overvloed; het ging ons goed en rampen kenden wij niet. JER 44:18 Maar sinds wij daarmee zijn opgehouden, hebben wij aan alles gebrek en komen wij om door het zwaard en de honger.' JER 44:19 En de vrouwen voegden er aan toe: `Wij blijven reukoffers en plengoffers brengen aan de koningin van de hemel en koeken bakken met haar beeltenis erop. En dat doen wij met instemming van onze mannen.' JER 44:20 Toen zei Jeremia tot alle aanwezigen die hem zo hadden geantwoord, tot de mannen en de vrouwen: JER 44:21 `Denkt u dat Jahwe de offers vergeten is die u en uw voorvaderen, uw koningen, uw edelen en burgers in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem hebben gebracht? Denkt u dat dit Hem niets heeft gedaan? JER 44:22 Hij kon die gruwelijke misdaden van u niet meer verdragen. Daarom is uw land geworden wat het nu is: een puinhoop waar niemand meer woont, een schrikbeeld, een vloek. JER 44:23 U hebt door die offers tegen Jahwe gezondigd en niet naar Hem geluisterd; u hebt zijn wet, zijn voorschriften en bepalingen niet nageleefd; daarom zijn nu deze rampen over u gekomen.' JER 44:24 Tot de vrouwen zei Jeremia: `Luistert naar het woord van Jahwe: JER 44:25 Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Vrouwen, u blijft bij wat u beloofd hebt. U zegt: Wij houden de belofte die wij hebben gedaan; wij brengen reukoffers en plengoffers aan de koningin van de hemel. Houdt die belofte dan maar en komt ze na. JER 44:26 Luistert echter naar het woord van Jahwe, mensen van Juda die in Egypte woont: Ik heb bij mijn grote naam gezworen, zegt Jahwe: In heel Egypte zal geen enkele Judeeër nog mijn naam aanroepen of zeggen: Zowaar Jahwe leeft! JER 44:27 Want Ik ben op hun onheil uit, niet op hun heil; alle Judeeërs in Egypte komen om door het zwaard en de honger en worden vernietigd. JER 44:28 Slechts enkelen zullen aan het zwaard ontkomen en uit Egypte terugkeren naar Juda. Al de anderen die zich in Egypte hebben gevestigd zullen ondervinden, wiens woord waar blijkt, het mijne of het hunne. JER 44:29 Door dit teken zult ge weten - godsspraak van Jahwe -, dat Ik u hier ter plaatse straf en dat mijn bedreigingen tegen u uitkomen: JER 44:30 Dit zegt Jahwe: Ik lever Farao Chofra, de koning van Egypte, uit aan de vijanden die hem naar het leven staan, zoals Ik ook koning Sidkia van Juda heb uitgeleverd aan koning Nebukadnessar van Babel, de vijand die hem naar het leven stond.' JER 45:1 Toen Baruch, zoon van Neria, in het vierde jaar van Jojakim, zoon van Josia, de koning van Juda, alles wat Jeremia dicteerde in de boekrol had geschreven, richtte de profeet tot hem dit woord: JER 45:2 Dit zegt Jahwe, Israëls God, tot u, Baruch: JER 45:3 Gij hebt gezegd: `Wee mij! Jahwe maakt mijn lijden steeds erger. Ik kreun van de pijn, ik ben op, maar nergens vind ik verlichting.' JER 45:4 Dit zegt Jahwe: Ik breek af wat Ik had opgebouwd; Ik ruk uit wat Ik had geplant; bedoeld is het hele land. JER 45:5 En gij hebt voor uzelf grote verwachtingen. Verwacht niet te veel; want rampen breng Ik over alle stervelingen - godsspraak van Jahwe -. Wees dus blij dat Ik uw leven spaar waar ge ook heengaat. JER 46:1 Dit woord van Jahwe kwam tot de profeet Jeremia, aangaande de volken. JER 46:2 Over Egypte. Over het leger van Farao Neko, de koning van Egypte, dat bij Karkemis aan de Eufraat door koning Nebukadnessar van Babel verslagen werd, in het vierde jaar van Jojakim, zoon van Josia, de koning van Juda: JER 46:3 Klaar met schild en rondas, op tot de strijd. JER 46:4 Span de paarden in, stijg op de wagens. In het gelid, de helmen op, de lansen gescherpt, de pantsers aan. JER 46:5 Maar wat gebeurt er? Ze raken in paniek, ze trekken terug. Het machtige leger stort ineen, het slaat op de vlucht. Verschrikking alom - godsspraak van Jahwe -. JER 46:6 De snelste man kan niet ontvluchten, de dapperste niet ontkomen. In het noorden, aan de oever van de Eufraat, struikelen zij en vallen ze neer. JER 46:7 Wie rolt daar als de Nijl, als een bruisende stroom? JER 46:8 Egypte rolt aan als de Nijl, als een bruisende stroom. Het zegt: `Daar komt ik, ik zal de aarde overspoelen, steden en inwoners vernietigen.' JER 46:9 Hop, paarden. Wagens, vooruit. Soldaten er op los, Kusieten en Putiërs, het schild in de hand, Lydiërs, de bogen gespannen.' JER 46:10 Maar deze dag is de dag van Jahwe, de God van de legerscharen, de dag dat Hij zich op zijn vijanden wreekt. Het zwaard verslindt alles, tot het verzadigd is, tot het zich zat heeft gedronken aan hun bloed. Want Jahwe, de God van de legerscharen, houdt een slachting, in het noorden, bij de Eufraat. JER 46:11 Ga maar met Gilead, jonkvrouw; ga balsem halen, Egypte; al uw geneesmiddelen dienen tot niets, uw wonden zijn niet te helen. JER 46:12 De volken hebben uw roepen gehoord, de aarde is vol van uw klagen, want de ene soldaat struikelt over de andere en beiden storten ze neer. JER 46:13 Dit woord van Jahwe kwam tot de profeet Jeremia toen koning Nebukadnessar van Babel oprukte tegen Egypte: JER 46:14 Meld het in Egypte, geef het door in Migdol, in Nof en Tachpanches en roep: In het gelid, houd u paraat, want het zwaard verslindt alles in uw omgeving. JER 46:15 Waarom is Apis gevlucht, waarom hield uw sterke god geen stand? Omdat Jahwe hem heeft geslagen, JER 46:16 totdat hij struikelde en viel. Toen zeiden ze tot elkaar: `We gaan terug naar ons eigen volk, naar ons geboorteland, om aan het moordende zwaard te ontkomen.' JER 46:17 En Farao, de koning van Egypte, noemden zij: `druktemaker, die zijn kans laat voorbijgaan.' JER 46:18 Zowaar Ik leef godsspraak van de koning, wiens naam is Jahwe van de legerscharen: Zoals de Tabor boven de bergen uitrijst en de Karmel zich verheft boven de zee, zo doemt hij op. JER 46:19 Maak alles klaar voor de ballingschap, inwoners van Egypte, want Nof wordt een wildernis, een ruïne zonder bewoners. JER 46:20 Egypte leek op een prachtige vaars, waar horzels uit het noorden op afkomen. JER 46:21 Zijn huurlingen leken op vette kalveren. Maar ook zij lieten hun hielen zien, ze sloegen op de vlucht en hielden geen stand, want de ongeluksdag, de tijd van hun straf was gekomen. JER 46:22 Egypte kruipt sissend terug als een slang, nu de legers er tegen oprukken. Met bijlen gewapend komen de houthakkers aan. JER 46:23 Ze vellen de bossen die ondoordringbaar leken - godsspraak van Jahwe -. Talrijker zijn ze dan de sprinkhanen, ze zijn niet te tellen. JER 46:24 Zo wordt Egypte vernederd, overweldigd door een volk uit het noorden. JER 46:25 Dit zegt Jahwe van de legerscharen, Israëls God: Straffen zal ik Amon, de god van No, Egypte met zijn goden en koningen, Farao en degenen die op hem vertrouwen. JER 46:26 Ik lever hen uit aan degenen die hen naar het leven staan, aan koning Nebukadnessar van Babel en zijn officieren. Maar later zal Egypte weer leven als in vroegere tijden - godsspraak van Jahwe -. JER 46:27 Vrees dus niet, Jakob mijn dienaar, wees niet bang, Israël; Ik bevrijd u en uw kinderen uit het verre land van hun gevangenschap. Dan woont Jakob weer ongestoord en veilig, zonder dat iemand hem opschrikt. JER 46:28 Wees dus niet bang, Jakob mijn dienaar - godsspraak van Jahwe -, want Ik ben bij u. Met alle volken waaronder Ik u verstrooid heb reken Ik af; maar met u doe Ik dat niet. Wel tuchtig Ik u zoals ge verdient; Ik laat u niet ongestraft. JER 47:1 Dit woord kwam van Jahwe tot de profeet Jeremia aangaande de Filistijnen, voordat Farao Gaza had ingenomen. JER 47:2 Dit zegt Jahwe: Daar rollen wateren aan uit het noorden, een rivier die buiten zijn oevers treedt en het land en al wat er is overstroomt, steden en inwoners. De mensen schreeuwen het uit, de bewoners heffen een klaaglied aan, JER 47:3 Bij het horen van de trappelende hoeven der hengsten, van de ratelende wagens en de dreunende wielen. De vaders laten hun kinderen in de steek, de moed is hun ontzonken. JER 47:4 Want de dag is aangebroken, dat alle Filistijnen worden vernietigd, dat Tyrus en Sidon worden uitgeroeid tot de laatste man. Jahwe vernietigt de Filistijnen, van de afstammelingen van Kreta blijft niemand meer over. JER 47:5 Gaza scheert zich kaal, Askelon treurt; hoelang u nog wonden toebrengen, laatste der Enakieten? JER 47:6 Ach, zwaard van Jahwe, komt ge nooit meer tot rust? Keer terug in uw schede, blijf rustig en stil. JER 47:7 Hoe kan het tot rust komen, als Jahwe het uitzendt tegen Askelon en heel de kuststreek? JER 48:1 Over Moab. Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Wee Nebo, het is verwoest, wee Kirjataim, het is veroverd. De vestingen zijn vernederd, neergehaald. JER 48:2 Weg is de glorie van Moab. In Chesbon werd zijn ondergang beslist: `Dat volk roeien we uit!' Madmen, ook gij komt ten val, het zwaard zit u op de hielen. JER 48:3 In Choronaim weerklinkt de kreet: `Wat een ramp, wat een vreselijke verwoesting!' JER 48:4 Moab ligt verpletterd, zijn geschreeuw dringt door tot in Soar. JER 48:5 Men treurt over de ramp op de helling van Luchit, men klaagt bij de pas van Choronaim. JER 48:6 `Vlucht, red uw leven, kale struik in de woestijn.' JER 48:7 Ge hebt al uw vertrouwen gesteld op uw vestingen, daarom worden ze ingenomen: Kemos gaat de ballingschap in met zijn priesters en edelen. JER 48:8 De verwoester dringt alle steden binnen, geen enkele ontkomt. De vlakte wordt vernield, het hoogland verwoest, zoals Jahwe heeft gezegd. JER 48:9 Bouw een graftombe voor Moab, want het wordt een puinhoop. Zijn steden worden een wildernis, waar niemand meer woont. JER 48:10 Vervloekt, wie deze opdracht van Jahwe nalatig volvoert, vervloekt wie het zwaard belet bloed te vergieten. JER 48:11 Van jongs af was Moab zonder zorgen, het was als wijn, die rustig ligt op zijn droesem, die nooit in een ander vat werd overgegoten; nooit ging het in ballingschap. Zo heeft het zijn smaak behouden, zijn aroom niet verloren. JER 48:12 Voorwaar, de tijd komt - godsspraak van Jahwe - dat Ik mensen op hen afzend, die de wijn overgieten, de vaten leeghalen en de kruiken verbrijzelen. JER 48:13 Dan schaamt Moab zich over Kemos, zoals Israël zich geschaamd heeft over Betel, waarop het vertrouwde. JER 48:14 Hoe durft ge zeggen: 'Wij zijn soldaten, dappere soldaten?' JER 48:15 Moab en zijn steden zijn verwoest; de keur van zijn jeugd is afgeslacht - godsspraak van de koning wiens naam is Jahwe van de machten. JER 48:16 De ondergang van Moab is nabij; met rasse schreden nader zijn ongeluk. JER 48:17 Hef dit klaaglied aan, alle buren die hem kent bij zijn naam: 'Helaas, de machtige scepter, de schitterende staf ligt gebroken!' JER 48:18 Kom af van uw heerlijke troon, zet u neer in het vuil, bewoners van Dibon. De verwoester van Moab trekt tegen u op en haalt uw vestingen neer. JER 48:19 Ga langs de weg op de uitkijk staan, inwoners van Aroër; vraag de vluchtelingen die zijn ontkomen, wat er is gebeurd. JER 48:20 'Moab is vernederd, verpletterd. Huil en schreeuw, vertel het bij de Arnon: Moab is verwoest.' JER 48:21 Het vonnis is geveld over het hoogland, over Cholon, Jahas en Mefaät, JER 48:22 over Dibon, Nebo en Bet-Diblataïm, JER 48:23 over Kirjataïm, Bet-Gamul en Bet-Meon, JER 48:24 over Bo, Keriot en Bosra; over alle steden van Moab, veraf en dichtbij. JER 48:25 'De hoorn van Moab is afgehouwen zijn kracht is gebroken' - godsspraak van Jahwe -. JER 48:26 Maak Moab dronken, omdat hij zich tegen Jahwe heeft verheven. Dan wentelt hij zich in zijn eigen braaksel en wordt op zijn beurt uitgelachten. JER 48:27 Hebt ge zelf Israël niet uitgelachen? Was het dan een dievenbende dat gij u steeds weer spottend over hem moest uitlaten? JER 48:28 'Verlaat uw steden, ga in de rotsen huizen inwoners van Moab. Nestel u als een duif, hoog tegen de rots.' JER 48:29 Wij hebben gehoord van de hoogmoed, de grote hoogmoed van Moab, van zijn trots, zijn eigenwaan, zijn arrogantie, zijn aanmatiging. JER 48:30 Ik ken zijn verwaandheid - godsspraak van Jahwe -, zijn gezwets en gedaas steunt nergenst op. JER 48:31 Daarom schrei ik over Moab, ik treur over heel Moab, en jammer over de mensen van Kir-Cheres. JER 48:32 Ik rouw meer over u dan over Jazer, wijnstok van Sibma, Uw ranken reikten tot aan de zee, ze kwamen tot Jazer. Nu heeft de verwoester zich op uw tuinen en wijngaarden gestort. JER 48:33 Uit de vruchtbare velden van Moab zijn vreugde en jubel verdwenen; geen wijn is er meer in de kuipen, de druivenpersen zijn weg, hun vrolijk lied is verstorven. JER 48:34 De kreten van Chesbon dringen door tot Elale, tot Jahas weerklinkt het geschreeuw, van Soar tot Chorona?m en Eglat-Selisia. Ook de oase van Nimrim wordt woestijn. JER 48:35 Ik maak het Moab onmogelijk aan zijn goden nog langer offers te brengen op de hoogten - godsspraak van Jahwe -. JER 48:36 Daarom is mijn hart als een fluit die een treurlied speelt over Moab en de mensen van Kir-Cheres, want alles wat zij hadden vergaard, is verloren gegaan. JER 48:37 Alle hoofden zijn kaal, de baarden geschoren, de armen doorkorven, de lenden in boetekleed gehuld. JER 48:38 Overal rouw op de daken en pleinen van Moab. Ik heb hen verbrijzeld als vaten die nergens voor deugen - godsspraak van Jahwe -. JER 48:39 Ach, hoe jammerlijk is Moab verslagen, hoe beschaamd wendt het zich af. Een mikpunt van spot, een schrikbeeld is het voor heel de omgeving. JER 48:40 Dit zegt Jahwe: Zie, de arend stort zich op Moab, de vleugels gespreid. JER 48:41 De steden worden ingenomen, de vestingen overmeesterd. Op die dag wordt het hart van Moabs soldaten als dat van een vrouw in haar weeën. JER 48:42 Als volk wordt Moab uitgeroeid, omdat het zich tegen Jahwe heeft verheven. JER 48:43 Schrik, kuil en strik wachten u, bewoners van Moab - godsspraak van Jahwe -. JER 48:44 Wie vlucht voor de schrik, valt in de kuil; wie uit de kuil klimt, wordt gevangen in de strik. Dit alles breng Ik over Moab in het jaar van de straf. JER 48:45 In de schaduw van Chesbon hielden de vluchtelingen uitgeput halt. Een vuur is uit Chesbon geslagen, een vlam uit het huis van Sichon, die het slapen van Moab, de schedel van die druktemakers verschroeide. JER 48:46 Wee u, Moab, verloren zijt gij, volk van Kemos. Uw zonen worden gevangen genomen, uw dochters gaan de ballingschap in. JER 48:47 eenmaal herstel Ik Moab in zijn vroegere staat - godsspraak van Jahwe -. Tot zover het oordeel over Moab. JER 49:1 Over Ammon. Dit zegt Jahwe: Heeft Israël geen zonen, geen erfgenamen meer, Dat Milkom bezit kon nemen van Gad en zijn volk zich kon vestigen in zijn steden? JER 49:2 Op mijn woord de tijd zal komen dat Ik Rabbat ammon doe dreunen van krijgsrumoer - godsspraak van Jahwe -. Een verlaten puinhoop wordt het en al zijn steden gaan in vlammen op. Israël overwint zijn bezetters, zegt Jahwe. JER 49:3 Jammer, Chesbon, verwoeste stad, schrei luid, vrouwen van Rabba, trek het rouwkleed aan, zing het klaaglied en zwerf rond met wonden overdekt. Want Milkom gaat in ballingschap met zijn priesters en edelen. JER 49:4 Wat roemt ge nog op uw kracht, uw kwijnende kracht, verwaande dochter, die zo op uw vestigingen vertrouwt dat ge zegt: `Niemand dringt hier binnen!' JER 49:5 Van alle kanten laat Ik de verschrikkingen over u komen - godsspraak van de Heer, Jahwe van de legerscharen -. Ge slaat op de vlucht en niemand die u bij elkaar brengt. JER 49:6 Maar later herstel Ik Ammon in zijn vroegere staat - godsspraak van Jahwe -. JER 49:7 Over Edom. Dit zegt Jahwe van de legerscharen: Is er dan in Teman geen wijsheid meer? Weten de verstandigen geen raad, is hun inzicht verschraald? JER 49:8 Vlucht zo snel mogelijk, houdt u goed verborgen, inwoners van Dedan, want rampen breng Ik over Esau, als de tijd van de straf is gekomen. JER 49:9 Als de druivenplukkers komen, valt er niets meer te oogsten. Als 's nachts de dieven inbreken, vernielen zij al wat zij willen. JER 49:10 Ik zelf plunder Esau helemaal kaal, Ik leg zijn schuilplaats bloot, zodat hij zich nergens kan verbergen. Zijn nakomelingen en verwanten worden uitgeroeid; niemand van zijn buren zegt: JER 49:11 `Ik zorg voor uw wezen, uw weduwen kunnen op mijn rekenen.' JER 49:12 Want dit zegt Jahwe: Ook zij die het niet verdienen, moeten de beker drinken: En gij dacht eraan te ontkomen? Dat nooit: Drinken zult ge. JER 49:13 Ik heb bij Mezelf gezworen - godsspraak van Jahwe -: Bosra wordt tot een schrikbeeld, tot een voorwerp van smaad, verlaten en vervloekt; de andere steden zullen een puinhoop blijven. JER 49:14 Ik heb van Jahwe een boodschap ontvangen, een bode heeft aan de volken gemeld: `Verzamelt u, trekt op tegen Edom, klaar voor de strijd!' JER 49:15 Ik maak van u een onbetekend volk, door de mensen veracht. JER 49:16 Iedereen had ontzag voor u; dat heeft misleid, ge zijt overmoedig geworden. Ge hebt u in de rotsen genesteld en de hoogste heuvels bezet. Maar al is uw nest ongenaakbaar als dat van de adelaar, Ik haal u naar beneden - godsspraak van Jahwe -. JER 49:17 Edom wordt tot een schrikbeeld. Iedereen die er doorheen trekt, staat versteld, met stomheid geslagen door al de rampen. JER 49:18 Het wordt verwoest als de streek van Sodom en Gomorra, zegt Jahwe. Niemand woont er meer, geen mens houdt er zich op. JER 49:19 Zoals een leeuw uit de bossen bij de Jordaan de kudden overvalt, zo jaag Ik hen in een oogwenk uiteen en roof de vetste bokken. Want wie is Mij gelijk, Wie kan Mij ter verantwoording roepen, welke herder kan tegen Mij op? JER 49:20 Luister daarom naar Jahwe's besluit over Edom, naar zijn plannen met de inwoners van Teman: Ook de jongste dieren worden weggesleept, zodat zelfs de weiden ontsteld staan. JER 49:21 De aarde beeft bij hun dreunende val, tot aan de Rietzee hoort men hun gejammer. JER 49:22 Als een adelaar stijgt hij op en stort neer op Bosra, de vleugels gespreid. Op die dag wordt het hart van de soldaten als dat van een vrouw in haar weeën. JER 49:23 Over Damascus. Hamat en Arpad staan versteld over de onheilspellende berichten. De zorgen laten hen niet met rust, zoals de zee niet tot rust komt. JER 49:24 Damascus heeft de moed verloren en slaat op de vlucht. Het raakt in paniek het is overweldigd door angst als een vrouw in haar weeën. JER 49:25 Hoe verlaten ligt nu die roemrijke stad, de burcht, zo vol leven. JER 49:26 Op die dag sneuvelen de jongemannen in de straten, de soldaten komen om - godsspraak van Jahwe van de legerscharen -. JER 49:27 Ik steek de vesting Damascus in brand, de burcht van Ben hadad gaat op in vlammen. JER 49:28 Over Kedar en de koninkrijken van Chasor, die door koning Nebukadnessar van Babel werden veroverd. Dit zegt Jahwe: Trek op tegen Kedar, vernietig de mensen uit het Oosten. JER 49:29 Hun tenten en hun kudden, al wat zij bezitten wordt geroofd. Men steelt hun kamelen en schreeuwt tegen hen: `Verschrikking overal!' JER 49:30 Vlucht zo snel mogelijk houdt u goed verborgen, inwoners van Chasor - godsspraak van Jahwe -, want het besluit van koning Nebukadnessar van Babel staat vast, zijn plannen tegen u liggen klaar. JER 49:31 `Trek op tegen dat zorgeloze volk dat zich veilig waant - godsspraak van Jahwe -, dat geen deuren of grendels kent en in afzondering leeft. JER 49:32 Hun kamelen worden geroofd, hun talrijke kudden worden buitgemaakt.' Naar alle windstreken verstrooi Ik die mannen met geschoren slapen. Van alle kanten laat Ik de ondergang over hen komen - godsspraak van Jahwe -. JER 49:33 Chasor wordt een streek waar jakhalzen huizen, voor altijd een wildernis. Niemand woont er, geen mens houdt er zich op. JER 49:34 Dit woord van Jahwe kwam tot de profeet Jeremia over Elam, in het eerste regeringsjaar van koning Sidkia van Juda: JER 49:35 Dit zegt Jahwe van de legerscharen: Ik breek de bogen van Elam, hun sterkste wapens. JER 49:36 De vier winden zend Ik uit over het land uit de vier hoeken der aarde. Daarmee verstrooi Ik hen in alle windstreken; geen volk waar de vluchtelingen uit Elam niet komen. JER 49:37 In de strijd met de vijanden die hen naar het leven staan, verpletter Ik Elam. Rampen breng Ik over hen in mijn grimmige toorn, - godsspraak van Jahwe -. Ik laat hen met het zwaard achtervolgen, totdat Ik hen heb vernietigd. JER 49:38 Dan richt Ik mijn troon op in Elam en breng koningen en edelen om - godsspraak van Jahwe -. JER 49:39 Maar eens herstel Ik Elam in zijn vroegere staat - godsspraak van Jahwe - JER 50:1 Dit woord heeft de profeet Jeremia gesproken tot Babel en het land van de Chaldeeën: JER 50:2 Maak het de volken bekend, laat het horen, verkondig overal: Babel is veroverd, Bel is vernederd, Merodak verslagen. Ook de andere goden zijn vernederd, de idolen verpletterd. JER 50:3 Een volk is opgerukt uit het noorden en heeft het land tot een wildernis gemaakt waar niemand meer woont; mens en dier zijn gevlucht. JER 50:4 In die tijd, in die dagen - godsspraak van Jahwe - gaan Israëlieten en Judeeërs weer samen op weg; onder tranen zoeken zij Jahwe hun God. JER 50:5 Zij vragen de weg naar Sion en trekken erheen: `Komt, wij verbinden ons met Jahwe in een eeuwig verbond dat nooit wordt vergeten.' JER 50:6 De kudde van mijn volk was verloren gelopen, door zijn herders misleid. Ze zwierf rond in de bergen, ze raakte verdwaald en vergat haar kooi. JER 50:7 Ze was voor iedereen een gemakkelijke prooi Haar vijanden zeiden: `Ons treft geen schuld, want ze heeft gezondigd tegen Jahwe, tegen de zetel der gerechtigheid, de hoop van haar vaderen.' JER 50:8 Vlucht uit Babel, het land van de Chaldeeën; trek weg, als bokken die voor de kudde uitlopen. JER 50:9 Machtige volken uit het noorden laat Ik gezamenlijk tegen Babel oprukken; zij belegeren het en nemen het in. Ze schieten als geoefende soldaten en missen hun doel niet. JER 50:10 Chaldea wordt leeggeroofd, de plunderaars doen zich te goed - godsspraak van Jahwe -. JER 50:11 Wees maar vrolijk en blij, plunderaars van mijn bezit, spring als kalveren in de wei en bries als hengsten. JER 50:12 Schande komt over uw moeder en diepe vernedering. Babel wordt het uitschot van de volken, een dorre en droge woestijn; JER 50:13 de toorn van Jahwe maakt het onbewoond, een grote ruïne. Iedereen die er langs komt, staat verbijsterd en houdt de adem in bij het zien van die rampen. JER 50:14 Boogschutters, omsingel Babel, beschiet het, spaar uw pijlen niet, want het heeft tegen Jahwe gezondigd. JER 50:15 Hef rondom de stad de zegekreet aan: Ze geeft zich over, de torens storten in, de muren vallen om. Dat is de wraak van Jahwe. Wreek u dus op Babel handel ermee, zoals het zelf heeft gehandeld. JER 50:16 Vernietig de zaaiers en maaiers van Babel in de tijd van de oogst. Voor het moordende zwaard slaat iedereen op de vlucht en keert terug naar zijn land. JER 50:17 Israël is een verstrooide kudde, door leeuwen opgejaagd. Eerst is het door de koning van Assur verslonden, daarna heeft koning Nebukadnessar van Babel de botten afgekloven. JER 50:18 Daarom zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Ik ga de koning van Babel en zijn land straffen, zoals Ik de koning van Assur gestraft heb. JER 50:19 Dan breng Ik Israël terug naar zijn weide; het zal weer grazen op de Karmel en in Basan, zich te goed doen in het bergland van Efraïm en Gilead. JER 50:20 In die tijd, in die dagen - godsspraak van Jahwe - zoekt men tevergeefs naar de schuld van Israël, de zonden van Juda zijn onvindbaar, want Ik schenk vergeving aan hen die Ik spaar. JER 50:21 `Trek op tegen Merataim en de inwoners van Pekod. Steekt ze neer, moordt ze uit - godsspraak van Jahwe -, doet wat Ik u beveel.' JER 50:22 Krijgsrumoer heerst in het land, alles kraakt in zijn voegen. JER 50:23 De hamer van heel de aarde is gebroken; Babel is een schrikbeeld voor de volken geworden. JER 50:24 Voordat ge het wist, Babel, zat ge gevangen in de strik die ge zelf hebt gezet. Ge zit erin vast, omdat ge u tegen Jahwe hebt verzet. JER 50:25 Jahwe heeft zijn arsenaal geopend en in zijn toorn de wapens te voorschijn gehaald. Wat in het land van de Chaldeeën gebeurt is het werk van Jahwe, de God van de legerscharen. JER 50:26 Trekt op tegen Babel van alle kanten, gooit zijn graanschuren open. Werpt alles op een hoop en vernietigt het tot er niets meer van over is. JER 50:27 Maakt alle stieren af, voert ze naar de slachtbank. Wee hen, want hun dag, de tijd van hun straf is gekomen. JER 50:28 Hoort de vluchtelingen die uit Babel ontkwamen; ze verhalen in Sion over de wraak van Jahwe onze God, de wraak over zijn tempel. JER 50:29 Roept de schutters op tegen Babel, allen die de boog hanteren. Sluit het van alle kanten in, zodat er niemand ontsnapt. Straft het zoals het verdient, handelt ermee zoals het zelf heeft gehandeld. Want het heeft zich onbeschaamd tegen Jahwe, de Heilige van Israël, verzet. JER 50:30 Op die dag sneuvelen de jongemannen in de straten, de soldaten komen om - godsspraak van Jahwe -. JER 50:31 Ja, Ik kom eraan, onbeschaamde, - godsspraak van de Heer, Jahwe van de legerscharen -; uw dag, de tijd van uw straf is gekomen. JER 50:32 De onbeschaamde struikelt en valt en niemand helpt hem op. Ik steek zijn steden in brand, het vuur verslindt heel de omgeving. JER 50:33 Dit zegt Jahwe van de legerscharen: Israëlieten en Judeeërs worden verdrukt; die hen wegvoerden, houden hen vast en willen hen niet laten gaan. JER 50:34 Maar hun verlosser is sterk: Zijn naam is Jahwe van de legerscharen. Zelf neemt Hij het voor hen op. Hij herstelt de rust op de aarde; maar over de inwoners van Babel brengt Hij on?ust. JER 50:35 Het zwaard treft de Chaldeeën - godsspraak van Jahwe -, de inwoners van Babel, zijn edelen en wijzen. JER 50:36 Het zwaard treft zijn waarzeggers; ze raaskallen. Het zwaard treft zijn soldaten: ze verstijven van schrik. JER 50:37 Het zwaard treft zijn paarden en wagens, zijn huurlingen worden als vrouwen. JER 50:38 Het zwaard treft zijn rivieren: ze drogen uit. Want het was een land van idolen door hun afgoden zijn ze verblind. JER 50:39 Nu huizen er spoken en geesten, en er leven struisvogels. Het wordt nooit meer bewoond. JER 50:40 Het wordt als de streek van Sodom en Gomorra, die door God is verwoest - godsspraak van Jahwe -. Niemand woont er, geen mens houdt er zich op. JER 50:41 Daar komt een volk uit het noorden, een grote natie met machtige koningen van het einde der aarde, JER 50:42 gewapend met sabel en boog, meedogenloos, zonder erbarmen. Als het geraas van de onstuimige zee is de hoefslag van hun aanstormende paarden. Ze staan in slagorde geschaard tegen u Babel. JER 50:43 Toen de koning van Babel dit bericht ontving, ontzonk hem de moed. Angst greep hem aan, pijn, als een vrouw in haar weeën. JER 50:44 Zoals een leeuw uit de bossen bij de Jordaan de kudden overvalt, zo jaag Ik hen in een oogwenk uiteen en roof de beste bokken. Want wie is Mij gelijk, wie kan Mij ter verantwoording roepen, welke herder kan tegen Mij op? JER 50:45 Luister daarom naar Jahwe's besluit over Babel, naar zijn plannen met het land van de Chaldeeën. Ook de jongste dieren worden weggesleept, zodat zelfs de weiden onsteld staan. JER 50:46 Toen gemeld werd: Babel is gevallen, beefde de aarde, het gejammer drong door tot alle volken. JER 51:1 Dit zegt Jahwe: Ik laat over Babel en de inwoners van Leb-Kamai een vernielende storm opsteken. JER 51:2 Ik zend op Babel mensen af die het land als koren wannen en het leeg achterlaten. Als de onheilsdag aanbreekt, slaan ze het beleg rond de stad. JER 51:3 Tevergeefs spannen zijn schutters hun bogen, tevergeefs worden de wapenen opgenomen. Spaart de soldaten niet, moordt het hele leger uit. JER 51:4 Ze sneuvelen in het land van de Chaldeeën, doorstoken liggen zij in de straten. JER 51:5 Maar Israël en Juda worden door hun God, Jahwe van de machten, niet als weduwen achtergelaten ondanks hun schuld tegen de Heilige van Israël. JER 51:6 Ga, red uw leven, vlucht uit Babel anders komt ge om door zijn schuld. Want het moment voor de wraak is gekomen; Jahwe vergeldt Babel zoals het verdient. JER 51:7 Babel was in de hand van Jahwe als een gouden beker waar de hele aarde zich aan bedronk. Alle volken dronken de wijn en verloren er hun verstand bij. JER 51:8 Nu is Babel gevallen, onverwachts is het verwoest: Zingt een klaaglied, neemt balsem mee voor zijn wonden, misschien is het nog te genezen. JER 51:9 Wij hebben Babel verzorgd, maar het was niet meer te genezen. Ga de stad uit, terug naar uw land, want de schuld van Babel reikt tot de hemel, tot hoog in de wolken. JER 51:10 Ons heeft Jahwe verlossing gebracht: Wij zullen in Sion verhalen wat Jahwe onze God heeft gedaan. JER 51:11 Scherpt de pijlen, houdt de schilden gereed. Jahwe heeft de koning van de Meden aangezet om Babel te verwoesten. Dat is de wraak van Jahwe, over de verwoesting van zijn tempel. JER 51:12 Plant de standaard voor de muren van Bel, versterkt de bewaking, zet wachtposten uit, legt troepen in hinderlaag. Want Jahwe voert de bedreigingen tegen de inwoners van Babel uit. JER 51:13 Gij woont in een waterrijk land, ge bezit grote rijkdom. Maar nu is het einde gekomen, uw levensdraad wordt afgeknipt. JER 51:14 Jahwe van de machten heeft bij zichzelf gezworen uw land wordt overstroomd met mensen, talrijk als sprinkhanen; ze heffen de triomfkreet over u aan. JER 51:15 Hij vormde de aarde door zijn kracht, bracht in zijn wijsheid de wereld tot stand, spande kundig de hemel. JER 51:16 Zijn donder dreunt: het water ruist neer uit de hemel. Wolken haalt hij op van het eind van de aarde. Bij de regen smeedt Hij bliksems, Hij roept de wind uit zijn schuren te voorschijn. JER 51:17 De mensen staan verstomd, ze begrijpen het niet. De goudsmit schaamt zich over zijn beelden, zijn gietsels zijn leugens, ze bezitten geen levenskracht. JER 51:18 Ze betekenen niets, ze zijn bespottelijk maakwerk. Als de tijd van de straf komt, gaan ze ten onder. JER 51:19 De God van Jakob is niet zoals zij: Hij is schepper van het heelal en Israël is zijn eigen bezit. Zijn naam is: Jahwe van de machten. JER 51:20 Mijn hamer zijt gij geweest, mijn oorlogswapen. Met u verbrijzelde Ik volken, met u sloeg Ik koninkrijken neer. JER 51:21 Met u verbrijzelde Ik paarden en ruiters, wagen en menners, JER 51:22 mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen, jongens en meisjes, JER 51:23 herders en kudden, boeren en ossen, bestuurders en regenten. JER 51:24 Maar nu zal ik Babel en de inwoners van Chaldea openlijk straffen voor het kwaad tegen Sion bedreven - godsspraak van Jahwe -. JER 51:25 Ik kom op u af, berg van bederf die de hele aarde hebt bedorven - godsspraak van Jahwe -. Ik hef mijn hand tegen u op, Ik werp u van de rotsen naar beneden en maak van u een verschroeide berg. JER 51:26 Men kapt geen hoeksteen of fundament meer uit u, ge zult voor altijd een wildernis zijn - godsspraak van Jahwe -. JER 51:27 Plant de standaard op aarde, blaas de bazuin bij alle volken. Maak ze klaar voor de strijd, roep tegen Babel de koninkrijken op; Ararat, Minni en Askenaz. Laat de schrijvers nagaan, of niemand ontbreekt; laat de paarden aanrukken als een leger sprinkhanen. JER 51:28 Maak de volken klaar voor de strijd: de koning van de Meden, zijn bestuurders en regenten en heel het land waarover hij heerst. JER 51:29 De aarde siddert en beeft, want Jahwe voert zijn plannen tegen Babel uit: het land wordt tot een schrikbeeld, zonder bewoners. JER 51:30 De soldaten van Babel staken de strijd, zij verschansen zich in ontoegankelijke burchten. Hun kracht begeeft het, ze worden als vrouwen. De huizen staan in brand, de grendels en poorten zijn ingeslagen. JER 51:31 De ene bode komt na de andere, de boodschappers volgen elkaar op, om de koning van Babel te melden: de stad is veroverd, JER 51:32 de doorwaadbare plaatsen zijn bezet, het moerasriet is platgebrand, de soldaten zijn in paniek. JER 51:33 Dit zegt Jahwe van de machten, Israëls God: Babel lijkt op een dorsvloer, die moet worden aangestampt: het is tijd voor de oogst. JER 51:34 Koning Nebukadnessar van Babel heeft van mij gegeten, geschranst en de lege schotel laten staan. Hij heeft mij geslokt als een monster, zijn buik met lekkernijen gevuld en mij dan weggegooid. JER 51:35 `Het geweld mij aangedaan, kome over Babel', zegt de bevolking van Sion; `mijn bloed over de inwoners van Chaldea', zegt Jeruzalem. JER 51:36 Daarom zegt Jahwe: Ik neem het voor u op, Ik zal u wreken. Zijn stromen leg Ik droog, zijn bronnen droog Ik uit. JER 51:37 Babel wordt een puinhoop, een plaats waar de jakhalzen huizen, een schrikbeeld, een mikpunt van spot, zonder bewoners. JER 51:38 Ze brullen wel als jonge leeuwen, ze grommen als welpen; JER 51:39 maar als ze hittig zijn, richt Ik een drinkgelag aan; Ik maak hen dronken dat ze lallen. Dan vallen ze voorgoed in slaap, om nooit meer te ontwaken - godsspraak van Jahwe -. JER 51:40 Als lammeren leid Ik hen naar de slachtbank, als rammen en bokken. JER 51:41 Ach, Sesak is ingenomen, de roem van de aarde veroverd. Ach, Babel is bij de volken tot een schrikbeeld geworden. JER 51:42 De zee heeft Babel bedolven het is overspoeld door de bruisende golven. JER 51:43 Alle steden zijn tot een schrikbeeld geworden, het land is uitgedroogd en dor, een streek waar niemand woont, geen mens trekt er doorheen. JER 51:44 Mijn straf treft Bel, de god van Babel; wat hij opslokte, haal ik uit zijn mond. Er stromen geen volken meer naar hem toe, de muren van Babel zijn geslecht. JER 51:45 Trek hiervandaan, mijn volk, red uw leven van Jahwe's brandende toorn. JER 51:46 Aarzel niet en wees niet bang voor de geruchten in het land. Het ene jaar gaat dit gerucht, het jaar daarop weer een ander: Vol geweld is het land, heerser staat op tegen heerser. JER 51:47 Geloof mij, de tijd komt, dat Ik de afgoden van Babel bestraf; heel het land wordt vernederd, overal liggen de gesneuvelden. JER 51:48 Wanneer de verwoesters aanrukken uit het noorden, juichen hemel en aarde en alles wat ze bevatten over de ondergang van Babel - godsspraak van Jahwe -. JER 51:49 Babel valt als vergelding voor de doden van Israël, zoals over de hele aarde doden zijn gevallen voor Babel. JER 51:50 Gij die aan het zwaard zijt ontsnapt, loopt door, blijft niet staan. Denkt reeds van verre aan Jahwe, houdt Jeruzalem in uw gedachten. JER 51:51 `Wij waren vernederd, hoe schaamden wij ons, toen wij hoorden dat vreemden binnendrongen in het heiligdom en de tempel van Jahwe onteerden.' JER 51:52 De tijd komt - godsspraak van Jahwe -, dat Ik mij op zijn afgoden wreek en dat de gewonden kermen over het hele land. JER 51:53 Al stijgt Babel op naar de hemel, al verheft het zijn macht nog zo hoog, Ik zend er de verwoesters op af - godsspraak van Jahwe -. JER 51:54 Jammerkreten weerklinken in Babel, en in heel het land van de Chaldeeën. JER 51:55 Het is Jahwe die Babel verwoest, en al het lawaai doet verstommen. Hoe hoog de golven zich verheffen, hoe luid zij rumoeren, JER 51:56 over Babel komt de verwoesting. Zijn soldaten worden gevangen genomen, hun bogen worden gebroken, want Jahwe is een God van vergelding die loon geeft naar werken. JER 51:57 Zijn edelen en wijzen, zijn bestuurders en regenten, zijn soldaten voer Ik dronken. Ze vallen voorgoed in slaap, en nooit zullen ze meer ontwaken godsspraak van de koning, Jahwe van de legerscharen . JER 51:58 Dit zegt Jahwe van de legerscharen: De dikke muren van Babel worden geslecht; de hoge poorten gaan op in vlammen. De volken hebben zich voor niets uitgesloofd: Hun inspanning vergaat in het vuur. JER 51:59 Aan de hofmaarschalk Seraja, zoon van Neria, zoon van Machseja, die met koning Sidkia van Juda, in diens vierde regeringsjaar, naar Babel ging gaf Jeremia de volgende opdracht mee. JER 51:60 Nadat hij al de rampen die over Babel zouden komen, alles wat hier over Babel geschreven staat, had opgetekend, JER 51:61 zei hij tot Seraja: `Wanneer u in Babel komt, moet u dit alles voorlezen. JER 51:62 U moet zeggen: Jahwe, Gij hebt aangekondigd dat Ge deze stad zult verwoesten, zodat er niemand meer woont, mens noch dier, en dat ze voor altijd een wildernis wordt. JER 51:63 Als u alles hebt voorgelezen, bind dan deze profetie vast aan een steen, gooi die in de Eufraat JER 51:64 en zeg: Zo zal Babel zinken, het komt de rampen die Ik over de stad breng, nooit meer te boven.' Tot zover de woorden van Jeremia. JER 52:1 Sidkia was eenentwintig jaar toen hij koning werd en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Chamutal en was een dochter van Jirmeja uit Libna. JER 52:2 Hij deed wat Jahwe mishaagt, juist zoals Jojakim gedaan had. JER 52:3 Want Jahwe was zo vertoornd op Jeruzalem en Juda, dat Hij besloot ze te verstoten. Zo kwam Sidkia in opstand tegen de koning van Babel. JER 52:4 In het negende jaar van diens regering, op de tiende dag van de tiende maand, trok koning Nebukadnessar van Babel met heel zijn leger op tegen Jeruzalem. Ze sloegen het beleg rond de stad en wierpen er een wal tegen op. JER 52:5 De belegering duurde tot het elfde regeringsjaar van Sidkia. JER 52:6 Op de negende dag van de vierde maand, toen de hongersnood in de stad al zo nijpend was geworden dat er voor de bevolking geen brood meer was, JER 52:7 werd er een bres in de stadsmuur geslagen. Ofschoon de Chaldeeën rondom de stad lagen, wisten de soldaten te vluchten; in de nacht verlieten ze de stad door de poort tussen de beide muren bij de koninklijke tuin en trokken in de richting van de Araba. JER 52:8 Maar het leger van de Chaldeeën zette koning Sidkia achterna en haalde hem in op de vlakte van Jericho, nadat zijn hele leger uiteengevallen was. JER 52:9 Ze namen hem gevangen en brachten hem naar de koning van Babel in Ribla, in het gebied van Chamat. Deze sprak het vonnis over hem uit. JER 52:10 De koning van Babel liet de zonen van Sidkia voor zijn ogen afslachten. Ook de edelen van Juda liet hij in Ribla uitmoorden. JER 52:11 Sidkia zelf liet hij de ogen uitsteken, in boeien slaan en naar Babel voeren, waar hij hem tot zijn dood in de gevangenis liet zetten. JER 52:12 De tiende dag van de vijfde maand, in het negentiende regeringsjaar van koning Nebukadnessar van Babel, trok Nebuzaradan, commandant van de lijfwacht en adjudant van de koning van Babel, Jeruzalem binnen. JER 52:13 Hij stak de tempel van Jahwe, het koninklijk paleis en alle huizen van Jeruzalem in brand; alle grote gebouwen liet hij in vlammen opgaan. JER 52:14 Het leger onder bevel van de commandant van de lijfwacht sloopte de muren van Jeruzalem. JER 52:15 Behalve de armen werden alle mensen die nog in de stad waren gebleven, degenen die naar de koning van Babel waren overgelopen en de achtergebleven vaklui, door Nebuzaradan in ballingschap weggevoerd. JER 52:16 Alleen de armen van het land liet de commandant van de lijfwacht achter om te zorgen voor de wijngaarden en akkers. JER 52:17 De bronzen zuilen van de tempel, de onderstellen en de bronzen Zee in de tempel, sloegen de Chaldeeën stuk en het brons brachten ze over naar Babel. JER 52:18 Ook de potten, scheppen, messen, offerschalen, schotels en alle andere bronzen voorwerpen die voor de eredienst werden gebruikt, namen ze mee. JER 52:19 Al het goud en zilver, offerschalen, potten, kandelaars, schotels en kommen, nam de commandant van de lijfwacht zelf mee. JER 52:20 Het brons van al die voorwerpen, van de beide zuilen, van de Zee met de twaalf ossen eronder en van de onderstellen die koning Salomo voor de tempel had laten maken, was niet te wegen. JER 52:21 Beide zuilen waren achttien el hoog, de omtrek bedroeg twaalf el, ze waren vier duim dik, van binnen waren ze hol. JER 52:22 Er bovenop rustte een bronzen kapiteel, vijf el hoog, en rond het kapiteel was een vlechtwerk aangebracht met granaatappels, alles van brons. Ook de tweede zuil was met granaatappels bewerkt. JER 52:23 Zesennegentig granaatappels hingen vrij; in totaal zaten er honderd in het vlechtwerk. JER 52:24 De commandant van de lijfwacht nam de hogepriester Seraja, diens plaatsvervanger Sefanja en de drie dorpelwachters gevangen. JER 52:25 Bovendien nam hij in de stad een kamerheer gevangen die het bevel voerde over een legerafdeling, vijf ambtenaren van het hof die zich nog in de stad bevonden, de schrijver van de opperbevelhebber die het volk van het land onder de wapenen riep, en zestig man uit het volk van het land die zich nog in de stad bevonden. JER 52:26 Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, nam ze gevangen en voerde ze naar de koning van Babel in Ribla. JER 52:27 Deze liet hem in Ribla, in de streek van Chamat, ter dood brengen. Zo werd Juda uit zijn land in ballingschap gevoerd. JER 52:28 In het zevende jaar werden door Nebukadnessar drieduizend drieëntwintig Judeeërs in ballingschap weggevoerd; JER 52:29 in het achttiende jaar achthonderd tweeëndertig mensen uit Jeruzalem; JER 52:30 in het drieëntwintigste jaar voerde Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, zevenhonderd vijf en veertig Judeeërs in ballingschap weg; in totaal dus vierduizend zeshonderd mensen. JER 52:31 In het zevenendertigste jaar van de ballingschap van koning Jojakin van Juda, op de vijfentwintigste van de twaalfde maand, verleende koning Ewil merodak van Babel, in het jaar van zijn troonsbestijging, gratie aan koning Jojakin van Juda. Hij ontsloeg hem uit de gevangenis, JER 52:32 verzekerde hem van zijn welwillendheid en gaf hem een ereplaats onder de koningen die met hem in Babel waren. JER 52:33 Hij mocht zijn gevangeniskleding afleggen en at voortaan aan de koninklijke tafel, zijn leven lang. JER 52:34 In opdracht van de koning van Babel werd dagelijks in zijn onderhoud voorzien heel zijn leven, tot aan zijn dood. KLAAGLIEDEREN KLAAGL 1:1 Ach, hoe eenzaam is de volkrijke stad. De heerseres over de volken is nu een weduwe, de vorstin der gewesten nu onderhorig. KLAAGL 1:2 Luidop schreit zij, iedere nacht, over haar wangen stromen de tranen. Geen van haar minnaars komt haar nog troosten; ontrouw werden alle vrienden nu haar vijanden. KLAAGL 1:3 Geknecht en verdrukt leeft Juda verbannen onder de volken, het vindt geen rust, door de vervolgers achterhaald en in het nauw gedreven. KLAAGL 1:4 Hoe troosteloos zijn de wegen naar Sion, geen feestgangers komen er meer; de poorten liggen in puin, de priesters klagen, de meisjes treuren: rampzalig is de stad. KLAAGL 1:5 De overheersers zijn gelukkig: de stad is in hun macht. Om haar vele misdaden heeft Jahwe haar geslagen. De kinderen gaan gevangen voor de vijand uit. KLAAGL 1:6 De trots van Sion is uit haar verdwenen. Als herten zonder voedsel zijn haar edelen: uitgeput gaan ze voor de jagers uit. KLAAGL 1:7 Jeruzalem blijft denken aan de rampen van de verbanning en de rijkdom van vroeger. Het zwaard van de vijand velde de bewoners, door niemand gesteund, bespot in hun ondergang. KLAAGL 1:8 Om haar zonden werd Jeruzalem een mikpunt van spot. Haar vereerders zagen haar naakt, nu verachten ze haar. Ze zucht daaronder en wendt zich af. KLAAGL 1:9 Haar kleed is besmeurd, aan deze afloop had zij nooit gedacht. Hoe diep is ze gezonken; niemand die haar troost. `Jahwe, hoe ellendig ben ik, de vijand triomfeert.' KLAAGL 1:10 De vijand legde beslag op haar rijkdommen; de heidenen zag zij haar heiligdom binnendringen, al had Gij hen de toegang daartoe ontzegd. KLAAGL 1:11 Haar bewoners zuchten en zoeken naar voedsel. Zij ruilen hun schatten voor eten om weer op krachten te komen. `Jahwe, zie toch, ze spotten met mij.' KLAAGL 1:12 Allen die voorbij komt, zie het lijden dat ik moet dragen, dat Jahwe mij aandeed op de dag van zijn toorn, zie, wie heeft ooit zo geleden. KLAAGL 1:13 Uit de hemel slingerde Hij zijn bliksem die door merg en been ging. Hij spande een net voor mijn voeten, en dreef mij terug. Eenzaam maakte Hij mij, doodziek, iedere dag. KLAAGL 1:14 Zwaar weegt het juk van mijn zonden dat zijn hand mij oplegt; het drukt op mijn nek, mijn kracht is gebroken. Hij leverde mij uit aan machten, voor mij onweerstaanbaar. KLAAGL 1:15 Alle dapperen heeft de Heer uit de stad verdreven. Op een tijd door Hem zelf bepaald heeft Hij de elite vernietigd. Heel Juda heeft de Heer in de wijnpers getreden. KLAAGL 1:16 Dus kan ik alleen maar schreien, beken van tranen storten mijn ogen; troost en hulp is ver te zoeken. Mijn kinderen zijn verweesd, de vijand heerst over hen. KLAAGL 1:17 Sion strekte de handen, niemand kwam haar troosten. De vijanden in de omgeving riep Jahwe op tegen Jakob. Van hen kan Jeruzalem slechts bespotting verwachten. KLAAGL 1:18 Toch staat Jahwe in zijn recht, ik kwam tegen Hem in verzet. Volkeren, hoor, zie hoe ik lijd: gevangen zijn weggevoerd jongens en meisjes. KLAAGL 1:19 Ik heb om mijn minnaars geroepen, ze lieten mij in de steek. De priesters en de oudsten zochten de stad af naar eten om in leven te blijven, omkomend van honger. KLAAGL 1:20 Jahwe, zie mijn ellende: hoe branden mijn ingewanden, binnen mij keert zich mijn hart, want hardnekkig was mijn verzet. Buiten rooft het zwaard mijn kinderen, binnen woedt de dood. KLAAGL 1:21 Mijn vijanden horen mij zuchten, niemand is er die mij troost. Toen zij van mijn ongeluk hoorden, juichten ze toe wat Gij deedt. Dit is de dag door U bepaald; ditzelfde lot treffe hen! KLAAGL 1:22 Sla ook acht op hun boosheid en doe ook met hen wat gij om al mijn zonden met mij hebt gedaan. Zo vaak moet ik zuchten, mijn hart is doodziek. KLAAGL 2:1 Ach, de Heer in zijn toorn heeft Sion in duister gehuld, de luister van Israël van hemel naar aarde verwezen. Hij dacht aan zijn voetbank niet meer op de dag van zijn toorn. KLAAGL 2:2 Meedogenloos heeft de Heer het gebied van Jakob verwoest en in zijn woede heeft Hij de sterkten van Juda geslecht. Eerloos zijn rijk en bestuurders ter aarde geworpen. KLAAGL 2:3 Ziedend van toorn heeft Hij de macht van Juda gebroken. Zijn hand trok Hij terug in het zicht van de vijand. Zijn woede op Jakob: een laaiend vuur, dat alles verteert. KLAAGL 2:4 Als een vijand spande Hij met vaste hand de boog, als een vijand moordde Hij uit die Sion het dierbaarst waren. Zijn gramschap kwam als een vuur over haar tenten. KLAAGL 2:5 De Heer was een vijand gelijk: Israël heeft Hij vernietigd; de burchten verwoest, de vestingen gesloopt. Daarom kon Juda slechts zuchten en klagen. KLAAGL 2:6 Jahwe verwoestte zijn woning en haalde zijn tempel neer. Hij maakte in Sion een eind aan feesten en sabbat, en verwierp in grimmige toorn ?n koning ?n priester. KLAAGL 2:7 De Heer heeft zijn altaar verlaten zijn heiligdom prijsgegeven; de muren der vesting heeft Hij aan de vijand overgeleverd. Zijn roepen weerklonk in de tempel als was het een feestdag. KLAAGL 2:8 Jahwe had vast besloten de muren van Sion te slechten: Hij spande het meetsnoer erover en verwoestte tenslotte alles; de muren stortten ineen de wallen vervielen. KLAAGL 2:9 De poorten zijn omgevallen, de grendels gebroken, rijksgroten en koning verstrooid zodat er geen leiding meer is. Ook krijgen Jahwe's profeten geen openbaring meer. KLAAGL 2:10 Zwijgend zitten de oudsten van Sion neer op de grond, in zakken gekleed en met as op het hoofd. Jeruzalems meisjes laten het hoofd hangen. KLAAGL 2:11 Mijn ogen zijn moe van geween, hoe branden mijn ingewanden, ontzonken is mij de moed: mijn volk is zozeer geslagen, kinderen en zuigelingen sterven op straat. KLAAGL 2:12 Zij vroegen hun moeder nog: 'Waar is het brood en de wijn?' maar streden gewond met de dood in de straten der stad en gaven de geest op de schoot van hun moeder. KLAAGL 2:13 Wat kan ik nog zeggen, waarmee Jeruzalem, u vergelijken? Wat kan ik nog aanvoeren, Sion, om u te troosten? Uw wonden zijn groot als de zee en niemand die u geneest. KLAAGL 2:14 De visioenen van uw profeten zijn leugen en bedrog; Ze wekken geen schuldbesef en wenden de rampen niet af; Waardeloos zijn hun orakels, misleidend. KLAAGL 2:15 Alle voorbijgangers slaan de handen ineen, hoofdschuddend en verstomd over Jeruzalem zeggend: 'Waart gij die volmaakte schoonheid, die vreugde der aarde?' KLAAGL 2:16 Uw vijanden, in hun grootspraak, spotten brutaal met u. Grinnikend zeggen zij: 'Eindelijk is het venietigd. Nu wij dit mochten beleven is onze hoop vervuld.' KLAAGL 2:17 Eindelijk zijn toch de plannen waarmee Hij sinds lang had gedreigd genadeloos door Jahwe ten uitvoer gebracht, heeft Hij verwoest: de vijand heerst over u, met macht en triomf. KLAAGL 2:18 Roep met uw hart tot de Heer, de schutsmuur van Sion. Houd met wenen niet op, geef aan uw ogen geen rust en de vrije loop aan uw tranen, dag en nacht. KLAAGL 2:19 Roep, geheel de nacht, tot de Heer, stort uw hart als water uit. Bid, met de handen geheven, dat uw kinderen leven, die nu op de hoeken der straten van honger verkwijnen. KLAAGL 2:20 Jahwe, hebt Ge ooit zo met iemand gedaan? Hoe konden de moeders de kinderen eten, die ze beminden? Waarom zijn in de tempel gedood profeten en priesters? KLAAGL 2:21 Kinderen en ouden van dagen liggen in 't stof van de straten, meisjes en jongens zijn allen geveld door het zwaard, uitgemoord op de dag van uw toorn, zonder genade. KLAAGL 2:22 Verschrikking hebt Gij genood van overal, als voor een feest. Aan de hevige toorn van Jahwe kon niemand ontkomen. Die Ik grootbracht met zorg, werd door de vijand gedood. KLAAGL 3:1 Hoe heb ik onder de slagen van zijn toorn geleden. KLAAGL 3:2 In het donkerste duister heeft Hij mij gedreven. KLAAGL 3:3 Hij keert zich tegen mij, elke dag weer. KLAAGL 3:4 Mijn vlees en mijn huid teren weg. Hij heeft mij de beenderen gebroken. KLAAGL 3:5 Een muur van bitter lijden heeft Hij om mij gebouwd. KLAAGL 3:6 In duisternis liet Hij mij wonen, als dood voor altijd. KLAAGL 3:7 Hij sloot mij in, zwaargeboeid kon ik nergens meer heen. KLAAGL 3:8 Hoe ik ook schreeuwde en riep, Hij hoorde mijn smeekbeden niet. KLAAGL 3:9 Mijn weg heeft Hij opgebroken, met stenen versperd. KLAAGL 3:10 Hij loerde op mij als een beer, als een leeuw uit zijn schuilplaats. KLAAGL 3:11 Al mijn wegen verwoestte Hij: een braakland, een woesternij. KLAAGL 3:12 Hij spande zijn boog en richtte zijn pijlen op mij. KLAAGL 3:13 Zijn hele koker met pijlen schoot Hij op mij leeg. KLAAGL 3:14 Mijn volk lacht mij nu uit met spotliedjes elke dag. KLAAGL 3:15 Hij gaf mij slechts bittere kruiden en alsem te eten. KLAAGL 3:16 Hij drukte mij neer in het stof, mijn tanden gaan stuk op het kiezel. KLAAGL 3:17 Geluk bleef verre van mij, wat welstand is wist ik niet meer. KLAAGL 3:18 Mijn hoop op Jahwe blijkt vervlogen, ik leef zonder hoop. KLAAGL 3:19 Ik denk aan mijn nood en ellende, dit vergiftigt mijn leven. KLAAGL 3:20 Ik blijf er aldoor aan denken, het weegt op mij als een last. KLAAGL 3:21 Ik prent mij desondanks in dat geeft mij hoop : KLAAGL 3:22 Zonder einde is Jahwe's genade, onuitputtelijk is zijn erbarmen. KLAAGL 3:23 Uw grote trouw is iedere morgen weer nieuw. KLAAGL 3:24 'Ik behoor aan Jahwe,' zegt mijn hart, `Hij blijft mijn hoop.' KLAAGL 3:25 Goed is Jahwe voor wie hoopt, voor iedereen die Hem zoekt. KLAAGL 3:26 Goed is het, in stilte, op redding van Jahwe te wachten. KLAAGL 3:27 Goed is het zijn juk van jongs af te dragen. KLAAGL 3:28 Hij zit eenzaam en zwijgt, als Jahwe het oplegt, KLAAGL 3:29 het gezicht naar de grond, maar uitkomst verwachtend. KLAAGL 3:30 Hij biedt zijn wang, wie hem slaat, hij laat zich honen. KLAAGL 3:31 Want hij weet dat de Heer niet voor altijd verstoot, KLAAGL 3:32 dat hij droefheid geeft, maar ook genadig zich weer ontfermt. KLAAGL 3:33 Hij bedroeft en vernedert niet voor eigen plezier. KLAAGL 3:34 Maar worden in welk land ook de gevangenen vertrapt, KLAAGL 3:35 wordt het recht verkracht van mensen voor het gezicht van de Allerhoogste KLAAGL 3:36 en hen onrecht gedaan in hun zaak, zou de Heer dat niet zien? KLAAGL 3:37 Op wiens woord kwam alles tot stand, was het niet op bevel van de Heer? KLAAGL 3:38 Ontstaat niet het goed en het kwaad op bevel van de Allerhoogste? KLAAGL 3:39 Wat klaagt de mens, als hij leeft ondanks zijn zonden? KLAAGL 3:40 Bezien wij ons eigen gedrag en keren wij terug tot Jahwe, KLAAGL 3:41 niet met de hand, maar het hart gericht op God in de hemel. KLAAGL 3:42 Wij waren ontrouw en opstandig: Gij vergaaft het ons niet. KLAAGL 3:43 Woedend hebt Gij ons vervolgd en ons zonder genade gedood. KLAAGL 3:44 Gij hebt U in wolken gehuld, ons gebed drong niet tot U door. KLAAGL 3:45 Uitvaagsel onder de volken maakt Gij van ons. KLAAGL 3:46 Onze vijanden sperren hun muil tegen ons. KLAAGL 3:47 Een dodelijke schrik overviel ons en ondergang en vernieling. KLAAGL 3:48 Mijn oog stort stromen van tranen: mijn volk ging onder. KLAAGL 3:49 Mijn tranen blijven stromen en zonder ophouden ween ik, KLAAGL 3:50 totdat uit de hoge hemel Jahwe naar mij omziet. KLAAGL 3:51 Mijn ogen doen pijn van het wenen over mijn stad. KLAAGL 3:52 Als een vogel joeg de vijand mij op ik weet niet waarom en gooide KLAAGL 3:53 mij levend in de put en bedolf mij onder stenen. KLAAGL 3:54 Het water rees boven mij en ik riep: `Ik ben verloren.' KLAAGL 3:55 Uit de diepte van de put riep ik uw naam: `Jahwe.' KLAAGL 3:56 Gij hebt mijn roepen gehoord: `Blijf niet doof voor mijn klacht.' KLAAGL 3:57 Gij hebt mij verhoord en gezegd: `Wees niet bang.' KLAAGL 3:58 Gij zijt voor mij opgekomen en Ge hebt, Heer, mijn leven gered. KLAAGL 3:59 Ge hebt mijn verdrukking gezien, Jahwe, en mij recht verschaft. KLAAGL 3:60 Gij hebt hun wraakzucht doorzien, hun snode plannen. KLAAGL 3:61 Gij hebt mij horen beledigen, Jahwe, hun snode plannen gezien. KLAAGL 3:62 Mijn vijanden zweren samen, iedere dag tegen mij. KLAAGL 3:63 Zie: of zij zitten of staan, ze spotten met mij. KLAAGL 3:64 Vergeld hun toch, Jahwe, wat ze mij hebben misdaan. KLAAGL 3:65 Verblind hun hart en geest en breng uw vloek over hen. KLAAGL 3:66 Vervolg hen, in uw toorn, Jahwe, vaag hen van de aarde. KLAAGL 4:1 Ach, dof is het goud en glansloos dit edel metaal; op iedere straathoek liggen de kostbaarste stenen. KLAAGL 4:2 Ach, de edelste zonen van Sion, meer waard dan louter goud, zijn nu slechts aarden kruiken, werk van pottenbakkers. KLAAGL 4:3 De jakhals is nog bereid haar jongen te voeren, mijn volk echter misdraagt zich als de struisvogel in de woestijn. KLAAGL 4:4 De tong van de zuigeling kleeft van dorst aan het gehemelte vast; de kinderen roepen om brood, maar niemand breekt het voor hen. KLAAGL 4:5 De smulpapen van weleer teren weg in de straten; die op purperen kussens lagen, zitten nu in het vuil. KLAAGL 4:6 De schuld van mijn volk is groter dan al de zonden van Sodom, dat ineens werd verwoest, zonder tussenkomst van de mensen. KLAAGL 4:7 Hoe schitterden zijn jongemannen als sneeuw en glansden als melk, hun lichaam was rood als koraal, hun aangezicht straalde als saffier. KLAAGL 4:8 Nu zien ze zwarter dan roet, op straat herkent men hen niet; ze zijn nu vel over been en uitgedroogd als brandhout. KLAAGL 4:9 Omkomen door het zwaard was beter dan sterven van honger, want dan kwijnt men langzaam weg, uitgemergeld door voedselgebrek. KLAAGL 4:10 Moeders, vol tedere zorgen, kookten hun eigen kinderen tot voedsel in hun nood bij de ondergang van mijn volk. KLAAGL 4:11 Jahwe heeft zijn woede gekoeld en zijn toorn losgelaten. Zijn vuur, in Sion ontstoken, heeft de stad tot de grond verteerd. KLAAGL 4:12 Koningen en bewoners der aarde konden het niet geloven, dat de vijand zou binnendringen in Jeruzalems poorten. KLAAGL 4:13 Al deze rampen kwamen voort uit de zonden van de profeten en de misdaden van de priesters: ze vergoten rechtvaardig bloed in de stad. KLAAGL 4:14 Als blind en met bloed besmeurd dwalen zij nu door de straten. Niemand is er die het waagt hun kleren nog aan te raken. KLAAGL 4:15 `Uit de weg! Een onreine', roept men: `Ga hem uit de weg en raak hem niet aan! Laat ze hun heil elders zoeken, hier kunnen ze immers niet blijven!' KLAAGL 4:16 Jahwe zelf heeft hen verjaagd, Hij kijk niet meer naar hen om. Geen ontzag is er meer voor de priesters, geen erbarmen met ouden van dagen. KLAAGL 4:17 Wij bleven uitzien naar hulp, maar alles was tevergeefs. Als wachters zagen wij uit naar een volk dat niet kan helpen. KLAAGL 4:18 Wij werden bespied waar wij gingen, in het openbaar niet meer geduld. Onze dagen bleken geteld, inderdaad is het einde gekomen. KLAAGL 4:19 Onze vervolgers kwamen sneller dan arenden uit de lucht. Ze joegen ons na in de bergen, belaagden ons in de woestijn. KLAAGL 4:20 De gezalfde van Jahwe, ons leven, is in hun vangkuil gevallen; en wij dachten nog wel: `In zijn schaduw leven wij onder de volken. KLAAGL 4:21 Wees nu maar opgewekt, Edom, en bewoners van Us, weest blij; ook u zal de kelk niet voorbijgaan, beschonken en naakt blijft ge liggen. KLAAGL 4:22 Sion, uw straf is ten einde, Jahwe zal u nooit meer verbannen; maar uw zonden, Edom, legt Hij bloot, met uw misdaden rekent Hij af. KLAAGL 5:1 Gedenk wat ons is overkomen, zie, Jahwe, naar onze schande. KLAAGL 5:2 Ons gebied is aan vreemden vervallen, een vreemde woont in ons huis. KLAAGL 5:3 Wezen zijn wij, zonder vader, en weduwen zijn onze moeders. KLAAGL 5:4 Geld moeten wij geven voor water en voor ons stookhout betalen. KLAAGL 5:5 Met het juk op de nek, opgejaagd, matten wij ons rusteloos af. KLAAGL 5:6 Bij Egypte en Assur zochten wij steun om te eten te hebben. KLAAGL 5:7 Onze voorvaderen hebben gezondigd, wij gaan gebukt onder hun schuld. KLAAGL 5:8 De slaven zijn nu onze meesters en niemand verlost ons van hen. KLAAGL 5:9 Wij oogsten gevaar voor ons leven, bedreigd vanuit de woestijn. KLAAGL 5:10 Ons lichaam gloeit als een oven, omdat de honger ons kwelt. KLAAGL 5:11 In Sion en Juda's steden zijn vrouwen en meisjes verkracht. KLAAGL 5:12 Edelen zijn door hen gehangen, bejaarden ontzagen ze niet. KLAAGL 5:13 De jongens sleuren de molen, ze bezwijken onder stapels hout. KLAAGL 5:14 De oudsten blijven weg uit de poort, de jeugd denkt niet meer aan muziek. KLAAGL 5:15 De blijdschap is weg uit ons hart, en rouw verving onze reidans. KLAAGL 5:16 De kroon viel ons van het hoofd, wee ons, wij hebben gezondigd. KLAAGL 5:17 Ziek en zwak is ons hart, vertroebeld zijn onze ogen. KLAAGL 5:18 Verwoest ligt de heuvel van Sion, de vossen lopen er rond. KLAAGL 5:19 Gij, Jahwe, zetelt voor eeuwig, van geslacht op geslacht blijft uw troon. KLAAGL 5:20 Gij kunt ons toch niet vergeten, en ons voor altijd verlaten! KLAAGL 5:21 Jahwe, breng ons weer bij U terug, maak ons leven opnieuw zoals vroeger. KLAAGL 5:22 Of hebt Gij ons helemaal verworpen en kent uw toorn geen maat? BARUCH BAR 1:1 Dit is het boek van Baruch, zoon van Neria, zoon van Machseja, zoon van Sidkia, zoon van Chasadja, zoon van Chilkia. Hij schreef het in Babel BAR 1:2 in het vijfde jaar, de zevende van de maand, toen Jeruzalem al door de Chaldeeën veroverd en in brand gestoken was. BAR 1:3 Hij las het voor aan Jekonja, zoon van Jojakim, de koning van Juda, en aan allen die kwamen luisteren: BAR 1:4 de edelen, de prinsen, de oudsten en alle anderen, jong en oud, die in Babel woonden aan de oevers van de Sud. BAR 1:5 Zij weenden, ze vastten en baden tot de Heer. BAR 1:6 Ook brachten ze geld bijeen, ieder naar vermogen, BAR 1:7 en stuurden dat naar Jeruzalem voor de priester Jojakim, zoon van Chilkia, zoon van Salom, voor de overige priesters en voor alle mensen die nog in Jeruzalem waren. BAR 1:8 Baruch had de geroofde tempelschatten reeds in ontvangst genomen en zou ze de tiende Siwan terugbrengen naar Juda. Het was het zilverwerk dat Sidkia, zoon van Josia, de koning van Juda, had laten maken, BAR 1:9 nadat koning Nebukadnessar van Babel Jekonja met de edelen, de ambachtslieden, de soldaten en de burgers van het land uit Jeruzalem naar Babel had weggevoerd. BAR 1:10 Ze schreven hun: Hierbij sturen wij u geld; brengt daarvoor brandoffers, zondeoffers, reukoffers en meeloffers op het altaar van de Heer onze God. BAR 1:11 Bidt voor koning Nebukadnessar van Babel en voor zijn zoon Baltassar, dat zij zo lang mogen leven als de hemel boven de aarde staat. BAR 1:12 Bidt tot de Heer dat Hij ons kracht en inzicht verleent, dat wij mogen leven onder de bescherming van koning Nebukadnessar van Babel en van zijn zoon Baltassar, dat wij hen lang mogen dienen en hun gunsten mogen verwerven. BAR 1:13 Bidt ook voor ons tot de Heer onze God, want wij hebben tegen Hem gezondigd en tot op heden heeft Hij zijn grimmige toorn niet van ons afgewend. BAR 1:14 Leest in de tempel het boek voor dat wij u toezonden, wanneer gij op feesten en hoogdagen daar uw schuld belijdt. BAR 1:15 Zegt dan: De Heer onze God is rechtvaardig, maar wij, Judeeërs en burgers van Jeruzalem, BAR 1:16 onze koningen en edelen, onze priesters en profeten en onze voorvaderen staan nu vol schaamte voor Hem: BAR 1:17 wij hebben gezondigd tegen de Heer onze God. BAR 1:18 Ongehoorzaam waren wij; wij hebben niet naar Hem geluisterd en niet geleefd volgens zijn voorschriften. BAR 1:19 Vanaf de tijd dat de Heer onze God onze voorouders uit Egypte leidde tot vandaag toe waren wij Hem ongehoorzaam; in onze lichtzinnigheid hebben wij niet naar Hem geluisterd. BAR 1:20 Zo hebben ons tot op heden de rampen en de vervloekingen getroffen, die de Heer zijn dienaar Mozes bij de uittocht van onze voorouders uit Egypte naar het land van melk en honing liet afkondigen. BAR 1:21 Wij hebben niet geluisterd naar de woorden van de profeten die de Heer onze God ons zond. BAR 1:22 Wij gingen hardnekkig onze eigen weg, dienden andere goden en deden wat de Heer onze God mishaagt. BAR 2:1 Daarom voerde de Heer tegen ons de bedreiging uit die Hij had aangekondigd, tegen ons, tegen de vorsten die Israël regeerden, tegen de koningen en edelen, tegen heel Israël en Juda. BAR 2:2 Nergens ter wereld heeft Hij zoiets gedaan als in Jeruzalem: BAR 2:3 iedereen at het vlees van zijn eigen kinderen, zoals in de wet van Mozes voorspeld was. BAR 2:4 Hij leverde hen over aan de willekeur van alle koninkrijken in de omgeving; een mikpunt van spot, een schrikbeeld maakte Hij hen bij alle volken, waaronder de Heer hen verstrooid had. BAR 2:5 Dienaren waren wij in plaats van heersers. Inderdaad, wij hebben gezondigd tegen de Heer onze God en niet naar Hem geluisterd. BAR 2:6 De Heer onze God is rechtvaardig, maar wij en onze voorvaderen staan nu vol schaamte voor Hem. BAR 2:7 Al de rampen waarmee Hij ons bedreigde, zijn over ons gekomen. BAR 2:8 Wij hebben niet gebeden tot Hem en van onze eigen weg niet willen afwijken. BAR 2:9 Maar Hij stond klaar met zijn rampen en liet die over ons komen. De Heer is rechtvaardig in al wat Hij met ons heeft gedaan. BAR 2:10 Wij luisterden niet naar Hem en leefden niet volgens zijn voorschriften. BAR 2:11 Heer, God van Israël, Gij hebt uw volk met sterke hand uit Egypte geleid, onder tekenen en wonderen, met grote macht, met opgestoken arm, en daardoor uw grote naam verworven. BAR 2:12 Wij hebben gezondigd, goddeloos zijn wij geweest, Heer onze God, al uw voorschriften hebben wij overtreden. BAR 2:13 Maar wend uw toorn van ons af, wij zijn toch al met zo weinigen overgebleven bij de volken waaronder Gij ons hebt verstrooid. BAR 2:14 Heer, verhoor ons bidden en smeken, verlos ons om uwentwil en verleen ons de gunsten te verwerven van hen die ons hebben verbannen. BAR 2:15 Dan zal de hele aarde weten dat Gij, Heer, onze God zijt; Israël en zijn nakomelingen dragen immers uw naam. BAR 2:16 Heer, zie vanuit uw heilige woning op ons neer; luister naar ons BAR 2:17 en open uw ogen; want niet de doden in de onderwereld eren de Heer of prijzen zijn rechtvaardigheid; hen is het leven ontnomen. BAR 2:18 Maar mensen, vol droefheid, vernederd en zwak, met gebroken ogen en een hongerend hart, die eren U, Heer, en prijzen uw rechtvaardigheid. BAR 2:19 Niet om de verdiensten van onze voorvaderen of onze koningen durven wij tot u bidden, Heer onze God, BAR 2:20 want terecht hebt Gij uw grimmige toorn over ons laten komen, zoals Gij door uw dienaren, de profeten, voorzegd had: BAR 2:21 'Dit zegt de Heer: Buig uw nek en onderwerp u aan de koning van Babel; dan zult ge blijven wonen in het land dat Ik uw voorvaderen gaf. BAR 2:22 Maar luistert gij niet en onderwerpt ge u niet aan de koning van Babel, BAR 2:23 dan zal Ik in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem de kreten van blijdschap en vreugde, het zingen voor bruidegom en bruid doen verstommen. Het hele land wordt één woestenij zonder bewoners.' BAR 2:24 Wij hebben niet geluisterd en ons niet onderworpen aan de koning van Babel. Daarom hebt Gij de bedreigingen van uw dienaren, de profeten, in vervulling doen gaan: Het gebeente van onze koningen en onze voorvaderen werd uit de graven gehaald. BAR 2:25 Het lag overal verspreid, overdag in de hitte, 's nachts in de kou. Velen kwamen om door grote rampen, door honger, oorlog en pest. BAR 2:26 Het huis dat uw naam draagt, hebt Gij gemaakt tot wat het nu is, en dat alles om de slechtheid van Israël en Juda. BAR 2:27 Heer onze God, laat n? voor ons uw genade en uw grote barmhartigheid gelden. BAR 2:28 Dat hebt Gij immers uw dienaar Mozes laten zeggen in de wet die hij op uw bevel voor de Israelieten op schrift heeft gesteld: BAR 2:29 'Als gij niet naar Mij luistert, wordt die grote, talrijke menigte zeer klein onder de volken waar Ik hen verspreid. BAR 2:30 Ik weet dat dit hardnekkige volk niet naar Mij zal luisteren. Maar in de ballingschap zullen zij tot bezinning komen BAR 2:31 en erkennen dat Ik de Heer hun God ben. Ik zal hun een ander hart geven en oren die horen. BAR 2:32 Dan zullen ze Mij in het land van hun ballingschap prijzen en mijn naam eren. BAR 2:33 Zij zullen zich van hun hardnekkigheid en hun zonden bekeren, beseffend en hun zonden bekeren, beseffend wat hun voorvaderen tegen de Heer hebben misdaan. BAR 2:34 Dan breng Ik hen terug naar het land dat Ik aan hun voorvaderen, aan Abraham, Isaak en Jakob, onder ede beloofd geb, zij zullen er weer heersen. Ik maak hen talrijk, nooit meer verminder Ik hun aantal. BAR 2:35 Ik sluit met hen een eeuwig verbond: Ik zal hun God zijn en zij mijn volk. Nooit meer verdrijf Ik mijn volk Israël uit het land dat Ik hun gaf.' BAR 3:1 Almachtige Heer, God van Israël, in mijn nood en in mijn ellende roep ik tot U. BAR 3:2 Verhoor ons, Heer, ontferm U over ons, want wij hebben tegen U gezondigd. BAR 3:3 Gij zetelt eeuwig, maar wij gaan steeds meer te gronde. BAR 3:4 Almachtige Heer, God van Israël, luister naar het gebed van de Israëlieten in de greep van de dood, de zonen van hen die tegen U zondigden: zij hebben niet geluisterd naar de Heer hun God, daarom overkwamen ons deze rampen. BAR 3:5 Vergeet de misstappen van onze vaderen, denk alleen aan uw macht en uw naam. BAR 3:6 Gij zijt toch de Heer onze God, U willen wij prijzen. BAR 3:7 Gij hebt de vrees voor U in ons hart gelegd, opdat wij U zouden aanroepen. Daarom prijzen wij U in onze ballingschap en keren ons van ganser harte af van de misstappen door onze voorvaderen tegen U begaan. BAR 3:8 Als wij heden ballingen zijn in de verstrooiing, een mikpunt van spot, een vloek, een verwensing, dan komt dat door misstappen van onze voorvaderen die de Heer onze God hebben verlaten. BAR 3:9 Hoor, Israël, de wet van het leven, luister toch goed en kom tot inzicht. BAR 3:10 Waarom, leeft gij in een vijandig land en wordt gij oud in den vreemde, Israël? BAR 3:11 Waarom zijt ge onrein als de doden, als de bewoners der onderwereld? BAR 3:12 Ge hebt de bron der wijsheid verlaten. BAR 3:13 Waart gij op Gods weg gebleven, dan hadt ge voor altijd vrede gekend. BAR 3:14 Waar verstand is, kracht en inzicht, daar vindt ge leven en lengte van dagen, licht voor de ogen en vrede. BAR 3:15 Wie is er die haar verblijfplaats vindt, wie dringt haar schatkamers binnen? BAR 3:16 Waar zijn de heersers der volken, die zelfs de dieren bedwongen BAR 3:17 en met de vogels speelden? Waar zijn de bezitters van schatten van zilver en goud, hun vertrouwen, waar zijn de onmetelijke rijken, BAR 3:18 alleen uit op smeden van zilver, wier werk geen sporen nalaat? BAR 3:19 Zij zijn allen verdwenen, afgedaald in de onderwereld, anderen nemen hun plaatsen in. BAR 3:20 Jongeren kwamen de aarde bevolken, ook hen bleef de weg maar kennis verborgen, BAR 3:21 ze begrepen totaal niets van haar wegen. Hun zonen dwaalden nog verder af. BAR 3:22 In Kanaän is niets van de wijsheid te horen en in Teman is er niets van te zien. BAR 3:23 Zelfs de zonen van Hagar, die overal kennis vergaren, de kooplui van Merran en Teman, spreuken dichters, zoekend naar kennis, ontdekten niet de weg naar de wijsheid en weten niets van haar wegen. BAR 3:24 Israël, hoe groot is het domein van uw God, hoe uitgestrekt het gebied van zijn macht! BAR 3:25 Groot is het en zonder einde, hoog is het en onmetelijk. BAR 3:26 Daar werden de reuzen geboren, die befaamde mannen uit de voortijd, groot van gestalte, bedreven in de strijd. BAR 3:27 Maar hen heeft God niet verkozen, de weg naar kennis hun niet gewezen. BAR 3:28 Allen kwamen zij om door tekort aan inzicht en onverstand. BAR 3:29 Wie is ten hemel gevaren om daar de wijsheid te halen, wie heeft haar van boven de wolken naar hier beneden gebracht? BAR 3:30 Wie is de zee overgestoken om haar daar te ontdekken? Wie kon haar kopen met goud? BAR 3:31 Niemand is met haar wegen bekend, niemand vertrouwd met haar paden. BAR 3:32 Alleen de alwetende kent haar, zijn inzicht heeft haar ontdekt. Voor eeuwig heeft Hij de aarde geschapen en ze met dieren bevolkt. BAR 3:33 Het licht gaat op weg, wanneer Hij het uitzendt, het gehoorzaamt Hem bevend als Hij het terugroep. BAR 3:34 Alle sterren stralen verheugd, elk vanaf zijn eigen plaats. BAR 3:35 Hij roept en ze zeggen: `Hier zijn wij!' Vol vreugde stralen ze voor Hem die hen schiep. BAR 3:36 Dit is onze God; niemand anders kan zich met Hem meten. BAR 3:37 Alle wegen naar kennis komen van Hem; Hij heeft ze zijn dienaar Jakob gewezen, Israël, die Hij liefhad. BAR 3:38 Daarom is ze op aarde verschenen en leefde onder de mensen. BAR 4:1 Ze is het boek van Gods geboden, ze is de wet die eeuwig duurt. Die haar onderhouden, verwerven het leven; die haar niet opvolgen, vinden de dood. BAR 4:2 Bekeer u, Jakob, en houd eraan vast, ga op naar de glans van haar licht! BAR 4:3 Geef uw trots niet aan anderen prijs, laat uw voorrecht niet aan vreemden. BAR 4:4 Gelukkig zijn wij, Israël: ons is geopenbaard wat God behaagt!' BAR 4:5 Houd moed, mijn volk dat de naam Israël draagt. BAR 4:6 Gij werd aan de heidenen verkocht, maar ge zijt niet verloren. Omdat ge Gods toorn had opgewekt, zijt ge aan uw vijanden uitgeleverd. BAR 4:7 Ge hebt uw schepper geërgerd door niet aan Hem, maar aan demonen te offeren. BAR 4:8 De eeuwige God die u voedsel gaf, zijt ge vergeten. Jeruzalem dat u heeft grootgebracht, hebt ge bedroefd. BAR 4:9 Het zag Gods toorn over u komen en zei: `Luistert, buren van Sion: een groot leed zond God over mij. BAR 4:10 Want ik zag hoe de eeuwige God mijn kinderen gevangen liet wegvoeren. BAR 4:11 Met vreugde had ik hen grootgebracht, in tranen en droefheid zag ik hen gaan. BAR 4:12 Laat niemand spotten met mij, een weduwe, door iedereen verlaten, eenzaam om de zonden van mijn kinderen. Zij keerden zich af van Gods gebod, BAR 4:13 bekommerden zich niet om zijn wetten, volgden Gods voorschriften niet op en hielden zich niet aan zijn leer. BAR 4:14 Weest welkom, buren van Sion, maar denkt aan mijn kinderen, gevangenen weggevoerd door de eeuwige God. BAR 4:15 Hij stuurde een ver volk op hen af, onbeschaamd, met een onverstaanbare taal, zonder eerbied voor oude mensen, zonder medelijden met kinderen. BAR 4:16 De geliefde zonen van de weduwe werden weggesleept, de eenzame werd van haar dochters beroofd. BAR 4:17 Hoe zou ik u kunnen helpen? BAR 4:18 Hij die de rampen over u bracht, zal u ook van uw vijand verlossen. BAR 4:19 Kinderen, gaat heen, gaat maar heen, ik blijf achter, alleen. BAR 4:20 Ik heb het kleed van de vrede verwisseld voor het kleed van boete en gebed. Ik blijf roepen tot de eeuwige God, zolang als ik leef. BAR 4:21 Houdt moed, kinderen, roept tot God: Hij zal u van de vijand bevrijden. BAR 4:22 Ik verwacht uw redding van de eeuwige God; de Heilige zal mij verblijden: weldra ontfermt zich over u uw redder, de eeuwige God. BAR 4:23 In tranen en droefheid zag ik u heengaan, maar tot mijn vreugde en blijdschap brengt God u voorgoed bij mij terug. BAR 4:24 Sions buren hebben uw ballingschap gezien, nu gaan ze uw redding aanschouwen, uw roem en uw luister, geschonken door de eeuwige God. BAR 4:25 Kinderen, verdraagt geduldig Gods toorn die u heeft getroffen. Ge zult weldra de ondergang zien van uw vervolgers en uw voet op hun nek zetten. BAR 4:26 Mijn geliefde kinderen moesten ongebaande wegen gaan, weggevoerd als een kudde, buitgemaakt door de vijand. BAR 4:27 Houdt moed, kinderen, en roept tot God; die u dit aandeed, zal weer aan u denken. BAR 4:28 Weleer was uw enige gedachte God te verlaten. Zoekt Hem nu met al uw krachten. BAR 4:29 Want die u deze rampen zond, zal u ook bevrijden en met eeuwige blijdschap vervullen.' BAR 4:30 Houd moed, Jeruzalem; die u een naam gaf, zal u troosten. BAR 4:31 Wee die u mishandelden en blij waren met uw val! BAR 4:32 Wee de steden waar uw kinderen slaven waren. wee de stad die uw zonen gevangen hield. BAR 4:33 Al was ze blij om uw ondergang en verheugd over uw val, ze zal treuren over haar eigen verwoesting. BAR 4:34 Ik maak een eind aan de uitgelatenheid van haar talrijke bevolking, haar trots zal omslaan in droefheid. BAR 4:35 Want de eeuwige God stort vuur over haar uit gedurende lange tijd; demonen zullen er wonen gedurende lange tijd. BAR 4:36 Kijk naar het oosten, Jeruzalem, naar de vreugde die God u brengt. BAR 4:37 Daar zijn de zonen die u verlieten; van oost en west komen zij weer bijeen, op het woord van de heilige God, jubelend over zijn heerlijke redding. BAR 5:1 Jeruzalem, leg af uw kleed van ellende en rouw; bekleed u met Gods stralende schoonheid, voor altijd. BAR 5:2 Sla de mantel van Gods gerechtigheid om, zet op uw hoofd de roemrijke kroon van de Eeuwige. BAR 5:3 Want God wil dat uw heerlijkheid schittert overal onder de hemel. BAR 5:4 Voor eeuwig noemt God u: `Vrede door gerechtigheid, heil door godsvrucht.' BAR 5:5 Jeruzalem, kijk van boven op de berg naar het oosten en zie uw kinderen van alle kanten samenkomen op het woord van de heilige God, verheugd, dat Hij weer aan hen denkt. BAR 5:6 Te voet gingen zij van u heen, weggesleept door de vijand, maar eervol brengt God hen terug, als op een koningstroon gedragen. BAR 5:7 Hij heeft bevel gegeven: alle bergen en heuvels te slechten en de dalen te vullen, zodat het hele land vlak wordt en Israël zegepralend en veilig kan optrekken. BAR 5:8 Ook de bossen en alle geurige bomen geven Israël schaduw, op zijn bevel. BAR 5:9 Hijzelf vergezelt, barmhartig en genadig, het jubelend Israël met de glans van zijn licht. Afschrift van de brief waarin Jeremia op Gods bevel de ballingen waarschuwde, die door de Koning van de Babyloniërs gevangen naar Babel werden vervoerd. BAR 6:1 Om de zonden tegen God bedreven wordt gij door Nebukadnessar, de koning der Babyloniërs, gevangen naar Babel gevoerd. BAR 6:2 Jaren en jaren zult ge daar blijven, zeven geslachten lang. Dan breng Ik u behouden terug. BAR 6:3 Zilveren, gouden en houten goden zult ge in Babel zien ronddragen en door de volken vol ontzag zien vereren. BAR 6:4 Pas op en wordt niet als zij: heb geen ontzag voor die goden. BAR 6:5 Als gij de menigte ziet, die deze goden aanbidt en hen in een stoet begeleidt, denkt dan bij uzelf: `U alleen, Heer, moet men aanbidden!' BAR 6:6 Want mijn engel is bij u en zal u rekenschap vragen. BAR 6:7 De tong van die goden is door een timmerman gepolijst, hun lichaam met zilver en goud overtrokken. Het zijn geen goden, ze kunnen niet spreken. BAR 6:8 Men smeedt gouden kronen voor die goden als waren het pronkzieke meisjes. BAR 6:9 Soms nemen de priesters goud en zilver van hun goden voor eigen gebruik of als geschenk voor de meisjes in de bordelen. BAR 6:10 Die zilveren, gouden en houten goden tooit men als mensen; maar dat maakt hen niet bestand tegen de roest en de wormen. BAR 6:11 En ondanks hun purperen gewaden moet men het stof van de tempel dat er vingerdik opligt, nog van hun gezicht afwassen. BAR 6:12 De een houdt een scepter als de provinciaal gouverneur, maar iemand die tegen hem misdoet, kan hij niet uit de weg ruimen. BAR 6:13 De ander heeft een zwaard of een strijdbijl in de hand, maar hij vermag niets tegen oorlog of dieven. BAR 6:14 Zo blijkt duidelijk dat het geen goden zijn: Vreest hun dus niet. BAR 6:15 Hun goden zijn nutteloos, een gebroken aarden pot. Opgesteld in de tempel, BAR 6:16 raken hun ogen vol stof van de voeten der bezoekers. BAR 6:17 Zoals de gevangenispoorten dichtgaan achter de man die wegens een misdaad tegen de koning ter dood is veroordeeld, zo versperren de priesters de tempelpoorten met stangen en balken, uit vrees dat dieven de godenbeelden plunderen. BAR 6:18 Ze branden voor die goden meer lampen dan voor zichzelf, hoewel die er niet een kunnen zien. BAR 6:19 Het vergaat die goden als de balken van hun tempel: van binnen helemaal uitgehold, zegt men, zonder dat ze iets merken van de wormen die hen en hun kleren opvreten. BAR 6:20 Hun gezicht ziet zwart van rook in de tempel. BAR 6:21 Rondom hun lichaam en hoofd fladderen vleermuizen, zwaluwen en andere vogels; zelfs katten gaan erop zitten. BAR 6:22 Zo weet gij dat het geen goden zijn: vreest hen dus niet. BAR 6:23 Als men het goud niet oppoetst waarmee zij versierd zijn, gaan ze niet blinken. Toen zij gegoten werden, beseften ze dat niet. BAR 6:24 Men kan ze kopen voor iedere prijs; het zijn maar levenloze dingen. BAR 6:25 Omdat zij geen voeten hebben, moet men ze dragen; zo laten ze ieder hun onmacht zien. Vallen ze op de grond, hun vereerders moeten ze vol schaamte oprichten. BAR 6:26 Staan ze eenmaal op hun plaats, dan kunnen ze zich niet verroeren; zijn ze scheef weggezakt, dan kunnen ze niet rechtkomen. Geschenken moeten hun worden voorgezet, als aan de doden. BAR 6:27 De priesters verkopen die offers of gebruiken ze zelf. Hun vrouwen leggen er stukken van in de pekel, maar geven niets aan armen of misdeelden. Zij raken die offers aan in hun maandstonden of kort na de bevalling. BAR 6:28 Zo weet gij dat het geen goden zijn: vreest hen dus niet! BAR 6:29 Waarom zou men hen goden noemen? Vrouwen zetten die zilveren, gouden en houten goden spijzen voor. BAR 6:30 In hun tempels zitten de priesters, hun kleren gescheurd, hoofd en baardharen afgeschoren, het hoofd onbedekt. BAR 6:31 Ze maken misbaar voor hun goden, zoals men bij een dodenmaal doet. BAR 6:32 Hun gewaden nemen de priesters mee om hun vrouwen en kinderen te kleden. BAR 6:33 Behandelt men hen goed of slecht, ze kunnen het niet vergelden. Koningen kunnen ze niet aanstellen of afzetten, BAR 6:34 geen rijkdom of geld schenken. Houdt iemand zijn gelofte niet, zij kunnen hem niet ter verantwoording roepen. BAR 6:35 Ze redden geen mens van de dood en bevrijden geen zwakke uit de macht van de sterke. BAR 6:36 Een blinde kunnen zij niet ziende maken en iemand in nood niet helpen. BAR 6:37 Ze hebben geen medelijden met weduwen, voor wezen zorgen zij niet. BAR 6:38 Ze zijn gevoelloos als stenen uit de bergen, die houten goden, beslagen met goud en zilver. Hun vereerders komen bedrogen uit. BAR 6:39 Hoe kan men dan denken of zeggen dat het goden zijn? BAR 6:40 Bovendien onteren de Chaldeeën zelf hun goden. Als zij een stomme zien zonder spraak, halen zij Bel erbij in de hoop dat hij hem geneest, alsof Bel hen zou kunnen horen. BAR 6:41 Geen betoog brengt hen er toe die goden te verlaten; zo dom zijn ze. BAR 6:42 Met strikken in het haar zitten de vrouwen langs de weg zemelen te branden. BAR 6:43 Heeft een van hen, door een voorbijganger meegenomen, gemeenschap met hem gehad dan spot zij met de anderen, die nog niet zover zijn en hun strik nog dragen. BAR 6:44 Alles wat er bij hen gebeurt, is bedrog. Waarom dan denken of zeggen dat het goden zijn? BAR 6:45 Door timmerlieden en goudsmeden zijn ze gemaakt, precies zoals die het wilden. BAR 6:46 De makers zelf worden niet oud. Hoe kunnen het dan goden zijn, wat ze maken? BAR 6:47 Alleen ontgoocheling en smaad laten ze achter voor hun nazaten. BAR 6:48 Worden die goden door oorlogen of rampen bedreigd, dan overleggen de priesters met elkaar, waar zich met hen te verbergen. BAR 6:49 Waarom zien men dan niet in, dat zij die zich niet uit oorlogen of rampen kunnen redden, geen goden zijn? BAR 6:50 Men moet tenslotte erkennen, dat die houten goden met goud en zilver beslagen, geen goden zijn. Het moet alle volken en koningen duidelijk zijn, dat ze geen goden zijn, maar mensenwerk, zonder enige goddelijke kracht. BAR 6:51 Wie moet nog meer bewijzen hebben dat het geen goden zijn? BAR 6:52 Zij stellen geen koning aan over het land, zij geven de mensen geen regen; BAR 6:53 zij verschaffen geen recht en weren het onrecht niet; zij zijn machteloos, kraaien tussen hemel en aarde. BAR 6:54 Slaat de bliksem in de tempel van die houten goden, met goud en zilver beslagen, dan kunnen de priesters vluchtend zich redden, zijzelf gaan, met de balken, in vlammen op. BAR 6:55 Het is hun onmogelijk zich te verzetten tegen een koning of tegen een vijand. BAR 6:56 Hoe kan men dan veronderstellen dat het goden zijn? BAR 6:57 Die goden van hout, met goud en zilver beslagen, kunnen niets tegen dieven en rovers. Als die hen in handen krijgen, halen ze er het goud, het zilver en de kleren af en gaan er ongestraft mee vandoor. BAR 6:58 Een koning kan zijn macht laten gelden, huisraad is nuttig voor de eigenaar, een huisdeur beschermt het huisraad, maar die goden zijn waardeloos. Een houten zuil in een paleis is meer waard dan zij. BAR 6:59 Zon, maan en sterren geven licht en zijn zo nuttig en dienstbaar; BAR 6:60 zo ook de flitsende bliksem, mooi om te zien, en de wind die waait over iedere streek. BAR 6:61 Als God de wolken beveelt over de hele aarde te trekken, voeren zij zijn bevel uit. Het vuur dat van boven komt om de bossen op de bergen in as te leggen, doet wat het is opgedragen. BAR 6:62 Met niets van dit alles kunnen die goden zich meten in schoonheid of macht. BAR 6:63 Wie denkt of zegt dan nog dat het goden zijn? Ze zijn niet in staat recht te doen of weldaden te bewijzen. BAR 6:64 Weet dus dat ze geen goden zijn en vreest hen niet. BAR 6:65 Ze kunnen een koning niet vervloeken of zegenen. BAR 6:66 Ze geven de volken geen tekenen aan de hemel, schitteren niet als de zon, geven geen licht als de maan. BAR 6:67 De wilde dieren zijn er beter aan toe. Die kunnen tenminste in een schuilplaats vluchten. BAR 6:68 Uit alles blijkt ons dat het geen goden zijn: Vreest hen dus niet. BAR 6:69 Die goden van hout, met goud en zilver beslagen, beschermen niets; het zijn slechts vogelverschrikkers in een komkommerveld, BAR 6:70 doornstruiken in een tuin, waar de vogels op neerstrijken. Doden in een donker graf, zijn die goden van hout, met goud en zilver beslagen. BAR 6:71 Aan het purper en het linnen dat om hen hangt te rotten kunt ge zien, dat het geen goden zijn. Tenslotte worden zijzelf door de wormen opgevreten, een schande voor het land. BAR 6:72 Een rechtvaardige die geen afgoden vereert, is er dus beter aan toe: hij ontkomt aan de schande. EZECHIËL EZ 1:1 Tijdens mijn verblijf bij de ballingen aan de rivier de Kebar, op de vijfde dag van de vierde maand van het dertigste jaar, zag ik de hemel opengaan en kreeg ik een groots visioen. EZ 1:2 Het was het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojakin. Op de vijfde dag van de maand EZ 1:3 werd het woord van Jahwe gericht tot de priester Ezechiël, de zoon van Buzi; het gebeurde in het land van de Chaldeeën, aan de Kebar; daar kwam de hand van Jahwe over hem. EZ 1:4 In mijn visioen zag ik hoe een storm uit het noorden kwam opzetten: een grote wolkenmassa waar vuur in opflitste en die omgeven was door een gloed: de wolkenmassa schitterde als blinkend metaal. EZ 1:5 In de wolken tekenden zich gestalten af die op vier levende wezens geleken. Ze zagen er als volgt uit: ze leken op mensen, EZ 1:6 maar hadden elk vier gezichten en vier vleugels; EZ 1:7 hun benen waren recht en hun voeten leken op de hoeven van een kalf. EZ 1:8 Onder de vleugels waren bij de vier op zij mensenhanden zichtbaar. De gezichten van de vier wezens evenals hun vleugels, EZ 1:9 die met elkaar verbonden waren, wendden zich niet als ze zich voortbewogen; ze bewogen zich recht voor zich uit. EZ 1:10 De gezichten van de vier wezens leken van voren op dat van een mens, rechts leken ze op dat van een leeuw, links op dat van een stier en van achteren op dat van een arend. EZ 1:11 Twee van hun vleugels waren naar boven uitgestrekt en raakten elkaar, de twee andere bedekten hun lichaam. EZ 1:12 Ze bewogen zich recht voor zich uit; ze gingen waarheen de geest hen dreef en keerden zich niet om als ze zich voortbewogen. EZ 1:13 Tussen de levende wezens was iets dat op brandende kolen leek, op fakkels die tussen de levende wezens op en neer flitsten; het vuur laaide hoog op en er schoten bliksemstralen uit. EZ 1:14 De levende wezens zelf vlogen heen en weer als bliksemschichten. EZ 1:15 Terwijl ik naar de levende wezens keek, zag ik dat bij alle vier op de grond een wiel stond. EZ 1:16 De wielen glansden als chrysoliet en hadden alle vier dezelfde vorm en bouw. Ze zagen er zo uit en waren zo gebouwd alsof het ene wiel in het andere zat. EZ 1:17 Als ze zich verplaatsten, konden ze zich in alle vier richtingen bewegen zonder dat ze zich hoefden om te draaien. EZ 1:18 De wielen waren indrukwekkend hoog en de velgen ervan waren geheel met ogen bezet. EZ 1:19 Als de levende wezens zich verplaatsten bewogen de wielen zich met hen mee, en als ze zich van de grond verhieven, verhieven zich ook de wielen met hen mee: EZ 1:20 ze gingen naar waar de geest hen dreef, en de wielen verhieven zich gelijktijdig mee, want de geest van de levende wezens beheerste ook de wielen. EZ 1:21 Als de levende wezens zich verplaatsten bewogen de wielen zich mee, en als de levende wezens stilstonden, stonden ook de wielen stil, en als de levende wezens zich van de grond verhieven, verhieven zich ook de wielen, want de geest van de levende wezens beheerste ook de wielen. EZ 1:22 Boven de hoofden van de levende wezens bevond zich een soort gewelf dat glinsterde als verblindend kristal, uitgespannen boven hun hoofden. EZ 1:23 Onder het gewelf hielden de levende wezens twee vleugels naar boven gestrekt zodanig dat ze elkaar raakten; met de twee andere bedekten ze hun lichaam. EZ 1:24 Als ze zich voortbewogen hoorde ik het klapperen van hun vleugels; het was als het gedruis van een grote watermassa, als de donder van de Almachtige, als het rumoer in een legerplaats; als ze stilstonden lieten ze hun vleugels neer. EZ 1:25 En er klonk een stem boven het gewelf dat boven hun hoofden was. EZ 1:26 Boven het gewelf dat boven hun hoofden was gespannen zag men zo iets als een saffiersteen in de vorm van een troon. En daarop, op wat dus een troon leek te zijn, was een mensengestalte zichtbaar. EZ 1:27 Ik zag een schittering als van metaal; boven zijn middel fonkelde die gestalte als metaal, alsof er vuur in zijn binnenste gloeide, en onder zijn middel scheen hij vuur dat een gloed uitstraalde; EZ 1:28 zoals de boog er uitziet, die in de regentijd in de wolken staat, zo was de aanblik van de gloed die hij uitstraalde. Aldus openbaarde zich de heerlijkheid van Jahwe. Toen ik dat zag viel ik plat voorover. Daarop hoorde ik een stem tot mij spreken. EZ 2:1 Hij zei tot mij: 'Mensenkind, ga recht overeind staan, dan zal Ik tot u spreken.' EZ 2:2 Zodra Hij tot mij gesproken had, kwam er een geest over mij, die mij recht overeind deed staan, en weer hoorde ik Hem spreken. EZ 2:3 Hij zei tot mij: 'Mensenkind, Ik zend u tot de Israëlieten, dat volk van rebellen dat zich tegen Mij verzet heeft; zij en hun vaderen hebben tegen Mij gezondigd tot op de dag van vandaag. EZ 2:4 De zonen hebben een harde blik en een hart van steen; Ik zend u tot hen met de boodschap: Zo spreekt Jahwe de Heer! EZ 2:5 En of ze luisteren of niet, want het is een weerspannig volk: ze zullen erkennen dat er onder hen een profeet geweest is. EZ 2:6 En wat u zelf betreft, mensenkind: wees niet bang voor hen en voor wat ze zeggen; al groeien er doornen om u heen en al zit ge op schorpioenen, wees niet bevreesd voor hun woorden en niet beducht voor hun aanblik, het is nu eenmaal een weerspannig volk. EZ 2:7 Ge moet hun mijn woorden overbrengen, of ze luisteren of niet; het is nu eenmaal een weerspannig volk. EZ 2:8 Mensenkind, luister naar wat Ik u zeg, wees niet weerspannig zoals dit weerspannige volk, maar doe uw mond open en eet wat Ik u geef.' EZ 2:9 Ik keek op en zag een hand die zich naar mij uitstrekte en in die hand zag Ik een boekrol. EZ 2:10 Hij rolde ze voor mij af; ze was beschreven van binnen en van buiten; er stonden klaagliederen op, treurzangen en weeklachten. EZ 3:1 Hij zei tot mij: 'Mensenkind, eet wat u voorgehouden wordt, eet deze boekrol op en richt dan het woord tot het volk van Israël.' EZ 3:2 Toen opende ik mijn mond en Hij gaf me die boekrol te eten. EZ 3:3 Hij zei tot mij: 'Mensenkind, laat uw lichaam deze boekrol die Ik u geef opnemen en verzadig u ermee. Ik at dus de boekrol op: ze smaakte me zo zoet als honing. EZ 3:4 Hij zei tot mij: 'Mensenkind, begeef u naar het volk van Israël en breng hun mijn woorden over. EZ 3:5 Ge wordt niet gezonden naar een volk met een vreemde taal en tongval, maar tot het volk van Israël; EZ 3:6 naar geen van de vele volken met een vreemde taal en tongval wier woorden ge niet verstaat. Als Ik u tot hen zond, zouden ze naar u luisteren. EZ 3:7 Maar het volk van Israël is niet bereid naar u te luisteren, omdat het niet naar Mij wil luisteren: het volk van Israël heeft een harde blik en een hart van steen. EZ 3:8 Ik zal dan ook uw blik even hard maken als de hunne en uw gezicht even strak. EZ 3:9 Uw gezicht maak Ik harder dan kiezel, hard als diamant; wees dan niet bang voor hen en niet bevreesd voor hun aanblik: het is nu eenmaal een weerspannig volk.' EZ 3:10 Hij zei tot mij: 'Mensenkind, neem al de woorden die Ik tot u zal spreken in uw hart op en luister er goed naar. EZ 3:11 Ga naar de ballingen, uw volksgenoten; spreek hun toe en zeg tot hen, of ze luisteren of niet: Zo spreekt Jahwe de Heer!' EZ 3:12 Toen hief de geest van Jahwe mij op en ik hoorde achter mij een luid geroep: 'Gezegend zij de heerlijkheid van Jahwe in zijn heiligdom.' EZ 3:13 Ik hoorde het klapperen van de elkaar rakende vleugels van de levende wezens, het geratel van de wielen naast hen, en tegelijk het gedreun van een aardbeving. EZ 3:14 De geest hief mij op en voerde me mee en ik ging heen, bitter gestemd en toornig, terwijl de hand van Jahwe op mij drukte. EZ 3:15 Ik kwam bij de ballingen van Tel abib die aan de Kebar woonden. Zeven dagen zat ik in hun midden, zonder een woord uit te kunnen brengen. EZ 3:16 Toen deze zeven dagen voorbij waren werd het woord van Jahwe tot mij gericht: EZ 3:17 'Mensenkind, Ik stel u aan als wachter voor het volk van Israël. Telkens als ge uit mijn mond een woord hoort, moet ge hen namens Mij waarschuwen. EZ 3:18 Als Ik tot de boosdoener zegt: Ge zult zeker sterven, en gij waarschuwt hem niet, en laat na hem op zijn slecht gedrag te wijzen om zijn leven te redden, dan zal die boosdoener weliswaar om zijn eigen schuld sterven, maar u zal Ik rekenschap vragen van zijn bloed. EZ 3:19 Maar als ge de boosdoener gewaarschuwd hebt en hij betert zijn leven niet, dan zal hij wel sterven om zijn eigen schuld, maar gij hebt uw eigen leven gered. EZ 3:20 Als een rechtvaardige zich gaat misdragen en verkeerde dingen doet, en Ik laat hem struikelen, dan zal hij sterven; hij sterft omdat gij hem niet op zijn zonde gewezen hebt; zijn goede daden tellen dan niet meer mee, m!ar u zal Ik rekenschap vragen van zijn bloed. EZ 3:21 Maar als ge de rechtvaardige waarschuwt dat hij niet moet zondigen, en hij zondigt ook niet, dan zal hij beslist in leven blijven, omdat hij uw waarschuwing ter harte heeft genomen, en gij hebt uw eigen leven gered. EZ 3:22 Toen legde de hand van Jahwe zich op mij, en Hij zei tot mij: 'Sta op, ga naar de laagvlakte, daar zal Ik tot u spreken.' EZ 3:23 Toen stond ik op en ging naar de laagvlakte, en daar zag ik de heerlijkheid van Jahwe, juist zoals ik haar gezien had aan de Kebar, en ik wierp mij plat ter aarde. EZ 3:24 Maar de geest kwam over mij en deed mij rechtop staan. En Jahwe sprak tot mij: 'Ga naar binnen en sluit u op in uw huis. EZ 3:25 Mensenkind, men zal touwen nemen en u daarmee knevelen, zodat ge u niet onder hen kunt begeven. EZ 3:26 Uw tong zal Ik aan uw verhemelte doen kleven en ge zult stom zijn, zodat ge voor hen geen strafprediker meer kunt zijn; het is nu eenmaal een weerspannig volk. EZ 3:27 Maar als Ik tot u spreek, zal Ik uw mond openen; dan moet ge tot hen zeggen: Zo spreekt de Heer. Wie luisteren wil luistere, en wie niet luisteren wil, moet maar niet luisteren: Het is nu eenmaal een weerspannig volk.' EZ 4:1 Mensenkind, neem een tegel, leg die voor u, en teken daarop een stad: Jeruzalem. EZ 4:2 Sla er het beleg voor, bouw er een belegeringsdam tegen aan, werp er een wal tegen op, leg er legerkampen rondom, en breng aan alle kanten stormrammen in stelling. EZ 4:3 Neem vervolgens een ijzeren bakplaat; zet die als een ijzeren muur tussen u en de stad en houd uw blik op de stad gericht: zo belegert ge de stad, Uw belegering zal voor het volk van Israël een teken zijn. EZ 4:4 Ga dan op uw linkerzijde liggen om de schuld van het volk van Israël te dragen; zoveel dagen als ge zo zult liggen, zult ge hun schuld dragen. EZ 4:5 Ik reken het aantal jaren van hun schuld in dagen om: driehonderdnegentig dagen moet ge de schuld van het volk van Israël dragen. EZ 4:6 Als die dagen om zijn, moet ge opnieuw gaan liggen, nu op uw rechterzijde, en de schuld van het volk van Juda dragen, veertig dagen lang; voor elk jaar leg Ik u een dag op. EZ 4:7 Ontbloot uw arm, richt uw blik op Jeruzalem en profeteer tegen de belegerde stad. EZ 4:8 Ik zal u met touwen knevelen, zodat ge u niet van de ene zijde op de andere kunt keren totdat de dagen der belegering voorbij zijn. EZ 4:9 Neem tarwe, gerst, bonen, linzen, gierst en spelt; doe alles in een pot en maak er brood van; al de driehonderdnegentig dagen dat ge op uw zijde ligt, moet ge dat eten. EZ 4:10 Als voedsel moet ge voor iedere dag twintig sikkel afwegen en dat op vaste tijden gebruiken. EZ 4:11 Ook uw drinkwater moet ge rantsoeneren; een zesde hin, en dat op vaste tijden drinken. EZ 4:12 In de vorm van gerstekoeken moet ge uw voedsel eten; ge moet die koeken voor aller ogen bakken op droge uitwepselen van mensen. EZ 4:13 En Jahwe zei: 'Op dezelfde wijze zullen de Israëlieten onreine spijzen eten, wanneer ik ze verstrooid heb onder de heidenen, naar wier land Ik ze zal drijven.' EZ 4:14 Maar ik zei: 'Ach, Heer Jahwe, ik ben nog nooit onrein geweest en van jongs af heb ik nog nooit het vlees van gestorven of verscheurde dieren gegeten, en mijn mond heeft nog nooit onrein vlees geproefd.' EZ 4:15 Toen zei Hij tot mij: 'Goed dan, Ik sta u toe, rundermest te gebruiken in plaats van menselijke uitwerpselen; bereid daarop dan uw brood.' EZ 4:16 Daarna zei Hij tot mij: 'Mensenkind, Ik ga in Jeruzalem het brood van de plank nemen, ze zullen brood eten met mondjesmaat en zich zorgen maken. Ook water zullen ze drinken met mondjesmaat en daarbij in vertwijfeling geraken. EZ 4:17 Ik doe dit, opdat ze brood en water te kort zullen komen, allemaal in paniek raken en in hun ongerechtigheid te gronde gaan.' EZ 5:1 Mensenkind, neem een scherp mes, een scheermes, en laat het over uw hoofd en uw baard gaan. Neem dan een weegschaal en verdeel de haren. EZ 5:2 Een derde deel moet ge in de stad verbranden, wanneer de dagen der belegering ten einde zijn; een derde deel moet ge in het omliggende gebied korthakken; het laatste deel moet ge in de wind strooien en Ik zal het met het zwaard achtervolgen, EZ 5:3 maar een beetje haar moet ge in een slip van uw kleed vastbinden. EZ 5:4 Toch moet ge daar nog iets vanaf nemen, het in het vuur werpen en daarin laten verbranden; uit dat vuur zal een vlam overslaan naar het huis van Israël. EZ 5:5 Zo spreekt Jahwe, de Heer: Dit is Jeruzalem: in het midden van de volken had Ik het geplaatst en alle landen er omheen gegroepeerd. EZ 5:6 Maar het kwam in verzet tegen mijn geboden, erger nog dan die volken, en tegen mijn wetten, erger nog dan de landen rondom, want ze hebben mijn geboden veracht en mijn wetten niet gehoorzaamd. EZ 5:7 Daarom, zo spreekt Jahwe de Heer: Omdat ge nog meer in verzet gekomen bent dan de volken rondom u heen, mijn wetten niet hebt opgevolgd en mijn geboden niet onderhouden, en zelfs de geboden van de volken rondom u heen niet hebt opgevolgd, EZ 5:8 daarom, zo spreekt Jahwe de Heer: zal Ik u straffen. Ik zal over u mijn strafgericht voltrekken voor de ogen van de volken. EZ 5:9 Voor al uw gruweldaden zal Ik u zwaarder straffen dan Ik ooit met iemand gedaan heb of zal doen. EZ 5:10 Binnen uw muren zullen vaders hun zonen opeten en zonen hun vaders; Ik zal over u mijn strafgericht voltrekken en wat van u overblijft naar alle windstreken verstrooien. EZ 5:11 Daarom, zowaar Ik leef, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer: Omdat ge mijn heiligdom verontreinigd hebt met al uw wandaden en al uw gruweldaden, ga Ik het mes erin zetten zonder aanzien des persoons en zonder medelijden. EZ 5:12 Een derde deel van uw bevolking zal binnen uw poorten sterven aan de pest of omkomen van honger; een derde deel zal in het gebied rondom u vallen door het zwaard en een derde deel zal Ik naar alle windstreken verstrooien en met het zwaard achtervolgen. EZ 5:13 Zo zal mijn toorn tot bedaren komen, en zal Ik mijn woede op hen koelen en wraak nemen; en als Ik mijn woede op hen gekoeld heb zullen ze erkennen dat het naijver was die Mij, Jahwe, zo deed spreken. EZ 5:14 Ik zal van u een puinhoop maken, een voorwerp van smaad voor de volken rondom, ten aanschouwen van ieder die voorbijgaat. EZ 5:15 Ge zult een voorwerp van smaad en spot zijn, een waarschuwend teken en schrikwekkend voorbeeld voor de volken rondom u, als Ik in mijn hevige woede mijn strafgericht genadeloos over u voltrokken zal hebben. Ik, Jahwe, heb gesproken. EZ 5:16 Ik schiet op u de verschrikkelijke pijlen van de honger af, die dood en verderf zaaien, de pijlen waarmee Ik u wil vernietigen; zo zal Ik bij u een grote hongersnood veroorzaken en de broodstok breken. EZ 5:17 Ik zal honger en wilde dieren op u afsturen, die u kinderloos maken; pest en oorlog zullen u teisteren en het zwaard zal onder u woeden; Ik Jahwe, heb gesproken. EZ 6:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 6:2 Mensenkind, richt uw blik op de bergen van Israël, profeteer ertegen EZ 6:3 en zeg: Bergen van Israël, luister naar het woord van Jahwe de Heer: zo spreekt Jahwe de Heer: Bergen en heuvels, ravijnen en dalen: Ik laat het zwaard tegen u woeden en slecht uw offerhoogten; EZ 6:4 de altaren worden vernietigd en de wierookbranders stukgeslagen; voor uw afgoden laat Ik de Israëlieten dodelijk getroffen neervallen; EZ 6:5 hun lijk en smijt Ik voor de voeten van hun afgoden en hun beenderen strooi Ik rond uw altaren. EZ 6:6 Waar in uw gebied ook Israëlieten wonen, zullen de steden in puin en de offerhoogten verlaten liggen, de altaren vernield en eenzaam, de afgodsbeelden gebroken en vernietigd; de wierookbranders zullen stukgeslagen worden: al uw maaksels zullen worden weggevaagd, EZ 6:7 en dodelijk getroffen vallen uw bewoners neer. Zo zult ge erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 6:8 Maar Ik zal een rest doen overblijven; ze zullen aan het zwaard ontkomen en onder de volken wonen, als ge verstrooid wordt over de landen. EZ 6:9 Uw overlevenden zullen in het land van hun ballingschap weer aan Mij denken, als Ik ze met hun ontuchtig hart, dat van Mij afgeweken was, en met hun ogen, die overspelig naar hun afgoden lonkten, kleingekregen heb; de schaamte zal hun op het gezicht te lezen staan vanwege al het kwaad en de gruweldaden waaraan ze zich schuldig gemaakt hebben, EZ 6:10 en ze zullen erkennen dat Ik Jahwe ben: het was Mij ernst toen Ik hun dit onheil aanzegde. EZ 6:11 Zo spreekt Jahwe de Heer: Klap in uw handen, stamp met uw voeten en roep wee over alle verschrikkelijke wandaden van het volk van Israël, want ze zullen vallen door het zwaard, door de honger en door de pest. EZ 6:12 Wie ver weg is zal sterven aan de pest; wie dichtbij is zal vallen door het zwaard en wie overgebleven is en gespaard werd zal van honger sterven; zo zal Ik mijn woede op hen koelen. EZ 6:13 Ge zult erkennen dat Ik Jahwe ben als ge de doden ziet liggen tussen de afgodsbeelden en rondom de altaren, op elke hoge heuvel, op alle bergtoppen, onder elke groene boom en schaduwrijke eik, waar ze hun reukoffers gebrand hebben voor hun afgoden. EZ 6:14 Ik zal mijn hand tegen hen uitstrekken en van het land een barre woestenij maken, vanaf de woestijn tot Ribla toe, overal waar ze wonen, en ze zullen erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 7:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 7:2 Mensenkind, zo spreekt Jahwe de Heer over de grond van Israël: Het einde komt, het einde over de vier hoeken van het land. EZ 7:3 Nu komt het einde over u; Ik ga mijn woede op u koelen; Ik zal u vonnissen naar uw doen en laten; Ik zal u al uw gruweldaden vergelden. EZ 7:4 Ik zal u niet ontzien en geen medelijden met u hebben, maar uw doen en laten vergelden; uw gruweldaden zullen op u neerkomen en ge zult erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 7:5 Zo spreekt Jahwe: Het onheil komt, ramp op ramp! EZ 7:6 Het einde komt! Het komt, het einde! Het einde komt voor u. EZ 7:7 Het noodlot zal u treffen, bewoners van het land; de tijd is gekomen; de dag is nabij dat het krijgsrumoer de vreugdekreten op de bergen doet verstommen. EZ 7:8 Weldra laat Ik mijn toorn de vrije loop en ga Ik mijn woede op u koelen, u vonnissen naar uw doen en laten en al uw gruweldaden vergelden. EZ 7:9 Ik zal u niet ontzien en geen medelijden met u hebben, maar uw doen en laten op u doen neerkomen en uw gruweldaden vergelden, en ge zult erkennen dat Ik, Jahwe, het ben, die slaat. EZ 7:10 Daar komt de dag, daar komt hij, waarop het noodlot zich voltrekt; de scepter bloeit en de overmoed draagt vrucht, EZ 7:11 een misdadige scepter, opgeschoten uit geweldpleging. Maar het is uit met hen, gedaan met hun drukte, gedaan met hun geraas, gedaan met hun praal. EZ 7:12 De tijd is gekomen; de dag is nabij; laat de koper zich niet verheugen en de verkoper niet treuren, want de toorn komt over allen. EZ 7:13 Al zouden beiden dan nog leven, nooit krijgt de verkoper het verkochte terug, want de profetie over allen is onherroepelijk; niemand die behagen schept in ongerechtigheid kan zijn leven behouden. EZ 7:14 Steek de bazuin, maak alles gereed. Maar niemand zal ten strijde trekken, want mijn toorn komt over allen. EZ 7:15 Het zwaard woedt buiten de muren, de pest en honger binnen. Wie op het veld is zal sterven door het zwaard en wie in de stad is zal door honger en pest omkomen. EZ 7:16 Zoals duiven uit de vlakte in de bergen klagen, zo zullen de overlevenden treuren over hun zonden. EZ 7:17 Allen zullen van angst verlamd zijn en hun water laten lopen. EZ 7:18 Ze zullen zich in zakken hullen, angst zal hen overmannen; alle gezichten zullen rood zijn van schaamte, en ze zullen hun hoofden kaal scheren. EZ 7:19 Hun zilver zullen ze op straat werpen en hun goud zullen hen ook niet kunnen redden op de dag van de toorn van Jahwe; ze zullen zich daarmee niet kunnen verzadigen en hun maag er niet mee vullen, want het was de oorzaak van hun zonde. EZ 7:20 Van hun sieraden immers hadden ze hun trotse godenbeeld gemaakt en hun gruwelbeelden, die misbaksels van ze; daarom zal Ik zorgen dat ze ervan gruwen. EZ 7:21 Ik zal die beelden aan barbaren uitleveren en aan de ergste bruten ter wereld als krijgsbuit geven, die er hun schennende hand aan zullen slaan. EZ 7:22 Ik zal mijn gezicht van hen afwenden en men zal mijn schatkamer schenden; barbaren zullen er binnendringen en hem ontwijden. EZ 7:23 Maak ketenen, want in het land is gerechtelijke moord aan de orde van de dag en geweldpleging in de stad. EZ 7:24 Ik zal de wreedste volken ontbieden; die zullen hun huizen in bezit nemen. Ik zal een einde maken aan hun trotse godenbeeld, en zijn heiligdom zal worden ontwijd. EZ 7:25 Er zal paniek uitbreken; ze zullen naar redding uitzien, maar tevergeefs. EZ 7:26 Ramp op ramp zal komen; gerucht op gerucht zich verspreiden. Tevergeefs zullen ze de profeten om een godsspraak vragen; ook de priesters zullen geen uitkomst kunnen geven en de oudsten geen raad. EZ 7:27 De koning zal rouwen, de vorst met stomheid geslagen zijn en het volk van het land verlamd van ontzetting. Ik zal hun daden vergelden en ze naar hun doen en laten vonnissen, en ze zullen weten dat Ik Jahwe ben. EZ 8:1 In het zesde jaar op de vijfde dag van de zesde maand, toen ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda zich voor mij neergezet hadden, kwam de hand van Jahwe over mij. EZ 8:2 Ik keek op en zag iets dat op een mens geleek; onder zijn middel leek alles vuur te zijn, en boven zijn middel leek de gestalte omgeven door een glans, blinkend als metaal. EZ 8:3 Hij strekte iets dat op een hand leek uit en greep me bij mijn haar; de geest hief mij op tussen hemel en aarde en bracht me in een hemels visioen naar Jeruzalem, naar de ingang van de noordelijke binnenpoort, de plaats waar het afgodsbeeld staat, dat Jahwe's naijver opwekt. EZ 8:4 En daar zag ik de heerlijkheid van de God van Israël, juist als in het visioen dat ik in de vlakte gekregen had. EZ 8:5 Hij zei tot mij: 'Mensenkind, richt uw blik naar het noorden.' Ik richtte mijn blik naar het noorden en zag ten noorden van de poort het altaar staan voor het afgodsbeeld, dat Jahwe's naijver opwekt. EZ 8:6 Hij zei tot mij: 'Mensenkind, ziet ge die vreselijke gruweldaden die het volk van Israël hier bedrijft, zodat Ik ver van mijn heiligdom moet blijven? Nog erger gruweldaden zult ge zien.' EZ 8:7 Toen bracht hij me naar de ingang van de voorhof. Daar zag ik een gat in de muur. EZ 8:8 Hij zei tot mij: 'Breek er doorheen.' Ik brak er doorheen en zag een deur. EZ 8:9 Hij zei tot mij: 'Ga naar binnen en aanschouw de vreselijke gruweldaden die ze daar bedrijven.' EZ 8:10 Ik ging naar binnen en zag er allerlei weerzinwekkende afbeeldingen van kruipend gedierte en andere beesten, en van alle afgoden van het volk van Israël, rondom op de muren aangebracht. EZ 8:11 Daarvoor stonden zeventig oudsten van Israël, onder wie Jaazanja, de zoon van Safan; ieder hield een wierookvat in de hand en geurige wierookwolken stegen eruit op. EZ 8:12 Hij zei tot mij: 'Ziet ge, mensenkind, wat de oudsten van het volk van Israël in het donker doen, in die kamer vol afbeeldingen? Ze zeggen: Jahwe ziet niet naar ons om, Jahwe heeft het land in de steek gelaten.' EZ 8:13 En Hij zei tot mij: 'Nog vreselijker dingen zult ge aanschouwen.' EZ 8:14 Toen bracht Hij me naar de ingang van de noordelijke tempelpoort. Daar zaten vrouwen Tammuz te bewenen. EZ 8:15 Hij zei tot mij: 'Ziet ge dat, mensenkind? Nog vreselijker dingen zult ge aanschouwen.' EZ 8:16 Toen leidde Hij me de binnenste voorhof van de tempel binnen. Daar zag ik bij de ingang van het heiligdom van Jahwe, tussen het portaal en het altaar, vijfentwintig mannen; ze stonden met hun rug naar het heiligdom van Jahwe en met hun gezicht naar het oosten. Naar het oosten gekeerd bogen ze zich neer voor de zon. EZ 8:17 Hij zei tot mij: 'Ziet ge dat, mensenkind? Heeft het volk van Juda hier nog niet genoeg gruwelen bedreven, dat ze ook in het land gewelddaad op gewelddaad plegen om Mij te tergen? Zie toch eens hoe ze Mij een wijnrank in de neus steken. EZ 8:18 Daarom doe Ik wat mijn woede Mij ingeeft. Ik zal hen niet ontzien en geen medelijden hebben. Al roepen ze Mij met luider stem aan, Ik luister niet naar hen.' EZ 9:1 Toen hoorde ik Hem met luider stem roepen: 'Treed nader, gij die de straf voltrekken moet aan de stad, uw wapens gereed om haar te vernietigen.' EZ 9:2 Daar kwamen zes mannen door de noordelijke bovenpoort, de wapens gereed om de stad te vernietigen. Onder hen bevond zich een man in linnen gekleed en met aan zijn middel een inktkoker. Ze kwamen nader en gingen naast het bronzen altaar staan. EZ 9:3 De heerlijkheid van de God van Israël was opgestegen van de kerubs waarop ze stond en had zich verplaatst naar de drempel van het heiligdom. Jahwe riep tot de man die in linnen gekleed was, met de inktkoker aan zijn middel: EZ 9:4 'Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en zet een teken op het voorhoofd van de mannen die jammeren en klagen over alle gruweldaden die daar bedreven worden.' EZ 9:5 En tot de anderen zei Hij duidelijk hoorbaar: 'Trek door de stad achter hem aan, en sla de inwoners meedogenloos en zonder erbarming neer. EZ 9:6 Grijsaards, jongemannen en meisjes, zuigelingen en vrouwen moet ge onbarmhartig doden, maar raak niemand aan die het teken draagt; bij mijn heiligdom moet ge beginnen.' Ze begonnen dus bij de mannen die zich voor het heiligdom bevonden. EZ 9:7 En Hij zei tot hen: 'Verontreinig de tempel en vul de voorhoven met lijken. Vooruit!' En zij vertrokken en sloegen op de bevolking in. EZ 9:8 Terwijl ze nu bezig waren met het neerslaan en ik alleen achterbleef, wierp ik mij plat op de grond, en schreeuwde het uit: 'Ach Heer Jahwe, gaat Gij nu de hele rest van Israël vernietigen en uw woede koelen aan Jeruzalem?' EZ 9:9 Hij zei tot mij: 'De ongerechtigheid van het volk van Israël en van Juda is buitengewoon groot; gerechtelijke moord is in het land aan de orde van de dag en geweldpleging in de stad. Ze denken: Jahwe heeft het land in de steek gelaten, Jahwe ziet er niet naar om. EZ 9:10 Daarom wil Ik geen erbarming kennen en geen medelijden hebben; hun daden zal Ik op hun eigen hoofd doen neerkomen.' EZ 9:11 Daarop kwam de man die in linnen gekleed was, met de inktkoker aan zijn middel, verslag uitbrengen en zei: 'Ik heb gedaan wat Gij me bevolen hebt.' EZ 10:1 Toen zag ik op het gewelf boven de hoofden van de kdrubs zo iets als een saffiersteen; hij had de vorm van een troon en daarboven was een gestalte zichtbaar. EZ 10:2 En deze zei tot de man die in linnen gekleed was: 'Begeef u tussen het wielwerk onder de kerubs; vul uw handen met de brandende kolen die tussen de kerubs liggen en strooi die uit over de stad.' En voor mijn ogen ging hij er tussen in. EZ 10:3 De kerubs stonden aan de rechterkant van het heiligdom, toen de man zich tussen het wielwerk begaf en een wolk vulde de binnenste voorhof. EZ 10:4 Toen verhief de heerlijkheid van Jahwe zich van boven de kerubs en verplaatste zich naar de drempel van het heiligdom; de wolk vulde geheel het heiligdom en de voorhof baadde in de gloed van de heerlijkheid van Jahwe. EZ 10:5 Het klapperen van de vleugels van de kerubs was hoorbaar tot in de buitenste voorhof, als de stem van de almachtige God. EZ 10:6 Nadat Hij de man die in linnen gekleed was bevolen had vuur te nemen van tussen het wielwerk onder de kerubs, was deze naast een der wielen gaan staan. EZ 10:7 Een van de kerubs strekte zijn hand uit naar het vuur, nam daarvan en legde het in de handen van de man die in linnen gekleed was; deze nam het vuur en ging heen. EZ 10:8 Onder de vleugels van de kerubs was zo iets als een mensenhand zichtbaar. EZ 10:9 Ik keek toe en zag naast de vier kerubs wielen staan, naast elke kerub een wiel; de wielen glansden als chrysoliet. EZ 10:10 Ze zagen eruit als volgt: ze hadden alle vier dezelfde vorm; het leek alsof het ene wiel in het andere zat. EZ 10:11 De kerubs konden zich in alle vier de richtingen voortbewegen, zonder zich daarbij om te hoeven draaien. Waar de voorste zich heenwendde volgden ook de anderen, zonder zich bij de beweging om te draaien. EZ 10:12 Hun gehele lichaam, hun rug, hun handen en vleugels waren bij alle vier geheel met ogen beze; elk van de vier had een eigen wiel. EZ 10:13 Wat de wielen betreft: ik hoorde dat men de wielen het wielwerk noemde. EZ 10:14 Iedere kerub had vier gezichten; het eerste gezicht was dat van een kerub, het tweede dat van een mens, het derde dat van een leeuw, en het vierde dat van een arend. EZ 10:15 Toen verhieven de kerubs zich; het waren dezelfde wezens die ik aan de Kebar gezien had. EZ 10:16 Als de kerubs zich voortbewogen, draaiden de wielen met hen mee, en als de kerubs hun vleugels uitsloegen om zich van de grond te verheffen, weken de wielen niet van hun zijde. EZ 10:17 Als de kerubs stilstonden, stonden de wielen stil, en als de kerubs zich verhieven, verhieven de wielen zich ook; de geest van de levende wezens beheerste ook de wielen. EZ 10:18 Toen verliet de heerlijkheid van Jahwe de drempel van het heiligdom en plaatste zich op de kerubs. EZ 10:19 De kerubs sloegen hun vleugels uit en verhieven zich voor mijn ogen van de grond, en de wielen gingen met hen mee. Ze daalden neer bij de oostpoort van de tempel met de heerlijkheid van de God van Israël boven zich. EZ 10:20 Het waren dezelfde wezens die ik gezien had onder de God van Israël toen ik aan de Kebar verbleef, en ik begreep nu dat het kerubs waren. EZ 10:21 Ieder had vier gezichten, ieder had vier vleugels en onder hun vleugels zo iets als mensenhanden. EZ 10:22 En wat de gezichten betreft: het waren dezelfde gezichten die ik gezien had aan de Kebar; het waren dezelfde wezens en ze bewogen zich recht voor zich uit. EZ 11:1 Toen hief de geest mij op en bracht mij naar de oostpoort van het huis van Jahwe, de poort die op het oosten ligt; bij de ingang van de poort zag ik vijfentwintig man, onder wie Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, leiders van het volk. EZ 11:2 Jahwe zei tot mij: 'Mensenkind, dit zijn de mannen die hier in de stad een slecht beleid voeren en tot kwaad aanzetten. EZ 11:3 Zij zeggen: Voorlopig geen huizen bouwen; de stad is de pot en wij zijn het vlees. EZ 11:4 Daarom moet gij Gods woord tegen hen richten, mensenkind; laat ze Gods woord horen.' EZ 11:5 Toen viel de geest van Jahwe op mij en Hij beval mij dit te zeggen: 'Zo spreekt Jahwe: Dat zijn uw woorden, volk van Israël, en ook uw plannen ken Ik. EZ 11:6 Ge hebt in deze stad veel mensen gedood en de straten met lijken bezaaid. EZ 11:7 Daarom, zo spreekt Jahwe de Heer: De slachtoffers die ge hier gemaakt hebt, die zijn het vlees en de stad is de pot, maar u zal Jahwe eruit halen. EZ 11:8 Voor het zwaard zijt ge beducht, het zwaard zal Ik over u brengen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 11:9 Ik zal u uit de stad halen, u overleveren aan barbaren en een strafgericht aan u voltrekken. EZ 11:10 Door het zwaard zult ge vallen, op Israëls bodem zal Ik u vonnissen, en ge zult weten dat Ik Jahwe ben. EZ 11:11 De stad zal voor u niet de pot zijn en gij niet het vlees erin; op Israëls bodem zal Ik u vonnissen, EZ 11:12 en ge zult weten dat Ik Jahwe ben, gij die mijn wetten niet in acht genomen hebt en mijn geboden niet onderhouden, maar die gehandeld hebt naar de zeden van de volken rondom.' EZ 11:13 Terwijl ik profeteerde, viel Pelatja, de zoon van Benaja, dood neer; ik wierp mij ter aarde en schreeuwde luidkeels: 'Ach Heer Jahwe, gaat Gij dan een einde maken aan de rest van Israël?' EZ 11:14 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 11:15 'Mensenkind, uw broeders, uw ware broeders, zijn uw medeballingen; zij zijn het eigenlijke volk van Israël, ofschoon de inwoners van Jeruzalem zeggen: Zij zijn ver van Jahwe; ons is dit land in bezit gegeven. EZ 11:16 Zeg daarom: Zo spreekt Jahwe de Heer: Hoewel Ik hen verdreven heb onder de volken en hen verstrooid heb over de landen, ben Ik voor hen toch nog een heiligdom in de landen waar ze terechtgekomen zijn. EZ 11:17 Zeg hun bovendien: Zo spreekt Jahwe de Heer: Ik zal u bijeenbrengen uit de volken, u verzamelen uit de landen waarover ge verstrooid zijt, en u zal Ik de grond van Israël geven. EZ 11:18 Daar aan gekomen zullen ze er alle gruwelen en alle afgoden verwijderen. EZ 11:19 Ik zal hun een nieuw hart geven en een nieuwe geest in hun binnenste uitstorten; Ik zal het stenen hart uit het lichaam verwijderen en hun een hart van vlees geven, EZ 11:20 opdat ze mijn wetten in acht nemen en mijn geboden nauwlettend onderhouden. Zo zullen ze mijn volk zijn en Ik hun God. EZ 11:21 Maar al degenen die zich aan hun gruwelen en afgoden vergooid hebben zal Ik hun daden vergelden, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.' EZ 11:22 Toen sloegen de kerubs met de wielen naast zich hun vleugels uit, terwijl de heerlijkheid van Israëls God boven hen zweefde. EZ 11:23 De heerlijkheid van Jahwe steeg op uit de stad en liet zich neer op de berg die ten oosten van de stad ligt. EZ 11:24 De geest hief mij op en bracht mij in mijn hemels visioen terug naar de ballingen in het land van de Chaldeeën. En toen het visioen dat ik gezien had van mij geweken was, EZ 11:25 deelde ik de ballingen alles mee wat Jahwe mij had laten zien. EZ 12:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 12:2 Mensenkind, ge woont temidden van een weerspannig volk, dat ogen heeft om te zien maar niet ziet, en oren om te horen maar niet hoort; het is nu eenmaal een weerspannig volk. EZ 12:3 Mensenkind, pak bij elkaar zoveel als een balling mee kan nemen en ga bij dag, voor aller ogen, in ballingschap. Voor hun ogen moet ge uit uw woonplaats vertrekken naar elders; misschien komen ze dan tot het inzicht dat ze een weerspannig volk zijn. EZ 12:4 Breng de bagage voor uw ballingschap overdag voor hun ogen naar buiten en vertrek voor hun ogen tegen het vallen van de avond als een balling. EZ 12:5 Maak voor hun ogen een gat in de muur en stap daar doorheen. EZ 12:6 Uw bagage moet ge voor hun ogen op uw schouders laden en in het donker vertrekken; ge moet uw gezicht bedekken, zodat ge de grond niet kunt zien; want Ik maak u tot een teken voor het volk van Israël. EZ 12:7 Ik deed zoals mij bevolen was; ik bracht de bagage die ik als balling nodig had overdag naar buiten, en tegen de avond maakte ik met mijn hand een gat in de muur; in het donker laadde ik voor hun ogen de bagage op mijn schouder en vertrok. EZ 12:8 De volgende morgen werd het woord van Jahwe tot mij gericht: EZ 12:9 Mensenkind, heeft het volk van Israël, dat weerspannige volk, u niet gevraagd: 'Wat doet u?' EZ 12:10 Zeg tot hen: Zo spreekt Jahwe de Heer: Dit is een boodschap voor de vorst in Jeruzalem en voor heel het volk van Israël dat daar woont. EZ 12:11 Zeg tot hen: Ik ben voor u een teken; zoals Ik gedaan heb, zo zal met hen gebeuren: in ballingschap, in gevangenschap zullen ze gaan. EZ 12:12 Hun vorst zal in het donker zijn bagage op zijn schouder laden en de stad verlaten; men zal een gat in de muur maken om hem naar buiten te laten; hij zal zijn gezicht bedekken, omdat hij deze grond met eigen ogen niet zal weerzien. EZ 12:13 Ik zal mijn net over hem uitgooien en hij zal in mijn strik gevangen worden. Ik zal hem naar Babel brengen, het land van de Chaldeeën, maar hij zal dat land niet kunnen zien; daar zal hij sterven. EZ 12:14 Allen die tot zijn gevolg behoren, zijn keurbenden en al zijn troepen, zal Ik naar alle windstreken verstrooien en met het zwaard achtervolgen. EZ 12:15 Zij zullen weten dat Ik Jahwe ben, wanneer Ik hen onder de volken verspreid en over de landen verstrooi. EZ 12:16 Maar een klein aantal mannen onder hen zal Ik laten ontkomen aan honger en pest, opdat ze al hun gruweldaden kunnen verhalen onder de volken in wier gebied ze komen, en die zullen erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 12:17 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 12:18 Mensenkind, sidder als ge uw brood eet, beef van angst als ge uw water drinkt, EZ 12:19 en zeg tot de bevolking van het land: Zo spreekt Jahwe de Heer tot de inwoners van Jeruzalem, tot heel het land van Israël: Hun brood zullen ze eten vol angst en hun water drinken met ontzetting. Dit doe Ik om hun land van alles te beroven en er een woestenij van te maken, vanwege de gruweldaden van zijn bewoners. EZ 12:20 De bewoonde steden zullen in puin liggen en het land zal een woestenij worden, en ge zult erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 12:21 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 12:22 Mensenkind, wat is dat voor een gezegde bij u in Israël: De tijd verstrijkt en geen enkel visioen komt uit? EZ 12:23 Zeg daarom tot hen: Zo spreekt Jahwe de Heer: Ik zal aan dat gezegde een eind maken; men zal het in Israël niet meer gebruiken. Zeg daarentegen tot hen: De tijd is nabij en daarmee de vervulling van elk visioen. EZ 12:24 Want er zal geen loos visioen of misleidende waarzegging meer voorkomen onder het volk van Israël. EZ 12:25 Want Ik, Jahwe, zal spreken en al wat Ik zeg zal zonder uitstel in vervulling gaan. Nog in uw dagen, weerspannig volk, zal Ik ten uitvoer brengen wat Ik gezegd heb, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 12:26 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 12:27 Mensenkind! Het volk van Israël zegt: Dat visioen van hem heeft betrekking op een verre toekomst; hij profeteert voor verre tijden. EZ 12:28 Zeg daarom tot hen: Zo spreekt Jahwe de Heer: Elk van mijn woorden zal zonder uitstel in vervulling gaan. Het woord dat Ik spreek zal in vervulling gaan, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 13:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 13:2 Mensenkind, profeteer tegen de profeten die op eigen gezag in Israël profeteren, en zeg tot hen: Luister naar het woord van Jahwe: EZ 13:3 Zo spreekt Jahwe de Heer: Wee de dwaze profeten die zich alleen maar verbeelden iets gezien te hebben. EZ 13:4 Vossen op puinhopen, dat zijn Israëls profeten. EZ 13:5 Ge zijt niet op de bres gaan staan en hebt geen muur opgetrokken rond het volk van Israël opdat het stand zou kunnen houden in de strijd op de dag van Jahwe. EZ 13:6 Waardeloze zieners zijn het en valse voorspellers. Ze zeggen wel: 'Zo luidt het woord van Jahwe', maar Jahwe heeft ze niet gezonden. En dan verwachten ze nog dat hun woorden in vervulling gaan! EZ 13:7 Zijt gij geen waardeloze zieners en geen valse voorspellers? Gij hebt immers gezegd: 'Zo luidt het woord van Jahwe', terwijl Ik niet tot u gesproken had? EZ 13:8 Daarom! zo spreekt Jahwe de Heer: Omdat ge waardeloze zieners en valse voorspellers zijt, zal Ik u straffen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 13:9 Mijn hand zal die profeten treffen, die waardeloze zieners en valse voorspellers; tot de kring van mijn volk zullen ze niet behoren, in het boek van het volk van Israël niet ingeschreven worden en de grond van Israël niet betreden. En ge zult erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 13:10 Omdat ze mijn volk misleid hebben door te zeggen dat alles goed ging, terwijl het helemaal niet goed ging, en de muur, door het volk gebouwd, met kalk bepleisterd hebben, EZ 13:11 zeg daarom tot die pleisteraars: Een stortregen zal neerplassen, hagelstenen zullen neerkletteren en een storm zal losbarsten. EZ 13:12 Als dan de muur ingestort is, zal men aan u vragen: 'Waar is nu de kalk die gij erop gestreken hebt?' EZ 13:13 Ja, zo spreekt Jahwe de Heer, Ik zal in mijn woede een storm ontketenen, in mijn toorn laat Ik een stortregen neerstromen, in mijn verbolgenheid hagelstenen neerkletteren, en alles zal Ik vernietigen. EZ 13:14 Ik zal de muur die gij met kalk bepleisterd hebt omverhalen en tegen de vlakte werpen, en zijn fundering blootleggen. De stad zal vallen; ge zult daarin omkomen en erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 13:15 Ik zal mijn woede koelen op de muur en op degenen die hem met kalk bepleisterden. Dan zal Ik tot u zeggen: Verdwenen is de muur en verdwenen zijn gij die hem bepleisterd hebben, EZ 13:16 de profeten van Israël, die over Jeruzalem profeteerden en in hun visioenen heil en voorspoed zagen, terwijl er van heil en voorspoed geen sprake kon zijn, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 13:17 Mensenkind, richt u tot de dochters van uw volk die op eigen gezag profeteren; profeteer tegen haar EZ 13:18 en zeg: Zo spreekt Jahwe de Heer: Wee haar die strikken binden om de polsen en sluiers winden om het hoofd van groot en klein, op jacht naar mensenlevens. Zoudt ge op de levens van mijn volk kunnen jagen en daarbij uw eigen leven behouden? EZ 13:19 Ge ontwijdt mijn naam bij mijn volk voor een handvol gerst en een stuk brood; gij doodt levens die niet mochten sterven en levens die verdienen te sterven tracht gij te behouden, want gij misleidt mijn volk, dat naar uw leugens luistert. EZ 13:20 Zo spreekt Jahwe de Heer: De strikken waarmee gij de levens als vogels vangt, zal Ik afrukken van de armen van uw slachtoffers, en de levens die gij als vogels gevangen hebt vrijlaten. EZ 13:21 Ik zal uw sluiers verscheuren en mijn volk uit uw handen bevrijden; het zal niet langer uw prooi zijn. En ge zult erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 13:22 Omdat door uw bedrog het hart van de rechtvaardige in nood geraakt is, geheel in strijd met mijn bedoelingen, en de boosdoener in zijn boosheid gestijfd is, zodat hij zich niet betert en in leven blijft, EZ 13:23 daarom is het afgelopen met uw waardeloze visioenen en uw toverpraktijken; Ik zal mijn volk uit uw handen bevrijden en gij zult erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 14:1 Op een dag kwamen enigen van Israëls oudsten bij mij en zetten zich voor mij neer. EZ 14:2 En het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 14:3 Mensenkind, deze mensen hebben zich overgegeven aan hun afgoden en ze kunnen hun blik niet afwenden van wat hen tot zonde verleidt. Zou ik mij dan nog door hen laten ondervragen? EZ 14:4 Spreek daarom tot hen en zeg: Zo spreekt Jahwe de Heer: Een ieder van het volk van Israël die zich heeft overgegeven aan de afgoden en zijn blik niet kan afwenden van wat hem tot zonde verleidt, en toch voor de profeet durft te verschijnen: hem zal Ik, Jahwe, dan zelf van antwoord dienen met al zijn afgoden. EZ 14:5 Zo zal Ik het volk van Israël, dat zich met zijn afgoden geheel van Mij heeft afgekeerd, in het hart treffen. EZ 14:6 Zeg daarom tot het volk van Israël: Zo spreekt Jahwe de Heer: Bekeer u en breek met uw afgod en al uw gruwelen. EZ 14:7 Want iedere Israëliet en iedere vreemdeling die in Israël verblijft, die zich van Mij afwendt, zich aan de afgoden overgeeft en zijn blik vestigt op wat hem tot zonde verleidt, en die toch naar de profeet gaat om Mij te raadplegen: hem zal Ik, Jahwe, zelf van antwoord dienen. EZ 14:8 Ik keer mij tegen die man, maak hem tot een afschrikwekkend teken en snijd hem af van mijn volk; zo zult ge erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 14:9 Als de profeet zo onnozel is om zich te laten verleiden tot een uitspraak, dan zal Ik, Jahwe, tegen die onnozele profeet mijn hand uitstrekken en hem van mijn volk Israël afsnijden. EZ 14:10 Ze zullen beiden hun straf krijgen; de straf van de vrager zal even zwaar zijn als die van de profeet; EZ 14:11 dan zal het volk van Israël zich niet meer van Mij afkeren en zich niet meer bezoedelen door zijn wandaden. Zo zullen ze mijn volk zijn en Ik hun God, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 14:12 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 14:13 Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd heeft en Mij ontrouw is geworden, dan strek Ik mijn hand ertegen uit, breek er de broodstok en roei er mensen en dieren uit. EZ 14:14 Als in dat land deze drie mannen zouden wonen: Noach, Daniël en Job, dan zou hun gerechtigheid slechts henzelf redden, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 14:15 Laat Ik wilde dieren op dat land los, waardoor het ontvolkt en verlaten wordt, omdat uit vrees voor de dieren niemand er nog doorheen trekt, EZ 14:16 en die drie mannen zouden daar wonen: zo waar Ik leef, ze zouden hun eigen zonen en dochters niet eens kunnen redden, spreekt Jahwe de Heer; alleen zijzelf zouden worden gered, maar het land zou een woestenij worden. EZ 14:17 Ontbied Ik het zwaard tegen dat land en beveel Ik het er doorheen te trekken, en roei Ik er mensen en dieren uit, EZ 14:18 en die drie mannen zouden er wonen; zo waar Ik leef, ze zouden hun eigen zonen en dochters niet eens kunnen redden, spreekt Jahwe de Heer; alleen zijzelf zou den worden gered. EZ 14:19 Laat ik in dat land de pest uitbreken en koel Ik mijn woede door er bloed te vergieten en er mensen en dieren uit te roeien, EZ 14:20 en Noach, Daniël en Job zouden er wonen: zo waar Ik leef, ze zouden hun eigen zonen en dochters niet eens kunnen redden, spreekt Jahwe de Heer; hun gerechtigheid zou alleen henzelf redden. EZ 14:21 Maar, spreekt Jahwe de Heer, al zend Ik ook mijn vier ergste straffen: het zwaard, de hongersnood, de wilde dieren en de pest op Jeruzalem af om er mensen en dieren uit te roeien, EZ 14:22 dan zullen een aantal mannen en vrouwen overblijven; zij zullen de stad uitgevoerd worden en bij u terechtkomen. Als ge dan verneemt wat ze allemaal gedaan hebben, zult ge berusten in het onheil dat Ik over Jeruzalem heb doen komen, in al het leed dat Ik over de stad gebracht heb. EZ 14:23 Zij zullen u doen berusten. Als ge verneemt wat ze allemaal gedaan hebben, zult ge er vrede mee hebben en erkennen dat Ik dat alles niet zonder reden gedaan heb, spreekt Jahwe de Heer. EZ 15:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 15:2 Mensenkind, is het hout van de wijnstok beter dan enig soortgelijk hout tussen de bomen van het bos? EZ 15:3 Kan men van dat hout soms iets maken? Kan men er zelfs maar een pin van maken om er iets aan op te hangen? EZ 15:4 En als men het als brandstof gebruikt en het vuur heeft de beide uiteinden verteerd en het middenstuk geblakerd: kan het dan nog ergens voor deugen? EZ 15:5 Zelfs toen het nog gaaf was kon men er niets van maken; hoeveel te minder als het vuur het verteerd heeft en het geblakerd is. Kan men er dan nog iets van maken? EZ 15:6 Zo spreekt Jahwe de Heer: Zoals men van alle houtgewas van het bos de wijnstok als brandstof in het vuur werpt, zo lever Ik ook de bewoners van Jeruzalem uit. EZ 15:7 Ik keer Mij tegen hen; al zijn ze aan het vuur ontsnapt, toch zal het vuur hen verteren; ge zult erkennen dat Ik Jahwe ben, als Ik mij tegen hen keer EZ 15:8 en van het land een woestenij maak, omdat ze afvallig zijn geworden, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 16:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 16:2 Mensenkind, houd Jeruzalem haar gruweldaden voor ogen. EZ 16:3 Ge moet zeggen: Zo spreekt Jahwe de Heer tot Jeruzalem: Naar afkomst en geboorte ben je uit het land van Kanaän; je vader was een Amoriet, je moeder een Hethitische. EZ 16:4 Toen je geboren was werd je navelstreng niet doorgeknipt; je werd niet met water gewassen, ter reiniging; je werd, toen je ter wereld kam, niet met zout ingewreven noch in doeken gewikkeld. EZ 16:5 Niemand had medelijden met je of ontfermde zich over je om voor je te zorgen. Op de dag van je geboorte werd je in het vrije veld te vondeling gelegd, omdat men aan jouw leven geen waarde hechtte. EZ 16:6 Toen kwam Ik langs je en toen Ik zag hoe je daar lag te trappelen in je bloed, sprak Ik tot je: 'Blijf leven! Blijf leven!' sprak Ik tot jou, terwijl je lag te trappelen in je bloed. EZ 16:7 Onder mijn zorgen groeide je op als een veldbloem; je groeide op, werd groot en zeer schoon; je borsten werden rond en je haar groeide, maar je was nog altijd moedernaakt. EZ 16:8 Toen Ik weer langs kwam, zag Ik dat voor jou de tijd van de liefde was gekomen. Ik spreidde de slip van mijn mantel over je uit en bedekte je naaktheid. Ik zwoer je trouw en ging een verbintenis met je aan; je werd de mijne, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 16:9 Ik waste je met water, reinigde je van het bloed en zalfde je met olie. EZ 16:10 Ik kleedde je in bonte kleren, gaf je sandalen van het fijnste leer, bond je een linnen hoofdband om en gaf je een sluier van fijne stof. EZ 16:11 Ik tooide je met sieraden, deed armbanden om je polsen en een snoer om je hals. EZ 16:12 Ik gaf je een ring in je neus, hangers aan je oren en een diadeem op je hoofd. EZ 16:13 Je was getooid met goud en zilver; je kleding was van linnen, fijne stof en bonte weefsels; je voedsel werd bereid met het fijnste meel, met honing en olie. Je werd buitengewoon mooi, een koningin gelijk. EZ 16:14 De roem van je schoonheid verspreidde zich onder de volken, want volmaakt was de luister die Ik je verleend had, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 16:15 Maar je schoonheid maakte je al te vrijmoedig en je ging munt slaan uit je faam; je bekoorlijkheid bood je aan iedere voorbijganger die maar wilde te koop aan. EZ 16:16 Met je bonte kleren versierde je de offerhoogten om daar ontucht te plegen. Nooit is zoiets voorgekomen en moge het ook nooit meer gebeuren. EZ 16:17 Je nam de gouden en zilveren sieraden die Ik je geschonken had, maakte er mannenbeelden van en pleegde daar ontucht mee. EZ 16:18 Je nam je kleren van bonte weefsels en hulde ze daarin; mijn olie en reukwerk heb je ze voorgezet; EZ 16:19 het voedsel dat Ik je gegeven had, bereid met het fijnste meel, met honing en olie, heb je ze voorgezet als een geurige gave, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 16:20 Je nam de zonen en de dochters die je me gebaard had en offerde ze hun als spijs. Was je ontucht nog niet groot genoeg, EZ 16:21 dat je bovendien mijn kinderen slachtte om ze aan hen te offeren? EZ 16:22 En bij al die gruweldaden en die ontucht heb je niet meer teruggedacht aan de dagen van je jeugd en aan de tijd dat je moedernaakt lag te trappelen in je bloed. EZ 16:23 Ach, ongelukkige! luidt de godsspraak van Jahwe de Heer, na al deze wandaden EZ 16:24 heb je heuvels en hoogten aangelegd op elk plein EZ 16:25 en op elk kruispunt; je gooide je schoonheid te grabbel en spreidde je benen voor elke voorbijganger en je geilheid was onverzadigbaar. EZ 16:26 Je pleegde ontucht met de Egyptenaren, je buren met hun grote lid; keer op keer pleegde je ontucht, om Mij te tergen. EZ 16:27 Daarom heb Ik mijn hand tegen je uitgestrekt, je erfdeel gekort en je overgegeven aan de willekeur van je mededingsters, de dochters der Filistijnen, die zich schaamden over je schandalig gedrag. EZ 16:28 Bovendien pleegde je ontucht met de Assyriers, omdat je nog niet verzadigd was; je pleegde ontucht met hen, en nog was je niet verzadigd. EZ 16:29 Daarom pleegde je herhaaldelijk ontucht met de handeldrijvende Chaldeeën, maar nog altijd was je niet verzadigd. EZ 16:30 Hoe werd je door hartstocht verteerd, luidt de godsspraak van Jahwe, de Heer, dat je hiertoe in staat was, als was je een volleerde hoer. EZ 16:31 Je hebt heuvels en hoogten aangelegd op elk kruispunt en op elk plein. En toch gedroeg je je niet echt als een hoer, want betaling wees je van de hand. EZ 16:32 Jij overspelige vrouw, die zich aan vreemden geeft in plaats van aan haar eigen man! EZ 16:33 Alle hoeren laten zich betalen, maar jij betaalde zelf je minnaars en lokte ze zo van alle kanten naar je toe, om ontucht met je te plegen. EZ 16:34 Het ging bij jou dus juist anders dan bij andere hoeren, want voor jou hoefde men geen moeite te doen: je gaf zelf geschenken en niemand hoefde jou geschenken te geven. Zo was het bij jou dus juist omgekeerd. EZ 16:35 Daarom, hoer, luister naar het woord van Jahwe; EZ 16:36 Zo spreekt Jahwe de Heer: Omdat je in je buitensporige ontucht je zo hebt laten gaan en in je schaamteloosheid je naaktheid ontbloot hebt voor je minnaars en omdat je aan je afschuwelijke afgoden het bloed van je zonen geofferd hebt, EZ 16:37 daarom breng Ik alle minnaars bijeen met wie je je afgegeven hebt. Niet alleen degenen die je bemind hebt, maar ook allen die je hebt afgewezen breng Ik van alle kanten naar je toe; Ik zal voor hen je naaktheid ontbloten, zodat ze je in al je naaktheid kunnen bekijken. EZ 16:38 Ik zal aan jou het vonnis voltrekken dat geldt voor overspelige vrouwen en voor vrouwen die bloed vergieten: het bloed zal Ik op je hoofd doen neerkomen en je mijn toorn en naijver laten voelen. EZ 16:39 Ik zal je aan je minnaars uitleveren: ze zullen je heuvels en hoogten slechten; ze zullen je kleren van het lijf rukken, je sieraden afpakken en je moedernaakt laten liggen. EZ 16:40 Ze zullen een menigte tegen je op de been brengen; ze zullen je stenigen en met hun zwaard in stukken houwen. EZ 16:41 Dan zullen ze je huizen in brand steken en voor de ogen van talrijke vrouwen het strafgericht aan je voltrekken. Zo zal Ik een einde maken aan je ontucht en je zult niet meer in staat zijn geschenken te geven. EZ 16:42 Ik zal mijn woede op je koelen, tot mijn naijver bedaard is, Ik tot rust gekomen ben en Me niet langer getergd voel. EZ 16:43 Omdat je nooit terugdacht aan de dagen van je jeugd, maar Mij gedurig sarde, daarom zal Ik je zonden op je hoofd doen neerkomen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. Daarmee is dan een einde gekomen aan je ontucht en je gruweldaden. EZ 16:44 Ja, wie een spreuk op jou zou willen maken, zou moeten zeggen: 'Zo moeder, zo dochter.' EZ 16:45 Je bent echt de dochter van je moeder, die een afkeer had van haar man en haar zonen, en echt de zuster van je zusters, die een afkeer hadden van hun mannen en hun zonen. Jullie moeder was een Hethitische, jullie vader een Amoriet. EZ 16:46 Je oudste zuster is Samaria, die met haar dochters links van je woont; je jongste zuster, die met haar dochters rechts van je woont, is Sodom. EZ 16:47 Je bent niet alleen in haar voetspoor getreden en hebt niet alleen dezelfde gruweldaden bedreven als zij, maar het duurde niet lang of je gedrag was nog erger dan het hunne. EZ 16:48 Zowaar Ik leef, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer, je zuster Sodom met haar dochters heeft het niet zo bont gemaakt als jij met je dochters. EZ 16:49 De ongerechtigheid van je zuster Sodom en haar dochters bestond hierin dat ze leefden in een overdaad waar ze prat op gingen en in zorgeloze rust, en zich om de misdeelde en de behoefte niet bekommerden. EZ 16:50 Ze waren hoogmoedig en wat ze deden was een gruwel in mijn ogen. Daarom heb Ik ze verstoten, zoals je weet. EZ 16:51 Ook Samaria heeft nog niet de helft misdreven van wat jij misdreven hebt. Jij hebt veel meer gruweldaden gepleegd dan die twee zusters van je die, vergeleken met jou en je gruweldaden, nog rechtschapen te noemen zijn. EZ 16:52 Draag dan ook de schande ervan dat je aldus, door je gruwelijke zonden, je zusters rechtvaardigt. Schaam je en draag de schande dat je je zusters rechtvaardigt. EZ 16:53 Ik zal haar lot ten beste keren, het lot van Sodom met haar dochters en het lot van Samaria met haar dochters. Als Ik ook jouw lot ten beste keer, doe Ik dat samen met dat van haar, EZ 16:54 om je zo nog te vernederen en je over al je daden beschaamd te doen staan, omdat je die twee troost verschaft. EZ 16:55 Je zuster Sodom zal met haar dochters in haar vroegere staat worden hersteld; Samaria zal met haar dochters in haar vroegere staat worden hersteld en ook jij met je dochters zult in je vroegere staat worden hersteld. EZ 16:56 Was de naam van je zuster Sodom geen scheldwoord in je mond, toen je zo overmoedig was, EZ 16:57 en je ongerechtigheid nog niet aan de kaak was gesteld? Dan zal nu jouw naam de spot opwekken van de dochters van Edom en van al haar buren en van de dochters der Filistijnen; van alle kanten zullen ze je honen. EZ 16:58 Je schandelijke gruweldaden, je zult ervoor boeten, spreekt Jahwe de Heer. EZ 16:59 Want, zo spreekt Jahwe de Heer, zoals jij jegens Mij je eed hebt geschonden en het verbond hebt verbroken, zo zal Ik het doen tegenover jou. EZ 16:60 Toch zal Ik blijven denken aan het verbond dat Ik met jou sloot in de dagen van je jeugd; Ik zal er een eeuwigdurend verbond met jou van maken. EZ 16:61 Dan zul je met schaamte terugdenken aan alles wat je misdreven hebt, wanneer Ik jou je oudere en je jongere zusters tot dochters geef, zonder ze te laten delen in je verbond. EZ 16:62 Ik zal mijn verbond met je gestand doen, en je zult erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 16:63 En wanneer je terugdenkt aan wat er gebeurd is, zul je van schaamte geen woord durven zeggen, omdat Ik je alles heb vergeven wat je misdaan hebt, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 17:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 17:2 Mensenkind, spreek tot het volk van Israël in beelden en vertel hun de volgende gelijkenis: EZ 17:3 Zo spreekt Jahwe de Heer: Een grote arend met machtige vleugels, breed van vlucht, dik in de veren met bonte kleuren, kwam naar Libanon en rukte van een ceder de top af. EZ 17:4 De bovenste scheut brak hij af, bracht die naar een handeldrijvend land en plaatste hem in een stad van kooplieden. EZ 17:5 Toen nam hij een stek van het land en plantte die in een akker, rijk door water bevloeid, zoals men wilgen plant. EZ 17:6 Hij liep uit en werd een breed vertakte wijnstok. Zijn stam was kort, zijn ranken waren naar de arend toegekeerd en onder de arend zaten zijn wortels. Zo groeide hij uit tot een wijnstok en kreeg ranken en twijgen. EZ 17:7 Maar toen er nog een andere grote arend kwam, met machtige vleugels en dik in de veren, strekte die wijnstok zijn wortels naar hem uit en deed zijn ranken naar hem toegroeien, om van hem water te krijgen en niet van de grond waarin hij geplant was. EZ 17:8 Toch was hij geplant in een goede akker, waar water genoeg was om ranken voort te brengen, vrucht te dragen en een prachtige wijnstok te worden. EZ 17:9 Zal hij daar beter van worden? spreekt Jahwe de Heer. Zal men niet eerder zijn wortels uitrukken, zijn vrucht afsnijden en al zijn groene loof laten verdorren? Ja, hij zal verdorren en er zal niet eens een grote krachtsinspanning of een sterk leger nodig zijn om hem van zijn wortel af te rukken. EZ 17:10 Want zie, hij staat wel geplant, maar zal hij ook gedijen? Zal hij niet geheel verdorren als de oostenwind over hem heenstrijkt? Op de grond waarop hij groeit zal hij verdorren. EZ 17:11 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 17:12 Zeg tot dat weerspannige volk: Weet u niet wat dit betekent? Zie, de koning van Babel is naar Jeruzalem gekomen, heeft er de koning en zijn beambten gevangen genomen en naar Babel gevoerd. EZ 17:13 Vervolgens koos hij iemand van het koninklijk huis, verbond hem aan zich en verplichtte hem onder ede tot trouw. Ook de rijksgroten voerde hij met zich mee. EZ 17:14 Zo zou het een onbeduidend koninkrijk zijn en het hoofd niet kunnen opsteken. Wilde de koning van Jeruzalem zich kunnen handhaven, dan moest hij zich aan het verbond houden. EZ 17:15 Maar hij kwam tegen de koning van Babel in opstand en stuurde gezanten naar Egypte, met het verzoek hem paarden en veel troepen te leveren. Zal hij in zijn opzet slagen? Zal iemand die zoiets doet het leven er afbrengen? Kan men zo maar straffeloos een verbond verbreken? EZ 17:16 Zo waar Ik leef, spreekt Jahwe de Heer, in de woonplaats van de koning die hem tot koning verhief, maar jegens wie hij zijn eed schond, en wiens verbond hij verbrak, in Babel zal hij sterven. EZ 17:17 Ook zal Farao hem niet met een grote krijgsmacht en een talrijke schare in de strijd bijstaan, als men een wal opwerpt en een schans bouwt om velen van het leven te beroven. EZ 17:18 Hij heeft de eed geschonden en het verbond verbroken. Hoewel hij er zijn hand op gegeven had, heeft hij het toch gedaan: hij zal het leven er niet afbrengen. EZ 17:19 Daarom, zo spreekt Jahwe de Heer: Zo waar Ik leef, de eed, bij Mij gezworen, die hij geschonden, en het verbond, in mijn naam gesloten, dat hij verbroken heeft, die zal Ik op zijn hoofd doen neerkomen. EZ 17:20 Ik zal mijn net over hem heengooien en hij zal gevangen worden in mijn strik. Ik zal hem naar Babel voeren en hem daar vonnissen vanwege de ontrouw die hij jegens Mij heeft gepleegd. EZ 17:21 De keur van al zijn troepen zal vallen door het zwaard en wat overblijft zal naar alle windstreken worden verstrooid, en dan zult ge erkennen dat Ik, Jahwe, gesproken heb. EZ 17:22 Zo spreekt Jahwe de Heer: Ikzelf zal uit de top van een hoge ceder een takje nemen en dat in de grond zetten; van de bovenste scheuten zal Ik een twijgje plukken en Ikzelf zal het planten op een hoog oprijzende berg; EZ 17:23 op de hoge bergen van Israël zal Ik het planten. Het zal loten voortbrengen, vrucht vormen en een prachtige ceder worden. Daaronder zullen allerlei soorten vogels nestelen; in de schaduw van zijn takken zullen ze nestelen. EZ 17:24 Dan zullen alle bomen in het veld erkennen dat Ik, Jahwe, een hoge boom vernederd en een lage boom verheven heb, en dat Ik een sappige boom heb doen verdorren en een dorre boom tot bloei gebracht heb; Ik, Jahwe, heb het gezegd en Ik zal het doen. EZ 18:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 18:2 Hoe komt ge erbij, op de toestand van Israël dit spreekwoord toe te passen: De vaders hebben zure druiven gegeten en de tanden van de kinderen zijn er stroef van? EZ 18:3 Zo waar Ik leef, spreekt Jahwe de Heer, geen Israëliet zal dit spreekwoord nog ooit mogen gebruiken. EZ 18:4 Alle mensen zijn voor Mij gelijk; in mijn ogen heeft de persoon van de vader niets voor op die van de zoon; alleen degene die zondigt zal sterven. EZ 18:5 Als iemand een rechtvaardige is en handelt naar wet en recht, EZ 18:6 geen offermaal houdt op de bergen en zijn ogen niet opslaat naar de afgoden van het volk van Israël, andermans vrouw niet onteert en geen gemeenschap heeft met een vrouw in haar stonden, EZ 18:7 niemand verdrukt, aan de schuldenaar het onderpand teruggeeft en zich andermans goed niet toeëigent, zijn voedsel met de hongerige deelt en de naakte kleding verschaft, EZ 18:8 niet uitleent tegen rente, geen woekerwinst neemt, zich van onrecht onthoudt en een eerlijk vonnis velt tussen twee partijen, EZ 18:9 naar mijn voorschriften leeft en nauwgezet mijn geboden onderhoudt: dan blijft deze rechtvaardige in leven, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 18:10 Krijgt hij nu een onverlaat van een zoon, die bloed vergiet en deze dingen EZ 18:11 die hijzelf nooit gedaan had, helaas wel doet, die offermaaltijden houdt op de bergen, andermans vrouw onteert, EZ 18:12 de misdeelde en de behoeftige verdrukt, zich andermans goed toeëigent, een onderpand niet teruggeeft, zijn ogen opslaat naar de afgoden en gruweldaden bedrijft, EZ 18:13 uitleent tegen rente en woekerwinst neemt: zou die zoon dan in leven blijven? Neen, vanwege al die gruweldaden zal hij zeker sterven en zal zijn bloed op hem neerkomen. EZ 18:14 Maar krijgt deze op zijn beurt een zoon, die al het kwaad ziet dat zijn vader doet maar desondanks dat slechte voorbeeld niet navolgt, EZ 18:15 die geen offermaal houdt op de bergen en zijn ogen niet opslaat naar de afgoden van het volk van Israël, andermans vrouw niet onteert, EZ 18:16 niemand verdrukt, geen onderpand neemt, zich andermans goed niet toeëigent, zijn voedsel deelt met de hongerige en de naakte kleding verschaft, geen rente of woekerwinst neemt, EZ 18:17 zich van onrecht onthoudt, mijn geboden naleeft en mijn voorschriften opvolgt: dan zal die zoon niet sterven vanwege de ongerechtigheid van zijn vader; hij zal zeker in leven blijven. EZ 18:18 Maar zijn vader, die een woekeraar was, zich andermans goed heeft toegeeigend en onder zijn verwanten gedaan wat niet goed is, die zal sterven om zijn ongerechtigheid. EZ 18:19 Gij vraagt: 'Waarom hoeft de zoon niet te boeten voor de ongerechtigheid van zijn vader?' Omdat de zoon naar recht en wet heeft gehandeld en al mijn geboden nauwgezet onderhouden heeft, blijft hij in leven. EZ 18:20 Alleen de zondaar zelf zal sterven. De zoon hoeft niet te boeten voor de zonden van zijn vader, en de vader niet voor de zonden van zijn zoon. De rechtvaardigheid zal alleen de rechtvaardige worden toegerekend en de boosheid alleen de boosdoener. EZ 18:21 Als een boosdoener zich bekeert van de zonden die hij gedaan heeft, al mijn geboden onderhoudt en handelt naar recht en wet, dan zal hij in leven blijven; hij zal niet sterven. EZ 18:22 De zonden die hij gedaan heeft worden hem niet aangerekend; om zijn goede daden zal hij in leven blijven. EZ 18:23 Zou Ik soms behagen scheppen in de dood van de zondaar, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer, en niet veel liever zien dat hij zijn leven betert en in leven blijft? EZ 18:24 Maar als een rechtvaardige van de weg der gerechtigheid afwijkt en kwaad gaat doen en dezelfde gruwelen bedrijft als de boosdoener, zal hij dan in leven blijven? Al zijn vroegere goede daden tellen dan niet meer mee; omdat hij afgevallen is en gezondigd heeft, zal hij sterven. EZ 18:25 Hier brengt ge tegen in: 'De weg van de Heer is niet recht!' Luister toch, volk van Israël: Zou mijn weg niet recht zijn? Zijn het niet veeleer uw wegen die niet recht zijn? EZ 18:26 Als een rechtvaardige afwijkt van de weg der gerechtigheid en kwaad gaat doen, zal hij om die reden sterven; om het kwaad dat hij gedaan heeft zal hij sterven. EZ 18:27 En als de boosdoener zich bekeert van de zonden die hij gedaan heeft en naar recht en wet handelt, dan blijft hij in leven. EZ 18:28 Hij is tot beter inzicht gekomen en heeft gebroken met zijn wangedrag; hij zal in leven blijven en niet sterven. EZ 18:29 En dan zegt het volk van Israël: 'De weg van de Heer is niet recht!' Zijn het niet veeleer uw wegen die niet recht zijn? EZ 18:30 Daarom zal Ik ieder van u naar zijn daden oordelen, volk van Israël, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. Bekeer u, wend u af van al uw wandaden; anders worden ze u noodlottig. EZ 18:31 Breek met al de wandaden die ge bedreven hebt; vernieuw uw hart en uw geest, want waarom zoudt ge sterven, volk van Israël? EZ 18:32 Ik schep geen behagen in de dood van de gestorvene, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. Bekeer u dus en blijf in leven! EZ 19:1 Hef een klaaglied aan over de vorsten van Israël EZ 19:2 en zeg: Wat een prachtleeuwin was uw moeder. Tussen haar jongen legde zij zich neer, haar welpen bracht zij groot. EZ 19:3 Een van haar welpen verhief ze tot jonge leeuw. Hij begon op rooftocht te gaan; zelfs mensen verslond hij. EZ 19:4 Maar de volken hoorden van hem; in hun valkuil werd hij gevangen; ze brachten hem met haken naar Egypte. EZ 19:5 Toen zij zag dat ze vergeefs gehoopt had en dat haar hoop was vervlogen, koos ze een andere welp en verhief hem tot jonge leeuw. EZ 19:6 Fier liep hij rond tussen de leeuwen; hij was een jonge leeuw. Hij begon op rooftocht te gaan; zelfs mensen verslond hij. EZ 19:7 Hij vernielde hun paleizen en verwoestte hun steden; heel het land werd van schrik vervuld om zijn machtig gebrul. EZ 19:8 Nu keerden de volken uit de landstreken rondom zich tegen hem en gooiden hun net over hem uit; in hun valkuil werd hij gevangen. EZ 19:9 Ze bedwongen hem met haken en sloten hem op in een kooi. Ze voerden hem naar de koning van Babel en brachten hem in een sterke burcht, opdat zijn gebrul niet meer zou worden gehoord op de bergen van Israël. EZ 19:10 Uw moeder was in de tijd van haar bloei als een wijnstok, aan het water geplant, die vruchten ging dragen en ranken voortbracht dank zij het overvloedige water. EZ 19:11 Hij kreeg een krachtige tak; dat werd een heersersstaf, die ver uitstak boven het gebladerte; hij viel op door zijn hoogte en welige ranken. EZ 19:12 Maar in woede rukte iemand die wijnstok uit en wierp hem op de grond. Een oostenwind verdroogde zijn vruchten; ze vielen af en verschrompelden. Zijn krachtige tak werd een prooi van het vuur. EZ 19:13 Nu staat hij geplant in de woestijn, in een streek van dorheid en dorst. EZ 19:14 Van zijn tak is een vuur uitgegaan en heeft zijn twijgen en vruchten verteerd. Geen sterke tak heeft hij meer over, geen staf om te heersen. Dit is een klaaglied, en als een klaaglied wordt het ook gebruikt. EZ 20:1 In het zevende jaar, op de tiende dag van de vijfde maand, kwamen er enigen van de oudsten van Israël om Jahwe te raadplegen en zetten zich voor mij neer. EZ 20:2 Toen werd het woord van Jahwe tot mij gericht: EZ 20:3 Mensenkind, spreek de oudsten van Israël toe en zeg hun: Zo spreekt Jahwe de Heer: Komt u om Mij te raadplegen? Zo waar Ik leef: op uw vragen zal Ik niet antwoorden, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 20:4 Zoudt ge ze niet eerder vonnissen, mensenkind, zoudt ge ze niet eerder vonnissen? Maak hun dan de gruweldaden van hun voorouders bekend EZ 20:5 en zeg hun: Zo spreekt Jahwe de Heer: Op de dag dat Ik Israël uitverkoor heb Ik met opgeheven rechterhand trouw gezworen aan het huis van Jakob en heb Ik Mij in Egypte aan hen bekend gemaakt. Met opgeheven hand heb Ik hun gezworen: Ik ben Jahwe, uw God. EZ 20:6 Op die dag heb Ik plechtig gezworen ze uit Egypte te leiden naar het land dat Ik voor hen had uitgezocht, een land overvloeiend van melk en honing, een parel onder de landen. EZ 20:7 En Ik heb tot hen gezegd: Iedereen moet de gruwelbeelden die hij vereert wegwerpen; niemand mag zich verontreinigen door zich af te geven met de afgoden van Egypte. Ik ben Jahwe, uw God. EZ 20:8 Maar ze verzetten zich tegen Mij en wilden niet naar Mij luisteren; niemand wierp de gruwelbeelden die hij vereerde weg of keerde de afgoden van Egypte de rug toe. Daarom wilde Ik hun mijn woede doen voelen en mijn toorn aan hen koelen, terwijl ze in Egypte waren. EZ 20:9 Maar Ik besloot dit niet te doen, opdat mijn naam niet ontwijd zou worden in de ogen van de vol ken onder wie ze woonden en die wisten hoe Ik Mij aan hen geopenbaard had als degene die hen uit Egypte zou leiden. EZ 20:10 Ik leidde ze dus uit Egypte de woestijn in. EZ 20:11 Ik gaf hun mijn wetten en maakte hun mijn geboden bekend, die de mens moet onderhouden om te blijven leven. EZ 20:12 Ook gaf Ik hun de sabbat, die het teken zou zijn waaraan men kon zien dat Ik, Jahwe, van hen een heilig volk maak. EZ 20:13 Maar het huis van Israël verzette zich tegen Mij in de woestijn; ze kwamen mijn wetten niet na; ze verachtten mijn geboden, die de mens moet onderhouden om te blijven leven, en de sabbat hebben ze schromelijk ontwijd. Daarom wilde Ik hun mijn woede doen voelen en ze in de woestijn ombrengen. EZ 20:14 Maar Ik besloot dit niet te doen, opdat mijn naam niet ontwijd zou worden in de ogen van de volken die er getuigen van waren geweest toen Ik ze uit Egypte leidde. EZ 20:15 Wel zwoer Ik plechtig in de woestijn, dat Ik ze niet zou brengen naar het land dat Ik ze beloofd had, het land dat overvloeit van melk en honing, de parel onder de landen. EZ 20:16 Want ze verachtten mijn geboden, kwamen mijn wetten niet na en ontwijdden de sabbat, daar hun hart gehecht was aan hun afgoden. EZ 20:17 Ik spaarde ze, richtte ze niet te gronde en liet ze niet omkomen in de woestijn. EZ 20:18 Daarna sprak Ik tot hun zonen in de woestijn: Gedraagt u niet naar de zeden van uw vaderen, houdt niet vast aan hun gewoonten en verontreinigt u niet door u af te geven met hun afgoden. EZ 20:19 Ik ben Jahwe, uw God; houdt u aan mijn wetten, onderhoudt mijn geboden en leeft ze na. EZ 20:20 De sabbat moet u heilig zijn, hij moet het teken zijn waaraan men kan zien dat Ik Jahwe uw God ben. EZ 20:21 Maar ook de zonen verzetten zich tegen Mij; ze hielden zich niet aan mijn wetten en kwamen mijn geboden niet na, die de mens moet onderhouden om te blijven leven, en de sabbat hebben ze ontwijd. Daarom wilde Ik hen mijn woede doen voelen en mijn toorn aan hen koelen in de woestijn. EZ 20:22 Maar Ik hield mij in en besloot het niet te doen, opdat mijn naam niet ontwijd zou worden in de ogen van de volken die er getuigen van waren geweest toen Ik ze uit Egypte leidde. EZ 20:23 Wel zwoer Ik plechtig in de woestijn, dat Ik ze onder de volken zou verspreiden en ze over de landen verstrooien, EZ 20:24 omdat ze mijn geboden niet onderhouden hadden, mijn wetten hadden veracht en de sabbat ontwijd, daar ze hun ogen gevestigd hielden op de afgoden van hun vaders. EZ 20:25 Ook gaf Ik hun wetten die niet tot heil strekten, geboden die niet tot leven leidden, EZ 20:26 en Ik liet ze zich bezoedelen door hun offergaven, doordat ze al wat de moederschoot opent offerden, opdat ze verbijsterd zouden erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 20:27 Richt daarom het woord tot het huis van Israël, mensenkind; zeg tot hen: Zo spreekt Jahwe de Heer: Ook verder hebben uw voorvaders Mij gehoond door hun ontrouw, EZ 20:28 toen Ik ze gebracht had naar het land dat Ik hun onder ede beloofd had te geven. Ze keken daar naar elke hoge heuvel en naar elke schaduwrijke boom, droegen er hun slachtoffers op, offerden er hun tergende gaven, bereidden er hun geurige offerspijzen en plengden er hun drankoffers. EZ 20:29 En Ik zei tot hen: Wat moet die offer heuvel waarheen ge optrekt. Daarom heet zo'n plaats tot op de huidige dag offerheuvel. EZ 20:30 Zeg daarom tot het volk van Israël: Zo spreekt Jahwe de Heer: Ge verontreinigt uzelf door te leven als uw voorvaders. Ge vergooit u aan hun afschuwelijke afgoden. EZ 20:31 Tot de dag van vandaag verontreinigt ge u door uw offergaven te brengen aan uw afgoden en door voor hen uw zonen door het vuur te laten gaan. En zou Ik dan antwoord geven op uw vragen, huis van Israël? Zo waar Ik leef, spreekt Jahwe de Heer, Ik zal geen antwoord geven. EZ 20:32 En van uw verlangen om, evenals de andere volken en de stammen in de landen rondom u, hout en steen te dienen, daar komt niets van in. EZ 20:33 Zo waar Ik leef, spreekt Jahwe de Heer, met krachtige hand, met uitgestrekte arm, in ongebreidelde woede EZ 20:34 zal Ik u terugvoeren uit de volken en samenbrengen uit landen waarover ge verspreid zijt. EZ 20:35 Ik zal u de woestijn inleiden die tussen de volken ligt en u daar vonnissen, man voor man. EZ 20:36 Zoals Ik uw voorvaderen gevonnist heb in de woestijn van Egypte, zo zal Ik u vonnissen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 20:37 Ik zal u onder de herdersstaf doen doorgaan en aan een telling onderwerpen. EZ 20:38 Ik zal uit u verwijderen degenen die opstandig en kwaadwillig zijn tegenover Mij; uit het land waar ze als vreemden vertoeven zal Ik ze wegleiden, maar op de grond van Israël zullen ze niet komen, en gij zult erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 20:39 Maar gij, huis van Israël, zo spreekt Jahwe uw God: Als gij doorgaat met uw afgoden te dienen, als ge niet naar Mij luistert, dan zult ge ervaren dat Ik mijn heilige naam niet langer door uw offergaven en uw afgoden laat ontwijden. EZ 20:40 Want mijn heilige berg, de hoge berg van Israël, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer, dat is de plaats op aarde waar heel het volk van Israël Mij zal vereren. Daar zal Ik u mijn goedgunstigheid tonen door uw gaven, uw eerstelingen en al wat gij Mij toewijdt, te aanvaarden. EZ 20:41 Als in een geurige gave zal Ik behagen in u scheppen, als Ik u heb weggeleid uit de volken en u heb samengebracht uit de landen waarover ge verstrooid zijt, en zo door u aan de volken getoond heb dat Ik de Heilige ben. EZ 20:42 Als ik u heb teruggebracht naar de grond van Israël, naar het land dat Ik onder ede aan uw voorvaders heb beloofd, zult ge erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 20:43 Dan zult ge daar terugdenken aan uw wangedrag en aan al uw boze daden waardoor ge u verontreinigd hebt; en de schaamte over al wat ge misdaan hebt zal op uw gezicht te lezen staan. EZ 20:44 En als Ik zo met u gehandeld heb, terwille van mijn naam en niet op grond van uw slecht gedrag en uw verdorven daden, zult ge erkennen dat Ik Jahwe ben, huis van Israël, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 21:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 21:2 Mensenkind, wend uw gelaat naar het zuiden, laat uw woorden stromen naar het zuiden, profeteer tegen de bossen en velden in het zuiden EZ 21:3 en zeg tot de bossen in het zuiden: Luistert naar het woord van Jahwe. Zo spreekt Jahwe de Heer: Ik steek u in brand; het vuur zal al het groene en al het dorre hout verteren. De laaiende vlam zal niet uitdoven; van noord tot zuid zullen alle gezichten erdoor worden geschroeid. EZ 21:4 Al wat leeft zal weten dat Ik, Jahwe, het vuur aangestoken heb, het vuur dat niet geblust wordt. EZ 21:5 Toen zei ik: Ach Heer Jahwe, men zegt toch al van mij dat ik zoveel in raadsels spreek. EZ 21:6 Daarop werd het woord van Jahwe tot mij gericht: EZ 21:7 Mensenkind, wend uw gelaat naar Jeruzalem; laat uw woorden stromen tegen de heilige plaatsen, profeteer tegen het land van Israël EZ 21:8 en zeg tot het land van Israël: Zo spreekt Jahwe de Heer: Ik ga u straffen. Ik zal mijn zwaard uit de schede trekken en zowel rechtvaardigen als boosdoeners uit u verdelgen. EZ 21:9 Omdat Ik zowel rechtvaardigen als boosdoeners uit u wil verdelgen, komt mijn zwaard uit de schede en richt zich tegen al wat leeft van zuid tot noord. EZ 21:10 Zo zal al wat leeft erkennen dat Ik, Jahwe, mijn zwaard uit de schede getrokken heb; het keert er niet meer in terug. EZ 21:11 Mensenkind, kreun als een gebroken man, kreun voor hun ogen in bittere smart. EZ 21:12 En als ze u dan vragen: 'Waarom kreunt u?' moet ge zeggen: 'Om een tijding die gaat komen; dan zullen alle harten het besterven, alle handen verslappen; aller adem zal stokken en ieder laat zijn water lopen. Het komt, het gaat gebeuren, zo luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.' EZ 21:13 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 21:14 Mensenkind, profeteer en zeg: Zo spreekt Jahwe de Heer: Een zwaard, een zwaard is geslepen, een zwaard is gewet! EZ 21:15 Om te slachten is het geslepen, om te bliksemen is het gewet. Of zou er toch nog reden tot vreugde voor ons zijn? De staf van mijn zoon gaat alle hout te boven. EZ 21:16 Hij liet het wetten, hij stelde het ter hand; het zwaard is geslepen en gewet en een moordenaar ter hand gesteld. EZ 21:17 Schreeuw en jammer, mensenkind, want het zwaard keert zich tegen mijn volk en tegen alle vorsten van Israël; aan het zwaard zullen ze ten prooi vallen, zij en mijn volk. Daarom, sla u op de heupen. EZ 21:18 Want de proef wordt genomen. En wat zal ons lot zijn als zelfs de staf die alle hout te boven gaat er niet meer zal zijn, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 21:19 Mensenkind, profeteer en klap in uw handen, zodat het zwaard tweemaal, driemaal zo hevig woedt; dit zwaard is het moordende zwaard, dat talloze slachtoffers maakt. Van alle kanten hakt het op ze in, EZ 21:20 zodat alle harten het besterven en velen neergeveld worden. Aan al hun poorten heb Ik een slachtbank gezet. Gij zwaard, gemaakt om te bliksemen en gewet om te slachten, EZ 21:21 laat uw scherpte voelen, keer u naar rechts, kies positie, keer u naar links, naargelang u bevolen wordt. EZ 21:22 En ook Ik zal in mijn handen klappen en mijn woede koelen. Ik, Jahwe, heb gesproken. EZ 21:23 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 21:24 Mensenkind, teken twee wegen waarlangs het zwaard van de koning van Babel gaan kan, beide te beginnen in hetzelfde land, en plaats een wegwijzer aan het begin van de weg die naar de stad leidt. EZ 21:25 Teken een weg waarlangs het zwaard kan oprukken tegen Rabba in Ammon en tegen Juda, met het versterkte Jeruzalem. EZ 21:26 Want de koning van Babel staat aan de tweesprong, waar de twee wegen beginnen, en vraagt een orakel. Hij schudt de pijlen, raadpleegt de huisgoden en bekijkt de lever. EZ 21:27 In zijn rechterhand heeft hij het lot dat Jeruzalem aanwijst als de plaats waartegen hij stormrammen moet opstellen; die stad zal hij laten uitmoorden, tegen haar de strijdkreet laten aanheffen, stormrammen opstellen tegen haar poorten, er een wal opwerpen en een schans bouwen. EZ 21:28 Wel is dit in de ogen van de Israëlieten een loze waarzegging, maar op grond van de dure eden die ze gezworen hebben zal hij ze hun schuld voorhouden, en hij zal ze grijpen. EZ 21:29 Inderdaad, spreekt Jahwe de Heer, omdat uw schuld u is voorgehouden, uw wandaden openbaar geworden zijn en uw verdorvenheid uit al uw daden blijkt, omdat dit alles u is voorgehouden, zult ge met harde hand gegrepen worden. EZ 21:30 En gij, verworpeling, gij, booswicht, vorst van Israël, wiens laatste uur geslagen heeft als aan de ongerechtigheid een einde gemaakt wordt, EZ 21:31 zo spreekt Jahwe de Heer: zet af die diadeem, weg met die kroon! Het kan niet blijven duren. Omlaag met wat hoog is, omhoog met wat laag is. EZ 21:32 Een puinhoop, een puinhoop, een puinhoop, ja nog minder dan een puinhoop zal Ik van de stad maken, totdat degene komt die macht heeft om te oordelen en die Ik zal bevestigen. EZ 21:33 Mensenkind, profeteer en zeg: Zo spreekt de Heer over de Ammonieten die Juda honen. Ge moet zeggen: Zwaard, zwaard, getrokken om te slachten, gewet om bliksemend toe te slaan: EZ 21:34 terwijl ze voor u valse visioenen schouwen en leugens voorspellen toe te slaan op de hals van verworpelingen en booswichten, wier laatste uur geslagen heeft als aan de ongerechtigheid een einde gemaakt wordt. EZ 21:35 Steekt het zwaard weer in de schede; op de plaats waar ge geschapen bent, in het land van uw herkomst zal Ik u vonnissen. EZ 21:36 Ik zal mijn toorn over u de vrije loop laten, het vuur van mijn toorn tegen u nog aanblazen en u overleveren aan barbaren, die onheil beramen. EZ 21:37 Ge zult een prooi zijn voor het vuur; uw bloed zal vergoten worden in uw eigen land en niemand zal zich u meer herinneren. Ik, Jahwe, heb gesproken. EZ 22:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 22:2 Mensenkind, wilt ge vonnissen, wilt ge de bloedstad vonnissen? Houd haar dan al haar gruwelen voor EZ 22:3 en zeg: Zo spreekt Jahwe de Heer: O stad die in uw midden bloed vergiet en daardoor uw eigen ondergang bespoedigt, die zich afgodsbeelden maakt en zich daarmee verontreinigt: EZ 22:4 door het bloed dat ge vergiet bent ge schuldig en door de afgodsbeelden die ge gemaakt hebt bent ge onrein; daardoor hebt ge uw ondergang bespoedigd en bent aan de grens van uw bestaan gekomen. Daarom maak Ik u tot het mikpunt van de hoon der volken en een voorwerp van spot voor alle landen. EZ 22:5 Uw nabije en uw verre buren zullen de spot drijven met u, die berucht bent om uw onreinheid en in wie verwarring heerst. EZ 22:6 Zie, de vorsten van Israël hebben zich als taak gesteld bloed te vergieten, elk naar zijn vermogen. EZ 22:7 Binnen uw muren veracht men vader en moeder, doet men de vreemdeling geweld aan, onderdrukt men wezen en weduwen. EZ 22:8 Wat Mij heilig is acht gij gering en mijn sabbat ontwijdt ge. EZ 22:9 Binnen uw muren zijn er die met lasterpraat anderen naar het leven staan. Men houdt offermalen op de bergen en bedrijft er ontucht. EZ 22:10 Bij u ontbloot men de schaamte van zijn vader en een vrouw die onrein is door haar stonden dwingt men tot gemeenschap. EZ 22:11 Bij u misbruikt de een de vrouw van zijn naaste, onteert de ander zijn schoondochter door bloedschande; weer een ander verkracht zijn zuster, de dochter van zijn vader. EZ 22:12 Bij u neemt men steekpenningen aan om bloed te vergieten; ge eist rente en toeslag en uw evenmens zet ge af, maar ge vergeet Mij, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 22:13 Ik sla Mij in de hand van ergernis over de vuile winst die ge gemaakt hebt en over het bloed dat bij u vergoten is. EZ 22:14 Zal uw hart niet bezwijken en zullen uw handen sterk genoeg zijn in de tijd dat Ik met u afreken? Ik, Jahwe, heb gesproken en wat Ik zeg voer Ik uit. EZ 22:15 Ik zal u verspreiden onder de volken, u verstrooien over de landen en zo een einde maken aan uw onreinheid. EZ 22:16 Door uw eigen toedoen zult ge onteerd worden voor de ogen van de volken, en ge zult erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 22:17 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 22:18 Mensenkind, het volk van Israël is voor Mij een hoop slakken geworden; ze zijn allen te zamen van zilver, brons, tin, ijzer en lood in de smeltoven slakken geworden. EZ 22:19 Omdat ge allen te zamen een hoop slakken geworden bent, zegt Jahwe de Heer, daarom gooi Ik u in Jeruzalem op een hoop. EZ 22:20 Zoals men zilver, brons, ijzer, lood en tin in de smeltoven bijeenbrengt en daaronder het vuur aanblaast om ze te smelten, zo zal Ik in mijn toorn en mijn woede u opeenhopen in de stad en daar smelten. EZ 22:21 Ik zal u verzamelen, het vuur van mijn toorn onder u aanblazen en u daar smelten. EZ 22:22 Zoals zilver in de smeltoven gesmolten wordt, zult gij in Jeruzalem worden gesmolten, opdat ge erkent dat Ik, Jahwe, mijn woede over u de vrije loop heb gelaten. EZ 22:23 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 22:24 Mensenkind, zeg tot het land: Ge bent een land dat op de dag van de toorn niet bevochtigd of door regen gedrenkt is. EZ 22:25 Uw vorsten zijn als brullende leeuwen die hun prooi verscheuren: mensenlevens tellen ze niet, ze roven schatten en kostbaarheden, het aantal weduwen in de stad neemt steeds meer toe. EZ 22:26 Haar priesters doen mijn wet geweld aan en ontwijden wat heilig is; tussen heilig en profaan maken ze geen onderscheid; ze wijzen niet op het verschil tussen rein en onrein en ze storen zich niet aan mijn sabbat: zo word Ik in hun midden onteerd. EZ 22:27 Haar magistraten zijn verscheurende wolven: ze vergieten bloed en brengen mensen om het leven om zichzelf te bevoordelen. EZ 22:28 Haar profeten verdoezelen de ernst van de toestand met pleisterwerk; ze zien loze visioenen en profeteren leugens; ze zeggen: Zo spreekt Jahwe de Heer, terwijl Jahwe niet gesproken heeft. EZ 22:29 Het volk van het land maakt zich schuldig aan afpersing en eigent zich andermans goed toe; het verdrukt misdeelden en behoeftigen en doet de vreemdelingen geweld aan, tegen alle recht in. EZ 22:30 Ik heb onder hen gezocht naar iemand die een wal zou kunnen opwerpen of op de bres zou kunnen gaan staan om het land tegen Mij te verdedigen, zodat Ik het niet zou verwoesten, maar Ik heb niemand gevonden. EZ 22:31 Daarom laat Ik mijn woede over hen de vrije loop en verteer hen in het vuur van mijn toorn; hun daden laat Ik op hun eigen hoofd neerkomen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 23:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 23:2 Mensenkind, er waren eens twee vrouwen, dochters van dezelfde moeder. EZ 23:3 Ze pleegden ontucht in Egypte, reeds in haar jeugd pleegden ze daar ontucht; daar werden haar borsten betast, daar streelde men haar maagdelijke borsten. EZ 23:4 De oudste heette Ohola, haar zuster Oholiba. Ik nam ze tot vrouw en ze brachten zonen en dochters ter wereld. Wat die namen betreft: Ohola is Samaria, Oholiba is Jeruzalem. EZ 23:5 Ook toen Ohola mijn vrouw was, pleegde ze ontucht; ze hunkerde naar haar minnaars, de Assyriers, hovelingen EZ 23:6 in purper gekleed, stadhouders en landvoogden en de keur van de strijdbare mannen, de ruiters te paard. EZ 23:7 Ze pleegde ontucht met hen, met die keur van de Assyriers, en zij bezoedelden zich aan de afgoden van degenen die ze begeerde. EZ 23:8 Maar haar ontucht met de Egyptenaren gaf ze niet op; die hadden met haar geslapen toen ze nog jong was, die hadden haar maagdelijke borsten gestreeld en aan haar hun lust bevredigd. EZ 23:9 Daarom heb Ik haar uitgeleverd aan haar minnaars, aan de Assyriers die ze begeerd had. EZ 23:10 Die hebben haar schaamte ontbloot, haar zonen en dochters meegenomen en haar zelf met het zwaard gedood. Ze werd een afschrikwekkend voorbeeld voor de vrouwen door de strafgerichten aan haar voltrokken. EZ 23:11 Ofschoon haar zuster Oholiba het gezien had, begeerde zij nog heviger dan haar zuster en pleegde ze nog schandelijker ontucht dan zij. EZ 23:12 Haar begeerte ging uit naar de Assyriers, stadhouders en landvoogden, prachtig uitgedoste hovelingen en ruiters te paard, de keur van de strijdbare mannen. EZ 23:13 En Ik zag hoe ze zich aan hen bezoedelde; ze was van hetzelfde slag als haar zuster. EZ 23:14 Maar Oholiba dreef haar ontucht nog verder. Ze zag op een muur in rode verf voorstellingen van mannen; het waren Chaldeeën, EZ 23:15 met een ceintuur om hun middel en met rijke hoofdtooi; ze stelden schildknapen voor, zoals die er uitzien bij de Babyloniërs in Chaldea, hun geboorteland. EZ 23:16 Toen zij ze zag ontstak ze in begeerte en zond ze boden naar hen toe in Chaldea. EZ 23:17 Er kwamen Babyloniërs en hielden liefdesgemeenschap met haar; ze bezoedelden haar door hun lust aan haar te bevredigen. Maar toen ze door hen bezoedeld was, kreeg ze een afkeer van hen. EZ 23:18 Nu pleegde ze openlijk ontucht en ontblootte haar schaamte; Ik walgde van haar, zoals Ik ook van haar zuster gewalgd had. EZ 23:19 Ze pleegde nog meer ontucht, terugdenkend aan de dagen van haar jeugd, toen ze in Egypte ontucht pleegde EZ 23:20 en brandde van begeerte naar mannen die geil zijn als ezels en toestoten als hengsten. EZ 23:21 Zo ben je teruggevallen in het schandelijk leven van je jeugd, toen Egyptenaren je boezem streelden en je jonge borsten betastten. EZ 23:22 Daarom, Oholiba, zegt Jahwe de Heer, hits Ik je minnaars, van wie je een afkeer hebt, tegen je op en voer ze van alle kanten naar je toe: EZ 23:23 de Babyloniërs en de Chaldeeën, de mannen van Pekod, Soa en Koa, alsmede de Assyriers; ze vormen de keur van de strijdbare mannen: stadhouders en landvoogden, schildknapen, krijgers van naam en ruiters te paard. EZ 23:24 Ze komen op je af met een leger van wagens en voertuigen en volken tot een macht verenigd; met schild, rondas en helm stellen zij zich aan alle kanten tegen je op. Ik zal je voor hun rechtbank brengen en volgens hun recht zullen zij je vonnissen. EZ 23:25 Ik zal je mijn naijver laten voelen; ze zullen hun woede op je botvieren; je neus en oren zullen ze afsnijden en wat er van je overblijft neerhouwen met het zwaard; ze zullen je zonen en dochters meenemen, en wat er dan nog van je over is zal door het vuur worden verteerd. EZ 23:26 Ze zullen je de kleren van het lijf rukken en je sieraden meenemen. EZ 23:27 Zo maak Ik een einde aan je schandelijk leven en je ontucht, waar je in Egypte mee begonnen bent; je zult je ogen niet meer naar hen opslaan en aan Egypte zul je niet meer terugdenken. EZ 23:28 Want, zegt Jahwe de Heer, Ik lever je over aan hen die je haat, aan hen van wie je een afkeer hebt. EZ 23:29 Ze zullen hun haat op je botvieren, al je bezittingen meenemen en je moedernaakt achterlaten. Zo wordt je geil geslacht ontbloot. Vanwege je schandelijk gedrag en je ontucht EZ 23:30 doet men dit, vanwege je ontucht met de volken, omdat je je aan hun afgoden bezoedeld hebt. EZ 23:31 Je bent in het voetspoor van je zuster getreden; daarom reik Ik jou de beker die Ik ook haar heb laten drinken. EZ 23:32 Dit zegt Jahwe de Heer: De beker van je zuster zul je drinken, de beker die zo diep en zo wijd is en zo veel kan bevatten; je wordt het mikpunt van spot en hoon. EZ 23:33 In een roes van smart zul je geraken; de beker van je zuster Samaria bevat verbijstering en verwoesting. EZ 23:34 Je zult hem tot op de bodem uitdrinken, hem aan scherven bijten en je met die scherven de borsten openhalen. Ik heb gesproken, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 23:35 Omdat je Mij vergeten hebt en Mij links hebt laten liggen, zegt Jahwe de Heer, zul je dan ook de straf voor je schandelijk gedrag en je ontucht ondergaan. EZ 23:36 En Jahwe zei tot mij: Mensenkind, wilt ge Ohola en Oholiba vonnissen? Breng haar dan haar gruweldaden onder ogen. EZ 23:37 Want ze hebben overspel bedreven en er kleeft bloed aan haar handen; met haar afgoden hebben ze overspel gepleegd en zelfs de zonen die ze Mij hadden gebaard hebben ze hun geofferd. EZ 23:38 Nog meer hebben ze Mij aangedaan: ze hebben in diezelfde tijd mijn heiligdom onteerd en mijn sabbat ontwijd. EZ 23:39 Dezelfde dag dat ze mijn zonen voor hun afgoden offerden kwamen ze nog naar mijn heiligdom om het te ontwijden; zo hebben ze zich in mijn huis gedragen. EZ 23:40 Zelfs hebben ze naar mannen in verre landen een boze gezonden en op diens uitnodiging zijn die gekomen. Voor hen heb je je gebaad, je ogen geschminkt en je met sieraden getooid. EZ 23:41 Je bent op een pronkbed gaan liggen, terwijl de tafel gedekt stond, met mijn reukwerk en mijn olie erop. EZ 23:42 Vanwege de massa mensen heerste er in haar huis het rumoer van een uitgelaten menigte; mannen uit de woestijn brachten haar geschenken; ze deden armbanden om haar polsen en zetten een sierlijke kroon op haar hoofd. EZ 23:43 Ik dacht bij mezelf: Komen die wellustelingen aan de verlepte nog hun lust bevredigen, want dat is zij toch? EZ 23:44 Ja, daarvoor kwamen ze bij haar. Zoals men naar een hoer gaat, zo ging men naar Ohola en Oholiba, de lichtekooien. EZ 23:45 Maar rechtschapen mannen zullen over haar het vonnis voltrekken dat geldt voor overspelige vrouwen en voor vrouwen die bloed vergieten, want ze zijn overspelig en er kleeft bloed aan haar handen. EZ 23:46 Roep de volksvergadering bijeen om haar te vonnissen, zegt Jahwe de Heer, en lever haar uit om mishandeld en geplunderd te worden. EZ 23:47 De vergadering zal haar laten stenigen, haar met zwaarden in stukken houwen, haar zonen en dochters vermoorden en haar huizen in brand steken. EZ 23:48 Zo maak Ik een einde aan het kwaad in het land en alle vrouwen zullen de waarschuwing ter harte nemen en je schanddaden niet navolgen. EZ 23:49 Men zal je je schanddaden vergelden, voor je zonden met je afgoden zul je boeten en je zult erkennen dat Ik de Heer Jahwe ben. EZ 24:1 In het negende jaar, op de tiende dag van de tiende maand, werd het woord van Jahwe tot mij gericht: EZ 24:2 Mensenkind, schrijf nauwkeurig op welke dag het vandaag is; want juist vandaag werpt de koning van Babel zich op Jeruzalem. EZ 24:3 Vertel het weerspannige volk de volgende gelijkenis. Dit zegt Jahwe de Heer: Zet de pot op het vuur, de pot op het vuur. Giet er water in, EZ 24:4 doe de stukken vlees erin, de beste stukken: dijbeen en schouder, vul hem met de beste kluiven. EZ 24:5 Neem het beste van de kudde, stapel het hout eronder op, laat de stukken heet worden en breng ook de kluiven aan de kook. EZ 24:6 Wee de bloedstad, zegt Jahwe de Heer; het is een pot waar roest aan zit en waar de roest niet van afgaat. Haal de stukken eruit, haal ze er allemaal uit, zonder het lot te werpen. EZ 24:7 Want het bloed dat in haar midden vergoten is, is nog te zien: ze heeft het gestort op de kale rotsbodem; ze heeft het niet uitgegoten op de aarde om het met zand te bedekken. EZ 24:8 Het door haar vergoten bloed heb Ik op de kale rotsbodem laten vloeien opdat het niet bedekt zou worden, maar toorn zou oproepen en wraak uitlokken. EZ 24:9 Daarom zegt Jahwe de Heer: Wee de bloedstad. Ik ga een groot vuur aanleggen. EZ 24:10 Breng veel hout bijeen, ontsteek het vuur, breng het vlees aan de kook, laat het vleesnat verdampen en de kluiven verbranden. EZ 24:11 Laat de pot leeg op het vuur staan totdat hij heet wordt en het koper gaat gloeien, opdat alle aanslag eruit wegsmelt en de roest verdwijnt. EZ 24:12 Maar alle moeite is vergeefs: ondanks het vuur gaat de dikke roestlaag er niet af! EZ 24:13 Ik heb u willen reinigen van uw onreinheid en ontucht, maar gij hebt u niet laten reinigen; daarom zult ge niet meer rein worden totdat Ik mijn woede op u heb gekoeld. EZ 24:14 Ik, Jahwe, heb het gezegd en Ik zal het ten uitvoer brengen, onverwijld, meedogenloos en zonder genade te kennen. Naar uw doen en laten zult ge gevonnist worden, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 24:15 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 24:16 'Mensenkind, door een plotselinge ziekte ga Ik haar die ge zo graag ziet van u wegnemen. Maar gij moogt niet rouwen, ge moogt niet wenen of klagen. EZ 24:17 Smoor uw zuchten, ge moogt geen misbaar maken. Knoop uw hoofddoek om, doe uw sandalen aan, laat uw baard onbedekt en eet het brood niet dat de mensen u brengen.' EZ 24:18 Op een morgen sprak ik als gewoonlijk tot het volk en die avond stierf mijn vrouw. De morgen daarop deed ik zoals mij bevolen was. EZ 24:19 Toen vroeg het volk mij: 'Wilt u door uw gedrag ons iets duidelijk maken?' EZ 24:20 Ik antwoordde hun: 'Dit woord van Jahwe is tot mij gericht: EZ 24:21 Zeg tot het volk van Israël: Dit zegt Jahwe de Heer: Ik ontwijd mijn heiligdom, de burcht waar ge trots op bent, die een lust is voor uw ogen en een verkwikking voor uw ziel; uw zonen en dochters, die ge daar achtergelaten hebt zullen vallen door het zwaard. EZ 24:22 Dan moet ge doen zoals ik gedaan heb: uw baard moogt ge niet bedekken en het brood dat de mensen u brengen moogt ge niet eten. EZ 24:23 Houd uw hoofddoek om en uw sandalen aan; ge moogt niet rouwen of wenen. Vanwege uw zonde zult ge verkommeren en elkaar uw leed klagen. EZ 24:24 Ezechiël is een teken voor u: ge moet juist doen zoals hij gedaan heeft; wanneer het zover is zult ge weten dat Ik Jahwe ben.' EZ 24:25 Mensenkind, op de dag dat Ik hun burcht van hen afneem, het prachtige bouwwerk waarover zij zich verheugen en dat een lust is voor hun ogen en een verkwikking voor hun ziel, op de dag dat Ik ook hun zonen en dochters van hen afneem, EZ 24:26 zal een vluchteling bij u aankom en om het u te melden. EZ 24:27 Op die dag, bij de komst van de vluchteling, zal uw mond geopend worden; dan zult ge spreken en niet langer stom zijn; zo zult ge voor hen een teken zijn en ze zullen weten dat Ik Jahwe ben. EZ 25:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 25:2 Mensenkind, richt u tot Ammon, profeteer ertegen EZ 25:3 en zeg tot Ammon: Luister naar het woord van Jahwe de Heer. Dit zegt Jahwe de Heer: Omdat ge' haha!' geroepen hebt toen mijn heiligdom ontwijd werd en de grond van Israël werd verwoest en toen het volk van Juda in ballingschap moest gaan, EZ 25:4 daarom geef Ik uw gebied prijs aan de bewoners van het Oosten. Zij zullen er hun tentenkamp opslaan, en hun verblijfplaatsen kiezen; zij zullen uw vruchten opeten en uw melk opdrinken. EZ 25:5 Ik zal van Rabba een weide voor kamelen maken en van Ammon een rustplaats voor schapen; zo zult ge erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 25:6 Want, zegt Jahwe de Heer, omdat ge in de handen hebt geklapt, met de voeten hebt gestampt en vol leedvermaak gelachen hebt om het lot van Israël, EZ 25:7 daarom strek Ik mijn hand tegen u uit; Ik zal u aan de volken prijsgeven, u uitroeien, u van de aardbodem wegvagen; Ik zal u vernietigen; dan zult ge erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 25:8 Dit zegt Jahwe de Heer: Omdat Moab en Seir gezegd hebben: 'Het volk van Israël is net als andere volken', EZ 25:9 daarom zal Ik de bergpassen van Moab openen voor hen die zijn steden zullen verwoesten, de parels van het land: Bet hajjesimot, Baäl meon en Kirjataim. EZ 25:10 Aan de bewoners van het Oosten zal Ik het in bezit geven, samen met Ammon, opdat er onder de volken niet meer aan gedacht zal worden. EZ 25:11 Ik zal aan Moab mijn vonnis voltrekken, opdat het erkent dat Ik Jahwe ben. EZ 25:12 Dit zegt Jahwe de Heer: Omdat Edom wraakzuchtig opgetreden is tegen het volk van Juda, omdat het zich aan wraakneming heeft schuldig gemaakt, EZ 25:13 daarom, zegt Jahwe de Heer, strek Ik mijn hand uit tegen Edom en zal er mens en dier uitroeien. Ik zal van Edom een puinhoop maken; van Teman tot Dedan zullen de bewoners vallen door het zwaard. EZ 25:14 Ik zal mijn wraak aan Edom laten voltrekken door mijn volk Israël; dat zal Edom aandoen wat mijn woede en toorn eisen; zo zal Edom mijn wraak ondervinden, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 25:15 Dit zegt Jahwe de Heer: Omdat de Filistijnen wraakzuchtig zijn opgetreden tegen Juda, omdat ze vol leedvermaak wraak hebben genomen om hun eeuwenoude vijandigheid bot te vieren en Juda uit te roeien, EZ 25:16 daarom, zegt Jahwe de Heer, strek Ik mijn hand uit tegen de Filistijnen. Ik zal de Keretieten uitroeien en degenen die aan de kust overgebleven zijn te gronde richten; EZ 25:17 Ik zal geweldig wraak op hen nemen en ze grimmig straffen. Als Ik mijn wraak aan hen voltrek, zullen ze erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 26:1 In het elfde jaar, op de eerste dag van de maand, werd het woord van Jahwe tot mij gericht: EZ 26:2 Mensenkind, omdat Tyrus over Jeruzalem uitgeroepen heeft: 'Haha! vernield zijn de poorten van de stad; haar macht valt mij toe; nu zij verwoest is kan ik mij verrijken'; EZ 26:3 daarom, zegt Jahwe de heer, keer Ik Mij tegen u, Tyrus! Talloze volken stuw Ik tegen u op, zoals de zee haar golven. EZ 26:4 Ze zullen de muren van Tyrus slechten, zijn torens omverhalen. Zelfs het puin zal Ik wegvegen en die plek maken tot een kale rots; EZ 26:5 een droogplaats voor netten zal het worden, midden in de zee. Op mijn woord, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer, het zal een prooi van de volken worden EZ 26:6 en haar dochter zullen met het zwaard worden gedood in het open veld. Ze zullen weten dat Ik Jahwe ben. EZ 26:7 Want dit zegt Jahwe de Heer: Uit het noorden laat Ik Nebukadnessar, de koning van Babel, de koning der koningen, naar Tyrus komen, met paarden, wagens en ruiters in grote menigte en een macht van voetvolk. EZ 26:8 Uw dochters zal hij in het veld met het zwaard doden, tegen u een schans oprichten, een wal opwerpen en een schilddak tegen u opstellen. EZ 26:9 Met zijn stormram zal hij op uw muren beuken en met breekijzers uw torens slopen. EZ 26:10 Met zoveel paarden komt hij op u af dat de stofwolken u zullen bedekken. Door het gedreun van de ruiters en de bolderende wagens zullen uw muren schudden, als hij uw poorten binnentrekt, zoals dat gebeurt als men een bres geslagen heeft. EZ 26:11 De hoeven van zijn paarden zullen al uw straten stuk stampen; uw inwoners zal hij met het zwaard doden; uw trotse zuilen zullen tegen de grond gaan. EZ 26:12 Ze zullen uw rijkdommen plunderen, uw koopwaar buit maken, uw prachtige huizen afbreken, uw muren omverhalen, uw stenen, balken en puin in zee storten. EZ 26:13 Ik zal uw gezang en muziek doen verstommen en de klank van uw lieren zal niet meer worden gehoord. EZ 26:14 Ik zal een kale rots van u maken, een droogplaats voor netten zult ge zijn; en nooit meer zult ge worden opgebouwd. Zo heb Ik, Jahwe, gesproken, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 26:15 Dit zegt Jahwe de Heer tot Tyrus: De eilanden zullen beven van het geraas van uw val en het gekreun van de gewonden, als het zwaard woedt binnen uw muren. EZ 26:16 Alle vorsten van het zeegebied zullen van hun troon afdalen, hun mantels afleggen en hun bonte gewaden uittrekken. Ze zullen sidderen van ontzetting en in verslagenheid over u op de grond gaan zitten, al maar bevend van angst. EZ 26:17 Dan zullen ze een klaaglied op u aanheffen en tot u zeggen: 'Hoe bent u ten onder gegaan, van de zeeën verdwenen, o hooggeprezen stad, die de zee beheerste, u en uw bevolking, die schrik inboezemden aan alle kustbewoners. EZ 26:18 Nu sidderen de eilanden vanwege uw ondergang, zijn de eilanden in de zee verbijsterd over uw einde.' EZ 26:19 Want dit zegt Jahwe de Heer: Als Ik van u een ruïne zal maken, gelijk aan andere ontvolkte steden, als Ik de vloed uit de diepte laat opkomen en de grote wateren u overspoelen, EZ 26:20 dan zult ge afdalen naar de onderwereld, waar zij die voor u zijn afgedaald voor eeuwig verblijven. Ge zult wonen in de diepte der aarde, evenals de ruïnes van weleer, die in de onderwereld zijn afgedaald. Nooit zult ge meer herleven en uw glorie doen stralen in het land der levenden. EZ 26:21 Ik zal een schrikbeeld van u maken; ge zult voor altijd verdwijnen; men zal u zoeken, maar in der eeuwigheid niet meer vinden, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 27:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 27:2 Mensenkind, hef het klaaglied op Tyrus aan EZ 27:3 en zeg: Tyrus, dat de toegang tot de zee beheerst en handel drijft met de volken op de vele eilanden: dit zegt Jahwe de Heer: Tyrus, men noemt u een schip van volmaakte schoonheid! EZ 27:4 Midden op zee ligt uw domein; uw bouwlieden hebben een prachtschip van u gemaakt. EZ 27:5 Cypressen van de Senir gebruikten ze voor de bouw van uw romp; voor uw mast namen ze een ceder van de Libanon. EZ 27:6 Van eiken van Basan maak ten ze uw riemen; uw kajuit maakten ze van bukshout van de eilanden der Kittiërs, met inlegwerk van ivoor. EZ 27:7 Van fijngeborduurd linnen uit Egypte zijn uw zeilen, waaraan u van verre te herkennen bent; van de eilanden van Elisa komt het blauwe en rode purper van uw paviljoen. EZ 27:8 De vorsten van Sidon en Arwad zijn uw roeiers; de kundigste mannen van Semer zijn als matrozen aan boord. EZ 27:9 De oudsten en wijzen van Gebal doen op u dienst als scheepstimmerlieden. Alle schepen en zeelieden doen u aan om koopwaar te ruilen. EZ 27:10 Soldaten uit Perzië, Lud en Put dienen in uw leger, schild en helm hangen ze aan uw muren op en verhogen uw aanzien. EZ 27:11 Mannen uit Arwad betrekken de wacht op uw muren en Gammadieten op uw torens; hun schilden hangen ze rondom aan uw muren op en verrijken uw pracht. EZ 27:12 Tarsis drijft handel met u in tal van goederen; het levert zilver, ijzer, tin en lood in ruil voor uw waren. EZ 27:13 Jawan, Tubal en Mesek drijven handel met u; slaven en bronzen voorwerpen leveren ze in ruil voor uw koopwaar. EZ 27:14 Uit Bet togarma worden paarden, rijdieren en muildieren op uw markt aangevoerd. EZ 27:15 De Dedanieten drijven handel met u; op vele eilanden worden uw waren verder verkocht; met ivoor en ebbehout betalen ze u. EZ 27:16 Edom drijft handel met u in tal van produkten: karbonkel, fijngeborduurd rood purper, byssus, parels en robijnen leveren ze in ruil voor uw waren. EZ 27:17 Juda en het land van Israël drijven handel met u: tarwe uit Minnit, mirre, honing, olie en balsem leveren ze in ruil voor uw koopwaar. EZ 27:18 Damascus drijft handel met u in tal van produkten en allerhande waren; het levert u wijn uit Chelbon, wol uit Sachar EZ 27:19 en tonnen wijn uit Izzal in ruil voor uw koopwaar: smeedijzer, laurier en kalmus worden geruild tegen uw waren. EZ 27:20 Dedan dreef handel met u in zadeldekken. EZ 27:21 De Arabieren en de vorsten van Kedar zijn uw agenten; ze drijven handel in lammeren, rammen en bokken. EZ 27:22 De kooplieden van Seba en Rama drijven handel met u: de fijnste reukwerken, allerlei edelstenen en goud leveren ze in ruil voor uw waren. EZ 27:23 Haran, Kanne en Eden, de kooplieden van Seba, Assur en Kilmad drijven handel met u; EZ 27:24 zij verkopen u pronkgewaden, mantels van fijngeborduurd blauw purper, bontgeweven tapijten en stevig gevlochten touwen. EZ 27:25 Met Tarsis schepen worden uw waren vervoerd. Volgeladen en zwaarbevracht ligt u midden op zee. EZ 27:26 Uw roeiers hebben u in volle zee gebracht, maar daar, midden op zee, zal de oostenwind u breken. EZ 27:27 Uw rijkdommen, voorraden en koopwaar, uw matrozen en andere schepelingen, uw scheepstimmerlieden en uw opvarende kooplieden en soldaten, al het volk dat aan boord is, vergaan midden op zee, nu het uur van uw ondergang gekomen is. EZ 27:28 Van de noodkreten van uw matrozen raakt de zee in beroering. EZ 27:29 Allen die de riemen hanteren verlaten hun schepen; allen die op zee zijn gaan aan land. EZ 27:30 Luid verheffen ze hun stem en bitter klagen ze om u; ze strooien stof op hun hoofd en bedekken zich met as. EZ 27:31 Om u scheren ze zich kaal en hullen zich in zakken; in bittere smart wenen ze om u en bitter is hun rouwklacht. EZ 27:32 Jammerend heffen ze over u een klaaglied aan en zingen een treurzang: 'Wie is als Tyrus, de sterke veste, midden in zee? EZ 27:33 Ver over zee voerde u uw koopwaar en verzadigde er de volken mee. Met u schatten en uw goederen maakte u de koningen der aarde rijk. EZ 27:34 Nu bent u door de zee gebroken, verzwolgen in de diepten der wateren; uw waren en heel uw bemanning zijn met u vergaan. EZ 27:35 Alle bewoners der eilanden zijn met verbijstering geslagen, hun koningen zijn door ontzetting bevangen; de verslagenheid staat op hun gezicht te lezen; EZ 27:36 de volken die met u handel dreven, sissen. U bent een schrikbeeld geworden en verdwenen voor altijd.' EZ 28:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 28:2 Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus: Dit zegt Jahwe de Heer: Gij bent hoogmoedig geworden en hebt gezegd: 'Ik ben een god, ik zit op een goddelijke troon, midden op zee.' Ofschoon ge maar een mens bent, en geen god, hebt ge gemeend goddelijke wijsheid te bezitten. EZ 28:3 Ja, ge bent wijzer dan Daniël; gene geheim is voor u verborgen. EZ 28:4 Door uw wijsheid en behendigheid hebt ge rijkdommen verworven en goud en zilver vergaard in uw schatkamers. EZ 28:5 Door uw koopmanstalent hebt ge uw bezit vergroot en zo bent ge trots geworden op uw rijkdom. EZ 28:6 Daarom zegt Jahwe de Heer: omdat ge gemeend hebt goddelijke wijsheid te bezitten, EZ 28:7 stuur Ik barbaren op u af, de meest geduchte volken. Die zullen hun zwaarden trekken tegen uwe majesteit met al haar wijsheid en uw luister zullen ze onteren. EZ 28:8 In de onderwereld zullen ze u doen afdalen en ge zult een gewelddadige dood sterven, midden op zee. EZ 28:9 Als ge oog in oog staat met hem die u doodt, zult ge dan nog volhouden dat ge een god bent? In de macht van hem die u neerslaat zult ge ervaren dat ge een mens bent en geen god. EZ 28:10 Door de hand van barbaren zult ge een smadelijke dood sterven. Zo heb ik gesproken, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 28:11 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 28:12 Mensenkind, hef een klaaglied aan op de koning van Tyrus en zeg hem: Dit zegt Jahwe de Heer: Gij waart een paradijswezen, vol van wijsheid, en uitermate schoon. EZ 28:13 Gij waart in Eden, de tuin van God; om u heen een omheining van edelstenen: van robijn, topaas en jaspis, chrysoliet, kornalijn en onyx, saffier, karbonkel en smaragd. Van goud waren de sieraden waarmee gij getooid waart; op de dag dat u geschapen werd waren ze gereed. EZ 28:14 Gij waart een kerub met uitgespreide vleugels; tot bewaker had Ik u aangesteld: de heilige berg van God was uw verblijfplaats, daar wandelde gij temidden van flonkerende stenen. EZ 28:15 Onberispelijk was uw gedrag op de dag dat ge geschapen werd, maar later zijt ge tot zonde vervallen. EZ 28:16 Bij uw uitgebreide handel zijt ge van de ene geweldpleging tot de andere gekomen. Vanwege uw zonden zal Ik u van de berg van God wegslaan, zal Ik u, kerub, die Ik tot bewaker had aangesteld, verjagen uit de tuin met de flonkerende stenen. EZ 28:17 Ge waart trots op uw schoonheid; uw pronkzucht heeft uw wijsheid ten val gebracht. Daarom zal Ik u ter aarde werpen, u maken tot een schouwspel voor de koningen. EZ 28:18 Door uw grote ongerechtigheid, door uw oneerlijke handel hebt ge uw heiligdom ontwijd; daarom laat Ik een vuur in u oplaaien, dat u verslinden zal; voor de ogen van al uw bewonderaars maak Ik u met de bodem gelijk. EZ 28:19 Al uw vrienden onder de volken zullen met verbijstering geslagen zijn. U bent een schrikbeeld geworden en verdwenen voor altijd. EZ 28:20 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 28:21 Mensenkind, richt u tot Sidon; profeteer ertegen EZ 28:22 en zeg: Dit zegt Jahwe de Heer: Sidon, Ik kom op u af! In uw midden zal Ik mijn heerlijkheid openbaren; als Ik er het strafgericht voltrek, zullen ze erkennen dat Ik Jahwe ben; zo zal Ik tonen dat Ik de Heilige ben. EZ 28:23 Ik zal de pest op haar afsturen en in haar straten een bloedbad aanrichten. In haar midden zullen doden vallen door het zwaard dat van alle kanten tegen haar gericht is; ze zullen weten dat Ik Jahwe ben. EZ 28:24 Zo zal het volk van Israël geen hinderlijke doorn en stekelige distel meer hebben onder de buurvolken die het verachten; ze zullen verkondigen dat Ik Jahwe ben. EZ 28:25 Dit zegt Jahwe de Heer: Als Ik het volk van Israël heb teruggebracht uit de landen waarover ze verspreid zijn, zal Ik door hen aan de volken tonen dat Ik de Heilige ben; dan zullen ze wonen op hun eigen grond, die Ik gegeven heb aan mijn dienaar Jakob, EZ 28:26 Daarop zullen ze veilig wonen, huizen bouwen en wijngaarden planten. Als Ik mijn strafgericht heb voltrokken aan de buurvolken die hen veracht hebben, zullen ze in veiligheid leven en zullen ze erkennen dat Ik Jahwe hun God ben. EZ 29:1 In het tiende jaar, op de twaalfde dag van de tiende maand, werd het woord van Jahwe tot mij gericht: EZ 29:2 Mensenkind, richt u tot Farao, de koning van Egypte; profeteer tegen hem en tegen heel Egypte; EZ 29:3 spreek aldus: Dit zegt Jahwe de Heer: Ik keer Mij tegen u, Farao, koning van Egypte, gij grote krokodil, die daar ligt in de Nijl. Gij hebt gezegd: 'De Nijl is van mij; ik heb hem voor mij gemaakt.' EZ 29:4 Ik zal haken slaan in uw kaken, de vissen van de Nijl aan uw schubben hechten en u uit de Nijl ophalen, met al de vissen van de Nijl die aan uw schubben vastzitten. EZ 29:5 Ik zal u de woestijn inslingeren, u met al de vissen uit de Nijl; in de eenzaamheid zult ge neersmakken en niemand zal u opnemen en begraven. Aan de wilde beesten en de vogels van de hemel geef Ik u ten prooi, EZ 29:6 en alle bewoners van Egypte zullen erkennen dat Ik Jahwe ben. Ge bent een rieten stok voor Israël: EZ 29:7 pakt men u vast, dan knakt ge en rijt ge de handpalm open; leunt men op u, dan breekt ge door en verzwikt men zijn heup. EZ 29:8 Daarom, zegt Jahwe de Heer, ontbied Ik het zwaard tegen u. Ik roei mens en dier in uw land uit; EZ 29:9 Egypte zal een barre woestenij worden. Dan zal men erkennen dat Ik Jahwe ben. Omdat ge gezegd hebt: 'De Nijl is van mij, ik heb hem zelf gemaakt', EZ 29:10 daarom keer Ik Mij tegen u en uw Nijl! Ik maak van Egypte een barre en troosteloze woestenij van Migdol tot Syene, ja tot aan Kus toe. EZ 29:11 Geen mens zal er een voet zetten en geen dier zal er komen; veertig jaar zal het onbewoond blijven. EZ 29:12 Ik zal Egypte het lot doen delen van alle verwoeste landen, en zijn steden dat van alle in puin gelegde steden, veertig jaar lang. Ik zal de Egyptenaren onder de volken verspreiden en ze over de landen verstrooien. EZ 29:13 Maar, zegt Jahwe de Heer, na die veertig jaar zal ik de Egyptenaren terugbrengen uit de landen waarover ze verspreid zijn, EZ 29:14 en het lot van Egypte ten beste keren. Ik zal ze terugbrengen naar Patros, het land van hun oorsprong. Maar ze zullen daar een onbeduidend koninkrijk vormen, EZ 29:15 het geringste van alle koninkrijken; nooit zal het zich meer boven de volken kunnen verheffen. Ik zal het klein houden zodat het de volken niet kan overheersen. EZ 29:16 Dan zal het niet meer het vertrouwen genieten van Israël: dit zal toegeven, gedwaald te hebben toen het zich op Egypte verliet. Zo zullen de Egyptenaren erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 29:17 In het zevenentwintigste jaar, op de eerste dag van de eerste maand, werd het woord van Jahwe tot mij gericht: EZ 29:18 Mensenkind, koning Nebukadnessar van Babel heeft zijn manschappen met de belegering van Tyrus een zwaar karwei gegeven: hun hoofden zijn kaal geschuurd en hun schouders ontveld. Maar noch hij noch zijn leger kregen uit Tyrus het loon voor het karwei dat ze er hadden uitgevoerd. EZ 29:19 Daarom, zegt Jahwe de Heer, zal Ik aan koning Nebukadnessar van Babel Egypte geven. Hij zal het land plunderen, van zijn schatten beroven en er de rijkdommen uit wegslepen; dat zal het loon zijn voor zijn leger. EZ 29:20 Als beloning voor het zware werk dat ze voor Mij verricht hebben zal Ik hem Egypte geven, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 29:21 Op die dag zal Ik voor het volk van Israël een hoorn doen opkomen en gij zult in hun midden vrijuit kunnen spreken. En ze zullen erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 30:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 30:2 Mensenkind, profeteer en zeg: Dit zegt Jahwe de Heer: Weeklaag: 'Ach, die dag!' EZ 30:3 Want nabij is de dag, nabij is de dag van Jahwe, de donkere dag, waarop het uur van de volken zal slaan. EZ 30:4 Het zwaard zal over Egypte komen; in Kus zal men sidderen van angst. In Egypte zullen doden vallen; men sleept er de rijkdom weg en haalt omver wat overeind staat; EZ 30:5 de Kusieten, de Putieten, de Ludieten, alle vreemdelingen in Egypte woonachtig, de Libiërs en de zonen van het verbond zullen met de Egyptenaren vallen door het zwaard. EZ 30:6 Dit zegt Jahwe de Heer: Zij die Egypte steunen zullen vallen; zijn trotse kracht zal ineenstorten, van Migdol tot Syene zullen ze vallen door het zwaard, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 30:7 Egypte zal het lot delen van alle verwoeste landen, zijn steden dat van alle in puin gelegde steden EZ 30:8 en ze zullen erkennen dat Ik Jahwe ben. Ik stort vuur uit over Egypte en vernietig al zijn bondgenoten. EZ 30:9 Op die dag zal Ik boden op schepen naar het onbezorgde Kus laten gaan om het schrik aan te jagen; de Kusieten zullen sidderen van angst als het uur van Egypte geslagen heeft, en dat is nabij. EZ 30:10 Dit zegt Jahwe de Heer: Door koning Nebukadnessar van Babel zal Ik een einde maken aan de feestroes van Egypte. EZ 30:11 Hem en zijn leger, samengebracht uit de meest geduchte volken, stuur Ik om het land te verwoesten. Ze zullen hun zwaarden tegen Egypte trekken en het land met lijken bedekken. EZ 30:12 Ik zal de Nijl droogleggen en het land prijsgeven aan woestelingen. Ik zal het land met al wat er op is door barbaren laten verwoesten; Ik, Jahwe, heb gesproken. EZ 30:13 Dit zegt Jahwe de Heer: Ik zal de afschuwelijke goden vernietigen en de rijksgroten uit Nof doen verdwijnen; er zal in Egypte geen vorst meer zijn. Ik breng het land in paniek, EZ 30:14 Ik zal Patros verwoesten, Soan in brand steken en aan No mijn strafgericht voltrekken. EZ 30:15 Ik ga mijn woede koelen aan Sin, het bolwerk van Egypte, en de volksmassa's van No uitroeien. EZ 30:16 Ik zal vuur uitstorten over Egypte: Sin zal ineenkrimpen van pijn, in No worden bressen geslagen en Nof zal op klaarlichte dag aan angst ten prooi zijn. EZ 30:17 De jongemannen van On en Pi beset zullen vallen door het zwaard en de bevolking zal in ballingschap gaan. EZ 30:18 Tachpanches zal bij dag in duister gedompeld worden, als Ik daar de skepters van Egypte breek. Gebroken wordt daar zijn overmoedige trots, een wolk zal Egypte bedekken en zijn dochters zullen in ballingschap gaan. EZ 30:19 Zo zal Ik mijn strafgericht aan Egypte voltrekken, opdat ze erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 30:20 In het elfde jaar, op de zevende dag van de eerste maand, werd het woord van Jahwe tot mij gericht: EZ 30:21 Mensenkind, Ik heb de arm van Farao, de koning van Egypte gebroken; hij wordt niet verzorgd, niet behandeld met geneesmiddelen, noch verbonden; hij krijgt nooit meer de kracht om het zwaard te hanteren. EZ 30:22 Daarom, zegt Jahwe de Heer: Ik reken met Farao, de koning van Egypte, af. Ik zal zijn beide armen breken, nu ook de gezonde, bij de arm die al gebroken is, en hem zo het zwaard uit de hand doen vallen. EZ 30:23 Ik zal de Egyptenaren onder de volken verspreiden en ze verstrooien over de landen. EZ 30:24 De arm van de koning van Babel zal Ik sterk maken en hem mijn zwaard in de hand geven, maar de armen van Farao zal Ik breken; en kermend als een dodelijk gewonde zal hij voor de koning van Babel bezwijken. EZ 30:25 De armen van de koning van Babel zal Ik sterk maken, maar de armen van Farao zullen alle kracht verliezen. Egypte zal weten dat Ik Jahwe ben: Ik geef de koning van Babel mijn zwaard in de hand en hij zal er Egypte mee treffen. EZ 30:26 Ik zal de Egyptenaren onder de volkeren verspreiden en ze verstrooien over de landen, opdat ze erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 31:1 In het elfde jaar, op de eerste dag van de derde maand, werd het woord van Jahwe tot mij gericht: EZ 31:2 Mensenkind, zeg tot Farao, de koning van Egypte, en zijn leger: Waarmee is uw grootheid te vergelijken? EZ 31:3 Met een pijnboom, een ceder van de Libanon, met mooie takken, met schaduwrijk loof en een rijzige stam; tot in de wolken reikte zijn top. EZ 31:4 Het water deed hem gedijen en maakte hem groot; het stroomde rondom de plaats waar hij geplant stond en vandaar vloeide het in beken naar alle bomen in de vlakte. EZ 31:5 Dank zij het overvloedige water tierde hij welig; zijn stam stak boven alle andere bomen in de vlakte uit, zijn takken waren talrijk en zijn twijgen lang. EZ 31:6 In zijn takken nestelden de vogels van de hemel; onder zijn twijgen wierpen de wilde dieren hun jongen; in zijn schaduw woonden machtige volken. EZ 31:7 Daar zijn wortel door overvloedig water gevoed werd, was het een prachtboom, door zijn hoogte en zijn lange takken. EZ 31:8 Zelfs de ceders in de tuin van God waren niet zo hoog als hij: de cypressen hadden er niet zulke mooie takken en de platanen niet zulke twijgen; geen boom in de tuin van God evenaarde zijn schoonheid. EZ 31:9 Met zijn volle kroon had Ik hem tot een prachtige boom gemaakt; alle bomen van Eden die in de tuin van God stonden benijdden hem. EZ 31:10 Maar, zegt Jahwe de Heer, hij werd hoogmoedig op zijn stam, verhief zijn kruin tot in de wolken en werd trots op zijn hoogte. EZ 31:11 Daarom lever Ik hem over aan de beheerser der volken, en die zal met hem afrekenen. Om zijn boosheid ruk Ik hem uit. EZ 31:12 Barbaren, de meest geduchte volken, zullen hem omhouwen en neersmakken op de bergen; in de dalen komen zijn takken terecht; zijn twijgen vallen gebroken neer in de ravijnen der aarde; de volken der aarde zijn uit zijn schaduw weggetrokken en laten hem neersmakken. EZ 31:13 Op zijn gevallen stam zetten de vogels van de hemel zich neer en de wilde dieren legeren tussen zijn takken. EZ 31:14 Dit alles gebeurt opdat geen boom aan het water meer groot zal gaan op zijn hoogte, noch zijn kruin in de wolken steken en opdat niets dat van water leeft nog prat zal gaan op zijn grootte. Want allen zijn bestemd voor de dood en de onderwereld, waar ze het lot zullen delen van de mensen die reeds in de onderwereld zijn afgedaald. EZ 31:15 Dit zegt Jahwe de Heer: Op de dag dat hij naar het dodenrijk afdaalt laat ik de wateren der diepte over hem rouwen, houd hun stromen tegen en verstop de bronnen. Om hem hul Ik de Libanon in een rouwkleed en verdorren de bomen in de vlakte. EZ 31:16 Ik doe de volken opschrikken door het gedreun van zijn val, als Ik hem laat afdalen in het dodenrijk, naar hen die reeds in de onderwereld zijn afgedaald. Dan zullen in de onderwereld alle bomen van Eden zich getroost voelen, het puik en de keur van de Libanon, alles wat van water leeft. EZ 31:17 Ook zijn bondgenoten onder de volken, die in zijn schaduw woonden, zullen met hem naar het dodenrijk afdalen, naar hen die door het zwaard zijn omgekomen. EZ 31:18 Waart ge door pracht en grootheid gelijk aan de bomen van Eden, evenals de bomen van Eden wordt ge neergeworpen in het dodenrijk, en komt ge te liggen bij hen die een smadelijke dood gestorven zijn of door het zwaard zijn omgekomen. Zo gaat het met Farao en heel zijn leger, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 32:1 In het twaalfde jaar, op de eerste dag van de twaalfde maand, werd het woord van Jahwe tot mij gericht: EZ 32:2 Mensenkind, hef een klaaglied aan op Farao, de koning van Egypte, en zeg tot hem: Jonge leeuw, heerser over de volken, ge lijkt op een krokodil in het water: door uw neusgaten laat ge het water spuiten, met uw poten brengt ge het water in beroering en doet ge de stromen kolken. EZ 32:3 Dit zegt Jahwe de Heer: Ik zal mijn net over u laten werpen door een menigte grote legers; ze zullen u ophalen in mijn fuik. EZ 32:4 Ik zal u op het droge slingeren, u neersmakken in de eenzaamheid. De vogels van de hemel zal Ik op u neer laten strijken en alle dieren der aarde zich aan u zat laten vreten. EZ 32:5 Ik zal uw vlees op de bergen leggen en de dalen vullen met uw resten. EZ 32:6 Ik zal de aarde drenken met uw vocht, uw bloed over de bergen uitgieten; de ravijnen zullen door uw bloed worden gevuld. EZ 32:7 Als uw levenslicht gedoofd wordt, befloers Ik de hemel en hul de sterren in rouw. De zon verberg Ik achter de wolken en de maan zal haar licht niet meer geven. EZ 32:8 Alle lichten aan de hemel zal Ik om u in rouw hullen en uw land zal Ik in het duister dompelen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 32:9 Vele volken zal de schrik om het hart slaan, als Ik het nieuws van uw val onder de volken verspreid tot in landen waarvan ge nog nooit gehoord hebt. EZ 32:10 Vele volken zal Ik met verbijstering slaan; hun koningen zullen de haren te berge rijzen als mijn zwaard rakelings langs hen heen slaat. Ze zullen beven en sidderen van angst, en al maar vrezen voor hun eigen leven op de dag van uw ondergang. EZ 32:11 Want dit zegt Jahwe de Heer: Het zwaard van de koning van Babel komt op u af; EZ 32:12 uw leger maai Ik neer met de zwaarden van helden uit de meest geduchte volken. Ze zullen de trots van Egypte breken en heel zijn leger vernietigen. EZ 32:13 Langs de grote stroom zal geen vee meer te vinden zijn; mensenvoet noch dierehoef zal nog ooit het water in beroering brengen. EZ 32:14 Ik zal het water weer rustig maken en de stroom doen vloeien als olie, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 32:15 Als Ik van Egypte een woestenij heb gemaakt, als het land beroofd is van heel zijn rijkdom, als Ik allen die er wonen heb neergeveld, dan zal men erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 32:16 Dit is een klaaglied en als een klaaglied moet men het zingen; overal ter wereld zullen de vrouwen het zingen; over Egypte en zijn bevolking zullen ze dit klaaglied zingen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 32:17 In het twaalfde jaar, op de vijftiende dag van de eerste maand, werd het woord van Jahwe tot mij gericht: EZ 32:18 Mensenkind, hef een weeklacht aan over de bevolking van Egypte, gij met de vrouwen overal ter wereld, en bezing de afdaling van de machtigen naar de diepte der aarde, waar zij verblijven die in de onderwereld zijn neergedaald. EZ 32:19 Hoe schoon ge ook bent, Farao, daal neer en leg u te ruste bij hen die smadelijk zijn omgekomen, EZ 32:20 tussen hen die door het zwaard zijn geveld. Het zwaard is aangereikt, de vijanden hebben het getrokken tegen Egypte en heel zijn bevolking. EZ 32:21 Vanuit het dodenrijk roepen de machtige helden Farao en zijn helpers toe: 'Daar komen ze om zich te ruste te leggen, smadelijk omgekomen, geveld door het zwaard.' EZ 32:22 Daar ligt reeds Assur met al zijn volk rondom hem begraven; allen gesneuveld, gevallen door het zwaard. EZ 32:23 Zijn rustplaats ligt in de krochten van de onderwereld en rondom hem ligt zijn volk begraven, allen gesneuveld, gevallen door het zwaard, zij voor wie in het land der levenden ieder sidderde van angst. EZ 32:24 Daar ligt Elam met al zijn volk rondom hem begraven, allen gesneuveld, gevallen door het zwaard, na een smadelijke dood afgedaald naar de diepten der aarde, zij voor wie in het land der levenden ieder sidderde van angst, maar die nu hun schande moeten dragen onder hen die in de onderwereld zijn neergedaald. EZ 32:25 Onder de gesneuvelden heeft hij een rustplaats gekregen, met al zijn volk rondom hem. Zij allen zijn smadelijk omgekomen, geveld door het zwaard. Voor hen sidderde ieder van angst in het land der levenden; nu moeten zij hun schande dragen onder hen die in de onderwereld zijn neergedaald. EZ 32:26 Daar ligt Mesek tubal met al zijn volk rondom hem begraven, allen smadelijk omgekomen, geveld door het zwaard; voor hen sidderde ieder van angst in het land der levenden. EZ 32:27 Zij liggen niet bij de helden van weleer, die in hun wapenrusting in het dodenrijk zijn neergedaald en nu rusten met hun hoofd op het zwaard en hun gebeente bedekt met het schild. Voor deze helden sidderde men van angst in het land der levenden. EZ 32:28 En gij, Farao, zult ook gebroken neerliggen temidden van hen die smadelijk zijn omgekomen en door het zwaard zijn geveld. EZ 32:29 Daar ligt Edom met al zijn koningen en vorsten, die, al hun kracht ten spijt, neergelegd zijn bij hen die door het zwaard zijn geveld. Ook zij rusten bij hen die na een smadelijke dood in de onderwereld zijn neergedaald. EZ 32:30 Daar liggen alle koningen van het Noorden en de Sidoniërs, die neergedaald zijn naar hen die door het zwaard geveld zijn; ondanks de schrik die zij om zich heen gezaaid hebben en al hun kracht ten spijt, liggen zij nu beschaamd over hun smadelijke dood bij hen die door het zwaard zijn omgekomen; zij moeten hun schande dragen onder hen die in de onderwereld zijn neergedaald. EZ 32:31 Als Farao al deze doden ziet, zal hij berusten in het lot van zijn volk, dat evenals hijzelf en heel zijn leger gevallen is door het zwaard, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 32:32 Want in het land der levenden heb Ik allen doen sidderen van angst voor Farao, maar nu is hij neergelegd bij hen die smadelijk zijn omgekomen, geveld door het zwaard, hij en heel zijn volk, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 33:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 33:2 Mensenkind, spreek tot uw volksgenoten en zeg hun: Als ik het zwaard over een land laat komen en het volk wijst iemand uit zijn midden als wachter aan, EZ 33:3 dan moet hij, als hij het gevaar ziet aankomen, de bazuin steken en het volk waarschuwen. EZ 33:4 Als dan iemand wel het signaal van de bazuin hoort maar er zich niet aan stoort, en het zwaard komt en velt hem neer, dan is alleen hijzelf schuldig aan zijn vergoten bloed; EZ 33:5 hij heeft het signaal van de bazuin gehoord, maar er zich niet aan gestoord. Had hij dat wel gedaan, dan had hij zijn leven gered; nu komt zijn bloed op hem neer. EZ 33:6 Maar als de wachter het gevaar ziet aankomen en niet op de bazuin blaast, dan wordt het volk niet gewaarschuwd; komt het zwaard en velt het iemand neer, dan eis Ik zijn bloed van de wachter op, ook al is die man gevallen vanwege zijn eigen schuld. EZ 33:7 Mensenkind, Ik heb u als wachter over het volk van Israël aangesteld. Al wat ge van Mij verneemt moet ge hun in mijn naam meedelen. EZ 33:8 Als Ik tot de boosdoener zeg: 'Boosdoener, ge zult zeker sterven', en gij waarschuwt de boosdoener niet dat hij zich moet beteren, dan zal die boosdoener sterven vanwege zijn eigen schuld, maar van u eis Ik zijn bloed op. EZ 33:9 Maar als ge de boosdoener gewaarschuwd hebt dat hij zijn leven moet beteren en hij betert zijn leven niet, dan zal hij vanwege zijn eigen schuld sterven, maar gij blijft in leven. EZ 33:10 Mensenkind, het volk van Israël zegt: 'Wij gaan gebukt onder onze misdaden en zonden en verkommeren daardoor; voor ons is er geen sprake van leven.' EZ 33:11 Zeg tot hen: 'Zowaar als Ik leef, zegt Jahwe de Heer, Ik wil de dood van de zondaar niet, maar wens dat hij zich betert en in leven blijft. Bekeer u, bekeer u en beter uw leven. Waarom zoudt ge sterven, volk van Israël?' EZ 33:12 Mensenkind, zeg tot uw volksgenoten: Als de rechtvaardige zich gaat misdragen, zullen zijn goede daden hem niet meer baten, en als de boosdoener zijn leven betert zal hij niet door zijn boosheid ten val komen. Als de rechtvaardige zich gaat misdragen, zullen zijn goede daden hem niet meer baten. EZ 33:13 Als Ik tot de rechtvaardige zeg dat hij in leven zal blijven, en hij gaat in vertrouwen op zijn verdiensten ongerechtigheid bedrijven, dan zal geen van zijn verdiensten nog geteld worden, maar zal hij sterven om de ongerechtigheid die hij bedreven heeft. EZ 33:14 En zeg Ik tot de boosdoener: 'Gij zult sterven', maar hij betert zijn leven en gaat handelen naar wet en recht; EZ 33:15 geeft het pand terug, vergoedt gestolen goed, gedraagt zich volgens de wetten die tot het leven voeren en bedrijft geen ongerechtigheid, dan zal hij in leven blijven en niet sterven. EZ 33:16 De zonden die hij gedaan heeft zullen hem niet worden toegerekend; hij heeft gehandeld naar wet en recht; hij zal in leven blijven. EZ 33:17 En dan zeggen uw volksgenoten: 'De weg van de Heer is niet recht!' Maar hun eigen weg is niet recht. EZ 33:18 Als een rechtvaardige zich gaat misdragen en ongerechtigheid bedrijft, zal hij sterven. EZ 33:19 En als een boosdoener zijn leven betert en handelt naar wet en recht, zal hij leven. EZ 33:20 Al zegt ge: 'De weg van de Heer is niet recht', toch zal Ik ieder van u vonnissen naar zijn gedrag, volk van Israël! EZ 33:21 In het twaalfde jaar van onze ballingschap, op de vijfde dag van de tiende maand, kwam er een vluchteling uit Jeruzalem bij me met het bericht: 'De stad is gevallen!' EZ 33:22 De avond tevoren was de hand van Jahwe over mij gekomen en 's morgens, voordat de vluchteling bij me kwam, opende Jahwe mijn mond. Ik was niet meer stom en kon weer gewoon spreken. EZ 33:23 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 33:24 Mensenkind, de bewoners van die puinen in het land van Israël zeggen: 'Abraham was maar alleen en kreeg toch heel het land in bezit; wij zijn met velen, daarom is het land ons blijvend bezit.' EZ 33:25 Zeg dus tot hen: Dit zegt Jahwe de Heer: Ge eet vlees waar het bloed nog in zit, ge slaat uw ogen op naar uw afgoden, ge vergiet bloed, en zou dan het land uw blijvend bezit zijn? EZ 33:26 Ge voelt u sterk door uw zwaard, ge bedrijft gruweldaden, ge onteert de vrouw van uw naaste, zou dan het land uw blijvend bezit zijn? EZ 33:27 Zeg hun: Dit zegt Jahwe de Heer: Zo waar Ik leef: de bewoners van de puinen zullen vallen door het zwaard, die op het platteland leven geef Ik ten prooi aan de wilde dieren, en die in spelonken en holen huizen zullen sterven aan de pest. EZ 33:28 Ik zal van het land een barre woestenij maken; zijn overmoedige trots zal vernietigd worden en het bergland van Israël zal eenzaam en verlaten liggen; niemand trekt er doorheen. EZ 33:29 Als Ik van het land een barre woestenij maak vanwege al de gruweldaden die ze bedreven hebben, zullen ze erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 33:30 Mensenkind, uw volksgenoten praten over u in de schaduw van de muren of bij de ingang van hun huizen en ze zeggen tot elkaar: 'Kom, laten we eens gaan luisteren naar wat Jahwe nu weer te zeggen heeft.' EZ 33:31 Ze stromen naar u toe als bij een volksoploop en zetten zich in groten getale voor u neer. Ze luisteren naar uw woorden, maar handelen er niet naar; ze zeggen dat ze hunkeren naar Gods woord, maar met hun hart zijn ze bij hun zaken. EZ 33:32 Gij bent voor hen als een zanger die van de liefde zingt, met een mooie stem en fraai snarenspel; ze luisteren graag naar uw woorden, maar handelen er niet naar. EZ 33:33 Maar als mijn woorden in vervulling gaan, en dat gebeurt, dan zullen ze erkennen dat er onder hen een profeet geweest is. EZ 34:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 34:2 Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer en zeg tot de herders: Dit zegt Jahwe de Heer: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders niet hun schapen weiden? EZ 34:3 Ge eet het vet, ge kleedt u met de wol, ge slacht het vetgemeste dier, maar weiden doet ge de beesten niet. EZ 34:4 Het zwakke dier geeft ge niets om aan te sterken, het zieke dier geneest ge niet, het gewonde verbindt ge niet, het verdwaalde brengt ge niet terug en het verlorene zoekt ge niet; ge behandelt de dieren hard en ruw. EZ 34:5 Ze raken verspreid omdat niemand ze weidt; ze vallen ten prooi aan de wilde dieren of raken verdwaald. EZ 34:6 Mijn schapen dolen rond over alle bergen en hoge heuvels; over heel de aarde zijn mijn schapen verstrooid, zonder dat er iemand naar vraagt of naar zoekt. EZ 34:7 Daarom, herders, luistert naar het woord van Jahwe: EZ 34:8 Zo waar Ik leef, zegt Jahwe de Heer: omdat mijn schapen weggeroofd worden, omdat ze ten prooi vallen aan de wilde dieren doordat niemand ze weidt, omdat mijn herders zich niet om de schapen bekommeren, maar alleen zichzelf weiden en niet mijn schapen, EZ 34:9 daarom, herders, hoort het woord van Jahwe. EZ 34:10 Dit zegt Jahwe de Heer: Ik keer mij tegen de herders! Ik zal mijn schapen van hen opeisen en henzelf als herder ontslaan. De herders zullen niet langer zichzelf weiden; Ik zal mijn schapen uit hun mond bevrijden, ze zullen hun niet langer als voedsel dienen. EZ 34:11 Want, zegt Jahwe de Heer, Ik zal zelf omzien naar mijn schapen en ervoor zorgen. EZ 34:12 Zoals een herder omziet naar zijn schapen, als die verstrooid zijn geraakt, zo zal ook Ik naar mijn schapen omzien en ze veilig terugbrengen van alle plaatsen waar ze verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en dichte duisternis. EZ 34:13 Ik zal ze terugvoeren uit de volken, ze samenbrengen uit de landen en ze leiden naar hun eigen grond; Ik zal ze weiden op de bergen en in de dalen van Israël, op alle weideplaatsen van het land. EZ 34:14 Op goede weidegrond zal Ik ze weiden, het hoogland van Israël zal hun weideplaats zijn. Daar zullen ze legeren op goede plaatsen en grazen in welige weiden op de bergen van Israël. EZ 34:15 Ik zal zelf mijn schapen weiden en ze zelf een rustplaats wijzen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 34:16 Het verloren dier zal Ik zoeken, het afgedwaalde terughalen, het gewonde verbinden, het zieke sterken, de vette en sterke dieren bewaren; Ik zal ze weiden zoals het behoort. EZ 34:17 Gij, mijn schapen, zegt Jahwe de Heer, Ik ga rechtspreken tussen het ene schaap en het andere, tussen de rammen en de bokken. EZ 34:18 Is het u niet genoeg dat ge de beste weide afgraast en wat er overblijft met uw hoeven vertrapt, dat ge het helderste water drinkt en de rest met uw poten bevuilt? EZ 34:19 De andere schapen moeten dan eten wat uw hoeven vertrapt hebben en drinken wat uw poten hebben bevuild. EZ 34:20 Daarom, zegt Jahwe de Heer tot hen, ga Ik rechtspreken tussen de vette schapen en de magere. EZ 34:21 Omdat ge al wat zwak is met flank en schouder wegdringt en met de horens stoot totdat ge ze verdreven hebt, EZ 34:22 kom Ik mijn schapen te hulp opdat ze niet langer verdrukt worden; Ik ga rechtspreken tussen het ene schaap en het andere. EZ 34:23 Dan zal Ik over hen een herder aanstellen die hen weiden zal: mijn dienaar David. Die zal ze weiden, die zal hun herder zijn. EZ 34:24 Ik, Jahwe, zal hun God zijn, en mijn dienaar David hun vorst; Ik Jahwe, heb gesproken. EZ 34:25 Ik zal hun de vrede waarborgen en de wilde dieren uit het land doen verdwijnen, zodat ze veilig kunnen leven in de steppen en slapen in de bossen. EZ 34:26 Ik zal mijn zegen uitstorten over hen en over het gebied rondom mijn heuvel; Ik zal het op tijd laten regenen, weldadige regens zullen het zijn. EZ 34:27 De bomen in het veld zullen hun vruchten dragen en de akkers hun gewas voortbrengen. Mijn volk zal wonen op zijn eigen grond en erkennen dat Ik Jahwe ben, als Ik het hout van zijn juk breek en het bevrijd uit de macht van zijn verdrukkers. EZ 34:28 Dan zullen ze niet langer geplunderd worden door de volken en verscheurd door de wilde dieren; ze zullen veilig wonen zonder dat iemand ze opschrikt. EZ 34:29 Ik zal het gewas voor hen zo welig doen opschieten dat men er overal van spreekt, niemand in het land zal meer van honger omkomen en de smaad van de volken zullen ze niet langer te verduren hebben. EZ 34:30 Dan zullen ze erkennen dat Ik, Jahwe, hun God, hen bescherm en dat zij, het volk van Israël, mijn volk zijn, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 34:31 Gij toch zijt mijn schapen, de schapen die Ik weid; gij zijt mijn mensen en Ik ben uw God, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 35:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 35:2 Mensenkind, richt u tot het gebergte van Seir, profeteer ertegen EZ 35:3 en zeg: Dit zegt Jahwe de Heer: Gebergte van Seir, Ik keer Mij tegen u! Ik strek mijn hand tegen u uit en maak van u een barre woestenij. EZ 35:4 Van uw steden zal Ik een puinhoop maken en zelf zult ge een woestenij worden; ge zult erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 35:5 Omdat ge eeuwenlang de Israëlieten vijandig gezind bent geweest en ze hebt overgeleverd aan het moordende zwaard ten tijde van hun rampspoed, toen aan hun ongerechtigheid een einde gemaakt werd, EZ 35:6 daarom, zo waar Ik leef, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer, zal Ik u behandelen als een moordenaar en bloed zal u achtervolgen; omdat ge er niet voor teruggeschrokken zijt bloed te vergieten, zal bloed u achtervolgen. EZ 35:7 Ik zal van het gebergte van Seir een barre woestenij maken en uitroeien wie het waagt er doorheen te trekken of ernaar terug te keren. EZ 35:8 Ik zal zijn bergen bezaaien met de lijken van gesneuvelden; op uw heuvels, in uw dalen en in uw ravijnen zullen zij komen te vallen door het zwaard. EZ 35:9 Ik zal voor altijd een woestenij van u maken en uw steden zullen niet meer worden bewoond; ge zult erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 35:10 Gij hebt gezegd: 'Die twee volken en die twee landen zullen mij toebehoren; wij nemen de gebieden waar Jahwe gewoond heeft in bezit.' EZ 35:11 Zo waar Ik leef, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer, de woede, de naijver en de haat waarmee gij tegen Israël bent opgetreden, zal Ik u vergelden en in het vonnis dat Ik over u voltrek zal Ik Mij aan Israël openbaren. EZ 35:12 Die smadelijke taal die ge over de bergen van Israël hebt uitgeslagen, dat ze verwoest waren en u als buit waren toegevallen, die heb Ik, Jahwe, gehoord en dat zult ge weten. EZ 35:13 Ge hebt een grote mond tegen Mij opgezet en u schuldig gemaakt aan grootspraak; Ik heb het gehoord. EZ 35:14 Dit zegt Jahwe de Heer: Ik zal van u een woestenij maken en heel de aarde zal zich erover verheugen, EZ 35:15 zoals gij u verheugd hebt toen het erfdeel van het volk van Israël verwoest werd. Ik zal u hetzelfde lot doen ondergaan. Een woestenij zult ge worden, gebergte van Seir en heel Edom; zo zullen ze erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 36:1 Mensenkind, richt u tot de bergen van Israël en profeteer: Bergen van Israël luistert naar het woord van Jahwe: EZ 36:2 Dit zegt Jahwe de Heer: De vijand heeft over u Haha! geroepen en gezegd: 'De oeroude heilige plaatsen zijn ons bezit geworden.' EZ 36:3 Daarom moet ge profeteren en zeggen: Dit zegt Jahwe de Heer: Men heeft u verwoest, en nu azen de overgebleven volken rondom op u om u in bezit te nemen; met minachting praat men over u. EZ 36:4 Daarom, bergen van Israël, luistert naar het woord van Jahwe: Dit zegt de Heer tot de bergen, de heuvels, de ravijnen, de dalen, de eenzame puinen en de ontvolkte steden, die geplunderd zijn en een mikpunt van spot geworden voor de volken rondom, EZ 36:5 dit zegt Jahwe de Heer: Waarachtig, in het vuur van mijn naijver zal Ik heel Edom en de andere volken vonnissen. Met grote vreugde en vol leedvermaak hebben ze mijn land in bezit genomen en het leeggeplunderd. EZ 36:6 Daarom moet ge profeteren over het land van Israël en zeggen tegen de bergen, de heuvels, de ravijnen en de dalen: Dit zegt Jahwe de Heer: Omdat ge de smaad van de volken hebt moeten verduren, EZ 36:7 verklaar Ik in mijn naijver en woede, en zweer Ik, zegt Jahwe de Heer: Waarachtig, de volken rondom u zullen op hun beurt hun schande moeten dragen. EZ 36:8 Maar gij, bergen van Israël, zult weer met bomen begroeid raken en vruchten voortbrengen voor mijn volk Israël, want weldra keert het terug. EZ 36:9 Ik wend Mij weer tot u en zal zorgen dat ge weer bewerkt en bezaaid wordt. EZ 36:10 Er zullen weer veel mensen op u wonen, heel het volk van Israël; de steden zullen weer bewoond en de puinen herbouwd worden. EZ 36:11 Veel mensen zullen weer op u wonen en veel vee zal op u weiden; ze zullen zich vermenigvuldigen en vruchtbaar zijn. Ge zult weer even dicht bevolkt zijn als vroeger; het zal u nog beter gaan dan voorheen, opdat ge erkent dat Ik Jahwe ben. EZ 36:12 Ik zal maken dat er mensen op u leven, mijn volk Israël; het zal u weer in bezit nemen en gij zult zijn erfdeel zijn en zult het nooit meer kinderloos maken, zegt Jahwe de Heer. EZ 36:13 Dit zegt Jahwe de Heer: Men verwijt u dat ge de mensen verslindt en uw bewoners kinderloos maakt. EZ 36:14 Waarachtig, ge zult de mensen niet meer verslinden en uw bewoners niet meer kinderloos maken, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 36:15 Zo bespaar Ik u de spot van de volken en hoeft ge de smaad van de naties niet meer te verduren, want ge zult uw bewoners niet meer kinderloos maken, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 36:16 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 36:17 Mensenkind, toen het volk van Israël nog op zijn eigen grond woonde, heeft het die door zijn wangedrag verontreinigd. Zijn gedrag was in mijn ogen even onrein als het bloed van de stonden. EZ 36:18 Omdat ze bloed vergoten hadden en het land door hun afgoderij verontreinigd, heb Ik mijn woede aan hen gekoeld. EZ 36:19 Daarom heb Ik ze verspreid onder de volken en zijn ze verstrooid over de landen; naar hun wangedrag heb Ik hen gevonnist. EZ 36:20 En bij alle volken waar ze kwamen ontwijdden ze mijn heilige naam. Want men zei van hen: 'Dit is het volk van Jahwe en toch heeft het zijn land moeten verlaten.' EZ 36:21 Maar de eer van mijn naam ging Mij aan het hart, mijn heilige naam die door het volk van Israël ontwijd is onder de volken waar ze gekomen zijn. EZ 36:22 Zeg daarom tot het volk van Israël: Dit zegt Jahwe de Heer: Ik ga ingrijpen, doch niet omwille van u, maar om mijn heilige naam, die door u ontwijd is bij de volken waar ge gekomen bent. EZ 36:23 Ik zal voor mijn grote naam, die ontwijd is onder de volken, die door u onder hen ontwijd is, weer eerbied afdwingen en door u aan de volken tonen dat Ik de Heilige ben; zo zullen de volken erkennen dat Ik Jahwe ben, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 36:24 Ik zal u terugvoeren uit de volken, u samenbrengen uit alle landen en u leiden naar uw eigen grond. EZ 36:25 Ik zal u met zuiver water besprenkelen en ge zult rein worden; van al uw ongerechtigheden en van al uw afgoderij zal Ik u reinigen. EZ 36:26 Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in u uitstorten; Ik zal het stenen hart uit uw lichaam verwijderen en een hart van vlees geven. EZ 36:27 Mijn geest zal Ik in u uitstorten en Ik zal ervoor zorgen dat ge mijn wetten nakomt en mijn voorschriften nauwkeurig onderhoudt. EZ 36:28 Ge zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb; gij zult mijn volk en Ik zal uw God zijn. EZ 36:29 Ik zal u bevrijden van al uw ongerechtigheden; een overvloed van koren zal Ik te voorschijn roepen en u nooit meer honger laten lijden. EZ 36:30 De bomen laat Ik veel vruchten dragen en de akkers overvloedig gewas voortbrengen; zo zult ge onder de volken niet meer de smaad te dragen hebben dat ge honger lijdt. EZ 36:31 Dan zult ge terugdenken aan uw slecht gedrag en uw boze daden en ge zult van uzelf walgen om uw ongerechtigheden en uw gruweldaden. EZ 36:32 Niet omwille van u doe Ik het, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer, weet dat wel! Schaam u, schaam u diep over uw gedrag, volk van Israël! EZ 36:33 Dit zegt Jahwe de Heer: Ik zal u reinigen van al uw ongerechtigheden, en dan zal Ik uw steden weer bevolken en uw puinen herbouwen. EZ 36:34 Het verwilderde land zal weer worden bewerkt; het zal niet langer een woeste aanblik bieden aan wie er doorheen trekt. EZ 36:35 Dan zal men zeggen: 'Dit land, dat verwilderd was, is een tuin van Eden geworden; de steden die verwoest en vernield waren zijn weer ommuurde en bewoonde steden geworden.' EZ 36:36 Dan zullen de volken die rondom u zijn overgebleven erkennen dat Ik Jahwe ben; Ik bouw weer op wat vernield was en beplant wat verwilderd was. Ik, Jahwe, heb gesproken en wat Ik zeg voer Ik uit. EZ 36:37 Dit zegt Jahwe de Heer: Opnieuw ben Ik bereid de wens van het volk van Israël te vervullen en de mensen zo talrijk te maken als de schapen. EZ 36:38 Zoals het in Jeruzalem op feestdagen een gedrang is van offerdieren, zo zullen de verwoeste steden weer vol zijn van kudden mensen; zo zullen ze erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 37:1 De hand van Jahwe kwam over mij; zijn geest nam mij mee en zette mij neer in een dal dat vol beenderen lag. EZ 37:2 Hij leidde mij er in alle richtingen tussendoor, en ik zag hoeveel er over heel het dal wel lagen en hoe dor ze waren. EZ 37:3 Daarop vroeg Hij mij: 'Mensenkind, zouden deze beenderen nog tot leven kunnen komen?' Ik antwoordde: 'Jahwe mijn Heer, dat weet Gij alleen.' EZ 37:4 Toen zei Hij: 'Profeteer over deze beenderen en zeg: Dorre beenderen, luister naar het woord van Jahwe. EZ 37:5 Dit zegt Jahwe de Heer tot deze beenderen: Ik ga de levensgeest in u brengen, en ge komt weer tot leven. EZ 37:6 Ik leg pezen op u, bekleed u met vlees en overtrek u met een huid; dan schenk Ik u de levensgeest en ge komt weer tot leven. Dan zult ge erkennen dat Ik Jahwe ben.' EZ 37:7 Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. En zodra ik begon, ontstond er een gedruis: de beenderen voegden zich aaneen, elk op zijn plaats. EZ 37:8 En ik zag hoe er pezen op kwamen en vlees en hoe ze met een huid overtrokken werden. Maar de levensgeest was er nog niet in. EZ 37:9 Toen zei Hij tot mij: 'Profeteer tot de levensgeest, profeteer, mensenkind en zeg tot de levensgeest: Dit zegt Jahwe de Heer: Kom, van de vier windstreken, levensgeest, en blaas in deze gevallenen: dat ze weer leven.' EZ 37:10 Ik profeteerde zoals mij opgedragen was en de levensgeest kwam erin. Ze werden weer levend en gingen overeind staan: een onoverzienbaar leger. EZ 37:11 Daarop zei Jahwe tegen mij: 'Mensenkind, deze beenderen zijn het volk Israël. Bij hen leeft de gedachte: Onze beenderen zijn verdord, onze hoop is vervlogen, het is met ons gedaan. EZ 37:12 Profeteer daarom en zeg tegen hen: Dit zegt Jahwe de Heer: Ik ga uw graven openen; Ik wek u in groten getale daaruit op en voer u terug naar Israëls grond. EZ 37:13 En als Ik uw graven open en u in groten getale daaruit opwek, dan zult ge erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 37:14 Ik schenk u mijn geest, zodat ge weer leeft, en laat u op uw eigen grond gaan wonen. Dan zult ge erkennen dat Ik, Jahwe, doe wat Ik zeg, luidt de godsspraak van Jahwe.' EZ 37:15 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 37:16 Mensenkind, neem een stuk hout en schrijf daarop: 'Juda en de Israëlieten die bij hem horen.' Neem dan een tweede stuk hout en schrijf daarop: 'Jozef, of Efraïm, en heel Israël dat bij hem hoort.' EZ 37:17 Voeg beide stukken dan samen, tot een geheel in uw hand. EZ 37:18 Als uw volksgenoten vragen: 'Leg ons uit wat u hiermee bedoelt', EZ 37:19 antwoord dan: Dit zegt Jahwe de Heer: Dit betekent dat Ik het stuk van Jozef, of van Efraïm, en van de stammen van Israël die bij hem horen, bij het stuk hout van Juda ga voegen en er weer een geheel van maak in mijn hand. EZ 37:20 En als ze u daar zien met de beschreven stukken hout in de hand EZ 37:21 moet ge hun zeggen: Dit zegt Jahwe de Heer: Ik haal de Israëlieten weg uit de volken waar ze heengevoerd zijn; uit alle richtingen breng Ik ze weer bijeen en voer ze terug naar hun eigen grond. EZ 37:22 En daar, op de bergen van Israël, maak Ik en volk van hen: een koning zal heersen over hen allen. Niet langer zullen het twee volken zijn, over twee rijken verdeeld. EZ 37:23 Ze zullen zich niet meer bezoedelen met hun gruwelijke afgoden en met al hun misdaden. Van alle ontrouw waardoor ze zich hebben bezondigd, zal Ik hen bevrijden en zuiveren. Dan zullen zij mijn volk zijn en Ik hun God. EZ 37:24 En mijn dienaar David zal koning over hen zijn: een herder voor hen allen. Dan zullen ze mijn geboden opvolgen en mijn voorschriften stipt onderhouden. EZ 37:25 In het land van hun voorouders, dat Ik aan mijn dienaar Jakob gegeven heb, zullen ze wonen, zij, hun kinderen en hun kleinkinderen, voor altijd; en mijn dienaar David zal hun vorst zijn voor immers. EZ 37:26 Dan sluit Ik met hen een altijddurend vredesverbond. Ik maak hen weer talrijk en vestig mijn heiligdom in hun midden voor altijd. EZ 37:27 Bij hen zal Ik wonen; Ik zal hun God zijn en zij mijn volk. En als mijn heiligdom voor altijd in hun midden staat, zullen de volken erkennen dat Ik Jahwe ben, degene die Israël heiligt. EZ 38:1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: EZ 38:2 Mensenkind, richt uw blik naar het land Magog, naar Gog, de vorst van Ros, Mesek en Tubal. Profeteer tegen hem: EZ 38:3 Dit zegt Jahwe de Heer: Ik kom op je af, Gog, vorst van Ros, Mesek en Tubal. EZ 38:4 Ik kom je halen: Ik sla een haak in je kaken en voer je mee, al je troepen met paarden en ruiters, allen tot de tanden gewapend, je machtige leger met schild en rondas, het zwaard in de hand, EZ 38:5 en al je bondgenoten uit Perzië, Kus en Put, uitgerust met rondas en helm, EZ 38:6 Gomer met al zijn troepen en Bet togarma uit het hoge noorden met al zijn troepen. Veel volken trekken met je mee. EZ 38:7 Maak je klaar, hou je gereed, met al de legers die zich bij je aansluiten en houd ze goed in je macht. EZ 38:8 Na lange tijd, na verloop van jaren, zul je geroepen worden om tegen een land op te trekken dat zich van de oorlog hersteld heeft, tegen een volk dat uit vele landen weer bijeen is gebracht en nu ongestoord woont op de bergen van Israël, die voorgoed een wildernis schenen. EZ 38:9 Als een stormwind kom je daar opzetten, en als een wolk overdek je heel het land met je troepen en die van je talloze bondgenoten. EZ 38:10 Dit zegt Jahwe de Heer: Op dat moment zullen boze plannen bij je opkomen. EZ 38:11 Je denkt: 'Laat ik optrekken tegen dat weerloze land, ik overval de vreedzame mensen die daar ongestoord leven, zonder stadsmuren, grendels of poorten.' EZ 38:12 Je wilt roven en plunderen en je vergrijpen aan steden die uit hun puin zijn herrezen, aan een volk dat uit vele landen bijeen is gebracht en met zijn herwonnen have en goed in het middelpunt van de wereld woont. EZ 38:13 Seba, Dedan, de kooplui van Tarsis en alle handelaars zullen je vragen: 'Kom je om te plunderen? Heb je dat hele leger op de been gebracht om buit te verzamelen, om zilver en goud te roven, om have en goed weg te slepen en een grote slag te slaan?' EZ 38:14 Mensenkind, profeteer daarom tegen Gog: Dit zegt Jahwe de Heer: Juist als mijn volk Israël ongestoord leeft, kom je aanrukken. EZ 38:15 Uit je land in het hoge noorden ruk je op met al je bondgenoten, allen te paard, een onoverzienbaar leger, een talrijke krijgsmacht. EZ 38:16 Je trekt op tegen mijn volk Israël en als een wolk overdek je het land. Op het einde der tijden laat Ik je tegen mijn land oprukken. En als Ik door jou, Gog, toon dat Ik de Heilige ben, zullen de volken Mij erkennen. EZ 38:17 Dit zegt Jahwe de Heer: Over jou heb Ik vroeger al gesproken door mijn dienaars, de profeten van Israël. Zij hebben toen aangekondigd dat Ik jou tegen hen zou laten oprukken. EZ 38:18 Maar op de dag dat Gog Israëls grondgebied betreedt, barst mijn woede los, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 38:19 In mijn gloeiende naijver en in mijn ziedende woede zweer Ik: Op deze dag zal er in Israël een zware aardbeving plaats grijpen. EZ 38:20 De vissen in de zee, de vogels in de lucht, de wilde dieren, alle kruipend gedierte en alle mensen op aarde zullen voor Mij beven. Bergen storten neer, rotswanden komen naar beneden en alle muren vallen om. EZ 38:21 Alle mogelijke verschrikkingen roep Ik tegen hem op, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer; Ik laat het zwaard zich keren tegen het zwaard; EZ 38:22 Ik straf hem met pest en dood; regen en hagel, vuur en zwavel laat Ik neerkomen op hem, op zijn troepen en op al zijn bondgenoten. EZ 38:23 Zo zal Ik mijn grootheid laten zien en tonen dat Ik de Heilige ben. Wanneer Ik Mij openbaar zullen alle volken erkennen dat Ik Jahwe ben.. EZ 39:1 Mensenkind, profeteer tegen Gog: Dit zegt Jahwe de Heer: Ik kom op je af, Gog, vorst van Ros, Mesek en Tubal. EZ 39:2 Ik kom je halen, Ik jaag je voort en laat je uit het hoge noorden oprukken naar het bergland van Israël. EZ 39:3 Dan sla Ik de boog uit je linker en de pijlen uit je rechterhand. EZ 39:4 Op de bergen van Israël zul je vallen met je troepen en je bondgenoten. Door allerlei roofvogels en wilde dieren laat Ik je verslinden. EZ 39:5 In het open veld zul je sneuvelen: Ik heb gesproken, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 39:6 Ik laat vuur neerkomen op Magog en op de eilanden, die zich veilig wanen. Dan zullen ze erkennen dat Ik Jahwe ben. EZ 39:7 Ik openbaar mijn heilige naam aan Israël, mijn volk, en laat hem niet langer ontwijden. En de volken zullen erkennen dat Ik Jahwe ben, de Heilige van Israël. EZ 39:8 Waarachtig, het zal gebeuren, zo zal het zijn op de dag die Ik voorzegd heb, luidt de godsspraak van Jahwe. EZ 39:9 Dan komen de inwoners van Israël uit hun steden en steken de brand in de wapens: schild en rondas, bogen en pijlen, knotsen en speren. Zeven jaar lang stoken zij daarmee hun vuren. EZ 39:10 Ze hoeven geen hout van de velden te halen of in de bossen te kappen: al die tijd stoken zij hun vuren met die wapens. Ze plunderen die hen hebben geplunderd en beroven die hen hebben beroofd, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 39:11 Op die dag wijs Ik in Israël als graf voor Gog het Abarimdal aan, oostelijk van de zee. Iedereen die daar door wil, vindt de weg versperd, want daar ligt Gog met al zijn legers begraven; het heet ook Dal van Gogs legers. EZ 39:12 Zeven maanden lang zullen de Israëlieten graven delven en het land zuiveren. EZ 39:13 Heel de bevolking zal eraan meedoen en dat zal hun tot eer strekken op de dag dat Ik mijn heerlijkheid openbaar, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 39:14 Bovendien zullen mensen worden aangesteld om, als de zeven maanden voorbij zijn, het land te doorkruisen en alle lijken die ze nog mochten aantreffen, te begraven en zo het hele land te zuiveren. EZ 39:15 Overal waar ze op hun tocht mensenbeenderen vinden, zetten ze een teken, opdat ze door de doodgravers begraven worden in het dal van Gogs legers, EZ 39:16 niet te verwarren met de stad van die naam, en zo het hele land gezuiverd wordt. EZ 39:17 Mensenkind, dit zegt Jahwe de Heer: Zeg tegen de vogels en alle wilde dieren: Verzamelen! Kom van alle kanten bijeen voor het offermaal, het reusachtig offermaal dat Ik voor je aanricht op de bergen van Israël. Kom vlees eten en bloed drinken, EZ 39:18 het vlees van helden en het bloed van de vorsten der aarde: van rammen, bokken, hamels en stieren, allemaal mestvee uit Basan. EZ 39:19 Eet je dik aan het vet, drink je zat aan het bloed van het offermaal dat Ik voor je aanricht. EZ 39:20 Doe je te goed aan mijn tafel, aan paarden en ruiters, aan helden en soldaten, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 39:21 Zo zal Ik mijn heerlijkheid tonen aan de volken. Ze zullen allen de straf voelen die Ik aan hen voltrek, en mijn machtige hand, die op hen drukt. EZ 39:22 Van die dag af zal Israël erkennen dat Ik Jahwe ben, hun God. EZ 39:23 En de volken zullen erkennen dat Israël om zijn eigen schuld in ballingschap is gegaan. Om hun ontrouw jegens Mij heb Ik mijn gelaat van hen afgewend en ze aan hun vijanden overgeleverd, zodat ze gevallen zijn door het zwaard. EZ 39:24 Ze hebben gekregen wat ze om hun onreinheid en hun zonden verdienden: Ik heb mijn gelaat van hen afgewend. EZ 39:25 Maar, zegt Jahwe de Heer, nu keer Ik het lot van Jakob ten goede, Ik ontferm Mij over heel Israël en Ik ijver voor mijn heilige naam. EZ 39:26 Hun smaad en de gevolgen van hun ontrouw zullen ze vergeten als ze op hun grond weer ongestoord leven zonder dat iemand hen opschrikt. EZ 39:27 Wanneer Ik hen terugvoer uit de volken en hen uit de landen van hun vijanden bijeenbreng, zal Ik door hen aan alle volken tonen dat Ik de Heilige ben. EZ 39:28 Dan zullen ze erkennen dat Ik Jahwe ben, hun God, die hen in ballingschap gevoerd heb, maar hen ook weer bijeenbreng op hun grond zonder iemand achter te laten. EZ 39:29 Nooit meer wend Ik mijn gelaat van Israël af, nu Ik mijn geest over hen heb uitgestort, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 40:1 Op de tiende dag van de eerste maand van het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, het veertiende na de val van de stad, kwam de hand van Jahwe over mij en voerde mij weg. EZ 40:2 In een goddelijk visioen bracht Hij mij naar Israël en zette mij neer op een zeer hoge berg. Aan de zuidkant was iets als een stad gebouwd. EZ 40:3 Hij bracht mij er heen en daar zag ik in de poort een man staan. Hij leek wel van brons en had een linnen snoer en een meetstok in de hand. EZ 40:4 Die man zei tegen mij: 'Mensenkind, kijk goed uit uw ogen, spits uw oren en schenk aandacht aan alles wat ik u laat zien, want daarvoor bent u hierheen gebracht. En alles wat u zult zien, moet u aan Israël bekend maken.' EZ 40:5 Nu was daar een tempel met een muur er omheen. De meetstok die de man in de hand hield, was zes el lang, niet de gewone ellemaat, maar en handbreed langer. Daarmee nam hij de maten op van de ommuring: een roede dik en een roede hoog. EZ 40:6 Daarop begaf hij zich naar de oostpoort, ging de trappen op en mat de breedte van de drempel: een roede; ook de drempel aan de binnenzijde van de poort was een roede breed. EZ 40:7 De wachtlokalen waren een roede breed en een roede diep en tussen de wachtlokalen was een muur van vijf el. Ook de drempel van de voorhal aan de binnenzijde was een roede breed. EZ 40:8 Dan mat hij de voorhal zelf: EZ 40:9 hij was acht el diep; de muren van de ingang waren twee el breed. Deze voorhal lag aan de binnenzijde. EZ 40:10 In het poortgebouw waren aan beide kanten drie wachtlokalen, alle even groot; ook de muren ertussen waren even groot. EZ 40:11 Daarop mat hij de poortingang: de breedte was tien el, de lengte dertien. EZ 40:12 De wachtlokalen aan weerszijden hadden aan de voorkant een afsluiting van een el hoog; de lokalen zelf waren zes el in het vierkant. EZ 40:13 Dan mat hij de breedte van het poortgebouw met de wachtlokalen erbij: vijfentwintig el, EZ 40:14 en de breedte van de hal: twintig el. Daar begon een groot plein. EZ 40:15 De afstand van de buitenzijde van de poort tot de binnenzijde was vijftig el. EZ 40:16 Binnen het poortgebouw waren aan alle kanten blinde vensters aangebracht: in de wachtlokalen, in de muren ertussen en ook in de hal. De muurstukken bij de ingang waren met palmen versierd. EZ 40:17 Toen bracht hij mij naar het buitenplein. De rand van het plein was geplaveid en er kwamen dertig vertrekken op uit. EZ 40:18 Deze rand, ook benedenplaveisel genoemd, was even breed als de zijkant van de poorten. EZ 40:19 Daarna mat hij de breedte van het plein aan de oostzijde vanaf de buitenpoort tot aan de binnenpoort: honderd el. EZ 40:20 Hij mat ook de noordpoort van het buitenplein. EZ 40:21 De drie wachtlokalen aan weerszijden, de muren ertussen en de hal hadden dezelfde afmetingen als die van de eerste poort. De poort was vijftig el diep en vijfentwintig el breed. EZ 40:22 De vensters, de hal en de palmen hadden ook dezelfde afmetingen als die van de oostpoort. Zeven treden leidden naar boven, naar de hal aan de voorzijde. EZ 40:23 Tegenover de noordpoort lag een andere poort, die naar het binnenplein leidde, juist zoals aan de oostkant. De afstand tussen beide poorten was honderd el. EZ 40:24 Toen leidde hij mij naar de poort aan de zuidkant. Hij mat de tussenmuren en de hal: de afmetingen waren dezelfde als die van de vorige poorten. EZ 40:25 De vensters en de hal waren eveneens gelijk aan de vorige. De poort was vijftig el diep en vijfentwintig el breed. EZ 40:26 Zeven treden leidden naar boven, naar de hal. De muurstukken aan weerszijden van de ingang waren met palmen versierd. EZ 40:27 Aan het binnenplein was ook aan de zuidkant een poort; de afstand tussen beide zuidpoorten was honderd el. EZ 40:28 Toen bracht hij mij door de zuidpoort naar het binnenplein. Hij mat de zuidpoort: de afmetingen waren gelijk aan die van de andere poorten. EZ 40:29 Ook de wachtlokalen, de muren ertussen en de hal hadden dezelfde afmetingen. In de poort en de hal waren aan alle kanten vensters. De poort was vijftig el diep en vijfentwintig el breed. EZ 40:30 De hallen waren dus overal vijfentwintig bij vijf el. EZ 40:31 De hal lag aan het buitenplein; de muurstukken aan weerszijden van de ingang waren met palmen versierd. De trap erheen had acht treden. EZ 40:32 Toen bracht hij mij naar de oostkant van het binnenplein. Hij mat de poort: de afmetingen waren gelijk aan die van de andere poorten. EZ 40:33 Ook de wachtlokalen, de muren ertussen en de hal hadden dezelfde afmetingen. In de poort en de hal waren aan alle kanten vensters. De poort was vijftig el diep en vijfentwintig el breed. EZ 40:34 De hal lag aan het buitenplein. De muurstukken aan weerszijden van de ingang waren met palmen versierd: de trap erheen had acht treden. EZ 40:35 Toen bracht hij mij naar de noordpoort. Hij mat ze en de afmetingen waren gelijk aan die van de andere poorten, EZ 40:36 evenals die van de wachtlokalen, de muren ertussen en de hal; in de poort waren aan alle kanten vensters. De poort was vijftig el diep en vijfentwintig el breed. EZ 40:37 De hal lag aan het buitenplein. De muurstukken aan weerszijden van de ingang waren met palmen versierd; de trap erheen had acht treden. EZ 40:38 Bij de ingang van de poort bevond zich het vertrek waar de dieren voor het brandoffer worden gewassen. EZ 40:39 Aan weerszijden van de hal stonden twee tafels, bestemd voor het slachten van brandoffers, zonde- en schuldoffers. EZ 40:40 Ook tegen de beide muren van de hal, aan de buitenkant van de noordpoort, stonden twee tafels. EZ 40:41 Er stonden dus vier tafels aan elke zijkant van de poort, in totaal acht tafels, bestemd voor het slachten. EZ 40:42 De vier tafels voor het brandoffer waren van gehouwen steen, anderhalve el lang, anderhalve el breed en een el hoog. Voor de gereedschappen gebruikt bij het slachten van brand en slachtoffers EZ 40:43 was er een richel van een handbreed aangebracht langs de hele muur van het gebouw. De tafels zelf dienden voor het offervlees. EZ 40:44 Op het binnenplein lagen buiten de poorten twee zalen: de ene bij de noordpoort met de ingang op het zuiden, de andere bij de zuidpoort met de ingang op het noorden. EZ 40:45 De man zei tegen mij: 'De zaal met de ingang op het zuiden is voor de priesters die dienst doen in de tempel, EZ 40:46 en de zaal met de ingang op het noorden is voor de priesters die dienst doen bij het altaar. Bedoeld zijn de zonen van Sadok, de enige Levieten die bij hun dienst tot Jahwe mogen naderen.' EZ 40:47 Daarna mat hij het binnenplein. Het was honderd el in het vierkant. Op het plein stond voor de tempel het altaar. EZ 40:48 Toen bracht hij mij naar de voorhal van de tempel. Hij mat de muurstukken bij de ingang: ze waren beide vijf el dik. De ingang was veertien el breed en de beide pendanten drie. EZ 40:49 De voorhal zelf was twintig bij elf el. Een trap van tien treden leidde erheen. Tegen de beide muurstukken aan de ingang stond een zuil.. EZ 41:1 Toen bracht hij mij naar het schip van de tempel; hij mat de muurstukken bij de ingang: ze waren beide zes el dik. EZ 41:2 De ingang was tien el breed, de beide penanten vijf el. Daarop mat hij het schip: het was veertig el diep en twintig el breed. EZ 41:3 Toen ging hij verder naar binnen en mat de muurstukken van de volgende ingang; ze waren beide twee el dik, de ingang was zes el breed en de beide penanten zeven. EZ 41:4 Vervolgens mat hij de ruimte achter het schip: ze was twintig el in het vierkant. En hij zei mij: 'Dit is het heilige der heiligen.' EZ 41:5 Daarop mat hij de muur van de tempel: deze was zes el dik, de muur van de bijgebouwen rond de tempel was vier el dik. EZ 41:6 Deze bijgebouwen bestonden uit drie verdiepingen met elk dertig kamers. De steunbalken voor de verdiepingen waren in de buitenmuur rond de tempel ingekast; maar in de muur van de tempel zelf waren ze niet ingekast. EZ 41:7 Rond de hele tempel waren de hoger gelegen kamers telkens breder, zodat inwendig de breedte naar boven toe steeds groter werd. Een trap leidde van de benedenverdieping naar de eerste en de tweede verdieping. EZ 41:8 Rond de tempel zag ik een terras, waarop de bijgebouwen stonden; het was een volle roede, of zes el, hoog. EZ 41:9 De buitenmuur van de bijgebouwen was vijf el dik. De hele vrije ruimte tussen de bijgebouwen EZ 41:10 en de dienstvertrekken was overal twintig el. EZ 41:11 Van hieruit had men van de noord en de zuidkant toegang tot de bijgebouwen. Het eigenlijke terras was overal vijf el breed. EZ 41:12 Aan de westkant van de tempel, achter een binnenhof, lag een gebouw, dat zeventig el diep en negentig el breed was, de muren ervan waren vijf el dik. EZ 41:13 Toen mat hij de tempel: de totale lengte was honderd el. Ook de binnenhof met het gebouw en de muren was honderd el. EZ 41:14 Aan de oostkant van de tempel maten de voorgevel en de muur van de binnenhof samen honderd el. EZ 41:15 Hij mat ook het gebouw langs de achterzijde van de binnenhof met de beide muren: ze waren samen eveneens honderd el. Het schip en de voorhal EZ 41:16 waren met hout betimmerd. Ook de blinde vensters en de drie muren tegenover de ingang waren met hout bekleed. Van de vloer tot aan de vensters EZ 41:17 en tot boven de ingang zowel aan de binnenzijde als aan de buitenzijde, was de hele muur in vlakken verdeeld. EZ 41:18 Daarop waren afwisselend kerubs en palmen aangebracht. Elke kerub had twee gezichten: EZ 41:19 een mensengezicht gekeerd naar de palm aan de ene kant, en het gezicht van een leeuw, gekeerd naar de palm aan de andere kant. Met deze afbeeldingen waren alle muren van de tempel versierd, EZ 41:20 van de vloer tot boven de ingang. EZ 41:21 De deur naar het schip had een vierkant kozijn. Voor het heilige der heiligen stond iets dat leek EZ 41:22 op een houten altaar. Het was drie el hoog, twee el lang en breed. De hoeken, het voetstuk en de zijwanden waren van hout. Hij zei mij: 'Dit is de tafel die voor het aangezicht van Jahwe staat.' EZ 41:23 Het schip en het heilige der heiligen hadden elk twee deuren EZ 41:24 met geheel openslaande deurvleugels, twee voor elke deur. EZ 41:25 Ook op de deuren van het schip waren kerubs en palmen afgebeeld, zoals op de muren. De voorhal had aan de buitenzijde een afdak. EZ 41:26 Blinde vensters en palmen versierden de beide zijmuren van de voorhal. Ook de bijgebouwen van de tempel hadden afdaken. EZ 42:1 Toen leidde hij mij aan de noordkant het buitenplein op en bracht mij naar de vertrekken aan de noordzijde van de binnenhof, en het gebouw daarachter. EZ 42:2 Ze waren honderd el lang en vijftig el breed. EZ 42:3 Aan de twintig el brede binnenhof, tegen het plaveisel van het buitenplein, lag een trapvormig gebouw van drie verdiepingen. EZ 42:4 Een gang van tien el breed en honderd el lang liep langs de vertrekken; de ingangen kwamen uit op het noorden. EZ 42:5 De vertrekken van de hogere verdiepingen waren kleiner, omdat de terrassen daar meer ruimte in beslag namen. EZ 42:6 De drie verdiepingen hadden namelijk geen zuilen zoals de vertrekken aan het buitenplein; daarom waren de eerste en de tweede verdieping naar boven toe kleiner. EZ 42:7 In de richting van de buitenhof liep langs de vertrekken een muur; hij was vijftig el lang. EZ 42:8 De vertrekken rond het buitenplein waren immers maar vijftig el, terwijl die tegenover de tempel honderd el waren. EZ 42:9 De benedenvertrekken waren toegankelijk vanaf de oostkant van het buitenplein. EZ 42:10 Bij het begin van de muur aan de zuidkant, langs de binnenhof en het gebouw, bevonden zich soortgelijke vertrekken, EZ 42:11 eveneens met een gang ervoor. Ze kwamen in alle opzichten overeen met de noordelijke vertrekken: ze hadden dezelfde afmetingen, dezelfde uitgangen en ingangen en dezelfde indeling. EZ 42:12 De ingangen kwamen uit op het zuiden; de deur aan het begin van de gang naast de schutsmuur lag aan de oostkant. EZ 42:13 Daarop zei hij mij: 'De noordelijke en zuidelijke vertrekken aan de binnenhof zijn de heilige vertrekken, waar de priesters die tot Jahwe naderen de hoogheilige offergaven eten. Deze gaven, het meeloffer, het zondeoffer en het schuldoffer, worden daar neergelegd omdat dit een heilige plaats is. EZ 42:14 De priesters die deze heilige plaats zijn binnengegaan, mogen niet op het buitenplein komen, voordat ze de heilige gewaden die ze bij de dienst droegen, hebben afgelegd. Pas als ze hun gewone kleren hebben aangetrokken, mogen ze zich begeven naar waar het volk zich ophoudt. EZ 42:15 Toen hij klaar was met het opmeten van de binnenste tempelgebouwen, leidde hij mij door de oost poort naar buiten en mat de omtrek van het hele gebied. EZ 42:16 Met de meetstok mat hij de oostkant: deze was vijfhonderd el lang. EZ 42:17 Vervolgens mat hij de noordkant: deze was vijfhonderd el lang. EZ 42:18 Daarna de zuidkant: deze was vijfhonderd el lang. EZ 42:19 Tenslotte ging hij naar de westkant en mat die: hij was vijfhonderd el lang. EZ 42:20 Zo mat hij de vier zijden; de ringmuur was vijfhonderd bij vijfhonderd el. Hij diende om het heilige te scheiden van het profane. EZ 43:1 Daarop bracht hij me weer naar de oostpoort. EZ 43:2 En zie: Daar kwam de heerlijkheid van Israëls God aan vanuit het oosten, met een geluid als het bruisen van machtige wateren en een schittering die heel de aarde in gloed zette. EZ 43:3 Het visioen dat zich voor mij ontvouwde leek op het visioen dat ik had, toen Jahwe de stad kwam verwoesten en op mijn visioen aan de Kebar. Ik wierp mij plat ter aarde EZ 43:4 en de heerlijkheid van Jahwe ging door de oostpoort de tempel binnen. EZ 43:5 Toen hief de geest mij op en bracht mij naar het binnenplein en ik zag hoe de hele tempel vol was van Jahwe's heerlijkheid. EZ 43:6 En terwijl de man nog steeds naast mij stond, hoorde ik dat iemand vanuit de tempel mij aansprak. EZ 43:7 Hij zei: 'Mensenkind, hier vestig Ik mijn troon, hier is mijn verblijfplaats, hier zal Ik voor altijd bij de Israëlieten wonen.' Zij en hun koningen zullen met hun ontucht mijn heilige naam niet meer ontwijd en; ook zullen ze nooit meer de lijken van hun koningen daar begraven. EZ 43:8 Vroeger lag de drempel van de koningen tegen mijn drempel, hun deurpost tegen de mijne; slechts een muur scheidde Mij van hen. Door hun gruweldaden hebben ze mijn heilige naam ontwijd en daarom heb Ik hen in mijn toorn vernietigd. EZ 43:9 Maar tucht en de lijken van hun koningen zullen ze ver van Mij houden, zodat Ik voor altijd bij hen kan wonen. EZ 43:10 Gij, mensenkind, licht Israël in over de tempel, zodat ze zich over hun wangedrag schamen. Laat hen het ontwerp nameten, EZ 43:11 zodat ze zich schamen over alles wat ze misdeden. Stel hen op de hoogte van de indeling en het ontwerp van de tempel, van de uitgangen en ingangen, en van alle regelingen en bepalingen. Schrijf die in hun bijzijn op, zodat ze alles nauwgezet uitvoeren. EZ 43:12 Dit zijn de bepalingen betreffende de tempel op de berg; het hele gebied er omheen is hoogheilig. Tot zover de bepalingen betreffende de tempel.' EZ 43:13 Dit zijn de afmetingen van het altaar in ellen, niet de gewone ellemaat, maar een handbreed langer. De geul die er rond loopt, is een el diep en een el breed met een opstaande rand erlangs van een span hoog. Het voetstuk van het altaar EZ 43:14 is twee el hoog van de geul in de grond tot de onderste omloop, die een el breed is. Het middenstuk van deze grote omloop tot de kleinste, die ook een el breed is, is vier el hoog. EZ 43:15 Vier el daarboven is de offerhaard en vier horens steken daar boven uit. EZ 43:16 De offerhaard zelf is twaalf el in het vierkant. EZ 43:17 De bovenste omloop is veertien el in het vierkant. De opstaande rand van de geul is een halve el breed en de geul zelf een el. De trap van het altaar ligt aan de oostkant. EZ 43:18 Hij zei tot mij: Mensenkind, dit zegt Jahwe de Heer: Voor de inwijding van het altaar gelden de volgende voorschriften. De dag dat het gereed is voor het opdragen van brandoffers en het sprenkelen van bloed EZ 43:19 geeft ge een jonge stier als zondeoffer aan de levitische priesters die afstammen van Sadok. Zij alleen mogen bij hun dienst tot Mij naderen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 43:20 Ge strijkt dan bloed van het offerdier aan de vier horens van het altaar, aan de vier hoeken van de omloop en aan de opstaande rand eromheen. Zo zult ge het altaar ontsmetten en het zuiveren. EZ 43:21 Daarna verbrandt ge het offerdier buiten het heiligdom op de daartoe bestemde plaats. EZ 43:22 Op de tweede dag draagt ge een geitebok zonder gebrek als zondeoffer op om het altaar te ontsmetten zoals ook gebeurd is met het offer van de stier. EZ 43:23 Als ge daarmee klaar zijt, brengt ge een jonge stier en een ram, beide zonder gebrek, EZ 43:24 voor Jahwe. De priesters strooien er zout over en dragen ze op als brandoffer voor Jahwe. EZ 43:25 Zeven dagen achtereen draagt ge zo een bok als zondeoffer op, en een jonge stier en een ram, beide zonder gebrek als brandoffer. EZ 43:26 Deze zeven dagen dienen om het altaar te zuiveren, te reinigen en in te wijden. EZ 43:27 Vanaf de achtste dag zullen de priesters op dit altaar uw brand en slachtoffers opdragen en ge zult Mij welgevallig zijn, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 44:1 Toen bracht hij mij terug naar de oostelijke buitenpoort van het heiligdom. Ze was gesloten. EZ 44:2 En Jahwe zei tot mij: Deze poort mag niet worden geopend, niemand mag erdoor binnengaan: Jahwe, Israëls God, is erdoor binnengekomen en daarom moet ze gesloten blijven. EZ 44:3 Alleen de vorst mag in die poort plaats nemen om voor het aangezicht van Jahwe van het offermaal te eten. Hij betreedt ze door de voorhal en verlaat ze langs dezelfde weg. EZ 44:4 Toen bracht hij mij langs de noordpoort naar de voorzijde van de tempel. En ik zag, hoe de tempel vervuld was van de heerlijkheid van Jahwe, en wierp me plat ter aarde. EZ 44:5 Jahwe zei tot mij: Mensenkind, kijk goed uit uw ogen, spits uw oren en schenk aandacht aan alle voorschriften en wetten die Ik u geef aangaande de tempel. Let goed op iedereen die de tempel in en uitgaat, EZ 44:6 en zeg tegen het weerspannige Israël: Dit zegt Jahwe de Heer: Houd op met uw gruweldaden, Israël. EZ 44:7 Vreemdelingen, onbesneden van hart en van lichaam, hebt ge in mijn heiligdom gebracht en daardoor mijn tempel ontwijd. Ge hebt Mij door hen vet en bloed als spijs laten aanbieden en door zulke gruweldaden mijn verbond geschonden. EZ 44:8 In plaats van zelf te zorgen voor mijn heilige gaven, hebt ge vreemden aangesteld voor de dienst in mijn heiligdom. EZ 44:9 Daarom zegt Jahwe de Heer: Geen vreemdeling, onbesneden van hart en van lichaam mag in mijn heiligdom komen; dit geldt voor alle vreemdelingen in Israël. EZ 44:10 Waarachtig, de levieten zullen het boeten: ze hebben zich van Mij verwijderd, toen Israël afdwaalde en achter afgoden aanliep. EZ 44:11 Daarom zullen ze in mijn heiligdom dienst doen als poortwachters en tempeldienaars. Ze zullen de dieren slachten die het volk als brand en slachtoffer aanbiedt en altijd gereed staan om hen van dienst te zijn. EZ 44:12 Omdat ze medeplichtig geweest zijn aan de afgoderij van Israël en zo de oorzaak zijn geweest van hun zonde, heb Ik met opgestoken hand gezworen, dat ze het zullen boeten, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 44:13 Ze zullen niet meer als priester tot Mij naderen en geen heilige of hoogheilige gaven meer aanraken. Zo zullen ze de schande van hun gruweldaden dragen. EZ 44:14 Ik stel hen aan voor de dienst in de tempel, voor al het gewone werk dat daar moet worden gedaan. EZ 44:15 Alleen de levitische priesters, de zonen van Sadok, en die trouw de dienst in mijn heiligdom zijn blijven verrichten toen de Israëlieten van Mij afdwaalden, mogen tot Mij naderen. Zij mogen Mij dienen en Mij vet en bloed aanbieden, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 44:16 Zij mogen mijn heiligdom binnengaan en aan mijn tafel dienst doen. EZ 44:17 Telkens als ze de poorten van het binnenplein betreden moeten ze linnen gewaden aantrekken. Wol mogen ze bij hun dienst in de poorten van het binnenplein of in de tempel niet dragen. EZ 44:18 Ook hun hoofddoek en de schort om hun middel moeten van linnen zijn: ze mogen niets aanhebben waarvan ze moeten zweten. EZ 44:19 Als ze weer naar het volk op het buitenplein gaan, moeten ze in de heilige vertrekken hun dienstgewaden afleggen en gewone kleren aandoen. Anders zou het volk met hun heilige gewaden in aanraking komen. EZ 44:20 Ze mogen hun hoofd niet kaalscheren en evenmin hun haar laten groeien: ze moeten het behoorlijk knippen. EZ 44:21 De priesters mogen geen wijn gedronken hebben als ze het binnenplein betreden. EZ 44:22 Ze mogen niet huwen met een weduwe of een gescheiden vrouw, maar alleen met een nog niet gehuwd Israëlitisch meisje of met de weduwe van een priester. EZ 44:23 Ze moeten mijn volk het onderscheid leren tussen heilig en profaan, tussen rein en onrein. EZ 44:24 Bij geschillen treden zij op als rechter en spreken vonnis overeenkomstig mijn wetten. Ze moeten alle feestdagen vieren volgens mijn wetten en voorschriften en mijn sabbat heiligen. EZ 44:25 Ze mogen zich niet verontreinigen door bij een dode te komen, behalve als het gaat om vader of moeder, een zoon of een dochter, een broer of een ongehuwde zuster. EZ 44:26 Pas zeven dagen na hun reiniging EZ 44:27 mogen ze weer het binnenplein betreden om in mijn heiligdom dienst te doen. Ze beginnen dan met voor zichzelf een zondeoffer op te dragen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 44:28 Zij zullen geen grondbezit hebben: Ik ben hun bezit. Eigendom moogt ge hun in Israël niet geven: Ik ben hun eigendom. EZ 44:29 Zij zullen leven van de meeloffers, de zonde en schuldoffers, en alles wat in Israël door de ban is gewijd, komt hun toe. EZ 44:30 Ook het beste van alle eerstelingen en uw andere bijdragen zijn voor de priesters. Bovendien zult ge van het eerste deeg een deel aan de priesters afstaan om zegen af te roepen over uw huis. EZ 44:31 Vlees van gestorven of verscheurde dieren, hetzij vogels of andere beesten, mogen de priesters niet eten. EZ 45:1 Als ge het land verdeelt, moet ge een deel afstaan aan Jahwe, een heilig gebied van vijfentwintigduizend bij twintigduizend el. Heel dat gebied zal heilig zijn. EZ 45:2 Hiervan zal een stuk van vijfhonderd el in het vierkant met vijftig el weidegrond eromheen, bestemd zijn voor het heiligdom. EZ 45:3 Van het gebied moet ge een stuk van vijfentwintigduizend bij tienduizend el afmeten voor het heiligdom en het heilige der heiligen. EZ 45:4 Dat zal het heiligste deel van het land zijn; het behoort aan de priesters, die in het heiligdom dienst doen en tot Jahwe mogen naderen. Daar kunnen zij huizen bouwen; het is eveneens de gewijde plaats voor het heiligdom. EZ 45:5 Het andere stuk van vijfentwintigduizend bij tienduizend el behoort aan de levieten, die dienst doen in de tempel. Dat is hun grondgebied; daar zullen zij wonen. EZ 45:6 De stad krijgt een gebied toegewezen van vijfduizend bij vijfentwintigduizend el, grenzend aan het heilig gebied. Dit behoort toe aan heel Israël. EZ 45:7 Voor de vorst is een gebied bestemd ten oosten en ten westen van het heilig gebied en van het domein van de stad. Het strekt zich naar het westen en het oosten even ver uit als de andere gebieden van het land. EZ 45:8 Dat is zijn eigendom in Israël. Nooit meer zullen mijn vorsten mijn volk onderdrukken: de rest van het land zullen ze overlaten aan de verschillende stammen van Israël. EZ 45:9 Dit zegt Jahwe de Heer: Het moet nu gedaan zijn, vorsten van Israël. Weg met alle geweld en onderdrukking, weest rechtvaardig en eerlijk, buit mijn volk niet langer uit, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 45:10 Uw weegschalen moeten zuiver zijn en uw efa's juist EZ 45:11 Efa en bat moeten dezelfde inhoud hebben, beide een tiende van een chomer; de chomer is de standaardmaat. EZ 45:12 Een sikkel is twintig gera, twintig sikkel plus vijfentwintig en vijftien maken samen een mine. EZ 45:13 Dit is de belasting die ge aan de vorst moet betalen: een zesde efa op een ezelslast gerst; EZ 45:14 een tiende bat op elke kor olie: de kor is tien bat juist zoals de ezelslast; EZ 45:15 een stuk kleinvee op elke tweehonderd dieren van de veestapel van Israël. Deze belastingen zijn bestemd voor de meeloffers, de brand en slachtoffers die voor u verzoening bewerken, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 45:16 Heel de bevolking is verplicht deze belasting aan de vorst van Israël te betalen. EZ 45:17 Maar de vorst van zijn kant heeft de plicht op de feestdagen, de nieuwe maan en de sabbat, kortom bij alle plechtigheden van Israël te zorgen voor de brandoffers, de meel en plengoffers. Hij moet ook zorgen voor de zondeoffers, meeloffers, brand en slachtoffers die verzoening bewerken voor het volk. EZ 45:18 Dit zegt Jahwe de Heer: Op de eerste dag van de eerste maand moet ge een jonge stier zonder gebrek offeren om het heiligdom te ontsmetten. EZ 45:19 De priester strijkt bloed van het offerdier aan de deurpost van de tempel, aan de vier hoeken van de omloop van het altaar en aan de deurpost van de poort aan het binnenplein. EZ 45:20 Op de zevende dag moet ge hetzelfde doen voor allen die zonder opzet of onwetend hebben gezondigd. Zo zult ge de tempel zuiveren. EZ 45:21 Op de veertiende dag moet ge het paasfeest vieren; zeven dagen lang moet men ongezuurd brood eten. EZ 45:22 Op die dag zal de vorst voor zichzelf en voor heel de bevolking een jonge stier als zondeoffer aanbieden. EZ 45:23 En alle zeven dagen van het feest moet hij zorgen voor zeven jonge stieren en zeven rammen zonder gebrek als brandoffer voor Jahwe, en voor een geitebok als zondeoffer. EZ 45:24 Bij elke jonge stier en bij elke ram hoort een meeloffer van een efa, met een hin olie per efa. EZ 45:25 Op het feest, de vijftiende dag van de zevende maand, moet hij zeven dagen dezelfde zondeoffers aanbieden, dezelfde brandoffers en meeloffers en dezelfde hoeveelheid olie. EZ 46:1 Dit zegt Jahwe de Heer: De oostpoort van het binnenplein moet op de zes werkdagen gesloten blijven; alleen op de sabbat en op de dag van de nieuwe maan wordt ze geopend. EZ 46:2 Dan gaat de vorst door de voorhal de poort in; hij blijft bij de deurpost staan en de priesters dragen voor hem een brandoffer en een slachtoffer op. Daarna buigt hij zich op de drempel in aanbidding neer en gaat weer naar buiten. De poort wordt pas in de avond gesloten. EZ 46:3 Op die dagen buigt ook de bevolking zich, bij de ingang van die poort, in aanbidding neer voor Jahwe. EZ 46:4 Het brandoffer dat de vorst aan Jahwe aanbiedt, bestaat uit zes lammeren en een ram, zonder gebrek; EZ 46:5 bij de ram hoort een meeloffer van een efa, bij de lammeren een meeloffer naar goeddunken, met een hin olie per efa. EZ 46:6 Op de dag van de nieuwe maan is het brandoffer een jonge stier, zes lammeren en een ram, alle zonder gebrek; EZ 46:7 bij de jonge stier en de ram hoort weer een meeloffer van een efa, bij de lammeren een meeloffer naar goeddunken, met een hin olie per efa. EZ 46:8 Als de vorst zich naar de poort begeeft, gaat hij door de voorhal naar binnen en langs dezelfde weg weer naar buiten. EZ 46:9 Maar de bevolking die op de feestdagen voor Jahwe verschijnt om zich in aanbidding voor Hem neer te buigen, gaat door de zuidpoort naar buiten, als ze door de noordpoort naar binnen is gekomen. Men gaat niet terug door de poort waardoor men binnen gekomen is, maar door de poort er tegenover. EZ 46:10 De vorst komt en gaat tegelijk met de bevolking. EZ 46:11 Ook op de feesten en bij plechtige vieringen hoort bij elke jonge stier en bij elke ram een meeloffer van een efa, bij de lammeren een meeloffer naar goeddunken, met een hin olie per efa. EZ 46:12 Als de vorst uit eigen beweging een brandoffer of slachtoffer aan Jahwe wil aanbieden, opent men voor hem de oostpoort. Dan biedt hij zijn brandoffer of slachtoffer aan op dezelfde wijze als op de sabbat. Zodra hij weer buiten is, doet men de poort dicht. EZ 46:13 Iedere dag moet ge in de morgen een eenjarig lam zonder gebrek als brandoffer aan Jahwe opdragen. EZ 46:14 Daar voegt ge elke morgen een meeloffer van een zesde efa aan toe met een derde hin olie om de bloem aan te mengen. Dit voorschrift betreffende het dagelijks meeloffer voor Jahwe geldt voor altijd. EZ 46:15 Elke morgen draagt men dus een lam met meel en olie aan Jahwe als dagelijks brandoffer op. EZ 46:16 Dit zegt Jahwe de Heer: Als de vorst een deel van zijn bezit aan een van zijn zonen schenkt, dan wordt dat diens eigendom: het komt hem toe als zijn erfdeel. EZ 46:17 Maar geeft hij van zijn bezit iets ten geschenke aan een van zijn dienaars, dan mag die dit slechts behouden tot het jaar van zijn vrijlating. Daarna valt het terug aan de vorst: het maakt deel uit van zijn bezit en van dat van zijn zonen. EZ 46:18 De vorst mag geen beslag leggen op de eigendommen van het volk en niemand met geweld uit zijn bezittingen verdringen. Hij mag alleen zijn eigen bezit aan zijn zonen schenken, en niemand van mijn volk uit zijn bezittingen verdrijven. EZ 46:19 Hij bracht mij door de ingang naast de noordpoort, naar de priestervertrekken van het heiligdom. Achterin zag ik aan de westkant een ruimte. EZ 46:20 Hij zei: 'Hier koken de priesters de schuldoffers en zondeoffers, hier bakken ze de meeloffers. Zo hoeven ze daarmee niet over het buitenplein te gaan en het volk niet met deze heilige zaken in aanraking te brengen.' EZ 46:21 Daarna bracht hij mij naar het buitenplein. Ook daar zag ik in elk van de vier hoeken een kleine besloten ruimte. EZ 46:22 De vier ruimten hadden alle dezelfde afmetingen: veertig bij dertig el. EZ 46:23 Ze waren omgeven door een gaanderij en daaronder waren keukens ingericht. EZ 46:24 Hij zei: 'In deze keukens koken de tempeldienaars de slachtoffers die het volk wil opdragen.' EZ 47:1 Toen bracht hij mij terug naar de ingang van de tempel. Daar zag ik onder de drempel water opwellen en in oostelijke richting stromen; de voorzijde van de tempel ligt immers op het oosten. Het water stroomde eerst zuidwaarts langs de muur en dan langs de zuidkant van het altaar. EZ 47:2 Hij leidde mij door de noordpoort buitenom naar de oostelijke buitenpoort en rechts daarvan kwam het water weer te voorschijn. EZ 47:3 De man ging verder oostwaarts met de meetstok in de hand en mat een afstand af van duizend el. Daar liet hij mij door het water waden en het kwam tot mijn enkels. EZ 47:4 Weer mat hij een afstand van duizend el af. Hij liet mij door het water waden en het kwam tot mijn knieën. Opnieuw mat hij een afstand van duizend el af; hij liet mij door het water waden en het kwam tot mijn middel. EZ 47:5 Nog eens mat hij een afstand van duizend el af; nu was het een rivier, ik kon er niet meer doorheen waden. Het water was zo diep dat men er alleen zwemmend overheen kon. EZ 47:6 Toen vroeg hij: 'Hebt ge dat gezien, mensenkind?' Daarop liet hij mij teruggaan langs de oever van de rivier. EZ 47:7 En op de terugweg zag ik aan beide oevers overal bomen staan. EZ 47:8 Hij zei: 'Dit water stroomt door het oostelijk deel van het land naar de Araba, mondt uit in de Zoutzee en maakt het water van de zee gezond. EZ 47:9 De rivier brengt leven overal waar hij stroomt, het wemelt er van dieren. De zee zit vol vis, want de rivier die erin uitmondt, maakt het water gezond. Overal waar hij stroomt is volop leven. EZ 47:10 Langs de kust, van En gedi tot En eglaim, staan vissers, en hangen er netten te drogen. De vissoorten zijn er even talrijk als in de Grote Zee. EZ 47:11 Het water in de poelen en in de moerassen wordt echter niet gezond; het zal voor de zoutwinning dienen. EZ 47:12 Aan beide oevers van de rivier groeien allerlei vruchtbomen; hun bladeren verdorren niet en ze zijn nooit zonder vruchten. Elke maand dragen ze vruchten, omdat het water dat ze voedt, uit het heiligdom komt. De vruchten zijn eetbaar en de bladeren hebben geneeskracht.' EZ 47:13 Dit zegt Jahwe de Heer: Zo lopen de grenzen van het land dat ge onder de twaalf stammen van Israël moet verdelen: Jozef krijgt een dubbel aandeel. EZ 47:14 Ieder van u krijgt zijn eigen deel toegewezen van het land, dat Ik met opgestoken hand onder ede aan uw vaderen beloofd heb. EZ 47:15 De grenzen lopen als volgt: De noordgrens vanaf de Grote Zee langs Chetlon tot de weg naar Hamat, EZ 47:16 dan naar Sedad, Berota en Sibraim, waar het gebied van Damascus en Hamat elkaar raken, tot Chaser enon aan de grens van Hauran: EZ 47:17 dus van de Zee tot Chaser enon. Ten noorden daarvan ligt het gebied van Damascus en Hamat. Dat is de noordgrens. EZ 47:18 De oostgrens loopt tussen Hauran en Damascus, tussen Gilead en Israël langs de Jordaan tot aan de Oostelijke Zee en verder tot Tamar. Dat is de oostgrens. EZ 47:19 De zuidgrens loopt vanaf Tamar langs de wateren van Meribat kades en langs de Beek naar de Grote Zee. Dat is de zuidgrens. EZ 47:20 De westgrens wordt gevormd door de Grote Zee tot waar de weg naar Hamat begint. Dat is de westgrens. van het land EZ 47:21 Dit land moet ge verdelen onder de stammen van Israël. EZ 47:22 Bij die verdeling moet ge ook rekening houden met de vreemdelingen, die in uw midden kinderen hebben gekregen. Zij gelden voor u als vrije burgers en krijgen bij de stammen van Israël eigen bezit toegewezen. EZ 47:23 In het gebied van de stam waar zij wonen, moet ge hun grondbezit toewijzen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 48:1 Dit zijn de namen van de stammen. In het noorden langs Chetlon en de weg naar Hamat en Chaser enon, met het gebied van Damascus en Hamat ten noorden daarvan, van de oostgrens tot de westgrens, ligt het gebied van Dan. EZ 48:2 Onder dat van Dan ligt, van oost tot west, het gebied van Aser. EZ 48:3 Onder dat van Aser ligt, van oost tot west, het gebied van Naftali. EZ 48:4 Onder dat van Naftali ligt, van oost tot west, het gebied van Manasse. EZ 48:5 Onder dat van Manasse ligt, van oost tot west, het gebied van Efraïm. EZ 48:6 Onder dat van Efraïm ligt, van oost tot west, het gebied van Ruben. EZ 48:7 Onder dat van Ruben ligt, van oost tot west, het gebied van Juda. EZ 48:8 Onder dat van Juda ligt, van oost tot west, het hele gebied dat ge moet afstaan. Het is vijfentwintigduizend el breed, en strekt zich, van oost tot west, even ver uit als de andere gebieden. In het midden daarvan komt het heiligdom. EZ 48:9 Het gebied dat ge voor Jahwe voor afzonderen, is vijfentwintigduizend el lang en twintigduizend el breed. EZ 48:10 Dit heilig gebied is bestemd voor de volgende klassen. Voor de priesters een stuk dat aan de noord en de zuidzijde vijfentwintigduizend el meet en aan de west en de oostzijde tienduizend. In het midden daarvan komt het heiligdom van Jahwe. EZ 48:11 Dit is het heilig gebied van de priesters, die afstammen van Sadok; in tegenstelling tot de levieten zijn zij Mij trouw blijven dienen en niet met de Israëlieten van Jahwe afgedwaald. EZ 48:12 Zij krijgen een gebied dat afgezonderd is van de rest van het land; het is hoogheilig en ligt naast dat van de levieten. EZ 48:13 De levieten krijgen een stuk dat grenst aan dat van de priesters, en eveneens vijfentwintigduizend bij tienduizend el meet. De beide stukken samen meten dus vijfentwintigduizend bij twintigduizend el. EZ 48:14 Daarvan mag niets worden verkocht of geruild: het beste van het land mag niet overgaan in andere handen; het is aan Jahwe gewijd. EZ 48:15 Het overblijvend gedeelte van vijfentwintigduizend bij vijfduizend el is profaan gebied; het is bestemd voor de stad, als woonplaats en als weidegrond. De stad zelf komt in het midden EZ 48:16 en heeft de volgende afmetingen: de noord en de zuidzijde vierduizend vijfhonderd el, de oost en de westzijde eveneens vierduizend vijfhonderd el. EZ 48:17 De weidegrond rond de stad meet aan de noord en de zuidzijde tweehonderdvijftig el breed, aan de oost en de westzijde eveneens tweehonderdvijftig el breed. EZ 48:18 De stukken, die aan de oost en de westzijde overblijven en die grenzen aan het heilig gebied, zijn elk tienduizend el. De opbrengst daarvan is bestemd voor het onderhoud van de arbeiders in de stad, EZ 48:19 die dit land ook bewerken. Ze zijn afkomstig uit alle delen van Israël. EZ 48:20 Het hele gebied dat dus met inbegrip van het domein van de stad, vijfentwintigduizend el in het vierkant is, moet ge als heilig gebied afzonderen. EZ 48:21 Het gebied dat aan weerszijden van het heilig gebied en van het domein van de stad overblijft, is voor de vorst; het is aan de oost en de westzijde vijfentwintigduizend el breed en loopt evenwijdig aan de gebieden der stammen. Het heilig gebied en de tempel liggen daar middenin. EZ 48:22 Met uitzondering van het gebied van de levieten en het domein van de stad, die tussen de gebieden van de vorst in liggen, is het hele gebied tussen Juda en Benjamin voor de vorst. EZ 48:23 Wat de overige stammen betreft: eerst volgt het gebied van Benjamin dat zich uitstrekt van oost tot west. EZ 48:24 Onder dat van Benjamin ligt, van oost tot west, het gebied van Simeon. EZ 48:25 Onder dat van Simeon ligt van oost tot west, het gebied van Issakar. EZ 48:26 Onder dat van Issakar ligt, van oost tot west, het gebied van Zebulon. EZ 48:27 Onder dat van Zebulon ligt, van oost tot west, het gebied van Gad. EZ 48:28 En ten zuiden van dit gebied loopt de grens vanaf Tamar langs de wateren van Meribatkades en langs de Beek tot aan de Grote Zee. EZ 48:29 Dat is het land en dat zijn de gebieden die ge onder de stammen van Israël moet verdelen, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer. EZ 48:30 En dit zijn de ingangen van de stad. De noordkant, vierduizend vijfhonderd el lang, EZ 48:31 heeft drie poorten, evenals de volgende genoemd naar de stammen van Israël: de Rubenpoort, de Judapoort en de Levipoort. EZ 48:32 De oostkant vierduizend vijfhonderd el lang, heeft drie poorten: de Jozefpoort, de Benjaminpoort en de Danpoort. EZ 48:33 De zuidkant, vierduizend vijfhonderd el lang, heeft drie poorten: de Simeonpoort, de Issakarpoort en de Zebulonpoort. EZ 48:34 De westkant, vierduizend vijfhonderd el lang, heeft drie poorten: de Gadpoort, de Aserpoort en de Naftalipoort. EZ 48:35 De hele omtrek meet dus achttienduizend el. En de stad heet voortaan: 'Jahwe is daar!' DANIËL DAN 1:1 In het derde jaar van de regering van Jojakim, de koning van Juda, trok Nebukadnessar, de koning van Babel, naar Jeruzalem en sloeg het beleg voor de stad. DAN 1:2 De Heer leverde Jojakim, de koning van Juda, aan hem uit alsmede een deel van het tempelvaatwerk. De koning en het vaatwerk voerde hij naar Sinear; het vaatwerk plaatste hij in de schatkamer van de tempel van zijn god. DAN 1:3 Aan Aspenaz, zijn hofmaarschalk, gaf Nebukadnessar bevel, uit de Israëlieten enkele jongemannen te kiezen die van koninklijken bloede waren of van voornamen huize, DAN 1:4 zonder enig lichaamsgebrek, welgevormd, veelzijdig ontwikkeld, met een uitgebreide kennis en een scherp verstand, geschikt om dienst te doen in het paleis van de koning. Hij moest hun de taal en het schrift van de Chaldeeën leren. DAN 1:5 De koning bepaalde dat hun dagelijks menu moest bestaan uit de gerechten van de koninklijke tafel en de wijn die hij zelf dronk. De opleiding zou drie jaar duren; daarna zouden zij bij de koning in dienst treden. DAN 1:6 Tot deze jongemannen behoorden ook de Judeeërs Daniël, Chananja, Misaël en Azarja. DAN 1:7 De hofmaarschalk gaf hun echter andere namen: Daniël noemde hij Beltesassar, Chananja Sadrak, Misaël Mesak en Azarja Abednego. DAN 1:8 Maar Daniël nam zich voor, zich niet te verontreinigen aan de gerechten van de koninklijke tafel en aan de wijn die de koning dronk. Daarom vroeg hij de hofmaarschalk om voedsel waaraan hij zich niet verontreinigen zou. DAN 1:9 En God stemde de hofmaarschalk welwillend en goedgunstig jegens Daniël. DAN 1:10 De hofmaarschalk zei tot Daniël: 'Ik vrees dat mijn heer, de koning, die bepaald heeft wat jullie te eten en te drinken krijgen, zal vinden dat jullie er niet zo goed uitzien als de andere jongemannen van jullie leeftijd en dan zijn jullie er oorzaak van dat de koning mij vanwege plichtsverzuim veroordeelt.' DAN 1:11 Daarop wendde Daniël zich tot de kamerdienaar, aan wiens zorgen de hofmaarschalk Daniël, Chananja, Misaël en Azarja had toevertrouwd, met het verzoek: DAN 1:12 'Probeer het eens met uw dienaren en geef ons tien dagen lang alleen groenten te eten en water te drinken; DAN 1:13 vergelijk daarna ons uiterlijk met dat van de jongemannen die de gerecht en van de koninklijke tafel eten en handel dan met uw dienaren naar uw bevinding.' DAN 1:14 De kamerdienaar stemde met dat voorstel in en gedurende tien dagen gaf hij hun bij wijze van proef de gevraagde kost. DAN 1:15 Toen de tien dagen voorbij waren, zagen zij er gezonder en welvarender uit dan al de andere jongemannen, die de gerechten van de koninklijke tafel hadden gegeten. DAN 1:16 Voortaan nam de kamerdienaar de spijzen en de wijn die voor hen bestemd waren weg en gaf hun groenten. DAN 1:17 Aan deze vier jongemannen schonk God wetenschap, kennis van heel de literatuur en wijsheid; Daniël stelde hij in staat visioenen en dromen te doorschouwen. DAN 1:18 Toen de tijd verstreken was die de koning had vastgesteld en ze voor hem moesten verschijnen, stelde de hofmaarschalk hen aan Nebukadnessar voor. DAN 1:19 Het onderhoud dat de koning met hen had, bewees dat niemand zich kon meten met Daniël, Chananja, Misaël en Azarja. Zo traden ze in dienst van de koning. DAN 1:20 En telkens als de koning hen raadpleegde, zag hij dat hun wijsheid en inzicht tienmaal groter was dan die van welke wichelaar of bezweerder ook in heel zijn rijk. DAN 1:21 Daniël bleef in dienst van de koning tot het eerste regeringsjaar van koning Kores. DAN 2:1 In het tweede jaar van zijn regering kreeg Nebukadnessar een droom, die hem zozeer ontstelde dat hij niet meer kon slapen. DAN 2:2 Daarom liet de koning de wichelaars, bezweerders, tovenaars en magiërs roepen om de droom te verklaren. Toen ze voor de koning waren verschenen, DAN 2:3 zei deze tot hen: 'Ik heb een droom gehad die me ontstelt en daarom wil ik de betekenis ervan kennen.' DAN 2:4 De magiërs zeiden tot de koning in het Aramees: 'De koning moge leven voor eeuwig! Vertel die droom aan uw dienaren en we zullen hem verklaren.' DAN 2:5 Maar de koning antwoordde de magiërs: 'Mijn besluit staat vast: als u mij niet zowel de droom als de uitleg kunt mededelen, dan zult u in stukken gehouwen en zullen uw huizen in een puinhoop veranderd worden; DAN 2:6 maar als u in staat bent de droom en zijn uitleg mede te delen, zult u van mij rijke geschenken krijgen en met eerbewijzen worden overladen; vertel mij dus de droom en zijn verklaring.' DAN 2:7 Maar de magiërs zeiden opnieuw: 'De koning moet zijn droom aan zijn dienaar en vertellen, dan kunnen we hem verklaren.' DAN 2:8 De koning antwoordde daarop: 'Nu ben ik er zeker van dat u tijd zoekt te winnen, omdat u merkt dat mijn besluit vaststaat, DAN 2:9 u een en hetzelfde lot te laten ondergaan, als u mij de droom niet kunt meedelen. U hebt onderling afgesproken om mij maar iets voor te liegen in de hoop dat het getij keert. Daarom moet u mij de droom vertellen, want dan weet ik dat u hem ook kunt verklaren.' DAN 2:10 De magiërs antwoordden de koning: 'Geen mens ter wereld kan aan 's konings eis voldoen en geen enkele koning, hoe groot of machtig ook, heeft daarom ooit zo iets van een wichelaar, bezweerder of magiër gevraagd. DAN 2:11 Wat de koning verlangt is te moeilijk; alleen de goden kunnen aan dat verlangen voldoen, maar die wonen niet onder de stervelingen.' DAN 2:12 Hierop werd de koning woedend en in zijn toorn gaf hij bevel alle wijzen van Babel te doden. DAN 2:13 De uitvaardiging van het bevel dat de wijzen moesten worden gedood trof ook Daniël en zijn vrienden, zij werden dan ook in hechtenis genomen. DAN 2:14 Daniël richtte zich met verstand en overleg tot Arjok, de overste van' s konings lijfwacht die uitgetrokken was om de wijzen van Babel te doden. DAN 2:15 Hij zei tot Arjok, de gevolmachtigde van de koning: 'Waarom heeft de koning toch zo'n hard bevel uitgevaardigd? Arjok deelde Daniël mede wat er gebeurd was. DAN 2:16 Daarop begaf Daniël zich naar de koning met het verzoek hem wat tijd te geven, dan zou hij de uitleg aan de koning bekend maken. DAN 2:17 Vervolgens ging Daniël naar zijn woning en deelde zijn vrienden Chananja, Misaël en Azarja mee wat er gebeurd was. DAN 2:18 Ze moesten met betrekking tot dit geheim de God des hemels om erbarming smeken, opdat men Daniël en zijn vrienden niet zou ombrengen tezamen met de overige wijzen van Babel. DAN 2:19 In een nachtelijk visioen werd toen het geheim aan Daniël geopenbaard. Daarom loofde Daniël de God des hemels DAN 2:20 en zei: 'De naam van God zij geprezen van eeuwigheid tot eeuwigheid, want Hem behoort de wijsheid en de kracht! DAN 2:21 Hij is het die tijden en stonden keert, die koningen afzet en aanstelt, die wijsheid verleent aan de wijzen en inzicht aan de verstandigen. DAN 2:22 Hij is het die openbaart wat in de diepte verborgen ligt, die weet wat in het duister geschiedt; bij Hem woont het licht. DAN 2:23 God van mijn vaderen, U loof en prijs ik, omdat Gij mij wijsheid en kracht hebt verleend, en omdat Gij ons gebed hebt verhoord en ons bekend hebt gemaakt waar de koning naar vraagt.' DAN 2:24 Daarop ging Daniël naar Arjok, aan wie de koning had opgedragen de wijzen van Babel ter dood te brengen, en zei tot hem: 'Dood de wijzen van Babel niet, maar leid mij voor de koning, dan zal ik de koning de uitleg geven.' DAN 2:25 IJLINGS bracht Arjok Daniël toen naar de koning en zei tot hem: 'Ik heb onder de ballingen uit Juda iemand gevonden, die de koning de uitleg kan geven.' DAN 2:26 Daarop richtte de koning zich tot Daniël, die Beltesassar werd genoemd, en zei: 'Bent u in staat mij de droom die ik gezien heb en de verklaring ervan mee te delen?' DAN 2:27 Daniël antwoordde: 'Het geheim waarnaar de koning vraagt, kan geen wijze of bezweerder, geen wichelaar of leverschouwer aan de koning openbaren; DAN 2:28 maar er is een God in de hemel, die geheimen openbaart. Hij heeft aan koning Nebukadnessar bekend willen maken wat er aan het einde van de tijden zal geschieden. Uw droom en de beelden die door uw hoofd gingen, terwijl u op uw legerstede rustte, ga ik u nu vertellen. DAN 2:29 Toen u op uw legerstede lag te denken koning, over wat de toekomst wel zou kunnen brengen, maakte Hij die geheimen openbaart dat aan u bekend. DAN 2:30 Als dit geheim ook aan mij geopenbaard is, dan is dat niet omdat ik zoveel wijzer zou zijn dan alle andere schepselen, maar opdat ik het aan de koning bekend zou maken, zodat u de gedachten van uw hart zoudt verstaan. DAN 2:31 Koning, in het visioen dat u hebt gehad, hebt u een zeer groot en helderglanzend beeld voor u zien staan met een schrikwekkend uiterlijk. DAN 2:32 Het hoofd van dat beeld was van zuiver goud, zijn borst en armen van zilver, zijn buik en lenden van brons, DAN 2:33 zijn benen van ijzer, zijn voeten waren gedeeltelijk van ijzer en gedeeltelijk van leem. DAN 2:34 Terwijl u toekeek, werd er een steen losgekapt zonder dat er een mensenhand aan te pas kwam; die steen raakt het beeld en verbrijzelde de voeten van ijzer en leem. DAN 2:35 Tegelijkertijd vergruizelden toen het ijzer, brons, zilver en goud en werden door de wind meegevoerd als het kaf bij het dorsen van het koren. Van het beeld bleef niets over, maar de steen die het getroffen had, werd een grote berg die heel de aarde bedekte. DAN 2:36 Dat was uw droom. Nu zullen wij u zeggen wat hij betekent. DAN 2:37 Koning, koning der koningen, aan wie de God des hemels het koningschap, de macht en de kracht en de majesteit heeft geschonken DAN 2:38 overal waar mensen wonen, aan wie Hij de dieren van het veld en de vogels aan de hemel in handen gegeven heeft en die Hij over hen allen deed heersen, u bent het hoofd van goud. DAN 2:39 Maar na u zal er een ander rijk komen, dat geringer is dan het uwe, daarna een derde rijk van brons, dat over de hele aarde zal heersen, DAN 2:40 en tenslotte komt er een vierde rijk, hard als ijzer. Juist als ijzer dat alles kan vermorzelen en tot gruis maken, zal dat rijk de voorgaande rijken verpletteren en verbrijzelen. DAN 2:41 Dat de voeten en de tenen, zoals u gezien hebt, gedeeltelijk van leem, gedeeltelijk van ijzer waren, betekent het dat het een verdeeld rijk zal zijn. Maar toch zal het de hardheid van ijzer hebben, want zoals u gezien hebt, was er ijzer met modderig leem verbonden. DAN 2:42 Dat de tenen van de voeten gedeeltelijk van ijzer en gedeeltelijk van leem waren, betekent dat het rijk gedeeltelijk sterk, maar gedeeltelijk broos zal zijn. DAN 2:43 En dat, zoals u gezien hebt, het ijzer met modderig leem verbonden was, betekent: men zal trachten de delen van het rijk door huwelijken te verbinden, maar die delen zullen met elkaar geen eenheid kunnen vormen, evenmin als ijzer en leem dat kunnen. DAN 2:44 Maar in de tijd van de koningen zal de God des hemels een rijk stichten dat in eeuwigheid niet te gronde zal gaan en niet aan een ander volk zal uitgeleverd worden. Het zal al die rijken verpletteren en er een eind aan maken, maar zelf zal het in eeuwigheid blijven bestaan. DAN 2:45 U hebt immers gezien hoe er uit het gebergte, zonder dat er een mensenhand aan te pas kwam, een steen losgekapt werd, die het ijzer, het brons, het leem, het zilver en goud vergruizelde. De grote God heeft aan de koning geopenbaard wat er in de toekomst zal gebeuren. De droom is waar en de uitleg betrouwbaar.' DAN 2:46 Toen wierp Nebukadnessar zich voorover ter aarde en bracht Daniël hulde; hij beval dat men hem een offer bracht en reukwerk voor hem brandde. DAN 2:47 De koning zei tot Daniël: 'Waarlijk, uw God is de God der goden en de heer der koningen. Hij openbaart geheimen en daarom hebt u dit geheim kunnen ontsluieren.' DAN 2:48 Toen verleende de koning aan Daniël een hoge waardigheid; hij gaf hem vele kostbare geschenken en benoemde hem tot gouverneur van heel de provincie Babel en tot opperprefect over alle wijzen van Babel. DAN 2:49 Maar op verzoek van Daniël droeg de koning het bestuur van de provincie Babel op aan Sadrak, Mesak en Abednego, terwijl Daniël zelf aan het hof van de koning bleef. DAN 3:1 Eens liet koning Nebukadnessar een gouden beeld maken van zestig el hoog en zes el breed en het oprichten in de vlakte van Dura in de provincie Babel. DAN 3:2 Vervolgens riep koning Nebukadnessar de satrapen, gouverneurs, landvoogden, staatsraden, schatmeesters, rechters, politiebeambten en allen die met het bestuur der provincies belast waren bijeen voor de inwijding van het beeld, dat koning Nebukadnessar had opgericht. DAN 3:3 Daarop kwamen de satrapen, gouverneurs, landvoogden, staatsraden, schatmeesters, rechters, politiebeambten en allen die met het bestuur der provincies belast waren bijeen voor de inwijding van het beeld, dat koning Nebukadnessar had opgericht. Toen ze voor het beeld stonden dat Nebukadnessar had opgericht, DAN 3:4 riep een heraut met krachtige stem: 'Volken, naties en talen: u wordt bevolen DAN 3:5 u neer te werpen en het gouden beeld dat koning Nebukadnessar heeft opgericht te aanbidden, zodra u de muziek hoort van hoorn en fluit, van citer, luit en harp, van doedelzak en allerlei andere muziekinstrumenten. DAN 3:6 Wie zich niet in aanbidding neerwerpt, wordt op staande voet in het laaiende vuur van een oven geworpen.' DAN 3:7 Zodra de volken, naties en talen dan ook de muziek hoorden van hoorn en fluit, van citer, luit en harp en van allerlei andere muziekinstrumenten, wierpen ze zich ter aarde en aanbaden het gouden beeld dat koning Nebukadnessar had opgericht. DAN 3:8 Op dat ogenblik kwamen enige Chaldeeën naar voren en beschuldigden de joden ervan, het bevel van de koning te hebben overtreden. DAN 3:9 Ze richtten zich tot koning Nebukadnessar met de woorden: 'De koning leve in eeuwigheid! DAN 3:10 Koning, u hebt bevolen dat allen bij het horen van de muziek van hoorn en fluit, van citer, luit en harp, van doedelzak en allerlei andere muziekinstrumenten zich ter aarde zouden werpen en het gouden beeld aanbidden, DAN 3:11 en dat ieder die zich niet in aanbidding neerwerpt in het laaiende vuur van een oven geworpen zal worden. DAN 3:12 Nu zijn hier enige joden, die u met het best uur van de provincie Babel belast hebt, Sadrak, Mesak en Abednego: deze mannen, koning, storen zich niet aan uw bevel; uw god vereren zij niet en het gouden beeld dat u hebt opgericht aanbidden ze niet.' DAN 3:13 Nebukadnessar ontstak in heftige toorn en beval Sadrak, Mesak en Abednego voor te brengen. Toen die mannen voor de koning waren geleid, DAN 3:14 vroeg Nebukadnessar hun: 'Is het waar, Sadrak, Mesak en Abednego, dat jullie mijn god niet vereren en het gouden beeld dat ik heb opgericht niet aanbidden? DAN 3:15 Welnu, zijn jullie misschien nu bereid om bij het horen van de muziek van hoorn en fluit, van citer, luit en harp, van doedelzak en allerlei andere muziekinstrumenten je neer te werpen en het beeld te aanbidden dat ik gemaakt heb? Weigeren jullie dat, dan worden jullie op staande voet in het laaiende vuur van een oven geworpen en welke god zal jullie dan uit mijn macht kunnen bevrijden?' DAN 3:16 Sadrak, Mesak en Abednego gaven de koning ten antwoord: 'Nebukadnessar, wij vinden het niet nodig op uw vraag een antwoord te geven. DAN 3:17 Als er een god is die dat kan, dan is het onze God die wij vereren: Hij is in staat ons te bevrijden uit het laaiende vuur van een oven en Hij zal ons ontrukken aan uw greep, koning. DAN 3:18 Maar de koning zij ervan overtuigd, dat, ook als God ons niet redt, wij uw god niet zullen vereren en het gouden beeld dat u hebt opgericht niet zullen aanbidden.' DAN 3:19 Toen werd Nebukadnessar woedend op Sadrak, Mesak en Abednego en zijn gelaat vertrok; hij gaf bevel de oven zevenmaal heter te stoken dan gewoonlijk DAN 3:20 en de sterkste kerels uit zijn leger droeg hij op, Sadrak, Mesak en Abednego te binden, en in de laaiende vuuroven te werpen. DAN 3:21 Toen werden die mannen, gekleed en al, met mantel, rok en muts, gebonden en in het laaiende vuur van de oven geworpen. DAN 3:22 Maar de mannen die Sadrak, Mesak en Abednego naar boven brachten, werden gedood door de vlammen van het vuur in de oven, die op het uitdrukkelijke bevel van de koning zo heet mogelijk was opgestookt. DAN 3:23 Maar de drie mannen, Sadrak, Mesak en Abednego, waren gebonden in het laaiende vuur van de oven geworpen. DAN 3:24 Toen Nebukadnessar hun lofzang hoorde, was hij een en al verbazing; hij stond ijlings op en zei tot zijn raadsheren: 'We hebben toch drie mannen geboeid in het vuur geworpen?' Zij gaven de koning ten antwoord: 'Zeker, koning!' DAN 3:25 Hij hernam: 'Maar ik zie vier mannen ongeboeid en zonder letsel zich in het vuur bewegen; de vierde gelijkt op een godenzoon.' DAN 3:26 Daarop ging Nebukadnessar naar de deur van de laaiende oven en riep: 'Sadrak, Mesak en Abednego, dienaren van de allerhoogste God, kom eruit!' Toen kwamen Sadrak, Mesak en Abednego uit het vuur te voorschijn. DAN 3:27 De satrapen, gouverneurs, landvoogden en raadsheren van de koning verdrongen zich rond die mannen en zagen dat het vuur hun lichamen niet had gedeerd; zelfs het haar op hun hoofd was niet geschroeid, hun mantels waren nog ongeschonden en er hing zelfs geen brandlucht om hen. DAN 3:28 Toen nam Nebukadnessar het woord en zei: 'Geloofd zij de God van Sadrak, Mesak en Abednego: Hij heeft zijn engel gezonden om zijn dienaren te redden, die vol vertrouwen op Hem het bevel van de koning hebben overtreden en hun lichamen hebben prijsgegeven, omdat ze geen god wilden vereren of aanbidden dan hun eigen God. DAN 3:29 Daarom wordt door mij het volgende besluit uitgevaardigd: Ieder tot welk volk, tot welke natie of taal hij ook behoort, die oneerbiedig durft te spreken over de God van Sadrak, Mesak en Abednego, wordt in stukken gehouwen en van zijn huis wordt een puinhoop gemaakt; er is immers geen andere god wiens macht om te redden zo groot is.' DAN 3:30 Aan Sadrak, Mesak en Abednego gaf de koning aanzienlijke posten in de provincie Babel. DAN 3:31 Koning Nebukadnessar aan alle volken, naties en talen over heel de aarde. Veel heil zij u toegewenst! DAN 3:32 Het heeft mij behaagd, de tekenen en wonderen bekend te maken die de allerhoogste God aan mij gewrocht heeft. DAN 3:33 Hoe groot zijn zijn tekenen en hoe machtig zijn wonderen! Zijn koningschap is een eeuwig koningschap en zijn heerschappij duurt van geslacht tot geslacht. DAN 4:1 Ik, Nebukadnessar, leefde onbezorgd in mijn huis en verkeerde in goede welstand in mijn paleis, DAN 4:2 tot ik een droom kreeg die mij ontstelde en er beelden door mijn hoofd gingen, terwijl ik rustte, die mij in verwarring brachten. DAN 4:3 Ik gaf bevel alle wijzen van Babel te ontbieden om mij de droom te verklaren. DAN 4:4 De wichelaars, bezweerders, magiërs en leverschouwers kwamen en ik verhaalde hun mijn droom, maar ze konden mij niet zeggen wat hij betekende. DAN 4:5 Als laatste verscheen Daniël voor mij, die Beltesassar genoemd wordt en zo de naam van mijn god draagt. Daar in hem de geest van de heilige goden woont, vertelde ik hem mijn droom: DAN 4:6 'Beltesassar, hoofd van de wichelaars! Ik weet dat de geest van de heilige goden in u woont en dat geen enkel geheim u in verlegenheid kan brengen. Geef mij de verklaring van wat ik in mijn droom gezien heb. DAN 4:7 Terwijl ik rustte, had ik het volgende droomgezicht. Midden op de aarde zag ik een zeer hoge boom staan, DAN 4:8 een reus van een boom, die met zijn top tot de hemel reikte en die van de uiteinden van de aarde te zien was. DAN 4:9 Zijn loof was mooi en hij droeg een overvloed van vruchten: er hing voor allen voedsel aan. De wilde dieren zochten er schaduw onder en de vogelen des hemels nestelden in zijn takken. Al wat leeft werd door die boom gevoed. DAN 4:10 In het droomgezicht dat ik tijdens mijn rust had, zag ik hoe uit de hemel een heilige wachter neerdaalde DAN 4:11 en met luide stem bevel gaf: Houw de boom om en kap zijn takken; haal het loof eraf en werp zijn vruchten weg; jaag de dieren eronder vandaan en verdrijf de vogels uit zijn takken. DAN 4:12 Maar laat zijn wortelstronk in de aarde zitten. In boeien van ijzer en brons geklonken moet hij in het groen op het veld verblijven, door de dauw uit de hemel bevochtigd worden en met de dieren het gras van de aarde delen. DAN 4:13 Zijn mensenhart wordt veranderd in dat van een dier. Zo zullen er zeven tijden over hem heengaan. DAN 4:14 Dit vonnis is geveld door de wachters, deze taak is beslist door de heiligen, opdat de stervelingen erkennen dat de Allerhoogste beschikt over het menselijk koningschap en het kan geven aan wie Hij wil en dat Hij zelfs de geringste onder de mensen tot die waardigheid kan verheffen. DAN 4:15 Dit is de droom die ik, koning Nebukadnessar, gezien heb. Beltesassar, wilt u mij zeggen wat hij betekent. Geen enkele wijze van mijn rijk kon hem verklaren, maar u bent ertoe in staat, daar de geest van de heilige goden in u woont.' DAN 4:16 Toen stond Daniël, die ook Beltesassar genoemd wordt, een ogenblik sprakeloos en wat er in zijn hoofd omging bracht hem in verwarring. Maar de koning zei: 'Beltesassar, laat u niet door de betekenis van de droom in verwarring brengen.' Daarop antwoordde Beltesassar: 'Mijn heer, mocht de droom betrekking hebben op uw vijanden en zijn betekenis op u tegenstanders. DAN 4:17 De boom die u gezien hebt, die geweldig groot was en waarvan de top tot de hemel reikte, die over heel de aarde te zien was, DAN 4:18 mooi loof had en een overvloed van vruchten droeg, zodat er voor allen voedsel aan hing; die boom waaronder de wilde dieren zich ophielden en in wiens takken de vogelen des hemels nestelden, DAN 4:19 die boom bent u, koning. U bent geweldig machtig: uw grootheid reikt tot de hemel en uw heerschappij strekt zich uit tot de einden van de aarde. DAN 4:20 Vervolgens zag de koning een heilige wachter uit de hemel neerdalen die bevel gaf: Houw de boom om en hak hem stuk, maar laat zijn wortelstronk in de aarde zitten. In boeien van ijzer en brons geklonken moet hij in het groen op het veld verblijven, door de dauw uit de hemel bevochtigd worden en het lot van de dieren op het veld delen, totdat er zeven tijden over hem zijn heengegaan. DAN 4:21 De betekenis hiervan is deze, koning: het betreft een besluit van de Allerhoogste dat betrekking heeft op mijn heer, de koning. DAN 4:22 Men zal u uit de gemeenschap van de mensen stoten en u zult gaan leven met de dieren op het veld; men zal u gras te eten geven als een rund en u zult nat worden door de dauw uit de hemel. Zo zullen er zeven tijden over u heengaan, totdat u erkent dat de Allerhoogste beschikt over het menselijk koningschap en het kan geven aan wie Hij wil. DAN 4:23 Maar het feit dat men bevel gaf de wortelstronk van de boom te laten zitten betekent dat u het koningschap terugkrijgt, zodra u de macht van de hemel erkent. DAN 4:24 Wil daarom, koning, mijn raad opvolgen: Delg uw zonden door aalmoezen en uw misdaden door barmhartigheid jegens de armen. Dan zal uw voorspoed duurzaam zijn.' DAN 4:25 Dit alles is koning Nebukadnessar overkomen. DAN 4:26 Twaalf maanden later liep hij eens op het koninklijk paleis in Babel te wandelen DAN 4:27 en riep toen uit: 'Is dit niet het grootse Babel dat ik door macht van mijn rijkdom en tot glorie van mijn majesteit gebouwd heb als mijn koninklijk verblijf!' DAN 4:28 Nauwelijks had de koning die woorden gesproken, of een stem uit de hemel weerklonk: 'Koning Nebukadnessar, hiermee wordt u meegedeeld dat het koningschap u ontnomen is. DAN 4:29 Uit de gemeenschap van de mensen zal men u stoten, met de dieren op het veld zult u leven en als een rund zal men u gras te eten geven. Zo zullen er zeven tijden over u heengaan, totdat u erkent dat de Allerhoogste beschikt over het menselijk koningschap en het geeft aan wie Hij wil.' DAN 4:30 Dat vonnis werd onmiddellijk aan Nebukadnessar voltrokken: hij werd uit de gemeenschap van de mensen gestoten, at gras als een rund en van de dauw uit de hemel werd zijn lichaam nat; hij werd zo zwaar behaard als een arend dik in zijn veren zit en zijn nagels werden even lang als die van een vogel. DAN 4:31 'Maar toen de tijd verstreken was, sloeg ik, Nebukadnessar, mijn ogen op naar de hemel en ik kreeg mijn verstand terug. Ik prees de Allerhoogste en loofde Hem die leeft in eeuwigheid. Want zijn heerschappij is eeuwig en zijn koningschap duurt van geslacht tot geslacht. DAN 4:32 Vergeleken met Hem betekenen de aardbewoners niets; Hij doet wat Hij wil met de hemelse legermachten evengoed als met degenen die op aarde wonen. Niemand kan zijn macht weerstaan of Hem ter verantwoording roepen. DAN 4:33 Ik kreeg mijn verstand terug en tevens met de glorie van mijn koningschap mijn luister en majesteit. Mijn raadsheren en rijksgroten kwamen mij opzoeken en ik werd in mijn koninklijke waardigheid hersteld en kreeg meer macht dan ik ooit had. DAN 4:34 Daarom prijs ik, Nebukadnessar, de hemelse Koning en loof en verheerlijk Hem, want zijn daden zijn eerlijk en zijn paden recht. Hij heeft de macht om hoogmoedigen te vernederen.' DAN 5:1 Koning Belsassar richtte eens een groot feestmaal aan voor duizend van zijn rijksgroten. Hij dronk in tegenwoordigheid van de duizend gasten wijn DAN 5:2 en onder invloed van de wijn gaf hij het bevel het gouden en zilveren vaatwerk te halen, dat zijn vader Nebukadnessar uit de tempel van Jeruzalem had weggenomen. Belsassar wilde met zijn rijksgroten, zijn vrouwen en bijvrouwen uit dat vaatwerk drinken. DAN 5:3 Men bracht dus het gouden en zilveren vaatwerk dat uit de tempel van Jeruzalem was weggehaald, en de koning, zijn rijksgroten, zijn vrouwen en bijvrouwen dronken eruit. DAN 5:4 En bij het drinken van de wijn loofden ze de goden van goud en zilver, van brons, ijzer, hout en steen. DAN 5:5 Terwijl ze dat deden, verschenen er vingers van een mensenhand en die schreven iets op de gepleisterde muur van het koninklijk paleis juist tegenover de lucht er. De koning zag de schrijvende hand; DAN 5:6 hij verschoot van kleur en raakte in verwarring, zijn heupgewrichten verslapten en zijn knieën stieten tegen elkaar. DAN 5:7 Met luide stem riep de koning om de bezweerders, magiërs en leverschouwers. Hij richtte zich tot de wijzen van Babel en zei: 'Wie dit schrift kan lezen en er mij de verklaring van geeft, zal met purper bekleed, de gouden keten dragen om zijn hals en als derde heersen in het koninkrijk.' DAN 5:8 Maar ofschoon alle wijzen van de koning waren verschenen, waren zij niet in staat het schrift te lezen en er de koning uitleg van te geven. DAN 5:9 Toen greep een hevige angst koning Belsassar aan en hij werd lijkbleek; ook zijn rijksgenoten waren ontsteld. DAN 5:10 Toen de koningin de ontsteltenis van de koning en van zijn rijksgenoten vernam, trad zij de feestzaal binnen en richtte zich tot de koning met de woorden: 'Koning, leef in eeuwigheid! Er is geen reden waarom u zich zo ongerust zoudt maken en zo door angst laat overmannen dat u er bleek van ziet. DAN 5:11 In uw koninkrijk is een man, in wie de geest van de heilige goden woont; onder de regering van uw vader heeft hij blijk gegeven van een inzicht, een verstand, een wijsheid als die der goden. Daarom had uw vader, koning Nebukadnessar, hem aangesteld tot hoofd van de wichelaars, bezweerders, magiërs en leverschouwers. DAN 5:12 Het is Daniël, aan wie de koning de naam Beltesassar heeft gegeven, en die door de buitengewone geest die in hem is, door kennis en verstand dromen kan verklaren, raadsels oplossen en knopen ontwarren; laat hem daarom komen en hij zal u de verklaring geven.' DAN 5:13 Toen Daniël voor de koning was geleid, zei deze tot hem: 'Bent u Daniël, een van de ballingen van Juda, die de koning, mijn vader, uit Juda heeft weggevoerd? DAN 5:14 Ik heb van u gehoord, dat de geest der goden in u is en dat u begaafd bent met inzicht, verstand en buitengewone wijsheid. DAN 5:15 Nu heb ik de wijzen en de bezweerders ontboden om dit schrift te lezen en het mij te verklaren, maar zij waren er niet toe in staat. DAN 5:16 Men heeft mij van u verteld dat u dromen kunt verklaren en knopen ontwarren. Welnu, als u het schrift kunt lezen en het mij verklaren, zult u met purper worden bekleed, de gouden keten om uw hals dragen en als derde heersen in het koninkrijk.' DAN 5:17 Daarop antwoordde Daniël aan de koning: 'Houd uw gaven en geef uw geschenken aan een ander. Het schrift zal ik evenwel voor de koning lezen en hem er de verklaring van geven. DAN 5:18 Koning, de allerhoogste God heeft aan Nebukadnessar, uw vader, met het koningschap majesteit, eer en luister gegeven. DAN 5:19 En de majesteit, die Hij hem gegeven had, was zo groot dat alle volken, stammen en talen voor hem sidderden en beefden: hij doodde wie hij wilde en hij liet leven wie hij wilde; hij verhief of vernederde wie hij wilde. DAN 5:20 Maar toen hij trots werd en hovaardig, is hij van zijn koningstroon gestoten en van zijn eer beroofd; DAN 5:21 hij werd uit de gemeenschap van de mensen verjaagd en kreeg de aard van een dier; hij huisde bij de wilde ezels, hij kreeg gras te eten als de runderen en zijn lichaam werd nat van de dauw uit de hemel, totdat hij erkende dat de allerhoogste God de macht heeft over de koninkrijken van de mensen en erover aanstelt wie Hij wil. DAN 5:22 Ofschoon u dat alles wist, bent u, Belsassar, zijn zoon, niet ootmoedig gebleven, DAN 5:23 maar boven de Heer van de hemel hebt u zich willen verheffen: u hebt het vaatwerk van zijn tempel laten halen en u, uw rijksgroten, uw vrouwen en bijvrouwen hebben er wijn uit gedronken: goden van zilver en goud, van brons, ijzer, hout en steen, die niet zien, niet horen en niet kennen, hebt u geëerd, terwijl u de God in wiens hand uw adem ligt en heel uw leven, niet hebt geprezen. DAN 5:24 Daarom heeft Hij die hand dit schrift laten schrijven. DAN 5:25 En dit staat er geschreven: Mene tekel ufarsin. DAN 5:26 De verklaring ervan luidt: mene, geteld heeft God uw regeringsjaren en er een eind aan gemaakt; DAN 5:27 tekel, gewogen bent u op de weegschaal en te licht bevonden; DAN 5:28 peres, verdeeld is uw koninkrijk en aan de Meden en Perzen gegeven.' DAN 5:29 Toen werd Daniël op bevel van Belsassar met purper bekleed, hij kreeg de gouden keten om de hals en herauten maakten bekend dat hij als derde zou heersen in het koninkrijk. DAN 5:30 Diezelfde nacht werd Belsassar, de koning van de Chaldeeën, gedood. DAN 6:1 Daarna kreeg Darius, de Mediër, ongeveer tweeënzestig jaar oud, het koningschap. DAN 6:2 Darius besloot over heel het rijk honderdtwintig satrapen aan te stellen, die het hun toegewezen deel moesten besturen. DAN 6:3 Boven de satrapen stelde hij drie rijksbestuurders aan, waaronder Daniël; aan hen moesten de satrapen rekenschap afleggen om te voorkomen dat aan de rechten van de koning te kort zou worden gedaan. DAN 6:4 Daniël nu stak door zijn buitengewone begaafdheid ver uit boven de andere rijksbestuurders en de satrapen. Daarom dacht de koning erover hem aan te stellen over het hele rijk. DAN 6:5 De rijksbestuurders en satrapen zochten daarentegen in de wijze waarop hij de belangen van het rijk behartigde grond te vinden voor een aanklacht tegen hem. Maar ze konden geen stof voor een aanklacht noch een tekortkoming vinden. Daniël was onkreukbaar en er viel bij hem geen verzuim of vergrijp aan te wijzen. DAN 6:6 Toen zeiden die mannen: 'We zullen geen enkele grond voor een aanklacht tegen deze Daniël vinden, als we die niet zoeken in de wet van zijn God.' DAN 6:7 Daarom richtten de rijksbestuurders en satrapen zich met grote aandrang tot de koning en zeiden: 'Koning Darius, leef in eeuwigheid! DAN 6:8 Alle rijksbestuurders, gouverneurs, satrapen, raadsheren en landvoogden zijn van mening dat de koning een besluit moet uitvaardigen en een verbod moet afkondigen, waarin bepaald wordt dat alwie binnen dertig dagen een bede richt tot welke god of mens ook buiten u, koning, in de leeuwekuil wordt geworpen. DAN 6:9 Vaardig daarom, koning, het verbod uit en leg het schriftelijk vast, zodat het niet te wijzigen is, als een wet van Meden en Perzen, die onherroepelijk is.' DAN 6:10 Daarop legde Darius het verbod schriftelijk vast. DAN 6:11 Toen Daniël vernam dat het verbod schriftelijk was vastgelegd, ging hij naar huis. In het bovenvertrek van zijn huis zaten in de richting van Jeruzalem open vensters. Daar wierp hij zich driemaal per dag op de knieën om zijn God te aanbidden en te prijzen, juist zoals hij dat tevoren gewoon was. DAN 6:12 Toen die mannen een inval deden in zijn huis, troffen ze Daniël aan, terwijl hij smeekbeden richtte tot zijn God. DAN 6:13 Ze begaven zich daarop naar de koning en brachten hem het koninklijk verbod in herinnering met de woorden: 'Hebt u geen verbod uitgevaardigd dat alwie binnen dertig dagen een bede richt tot welke god of mens ook buiten u, koning, in de leeuwekuil geworpen wordt?' De koning antwoordde: 'Dat staat vast als een wet van Meden en Perzen, die onherroepelijk is.' DAN 6:14 Toen zeiden ze tot de koning: 'Daniël, een van de ballingen uit Juda, stoort zich niet aan u noch aan het verbod dat u hebt uitgevaardigd, maar driemaal per dag verricht hij zijn gebed.' DAN 6:15 Die beschuldiging beviel de koning helemaal niet en hij zon op middelen om Daniël te redden. Tot zonsondergang deed hij pogingen daartoe, DAN 6:16 maar die mannen zetten de koning onder druk en zeiden: 'Denk eraan, koning; het is voor Meden en Perzen een wet dat er niet kan worden getornd aan een verbod of besluit, door de koning uitgevaardigd.' DAN 6:17 Daarop gaf de koning bevel om Daniël te halen. Toen Daniël in de leeuwekuil geworpen werd, zei de koning tot hem: 'Moge uw God, door u zo trouw vereerd, u redden!' DAN 6:18 Daarna nam men een steen en legde die op de opening van de kuil. De koning verzegelde hem met zijn eigen zegel en met dat van zijn rijksgroten, om elke ingreep van buitenaf uit te sluiten. DAN 6:19 De koning ging naar zijn paleis, bracht de nacht in vasten door en liet geen vrouwen komen; van slapen was geen sprake. DAN 6:20 Bij het krieken van de morgen, toen het licht begon te worden, stond de koning op en begaf zich haastig naar de leeuwekuil. DAN 6:21 Bij de kuil gekomen begon hij op klagende toon tot Daniël te roepen. Hij zei: 'Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God, door u zo trouw vereerd, u van de leeuwen kunnen redden?' DAN 6:22 Daarop antwoordde Daniël: 'Koning, leef in eeuwigheid! DAN 6:23 Mijn God heeft zijn engel gezonden om de leeuwen te muilbanden. Ze hebben mij geen letsel toegebracht, daar ik in Gods ogen onschuldig ben. Maar ook tegen u, koning, heb ik niets misdreven.' DAN 6:24 Uitermate verheugd gaf de koning bevel Daniël uit de kuil te trekken. Daarop werd Daniël uit de kuil getrokken. Hij had geen letsel opgelopen, omdat hij op zijn God vertrouwd had. DAN 6:25 Nu gaf de koning bevel om de mannen die Daniël beschuldigd hadden, te halen en ze met hun kinderen en vrouwen in de leeuwekuil te werpen. Ze waren nog niet op de bodem van de kuil beland of de leeuwen hadden hen reeds te pakken en verbrijzelden hun beenderen. DAN 6:26 Daarna schreef koning Darius aan alle volken, naties en talen die op aarde wonen: 'Veel heil zij u toegewenst! DAN 6:27 Hierbij bepaal ik dat men in alle delen van mijn koninkrijk de God van Daniël moet eerbiedigen en vrezen, want Hij is de levende God, die blijft in eeuwigheid. Zijn koningschap is onvergankelijk en zijn heerschappij kent geen einde. DAN 6:28 Hij redt en bevrijdt en Hij verricht wondertekenen in de hemel en op aarde; Hij heeft Daniël gered uit de klauwen van de leeuwen.' DAN 6:29 Onder de regering van Darius en die van Kores, de Pers, genoot Daniël een hoog aanzien. DAN 7:1 In het eerste jaar van de regering van Belsassar, de koning van Babel, had Daniël op zijn legerstede een droom en gingen er beelden door zijn hoofd. Hij schreef de droom op. Zijn bericht begint aldus: DAN 7:2 Daniël sprak: In mijn nachtelijk visioen zag ik dat de vier winden des hemels de grote zee in beroering brachten DAN 7:3 en vier grote dieren eruit opstegen. DAN 7:4 Het eerste dier geleek op een leeuw, maar had arendsvleugels. Ik zag dat zijn vleugels werden uitgerukt, waarna het van de aarde werd opgericht en als een mens op twee voeten gezet en een mensenhart kreeg. DAN 7:5 Toen kwam een ander dier, het tweede, dat op een beer geleek; het richtte zich aan een zijde op en hield tussen de tanden in zijn muil drie ribben. Men zei tegen het dier: Op! vreet veel vlees!' DAN 7:6 Vervolgens zag ik nog een ander dier, dat geleek op een luipaard; het had vier vogelvleugels op zijn rug en het had vier koppen. Heerschappij werd het gegeven. DAN 7:7 Tenslotte zag ik in mijn nachtelijk visioen een vierde dier; het was schrikwekkend, vreesaanjagend en geweldig sterk; het had grote ijzeren tanden, waarmee het vrat en vermaalde, en wat het overliet vertrapte het met zijn poten. Het verschilde van alle overige vorige dieren en het had tien horens. DAN 7:8 Terwijl ik naar die horens keek, zag ik hoe er tussen die horens een elfde, een kleine hoorn, opschoot en hoe er drie werden uitgerukt om voor de kleine hoorn plaats te maken. Die hoorn had mensenogen en een mond vol grootspraak. DAN 7:9 In mijn visioen zag ik dat er tronen werden geplaatst en een hoogbejaarde zich neerzette, zijn gewaad was wit als sneeuw en zijn hoofdhaar blank als wol. Zijn troon bestond uit vlammen, de wielen ervan uit laaiend vuur. DAN 7:10 Een stroom van vuur welde op en vloeide voor hem uit. Duizend maal duizenden dienden hem en tienduizenden maal tienduizenden stonden voor hem. Het gerechtshof zette zich neer en de boeken werden geopend. DAN 7:11 Toen zag ik dat het vierde beest vanwege de grootspraak van de hoorn gedood werd en zijn kadaver aan het vuur werd prijsgegeven en zo vernietigd werd. DAN 7:12 Ook de overige dieren werden beroofd van hun macht, maar ze werden nog enige tijd in leven gelaten. DAN 7:13 In mijn nachtelijk visioen zag ik toen met de wolken des hemels iemand aankomen die op een mens geleek. Hij ging naar de hoogbejaarde en werd voor hem geleid. DAN 7:14 Toen werd hem heerschappij gegeven, luister en koninklijke macht; alle volken, stammen en talen brachten hem hun hulde. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij die nooit vergaat, zijn koninkrijk gaat nooit te gronde. DAN 7:15 Ik, Daniël, verkeerde inwendig in verwarring en de beelden die door mijn hoofd gingen verontrustten mij. DAN 7:16 Ik trad op een der aanwezigen toe en vroeg hem naar de juiste betekenis van dat alles. Hij gaf mij de volgende verklaring. DAN 7:17 'Die vier grote dieren zijn vier koninkrijken die de aarde zullen beheersen; DAN 7:18 daarna zullen de heiligen van de Allerhoogste het koningschap ontvangen en ze zullen het voor altijd, van eeuwigheid tot eeuwigheid bezitten.' DAN 7:19 Toen wilde ik de betekenis weten van het vierde beest, dat van alle andere verschilde, buitengewoon vreeswekkend was, tanden van ijzer had en klauwen van brons, dat vrat en fijnmaalde, en wat het overliet met zijn poten vertrapte; DAN 7:20 en wat de tien horens op zijn kop beduidden en de elfde, die opschoot en waarvoor er drie uitvielen; die hoorn had ogen en een mond vol grootspraak en zag er groter uit dan de andere. DAN 7:21 In mijn visioen zag ik dat die hoorn strijd voerde met de heiligen en hen overweldigde, DAN 7:22 totdat de hoogbejaarde kwam en recht verschafte aan de heiligen van de Allerhoogste en de tijd aanbrak dat de heiligen het koningschap in bezit namen. DAN 7:23 'Het vierde beest,' zo vervolgde hij,' is een vierde koninkrijk dat op aarde zal bestaan; het zal van alle andere rijken verschillen; heel de aarde zal het verslinden, vertrappen en verpletteren. DAN 7:24 Die tien horens zijn tien koningen, die uit dat rijk zullen voortkomen en na hen komt er nog een elfde, die van de vorigen zal verschillen en drie koningen ten val zal brengen. DAN 7:25 Hij zal zich tegen de Allerhoogste richten, de heiligen van de Allerhoogste mishandelen en zich vermeten feesttijden en wet te veranderen. Ze zullen aan zijn macht zijn overgeleverd voor een tijd, tijden en een halve tijd. DAN 7:26 Het gerechtshof zal plaats nemen en men zal hem de heerschappij ontnemen en hem voorgoed te gronde richten en vernietigen. DAN 7:27 Dan zal het koningschap, de heerschappij en de luister van al de rijken onder de hemel gegeven worden aan het volk van de heiligen van de Allerhoogste. Zijn koningschap is een eeuwig koningschap en alle machten zullen hem dienen en gehoorzamen.' DAN 7:28 Dit is het einde van Daniëls bericht. Wat mij, Daniël betreft: mijn gedachten verontrustten mij zeer, zodat mijn gelaatskleur verschoot; de herinnering aan de openbaring bewaarde ik in mijn hart. DAN 8:1 Na het visioen dat ik, Daniël, gekregen had in het begin van de regering van koning Belsassar kreeg ik er weer een in zijn derde regeringsjaar. DAN 8:2 In dat visioen zag ik mezelf in de vesting Susan in de provincie Elam aan het Ulai kanaal staan. DAN 8:3 Ik sloeg mijn ogen op en zag een ram voor het kanaal staan. Het dier had twee horens; beide waren groot, maar de ene was groter dan de andere. De grootste schoot het laatst op. DAN 8:4 Ik zag de ram naar het westen, het noorden en het zuiden stoten; geen enkel dier kon tegen hem standhouden en er was niemand die het uit de macht van de ram bevrijdde. De ram deed wat hij wilde en groeide in macht. DAN 8:5 Terwijl ik nauwkeurig toekeek, kwam er uit het westen over de uitgestrekte aarde een geitebok aan zonder de aarde te raken. De bok had een opvallende hoorn boven zijn ogen. DAN 8:6 Hij ging op de ram met de twee horens af, die ik voor het kanaal had zien staan. Met onstuimige kracht stormde hij op hem los. DAN 8:7 Ik zag hoe hij, vlak bij de ram gekomen, zich verbitterd op het dier stortte, het stootte en zijn beide horens brak. De ram had niet de kracht om tegen hem stand te houden. De geitebok wierp hem tegen de grond en vertrapte hem zonder dat er iemand was die de ram uit zijn macht bevrijdde. DAN 8:8 De geitebok werd uitermate machtig, maar op het toppunt van zijn macht brak de grote hoorn af. Vier opvallende horens, gericht naar de vier windstreken, kwamen ervoor in de plaats. DAN 8:9 Uit een ervan kwam een nieuwe hoorn voort die klein begon, maar zich geweldig ontwikkelde naar het zuiden, het oosten en het heerlijke land; DAN 8:10 hij groeide tot aan het leger van de hemel en wierp een deel van dat leger en van de sterren ter aarde en vertrapte ze. DAN 8:11 Hij verhief zich zelfs tot aan de aanvoerder van het leger, ontnam hem zijn dagelijks offer en ontwijdde zijn tempel. DAN 8:12 Omwille van het dagelijks offer viel het leger aan zijn misdadig zwaard ten prooi. Hij schafte de wet der waarheid af en slaagde in al wat hij ondernam. DAN 8:13 Toen hoorde ik een heilige antwoord geven aan iemand die gevraagd had: 'Hoelang duurt wat in het visioen gezegd wordt over het dagelijks offer, de misdadige verwoesting en de prijsgave van de tempel; hoelang wordt het leger vertrapt?' DAN 8:14 De heilige zei tot hem: 'Tweeduizend driehonderd avonden en morgens: dan wordt de tempel in ere hersteld.' DAN 8:15 Toen ik, Daniël, het visioen gezien had, en trachtte het te verstaan, stond er iemand voor mij die eruit zag als een man, DAN 8:16 en ik hoorde een menselijke stem over de Ulai roepen: 'Gabriël, geef hem de verklaring van het visioen'. DAN 8:17 Daarop kwam hij naar mij toe. Maar terwijl hij naderde, werd ik door zo'n vrees aangegrepen, dat ik ter aarde viel. Hij zei tot mij: 'Let goed op, mensenkind, want het visioen heeft betrekking op de eindtijd.' DAN 8:18 Terwijl hij dit zei, lag ik bewusteloos op de grond. Hij raakte mij aan en richtte mij weer op. DAN 8:19 Daarop zei hij: 'Ik ga u bekend maken wat er gebeuren zal als de tijd van de gramschap ten einde loopt. Want het gaat over de eindtijd. DAN 8:20 De ram met de twee horens, die u gezien hebt, stelt de koningen van Medië en Perzië voor. DAN 8:21 De bok, de geitebok stelt de koningen van Griekenland voor; de grote hoorn boven zijn ogen is de eerste koning. DAN 8:22 En dat die hoorn afbrak en vier ervoor in de plaats kwamen betekent dat er uit dat volk vier rijken zullen ontstaan, maar minder in macht. DAN 8:23 Als hun heerschappij ten einde loopt en de misdadigers de maat hebben volgemaakt, dan zal er een koning opstaan met een onbeschaamd gelaat en bedreven in listen. DAN 8:24 Hij zal geweldig machtig zijn, maar niet zoals de eerste koning. Ongelooflijk groot kwaad zal hij stichten en hij zal slagen in al wat hij onderneemt. Machtigen zal hij te gronde richten als ook het volk van de heiligen. DAN 8:25 Door sluwheid en bedrog slaagt hij in zijn opzet en groeit hij in eigenwaan. Onverhoeds richt hij velen te gronde, zelfs tegen de Vorst der vorsten komt hij in opstand, maar dan wordt hij verpletterd zonder dat er een hand aan te pas komt. DAN 8:26 Wat verder in het visioen gezegd is over het aantal avonden en morgens is waar. Maar u moet het visioen geheim houden, want het heeft betrekking op tijden die nog veraf zijn.' DAN 8:27 Ik, Daniël, was zo uitgeput dat ik me dagen lang ongesteld voelde. Toen ik weer kon opstaan, hervatte ik mijn werk in dienst van de koning, maar de verbijsterde indruk die het visioen op mij gemaakt had bleef me bij, ofschoon niemand het merkte. DAN 9:1 In het eerste jaar van de regering van Darius, de zoon van Ahasveros, die van afkomst een Mediër was en tot koning was aangesteld over het rijk van de Chaldeeën, DAN 9:2 in zijn eerste regeringsjaar viel bij het lezen van de Boeken mijn aandacht op het getal van zeventig jaren, de tijd dat naar het woord van Jahwe aan de profeet Jeremia, Jeruzalem in puin zou liggen. DAN 9:3 En ik, Daniël, wendde mij tot God de Heer om door bidden en smeken en door vasten in zak en as van Hem inzicht te verkrijgen. DAN 9:4 Ik bad als volgt tot Jahwe, mijn God, en legde deze schuldbekentenis af: 'Ach Heer, grote en geduchte God, die het verbond gestand doet en vol erbarmen zijt voor hen die U liefhebben en uw geboden volbrengen; DAN 9:5 Wij hebben gezondigd en kwaad gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld en zijn weerspannig geweest, wij zijn afgeweken van uw geboden en wetten; DAN 9:6 Wij hebben niet geluisterd naar uw dienaren, de profeten, die in uw naam gesproken hebben tot onze koningen, hoogwaardigheidsbekleders, familiehoofden en tot heel de gezeten bevolking van het land. DAN 9:7 Heer, Gij staat in uw recht, maar wij hebben reden om ons te schamen en we staan nu ook beschaamd, wij, de mannen van Juda, de inwoners van Jeruzalem en heel Israël, zowel degenen die dichtbij als die veraf wonen in de landen waarheen Gij hen verstoten hebt, omdat zij U ontrouw geworden zijn. DAN 9:8 Heer, wij moeten ons schamen, wij, onze koningen, onze hoogwaardigheidsbekleders en onze familiehoofden, omdat wij tegen U gezondigd hebben. DAN 9:9 Moge de Heer onze God barmhartig zijn en vergevingsgezind, want wij zijn weerspannig geweest tegen Hem, DAN 9:10 en we hebben niet geluisterd naar de Heer onze God en niet geleefd naar de geboden die Hij ons door zijn dienaren, de profeten, gegeven heeft. DAN 9:11 Heel Israël heeft uw wet overtreden en zich van U afgekeerd door niet te luisteren naar uw woord. Daarom, omdat wij gezondigd hebben tegen Hem, zijn de vervloekingen en verwensingen die in de wet van Mozes staan aan ons in vervulling gegaan. DAN 9:12 Hij heeft de straf waarmee Hij ons en degenen die ons bestuurden bedreigd heeft, voltrokken en zo grote rampspoed over ons en over Jeruzalem gebracht als er onder de hele hemel nog nooit is voorgekomen. DAN 9:13 Maar in de wet van Mozes stond al deze rampspoed, die ons is overkomen, reeds beschreven. En toch hebben wij niet getracht Jahwe, onze God, te vermurwen door ons van onze boosheid te bekeren en door uw wet te betrachten. DAN 9:14 Maar dit is Jahwe niet ontgaan en Hij heeft dit onheil over ons gebracht. Waarlijk! rechtvaardig is Jahwe, onze God, in al wat Hij doet: wij hebben niet naar Hem geluisterd. DAN 9:15 Heer onze God, die met krachtige hand uw volk uit Egypte geleid hebt en U zo roem verworven hebt tot op de dag van vandaag; wij erkennen dat wij gezondigd en misdaan hebben. DAN 9:16 Maar laat toch omwille van al uw weldaden, Heer, uw hevige toorn tegen uw stad Jeruzalem, uw heilige berg, bedaren: want vanwege onze zonden en vanwege de boosheid van onze voorvaderen drijven al onze buren de spot met Jeruzalem en met uw volk. DAN 9:17 Luister dan, onze God, naar het bidden en smeken van uw dienaar en laat omwille van Uzelf de glans van uw gelaat weer stralen over uw tempel, die verwoest is. DAN 9:18 Mijn God, neig uw oor en luister! Open uw ogen en zie neer op de puinen van de stad die naar U genoemd is. Niet op grond van onze verdiensten richten we onze smeekbeden tot U, maar op grond van uw grote barmhartigheid. DAN 9:19 Heer, luister toch! Heer, vergeef toch! Heer, zie toch naar ons om! Toef niet langer en grijp in, omwille van Uzelf, Heer, want de stad en het volk dragen uw naam.' DAN 9:20 Zo bad ik geruime tijd en beleed ik mijn zonden en die van mijn volk Israël en richtte ik mijn smeekbeden tot Jahwe, mijn God, voor zijn heilige berg. DAN 9:21 Nog was ik aan het bidden, toen Gabriël, de man die ik vroeger in een visioen had gezien, naar mij kwam toevliegen. Het was de tijd van het avondoffer. DAN 9:22 Hij sprak met mij en gaf mij inzicht. Hij zei: 'Daniël, deze keer ben ik uitgegaan om je te onderrichten. DAN 9:23 Reeds bij het begin van je gebed is er een woord gesproken en ik ben gekomen om het mee te delen. Waarlijk! Je bent een bevoorrecht man. Neem het woord dus in je op en tracht de openbaring te begrijpen. DAN 9:24 Voor je volk en voor je heilige stad is een duur van zeventig weken vastgesteld om aan de misdaad een eind te maken, om de zonde te doen verdwijnen en om de ongerechtigheid uit te boeten, om eeuwige gerechtigheid te brengen, om het zegel te drukken op de openbaringen van de profeten en om het hoogheilige te zalven. DAN 9:25 Prent dit goed in je hoofd: Vanaf het ogenblik waarop het woord gesproken werd over de terugkeer uit de ballingschap en de herbouw van Jeruzalem tot aan het optreden van de gezalfde vorst zullen er zeven weken verlopen; eenmaal herbouwd met pleinen en wallen zal de stad tweeënzestig weken lang zo blijven. Maar in de benarde tijd DAN 9:26 na die tweeënzestig weken zal een gezalfde gedood worden zonder dat iemand hem opvolgt. De stad en de tempel zullen verwoest worden door het leger van een vorst, die komt en zijn einde zal vinden in een vloed van rampspoed. Maar tot aan het einde zal er volgens het besluit een verwoestende oorlog woeden. DAN 9:27 Met velen zal die vorst een vast verbond aangaan gedurende een week. Op de helft van die week zal hij een einde maken aan de slacht- en spijsoffers en op de vleugel van de tempel de gruwel der verwoesting plaatsen totdat de vernietiging, waartoe besloten is, zich aan de vernieler voltrekt.' DAN 10:1 In het derde regeringsjaar van Kores, de koning van Perzië, kreeg Daniël, die Beltesassar genoemd wordt, een openbaring. Deze openbaring was betrouwbaar, maar moeilijk te verstaan. Hij schonk er al zijn aandacht aan en zo werd hem door een visioen inzicht verleend. DAN 10:2 In die tijd rouwde ik, Daniël, drie weken lang; DAN 10:3 ik at geen smakelijke spijzen, vlees en wijn raakte ik niet aan en ik zalfde mij niet voordat die drie weken verlopen waren. DAN 10:4 Op de vierentwintigste dag van de eerste maand bevond ik mij aan de oever van de grote rivier, de Tigris. DAN 10:5 Toen ik mijn ogen opsloeg zag ik een man staan, in linnen gekleed en met een gordel van het fijnste goud om de lenden. DAN 10:6 Zijn lichaam leek op topaas en zijn gelaat lichtte als de bliksem; zijn ogen waren vurige fakkels, zijn armen en benen glansden als gepolijst brons en zijn stem was zo luid als het geschreeuw van een menigte. DAN 10:7 Alleen ik, Daniël, zag die verschijning; de mannen die bij me waren zagen ze niet, maar wel overviel hen een hevige angst; ze namen de vlucht en verborgen zich. DAN 10:8 Zo bleef ik alleen achter. Door het zien van deze grootse verschijning voelde ik mijn krachten wegzinken; mijn gelaatskleur verbleekte en ik was tot niets meer in staat. DAN 10:9 Ik hoorde hem spreken, maar terwijl ik probeerde naar hem te luisteren, verloor ik het bewustzijn en viel ter aarde. DAN 10:10 Daarop raakte een hand mij aan en ik sidderde ervan, terwijl ik mij op mijn knieën en handen oprichtte. DAN 10:11 Toen zei de man tot mij: 'Daniël, bevoorrechte man, let op de woorden die ik je ga zeggen en ga rechtop staan, want nu heb ik een boodschap voor je.' Op zijn woord stond ik bevend op. DAN 10:12 Hij vervolgde: 'Vrees niet, Daniël, want van de eerste dag af dat jij je voorgenomen had om je voor God te vernederen en zo inzicht te verkrijgen, is je gebed verhoord en heb ik mij op weg begeven om aan jouw verzoek te voldoen. DAN 10:13 Maar de vorst van het koninkrijk Perzië heeft mij eenentwintig dagen tegengehouden tot Michaël, een van de voornaamste vorsten, mij te hulp kwam. Toen was ik daar, bij de koningen van Perzië niet meer nodig DAN 10:14 en kon ik naar je toe komen om je mee te delen wat er met jouw volk in de verre toekomst zal gebeuren. Want ook dit visioen betreft de toekomst.' DAN 10:15 Terwijl hij dat zei, stond ik sprakeloos naar de grond te staren, DAN 10:16 totdat iemand die op een mens geleek mijn lippen aanraakte. Toen kon ik mijn mond weer opendoen en spreken. Ik zei tot degene die voor mij stond: 'Heer, door dit visioen hebben angsten mij aangegrepen en zijn mijn krachten geweken. DAN 10:17 Hoe zou ik dan, ik die slechts de knecht van u, mijn heer, ben, kunnen spreken met u, mijn heer! Ik heb geen kracht meer en kan nauwelijks ademhalen.' DAN 10:18 Opnieuw raakte degene die op een mens geleek mij aan en gaf mij kracht. DAN 10:19 En hij zei: 'Vrees niet, bevoorrechte man! Ik wens je heil toe. Wees sterk! Wees sterk!' En terwijl hij dat zei, voelde ik mijn krachten herleven en ik zei: 'Spreek, heer, want u hebt mij gesterkt.' DAN 10:20 Toen vroeg hij mij: 'Weet je waarom ik naar je toe gekomen ben? Aanstonds moet ik terug om de strijd met de vorst van Perzië te hervatten; en als ik daarmee klaar ben, dan komt de vorst van Griekenland aan de beurt. DAN 10:21 Maar eerst zal ik je meedelen wat geschreven staat in het boek van de waarheid. In mijn strijd tegen deze vorsten helpt niemand mij behalve je vorst Michaël. DAN 11:1 In het eerste regeringsjaar van Darius, de Mediër, heb ik hem geholpen en gesteund. DAN 11:2 Nu ga ik je de waarheid meedelen. Nog drie koningen zullen over Perzië regeren; dan komt de vierde, die alle anderen door rijkdom zal overtreffen. Daar hij zich sterk voelt door zijn rijkdom, zal hij alles in beweging brengen tegen het koninkrijk Griekenland. DAN 11:3 Maar dan zal er een heldenkoning verschijnen, wiens heerschappij zich ver zal uitstrekken en die doet wat hij wil. DAN 11:4 Nauwelijks heeft hij de macht in handen, of zijn rijk wordt in stukken gebroken en naar de vier windstreken verdeeld. Het komt niet aan zijn nakomelingen en zal ook niet de macht vertegenwoordigen die hij bezat, want zijn rijk wordt uiteengescheurd en aan anderen gegeven. DAN 11:5 Hoewel de koning van het Zuiden machtig zal zijn, zal toch een van zijn veldheren hem overvleugelen: hij zal heersen en zijn heerschappij zal zich ver uitstrekken. DAN 11:6 Na verloop van jaren zullen ze een verbond sluiten en de dochter van de koning van het Zuiden zal naar de koning van het Noorden gaan om de vrede te bevestigen. Maar zij zal haar invloed niet behouden. Daar ook zijn gezag geen stand houdt, wordt zij omgebracht: ook degenen die haar naar het Noorden gebracht hebben, haar vader en haar gemaal, komen in die tijd om het leven. DAN 11:7 In de plaats van haar vader komt een spruit uit haar wortels. Die rukt op tegen het leger van de koning van het Noorden, trekt diens vesting binnen en doet hem zijn macht voelen. DAN 11:8 Zelfs hun eigen goden en beelden, hun kostbare voorwerpen van zilver en goud, zal hij als buit naar Egypte voeren. Als hij dan jaren lang de koning van het Noorden met rust heeft gelaten, DAN 11:9 valt deze het rijk van de koning van het Zuiden binnen. Maar hij zal onverrichter zake terugkeren. DAN 11:10 Dan rust zijn zoon zich uit voor de strijd en brengt een grote legermacht op de been; hij valt binnen en trekt met zijn leger als een stroom door het land. Weer maakt hij zich op en dringt door tot de vesting van de koning van het Zuiden. DAN 11:11 Verbitterd rukt deze dan uit om de strijd aan te binden met de koning van het Noorden. Hoewel die een groot leger in het veld brengt, zal dat toch de koning van het Zuiden in handen vallen DAN 11:12 en worden weggevaagd. Die zal dan trots worden, maar al velt hij ook tienduizenden neer, zijn macht houdt geen stand. DAN 11:13 De koning van het Noorden zal opnieuw een leger uitrusten, groter dan het eerste, en na verloop van enige jaren met een machtig leger en een geweldige tros tegen hem optrekken. DAN 11:14 In die tijd zullen velen in opstand komen tegen de koning van het Zuiden; ook in uw eigen volk zullen misdadigers de kop opsteken en zo een voorspelling doen uitkomen; maar ze komen ten val. DAN 11:15 De koning van het Noorden zal binnenvallen, een wal opwerpen en een vesting innemen. De strijdkrachten van het Zuiden zullen geen stand houden, zelfs zijn keurtroepen zullen niet sterk genoeg zijn om weerstand te bieden. DAN 11:16 De aanvaller zal doen wat hij wil, daar niemand hem kan tegenhouden. Zo zal hij, verwoestingen aanrichtend, vaste voet krijgen in het heerlijke land. DAN 11:17 Zijn streven is erop gericht het hele rijk van de koning van het Zuiden in zijn macht te krijgen. Daartoe zal hij een vergelijk met hem treffen en hem een vrouw geven om zijn rijk te gronde te richten. Maar hij zal niet in zijn opzet slagen en zijn plan mislukt. DAN 11:18 Dan zal hij zijn blikken richten op de kustlanden en er vele veroveren, maar een veldheer zal aan zijn honend optreden een einde maken zonder dat hij die geleden smaad kan wreken. DAN 11:19 Tenslotte zal hij zich keren tegen de vestingen in zijn eigen land, maar hij zal struikelen, vallen en verdwijnen. DAN 11:20 In zijn plaats zal iemand opstaan, die een afperser naar de glorie van het koninkrijk zal zenden, maar na enkele dagen zal hij worden gebroken, evenwel niet door toorn of oorlog. DAN 11:21 Hij zal worden opgevolgd door een verachtelijk persoon. De majesteit van het koningschap was hem niet verleend, maar door zijn onverwachte komst en zijn slinkse streken zal hij zich van de koninklijke macht meester maken. DAN 11:22 Hele legers zullen voor hem worden weggespoeld en gebroken, ook een vorst van het verbond laat hij verdwijnen. DAN 11:23 Nauwelijks heeft men zich bij hem aangesloten of hij pleegt bedrog; zo weet hij omhoog te komen en machtig te worden met behulp van een klein deel van het volk. DAN 11:24 Onverhoeds valt hij de vruchtbaarste streken van het land binnen en doet wat zijn vaderen en voorvaderen nooit gedaan hebben; de rijkdommen die hij er rooft en buit maakt deelt hij kwistig onder zijn aanhangers uit; zelfs tegen vestingen zal hij aanslagen beramen, doch slechts voor een tijd. DAN 11:25 Dan richt hij zijn kracht en zijn aandacht op de koning van het Zuiden, tegen wie hij met een groot leger oprukt. Ook de koning van het Zuiden rust zich ten strijde, maar ondanks zijn uitermate groot en sterk leger, kan hij geen stand houden, omdat men een samenzwering tegen hem smeedt: DAN 11:26 zijn eigen disgenoten bewerken zijn ondergang; zijn leger wordt weggespoeld en er vallen veel doden. DAN 11:27 Hoewel beide koningen aan dezelfde tafel plaats nemen, voeren ze jegens elkaar kwaad in het schild en trachten ze elkaar te misleiden, maar zonder resultaat, want het einde komt pas op de vastgestelde tijd. DAN 11:28 Met grote rijkdommen keert de koning van het Noorden naar zijn land terug. Maar voor hij terugkeert voert hij de boze plannen uit die hij koestert tegen het heilig verbondsvolk. DAN 11:29 Te bestemder tijd valt hij opnieuw het Zuiden binnen, maar de tweede keer zal het niet gaan als de eerste. DAN 11:30 Want de schepen der Kittiërs zullen tegen hem uitvaren, zodat hij ontmoedigd moet terugkeren. Dan koelt hij zijn woede aan het heilig verbondsvolk, maar opnieuw bevoordeelt hij degenen die het heilig verbond verzaken. DAN 11:31 Door hem gezonden troepen zullen de tempelburcht ontwijden, een einde maken aan het dagelijks offer en de huiveringwekkende gruwel oprichten. DAN 11:32 Degenen die het verbond slecht onderhouden brengt hij door vleierijen tot afval, maar het volk, dat zijn God kent, is sterk en weerstaat. DAN 11:33 De wijzen onder het volk trachten de massa tot inzicht te brengen en daarom worden er een tijdlang wijzen ten val gebracht door zwaard en vuur, door kerker en roof. DAN 11:34 Maar wanneer zij ten val worden gebracht, wordt er in geringe mate hulp geboden en dan zullen velen huichelen zich bij hen aan te sluiten. DAN 11:35 Sommigen van de wijzen worden ten val gebracht opdat ze gelouterd, gezift en gezuiverd worden, tot de eindtijd komt, want die blijft nog een poos uit. DAN 11:36 De koning zal doen wat hij wil; in zijn hoogmoed zal hij zich verheffen boven welke god ook en tegen de God der goden zal hij ongehoorde dingen zeggen. Toch zal hij voorspoed genieten, totdat de toorn ten top gestegen is: dan wordt uitgevoerd wat besloten is. DAN 11:37 Zelfs voor de goden van zijn voorvaderen en de lievelingsgod van de vrouwen heeft hij geen achting; geen enkele god ontziet hij, maar boven allen zal hij zich verheffen, DAN 11:38 en zich vereenzelvigen met de god van de burchten, die hij vereert; een god die zijn voorvaderen niet gekend hebben, zal hij eren met goud en zilver, edelstenen en kostbaarheden. DAN 11:39 Met de vreemde god sticht hij sterke steden: wie deze god erkennen overlaadt hij met eer, doet ze over velen heersen en wijst hun grond toe als beloning. DAN 11:40 Maar in de eindtijd zal de koning van het Zuiden met hem in botsing komen. De koning van het Noorden zal op hem aanstormen met wagens, ruiters en veel schepen. Dan zal hij landen binnenvallen en op zijn doortocht ze verpletteren. DAN 11:41 Ook het heerlijke land zal hij binnendringen en tienduizenden zullen vallen; maar Edom, Moab en de kern van de Ammonieten zullen aan zijn greep ontkomen. DAN 11:42 Dan strekt hij zijn hand uit naar de landen, en Egypte zal er niet aan ontkomen; DAN 11:43 hij zal zich meester maken van de schatten aan goud, zilver en allerlei kostbaarheden van Egypte. Ook Libiërs en Ethiopiërs voert hij mee in zijn stoet. DAN 11:44 Maar dan zullen geruchten uit het Oosten en het Noorden hem alarmeren en hevig vertoornd rukt hij weer uit om velen te verdelgen en te vernietigen; DAN 11:45 hij zal zijn staatsietenten opslaan tussen de zee en de heilige heerlijke berg. Dan komt hij aan zijn einde zonder dat iemand hem bijstaat. DAN 12:1 In die tijd zal de grote vorst Michaël opstaan om de kinderen van je volk te beschermen. Want het zal een tijd van nood zijn, zoals er eerder nog geen is geweest zolang er volken zijn. Maar al degenen van je volk, die in het boek staan opgetekend, zullen in die tijd worden gered. DAN 12:2 En velen van hen die slapen in het land van het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om de smaad van een eeuwige schande te ondervinden. DAN 12:3 Dan zullen de wijzen stralen als de glans van het uitspansel en degenen die de mensen tot gerechtigheid hebben gebracht zullen schitteren als de sterren voor eeuwig en immer. DAN 12:4 Daniël, u moet deze dingen geheim houden en het boek verzegelen tot de eindtijd; velen zullen ronddolen en het kwaad zal toenemen.' DAN 12:5 Toen werd ik, Daniël, twee andere personen gewaar; de een stond aan deze oever van de rivier en de ander aan de overkant. DAN 12:6 Een van hen riep tot de man in het linnen gewaad, die zich boven het water van de rivier bevond: 'Hoelang nog laat dat wondere einde op zich wachten?' DAN 12:7 Toen hief de man in het linnen gewaad, die zich boven het water van de rivier bevond, zijn rechter- en linkerhand naar de hemel en ik hoorde hem zweren bij Hem die eeuwig leeft: 'Een tijd, tijden en een halve tijd; zodra men een eind maakt aan de verbrijzeling van de kracht van het heilige volk, zullen al deze dingen hun voltooiing vinden.' DAN 12:8 Ik hoorde het wel, maar begreep het niet; daarom vroeg ik: 'Heer, waarmee eindigen deze dingen?' DAN 12:9 Daarop antwoordde hij: 'Ga, Daniël, want deze dingen blijven geheim en verzegeld tot aan de eindtijd. DAN 12:10 Velen zullen gezift, gezuiverd en gelouterd worden, maar de kwaden zullen kwaad blijven doen; doch terwijl de kwaden er niets van zullen begrijpen, zullen de wijzen inzicht krijgen. DAN 12:11 Vanaf het ogenblik dat het dagelijks offer gestaakt wordt en de huiveringwekkende gruwel wordt opgericht zullen er twaalfhonderd negentig dagen verlopen. DAN 12:12 Gelukkig wie volhardt en dertienhonderd vijfendertig dagen bereikt! DAN 12:13 En jij, ga het einde tegemoet, je zult je te ruste leggen om weer op te staan tot uw bescherming aan het einde der dagen.' DAN 13:1 Lang geleden woonde er in Babel een man die Joakim heette. DAN 13:2 Zijn vrouw was Susanna, de dochter van Chelkia; zij was buitengewoon mooi en vroom. DAN 13:3 Omdat haar ouders rechtschapen mensen waren hadden ze hun dochter volgens de wet van Mozes opgevoed. DAN 13:4 Joakim was zeer rijk en bezat een park, dat bij zijn huis lag; bij hem kwamen de joden samen, omdat hij de aanzienlijkste man onder hen was. DAN 13:5 Nu waren er dat jaar twee oudsten uit het volk tot rechters aangesteld; van hen gold wat de Heer gezegd heeft: 'De goddeloosheid is in Babel begonnen, bij de oudsten, die rechters waren en voorgaven het volk te besturen.' DAN 13:6 Ze waren voortdurend in het huis van Joakim, waar ieder die rechtszaken had zich tot hen wendde. DAN 13:7 Als het volk tegen de middag vertrokken was, ging Susanna wandelen in het park van haar man. DAN 13:8 De twee oudsten sloegen haar dagelijks gade, als zij zich ging verpozen, en een hartstochtelijke begeerte naar haar kwam in hen op. DAN 13:9 Zij smoorden de stem van hun geweten, wendden hun ogen af van de hemel en dachten niet aan de dreiging van de rechtvaardige straffen. DAN 13:10 Hoewel beiden door hartstocht gepijnigd werden, zeiden ze elkaar toch niets van hun smart; DAN 13:11 ze schaamden zich ervoor te bekennen dat zij door hartstocht gegrepen waren en met haar samen wilden zijn. DAN 13:12 Dagelijks zochten ze ijverig naar een gelegenheid om haar te ontmoeten. DAN 13:13 Op een dag zei de een tot de ander: 'Laten we maar naar huis gaan, want het is etenstijd.' Ze namen afscheid en gingen uiteen. DAN 13:14 Maar langs een omweg troffen ze elkaar op dezelfde plaats. Toen ze elkaar naar de reden vroegen, bekenden ze dat ze door hartstocht gedreven werden. Ze bespraken samen de tijd, waarop ze haar alleen konden treffen. DAN 13:15 Terwijl zij naar een geschikte dag uitzagen, ging Susanna, vergezeld van twee dienstmeisjes, volgens haar gewoonte weer eens het park in. En omdat het warm was, wilde zij er een bad nemen. DAN 13:16 Er was niemand behalve de twee oudsten, die zich hadden verscholen en haar begluurden. DAN 13:17 Susanna zei dus tot de dienstmeisjes: 'Ga olie en balsem halen en sluit de poort van het park, dan ga ik een bad nemen.' DAN 13:18 Ze deden wat ze gevraagd had; ze sloten de poort van het park en gingen door een zijingang weg om het gevraagde te halen zonder de oudsten te zien, die zich verscholen hielden. DAN 13:19 Zodra de dienstmeisjes vertrokken waren, kwamen de twee oudsten te voorschijn en liepen op haar toe DAN 13:20 en zeiden: 'Susanna, de poort van het park is gesloten en er is niemand die ons ziet; we branden van begeerte naar je! Wees ons daarom terwille en heb gemeenschap met ons, DAN 13:21 anders zullen we tegen jou getuigen, dat er een jongeman bij je was en dat je daarom de dienstmeisjes had weggestuurd.' DAN 13:22 Susanna zuchtte diep en sprak: 'Van alle kanten word ik bedreigd: want doe ik het, dan wacht mij de dood; doe ik het niet, dan zal ik uw hand niet ontkomen. DAN 13:23 Maar liever val ik onschuldig in uw handen dan te zondigen tegen de Heer.' DAN 13:24 Daarop begon Susanna luid te roepen, maar de twee oudsten schreeuwden tegen haar in DAN 13:25 en een van hen liep naar de poort van het park en opende die. DAN 13:26 Toen degenen die in huis waren het geschreeuw in het park hoorden, kwamen ze door de zijingang toegesneld om te zien wat Susanna overkomen was. DAN 13:27 Toen de oudsten hun verhaal deden, geraakten de bedienden in grote verlegenheid, want nog nooit was zoiets van Susanna verteld. DAN 13:28 Toen het volk de volgende dag weer bij haar man Joakim samenkwam, gingen de oudsten ertoe over om hun goddeloos plan uit te voeren en Susanna ter dood te brengen. Voor het verzamelde volk bevalen ze: DAN 13:29 'Laat Susanna halen, de dochter van Chelkia, de vrouw van Joakim.' Men liet haar halen. DAN 13:30 Zij verscheen, vergezeld van haar ouders, haar kinderen en al haar verwanten. DAN 13:31 Susanna was een buitengewoon bevallige en mooie vrouw. DAN 13:32 De booswichten gaven daarom bevel de sluier waarmee haar gelaat bedekt was af te nemen, om zich aan haar schoonheid te kunnen verlustigen. DAN 13:33 Maar haar verwanten en allen die haar zagen weenden. DAN 13:34 Terwijl de twee oudsten voor het volk gingen staan en hun handen op haar hoofd legden, DAN 13:35 blikte Susanna schreiend op naar de hemel, want in haar hart bleef zij vertrouwen op de Heer. DAN 13:36 Toen verklaarden de oudsten: 'Terwijl we alleen in het park wandelden, kwam zij met twee dienstmeisjes naar binnen, sloot de poort en stuurde de meisjes weg. DAN 13:37 Daarop kwam er een jongeman naar haar toe, die zich schuil had gehouden, en ging bij haar liggen. DAN 13:38 Toen we vanuit een hoek van het park het misdrijf bemerkten, snelden we naar haar toe DAN 13:39 en zagen dat ze met elkaar gemeenschap hadden. Hem konden we niet te pakken krijgen, omdat hij sterker was dan wij, de poort opende en zich uit de voeten maakte; DAN 13:40 maar haar grepen we en we vroegen haar, wie die jongeman was, DAN 13:41 maar ze wilde het ons niet zeggen. Dat getuigen wij.' De vergadering geloofde hen, gezien zij oudsten van het volk waren en rechters, en veroordeelde Susanna ter dood. DAN 13:42 Toen riep Susanna met luide stem: 'Eeuwige God, die het verborgene kent en alles reeds weet, voordat het gebeurt, DAN 13:43 Gij weet dat ze een vals getuigenis tegen mij hebben afgelegd; en ofschoon ik niet gedaan heb hetgeen ze mij boosaardig ten laste leggen, moet ik toch sterven.' DAN 13:44 De Heer verhoorde haar gebed. DAN 13:45 Terwijl zij werd weggeleid om gedood te worden, gaf God een jongeman, Daniël geheten, een heilig besluit in. DAN 13:46 Deze jongeman riep met luider stem: 'Ik ben onschuldig aan haar bloed!' DAN 13:47 Waarop het volk zich naar hem toekeerde en vroeg: 'Wat bedoel je daarmee?' DAN 13:48 Hij ging in hun midden staan en zei: 'Zijn jullie niet goed wijs, zonen van Israël? Veroordelen jullie een dochter van Israël zonder nader onderzoek en kennis van zaken? DAN 13:49 Ga terug naar de rechtszaal, want dezen hier hebben een vals getuigenis tegen haar afgelegd.' DAN 13:50 Daarop ging al het volk haastig naar de rechtszaal terug. Daar zeiden de oudsten tot Daniël: 'Neem plaats in ons midden en deel ons je bedoelingen mee, want God heeft je het gezag van de ouderdom verleend.' DAN 13:51 Toen zei Daniël tot hen: 'Zonder ze van elkaar af, dan zal ik ze aan een verhoor onderwerpen.' DAN 13:52 Ze werden dus van elkaar gescheiden. Daniël riep vervolgens een van de twee oudsten bij zich en zei: 'Je bent in boosheid vergrijsd, maar nu krijg je de straf voor de zonden die je bedreven hebt, DAN 13:53 door onrechtvaardige vonnissen te vellen: onschuldigen heb je veroordeeld en schuldigen vrijgesproken in strijd met het gebod van de Heer: Breng iemand die onschuldig is en in zijn recht staat niet ter dood. DAN 13:54 Welnu, als je haar op heterdaad betrapt hebt, zeg dan onder wat voor een boom heb je ze samen gezien?' Hij antwoordde: 'Onder een mastiekboom.' DAN 13:55 Daniël hernam: 'Die prachtige leugen kost je je kop! Want Gods engel heeft van God al bevel gekregen je in tweeën te splijten.' DAN 13:56 Nadat Daniël deze had laten wegleiden, liet hij de ander voorkomen en zei tot hem: 'Je bent een afstammeling van Kanaän en niet van Juda! De schoonheid heeft je verleid en de hartstocht heeft je hoofd op hol gebracht. DAN 13:57 Zo handelen jullie met de dochters van Israël en uit vrees waren die jullie ter wille, maar een dochter van Juda heeft zich niet willen schikken naar jullie boosheid. DAN 13:58 Welnu: onder wat voor een boom heb je ze samen gezien?' Hij antwoordde: 'Onder een steeneik.' DAN 13:59 Daniël hernam: 'Ook jij hebt door die prachtige leugen je kop verspeeld! Want Gods engel staat reeds klaar om je met het zwaard doormidden te houwen en jullie beiden te verdelgen.' DAN 13:60 Hierop barstte heel de vergadering los in luid gejuich en men loofde God, die redt wie op Hem vertrouwt. DAN 13:61 En nu Daniël met hun eigen woorden bewezen had dat de twee oudsten een vals getuigenis hadden afgelegd, keerde het volk zich tegen hen en overeenkomstig de wet van Mozes voltrokken ze aan de oudsten de straf die zij in hun boosheid hun naaste hadden toegedacht: DAN 13:62 ze werden ter dood gebracht. Zo werd die dag een onschuldige van de dood gered. DAN 13:63 Chelkia en zijn vrouw prezen God om hun dochter Susanna tezamen met Joakim, haar man, en al haar verwanten, omdat zij onberispelijk gebleken was. DAN 13:64 En van die dag af stond Daniël in hoog aanzien bij het volk. DAN 14:1 Toen koning Astyages met zijn voorvaderen verenigd was, volgde de Pers Kores hem als koning op. DAN 14:2 De nieuwe koning behandelde Daniël als zijn vertrouwensman en aan geen van zijn vrienden gaf hij zoveel eerbewijzen als aan hem. DAN 14:3 Nu hadden de Babyloniërs een afgodsbeeld, Bel genaamd, waaraan ze dagelijks twaalf mud fijn tarwemeel, veertig schapen en zes anker wijn gaven. DAN 14:4 Ook de koning vereerde het en ging het iedere dag aanbidden; Daniël daarentegen aanbad zijn eigen God. Daarom vroeg de koning hem eens: 'Waarom aanbid je Bel niet?' DAN 14:5 Hierop antwoordde Daniël: 'Ik vereer geen beelden die door mensenhanden gemaakt zijn, maar wel de levende God, die hemel en aarde geschapen heeft en Heer is van al wat leeft.' DAN 14:6 Toen zei de koning: 'Meen je dan dat Bel geen levende god is? Je ziet toch hoeveel hij dagelijks eet en drinkt!' DAN 14:7 Daniël begon te lachen en zei: 'Laat u niet bedriegen, koning! Dat ding is van binnen van leem en van buiten van brons; nog nooit heeft het iets gegeten of gedronken.' DAN 14:8 Daarop ontstak de koning in toorn, ontbood de priesters van Bel en zei tot hen: 'Als jullie mij niet zeggen wie die gaven opeet, laat ik jullie ter dood brengen; DAN 14:9 als jullie evenwel kunnen bewijzen dat Bel ze opeet, dan zal Daniël sterven, omdat hij tegen Bel heeft gelasterd.' Daniël zei hierop tot de koning: 'Ik stem volkomen daarmee in.' DAN 14:10 De priesters van Bel waren zeventig in aantal, hun vrouwen en kinderen niet meegerekend. Toen de koning met Daniël naar de tempel van Bel kwam, DAN 14:11 zeiden de priesters tot hem: 'Koning, wij gaan de tempel uit; u zet zelf het voedsel klaar, u mengt de wijn en zet die erbij, waarna u de deur sluit en met uw ring verzegelt. DAN 14:12 Morgenvroeg komt u terug; als dan dat alles niet door Bel is opgegeten, zullen wij sterven; is dat wel het geval, dan sterft Daniël, omdat hij ons belasterd heeft.' DAN 14:13 Zij maakten zich echter geen zorgen, omdat ze onder de offertafel een geheime toegang hadden gemaakt, waardoor ze regelmatig naar binnen kwamen om de gaven weg te halen. DAN 14:14 Toen de priesters vertrokken waren en de koning het voedsel voor Bel gereed zette, liet Daniël zijn dienaren as halen en de hele tempelvloer ermee bestrooien; hiervan was alleen de koning getuige. Daarop gingen ze naar buiten, sloten de deur, verzegelden ze met de ring van de koning en gingen heen. DAN 14:15 Maar 's nachts kwamen naar gewoonte de priesters met hun vrouwen en kinderen en aten en dronken alles op. DAN 14:16 De volgende morgen begaf de koning zich met Daniël in de tempel. DAN 14:17 Hij vroeg aan Daniël: 'Zijn de zegels nog ongeschonden, koning.' DAN 14:18 Nauwelijks had de koning de deur geopend en een blik geworpen op de offertafel of hij riep uit: 'Groot zijt gij, Bel; bij u is volstrekt geen sprake van bedrog.' DAN 14:19 Maar Daniël begon te lachen; hij weerhield de koning naar binnen te gaan en zei: 'Kijk eens naar de vloer en let eens op die voetstappen.' DAN 14:20 Toen zei de koning: 'Ik zie voetstappen van mannen, vrouwen en kinderen.' DAN 14:21 In woede ontstoken liet de koning toen de priesters halen met hun vrouwen en kinderen; ze toonden hem de geheime deur waardoor ze naar binnen gingen om hetgeen op de offertafel stond op te eten. DAN 14:22 Daarop liet de koning hen ter dood brengen. Bel leverde hij aan Daniël uit. Die haalde het beeld en de tempel omver. DAN 14:23 De Babyloniërs vereerden ook nog een grote draak. DAN 14:24 De koning sprak Daniël over die draak en zei: 'Van hem kun je niet zeggen dat hij geen levende god is: aanbid hem dus!' DAN 14:25 Daarop antwoordde Daniël: 'De Heer, mijn God, aanbid ik, want Hij is een levende God. DAN 14:26 Geef mij verlof, koning, dan zal ik zonder stok of zwaard de draak doden.' De koning zei: 'Ik geef je verlof.' DAN 14:27 Daniël nam nu pek, vet en haren, bracht dat tezamen aan de kook en maakte er koeken van; die stopte hij de draak in de muil. Het beest vrat ze op en barstte open. Toen zei Daniël: 'Dat hebben jullie vereerd!' DAN 14:28 Toen de Babyloniërs hiervan hoorden, waren ze zeer gebelgd; ze keerden zich tegen de koning en riepen: 'De koning is een jood geworden; Bel heeft hij vernield, de draak gedood en de priesters laten afslachten.' DAN 14:29 Ze gingen naar de koning en eisten: 'Lever ons Daniël uit, anders doden we u en de uwen.' DAN 14:30 Zich ernstig bedreigd ziende, leverde de koning noodgedwongen Daniël aan hen uit. DAN 14:31 Zij wierpen hem in de leeuwekuil, waar hij zes dagen bleef. DAN 14:32 In de kuil zaten zeven leeuwen, die men dagelijks twee lijken en twee schapen gaf; toen gaf men ze echter niets, opdat ze Daniël zouden verslinden. DAN 14:33 In Judea leefde toen de profeet Habakuk. Hij had wat moes gekookt en enige broden in een schotel gebrokkeld en was daarmee op weg naar het veld om het aan de maaiers te brengen. DAN 14:34 Maar een engel van de Heer beval Habakuk: 'Breng het maal dat je daar hebt naar Babel, naar Daniël in de leeuwekuil.' DAN 14:35 Habakuk antwoordde: 'Heer, ik ben nooit in Babel geweest en de kuil is mij onbekend.' DAN 14:36 Toen greep de engel hem bij de kruinharen vast en droeg hem met de snelheid van de geest naar Babel, waar hij hem boven op de kuil plaatste. DAN 14:37 Daar riep Habakuk: 'Daniël! Daniël! neem het maal dat God u zendt.' DAN 14:38 Nu zei Daniël: 'God, Gij hebt werkelijk aan mij gedacht; nog nooit hebt Gij degenen verlaten die U liefhebben.' DAN 14:39 Toen stond Daniël op en at. En Gods engel bracht Habakuk onmiddellijk terug naar de plaats vanwaar hij hem had weggevoerd. DAN 14:40 Op de zevende dag kwam de koning naar de kuil om over Daniël te treuren. Toen hij erin keek en Daniël zag zitten, DAN 14:41 riep hij uit: 'Groot zijt Gij, Heer, de God van Daniël. Buiten U is er geen ander.' DAN 14:42 Hij trok Daniël uit de kuil en liet degenen die zijn ondergang gewild hadden erin werpen. Onmiddellijk werden ze voor zijn ogen verslonden. HOSEA HOS 1:1 Het woord van Jahwe dat gericht is tot Hosea, de zoon van Beeri, gedurende de tijd dat Uzzia, Jotan, Achaz en Hizkia over Juda regeerden en Jerobeam, de zoon van Joas, over Israël. HOS 1:2 Hier beginnen de woorden van Jahwe tot Hosea. Jahwe sprak tot Hosea: 'Gij moet een ontuchtige vrouw huwen en kinderen van ontucht bij haar verwekken, want werkelijk, het land loopt door zijn ontucht van Jahwe weg.' HOS 1:3 Daarop huwde Hosea Gomer, een dochter van Diblaim; zij werd zwanger en baarde hem een zoon. HOS 1:4 Nu sprak Jahwe tot hem: 'Geef hem de naam Jizreel God zal zaaien , want nog maar een korte tijd en Ik wreek het bloedbad van Jizreel op het huis Jehu en Ik maak een einde aan het koningschap in het huis Israël. HOS 1:5 Op die dag zal het gebeuren dat Ik in de vlakte van Jizreel de boog van Israël stukbreek.' HOS 1:6 De vrouw werd opnieuw zwanger en baarde een dochter. Daarop sprak Jahwe tot Hosea: 'Geef haar de naam Lo ruchama Geen erbarmen , want Ik erbarm mij niet langer over het huis Israël: Ik vaag het helemaal weg. HOS 1:7 Over het huis Juda zal Ik mij echter erbarmen en Ik zal het redden, door Jahwe, hun God; Ik zal het niet redden door boog en door zwaard en door oorlog, niet door paarden en door ruiters.' HOS 1:8 Toen de vrouw opgehouden had Lo ruchama te voeden, werd zij zwanger en baarde een zoon. HOS 1:9 Toen sprak Jahwe: 'Geef hem de naam Lo ammi Niet mijn volk , want gij zijt niet langer mijn volk en Ik ben er niet langer voor u.' HOS 2:1 De zonen van Israël zullen talrijk zijn als het land van de zee, dat niet te meten en niet te tellen is; en waar hun eens gezegd werd: Gij zijt niet mijn volk, daar wordt hun nu gezegd: Gij zijt zonen van de levende God. HOS 2:2 Dan herenigen zich de zonen van Juda met de zonen van Israël, dan stellen zij beiden dezelfde man aan het hoofd, dan trekken zij op uit het land, want groot is dan de dag van Jizreel. HOS 2:3 Dan kunt gij weer tot uw broeders zeggen: Ammi mijn volk en tot uw zusters: Ruchama erbarmen . HOS 2:4 Klaagt uw moeder aan, klaagt haar aan, want zij is niet mijn vrouw en Ik ben haar man niet. Laat zij de tekens van de ontucht wegdoen van haar gezicht en de tekens van het overspel wegdoen tussen haar borsten. HOS 2:5 Anders kleed Ik haar helemaal uit, zet Ik haar moedernaakt neer, maak Ik van haar een woestijn, verander Ik haar in een uitgedroogd land en laat Ik haar sterven van dorst. HOS 2:6 En ook met haar kinderen geen erbarmen! Het zijn kinderen van ontucht! HOS 2:7 Hun moeder immers heeft ontucht bedreven en zij die zwanger van hen is geweest heeft zich schandelijk misdragen. Haar leus was: ik ga mijn minnaars achterna: die bezorgen mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank! HOS 2:8 Daarom ga Ik, Jahwe, met dorens uw weg versperren; met een muur ga Ik haar insluiten, zodat ze niet meer op pad kan. HOS 2:9 Als zij haar minnaars achterna wil, zal zij hen niet bereiken; als ze hen zoekt, zal ze hen niet vinden. Dan zal ze zegen: Ik wil terug naar mijn eerste man, want toen had ik het beter dan nu. HOS 2:10 Zij wil maar niet weten, dat Ik het ben die haar koren bezorg en most en olie, dat Ik haar verrijk met het zilver en het goud waar ze Baäls van maken. HOS 2:11 Daarom neem Ik mijn koren terug zodra de oogsttijd komt, en ook mijn most, zodra het zijn tijd is; daarom ruk Ik mijn wol en mijn vlas van haar weg, die haar naaktheid moeten bedekken. HOS 2:12 Dan stel Ik haar schaamte ten toon voor de ogen van haar minnaars en niemand ontrukt haar aan mijn hand. HOS 2:13 Ik maak een eind aan al haar plezier, haar hoogtijdagen, haar nieuwe maan, haar sabbat en al haar festiviteiten. HOS 2:14 Ik verwoest haar wingerden en vijgebomen, waarvan zij beweert: Dit is het loon dat ik gekregen heb van mijn minnaars. Ik maak er verwilderd hout van, waar de dieren aan vreten. HOS 2:15 Ik vraag haar rekenschap voor de dagen die zij aan de Baäls gewijd heeft, waarop zij offervuren voor hen brandde, waarop zij, gesierd met haar ringen en halstooi, haar minnaars achterna ging en Mij vergat. Zo luidt de godsspraak van Jahwe. HOS 2:16 En daarom weldra lok Ik haar weer naar Mij toe, zorg Ik dat zij naar de woestijn gaat en spreek Ik tot haar hart. HOS 2:17 Vervolgens geef Ik haar dan de wijngaarden terug en maak Ik het Achordal tot een poort van hoop. Daar wordt zij weer gewillig, zoals in de dagen van haar jeugd, toen zij optrok uit Egypte. HOS 2:18 Op die dag zo luidt de godsspraak van Jahwe zult gij tot Mij roepen: 'Mijn man!' Nooit roept gij Mij dan meer toe: 'Mijn Baäl!' HOS 2:19 Dan zal Ik de namen van de Baäls uit haar mond verwijderen: van hun namen wordt nooit meer gerept. HOS 2:20 Op die dag zal Ik een verbond sluiten, ten bate van hen, met de dieren in het wild, met de vogels in de lucht en met wat er kruipt op de grond. Boog en zwaard en oorlog sla Ik het land uit en in veiligheid laat Ik hen wonen. HOS 2:21 Ik neem u als mijn bruid, voor altijd, als mijn bruid, in recht en gerechtigheid, in goedheid en erbarming, HOS 2:22 als mijn bruid, in onverbrekelijke trouw: dan zult gij Jahwe leren kennen. HOS 2:23 Op die dag ben Ik zo luidt de godsspraak van Jahwe ben Ik de hemel ter wille en is de hemel de aarde ter wille HOS 2:24 en is de aarde het koren, de most en de olie ter wille en zijn zij allen Jizreel ter wille. HOS 2:25 Dan bezaai Ik het weer, het land, dan erbarm Ik mij weer over Lo ruchama, dan zeg ik tot Lo ammi: 'Mijn volk zijt gij.' en dan zegt hij tot Mij: 'Mijn God!' HOS 3:1 Jahwe sprak opnieuw tot mij: 'Nu moet gij een vrouw liefhebben die zich door een ander laat liefhebben en overspel bedrijft. Gij moet hetzelfde doen als Jahwe, die de zonen van Israël liefheeft, hoewel die zich tot andere goden keren en verzot zijn op rozijnenkoeken.' HOS 3:2 Toen kocht ik die vrouw voor vijftien zilverstukken en anderhalve ezelslast gerst, HOS 3:3 en ik zei tegen haar: 'Lange tijd zul je rustig bij mij blijven, zonder ontucht te plegen of je met een man in te laten. Ik zal tegenover jou evenzo handelen.' HOS 3:4 Want de zonen van Israël zullen lange tijd wachten, zonder koning of vorst, zonder offer en wijsteen, zonder efod en huisgoden. HOS 3:5 Maar daarna zullen de zonen van Israël zich bekeren, zullen zij Jahwe, hun God, en David, hun koning, weer zoeken en bevend naar Jahwe en zijn goedheid komen, op het einde der tijden. HOS 4:1 Hoort het woord van Jahwe, zonen van Israël! Jahwe heeft een aanklacht tegen de bewoners van het land: er bestaat geen trouw en geen vroomheid meer, en van God wil men niet meer weten in het land. HOS 4:2 Zweren en liegen, moorden, stelen en echtbreken zijn er schering en inslag, bloedbad volgt er op bloedbad. HOS 4:3 Daarom verdroogt het land en kwijnen al zijn bewoners weg; de dieren op het veld, de vogels in de lucht, de vissen in de zee komen zelfs om. HOS 4:4 Laat echter niemand beschuldigingen uitspreken, niemand vonnissen vellen. Mijn aanklacht richt zich, priester, tegen u: HOS 4:5 gij struikelt vandaag en vannacht struikelt ook de profeet, met u. Ik zal uw moeder doen verstommen. HOS 4:6 Mijn volk verstomt omdat het niet van God wil weten, maar gij, gij zijt het die de kennis van God verworpen hebt: daarom verwerp ik u als mijn priester. Gij hebt de wet van uw God vergeten: daarom vergeet ik uw zonen ook. HOS 4:7 Zo talrijk als zij zijn, even talrijk zijn hun zonden tegen Mij. Ik maak hun glorie tot schande. HOS 4:8 Zij eten van de zonde van mijn volk en gnuiven om zijn schuld. HOS 4:9 Daarom staat de priester hetzelfde lot te wachten als het volk: Ik vraag hem rekenschap van zijn gedrag, Ik zet hem zijn daden betaald. HOS 4:10 Dan zullen zij eten zonder verzadigd te worden, tot ontucht verleiden zonder er baat van te hebben, want zij hebben Jahwe verlaten en hebben de ontucht in stand gehouden. HOS 4:11 Wijn en most beroven mijn volk van zijn verstand. HOS 4:12 Het raadpleegt zijn stuk hout en zijn stok heeft het voor het zeggen. De geest van ontucht heeft hen misleid, door hun ontucht lopen zij weg van hun God. HOS 4:13 Op de bergtoppen brengen zij offers, op de heuvels branden zij wierook onder eik en populier en terebint, want de schaduw is daar zo goed. Geen wonder dat uw dochters ontucht plegen en uw schoondochters overspel begaan! HOS 4:14 Maar niet uw dochters zal Ik ter verantwoording roepen voor hun ontucht en niet uw schoondochters voor hun overspel. De heren zoeken het immers zelf bij de hoeren en brengen hun offers in het gezelschap van tempeldeernen! Het domme volk komt ten val HOS 4:15 met dat ontuchtige gedoe! Gij Israël, maak u toch niet schuldig en ook Juda niet! , ga toch niet naar Gilgal, trek toch niet op naar Bet awen en zweer daar niet bij het leven van Jahwe! HOS 4:16 Als een rebelse koe, zo rebels is Israël. en Jahwe zou het moeten weiden als een lam in het wijde veld? HOS 4:17 Efraim is aan afgodsbeelden verknocht. Laat hem! HOS 4:18 Nauwelijks is de dronkenschap voorbij, of zij storten zich in de ontucht; zij zijn verslingerd aan de schande van de schaamtelozen. HOS 4:19 Een stormwind wikkelt hen in vleugels. Hun altaren staan voor schande. HOS 5:1 Hoort deze woorden, priesters, spits uw oren, huis Israël, luister, huis van de koning! U kwam de rechtspraak toe, maar gij zijt een strik geworden te Mispa, een net, op de Tabor gespannen, HOS 5:2 een diepe valkuil, gegraven te Sittim. Ik zal u allen tuchtigen. HOS 5:3 Als iemand Efraim kent ben Ik het en voor Mij is Israël niet verborgen; Ik verzeker u: Efraim heeft ontucht bedreven en Israël heeft zich onrein gemaakt. HOS 5:4 Hun daden beletten hen naar hun God terug te keren, want de geest van ontucht bezielt hen en van Jahwe weten zij niet. HOS 5:5 Israëls hoogmoed getuigt tegen hem, Israël en Efraim struikelen over hun eigen schuld en met hen is ook Juda gestruikeld. HOS 5:6 Met hun schapen en runderen zullen zij komen om Jahwe te zoeken, maar zij zullen Hem niet vinden. Hij heeft zich aan hen onttrokken. HOS 5:7 Zij zijn Jahwe ontrouw geworden en hebben bastaards voortgebracht; daarom zal een nieuwe maan hun akkers verslinden. HOS 5:8 Blaas de bazuin in Gibea, steek de trompet in Rama, sla alarm in Bet awen; ze zitten achter u aan, Benjamin! HOS 5:9 Efraim zal verwoest worden op de dag van hun strafgericht. Over Israëls stammen maak Ik een onherroepelijk besluit bekend. HOS 5:10 De leiders van Juda gaan te werk als lieden die grenssteden verleggen: Ik stort mijn verbolgenheid als water over hen uit. HOS 5:11 Efraim is verdrukt, het recht is verkracht, want het was er zo op gebrand de ijdelheden achterna te lopen. HOS 5:12 Maar Ik ben de mot die Efraim aanvreet, de verrotting in het huis Juda. HOS 5:13 Wanneer Efraim zijn ziekte ziet en Juda zijn etterende wonde, dan loopt Efraim naar Assur en zendt Juda gezanten naar de Wraakvorst. Maar hij kan u niet genezen, hij helpt u niet van die etterende wonde af. HOS 5:14 Ik zelf immers, als een leeuw keer Ik Mij tegen Efraim, als een leeuwejong tegen het huis Juda. Ik verscheur ze en Ik ga heen, Ik haal ze weg en niemand ontrukt ze Mij. HOS 5:15 Ik wil heengaan, naar mijn woonplaats terug, totdat zij, met schuld beladen, mijn aangezicht zoeken. In hun nood zullen zij naar Mij uitzien. HOS 6:1 'Kom, laten we terugkeren tot Jahwe; Hij heeft ons verscheurd, Hij zal ons ook genezen; Hij heeft wonden geslagen, Hij zal ze ook verbinden. HOS 6:2 Na twee dagen maakt Hij ons weer levend, op de derde dag laat Hij ons weer opstaan om weer te leven voor zijn aanschijn. HOS 6:3 Wij willen Jahwe liefhebben, ons inspannen om Hem te kennen. Zo zeker als de dageraad vertoont Hij zich, komt Hij over ons als de regen, als de lenteregen die de aarde drenkt.' HOS 6:4 Wat moet Ik met u beginnen, Efraim? Wat moet Ik met u beginnen, Juda? Uw vroomheid is als de morgennevel, als de dauw die vroeg in de morgen verdwijnt. HOS 6:5 Daarom heb Ik op u ingeslagen door de profeten, heb Ik de dood gebracht door de woorden van mijn mond: mijn oordeel brak door als het licht. HOS 6:6 Want vroomheid wens Ik, geen offergaven, en erkenning van God, meer dan brandoffers. HOS 6:7 Zij hebben het verbond overtreden, als Adam: zo zijn zij Mij ontrouw geworden. HOS 6:8 Gilead is een stad van boosdoeners, met bloedsporen besmeurd; HOS 6:9 als een loerende roverstroep is het priestergilde: zij moorden op de weg naar Sichem, schandelijk is hun gedrag. Het zijn afschuwelijke dingen, HOS 6:10 die Ik in het huis van Israël zie: Ik zie hoe Efraim ontucht pleegt en Israël zich bezoedelt. HOS 6:11 Ook u, Juda, staat een oogst te wachten! HOS 7:1 Als ik mijn volk zal herstellen, als Ik Israël zal genezen, komt de zonde van Efraim aan het licht en de boosheid van Samaria. Want al hun doen is bedrog: dieven breken in, de wegen worden door rovers onveilig gemaakt. HOS 7:2 Zij denken er maar niet aan, dat Ik mij al hun kwaad herinner. Ze zitten ingekapseld in hun daden, die Mij duidelijk voor ogen staan. HOS 7:3 Met hun boosheid doen zij de koning nog genoegen, met hun leugens de grote heren. HOS 7:4 Allen plegen zij echtbreuk, zij laten hun oven maar branden, terwijl een bakker ophoudt met stoken zolang hij het deeg kneedt en het laat rijzen. HOS 7:5 Op de dag van onze koning hebben zij de notabelen met wijn verhit en onpasselijk gemaakt; en hij heeft die spotters nog de hand gereikt! HOS 7:6 Loerend komen zij aan, hun hart is als een oven, waarin hun woede de hele nacht sluimert om 's morgens weer op te laaien als een vlammend vuur. HOS 7:7 Zij zijn allen zo heet als een oven en verslinden hun rechters. Al hun koningen zijn omgekomen en niet een van hen heeft Mij aangeroepen. HOS 7:8 Efraim heeft zich met de volken vermengd, Efraim is als een koek die niet gekeerd wordt. HOS 7:9 De vreemdelingen hebben zijn krachten verteerd, maar hij zelf weet van niets; zijn haar is wit geworden, maar hijzelf weet van niets. Door zijn eigen hoogmoed wordt Israël aangeklaagd, HOS 7:10 maar zij bekeren zich niet tot Jahwe hun God, en zoeken Hem niet, trots dit alles. HOS 7:11 Efraim is als een duif, onnozel en zonder verstand. Zij hebben Egypte te hulp geroepen en zij zijn naar Assur gevlogen. HOS 7:12 Maar waar zij ook vliegen, Ik span mijn net om hen te vangen en Ik haal hen omlaag, als vogels in de lucht, Ik vang ze, zodra ik hun zwerm hoor gaan. HOS 7:13 Wee over hen, omdat ze Mij ontvluchten, verderf over hen, omdat ze Mij ontvluchten, verderf over hen, omdat ze Mij ontrouw zijn! Hoe kan Ik hen verlossen, terwijl ze zo leugenachtig tegen Mij spreken, HOS 7:14 terwijl zij niet uit de grond van hun hart tot Mij roepen, maar op de bedden liggen te jammeren, terwijl ze zich kerven om koren en most, maar zich afkeren van Mij? HOS 7:15 Ik was het die hen onderwees en die hun armen kracht gaf, maar zij beramen kwaad tegen Mij. HOS 7:16 Zij wenden zich tot Baäl, zij zijn als een boog zonder veerkracht. Hun leiders zullen vallen door het zwaard vanwege hun onbeschaamde taal, hun krompraat in Egypte. HOS 8:1 Zet de bazuin aan uw mond: Een gier hangt boven Jahwe's huis! Zij hebben mijn verbond overtreden, ze zijn ontrouw geworden aan mijn wet. HOS 8:2 Zij roepen tot Mij: 'Mijn God! Wij, Israël, erkennen U!' HOS 8:3 Maar een Israël, dat het heil van zich afstoot, het zal door een vijand vervolgd worden. HOS 8:4 Zij hebben koningen aangesteld, maar buiten Mij om; zij hebben zich leiders gekozen, maar buiten Mijn weten. Van hun zilver en goud maakten zij afgodsbeelden, goed om stukgeslagen te worden. HOS 8:5 Verwijder toch uw stierebeeld, Samaria! Mijn toorn ontbrandt tegen hen. Hoelang zal het nog duren? Zijn ze dan niet tot onschuld in staat? HOS 8:6 Ja, die afgod komt uit Israël, door een kunstenaar daar gemaakt, maar het is geen god. Ja, het zal versplinterd worden, dat stierebeeld van Samaria! HOS 8:7 Ja, zij zaaien wind, maar storm zullen zij oogsten: de halmen waar geen groei in zit geven geen meel, en al geven zij het wel, vreemden vrat en het op. HOS 8:8 Israël wordt opgevreten. Onder de volken zijn zij nu al als rommel waar niemand naar omziet. HOS 8:9 Zij zijn naar Assur gelopen: een wilde ezel blijft bij zijn soort, maar Efraim zoekt zijn liefde elders. HOS 8:10 Ook al zoeken zij het onder de volken, Ik drijf hen nu bijeen en laat hen een tijd lang zuchten onder de last van de koning der vorsten. HOS 8:11 Ja, Efraim heeft zijn altaren talrijk gemaakt, maar die dienden om te zondigen, altaren om te zondigen! HOS 8:12 Al schrijf Ik mijn wet ook nog zo vaak aan hem voor, zij geldt als de wet van een vreemde. HOS 8:13 Zij brengen offers naar hun eigen welbehagen en eten van het offervlees, maar Jahwe aanvaardt die niet. Nu herinnert Hij zich hun schuld en straft Hij hun zonden: zij gaan naar Egypte terug! HOS 8:14 Israël heeft zijn maker vergeten en heeft zich hoge huizen gebouwd. Juda heeft zijn vestingen talrijk gemaakt. Maar Ik slinger vuur in zijn steden: het verslindt zijn paleizen. HOS 9:1 Verheug u maar niet, Israël, en juich maar niet, zoals de andere volken, gij die door uw ontucht van uw God zijt weggelopen, begerig naar hoerenloon op iedere dorsvloer waar het koren gedorst wordt. HOS 9:2 Dorsvloer en perskuip zullen hen niet voeden, en de nieuwe wijn zal haar teleurstellen. HOS 9:3 Zij blijven niet langer wonen in Jahwe's land: Efraim gaat terug naar Egypte, het eet in Assur onrein voedsel. HOS 9:4 Dan kunnen zij voor Jahwe geen wijn meer plengen en Hem met hun offers niet welgevallig meer zijn. Voor henzelf zullen die als rouwbrood zijn: alwie ervan eet wordt onrein. Want hun brood komt wel in hun keel, maar het huis van Jahwe bereikt het niet. HOS 9:5 Wat doet ge dan nog met een hoogtijdag, een feestdag van Jahwe? HOS 9:6 Voorwaar, zij ontlopen de verwoesting om door Egypte te worden samengedreven en door Mof te worden begraven. Hun zilver, zo kostelijk als het is, wordt het erfdeel van de distels, en dorens tieren in hun tenten. HOS 9:7 Nu komt de tijd van de afrekening, nu is het de tijd van de vergelding! Israël zal het weten! De profeet is mal, zeggen ze, de man die de geest heeft, is gek! Omdat uw schuld zo groot is, is uw tegenstand ook groot. HOS 9:8 Degene die waakt over Efraim, het volk van mijn God, een profeet, hij vindt netten van vogelaars op al zijn wegen, tegenstand tot in het huis van zijn God. HOS 9:9 Zij zijn even diep gezonken als in de dagen van Gibea. Hij zal zich hun zonde herinneren, hun overtredingen bestraffen. HOS 9:10 Als de druiven in de woestijn, zo vond ik Israël, als de vroegste vruchten aan een vijgeboom, zijn eerstelingen, zo zag Ik uw vaderen. Maar zij gingen naar Baäl peor en wijdden zich daar aan de schande; zij werden een gruwel, net als hun geliefde. HOS 9:11 Efraims luister vliegt weg als een vogel: gedaan is het nu met geboorte, met zwangerschap, met bevruchting. HOS 9:12 Al brengen zij hun zonen nog groot, Ik beroof hen ervan, en er rest geen mens meer. En wee ook over henzelf, als Ik mij van hen terugtrek. HOS 9:13 Efraim, zoals Ik het ontwaarde, was een jonge palm, geplant in een weide. Dat Efraim moet zijn zonen nu brengen naar iemand die ze vermoordt. HOS 9:14 Geef hun, Jahwe ja, wat zult Gij hun geven? geef hun een schoot, die geen vrucht houdt, en geef hun verdorde borsten. HOS 9:15 In Gilgal is heel hun boosheid gebleken: daar ben Ik hen gaan verfoeien. Om de boosheid van hun daden jaag Ik hen weg uit mijn huis. Ik wil hen niet langer liefhebben: al hun leiders zijn rebellen. HOS 9:16 Efraim is geslagen, zijn wortel verdord; zij dragen geen vrucht meer, en zelfs al baarden zij kinderen, Ik doodde de dierbare vrucht van hun schoot. HOS 9:17 Mijn God zal hen verwerpen, omdat zij niet naar Hem geluisterd hebben: zij zullen ontheemd zijn onder de volken. HOS 10:1 Israël is een weelderige wijnstok, die ook weelderige vruchten draagt. En hoe talrijker maakt Israël zijn altaren. Hoe mooier zijn land wordt, des te mooier versiert het zijn wijstenen. HOS 10:2 Omdat zij zo dubbelhartig zijn, zullen zij na hun schuld gaan boeten. Hij zelf geeft hun altaren de nekslag en slaat de wijstenen stuk. HOS 10:3 Ja, dan zullen zij zeggen: 'Wij hebben geen koning, want als wij Jahwe niet vrezen, wat helpt ons de koning dan?' HOS 10:4 Terwijl ze maar praten, loze eden zweren en overeenkomsten aangaan, verwildert de rechtspraak en wordt als giftig kruid in de voren van een akker. HOS 10:5 Om dat stieregeval van Bet awen zullen de mensen van Samaria beven. Ja, om die stier rouwt het volk. De afgodenpriesters maken misbaar om hem: ja, zijn heerlijkheid is weggevoerd. HOS 10:6 Ook het beeld wordt naar Assur gebracht om aan de Wraakvorst geofferd te worden. Efraim wordt met schande beladen, Israël zal om zijn houtblok beschaamd staan. HOS 10:7 Samaria is tot zwijgen gebracht, zijn koning is als een afgebroken tak die op het water drijft. HOS 10:8 De gruwelhoogten worden verwoest, Israëls zonde. Doornen en distels overwoekeren hun altaren. Dan roepen zij de bergen toe: 'Bedek ons!' en de heuvels: 'Val op ons neer!' HOS 10:9 Al sinds de dagen van Gibea, Israël, hebt gij gezondigd: zij zijt bij Gibea blijven staan, alsof de oorlog tegen de boosdoeners hen daar niet treffen zou. HOS 10:10 Dit is mijn wens: hen te tuchtigen. Volkeren zullen tegen hen verzameld worden, tegen hen die in een tweevoudige zonde verstrikt zijn. HOS 10:11 Efraim is een vaars, die geleerd heeft gedwee te dorsen. Ikzelf merkte haar machtige nek op. Ik spande Efraim in; Juda zou ploegen en Jakob eggen. HOS 10:12 Zaai rechtschapenheid, dan zult gij goedheid oogsten; ontgin het braakland. Het is nu de tijd om Jahwe te zoeken, totdat Hij komt en de gerechtigheid over u laat regenen. HOS 10:13 Maar gij hebt boosheid ingeploegd, misdaad geoogst en de vrucht gegeten van het bedrog. Omdat gij vertrouwd hebt op uw eigen wegen, op het grote getal van uw helden, HOS 10:14 daarom zal er een krijgsgeschreeuw opgaan tegen uw volk en zullen al uw vestingen verwoest worden, zoals Salman Bet arbel verwoest heeft op de dag van de strijd, toen de moeder werd te pletter gegooid boven op haar zonen. HOS 10:15 Dit heeft Betel u bezorgd vanwege uw barre verdorvenheid. Al bij het morgenkrieken wordt Israëls koning voorgoed tot zwijgen gebracht. HOS 11:1 Toen Israël nog jong was, kreeg Ik hem lief en uit Egypte heb Ik hem geroepen, mijn zoon. HOS 11:2 Maar hoe Ik hem ook riep, zij liepen van Mij weg, ja, zij brachten offers aan de Baäls en brandden wierook voor de godenbeelden, HOS 11:3 en dat terwijl Ik toch degene ben die Efraim heeft leren lopen, die hem bij zijn armen heeft gevat. Zij echter wilden maar niet weten dat Ik het was die hen behoedde. HOS 11:4 Met zachte leidsels heb Ik hen gemend, met teugels van liefde. Ik was voor hen als degenen die het juk optillen wanneer het tegen de kaken drukt. Ik reikte hem zijn voedsel toe. HOS 11:5 Moet hij dan niet terugkeren naar Egypte en zal Assur niet zijn koning worden, nu zij weigeren zich te bekeren? HOS 11:6 Het zwaard zal rondgaan in hun steden, het zal hun grendels breken en het zal hen verslinden om wat zij beraamden. HOS 11:7 Mijn volk verhangt zich aan zijn ontrouw jegens Mij; zij roepen Baäl wel aan, maar die maakt hen niet los uit de strop. HOS 11:8 Hoe zou Ik echter u kunnen prijsgeven, Efraim, u kunnen overleveren, Israël? Hoe zou Ik u kunnen prijsgeven, alsof gij Adma waart, of met u kunnen doen zoals met Seboim? Mijn hart slaat om, heel mijn binnenste wordt week. HOS 11:9 Neen, Ik zal mijn vlammende toorn toch niet koelen, Efraim niet opnieuw te gronde richten, want Ik ben God, Ik ben geen mens, Ik ben de Heilige in uw midden. Ik laat Mij niet gaan in mijn toorn. HOS 11:10 Zij zullen achter Jahwe aan gaan. Als een leeuw zal Hij brullen. Ja, Hij zal brullen, en bevend komen dan de zonen van de zeekant. HOS 11:11 Bevend komen zij uit Egypte, als vogels, uit het land van Assur, als duiven. Ik vestig hen weer in hun tehuis zo luidt de godsspraak van Jahwe. HOS 12:1 Met leugen heeft Efraim Mij omgeven en het huis van Israël omgaf Mij met bedrog. Juda doolt nog rond met El en blijft diens heiligen trouw. HOS 12:2 Efraim zoekt het bij de wind, het zit de schroeiwind na, de hele dag. Het stapelt leugen op en geweld. Met Assur sluiten zij een verbond en naar Egypte wordt olie gebracht. HOS 12:3 Jahwe heeft een aanklacht tegen Juda, om van Jakob rekenschap te vragen voor zijn gedragingen; naar zijn daden zal Hij hem vergelden. HOS 12:4 In de moederschoot heeft hij zijn broer bedrogen, man geworden vocht hij met God. HOS 12:5 Hij vocht met een engel en hij overwon. Schreiend vroeg hij Hem toen een gunst. In Betel ontmoette hij God en daar sprak Hij met hem. HOS 12:6 Hij, Jahwe, de God van de legerscharen: Jahwe is zijn naam! HOS 12:7 Met de hulp van uw God zult gij terugkeren; houdt u aan liefde en recht en blijf altijd op uw God vertrouwen. HOS 12:8 Kanaän houdt een vervalste weegschaal in zijn hand, het is belust op bedrog. HOS 12:9 En Efraim zegt: 'Al ben ik vermogend geworden en al heb ik rijkdom opgedaan, met al die winst deed ik geen schuld op, waarin iemand zonde kan zien.' HOS 12:10 Maar ik ben Jahwe, uw God, al sinds Egypte, en opnieuw zal Ik u in tenten laten wonen, zoals in de dagen van ontmoeting. HOS 12:11 Ik zal tot de profeten spreken, Ik zal de visioenen talrijk maken en gelijkenissen leggen in de mond van de profeten. HOS 12:12 Gilead met al zijn boze macht is louter nietigheid geworden. Ondanks al de stierenoffers in Gilgal zijn hun altaren als hopen steen geworden, die bij de voren van de akkers liggen. HOS 12:13 Jakob vluchtte naar de vlakte van Aram; Israël ging dienen om de hand van een vrouw, om de hand van een vrouw hoedde hij het vee. HOS 12:14 Maar door de hand van een profeet heeft Jahwe Israël uit Egypte geleid, door de hand van een profeet werd Israël gehoed. HOS 12:15 Efraim heeft zijn Heer bitter beledigd, maar deze vraagt hem rekenschap van zijn bloedschuld en vergeldt hem zijn smaad. HOS 13:1 Waar Efraim sprak was schrik, hoog was zijn aanzien in Israël. Maar hij maakte zich schuldig door de Baäl: daaraan ging hij te gronde. HOS 13:2 Toch blijven zij maar zondigen; zij hebben zich gegoten beelden gemaakt, van hun zilver maakten zij afgodsbeelden naar hun eigen smaak, louter werk van ambachtsvolk. Daaraan wijden zij mijn offers toe, zij, mensen die stierebeelden kussen. HOS 13:3 Daarom zullen zij worden als de morgennevel, als de dauw die vroeg op de dag verdwijnt, als kaf dat wegwaait van de dorsvloer, als rook uit een luchtgat. HOS 13:4 Want Ik ben Jahwe, uw God, al sinds Egypte. Naast Mij zult gij geen God erkennen, er is geen andere redder dan Ik. HOS 13:5 Ik was het, die u in de woestijn als de mijne gekend heb, in dat verschroeide land. HOS 13:6 Zo goed was hun weidegrond, dat zij verzadigd werden. Maar toen zij verzadigd waren, werd hun hart hoogmoedig; zo zijn ze Mij vergeten. HOS 13:7 Ik ben voor hen als een leeuw geworden, Ik loer als een panter langs de weg. HOS 13:8 Ik val hen aan als een berin, een die van haar jongen beroofd is, en Ik rijt hun de borstkas open; als een leeuwin verslind Ik hen dan, zij worden door wilde beesten verscheurd. HOS 13:9 Het is uw ondergang, Israël, terwijl Ik toch uw helper ben! HOS 13:10 Waar blijft dan uw koning die u zal redden, met al uw beschermers en rechters, degenen van wie gij gezegd hebt: 'Geef mij een koning en leiders?' HOS 13:11 Vertoornd gaf Ik u een koning, woedend nam Ik hem terug. HOS 13:12 De schuld van Efraim is gebundeld, zijn zonden liggen opgeborgen. HOS 13:13 Als de barensweeën van hem komen, dan blijkt hij een onwijs kind te zijn; wanneer het zijn tijd is, vertoont hij zich niet in de opening van de moederschoot. HOS 13:14 Zou ik hen dan bevrijden uit de macht van het dodenrijk, zou Ik hen loskopen van de dood? Dood, waar blijft uw pest, dodenrijk, waar uw verderf Mijn ogen kennen geen erbarmen. HOS 13:15 Terwijl hij tussen het riet gedijt, komt de schroeiwind aan, de adem van Jahwe, opstekend uit de woestijn. Dan verdroogt zijn bron, dan geeft zijn wel geen water meer. Dan komt degene die zijn schatten rooft en al zijn kostbaarheden weghaalt. HOS 14:1 Samaria moet zijn schuld boeten, omdat het weerspannig is tegen zijn God. Zij zullen omkomen door het zwaard, hun zuigelingen worden te pletter geslagen, hun zwangere vrouwen opengereten. HOS 14:2 Bekeer u, Israël, tot Jahwe uw God want over uw schuld zijt gij gestruikeld. HOS 14:3 Kom met uw woorden als gave, bekeer u tot Jahwe en zeg Hem: 'Gij vergeeft toch alle schuld; aanvaard ook onze goede wil: wij zullen onze woorden als offerdieren geven. HOS 14:4 Assur kan ons niet redden; wij zullen niet meer op paarden rijden en tegen het maaksel van onze handen zeggen wij nooit meer: Gij zijt onze God. Gij, Jahwe, zijt immers degene bij wie de wees ontferming vindt.' HOS 14:5 Ik wil hen van hun ontrouw genezen en hun van harte mijn liefde schenken. Mijn toorn heeft zich van hem afgewend. HOS 14:6 Ik wil voor Israël zijn als de dauw: als een lelie zal hij gaan bloeien en hij zal wortels schieten, als op de Libanon. HOS 14:7 Zijn scheuten lopen uit, zijn luister evenaart die van de olijfboom, zijn geur die van de Libanon. HOS 14:8 Zij zullen opnieuw in zijn schaduw zitten; zij zullen koren kunnen verbouwen, zij zullen bloeien als de wingerd en vermaard zijn als de wijn van de Libanon. HOS 14:9 Wat heb Ik dan nog met de afgoden te maken, Efraim? Ik ben het die hem verhoort en die naar hem omziet. Ik ben als een altijd groene cypres: aan Mij zijn uw vruchten te danken. HOS 14:10 Wie is zo wijs dat hij dit beseft, wie is zo verstandig dat hij dit inziet? Inderdaad, recht zijn de wegen van Jahwe; de rechtschapenen bewandelen die, maar rebellen komen er ten val. JOËL JOEL 1:1 Het woord van Jahwe, dat gericht is tot Joël, de zoon van Petuël. JOEL 1:2 Hoort toe, gij ouderlingen, luistert allen, gij bewoners van het land! Is iets dergelijks ooit gebeurd in uw dagen of in de dagen van uw vaderen? JOEL 1:3 Vertelt het aan uw zonen en laat uw zonen het vertellen aan hun zonen en die weer aan het volgende geslacht. JOEL 1:4 Wat de knager overliet, dat vrat de sprinkhaan; wat de sprinkhaan overliet, dat vrat de verslinder; wat de verslinder overliet, dat vrat de kaalvreter. JOEL 1:5 Wordt wakker, gij dronkaards, en weent; jammert allen, gij wijndrinkers, want het druivenat gaat uw mond voorbij. JOEL 1:6 Een volk is opgetrokken tegen mijn land, een machtig volk, niet te tellen. Het heeft de tanden van een leeuw, de kaken van een leeuwin; JOEL 1:7 het heeft mijn wingerd vernield en van mijn vijgeboom dood hout gemaakt; het heeft hem ontschorst en weggegooid; verbleekt zijn de ranken. JOEL 1:8 Weeklaagt als een jonge vrouw, die het rouwkleed draagt om de man van haar jeugd. JOEL 1:9 Er is geen meeloffer meer, geen plengoffer meer in het huis van Jahwe. De priesters rouwen, zij die de dienst van Jahwe verrichten. JOEL 1:10 Ontredderd ligt de akker, het land is verdroogd, ja, het koren ligt ontredderd, de most is verschrompeld, de olie verdord. JOEL 1:11 Verslagen moet gij staan, gij boeren, weeklagen moet gij, gij wijnbouwers, om de tarwe en de gerst, want de oogst op het veld is verloren gegaan, JOEL 1:12 de wingerd is verschrompeld, de vijgeboom is uitgedroogd. Granaten, dadelpalmen, appelbomen, alle bomen op het veld zijn verdord. Ja, verdord is de vreugd van de mensen. JOEL 1:13 Omgordt u met rouw, gij priesters, weeklaagt, gij die de dienst van het altaar verricht, komt en brengt in rouwkleren de nacht door, gij die de dienst van mijn God verricht, want aan het huis van uw God zijn meeloffer en plengoffer ontzegd. JOEL 1:14 Kondigt een heilige vastentijd af, roept een plechtige samenkomst bijeen, verzamelt de oudsten, verzamelt alle bewoners van het land, in het huis van Jahwe, uw God, en roept tot Jahwe om hulp. JOEL 1:15 Wee als hij komt, die dag! Ja, de dag van Jahwe is nabij, hij komt als verwoesting door de Machtige. JOEL 1:16 Voor onze ogen is het voedsel immers teniet gegaan! Uit het huis van onze God zijn vreugd en gejubel immers verdwenen! JOEL 1:17 Uitgedroogd liggen de graankorrels onder de aardkluiten; de opslagplaatsen zijn verwoest en de schuren gesloopt, want het koren is verdord. JOEL 1:18 Hoor, hoe het vee tekeer gaat! Troepen runderen dolen rond: zij vinden nergens meer een weide; zelfs de schapen moeten het ontgelden. JOEL 1:19 Tot U, Jahwe, roep ik, nu vuur het groen in de steppe heeft opgevreten, nu vuurgloed alle bomen daarbuiten verschroeid heeft. JOEL 1:20 Zelfs de wilde dieren smachten naar U, nu de waterkanalen droog staan en vuur het groen in de steppe heeft opgevreten. JOEL 2:1 Blaast de bazuin op de Sion, slaat alarm op mijn heilige berg: al de bewoners van het land moeten beven! Ja, de dag van Jahwe is gekomen; ja, hij is nabij, JOEL 2:2 een dag van donker en van duisternis, een dag van wolken en verduistering. Hij breekt al aan: een talrijk, machtig volk staat alom op de bergen, een volk zoals er nooit een is geweest en later nooit meer een zal zijn, tot in de verste geslachten. JOEL 2:3 Een verslindend vuur gaat voor hen uit, een verschroeiende gloed komt achter hen aan. Voor hen ligt het land als de tuin van Eden, achter hen blijft een woeste wildernis: er is geen ontkomen aan. JOEL 2:4 Zij zien er uit als paarden, als rossen rennen zij voort. JOEL 2:5 Zij maken een lawaai als strijdwagens, die over de toppen der bergen razen; zij gieren als een laaiend vuur, dat de stoppels verslindt; zij zijn als een machtig volk, dat voor de strijd is aangetreden. JOEL 2:6 Dat ziende sidderen de volken, alle gezichten verliezen hun kleur. JOEL 2:7 Als krijgers stormen zij aan, als soldaten beklimmen zij de muren; ieder gaat de weg die hem is opgedragen, niemand wijkt af van zijn koers; JOEL 2:8 de een verdringt de ander niet, ieder volgt zijn eigen weg. Dwars door de pijlen heen vallen zij aan, zonder hun gelederen te verbreken. JOEL 2:9 Zij bestormen de stad, zij rennen over de muur heen, zij klauteren tegen de huizen, door de vensters komen zij binnen, als de dieven. JOEL 2:10 Dat ziende schokt de aarde, siddert de hemel, verduisteren de zon en de maan, verliezen de sterren hun licht. JOEL 2:11 Jahwe, aan de spits van zijn leger, verheft zijn stem; ja, zeer talrijk is zijn leger, ja, machtig is hij die zijn bevel ten uitvoer brengt. Ja, groot is de dag van Jahwe en zeer te duchten: wie zal hem doorstaan? JOEL 2:12 Maar ook nu nog luidt de godsspraak van Jahwe: 'Keert tot Mij terug, van ganser harte, met vasten, met geween en met rouwklacht.' JOEL 2:13 Scheurt uw hart en niet uw kleren, keert terug tot Jahwe, uw God, want genadig is Hij en barmhartig, lankmoedig en vol liefde, en Hij heeft spijt over het onheil. JOEL 2:14 Wie weet, keert Hij terug en krijgt Hij spijt en laat dan zegen achter zich, een meeloffer en een plengoffer voor Jahwe, uw God! JOEL 2:15 Blaast de bazuin op de Sion, kondigt een heilige vastentijd af, roept een plechtige samenkomst bijeen! JOEL 2:16 Verzamelt het volk, belegt een heilige bijeenkomst, brengt de ouderlingen samen en verzamelt ook de kinderen en de zuigelingen; laat de bruidegom zijn kamer verlaten en de bruid haar bruidsvertrek. JOEL 2:17 Laat tussen de voorhal en het altaar de priesters, die de dienst van Jahwe verrichten, wenen en zeggen: 'Spaar uw volk, Jahwe, laat niet met uw erfdeel spotten, laat niet de heidenen het overheersen. Moet men onder de volken zeggen: Waar blijft hun God?' JOEL 2:18 Toen is Jahwe voor zijn land opgekomen en heeft Hij zijn volk gespaard. JOEL 2:19 En Jahwe gaf zijn volk ten antwoord: 'Welnu, Ik ga u koren, most en olie zenden, tot verzadigens toe, en Ik laat de heidenen niet langer met u spotten. JOEL 2:20 Ik jaag de man uit het noorden ver van u weg, Ik drijf hem naar een dor en onherbergzaam land, zijn voorhoede naar de zee in het oosten, zijn achterhoede naar de zee in het westen. Zijn stank stijgt van hem op, een walm van verrotting: ja, grote daden heeft hij verricht!' JOEL 2:21 Vrees niet, gij akkerland, jubel en verblijd u, want Jahwe heeft een machtig werk verricht. JOEL 2:22 Vreest niet, gij wilde dieren, want het groen in de steppe treedt weer te voorschijn, de boom draagt weer vruchten, de vijg en de wingerd geven weer kracht. JOEL 2:23 En gij, kinderen van Sion, jubelt en verblijdt u om Jahwe, uw God, want Hij geeft u de leraar om gerechtigheid te brengen en laat de regen op u neerdalen, herfstregen en voorjaarsregen, zoals voorheen. JOEL 2:24 De dorsvloeren liggen weer vol met koren, de perskuipen lopen weer over van most en van olie. JOEL 2:25 'Dan vergoed Ik u de jaren, die opgevreten zijn door de sprinkhanen en de verslinder, door de kaalvreter en de knager, door de grote legermacht, die Ik op u heb losgelaten.' JOEL 2:26 Dan eet gij weer volop, tot verzadigens toe, en prijst de naam van Jahwe, uw God, die wonderen voor u verricht heeft. Nooit ofte nimmer zal mijn volk meer te schande worden. JOEL 2:27 'Dan zult gij erkennen, dat Ik te midden van Israël ben, dat Ik, Jahwe, uw God ben, en niemand anders. Nooit ofte nimmer zal mijn volk weer te schande worden.' JOEL 3:1 'Daarna zal het gebeuren: Ik zal mijn geest uitstorten over alle mensen, uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw grijsaards dromen zien, uw jonge mannen visioenen krijgen. JOEL 3:2 Zelfs over de slaven en de slavinnen stort Ik mijn geest uit in die dagen. JOEL 3:3 Wondertekenen zal Ik tonen aan de hemel en op de aarde: bloed, vuur en paddestoelen van rook. JOEL 3:4 De zon zal in duisternis verkeren, de maan in bloed, voordat de dag van Jahwe komt, de grote, angstwekkende dag. JOEL 3:5 Zo zal het gaan: alwie de naam van Jahwe aanroept, hij wordt gered, want op de berg Sion en in Jeruzalem daar zal de redding zijn, zoals Jahwe heeft gezegd. En degenen die door Jahwe worden geroepen, zij zijn het die ontkomen. JOEL 4:1 'Want weet het wel: in die dagen, in die tijd, als Ik Juda en Jeruzalem herstel, JOEL 4:2 breng Ik alle volken bijeen en doe hen dalen naar het dal van Josafat. Daar begin Ik met hen een rechtsgeding over mijn volk en mijn erfdeel, Israël, dat zij onder de volkeren hebben verstrooid; zij hebben mijn land verkaveld JOEL 4:3 en mijn volk verloot, jongens geruild voor lichtekooien, meisjes verkocht voor wijn om zich te bedrinken. JOEL 4:4 En ook gij, wat denkt gij wel van Mij, gij Tyrus en Sidon en alle gewesten van het Filistijnenland? Denkt gij dat gij wraak kunt nemen op Mij? Gij zijt met uw wraak nog niet begonnen, of aanstonds laat Ik die daad van u neerkomen op uw eigen hoofd. JOEL 4:5 Gij hebt mijn zilver en goud gestolen en mijn kostelijke schatten naar uw tempels gebracht. JOEL 4:6 Mensen uit Judea en Jeruzalem hebt gij aan de Ioniërs verkocht om ze weg te voeren, ver van de grenzen van hun land. JOEL 4:7 Maar Ik, Ik roep hen terug van de plaats waarheen gij hen verkocht hebt en Ik laat die daad van u neerkomen op uw eigen hoofd. JOEL 4:8 Door de mannen van Juda laat Ik uw zonen en dochters verkopen, en zij verkopen hen aan de Sabeeërs, aan een volk ver hiervandaan. Waarachtig, Jahwe heeft het gezegd.' JOEL 4:9 Roept onder de volkeren dit om: Maakt u gereed voor de heilige oorlog, werft de dappere mannen aan! Laat ze aantreden en oprukken, al de krijgers! JOEL 4:10 Smeedt uw ploegscharen om tot zwaarden, uw snoeimessen tot speerpunten; laat zelfs de zwakkeling zeggen: 'Ik word een held!' JOEL 4:11 Haast u om te komen, alle volken rondom! Dromt daar samen! Jahwe, laat uw helden komen! JOEL 4:12 'De volken moeten zich in beweging zetten, optrekken naar het dal van Josafat, want daar zal Ik zetelen om recht te spreken over alle volken rondom. JOEL 4:13 Slaat de sikkel erin, want de oogst is rijp. Begint maar te treden, want de perskuip is vol, de bakken lopen over: zo groot is hun boosheid.' JOEL 4:14 Drommen, drommen in het dal van het oordeel, want nabij is de dag van Jahwe in het dal van het oordeel. JOEL 4:15 De zon en de maan verduisteren, de sterren verliezen hun licht. JOEL 4:16 Jahwe buldert uit Sion, uit Jeruzalem laat Hij zijn stem weerklinken: hemel en aarde sidderen. Maar voor zijn volk is Jahwe een toevlucht, voor de zonen van Israël een vesting. JOEL 4:17 'Dan zult gij erkennen, dat Ik, Jahwe, uw God ben, Ik, die woon op de Sion, mijn heilige berg; dan zal Jeruzalem heilige grond zijn, geen vreemden trekken er meer door.' JOEL 4:18 En het zal gebeuren, op die dag, dat de bergen van druivenat druipen, dat de heuvelen stromen van melk, dat al de waterlopen van Juda een overvloed van water hebben, want uit de tempel van Jahwe zal een bron ontspringen, die het dal van de acacia's bevloeit. JOEL 4:19 Egypte wordt een woestijn, Edom een kale wildernis, om hun gewelddaden tegen de mensen van Juda, in wier land zij onschuldig bloed vergoten hebben. JOEL 4:20 Maar Juda blijft altijd bewoond en ook Jeruzalem, van geslacht tot geslacht. JOEL 4:21 'Hun bloed zal Ik wreken; Ik laat het niet ongestraft vergieten.' Jahwe woont op de Sion. AMOS AM 1:1 Dit zijn de woorden van Amos, die een schapenfokker uit Tekoa was, visioenen over Israël, die hij gezien heeft in de tijd van Uzzia, de koning van Juda, en van Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van Israël, twee jaar voor de aardbeving. AM 1:2 Amos sprak: Jahwe buldert uit Sion, uit Jeruzalem laat Hij zijn stem weerklinken: de weiden der herders verschieten, de kruin van de Karmel verdort. AM 1:3 Zo spreekt Jahwe: Na de herhaalde misdaden van Damascus kom Ik niet op mijn besluit terug! Omdat zij Gilead met ijzeren sleden hebben gedorst, AM 1:4 slinger Ik vuur in Hazaëls huis: het verslindt de paleizen van Benhadad. AM 1:5 De sluitboom van Damascus sla Ik aan stukken, uit Bikat awen verdrijf Ik de bewoners, uit Bet eden hem die daar de scepter zwaait, en de Arameeër wordt weggevoerd naar Kir, spreekt Jahwe. AM 1:6 Zo spreekt Jahwe: Na de herhaalde misdaden van Gaza kom Ik niet op mijn besluit terug! Omdat zij hele bevolkingen hebben weggevoerd en die hebben uitgeleverd aan Edom, AM 1:7 slinger Ik vuur binnen Gaza's muren: het verslindt zijn paleizen. AM 1:8 Uit Asdod verdrijf Ik de bewoners, uit Askelon hem die daar de scepter zwaait. Ik keer mijn hand tegen Ekron en de laatste Filistijn gaat er aan, spreekt Jahwe de Heer. AM 1:9 Zo spreekt Jahwe: Na de herhaalde misdaden van Tyrus kom Ik niet op mijn besluit terug! Omdat zij hele bevolkingen als ballingen hebben uitgeleverd aan Edom en zich aan het broederverbond niet stoorden, AM 1:10 slinger Ik vuur binnen Tyrus' muren: het verslindt zijn paleizen. AM 1:11 Zo spreekt Jahwe: na de herhaalde misdaden van Edom kom Ik niet op mijn besluit terug! Omdat hij zijn broeder met het zwaard vervolgd heeft en alle deernis liet varen, omdat zijn woede steeds weer verscheurde en zijn wrok voortdurend bleef waken, AM 1:12 slinger Ik vuur in Teman: het verslindt de paleizen van Bosra. AM 1:13 Zo spreekt Jahwe: Na herhaalde misdaden van de zonen van Ammon kom Ik niet op mijn besluit terug! Omdat zij de zwangere vrouwen van Gilead opengereten hebben en zo hun eigen gebied hebben uitgebreid, AM 1:14 ontsteek Ik vuur binnen Rabba's muren: het verslindt zijn paleizen, onder geschreeuw, als op de dag van de strijd, onder gebulder, als op de dag van de storm. AM 1:15 Hun koning gaat in ballingschap, hij zelf en de groten van zijn rijk, spreekt Jahwe. AM 2:1 Zo spreekt Jahwe: na de herhaalde misdaden van Moab kom Ik niet op mijn besluit terug! omdat hij het gebeente van de koning van Edom tot kalk heeft verbrand, AM 2:2 slinger Ik een vuur in Moab: het verslindt de paleizen van Keriot Moab komt om in het strijdgewoel onder krijgsgeschreeuw en hoorngeschal. AM 2:3 Uit hun midden doe Ik de heerser verdwijnen en met hem breng Ik ter dood al de groten van zijn rijk, spreekt Jahwe. AM 2:4 Zo spreekt Jahwe: na de herhaalde misdaden van Juda kom Ik niet op mijn besluit terug! Omdat zij Jahwe's wet versmaad hebben en zijn geboden niet hebben onderhouden, omdat die leugengoden van hen, waar hun vaderen al achteraan gelopen hadden, hen op een dwaalspoor hebben gebracht, AM 2:5 slinger Ik vuur in Juda: het verslindt Jeruzalems paleizen. AM 2:6 Zo spreekt Jahwe: Na de herhaalde misdaden van Israël kom Ik niet op mijn besluit terug! Omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen, de arme voor een paar schoenen, AM 2:7 omdat zij de geringen als het stof van de aarde vertrappen en het recht van de armen verkrachten, Vader en zoon gaan naar dezelfde meid en ontwijden zo mijn heilige naam. AM 2:8 Op de als pand aanvaarde kleren leggen zij zich neer bij de altaren en zij drinken met boetegeld betaalde wijn in het huis van hun God. AM 2:9 En Ik, Ik heb toch voor hun ogen de Amoriet verdelgd, zo hoog als een ceder, zo sterk als een eik; Ik heb hem toch uitgeroeid van onder tot boven, met wortel en tak! AM 2:10 Ik, Ik heb u uit Egypte gevoerd, u door de woestijn geleid, veertig jaar lang, en het land van die Amoriet aan u gegeven. AM 2:11 Uit uw zonen heb Ik profeten gekozen en nazireeërs uit uw jonge mannen. Zo is het toch, Israëlieten? - Dit is de godsspraak van Jahwe. AM 2:12 Maar gij hebt de nazireeërs wijn laten drinken en tot de profeten gezegd: Geen profetieën! AM 2:13 Welnu Ik zal het laten wankelen onder uw voeten, zoals een wagen wankelt, die te hoog met schoven beladen is. AM 2:14 Dan krijgt zelfs de snelle loper geen kans om te vluchten, de sterke heeft niets aan zijn kracht en de dappere redt zijn leven niet. AM 2:15 De boogschutter houdt geen stand, de hardloper ontkomt niet en geen ruiter redt zijn leven. AM 2:16 Zelfs de dapperste onder strijders zal naakt moeten vluchten, die dag. Dit is de godsspraak van Jahwe. AM 3:1 Hoort dit woord dat Jahwe spreekt, over u, de zonen van Israël, over heel het geslacht dat Ik uit Egypte heb geleid. Mijn woord is: AM 3:2 U alleen heb Ik uitverkoren onder al de geslachten der aarde; daarom roep Ik u ook ter verantwoording voor al uw ongerechtigheden! AM 3:3 Gaan er ooit twee mensen samen op weg zonder dat zij elkaar gevonden hebben? AM 3:4 Brult ooit een leeuw in het woud zonder dat hij een prooi heeft? Of gromt er een leeuwejong in zijn hol zonder dat het iets te pakken heeft gekregen? AM 3:5 Schiet een vogel omlaag naar de knip op de grond zonder dat daar een lokaas ligt? Of wordt de knip van de grond opgenomen zonder dat er iets gevangen is? AM 3:6 Wordt in een stad de bazuin gestoken zonder dat de bewoners beven? Gebeurt er ooit in een stad een ramp zonder dat Jahwe daar de hand in heeft? AM 3:7 Zo ook doet de Heer, Jahwe, nooit iets zonder dat Hij zijn besluit onthult aan zijn dienaars, de profeten. AM 3:8 De leeuw heeft gebruld: wie zou er niet vrezen? De Heer, Jahwe, heeft gesproken: wie zou er niet profeteren? AM 3:9 Laat het horen in de paleizen van Assur en in de paleizen van Egypte, en zegt: Trekt samen naar de berg van Samaria op en ziet, hoe groot de verwarring daar is en de verdrukking binnen zijn muren. AM 3:10 Zij weten van geen recht meer, zegt de godsspraak van Jahwe degenen die in hun paleizen geweld opstapelen en onrecht. AM 3:11 Daarom zo spreekt de Heer, Jahwe zal een vijand het land omsingelen, zal hij uw sterkte neerhalen en uw paleizen plunderen. AM 3:12 Zo spreekt Jahwe: Zoals een herder uit de muil van een leeuw een paar schenkels redt of een stuk oor, zo worden de zonen van Israël gered, die daar in Samaria zitten, op de hoek van het bed, het Damascener rustbed. AM 3:13 Luistert en waarschuwt het huis Jakob godsspraak van de Heer, Jahwe, de God van de machten : AM 3:14 Als Ik Israël ter verantwoording roep voor zijn zonden, dan treed Ik op tegen de altaren van Betel; dan worden de horens van het altaar afgehouwen en vallen ze op de grond. AM 3:15 Dan verniel Ik de winterverblijven, de zomerverblijven, dan gaan de ivoren paleizen te gronde en verdwijnen de machtige huizen, zo luidt de godsspraak van Jahwe. AM 4:1 Hoort dit woord, gij koeien van Basan daar op Samaria's berg, gij die de geringen verdrukt, die de armen vertrapt en tot uw mannen zegt: 'Breng ons te drinken!' AM 4:2 De Heer, Jahwe, heeft bij zijn heiligheid gezworen: Voorwaar, er komen dagen voor u, dat men u aan haken ophaalt en angels in uw achterwerk slaat, AM 4:3 dat gij door de bressen naar buiten gesleurd wordt, de een na de ander, en gesleept naar de Hermon: zo luidt de godsspraak van Jahwe. AM 4:4 Trek maar op naar Betel om te zondigen, naar Gilgal om er uw zonde nog erger te maken! Breng maar iedere morgen uw offers en om de drie dagen uw tienden! AM 4:5 Breng maar dankoffers van ongezuurd brood en maak maar ophef van uw vrijwillige gaven. Dat doet gij immers zo graag, gij zonen van Israël: zo luidt de godsspraak van de Heer, Jahwe. AM 4:6 Ik, Ik heb u schone tanden gegeven in al uw steden, gebrek aan brood in al uw woonplaatsen, maar gij hebt u niet tot Mij bekeerd: zo luidt de godsspraak van Jahwe. AM 4:7 Ik ook heb u de regen onthouden, net drie nieuwe manen voor de oogst, op de ene stad liet Ik het regenen, op de andere niet. De ene akker kreeg regen, de andere kreeg niets en droogde uit. AM 4:8 Naar een stad kwamen twee, drie andere steden strompelen om daar water te drinken, en hun dorst werd niet gelest, maar gij hebt u niet tot Mij bekeerd: zo luidt de godsspraak van Jahwe. AM 4:9 Ik heb u met korenbrand en met meeldauw geslagen; uw rijke tuinen en uw wijngaarden, uw vijgebomen en uw olijven, de sprinkhanen hebben ze kaal gevreten, maar gij hebt u niet tot Mij bekeerd: zo luidt de godsspraak van Jahwe. AM 4:10 Ik heb de pest op u losgelaten, zoals destijds op Egypte; Ik heb uw jonge mannen met het zwaard gedood, terwijl uw paarden werden buitgemaakt, en uit uw legerkamp heb Ik u lijklucht laten opsnuiven, maar gij hebt u niet tot Mij bekeerd: zo luidt de godsspraak van Jahwe. AM 4:11 Ik heb u ondersteboven gekeerd, even geweldig als Sodom en Gomorra; als een geblakerd stuk hout zijt gij geworden dat aan een brand ontrukt is, maar gij hebt u niet tot Mij bekeerd: zo luidt de godsspraak van Jahwe. AM 4:12 Daarom zal Ik zo met u handelen, Israël. En omdat Ik zo met u zal handelen, moet gij u gereedmaken, Israël, om voor uw God te verschijnen. AM 4:13 Hij immers die de bergen boetseert en de stormwind schept, die aan mensen zijn plannen onthult, Hij die dageraad tot duisternis maakt, die treedt op de toppen der aarde: Jahwe, God van de machten, is zijn naam! AM 5:1 Hoort dit woord, de rouwklacht die Ik over u aanhef, gij huis Israël! AM 5:2 Zij is gevallen, zij staat niet meer op, de jonkvrouw Israël; zij ligt neergeworpen op haar eigen grond en niemand beurt haar meer op. AM 5:3 Want zo spreekt Jahwe, de Heer: De stad die met duizend man uitrukt, redt er maar honderd; de stad die met honderd man uitrukt, redt er maar tien voor het huis Israël. AM 5:4 Voorwaar, zo spreekt Jahwe tot het huis Israël: Zoekt Mij, en gij zult leven; AM 5:5 maar zoekt Betel niet op, ga niet naar Gilgal en trek niet naar Berseba, want Gilgal gaat in ballingschap en Betel wordt een gruwel. AM 5:6 Zoekt Jahwe, en gij zult leven; doet gij het niet, dan grijpt Hij het huis Jozef aan als een vuur: het verslindt Betel, en niemand komt blussen. AM 5:7 Men verandert het recht in alsem en slaat de gerechtigheid tegen de grond. AM 5:8 Hij, die de Plejaden maakt en Orion; hij die het doodse donker in dageraad verandert, en de dag verduistert tot nacht; Hij die het water van de zee roept en het uitstort over de aarde: Jahwe is zijn naam. AM 5:9 Hij, die de ramp doet flitsen over de machtige: rampspoed komt over de vesting. AM 5:10 Ze haten hem die in de stadspoort vonnis wijst, verfoeien hem die de waarheid spreekt. AM 5:11 Daarom: gij die de zwakke vertrapt en van zijn graanoogst schatting heft, gij bouwt wel huizen van steen, maar erin wonen zult ge niet; gij plant wel fraaie wijngaarden, maar de wijn daarvan drinken zult ge niet. AM 5:12 Ik weet immers, hoe talrijk uw misdaden zijn, hoe menigvuldig uw zonden; gij kwelt de rechtschapenen, gij neemt steekpenningen aan en verdrukt in de poort de armen. AM 5:13 In zulke dagen gaat alles zo slecht dat een verstandig mens geen woord heeft in te brengen. AM 5:14 Zoekt het goede en niet het kwade: dan zult gij leven, dan zal Jahwe, de God van de machten, met u zijn, zoals gij altijd zegt. AM 5:15 Haat het kwade, hebt het goede lief en handhaaft het recht in de stadspoort; misschien zal dan Jahwe, de God van de machten, zich over de rest van Jozef ontfermen. AM 5:16 Zo spreekt Jahwe, de God van de legerscharen, de Heer: Op alle pleinen klinkt een weeklacht, op alle straten kermt men ach en wee. Men roept de landman op tot rouwmisbaar, de klagers van beroep tot weeklacht. AM 5:17 Zelfs in alle wijngaarden klinkt een weeklacht, wanneer Ik door uw midden trek, spreekt Jahwe. AM 5:18 Wee hun, die uitzien naar de dag van Jahwe! Wat zal die dag van Jahwe voor u zijn? Een dag van duisternis en niet van licht! AM 5:19 Zoals iemand, die vlucht voor een leeuw, door een beer wordt overvallen, en dan, als hij zijn huis binnenkomt en met zijn hand tegen de muur leunt, nog door een slang wordt gebeten. AM 5:20 Ja, duisternis zal de dag van Jahwe zijn, geen licht, nachtelijk donker, van alle licht verstoken. AM 5:21 Ik haat, Ik verfoei uw feesten, uw vieringen kan Ik niet luchten. AM 5:22 De brandoffers en meeloffers die gij Mij brengt behagen Mij niet; uw vredeoffers van gemeste kalveren kan Ik niet meer aanzien. AM 5:23 Spaar Mij het lawaai van uw liederen; de klank van uw harpen wil Ik niet meer horen! AM 5:24 Neen, het recht moet stromen als water, de gerechtigheid al een nooit uitdrogende beek. AM 5:25 Hebt gij Mij in de woestijn soms slachtoffers en meeloffers gebracht, veertig jaar lang, gij huis Israël? AM 5:26 De goden die gij u gemaakt hebt, uw koning Sikkut en Kewan, die beelden van sterren, zult gij op uw schouders nemen, AM 5:27 en zo voer Ik u weg, nog voorbij Damascus, spreekt Jahwe: God van de leger scharen is zijn naam! AM 6:1 Wee u, gij zorgelozen in Sion, gij zelfverzekerden op Samaria's berg, gij notabelen van dat weergaloze volk, gij tot wie het huis Israël zich wendt. AM 6:2 Gaat naar Kalne en ziet toe; reist vandaar naar het grote Hamat en dan zuidwaarts naar Gat in het land van de Filistijnen. Zijt gij soms beter dan die koninkrijken of is hun gebied groter dan het uwe? AM 6:3 Gij waant de onheilsdag veraf, maar gij brengt zelf de heerschappij van het onrecht naderbij! AM 6:4 Zij liggen op ivoren bedden en strekken zich uit op hun rustbanken; zij eten de lammeren van de kudde op en de kalveren uit de stal; AM 6:5 zij verzinnen maar liederen, bij het getokkel van de harp en denken dat hun speeltuig dat van David evenaart; AM 6:6 zij drinken wijn uit brede schalen en zalven zich met de kostelijkste olie, maar om Jozefs ondergang bekreunen zij zich niet. AM 6:7 Daarom gaan zij als eersten de ballingschap in, en is het gedaan met de feesten van hen die daar lui liggen uitgestrekt. AM 6:8 Gezworen heeft de Heer, Jahwe, bij zichzelf, zo luidt de godsspraak van Jahwe, de God van de legerscharen: Ik verfoei de heerlijkheid van Jakob en Ik haat zijn paleizen; de stad geef Ik prijs, met al haar bewoners. AM 6:9 En al bleef er maar een huis met tien mensen over, zij zullen sterven. AM 6:10 De oom, de man die het lijk moet verbranden, draagt het dan weg uit het huis. En als iemand roept tot de ander ergens binnen in een huis: 'Is daar bij u nog iemand?' en hij antwoordt: 'niemand meer!' dan zegt de eerste: Sst! Noem niet de naam van Jahwe!' AM 6:11 Want zo luidt Jahwe's bevel: Het grote huis wordt in stukken geslagen, het kleine versplinterd. AM 6:12 Rennen paarden tegen de rotsen op of ploegt men met ossen een steenrots? Maar gij verkeert wel het recht in venijn, de vrucht der gerechtigheid in alsem. AM 6:13 Gij maakt u blij met niets en gij zegt: 'Zijn wij niet geweldig door onze eigen kracht?' AM 6:14 Nu dan, let op: Zo luidt de godsspraak van Jahwe, de God van de legerscharen: Ik laat een volk op u los, huis Israël, dat u onderdrukken zal van de weg naar Hamat tot aan de beek van de Araba! AM 7:1 Dit liet de Heer, Jahwe, mij zien: Hij vormde een zwerm sprinkhanen, toen het nagras begon op te komen, het nagras na de oogst voor de koning. AM 7:2 En toen zij al het groen op het land hadden afgevreten, riep ik: 'Heer, Jahwe, vergeef ons toch! Hoe zal Jakob dit overleven? Hij is zo klein!' AM 7:3 Toen kreeg Jahwe er spijt van.' Het zal niet gebeuren,' sprak de Heer, Jahwe. AM 7:4 Dit liet de Heer, Jahwe, mij zien: de Heer, Jahwe riep op tot een geding door het vuur. Het vuur verteerde de grote vloed en ging ook het bouwland verteren. AM 7:5 Maar ik riep: 'Heer, Jahwe, houd toch op! Hoe zal Jakob dit overleven? Hij is zo klein!' AM 7:6 Toen kreeg Jahwe er spijt van.' Ook dit zal niet gebeuren,' sprak de Heer, Jahwe. AM 7:7 Dit liet de Heer, Jahwe, mij zien: de Heer stond op een loodrechte muur met een paslood in zijn hand. AM 7:8 En Jahwe vroeg mij: 'Wat ziet gij Amos?' Ik antwoordde: 'Een paslood.' Toen zei de Heer: 'Let op! Ik laat dit paslood dwars door mijn volk Israël gaan; Ik ga het niet langer genadig voorbij. AM 7:9 Isaaks offerhoogten worden verwoest, Israëls heiligdommen in puin gelegd, en tegen het huis van Jerobeam keer Ik Mij met het zwaard.' AM 7:10 Toen stuurde Amasja, de priester van Betel, aan Jerobeam, koning van Israël, deze boodschap: 'Binnen uw eigen Israël smeedt Amos een komplot tegen u; het land is tegen al die dreigementen van hem niet bestand. AM 7:11 Want hij, Amos, zegt: 'Jerobeam zal sterven door het zwaard en Israël wordt van zijn eigen grond verbannen.' AM 7:12 En Amasja zei tegen Amos: 'Ziener, u moet maken dat u wegkomt! Verdwijn naar Juda en verdien daar uw brood maar met profeteren! AM 7:13 Hier in Betel mag u niet meer profeteren, want dit heiligdom is van de koning en dit gebouw van het rijk.' AM 7:14 Amos gaf Amasja ten antwoord: 'Ik ben geen profeet of lid van een profetengilde, ik ben veehoeder en vijgenkweker. AM 7:15 Maar Jahwe heeft mij achter mijn beesten weggehaald en het is Jahwe die mij achter mijn beesten weggehaald heeft: Trek als profeet naar mijn volk Israël. AM 7:16 Daarom: hoor het woord van Jahwe. U zegt wel: Je mag tegen Israël niet profeteren, tegen het huis Israël niet schuimbekken. AM 7:17 Maar zo spreekt Jahwe: Uw vrouw zal in deze stad ontucht plegen, uw zonen en dochters zullen omkomen door het zwaard, uw eigen grond zal met het meetsnoer verkaveld worden; zelf zult gij op onreine grond moeten sterven en Israël wordt van zijn eigen grond verbannen.' AM 8:1 Dit liet de Heer, Jahwe, mij zien: een mand met rijpe vruchten. Hij vroeg: 'Wat ziet gij Amos?' Ik antwoordde: 'Een mand met rijpe vruchten.' AM 8:2 Toen zei Jahwe tot mij: Israël, mijn volk, is rijp voor de ondergang; Ik zal het niet langer genadig voorbijgaan. AM 8:3 Op die dag zullen in de tempel de liederen in weeklachten verkeren. Zo luidt de godsspraak van de Heer, Jahwe. Talloos zijn de lijken! Overal liggen ze neergesmeten! Alles is stil! AM 8:4 Hoort dit, gij die strikken spant voor de armen om de misdeelden in het land te verdelgen, AM 8:5 gij die redeneert: 'Wanneer is de nieuwe maan voorbij? Dan kunnen wij ons koren verkopen! En wanneer de sabbat? Dan kunnen wij ons graan uitstallen. Dan verkleinen wij de efa, dan verhogen wij de prijs en bedriegen wij met een vervalste weegschaal. AM 8:6 Dan kopen wij de kleine man voor geld, de arme voor een paar schoenen, en verhandelen wij zelfs het uitschot van ons koren.' AM 8:7 Jahwe heeft gezworen bij de heerlijkheid van Jakob: Geen van hun daden zal Ik ooit vergeten! AM 8:8 De aarde zal daarom gaan beven en al haar bewoners zullen rouwen. Heel de aarde zal rijzen, als de Nijl, plotseling stijgen en weer zakken, als de rivier van Egypte. AM 8:9 Op die dag zo luidt de godsspraak van de Heer, Jahwe doe Ik de zon ondergaan op het middaguur, verduister Ik de aarde op klaarlichte dag. AM 8:10 Dan verkeer Ik uw feesten in rouw, al uw liederen in weeklachten; om alle heupen leg Ik een rouwkleed en alle hoofden scheer Ik kaal. Ik zal het land doen rouwen als over een enig kind; de laatste dag van dit land zal bitter zijn. AM 8:11 Zie, de dagen komen zo luidt de godsspraak van de Heer, Jahwe dat Ik honger breng in het land, geen honger naar brood, geen dorst naar water, maar honger en dorst om het woord van Jahwe te horen. AM 8:12 Dan zullen zij zwerven van zee naar zee, dwalen van het noorden naar het oosten overal zoekend naar het woord van Jahwe, maar zij zullen het niet vinden. AM 8:13 Op die dag zullen de bloeiende meisjes en de stralende jongemannen verkwijnen van dorst. AM 8:14 En zij die zweren bij de zondegod van Samaria, of die zeggen: 'Zo waar uw god leeft, Dan!' en die zeggen: 'Bij de eredienst van Berseba!' Zij zullen vallen om nooit meer op te staan. AM 9:1 Ik zag de Heer, staande op het altaar. Hij sprak: Sla tegen de kapitelen dat de balken beven en breek ze aan stukken, op de hoofden van allen. Wie dan nog overblijft, dood Ik met het zwaard. Geen vluchteling ontsnapt, geen ontsnapte wordt gered. AM 9:2 Al dringen zij het dodenrijk binnen, mijn hand haalt hen daar weg. Al klimmen zij naar de hemel, Ik trek ze daar weer naar beneden. AM 9:3 Al verbergen ze zich op de top van de Karmel, Ik spoor ze daar op en Ik grijp ze. Al onttrekken zij zich aan mijn blik op de bodem van de zee, Ik beveel de slang, hen daar te bijten. AM 9:4 Al lopen zij als krijgsgevangenen voor hun vijanden uit, Ik beveel het zwaard, hen daar te doden. Ik houd mijn blik op hen gericht, ten kwade, niet ten goede. AM 9:5 Jahwe, de Heer van de legerscharen, Hij die de aarde aanraakt, en zij beeft en al haar bewoners rouwen, en heel de aarde rijst, als de Nijl, en zakt weer, als de rivier van Egypte. AM 9:6 Hij die in de hemel zijn verheven troon bouwt en op de aarde zijn gewelf laat rusten, Hij die het water van de zee roept en over de aarde uitstort: Jahwe is zijn naam! AM 9:7 Zijt gij mij niet evenveel waard als de zonen van Kus, gij kinderen van Israël? Zo luidt de godsspraak van Jahwe. Zoals Ik Israël uit Egypte geleid heb, zo bracht Ik de Filistijnen uit Kaftor, Aram uit Kir. AM 9:8 Ja, de ogen van de Heer, Jahwe, zijn op dit zondig koninkrijk gericht. Ik ga het van de aardbodem verdelgen. Maar toch zal Ik het huis Jakob niet geheel en al verdelgen, zo luidt de godsspraak van Jahwe. AM 9:9 Voorwaar, met alle volkeren wordt op mijn bevel het huis Israël wel geschud, als in een zeef, maar geen steentje valt op de grond. AM 9:10 Al de zondaars van mijn volk komen om door het zwaard, allen die zeggen: 'Gij zult het onheil niet dichterbij brengen, het zal ons niet overvallen.' AM 9:11 Op die dag herstel Ik de bouwvallige hut van David, dicht Ik haar scheuren, zet Ik weer overeind wat is neergehaald en bouw Ik haar op als weleer. AM 9:12 Wat is er overgebleven van Edom en van al de volken waarover mijn naam is uitgeroepen, dat nemen zij dan in bezit, zo luidt de godsspraak van Jahwe, die dit voltrekt. AM 9:13 Zie de dagen komen, godsspraak van Jahwe, dat de ploeger de maaier op de voet volgt en de druiventreder de zaaier, en de bergen stromen van de most en alle heuvels ervan druipen. AM 9:14 Dan herstel Ik mijn volk Israël in zijn vroegere staat, dan herbouwen zij de verwoeste steden en bewonen die weer, dan planten zij wijngaarden en drinken hun wijn, leggen zij boomgaarden aan en eten hun vruchten. AM 9:15 Ik zal hen planten in hun eigen grond en zij worden niet meer weggerukt uit de grond die Ik hun heb gegeven. Zo spreekt Jahwe, uw God. OBADJA OB 1:1 Het visioen van Obadja: zo spreekt de Heer Jahwe tegen Edom. Wij hebben een boodschap van Jahwe gehoord, een bode is onder de volkeren rondgezonden: 'Vooruit! Laat ons tegen Edom ten strijde trekken!' OB 1:2 Luister, Ik maak u klein onder de volkeren, diep veracht zult gij zijn. OB 1:3 De trots van uw hart heeft u misleid, u die in de rotskloven woont. Hij vestigt zijn woonplaats in de hoogte en zegt in zijn hart: 'Wie haalt mij omlaag naar de aarde?' OB 1:4 Al vliegt gij zo hoog als de arend en al bouwt gij tussen de sterren uw nest, Ik haal u nog naar omlaag zo luidt de godsspraak van Jahwe. OB 1:5 Als de dieven bij u binnendringen of de rovers bij nacht, wat zult gij dan te gronde gericht worden! Zij nemen immers alles mee wat hun te pas komt. En als de druivenplukkers bij u binnendringen, laten die meer dan de napluk over? OB 1:6 Wat zal Esau doorzocht worden, wat zal men speuren naar zijn verborgen schatten! OB 1:7 Tot aan de grens wordt gij voortgedreven bedrogen door al uw bondgenoten; degenen met wie gij in vrede leefde en met wie gij uw brood deelde, zij overweldigen u en zij leggen u strikken. Er is geen verstand meer in Edom. OB 1:8 Op die dag zo luidt de godsspraak van Jahwe doe ik de wijzen uit Edom verdwijnen, het verstand uit Esau's bergland. OB 1:9 Uw helden, Teman, zullen de moed verliezen, zodat uit Esau's bergland de mensen worden uitgeroeid. OB 1:10 Vanwege de moord, vanwege het geweld, uw broeder Jakob aangedaan, zult gij met schande overladen worden, zult gij eens en voorgoed worden uitgeroeid. OB 1:11 Op die dag dat gij u afzijdig hield, toen vreemdelingen het leger van Jeruzalem gevankelijk wegvoerden, toen buitenlanders zijn poorten binnendrongen om over Jeruzalem het lot te werpen, hebt gij u gedragen als een van hen. OB 1:12 Neen, gij moet de dag van uw broeder, de dag van zijn tegenspoed, niet met leedvermaak bezien. Neen, gij moet u niet vrolijk maken over de zonen van Juda op de dag van hun ondergang, gij moet geen grote mond opzetten op de dag van hun nood. OB 1:13 Neen, gij moet de poort van mijn volk niet binnengaan op de dag van zijn ongeluk, gij moet zijn rampspoed niet met leedvermaak bezien, gij zeker niet, op de dag van zijn ongeluk, gij moet u niet werpen op zijn rijkdommen, gij vrouwen, op de dag van zijn ongeluk. OB 1:14 Neen, gij moet niet gaan staan bij de bressen om de vluchtelingen van mijn volk af te slachten, en hen die ontsnappen moet gij niet uitleveren op de dag van zijn nood. OB 1:15 Want weet wel: de dag van Jahwe is nabij, die komt over alle volken: wat gij anderen doet wordt u gedaan; uw daden komen neer op uw eigen hoofd. OB 1:16 Zoals gij, mijn volk, op mijn heilige berg eens mijn toorn hebt gedronken, zo zullen alle volken er altijd van drinken, drinken en wartaal uitslaan en worden als hadden zij nimmer bestaan. OB 1:17 Maar op de berg Sion is er dan redding: hij zal heilige grond zijn en het huis Jakob krijgt zijn eigendom terug. OB 1:18 Dan is het huis Jakob een vuur, het huis Jozef een vlam, en het huis Esau het stoppelveld: Jakob en Jozef steken er de brand in en verteren het, zodat niemand van Esau ontsnapt, want Jahwe heeft gesproken. OB 1:19 Zij zullen de Negeb bezetten, het bergland van Esau, en de Sefela, het gebied van de Filistijnen; zij zullen het gebied van Efraim bezetten en het gebied van Samaria, en Benjamin zal Gilead bezetten. OB 1:20 Israëls ballingen, een legermacht geworden, zullen Kanaäns grond bezetten tot Sarefat toe; de ballingen van Jeruzalem die in Sefarad zijn zullen de steden van de Negeb bezetten. OB 1:21 Op de berg Sion komen dan de redders om recht te spreken over het bergland van Esau. En aan Jahwe zal het koningschap toebehoren. JONA JON 1:1 Het woord van Jahwe werd gericht tot Jona, de zoon van Amittai: JON 1:2 'Sta op, ga naar Nineve, de grote stad Nineve, en zeg haar aan, dat hun verdorvenheid is doorgedrongen tot Mij in den hoge.' JON 1:3 En Jona stond op, maar om te vluchten naar Tarsis, weg van Jahwe. Hij begaf zich naar Jafo en hij vond daar een schip dat op het punt stond naar Tarsis te varen; hij betaalde voor de overtocht en ging aan boord om mee te varen naar Tarsis, weg van Jahwe. JON 1:4 Maar Jahwe smeet hevige wind op de zee en er brak op de zee zo een hevige storm los, dat het schip dreigde te breken. JON 1:5 De zeelieden werden bevreesd en ieder van hen riep tot zijn eigen god. Om het schip lichter te maken smeten ze de lading in zee. Jona echter was afgedaald tot in het diepst van het ruim, had zich daar neergelegd en was in een diepe slaap gevallen. JON 1:6 De kapitein kwam naar hem toe en zei tot hem: 'Hoe kunt u zo diep slapen? Sta op en bid tot uw god; dan denkt die god misschien aan ons en gaan wij niet te gronde!' JON 1:7 De mannen zeiden tot elkaar: 'Kom, laten we het lot werpen om te zien, aan wie het ligt, dat deze ramp ons treft.' JON 1:8 Zij wierpen het lot en het lot viel op Jona. Zij vroegen hem: 'U, aan wie het ligt dat ons deze ramp treft, vertel ons eens: 'Waarom bent u op reis en waar komt u vandaan? Wat is uw land en tot welk volk behoort u?' JON 1:9 Jona antwoordde: 'Ik ben een Hebreeër en ik vrees Jahwe, de God van de hemel, die de zee en het land gemaakt heeft.' JON 1:10 Toen werden de mannen zeer bevreesd en ze zeiden tot Jona: 'Hoe hebt u zoiets kunnen doen?' Ze hoorden namelijk dat hij, om weg te komen van Jahwe, op de vlucht was gegaan: dat vertelde hij hun. JON 1:11 Zij vroegen hem: 'Wat moeten wij met u doen om door de zee met rust gelaten te worden?' De zee werd namelijk steeds stormachtiger. JON 1:12 Hij antwoordde: 'Neemt mij maar op en smijt mij in zee: dan zal de zee u met rust laten. Ik weet: het ligt aan mij dat deze hevige storm u heeft getroffen.' JON 1:13 De mannen deden nog een poging om terug te roeien naar het land, maar zij slaagden daar niet in, omdat de zee om hen heen steeds stormachtiger werd. JON 1:14 Toen riepen zij tot Jahwe: 'Ach Jahwe, laat ons niet te gronde gaan, wanneer wij deze man om het leven brengen, en reken ons dit niet aan als het vergieten van onschuldig bloed; het heeft U, Jahwe, toch immers behaagd, dit te laten gebeuren!' JON 1:15 Toen namen zij Jona op en smeten hem in zee, en de woede van de zee bedaarde. JON 1:16 De mannen werden met grote vrees voor Jahwe vervuld; ze brachten een offer aan Jahwe en deden Hem geloften. JON 2:1 Nu zond Jahwe een grote vis om Jona te verzwelgen. En Jona was in de buik van de vis, drie dagen en drie nachten. JON 2:2 En in de buik van de vis bad Jona tot Jahwe, zijn God. JON 2:3 Hij zei: 'In mijn nood roep ik Jahwe aan, roep ik tot Hem om antwoord. Uit de schoot van de onderwereld schreeuw ik: Luister naar mijn stem! JON 2:4 Gij hebt mij in de afgrond geworpen, in het hart van de zee; stromen water omgeven mij; al uw brekers, al uw golven slaan over mij heen. JON 2:5 Ik zei al: Verworpen ben ik, uit uw ogen verbannen. Hoe zal ik ooit nog uw heilige tempel aanschouwen? JON 2:6 Het water staat tot mijn lippen, de oceaan omgeeft mij, mijn hoofd is met wier omwonden. JON 2:7 Tot aan het grondvlak van de bergen ben ik in de onderwereld afgedaald; haar grendels zijn achter mij dichtgegaan, voor eeuwig. Trek mij levend omhoog uit de grafkuil, Jahwe, mijn God! JON 2:8 Nu mijn levensadem mij begeeft, gaan mijn gedachten naar Jahwe. Laat mijn gebed tot U komen, in uw heilige tempel. JON 2:9 Degenen die voze waanbeelden dienen, zij geven hun toeverlaat prijs. JON 2:10 Maar ik, ik wil, onder lofgezang U offers brengen, ik wil mijn gelofte gestand doen. Bij Jahwe is redding. JON 2:11 Toen sprak Jahwe tot de vis en de vis spuwde Jona op het droge. JON 3:1 Nu werd het woord van Jahwe voor de tweede maal tot Jona gericht: JON 3:2 'Sta op, ga naar Nineve, de grote stad Nineve, en zeg haar aan wat Ik u te zeggen heb gegeven.' JON 3:3 En Jona stond op en ging naar Nineve, zoals Jahwe bevolen had. Nineve was een geweldig grote stad; drie dagen had men nodig om er doorheen te trekken. JON 3:4 Jona begon de stad in te gaan, een dagreis ver. Toen riep hij: 'Veertig dagen nog, en Nineve wordt met de grond gelijk gemaakt!' JON 3:5 Maar de Ninevieten zochten hun steun bij God; zij riepen een vasten uit en allen, van groot tot klein, trokken zij boetekleren aan. JON 3:6 Het woord van Jona kwam ook de koning van Nineve ter ore; hij stond op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af, trok een boetekleed aan en zette zich neer in het stof. JON 3:7 Hij liet in Nineve omroepen: 'Op last van de koning en van zijn rijksgroten! Mensen en dieren, grootvee en kleinvee, zij mogen niets eten, zij mogen niet grazen en geen water drinken. JON 3:8 Mensen en dieren moeten zich in boetekleren hullen en uit alle macht tot God roepen; ieder moet terugkomen van zijn heilloze wegen en van de ongerechtigheid, die aan zijn handen kleeft. JON 3:9 Wie weet of God dan niet terugkomt op zijn besluit en daar spijt van krijgt; wie weet of Hij niet terugkomt op zijn vlammende toorn, zodat wij niet te gronde gaan!' JON 3:10 En God zag wat zij deden; Hij zag hoe zij terugkwamen van hun heilloze wegen. En God kreeg spijt, dat Hij hen met dat onheil bedreigd had. Hij bracht het niet ten uitvoer. JON 4:1 Jona echter vond dit een heilloos besluit en hij werd nijdig. JON 4:2 Hij bad tot Jahwe: 'Ach Jahwe, had ik het niet gedacht, toen ik nog in mijn land was! Daarom ben ik ook aanstonds maar naar Tarsis gevlucht! Ik wist immers, dat Gij een medelijdende en barmhartige God zijt, lankmoedig en rijk aan liefde, altijd geneigd om spijt te krijgen over aangezegd onheil. JON 4:3 Gij kunt mijn levensadem nu wel van mij wegnemen, Jahwe: de dood is mij liever dan het leven.' JON 4:4 Maar Jahwe vroeg: 'Is er wel reden om zo nijdig te zijn?' JON 4:5 Jona ging de stad uit en aan de oostkant van de stad gekomen, ging hij daar zitten. Hij maakte zich een loofdak en ging daaronder in de schaduw zitten uitkijken, wat er met de stad zou gebeuren. JON 4:6 Nu liet Jahwe God een ricinusboom opschieten, tot boven Jona uit, om zijn hoofd te beschaduwen en hem zo van zijn wreveligheid te genezen. JON 4:7 Jona was opgetogen over die boom. Maar toen beschikte God het zo, dat er de volgende dag in alle vroegte een worm kwam, die de boom aanvrat en deed verdorren. JON 4:8 Bovendien zond God, zodra de zon was opgekomen, een verzengende oostenwind, en de zon stak zo hevig op Jona's hoofd, dat hij uitgeput neerzonk. Hij verlangde te sterven en zei: 'De dood is mij liever dan het leven.' JON 4:9 Maar God vroeg aan Jona: 'Is er wel reden om zo nijdig te zijn over die ricinusboom?' Hij antwoordde: 'Ja, ik heb reden om door en door nijdig te zijn!' JON 4:10 Daarop sprak Jahwe: 'Gij zijt begaan met die ricinusboom, waarvoor gij niets hebt gedaan en die gij niet hebt opgekweekt, die boom die tussen de ene nacht en de andere is opgeschoten en verdwenen? JON 4:11 En zou Ik dan niet begaan zijn met Nineve, de grote stad Nineve, waar zoveel mensen wonen meer dan twaalf tienduizendtallen mensen, die het verschil tussen hun rechterhand en hun linkerhand niet weten, en ook nog zoveel dieren?' MICHA MICHA 1:1 Het woord van Jahwe, dat gericht is tot Micha van Moreset, gedurende de tijd dat Jotam, Achaz en Hizkia regeerden over Juda. Het visioen, dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem. MICHA 1:2 Luistert, alle volken! Let op, gij aarde en al uw bewoners! Laat de Heer Jahwe tegen u getuigen, de Heer in zijn heilige tempel. MICHA 1:3 Daar komt Jahwe uit zijn woning. Hij daalt neer en treedt op de toppen der aarde. MICHA 1:4 Onder zijn voeten smelten de bergen, splijten de dalen vaneen, zij smelten als was voor het vuur, zij splijten als water dat gutst langs een bergwand. MICHA 1:5 Dit alles om de misdaad van Jakob, om de zonden van het huis Israël. Wat is die misdaad van Jakob? Is het niet Samaria? Wat is de offerhoogte van Juda? Is het Jeruzalem niet? MICHA 1:6 'Van Samaria maak Ik een puinhoop op het veld, als was er een wijngaard aangelegd; zijn steden gooi Ik in het dal, zijn fundamenten leg Ik bloot. MICHA 1:7 Al zijn godenbeelden worden stukgeslagen en al zijn hoerenloon in het vuur verbrand; al zijn afgoden sla Ik tot puin want het heeft die bijeengebracht met hoerenloon, en hoerenloon zullen ze weer worden.' MICHA 1:8 Laat mij daarom weeklagen en jammeren, barrevoets lopen en naakt, laat mij huilen als de jakhals, en kermen als de oehoe, MICHA 1:9 want zijn wonden zijn ongeneeslijk, ja, tot in Juda zijn ze te vinden, ze reiken tot aan de poort van mijn volk, tot aan Jeruzalem. MICHA 1:10 Verkondigt het niet in Gat, weent niet in Baka. Wentelt u in het stof te Bet le afra. MICHA 1:11 Trekt voor bij, bewoners van Safir, in smadelijke naaktheid. Komt niet naar buiten, bewoners van Saanan. Het rouwmisbaar in Bet haësel belet u daar te blijven. MICHA 1:12 Ja, de bewoners van Marot zijn ziek van angst om hun welzijn. Ja, van Jahwe is onheil neergedaald tot aan de poort van Jeruzalem. MICHA 1:13 Spant de paarden voor de strijdwagens, bewoners van Lakis, die voor de dochter Sion het begin van de zonde geweest zijn, want bij u zijn Israëls misdaden te vinden. MICHA 1:14 Daarom zult gij vaarwel moeten zeggen aan Moreset gat. De huizen van Akzib worden een ontgoocheling voor de koningen van Israël. MICHA 1:15 Opnieuw doe Ik de veroveraar over u komen, bewoners van Maresa. Naar Adullam zal wijken de heerlijkheid van Israël. MICHA 1:16 Scheer u kaal, vrouw, snijd uw haren weg om de kinderen die uw vreugde waren, maak u zo kaal als een gier, omdat zij als ballingen van u weggehaald worden. MICHA 2:1 Wee over hen die onrecht beramen en in hun bed boze daden bedenken om die bij het eerste morgenlicht te bedrijven, machtig als hun handen zijn. MICHA 2:2 Begeren zij akkers, dan roven zij die, begeren zij huizen, dan nemen zij die! Zij leggen beslag op de man en zijn huis, op de bezitter en op zijn bezit. MICHA 2:3 Daarom, zo spreekt Jahwe, ga Ik tegen dat soort lieden nu eens een boze daad bedenken, iets dat gij niet van uw nek kunt schudden, en rechtop gaan zult gij niet meer; het wordt beslist een kwade tijd! MICHA 2:4 Op die dag zal men een spotlied op u aanheffen en zal er een droevige klaagzang klinken: 'Wij zijn te gronde gericht, totaal te gronde gericht! Het erfdeel van mijn volk geeft Hij aan vreemden! Ach, Hij ontrukt het mij! Aan de goddelozen deelt Hij onze akkers uit!' MICHA 2:5 Dan zult gij niemand meer hebben die u een erfdeel toewijst in de gemeente van Jahwe. MICHA 2:6 'Houd op met profeteren!' zeggen de profeten: 'zulke dingen mag men niet profeteren! Geen schande zal ons treffen. MICHA 2:7 Zou het huis Jakob dan vervloekt zijn? Is de adem van Jahwe dan zo kort? Is dat zijn manier van doen? Weet gij dan niet, dat mijn woorden geluk brengen aan wie de wegen van de rechtvaardige gaat?' MICHA 2:8 Gisteren nog is mijn volk als een vijand opgestaan. Niets vermoedende voorbijgangers die uit de strijd terugkeren berooft gij van hun bovenkleed en laat hun niets dan hun hemd. MICHA 2:9 De vrouwen van mijn volk verdrijft gij uit de woning die hun vreugde was; aan hun kinderen ontneemt gij voorgoed de luister die Ik hun gaf. MICHA 2:10 Vooruit, gaat heen! Hier is geen rustplaats! Vanwege uw onreinheid wordt gij onherstelbaar vernietigd. MICHA 2:11 Als iemand rond zou gaan die enkel wind en leugen uitsloeg en zeggen zou: 'Ik profeteer u wijn en drank!' dan zou die man wel de ware profeet voor dit volk zijn. MICHA 2:12 Ik zal u samenbrengen, Jakob, voltallig samenbrengen. Ik zal hen verzamelen, de rest van Israël. Ik drijf hen bijeen als schapen in de omheining, als een kudde op haar weidegrond: het zal er gonzen van de mensen. MICHA 2:13 De baanbreker gaat voorop: zij breken uit, zij komen de poort door en trekken naar buiten; hun koning schrijdt voor hen uit, Jahwe die voorop gaat. MICHA 3:1 Toen sprak ik: Luistert dan toch, hoofden van Jakob, leiders van het huis Israël! Gij dient toch immers het recht te kennen! MICHA 3:2 Maar zij haten het goede en hebben het kwade lief. Zij stropen hun eigen mensen de huid af en halen hun het vlees van de botten. MICHA 3:3 Zij verslinden het vlees van mijn volk. Zij villen hen, zij breken hun botten, zij snijden hen in stukken, als vlees dat de pot in moet, als lappen voor de braadpan. MICHA 3:4 Als zij tot Jahwe roepen, dan geeft Hij hun geen antwoord, maar Hij verbergt zijn gelaat voor hen, omdat hun daden slecht zijn. MICHA 3:5 Zo spreekt Jahwe tegen de profeten, die mijn volk misleiden: Wanneer ze met hun tanden iets te bijten krijgen, verkondigen zij vrede. Maar degene die hun niets in de mond steekt, hem verklaren zij de oorlog. MICHA 3:6 Daarom zal het nacht voor u zijn, zonder visioen, duisternis, zonder orakel; de zon zal voor die profeten ondergaan, de dag in duisternis verkeren. MICHA 3:7 Dan zullen de zieners beschaamd staan, de waarzeggers te schande worden; zij zullen allen hun mond verbergen, omdat het antwoord van God niet meer komt. MICHA 3:8 Ik echter ben vervuld van kracht, van de geest van Jahwe, van gerechtigheid en van moed, om Jakob zij misdrijf onder ogen te brengen en Israël zijn zonde. MICHA 3:9 Luistert toch naar mij, hoofden van het huis Jakob, leiders van het huis Israël, die de gerechtigheid minacht en alwat recht is verdraait. MICHA 3:10 Met bloed wordt Sion gebouwd, Jeruzalem met misdaad. MICHA 3:11 De hoofden spreken er recht in ruil voor geschenken, de priesters vragen er loon voor hun lessen, de profeten geven er hun orakels voor geld en beroepen zich dan op Jahwe en zeggen: 'Is Jahwe niet in ons midden? Ons overkomt geen kwaad!' MICHA 3:12 En daarom, dank zij u, zal Sion worden omgeploegd, als akkerland, zal Jeruzalem een puinhoop worden, de tempelberg een hoogte vol hakhout. MICHA 4:1 Op het eind van de dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van Jahwe vast zal staan als de eerste der bergen, verheven boven de heuvels en de volken stromen naar hem toe, MICHA 4:2 de vele naties gaan op weg en zeggen: 'Komt, laat ons opgaan naar de berg van Jahwe, naar het huis van Jakobs God: dan zal Hij ons zijn wegen wijzen en wij zullen zijn paden bewandelen. Ja, in Sion ontspringt de wet, in Jeruzalem het woord van Jahwe.' MICHA 4:3 Hij zal recht doen tussen de vele volken en machtige naties tuchtigen, al wonen zij nog zo ver. Dan smeden zij hun zwaarden om tot ploegscharen en hun speerpunten tot snoeimessen; geen volk heft het zwaard meer tegen een ander en de oorlog leren zij niet meer. MICHA 4:4 Een ieder zal onder zijn wingerd zitten of onder zijn vijgeboom, door niemand opgeschrikt. Want de mond van Jahwe heeft gesproken, van Jahwe van de legerscharen. MICHA 4:5 Laat de andere volken hun wegen gaan, elk volk in de naam van zijn God, wij gaan onze weg in de naam van Jahwe, onze God in tijd en eeuwigheid. MICHA 4:6 Op die dag zo luidt de godsspraak van Jahwe wil Ik verzamelen wat kreupel is, bijeenbrengen wat uiteen is gejaagd en degenen aan wie Ik leed heb gedaan. MICHA 4:7 Van dat kreupele maak Ik dan een rest, van dat afgejakkerde een machtig volk. Jahwe zal hen regeren op de berg Sion van nu af tot in eeuwigheid. MICHA 4:8 Wat u betreft, gij Toren van de kudde,' Ofel, dochter Sion, tot u komt weer de heerschappij van vroeger; het koningschap behoort aan de dochter Jeruzalem. MICHA 4:9 Maar waarom jammert gij nu zo luid? Hebt gij dan soms geen koning meer of is uw raadsman verdwenen, dat weeën over u komen als over een vrouw in barensnood? MICHA 4:10 Ja, krijg maar weeën en zwoeg maar, dochter Sion, als een vrouw in barensnood, want gij moet nu de stad verlaten en wonen buiten op het veld. Tot aan Babel zult gij gaan: dat is de plaats waar gij bevrijd zult worden, de plaats waar Jahwe u verlost uit de greep van uw vijanden. MICHA 4:11 Nu hebben de vele volken zich verzameld tegen u en zij roepen: Ontheiligd moet zij worden! Wat een feest voor onze ogen zal Sion dan zijn! MICHA 4:12 Maar die volken beseffen niet, wat de gedachten van Jahwe zijn; zij begrijpen niets van zijn plan om hen te verzamelen als schoven op de dorsvloer. MICHA 4:13 Sta op om te dorsen, dochter Sion! Horens van ijzer geef Ik u, hoeven van koper, om de vele volken te verbrijzelen. Sla ter ere van Jahwe hun buit met de ban; wijd hun rijkdom toe aan de Heer van heel de aarde! MICHA 4:14 Nu moet gij u van smart nog kerven, benauwde stad! Een wal is opgeworpen om ons te belegeren en de rechter van Israël wordt met de staf op zijn wang geslagen. MICHA 5:1 Gij echter, Betlehem in Efrata, al zijt gij klein onder Juda's geslachten, toch zal er, zeg Ik, iemand uit u komen die over Israël gaat heersen. In het verre verleden ligt zijn oorsprong, in lang vervlogen dagen. MICHA 5:2 Daarom zal Hij hen niet langer overlaten aan hun lot dan tot de tijd dat zij die baren zal haar kind gebaard heeft. Dan komt de rest van zijn broeders weer samen met de zonen van Israël. MICHA 5:3 Dan neemt Hij de macht in handen en weidt Hij hen door de kracht van Jahwe, de verheven naam van Jahwe, zijn God. In veiligheid zullen zij wonen, omdat Hij zijn macht zal doen reiken tot aan de uiteinden der aarde; MICHA 5:4 Hij zal de man van de vrede zijn. Als Assur ons land dan binnenvalt en onze paleizen betreedt, stellen wij zeven herders tegenover hem en acht vorsten uit het volk. MICHA 5:5 Die zullen Assur weiden met het zwaard en het land van Nimrod met de blanke sabel. Hij zal ons van Assur bevrijden, als die ons land binnenvalt en ons gebied betreedt. MICHA 5:6 Dan zal de rest van Jakob in de kring van de vele volken als dauw zijn die van Jahwe komt, als regen op het groene gras, dat van mensen niets te verwachten heeft en op mensenkinderen niet moet hopen. MICHA 5:7 Dan zal de rest van Jakob onder de naties, in de kring van de vele volken, zijn als een leeuw onder de dieren van het woud, als een jonge leeuw tussen de schapen en geiten: waar hij komt, daar vertrapt hij, daar verscheurt hij, er is geen redden aan. MICHA 5:8 Laat uw hand zich maar verheffen tegen uw vijanden: al uw tegenstanders worden vernietigd. MICHA 5:9 Op die dag gebeurt het zo luidt de godsspraak van Jahwe : Ik vernietig bij u de paarden en uw strijdwagens doe Ik verdwijnen; MICHA 5:10 Ik vernietig de steden in uw land en Ik sloop al uw vestingen; MICHA 5:11 Ik vernietig de toverkunsten die gij hanteert, en wichelaars zijn er voor u niet meer; MICHA 5:12 Ik vernietig uw godenbeelden en de wijstenen in uw midden. Dan zult gij u niet langer buigen voor het maaksel van uw handen. MICHA 5:13 Ik ruk de heilige palen bij u uit en sla uw beschermheren stuk. MICHA 5:14 In mijn toorn, in mijn woede neem Ik wraak op de volken die niet geluisterd hebben. MICHA 6:1 Hoort dan wat Jahwe zegt.' Sta op, begin een rechtsgeding ten overstaan van de bergen! Laat de heuvels uw stem vernemen!' MICHA 6:2 Aanhoort, gij bergen, het rechtsgeding van Jahwe, en gij ook, onwrikbaren, fundamenten der aarde: Jahwe heeft een rechtsgeding met zijn volk; Hij wil afrekenen met Israël. MICHA 6:3 'Mijn volk, wat heb Ik u aangedaan en waarmee ben Ik u lastig gevallen? Antwoord Mij. MICHA 6:4 Ik heb u toch uit Egypte geleid en u uit het slavenhuis verlost; Ik heb Mozes voor u uit laten gaan en Aäron en Mirjam. MICHA 6:5 Denk toch eens terug, mijn volk, aan het plan van Balak, de koning van Moab; en denk aan het antwoord, dat Bileam de zoon van Beor, hem gaf; en denk aan wat van Sittim tot Gilgal gebeurd is. Dan zult gij Jahwe's weldaden beseffen.' MICHA 6:6 'Waarmee zal ik voor Jahwe treden, mij buigen voor God in den hoge? Zal ik voor Hem treden met brandoffers, met eenjarige kalveren? MICHA 6:7 Zal Jahwe behagen vinden in duizenden rammen, in tienduizenden beken olie? Moet ik voor mijn misdaden mijn eerstgeborene offeren, mijn kind voor de zonden die ik begaan heb?' MICHA 6:8 'Jahwe heeft u gezegd wat goed is, mens, en wat Hij van u verlangt: Hij wil niets anders dan dat gij u houdt aan het recht, dat gij de trouw eerbiedigt, en u tegenover uw God ootmoedig gedraagt.' MICHA 6:9 Hoor! Jahwe roept tot de stad. Wie uw naam vreest wordt gered. Luister! Er komt een tuchtroede en gij weet wie die gezonden heeft! MICHA 6:10 Kan Ik het huis van de boze blijven vergeten, de voorraden, vruchten van boosheid en die vervloekte krappe efa? MICHA 6:11 Kan Ik de weegschaal der boosheid aanvaarden en die buidel vol valse gewichten? MICHA 6:12 De rijken daar in die stad zitten vol met geweld en de burgers zijn er bedriegers met leugentaal in hun mond. MICHA 6:13 Ik heb u dan ook met ziekte geslagen, met ontzetting, vanwege uw zonden. MICHA 6:14 Gij zult wel eten, gij, maar niet verzadigd worden; de honger verlaat u niet. Gij zult uw grondgebied wel uitbreiden, maar behouden kunt ge het niet; en mocht gij al iets behouden, Ik geef het prijs aan het zwaard. MICHA 6:15 Gij zult wel zaaien, maar niet oogsten, gij zult wel olijven persen, maar u niet met de olie zalven, gij zult wel druiven persen, maar de wijn niet drinken. MICHA 6:16 Er wordt gehandeld naar de zeden van Omri, naar de praktijken van Achabs huis. Naar hun opvattingen hebt gij geleefd, en daarom maak Ik u tot een voorwerp van afgrijzen en de bewoners van uw stad tot een aanfluiting. Gij, mijn volk, zult met schande beladen worden. MICHA 7:1 Wee mij! Want het is met mij zoals wanneer de oogst voorbij is, de nalezing van de wijnoogst gedaan is: er blijft geen druif meer om te eten, zelfs geen vroege vijg voor mijn keel. MICHA 7:2 De vrome is uit het land verdwenen, een rechtschapen man is er niet meer te vinden; allen loeren op bloed en maken jacht op hun broeders. MICHA 7:3 Hun handen zijn een boosaardig vangnet; de vorst stelt eisen om zijn plicht te doen; om recht te spreken laat zich de rechter betalen; de machthebber zegt wat zijn hebzucht hem ingeeft. Alles wordt verdraaid. MICHA 7:4 De goede onder hen is nog een distel, de rechtschapene is erger dan een dorenhaag. De dag, door uw wachters aangekondigd, de dag van uw straf is gekomen. Nu begint voor hen de ontzetting. MICHA 7:5 Vertrouw uw buurman niet, verlaat u niet op een vriend en bewaak de poort van uw mond voor de vrouw, die rust in uw armen. MICHA 7:6 Ja, de zoon verslijt zijn vader voor een dwaas, de dochter verzet zich tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder; iemands huisgenoten zijn zijn vijanden. MICHA 7:7 Ik daarentegen blijf wakend uitzien naar Jahwe, blijf hopen op de God die mij zal redden: mijn God zal mij verhoren! MICHA 7:8 Maak u maar niet vrolijk over mij, gij die mij vijandig zijt: al ben Ik gevallen, ik sta weer op; al zit ik in het duister, Jahwe blijft mijn licht. MICHA 7:9 Ik moet de toorn van Jahwe dragen, omdat ik tegen Hem heb gezondigd, totdat Hij het weer voor mij opneemt en mij recht verschaft. Hij zal mij bevrijden, Hij brengt mij naar het licht, en verheugd zal ik opzien naar zijn gerechtigheid. MICHA 7:10 Mijn vijandin zal dat zien en schaamte zal haar bedekken, haar die tegen mij zei: 'Waar blijft Jahwe, uw God?' Mijn ogen zullen op haar neerzien en zij wordt met voeten getreden, als vuil op de straat. MICHA 7:11 Dat is een dag om uw muren weer op te bouwen, de dag waarop uw gebied wordt verruimd, MICHA 7:12 de dag dat men naar u toe zal komen van Assur af tot Egypte toe, van Egypte tot aan de Rivier, van de ene zee tot de andere, van de ene berg tot de andere. MICHA 7:13 En de aarde zal een woestenij worden vanwege haar bewoners: dat zal de vrucht zijn van hun daden. MICHA 7:14 Neem uw herdersstaf en weid uw volk, de schapen die uw erfdeel zijn; tussen de bomen, midden in het woud, zijn zij zo vereenzaamd. Laat ze weiden in Basan en Gilead, zoals in vroegere dagen. MICHA 7:15 Ik laat wonderen zien, zoals in de dagen dat gij uit Egypte wegtrok. MICHA 7:16 De volken zullen ze zien en beschaamd staan met al hun macht. Zij zullen de hand op de mond leggen, hun oren zullen verdoofd zijn. MICHA 7:17 Stof zullen zij likken, als de slang, als de dieren die kruipen over de grond; van schrik verlaten zij hun schuilhoeken, Jahwe, onze God, tegemoet, bevend en angstig voor U. MICHA 7:18 Welke God is als Gij, die de schuld vergeeft, die voorbijgaat aan de zonde, door de rest van zijn erfdeel bedreven, die zijn toorn niet altijd laat duren, maar zijn vreugde vindt in goedheid? MICHA 7:19 Hij zal zich opnieuw over ons ontfermen, Hij zal onze schuld onder zijn voeten verpletteren. Al onze zonden zal Hij naar de bodem van de zee verwijzen. MICHA 7:20 Aan Jakob zult Gij uw trouw, aan Abraham uw goedheid tonen, zoals Gij het onze vaderen hebt bezworen, in de dagen van weleer. NAHUM NAH 1:1 Uitspraak over Nineve. Het boek van het visioen van Nahum uit Elkos. NAH 1:2 Een ijverzuchtige en wrekende God is Jahwe, een wreker is Jahwe, machtig in grimmigheid; Jahwe wreekt zich op wie Hem weerstaan en op zijn vijanden blijft Hij toornen. NAH 1:3 Jahwe is lankmoedig, maar ook geweldig in kracht; niets laat Hij ongestraft, Jahwe. In storm en orkaan gaat Hij zijn weg, wolken zijn het stof onder zijn voeten. NAH 1:4 Hij straft de zee af, Hij legt haar droog en alle rivieren maakt Hij leeg. Basan en Karmel verwelken, verwelkt is Libanons bloei. NAH 1:5 Bergen beven voor Hem, heuvels zwaaien heen en weer. De aarde komt voor zijn aanschijn omhoog, de wereld met al haar bewoners. NAH 1:6 Wie is er tegen zijn toorn bestand, wie kan er op tegen de hitte van zijn gramschap? Zijn grimmigheid stroomt als vuur; de rotsen vallen voor Hem in stukken uiteen. NAH 1:7 Goed is Jahwe: Hij is meer dan een bolwerk op de dag van de benauwenis; NAH 1:8 in de overstelpende watersnood kent Hij degenen die bij Hem hun toevlucht zoeken. Maar Hij maakt een einde aan wie tegen Hem opstaan en zijn vijanden jaagt Hij de duisternis in. NAH 1:9 Wat spant gij toch tegen Jahwe samen? Hij is degene die er een eind aan maakt: de benauwenis zal geen tweemaal hoeven toe te slaan. NAH 1:10 Al klitten zij als dorens aaneen en al zijn ze zo nat als hun drank, als kurkdroge stoppels worden zij verteerd. NAH 1:11 Uit u is iemand voortgekomen, die tegen Jahwe kwaad heeft beraamd en boze plannen gesmeed heeft. NAH 1:12 Zo spreekt Jahwe: Al zijn ze ook nog zo gaaf en nog zo talrijk, ze worden weggemaaid en ze verdwijnen. Ik heb u vernederd, maar Ik zal u niet langer vernederen. NAH 1:13 Nu verbrijzel Ik zijn juk dat op u drukt en Ik breek uw boeien aan stukken. NAH 1:14 Tegen u heeft Jahwe beslist: uw naam wordt niet meer voortgeplant. Uit het huis van uw god vaag Ik weg de gesneden en gegoten beelden. Ik zal uw graf graven, want gij zijt te licht bevonden. NAH 2:1 Zie, op de bergen gaan de voeten van de vreugdebode die vrede meldt! Vier, Juda, uw feesten, volbreng uw geloften! Nooit meer zal de boosdoener door u heen trekken: hij wordt volkomen vernietigd. NAH 2:2 Een vernieler is tegen u opgerukt. Bewaak de vesting! Houd de weg in het oog! Maak uw lenden sterk! Zet al uw krachten in! NAH 2:3 Voorwaar, Jahwe herstelt de glorie van Jakob, ja, de glorie van Israël, omdat rovers hen hebben beroofd en hun wijnranken hebben vernield. NAH 2:4 De schilden van zijn helden zijn rood geverfd, de soldaten zijn gekleed in het karmozijn. Het staal van de strijdwagens vlamt, nu zij zich opstellen; de lansen worden gedrild. NAH 2:5 Over de wegen razen de wagens, over de vlakte jakkeren ze voort; ze lijken wel fakkels; als bliksemschichten flitsen ze voorbij. NAH 2:6 Hij roept zijn keurtroepen op; hals over kop snellen zij toe en haasten zich naar de wallen; het schutdak wordt al opgesteld. NAH 2:7 De poorten van de waterstromen worden opengezet; de tempel wankelt NAH 2:8 en zij die daar staat wordt ontluisterd en meegevoerd, terwijl haar dienaressen jammeren het klinkt als het klagen van duiven en zich op het hart slaan. NAH 2:9 Nineve is als een waterbekken, waaruit het water wegloopt.' Staat stil! Staat toch stil!' Maar niemand keert zich om. NAH 2:10 'Grijpt naar het zilver, grijpt naar het goud!' Er is geen eind aan die voorraad, aan die vracht van allerlei kostbaarheden. NAH 2:11 Leegte, verlatenheid, verwoesting; bezwijkende harten, knikkende knieen, alle lenden trillen, alle gezichten verliezen hun kleur. NAH 2:12 Waar is het hol van de leeuw nu, het graasveld van de leeuwenwelpen, de plaats waar leeuw en leeuwin zich bewogen, met hun jongen, door niemand gestoord? NAH 2:13 De leeuw, die verscheurde voor zijn jongen en worgde voor zijn leeuwinnen, die zijn holen vulde met roof, zijn krochten met roofgoed! NAH 2:14 Nu treed Ik op tegen u zo luidt de godsspraak van Jahwe van de legerscharen : uw wagens laat Ik opgaan in rook, uw welpen verslindt het zwaard, uw buit vaag Ik weg van de aarde en de stem van uw afgezanten wordt niet meer vernomen. NAH 3:1 Wee de bloedstad, een en al leugen, volgepropt met prooi, die stad die het roven nooit staakte! NAH 3:2 Hoor! Zweepslagen! Hoor! Gedender van wielen, rennende paarden, ratelende wagens, NAH 3:3 ruiters op galopperende paarden, vlammende zwaarden, flitsende lansen, gewonden bij hopen, stapels doden: er is geen eind aan de lijken; men struikelt erover, over hun lijken. NAH 3:4 Dat komt van de ontucht, die is opgestapeld door die hoer, die verleidelijke schoonheid, die machtige tovenares, die met haar ontucht volken verkocht en stammen met haar toverkunsten. NAH 3:5 Nu treed Ik op tegen u zo luidt de godsspraak van Jahwe van de legerscharen , nu licht Ik de slippen van uw kleed omhoog tot over uw gezicht en toon Ik de volken uw naaktheid, nu laat Ik ten aanschouwen van de koninkrijken u voor schande staan. NAH 3:6 Ik begooi u met vuilnis, Ik zet u voor gek en maak een kijkspel van u. NAH 3:7 Dan zal iedereen die u ziet van u weglopen en zeggen: 'Nineve is neergeslagen.' Wie is daar rouwig om? Waar zou ik troosters voor u moeten zoeken? NAH 3:8 Zijt gij soms beter dan No amon, tronend aan de stroom, door water omgeven, met een zee als bolwerk en muren van water? NAH 3:9 Ethiopiers waren uw kracht en Egyptenaren, eindeloos veel; Putieers en Libiers waren uw hulptroepen. NAH 3:10 Maar zelfs die stad ging in ballingschap en zij werd gevankelijk weggevoerd. Zelfs zuigelingen werden te pletter geslagen op iedere straathoek. Over haar notabelen werd het lot geworpen en al haar machtige burgers werden in boeien geslagen. NAH 3:11 Zo zult ook gij u bedrinken en onaanzienlijk worden; ook gij zult moeten zoeken naar beschutting tegen een vijand. NAH 3:12 Al uw vestingwerken: vijgebomen zijn het, met vroeg gerijpte vruchten; als ze worden geschud, dan vallen ze de eter in de mond. NAH 3:13 En uw volk: vrouwen zijn het, binnen uw muren. Wijd open voor de vijand staan de poorten van uw gebied: het vuur heeft de sluitbalken verteerd. NAH 3:14 Put maar water, nu gij belegerd gaat worden, versterk uw vestingwerken maar, treedt de klei en kneedt het leem, grijp maar naar de tichelaarsvorm! NAH 3:15 Toch zal het vuur u verteren, zal het zwaard u uitroeien, zal het vuur u verteren, als de verslinders. Al wordt gij zo talrijk als de verslinders, al wordt gij zo talrijk als de sprinkhanen, NAH 3:16 al maakt gij het aantal van uw kooplieden groter dan dat van de sterren aan de hemel, (de verslinders zwermen uit en vliegen weg) NAH 3:17 uw leiders zijn als sprinkhanen, uw ambtenaren als een zwerm kaalvreters, die op de muren blijven zitten, zolang het koud is, en die, wanneer de zon komt, verdwenen zijn en niemand weet hun verblijfplaats: Waar zijn zij heen? NAH 3:18 Uw herders zijn ingeslapen, koning van Assur, uw keurtroepen liggen te rusten; uw volk is verstrooid over de bergen en niemand brengt het weer samen. NAH 3:19 Er is geen heul voor uw rampspoed, uw wonde is niet te genezen. Ieder die het nieuws over u hoort verluiden, klapt om u in de handen. Want wie was er die niet gebukt ging onder uw wreedheid, altijd door? HABAKUK HAB 1:1 Dit is de boodschap, waarmee de profeet Habakuk in een visioen werd belast. HAB 1:2 Hoe lang moet ik nog roepen, Jahwe, terwijl Gij maar niet luistert? Hoe lang moet ik nog: Geweld! tot u schreeuwen, terwijl Gij maar geen uitkomst brengt? HAB 1:3 Waarom laat Gij mij onrecht lijden en ziet Gij die ellende maar aan? Waarom sta ik tegenover geweld en verdrukking en waarom rijst er twist en moet men lijden onder tweedracht? HAB 1:4 De wet wordt erdoor ontzenuwd en de rechtspraak komt nooit meer aan bod; ja, de schurken brengen de rechtvaardigen in het nauw, omdat er alleen maar vervalste rechtspraak aan bod komt. HAB 1:5 Kijkt naar de volken, ziet rond en staat met verbazing geslagen: nog in uw dagen zal iemand iets verrichten, dat ge niet zoudt geloven, als het u werd verteld. HAB 1:6 Voorwaar, Ik ga de Chaldeeën in beweging brengen, dat onverbiddelijk, onstuimig volk, dat de wijde wereld doorkruist om andermans woonsteden te veroveren. HAB 1:7 Het is een schrikwekkend, een angstaanjagend volk; eigenmachtig bepaalt het zijn recht en zijn roem. HAB 1:8 Zijn paarden zijn vlugger dan panters en driester dan wolven bij avond; zijn ruiters komen aangestormd, zijn ruiters komen van verre, zij vliegen aan als de gier die duikt naar zijn buit. HAB 1:9 Het zal komen, dat volk, een en al geweld; zijn aanval schroeit als de wind uit het oosten, het jaagt gevangenen op als stuifzand. HAB 1:10 Met koningen steekt het de draak, met vorsten drijft het de spot; het lacht om iedere vesting: het werpt wat zand op een hoop en de stad wordt veroverd. HAB 1:11 Dan trekt die wind verder en gaat weer voorbij. Maar schuldig is hij, die van zijn kracht een god heeft gemaakt. HAB 1:12 Zijt Gij niet vanouds Jahwe, zijt Gij niet mijn God, mijn heilige, de overwinnaar van de dood? Om het oordeel te voltrekken, Jahwe, hebt Gij dit volk aangewezen. Om te kastijden, Rots, hebt Gij het aangesteld. HAB 1:13 Gij wiens ogen te zuiver zijn om het kwaad aan te zien, Gij die het onrecht niet onbewogen kunt gadeslaan, hoe kunt Gij de verraders aanzien en zwijgen, als de schurk verslindt een man, rechtvaardiger dan hijzelf? HAB 1:14 Gij behandelt de mensen als de vissen in de zee, als het wemelend gedierte dat geen meester heeft. HAB 1:15 De Chaldeeër slaat ze allen aan de haak, hij sleept ze mee in zijn net, hij brengt ze bijeen in zijn fuik. Daarom verheugt hij zich en jubelt hij het uit. HAB 1:16 Daarom brengt hij offers aan zijn net en brandt hij wierook voor zijn fuik: daaraan dankt hij zijn vette buit, zijn overvloedig maal. HAB 1:17 Mag hij dan zijn net maar blijven ledigen? Mag hij ermee doorgaan de volken meedogenloos uit te moorden? HAB 2:1 Ik zal mijn wachtpost betrekken, ik ga op de wallen staan; ik wil uitkijken om te zien, wat Hij mij zeggen zal, het antwoord, dat ik te horen krijg op mijn bezwaren. HAB 2:2 Jahwe gaf mij ten antwoord: Schrijf het visioen op, zet het duidelijk op schrift, zodat men het vlot kan lezen. HAB 2:3 Want het visioen, al wacht het de vastgestelde tijd nog af, hijgt niettemin naar zijn vervulling: het vertelt geen leugen. Al blijft het ook uit, geef het wachten niet op, want komen doet het beslist en het komt niet te laat. HAB 2:4 Wie in zijn hart niet deugt, kwijnt weg, de rechtvaardige echter blijft leven door zijn trouw. HAB 2:5 Hoezeer hem de wijn het hoofd op hol brengt, de trotse tiran zal zijn doel niet bereiken, hij die zijn keelgat open heeft staan als het dodenrijk en die als de Dood zo onverzadigbaar is, hij die alle naties naar zich toehaalt en alle volken bij zich verzamelt. HAB 2:6 Zij zullen immers samen tegen hem een schimplied aanheffen, een lied vol hatelijke spot. Wee degene, zo zal men zeggen, die andermans goed opstapelt hoe lang nog? en die te zware panden eist. HAB 2:7 Onverwacht zullen er immers schuldeisers voor u opdagen, zullen er afpersers voor u wakker worden en zult gij hun prooi zijn. HAB 2:8 Omdat gij die vele naties hebt uitgeplunderd, wordt gij door de rest van de volken uitgeplunderd, om het bloed van de mensen, en het geweld tegen het land en de stad en tegen al haar bewoners. HAB 2:9 Wee degene die woekerwinst maakt ten bate van zijn huis, om zich een nest te bouwen zo hoog, dat hij daarmee denkt te ontkomen aan de hand van het onheil. HAB 2:10 Gij hebt alleen maar schande voor uw huis beraamd; door die vele volken uit te moorden hebt gij uzelf met schuld beladen: HAB 2:11 de stenen schreeuwen het vanuit de muur en de balken vallen hun bij vanuit de gebinten. HAB 2:12 Wee degene die een stad wil bouwen met bloed en een vesting funderen op misdaad! HAB 2:13 Is dit niet de wil van Jahwe van de legerscharen, dat de volken zich moe maken voor wat zal vergaan in het vuur, en dat de naties zich aftobben voor wat uit zal lopen op niets? HAB 2:14 De aarde immers zal worden vervuld met kennis van Jahwe's glorie, zoals de zee boordevol staat met water. HAB 2:15 Wee degene die zijn naasten laat drinken en bij die drank zijn vergif mengt, om hen dronken te maken en zo hun naaktheid te zien. HAB 2:16 Gij hebt u aan schande verzadigd en niet aan eer: drink nu ook zelf en vertoon uw onbesnedenheid. De beker in Jahwe's rechterhand komt deze keer bij u, en schande valt op uw glorie. HAB 2:17 Want onder het geweld, dat gij de Libanon hebt aangedaan, zult gij zelf bedolven worden; door de vernieling, die gij onder de dieren hebt aangericht, zult gij nu zelf getroffen worden: zo zal het u vergaan om het bloed van de mensen, om het geweld tegen het land en de stad en tegen al haar bewoners. HAB 2:18 Brengt een beeld wel zoveel baat, dat het de moeite van de beeldhouwer loont? Een metalen beeld, dat leugen leert, brengt het wel zoveel baat, dat de maker kan vertrouwen op zijn eigen werkstuk, hij, een maker van goden die stom zijn? HAB 2:19 Wee hen die tegen een stuk hout zegt: 'Word wakker!' en tegen een stomme steen: 'Sta op!' Wordt daar iemand wijzer van? Zeker, het is met goud en zilver bekleed, maar leven zit er niet in. HAB 2:20 Jahwe echter woont in zijn heilige tempel: voor zijn aanschijn moet heel de aarde zwijgen. HAB 3:1 Gebed van de profeet Habakuk. Op de wijze van de klaagliederen. HAB 3:2 Jahwe, ik heb van uw roemruchte daden gehoord, vol ontzag heb ik uw werken vernomen. Doe die nu herleven in onze tijd, laat ze ons, in deze tijd, ervaren; wees in uw gramschap uw barmhartigheid indachtig! HAB 3:3 God komt aan uit Teman, de heilige komt van het Parangebergte. Zijn luister overstraalt de hemel, de aarde is vol van zijn glorie. HAB 3:4 Hij schittert als de zon; twee stralen gaan uit van zijn handen: daarin is zijn kracht verborgen. HAB 3:5 Voor hem uit gaat de pest, de koorts volgt hem op de voet. HAB 3:6 Hij treedt op en de aarde trilt. Hij ziet rond en doet de volken sidderen. De aloude bergen worden vermorzeld, de eeuwige heuvelen gaan liggen, de wegen die Hij van oudsher bewandelt. HAB 3:7 Ik zie de tenten van Kusan in nood, de tentzeilen van Midjan klapperen. HAB 3:8 Toornt Jahwe tegen de rivieren? Zijt Gij vergramd op de rivieren of woedend op de zee, dat Gij rijdt met uw paarden, met uw zegevierende wagens? HAB 3:9 Gij haalt uw boog te voorschijn, uw woord wordt een regen van pijlen. Gij splijt de aarde, rivieren ontstaan. HAB 3:10 De bergen zien u en beven, vlagen water trekken voorbij, de oceaan verheft zijn stem en de zon steekt haar armen omhoog. HAB 3:11 De maan verlaat haar verblijf niet. De zon en de maan, zij wijken voor de gloed van uw pijlen, voor het flitsen van uw bliksemende speer. HAB 3:12 Grimmig schrijdt Gij over de aarde, toornig trekt gij de dorsslee over de volken. HAB 3:13 Gij rukt uit om uw volk te bevrijden, om uw gezalfde te bevrijden. Gij verbrijzelt de nok van het goddeloos huis en tot op de rots legt Gij de fundamenten bloot. HAB 3:14 Met uw eigen pijlen doorboort Gij de aanvoerder van de krijgers, die aan komen stormen om mij te verpletteren, verrukt dat zij een weerloze arme in zijn schuilhoek kunnen verslinden. HAB 3:15 Gij rijdt met uw paarden over de zee, over de kolken van het machtige water. HAB 3:16 Ik heb gehoord, een huivering ging door mijn leden, mijn lippen trilden, toen ik het vernam, verrotting tastte mijn gebeente aan, mijn voeten werden wankel onder mij. Toch wacht ik hem rustig af, de dag van ellende, die aan zal breken voor het volk dat ons onderdrukt. HAB 3:17 De vijgeboom bot niet uit, de wingerd draagt geen vrucht, de olijvenoogst is mislukt en de dorre akkers geven geen voedsel meer; de schapen zijn uit de kooien verdwenen en er staat geen rund meer op stal. HAB 3:18 Ik echter, ik verheug mij in Jahwe, ik jubel om de God die mij redt. HAB 3:19 Jahwe, de Heer, is mijn kracht, Hij maakt mijn voeten als de voeten van hinden en doet mij de hoogten betreden. Voor de koorleider: met snarenspel. SEFANJA SEF 1:1 Het woord van Jahwe, dat gericht werd tot Sefanja, de zoon van Kusi, de zoon van Gedalja, de zoon van Amarja, de zoon van Chizkia, in de dagen van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda. SEF 1:2 Alles zal Ik van de aardbodem wegvagen, zo luidt de godsspraak van Jahwe. SEF 1:3 Wegvagen zal Ik mens en dier, wegvagen zal Ik de vogels in de lucht en de vissen in de zee en de ergernissen, tezamen met de boosdoeners. Ik zal de mensen van de aardbodem wegruimen, zo luidt de godsspraak van Jahwe. SEF 1:4 Ik zal mijn hand opheffen tegen Juda en tegen alle inwoners van Jeruzalem. Ik zal van deze plaats wegruimen het overschot van Baäl en de naam van de afgodsdienaars, tezamen met de priesters, SEF 1:5 degenen die zich op de daken neerbuigen voor het leger van de hemellichamen, degenen die zich voor Jahwe onder bezweringen neerbuigen en ook zweren bij Milkom, SEF 1:6 degenen die zich van Jahwe hebben afgekeerd, die Jahwe niet zoeken en Hem niet raadplegen. SEF 1:7 Stilte voor de Heer, voor Jahwe! Want de dag van Jahwe is nabij. Jahwe heeft een offer gereedgemaakt, Hij heeft zijn gasten geheiligd. SEF 1:8 Op de dag van Jahwe's offer zal Ik de rijksgroten straffen en de zonen van de koning en allen die uitheemse kleding dragen. SEF 1:9 Op die dag zal Ik degenen straffen die over de drempel springen, die het huis van hun meesters vullen met geweld en bedrog. SEF 1:10 Op die dag zo luidt de godsspraak van Jahwe klinkt er gejammer uit de Vispoort, gehuil uit de nieuwe wijk en uit het heuvelland luid gekraak. SEF 1:11 Huilt, gij bewoners van de Vijzelbuurt, want alle kooplui zijn tot zwijgen gebracht, alle geldafwegers zijn weggeruimd. SEF 1:12 In die tijd zal Ik Jeruzalem met fakkels doorzoeken en zal ik de mannen bestraffen, die wel dik geworden wijn op zijn droesem lijken en die in hun hart zeggen: 'Jahwe doet goed noch kwaad!' SEF 1:13 Dan worden hun bezittingen geroofd en hun huizen verwoest. Ze bouwen huizen, maar zullen ze niet bewonen; ze planten wijngaarden, maar zullen er de wijn niet van drinken. SEF 1:14 Nabij is de grote dag van Jahwe, hij is nabij en nadert snel. Hoor, hoe bitter hij is, de dag van Jahwe: dan heft de held zijn strijdkreet aan. SEF 1:15 Een dag van toorn is die dag, een dag van nood en benauwenis, een dag van vernieling en vernietiging, een dag van donker en van duisternis, een dag van wolken en van dichte damp, SEF 1:16 een dag van bazuinen en krijgsgehuil tegen de versterkte steden en de hoge hoektorens. SEF 1:17 Ik jaag de mensen angst aan, zodat ze als blinden rondlopen, want ze hebben gezondigd tegen Jahwe. Hun bloed wordt als stof verstrooid, hun vlees als drek. SEF 1:18 Hun zilver en hun goud kunnen hen niet redden op de dag van Jahwe's toorn. Door het vuur van zijn naijver wordt heel de aarde verslonden, want Hij gaat vernietiging brengen, gruwelijke vernietiging, over al de bewoners der aarde. SEF 2:1 Komt tot uzelf en komt samen, gij losgeslagen volk, SEF 2:2 voordat gij wordt weggeworpen als kaf dat op een dag verstuift, voordat op u neerkomt de gloeiende toorn van Jahwe, voordat op u neerkomt de dag van de toorn van Jahwe. SEF 2:3 Zoekt Jahwe, gij allen, ootmoedigen van het land, die zijn geboden naleeft; zoekt de gerechtigheid, zoekt de ootmoed! Dan vindt gij misschien een schuilplaats op de dag van de toorn van Jahwe. de vijand in het westen SEF 2:4 Voorwaar, Gaza wordt een verlaten oord, Askelon een woestenij. Asdod wordt op klaarlichte dag ontruimd, Ekron uitgeroeid. SEF 2:5 Wee u, bewoners van de zeekust, volk van Keretieten! Het woord van Jahwe richt zich tegen u: Kanaän, land van de Filistijnen, verdelgen zal Ik u, al uw bewoners! SEF 2:6 De kuststreek wordt een graasgrond, een weideplaats voor herders, een oord met kralen voor de schapen. SEF 2:7 De streek zal toebehoren aan de rest van het huis Juda. Die zullen daar weiden en zich 's avonds ter ruste leggen in de huizen van Askelon, want Jahwe, hun God, zal naar hen omzien en hen in hun vroegere staat herstellen. SEF 2:8 Ik heb het honen van Moab gehoord en de schimpscheuten van de Ammonieten; Ik heb gehoord, hoe zij mijn volk hoonden, hoe zij snoefden tegen zijn gebied. SEF 2:9 Daarom, zo waar Ik leef zo luidt de godsspraak van Jahwe van de legerscharen, de God van Israël , Moab zal worden als Sodom, de Ammonieten als Gomorra, een veld vol onkruid, een zoutgroeve, een woestenij voor altijd. De rest van mijn volk zal hen uitplunderen, de overblijvenden van mijn natie zullen hun erfgenamen zijn. SEF 2:10 Dit overkomt hen om hun hoogmoed, omdat ze gehoond en gesnoefd hebben tegen het volk van Jahwe van de legerscharen. SEF 2:11 Jahwe zal ontzagwekkend voor hen zijn, want al de goden der aarde zal Hij ineen doen schrompelen. De volken van alle kuststreken zullen zich voor Hem neerbuigen, elk op zijn eigen plaats. in het zuiden SEF 2:12 Ook voor u, Ethiopiers, geldt: Met mijn zwaard worden zij doorstoken! SEF 2:13 Hij heft zijn hand op tegen het noorden en richt Assur te gronde; Nineve maakt Hij tot een wildernis, zo dor als een woestijn. SEF 2:14 Kudden zullen er zich legeren, dieren van allerlei slag. Kauwen en velduilen overnachten op zijn kapitelen. Hoor, gehuil klinkt door de vensters en op de drempels ligt verwoesting, want het cederhout is afgerukt. SEF 2:15 Is dat nu die uitgelaten stad, die zich zo veilig voelde, die zei in haar hart: 'Ik, en niemand naast mij!?' Wat een puinhoop is ze geworden, een plek waar wilde dieren legeren. Ieder die er voorbijkomt fluit en zwaait met zijn hand. SEF 3:1 Wee de rebelse, de bezoedelde, de hardvochtige stad! SEF 3:2 Naar een oproep luistert ze niet, een vermaning aanvaardt ze niet. Ze vertrouwt niet op Jahwe en nadert niet tot haar God. SEF 3:3 De rijksgroten binnen haar muren zijn brullende leeuwen, haar rechters zijn wolven bij avond, die 's ochtends niets meer te kluiven hebben. SEF 3:4 Haar profeten zijn zwetsers en bedriegers; haar priesters schenden wat heilig is en verkrachten de wet. SEF 3:5 Maar Jahwe de Gerechte, is binnen haar muren; Hij doet geen onrecht; morgen aan morgen velt Hij zijn oordeel, zonder mankeren, zodra het weer licht is. Maar de onrechtvaardige weet van geen schaamte. SEF 3:6 Volken heb Ik uitgeroeid, hun hoektorens zijn verwoest; hun straten heb Ik zo vernield, dat niemand er meer langs kan; hun steden liggen in puin, zodat er geen mens meer is, geen bewoner meer blijft. SEF 3:7 Ik had toch gezegd: 'Heb ontzag voor Mij en aanvaard mijn vermaning! Dan zou haar woonplaats niet zijn vernield, zouden al mijn straffen haar niet getroffen hebben.' Maar zij hebben zich enkel gehaast om altijd maar kwaad te bedrijven. SEF 3:8 Daarom: wacht maar op Mij zo luidt de godsspraak van Jahwe, wacht op de dag dat Ik als aanklager optreed. Voorwaar, mijn oordeel luidt aldus: Ik verzamel de volken en breng de koninkrijken bijeen om over hen mijn woede uit te storten, al mijn gloeiende toorn. Ja, door het vuur van mijn naijver zal heel de aarde verteerd worden. SEF 3:9 Maar voorwaar, dan geef Ik mijn volk andere lippen, reine lippen, om allen de naam van Jahwe aan te roepen en Hem te dienen, zij aan zij. SEF 3:10 Van over de rivieren van Ethiopie, waarheen zij verstrooid zijn, komen zij, degenen die Mij aanbidden, mijn offer aan Mij brengen. SEF 3:11 Op die dag wordt er onder u geen misdaad tegen Mij meer begaan waarover gij u te schamen hebt, want dan verwijder Ik uit uw midden uw vrolijke grootsprekers; dan is het gedaan met uw hoogmoedig gedrag op mijn heilige berg. SEF 3:12 Dan laat Ik binnen uw muren alleen nog over een ootmoedig, bescheiden volk, dat zijn toevlucht vindt hij de naam van Jahwe, SEF 3:13 de rest van Israël. Zij zullen geen onrecht meer doen en geen onwaarheid meer spreken; in hun mond is geen tong die bedriegt. Ja, zij zullen weiden en neerliggen, zonder door iemand te worden opgeschrikt. SEF 3:14 Jubel, dochter Sion! Israël, juich! Verheug en verblijd u met heel uw hart, dochter Jeruzalem! SEF 3:15 Jahwe heeft uw vonnis tenietgedaan, Hij heeft uw vijanden weggejaagd. De koning van Israël, Jahwe, Hij is binnen uw muren: gij hebt geen kwaad meer te vrezen. SEF 3:16 Op die dag zal men tegen Jeruzalem zeggen: Vrees niet, Sion; laat uw handen niet verslappen. SEF 3:17 Jahwe, uw God, is binnen uw muren, een reddende held. Hij zal opgetogen zijn van blijdschap om u en zijn liefde opnieuw laten blijken. Luidkeels roept Hij zijn vreugd om u uit. SEF 3:18 De treurige lieden, die ver van het feest blijven, neem Ik van u weg: zij waren een last voor haar, een hoon. SEF 3:19 Let op, hoe Ik zal afrekenen, in die tijd, met al uw verdrukkers. Dan wil Ik redden wat kreupel is en bijeenbrengen wat uiteen is gejaagd. Tot eer en roem breng Ik hen die over heel de aarde veracht werden. SEF 3:20 In die tijd leid Ik u terug; in die tijd, dat Ik u verzamel, breng Ik u, voorwaar, tot eer en roem onder alle volken van de aarde, wanneer Ik voor uw ogen u in uw vroegere staat herstel, zegt Jahwe. HAGGAI HAG 1:1 In het tweede jaar van koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van die maand, werd door de profeet Haggai het woord van Jahwe gericht tot Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, landvoogd van Juda, en tot de hogepriester Jozua, de zoon van Jehosadak. Hij sprak: HAG 1:2 Zo spreekt Jahwe van de legerscharen: Dit volk denkt, dat de tijd nog niet is gekomen, de tijd om het huis van Jahwe te herbouwen. HAG 1:3 Maar het woord van Jahwe, door de profeet Haggai gesproken, luidt aldus: HAG 1:4 Is het voor u dan wel de tijd om zelf in uw goed betimmerde huizen te wonen, terwijl dit huis nog een ruïne is? HAG 1:5 Daarom zo spreekt Jahwe van de legerscharen moet gij eens nadenken over de weg waarop gij u bevindt. HAG 1:6 Gij hebt veel gezaaid, maar ge brengt weinig binnen; gij eet, maar ge wordt niet verzadigd; gij drinkt, maar ge wordt er niet vrolijk van; gij kleedt u, maar ge wordt er niet warm van; de loonarbeider krijgt zijn loon, maar in een buidel met een gat! HAG 1:7 Zo spreekt Jahwe van de legerscharen: Gij moet nadenken over de weg waarop gij u bevindt. HAG 1:8 Gaat het bergland in, haalt daar hout en herbouwt het huis: dan zal Ik daarin mijn welbehagen hebben en er mijn heerlijkheid tonen, zegt Jahwe. HAG 1:9 Gij rekent op veel, maar neen, het is weinig. Wat gij binnenbrengt in uw schuur, Ik blaas het eruit. En waarom? zo luidt de godsspraak van Jahwe van de legerscharen: Omdat mijn huis een ruïne is, terwijl ieder van u zich voor zijn eigen huis uitslooft. HAG 1:10 Daarom heeft u de hemel zijn dauw onthouden, de aarde haar gewas. HAG 1:11 Ik heb droogte uitgeroepen over het land en over de bergen, over het koren, over de most en over de olie en over alles wat de aarde oplevert, over de mensen en over de dieren, over alles wat uw handen voortbrengen. HAG 1:12 Toen gaven Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en de hogepriester Jozua, de zoon van Jehosadak, en heel de rest van het volk gehoor aan de stem van Jahwe, hun God, en aan de woorden van Haggai, de profeet die Jahwe God hun had gezonden. En het volk werd met ontzag voor Jahwe vervuld. HAG 1:13 En Haggai, de bode van Jahwe, sprak in opdracht van Jahwe tot het volk: 'Ik ben met u, zo luidt de godsspraak van Jahwe.' HAG 1:14 Aldus wekte Jahwe de ijver op van Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, de landvoogd van Juda, en ook de ijver van de hogepriester Jozua, de zoon van Jehosadak, en de ijver van heel de rest van het volk: zij begonnen het werk aan het huis van Jahwe van de legerscharen, hun God, HAG 1:15 op de vierentwintigste dag van de zesde maand van het tweede jaar van koning Darius. HAG 2:1 In de zevende maand, op de eenentwintigste dag, werd het woord van Jahwe aan de profeet Haggai toevertrouwd: HAG 2:2 Zeg aan Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, de landvoogd van Juda, en aan de hogepriester Jozua, de zoon van Jehosadak, en aan de rest van het volk het volgende: HAG 2:3 Is er onder u nog iemand overgebleven, die dit huis gezien heeft in zijn vroegere heerlijkheid? En wat ziet gij nu? Is er voor u nog iets aan te zien? HAG 2:4 Niettemin, houd goede moed, Zerubbabel zo luidt de godsspraak van Jahwe ; houd goede moed, gij hogepriester Jozua, zoon van Jehosadak; houdt goede moed, gij allen die het land bewoont zo luidt de godsspraak van Jahwe. Gaat aan het werk! Ik ben met u! Zo luidt de godsspraak van Jahwe van de legerscharen. HAG 2:5 Ik houd mij aan de belofte, die Ik u gedaan heb, toen gij uit Egypte zijt weggetrokken. Mijn geest blijft in uw midden: weest niet bevreesd! HAG 2:6 Zo spreekt Jahwe van de legerscharen: Nog een korte tijd, een zeer korte tijd, en Ik breng de hemel en de aarde, de zee en het land in beroering; HAG 2:7 alle volken breng Ik in beroering: dan komen alle volken met hun schatten hierheen en dan vervul Ik dit huis met heerlijkheid, zegt Jahwe van de legerscharen. HAG 2:8 Aan Mij behoort het zilver, aan Mij behoort het goud, zo luidt de godsspraak van Jahwe van de legerscharen. HAG 2:9 De heerlijkheid van dit tweede huis zal groter zijn dan die van het eerste, zegt Jahwe van de legerscharen. En dit is de plaats waar Ik vrede zal geven, zo luidt de godsspraak van Jahwe van de legerscharen. HAG 2:10 Op de vierentwintigste dag van de negende maan in het tweede jaar van Darius werd het woord van Jahwe tot de profeet Haggai gericht: HAG 2:11 Dit zegt Jahwe van de legerscharen: Gij moet de priesters eens een uitspraak vragen over het volgende: HAG 2:12 'Wanneer iemand in de slip van zijn kleed heilig vlees meedraagt en met die slip brood, moes, wijn, olie of enig ander voedsel aanraakt, wordt het aangeraakte dan heilig?' De priesters gaven ten antwoord: 'Neen.' HAG 2:13 Daarop zei Haggai: 'Wanneer iemand door het contact met een lijk verontreinigd is en een van al die dingen aanraakt, wordt het aangeraakte dan onrein?' De priesters gaven ten antwoord: 'Het wordt onrein.' HAG 2:14 Toen zei Haggai: 'Zo is het met dit volk, zo is het met deze natie in mijn ogen gesteld, luidt de godsspraak van Jahwe. Zo is het ook met al het werk van hun handen en met wat zij daar offeren: het wordt onrein.' HAG 2:15 Ge moet er eens op letten, wat er in de toekomst gaat gebeuren! Vandaag zijn er van de tempel nog geen twee stenen op elkaar gelegd. Hoe is het nu met u gesteld? HAG 2:16 Kwam men bij een korenhoop van twintig maten, dan waren het er maar tien; kwam men bij de wijnpers om vijftig vaten uit de kuip te scheppen, dan waren het er maar twintig. HAG 2:17 Ik heb u geslagen met korenbrand en honingdauw, Ik heb al het werk van uw hanen met hagel geslagen, maar gij hebt u niet tot Mij bekeerd, luidt de godsspraak van Jahwe. HAG 2:18 Ge moet er eens op letten, wat er na vandaag in de toekomst gaat gebeuren, vandaag, de vierentwintigste dag van de negende maand, de dag waarop de funderingen van de tempel van Jahwe gelegd zijn. Daar moet gij eens op letten! HAG 2:19 Is er nog wel koren in de schuur? Ook de wingerd, de vijgeboom, de granaatappelboom en de olijfboom hebben geen vrucht gedragen. Maar van deze dag af zal Ik zegen geven. HAG 2:20 Het woord van Jahwe werd op de vierentwintigste dag van die maand een tweede maal tot Haggai gericht: HAG 2:21 Zeg tegen Zerubbabel, de landvoogd van Juda: Ik ga hemel en aarde in beroering brengen, HAG 2:22 koningstronen omverwerpen, de machtige koninkrijken van de volkeren breken, de wagens omverwerpen, met degenen die erop rijden. De paarden zullen omkomen en de ruiters met hen. Zij zullen vallen door het zwaard van hun strijdmakkers. HAG 2:23 Op die dag zo luidt de godsspraak van Jahwe van de legerscharen zal Ik u, Zerubbabel, zoon van Sealtiël, mijn dienaar, nemen zo luidt de godsspraak van Jahwe en zal Ik u aandoen als mijn zegelring, want Ik heb u uitverkoren, zo luidt de godsspraak van Jahwe van de machten. ZACHARIA ZACH 1:1 In de achtste maand van het tweede jaar van Darius werd het woord van Jahwe gericht tot de profeet Zacharia, de zoon van Berekja, de zoon van Iddo. Het luidde aldus: ZACH 1:2 'Jahwe is zeer vertoornd geweest op uw vaderen. ZACH 1:3 Zeg hun nu: Zo spreekt Jahwe van de machten: 'Keert terug tot Mij zo luidt het woord van Jahwe van de machten , dan keer Ik terug tot u, zegt Jahwe van de machten. ZACH 1:4 Weest niet als uw vaderen, tot wie de vroegere profeten deze oproep gericht hebben: Zo spreekt Jahwe van de machten. Keert u af van uw slechte handel en wandel! Maar zij luisterden niet en bekommerden zich niet om Mij, zo luidt de godsspraak van Jahwe. ZACH 1:5 Waar zijn zij, uw vaderen? En de profeten, leven die eeuwig? ZACH 1:6 Maar mijn woorden en beslissingen, waarmee Ik de profeten, mijn dienaren, belast had, hebben uw vaderen toch bereikt en zij zijn tot inkeer gekomen en zij moesten bekennen: Wat Jahwe van de machten besloten had met ons te doen overeenkomstig onze handel en wandel, dat heeft Hij met ons ook gedaan.' ZACH 1:7 Op de vierentwintigste dag van de elfde maand, de maand Sjebat, in het tweede jaar van Darius, werd het woord van Jahwe gericht tot de profeet Zacharia, de zoon van Berekjahu, de zoon van Iddo: ZACH 1:8 Vannacht had ik een visioen: Ik zag een man op een rossig paard; hij stond tussen de mirten, in de diepte, en achter hem kwamen rossige, helrode en witte paarden. ZACH 1:9 Toen vroeg ik: 'Wat betekent dit, mijn heer?' De engel die met mij sprak zei tot mij: 'Ik zal u laten zien wat dit betekent.' ZACH 1:10 En de man die tussen de mirten stond antwoordde: 'Dat zijn degenen die Jahwe heeft uitgezonden om de aarde te doorkruisen.' ZACH 1:11 Toen antwoordden zij de engel van Jahwe die tussen de mirten stond en zeiden: 'Wij hebben de aarde doorkruist; heel de aarde is in volkomen rust.' ZACH 1:12 Toen nam de engel van Jahwe het woord en zei: 'Jahwe van de machten, hoe lang duurt het nog tot Gij U ontfermt over Jeruzalem en de steden van Juda, waarop Gij nu al zeventig jaar lang vertoornd zijt?' ZACH 1:13 Toen richtte Jahwe vriendelijke en troostrijke woorden tot de engel die met mij sprak. ZACH 1:14 En de engel zei tot mij: 'Gij moet het volgende afkondigen: Zo spreekt Jahwe van de machten: ZACH 1:15 Voor Jeruzalem en de Sion ben Ik van hevige ijver vervuld, maar Ik ben zwaar vertoornd op de heidense volken, die zo zelfverzekerd zijn geweest: terwijl Ik maar matig vertoornd was, hebben zij wel meegeholpen, maar het te erg gemaakt. ZACH 1:16 Daarom spreekt Jahwe aldus: Ik keer naar Jeruzalem terug vol ontferming; daar zal mijn huis herbouwd worden zo luidt de godsspraak van Jahwe van de legerscharen ; het meetsnoer wordt over Jeruzalem uitgespannen. ZACH 1:17 En verder moet gij afkondigen: Dit zegt Jahwe van de machten: Voortaan zullen mijn steden weer overvloeien van goede dingen, en Jahwe zal de Sion weer troosten en Hij zal Jeruzalem weer uitverkiezen.' ZACH 2:1 Ik sloeg mijn ogen op en had een visioen: Ik zag vier horens. ZACH 2:2 Ik vroeg de engel die met mij sprak: 'Wat hebben die te betekenen?' Hij antwoordde mij: 'Dat zijn de horens die Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben.' ZACH 2:3 Daarop liet Jahwe mij vier smeden zien. ZACH 2:4 Ik vroeg: 'Wat komen die doen?' Hij sprak: 'Die horens hadden Juda zozeer verstrooid, dat niemand zijn hoofd meer ophief; nu zijn deze smeden gekomen om die horens schrik aan te jagen, om de volken neer te slaan, die tegen Juda hun horen opstaken en het verstrooiden.' ZACH 2:5 Ik sloeg mijn ogen op en had een visioen: Ik zag een man met een meetsnoer in de hand. ZACH 2:6 Ik vroeg: 'Waar gaat u heen?' Hij gaf mij ten antwoord: 'Ik ga Jeruzalem opmeten en kijken, hoe breed en hoe lang het zal worden.' ZACH 2:7 Toen verscheen weer de engel die met mij sprak en een andere engel kwam hem tegemoet. ZACH 2:8 Deze zei tot hem: 'Vlug! zeg aan die jongen daar: Jeruzalem moet open blijven, niet ommuurd, vanwege de vele mensen en dieren die in de stad wonen. ZACH 2:9 Ik zelf zo luidt de godsspraak van Jahwe zal rondom haar een muur van vuur zijn en met mijn luister midden in haar wonen.' ZACH 2:10 Op! Op! Gij moet vluchten uit het land van het noorden zo luidt de godsspraak van Jahwe, want evenals de vier winden, die over de hemel waaien, heb Ik u uiteengedreven zo luidt de godsspraak van Jahwe. ZACH 2:11 Op, Sion! Gij moet redding zoeken, gij die verblijft bij de dochter Babel, ZACH 2:12 want zo spreekt Jahwe van de machten, wiens heerlijkheid mij is verschenen en mij gezonden heeft; zo spreekt Hij over de volken, die u hebben geplunderd weet wel: wie u raakt, raakt zijn oogappel : ZACH 2:13 Zie, Ik strek mijn hand tegen hen uit en zij zullen een prooi worden voor hun slaven. Zo zult gij weten, dat Jahwe van de machten mij gezonden heeft. ZACH 2:14 Juich en verheug u, dochter Sion, want zie, Ik kom en Ik zal bij u wonen zo luidt de godsspraak van Jahwe. ZACH 2:15 Op die dag zullen vele volken zich bij Jahwe aansluiten; zij zullen mijn volk zijn en Ik zal bij u wonen. Dan zult gij weten, dat Jahwe van de machten mij tot u gezonden heeft. ZACH 2:16 Jahwe zal Juda in bezit nemen als zijn erfdeel op de heilige grond en Hij verkiest Jeruzalem weer uit. ZACH 2:17 Zwijg voor Jahwe, alwat leeft! Hij staat op en komt uit zijn heilige woning. ZACH 3:1 Daarop liet Hij mij de hogepriester Jozua zien, die voor de engel van Jahwe stond, en rechts van hem stond de Satan, gereed om hem aan te klagen. ZACH 3:2 Jahwe zei tot de Satan: 'Jahwe zal u terechtwijzen, Satan! Jahwe, die Jeruzalem heeft uitverkoren, zal u terechtwijzen. Deze Jozua is een stuk brandhout, dat aan het vuur ontrukt is!' ZACH 3:3 Jozua had namelijk vuile kleren aan, terwijl hij voor de engel stond. ZACH 3:4 De engel zei toen tot degenen die bij hem stonden: 'Trekt hem die vuile kleren uit en doet hem feestkleren aan.' En tot Jozua zei hij: 'Zie, ik neem uw ongerechtigheid van u af.' ZACH 3:5 Hij beval verder, dat zij hem een schone tulband op het hoofd zouden zetten. Toen zetten ze hem een schone tulband op het hoofd en kleedden hem, terwijl de engel van Jahwe erbij stond. ZACH 3:6 Daarna deed de engel van Jahwe aan Jozua de volgende plechtige toezegging: ZACH 3:7 'Zo spreekt Jahwe van de machten: Als gij mijn wegen gaat en volbrengt wat Ik u geboden heb, zult gij zowel mijn huis besturen als mijn voorhoven bewaken en zal Ik u toegang geven tot de kring van degenen die hier staan. ZACH 3:8 Luister, hogepriester Jozua, gij en uw ambtgenoten die voor u zitten mannen van het teken zijn zij : Ik zal mijn dienaar, de telg, laten komen. ZACH 3:9 Zie, in de steen die Ik voor Jozua leg zeven ogen staan erop zal Ik zelf een passend opschrift graveren zo luidt de godsspraak van Jahwe van de machten . Op een en dezelfde dag vaag Ik de ongerechtigheid weg van dit land. ZACH 3:10 Op die dag zo luidt het woord van Jahwe van de machten, zult gij elkander uitnodigen onder de wingerd en onder de vijgeboom. ZACH 4:1 De engel die met mij sprak kwam terug en wekte mij zoals men een man uit zijn slaap wekt. ZACH 4:2 Hij vroeg mij: 'Wat ziet gij?' En ik antwoordde: 'Een visioen. Ik zie een luchter, geheel van goud, met bovenaan een oliereservoir; er zitten zeven lampen op en zoals er zeven lampen zijn, zo zijn er ook zeven toevoerbuisjes, een voor iedere lamp van de luchter. ZACH 4:3 Ook twee olijfbomen maken er deel van uit, een aan de rechterkant en een aan de linkerkant van het oliereservoir.' ZACH 4:4 Ik vroeg aan de engel die met mij sprak: 'Wat betekent dat, heer?' ZACH 4:5 De engel die met mij sprak antwoordde: 'Weet ge niet wat dat betekent?' Ik zei: 'Neen, heer.' ZACH 4:6 Hij zei: 'Aldus luidt het woord van Jahwe tot Zerubbabel: Het gebeurt niet door kracht of geweld, maar door mijn geest, zegt Jahwe van de machten. ZACH 4:7 Wie gij ook zijt, grote berg, als Zerubbabel verschijnt, wordt gij een vlakte. Hij zal de sluitsteen aandragen onder uitbundig geroep: 'Prachtig, prachtig!' ZACH 4:8 Het woord van Jahwe kwam tot mij. Het luidde: ZACH 4:9 'Zerubbabels handen hebben van deze tempel de fundamenten gelegd; zijn handen zullen hem ook voltooien. Dan zult gij erkennen, dat Jahwe van de machten mij tot u gezonden heeft. ZACH 4:10 Wie toen het kleine begin gering hebben geschat, zij zullen zich dan verheugen, als zij de middensteen zien in de hand van Zerubbabel.' Deze zeven zijn de ogen van Jahwe, die over de gehele aarde rondgaan. ZACH 4:11 Ik vroeg hem verder: 'Wat betekenen de twee olijfbomen aan de rechterkant en de linkerkant van de luchter?' ZACH 4:12 Ik vroeg hem ook nog: 'Wat betekenen die twee scheuten aan de olijfbomen, die langs twee gouden gootjes de olie naar buiten laten lopen?' ZACH 4:13 Hij gaf mij ten antwoord: 'Weet ge niet wat die betekenen?' Ik zei: 'Neen, heer.' ZACH 4:14 Hij zei: 'Dat zijn de twee met olie gezalfden, die mogen staan voor de Heer van de gehele aarde.' ZACH 5:1 Weer sloeg ik mijn ogen op en ik had een visioen. Ik zag een boekrol zweven. ZACH 5:2 Hij vroeg mij: 'Wat ziet ge?' Ik antwoordde: 'Ik zie een boekrol, die zweeft; ze is twintig el lang en tien el breed.' ZACH 5:3 Hij zei mij: 'Dat is de vloek die over het hele land rondwaart; volgens die vloek blijft geen dief, volgens die vloek blijft geen meinedige ongestraft. ZACH 5:4 Ik heb hem losgelaten zo luidt de godsspraak van Jahwe van de machten; hij zal het huis van de dief binnendringen en het huis van de man die een valse eed zweert bij mijn naam; hij zal in dat huis overnachten en het vernielen, de balken zowel als de stenen.' ZACH 5:5 Toen verscheen mij de engel die met mij sprak en zei tot mij: 'Sla uw ogen op en zie wat daar te voorschijn komt.' ZACH 5:6 Ik vroeg: 'Wat is dat?' Hij antwoordde: 'Wat daar te voorschijn komt is een efa.' Hij ging verder: 'Dat is de ongerechtigheid, die zij in het gehele land bedrijven.' ZACH 5:7 Toen zag ik, dat het loden deksel werd opgelicht en dat er een vrouw in de efa zat. ZACH 5:8 Daarop zei hij: 'Dat is de verdorvenheid.' Hij duwde haar weer in de efa terug en liet het zware lood op de opening terugvallen. ZACH 5:9 Ik sloeg mijn ogen op en ik zag twee vrouwen te voorschijn komen, met de wind in de vleugels. Hun vleugels leken op die van een ooievaar. Zij namen de efa mee omhoog, tussen aarde en hemel. ZACH 5:10 Ik vroeg de engel die met mij sprak: 'Waar brengen ze de efa heen?' ZACH 5:11 Hij antwoordde: 'Ze gaan een huis voor haar bouwen in Sinear. Als dat gereed is, zullen ze haar daar op haar voetstuk zetten.' ZACH 6:1 Weer sloeg ik mijn ogen op en had ik een visioen: Ik zag vier wagens, die tussen de twee bergen uit kwamen, en die bergen waren bergen van koper. ZACH 6:2 Voor de eerste wagen stonden rode paarden, voor de tweede wagen zwarte, ZACH 6:3 voor de derde wagen witte, voor de vierde wagen gevlekte paarden, sterke paarden. ZACH 6:4 Ik nam het woord en vroeg de engel die met mij sprak: 'Wat betekent dit, heer?' ZACH 6:5 De engel antwoordde: 'Dit zijn de vier winden van de hemel, die uitgaan van de plaats waar zij staan, bij de Heer van de gehele aarde. ZACH 6:6 De zwarte paarden gaan met hun wagen naar het noordland, de witte gaan naar het westland, de gevlekte naar het zuidland.' ZACH 6:7 Toen nu de sterke paarden zich in beweging zetten, hunkerend om te vertrekken en de aarde te doorkruisen, zei hij: 'Gaat en doorkruist de aarde!' En zij doorkruisten de aarde. ZACH 6:8 Toen schreeuwde hij mij toe: 'Zie, die naar het noordland gaan, brengen mijn toorn tegen het noordland tot bedaren.' ZACH 6:9 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: ZACH 6:10 Neem de gaven aan uit de handen van de ballingen, van Cheldai, Tobia en Jedaja; nog vandaag moet gij gaan naar het huis van Josia, de zoon van Sefanja, bij wie zij na hun komst uit Babel hun intrek hebben genomen. ZACH 6:11 Daar moet gij zilver en goud in ontvangst nemen; gij moet er een kroon van laten maken en die de hogepriester Jozua, de zoon van Josadak, op het hoofd zetten. ZACH 6:12 Zeg dan tot hem: Zo spreekt Jahwe van de machten: Daar is de man die de telg heet; hij schiet omhoog waar hij is en hij bouwt de tempel van Jahwe. ZACH 6:13 Hij bouwt niet alleen de tempel van Jahwe, maar hij zal ook met luister bekleed worden en als heerser zetelen op zijn troon. Ook een priester zal zetelen op zijn troon en er zal vrede zijn tussen die twee. ZACH 6:14 Wat de kroon betreft, hij zal ter ere van Cheldai, Tobia, Jedaja en de welwillende zoon van Sefanja als aandenken in de tempel van Jahwe blijven. ZACH 6:15 Mensen uit verre landen zullen komen en meebouwen aan de tempel van Jahwe. En gij zult weten, dat Jahwe van de machten mij tot u gezonden heeft. Dit zal geschieden, wanneer gij nauwlettend luistert naar de stem van Jahwe, uw God. ZACH 7:1 In het vierde jaar van koning Darius, op de vierde dag van de negende maand, de maand Kislew, werd het woord van Jahwe tot Zacharia gericht. ZACH 7:2 Betel had Sareser en Regem melek met zijn mannen gezonden om de genade van Jahwe af te smeken; ZACH 7:3 zij vroegen aan de priesters, die tot het huis van Jahwe van de machten behoorden, en aan de profeten: 'Moet ik in de vijfde maand blijven treuren en vasten, zoals ik het nu al zoveel jaren gedaan heb?' ZACH 7:4 Toen werd het woord van Jahwe van de machten tot mij gericht: ZACH 7:5 Zeg aan de gehele bevolking van het land en de priesters: 'Wanneer gij in de vijfde en de zevende maand nu al zeventig jaar hebt gevast en geklaagd, hebt gij dat dan op mijn gezag gedaan? ZACH 7:6 Wanneer gij eet en drinkt, dan doet gij dat toch ook op eigen gezag? ZACH 7:7 Zijn dit niet de woorden, die Jahwe u door de vroegere profeten heeft laten verkondigen, toen Jeruzalem met de om liggende steden nog bewoond was en in goede doen en toen ook het Zuidland en de laagvlakte nog bevolkt waren ZACH 7:8 zo luidt het woord van Jahwe van de machten, gericht tot Zacharia: ZACH 7:9 Spreekt eerlijk recht en bewijst elkander liefde en barmhartigheid; ZACH 7:10 verdrukt niet de weduwe en de wees, de vreemdeling en de arme, en beraamt tegen elkaar geen kwaad.' ZACH 7:11 Zij weigerden echter te luisteren, zij draaiden hun schouders dwars en stopten hun oren toe om niet te horen. ZACH 7:12 Zij maakten hun hart zo hard als diamant en sloegen geen acht op de wet en op de voorschriften, die Jahwe van de legerscharen hun door zijn geest bij monde van de vroegere profeten had voorgehouden. Daarop ontstak Jahwe in hevige toorn. ZACH 7:13 'Zoals Ik riep zonder dat zij luisterden, zo zullen zij nu roepen zonder dat Ik luister, sprak Jahwe van de machten. ZACH 7:14 Ik zal hen uiteen doen stuiven onder allerlei volken die zij niet kennen, en het volk zal achter hen een woestenij worden, waar niemand heengaat of vandaan komt. Zo hebben zij van een heerlijk land een woestenij gemaakt.' ZACH 8:1 Het woord van Jahwe van de machten kwam en het luidde als volgt: ZACH 8:2 Zo spreekt Jahwe van de machten. Ik ijver voor Sion met heftige ijver; heftig en grimmig ijver Ik voor haar. ZACH 8:3 Zo spreekt Jahwe: Ik keer terug naar Sion, Ik neem in Jeruzalem mijn intrek. Jeruzalem zal de stad van de trouw heten, en de berg van Jahwe van de machten de heilige berg. ZACH 8:4 Zo spreekt Jahwe van de machten, Er zullen weer oude mannen en vrouwen zitten op de pleinen van Jeruzalem, ieder met een stok in de hand vanwege hun vele jaren. ZACH 8:5 De pleinen van de stad zullen ook weer vol zijn van jongens en meisjes, die op haar pleinen spelen. ZACH 8:6 Zo spreekt Jahwe van de machten: Het zal in die dagen wonderbaar lijken in de ogen van de rest van dit volk, maar moet het daarom ook in mijn ogen wonderbaar zijn? Zo luidt het woord van Jahwe van de machten. ZACH 8:7 Zo spreekt Jahwe van de machten: Zie, Ik ga mijn volk redden uit het land waar de zon opkomt en uit het land waar zij ondergaat. ZACH 8:8 Ik breng hen terug en zij zullen in Jeruzalem wonen. Zij zullen mijn volk zijn en Ik hun God, in trouw en in gerechtigheid. ZACH 8:9 Zo spreekt Jahwe van de machten: Laat uw handen krachtig zijn, gij die in deze dagen deze woorden hoort uit de mond van de profeten, op de dag dat de fundamenten gelegd zijn om het huis van Jahwe van de machten, de tempel, te herbouwen. ZACH 8:10 Want voor deze dagen kreeg mens noch dier zijn loon. Wie uitging of terugkwam was niet veilig voor de vijand; Ik liet alle mensen op elkander los. ZACH 8:11 Maar nu ben Ik, tegenover de rest van dit volk, anders gezind dan Ik vroeger was zo luidt de godsspraak van Jahwe van de machten. ZACH 8:12 Want het zaad zal gedijen, de wingerd zijn vrucht geven, de aarde haar gewas en de hemel zijn dauw. Dat alles geef Ik als erfdeel aan de rest van dit volk. ZACH 8:13 En zoals gij onder de volken vervloekt zijt geweest, gij huis Juda en huis Israël, zo zal Ik u redden en u gezegend doen zijn. Vreest dus niet en laat uw handen krachtig zijn. ZACH 8:14 Ja, zo spreekt Jahwe van de machten: Zoals Ik besloten had u kwaad te doen, toen uw vaderen Mij tartten zo spreekt Jahwe van de machten en zoals Ik daar toen geen spijt van kreeg, ZACH 8:15 zo heb Ik in deze dagen besloten Jeruzalem en het huis Juda goed te doen. Vreest dus niet. ZACH 8:16 En wat gij doen moet is het volgende: Spreekt de waarheid tegen elkander. Velt in uw poorten eerlijke vonnissen, vonnissen die vrede stichten. ZACH 8:17 Beraamt tegen elkander geen kwaad en verafschuwt valse eden, want al die dingen haat Ik zo luidt de godsspraak van Jahwe. ZACH 8:18 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht: ZACH 8:19 Zo spreekt Jahwe van de machten: De vasten van de vierde, de vasten van de vijfde, de vasten van de zevende en de vasten van de tiende maand zal voor het huis Juda verkeren in vreugde, in blijdschap en in feestelijke samenkomsten. hebt de waarheid en de vrede lief! ZACH 8:20 Zo spreekt Jahwe van de machten: Eens zullen volkeren komen en inwoners van vele steden, ZACH 8:21 en de inwoners van de ene stad zullen gaan naar die van de andere en zij zullen zeggen: 'Laat ons de genade van Jahwe gaan afsmeken en laat ons Jahwe van de machten gaan zoeken; ook ik ga mee.' ZACH 8:22 Dan zullen vele volken en machtige naties komen om in Jeruzalem Jahwe van de machten te zoeken en zijn genade af te smeken. ZACH 8:23 Zo spreekt Jahwe van de machten: In die dagen zullen tien mannen, afkomstig uit volken van allerlei talen, een joodse man bij de slip van zijn kleed vastgrijpen en tot hem zeggen: 'Met u willen wij meegaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is.' ZACH 9:1 Een uitspraak: Het woord van Jahwe is in het land Chadrak en in Damascus is zijn rustplaats, want Jahwe's oog is op de mensen gericht en ook op alle stammen van Israël; ZACH 9:2 ook op het aangrenzende Hamat en op Tyrus en Sidon, met al hun wijsheid. ZACH 9:3 Tyrus heeft zich een vesting gebouwd en zilver heeft het bijeengebracht als stof, goud als slijk in de straten. ZACH 9:4 Nu echter zal de Heer het overmeesteren, Hij zal zijn macht de zee in slaan, en de stad zelf zal door vuur verslonden worden. ZACH 9:5 Askelon zal het zien en vrezen, ook Gaza, dat van ontzetting ineenkrimpt, en Ekron, beschaamd in zijn verwachting. Uit Gaza verdwijnt de koning en Askelon wordt ontvolkt. ZACH 9:6 In Asdod zal de bastaard wonen. Zo breek Ik de hoogmoed van de Filistijn; ZACH 9:7 Ik haal hel het bloed uit de mond en tussen zijn tanden trek Ik de gruwelijkheden weg. Dan blijft ook hij voor onze God over en wordt hij als een stamhoofd in Juda en Ekron wordt als een Jebusiet. ZACH 9:8 Als een wachtpost leg Ik mij voor mijn huis tegen hen die gaan en keren; geen dwingeland trekt meer tegen hen op, want met mijn eigen ogen zie Ik nu toe. ZACH 9:9 Jubel luid, gij dochter Sion, juich, gij dochter Jeruzalem! Zie, uw koning komt tot u, rechtvaardig en zegevierend; hij is deemoedig, hij rijdt op een ezel, op een veulen, het jong van een ezelin. ZACH 9:10 Ik vaag de strijdwagens weg uit Efraïm, de paarden uit Jeruzalem; de strijdboog wordt gebroken. Dan kondigt hij vrede af onder de volken, dan gaat zijn heerschappij van zee tot zee, van de Rivier tot de grenzen der aarde. ZACH 9:11 Wat u betreft, om het bloed van uw verbond laat Ik uw gevangenen vrij uit de put zonder water. ZACH 9:12 Keert terug naar de vesting gij gevangenen die kunt hopen; nog heden kondig Ik af: Ik zal u het dubbele vergoeden. ZACH 9:13 Want Juda span Ik als mijn boog, Efraïm heb Ik gevuld; uw zonen, Sion, moedig Ik aan tegen de zonen van de Ioniërs. Ik maak u als het zwaard van een held. ZACH 9:14 Dan verschijnt Jahwe boven hen; zijn pijlen vliegen als bliksemschichten. Jahwe, de Heer, blaast de bazuin; in stormen uit het zuiden trekt Hij op. ZACH 9:15 Jahwe van de machten is hun schild; zij zullen overwinnen en op de slingerstenen trappen, zij zullen bloed als wijn drinken en er zo vol mee zijn als de plengschaal, als de hoeken van het altaar. ZACH 9:16 Zo zal Jahwe, hun God, op die dag zijn eigen volk, zijn kudde, verlossen; ja, over het land gaat de schittering van de juwelen in de kroon. ZACH 9:17 Hoe goed zal het zijn, hoe heerlijk: het koren doet de jonge mannen gedijen, de most de jonge vrouwen. ZACH 10:1 Vraagt Jahwe om regen, in de tijd van de lentebuien, Jahwe, die de onweerswolken maakt, die de mensen overvloedige regen geeft en groen gewas op hun akkers. ZACH 10:2 Want de huisgoden vertellen bedriegerijen, de waarzeggers zien leugens: zij verkondigen voze dromen en troosten met waanbeelden. Daarom trekken de mensen maar voort, als schapen die ontredderd zijn, omdat ze geen herder hebben. ZACH 10:3 Tegen de herders ben Ik in toorn ontstoken en de bokken zal Ik weten te vinden. Jahwe van de machten zal zelf zijn kudde weer vinden, het huis van Juda, en Hij zal van hen maken zijn prachtig paard voor de strijd. ZACH 10:4 Van die kudde komt de hoeksteen, van haar de tentpin, van haar de strijdboog, van haar komen alle leiders. ZACH 10:5 Zij zullen als helden zijn, die in de strijd hun vijanden vertrappen, als slijk op de straat; zij zullen strijden, omdat Jahwe met hen is en zij zullen de ruiters beschamen. ZACH 10:6 Het huis Juda maak Ik heldhaftig, het huis Jozef zal Ik redden. Ik ontferm mij over hen en voer hen terug, en zij zullen zijn alsof Ik hen nooit had verstoten, want Ik ben Jahwe, hun God, en Ik zal hen verhoren. ZACH 10:7 De mannen van Efraïm zullen zijn als helden, hun hart verheugd als van wijn; hun zonen zullen het zien en zich verheugen en hun hart zal jubelen om Jahwe. ZACH 10:8 Ik zal hen fluiten en hen te zamenbrengen, want Ik heb hen vrijgekocht, en zij worden weer even talrijk als vroeger. ZACH 10:9 Ik heb hen onder de volken verstrooid, maar in verre landen zullen zij aan Mij denken; zij zullen leven, met hun kinderen, en weer terugkeren. ZACH 10:10 Ik voer hen terug uit Egypte, Ik breng hen te zamen uit Assur, Ik leid hen naar Gilead en naar de Libanon, maar ze hebben daar niet genoeg ruimte. ZACH 10:11 Ze trekken de zee door, die hen benauwt en komen de golven van de zee te boven; al de diepten van de Nijl vallen droog, de hoogmoed van Assur wordt neergehaald en de skepter van Egypte wijkt. ZACH 10:12 Ik zal hen heldhaftig maken, heldhaftig door Jahwe: in zijn naam trekken zij op zo luidt de godsspraak van Jahwe. ZACH 11:1 Open, Libanon, uw poorten, laat het vuur uw ceders verteren. ZACH 11:2 Weeklaagt, cypressen, want de ceders zijn gevallen, de machtigen liggen terneer; weeklaagt, eiken van Basan, want het ondoordringbare woud ligt geveld. ZACH 11:3 Hoort hoe de herders klagen, omdat hun lustoord verwoest ligt; hoor hoe de leeuwenwelpen brullen, omdat de luister van de Jordaan verwoest ligt. ZACH 11:4 Zo spreekt Jahwe, mijn God: Weid de schapen die voor de slacht bestemd zijn. ZACH 11:5 Hun kopers slachten hen en worden er niet voor gestraft. Hun verkopers zeggen: 'Gezegend zij Jahwe, ik ben er rijk van geworden!' Hun herders ontzien hen niet. ZACH 11:6 Ik zelf zal de bewoners van het land niet meer ontzien zo luidt de godsspraak van Jahwe . Ik lever die mensen over, een ieder aan zijn buurman en aan zijn koning; die zullen het land slaan en Ik bevrijd het niet uit hun handen. ZACH 11:7 Zo ging ik de schapen van de veehandelaars weiden, die voor de slacht bestemd waren. Ik nam twee herdersstaven de ene noemde ik Lieflijkheid, de ander noemde ik Band en ik ging de kudde weiden. ZACH 11:8 In een maand liet ik de drie herders verdwijnen, omdat ik mijn geduld met hen verloor en omdat zij ook van mij een afkeer hadden. ZACH 11:9 Daarom sprak ik: Ik weid u niet meer; laat sterven wat sterven moet, laat verdwijnen wat moet verdwijnen en laat de overblijvenden elkaars vlees maar verslinden. ZACH 11:10 Toen nam ik mijn staf Lieflijkheid en ik brak hem aan stukken om zo mijn verbond te verbreken, dat ik met al deze volken gesloten had. ZACH 11:11 Het werd diezelfde dag verbroken en de veehandelaars, die op mij letten, begrepen dat dit een woord van Jahwe was. ZACH 11:12 En ik zei tot hen: 'Als het u goed dunkt, geef mij dan mijn loon; vindt u het niet goed, dan moet u het maar laten.' En zij telden mijn loon uit, dertig zilverstukken. ZACH 11:13 Maar Jahwe zei tot mij: 'Werp hem maar voor de smelter, die fraaie prijs, waarop Ik door hen geschat ben.' Ik nam dus de dertig zilverstukken en wierp ze in het huis van Jahwe, voor de smelter. ZACH 11:14 Daarop brak ik mijn tweede staf aan stukken, de staf Band, om de broederschap tussen Juda en Israël te verbreken. ZACH 11:15 Toen sprak Jahwe tot mij: 'Rust u nogmaals toe als een herder, als een herder die niet deugt. ZACH 11:16 Want Ik zal in dit land een herder doen optreden, die niet omziet naar het dier dat te gronde gaat, die het vermiste dier niet zoekt, het gekwetste niet heelt, het nog overeind geblevene niet verzorgt, maar die het vlees van de vette dieren opeet en hun de hoeven afrukt. ZACH 11:17 Wee de nietswaardige herder, die de schapen in de steek laat! Het zwaard zal zijn arm treffen en zijn rechteroog: zijn arm zal volkomen verdorren, zijn rechteroog volkomen verduisteren.' ZACH 12:1 Een uitspraak. Een woord van Jahwe over Israël. Godsspraak van Jahwe, die de hemel heeft uitgespannen, de aarde heeft gegrondvest en de levensgeest van de mens in zijn binnenste gevormd heeft: ZACH 12:2 Zie, Ik maak van Jeruzalem een bedwelmende beker voor alle omwonende volken; maar ook tegen Juda zal het gaan bij het beleg van Jeruzalem. ZACH 12:3 Op die dag zal Ik van Jeruzalem een zwaar te tillen steen voor alle volken maken; al degenen die hem optillen zullen er zich bloedig aan verwonden. Tegen hem zullen alle naties van de aarde samenspannen. ZACH 12:4 Op die dag zo luidt de godsspraak van Jahwe sla Ik alle paarden met schichtigheid en hun berijders met verdwazing; terwijl Ik over het huis Juda mijn ogen opendoe, sla Ik al de paarden van de volken met blindheid. ZACH 12:5 Dan zullen de stamhoofden van Juda in hun hart zeggen: 'De kracht van Jeruzalems burgers ligt bij Jahwe van de machten, hun God.' ZACH 12:6 Op die dag maak Ik de stamhoofden van Juda tot een vuurpan in het hout, tot een brandende fakkel in het stro. Zij zullen alle volken in de omtrek verslinden, rechts en links, terwijl Jeruzalem steeds op zijn plaats blijft. ZACH 12:7 Allereerst zal Jahwe de tenten van Juda redden, opdat de roem van Davids huis en de roem van Jeruzalems burgers niet boven die van Juda uitsteekt. ZACH 12:8 Op die dag zal Jahwe de burgers van Jeruzalem beschutten: de man die wankelde zal op die dag als David worden, het huis van David zal als een God worden, als de engel van Jahwe aan hun spits. ZACH 12:9 Op die dag zal Ik erop uit zijn, al de volken die tegen Jeruzalem zijn opgetrokken te verdelgen. ZACH 12:10 Maar over het huis van David en de bevolking van Jeruzalem zal Ik een geest van mededogen uitstorten, die hen tot bidden brengt. Dan zullen zij opzien naar hem, die zij doorstoken hebben, en over hem een rouwklacht houden, zoals men die houdt over de enige zoon; zij zullen om hem klagen, zoals men klaagt om de eerstgeborene. ZACH 12:11 Zoals de rouwklacht om Hadad rimmon in de vlakte van Megiddo, zo groot zal de rouwklacht in Jeruzalem zijn. ZACH 12:12 Het land zal rouwen, alle geslachten, ieder geslacht voor zich: het geslacht van Davids huis voor zich en hun vrouwen voor zich, het geslacht van Natans huis voor zich en hun vrouwen voor zich; ZACH 12:13 het geslacht van Levi's huis voor zich en hun vrouwen voor zich; het geslacht van Simi's huis voor zich en hun vrouwen voor zich; ZACH 12:14 alle andere geslachten, alle geslachten, ieder geslacht voor zich en hun vrouwen voor zich. ZACH 13:1 Op die dag zal er voor het huis van David en voor de burgers van Jeruzalem een open bron zijn, die zonde en onreinheid wegwast. ZACH 13:2 Op die dag zo luidt de godsspraak van Jahwe van de machten vaag Ik de namen van de afgoden weg uit het land, zodat ze niet meer vernoemd worden; ook de profeten en de geest van onreinheid zal Ik het land uitjagen. ZACH 13:3 Mocht iemand dan nog profeteren, dan zullen zijn vader en zijn moeder, die hem het leven hebben geschonken, tegen hem zeggen: 'Jij zult niet in leven blijven, want jij hebt leugens verteld in Jahwe's naam.' En zijn vader en zijn moeder, die hem het leven hebben geschonken, zullen hem doorsteken, omdat hij als profeet is opgetreden. ZACH 13:4 Op die dag zal iedere profeet zich schamen over het visioen, waarmee hij als profeet is opgetreden, en zij zullen zich niet meer met de haren mantel durven bekleden om te gaan liegen. ZACH 13:5 Neen, hij zal zeggen: 'Ik ben geen profeet, ik ben een man die op het land werkt; van jongsaf heb ik een akker gehad.' ZACH 13:6 En wanneer iemand hem vraagt: 'Waar komen dan de wonden in uw borst vandaan?' zal hij antwoorden: 'Die zijn mij toegebracht in het huis van mijn minnaars.' ZACH 13:7 Zwaard, word wakker en keer je tegen mijn herder, tegen de man die Mij zo na staat! Zo luidt de godsspraak van Jahwe van de machten. Tref de herder: dan worden de schapen verstrooid en keer Ik mijn hand tegen de kleinen. ZACH 13:8 In het hele land zo luidt de godsspraak van Jahwe zullen er twee van de drie uitgeroeid worden en sterven; slechts de derde blijft over; ZACH 13:9 die derde zal Ik brengen in het vuur en smelten zoals zilver wordt gesmolten en louteren zoals goud wordt gelouterd. Dan zal hij mijn naam aanroepen en Ik zal hem verhoren. Dan zal Ik zeggen: 'Dit is mijn volk.' En zij zullen zeggen: 'Jahwe is mijn God.' ZACH 14:1 Er komt een dag van Jahwe, een dag waarop gij geplunderd wordt en de buit binnen uw muren wordt verdeeld. ZACH 14:2 Ik zal namelijk alle volken bijeenbrengen om tegen Jeruzalem te strijden; de stad zal worden veroverd, de huizen geplunderd, de vrouwen verkracht; de helft van de stad gaat in ballingschap, maar de rest van het volk wordt niet uit de stad weggehaald. ZACH 14:3 Want dan trekt Jahwe uit en bindt Hij de strijd aan tegen die volken, zoals Hij gedaan heeft op de dag van het handgemeen. ZACH 14:4 Op die dag zal Hij zijn voeten op de Olijfberg zetten, die tegenover Jeruzalem ligt, aan de oostkant; dan splijt de Olijfberg in tweeën, van oost naar west, zodat er een geweldig dal ontstaat; de ene helft van de berg wijkt noordwaarts, de andere helft zuidwaarts. ZACH 14:5 Dan zult gij het dal in vluchten, tussen mijn bergen, want het dal tussen de bergen zal tot Asel reiken. Gij zult vluchten zoals gij gevlucht zijt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. Dan zal Jahwe, mijn God, zijn intocht doen en zullen alle heiligen met u zijn. ZACH 14:6 Op die dag zal er geen licht meer zijn, maar koude en vorst; ZACH 14:7 een dag zal er zijn, alleen aan Jahwe bekend, dat er dag noch nacht is, maar op het avonduur zal het licht worden. ZACH 14:8 Op die dag zal er levend water uit Jeruzalem stromen, de ene helft naar de oostelijke zee, de andere helft naar de westelijke zee, zo zal het zijn, zomer en winter. ZACH 14:9 Jahwe zal koning zijn over de gehele aarde: op die dag zal Jahwe de enige zijn en zijn naam de enige naam. ZACH 14:10 Heel het land zal worden als de vlakte tussen Geba en Rimmon, dat ten zuiden van Jeruzalem ligt; maar dit zal hoogverheven op zijn plaats blijven, van de Benjaminpoort tot de plaats van de oude poort, de Hoekpoort, en van de Chananeltoren tot de koninklijke perskuipen. ZACH 14:11 Daar zal men wonen en er zal geen banvloek meer zijn; Jeruzalem zal een veilige woonplaats zijn. ZACH 14:12 Maar dit zal de ramp zijn, waarmee Jahwe al de volken zal slaan, die tegen Jeruzalem zijn opgetrokken: Hij zal hun vlees doen wegteren, terwijl ze nog op hun voeten staan; hun ogen zullen in de kassen wegteren en hun tong zal wegteren in hun mond. ZACH 14:13 Die ramp zal ook de paarden, de muildieren, de kamelen en de ezels treffen, en dezelfde ramp al de andere dieren, die zich in die legerkampen bevinden. ZACH 14:14 Op die dag zal Jahwe een hevige paniek onder hen doen uitbreken; de ene man zal grijpen naar de hand van de andere en zij zullen handgemeen worden. ZACH 14:15 Ook Juda zal in Jeruzalem strijden; de rijkdom van al de omwonende volken zal verzameld worden: goud, zilver en een overvloed van gewaden. ZACH 14:16 En alle overlevenden van al de volken die tegen Jeruzalem waren opgetrokken zullen dan ieder jaar opgaan om zich neer te buigen voor de koning, Jahwe van de machten, en om het loofhuttenfeest te vieren. ZACH 14:17 Maar als er iemand uit de geslachten der aarde is, die niet naar Jeruzalem zal opgaan om zich neer te buigen voor de koning, Jahwe van de machten: voor die mensen zal er dan geen regen vallen. ZACH 14:18 En als het geslacht van de Egyptenaren niet opgaat en in de stad komt, dan zal hen de ramp treffen, waarmee Jahwe de volken slaat, die niet opgaan om het loofhuttenfeest te vieren. ZACH 14:19 Dit zal de straf van Egypte zijn en de straf van al de volken die niet opgaan om het loofhuttenfeest te vieren. ZACH 14:20 Die dag zal er op de bellen van de paarden staan: 'Aan Jahwe toegewijd!' De kookpotten in de tempel van Jahwe zullen even heilig zijn als de plengschalen die voor het altaar staan. ZACH 14:21 Ja, alle kookpotten in Jeruzalem en in Juda zullen zijn toegewijd aan Jahwe van de machten, zodat al degenen die komen offeren daaruit zullen kiezen om erin te koken. En er zal geen Kanaäniet meer zijn in de tempel van Jahwe van de machten, op die dag. MALEACHI MAL 1:1 Een uitspraak. Een woord van Jahwe, tot Israël gericht, bij monde van Maleachi. MAL 1:2 Ik heb u lief, zegt Jahwe. Gij vraagt: 'Hoe hebt gij uw liefde voor ons dan getoond?' Was Esau niet de broer van Jakob? luidt de godsspraak van Jahwe. Toch had Ik Jakob lief MAL 1:3 en haatte Ik Esau: van zijn bergland heb Ik een wildernis gemaakt en zijn erfdeel heb Ik prijsgegeven aan de jakhalzen van de woestijn. MAL 1:4 En als Edom zou zeggen: 'Wij zijn wel neergeslagen, maar wij zullen weer opbouwen wat in puin ligt' dan spreekt Jahwe van de machten aldus: Laat hen maar bouwen, Ik sloop het weer;' goddeloos land,' zal men van hen zeggen en: 'dat volk, waarop Jahwe voor eeuwig vertoornd is.' MAL 1:5 Met uw eigen ogen zult gij het zien en gij zult erkennen: Groot toont Jahwe zich over het gebied van Israël. MAL 1:6 De zoon eert zijn vader, de knecht zijn meester. Maar als Ik de vader ben, waar is dan de eerbied voor Mij? En ben Ik de meester, waar is dan de vrees voor Mij? Dat zegt Jahwe van de machten tot u, priesters, die mijn naam minacht. En gij vraagt dan nog: 'Waardoor minachten wij uw naam?' MAL 1:7 Door op mijn altaar verachtelijk voedsel te brengen. En als gij dan verder vraagt: 'Hoe hebben wij U dan veracht?' Door te menen, dat de tafel van Jahwe geminacht kan worden. MAL 1:8 Of is het niet erg, wanneer gij een blind dier brengt om te offeren? En is het niet erg, wanneer gij een kreupel en een ziek dier brengt? Bied ze uw landvoogd maar eens aan! Zou hij welgevallen in u hebben en u vriendelijk ontvangen? vraagt Jahwe van de machten. MAL 1:9 Welnu, probeer maar de gunst van God te winnen: dan zal Hij ons genadig zijn. Want als gij handelt zoals nu, zou Hij zich dan goedgunstig tonen? zegt Jahwe van de machten. MAL 1:10 Was er onder u maar iemand, die de deuren dichtdeed, zodat er geen doelloos vuur meer op mijn altaar werd ontstoken. Ik heb geen welgevallen in u, zegt Jahwe van de machten, en het offer uit uw handen behaagt Mij niet. MAL 1:11 Werkelijk, van de opkomst van de zon tot aan haar ondergang is mijn naam groot onder de volken; overal wordt aan mijn naam een wierookoffer gebracht en een reine offergave. Ja, groot is mijn naam onder de volken, zegt Jahwe van de machten. MAL 1:12 Gij echter ontheiligt die naam door te zeggen: De tafel van de Heer is verachtelijk en het voedsel dat er vandaan komt is verwerpelijk. MAL 1:13 En terwijl gij zegt: 'Wat een moeite!' en er uw neus voor optrekt zegt Jahwe van de machten brengt gij geroofde dieren en kreupele en zieke, om die te offeren. Moet Ik daarin behagen hebben? zegt Jahwe. MAL 1:14 Vervloekt de bedrieger, die een mannelijk dier in zijn kudde heeft en die dat wel belooft, maar de Heer toch een minderwaardig offer brengt, want Ik ben een grote koning, zegt Jahwe van de machten, en mijn naam wordt gevreesd onder de volken. MAL 2:1 Daarom geldt voor u, priesters, dit besluit: MAL 2:2 Wanneer gij niet luistert en wanneer gij u om de glorie van mijn naam niet bekommert zegt Jahwe van de machten, dan laat Ik de vloek over u komen, dan vervloek Ik de u gegeven zegen; voorwaar, Ik vervloek die, omdat gij er u toch niet om bekommert. MAL 2:3 Ik zal uw arm krachteloos maken en Ik zal u de afval van uw feestoffers in het gezicht werpen, en daarmee zult ge worden weggebracht. MAL 2:4 Dan zult gij weten, dat Ik dit besluit over u heb doen uitgaan, op grond van mijn verbond met Levi zegt Jahwe van de legerscharen. MAL 2:5 Mijn verbond met hem betekende leven en vrede, en Ik heb hem die ook gegeven; het betekende vrees, en hij heeft Mij ook gevreesd en gebeefd voor mijn naam. MAL 2:6 De ware leer lag hen in de mond en over zijn lippen kwam geen ongerechtigheid; in vrede en rechtschapenheid heeft hij met Mij verkeerd en velen heeft hij van het kwade weerhouden. MAL 2:7 En inderdaad: de lippen van de priester moeten de kennis bewaren en uit zijn mond verwacht men de leer, omdat hij een bode is van Jahwe van de machten. MAL 2:8 Gij echter zijt van de weg afgeweken en hebt door uw lering velen laten struikelen; gij hebt het verbond met Levi tenietgedaan, spreekt Jahwe van de machten. MAL 2:9 Daarom zal Ik zorgen dat gij bij het hele volk verguisd en versmaad wordt, omdat gij mijn wegen niet hebt bewandeld en in uw lering de mensen naar de ogen hebt gezien. MAL 2:10 Hebben wij niet allen een vader? Heeft niet een God ons geschapen? Waarom bedriegen wij elkaar dan en schenden wij daarmee het verbond, dat met onze vaderen is gesloten? MAL 2:11 Juda heeft ontrouw gepleegd. In Israël en Jeruzalem is een gruwelijke daad bedreven. Want door de dochter van een vreemde god te huwen heeft Juda datgene geschonden wat aan Jahwe is toegeheiligd en wat Hem zo dierbaar is. MAL 2:12 Moge Jahwe ieder, die voor deze man spreekt of getuigt of aan Jahwe van de machten een offer voor Hem brengt, uit de tenten van Jakob laten verdwijnen. MAL 2:13 Er is ook nog iets anders dat gij doet. Onder gekerm en geklaag overstelpt gij het altaar van Jahwe met tranen, omdat Hij geen acht meer slaat op uw offergave en niets meer met welgevallen uit uw handen aanneemt. MAL 2:14 Vraagt gij waarom? Omdat Jahwe de getuige is geweest bij u en de vrouw van uw jeugd, de vrouw, tegenover wie gij ontrouw hebt gepleegd, terwijl ze uw gezellin is en de vrouw van uw verbond. MAL 2:15 Heeft de Ene haar niet voor hem gemaakt als zijn vlees en leven? En wat wil die Ene anders dan kinderen van God? Draagt dus zorg voor uw leven en wees niet ontrouw aan de vrouw van uw jeugd. MAL 2:16 Want als een man zijn vrouw uit haat wegzendt zegt Jahwe, de God van Israël bedekt hij onrecht met zijn kleed, zegt Jahwe van de machten. Draagt dus zorg voor uw leven en weest niet ontrouw. MAL 2:17 Gij maakt Jahwe moe met uw woorden! Gij zegt: 'Hoe doen wij dat dan?' Doordat gij zegt: 'Ieder die kwaad doet staat bij Jahwe in de gunst; in zulke mensen heeft Hij welgevallen.' Of: 'Waar blijft de God van het recht?' MAL 3:1 'Zie, ik zend mijn bode om voor Mij uit de weg te banen. Plotseling zal dan de Heer in zijn heiligdom binnentreden, de Heer die gij zoekt, de bode van het verbond, naar wie gij met vreugde uitziet. Zie, Hij komt, zegt Jahwe van de machten. MAL 3:2 Maar wie verdraagt de dag van zijn komst? Wie blijft er staande, als Hij verschijnt? Want Hij is als het vuur van de smelter, als het loog van de blekers. MAL 3:3 Hij zal zich neerzetten, Hij die het zilver smelt en reinigt: de levieten reinigt en loutert Hij, als goud en zilver. Dan zullen zij Jahwe weer hun offergaven brengen zoals dat betaamt. MAL 3:4 Dan zal het offer van Juda en Jeruzalem aan Jahwe behagen, evenals in de dagen van weleer, in de vroegere jaren. MAL 3:5 Dan kom Ik tot u om recht te doen, om als een voortvarend aanklager op te treden tegen de tovenaars, de echtbrekers, de meinedigen, tegen degenen die de dagloner zijn verdiende loon onthouden, die de weduwe en de wees verdrukken, die de vreemdeling opzijdringen, tegen al degenen die Mij niet vrezen, zegt Jahwe van de machten. MAL 3:6 Voorwaar, Ik, Jahwe, Ik ben niet veranderd, maar gij, zonen van Jakob, gij weet van geen ophouden. MAL 3:7 Sinds de dagen van uw vaderen zijt gij van mijn voorschriften afgeweken en hebt gij ze niet onderhouden. Keert terug tot Mij, dan keer Ik terug tot u, zegt Jahwe van de machten. Gij vraagt: 'Hoe moeten wij dan terugkeren?' MAL 3:8 Een mens mag God toch niet bestelen? En toch, gij besteelt Mij. Gij vraagt: 'Hoe bestelen wij u dan?' In de tienden en de verplichte bijdragen. MAL 3:9 Gij zijt door de vervloeking getroffen en toch blijft gij Mij bestelen, heel het volk. MAL 3:10 Brengt de tienden van alles naar het voorraadhuis, zodat er in mijn woning voedsel is; stelt Mij maar eens op de proef, zegt Jahwe van de machten, of Ik de luiken van de hemel niet voor u openzet en of Ik niet zegen over u uitstort, meer dan gij kunt opnemen. MAL 3:11 Dan verjaag Ik voor u de veelvraten, zodat die de vruchten van uw akkerland niet meer kunnen vernielen en de wingerd op het veld niet onvruchtbaar voor u blijft, zegt Jahwe van de machten. MAL 3:12 Dan zullen alle volken u gelukkig prijzen, omdat gij een begenadigd land zult zijn, zegt Jahwe van de machten. op de Dag van Jahwe MAL 3:13 Uw woorden ergeren Mij, zegt Jahwe. Gij vraagt: 'Wat was er in onze gesprekken dan tegen u gericht?' MAL 3:14 Gij hebt gezegd: 'Het is zinloos God te dienen. Wat winnen wij ermee, dat wij zijn geboden onderhouden en voor Jahwe van de machten in boetekleren lopen? MAL 3:15 Het is immers zo, dat wij degenen die God trotseren gelukkig prijzen; degenen die kwaad doen gaat het voor de wind en degenen die God verzoeken brengen het er goed af.' MAL 3:16 Toen spraken degenen die Jahwe vrezen met elkaar. En Jahwe heeft geluisterd en het gehoord. En voor zijn aangezicht werd een gedenkschrift opgesteld aangaande hen die Jahwe vrezen, hen die zijn naam eerbiedigen. MAL 3:17 Zij zullen mijn eigendom zijn, zegt Jahwe van de machten, op de dag, die Ik ga maken. Dan zal Ik hen sparen, zoals een man zijn zoon spaart, wanneer die hem dient. MAL 3:18 Dan zult gij opnieuw het verschil zien tussen de rechtvaardige en de boosdoener, tussen degene die God dient en degene die Hem niet dient. MAL 3:19 Want weet wel: hij gaat komen, de dag, die zal branden als een oven. Al degenen die God trotseren en al degenen die kwaad doen, zij worden kaf. De dag die gaat komen, steekt hen in brand zegt Jahwe van de machten de dag, die wortel noch tak van hen overlaat. MAL 3:20 Maar voor u, die mijn naam vreest, gaat dan de zon van de gerechtigheid op, die met haar vleugels genezing brengt. Dan zult gij dansend naar buiten komen, als kalveren die op stal hebben gestaan, MAL 3:21 en gij zult de boosdoeners vertrappen; ze zullen stof onder uw voetzolen zijn, op de dag, die Ik ga maken, zegt Jahwe van de machten. MAL 3:22 Weest dus de wet indachtig van Mozes, mijn dienaar, aan wie Ik op de Horeb voorschriften en bepalingen voor heel Israël heb gegeven. MAL 3:23 Zie, Ik ga u de profeet Elia zenden voordat de dag van Jahwe komt, de grote, vreeswekkende dag. MAL 3:24 En hij zal het hart van de vaders naar de zonen keren en het hart van de zonen naar de vaders, zodat Ik niet behoef te komen om het land met de ban te slaan. NT MATTEÜS MAT 1:1 Geslachtslijst. Geslachtslijst van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham. MAT 1:2 was de vader van Isaak, Isaak van Jakob, Jakob van Juda en zijn broers; MAT 1:3 Juda was de vader van Peres en Zerach, die uit Tamar geboren werden; Peres was de vader van Chesron, Chesron van Aram, MAT 1:4 Aram van Amminadab, Amminadab van Nachson, Nachson van Salmon, MAT 1:5 Salmon van Boaz, die uit Rachab geboren werd; Boaz was de vader van Obed, geboren uit Ruth; Obed was de vader van Isa en Isa van David, de koning. MAT 1:6 David was de vader van Salomo, die geboren werd uit de vrouw van Uria; MAT 1:7 Salomo was de vader van Rechabeam, Rechabeam van Abia, Abia van Asa, MAT 1:8 Asa van Josafat, Josafat van Joram, Joram van Uzzia, MAT 1:9 Uzzia van Jotam, Jotam van Achaz, Achaz van Hizkia, MAT 1:10 Hizkia van Manasse, Manasse van Amon, Amon van Josia, MAT 1:11 Josia van Jechonja en zijn broers in de tijd van de Babylonische ballingschap. MAT 1:12 Na de Babylonische ballingschap werd Jechonja de vader van Sealtiël, Sealtiël van Zerubbabel, MAT 1:13 Zerubbabel van Abiud, Abiud van Eljakim, Eljakim van Azor, MAT 1:14 Azor van Sadok, Sadok van Achim, Achim van Eliud, MAT 1:15 Eliud van Eleazar van Mattan, Mattan van Jakob. MAT 1:16 Jakob nu was de vader van Jozef, de man van Maria, en uit haar werd geboren Jezus die Christus genoemd wordt. MAT 1:17 In het geheel zijn er dus van Abraham tot David veertien geslachten, van David tot de Babylonische ballingschap ook veertien geslachten en van de Babylonische ballingschap tot de Christus eveneens veertien geslachten. MAT 1:18 Geboorte van Jezus. De geboorte van Jezus Christus vond plaats op deze wijze. Toen zijn moeder Maria verloofd was met Jozef, bleek zij, voordat ze gingen samenwonen, zwanger van de heilige Geest. MAT 1:19 Omdat Jozef, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, dacht hij er over in stilte van haar te scheiden. MAT 1:20 Terwijl hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer die tot hem sprak: 'Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; het kind in haar schoot is van de heilige Geest. MAT 1:21 Zij zal een zoon ter wereld brengen die gij Jezus moet noemen, want Hij zal zijn volk redden uit hun zonden.' MAT 1:22 Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden wat de Heer gesproken heeft door de profeet, die zegt: MAT 1:23 Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon ter wereld brengen en men zal Hem de naam Immanuël geven. Dat is de vertaling: God met ons. MAT 1:24 Ontwaakt uit de slaap deed Jozef zoals de engel van de Heer hem bevolen had en nam zijn vrouw tot zich. MAT 1:25 Toch had hij geen gemeenschap met haar, totdat zij een zoon ter wereld bracht; en hij noemde Hem Jezus. MAT 2:1 Bezoek van de Wijzen. Toen dan Jezus te Betlehem in Juda geboren was ten tijde van koning Herodes, kwamen er te Jeruzalem Wijzen uit het oosten MAT 2:2 en vroegen: 'Waar is de pasgeboren koning der Joden? Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien en zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen.' MAT 2:3 Toen koning Herodes dit hoorde, werd hij verontrust en heel Jeruzalem met hem. MAT 2:4 Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk bijeen en legde hun de vraag voor, waar Christus moest geboren worden. MAT 2:5 Zij antwoorden hem: 'Te Betlehem in Juda. Zo immers staat er geschreven bij de profeet: MAT 2:6 En gij, Betlehem, landstreek van Juda, gij zijt volstrekt niet de geringste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman te voorschijn treden, die herder zal zijn over mijn volk Israël.' MAT 2:7 Toen ontbood Herodes in het geheim de Wijzen en vroeg hun nauwkeurig naar de tijd waarop de ster verschenen was. MAT 2:8 Daarop zond hij hen naar Betlehem met de opdracht: 'Gaat een zorgvuldig onderzoek instellen naar dat Kind en wanneer gij het gevonden hebt, bericht het mij dan, opdat ook ik het hulde kan gaan brengen.' MAT 2:9 Na de koning aangehoord te hebben vertrokken zij. En zie, de ster die zij in het oosten gezien hadden, ging voor hen uit totdat zij boven de plaats waar het Kind zich bevond stil bleef staan. MAT 2:10 Op het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde. MAT 2:11 Zij gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neer vallend betuigden zij het hun hulde. Zij haalden hun schatten te voorschijn en boden het geschenken aan: goud, wierook en mirre. MAT 2:12 En in een droom van Godswege gewaarschuwd niet meer naar Herodes terug te keren, vertrokken zij langs een andere weg naar hun land. MAT 2:13 Vlucht naar Egypte. Na hun vertrek verscheen een engel van de Heer in een droom aan Jozef en sprak: 'Sta op, neem het Kind en zijn moeder, vlucht naar Egypte en blijf daar tot ik u waarschuw, want Herodes komt het Kind zoeken om het te doden.' MAT 2:14 Hij stond op en week in de nacht met het Kind en zijn moeder naar Egypte uit. MAT 2:15 Daar bleef hij tot aan de dood van Herodes, opdat in vervulling zou gaan wat de Heer gesproken had door de profeet: Ik heb mijn zoon geroepen uit Egypte. MAT 2:16 Kindermoord te Betlehem. Zodra Herodes bemerkte, dat hij door de Wijzen om de tuin geleid was, ontstak hij in hevige toorn; hij zond zijn mannen uit en liet in Betlehem en heel het gebied daarvan al de jongens vermoorden van twee jaar en jonger, in overeenstemming met de tijd waarnaar hij de Wijzen nauwkeurig had gevraagd. MAT 2:17 Toen ging in vervulling het woord dat door de profeet Jeremia gesproken was: MAT 2:18 Een klacht werd in Rama gehoord, geween en luid gejammer: Rachel, wenend om haar kinderen, wil niet getroost worden, omdat zij niet meer zijn. MAT 2:19 Terugkeer uit Egypte. Nadat Herodes gestorven was, verscheen in Egypte een engel van de Heer in een droom aan Jozef en zei: MAT 2:20 'Sta op, neem het Kind en zijn moeder en trek naar het land Israël, want die het Kind naar het leven stonden zijn gestorven.' MAT 2:21 Hij stond op, nam het Kind en zijn moeder en ging naar het land Israël. MAT 2:22 Toen hij echter hoorde, dat Archelaüs in plaats van zijn vader Herodes over Juda heerste, vreesde hij daarheen te gaan; van Godswege in een droom gewaarschuwd, begaf hij zich daarom naar het gebied van Galilea. MAT 2:23 Hier aangekomen vestigde hij zich in een stad, Nazaret geheten, opdat in vervulling zou gaan wat door profeten gezegd was: Hij zal een Nazoreeër genoemd worden. MAT 3:1 Optreden van Johannes de Doper. In die tijd trad Johannes de Doper op en predikte in de woestijn van Judea: MAT 3:2 'Bekeer u, want het Rijk der hemelen is nabij.' MAT 3:3 Deze toch is het die de profeet Jesaja bedoelde, toen hij zeide: Een stem van iemand die roept in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht. MAT 3:4 Johannes nu droeg een kleed van kameelhaar en een leren gordel om zijn lenden. Zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing. MAT 3:5 Toen trok Jeruzalem, Judea en heel de Jordaanstreek naar hem uit MAT 3:6 en zij lieten zich door hem dopen, terwijl zij hun zonden beleden. MAT 3:7 Maar toen hij vele Farizeeën en Sadduceeën zag komen om gedoopt te worden, sprak hij tot hen: 'Adderengebroed, wie heeft u voorgespiegeld, dat ge de dreigende toorn kunt ontvluchten? MAT 3:8 Brengt dus vruchten voort die passen bij bekering, MAT 3:9 en neemt niet een houding aan alsof ge bij uzelf zegt: Wij hebben Abraham tot vader! Waarachtig, ik zeg u, dat God de macht bezit voor Abraham uit deze stenen kinderen te verwekken! MAT 3:10 Reeds ligt de bijl aan de wortel van de bomen. Elke boom dus die geen goede vrucht draagt, wordt omgekapt en in het vuur geworpen. MAT 3:11 Ik doop u met water, opdat ge u bekeren moogt; Hij die na mij komt, is sterker dan ik, en ik ben niet waardig Hem van zijn sandalen te ontdoen. Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur. MAT 3:12 De wan heeft Hij in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer grondig zuiveren; zijn tarwe zal Hij in de schuur verzamelen, maar het kaf verbranden in onblusbaar vuur.' MAT 3:13 Jezus door Johannes gedoopt. In die tijd kwam Jezus uit Galilea naar de Jordaan tot Johannes om zich door hem te laten dopen. MAT 3:14 Maar Johannes wilde Hem tegenhouden met de woorden: 'Ik heb uw doopsel nodig, en Gij komt tot mij?' MAT 3:15 Jezus antwoordde hem: 'Laat nu maar; want zo past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen.' Toen liet hij hem toe. MAT 3:16 Nadat Jezus gedoopt was, steeg hij terstond uit het water. En zie, daar ging de hemel open en Hij zag de Geest Gods neerdalen in de gedaante van een duif en over zich komen; MAT 3:17 en een stem uit de hemel sprak: 'Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb.' MAT 4:1 Jezus in de woestijn. Daarna werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd om door de duivel op de proef gesteld te worden. MAT 4:2 Nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij honger. MAT 4:3 Nu trad de verleider op Hem toe en sprak: 'Als Gij de Zoon van God zijt, beveel dan dat deze stenen hier in brood veranderen.' MAT 4:4 Hij gaf ten antwoord: 'Er staat geschreven: Niet van brood alleen leeft de mens, maar van alles wat uit de mond van God voortkomt.' MAT 4:5 Vervolgens nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, plaatste Hem op de bovenbouw van een tempelpoort MAT 4:6 en sprak tot Hem: 'Als Gij de Zoon van God zijt, werp U dan naar beneden, want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij omtrent U een bevel geven, dat zij U op de handen nemen, opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen.' MAT 4:7 Jezus zei tot hem: Er staat ook geschreven: Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen.' MAT 4:8 Tenslotte nam de duivel Hem mee naar een heel hoge berg, vanwaar hij Hem alle koninkrijken der wereld toonde in hun heerlijkheid. MAT 4:9 En hij zeide: 'Dat alles zal ik U geven, als Gij in aanbidding voor mij neervalt.' MAT 4:10 Toen zei Jezus hem: 'Weg, satan: er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.' MAT 4:11 Nu liet de duivel Hem met rust en er kwamen engelen om Hem hun diensten te bewijzen. MAT 4:12 Begin van Jezus' optreden in Galilea. Toen Jezus vernam dat Johannes was gevangen genomen, week Hij uit naar Galilea. MAT 4:13 Met voorbijgaan echter van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaüm aan de oever van het meer, in het grensgebied van Zebulon en Naftali, MAT 4:14 opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet Jesaja: MAT 4:15 Land van Zebulon, land van Naftali, liggend aan de zee, Overjordanië: Galilea van de heidenen! MAT 4:16 Het volk dat in de duisternis zat, heeft een groot licht aanschouwd; en over hen die in het land van de schaduw van de dood gezeten waren, over hen is een licht opgegaan. MAT 4:17 Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: 'Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij.' MAT 4:18 Roeping van de eerste leerlingen. Eens toen Hij zich bij het meer van Galilea ophield, zag Hij twee broers, Simon die Petrus wordt genoemd en diens broer Andreas, bezig met het net uit te werpen in het meer. Zij waren namelijk vissers. MAT 4:19 En Hij sprak tot hen: 'Komt, volgt Mij: Ik zal u vissers van mensen maken.' MAT 4:20 Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem. MAT 4:21 Iets verder zag Hij nog twee broers, Jakobus en diens broer Johannes; met hun vader Zebedeüs waren zij in de boot de netten een het klaarmaken. Hij riep hen, MAT 4:22 en onmiddellijk lieten zij de boot en hun vader achter en volgden Hem. MAT 4:23 Werkzaamheid in Galilea. Jezus trok rond door geheel Galilea, terwijl Hij als leraar optrad in hun synagogen, de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en kwalen onder het volk genas. MAT 4:24 Zijn faam ging uit over geheel Syrië en men bracht allen tot Hem die er slecht aan toe waren, die door velerlei ziekten en pijnen gekweld werden, bezetenen, lijders aan vallende ziekte en lammen. En Hij genas hen. MAT 4:25 Grote volksmenigten uit Galilea en Dekapolis, uit Jeruzalem, Judea en het Overjordaanse sloten zich bij Hem aan. MAT 5:1 Zaligsprekingen. Toen Jezus deze menigte zag, ging Hij de berg op en, nadat Hij zich had neergezet, kwamen zijn leerlingen bij Hem. MAT 5:2 Hij nam het woord en onderrichtte hen aldus: MAT 5:3 'Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen. MAT 5:4 Zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden. MAT 5:5 Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten. MAT 5:6 Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. MAT 5:7 Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden. MAT 5:8 Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien. MAT 5:9 Zalig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden. MAT 5:10 Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid, want hun behoort het Rijk der hemelen. MAT 5:11 Zalig zijt gij, wanneer men u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil: MAT 5:12 Verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de hemel. Zo immers hebben ze de profeten vervolgd die voor u geleefd hebben. MAT 5:13 Zout der aarde; Licht der wereld. Gij zijt het zout der aarde. Maar als het zout zijn kracht verliest, waar mee zal men dan zouten? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden. MAT 5:14 Gij zijt het licht der wereld. Een stad kan niet verborgen blijven als ze boven op een berg ligt! MAT 5:15 Men steekt toch ook niet een lamp aan om ze onder de korenmaat te zetten, maar men plaatst ze op de standaard, zodat ze licht geeft voor allen die in huis zijn. MAT 5:16 Zo moet ook uw licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is. MAT 5:17 Jezus' verhouding tot de Wet. Denkt niet dat Ik gekomen ben om Wet en Profeten op te heffen; Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om de vervulling te brengen. MAT 5:18 Want voorwaar, ik zeg u: Eerder nog zullen hemel en aarde vergaan, dan dat een jota of haaltje vergaat uit de Wet, voordat alles geschied is. MAT 5:19 Wie dus een van die voorschriften, zelfs het geringste, opheft en zo de mensen leert, zal de geringste geacht worden in het Rijk der hemelen, maar wie ze onderhoudt en leert zal groot geacht worden in het Rijk der hemelen. MAT 5:20 Ik zeg u: Als uw gerechtigheid die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft, zult gij zeker niet binnengaan in het Rijk der hemelen. MAT 5:21 Gij hebt gehoord, dat tot onze voorouders is gezegd: Gij zult niet doden. Wie doodt zal strafbaar zijn voor het gerecht. MAT 5:22 Maar Ik zeg u: Al wie vertoornd is op zijn broeder, zal strafbaar zijn voor het gerecht. En wie tot zijn broeder zegt: raka, zal strafbaar zijn voor het Sanhedrin, en wie zegt dwaas, zal strafbaar zijn met het vuur van de hel. MAT 5:23 Als gij uw gave komt brengen naar het altaar en daar schiet u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft, MAT 5:24 laat dan uw gave voor het altaar achter, ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan terug om uw gave aan te bieden. MAT 5:25 Haast u het eens te worden met uw tegenpartij, zolang ge nog met hem onderweg zijt; anders zou uw tegenpartij u wel eens aan de rechter kunnen overleveren, en de rechter u aan de gerechtsdienaar, en zoudt gij in de gevangenis worden geworpen. MAT 5:26 Voorwaar, Ik zeg u: Ge zult daar niet uitkomen, voordat ge tot de laatste penning hebt betaald. MAT 5:27 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult geen echtbreuk plegen. MAT 5:28 Maar Ik zeg u: Alwie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd. MAT 5:29 Indien uw rechteroog u aanstoot geeft, ruk het uit en werp het van u weg; want het is beter voor u, dat een van uw lichaamsdelen verloren gaat dan dat heel uw lichaam in de hel wordt geworpen. MAT 5:30 En als uw rechterhand u aanstoot geeft, hak ze af en werp ze van u weg, want het is beter voor u, dat een van uw lichaamsdelen verloren gaat dan dat heel uw lichaam in de hel terecht komt. MAT 5:31 Ook is er gezegd: Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een scheidingsbrief geven. MAT 5:32 Maar Ik zeg u: Wie zijn vrouw verstoot, behalve in geval van ontucht, brengt haar ertoe echtbreekster te worden; en wie een verstoten vrouw huwt, begaat echtbreuk. MAT 5:33 Eveneens hebt gij gehoord, dat tot onze voorouders gezegd is: Gij zult geen valse eed doen, maar gij zult voor de Heer uw eden houden. MAT 5:34 Maar Ik zeg u in het geheel niet te zweren; noch bij de hemel, want dat is de troon van God; MAT 5:35 noch bij de aarde, want dat is zijn voetbank; noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote Koning. MAT 5:36 Ook bij uw hoofd moet gij niet zweren, want gij kunt niet een haar wit of zwart maken. MAT 5:37 Maar uw ja moet ja zijn en uw neen, neen; en wat daar nog bij komt, is uit den boze. MAT 5:38 Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Oog om oog, tand om tand. MAT 5:39 Maar ik zeg u geen weerstand te bieden aan het onrecht, doch als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem dan ook de andere toe. MAT 5:40 En als iemand u voor het gerecht wil dagen en uw onderkleed afnemen, laat hem dan ook het bovenkleed. MAT 5:41 En als iemand u vordert een mijl met hem te gaan, ga er dan twee met hem. MAT 5:42 Geef aan wie u vraagt, en wend u niet af als iemand van u lenen wil. MAT 5:43 Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uw naaste beminnen en uw vijand haten. MAT 5:44 Maar ik zeg u: Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen, MAT 5:45 opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel, die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. MAT 5:46 Want als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt gij dan? Doen de tollenaars niet hetzelfde? MAT 5:47 En als gij alleen uw broeders groet, wat voor buitengewoons doet gij dan? Doen de heidenen dat ook niet? MAT 5:48 Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is. MAT 6:1 Aalmoes. Denkt er om: beoefent uw gerechtigheid niet voor het oog van de mensen om de aandacht te trekken; anders hebt gij geen recht op loon bij uw Vader die in de hemel is. MAT 6:2 Wanneer gij dus een aalmoes geeft, bazuin het dan niet voor u uit, zoals de huichelaars doen in de synagoge en op straat, opdat zij door de mensen geprezen worden. Voorwaar Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen. MAT 6:3 Als gij een aalmoes geeft, laat uw linkerhand dan niet weten, wat uw rechter doet, MAT 6:4 opdat uw aalmoes in het verborgene blijve en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. MAT 6:5 Gebed. Wanneer gij bidt, gedraagt u dan niet als de schijnheiligen, die graag in de synagogen en op de hoeken van de straten staan te bidden om op te vallen bij de mensen; voorwaar Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen! MAT 6:6 Maar als gij bidt, ga dan in uw binnenkamer, sluit de deur achter u en bidt tot uw Vader die in het verborgene is en uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. MAT 6:7 Als gij bidt, gebruik dan geen omhaal van woorden, zoals de heidenen, want deze menen dat zij door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden. MAT 6:8 Volgt hun voorbeeld dus niet na, want voordat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt. MAT 6:9 Gij moet daarom zo bidden: Onze Vader die in de hemel zijt, Uw Naam worde geheiligd; MAT 6:10 Uw Rijk kome, Uw wil geschiede Op aarde zoals in de hemel. MAT 6:11 Geef ons heden ons dagelijks brood. MAT 6:12 En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven hebben aan onze schuldenaren. MAT 6:13 En leid ons niet in bekoring, maar behoed ons voor het kwaad. MAT 6:14 Want als gij aan de mensen hun fouten vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; MAT 6:15 maar als gij niet vergeeft aan de mensen, zal ook uw hemelse Vader uw fouten niet vergeven. MAT 6:16 Vasten. Wanneer gij vast, zet dan geen somber gezicht zoals de schijnheiligen; zij verstrakken hun gezicht om de mensen te tonen dat zij aan het vasten zijn. Voorwaar, Ik zeg u: Zij hebben hun loon al ontvangen. MAT 6:17 Maar als gij vast, zalft dan uw hoofd en wast uw gezicht, MAT 6:18 om niet aan de mensen te laten zien dat gij vast, maar vast voor uw Vader die in het verborgene is en uw Vader die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. MAT 6:19 Het aardse in vergelijking met het hemelse. Verzamelt u geen schatten op aarde, waar ze door mot en worm vergaan en waar dieven inbreken om te stelen; MAT 6:20 maar verzamelt u schatten in de hemel, waar ze niet door mot of worm vergaan en waar dieven niet inbreken om te stelen. MAT 6:21 Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. MAT 6:22 De lamp van het lichaam is het oog. Wanneer dus uw oog helder is, zal heel uw lichaam verlicht zijn. MAT 6:23 Is echter uw oog slecht, dan is heel uw lichaam duister. Indien dus zelfs uw innerlijk licht duister is, hoe erg zal dan de duisternis zijn! MAT 6:24 Niemand kan twee heren dienen: hij zal de een haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten. Gij kunt niet God dienen en de mammon. MAT 6:25 Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd voor uw leven, wat ge zult eten en wat ge zult drinken, en ook niet voor uw lichaam, wat ge zult aantrekken. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam niet meer dan de kleding? MAT 6:26 Let eens op de vogels in de lucht: ze zaaien niet en maaien niet en verzamelen niet in schuren, maar uw hemelse Vader voedt ze. Zijt gij dan niet veel meer dan zij? MAT 6:27 Trouwens, wie van u is in staat met al zijn tobben aan zijn levensweg een el toe te voegen? MAT 6:28 En wat maakt gij u zorgen over kleding? Kijkt naar de leliën in het veld: hoe ze groeien. Ze arbeiden noch spinnen. MAT 6:29 Toch zeg Ik u: Zelfs Salomo in al zijn pracht was niet gekleed als een van hen. MAT 6:30 Als God nu het veldgewas dat er vandaag nog staat en morgen in de oven wordt geworpen, zo kleedt, hoeveel te meer dan u, kleingelovigen? MAT 6:31 Maakt u dus geen zorgen over de vraag: wat zullen wij eten of wat zullen wij drinken? MAT 6:32 Want dat alles jagen de heidenen na. Uw hemelse Vader weet wel dat gij al deze dingen nodig hebt. MAT 6:33 Maar zoekt eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid: dan zal dat alles u erbij gegeven worden. MAT 6:34 Maakt u dus niet bezorgd voor de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt voor zichzelf. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen leed. MAT 7:1 Het oordeel over anderen. Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. MAT 7:2 Want met het oordeel dat gij velt, zult gij geoordeeld worden en de maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken. MAT 7:3 Waarom kijkt gij naar de splinter in het oog van uw broeder en merkt gij de balk niet op in uw eigen oog? MAT 7:4 Of hoe kunt ge tot uw broeder zeggen: laat mij de splinter uit uw oog halen, en zie, in uw eigen oog zit de balk nog! MAT 7:5 Huichelaar, haal eerst die balk uit uw eigen oog, en dan zult ge scherp genoeg zien om de splinter te kunnen verwijderen uit het oog van uw broeder. MAT 7:6 Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij ze niet met hun poten vertrappen, zich omkeren en u verscheuren. MAT 7:7 De kracht van het gebed. Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en ge zult vinden; klopt en er zal worden open-gedaan. MAT 7:8 Want al wie vraagt, verkrijgt; wie zoekt, vindt en voor wie klopt, doet men open. MAT 7:9 Of is er wel iemand onder u die zijn zoon een steen zal geven als hij om brood vraagt? MAT 7:10 Of een slang wanneer hij vraagt om een vis? MAT 7:11 Als gij dus, ofschoon gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal dan uw Vader die in de hemel is, het goede geven aan wie Hem daarom vragen. MAT 7:12 Alles, wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doet dat ook voor hen. Dat is Wet en Profeten. MAT 7:13 De nauwe poort. Gaat binnen door de nauwe poort; want de weg die naar de ondergang voert is wijd en breed, en velen zijn er die hem inslaan. MAT 7:14 Hoe nauw toch is de poort en hoe smal de weg die voert naar het leven, en weinigen zijn er die hem vinden. MAT 7:15 Valse profeten. Wacht u voor de valse profeten, mensen die tot u komen in schaapskleren, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn. MAT 7:16 Aan hun vruchten zult ge ze kennen. Plukt men soms druiven van dorens of vijgen van distels? MAT 7:17 Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de zieke boom brengt slechte vruchten voort. MAT 7:18 Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, noch een zieke boom goede vruchten. MAT 7:19 Iedere boom die geen goede vruchten voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. MAT 7:20 Aan hun vruchten dus zult ge ze kennen. MAT 7:21 Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar hij die de wil doet van mijn Vader die in de hemel is. MAT 7:22 Velen zullen op die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer, hebben wij niet in uw Naam geprofeteerd en hebben wij niet in uw Naam duivels uitgedreven en in uw Naam veel wonderen gedaan? MAT 7:23 Maar dan zal Ik hun onomwonden verklaren: Nooit heb Ik u gekend; gaat weg van Mij, gij die ongerechtigheid doet! MAT 7:24 Het huis op de rots. Ieder nu, die deze woorden van Mij hoort en ernaar handelt, kan men vergelijken met een verstandig man die zijn huis op rotsgrond bouwde. MAT 7:25 De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de storm stak op en zij stortten zich op dat huis, maar het viel niet in, want het stond op gegrondvest op de rots. MAT 7:26 Maar ieder die deze woorden van Mij hoort, doch er niet naar handelt, kan men vergelijken met een dwaas die zijn huis bouwde op het zand. MAT 7:27 De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de storm stak op en zij beukten dat huis, zodat het volledig verwoest werd.' MAT 7:28 Toen Jezus deze toespraak geëindigd had, was het volk buiten zichzelf van verbazing over zijn leer. MAT 7:29 Want Hij onderrichtte niet zoals hun schriftgeleerden, maar als iemand die gezag bezit. MAT 8:1 Genezing van een melaatse. Toen Hij van de berg was afgedaald volgde Hem een talrijke menigte. MAT 8:2 Een melaatse kwam naar Hem toe en smeekte Hem op zijn knieën: 'Als Gij wilt Heer, kunt Gij mij reinigen.' MAT 8:3 Jezus stak de hand uit, raakte hem aan en zei: 'Ik wil, wordt rein.' En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd. MAT 8:4 Jezus sprak tot hem: 'Zorg er voor dat ge het niemand zegt, maar ga u laten zien aan de priester en offer de gave die Mozes heeft voorschreven om ze het bewijs te leveren.' MAT 8:5 Genezing van de knecht van een officier. Toen Hij in Kafarnaüm aangekomen was, kwam een honderdman naar Hem toe die zijn hulp inriep met de woorden: MAT 8:6 'Heer, mijn knecht ligt verlamd in mijn huis en lijdt vreselijk pijn.' MAT 8:7 Hij sprak tot hem: 'Ik zal hem komen genezen.' MAT 8:8 Maar de honderdman antwoordde: 'Heer, ik ben het niet waard dat Gij onder mijn dak komt; maar een enkel woord van U is voldoende om mij knecht te doen genezen. MAT 8:9 Want al ben ik zelf een ondergeschikte, ik heb weer manschappen onder mij; en tot de een zeg ik: ga, en hij gaat; en tot een ander: kom, en hij komt; en aan mijn knecht: doe dit, en hij doet het.' MAT 8:10 Toen Jezus dit hoorde, stond Hij verwonderd en zei tot hen die Hem volgden: 'Voorwaar Ik zeg u: Bij niemand in Israël heb ik een zo groot geloof gevonden. MAT 8:11 Ik zeg u, dat velen uit het oosten en het westen zullen komen en met Abraham en Isaak en Jakob zullen aanzitten in het Rijk der hemelen; MAT 8:12 maar de kinderen van het Rijk zullen buitengeworpen worden in de duisternis; daar zal geween zijn en tandengeknars.' MAT 8:13 En tot de honderdman sprak Jezus: 'Ga, zoals gij geloofd hebt, geschiede u.' En op datzelfde ogenblik werd de knecht gezond. MAT 8:14 Genezing van Petrus' schoonmoeder. Toen Jezus in het huis van Petrus gekomen was, vond Hij diens schoonmoeder met koorts te bed liggen. MAT 8:15 Hij raakte haar hand aan en zij werd vrij van koorts; zij stond op en bediende Hem. MAT 8:16 Toen de avond gevallen was, bracht men veel bezetenen bij Hem; Hij dreef door een woord de geesten uit, en alle zieken genas Hij, MAT 8:17 opdat in vervulling zou gaan wat door de profeet Jesaja gezegd was: Hij heeft onze zwakheden weggenomen en onze ziekten heeft Hij gedragen. MAT 8:18 Onthechting, voorwaarde om Jezus te volgen. Toen Jezus een grote menigte om zich heen zag, gaf Hij bevel om naar de overkant te gaan. MAT 8:19 Een schriftgeleerde trad op Hem toe en zei: 'Meester ik zal U volgen, waar Gij ook heen gaat.' MAT 8:20 Jezus sprak tot hem: 'De vossen hebben hun holen en de vogels uit de lucht hun nesten, maar de Mensenzoon heeft niets waar hij zijn hoofd op kan laten rusten.' MAT 8:21 Een andere van zijn leerlingen zei tot Hem: 'Heer, laat mij eerst teruggaan om mijn vader te begraven.' MAT 8:22 Jezus zei Hem: 'Volg Mij; laat de doden hun doden begraven.' MAT 8:23 Zee en wind gehoorzamen. Toen Hij in de boot stapte, volgden zijn leerlingen Hem. MAT 8:24 Opeens raakte de zee in hevige beroering, zodat de golven over de boot sloegen; Hij echter lag te slapen. MAT 8:25 Zij gingen naar Hem toe en maakten Hem wakker met de woorden: 'Heer, red ons, wij vergaan!' MAT 8:26 Hij sprak tot hen: 'Waarom zijt gij bang, kleingelovigen?' Dan stond Hij op, richtte zich met een dwingend woord tot de winden en de zee, en het water werd volmaakt stil. MAT 8:27 De mensen stonden verbaasd en zeiden: 'Wat voor iemand is dat toch, dat zelfs de winden en de zee Hem gehoorzamen?' MAT 8:28 Uitdrijven van duivels. Toen Hij aan de overkant gekomen was in het land der Gadarenen, liepen Hem twee bezetenen tegemoet; zij kwamen uit de grafspelonken te voorschijn en waren zeer gevaarlijk, zodat niemand daarlangs kon gaan. MAT 8:29 Plotseling begonnen ze te schreeuwen: 'Wat hebt Gij met ons te maken, Zoon van God? Zijt Gij hier gekomen om ons voor de tijd te kwellen?' MAT 8:30 Een eind van hen vandaan was men een grote kudde zwijnen aan het hoeden. MAT 8:31 De duivels nu smeekten Hem: 'Als Gij ons uitdrijft, stuur ons dan in die kudde zwijnen.' MAT 8:32 Hij zei hun: 'Gaat heen.' En zij verlieten hen. Nauwelijks hadden zij bezit genomen van de zwijnen, of de hele kudde stortte zich van de steile oever in het meer en kwam in het water om. MAT 8:33 De zwijnenhoeders namen de vlucht, en in de stad gekomen vertelden zij alles, ook wat er met de bezetenen gebeurd was. MAT 8:34 Daarop liep de hele stad uit, Jezus tegemoet; en toen zij Hem zagen, verzochten zij Hem hun streek te verlaten. MAT 9:1 Genezing van een lamme. Hij ging in een boot, stak over en kwam in zijn stad. MAT 9:2 Men bracht een lamme die op een bed lag, naar Hem toe. Toen Jezus hun geloof zag, zeide Hij tot de lamme: 'Hebt goede moed, mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven.' MAT 9:3 Enkele schriftgeleerden zeiden nu bij zichzelf: 'Die man spreekt godslasterlijk.' MAT 9:4 Maar Jezus kende hun gedachten en zei: 'Waarom denkt gij kwaad bij uzelf? MAT 9:5 Wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven: of: Sta op en loop? MAT 9:6 Welnu, opdat ge zult weten, dat de Mensenzoon macht heeft op aarde zonden te vergeven en nu sprak Hij tot de lamme : Sta op, neem uw bed en ga naar huis.' MAT 9:7 En hij stond op en ging naar huis. MAT 9:8 Toen de menigte dit zag, werd zij door ontzag bevangen en zij verheerlijkte God, die zulk een macht gegeven had aan mensen. MAT 9:9 Roeping van Matteüs. Toen Jezus vandaar verder ging, zag Hij iemand aan het tolhuis zitten die Matteüs heette, en Hij zei tot hem: 'Volg mij.' De man stond op en volgde Hem. MAT 9:10 Terwijl Hij nu in diens woning aan tafel aanlag, kwamen ook vele tollenaars en zondaars met Jezus en zijn leerlingen aanliggen. MAT 9:11 Toen de Farizeeën dat zagen, zeiden ze tot zijn leerlingen: 'Waarom eet uw Meester met tollenaars en zondaars?' MAT 9:12 Hij hoorde dit en zei: 'Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken. MAT 9:13 Gaat heen en leert wat het zeggen wil: Ik wil liever barmhartigheid dan offers. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.' MAT 9:14 Over het vasten. Op zekere dag kwamen de leerlingen van Johannes tot Hem met de vraag: 'Waarom vasten wij en de Farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?' MAT 9:15 Jezus sprak tot hen: 'De vrienden van de bruidegom kunnen toch niet bedroefd zijn, zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen dagen komen, dat de bruidegom van hen is weggenomen; dan zullen zij vasten. MAT 9:16 Niemand gebruikt voor een oud kleed een verstellap van ongekrompen stof: want het ingezette stuk trekt aan het kleed en de scheur wordt nog groter. MAT 9:17 Ook doet men geen jonge wijn in oude zakken, anders bersten de zakken, de wijn loopt er uit en de zakken gaan verloren, maar jonge wijn doet men in nieuwe zakken; dan blijven beide behouden.' MAT 9:18 Opwekking van Jaïrus' dochtertje en genezing van een vrouw. Terwijl Hij zo tot hen sprak, kwam er een overste naar Hem toe, wierp zich voor Hem neer en zei: 'Mijn dochter is zo juist gestorven: maar kom haar de hand opleggen, dan zal zij weer levend worden.' MAT 9:19 Jezus stond op en ging met hem mee, vergezeld van zijn leerlingen. MAT 9:20 Plotseling naderde Hem van achteren een vrouw die al twaalf jaar lang aan vloeiingen leed, en raakte de zoom van zijn mantel aan. MAT 9:21 Want ze zei bij zichzelf: 'Als ik alleen maar zijn mantel kan aanraken, zal ik al genezen zijn.' MAT 9:22 Maar Jezus keerde zich om, en toen Hij haar zag sprak Hij: 'Heb goede moed, dochter, uw geloof heeft u genezen.' En vanaf dat ogenblik was de vrouw gezond. MAT 9:23 Toen Jezus in het huis van de overste kwam en de fluitspelers en het misbaar makende volk zag, sprak Hij: MAT 9:24 'Gaat heen, want het meisje is niet gestorven maar slaapt.' Doch ze lachten Hem uit. MAT 9:25 Toen al dat volk buitengezet was, trad Hij naderbij, greep haar hand en het meisje stond op. MAT 9:26 Het verhaal hiervan deed de ronde door heel die streek. MAT 9:27 Genezing van twee blinden. Toen Jezus vandaar verder trok volgden Hem twee blinden die luid riepen: 'Heb medelijden met ons Zoon van David.' MAT 9:28 Toen Hij thuis gekomen was, kwamen de blinden naar Hem toe. Jezus sprak tot hen: 'Gelooft gij dat ik de macht bezit om dit te doen?' Zij antwoordden: 'Zeker, Heer.' MAT 9:29 Daarop raakte Hij hun ogen aan en zeide: 'U geschiede naar uw geloof.' MAT 9:30 En hun ogen gingen open. Jezus vermaande hen op strenge toon: 'Zorgt dat niemand dit te weten komt.' MAT 9:31 Maar eenmaal buiten verbreidden ze zijn faam in heel die streek. MAT 9:32 Genezing van een stomme. Toen zij weggingen, bracht men Hem een stomme die door de duivel bezeten was. MAT 9:33 Zodra de duivel was uitgedreven, begon de stomme te spreken. De mensen zeiden vol verbazing: 'Nog nooit heeft men in Israël zo iets gezien.' MAT 9:34 Maar de Farizeeën zeiden: 'De vorst der duivels stelt Hem in staat de duivels uit te drijven.' MAT 9:35 Beeld van Jezus' optreden. Jezus ging rond door alle steden en dorpen, waar Hij onderricht gaf in hun synagogen en de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en kwalen genas. MAT 9:36 Bij het zien van die menigte mensen werd Hij door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder. MAT 9:37 Toen sprak Hij tot zijn leerlingen: 'De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. MAT 9:38 Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten.' MAT 10:1 De twaalf apostelen en hun zending. Hij riep zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om de onreine geesten uit te drijven en alle ziekten en kwalen te genezen. MAT 10:2 Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: als eerste, Simon die Petrus wordt genoemd, met zijn broer Andreas; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, met zijn broer Johannes; MAT 10:3 Filippus en Bartolomeüs, Tomas en Matteüs de tollenaar, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Taddeüs, MAT 10:4 Simon de IJveraar en Judas Iskariot, die Hem verraden heeft. MAT 10:5 Deze twaalf zond Jezus uit met de opdracht: 'Begeeft u niet onder de heidenen en gaat niet binnen een stad van de Samaritanen; MAT 10:6 gij moet veeleer gaan naar de verloren schapen van het huis van Israël. MAT 10:7 Verkondigt op uw tocht: Het Koninkrijk der hemelen is nabij. MAT 10:8 Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen en drijft duivels uit. Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven. MAT 10:9 Tracht dus geen goud, zilver of koper te verwerven om er uw gordels mee te vullen. MAT 10:10 Verschaft u ook geen reiszak voor onderweg, geen tweede onderkleed, geen schoeisel of stok, want de arbeider is zijn onderhoud waard. MAT 10:11 Als gij in een stad of in een dorp komt, onderzoekt dan wie waard is u te ontvangen, en verblijft daar tot gij weer vertrekt. MAT 10:12 Wanneer ge dat huis binnentreedt, brengt het uw vredegroet; MAT 10:13 en wanneer het die waard is, moge uw vrede over dat huis komen, maar wanneer het die niet waard is, dan kere uw vrede tot u terug. MAT 10:14 Als men u ergens niet ontvangt en niet naar uw woorden luistert, verlaat dan dat huis of die stad en schudt het stof van uw voeten. MAT 10:15 Voorwaar, Ik zeg u: Op de oorlogsdag zal het voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn dan voor die stad. MAT 10:16 Te verwachten vervolgingen. Zie, Ik zend u als schapen tussen wolven. Weest dus omzichtig als slangen en argeloos als duiven. MAT 10:17 Neemt u in acht voor de mensen. Zij zullen u overleveren aan de rechtbanken en u geselen in hun synagogen. MAT 10:18 Gij zult voor stadhouders en koningen gebracht worden omwille van Mij, om zo ten overstaan van hen en de heidenen getuigenis af te leggen. MAT 10:19 Maakt u echter, wanneer men u overlevert niet bezorgd over het hoe of wat van uw spreken: op dat ogenblik zal u worden ingegeven wat gij moet zeggen. MAT 10:20 Want niet gij zijt het die spreekt, maar door u spreekt dan de Geest van uw Vader. MAT 10:21 De ene broer zal de andere overleveren om hem te laten doden, de vader zijn kind; de kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood doen brengen. MAT 10:22 Ge zult een voorwerp van haat zijn voor allen omwille van mijn Naam. Wie echter ten einde toe volhardt, hij zal gered worden. MAT 10:23 Wanneer men u in de ene stad vervolgt, vlucht dan naar een andere. Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult niet gereed gekomen zijn met de steden van Israël op het ogenblik dat de Mensenzoon komt. MAT 10:24 Zonder vrees optreden. De leerling staat niet boven zijn meester en de dienaar niet boven zijn heer. MAT 10:25 Voor de leerling moet het voldoende zijn behandeld te worden als zijn meester, voor de dienaar als zijn heer. Als men het hoofd van het huisgezin al Beëlzebul durft noemen, hoeveel te meer dan zijn huisgenoten. MAT 10:26 Weest niet bang voor hen. Niets is bedekt of het zal onthuld, niets is verborgen of het zal bekend worden. MAT 10:27 Wat Ik u zeg in het duister, spreekt dat uit in het licht, en wat ge u in het oor hoort fluisteren, verkondigt dat van de daken. MAT 10:28 Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel; vreest veeleer Hem die en ziel en lichaam in het verderf kan storten in de hel. MAT 10:29 Verkoopt men niet twee mussen voor een stuiver? En toch zal buiten de wil van uw Vader niet een mus op de grond vallen. MAT 10:30 Bij u echter is zelfs ieder haar van uw hoofd geteld. MAT 10:31 Weest dus niet bevreesd; gij zijt toch meer waard dan een zwerm mussen. MAT 10:32 Ieder die Mij bij de mensen belijdt, hem zal ook Ik als de mijne erkennen bij mijn Vader die in de hemel is. MAT 10:33 Maar ieder die Mij zal verloochenen tegenover de mensen zal Ik ook verloochenen tegenover mijn Vader die in de hemel is. MAT 10:34 Denkt niet, dat Ik vrede ben komen brengen op aarde; Ik ben geen vrede komen brengen, maar het zwaard. MAT 10:35 Tweedracht ben Ik komen brengen tussen een man en zijn vader, tussen dochter en moeder, schoondochter en schoonmoeder; MAT 10:36 en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn. MAT 10:37 Onthechting. Wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig; wie zoon of dochter meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig. MAT 10:38 En wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt, is Mij niet waardig. MAT 10:39 Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden. MAT 10:40 Loon toegezegd. Wie u opneemt, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt Hem op die mij gezonden heeft. MAT 10:41 Wie een profeet opneemt, omdat het een profeet is, zal ook het loon van een profeet ontvangen; en wie een deugdzaam mens opneemt, omdat het een deugdzaam mens is, zal ook het loon van een deugdzame ontvangen. MAT 10:42 En wie een van deze kleinen al was het maar een beker koud water geeft, omdat hij mijn leerling is, voorwaar, Ik zeg u: Zijn loon zal hem zeker niet ontgaan. MAT 11:1 Getuigenis over Johannes de Doper. Toen Jezus zijn lessen aan zijn twaalf leerlingen had geëindigd, vertrok Hij vandaar om te onderrichten en te prediken in hun steden. MAT 11:2 Johannes nu hoorde in de gevangenis over de werken van Christus en liet Hem door zijn leerlingen de vraag stellen: MAT 11:3 'Zijt Gij de Komende, of hebben wij een ander te verwachten?' MAT 11:4 Jezus antwoordde hun: 'Gaat aan Johannes zeggen wat gij hoort en ziet: MAT 11:5 blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd. MAT 11:6 Gelukkig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt.' MAT 11:7 Toen zij vertrokken, begon Jezus tot de menigte te spreken over Johannes: 'Waar zijt gij in de woestijn naar gaan zien? Naar een riethalm door de wind bewogen? MAT 11:8 Waar zijt gij dan wel naar gaan zien? Naar iemand in verfijnde kleding? Die verfijnde kleding dragen zijn te vinden in de paleizen der koningen. MAT 11:9 Waartoe zijt ge dan uitgetrokken? Om een profeet te zien? Inderdaad, zeg Ik u, zelfs meer dan een profeet! MAT 11:10 Hij is het over wie geschreven staat: Zie, Ik zend mijn bode voor U uit, die de weg voor uw komst zal bereiden. MAT 11:11 Voorwaar, Ik zeg u: Onder wie uit vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper. Niettemin is de kleinste in het Rijk der hemelen groter dan hij. MAT 11:12 Van de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Rijk der hemelen zich met geweld baan en geweldenaars maken het buit. MAT 11:13 Want al de profeten en de Wet, tot aan Johannes, hebben het slechts voorspeld; MAT 11:14 maar als gij het van Mij wilt aannemen: Deze is de Elia die zou komen. MAT 11:15 Wie oren heeft, hij luistere!. MAT 11:16 Waarmee zal ik dit geslacht vergelijken? Het gelijkt op kinderen die op het marktplein zitten en de andere partij toeroepen: MAT 11:17 Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld en jullie hebt niet gedanst; wij hebben een treurlied gezongen en jullie hebt niet op je borst geklopt. MAT 11:18 Immers: Johannes komt, eet niet en drinkt niet, en ze zeggen: Hij is van de duivel bezeten! MAT 11:19 De Mensenzoon komt, eet en drinkt wel, en ze zeggen: Kijk die gulzigaard en wijndrinker, die vriend van tollenaars en zondaars! Maar de wijsheid vindt haar rechtvaardigheid in haar werken.' MAT 11:20 Waarschuwing aan de onboetvaardige steden. Toen begon Hij de steden waarin de meeste van zijn wonderen waren gebeurd te verwijten, dat zij zich niet bekeerd hadden. MAT 11:21 'Wee u, Chorazin; wee u, Betsa da! Tyrus en Sidon zouden reeds lang, in zak en as, zich bekeerd hebben, indien bij hen de wonderen waren gebeurd, die bij u hebben plaatsgevonden. MAT 11:22 Ja, Ik zeg u: Het lot van Tyrus en Sidon zal beter te dragen zijn op de oordeelsdag dan dat van u. MAT 11:23 En gij, Kafarnaüm, zult ge soms tot de hemel toe verheven worden? Tot in de onderwereld zult ge neerzinken. Als in Sodom de wonderen gebeurd waren die bij u zijn geschied, het zou tot op de dag van vandaag blijven bestaan. MAT 11:24 Toch, Ik zeg u: Het lot van het land van Sodom zal beter te dragen zijn op de oordeelsdag dan dat van u.' MAT 11:25 Zoon van de Vader, De lichte last. Op zeker ogenblik nam Jezus weer het woord en sprak: 'Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze heb geopenbaard aan kleinen. MAT 11:26 Ja, Vader, zo heeft het U behaagd. MAT 11:27 Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven. Niemand kent de Zoon tenzij de Vader, en niemand kent de Vader tenzij de Zoon en hij aan wie de Zoon het wil openbaren. MAT 11:28 Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken. MAT 11:29 Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen, MAT 11:30 want mijn juk is zacht en mijn last is licht.' MAT 12:1 Aren plukken op sabbat. Eens ging Jezus op een sabbat door de korenvelden; zijn leerlingen nu kregen honger en begonnen aren te plukken en te eten. MAT 12:2 De Farizeeën zagen dat en zeiden toe Hem: 'Uw leerlingen doen daar iets wat op sabbat niet geoorloofd is.' MAT 12:3 Hij gaf hun ten antwoord ten antwoord: 'Hebt gij niet gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen honger kregen? MAT 12:4 Hoe hij het huis van God binnenging en de toonbroden opat die noch hij, noch zijn metgezellen, maar alleen de priesters mochten eten? MAT 12:5 Of hebt gij niet in de Wet gelezen, dat de priesters elke sabbat in de tempel de sabbat schenden en toch niet schuldig zijn? MAT 12:6 Ik echter zeg u: Hier is meer dan de tempel. MAT 12:7 Indien het maar tot u doorgedrongen was wat het zeggen wil: Ik wil liever barmhartigheid dan offers, dan zoudt gij deze onschuldigen niet veroordeeld hebben. MAT 12:8 Want de Mensenzoon is Heer van de sabbat.' MAT 12:9 Genezing op sabbat. Zijn weg vervolgend ging Hij naar hun synagoge MAT 12:10 en trof daar een man aan met een verschrompelde hand. Ze stelden Hem nu deze vraag: 'Mag men op sabbat genezen?' Hun bedoeling was Hem te kunnen aanklagen. MAT 12:11 Hij antwoordde hun: 'Wie van u die maar een schaap heeft, zal dat niet grijpen om het uit een kuil te halen, ook wanneer het op sabbat daarin gevallen is? MAT 12:12 En wat betekent nu een schaap vergeleken bij een mens! Het is dus geoorloofd op sabbat goed te doen.' MAT 12:13 Daarop zei Hij tot de man: 'Steek uw hand uit.' Hij stak ze uit en ze werd weer even gezond als de andere. MAT 12:14 De Farizeeën gingen naar buiten en smeedden plannen om Hem uit de weg te ruimen. MAT 12:15 Maar omdat Jezus dit wist, trok Hij vandaar weg. Velen volgden Hem en Hij genas ze allen. MAT 12:16 Hij drukte hun echter op het hart Hem niet bekend te maken, MAT 12:17 opdat in vervulling zou gaan het woord door de profeet Jesaja gesproken: MAT 12:18 Zie, mijn Dienaar, die ik heb verkoren, mijn Welbeminde, in wie mijn ziel behagen vond. Ik zal mijn geest op Hem doen rusten, Gods Wet zal Hij verkondigen aan de volkeren. MAT 12:19 Hij zal twisten noch schreeuwen en op straat zal men zijn stem niet horen. MAT 12:20 Een geknakt riet zal Hij niet breken en een smeulende vlaspit niet doven voordat Hij Gods Wet ter overwinning heeft gevoerd; MAT 12:21 en op Zijn Naam zullen de volkeren hopen. MAT 12:22 Jezus' zelfverdediging. Eens bracht men Hem een bezetene die blind en stom was. Hij genas hem, zodat de stomme weer sprak en zag. MAT 12:23 Al het volk was buiten zichzelf en zei: `Zou dit niet de zoon van David zijn?' MAT 12:24 Maar de Farizeeën die dat hoorden, antwoordden: 'Hij drijft de duivels alleen maar uit door Beelzebul, de vorst der duivels.' MAT 12:25 Omdat Hij hun gedachten kende, zei Hij tot hen: 'Elk rijk dat innerlijk verdeeld is, vervalt tot een woestenij; en geen stad of huis, in zichzelf verdeeld, houdt stand. MAT 12:26 Als nu de satan de satan uitdrijft, is hij met zichzelf in strijd: hoe kan zijn rijk dan standhouden? MAT 12:27 Bovendien als Ik door Beelzebul de duivels uitdrijf, door wie drijven uw zonen ze dan uit? Daarom zullen zij uw rechters zijn. MAT 12:28 Maar als Ik door de geest Gods de duivels uitdrijf, dan is inderdaad het Rijk Gods tot u gekomen. MAT 12:29 Of hoe kan iemand binnendringen in het huis van een sterke en zijn huisraad roven, als hij niet eerst die sterke heeft geboeid? Dan pas kan hij zijn huis leeghalen. MAT 12:30 Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij bijeenbrengt, drijft uiteen. MAT 12:31 Daarom zeg Ik u: Iedere zonde en godslastering zal de mensen vergeven worden, maar lastering van de Geest zal niet vergeven worden. MAT 12:32 Als iemand zich kant tegen de Mensenzoon, zal het hem vergeven worden, maar wie zich kant tegen de heilige Geest, zal geen vergiffenis verkrijgen, noch in deze, noch in de komende wereld. MAT 12:33 Gesteld dat de boom goed is, dan is ook zijn vrucht goed; gesteld echter dat de boom ziek is, dan ook zijn vruchten; want aan de vruchten kent men de boom. MAT 12:34 Adderengebroed! hoe zouden er, slecht als gij zijt, uit uw mond goede woorden kunnen komen? Want de mond spreekt waar het hart van overloopt. MAT 12:35 Een goed mens brengt uit zijn schat van goedheid goede dingen te voorschijn, maar een slecht mens uit zijn schat van slechtheid slechte dingen. MAT 12:36 Ik zeg u: Van ieder onnut woord dat de mensen spreken, zullen zij rekenschap moeten afleggen op de dag van het oordeel, MAT 12:37 want naar uw woorden zult gij gerecht bevonden en naar uw woorden zult gij geoordeeld worden.' MAT 12:38 Het teken van Jona. Op zekere dag richtten enige schriftgeleerden en Farizeeën zich tot Hem met de woorden: 'Meester, wij willen een teken van U zien.' MAT 12:39 Maar Hij gaf hun ten antwoord: 'Een slecht en overspelig geslacht verlangt een teken, maar geen ander teken zal hun gegeven worden dan dat van de profeet Jona. MAT 12:40 Zoals mogelijk Jona drie dagen en drie nachten verbleef in de buik van het zeemonster, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten verblijven in de schoot van de aarde. MAT 12:41 De mensen van Nineve zullen bij het oordeel opstaan samen met dit geslacht en het veroordelen, want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; welnu, hier is meer dan Jona. MAT 12:42 De koningin van het Zuiden zal bij het oordeel opstaan samen met dit geslacht en het veroordelen, want zij kwam van het uiteinde der aarde om te luisteren naar de wijsheid van Salomo: welnu hier is meer dan Salomo. MAT 12:43 Van kwaad tot erger. Wanneer de onreine geest een mens verlaat, gaat hij rondzwerven in dorre streken op zoek naar rust, maar vindt die niet. MAT 12:44 Dan zegt hij: Ik keer terug naar mijn huis, dat ik verlaten heb. Bij zijn komst vindt hij het leegstaan, schoongemaakt en op orde. MAT 12:45 Dan gaat hij zeven andere geesten erbij halen, nog slechter dan hijzelf: zij trekken erin en gaan daar wonen. Het laatste is voor die mens nog erger dan het eerste. Zo zal het ook gaan met dit zondig geslacht.' MAT 12:46 De wil van God boven alles. Terwijl Hij nog tot het volk sprak, gebeurde het dat zijn moeder en broeders buiten stonden om te trachten met Hem te spreken. MAT 12:47 Iemand kwam Hem nu zeggen: 'Uw moeder en broeders staan daar buiten en willen U spreken.' MAT 12:48 Maar hij antwoordde aan degene die Hem dit kwam zeggen: 'Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?' MAT 12:49 En met een gebaar naar zijn leerlingen zei Hij: 'Ziedaar mijn moeder en mijn broeders; MAT 12:50 want mijn broeder, mijn zuster en mijn moeder zijn zij die de wil volbrengen van mijn Vader in de hemel.' MAT 13:1 Parabels. Op zekere dag had Jezus zijn huis verlaten en zat aan de oever van het meer. MAT 13:2 Toen verzamelde zich bij Hem een menigte zo talrijk, dat Hij in een boot moest stappen om daar plaats te nemen, terwijl de hele menigte langs het strand bleef staan. MAT 13:3 Hij sprak tot hen over vele dingen in gelijkenissen.De zaaier. 'Eens, zo begon Hij, ging een zaaier uit om te zaaien. MAT 13:4 Bij het zaaien viel een gedeelte op de weg en de vogels kwamen het opeten. MAT 13:5 Een ander gedeelte viel op de rotsachtige plekken, waar het niet veel aarde had; het schoot snel op omdat het in ondiepe grond lag. MAT 13:6 Toen de zon was opgekomen, kreeg het te lijden van de hitte, zodat het verdorde bij gebrek aan wortel. MAT 13:7 Weer een ander gedeelte viel onder de distels en deze schoten op, zodat het verstikte. MAT 13:8 Een ander gedeelte tenslotte viel op goede grond en leverde vrucht op: deels honderd, deels zestig , deels dertig voudig. MAT 13:9 Wie oren heeft, hij luistere.' MAT 13:10 Zijn leerlingen kwamen Hem vragen: 'Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen?' MAT 13:11 Hij gaf hun ten antwoord: 'Aan u is het gegeven de geheimen van het Rijk der hemelen te kennen, maar aan hen is het niet gegeven. MAT 13:12 Aan wie heeft, zal gegeven worden, en wel in overvloed; maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden, zelfs wat hij heeft. MAT 13:13 Als ik tot hen spreek in gelijkenissen, dan is het omdat zij, ofschoon zij ogen hebben, niet zien en ofschoon zij oren hebben, niet horen of begrijpen. MAT 13:14 Zo wordt in hen de profetie van Jesaja vervuld die aldus luidt: Met uw oren zult gij luisteren en toch niet verstaan, met uw ogen zult gij kijken en toch niet zien. MAT 13:15 Want verhard is het hart van dit volk, met hun oren luisteren ze slecht en hun ogen doen zij dicht, uit vrees dat zij zouden zien met hun ogen, met hun oren zouden horen, met hun hart zouden verstaan, zich zouden bekeren en Ik zou hen genezen. MAT 13:16 Gelukkig uw ogen, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen! MAT 13:17 Want voorwaar, Ik zeg u: vele profeten en rechtvaardigen hebben verlangd te zien wat gij ziet, maar zij hebben het niet gezien; en te horen wat gij hoort, maar zij hebben het niet gehoord. MAT 13:18 Gij dan, luistert naar de gelijkenis van de zaaier: MAT 13:19 Zo dikwijls iemand het woord van het Koninkrijk wel hoort maar niet begrijpt, komt de boze en rooft weg wat gezaaid ligt in zijn hart; dat is hij die op de weg gezaaid is. MAT 13:20 Die op rotsachtige plekken werd gezaaid, is hij die het woord hoort en het terstond met blijdschap opneemt: MAT 13:21 maar hij heeft geen wortel geschoten, hij leeft bij het ogenblik, en als hij omwille van het woord verdrukt of vervolgd wordt, komt hij onmiddellijk ten val. MAT 13:22 Die gezaaid werd tussen distels is hij die het woord wel hoort, maar dit wordt door de zorgen van de wereld en de begoocheling van de rijkdom verstikt en zo blijft het zonder vruchten. MAT 13:23 Maar die in goede aarde werd gezaaid, is hij die het woord hoort en begrijpt en daarom vrucht draagt: bij de een is de opbrengst honderdvoudig, bij een ander zestigvoudig en bij een ander dertigvoudig.' MAT 13:24 Onkruid tussen de tarwe. Een andere gelijkenis hield Hij hun voor: 'Het Rijk der hemelen gelijkt op een man die op zijn akker goed zaad had gezaaid; MAT 13:25 maar terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand, zaaide onkruid tussen de tarwe en ging heen. MAT 13:26 Toen de halmen opgeschoten waren en vrucht hadden gezet, was ook het onkruid te zien. MAT 13:27 Nu gingen de knechten naar hun meester en zeiden hem: Heer, ge hebt toch goed zaad op uw akker gezaaid? Hoe komt het dan dat er onkruid op staat? MAT 13:28 Hij antwoordde hun: Dat is het werk van een vijand. De knechten zeiden tot hem: Wilt ge dan dat we het bijeengaren? MAT 13:29 Maar hij zei: Neen, ik ben bang dat ge, wanneer ge het onkruid bijeengaart, de tarwe mee uittrekt. MAT 13:30 Laat beide samen opgroeien tot de oogst, en met de oogsttijd zal ik maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bussels om te verbranden; maar slaat de tarwe op in mijn schuur.' MAT 13:31 Het mosterdzaadje. Een andere gelijkenis hield Hij hun voor: 'Het Rijk der hemelen gelijkt op een mosterdzaadje, dat iemand op zijn akker zaaide. MAT 13:32 Weliswaar is dit het allerkleinste zaadje, maar wanneer het is opgeschoten, is het groter dan de andere tuingewassen; het wordt een boom, zodat de vogels uit de lucht in zijn takken komen nestelen.' MAT 13:33 Gist en bloem. Nog een andere gelijkenis vertelde Hij hun: 'Het Rijk der hemelen gelijkt op gist, die een vrouw in drie maten bloem verwerkte, totdat deze in hun geheel gegist waren.' MAT 13:34 Dit alles sprak Jezus tot het volk in gelijkenissen en zonder gelijkenissen leerde Hij hun niets, MAT 13:35 opdat in vervulling zou gaan het door de profeet gesproken woord: Ik zal mijn mond openen in gelijkenissen, Ik zal openbaren wat verborgen is geweest vanaf de grondvesting der wereld. MAT 13:36 Uitleg van de parabel van het onkruid. Toen liet Hij de menigte gaan en keerde naar huis terug. Zijn leerlingen kwamen nu naar Hem toe en zeiden: 'Leg ons de gelijkenis uit van dat onkruid op de akker.' MAT 13:37 Hij gaf hun ten antwoord: 'Die het goede zaad zaait, is de Mensenzoon; MAT 13:38 de akker is de wereld; het goede zaad, dat zijn de kinderen van het Rijk; het onkruid zijn de kinderen van het kwaad, MAT 13:39 en de vijand die het zaaide, is de duivel. De oogst is het einde van de wereld en de maaiers zijn de engelen. MAT 13:40 Zoals nu het onkruid wordt bijeengebracht en in het vuur verbrand, zo zal het ook gaan op het einde van de wereld. MAT 13:41 De Mensenzoon zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn Rijk bijeenbrengen allen die tot zonde verleiden en ongerechtigheid bedrijven MAT 13:42 om hen in de vuuroven te werpen, waar geween zal zijn en tandengeknars. MAT 13:43 Dan zullen de rechtvaardigen in het Koninkrijk van hun Vader schitteren als de zon. Wie oren heeft, hij luistere. MAT 13:44 De schat in de akker; de parel. Het Rijk der hemelen gelijkt op een schat, verborgen in een akker. Toen iemand hem vond, verborg hij hem weer, en in zijn blijdschap ging hij alles te gelde maken wat hij bezat en kocht die akker. MAT 13:45 Ook gelijkt het Rijk der hemelen op een koopman, op zoek naar mooie parels. MAT 13:46 Toen hij een parel van grote waarde had gevonden, ging hij alles verkopen wat hij bezat en kocht haar. MAT 13:47 Het sleepnet. Ook gelijkt het Rijk der hemelen op een sleepnet dat in de zee geworpen, vissen van allerlei soort bijeenbracht. MAT 13:48 Toen het vol was trok men het op het strand; men zette zich neer om de goede vissen uit te zoeken en in manden te doen, de slechte echter werden weggeworpen. MAT 13:49 Zo zal het ook gaan op het einde van de wereld: de engelen zullen uittrekken om de slechten tussen de rechtvaardigen uit te zoeken MAT 13:50 en in de vuuroven te werpen. Daar zal geween zijn en tandengeknars. MAT 13:51 Hebt gij dit alles begrepen?' Zij antwoordden Hem: 'Ja.' MAT 13:52 Hij zij hun: 'Daarom is iedere schriftgeleerde die onderwezen is in het Rijk der hemelen gelijk aan een huisvader die uit zijn schat nieuw en oud te voorschijn haalt.' MAT 13:53 Het ongelovige Nazaret. Toen Jezus deze gelijkenissen had beëindigd, ging Hij vandaar weg. MAT 13:54 Hij begaf zich naar zijn vaderstad en onderwees hen in hun synagoge, zodat ze verbaasd zeiden: 'Waar heeft Hij die wijsheid vandaan en de macht om wonderen te doen? MAT 13:55 Is Hij niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria en zijn broeders Jakobus, Jozef, Simon en Judas? MAT 13:56 Wonen zijn zusters niet allen bij ons? Waar heeft Hij dat alles vandaan?' MAT 13:57 En zij namen er aanstoot aan. Maar Jezus sprak tot hen: 'Een profeet wordt overal geëerd behalve in zijn eigen stad en in zijn eigen kring.' MAT 13:58 En wegens hun ongeloof deed Hij daar niet veel wonderen. MAT 14:1 Onthoofding van de Doper. In die tijd begon Jezus' vermaardheid tot de viervorst Herodes door te dringen, MAT 14:2 en hij zei daarom tot zijn hovelingen: 'Dat moet Johannes de Doper zijn; hij is uit de doden opgestaan; vandaar dat die wonderkrachten in hem werken.' MAT 14:3 Want omwille van Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, had Herodes Johannes laten grijpen en geboeid in de gevangenis geworpen, MAT 14:4 omdat hij tot hem gezegd had: 'Het is u niet geoorloofd haar als vrouw te hebben.' MAT 14:5 Daarom had Herodes hem eigenlijk ter dood willen brengen, waar hij was hiervoor teruggeschrokken omdat het volk hem voor een profeet hield. MAT 14:6 Toen de dochter van Herodes echter op de verjaardag van Herodes voor het gezelschap danste, beviel zij hem MAT 14:7 zo zeer dat hij een eed zwoer haar alles te zullen geven wat zij zou vragen. MAT 14:8 Haar moeder had haar het antwoord ingescherpt en daarom zei ze: 'Geef mij, hier nog, op een schotel het hoofd van Johannes de Doper.' MAT 14:9 Ofschoon dit de koning aan zijn hart ging wilde hij toch, ook wegens zijn tafelgenoten, zijn eed gestand doen en hij gelastte het te geven. MAT 14:10 Hij gaf daarom opdracht Johannes in de gevangenis te onthoofden. MAT 14:11 Zijn hoofd werd op een schotel binnengebracht. MAT 14:12 Zijn leerlingen kwamen het lijk halen en begroeven het; daarna gingen zij het aan Jezus melden. MAT 14:13 Wonderbare spijziging. Op dit bericht voer Jezus vandaar in een boot weg naar een eenzame plaats om alleen te zijn. Maar het gerucht hiervan drong tot het volk door en het ging Hem te voet uit hun steden achterna. MAT 14:14 Toen hij bij zijn landing dan ook een grote menigte zag, kreeg Hij diep medelijden met hen en Hij genas hun zieken. MAT 14:15 Tegen het vallen van de avond kwamen zijn leerlingen naar Hem toe en zeiden: 'Deze plek is eenzaam en het is al laat op de dag. Stuur dus het volk weg om in de dorpen eten te gaan kopen.' MAT 14:16 'Het is niet nodig dat zij weggaan,' zei Jezus hun, `geeft gij hun maar te eten.' MAT 14:17 Doch zij antwoordden: 'Wij hebben hier niet meer dan vijf broden en twee vissen.' MAT 14:18 Waarop Jezus sprak: 'Brengt die dan hier.' MAT 14:19 En hij gaf opdracht dat het volk zich zou neerzetten op het gras. Hij nam de vijf broden en de twee vissen, sloeg de ogen ten hemel, en nadat Hij de zegen had uitgesproken, brak Hij de broden die Hij aan zijn leerlingen gaf en de leerlingen gaven ze weer aan het volk. MAT 14:20 Allen aten tot ze verzadigd waren en aan overgebleven brokken haalde men nog twaalf volle korven op. MAT 14:21 Het waren ongeveer vijfduizend mensen die hadden gegeten, vrouwen en kinderen niet meegerekend. MAT 14:22 Storm op het meer. Onmiddellijk hierop dwong Hij zijn leerlingen in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen, terwijl Hij het volk naar huis zou zenden. MAT 14:23 Toen Hij het volk had weggezonden, ging Hij de berg op om in afzondering te bidden. De avond viel en Hij was daar alleen. MAT 14:24 De boot was reeds vele stadiën uit de kust en werd geteisterd door de golven, want zij hadden tegenwind. MAT 14:25 In de vierde nachtwake kwam Hij te voet over het meer naar hen toe. MAT 14:26 Maar toen de leerlingen Hem zo over het meer zagen gaan, raakten zij van streek omdat zij een spook meenden te zien en zij begonnen van angst te schreeuwen. MAT 14:27 Maar Jezus zei onmiddellijk tot hen: 'Weest gerust. Ik ben het. Vreest niet.' MAT 14:28 'Heer', antwoordde Petrus,' als Gij het zijt, zeg mij dan dat ik over het water naar U toe moet komen.' MAT 14:29 Waarop Jezus sprak: 'Kom!' Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. MAT 14:30 Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was, werd hij bang; hij begon te zinken en schreeuwde: 'Heer, red mij!' MAT 14:31 Terstond stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast, terwijl hij tot hem zei: 'Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?' MAT 14:32 Nadat zij in de boot gestapt waren, ging de wind liggen. MAT 14:33 De inzittenden wierpen zich voor Hem neer en zeiden: 'Waarlijk. Gij zijt de Zoon van God.' MAT 14:34 Vele genezingen. Toen zij overgestoken waren, bereikten zij de kust bij Gennesaret. MAT 14:35 Toen de mannen van die streek Hem herkenden, verspreidden zij in heel de omtrek het bericht van zijn komst en brachten Hem al hun zieken. MAT 14:36 Ze smeekten Hem of ze tenminste de zoom van zijn kleed mochten aanraken. En allen die dit deden, werden gezond. MAT 15:1 Farizeese en christelijke reinheid. Op zekere dag kwamen Farizeeën en schriftgeleerden uit Jeruzalem naar Jezus met de vraag: MAT 15:2 'Waarom overtreden uw leerlingen wat ons van oudsher is overgeleverd? Want ze wassen hun handen niet voor het eten.' MAT 15:3 Hij gaf hun ten antwoord: 'En gij dan, waarom overtreedt gij terwille van die eigen overlevering van u het gebod van God? MAT 15:4 God heeft immers gezegd: Eer uw vader en uw moeder en Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet sterven. MAT 15:5 En toch leert gij: Wie tot zijn vader of moeder zegt: Offergave is mijn bezit waarmee ik u zou kunnen helpen, MAT 15:6 heeft jegens zijn vader of moeder geen verplichting meer. Daarmee hebt gij het woord van God krachteloos gemaakt terwille van uw eigen overlevering. MAT 15:7 Hoe juist heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd, toen hij zeide: MAT 15:8 Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij. MAT 15:9 Zij eren Mij, maar zonder zin, en mensenwet is wat zij leren. MAT 15:10 Daarop riep Hij de mensen bij zich en sprak tot hen: 'Luistert en wilt verstaan: MAT 15:11 Niet wat de mond binnengaat, bezoedelt de mens; de mens wordt bezoedeld door wat de mond uitgaat.' MAT 15:12 Toen kwamen de leerlingen naar Hem toe en zeiden: 'Weet Gij dat de Farizeeën bij het horen van Uw woorden er aanstoot aan nemen?' MAT 15:13 Maar Hij antwoordde: 'Iedere aanplanting die niet door mijn hemelse Vader geplant is, zal worden uitgerukt. MAT 15:14 Laat ze maar begaan: zij zijn blinden die blinden leiden. Maar als de ene blinde de andere leidt, vallen beiden in de kuil.' MAT 15:15 Nu nam Petrus het woord en zei tot Hem: 'Verklaar ons die gelijkenis.' MAT 15:16 Waarop Jezus antwoordde: `Begrijpt zelfs gij nu nog niets? MAT 15:17 Beseft gij dan niet, dat alles wat de mond ingaat, in de buik komt en op een zekere plaats wordt verwijderd? MAT 15:18 Maar wat de mond uitgaat, komt voort uit het hart en dat bezoedelt de mens. MAT 15:19 Want uit het hart komen voort boze gedachten, moord, echtbreuk, ontucht, diefstal, valse getuigenis en godslastering. MAT 15:20 Die dingen zijn het die de mens bezoedelen, maar met ongewassen handen eten bezoedelt de mens niet.' MAT 15:21 Het geloof van de Kananeese. Vandaar trok Jezus zich terug naar de streek van Tyrus en Sidon. MAT 15:22 Op een gegeven ogenblik trad een Kananeese vrouw afkomstig uit dat gebied naar voren, luid roepend: 'Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter is van een duivel bezeten en wordt verschrikkelijk gekweld.' MAT 15:23 Maar Hij gaf haar in het geheel geen antwoord. Toen wendden zijn leerlingen zich tot Hem met het verzoek: 'Stuur die vrouw toch weg, want ze blijft ons achterna roepen.' MAT 15:24 Hij antwoordde: 'Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden.' MAT 15:25 Maar de vrouw kwam naderbij, wierp zich voor zijn voeten neer en zei: 'Heer, help mij!' MAT 15:26 Hij gaf haar ten antwoord: 'Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven.' MAT 15:27 'Wel waar, Heer', sprak zij,' want de honden eten immers toch ook de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen.' MAT 15:28 Daarop zei Jezus haar: 'Vrouw, ge hebt een groot geloof! Uw verlangen wordt ingewilligd.' En van dat ogenblik was haar dochter genezen. MAT 15:29 Tweede wonderbare spijziging. Uit die streek teruggekeerd trok Jezus eens langs het meer van Galilea. Hij ging de berg op en zette zich daar neer. MAT 15:30 Talrijke mensen stroomden naar Hem toe, die lammen, gebrekkigen, blinden, stommen en vele anderen met zich mee voerden om ze aan zijn voeten neer te leggen. MAT 15:31 Hij genas hen, tot verbazing van het volk dat zag hoe stommen spraken en gebrekkigen gezond werden, lammen liepen en blinden konden zien. En zij verheerlijkten de God van Israël. MAT 15:32 Jezus riep zijn leerlingen bij zich en sprak: 'Ik heb medelijden met al deze mensen, omdat ze al drie dagen lang bij Mij blijven, zodat ze nu zonder voedsel zijn; maar Ik wil hen niet laten gaan zonder dat zij eerst gegeten hebben, omdat Ik vrees dat zij anders onderweg zullen bezwijken.' MAT 15:33 De leerlingen merkten echter op: 'Waar halen wij op een zo eenzame plaats genoeg brood vandaan om al dat volk te verzadigen?' MAT 15:34 Jezus vroeg hun: 'Hoeveel broden hebt ge dan?'' Zeven', antwoordden zij, `en wat visjes.' MAT 15:35 Nadat Hij het volk gelast had op de grond te gaan zitten MAT 15:36 nam Hij de zeven broden en de vissen welke Hij na het spreken van het dankgebed brak en ze aan de leerlingen gaf, die ze weer aan het volk gaven. MAT 15:37 Allen aten tot ze verzadigd waren en aan overgebleven brokken haalde men nog zeven volle manden op. MAT 15:38 Het waren vierduizend mannen die hadden gegeten, vrouwen en kinderen niet meegerekend. MAT 15:39 En nadat Hij het volk naar huis had gezonden, ging Hij scheep om over te steken naar de streek van Magadan. MAT 16:1 Het ongeloof van Farizeeën en Sadduceeën. De Farizeeën en Sadduceeën kwamen Hem op de proef stellen door te vragen hun een teken uit de hemel te laten zien. MAT 16:2 Maar Hij gaf hen ten antwoord: 'Des avonds zegt ge: Het wordt mooi weer, want de hemel is rood. MAT 16:3 En bij zonsopgang: Vandaag komt er storm, want het rood van de hemel ziet er onheilspellend uit! Dus het aanzien van de hemel weet ge wel te beoordelen; kunt ge het de tekenen der tijden dan niet? MAT 16:4 Een boos en overspelig geslacht eist een teken; maar geen teken zal het gegeven worden dan het teken van Jona.' En hij liet hen staan en ging heen. MAT 16:5 Toen de leerlingen naar de overkant voeren, hadden zij vergeten brood mee te nemen. MAT 16:6 Jezus sprak tot hen: 'Let op en wacht u voor het zuurdeeg van de Farizeeën en de Sadduceeën.' MAT 16:7 Zij spraken daar onder elkander over: 'Dat zegt Hij omdat wij geen brood meegenomen hebben. MAT 16:8 Maar Jezus bemerkte het en zei: 'Wat bespreekt gij daar onder elkander, kleingelovigen: dat Ik dit gezegd heb, omdat ge geen brood bij u hebt? MAT 16:9 Begrijpt gij het dan nog niet? Herinnert gij u niet de vijf broden en het aantal korven dat gij hebt gebruikt? MAT 16:10 Of de zeven broden voor de vierduizend en het aantal manden dat gij toen nodig had? MAT 16:11 Hoe is het mogelijk dat gij niet begrijpt dat ik u niet over brood gesproken heb? Maar wacht u voor het zuurdeeg van de Farizeeën en Sadduceeën.' MAT 16:12 Toen begrepen zij dat Hij hen gewaarschuwd had voor de leer van de Farizeeën en Sadduceeën en niet voor het zuurdeeg van brood. MAT 16:13 De belijdenis van Petrus. Toen Jezus in de streek van Caesarea van Filippus gekomen was, stelde Hij zijn leerlingen deze vraag: 'Wie is, volgens de opvatting van de mensen, de Mensenzoon?' MAT 16:14 Zij antwoordden: 'Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de profeten.' MAT 16:15 'Maar gij', sprak Hij tot hen,' wie zegt gij dat Ik ben?' MAT 16:16 Simon Petrus antwoordde: 'Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.' MAT 16:17 Jezus hernam: 'Zalig zijt gij Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard maar mijn Vader die in de hemel is. MAT 16:18 Op mijn beurt zeg ik u: Gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. MAT 16:19 Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen en wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn en wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in de hemel ontbonden zijn.' MAT 16:20 Daarop verbood Hij zijn leerlingen nadrukkelijk iemand te zeggen, dat Hij de Christus was. MAT 16:21 Eerste lijdensvoorspelling. Van dat ogenblik af begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan; dat Hij daar veel zou moeten lijden van de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden, maar dat Hij na ter dood gebracht te zijn op de derde dag zou verrijzen. MAT 16:22 Toen nam Petrus Jezus ter zijde en begon Hem ernstig daarover te onderhouden: 'Dat verhoede God, Heer! Zo iets mag U nooit overkomen! MAT 16:23 Maar Hij keerde zich om en zei tot Petrus: 'Ga weg, satan, terug! Gij zijt Mij een aanstoot, want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil.' MAT 16:24 En daarna tot zijn leerlingen: 'Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. MAT 16:25 Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden. MAT 16:26 Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als dit ten koste gaat van eigen leven? Of wat zal een mens kunnen geven in ruil voor zijn leven? MAT 16:27 Want de Mensenzoon zal komen in de heerlijkheid van zijn Vader, vergezeld van zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden. MAT 16:28 Voorwaar, Ik zeg u: Er zijn er onder de hier aanwezigen, die de dood niet zullen ervaren, voordat zij de Mensenzoon zullen zien komen in zijn koninklijke macht.' MAT 17:1 De gedaanteverandering. Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee en bracht hen boven op een hoge berg, waar zij alleen waren. MAT 17:2 Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd: zijn gelaat begon te stralen als de zon en zijn kleed werd glanzend als het licht. MAT 17:3 Opeens verschenen hun Mozes en Elia, die zich met Hem onderhielden. MAT 17:4 Petrus nam het woord en zei tot Jezus: 'Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als Gij wilt zal ik hier drie tenten opslaan, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.' MAT 17:5 Nog had hij niet uitgesproken of een lichtende wolk overschaduwde hen en uit die wolk klonk een stem: 'Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn behagen heb gesteld; luistert naar Hem.' MAT 17:6 Op het horen daarvan wierpen de leerlingen zich ter aarde neer, aangegrepen door een hevige vrees. MAT 17:7 Maar Jezus kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei: 'Staat op en weest niet bang.' MAT 17:8 Toen zij hun ogen opsloegen zagen zij niemand meer dan alleen Jezus. MAT 17:9 Onder het afdalen van de berg gelastte Jezus hun: 'Spreekt met niemand over wat ge hebt aanschouwd, voordat de Mensenzoon uit de doden is opgestaan. MAT 17:10 Toen stelden de leerlingen Hem de vraag: 'Waarom zeggen de schriftgeleerden toch dat eerst Elia moet komen?' MAT 17:11 Hij gaf hun ten antwoord: 'Inderdaad, Elia zal komen om alles te herstellen. MAT 17:12 Ik zeg u zelfs: Elia is reeds gekomen, maar zij hebben hem niet erkend, doch naar willekeur met hem gehandeld, zoals ook de Mensenzoon van hen te lijden zal hebben.' MAT 17:13 Nu begrepen de leerlingen dat hij hun over Johannes de Doper gesproken had. MAT 17:14 Genezing van een bezeten jongen. Toen zij bij het volk gekomen waren, kwam een man naar Hem toe, wierp zich op de knieën voor Hem neer MAT 17:15 en sprak: 'Heer, ontferm U over mijn zoon, want hij lijdt aan vallende ziekte en is er slecht aan toe. Dikwijls valt hij in het vuur en in het water. MAT 17:16 Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar die waren niet bij machte hem te genezen.' MAT 17:17 Jezus gaf ten antwoord: 'O, ongelovig en verworden geslacht, hoelang nog moet Ik bij u zijn, hoelang nog u verdragen? Brengt hem hier bij Mij.' MAT 17:18 En onder de dwang van Jezus' woord ging de boze geest uit hem weg; op datzelfde ogenblik was de jongen genezen. MAT 17:19 Toen de leerlingen met Jezus alleen waren, vroegen zij Hem: 'Waarom hebben wij hem niet uit kunnen drijven?' MAT 17:20 Jezus zei hun: 'Voorwaar, Ik zeg u: wanneer gij een geloof bezit, ook al is dit klein als een mosterdzaadje, dan kunt ge tot deze berg zeggen: verplaats u van hier naar daar, en hij zal zich verplaatsen. Niets zal u onmogelijk zijn.' MAT 17:21 (Maar dit soort wordt alleen uitgedreven door gebed en vasten.) MAT 17:22 Tweede lijdensvoorspelling. Terwijl zij nog in Galilea bijeen waren, sprak Jezus tot hen: 'De Mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen der mensen, MAT 17:23 en ze zullen hem doden, maar op de derde dag zal Hij verrijzen.' Zij werden zeer bedroefd. MAT 17:24 De tempelbeslasting. Toen zij in Kafarnaüm waren aangekomen, kwamen de inners van de tempelbelasting op Petrus af en zeiden: 'Betaalt uw Meester de didrachmen niet?' MAT 17:25 Hij antwoordde: 'Welzeker!' Maar toen hij het huis binnenging, voorkwam Jezus hem met de woorden: 'Wat dunkt u, Simon? Van wie heffen de aardse vorsten tol of belasting, van hun kinderen of van vreemden? MAT 17:26 En toen hij antwoordde: 'Van vreemden,' zei Jezus tot hem: 'Dus de kinderen zijn vrij. MAT 17:27 Maar toch om hun geen aanstoot te geven: ga naar het meer uit en grijp de eerste vis die boven komt; maak zijn bek open en gij zult een stater vinden; betaal daarmee voor Mij en voor u.' MAT 18:1 Wordt als kinderen. In diezelfde tijd richtten de leerlingen tot Jezus de vraag: 'Wie is nu wel de grootste in het Rijk der hemelen?' MAT 18:2 Hij riep een klein kind, zette het in hun midden en zei: MAT 18:3 'Voorwaar, Ik zeg u: als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen, zult gij het Rijk der Hemelen zeker niet binnengaan. MAT 18:4 Wie dus zichzelf gering acht zoals dit kind is de grootste in het Rijk der hemelen. MAT 18:5 En wie in mijn Naam zulk een kind opneemt, neemt Mij op. MAT 18:6 Geen aanstoot geven. Maar als iemand een van deze kleinen die in Mij geloven aanstoot geeft, zou het beter voor hem zijn als men hem een molensteen om de hals hing en hem liet verdrinken in het diepste van de zee. MAT 18:7 Wee de wereld vanwege de ergernissen! Weliswaar is het onvermijdelijk dat er ergernis gegeven wordt, maar wee de mens door wiens toedoen dit geschiedt! MAT 18:8 Geeft uw hand of voet u aanstoot, hak ze af en werp ze van u weg; het is beter voor u verminkt of kreupel het Leven binnen te gaan, dan in het bezit van twee handen of twee voeten in het eeuwige vuur te worden geworpen. MAT 18:9 Geeft uw oog u aanstoot, ruk het uit en werp het van u weg; want het is beter voor u met een oog het Leven binnen te gaan, dan in het bezit van twee ogen geworpen te worden in het vuur van de hel. MAT 18:10 Hoedt u er voor een van deze kleinen te minachten, want Ik zeg u: zij hebben engelen in de hemel en deze aanschouwen voortdurend het aangezicht van mijn Vader die in de hemel is. MAT 18:11 Redden wat verloren ging. (De Mensenzoon is gekomen om te redden, wat verloren was.) MAT 18:12 Wat dunkt u? Wanneer een man honderd schapen heeft en een daarvan verdwaalt, zal hij dan niet de negenennegentig in de bergen alleen laten om op zoek te gaan naar het verdwaalde? MAT 18:13 En gelukt het hem dat te vinden, voorwaar Ik zeg u, dan zal hij over dat ene meer verheugd zijn dan over de negenennegentig die niet verdwaald waren. MAT 18:14 Zo ook wil uw hemelse Vader niet dan een van deze kleinen verloren gaat. MAT 18:15 De broederlijke vermaning. Wanneer uw broeder gezondigd heeft, wijs hem dan onder vier ogen terecht. Luistert hij naar u, dan hebt gij uw broeder gewonnen. MAT 18:16 Maar luistert hij niet, haal er dan nog een of twee personen bij, opdat alles beruste op de verklaring van twee of drie getuigen. MAT 18:17 Als hij naar hen niet wil luisteren, leg het dan voor aan de Kerk. Wil hij ook naar de Kerk niet luisteren, beschouw hem dan als een heiden of tollenaar. MAT 18:18 Voorwaar, Ik zeg u: wat gij zult binden op aarde zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat gij zult ontbinden op aarde zal ook in de hemel ontbonden zijn. MAT 18:19 Gebed en vergevingsgezindheid. Eveneens zeg ik u: wanneer twee van u eensgezind op aarde iets vragen het moge zijn van het wil zullen zij het verkrijgen van mijn Vader die in de hemel is. MAT 18:20 Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.' MAT 18:21 Toen kwam Petrus naar Hem toe en sprak: 'Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?' MAT 18:22 Jezus antwoordde hem: 'Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal. MAT 18:23 Daarom gelijkt het Rijk der hemelen op een koning die rekening en verantwoording wilde vragen aan zijn dienaren. MAT 18:24 Toen hij hiermee begon, bracht men iemand bij hem die tienduizend talenten schuldig was. MAT 18:25 Daar hij niets had om te betalen gaf de heer het bevel hem te verkopen met vrouw en kinderen en al wat hij bezat om zo de schuld te vereffenen. MAT 18:26 De dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. MAT 18:27 De heer kreeg medelijden met die dienaar, liet hem gaan en schold hem de geleende som kwijt. MAT 18:28 Maar toen die dienaar buiten kwam, trof hij daar een andere dienaar die hem honderd denariën schuldig was; hij greep hem bij de keel en zei: Betaal wat je schuldig bent. MAT 18:29 De andere dienaar wierp zich voor hem neer en smeekte: Heb geduld met mij en ik zal u betalen. MAT 18:30 Maar hij weigerde en liet hem zelfs in de gevangenis zetten, totdat hij zijn schuld zou hebben betaald. MAT 18:31 Toen nu de overige dienaren zagen wat er gebeurd was, waren zij diep verontwaardigd en gingen hun heer alles vertellen. MAT 18:32 Daarop liet de heer hem roepen en sprak: Jij lelijke knecht, heel die schuld heb ik je kwijtgescholden, omdat je mij erom gesmeekt hebt. MAT 18:33 Had jij dan ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik met jou medelijden heb gehad? MAT 18:34 En in toorn ontstoken leverde zijn heer hem over aan de beulen, totdat hij zijn hele schuld betaald zou hebben. MAT 18:35 Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen, die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt.' MAT 19:1 Onverbreekbaarheid van het huwelijk. Toen Jezus deze toespraak geëindigd had, vertrok Hij uit Galilea en ging naar het Overjordaanse gebied van Judea. MAT 19:2 Tallozen trokken met Hem mee die Hij daar genas. MAT 19:3 Er kwamen Farizeeën naar Hem toe om Hem op de proef te stellen met de vraag: 'Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten om welke reden dan ook?' MAT 19:4 Hij gaf hun ten antwoord: 'Hebt gij niet gelezen, dat de Schepper in het begin hen als man en vrouw gemaakt heeft MAT 19:5 en gezegd heeft: Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten om zich te binden aan zijn vrouw en deze twee zullen worden een vlees? MAT 19:6 Zo zijn zij dus niet langer twee, een vlees als zij geworden zijn. Wat God derhalve heeft verbonden, mag een mens niet scheiden.' MAT 19:7 Zij zeiden Hem: 'Waarom heeft Mozes dan voorgeschreven bij het wegzenden van een vrouw een scheidingsbrief te geven?' MAT 19:8 Hij antwoordde: 'Om de hardheid van uw hart heeft Mozes u toegestaan uw vrouwen weg te zenden; aanvankelijk was dit echter niet zo. MAT 19:9 Ik zeg u dus: wie zijn vrouw wegzendt en dit niet wegens ontucht en een ander huwt, begaat echtbreuk; (en wie een weggezonden vrouw huwt, begaat echtbreuk).' MAT 19:10 De leerlingen zeiden Hem: 'Als de verhouding tussen man en vrouw zo is, kan men beter niet trouwen.' MAT 19:11 Hij antwoordde: 'Niet iedereen kan dit begrijpen, maar alleen zij aan wie het gegeven is. MAT 19:12 Er zijn onhuwbaren die zo uit de moederschoot zijn voortgekomen; en er zijn onhuwbaren die door de mensen zo gemaakt zijn; maar ook zijn er onhuwbaren die zichzelf onhuwbaar hebben gemaakt omwille van het Rijk der hemelen. Wie bij machte is dit te begrijpen, hij begrijpe het!' MAT 19:13 De kinderen bij Jezus. Toen werden er kleine kinderen bij Hem gebracht, opdat Hij hun handen zou opleggen en een gebed over hen spreken. Maar bars wezen de leerlingen ze af. MAT 19:14 Jezus echter zeide: 'Laat die kinderen toch begaan en verhindert ze niet bij Mij te komen. Want aan hen die zijn zoals zij, behoort het Rijk der hemelen.' MAT 19:15 En nadat Hij hun de handen had opgelegd, vertrok Hij vandaar. MAT 19:16 De rijke jongeman. Eens kwam iemand naar Hem toe om te vragen: 'Meester, wat voor goed moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?' MAT 19:17 Hij zeide hem: 'Waarom wilt ge van Mij weten wat goed is? Een slechts is er goed. Als gij het Leven wilt binnengaan, onderhoud dan de geboden.' MAT 19:18 'Welke?' vroeg hij. Jezus antwoordde: 'De bekende: Gij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen, MAT 19:19 eer uw vader en uw moeder en gij zult uw naaste beminnen als uzelf.' MAT 19:20 'Dat heb ik allemaal onderhouden', verklaarde de jongeman,' waar schiet ik nog tekort?' MAT 19:21 Jezus sprak tot hem: 'Wilt ge volmaakt zijn, ga dan naar huis, verkoop wat ge bezit en geef het aan de armen; daarmee zult ge een schat in de hemel bezitten. En kom dan terug om Mij te volgen.' MAT 19:22 Maar toen de jongeman deze raad hoorde, ging hij ontdaan heen, omdat hij vele goederen bezat. MAT 19:23 Nu sprak Jezus tot zijn leerlingen: 'Voorwaar, Ik zeg u: voor een rijke is het moeilijk het Rijk der hemelen binnen te gaan. MAT 19:24 Nog sterker: voor een kameel is het gemakkelijker door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke in het Koninkrijk Gods te komen.' MAT 19:25 Toen de leerlingen dit hoorden, stonden zij verbijsterd en vroegen: 'Wie kan er nu eigenlijk gered worden?' MAT 19:26 Jezus keek hen aan en zei: 'Dit ligt niet in de macht der mensen, maar voor God is alles mogelijk.' MAT 19:27 Waarop Petrus zeide: 'Zie, wij hebben alles prijsgegeven om U te volgen. Wat zullen wij dus krijgen?' MAT 19:28 Jezus sprak tot hen: 'Voorwaar, Ik zeg u: bij de wedergeboorte, wanneer de Mensenzoon zal gezeten zijn op de troon van zijn heerlijkheid, zult ook gij die Mij gevolgd zijt, gezeten zijn op twaalf tronen en heersen over de twaalf stammen van Israël. MAT 19:29 En ieder die zijn huis, broers of zusters, vader of moeder, vrouw, kinderen of akkers heeft prijsgegeven om mijn Naam, zal het honderdvoudig terugkrijgen en eeuwig leven ontvangen. MAT 19:30 Veel eersten zullen laatsten en veel laatsten zullen eersten zijn.' MAT 20:1 De arbeiders in de wijgaard. Met het Rijk der hemelen is het als met een landeigenaar die vroeg in de morgen uitging om arbeiders te huren voor zijn wijngaard. MAT 20:2 Hij werd het met de arbeiders eens voor een denarie per dag en stuurde ze naar zijn wijngaard. MAT 20:3 Rond het derde uur ging hij er weer op uit en zag nog anderen werkloos op de markt staan MAT 20:4 tot wie hij zei: Gaat ook naar mijn wijngaard en ik zal u geven wat billijk is. MAT 20:5 En zij gingen. MAT 20:6 Rond het elfde uur ging hij opnieuw uit en vond er weer anderen staan. Hij zei tot hen: Wat staat ge heel de dag werkloos? MAT 20:7 Ze antwoordden hem: Niemand heeft ons gehuurd. Daarop zei hij tot hen: Gaat ook gij naar mijn wijngaard. MAT 20:8 Bij het vallen van de avond sprak de eigenaar van de wijngaard tot zijn rentmeester: Roep de arbeiders en betaal hun uit, te beginnen met de laatsten en zo tot de eersten. MAT 20:9 Toen de arbeiders van het elfde uur kwamen, kregen zij elk een denarie; MAT 20:10 toen nu ook de eersten kwamen, meenden dezen dat zij meer zouden krijgen, maar ook zij kregen ieder de overeengekomen denarie. MAT 20:11 Ze namen hem wel aan, maar begonnen tegen de landeigenaar te morren MAT 20:12 en zeiden: Dezen hier, die het laatst gekomen zijn, hebben maar een uur gewerkt en gij stelt ze gelijk met ons die de last van de dag en de brandende hitte hebben gedragen. MAT 20:13 Maar hij antwoordde een van hen: Vriend, ik doe u toch geen onrecht? Zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarie? MAT 20:14 Neem wat u toekomt en ga heen. MAT 20:15 Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben? MAT 20:16 Zo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn.' MAT 20:17 Derde lijdensvoorspelling. Toen Jezus van plan was naar Jeruzalem te gaan nam Hij de twaalf apart en onderweg sprak hij tot hen: MAT 20:18 'Wij gaan nu naar Jeruzalem, waar de Mensenzoon aan de hogepriesters en schriftgeleerden zal worden overgeleverd. Zij zullen Hem ter dood veroordelen MAT 20:19 en aan de heidenen overleveren om Hem te bespotten, geselen en kruisigen, maar op de derde dag zal Hij verrijzen.' MAT 20:20 Ware grootheid. Toendertijd trad de moeder van de zonen van Zebedeüs samen met hen op Jezus toe en wierp zich voor zijn voeten om Hem iets te vragen. MAT 20:21 Hij sprak tot haar: 'Wat verlangt ge? `Zij antwoord de Hem: 'Laat deze twee jongens van mij in uw Koninkrijk zitten, een aan uw rechter en een aan uw linkerhand.' MAT 20:22 Maar Jezus antwoordde: 'Gij weet niet wat ge vraagt. Zijt gij in staat de beker te drinken die Ik ga drinken?' Zij zeiden hem: 'Ja, dat kunnen wij.' MAT 20:23 Hij sprak: 'Inderdaad, mijn beker zult gij drinken, maar het is niet aan Mij u te doen zitten aan mijn rechter of linkerhand, omdat alleen zij dit verkrijgen voor wie mijn Vader dit heeft bereid.' MAT 20:24 Toen de tien anderen dit hoorden, werden zij kwaad op de beide broers. MAT 20:25 Jezus echter riep hen bij zich en sprak: 'Gij weet, dat de heersers der volkeren hen met ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen. MAT 20:26 Dit mag bij u niet het geval zijn; wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn, MAT 20:27 en wie onder u de eerste wil zijn, moet slaaf van u wezen, MAT 20:28 zoals ook de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.' MAT 20:29 De genezing van twee blinden. Bij hun vertrek uit Jericho gingen vele mensen met Hem mee. MAT 20:30 Er zaten twee blinden langs de weg, die, horend dat Jezus voorbijging, luidkeels begonnen te roepen: 'Heer, Zoon van David, heb medelijden met ons!' MAT 20:31 De mensen snauwden hun toe te zwijgen. Maar zij riepen nog harder: 'Heer, Zoon van David, heb medelijden met ons!' MAT 20:32 Jezus bleef staan, riep hen bij zich en vroeg: 'Wat wilt ge dat Ik voor u doe?' MAT 20:33 Zij zeiden: 'Heer, open onze ogen!' MAT 20:34 Jezus had medelijden met hen en raakte hun ogen aan. Terstond konden zij zien en sloten zich bij Hem aan. MAT 21:1 De intocht in Jeruzalem. Toen zij Jeruzalem naderden en de Olijfberg bestegen in de richting van Betfage zond Jezus twee leerlingen uit met de opdracht: MAT 21:2 'Gaat naar het dorp daar voor u en het eerste dat gij zult vinden is een vastgebonden ezelin met een veulen. Maak die los en breng ze bij Mij. MAT 21:3 En als iemand u een aanmerking maakt, zegt dan: De Heer heeft ze nodig, maar zal ze spoedig terugsturen.' MAT 21:4 Dit gebeurde, opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet: MAT 21:5 Zegt aan de dochter van Sion: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezel, op een veulen, het jong van een lastdier. MAT 21:6 De leerlingen begaven zich op weg en deden wat Jezus hun had opgedragen; MAT 21:7 zij brachten de ezelin met haar veulen, legden er hun mantels overheen en Hij ging er op zitten. MAT 21:8 Zeer velen uit het volk spreidden hun mantels uit op de weg, terwijl anderen de weg bedekten met twijgen die zij van de bomen hadden gesneden. MAT 21:9 De mensen die Hem omstuwden, jubelden: 'Hosanna Zoon van David, Gezegend de Komende in de naam des Heren! Hosanna in den hoge!' MAT 21:10 Toen Hij Jeruzalem binnentrok, raakte de hele stad in beroering en men vroeg: 'Wie is dat?' MAT 21:11 Het volk antwoordde: 'Dit is de profeet Jezus uit Nazaret in Galilea.' MAT 21:12 Tempelreiniging. Zo ging Jezus naar de tempel en joeg alle kopers en verkopers het tempelplein af. Hij wierp de tafels van de geldwisselaars en de stoeltjes van de duivenverkopers omver MAT 21:13 en sprak tot hen: 'Er staat geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd, maar gij maakt er een rovershol van.' MAT 21:14 In de tempel kwamen blinden en lammen tot Hem en Hij genas ze. MAT 21:15 Maar toen de hogepriesters en schriftgeleerden de wonderen zagen die Hij deed en de kinderen die in de tempel waren bleven roepen: 'Hosanna Zoon van David!' waren ze verontwaardigd, MAT 21:16 en voegden Hem toe: 'Hoort Gij wat die daar zeggen?' Jezus antwoordde hun: 'Zeker! Maar hebt gij nooit gelezen: Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt gij u een lofzang bereid?' MAT 21:17 Hij liet hen staan en ging de stad uit naar Betanië, waar Hij de nacht doorbracht. MAT 21:18 Het verdorren van de vijgeboom. 's Morgens vroeg, op de terugweg naar de stad, kreeg Hij honger. MAT 21:19 Hij zag een vijgeboom langs de weg staan en ging ernaar toe, maar vond er niets dan bladeren aan. Daarop sprak Hij tot de boom: 'In eeuwigheid zult gij geen vrucht meer dragen.' En op slag verdorde de vijgeboom. MAT 21:20 Bij het zien daarvan vroegen de leerlingen verbaasd: 'Hoe is die vijgeboom zo ineens verdord.' MAT 21:21 Jezus gaf hun ten antwoord: Voorwaar, Ik zeg u: Als gij maar geloof hebt en niet twijfelt, zult gij niet alleen doen wat Ik met die vijgeboom gedaan heb, maar zelfs als ge tot deze berg zegt: Heft u op en stort u in zee, dan zal het gebeuren. MAT 21:22 En al wat gij in vertrouwvol gebed zult vragen, zult gij verkrijgen. MAT 21:23 Vraag naar Jezus' bevoegdheid.Hij ging naar de tempel, en toen Hij daar aan het onderrichten was, kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk Hem de vraag stellen: 'Welke bevoegdheid hebt Gij om dit alles te doen? En wie heeft U die bevoegdheid dan gegeven?' MAT 21:24 Jezus antwoordde hun: 'Ik zal u ook een vraag stellen, en als gij Mij daar antwoord op geeft, dan zal Ik u op mijn beurt zeggen krachtens welke bevoegdheid Ik dit alles doe. MAT 21:25 Het doopsel van Johannes, waar was dat vandaan? Van de hemel of van de mensen?' Zij beraadslaagden onder elkaar: 'Als wij zeggen: van de hemel, dan zal Hij tegen ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan geen geloof geschonken? MAT 21:26 Als we zeggen: van de mensen, dan hebben wij het volk te vrezen, want iedereen houdt Johannes voor een profeet.' MAT 21:27 Ze gaven Jezus dus ten antwoord: 'Wij weten het niet.' Toen zei Hij op zijn beurt tot hen: Dan zeg Ik u evenmin krachtens welke bevoegdheid Ik zo handel.' MAT 21:28 De twee zonen. 'Wat denkt ge van het volgende? Een man had twee zonen. Hij ging naar de eerste toe en zei: Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard. MAT 21:29 Goed vader, antwoordde deze, maar hij deed het niet. MAT 21:30 Toen ging hij naar de tweede en zei hetzelfde. Deze antwoordde: Neen, ik wil niet; maar later kreeg hij spijt en ging toch. MAT 21:31 Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan?' Ze zeiden: 'de laatste.' Toen zei Jezus hun: Voorwaar, Ik zeg u: de tollenaars en de ontuchtige vrouwen gaan eerder dan gij het Rijk Gods binnen. MAT 21:32 Johannes kwam tot u en beoefende de gerechtigheid; toch hebt gij hem geen geloof geschonken, terwijl de tollenaars en de ontuchtige vrouwen hem wel geloof schonken. Maar zelfs, nadat ge dit had gezien, zijt ge toch niet tot inkeer gekomen en hebt ge hem geen geloof geschonken. MAT 21:33 De misdadige wijnbouwers. Luistert naar een andere gelijkenis: Er was eens een landeigenaar die een wijngaard aanlegde; hij zette er een heining omheen, hakte een wijnpers erin uit en bouwde een wachttoren. Daarop verpachtte hij hem aan wijnbouwers en vertrok naar den vreemde. MAT 21:34 Toen de tijd van de oogst gekomen was, zond hij zijn dienaren naar de wijnbouwers om de opbrengst in ontvangst te nemen. MAT 21:35 Maar de wijnbouwers grepen zijn dienaren vast. Zij mishandelden de een, doodden de ander en stenigden een derde. MAT 21:36 Daarop zond hij andere dienaren, talrijker dan de eersten; maar zij behandelden hen op dezelfde manier. MAT 21:37 Tenslotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe, in de veronderstelling, dat zij zijn zoon wel zouden ontzien. MAT 21:38 Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze onder elkaar: Dat is de erfgenaam; vooruit, laten we hem vermoorden en ons zijn erfenis toeëigenen. MAT 21:39 Ze grepen hem vast, wierpen hem de wijngaard uit en doodden hem. MAT 21:40 Wanneer nu de eigenaar van de wijngaard komt, wat zal hij dan wel met die wijnbouwers doen?' MAT 21:41 Ze antwoordden Hem: Hij zal die ellendelingen een ellendige dood doen sterven en zijn wijngaard zal hij aan andere wijnbouwers verpachten, die hem de opbrengst op de vastgestelde tijd zullen afdragen.' MAT 21:42 Toen sprak Jezus tot hen: 'Hebt gij nooit in de Schrift gelezen: De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, is juist de hoeksteen geworden. Op last van de Heer is dat gebeurd en het is wonderbaar in onze ogen. MAT 21:43 Daarom zeg Ik u, het Rijk Gods zal u ontnomen worden en gegeven aan een volk dat wel de vruchten daarvan opbrengt.' MAT 21:44 (En wie op deze steen valt, hem zal hij verbrijzelen.) MAT 21:45 Toen de hogepriesters en Farizeeën zijn gelijkenissen gehoord hadden, begrepen ze dat Hij over hen sprak. MAT 21:46 Zij zonnen dus op een middel om zich van Hem meester te maken, maar ze waren bang voor het volk, omdat men Hem voor een profeet hield. MAT 22:1 De onwillige genodigden.Jezus nam het woord en sprak opnieuw tot hen in gelijkenissen. Hij zeide: MAT 22:2 'Het Rijk der hemelen gelijkt op een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. MAT 22:3 Hij stuurde zijn dienaars uit om allen te roepen die hij tot de bruiloft had uitgenodigd, maar zij wilden niet komen. MAT 22:4 Daarop zond hij andere dienaars met de opdracht: Zegt aan de genodigden: Zie ik heb mijn maaltijd klaar, mijn ossen en het gemeste vee zijn geslacht; alles staat gereed. Komt dus naar de bruiloft. MAT 22:5 Maar zonder er zich om te bekommeren, gingen zij weg, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken. MAT 22:6 De overigen grepen zijn dienaars vast, mishandelden en doodden hen. MAT 22:7 Nu ontstak de koning in toorn, stuurde zijn troepen en liet de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken. MAT 22:8 Toen sprak hij tot zijn dienaars: Het bruiloftsmaal staat klaar, maar de genodigden waren het niet waard. MAT 22:9 Gaat dus naar de drukke verkeerswegen en nodigt wie ge er maar vindt tot de bruiloft. MAT 22:10 Zijn dienaars gingen naar de wegen en brachten allen mee die zij er aantroffen, slechten zowel als goeden, en de bruiloftszaal liep vol met gasten. MAT 22:11 Toen de koning binnenkwam om de aanliggenden te bezoeken, merkte hij daar iemand op die niet voor een bruiloft gekleed was. MAT 22:12 En hij sprak tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier binnengekomen zonder bruiloftskleed? Maar de man bleef het antwoord schuldig. MAT 22:13 Toen sprak de koning tot de bedienden: Bindt hem aan handen en voeten en werpt hem buiten in de duisternis. Daar zal geween zijn en tandengeknars. MAT 22:14 Velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren.' MAT 22:15 Belasting aan de keizer. Toen gingen de Farizeeën onder elkaar beraadslagen hoe ze Hem in de val konden laten lopen. MAT 22:16 Zij stuurden hun leerlingen met de Herodianen op Hem af met de vraag: 'Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt en de weg van God in oprechtheid leert; en Gij stoort U aan niemand, want Gij ziet de mensen niet naar de ogen. MAT 22:17 Zegt ons daarom: Wat dunkt U, is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet?' MAT 22:18 Maar Jezus doorzag hun valsheid en zei: 'Waarom probeert gij Mij te vangen, gij huichelaars? MAT 22:19 Laat Mij de belastingmunt eens zien.' Zij hielden Hem een denarie voor. MAT 22:20 Hij vroeg hun: 'Van wie is deze beeldenaar en het opschrift?' MAT 22:21 Zij antwoordden: 'Van de keizer.' Daarop sprak Hij tot hen: 'Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt.' MAT 22:22 Toen zij dit hoorden, stonden zij verwonderd; zij lieten Hem met rust en gingen heen. MAT 22:23 Vraag over de verrijzenis. Die dag kwamen er Sadduceeën bij Hem; dezen houden dat er geen verrijzenis bestaat. Ze legden Hem daarom de volgende kwestie voor: MAT 22:24 'Meester, Mozes heeft gezegd: Indien iemand sterft zonder kinderen, moet zijn broer met diens vrouw trouwen om aan zijn broer een nageslacht te geven. MAT 22:25 Nu waren er bij ons eens zeven broers. De eerste trouwde en stierf, en aangezien hij geen kinderen had, liet hij zijn vrouw na aan zijn broer. MAT 22:26 Zo ging het ook met de tweede en de derde, tot en met de zevende. MAT 22:27 Het laatste van alles stierf de vrouw. MAT 22:28 Van wie van de zeven zal zij nu bij de verrijzenis de vrouw zijn? Ze hebben haar toch allemaal tot vrouw gehad?' MAT 22:29 Jezus gaf hun ten antwoord: 'Gij vergist u, omdat gij noch de Schrift, noch Gods macht kent. MAT 22:30 Na de verrijzenis is er geen sprake meer van huwen of ten huwelijk gegeven worden, maar men zal zijn als engelen Gods in de hemel. MAT 22:31 En wat de verrijzenis der doden betreft, hebt ge niet gelezen wat door God tot u gezegd is: MAT 22:32 Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob? Hij is geen God van doden maar van levenden.' MAT 22:33 Toen het volk dit hoorde, stond het verbaasd over zijn leer. MAT 22:34 Het voornaamste gebod. Toen nu de Farizeeën vernamen dat Hij de Sadduceeën de mond gesnoerd had, kwamen zij bijeen MAT 22:35 en een van hen, een wetgeleerde, vroeg Hem om Hem op de proef te stellen: MAT 22:36 'Meester, wat is het voornaamste gebod in de Wet?' MAT 22:37 Hij antwoordde hem: 'Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. MAT 22:38 Dit is het voornaamste en eerste gebod. MAT 22:39 Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. MAT 22:40 Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten.' MAT 22:41 Zoon en Heer van David. Terwijl de Farizeeën bij elkaar waren, stelde Jezus hun de vraag: MAT 22:42 'Wat denkt gij van de Messias? Wiens zoon is Hij?' Zij antwoordden: 'Van David.' MAT 22:43 Toen zei Hij: 'Hoe kan dan David, door de Geest bewogen, Hem Heer noemen, waar Hij zegt: MAT 22:44 De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: Zit aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden onder uw voeten heb gelegd? MAT 22:45 Als David Hem dus Heer noemt, hoe is Hij dan zijn zoon?' MAT 22:46 Niemand kon Hem daarop antwoord geven; en van die tijd af durfde niemand Hem nog een vraag te stellen. MAT 23:1 Strafrede tegen de Farizeeën. In die tijd sprak Jezus tot het volk en tot zijn leerlingen: MAT 23:2 'Op de leerstoel van Mozes hebben de schriftgeleerden en de Farizeeën plaats genomen. MAT 23:3 Doet en onderhoudt daarom alles wat zij u zeggen, maar handelt niet naar hun werken; want zelf handelen ze niet naar hun woorden. MAT 23:4 Zij maakten bundels van zware, haast ondraaglijke lasten en leggen die de mensen op de schouders, maar zelf zullen ze er geen vinger naar uitsteken. MAT 23:5 Alles wat zij doen, doen zij om bij de mensen op te vallen; zij maken immers hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot, MAT 23:6 ze zijn belust op de ereplaats bij de maaltijden en de voornaamste zetels in de synagogen, MAT 23:7 ze laten zich graag groeten op de markt en willen door de mensen rabbi genoemd worden. MAT 23:8 Maar gij moet u geen rabbi laten noemen. Gij hebt maar een Meester en gij zijt allen broeders. MAT 23:9 En noemt niemand van u op aarde vader; gij hebt maar een Vader, de hemelse. MAT 23:10 En laat u ook geen leraar noemen; gij hebt maar een leraar, de Christus. MAT 23:11 Wie de grootste onder u is, moet uw dienaar zijn. MAT 23:12 Alwie zichzelf verheft, zal vernederd en wie zichzelf vernedert zal verheven worden. MAT 23:13 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Gij sluit het Rijk der hemelen af voor de mensen. Zelf gaat gij er niet binnen, terwijl gij hun die dit wel willen, de toegang verspert. MAT 23:14 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! MAT 23:15 Gij doorkruist zee en land om een bekeerling te maken, maar als hij het geworden is, maakt gij hem zelf tot een hellekind, tweemaal erger dan gijzelf! MAT 23:16 Wee u, blinde leiders, die zegt: Als iemand zweert bij de tempel, dan betekent dat niets; maar als iemand zweert bij het goud van de tempel, dan is hij gebonden. MAT 23:17 Dwazen en blinden! Wat staat dan hoger: het goud of de tempel die het goud heilig maakt? MAT 23:18 Of ook: Als iemand zweert bij het altaar, dan betekent dat niets; maar als iemand zweert bij de offergave die er op ligt, dan is hij gebonden. MAT 23:19 Blinden! Wat staat hoger: de offergave of het altaar dat de offergave heilig maakt? MAT 23:20 Wie dus zweert bij het altaar, zweert daarbij en bij alles wat er op ligt. MAT 23:21 En wie zweert bij de tempel, zweert daarbij en bij Hem die erin woont. MAT 23:22 En wie zweert bij de hemel, zweert bij de troon van God en bij Hem die erop zetelt. MAT 23:23 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Gij betaalt wel tienden van munt, anijs en komijn, maar het gewichtigste van de Wet; rechtvaardigheid, barmhartigheid en trouw verwaarloost ge. Het ene moet men doen en het andere niet nalaten. MAT 23:24 Blinde leiders, die de mug uitzift en de kameel doorslikt! MAT 23:25 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! De buitenkant van beker en schotel maakt ge schoon, maar van binnen zijn ze gevuld met roof en genotzucht. MAT 23:26 Blinde Farizeeër, reinig eerst de beker van binnen, dan wordt de buitenkant van zelf rein. MAT 23:27 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Gij lijkt op gekalkte graven die er van buiten wel mooi uitzien, maar van binnen vol zijn met doodsbeenderen en allerhande onreinheid. MAT 23:28 Zo ziet ook gij van buiten er voor de mensen wel uit als heiligen, maar van binnen zijt gij vol huichelarij en ongerechtigheid. MAT 23:29 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Gij bouwt de graven van profeten en versiert de grafmonumenten van heiligen MAT 23:30 en gij zegt: Als wij geleefd hadden in de tijd van onze vaderen, zouden wij niet medeplichtig geweest zijn aan de moord op de profeten. MAT 23:31 Gij getuigt dus tegen uzelf, dat gij zonen zijt van profetenmoordenaars. MAT 23:32 Nu dan, maakt gij de maat van uw vaderen maar vol! MAT 23:33 Slangen, adderengebroed, hoe zult ge het hellevonnis ontkomen? MAT 23:34 Daarom zend Ik tot u profeten, wijzen en schriftgeleerden. Sommigen van hen zult gij doden en kruisigen, anderen zult gij geselen in uw synagogen en achtervolgen van stad tot stad, MAT 23:35 opdat op u zal neerkomen al het onschuldig bloed dat op aarde vergoten is, vanaf het bloed van de onschuldige Abel tot aan het bloed van Zacharias, de zoon van Barachias, die gij vermoord hebt tussen de tempel en het altaar. MAT 23:36 Voorwaar, ik zeg u: Dit alles zal neerkomen op dit geslacht! MAT 23:37 Bezorgdheid over Jeruzalem. Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt die tot u zijn gezonden! Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen verzamelen, zoals een kloek haar kuikens verzamelt onder haar vleugels, maar gij hebt niet gewild. MAT 23:38 Zie, uw huis zal onbewoond achtergelaten worden. MAT 23:39 Ik zeg u: van nu af zult hij Mij niet meer zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend de Komende in de naam des Heren!' MAT 24:1 Ondergang van de tempel en stad: einde van de wereld. Hierop verliet Jezus de tempel. Toen Hij een eindweegs gegaan was, kwamen zijn leerlingen bij Hem lopen en wezen Hem op de gebouwen van het heiligdom. MAT 24:2 Maar Hij zei: 'Ziet ge dit alles? Voorwaar, Ik zeg u: geen steen zal hier op de andere gelaten worden, alles zal worden verwoest.' MAT 24:3 En nadat Hij zich had neergezet op de Olijfberg, vroegen de leerlingen Hem, terwijl er verder niemand bij was: 'Zeg ons, wanneer dat zal gebeuren en wat zal het teken zijn van uw komst en van de voleinding van de wereld.' MAT 24:4 Jezus antwoordde: 'Past op dat ge u door niemand laat misleiden. MAT 24:5 Want velen zullen optreden in mijn Naam en zeggen: Ik ben de Christus en velen zullen zij misleiden. MAT 24:6 Gij zult horen van oorlogen en oorlogsgeruchten. Laat u dan geen angst aanjagen, want dat alles moet gebeuren, maar dat is nog niet het einde. MAT 24:7 Er zal strijd zijn van volk tegen volk en van koninkrijk tegen koninkrijk; er zal hongersnood zijn, pest en aardbeving, nu hier, dan daar. MAT 24:8 Dat alles is het begin van de weeën. MAT 24:9 Dan zal men u overleveren om mishandeld te worden en men zal u doden; alle volkeren zullen u haten omwille van mijn Naam. MAT 24:10 Dan zullen velen ten val komen, en uit haat elkander overleveren. MAT 24:11 Tal van valse profeten zullen opstaan en velen zullen zij misleiden. MAT 24:12 Door het hand over hand toenemen van de zonde zal de liefde van de meesten verkoelen. MAT 24:13 Wie echter ten einde toe volhardt, hij zal gered worden. MAT 24:14 De Blijde Boodschap van het Koninkrijk zal over heel de wereld verkondigd worden tot getuigenis voor alle volkeren en dan zal het einde komen. MAT 24:15 Wanneer gij dus de gruwel der verwoesting, waarover gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan op de heilige plaats wie het leest begrijpe het! MAT 24:16 laten dan de mensen in Judea naar de bergen vluchten; MAT 24:17 laat hij die zich op het dak bevindt niet naar beneden komen om te halen wat hij in huis heeft, MAT 24:18 en die op het land is niet terugkeren om zijn mantel te halen. MAT 24:19 Wee de zwangeren en zogenden in die dagen! MAT 24:20 Bidt dat uw vlucht niet valt in de winter of op een sabbat! MAT 24:21 Want zo verschrikkelijk zal die tijd zijn, als er vanaf het begin van de wereld tot nu toe nooit een geweest is, noch komen zal. MAT 24:22 Als die dagen niet verkort werden, zou geen mens gespaard blijven; maar zij zullen verkort worden omwille van de uitverkorenen. MAT 24:23 Wanneer dan iemand u zegt: Hier is de Christus of daar, gelooft het niet. MAT 24:24 Want er zullen schijnchristussen en schijnprofeten opstaan die grote tekenen en wonderen zullen doen, zodat zij, als dat mogelijk was, zelfs de uitverkorenen zouden misleiden. MAT 24:25 Ziet, Ik heb het u voorspeld. MAT 24:26 Als men u dus zegt: Hij is in de woestijn, loopt dan niet uit; of: Hij is binnenshuis, gelooft het niet. MAT 24:27 Want zoals de bliksem uitschiet van het oosten en licht tot in het westen, zo zal het zijn met de komst van de Mensenzoon. MAT 24:28 Overal waar aas ligt zullen gieren zich verzamelen. MAT 24:29 Aanstonds na de verschrikkingen van die dagen zal de zon verduisteren en de maan geen licht meer geven, de sterren zullen van de hemel vallen en de hemelse heerscharen in verwarring geraken. MAT 24:30 Dan zal het teken van de Mensenzoon aan de hemel verschijnen; alle stammen der aarde zullen weeklagen, zij zullen de Mensenzoon op de hemelwolken zien komen met macht en grote heerlijkheid. MAT 24:31 Hij zal zijn engelen uitzenden met luid trompetgeschal om zijn uitverkorenen te verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiteinde van de hemel tot het andere. MAT 24:32 Vergelijking met de vijgeboom. Trekt uit de vergelijking met de vijgeboom deze les. Wanneer zijn twijgen al zacht worden en beginnen uit te botten, weet ge dat de zomer in aantocht is. MAT 24:33 Zo ook, wanneer ge al deze dingen ziet, weet dan dat het nabij is, ja voor de deur staat. MAT 24:34 Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal niet voorbij gaan voordat dit alles geschied is. MAT 24:35 Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan. MAT 24:36 Van die dag en dat uur weet niemand iets af, ook niet de engelen in de hemel, zelfs niet de Zoon, maar de Vader alleen. MAT 24:37 Weest waakzaam. Zoals het ging in de dagen van Noach, zo zal het gaan bij de komst van de Mensenzoon. MAT 24:38 Zoals toch de mensen in de dagen voor de zondvloed doorgingen met eten en drinken, met huwen en ten huwelijk geven, tot op de dag, waarop Noach de ark binnenging, MAT 24:39 en zij niets vermoedden, totdat de zondvloed kwam en allen wegrukte: zo zal het ook gaan bij de komst van de Mensenzoon. MAT 24:40 Dan zullen er twee op de akker zijn: de een wordt meegenomen, de ander achtergelaten; MAT 24:41 twee vrouwen zullen met de molen aan het malen zijn: de een wordt meegenomen, de andere achtergelaten. MAT 24:42 Weest dus waakzaam, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt. MAT 24:43 Begrijpt dit wel: als de eigenaar van het huis wist op welk uur van de nacht de dief zou komen. zou hij blijven waken en in zijn huis niet laten inbreken. MAT 24:44 Weest ook gij dus bereid, omdat de Mensenzoon komt op het uur, waarop gij het niet verwacht. MAT 24:45 Wie is dus de trouwe en verstandige knecht, die de heer over zijn dienstvolk heeft aangesteld om hun op tijd het eten te geven? MAT 24:46 Gelukkig die knecht als de heer bij zijn komst hem daarmee bezig vindt. MAT 24:47 Voorwaar, Ik zeg u: hij zal hem aanstellen over alles wat hij bezit. MAT 24:48 Maar is die knecht slecht en zegt hij bij zichzelf: mijn heer blijft nog wel een poosje weg, MAT 24:49 en begint hij de andere knechten te slaan en eet en drinkt hij met dronkaards, MAT 24:50 dan zal de heer van die knecht komen op een dag waarop hij het niet verwacht en op een uur dat hij niet kent; MAT 24:51 en hij zal hem vierendelen en hem het lot doen delen van de huichelaars. Daar zal geween zijn en tandengeknars. MAT 25:1 De domme en de verstandige bruidsmeisjes. Dan zal het met het Rijk der hemelen zijn als met tien meisjes die met hun lampen uittrokken, de bruidegom tegemoet. MAT 25:2 Vijf van hen waren dom, de andere vijf verstandig. MAT 25:3 Want de domme namen wel hun lampen mee, maar geen olie; MAT 25:4 de verstandige echter namen met hun lampen tevens kruiken olie mee. MAT 25:5 Toen nu de bruidegom op zich liet wachten, dommelden zij allen in en sliepen. MAT 25:6 Maar midden in de nacht klonk er geroep: Daar is de bruidegom! Trekt hem tegemoet! MAT 25:7 Meteen waren al de meisjes wakker en maakten hun lampen in orde. MAT 25:8 De domme zeiden tegen de verstandige: Geeft ons wat olie, want onze lampen gaan uit. MAT 25:9 Maar de verstandige antwoordden: Neen, er mocht eens niet genoeg zijn voor ons en jullie samen. Gaat liever naar de verkopers en haalt wat voor jezelf. MAT 25:10 Maar terwijl zij onderweg waren om te gaan kopen kwam de bruidegom, en die klaar stonden, traden met hem binnen om bruiloft te vieren; en de deur ging op slot. MAT 25:11 Later kwamen ook de andere meisjes en zeiden: Heer, heer, doe open! MAT 25:12 Maar hij antwoorde: Voorwaar, Ik zeg u: Ik ken u niet. MAT 25:13 Weest dus waakzaam, want gij kent dag noch uur. MAT 25:14 Het gebruik der talenten. Het is er mee als met de man die bij zijn vertrek naar het buitenland zijn dienaars bij zich riep om hun zijn bezit toe te vertrouwen. MAT 25:15 Aan de een gaf hij vijf talenten, aan de andere twee, aan een derde een, ieder naar zijn bekwaamheid. Daarna vertrok hij. MAT 25:16 Die de vijf talenten gekregen had, ging er terstond mee werken en verdiende er vijf bij. MAT 25:17 Zo verdiende ook degene die de twee gekregen had, er twee bij. MAT 25:18 Maar die dat ene had gekregen, ging een gat in de grond graven en het geld van zijn heer verbergen. MAT 25:19 Een hele tijd later kwam de heer van die dienaars terug en hield afrekening met hen. MAT 25:20 Die vijf talenten gekregen had, trad naar voren en bood nog vijf talenten aan met de woorden: Heer, vijf talenten hebt gij mij toevertrouwd; ziehier, vijf talenten heb ik erbij verdiend. MAT 25:21 Zijn meester sprak tot hem: Uitstekend, goede en trouwe dienaar, over weinig waart ge trouw, over veel zal ik u aanstellen. Ga binnen in de vreugde van uw heer. MAT 25:22 Nu trad die van de twee talenten naar voren en zei: Heer, twee talenten hebt gij mij toevertrouwd; ziehier, twee talenten heb ik erbij verdiend. MAT 25:23 Zijn meester sprak tot hem: Uitstekend, goede en trouwe dienaar, over weinig waart ge trouw, over veel zal ik u aanstellen. Ga binnen in de vreugde van uw heer. MAT 25:24 Tenslotte trad ook die het ene talent had gekregen naar voren en zei: Heer, ik heb ervaren dat gij een hard mens zijt, die oogst waar gij niet gezaaid hebt en binnenhaalt waar gij niet hebt uitgestrooid. MAT 25:25 Daarom was ik bang en ben uw talent in de grond gaan verbergen. Hier hebt ge uw eigendom terug. MAT 25:26 Maar zijn meester gaf hem ten antwoord: Slechte en luie knecht, je wist dus dat ik oogst waar ik niet gezaaid heb en binnenhaal waar ik niet heb uitgestrooid? MAT 25:27 Daarom had je mijn geld bij de bankiers moeten uitzetten, dan zou ik bij mijn komst mijn bezit met rente teruggekregen hebben. MAT 25:28 Neemt hem dus dat talent af en geeft het aan wie de tien talenten heeft. MAT 25:29 Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden; maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden zelfs wat hij heeft. MAT 25:30 En werpt die onnutte knecht buiten in de duisternis; daar zal geween zijn en tandengeknars. MAT 25:31 Het laatste oordeel. Wanneer de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid en vergezeld van alle engelen, dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie. MAT 25:32 Alle volken zullen voor Hem bijeengebracht worden en Hij zal ze in twee groepen scheiden, zoals de herder een scheiding maakt tussen schapen en bokken. MAT 25:33 De schapen zal Hij plaatsen aan zijn rechterhand, maar de bokken aan zijn linker. MAT 25:34 Dan zal de Koning tot die aan zijn rechterhand zeggen: Komt, gezegenden van mijn Vader, en ontvangt het Rijk dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld. MAT 25:35 Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven. Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen, MAT 25:36 Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed, Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht, Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht. MAT 25:37 Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? MAT 25:38 En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed? MAT 25:39 En wanneer zagen we U ziek of in de gevangenis en zijn U komen bezoeken? MAT 25:40 De Koning zal hun ten antwoord geven: Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan. MAT 25:41 En tot die aan zijn linkerhand zal Hij dan zeggen: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten. MAT 25:42 Want Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; MAT 25:43 Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij niet opgenomen, naakt en gij hebt Mij niet gekleed; Ik was ziek en in de gevangenis en gij zijt Mij niet komen bezoeken. MAT 25:44 Dan zullen ook zij antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis, en hebben wij niet voor U gezorgd? MAT 25:45 Daarop zal Hij hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij niet voor een van deze geringsten hebt gedaan, hebt gij ook voor Mij niet gedaan. MAT 25:46 En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven.' MAT 26:1 Vierde lijdensvoorspelling: komplot. Toen Jezus al deze toespraken geëindigd had, sprak Hij tot zijn leerlingen: MAT 26:2 'Gij weet dat over twee dagen het paasfeest wordt gevierd; dan wordt de Mensenzoon overgeleverd om gekruisigd te worden.' MAT 26:3 Tezelfdertijd kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk bijeen in het paleis van de hogepriester die Kajafas heette, MAT 26:4 en na onderling overleg besloten zij Jezus door een list te grijpen en ter dood te brengen. MAT 26:5 'Maar, zeiden ze, niet op het feest; anders mochten er eens onlusten ontstaan onder het volk.' MAT 26:6 Zalving te Betanië. Terwijl Jezus zich te Betanië bevond in het huis van Simon de Melaatse, MAT 26:7 kwam er een vrouw naar Hem toe met een albasten vaasje zeer dure balsem. Zij goot die uit over zijn hoofd terwijl Hij aan tafel lag. MAT 26:8 Toen de leerlingen dit zagen, waren ze verontwaardigd en zeiden: 'Waar is die verkwisting nu voor nodig? MAT 26:9 Het had immers duur verkocht kunnen worden ten bate van de armen.' MAT 26:10 Jezus bemerkte het en sprak tot hen: 'Waarom valt ge deze vrouw lastig? Het is toch een goed werk dat zij aan Mij heeft gedaan. MAT 26:11 Armen hebt gij altijd in uw midden, maar Mij niet. MAT 26:12 En toen die vrouw deze balsem over mijn lichaam uitgoot, deed zij iets dat heen wijst naar mijn begrafenis. MAT 26:13 Voorwaar, Ik zeg U: waar ook ter wereld deze Blijde Boodschap verkondigd zal worden, zal tevens ter herinnering aan haar verhaald worden wat zij gedaan heeft.' MAT 26:14 Hierop ging een van de twaalf, Judas Iskariot geheten, naar de hogepriester MAT 26:15 en zei: 'Wat wilt ge mij geven als ik Hem u in handen speel?' Zij betaalden hem dertig zilverlingen uit. MAT 26:16 En van toen af zocht hij een gunstige gelegenheid om Hem over te leveren. MAT 26:17 Paasmaal en verrader. Op de eerste dag van het ongedesemde brood kwamen de leerlingen Jezus vragen: 'Waar wilt Gij dat wij het paasmaal voor U gereed maken?' MAT 26:18 Hij antwoordde: 'Gaat naar de stad en zegt aan die en die: De Meester laat weten: Mijn uur is nabij; bij u wil Ik met mijn leerlingen het paasmaal houden.' MAT 26:19 De leerlingen deden zoals Jezus hun had opgedragen en maakten het paasmaal gereed. MAT 26:20 Toen de avond gevallen was, lag Hij met de twaalf leerlingen aan. MAT 26:21 Onder de maaltijd sprak Hij: 'Voorwaar, Ik zeg u: een van u zal Mij overleveren.' MAT 26:22 Smartelijk getroffen begon de een na de ander Hem te vragen: 'Ik ben het toch niet, Heer?' MAT 26:23 Hij antwoordde: 'Die met Mij zijn hand in de schotel steekt, zal Mij overleveren. MAT 26:24 Wel gaat de Mensenzoon heen, zoals van Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd! Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was, die mens! MAT 26:25 Judas, zijn verrader, nam ook het woord en zei: 'Ik ben het toch niet, Rabbi?' Hij antwoordde hem: 'Gij zegt het.' MAT 26:26 Instelling van de Eucharistie. Onder de maaltijd nam Jezus brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn leerlingen met de woorden: 'Neemt, eet; dit is mijn Lichaam.' MAT 26:27 Daarna nam Hij de beker en na het spreken van het dankgebed reikte Hij hun die toe met de woorden: 'Drinkt allen hieruit. MAT 26:28 Want dit is mijn Bloed van het Verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. MAT 26:29 Maar Ik zeg u: van nu af zal Ik niet meer drinken van wat de wijnstok voortbrengt tot op de dag waarop Ik met u, nieuw, zal drinken in het Koninkrijk van mijn Vader.' MAT 26:30 Nadat zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij naar de Olijfberg. MAT 26:31 Voorspelling van Petrus' verloochening. Toen sprak Jezus tot hen: 'In deze nacht zult ge allen aanstoot aan Mij nemen. Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden. MAT 26:32 Maar na mijn verrijzenis zal ik u voorgaan naar Galilea.' MAT 26:33 Toen zei Petrus: 'Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit.' MAT 26:34 Jezus zeide: 'Voorwaar, Ik zeg u: nog deze nacht voor het kraaien van de haan, zult gij Mij driemaal verloochenen. MAT 26:35 Petrus antwoorde hem: 'Al moest ik met U sterven, in geen geval zal ik U verloochenen.' In diezelfde geest spraken ook al de leerlingen. MAT 26:36 In de hof van Olijven. Toen Jezus met hen aan een landgoed kwam dat Getsemane heette, sprak Hij tot zijn leerlingen: 'Blijft hier zitten, terwijl Ik ginds ga bidden.' MAT 26:37 Petrus en de twee zonen van Zebedeüs nam Hij echter met zich mee. Hij begon bedroefd en beangst te worden. MAT 26:38 Toen sprak Hij tot hen: 'Ik ben bedroefd tot stervens toe. Blijft hier en waakt met Mij.' MAT 26:39 Nadat Hij een weinig verder was gegaan, wierp Hij zich plat ter aarde en bad: 'Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet zoals Ik wil, maar zoals Gij wilt.' MAT 26:40 Toen ging hij naar zijn leerlingen en vond hen in slaap; en Hij sprak tot Petrus: 'Ging het dan uw krachten te boven een uur met Mij te waken? MAT 26:41 Waakt en bidt, dat gij niet op de bekoring ingaat. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.' MAT 26:42 Hij verwijderde zich voor de tweede keer en weer bad Hij: 'Vader, als het niet mogelijk is dat die beker voorbijgaat zonder dat Ik hem drink: dat dan uw wil geschiede.' MAT 26:43 En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap, want hun oogleden waren zwaar. MAT 26:44 Hij liet hen met rust, ging weer heen en bad voor de derde maal, nogmaals met dezelfde woorden. MAT 26:45 Daarna ging Hij naar zijn leerlingen en sprak tot hen: Slaapt dan maar door en rust uit! Nu is het uur gekomen, waarop de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van zondaars. MAT 26:46 Staat op, laten we gaan; mijn verrader is nabij.' MAT 26:47 De verrader. Hij was nog niet uitgesproken, of daar kwam Judas, een van de twaalf, vergezeld van een grote bende met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hogepriesters en de oudsten van het volk. MAT 26:48 Zijn verrader had een teken met hen afgesproken door te zeggen: 'Die ik zal kussen, Hij is het; grijpt Hem.' MAT 26:49 Hij ging recht op Jezus af en zei: 'Gegroet Rabbi', en hij kuste Hem. MAT 26:50 Jezus sprak tot hem: 'Vriend, zijt ge daarvoor hier?' Toen kwamen zij naar voren, grepen Jezus vast en maakten zich van Hem meester. MAT 26:51 Maar een van Jezus' gezellen greep naar zijn zwaard, trok het en sloeg met een houw de knecht van de hogepriester het oor af. MAT 26:52 Toen sprak Jezus tot hem: 'Steek uw zwaard weer op zijn plaats. Want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. MAT 26:53 Of meent ge soms dat Ik niet de hulp van mijn Vader kan inroepen, die Mij dan aanstonds meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking zou stellen? MAT 26:54 Maar hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die zeggen dat het zo gebeuren moet?' MAT 26:55 Nu richtte Jezus zich tot de bende: 'Als tegen een rover zijt ge uitgetrokken met zwaarden en knuppels om Mij gevangen te nemen. Dagelijks zat Ik in de tempel te onderrichten, en toch hebt ge Mij niet gegrepen.' MAT 26:56 Maar dit alles is geschied, opdat de Schriften van de profeten in vervulling zouden gaan.' Toen lieten alle leerlingen Hem in de steek en namen de vlucht. MAT 26:57 Voor het Sanhedrin. Nu zij Jezus in hun macht hadden, voerden zij Hem naar de hogepriester Kajafas, waar de schriftgeleerden en de oudsten bijeengekomen waren. MAT 26:58 Petrus bleef Hem op een afstand volgen tot aan het paleis van de hogepriester; hij ging naar binnen en zette zich neer bij het dienstvolk om te zien hoe het af zou lopen. MAT 26:59 De hogepriester en het hele Sanhedrin zochten naar een schijngetuigenis tegen Jezus om hem ter dood te brengen. MAT 26:60 Maar ze vonden er geen, ofschoon er vele valse getuigen optraden. Ten slotte echter kwamen er twee verklaren: MAT 26:61 'Die man daar heeft beweerd: Ik kan de tempel van God afbreken en in drie dagen weer opbouwen.' MAT 26:62 Toen stond de hogepriester op en sprak tot Hem: 'Geeft Ge geen antwoord? Wat getuigen deze mensen tegen U?' MAT 26:63 Maar Jezus bleef zwijgen. Toen sprak de hogepriester tot Hem: 'Ik bezweer U bij de levende God ons te zeggen of Gij de Christus zijt, de Zoon van God.' MAT 26:64 Jezus gaf hem ten antwoord: 'Gij zegt het. Maar Ik zeg U: vanaf nu zult ge de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen op de wolken des hemels.' MAT 26:65 Toen scheurde de hogepriester zijn kleed en riep uit: 'Hij heeft God gelasterd; waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Gij hebt nu toch de godslastering gehoord! MAT 26:66 Wat denkt gij daarvan?' Zij antwoordden: 'Hij verdient de doodstraf.' MAT 26:67 Daarop spuwden zij Hem in het gezicht en sloegen Hem met de vuist; anderen sloegen Hem met een stok, MAT 26:68 terwijl ze zeiden: 'Wees nu eens voor ons profeet, Messias: wie is het die U geslagen heeft?' MAT 26:69 Door Petrus verloochend. Intussen zat Petrus op de open binnenplaats. Hier trad een dienstmeisje op hem toe en zei: 'Jij was ook bij Jezus de Galileeër.' MAT 26:70 Maar hij ontkende het waar allen bij waren en zei: 'Ik weet niet wat je bedoelt.' MAT 26:71 Hierna ging hij naar het poortgebouw, maar een ander dienstmeisje merkte hem op en zei tot de aanwezigen: 'Die daar was bij Jezus de Nazareeër!' MAT 26:72 Hij ontkende opnieuw met een eed: 'Ik ken die mens niet.' MAT 26:73 Even daarna kwamen de omstanders dichterbij en zeiden tot Petrus: 'Waarachtig, jij bent er ook een van! Het is duidelijk aan je spraak te horen.' MAT 26:74 Toen begon hij te vloeken en te zweren: 'Ik ken die mens niet.' Onmiddellijk daarop kraaide een haan. MAT 26:75 En Petrus herinnerde zich het woord van Jezus die gezegd had: 'Voor het kraaien van de haan, zult ge Mij driemaal verloochenen.' Hij ging naar buiten en begon bitter te wenen. MAT 27:1 Jezus voor Pilatus. Bij het aanbreken van de morgen kwamen alle hogepriesters en oudsten van het volk in vergadering bijeen en spraken over Jezus het doodvonnis uit. MAT 27:2 Geboeid leidde men Hem weg en leverde Hem uit aan de landvoogd Pilatus. MAT 27:3 Toen Judas, zijn verrader, zag dat Jezus veroordeeld was, kreeg hij wroeging en bracht de dertig zilverlingen terug bij de hogepriesters en ouderlingen MAT 27:4 met de woorden: 'Ik heb misdaan door onschuldig bloed te verraden.' Maar zij antwoordden: 'Wat gaat dat ons aan? Dat is uw zaak.' MAT 27:5 Toen gooide hij de zilverlingen in de tempel en liep weg. Hij ging heen en verhing zich. MAT 27:6 De hogepriesters raapten de geldstukken op en zeiden: 'Wij mogen die niet bij de tempelschat doen, wat het is bloedgeld.' MAT 27:7 En zij besloten er het land van de pottenbakker mee te kopen om daar de vreemdelingen te begraven. MAT 27:8 Daarom kreeg dit stuk land de naam van Bloedakker en zo heet het nog. MAT 27:9 Aldus ging in vervulling wat de profeet Jeremia gezegd had: Zij namen de dertig zilverlingen, de prijs waarop Hij geschat is, geschat is door zonen van Israël, MAT 27:10 en gaven die voor de akker van de pottenbakker, zoals de Heer mij opgedragen had. MAT 27:11 Jezus werd voor de landvoogd geleid en deze stelde Hem de vraag: 'Zijt Gij de koning der Joden?' Jezus antwoorde: 'Gij zegt het.' MAT 27:12 Op de beschuldigingen door de hogepriesters en de oudsten tegen Hem ingebracht gaf Hij geen enkel antwoord. MAT 27:13 Toen zeide Pilatus tot Hem: 'Hoort Gij niet wat ze allemaal tegen U inbrengen?' MAT 27:14 Maar Hij gaf hem geen antwoord op welk punt dan ook, zodat de landvoogd hoogst verbaasd was. MAT 27:15 Jezus of Barabbas. De landvoogd was gewoon bij elk feest een gevangene, naar keuze van het volk, vrij te laten. MAT 27:16 Men had juist een beruchte gevangene, een zekere Barabbas. MAT 27:17 Nu zij daar toch bijeen waren, sprak Pilatus tot hen: 'Wie wilt ge dat ik u zal vrijlaten, Barabbas of Jezus, die Christus genoemd wordt?' MAT 27:18 Hij wist heel goed dat men Hem uit nijd had uitgeleverd. MAT 27:19 Terwijl hij op zijn rechterstoel gezeten was, stuurde zijn vrouw hem de boodschap: 'Laat u niet in met deze rechtschapen mens, want ik heb vannacht in een droom veel om Hem moeten doorstaan.' MAT 27:20 Maar de hogepriesters en de oudsten haalden het volk over Barabbas te kiezen en Jezus te doen sterven. MAT 27:21 De landvoogd nam weer het woord en sprak tot hen: 'Wie van de twee wilt ge dat ik u vrijlaat?' Ze zeiden: 'Barabbas!' MAT 27:22 Pilatus vroeg hun: 'Wat zal ik dan doen met Jezus, die Christus genoemd wordt ?' Zij riepen allen: 'Aan het kruis met Hem!'. MAT 27:23 Hij hernam: 'Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?' Maar zij schreeuwden nog harder: 'Aan het kruis met Hem!' MAT 27:24 Toen Pilatus zag dat hij niets verder kwam, maar dat er veeleer tumult ontstond, liet hij water brengen en waste ten overstaan van het volk zijn handen, terwijl hij verklaarde: 'Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtschapen man; gij moet het zelf maar verantwoorden.' MAT 27:25 Heel het volk riep terug: 'Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!' MAT 27:26 Daarop liet hij omwille van hen Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en gaf Hem over om gekruisigd te worden. MAT 27:27 Bespotting en kruisiging. Toen namen de soldaten van de landvoogd Jezus mee in het pretorium en verzamelden de hele afdeling rondom Hem. MAT 27:28 Zij trokken Hem zijn kleren uit en hingen Hem een rode mantel om. MAT 27:29 Ook vlochten ze een kroon van doorntakken, zetten die op zijn hoofd en gaven Hem een rietstok in de rechterhand. Dan vielen ze voor Hem op de knieën en bespotten Hem met de woorden: 'Gegroet, koning der Joden!' MAT 27:30 Ze bespuwden Hem, pakten de rietstok en sloegen Hem op het hoofd. MAT 27:31 Nadat zij hun spel met Hem gedreven hadden, ontdeden ze Hem van de mantel, trokken Hem zijn eigen kleren weer aan en voerden Hem weg ter kruisiging. MAT 27:32 Toen ze de stad uitgingen ontmoetten ze een Cyreneeër, Simon genaamd en vorderden hem tot het dragen van Jezus' kruis. MAT 27:33 Gekomen op een plaats die Golgota genoemd wordt dat wil zeggen Schedelplaats MAT 27:34 gaven ze Hem met alsem gemengde wijn te drinken; Hij proefde ervan maar wilde niet drinken. MAT 27:35 Nadat ze Hem gekruisigd hadden, verdeelden ze zijn kleren onder elkaar door er om te dobbelen; MAT 27:36 en daar neergezeten bleven ze de wacht bij Hem houden. MAT 27:37 Boven zijn hoofd bracht men een opschrift aan met de reden van zijn veroordeling: 'Dit is Jezus, de koning der Joden.' MAT 27:38 Samen met Hem werden ook twee rovers gekruisigd, de een rechts, de ander links. MAT 27:39 Voorbijgangers hoonden Hem, terwijl ze het hoofd schudden MAT 27:40 en zeiden: Gij daar, die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, red Uzelf; als Gij de Zoon van God zijt, kom dan van dat kruis af!' MAT 27:41 In dezelfde geest zeiden de hogepriesters met de schriftgeleerden en oudsten spottend: MAT 27:42 'Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf kan Hij niet redden. Hij is toch de koning van Israël. Laat Hem nu van het kruis afkomen, dan zullen we in Hem geloven. MAT 27:43 Hij stelt vertrouwen in God; laat Die Hem nu bevrijden, als Hij behagen in Hem heeft. Hij heeft immers gezegd: Ik ben de Zoon van God!' MAT 27:44 Zelfs de rovers, die samen met Hem gekruisigd waren, voegden Hem soortgelijke beschimpingen toe. MAT 27:45 Jezus sterft aan het kruis. Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land, tot aan het negende uur toe. MAT 27:46 Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem uit: 'Eli, Eli, lema sabaktani? dat wil zeggen: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?' MAT 27:47 Enkelen van de omstanders die het hoorden, zeiden: 'Hij roept om Elia!' MAT 27:48 Onmiddellijk daarop ging een van hen een spons halen, stak ze op een rietstok en bood Hem te drinken. MAT 27:49 Maar de anderen zeiden: 'Laat dat! Wij willen eens zien of Elia Hem komt redden.' MAT 27:50 Jezus slaakte andermaal een luide kreet en gaf de geest. MAT 27:51 En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën, de aarde beefde en de rotsen spleten. MAT 27:52 De graven gingen open en de lichamen van vele heilige mensen die ontslapen waren, stonden op. MAT 27:53 Na zijn verrijzenis kwamen zij uit de graven en gingen naar de heilige stad waar zij aan velen verschenen. MAT 27:54 De honderdman en die met hem bij Jezus de wacht hielden, werden bij het zien van de aardbeving en wat verder gebeurde door een grote vrees bevangen en zeiden: `Waarlijk, Hij was een Zoon van God.' MAT 27:55 Er waren ook vele vrouwen bij, die op een afstand toekeken; zij waren Jezus vanuit Galilea gevolgd om voor Hem te zorgen. MAT 27:56 Onder hen bevonden zich Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus en Jozef en de moeder der zonen van Zebedeüs. MAT 27:57 De begrafenis van Jezus. Toen het avond was geworden kwam een rijk man, een zekere Jozef van Arimatea. die zich ook als leerling bij Jezus had aangesloten. MAT 27:58 Hij was naar Pilatus gegaan en had om het lichaam van Jezus gevraagd. Daarop had Pilatus bevolen het te geven. MAT 27:59 Jozef nam het lichaam, wikkelde het in een smetteloze lijkwade MAT 27:60 en legde het in zijn graf dat hij pas in de rots had laten uithouwen. Nadat hij een grote steen voor de ingang van het graf gerold had, ging hij heen. MAT 27:61 Maria Magdalena en de andere Maria waren erbij en zaten tegenover het graf. MAT 27:62 De bewaking van het graf. De volgende dag, dat is dus na de voorbereidingsdag, gingen de hogepriesters en Farizeeën gezamenlijk naar Pilatus MAT 27:63 en zeiden: 'Heer, wij herinneren ons, dat de bedrieger, toen Hij nog leefde, gezegd heeft: Na drie dagen zal Ik verrijzen. MAT 27:64 Geef daarom order de veiligheid van het graf te verzekeren, tot de derde dag toe; zijn leerlingen mochten Hem anders eens komen stelen, en aan het volk zeggen: Hij is van de doden verrezen. Dit laatste bedrog zou nog erger zijn dan het eerste.' MAT 27:65 Pilatus zei hun: 'Ge kunt een wacht krijgen. Neemt dan maar uw veiligheidsmaatregelen zoals gij gedacht hebt.' MAT 27:66 Zij gingen heen en verzekerden de veiligheid van het graf door de steen te verzegelen en de wacht er bij te plaatsen. MAT 28:1 Hij is verrezen. Na de sabbat, bij het aanbreken van de eerste dag der week, kwamen Maria Magdalena en de andere Maria naar het graf kijken. MAT 28:2 Plotseling ontstond er een hevige aardbeving en een engel van de Heer daalde uit de hemel, kwam naderbij, rolde de steen weg en zette zich daarop neer. MAT 28:3 Hij straalde als een bliksemschicht en zijn kleed was wit als sneeuw. MAT 28:4 De bewakers begonnen van schrik voor hem te beven en het leven scheen uit hen geweken. MAT 28:5 De engel sprak de vrouwen aan en zei: 'Gij behoeft niet bevreesd te zijn; ik weet dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde. MAT 28:6 Hij is niet hier. Hij is verrezen zoals Hij gezegd heeft; komt zien naar de plaats waar Hij gelegen heeft. MAT 28:7 Gaat nu terstond aan zijn leerlingen zeggen: Hij is verrezen van de doden, en nu gaat Hij u voor naar Galilea; daar zult gij Hem zien. Dat had ik u te zeggen.' MAT 28:8 Terstond gingen zij weg van het graf, met vrees en grote vreugde, en haastten zich het nieuws aan zijn leerlingen over te brengen. MAT 28:9 En zie, Jezus kwam hen tegemoet en zeide: 'Weest gegroet.' Zij traden op Hem toe, omklemde zijn voeten en aanbaden Hem. MAT 28:10 Toen sprak Jezus tot hen: 'Weest niet bevreesd. Gaat aan mijn broeders de boodschap brengen dat zij naar Galilea moeten gaan, en daar zullen zij Mij zien.' MAT 28:11 Terwijl de vrouwen onderweg waren, gingen enkelen van de bewakers naar de stad en berichtten aan de hogepriesters alles wat er was voorgevallen. MAT 28:12 Dezen hielden een bijeenkomst met de oudsten en na overleg gaven ze aan de soldaten een flinke som geld, MAT 28:13 met de opdracht: 'Zegt maar: Zijn leerlingen zijn Hem in de nacht komen stelen terwijl wij sliepen. MAT 28:14 En mocht dit soms de landvoogd ter ore komen, dan zullen wij hem wel kalmeren en er voor zorgen dat gij geen last krijgt.' MAT 28:15 Zij namen het geld aan en deden zoals hun voorgezegd was. Dit verhaal is onder de Joden verder verteld tot op de dag van vandaag. MAT 28:16 Zending van de apostelen. De elf leerlingen nu begaven zich naar Galilea, naar de berg die Jezus hun aangewezen had. MAT 28:17 Toen zij Hem zagen, wierpen ze zich in aanbidding neer; sommigen echter twijfelden. MAT 28:18 Jezus trad nader en sprak tot hen: 'Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. MAT 28:19 Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest en MAT 28:20 leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.' MARCUS MAR 1:1 De prediking van Johannes de Doper. Begin van de Blijde Boodschap van Jezus Christus, de Zoon van God. MAR 1:2 Zoals er geschreven staat bij de profeet Jesaja: Zie, ik zend mijn bode voor u uit, die voor u de weg zal banen; MAR 1:3 een stem van iemand die roept in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht, MAR 1:4 trad Johannes op in de woestijn en doopte; hij preekte een doopsel van bekering tot vergiffenis van zonden. MAR 1:5 Heel de landstreek Judea en alle inwoners van Jeruzalem trokken naar hem uit en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden. MAR 1:6 Johannes ging gekleed in kameelhaar met een leren gordel om zijn lendenen; hij at sprinkhanen en wilde honing. MAR 1:7 Hij predikte: 'Na mij komt die sterker is dan ik, en ik ben niet waardig te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. MAR 1:8 Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met de heilige Geest.' MAR 1:9 Jezus door Johannes gedoopt. In die tijd vertrok Jezus uit Nazaret in Galilea en liet zich in de Jordaan door Johannes dopen. MAR 1:10 En op hetzelfde ogenblik dat Hij uit het water opsteeg, zag Hij de hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich neerdalen. MAR 1:11 En er kwam een stem uit de hemel: 'Gij zijt mijn Zoon, mijn veelgeliefde; in U heb Ik welbehagen.' MAR 1:12 Jezus in de woestijn. Terstond dreef de Geest Hem naar de woestijn. MAR 1:13 Veertig dagen bracht Hij in de woestijn door, terwijl Hij door de satan op de proef werd gesteld. Hij verbleef bij de wilde dieren en de engelen bewezen Hem hun diensten. MAR 1:14 Eerste prediking in Galilea. Nadat Johannes was gevangen genomen, ging Jezus naar Galilea en verkondigde er Gods Blijde Boodschap. MAR 1:15 Hij zeide: 'De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap.' MAR 1:16 Roeping van de eerste leerlingen. Toen Hij eens langs het meer van Galilea liep, zag Hij Simon en de broer van Simon, Andreas, terwijl zij bezig waren het net uit te werpen in het meer; zij waren namelijk vissers. MAR 1:17 Jezus sprak tot hen: 'Komt, volgt Mij, Ik zal maken dat gij vissers van mensen wordt.' MAR 1:18 Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem. MAR 1:19 Iets verder gaande zag Hij Jacobus, de zoon van Zebedeüs en diens broer Johannes; ook zij waren in de boot bezig met hun netten klaar te maken. MAR 1:20 Onmiddellijk riep Hij hen. Zij lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners in de boot achter en volgden Hem. MAR 1:21 Prediking te Kafarnaüm. Zij kwamen te Kafarnaüm, en op de eerstvolgende sabbat ging Hij naar de synagoge, waar Hij als leraar optrad. MAR 1:22 De mensen waren buiten zichzelf van verbazing over zijn leer, want Hij onderrichtte hen niet zoals de schriftgeleerden, maar als iemand die gezag bezit. MAR 1:23 Er bevond zich in hun synagoge juist een man die in de macht was van een onreine geest en luid begon te schreeuwen. MAR 1:24 'Jezus van Nazaret, wat hebt Gij met ons te maken? Ge zijt gekomen om ons in het verderf te storten. Ik weet, wie Gij zijt: de heilige Gods.' MAR 1:25 Jezus voegde hem dreigend toe: 'Zwijg stil en ga uit hem weg.' MAR 1:26 De onreine geest schudde hem heen en weer, gaf nog een luide schreeuw en ging uit hem weg. MAR 1:27 Allen stonden zo verbaasd, dat ze onder elkaar vroegen: 'Wat betekent dat toch? Een nieuwe leer met gezag! Hij geeft bevel aan de onreine geesten en ze gehoorzamen Hem.' MAR 1:28 Snel verspreidde zijn faam zich naar alle kanten over heel de streek van Galilea. MAR 1:29 Genezing van Petrus' schoonmoeder. Zodra Hij uit de synagoge kwam, ging Hij met Jakobus en Johannes naar het huis van Simon en Andreas. MAR 1:30 De schoonmoeder van Simon lag met koorts te bed; zij spraken Hem aanstonds over haar. MAR 1:31 Hij ging naar haar toe, pakte ze bij de hand en deed haar opstaan: zij werd vrij van koorts en bediende hen. MAR 1:32 In de avond, na zonsondergang, bracht men allen die lijdend of bezeten waren bij Hem. MAR 1:33 Heel de stad stroomde voor de deur samen. MAR 1:34 Velen die aan allerhande ziekten leden, genas Hij en Hij dreef tal van geesten uit, maar Hij liet niet toe dat de boze geesten spraken, omdat zij Hem kenden. MAR 1:35 Tocht door Galilea. Vroeg, nog diep in de nacht, stond Hij op, ging naar buiten en begaf zich naar een eenzame plaats, waar Hij bleef bidden. MAR 1:36 Simon en zijn metgezellen kwamen Hem achterop MAR 1:37 en toen ze Hem gevonden hadden, zeiden ze:'Iedereen zoekt U.' MAR 1:38 Hij antwoordde hun: 'Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen in de omtrek, opdat Ik ook daar kan prediken. Daartoe ben Ik immers uitgegaan.' MAR 1:39 Hij trok door heel Galilea, predikte in hun synagogen en dreef de boze geesten uit. MAR 1:40 Genezing van een melaatse. Er kwam eens een melaatse bij Hem die op zijn knieën viel en Hem smeekte: 'Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.' MAR 1:41 Door medelijden bewogen stak Hij de hand uit en raakte hem aan en sprak tot hem: 'Ik wil, word rein.' MAR 1:42 Terstond verdween de melaatsheid en was hij gereinigd. MAR 1:43 Terwijl Hij hem wegstuurde, vermaande Hij op strenge toon: MAR 1:44 'Zorg ervoor dat ge aan niemand iets zegt, maar ga u laten zien aan de priester en offer voor uw reiniging wat Mozes heeft voorgeschreven, om ze het bewijs te leveren.' MAR 1:45 Eenmaal vertrokken begon de man zijn verhaal overal in het openbaar te vertellen en ruchtbaarheid aan de zaak te geven, met het gevolg, dat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen, maar buiten op eenzame plaatsen verbleef. Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe. MAR 2:1 Genezing van een lamme. Toen hij enige dagen later in Kafarnaüm was teruggekeerd, en men hoorde dat Hij thuis was, MAR 2:2 stroomden de mensen in zulk een aantal samen, dat zelfs de ruimte voor de deur geen plaats meer bood toen Hij hun zijn leer verkondigde. MAR 2:3 Men kwam een lamme bij Hem brengen, die door vier mannen gedragen werd. MAR 2:4 Omdat zij wegens de menigte geen mogelijkheid zagen hem dicht bij Jezus te brengen, legden ze het dak bloot boven de plaats waar Hij zich bevond, maakten er een opening in en lieten het bed, waarop de lamme uitgestrekt lag, zakken. MAR 2:5 Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tot de lamme: 'Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven.' MAR 2:6 Er zaten enkele schriftgeleerden bij en dezen zeiden bij zichzelf: MAR 2:7 'Wat zegt die man daar? Hij spreekt godslasterlijk! Wie anders kan er zonden vergeven dan God alleen? MAR 2:8 Uit zichzelf wist Jezus aanstonds dat zij zo redeneerden, en Hij zei hun: 'Wat redeneert gij toch bij uzelf? MAR 2:9 Wat is gemakkelijker, tot de lamme te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of: Sta op, neem uw bed op en loop? MAR 2:10 Welnu, opdat ge zult weten, dat de Mensenzoon macht heeft op aarde zonden te vergeven, sprak Hij tot de lamme: MAR 2:11 Ik zeg u, sta op, neem uw bed mee en ga naar huis.' MAR 2:12 Hij stond op, nam zijn bed en voor aller ogen ging hij onmiddellijk naar buiten. Iedereen stond er versteld van, en ze verheerlijkten God en zeiden: 'Zoiets hebben wij nog nooit gezien.' MAR 2:13 Roeping van Levi de tollenaar. Een andere keer ging Hij naar de oever van het meer; al het volk kwam naar Hem toe en Hij onderrichtte hen. MAR 2:14 In het voorbijgaan zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs, aan het tolhuis zitten en sprak tot hem: 'Volg Mij.' De man stond op en volgde Hem. MAR 2:15 Terwijl Jezus eens in diens woning te gast was, lag met Hem en zijn leerlingen ook een groot aantal tollenaars en zondaars aan, want er waren er velen die Hem volgden. MAR 2:16 De farizeese schriftgeleerden die zagen dat Hij at met zondaars en tollenaars, zeiden tot zijn leerlingen: 'Hoe kan Hij eten en drinken met tollenaars en zondaars?' MAR 2:17 Jezus hoorde dit en antwoordde hun: 'Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.' MAR 2:18 Over het vasten. Toen de leerlingen van Johannes en de Farizeeën eens een vastendag hielden, kwam men Hem vragen: 'Waarom vasten de leerlingen van Johannes en die van de Farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?' MAR 2:19 Jezus sprak tot hen: 'Kunnen dan de vrienden van de bruidegom vasten, terwijl de bruidegom bij hen is? Zolang zij de bruidegom in hun midden hebben, kunnen ze niet vasten. MAR 2:20 Er zullen echter dagen komen dat de bruidegom van hen is weggenomen en dan, in die tijd, zullen ze vasten. MAR 2:21 Niemand naait een verstellap van ongekrompen stof op een oud kleed. Anders trekt het ingezette stuk eraan, het nieuwe aan het oude, en de scheur wordt nog groter. MAR 2:22 En niemand doet jonge wijn in oude zakken, anders doet de wijn de zakken bersten en de wijn gaat verloren met de zakken. Neen, jonge wijn in nieuwe zakken.' MAR 2:23 Aren plukken op sabbat. Eens ging Hij op een sabbat door de korenvelden en zijn leerlingen begonnen onder het gaan aren te plukken. MAR 2:24 De Farizeeën zeiden tot Hem: 'Waarom doen ze op sabbat iets wat niet geoorloofd is?' MAR 2:25 Hij gaf hun ten antwoord: 'Hebt gij nooit gelezen wat David deed, toen hij gebrek had en hij en zijn metgezellen honger kregen? MAR 2:26 Hoe hij onder de hogepriester Abjatar het huis van God binnenging en van de toonbroden at, die alleen de priesters mogen eten, en hoe hij er ook van gaf aan zijn metgezellen?' MAR 2:27 En Hij voegde er aan toe: 'De sabbat is gemaakt om de mens, maar niet de mens om de sabbat. MAR 2:28 De Mensenzoon is dus Heer ook van de sabbat.' MAR 3:1 Genezing op sabbat. Op een andere keer ging Hij naar de synagoge waar een man aanwezig was met een verschrompelde hand. MAR 3:2 Zij hielden Hem in het oog of Hij hem op sabbat zou genezen, met de bedoeling Hem daarvan te beschuldigen. MAR 3:3 Hij zei nu tot de man met de verschrompelde hand: 'Kom in het midden staan.' MAR 3:4 Daarop stelde Hij hun de vraag: 'Mag men op sabbat goed doen of kwaad, iemand redden of doden?' Maar zij zwegen. MAR 3:5 Toen liet Hij toornig, maar tegelijkertijd bedroefd om de verstoktheid van hun hart, zijn blik rondgaan en zei tot de man: 'Steekt uw hand uit.' Hij stak zijn hand uit en deze was weer gezond. MAR 3:6 En de Farizeeën gingen naar buiten en aanstonds smeedden zij met de Herodianen plannen om Hem uit de weg te ruimen. MAR 3:7 Toeloop van het volk. Jezus trok met zijn leerlingen weg in de richting van het meer, maar een grote volksmenigte uit Galilea ging Hem achterna; er kwamen ook vele mensen uit Judea, MAR 3:8 Jeruzalem, Idumea, het Overjordaanse en uit de streek rond Tyrus en Sidon tot Hem, omdat ze hoorden wat Hij allemaal deed. MAR 3:9 Hij droeg zijn leerlingen op te zorgen dat er een bootje voor Hem bij de hand was, als voorzorg tegen het opdringen van de menigte. MAR 3:10 Want Hij had er velen genezen, met het gevolg dat allen die aan kwalen leden, op Hem aandrongen om Hem aan te raken. MAR 3:11 Zelfs de onreine geesten vielen, als zij Hem zagen, voor Hem neer en schreeuwden: 'Gij zijt de Zoon van God.' MAR 3:12 Maar Hij verbood hun nadrukkelijk Hem bekend te maken. MAR 3:13 Roeping van de twaalf. Jezus ging de berg op en riep tot zich die Hij zelf wilde; en zij kwamen bij Hem. MAR 3:14 Hij stelde er twaalf aan om Hem te vergezellen en door Hem uitgezonden te worden om te prediken, MAR 3:15 met de macht de duivels uit te drijven. MAR 3:16 Hij wees dus deze twaalf aan; aan Simon gaf Hij de naam Petrus; MAR 3:17 verder Jakobus de zoon van Zebedeüs en Johannes de broer van Jakobus, aan wie Hij de naam Boanerges gaf, wat betekent: zonen van de donder; MAR 3:18 vervolgens Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon de Ijveraar MAR 3:19 en Judas Iskariot, die Hem heeft overgeleverd, MAR 3:20 Jezus' zelfverdediging. Hij ging naar huis en weer stroomde zoveel volk samen, dat zij niet eens gelegenheid hadden om te eten. MAR 3:21 Toen zijn verwanten dit hoorden, trokken zij erop uit om Hem mee te nemen, want men zei dat Hij niet meer bij zijn verstand was. MAR 3:22 De schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren, zeiden dat Beëlzebul in Hem huisde en dat Hij door middel van de vorst der duivels de duivels uitdreef. MAR 3:23 Hij riep hen bij zich en sprak tot hen in gelijkenissen: 'Hoe kan de ene satan de andere uitdrijven? MAR 3:24 Wanneer een rijk innerlijk verdeeld is, kan dat rijk geen stand houden. MAR 3:25 Wanneer een huis innerlijk verdeeld is, zal dat huis geen stand kunnen houden. MAR 3:26 En wanneer de satan opstaat tegen zichzelf en verdeeld is, kan hij geen stand houden, maar is zijn einde gekomen. MAR 3:27 Bovendien, niemand kan binnendringen in het huis van een sterke om zijn huisraad te roven, als hij niet eerst die sterke heeft gebonden. Dan pas kan hij zijn huis leeghalen. MAR 3:28 Voorwaar, Ik zeg u: alle zonden zullen aan de mensen vergeven worden, ook alle godslasteringen die zij uitgesproken hebben, MAR 3:29 maar als iemand lastert tegen de heilige Geest, krijgt hij in eeuwigheid geen vergiffenis; hij is bezwaard met een eeuwig blijvende zonde.' MAR 3:30 Dit omdat zij gezegd hadden: 'er huist een onreine geest in Hem.' MAR 3:31 De wil van God boven alles. Eens kwamen zijn moeder en zijn broeders, en terwijl zij buiten bleven staan, stuurden ze iemand naar Hem toe om Hem te roepen. MAR 3:32 Er zat veel volk om Hem heen, dat het bericht doorgaf: 'Uw moeder en uw broeders daarbuiten vragen naar U.' MAR 3:33 Hij gaf hun ten antwoord: 'Wie is mijn moeder, wie mijn broeders?' MAR 3:34 En terwijl Hij zijn blik liet gaan over de mensen die in een kring om Hem heen zaten, zei Hij: 'Ziehier mijn moeder en mijn broeders. MAR 3:35 Want mijn broeder en mijn zuster en mijn moeder zijn zij, die de wil van God volbrengen.' MAR 4:1 Parabels: De zaaier. Bij een andere gelegenheid begon Hij te leren aan de oever van het meer. Zeer veel volk verzamelde zich bij Hem, zodat Hij in een boot die op het water lag moest stappen, om daar plaats te nemen, terwijl al het volk zich langs het meer op het land bevond. MAR 4:2 Hij leerde hun vele dingen door middel van gelijkenissen, en in zijn onderricht zei Hij tot hen: MAR 4:3 'Luistert. Eens ging een zaaier uit om te zaaien. MAR 4:4 Toen hij aan het zaaien was, viel een gedeelte op de weg en de vogels kwamen het opeten. MAR 4:5 Een ander gedeelte viel op de rotsachtige plekken waar het niet veel aarde had; het schoot snel op, omdat het in ondiepe grond lag. MAR 4:6 Maar toen de zon was opgekomen, kreeg het te lijden van de hitte, zodat het verdorde bij gebrek aan wortel. MAR 4:7 Weer een ander gedeelte viel onder de distels en deze schoten op zodat het verstikte en geen vrucht opleverde. MAR 4:8 Een ander gedeelte tenslotte viel op goede grond en doordat het opschoot en zich ontwikkelde, leverde het vrucht op en bracht het dertig , zestig , en honderdvoudige voort.' MAR 4:9 En hij voegde er aan toe: 'Wie oren heeft om te horen, hij luistere.' MAR 4:10 Toen Hij weer alleen was, stelde zijn omgeving, ook de twaalf, Hem vragen omtrent de gelijkenissen. MAR 4:11 Hij antwoordde hun: 'Aan u is het geheim van het Rijk Gods geschonken, maar zij die erbuiten staan, krijgen alles in gelijkenissen, MAR 4:12 opdat zij wel scherp kijken met hun ogen maar niet zien, en wel luisteren met hun oren maar niet verstaan, opdat zij zich niet zouden bekeren en vergiffenis krijgen.' MAR 4:13 En hij vervolgde: 'Begrijpt ge deze gelijkenis niet? Hoe zult ge dan alle gelijkenissen verstaan? MAR 4:14 De zaaier zaait het woord. MAR 4:15 Die op de weg waar het woord gezaaid wordt zijn de mensen bij wie, als zij het gehoord hebben, terstond de satan komt en het woord wegrooft dat gezaaid ligt in hun binnenste. MAR 4:16 Op dezelfde manier zijn zij die op de rotsachtige plekken gezaaid worden, de mensen die als zij het woord gehoord hebben, het terstond met blijdschap opnemen; MAR 4:17 maar zij hebben geen wortel geschoten, leven bij het ogenblik, en als zij omwille van het woord onderdrukt of vervolgd worden, komen zij onmiddellijk ten val. MAR 4:18 Die tussen distels gezaaid worden, zijn weer anderen, die het woord wel gehoord hebben, MAR 4:19 maar wanneer de zorgen van de wereld, de begoocheling van de rijkdom en de begeerten naar al het andere binnendringen, verstikken die het woord en zo blijft het zonder vrucht. MAR 4:20 De in de goede grond gezaaiden zijn de mensen die het woord horen, het in zich opnemen en vrucht dragen: dertig , zestig , en honderdvoudig.' MAR 4:21 De lamp onder de korenmaat. Verder zei Hij hun: 'Komt er soms een lamp om onder de korenmaat of onder de rustbank gezet te worden, of juist om op de standaard te worden geplaatst? MAR 4:22 Niets is verborgen dat niet openbaar gemaakt zal worden; en niets is geheim dat niet aan het licht zal komen. MAR 4:23 Als iemand oren heeft om te horen, hij luistere.' MAR 4:24 Verder zei Hij: 'Let op wat gij hoort. De maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken; zelfs een toemaat zal men u geven. MAR 4:25 Aan wie heeft, zal gegeven worden; maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden, zelfs wat hij heeft.' MAR 4:26 De kracht van het zaad. En verder: 'Het gaat met het Rijk Gods als met een man die zijn land bezaait; MAR 4:27 hij slaapt en staat op, 's nachts en overdag, en onderwijl kiemt het zaad en schiet op, maar hij weet niet hoe. MAR 4:28 Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort, eerst de groene halm, dan de aar, dan het volgroeide graan in de aar. MAR 4:29 Zodra de vrucht het toelaat, slaat hij er de sikkel in, want het is tijd voor de oogst.' MAR 4:30 Het mosterdzaadje. En verder: 'Welke vergelijking kunnen we vinden voor het Rijk Gods en in welke gelijkenis zullen we het voorstellen? MAR 4:31 Het lijkt op een mosterdzaadje. Wanneer dat gezaaid wordt in de grond, is het wel het allerkleinste zaadje op aarde; MAR 4:32 maar eenmaal gezaaid, schiet het op en wordt groter dan alle tuingewassen, en het krijgt grote takken, zodat de vogels in zijn schaduw kunnen nestelen.' MAR 4:33 In vele dergelijke gelijkenissen verkondigde Hij hun zijn leer op de wijze die zij konden verstaan. MAR 4:34 Anders dan in gelijkenissen sprak Hij niet tot hen, maar eenmaal met zijn leerlingen alleen, gaf Hij van alles uitleg. MAR 4:35 Zee en wind gehoorzamen. Op diezelfde dag tegen het vallen van de avond sprak Jezus tot hen: 'Laten we oversteken.' MAR 4:36 Zij stuurden het volk weg en namen Hem mee zoals Hij daar in de boot zat; andere boten begeleidden Hem. MAR 4:37 Er stak een hevige storm op en de golven sloegen over de boot, zodat hij al vol liep. MAR 4:38 Intussen lag Hij aan de achtersteven op het kussen te slapen. Ze maakten Hem wakker en zeiden Hem: 'Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?' MAR 4:39 Hij stond op, richtte zich met een dwingend woord tot de wind en sprak tot het water: 'Zwijg, stil!' De wind ging liggen en het werd volmaakt stil. MAR 4:40 Hij sprak tot hen: 'Waarom zijn ge zo bang? Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit?' MAR 4:41 Zij werden door een grote vrees bevangen en vroegen elkaar: 'Wie is hij toch, dat zelfs wind en water Hem gehoorzamen?' MAR 5:1 Uitdrijven van duivels. Zij kwamen nu aan de overkant van het meer in het land van de Gerasenen. MAR 5:2 Nauwelijks was Hij uit de boot gestapt, of daar liep Hem uit de grotspelonken een man tegemoet die in de macht was van een onreine geest. MAR 5:3 Hij huisde in de graven en niemand was meer in staat hem zelfs met een ketting te boeien, MAR 5:4 want al meermalen was hij in voet en handboeien geketend geweest, maar de handboeien had hij uit elkaar getrokken en de voetboeien verbrijzeld. Niemand was dus bij machte hem te overweldigen. MAR 5:5 Dag en nacht was hij onafgebroken in de grafspelonken en in de bergen aan het schreeuwen en beukte zichzelf met stenen. MAR 5:6 Toen hij in de verte Jezus zag, snelde hij op Hem toe en viel Hem te voet. MAR 5:7 Luid schreeuwend riep hij: 'Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van God, de Allerhoogste! Ik bezweer U bij God, kwel mij niet! MAR 5:8 Want Hij had hem gezegd: 'Onreine geest, ga weg uit die man.' MAR 5:9 Daarop vroeg Hij hem: 'Wat is uw naam?' Hij antwoordde: 'Mijn naam is Legioen, want wij zijn met velen.' MAR 5:10 En hij smeekte Hem met aandrang, dat Hij hem niet uit de streek zou wegjagen. MAR 5:11 Nu was men daar tegen de berghelling een grote kudde zwijnen aan het hoeden. MAR 5:12 Zij smeekten Hem: 'Stuur ons in die zwijnen en laat ons daarin gaan.' MAR 5:13 Hij stond het hun toe. De onreine geesten gingen uit de bezetene, voeren in de zwijnen en de troep stortte zich van de steile oever in het meer, ongeveer tweeduizend en ze verdronken. MAR 5:14 De zwijnenhoeders namen de vlucht en vertelden het in de stad en op het land. Daarop kwamen de mensen kijken wat er gebeurd was. MAR 5:15 Zij kwamen naar Jezus toe en zagen de bezetene zitten, gekleed en goed bij zijn verstand, dezelfde die in de macht van Legioen geweest was; en ze werden door vrees bevangen. MAR 5:16 Die het gezien hadden, verhaalden hun hoe het gegaan was met de bezetene, en vertelden ook over de zwijnen. MAR 5:17 Daarop begonnen zij bij Hem aan te dringen hun streek te verlaten. MAR 5:18 Maar toen Hij in de boot stapte, verzocht de man die bezeten geweest was bij Hem te mogen blijven. MAR 5:19 Jezus stond dit echter niet toe, maar zei hem: 'Ga naar huis, naar de uwen en vertel hun alles wat de Heer aan u gedaan heeft en hoe Hij u barmhartigheid heeft bewezen.' MAR 5:20 De man ging heen en begon in Dekapolis alles te verkondigen wat Jezus aan hem gedaan had; en allen stonden verbaasd. MAR 5:21 Opwekking van Ja rus' dochtertje. Genezing van een vrouw. Toen Jezus weer met de boot overgestoken was, stroomde veel volk bij Hem samen. Terwijl Hij zich aan de oever van het meer bevond, MAR 5:22 kwam er een zekere Ja rus, de overste van de synagoge. Toen hij Hem zag viel hij Hem te voet en smeekte Hem met aandrang: MAR 5:23 'Mijn dochtertje kan elk ogenblik sterven, kom toch haar de handen opleggen, opdat ze mag genezen en leven.' MAR 5:24 Jezus ging met hem mee. Een dichte menigte vergezelde Hem en drong van alle kanten op. MAR 5:25 Er was een vrouw bij die al twaalf jaar aan bloedvloeiing leed; MAR 5:26 zij had veel te verduren gehad van een hele reeks dokters en haar gehele vermogen uitgegeven, maar zonder er baat bij te vinden; integendeel het was nog erger met haar geworden. MAR 5:27 Omdat zij over Jezus gehoord had, drong zij zich in de menigte naar voren en raakte zijn mantel aan. MAR 5:28 Want ze zei bij zichzelf: 'Als ik slechts zijn kleren kan aanraken, zal ik al genezen zijn.' MAR 5:29 Terstond hield de bloeding op en werd ze aan haar lichaam gewaar, dat ze van haar kwaal genezen was. MAR 5:30 Op hetzelfde ogenblik was Jezus zich bewust dat er een kracht van Hem was uitgegaan; Hij keerde zich te midden van de menigte om en vroeg: 'Wie heeft mijn kleren aangeraakt?' MAR 5:31 Zijn leerlingen zeiden tot Hem: 'Gij ziet dat de menigte van alle kanten opdringt en Gij vraagt: Wie heeft mij aangeraakt?' MAR 5:32 Maar Hij liet zijn blik rondgaan om te zien wie dat gedaan had. MAR 5:33 Wetend wat er met haar gebeurd was, kwam de vrouw zich angstig en bevend voor Hem neerwerpen en bekende Hem de hele waarheid. MAR 5:34 Toen sprak Hij tot haar: 'Dochter, uw geloof heeft u genezen. Ga in vrede en wees van uw kwaal verlost.' MAR 5:35 Hij was nog niet uitgesproken, of men kwam uit het huis van de overste van de synagoge met de boodschap: 'Uw dochter is gestorven. Waartoe zoudt ge de Meester nog langer lastig vallen?' MAR 5:36 Jezus ving op wat er bericht werd en zei tot de overste van de synagoge: 'Wees niet bang, maar blijf geloven.' MAR 5:37 Hij liet niemand met zich meegaan, behalve Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus. MAR 5:38 Toen zij aan het huis van de overste kwamen, zag Hij het rouwmisbaar van mensen die luid weenden en weeklaagden. MAR 5:39 Hij ging naar binnen en zei tot hen: 'Waarom dit misbaar en geween? Het kind is niet gestorven, maar slaapt.' MAR 5:40 Doch ze lachten Hem uit. Maar Hij stuurde ze allemaal naar buiten en ging met zijn metgezellen en de vader en moeder van het kind het vertrek binnen, waar het kind lag. MAR 5:41 Hij pakte de hand van het kind en zei tot haar: 'Talita koemi'; wat vertaald betekent: 'Meisje, Ik zeg je, sta op.' MAR 5:42 Onmiddellijk stond het meisje op en liep rond; want het was twaalf jaar. En ze stonden stom van verbazing. MAR 5:43 Hij legde hun nadrukkelijk op, dat niemand het te weten mocht komen, en voegde eraan toe, dat men haar te eten moest geven. MAR 6:1 Het ongelovige Nazaret. Hij ging vandaar weg om zich naar zijn vaderstad te begeven en zijn leerlingen gingen met Hem mee. MAR 6:2 Toen het sabbat was, begon Hij te onderrichten in de synagoge. De talrijke toehoorders vroegen verbaasd: 'Waar heeft Hij dat vandaan? En wat is dat voor een wijsheid die Hem geschonken is? En wat zijn dat voor wonderen, die zijn handen verrichten? MAR 6:3 Is dat niet de timmerman, de zoon van Maria en de broeder van Jakobus en Jozef en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons?' En zij namen aanstoot aan Hem. MAR 6:4 Maar Jezus sprak tot hen: 'Een profeet wordt overal geëerd behalve in zijn eigen stad, bij zijn verwanten en in zijn eigen kring.' MAR 6:5 Hij kon daar geen enkel wonder doen, behalve dat Hij een klein aantal zieken genas die Hij de handen oplegde. MAR 6:6 Hij stond verwonderd over hun geloof. Uitzending van de twaalf. Jezus ging rond door de dorpen in de omtrek, waar Hij onderricht gaf. MAR 6:7 Hij riep de twaalf bij zich en begon hen twee aan twee uit te zenden. Hij gaf hun macht over de onreine geesten MAR 6:8 en verbood hun iets anders mee te nemen voor onderweg dan alleen een stok: geen voedsel, geen reiszak, geen kopergeld in hun gordel. MAR 6:9 'Wel moogt ge sandalen dragen, maar trekt geen dubbele kleding aan.' MAR 6:10 Hij zei verder: 'Als ge ergens een huis binnengaat, blijft daar tot ge weer afreist. MAR 6:11 En is er een plaats waar men u niet ontvangt en niet naar u luistert, gaat daar dan weg en schudt het stof van uw voeten als een getuigenis tegen hen.' MAR 6:12 Zij vertrokken om te prediken dat men zich moest bekeren. MAR 6:13 Zij dreven veel duivels uit, zalfden veel zieken met olie en genazen hen. MAR 6:14 Onthoofding van de Doper. Toen koning Herodes nu over Hem hoorde, want zijn naam was bekend geworden, zei hij: 'Johannes de doper is verrezen uit de doden en daarom werken die wonderkrachten in hem.' MAR 6:15 Maar anderen zeiden: 'Het is Elia', en weer anderen: 'Hij is een profeet zoals andere profeten.' MAR 6:16 Maar toen Herodes dit alles hoorde, zei hij: 'Neen, het is Johannes, die ik onthoofd heb, die verrezen is.' MAR 6:17 Herodes had namelijk zelf Johannes laten grijpen en in de gevangenis in boeien geslagen omwille van Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, want hij had haar tot zijn vrouw genomen. MAR 6:18 Johannes had immers tot Herodes gezegd: 'Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te hebben.' MAR 6:19 Herodias was daarom op hem gebeten en wilde hem doden, maar zij kreeg geen kans, MAR 6:20 want Herodes had ontzag voor Johannes. Hij wist dat hij een rechtschapen en heilig man was, en nam hem in bescherming. Telkens wanneer hij hem gehoord had, verkeerde hij in tweestrijd; maar toch luisterde hij graag naar hem. MAR 6:21 Er kwam echter een gunstige dag, toen Herodes bij zijn verjaardag een maaltijd aanrichtte voor zijn hoogwaardigheidsbekleders, zijn hoofdofficieren en de vooraanstaanden van Galilea. MAR 6:22 De dochter van Herodias trad op met een dans en zij beviel aan Herodes en zijn tafelgenoten. De koning zei tot het meisje: 'Vraag me wat je wilt en ik zal het je geven.' MAR 6:23 En hij bevestigde haar met een eed: 'Wat je me ook vraagt, ik zal het je geven, al is het de helft van mijn koninkrijk.' MAR 6:24 Zij ging naar buiten en vroeg aan haar moeder: 'Wat zou ik vragen?' Deze antwoordde: 'Het hoofd van Johannes de Doper.' MAR 6:25 Zij haastte zich naar de koning en zei hem haar verlangen: 'Ik wil dat u mij op staande voet op een schotel het hoofd van Johannes de Doper geeft.' MAR 6:26 Dit deed de koning leed, maar om zijn eed gestand te doen en ook wegens zijn tafelgenoten wilde hij haar niet afwijzen. MAR 6:27 Terstond stuurde de koning dus een lijfwacht en gelastte hem het hoofd van Johannes te brengen. De man ging en onthoofdde hem in de gevangenis. MAR 6:28 Hij bracht het hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje; het meisje gaf het weer aan haar moeder. MAR 6:29 Toen zijn leerlingen er van gehoord hadden, kwamen ze zijn lijk halen en legden het in een graf. MAR 6:30 Eerste wonderbare spijziging. Toen de apostelen zich weer bij Jezus voegden, brachten zij Hem verslag uit over alles wat zij gedaan en onderwezen hadden. MAR 6:31 Daarop sprak hij tot hen: 'Komt nu eens zelf mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en rust daar wat uit.' Want wegens de talrijke gaande en komende mensen hadden zij zelfs geen tijd om te eten. MAR 6:32 Zij vertrokken dus in de boot naar een eenzame plaats om alleen te zijn. MAR 6:33 Maar velen zagen hen gaan en begrepen waar Hij heenging; uit al de steden kwamen mensen te voet daarheen en waren er nog eerder dan zij. MAR 6:34 Toen Jezus aan land ging, zag Hij dan ook een grote menigte. Hij voelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zonder herder, en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten. MAR 6:35 Toen het al laat was geworden, kwamen zijn leerlingen naar Hem toe en zeiden: 'Deze plek is te eenzaam en het is al laat. MAR 6:36 Stuur hen weg om naar de hoeven en dorpen in de omtrek te gaan en daar eten te kopen.' MAR 6:37 Maar Hij gaf hun ten antwoord: 'Geeft gij hen maar te eten.' Zij zeiden Hem daarop: 'Moeten wij dan voor tweehonderd denariën brood gaan kopen om hun te eten te geven?' MAR 6:38 Hij zeide tot hen: 'Hoeveel broden hebt ge? Gaat eens kijken.' Na zich op de hoogte gesteld te hebben zeiden ze: 'Vijf, en twee vissen.' MAR 6:39 Nu gaf Hij hun opdracht te zeggen dat allen zich groepsgewijze zouden neerzetten op het groene gras. MAR 6:40 Zij gingen zitten in groepen van honderd en van vijftig. MAR 6:41 Hij nam de vijf broden en de twee vissen, sloeg de ogen ten hemel, sprak de zegen uit, brak de broden en gaf ze aan zijn leerlingen om ze aan de mensen voor te zetten; ook de twee vissen verdeelde Hij onder allen. MAR 6:42 Allen aten tot ze verzadigd waren. MAR 6:43 Men haalde aan brokken en aan wat er aan vis over was twaalf volle korven op. MAR 6:44 Het waren vijfduizend mannen, die van de broden gegeten hadden. MAR 6:45 Storm op het meer. Onmiddellijk hierop dwong Hij zijn leerlingen in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen, naar Betsa da, terwijl Hij het volk naar huis zou zenden. MAR 6:46 Na afscheid van hen genomen te hebben ging Hij de berg op om te bidden. MAR 6:47 Toen de avond viel, bevond de boot zich midden op het meer en was Hij alleen aan land. MAR 6:48 Omdat Hij zag dat zij zich aftobden om vooruit te komen de wind zat hun tegen kwam hij omstreeks de vierde nachtwake te voet over het meer naar hen toe; en Hij wilde hen voorbijgaan. MAR 6:49 Maar toen zij Hem zo over het meer zagen gaan, meenden ze dat het een spook was, en ze schreeuwden het uit. MAR 6:50 Want allen zagen Hem en ze raakten van streek. Maar onmiddellijk begon Hij met hen te spreken en zei hun: 'Weest gerust, Ik ben het. Vreest niet.' MAR 6:51 Hij klom bij hen in de boot en de wind ging liggen. Zij raakten buiten zichzelf van verbazing, MAR 6:52 want zij waren door het gebeurde met de broden niet tot inzicht gekomen, maar hun geest was verblind. MAR 6:53 Vele genezingen. Toen zij overgestoken waren, bereikt en zij de kust van Gennesaret en liepen de haven binnen. MAR 6:54 Zodra zij uit de boot gestapt waren, herkenden de mensen Hem. MAR 6:55 Zij liepen heel de streek af en men begon de zieken op hun bedden naar de plaats te dragen waar men hoorde dat Hij was. MAR 6:56 Waar Hij maar binnenkwam, in dorp of stad of gehucht, legde men de zieken op de pleinen en smeekte Hem, of ze tenminste de zoom van zijn kleed mochten aanraken. En allen die dit deden, werden gezond. MAR 7:1 Farizeese en christelijke reinheid. Eens kwamen de Farizeeën en enkele schriftgeleerden uit Jeruzalem bij Hem tezamen, MAR 7:2 en zagen dat sommige van zijn leerlingen met onreine, dat wil zeggen, ongewassen handen aten. MAR 7:3 De Farizeeën immers en al de Joden eten niet zonder zich eerst de handen te hebben gewassen met een handvol water, daar ze vasthouden aan de overlevering van de voorvaderen; MAR 7:4 komen ze van de markt, dan eten ze niet, voordat zij zich gereinigd hebben; zo zijn er nog vele andere dingen waaraan ze bij overlevering vasthouden: het afwassen van bekers, kruiken en koperen vaatwerk. MAR 7:5 Daarom stelden de Farizeeën en de schriftgeleerden Hem de vraag: 'Waarom gedragen uw leerlingen zich niet volgens de overlevering van de voorvaderen, maar eten zij met onreine handen?' MAR 7:6 Hij antwoordde hun: 'Hoe juist heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd! Zo staat er geschreven: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij. MAR 7:7 Zij eren Mij, maar zonder zin, en mensenwet is wat zij leren. MAR 7:8 Gij laat het gebod van God varen en houdt vast aan de overlevering van mensen: kruiken en bekers afwassen en meer van dergelijke dingen doet ge. MAR 7:9 Het is fraai, vervolgde Hij, dat gij het gebod van God buiten werking stelt om uw overlevering te handhaven! MAR 7:10 Mozes heeft immers gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet sterven. MAR 7:11 En toch leert gij: Als iemand tot zijn vader of moeder zegt: alles waarmee ik u zou kunnen helpen, is Korban, dat betekent: offergave, MAR 7:12 dan staat ge hem niet meer toe iets voor zijn vader of moeder te doen. MAR 7:13 Zo maakt ge het woord Gods krachteloos ten gunste van uw overlevering die gij doorgeeft. En ge doet meer van dergelijke dingen.' MAR 7:14 Daarop riep Hij het volk weer bij zich en sprak tot hen: 'Luistert allen naar Mij en wilt verstaan: MAR 7:15 niets kan de mens bezoedelen wat van buiten af in hem komt. Maar wat uit de mens komt, dat bezoedelt de mens. MAR 7:16 Als iemand oren heeft om te horen, hij luistere.' MAR 7:17 Nadat Hij zich van het volk had teruggetrokken en thuis gekomen was, stelden zijn leerlingen Hem vragen over de gelijkenis. MAR 7:18 Hij antwoordde hun: 'Begrijpt ook gij nog zo weinig? Beseft gij dan niet, dat al wat van buiten af in de mens komt hem niet kan bezoedelen, MAR 7:19 omdat het niet in zijn hart komt maar in zijn buik en zijn weg vindt in een zekere plaats?' Zo verklaarde Hij alle voedsel rein. MAR 7:20 Maar, zei Hij,' wat uit de mens komt, dat bezoedelt de mens. MAR 7:21 Want uit het binnenste, uit het hart van de mensen, komen boze gedachten, ontucht, diefstal, moord, MAR 7:22 echtbreuk, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, godslastering, trots, lichtzinnigheid. MAR 7:23 Al die slechte dingen komen uit het binnenste en bezoedelen de mens.' MAR 7:24 Het geloof van de Syrofenicische. Jezus vertrok vandaar en ging naar de streek van Tyrus en Sidon. Hij ging een huis binnen en wilde niet dat iemand het te weten kwam, maar Hij kon niet onopgemerkt blijven. MAR 7:25 Een vrouw wier dochtertje door een onreine geest was bezeten, kwam dan ook, zodra ze van Hem gehoord had, naderbij en wierp zich aan zijn voeten. MAR 7:26 De vrouw was een Helleense van Syrofenicische afkomst. Zij vroeg Hem de duivel uit haar dochter uit te drijven. MAR 7:27 Hij sprak tot haar: 'Laat eerst de kinderen verzadigd worden, want het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven.' MAR 7:28 Maar zij had een antwoord en zei Hem: 'Jawel, Heer. De honden onder tafel eten immers van de kruimels van de kinderen.' MAR 7:29 Toen sprak Hij tot haar: 'Omdat ge dit zegt, ga heen, de duivel heeft uw dochter verlaten.' MAR 7:30 Zij keerde naar huis terug, trof haar kind te bed en bevond dat de duivel was heengegaan. MAR 7:31 Stommen spreken. Weer uit de streek van Tyrus vertrokken, begaf Hij zich over Sidon naar het meer van Galilea, midden in de streek van Dekapolis. MAR 7:32 Men bracht een dove bij Hem, die ook moeilijk kon spreken en smeekte Hem dat Hij deze de hand zou opleggen. MAR 7:33 Jezus nam hem terzijde buiten de kring van het volk, stak hem de vingers in de oren en raakte zijn tong met speeksel aan. MAR 7:34 Vervolgens sloeg Hij zijn ogen ten hemel op, zuchtte en sprak tot hem: 'Effeta', wat betekent: Ga open. MAR 7:35 Terstond gingen zijn oren open en werd de band van zijn tong losgemaakt, zodat hij normaal sprak. MAR 7:36 Hij verbood hun het aan iemand te zeggen; maar met hoe meer nadruk Hij dat verbood, des te luider verkondigden zij het. MAR 7:37 Buiten zichzelf van verbazing riepen zij uit:'Hij heeft alles wel gedaan, Hij laat doven horen en stommen spreken.' MAR 8:1 Tweede wonderbare spijziging. Toen er in die tijd weer eens veel mensen bijeen waren en zij niets te eten hebben, riep Jezus zijn leerlingen bij zich en sprak tot hen: MAR 8:2 'Ik heb medelijden met deze mensen, omdat zij al drie dagen bij Mij blijven, zodat ze nu zonder voedsel zijn. MAR 8:3 Wanneer Ik hen zonder eten naar huis laat gaan, zullen zij onderweg bezwijken; sommigen van hen zijn van ver gekomen.' MAR 8:4 Zijn leerlingen antwoordden Hem: 'Waar kan iemand op een zo eenzame plaats brood vandaan halen om hen te verzadigen?' MAR 8:5 Hij vroeg hun: 'Hoeveel broden hebt ge dan?' 'Zeven', antwoordden zij. MAR 8:6 Hij gelastte het volk op de grond te gaan zitten. Toen nam Hij de zeven broden, en na een dankgebed brak Hij ze en gaf ze aan zijn leerlingen om ze voor te zetten aan het volk; en dat deden ze. MAR 8:7 Ze hadden ook nog wat visjes; na de zegen er over uitgesproken te hebben zei Hij, dat ze die ook moesten voorzetten. MAR 8:8 De mensen aten tot ze verzadigd waren; en aan overgebleven brokken haalde men zeven manden op. MAR 8:9 Er waren ongeveer vierduizend personen. Toen zond Hij hen naar huis. MAR 8:10 Terstond ging Hij met zijn leerlingen scheep en kwam in de streek van Dalmanuta. MAR 8:11 Het ongeloof van de Farizeeën. Toen daagden de Farizeeën op, die met Hem begonnen te redetwisten. Om Hem op de proef te stellen verlangden ze van Hem een teken uit de hemel. MAR 8:12 Hij slaakte een zucht uit het diepste van zijn hart en zei: 'Wat verlangt dit geslacht toch voor een teken? Voorwaar, Ik zeg u: in geen geval zal aan dit geslacht een teken gegeven worden.' MAR 8:13 Hij liet hen staan, stapte weer in de boot en keerde naar de overkant terug. MAR 8:14 Zij hadden echter vergeten brood mee te nemen, zodat zij niet meer dan een brood bij zich in de boot hadden. MAR 8:15 Toen gaf Hij hun deze waarschuwing: 'Let op, wacht u voor het zuurdeeg van de Farizeeën en het zuurdeeg van Herodes!' MAR 8:16 Zij spraken daarover onder elkaar: 'Dat zegt Hij omdat we geen brood hebben.' MAR 8:17 Maar Hij bemerkte het en sprak: 'Wat bespreekt ge daar onderling? Dat Ik dit gezegd heb, omdat ge geen brood hebt? Begrijpt en verstaat ge het dan nog niet? Is uw geest dan zo verblind? MAR 8:18 Ge hebt toch ogen: ziet ge dan niets? ge hebt toch oren: hoort ge dan niets? En herinnert ge u niet, MAR 8:19 hoeveel korven vol brokken gij hebt opgehaald, toen Ik voor de vijfduizend die vijf broden heb gebroken?' Zij antwoordden Hem: 'Twaalf.' MAR 8:20 'En hoeveel manden vol brokken hebt gij opgehaald, toen met die zeven voor de vierduizend?' En zij antwoordden: 'Zeven.' MAR 8:21 Daarop zei Hij hun: 'Begrijpt ge het dan nog niet?' MAR 8:22 Genezing van een blinde. Zij kwamen in Betsa da. Daar bracht men een blinde bij Hem en smeekte Hem die te willen aanraken. MAR 8:23 Jezus nam de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Daar deed Hij speeksel op zijn ogen, legde hem de hand op en vroeg hem: 'Kunt ge al iets zien?' MAR 8:24 Hij keek en hij antwoordde: 'Ik zie mensen, want ik zie ze lopen, maar ze lijken op bomen.' MAR 8:25 Daarna legde Hij nog eens de handen op zijn ogen. Nu zag hij scherp en was zo volkomen genezen dat hij alles duidelijk zag. MAR 8:26 Hij stuurde hem naar huis met de waarschuwing: 'Ga zelfs het dorp niet in.' MAR 8:27 De belijdenis van Petrus. Jezus trok nu met zijn leerlingen naar de dorpen rond Caesarea van Filippus. Onderweg stelde Hij aan zijn leerlingen de vraag: 'Wie zeggen de mensen dat Ik ben?' MAR 8:28 Zij antwoordden Hem: 'Johannes de Doper, anderen zeggen Elia en weer anderen, dat Gij een van de profeten zijt.' MAR 8:29 Daarop stelde Hij hun de vraag: 'Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?' Petrus antwoordde: 'Gij zijt de Christus.' MAR 8:30 Maar Hij verbood hun nadrukkelijk iemand hierover te spreken. MAR 8:31 Eerste lijdensvoorspelling. Daarop begon Hij hun te leren, dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden en door de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen worden en ter dood gebracht, maar drie dagen later verrijzen. MAR 8:32 Hij sprak deze woorden zonder terughoudendheid. Toen nam Petrus Jezus terzijde en begon Hem ernstig daarover te onderhouden. MAR 8:33 Maar zich omkerend keek Hij naar zijn leerlingen en voegde Petrus op strenge toon toe: 'Ga weg, satan, terug! want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil.' MAR 8:34 Nadat Hij behalve zijn leerlingen ook het volk bij zich had laten komen, sprak Hij tot hen: 'Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. MAR 8:35 Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie, zal het redden. MAR 8:36 Wat voor nut heeft het voor een mens de hele wereld te winnen als dit ten koste gaat van eigen leven? MAR 8:37 Wat toch zou een mens in ruil kunnen geven voor zijn leven? MAR 8:38 Als iemand zich schaamt over Mij en mijn woorden ten overstaan van dit overspelig en zondig geslacht, zal ook de Mensenzoon zich over hem schamen, wanneer Hij, vergezeld van de heilige engelen, komt in de heerlijkheid van zijn Vader.' MAR 9:1 Hij sprak tot hen: 'Voorwaar, Ik zeg u: onder de hier aanwezigen zijn er die de dood niet zullen ervaren, voordat zij zien dat het Rijk Gods is gekomen in kracht.' MAR 9:2 De gedaanteverandering. Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en bracht hen boven op een hoge berg, waar zij geheel alleen waren. Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd: MAR 9:3 zijn kleed werd glanzend en zo wit als geen volder ter wereld maken kan. MAR 9:4 Elia verscheen hun samen met Mozes en zij onderhielden zich met Jezus. MAR 9:5 Petrus nam het woord en zei tot Jezus: 'Rabbi, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie tenten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.' MAR 9:6 Hij wist niet goed wat hij zei, want ze waren geheel verbluft. MAR 9:7 Een wolk kwam hen overschaduwen en uit die wolk klonk een stem: 'Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, luistert naar Hem.' MAR 9:8 Toen ze rondkeken, zagen ze plotseling niemand anders bij hen alleen dan Jezus. MAR 9:9 Onder het afdalen van de berg verbood Jezus hun aan iemand te vertellen wat ze gezien hadden, voordat de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan. MAR 9:10 Zij hielden het inderdaad voor zich, al vroegen zij zich onder elkaar af, wat dat opstaan uit de doden mocht betekenen. MAR 9:11 Aan Jezus stelden zij de vraag: 'Waarom zeggen de schriftgeleerden toch dat eerst Elia moet komen?' MAR 9:12 Hij antwoordde hun: 'Elia komt eerst om alles te herstellen. Maar wat staat er geschreven over de Mensenzoon? Dat Hij veel zal lijden en veracht zal worden. MAR 9:13 Maar Ik zeg u: Elia is al gekomen en zij hebben naar willekeur met hem gehandeld, zoals over hem geschreven staat.' MAR 9:14 Genezing van een bezeten jongen. Toen zij weer bij de leerlingen kwamen, zagen zij een grote menigte om hen heen staan, waaronder ook schriftgeleerden die met hen redetwistten. MAR 9:15 Zodra al die mensen Hem opmerkten, waren ze verrast en liepen Hem tegemoet om Hem te begroeten. MAR 9:16 Hij vroeg hun: 'Waarom twist ge met hen?' MAR 9:17 Een uit de menigte gaf Hem ten antwoord: 'Meester, ik heb mijn zoon naar U toe gebracht omdat hij in de macht is van een stomme geest. MAR 9:18 En waar deze hem overweldigt, werpt hij hem tegen de grond, en de jongen krijgt het schuim op de lippen, knarsetandt en wordt helemaal stijf. Nu heb ik uw leerlingen gevraagd hem uit te drijven, maar die hadden er de kracht niet toe.' MAR 9:19 Jezus gaf ten antwoord: 'O ongelovig geslacht, hoe lang moet Ik nog bij u zijn, hoe lang nog u verdragen? Brengt de jongen bij Mij.' MAR 9:20 Ze brachten hem naar Hem, maar zodra de geest Hem zag, liet hij de jongen stuipen krijgen; deze viel neer en rolde over de grond met het schuim op de lippen. MAR 9:21 Jezus vroeg aan de vader: 'Hoe lang heeft hij dit al?' Deze antwoordde: 'Vanaf zijn kinderjaren.' MAR 9:22 Hij heeft hem ook dikwijls in het vuur en in het water geworpen om hem te doden. Maar als Gij iets kunt doen, heb dan medelijden en help ons.' MAR 9:23 Jezus antwoordde hem: 'Wat dat kunnen betreft: alles kan voor wie gelooft.' MAR 9:24 Ogenblikkelijk riep de vader van de jongen uit: 'Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!' MAR 9:25 Toen Jezus zag dat de mensen te hoop liepen, gebood hij op strenge toon aan de onreine geest: 'Stomme en dove geest, Ik gelast je, ga uit hem weg en kom nooit meer in hem terug.' MAR 9:26 Onder geschreeuw en hevige stuiptrekkingen ging hij uit hem weg; de jongen zag eruit als een lijk, zodat de meesten dachten dat hij dood was. MAR 9:27 Maar Jezus vatte hem bij de hand richtte hem op; en hij kwam overeind. MAR 9:28 Toen Hij thuis gekomen was en zijn leerlingen met Hem alleen waren, vroegen zij: 'Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?' MAR 9:29 Hij antwoordde hun: 'Dit soort kan door niets anders uitgedreven worden dan door bidden en vasten.' MAR 9:30 Tweede lijdensvoorspelling. Zij gingen daar weg en trokken Galilea door; maar Hij wilde niet dat iemand het te weten kwam, MAR 9:31 want Hij was bezig zijn leerlingen te onderrichten. Hij zeide hun: 'De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der mensen en ze zullen Hem doden; maar drie dagen na zijn dood zal Hij weer opstaan.' MAR 9:32 Zij begrepen die woorden wel niet, maar schrokken ervoor terug Hem te ondervragen. MAR 9:33 Strijd om de rangorde. Zij kwamen in Kafarnaüm en, eenmaal thuis, ondervroeg Hij hen: 'Waar hebt ge onderweg over getwist?' MAR 9:34 Maar zij zwegen, want zij hadden onderweg een woordenwisseling gehad over de vraag, wie de grootste was. MAR 9:35 Toen zette Hij zich neer, riep de twaalf bij zich en zei tot hen: 'Als iemand de eerste wil zijn, moet hij laatste van allen en de dienaar van allen zijn.' MAR 9:36 Hij nam een kind en zette het in hun midden; Hij omarmde het en sprak tot hen: MAR 9:37 'Wie een kind als dit opneemt in mijn Naam, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt niet Mij op, maar Hem die Mij gezonden heeft.' MAR 9:38 Johannes zei Hem: 'Meester, we hebben iemand die ons niet volgt, in uw naam duivels zien uitdrijven, en we hebben getracht het hem te beletten, omdat hij geen volgeling van ons was.' MAR 9:39 Maar Jezus zei: 'Belet het hem niet, want iemand die een wonder doet in mijn Naam, zal niet zo grif ongunstig over Mij spreken. MAR 9:40 Wie niet tegen ons is, is voor ons. MAR 9:41 Als iemand u een beker water te drinken geeft omdat gij van Christus zijt, voorwaar Ik zeg u: zijn loon zal hem zeker niet ontgaan. MAR 9:42 Aanleiding tot zonde. Maar als iemand een van deze kleinen die geloven, aanstoot geeft, het zou beter voor hem zijn als men hem een molensteen om de hals deed en in zee wierp. MAR 9:43 Dreigt uw hand u aanstoot te geven, hak ze af; het is beter voor u verminkt het leven binnen te gaan dan in het bezit van twee handen in de hel te komen, in het onblusbaar vuur. MAR 9:44 Geeft uw voet u aanstoot, hak hem af; MAR 9:45 het is beter voor u kreupel het leven binnen te gaan dan in het bezit van twee voeten in de hel te worden geworpen. MAR 9:46 Geeft uw oog u aanstoot, ruk het uit; MAR 9:47 het is beter voor u met een oog het Rijk Gods binnen te gaan dan in het bezit van twee ogen in de hel te worden geworpen, MAR 9:48 waar hun worm niet sterft en het vuur niet gedoofd wordt. MAR 9:49 Iedereen zal met vuur gezouten worden. MAR 9:50 Het zout is iets goeds; maar als het zout zoutloos wordt, waarmee zult ge het dan zijn smaak hergeven? Hebt zout in uzelf en leeft in vrede met elkaar.' MAR 10:1 Onverbreekbaarheid van het huwelijk. Hij vertrok nu vandaar en ging naar het gebied van Judea en het Overjordaanse. Ook daar kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe en als naar gewoonte onderrichtte Hij hen. MAR 10:2 Er kwamen ook Farizeeën die Hem vroegen: 'Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten?' Daarmee wilden zij Hem op de proef stellen. MAR 10:3 Hij antwoordde hun met een wedervraag: 'Wat heeft Mozes u voorgeschreven?' MAR 10:4 Zij zeiden: 'Mozes heeft toegestaan een scheidingsbrief op te stellen en haar weg te zenden.' MAR 10:5 Doch Jezus antwoordde hun: 'Om de hardheid van uw hart heeft hij die bepaling voor u neergeschreven. MAR 10:6 Maar in het begin, bij de schepping, heeft God hen als man en vrouw gemaakt. MAR 10:7 Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten MAR 10:8 om zich te binden aan zijn vrouw en deze twee zullen een vlees worden. Zo zijn zij dus niet langer twee, een vlees als zij geworden zijn. MAR 10:9 Wat God derhalve heeft verbonden, mag een mens niet scheiden.' MAR 10:10 Thuis ondervroegen de leerlingen Hem nogmaals daarover. MAR 10:11 Hij sprak tot hen: 'Wie zijn vrouw wegzendt en een ander huwt, maakt zich tegenover haar schuldig aan echtbreuk. MAR 10:12 En wanneer zij haar man wegzendt en een ander huwt, begaat zij echtbreuk.' MAR 10:13 De kinderen bij Jezus. De mensen brachten kinderen bij Hem met de bedoeling dat Hij ze zou aanraken. Maar bars wezen de leerlingen ze af. MAR 10:14 Toen Jezus dat zag, zei Hij verontwaardigd: 'Laat die kinderen toch bij Mij komen en houdt ze niet tegen. Want aan hen die zijn zoals zij behoort het Koninkrijk Gods. MAR 10:15 Voorwaar, Ik zeg u: wie het Koninkrijk Gods niet aanneemt als een kind, zal er zeker niet binnengaan.' MAR 10:16 Daarop omarmde Hij ze en zegende hen, terwijl Hij hun de handen oplegde. MAR 10:17 De rijke jongeman. Toen Hij zich weer op weg begaf, kwam er iemand aanlopen die zich voor Hem op de knieën wierp en vroeg: 'Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?' MAR 10:18 Jezus antwoordde: 'Waarom noemt ge Mij goed? Niemand is goed dan God alleen. MAR 10:19 Ge kent de geboden: Gij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen, gij zult niemand te kort doen, eer uw vader en uw moeder.' MAR 10:20 Hij gaf Hem ten antwoord: 'Dat alles heb ik onderhouden van mijn jeugd af.' MAR 10:21 Toen keek Jezus hem liefdevol aan en sprak: 'Een ding ontbreekt u: ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen, daarmee zult ge een schat bezitten in de hemel. En kom dan terug om Mij te volgen.' MAR 10:22 Dit woord ontstelde hem en ontdaan ging hij heen, omdat hij vele goederen bezat. MAR 10:23 Toen liet Jezus zijn blik gaan over zijn leerlingen en zei tot hen: 'Hoe moeilijk is het voor degenen die geld hebben het Koninkrijk Gods binnen te gaan!' MAR 10:24 De leerlingen stonden verbaasd over wat Hij zei. Daarom herhaalde Jezus: 'Kinderen, wat is het moeilijk het Koninkrijk Gods binnen te gaan. MAR 10:25 Voor een kameel is het gemakkelijker door het oog van een naald te gaan, dan voor een rijke in het Koninkrijk Gods te komen.' MAR 10:26 Toen waren ze nog meer verbijsterd en ze zeiden tot elkaar: 'Wie kan dan nog gered worden?' MAR 10:27 Jezus keek hen aan en zei: 'Dit ligt niet in de macht der mensen, maar wel in die van God: want voor God is alles mogelijk. MAR 10:28 Toen nam Petrus het woord en zei: 'Zie, wij hebben alles prijsgegeven om U te volgen.' MAR 10:29 Jezus antwoordde: Voorwaar, Ik zeg u: er is niemand die huis, broers, zusters, moeder, vader, kinderen of akkers om Mij en om de Blijde Boodschap heeft prijsgegeven, MAR 10:30 of hij ontvangt nu, in deze tijd, het honderdvoudig aan huizen, broers, zusters, moeders, kinderen en akkers, zij het ook gepaard met vervolgingen, en in de toekomstige wereld het eeuwige leven. MAR 10:31 Veel eersten zullen laatsten en veel laatsten zullen eersten zijn. MAR 10:32 Derde lijdensvoorspelling. Zij trokken voort, op weg naar Jeruzalem, en Jezus ging voor hen uit; zij waren ontdaan en ook die Hem volgden waren bevreesd. Hij nam opnieuw de twaalf terzijde en begon hun te spreken over wat Hem zou overkomen: MAR 10:33 'Wij gaan nu naar Jeruzalem waar de Mensenzoon aan de hogepriesters en schriftgeleerden zal worden overgeleverd. Zij zullen Hem ter dood veroordelen en aan de heidenen overleveren; MAR 10:34 dezen zullen Hem bespotten en bespuwen, zij zullen Hem geselen en doden, maar drie dagen later zal Hij verrijzen.' MAR 10:35 Ware grootheid. Toen kwamen de zonen van Zebedeüs, Jakobus en Johannes naar Hem toe en zeiden: 'Meester, wij willen dat U voor ons doet wat wij U vragen.' MAR 10:36 Hij antwoordde hun: 'Wat wilt ge dan dat Ik voor u doe?' MAR 10:37 Zij zeiden Hem: 'Geef dat in uw glorie een van ons aan uw rechter en de ander aan uw linkerhand moge zitten.' MAR 10:38 Maar Jezus zei hun: 'Ge weet niet wat ge vraagt. Zijt ge in staat de beker te drinken die Ik drink en met het doopsel gedoopt te worden waarmee Ik gedoopt wordt?' MAR 10:39 Zij antwoordden Hem: 'Ja, dat kunnen wij.' 'Inderdaad' gaf Jezus toe,' de beker die Ik drink, zult gij drinken, en met het doopsel waarmee Ik gedoopt word, zult gij gedoopt worden; MAR 10:40 maar het is niet aan Mij u te doen zitten aan mijn rechter of linkerhand, omdat alleen zij dit verkrijgen voor wie dit is bereid.' MAR 10:41 Toen de tien anderen dit hoorden, werden ze kwaad op Jakobus en Johannes. MAR 10:42 Jezus echter riep hen bij zich en sprak tot hen: 'Gij weet dat zij die als heersers der volkeren gelden, hen met ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen. MAR 10:43 Dit mag bij u niet het geval zijn; wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn, MAR 10:44 en wie onder u de eerste wil zijn moet de slaaf van allen zijn, MAR 10:45 want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.' MAR 10:46 Genezing van de blinde te Jericho. Nu kwamen ze in Jericho. Maar toen Jezus vergezeld van zijn leerlingen en een flinke menigte weer uit Jericho wegtrok, zat een blinde bedelaar, Bartimeüs, de zoon van Timeüs, langs de weg. MAR 10:47 Zodra hij hoorde dat het Jezus de Nazarener was, begon hij luidkeels te roepen: 'Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!' MAR 10:48 Velen snauwden hem toe te zwijgen, maar hij riep nog veel harder: 'Zoon van David, heb medelijden met mij!' MAR 10:49 Jezus bleef staan en zei: 'Roep hem eens hier.' Ze riepen de blinde toe: 'Heb goede moed! Sta op. Hij roept u.' MAR 10:50 Hij wierp zijn mantel af, sprong overeind en kwam naar Jezus toe. MAR 10:51 Jezus vroeg hem: 'Wat wilt ge dat Ik voor u doe?' De blinde antwoordde Hem: 'Rabboeni, maak dat ik zien kan!' MAR 10:52 En Jezus sprak tot hem: 'Ga, uw geloof heeft u genezen.' Terstond kon hij zien en hij sloot zich bij Hem aan op zijn tocht. MAR 11:1 Het Hosanna van de intocht. Toen zij Jeruzalem naderden in de richting van Betfage en Betanië op de Olijfberg, zond Hij twee van zijn leerlingen uit MAR 11:2 met de opdracht: 'Ga naar het dorp daar voor u, en bij uw binnenkomst is het eerste dat ge zult vinden een veulen dat vastgebonden staat en waarop nog nooit iemand gezeten heeft; maakt dat los en brengt het hier. MAR 11:3 En als iemand u de aanmerking maakt: Wat doet ge daar? antwoordt dan: De Heer heeft het nodig, maar Hij stuurt het spoedig weer hier terug.' MAR 11:4 Zij gingen weg en vonden een veulen vastgebonden aan een deur, buiten op straat. Ze maakten het los, MAR 11:5 maar sommige mensen die daar in de buurt stonden riepen hun toe: 'Wat doet ge daar, om zo maar dat veulen los te maken?' MAR 11:6 Ze antwoordden zoals Jezus hun had gezegd en de mensen lieten hen ongemoeid. MAR 11:7 Ze brachten het veulen bij Jezus, legden er hun mantels overheen en Hij ging er op zitten. MAR 11:8 Velen spreidden hun mantels op de weg uit, anderen groene takken die ze in het veld gekapt hadden. MAR 11:9 De mensen die Hem omstuwden, jubelden: 'Hosanna; Gezegend de Komende in de naam des Heren; MAR 11:10 Geprezen het komende koninkrijk van onze vader David! Hosanna in den hoge!' MAR 11:11 Zo trok Hij Jeruzalem binnen, de tempel in. Nadat Hij er alles in ogenschouw had genomen, keerde Hij, omdat het al laat was, met de twaalf naar Betanië terug. MAR 11:12 Het verdorren van de vijgeboom. Toen zij de volgende dag Betanië verlaten hadden, kreeg Hij honger. MAR 11:13 Hij zag in de verte een vijgeboom in blad staan en ging kijken of Hij er misschien iets aan kon vinden; maar bij de boom gekomen vond Hij niets dan blaren; het was trouwens niet de tijd van de vijgen. MAR 11:14 Daarom richtte Hij zich tot de boom en zei: 'Niemand zal in eeuwigheid nog vruchten van je eten!' Zijn leerlingen hoorden dat. MAR 11:15 Tempelreiniging. Toen ze in Jeruzalem kwamen, ging Hij naar de tempel en begon de kopers en verkopers het tempelplein af te jagen. Hij wierp de tafels van de geldwisselaars en de stoeltjes van de duiven verkopers omver MAR 11:16 en ook duldde Hij niet dat nog iemand enig voorwerp over het tempelplein droeg. MAR 11:17 En Hij gaf hun als verklaring: 'Staat er niet geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd voor alle volkeren? Maar gij hebt er een rovershol van gemaakt.' MAR 11:18 De hogepriesters en schriftgeleerden die dat gehoord hadden, zochten een mogelijkheid om Hem ter dood te brengen. Ze vreesden Hem namelijk, omdat heel het volk verrukt was over zijn leer. MAR 11:19 In de avond verlieten zij de stad weer. MAR 11:20 Geloof dat bergen verzet. 's Morgens kwamen zij langs de vijgeboom en zagen dat hij tot op de wortel verdord was. MAR 11:21 Petrus dacht weer terug aan het gebeurde en zei: 'Meester, kijk!' De vijgeboom die Gij vervloekt hebt, is verdord.' MAR 11:22 Jezus antwoordde hun: 'Hebt geloof in God. MAR 11:23 Voorwaar, Ik zeg u: Als iemand tot deze berg zegt: Hef u op en stort u in de zee, en als hij in zijn hart niet twijfelt, maar gelooft dat gebeuren zal wat hij zegt, voor hem zal het werkelijkheid worden. MAR 11:24 Daarom zeg Ik u: Alles wat ge in het gebed vraagt, gelooft dat ge het al verkregen hebt, en ge zult het verkrijgen. MAR 11:25 Hebt ge iets tegen iemand, terwijl ge staat te bidden, vergeeft het dan, opdat ook uw Vader in de hemel u uw tekortkomingen moge vergeven.' MAR 11:26 MAR 11:27 Vraag naar Jezus' bevoegdheid. Zij kwamen wederom in Jeruzalem. Terwijl Hij rondwandelde op het tempelplein, traden de hogepriesters en oudsten op Hem toe MAR 11:28 en vroegen Hem: 'Welke bevoegdheid hebt Gij om dit alles te doen? En wie heeft U die bevoegdheid dan daartoe gegeven?' MAR 11:29 Jezus antwoordde: 'Ik zal u een enkele vraag stellen en als gij Mij daar antwoord op geeft, zal Ik u op mijn beurt zeggen krachtens welke bevoegdheid Ik dit alles doe. MAR 11:30 Het doopsel van Johannes, kwam dat van de hemel of van de mensen? Geeft Mij daar een antwoord op.' MAR 11:31 Zij beraadslaagden onder elkaar: Als wij zeggen: van de hemel, dan zal Hij antwoordden: Waarom hebt gij hem dan geen geloof geschonken? MAR 11:32 Maar zeggen we: van de mensen?... Zij waren bang voor het volk, want iedereen hield Johannes voor een profeet. MAR 11:33 Zij gaven Jezus dus ten antwoord: 'Wij weten het niet.' Toen zei Jezus tot hen: 'Dan zeg Ik u evenmin krachtens welke bevoegdheid Ik zo handel.' MAR 12:1 De misdadige wijnbouwers. Nu begon Hij tot hen te spreken in gelijkenissen: 'Er was eens een man die een wijngaard aanlegde, er een omheining omheen zette, een wijnpers in uithakte en er een wachttoren in bouwde; daarna verpachtte hij hem aan wijnbouwers en vertrok naar den vreemde. MAR 12:2 Op de vastgestelde tijd zond hij een dienaar naar de wijnbouwers om zijn aandeel in de opbrengst van de wijngaard van hen in ontvangst te nemen. MAR 12:3 Maar zij grepen hem vast, mishandelden hem en stuurden hem met lege handen terug. MAR 12:4 Daarop zond hij een andere dienaar naar hen toe. Maar ze sloegen hem op zijn hoofd en beledigden hem. MAR 12:5 Weer stuurde hij er een, maar hem doodden zij; en zo nog verscheidene anderen die ze mishandelden of doodden. MAR 12:6 Hij had nu niemand meer dan zijn geliefde zoon. Die stuurde hij als laatste naar hen toe, in de veronderstelling: Mijn zoon zullen ze wel ontzien. MAR 12:7 Maar die wijnbouwers zeiden onder elkaar: Dit is de erfgenaam; vooruit laten we hem vermoorden, dan zal de erfenis voor ons zijn. MAR 12:8 Ze grepen hem vast, doodden hem en wierpen hem buiten de wijngaard. MAR 12:9 Wat zal nu de eigenaar van de wijngaard doen? Hij zal komen, de wijnbouwers ter dood brengen en de wijngaard aan anderen geven. MAR 12:10 Hebt ge deze schriftplaats niet gelezen: De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, is juist de hoeksteen geworden. MAR 12:11 Op last van de Heer is dat gebeurd en het is wonderbaar in onze ogen. MAR 12:12 Zij zonnen nu op een middel om zich van Hem meester te maken, maar ze waren bang voor het volk, want ze begrepen dat de gelijkenis die Hij vertelde, op hen sloeg. Zo lieten ze Hem met rust en verwijderden zich. MAR 12:13 Belasting aan de keizer. Zij stuurden enkele Farizeeën en Herodianen op Hem af om Hem vast te zetten. MAR 12:14 Deze kwamen bij Hem met de vraag: 'Meester, wij weten dat Gij oprecht zijt en U aan niemand stoort, want Gij ziet de mensen niet naar de ogen, maar leert de weg van God in oprechtheid. Is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet? Zullen we betalen of niet betalen.' MAR 12:15 Maar Jezus die hun huichelarij doorzag, antwoordde: 'Waarom probeert ge Mij te vangen? Geeft Mij een denarie, dan zal Ik eens zien.' MAR 12:16 Zij deden het. Jezus vroeg hun nu: 'Van wie is deze beeldenaar en het opschrift? Ze antwoordden: 'Van de keizer.' MAR 12:17 Daarop sprak Jezus tot hen: 'Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt.' En ze stonden verwonderd over Hem. MAR 12:18 Vraag over de verrijzenis. Er kwamen Sadduceeën bij Hem; dezen houden dat er geen verrijzenis bestaat. Ze legden Hem daarom de volgende kwestie voor: MAR 12:19 'Meester, wij zien bij Mozes geschreven staan: Als iemands broer sterft en een vrouw achterlaat maar geen kinderen, dan moet zijn broer die vrouw nemen om aan zijn broer een nageslacht te geven. MAR 12:20 Nu waren er eens zeven broers. De eerste nam een vrouw, maar liet bij zijn dood geen kinderen na. MAR 12:21 Toen nam de tweede haar, maar ook hij stierf zonder kinderen; zo ging het ook met de derde; MAR 12:22 kortom geen van de zeven liet kinderen na. Het laatst van allen stierf ook de vrouw. MAR 12:23 Bij de verrijzenis, wanneer zij opstaan, van wie van hen zal zij dan de vrouw zijn? Alle zeven toch hebben haar tot vrouw gehad.' MAR 12:24 Jezus antwoordde: 'Zijt gij niet op een dwaalspoor, juist omdat gij noch de Schrift, noch Gods macht kent? MAR 12:25 Wanneer de mensen uit de doden opstaan, huwen zij niet en worden niet ten huwelijk gegeven, maar zijn ze als engelen in de hemel. MAR 12:26 En wat de verrijzenis der doden betreft, hebt ge in het boek van Mozes niet gelezen, waar het gaat over de braamstruik, hoe God tot hem zei: Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob? MAR 12:27 Hij is geen God van doden maar van levenden. Ge verkeert in grote dwaling.' MAR 12:28 Het voornaamste gebod. Nu trad een schriftgeleerde op Hem toe, die naar hun woordenwisseling geluisterd had en, begrijpende dat Hij hun een raak antwoord had gegeven, legde hij Hem de vraag voor: 'Wat is het allereerste gebod?' MAR 12:29 Jezus antwoordde: 'Het eerste is: Hoor, Israël! De Heer onze God is de enige Heer. MAR 12:30 Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht. MAR 12:31 Het tweede is dit: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Er is geen ander gebod voornamer dan deze twee.' MAR 12:32 Toen zei de schriftgeleerde tot Hem: 'Juist, Meester, terecht hebt Ge gezegd: Hij is de enige en er bestaat geen andere buiten Hem; MAR 12:33 en Hem beminnen met heel zijn hart, heel zijn verstand en heel zijn kracht en de naaste beminnen als zichzelf gaat boven alle brand en slachtoffers.' MAR 12:34 Omdat Jezus zag dat hij wijs gesproken had, zei Hij hem: 'Gij staat niet ver af van het Koninkrijk Gods.' En niemand durfde Hem nog een vraag te stellen. MAR 12:35 Zoon en Heer van David. Bij zijn onderricht in de tempel wierp Jezus eens de vraag op: 'Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen, dat de Messias Zoon van David is? MAR 12:36 David heeft zelf gezegd door de heilige Geest bewogen: De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: Zit aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden onder uw voeten heb gelegd. MAR 12:37 Als David Hem Heer noemt, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?' Het merendeel van het volk luisterde graag naar Hem. MAR 12:38 Wee u, schriftgeleerden. Bij zijn onderricht gaf Hij ook deze waarschuwing: 'Wacht u voor de schriftgeleerden, die graag in lange gewaden rondlopen, zich laten groeten op de markt, MAR 12:39 belust zijn op de voornaamste zetels in de synagogen en op de ereplaatsen bij de maaltijden, MAR 12:40 maar de huizen der weduwen opslokken, terwijl ze voor de schijn lange gebeden verrichten; over deze mensen zal een strenger vonnis worden uitgesproken.' MAR 12:41 Het penningske der weduwe. Hij ging tegenover de offerkist zitten en keek toe, hoe het volk koperstukken daarin wierp, terwijl menige rijke er veel in liet vallen. MAR 12:42 Er kwam ook een arme weduwe, die er twee penningen, ter waarde van een cent in wierp. MAR 12:43 Hij riep nu zijn leerlingen bij zich en sprak: 'Voorwaar, Ik zeg u: die arme weduwe heeft het meest geofferd van allen die iets in de offerkist wierpen; MAR 12:44 allen wierpen ze er iets in van hun overvloed, maar zij offerde van haar armoe al wat ze bezat, alles waar ze van leven moest. MAR 13:1 Ondergang van tempel en stad: einde van de wereld. Toen Jezus de tempel verliet, zei een van zijn leerlingen tot Hem: 'Meester, kijk eens, wat een stenen en wat een gebouwen!' MAR 13:2 Maar Hij zei: 'Ziet ge die grote gebouwen? Geen steen zal op de andere gelaten worden, alles zal worden verwoest.' MAR 13:3 En nadat Hij zich had neergezet op de Olijfberg tegenover de tempel, stelden Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas, terwijl er verder niemand bij was, Hem de vraag: MAR 13:4 'Zeg ons, wanneer dat zal gebeuren en wat zal het teken zijn, dat dit alles gaat voltrokken worden?' MAR 13:5 'Weest op uw hoede', zo begon Jezus zijn uiteenzetting,' dat niemand u in dwaling brengt. MAR 13:6 Want velen zullen optreden in mijn Naam en zeggen: Ik ben het. En velen zullen zij misleiden. MAR 13:7 Wanneer gij zult horen van oorlogen en oorlogsgeruchten, laat u dan geen angst aanjagen. Dat alles moet gebeuren, maar het is nog niet het einde. MAR 13:8 Er zal strijd zijn van volk tegen volk en van koninkrijk tegen koninkrijk; er zullen aardbevingen zijn en hongersnood, nu hier, dan daar: dit is het begin van de weeën. MAR 13:9 Weest op uw hoede. Men zal u overleveren aan de rechtbanken, in de synagogen zult ge gegeseld worden en voor de stadhouders en koningen zult ge terechtstaan omwille van Mij, om zo ten overstaan van hen getuigenis af te leggen. MAR 13:10 Eerst moet onder alle volkeren de Blijde Boodschap verkondigd worden. MAR 13:11 Wanneer men u wegvoert om u over te leveren, maakt u dan niet tevoren bezorgd over wat gij zult zeggen, maar zegt wat u op dat ogenblik zal ingegeven worden. Want niet gij zijt het die spreekt, maar de heilige Geest. MAR 13:12 De ene broer zal de andere overleveren om hem te laten doden, de vader zijn kind, de kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood doen brengen. Gij zult een voorwerp van haat zijn voor allen omwille van mijn Naam. MAR 13:13 Wie echter ten einde toe volhardt, zal gered worden. MAR 13:14 Wanneer gij nu de gruwel der verwoesting zult zien staan waar het niet mag wie het leest, begrijpe het laten dan de mensen in Judea naar de bergen vluchten; MAR 13:15 laat hij die zich op het dak bevindt niet naar beneden komen en zijn huis binnengaan om er iets uit te halen; MAR 13:16 en die op het land is niet terugkeren om zijn mantel te halen. MAR 13:17 Wee de zwangeren en zogenden in die dagen. MAR 13:18 Bidt, dat het niet in de winter valt. MAR 13:19 Want die dagen zullen dagen van verschrikking zijn zoals er niet zijn geweest vanaf het begin toen God de wereld schiep, tot nu toe, noch ooit komen zullen. MAR 13:20 Als de Heer die dagen niet verkort had, zou geen mens gespaard blijven; maar Hij heeft die dagen verkort omwille van de uitverkorenen die Hij zich uitgekozen heeft. MAR 13:21 Wanneer dan iemand u zegt: Zie, de Christus is hier of: Hij is daar: gelooft het niet. MAR 13:22 Want er zullen schijnchristussen en schijnprofeten opstaan die tekenen en wonderen zullen doen, zodat zij, als dat mogelijk was, zelfs de uitverkorenen zouden misleiden. MAR 13:23 Weest dus op uw hoede; Ik heb u alles voorspeld. MAR 13:24 Maar na die verschrikkingen zal in die dagen de zon verduisteren en de maan geen licht meer geven; MAR 13:25 de sterren zullen van de hemel vallen en de hemelse heerscharen in verwarring geraken; MAR 13:26 dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op de wolken, met grote macht en heerlijkheid. MAR 13:27 Dan zal Hij zijn engelen uitzenden om zijn uitverkorenen te verzamelen uit de vier windstreken, van het einde der aarde tot het uiteinde des hemels. MAR 13:28 Vergelijking met de vijgeboom. Trekt uit de vergelijking met de vijgeboom deze les: Wanneer zijn twijgen al zacht worden en beginnen uit te botten, weet ge dat de zomer in aantocht is. MAR 13:29 Zo ook, wanneer gij deze dingen ziet, weet dan dat het nabij is, ja voor de deur staat. MAR 13:30 Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal niet voorbijgaan, totdat dit alles gebeurd is. MAR 13:31 Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mij woorden zullen niet voorbij gaan. MAR 13:32 Van die dag of dat uur weet niemand af, zelfs niet de engelen in de hemel, zelfs niet de Zoon, maar de Vader alleen. MAR 13:33 Weest waakzaam. Weest op uw hoede; weest waakzaam, want gij weet niet wanneer het ogenblik daar is. MAR 13:34 Het is er mee als met een man die in het buitenland vertoeft. Bij het verlaten van zijn huis heeft hij aan zijn dienaars het beheer overgedragen, aan ieder zijn taak toegewezen en de deurwachter bevolen waakzaam te zijn. MAR 13:35 Weest dus waakzaam, want ge weet niet, wanneer de heer des huizes komt, 's avonds laat of midden in de nacht, bij het hanegekraai of 's morgens vroeg. MAR 13:36 Als hij onverwachts komt, laat hij u dan niet slapend vinden. MAR 13:37 En wat Ik tot u zeg, zeg Ik tot allen: weest waakzaam!' MAR 14:1 Zalving te Betanië. Twee dagen later was het feest van Pasen en van het ongedesemde brood. De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten op welke manier zij Jezus door een list zouden kunnen grijpen en Hem ter dood brengen. MAR 14:2 Want ze dachten: 'Niet op het feest; er mochten anders eens onlusten ontstaan onder het volk.' MAR 14:3 Terwijl Jezus zich te Betanië bevond in het huis van Simon de Melaatse en daar aan tafel aanlag, kwam er een vrouw met een albasten vaasje echte, zeer dure nardusbalsem. Zij brak het vaasje stuk en goot de inhoud over zijn hoofd uit. MAR 14:4 Sommigen waren er verontwaardigd over en zeiden onder elkaar: 'Waar is die verkwisting van de balsem nu voor nodig geweest? MAR 14:5 De balsem had voor meer dan driehonderd denaries verkocht kunnen worden ten bate van de armen.' Toen zij tegen haar uitvoeren, MAR 14:6 sprak Jezus: 'Laat haar met rust. Waarom valt ge haar lastig? Het is toch een goed werk dat zij aan Mij heeft gedaan. MAR 14:7 Armen hebt gij altijd in uw midden en gij kunt hun weldoen wanneer ge maar wilt; maar Mij hebt gij niet altijd. MAR 14:8 Zij heeft gedaan wat in haar macht was; zij heeft mijn lichaam op voorhand gezalfd met het oog op mijn begrafenis. MAR 14:9 Voorwaar, Ik zeg u: waar ook ter wereld de Blijde Boodschap verkondigd zal worden, zal tevens ter herinnering aan haar verhaald worden wat zij gedaan heeft.' MAR 14:10 Hierop ging Judas Iskariot, een van de twaalf, naar de hogepriesters om Hem aan hen uit te leveren. MAR 14:11 Dezen waren blij toen ze dat hoorden en beloofden hem geld. Hij zocht naar een gunstige gelegenheid om Hem uit te leveren. MAR 14:12 Paasmaal en verrader. Op de eerste dag van het ongedesemde brood, de dag waarop men het paaslam slacht, zeiden zijn leerlingen tot Hem: 'Waar wilt Gij dat wij voorbereidselen gaan treffen, zodat Gij het paasmaal kunt houden?' MAR 14:13 Hij zond daarop twee van zijn leerlingen uit met de opdracht: 'Gaat naar de stad en daar zult ge een man tegenkomen die een kruik water draagt; volg hem MAR 14:14 en zegt aan de eigenaar van het huis waar hij binnengaat: De Meester laat vragen: Waar is de zaal voor Mij, waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden? MAR 14:15 Hij zal u dan een grote bovenzaal laten zien, met rustbedden en van al het nodige voorzien: maakt daar alles voor ons klaar.' MAR 14:16 De leerlingen vertrokken, gingen de stad binnen, vonden alles zoals Hij het hun gezegd had en maakten het paasmaal gereed. MAR 14:17 Toen de avond gevallen was, kwam Hij met de twaalf. MAR 14:18 Terwijl zij aan tafel aanlagen en de maaltijd aan de gang was, zei Jezus: 'Voorwaar, Ik, zeg u: een van u zal Mij overleveren, een die met Mij eet.' MAR 14:19 Droefheid maakte zich van hen meester en zij begonnen de een na de ander Hem te vragen: 'Ik ben het toch niet?' MAR 14:20 Hij antwoordde hun: 'Een van de twaalf, die met Mij in de schotel doopt. MAR 14:21 Wel gaat de Mensenzoon heen, zoals van Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd! Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was, die mens!' MAR 14:22 Instelling van de Eucharistie. Onder de maaltijd nam Jezus brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het hun met de woorden: 'Neemt, dit is mijn Lichaam.' MAR 14:23 Daarna nam Hij de beker en na het spreken van het dankgebed reikte Hij hun die toe en zij dronken alles daaruit. MAR 14:24 En Hij sprak tot hen: 'Dit is mijn Bloed van het Verbond, dat vergoten wordt voor velen. MAR 14:25 Voorwaar, Ik zeg u: Ik zal niet meer drinken van wat de wijnstok voortbrengt tot op de dag waarop Ik het, nieuw, zal drinken in het Koninkrijk van God.' MAR 14:26 Nadat zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij naar de Olijfberg. MAR 14:27 Voorspelling van Petrus' verloochening. Toen sprak Jezus tot hen: 'Allen zult gij ten val komen, want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden. MAR 14:28 Maar na mijn verrijzenis zal ik u voorgaan naar Galilea.' MAR 14:29 Toen zei Petrus: 'Al komen allen ten val, ik zeker niet.' MAR 14:30 Jezus antwoordde hem: Voorwaar, Ik zeg u: nog heden, nog deze nacht, voordat de haan tweemaal kraait, zult juist gij Mij driemaal verloochenen.' MAR 14:31 Maar met nog meer nadruk verzekerde hij: 'Al moest ik met U sterven, in geen geval zal ik U verloochenen.' In diezelfde geest spraken allen. MAR 14:32 In de hof van Olijven. Zij kwamen nu aan een landgoed dat Getsemane heette. Daar zeide Hij tot zijn leerlingen: 'Blijft hier zitten, terwijl Ik bid.' MAR 14:33 Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en begon zich ontsteld en beangst te gevoelen. MAR 14:34 Hij sprak tot hen: 'Ik ben bedroefd tot stervens toe. Blijft hier en waakt.' MAR 14:35 Nadat Hij een weinig verder was gegaan, wierp Hij zich ter aarde en bad dat dit uur, als het mogelijk was, aan Hem mocht voorbijgaan. MAR 14:36 'Abba, Vader', zo bad Hij,' voor U is alles mogelijk; laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet wat Ik maar wat Gij wilt.' MAR 14:37 Toen ging Hij terug en vond hen in slaap; en Hij sprak tot Petrus: 'Simon, slaapt ge? Ging het dan uw krachten te boven een uur te waken? MAR 14:38 Waakt en bidt, dat gij niet op de bekoring ingaat. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.' MAR 14:39 Opnieuw verwijderde Hij zich en bad met dezelfde woorden. MAR 14:40 En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap, want hun oogleden waren zwaar; ze wisten niet, wat ze hem moesten antwoorden. MAR 14:41 Toen Hij voor de derde maal terugkwam, sprak Hij tot hen: 'Slaapt dan maar door en rust uit. Het is zover, het uur is gekomen; zie de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van de zondaars. MAR 14:42 Staat op, laten we gaan; mijn verrader is nabij.' MAR 14:43 De verrader. Hij was nog niet uitgesproken, of daar kwam Judas, een van de twaalf, vergezeld van een bende met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten. MAR 14:44 Zijn verrader had een teken met hen afgesproken door te zeggen: 'Die ik zal kussen, Hij is het; grijpt Hem vast en voert Hem onder strenge bewaking weg.' MAR 14:45 Hij ging recht op Jezus af en zei; 'Rabbi!' En hij kuste Hem. MAR 14:46 Zij grepen Hem en maakten zich van Hem meester. MAR 14:47 Maar een van die er bij stonden trok zijn zwaard en sloeg met een houw de knecht van de hogepriester het oor af. MAR 14:48 Daarna richtte Jezus zich tot hen met de woorden: 'Als tegen een rover zijt ge uitgetrokken met zwaarden en knuppels om Mij gevangen te nemen. MAR 14:49 Dagelijks gaf Ik onderricht bij u in de tempel en toch hebt ge Mij niet gegrepen. Maar zo moesten de Schriften in vervulling gaan.' MAR 14:50 Toen lieten allen Hem in de steek en namen de vlucht. MAR 14:51 Toch ging een jongeman, die een linnen doek om het blote lichaam had geslagen, Hem achterna. Ze grepen hem, MAR 14:52 maar hij liet zijn kleed in de steek en vluchtte naakt weg. MAR 14:53 Voor het Sanhedrin. Men bracht Jezus haar de hogepriester, waar alle hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden bijeenkwamen. MAR 14:54 Petrus volgde Hem op een afstand tot op de binnenplaats van het paleis van de hogepriester en nam plaats onder het dienstvolk om zich bij het vuur te warmen. MAR 14:55 De hogepriesters en het hele Sanhedrin zochten naar een getuigenis tegen Jezus om Hem ter dood te kunnen brengen, maar zij vonden er geen. MAR 14:56 Wel brachten velen valse getuigenissen tegen Hem in, maar hun getuigenissen stemden niet overeen. MAR 14:57 Toen traden enige valse getuigen tegen Hem op die verklaarden: MAR 14:58 'Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen die niet door mensenhanden is gemaakt.' MAR 14:59 Maar ook daaromtrent was hun getuigenis niet eensluidend. MAR 14:60 Toen stond de hogepriester in hun midden op en vroeg aan Jezus: 'Geeft Ge in het geheel geen antwoord? Wat getuigen deze mensen tegen U?' MAR 14:61 Maar Jezus bleef zwijgen en gaf volstrekt geen antwoord. Daarop stelde de hogepriester Hem nog een vraag; 'Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?' MAR 14:62 Jezus antwoorde: Ja, dat ben Ik; en gij zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen met de wolken des hemels.' MAR 14:63 Toen scheurde de hogepriester zijn gewaad en riep uit: 'Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? MAR 14:64 Ge hebt de godslastering gehoord. Wat dunkt u?' Allen spraken het vonnis uit, dat Hij de dood verdiende. MAR 14:65 Daarop begonnen sommigen Hem te bespuwen en, na zijn gelaat bedekt te hebben, Hem met de vuist te slaan, terwijl ze zeiden: 'Wees nu eens profeet!' Ook de knechten dienden Hem slagen toe. MAR 14:66 Door Petrus verloochend. Terwijl Petrus zich beneden op de binnenplaats bevond, kwam daar een van de dienstmeisjes van de hogepriester; MAR 14:67 en toen zij Petrus zag die zich zat te warmen, keek ze hem eens aan en zei: 'Jij was ook bij Jezus de Nazarener.' MAR 14:68 Maar hij ontkende het: 'Ik weet niet, ik begrijp niet wat je bedoelt.' En terwijl hij wegging naar het poortgebouw, kraaide een haan. MAR 14:69 Maar toen het meisje hem daar opmerkte, verzekerde ze nog eens aan de omstanders: 'Die is er ook een van.' MAR 14:70 Hij ontkende het opnieuw. Even daarna zeiden de omstanders tot Petrus: 'Waarachtig, jij bent er ook een van; je bent toch ook een Galileeër.' MAR 14:71 Toen begon hij te vloeken en te zweren: 'Ik ken die man niet over wie jullie het hebben.' MAR 14:72 Onmiddellijk daarop kraaide een haan voor de tweede keer. Nu herinnerde Petrus zich, hoe Jezus tot hem gezegd had: 'Voordat een haan tweemaal kraait, zult ge Mij driemaal verloochenen.' En hij barstte in tranen uit. MAR 15:1 Jezus voor Pilatus. In de vroege morgen kwamen de hogepriesters met de oudsten en schriftgeleerden, heel het Sanhedrin tot een besluit. Zij boeiden Jezus, voerden Hem weg en leverden Hem uit aan Pilatus. MAR 15:2 Pilatus stelde Hem de vraag: 'Zijt Gij de koning der Joden?' Hij antwoordde hem: 'Gij zegt het.' MAR 15:3 Toen de hogepriesters vele beschuldigingen tegen Hem inbrachten, MAR 15:4 ondervroeg Pilatus Hem weer en zei: 'Geeft Gij in het geheel geen antwoord? Ziet eens wat voor beschuldigingen ze tegen U inbrengen?' MAR 15:5 Maar Jezus gaf volstrekt geen antwoord meer, zodat Pilatus verbaasd was. MAR 15:6 Jezus of Barabbas. Nu was hij gewoon bij elk feest een gevangene vrij te laten, degene om wie zij vroegen. MAR 15:7 Er zat juist een zekere Barabbas gevangen onder de oproermakers; zij hadden bij het oproer een moord begaan. MAR 15:8 Het volk kwam opzetten en begon te vragen, dat hij voor hen zou doen zoals altijd. MAR 15:9 Pilatus antwoordde daarop met de vraag: 'Wilt ge dat ik de koning der Joden zal vrijlaten?' MAR 15:10 Hij zag wel in dat de hogepriesters Hem uit nijd overgeleverd hadden. MAR 15:11 Maar de hogepriesters hitsten het volk op te vragen, dat hij toch maar liever Barabbas moest vrijlaten. MAR 15:12 Nu nam Pilatus weer het woord en vroeg hun: 'Wat moet ik dan doen met Hem, die gij de koning der Joden noemt?' MAR 15:13 Nu schreeuwden ze opnieuw: 'Kruisig Hem!' MAR 15:14 Daarop vroeg Pilatus hun: 'Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?' Maar zij schreeuwden nog harder: 'Kruisig Hem!' MAR 15:15 Omdat Pilatus het volk zijn zin wilde geven, liet hij Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en gaf Hem over om gekruisigd te worden. MAR 15:16 Bespotting en kruisiging. Nu brachten de soldaten Hem het paleis binnen, dat wil zeggen het pretorium, en riepen de hele afdeling bij elkaar. MAR 15:17 Zij hingen Hem een purperen kleed om, vlochten een doornenkroon en zetten Hem die op. MAR 15:18 Vervolgens gingen zij Hem het saluut brengen: 'Gegroet, koning der Joden.' MAR 15:19 Zij sloegen Hem met een rietstok op het hoofd, bespuwd en Hem en brachten Hem hulde door op de knieën te vallen. MAR 15:20 Nadat zij hun spel met Hem gedreven hadden, ontdeden zij Hem van het purperen kleed, trokken Hem zijn eigen kleren weer aan en voerden Hem weg om Hem te kruisigen. MAR 15:21 Zij vorderden een voorbijganger die van het veld kwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus, tot het dragen van het kruis. MAR 15:22 Zo brachten ze Hem naar de plaats Golgota, wat vertaald wordt met Schedelplaats. MAR 15:23 Daar boden ze Hem met mirre gekruide wijn aan, maar Hij weigerde. MAR 15:24 Nadat ze Hem gekruisigd hadden, verdeelden ze zijn kleren en dobbelden om wat ieder krijgen zou. MAR 15:25 Het was het derde uur, toen ze Hem kruisigden. MAR 15:26 Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde: 'De koning der Joden.' MAR 15:27 Samen met Hem kruisigden ze ook twee rovers, de een rechts, de ander links van Hem. MAR 15:28 Zo ging in vervulling dit Schriftwoord: Hij is onder de booswichten gerekend. MAR 15:29 Voorbijgangers hoonden Hem, terwijl ze het hoofd schudden en zeiden: 'Ha, Gij daar, die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, MAR 15:30 kom van dat kruis af en red U zelf.' MAR 15:31 In diezelfde geest zeiden de hogepriesters en schriftgeleerden spottend onder elkaar: 'Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf kan Hij niet redden. MAR 15:32 Die Messias, die koning van Israël, laat Hem nu van het kruis afkomen; dan zullen we zien en geloven!' Zelfs die samen met Hem gekruisigd waren, voegden Hem beschimpingen toe. MAR 15:33 Dood en begrafenis. Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land, tot aan het negende uur toe. MAR 15:34 En op het negende uur riep Jezus met luider stem: 'Eloi, Eloi, lama sabaktani?' Dit is vertaald: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?' MAR 15:35 Enkele omstanders, die het hoorden, zeiden: 'Hoor, Hij roept om Elia.' MAR 15:36 Een van hen ging een spons halen, drenkte die in zure wijn, stak hem op een rietstok en bood Hem te drinken, terwijl hij zei: 'Laat me begaan! We willen eens zien of Elia Hem er af komt halen.' MAR 15:37 Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest. MAR 15:38 Toen scheurde het voorhangsel van de tempel van boven tot onder in tweeën. MAR 15:39 De honderdman die tegenover Hem post had gevat en zag dat Hij onder zulke omstandigheden de geest had gegeven, riep uit: 'Waarlijk, deze mens was een Zoon van God.' MAR 15:40 Er stonden ook vrouwen op een afstand toe te kijken; onder hen bevonden zich Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus de jongere en van Joses en Salome. MAR 15:41 Zij waren Hem in de tijd dat Hij in Galilea verbleef, gevolgd om voor Hem te zorgen; verder nog vele andere vrouwen die met Hem naar Jeruzalem gekomen waren. MAR 15:42 Het was al avond geworden en het was Voorbereiding, dat wil zeggen de dag voor de sabbat. MAR 15:43 Jozef van Arimatea, een vooraanstaand lid van de Hoge Raad, die zelf ook in de verwachting van het Rijk Gods leefde, waagde het daarom naar Pilatus te gaan en te vragen om het lichaam van Jezus. MAR 15:44 Pilatus stond er verwonderd over dat Hij reeds dood zou zijn; hij liet dan ook de honderdman roepen en vroeg hem, of Hij al gestorven was. MAR 15:45 Nadat hij door de honderdman op de hoogte was gebracht, stond hij welwillend het lijk aan Jozef af. MAR 15:46 Deze kocht een lijnwaad, nam Hem af van het kruis en wikkelde Hem in het lijnwaad. Daarop legde hij Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen en rolde een steen voor de ingang ervan. MAR 15:47 Maria Magdalena en Maria de moeder van Joses zagen toe, waar Hij werd neergelegd. MAR 16:1 Hij is verrezen. Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus, en Salome welriekende kruiden om Hem te gaan balsemen. MAR 16:2 Op de eerste dag van de week, heel vroeg, toen de zon juist op was, gingen zij naar het graf. MAR 16:3 Ze zeiden tot elkaar: 'Wie zal de steen voor ons van de ingang van het graf wegrollen?' MAR 16:4 Opkijkend bemerkten ze echter dat de steen weggerold was; en deze was zeer groot. MAR 16:5 Binnengekomen in het graf zagen ze tot hun ontsteltenis aan de rechterkant een jongeman zitten in een wit gewaad. MAR 16:6 Maar hij sprak tot haar: 'Schrikt niet, Gij zoekt Jezus de Nazarener, die gekruisigd is. Hij is verrezen. Hij is niet hier. Kijk, dit is de plaats waar men Hem neergelegd had. MAR 16:7 Gaat aan zijn leerlingen en aan Petrus zeggen: Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult ge Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft.' MAR 16:8 De vrouwen gingen naar buiten en vluchtten weg van het graf; want schrik en ontsteltenis hadden hen overweldigd. En uit vrees zeiden ze er niemand iets van. MAR 16:9 Verschijning en hemelvaart. Nadat Hij in de vroege morgen van de eerste dag van de week verrezen was, verscheen Hij het eerst aan Maria Magdalena, uit wie hij zeven duivels had uitgedreven. MAR 16:10 Deze ging het vertellen aan hen die zijn metgezellen waren geweest en nu rouwden en weenden. MAR 16:11 Maar toen die hoorden, dat Hij leefde en door haar gezien was, geloofden ze het niet. MAR 16:12 Daarna verscheen Hij in een andere gedaante aan twee van hen, toen deze te voet op weg waren, naar buiten. MAR 16:13 Nadat dezen teruggekeerd waren, vertelden ze het aan de overigen, maar zelfs zij werden niet geloofd. MAR 16:14 Later verscheen Hij aan de elf, terwijl zij aan tafel aanlagen. Hij maakte hun een verwijt van hun hardnekkig ongeloof, omdat zij geen geloof hadden geschonken aan degenen die Hem gezien hadden, nadat Hij verrezen was. MAR 16:15 Daarop sprak Hij tot hen: 'Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping. MAR 16:16 Wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden, maar wie niet gelooft zal veroordeeld worden. MAR 16:17 En deze tekenen zullen de gelovigen vergezellen: in mijn Naam zullen ze duivels uitdrijven, nieuwe talen spreken, MAR 16:18 slangen opnemen; zelfs als ze dodelijk vergif drinken zal het hun geen kwaad doen; en als ze aan zieken de handen opleggen, zullen deze genezen zijn.' MAR 16:19 Nadat de Heer Jezus aldus tot hen gesproken had, werd Hij ten hemel opgenomen en zit aan de rechterhand van God. MAR 16:20 Maar zij trokken uit om overal te prediken, en de Heer werkte met hen mee en schonk kracht aan hun woord door de tekenen die het vergezelden. LUKAS LUK 1:1 Voorwoord. Reeds velen hebben getracht de gebeurtenissen te verhalen die onder ons hebben plaats gevonden LUK 1:2 aan de hand van de gegevens, welke ons werden overgeleverd door mensen die van het begin af aan ooggetuigen waren en in dienst van het woord zijn getreden. LUK 1:3 Vandaar, edele Teofilus, dat ook ik besloot - na van meet af aan alles nauwkeurig te hebben onderzocht - voor u een ordelijk verslag te schrijven, LUK 1:4 met de bedoeling u te doen zien, hoe betrouwbaar de leer is waarin gij onderwezen zijt. LUK 1:5 Aankondiging van Johannes' geboorte. In de dagen van Herodes, koning van Judea, leefde er een priester Zacharias geheten, die behoorde tot de klasse van Abia. Hij had een vrouw uit de dochters van Aäron en haar naam was Elisabet. LUK 1:6 Beiden waren rechtvaardig in Gods ogen en leefden onberispelijk volgens alle geboden en voorschriften van de Heer. LUK 1:7 Zij hadden geen kinderen, want Elisabet was onvruchtbaar en beiden waren al op gevorderde leeftijd. LUK 1:8 Toen Zacharias voor God mocht optreden omdat zijn klasse de beurt had, geschiedde het, dat hij, LUK 1:9 zoals onder de priesters gebruikelijk was, door het lot werd aangewezen om de tempel des Heren binnen te gaan en het wierookoffer op te dragen. LUK 1:10 Het gehele volk stond op het uur van het wierookoffer buiten te bidden. LUK 1:11 Er verscheen hem een engel des Heren, staande aan de rechterkant van het wierookaltaar. LUK 1:12 Toen Zacharias hem zag, ontstelde hij en werd door vrees bevangen. LUK 1:13 Maar de engel sprak tot hem: 'Vrees niet Zacharias, want uw bede is verhoord; uw vrouw Elisabet zal u een zoon schenken, die gij Johannes moet noemen. LUK 1:14 Ge zult verheugd zijn en het uitjubelen en vele mensen zullen zich over zijn geboorte verblijden. LUK 1:15 Hij zal groot zijn in de ogen van de Heer; wijn of sterke drank zal hij niet drinken, en nog in de schoot van zijn moeder zal hij met de heilige geest vervuld worden. LUK 1:16 Vele zonen van Israël zal hij terugbrengen tot de Heer, hun God. LUK 1:17 Hij zal voor Hem uitgaan met de geest en de kracht van Elia om de gezindheid van de vaderen te doen terugkeren in de kinderen en de ongehoorzamen te brengen tot de gesteltenis van de rechtvaardigen en zo voor de Heer een welbereid volk te vormen.' LUK 1:18 Maar Zacharias zei tot de engel: 'Hoe kan ik dat weten? Ik ben oud en ook mijn vrouw is reeds op jaren.' LUK 1:19 De engel antwoordde hem: 'Ik ben Gabriël die voor Gods aangezicht staat, en ik ben gezonden om tot u te spreken en u deze blijde boodschap aan te kondigen. LUK 1:20 Zie, gij zult zwijgen en niet in staat zijn te spreken tot de dag waarop dat zal gebeuren, omdat ge mijn woorden niet geloofd hebt; deze zullen echter op hun tijd in vervulling gaan.' LUK 1:21 Intussen stond het volk op Zacharias te wachten en ze verwonderden zich dat hij zo lang in het heiligdom bleef. LUK 1:22 Toen hij naar buiten kwam, was hij niet bij machte tot hen te spreken en zij begrepen, dat hij in het heiligdom een verschijning gezien had. Maar omdat hij stom bleef, kon hij slechts tegen hen gebaren. LUK 1:23 Toen de tijd van zijn tempeldienst om was, ging hij naar huis terug LUK 1:24 en enige tijd later werd zijn vrouw, Elisabet, zwanger. Zij hield zich vijf maanden lang verborgen en daarna sprak zij: LUK 1:25 'Dit heeft de Heer voor mij gedaan toen het Hem behaagd had mijn schande bij de mensen weg te nemen.' LUK 1:26 De boodschap van Gabriël aan Maria. In de zesde maand werd de engel Gabriël van Godswege gezonden naar een stad in Galilea, Nazaret, LUK 1:27 tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette, uit het huis van David; de naam van de maagd was Maria. LUK 1:28 Hij trad bij haar binnen en sprak: 'Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u!' LUK 1:29 Zij schrok van dat woord en vroeg zich af, wat die groet toch wel kon betekenen. LUK 1:30 Maar de engel zei tot haar: 'Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God. LUK 1:31 Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, die gij de naam Jezus moet geven. LUK 1:32 Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken LUK 1:33 en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.' LUK 1:34 Maria echter sprak tot de engel: 'Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man?' LUK 1:35 Hierop gaf de engel haar ten antwoord: 'De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God. LUK 1:36 Weet, dat zelfs Elisabet, uw bloedverwante, in haar ouderdom een zoon heeft ontvangen en, ofschoon zij onvruchtbaar heette, is zij nu in haar zesde maand; LUK 1:37 want voor God is niets onmogelijk.' LUK 1:38 Nu zei Maria: 'Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.' En de engel ging van haar heen. LUK 1:39 Bezoek van Maria aan Elisabet. In die dagen reisde Maria met spoed naar het bergland, naar een stad in Judea. LUK 1:40 Zij ging het huis van Zacharias binnen en groette Elisabet. LUK 1:41 Zodra Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; Elisabet werd vervuld met de heilige Geest LUK 1:42 en riep met luider stemme uit: 'Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot. LUK 1:43 Waaraan heb ik het te danken, dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt? LUK 1:44 Zie, zodra de klank van uw groet mijn oor bereikte, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. LUK 1:45 Zalig zij die geloofd heeft, dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is.' LUK 1:46 Magnificat. En Maria sprak: 'Mijn hart prijst hoog de Heer, LUK 1:47 van vreugde juicht mijn geest om God mijn redder: LUK 1:48 daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd. En zie, van heden af prijst elk geslacht mij zalig LUK 1:49 omdat aan mij zijn wonderwerken deed Die machtig is, en heilig is zijn Naam. LUK 1:50 Barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht voor hen die Hem vrezen LUK 1:51 Hij toont de kracht van zijn arm; slaat trotsen van hart uiteen. LUK 1:52 Heersers ontneemt Hij hun troon, maar verheft de geringen. LUK 1:53 Die hongeren overlaadt Hij met gaven, en rijken zendt Hij heen met lege handen. LUK 1:54 Zijn dienaar Israël heeft Hij zich aangetrokken, LUK 1:55 gedachtig zijn barmhartigheid voor eeuwig jegens Abraham en zijn geslacht. gelijk Hij had gezegd tot onze vaderen.' LUK 1:56 Nadat Maria ongeveer drie maanden bij haar gebleven was, keerde zij naar huis terug. LUK 1:57 Geboorte en besnijdenis van Johannes. Voor Elisabet brak het ogenblik aan, dat zij moeder werd; zij schonk het leven aan een zoon. LUK 1:58 Toen de buren en de familie hoorden, hoe groot de barmhartigheid was die de Heer aan haar had betoond, deelden zij in haar vreugde. LUK 1:59 Op de achtste dag kwam men het kind besnijden en ze wilden het naar zijn vader Zacharias noemen. LUK 1:60 Maar zijn moeder zei daarop: 'Neen, het moet Johannes heten.' LUK 1:61 Zij antwoordden haar: 'Maar er is in uw familie niemand die zo heet.' LUK 1:62 Met gebaren vroegen zij toen aan zijn vader, hoe hij het wilde noemen. LUK 1:63 Deze vroeg een schrijftafeltje en schreef er op: 'Johannes zal hij heten.' Ze stonden allen verbaasd. LUK 1:64 Onmiddellijk daarop werd zijn mond geopend, zijn tong losgemaakt en verkondigde hij Gods lof. LUK 1:65 Ontzag vervulde alle omwonenden en in heel het bergland van Judea werd al het gebeurde rondverteld. LUK 1:66 Ieder die het hoorde, dacht er over na en vroeg zich af: 'Wat zal er worden van dit kind?' Want de hand des Heren was met hem. LUK 1:67 Benedictus. Zacharias, zijn vader, werd vervuld met de heilige Geest en sprak in profetische woorden: LUK 1:68 'Geprezen zij de Heer, de God van Israël: want Hij heeft zijn volk bezocht en het verlost. LUK 1:69 Een reddende kracht heeft Hij ons verwekt, in het huis van David zijn dienaar, LUK 1:70 zoals Hij van oudsher had voorzegd bij monde van zijn heilige profeten, LUK 1:71 ons te redden uit de macht van onze vijanden en uit de hand van allen die ons haten. LUK 1:72 Zo toont Hij zijn barmhartigheid aan onze vaderen en is zijn heilig verbond indachtig LUK 1:73 de eed die Hij gezworen heeft aan onze vader Abraham, LUK 1:74 ons te geven om uit de hand van vijanden bevrijd Hem zonder vrees te dienen in vroomheid en gerechtigheid LUK 1:75 al onze dagen voor zijn aanschijn. LUK 1:76 En gij, kind, zult profeet genoemd worden van de Allerhoogste, want gij zult voor de Heer uitgaan om zijn wegen te bereiden, LUK 1:77 om zijn volk de boodschap van verlossing te brengen, door de vergeving van hun zonden, LUK 1:78 dank zij de innige barmhartigheid van onze God, waarmee Hij uit de hemel op ons zal neerzien, de Opgaande Zon, die verschijnt LUK 1:79 aan hen die in het duister en de schaduw van de dood gezeten zijn, om onze voeten te richten op de weg van vrede.' LUK 1:80 Het kind groeide op en de Geest beheerste hem meer en meer. Hij verbleef in de woestijn tot de dag, waarop hij zich aan Israël in het openbaar vertoonde. LUK 2:1 Christus' geboorte. In die dagen kwam er een besluit van keizer Augustus, dat er een volkstelling moest gehouden worden in heel zijn rijk. LUK 2:2 Deze volkstelling had voor het eerst plaats toen Quirinius landvoogd van Syrië was. LUK 2:3 Allen gingen op reis, ieder naar zijn eigen stad om zich te laten inschrijven. LUK 2:4 Ook Jozef trok op en omdat hij behoorde tot het huis en geslacht van David, ging hij van Galilea uit de stad Nazaret naar Judea naar de stad van David, Betlehem geheten, LUK 2:5 om zich te laten inschrijven, samen met Maria, zijn verloofde, die zwanger was. LUK 2:6 Terwijl zij daar verbleven, brak het uur aan waarop zij moeder zou worden; LUK 2:7 zij bracht haar zoon ter wereld, haar eerstgeborene, wikkelde hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg. LUK 2:8 De herders. In de omgeving bevonden zich herders die in het open veld gedurende de nacht hun kudde bewaakten. LUK 2:9 Plotseling stond een engel des Heren voor hen en zij werden omstraald door de glorie des Heren, zodat zij door grote vrees werden bevangen. LUK 2:10 Maar de engel sprak tot hen: 'Vreest niet, want zie, ik verkondig u een vreugdevolle boodschap die bestemd is voor het hele volk. LUK 2:11 Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer, in de stad van David. LUK 2:12 En dit zal voor u een teken zijn: gij zult het pasgeboren kind vinden, in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.' LUK 2:13 Opeens voegde zich bij de engel een hemelse heerschare; zij verheerlijkten God met de woorden: LUK 2:14 'Eer aan God in den hoge en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft.' LUK 2:15 Zodra de engelen weer van hen waren heengegaan naar de hemel, zeiden de herders tot elkaar: 'Komt, laten we naar Betlehem gaan om te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons heeft bekend gemaakt.' LUK 2:16 Ze haastten zich er heen en vonden Maria en Jozef en het pasgeboren kind, dat in de kribbe lag. LUK 2:17 Toen ze dit gezien hadden, maakten ze bekend wat hun over dit kind gezegd was. LUK 2:18 Allen die het hoorden, stonden verwonderd over hetgeen de herders hun verhaalden. LUK 2:19 Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf. LUK 2:20 De herders keerden terug, terwijl zij God verheerlijkten en loofden om alles wat zij gehoord en gezien hadden; het was juist zoals hun gezegd was. LUK 2:21 Nadat de acht dagen voorbij waren en men Hem moest besnijden, ontving Hij de naam Jezus, zoals Hij door de engel was genoemd voordat Hij in de moederschoot werd ontvangen. LUK 2:22 De opdracht in de tempel. Toen de tijd aanbrak, waarop zij volgens de Wet van Mozes gereinigd moesten worden, brachten zij het kind naar Jeruzalem om het aan de Heer op te dragen, LUK 2:23 volgens het voorschrift van de Wet des Heren: Elke eerstgeborene van het mannelijk geslacht moet aan de Heer worden toegeheiligd, LUK 2:24 en om volgens de bepaling van de Wet des Heren een offer te brengen, namelijk een koppel tortels of twee jonge duiven. LUK 2:25 Nu leefde er in Jeruzalem een zekere Simeon, een wetgetrouw en vroom man, die Israëls vertroosting verwachtte en de heilige Geest rustte op hem. LUK 2:26 Hij had een godsspraak ontvangen van de heilige Geest dat de dood hem niet zou treffen, voordat hij de Gezalfde des Heren zou hebben aanschouwd. LUK 2:27 Door de Geest gedreven was hij naar de tempel gekomen. Toen de ouders het kind Jezus daar binnenbrachten, om aan Hem het voorschrift der Wet te vervullen, LUK 2:28 nam ook hij het kind in zijn armen en verkondigde Gods lof met de woorden: LUK 2:29 'Uw dienaar laat gij, Heer, nu naar uw woord in vrede gaan: LUK 2:30 mijn ogen hebben thans uw Heil aanschouwd, LUK 2:31 dat Gij voor alle volken hebt bereid; LUK 2:32 een licht dat voor de heidenen straalt, een glorie voor uw volk Israël.' LUK 2:33 Zijn vader en moeder stonden verbaasd over wat van Hem gezegd werd. LUK 2:34 Daarop sprak Simeon over hen een zegen uit en hij zei tot Maria, zijn moeder: 'Zie, dit kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt, LUK 2:35 opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden; en uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord,' LUK 2:36 Er was ook een profetes, Hanna, een dochter van Fanuël uit de stam van Aser. Zij was hoogbejaard en na haar jeugd had zij zeven jaren met haar man geleefd. LUK 2:37 Nu was zij een weduwe van vierentachtig jaar. Ze verbleef voortdurend in de tempel en diende God dag en nacht door vasten en gebed. LUK 2:38 Op dit ogenblik kwam zij naderbij, dankte God en sprak over het kind tot allen die de bevrijding van Jeruzalem verwachtten. LUK 2:39 Toen zij alle voorschriften van de Wet des Heren vervuld hadden, keerden zij naar Galilea, naar hun stad Nazaret terug. LUK 2:40 Het kind groeide op en nam toe in krachten; het werd vervuld van wijsheid en de genade Gods rustte op Hem. LUK 2:41 Jezus te midden van de leraren. Zijn ouders reisden ieder jaar, bij gelegenheid van het paasfeest, naar Jeruzalem. LUK 2:42 En overeenkomstig het gebruik bij dit feest gingen zij opnieuw daarheen toen Hij twaalf jaar geworden was. LUK 2:43 Maar na afloop van die dagen bleef het kind Jezus, terwijl zij terugkeerden, in Jeruzalem achter, zonder dat zijn ouders het wisten. LUK 2:44 In de mening dat Hij zich bij de karavaan bevond, gingen zij een dagreis ver en zochten Hem toen onder familieleden en bekenden. LUK 2:45 Omdat zij Hem niet vonden, keerden zij al zoekende naar Jeruzalem terug. LUK 2:46 Pas na drie dagen vonden zij Hem in de tempel, waar hij te midden van de leraren zat, naar wie Hij luisterde en aan wie Hij vragen stelde. LUK 2:47 Allen die Hem hoorden, waren verbaasd over zijn begrip en zijn antwoorden. LUK 2:48 Toen zij Hem daar opmerkten, stonden zij verslagen. Zijn moeder zei tot Hem: 'Kind, waarom hebt Ge ons dit aangedaan? Denk toch eens met wat een pijn uw vader en ik naar U hebben gezocht.' LUK 2:49 Maar Hij antwoordde: 'Wat hebt ge toch naar Mij gezocht? Wist ge dan niet, dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?' LUK 2:50 Zij begrepen echter niet wat Hij daarmee bedoelde. LUK 2:51 Hij ging met hen mee naar Nazaret en was aan hen onderdanig. Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart. LUK 2:52 En met de jaren nam Jezus toe in wijsheid en welgevalligheid bij God en de mensen. LUK 3:1 Prediking van Johannes de Doper. In het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus landvoogd van Judea was, Herodes viervorst van Galilea, diens broeder Filippus viervorst van het gewest Iturea en Trachonitus, en Lysanias viervorst van Abilene, LUK 3:2 onder het hogepriesterschap van Annas en Kajafas, kwam het woord van God over Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn. LUK 3:3 Daarop begon hij in heel de streek rond de Jordaan op te treden en een doopsel van bekering te preken tot vergeving van zonden, LUK 3:4 zoals staat in het boek der godsspraken van de profeet Jesaja: Een stem van iemand die roept in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht. LUK 3:5 Elk dal moet gevuld, elke berg of heuvel geslecht worden; de kronkelpaden moeten recht, de ruwe wegen effen worden. LUK 3:6 En heel de mensheid zal Gods redding zien. LUK 3:7 Hij sprak tot de mensen die in grote getale uittrokken om zich door hem te laten dopen: 'Adderengebroed, wie heeft u voorgespiegeld dat ge de dreigende toorn kunt ontvluchten? LUK 3:8 Brengt dus vruchten voort die passen bij bekering en zegt niet bij uzelf: wij hebben Abraham tot vader! Waarachtig, ik zeg u, dat God de macht bezit voor Abraham uit deze stenen kinderen te verwekken. LUK 3:9 Reeds ligt de bijl aan de wortel van de bomen. Elke boom dus die geen goede vrucht draagt, wordt omgekapt en in het vuur geworpen.' LUK 3:10 De mensen stelden hem nu de vraag: 'Wat moeten wij dan doen?' LUK 3:11 Hij gaf hun ten antwoord: 'Wie dubbele kleding heeft, laat hij delen met wie niets heeft en wie voedsel heeft, laat hij hetzelfde doen.' LUK 3:12 Er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden en ze vroegen hem: 'Meester, wat moeten wij doen?' LUK 3:13 Hij zei hun: 'Niet meer vragen dan voor u is vastgesteld.' LUK 3:14 Ook soldaten ondervroegen hem: 'En wij, wat moeten wij doen?' Hij antwoordde: 'Niemand uitplunderen, niemand iets afpersen, maar tevreden zijn met uw soldij.' LUK 3:15 Omdat het volk vol verwachting was en iedereen zich aangaande Johannes de vraag stelde, of hij niet de Messias zou zijn, LUK 3:16 gaf Johannes aan allen het antwoord: 'Ik doop u met water, maar er komt iemand die sterker is dan ik; ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken. Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur. LUK 3:17 De wan heeft Hij in zijn hand om zijn dorsvloer grondig te zuiveren en zijn tarwe te verzamelen in de schuur, maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur.' LUK 3:18 Zijn gevangenneming. Zo en met nog vele andere vermaningen verkondigde hij aan het volk de Blijde Boodschap. LUK 3:19 Maar toen de viervorst Herodes door hem terecht gewezen werd naar aanleiding van Herodias, de vrouw van zijn broer, en van alle wandaden die hij bedreven had, LUK 3:20 voegde Herodes aan dit alles nog toe, dat hij Johannes in de gevangenis opsloot. LUK 3:21 Jezus door Johannes gedoopt. Terwijl al het volk zich liet dopen, en Jezus na zijn doop in gebed was, geschiedde het dat de hemel openging LUK 3:22 en de heilige Geest, in lichamelijke gedaante als een duif, over Hem neerdaalde, en een stem uit de hemel sprak: 'Gij zijt mijn Zoon, de welbeminde, in U heb ik mijn behagen gesteld.' LUK 3:23 Geslachtslijst van Jezus. Deze Jezus nu was bij zij optreden ongeveer dertig jaar. Hij was, in de opvatting der mensen, de zoon van Jozef, de zoon van Eli, LUK 3:24 de zoon van Mattat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de zoon van Jannai, de zoon van Jozef, LUK 3:25 de zoon van Mattatias, de zoon van Amos, de zoon van Naüm, de zoon van Hesli, de zoon van Naggai, LUK 3:26 de zoon van Maät, de zoon van Mattatias, de zoon van Seme n, de zoon van Josek, de zoon van Joda, LUK 3:27 de zoon van Joanan, de zoon van Resa, de zoon van Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, de zoon van Neri, LUK 3:28 de zoon van Melchi, de zoon van Addi, de zoon van Kosam, de zoon van Elmadan, de zoon van Er, LUK 3:29 de zoon van Jozua, de zoon van Eliëzer, de zoon van Jorim, de zoon van Mattat, de zoon van Levi, LUK 3:30 de zoon van Simeon, de zoon van Juda, de zoon van Jozef, de zoon van Jonan, de zoon van Eljakim, LUK 3:31 de zoon van Melea, de zoon van Menna, de zoon van Mattatta, de zoon van Natan, de zoon van David, LUK 3:32 de zoon van Isai, de zoon van Obed, de zoon van Boaz, de zoon van Salmon, de zoon van Nachson, LUK 3:33 de zoon van Amminadab, de zoon van Admin, de zoon van Arni, de zoon van Chesron, de zoon van Peres, de zoon van Juda, LUK 3:34 de zoon van Jakob, de zoon van Isaak, de zoon van Abraham, de zoon van Terach, de zoon van Nachor, LUK 3:35 de zoon van Serug, de zoon van Reu, de zoon van Peleg, de zoon van Eber, de zoon van Selach, LUK 3:36 de zoon van Kenan, de zoon van Arpaksad, de zoon van Sem, de zoon van Noach, de zoon van Lamech, LUK 3:37 de zoon van Metuselach, de zoon van Henoch, de zoon van Jered, de zoon van Mahalalel, de zoon van Kenan, LUK 3:38 de zoon van Enos, de zoon van Set, de zoon van Adam, de zoon van God. LUK 4:1 Jezus in de woestijn. Vervuld van de heilige Geest ging Jezus weer weg van de Jordaan. Hij werd door de Geest naar de woestijn gevoerd, waar Hij veertig dagen verbleef LUK 4:2 en door de duivel op de proef werd gesteld. Gedurende die dagen at Hij niets en toen ze voorbij waren, kreeg Hij honger. LUK 4:3 De duivel zei nu tot Hem: 'Als Gij de Zoon van God zijt, beveel dan aan die steen daar, dat hij in brood verandert.' LUK 4:4 Jezus gaf ten antwoord: 'Er staat geschreven: De mens leeft niet van brood alleen.' LUK 4:5 Daarop voerde de duivel Hem omhoog en toonde Hem in een oogwenk alle koninkrijken der wereld, LUK 4:6 en de duivel sprak tot hem: 'Heel dat machtsgebied zal ik U geven, want het is mij in handen gesteld en ik geef het aan wie ik wil. LUK 4:7 Als Gij dus in aanbidding voor mij neervalt, zal het in zijn geheel van U zijn.' LUK 4:8 Toen antwoordde Jezus hem: 'Er staat geschreven: De Heer uw God zult Gij aanbidden en Hem alleen dienen.' LUK 4:9 Daarna bracht de duivel Hem naar Jeruzalem, plaatste Hem op de bovenbouw van een tempelpoort en sprak tot Hem: 'Als Gij de zoon van God zijt, werp U dan vanaf deze plaats naar beneden; LUK 4:10 want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij omtrent U het bevel geven U te beschermen LUK 4:11 en zij zullen U op de handen nemen, opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen.' LUK 4:12 Maar Jezus gaf hem ten antwoord: 'Er is gezegd: Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen.' LUK 4:13 Toen gaf de duivel al zijn pogingen om Hem te verleiden op en verwijderde zich van Hem tot de vastgestelde tijd. LUK 4:14 Terugkeer naar Galilea. In de kracht van de Geest keerde Jezus terug naar Galilea en men sprak over Hem in heel de streek. LUK 4:15 Hij trad nu op als leraar in hun synagogen en werd algemeen geprezen. LUK 4:16 Optreden van Jezus in Nazaret. Zo kwam Hij ook in Nazaret, waar Hij was grootgebracht, ging volgens zijn gewoonte op de sabbatdag naar de synagoge en stond op om voor te lezen. LUK 4:17 Ze reikten Hem de boekrol van de profeet Jesaja aan. Hij opende de rol en vond de plaats waar geschreven stond: LUK 4:18 De geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, en aan blinden, dat zij zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid, LUK 4:19 om een genadejaar af te kondigen van de Heer. LUK 4:20 Daarop rolde Hij het boek dicht, gaf het terug aan de dienaar en ging zitten. In de synagoge waren aller ogen gespannen op hem gevestigd. LUK 4:21 Toen begon Hij hen toe te spreken: 'Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt, is thans in vervulling gegaan.' LUK 4:22 Allen bevestigden Hem hun instemming en verbaasden zich, dat woorden, zo vol genade uit zijn mond vloeiden. Ze zeiden: 'Is dat dan niet de zoon van Jozef?' LUK 4:23 Hij zei hun: 'Natuurlijk zult ge Mij dit spreekwoord voorhouden: Geneesheer, genees uzelf. Doe al wat, maar wij hoorden, in Kafarnaüm gebeurd is, nu ook hier in uw vaderstad.' LUK 4:24 Maar Hij gaf er dit antwoord op: Voorwaar, Ik zeg u: geen profeet is heilzaam voor zijn eigen vaderstad. LUK 4:25 En het is waar wat Ik u zeg: in de tijd van Elia immers, toen de hemel drie jaar en zes maanden gesloten bleef en een grote hongersnood uitbrak over het hele land, waren er veel weduwen in Israël; LUK 4:26 toch werd Elia tot niemand van hen gezonden, behalve tot een weduwe in Sarepta in het gebied van Sidon. LUK 4:27 En in de tijd van de profeet Elisa waren er vele melaatsen in Israël; toch werd niemand van hen gereinigd, behalve de Syriër Naäman.' LUK 4:28 Toen ze dit hoorden, werden allen die in de synagoge waren, woedend. LUK 4:29 Ze sprongen overeind, joegen Hem de stad uit en dreven Hem voort tot aan de steile rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, om Hem daar in de afgrond te storten. LUK 4:30 Maar Hij ging midden tussen hen door en vertrok. LUK 4:31 Prediking te Kafarnaüm. Hij ging nu naar Kafarnaüm, een stad in Galilea, en trad daar op de sabbat voor de mensen als leraar op. LUK 4:32 Zij waren buiten zichzelf van verbazing over zijn leer, omdat Hij sprak met gezag. LUK 4:33 Eens bevond zich in de synagoge een man die bezeten was door een onreine geest en luid begon te schreeuwen: LUK 4:34 'Jezus van Nazaret, wat hebben wij met elkaar te maken? Zijt Ge gekomen om ons in het verderf te storten? Ik weet wie Gij zijt: de Heilige Gods.' LUK 4:35 Jezus voegde hem toe: 'Zwijg stil en ga van hem weg.' De boze geest slingerde hem tussen de mensen en ging van hem weg zonder hem enig letsel te hebben toegebracht. LUK 4:36 Ze stonden allen met verbazing geslagen en zeiden tot elkaar: 'Wat is dat voor een woord, dat met gezag en macht aan de onreine geesten een bevel geeft, zodat ze weggaan?' LUK 4:37 En zijn faam verspreidde zich over alle plaatsen van die streek. LUK 4:38 Genezing van Petrus' schoonmoeder. Hij verliet de synagoge en ging het huis van Simon binnen. Omdat de schoonmoeder van Simon hoge koorts had, riepen ze voor haar zijn hulp in. LUK 4:39 Hij kwam aan het hoofdeinde van haar bed staan en gaf een streng bevel aan de koorts. Zij werd ervan bevrijd en ogenblikkelijk stond zij op en bediende hen. LUK 4:40 Bij zonsondergang brachten allen die zieken hadden, lijdend aan velerlei kwalen, dezen naar Hem toe. Hij genas hen door ze een voor een de handen op te leggen. LUK 4:41 Uit velen gingen ook duivels weg, die schreeuwden: 'Gij zijn de Zoon van God.' Hij gaf een streng bevel en liet niet toe dat zij spraken, want zij wisten dat Hij de Messias was. LUK 4:42 Tocht door Galilea. Toen het dag geworden was, ging Hij naar buiten en begaf zich naar een eenzame plaats. De mensen zochten Hem echter, kwamen waar Hij was en poogden Hem vast te houden om te verhinderen dat Hij hen zou verlaten. LUK 4:43 Maar Hij sprak tot hen: 'Ik moet ook aan andere steden de Blijde Boodschap van het Godsrijk brengen, want daarvoor ben Ik gezonden.' LUK 4:44 En hij predikte in de synagogen van het joodse land. LUK 5:1 Roeping van de eerste leerlingen. Op zekere dag stond Jezus aan de oever van het meer van Gennesaret, terwijl de mensen op Hem aandrongen om het woord Gods te horen. LUK 5:2 Hij zag nu twee boten liggen aan de oever van het meer; de vissers waren eruit gegaan en spoelden hun netten. LUK 5:3 Hij stapte in een van de boten, die van Simon en vroeg hem een eindje van wal te steken. Hij ging zitten en vanuit de boot vervolgde Hij zijn onderricht aan het volk. LUK 5:4 Toen Hij zijn toespraak had geëindigd, zei Hij tot Simon: 'Vaar nu naar het diepe en gooi uw netten uit voor de vangst.' LUK 5:5 Simon antwoordde: 'Meester, de hele nacht hebben we gezwoegd zonder iets te vangen, maar op uw woord zal ik de netten uitgooien.' LUK 5:6 Ze deden het en vingen zulk een massa vissen in hun netten, LUK 5:7 dat deze dreigen te scheuren. Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot om hen te komen helpen. Toen die gekomen waren, vulden zij de beide boten tot zinkens toe. LUK 5:8 Bij het zien daarvan viel Simon Petrus Jezus te voet en zei: 'Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens.' LUK 5:9 Ontzetting had zich meester gemaakt van hem en allen die bij hem waren vanwege de vangst die ze gedaan hadden; LUK 5:10 en zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus echter sprak tot Simon: 'Weest niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen.' LUK 5:11 Ze brachten de boten aan land en lieten alles achter om Hem te volgen. LUK 5:12 Genezing van een melaatse. Terwijl Hij eens in een van de steden vertoefde, trof Hij een man aan die overdekt was met melaatsheid. Toen deze Jezus zag, wierp hij zich ter aarde neer en smeekte Hem: 'Heer, als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.' LUK 5:13 Hij stak de hand uit, raakte hem aan en sprak: 'Ik wil, word rein.' En terstond verdween de melaatsheid. LUK 5:14 Jezus verbood hem het aan iemand te zeggen. Maar, zo zei Hij,' ga u laten zien aan de priester en offer voor uw reiniging zoals Mozes heeft voorgeschreven om hun het bewijs te leveren.' LUK 5:15 In steeds wijder kring werd over Hem gesproken en grote volksmenigten stroomden samen om Hem te horen en van hun kwalen genezen te worden. LUK 5:16 Hij trok zich telkens terug in de eenzaamheid om te bidden. LUK 5:17 Genezing van een lamme. Toen Jezus op zekere dag onderricht gaf, zaten er ook Farizeeën en wetgeleerden bij, die gekomen waren uit alle plaatsen van Galilea en Judea en uit Jeruzalem. En de kracht des Heren deed Hem genezingen verrichten. LUK 5:18 Op dat ogenblik kwamen er enige mannen aan die op een bed een verlamde man met zich meedroegen. Zij trachtten hem binnen te brengen en voor Jezus neer te leggen. LUK 5:19 Maar omdat ze vanwege de menigte geen weg vonden waarlangs ze hem konden binnenbrengen, gingen ze het dak op en lieten hem met bed en al door een opening in het tegeldak midden tussen het volk zakken, voor de voeten van Jezus. LUK 5:20 Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij: 'Vriend, uw zonden zijn u vergeven.' LUK 5:21 Maar de schriftgeleerden en Farizeeën vroegen zich af: 'Wat is dat voor iemand, die zo godslasterlijk spreekt?' Wie anders kan zonden vergeven dan God alleen?' LUK 5:22 Jezus wist, dat zij zo redeneerden en sprak tot hen: 'Wat redeneert gij toch bij uzelf? LUK 5:23 Wat is gemakkelijker te zeggen: uw zonden zijn u vergeven; of te zeggen: sta op en loop? LUK 5:24 Welnu, opdat ge zult weten, dat de Mensenzoon macht heeft op aarde zonden te vergeven - en nu sprak Hij tot de lamme -: Ik zeg u, sta op, neem uw bed op en ga naar huis.' LUK 5:25 Onmiddellijk stond hij voor aller ogen op, nam het bed waarop hij gelegen had mee en ging God verheerlijkend naar huis. LUK 5:26 Iedereen stond er versteld van en ze verheerlijkten God; vol ontzag zeiden zij: 'Wij zijn vandaag van ongehoorde dingen getuigen geweest.' LUK 5:27 Roeping van Levi. Daarna ging Hij naar buiten. Bij het tolhuis richtte Hij zijn blik op een tollenaar die daar zat, een zekere Levi. Hij zei tot hem: 'Volg Mij.' LUK 5:28 De man stond op, liet alles achter en volgde Hem. LUK 5:29 Levi nu bood Hem in zijn huis een groot feestmaal aan, waarbij onder anderen talrijke tollenaars met hen aanlagen. LUK 5:30 De Farizeeën, met name de schriftgeleerden onder hen, morden daarover tegen zijn leerlingen: 'Waarom', zeiden ze,' eet en drinkt gij met tollenaars en zondaars?' LUK 5:31 Maar Jezus nam het woord en sprak: 'Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken. LUK 5:32 Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen maar om zondaars te roepen, opdat ze zich bekeren.' LUK 5:33 Over het vasten. Ze zeiden tot Hem: 'De leerlingen van Johannes vasten dikwijls en verrichten gebeden; die van de Farizeeën doen dat ook, maar de uwen eten en drinken.' LUK 5:34 Jezus antwoordde: 'Kunt gij soms de vrienden van de bruidegom laten vasten, zolang de bruidegom bij hen is? LUK 5:35 Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen is weggenomen en dan, in die tijd, zullen ze vasten.' LUK 5:36 Hij gaf hun ook nog een gelijkenis: 'Niemand scheurt een lap van een nieuw kleed om daarmee een oud te verstellen; anders verscheurt hij immers niet alleen het nieuwe kleed, maar de lap uit het nieuwe past bovendien niet bij het oude. LUK 5:37 En niemand doet jonge wijn in oude zakken; anders doet de jonge wijn de zakken bersten, hij loopt eruit en de zakken gaan verloren. LUK 5:38 Maar jonge wijn moet men in nieuwe zakken doen. LUK 5:39 En niemand die oude gedronken heeft, wenst jonge; hij zal zeggen: de oude is best.' LUK 6:1 Aren plukken op sabbat. Eens ging Hij op een sabbat door korenvelden en om te eten plukten zijn leerlingen aren, die ze met hun handen uitwreven. LUK 6:2 Sommige Farizeeën vroegen: 'Waarom doet ge iets dat op sabbat niet mag?' LUK 6:3 Jezus gaf hun ten antwoord: 'Hebt ge dan niet gelezen wat David deed, toen hij en zijn metgezellen honger kregen?' LUK 6:4 Hoe hij het huis van God binnenging, de toonbroden nam en opat en er ook van gaf aan zijn metgezellen, terwijl toch alleen de priesters daarvan mogen eten?' LUK 6:5 En hij voegde er aan toe: 'De Mensenzoon is Heer van de sabbat.' LUK 6:6 Genezing op sabbat. Het gebeurde op een andere sabbat, toen Hij de synagoge binnenging om daar te onderrichten, dat er een man aanwezig was met een verschrompelde rechterhand. LUK 6:7 De schriftgeleerden en Farizeeën hielden Hem in het oog, of Hij op sabbat een genezing zou verrichten, om iets te vinden waarvan zij Hem zouden kunnen beschuldigen. LUK 6:8 Maar Hij wist wat ze dachten en zei tot de man met de verschrompelde hand: 'Sta op en kom in het midden.' De man stond op en trad naderbij. LUK 6:9 Daarop sprak Jezus tot hen: 'Ik vraag u of men op sabbat goed mag doen of kwaad, iemand redden of laten omkomen?' LUK 6:10 Toen liet Hij zijn blik rondgaan over hen allen en zei tot de man: 'Steek uw hand uit.' Hij deed het en zijn hand was weer gezond. LUK 6:11 Toen waren ze buiten zichzelf van woede en bespraken met elkaar wat ze tegen Jezus konden doen. LUK 6:12 Roeping van de twaalf. In die dagen ging Hij naar het gebergte om te bidden en bracht de nacht door in gebed tot God. LUK 6:13 Bij het aanbreken van de dag riep Hij zijn leerlingen bij zich en koos er twaalf leerlingen uit, aan wie Hij tevens de naam van apostel gaf: LUK 6:14 Simon, aan wie Hij de naam Petrus gaf, diens broer Andreas, Jakobus, Johannes, Filippus, Bartolomeüs, LUK 6:15 Matteüs, Tomas, Jakobus de zoon van Alfeüs, Simon met de bijnaam 'ijveraar', LUK 6:16 Judas de broer van Jakobus en Judas Iskariot, die een verrader werd. LUK 6:17 Zaligsprekingen. Samen met hen daalde Hij af, maar bleef staan op een vlak terrein. Daar bevond zich een talrijke groep van zijn leerlingen en een grote volksmenigte uit heel het joodse land, uit Jeruzalem en uit het kustland Tyrus en Sidon; LUK 6:18 zij waren gekomen om Hem te horen en van hun kwalen genezen te worden. En die gekweld werden door onreine geesten vonden genezing. LUK 6:19 Heel die menigte deed pogingen Hem aan te raken, want er ging van Hem een kracht uit die allen genas. LUK 6:20 Hij sloeg nu zijn ogen op, keek zijn leerlingen aan en sprak: 'Zalig gij die arm zijt, want aan u behoort het Rijk Gods. LUK 6:21 Zalig die nu honger lijdt, want gij zult verzadigd worden. Zalig die nu weent, want gij zult lachen. LUK 6:22 Zalig zijt gij, wanneer omwille van de Mensenzoon de mensen u haten, wanneer zij u uitstoten, u beschimpen en uw naam uit de samenleving bannen als iets verfoeilijks. LUK 6:23 Als die dag komt, spring dan op van blijdschap, want groot is uw loon in de hemel. Op dezelfde manier behandelden hun voorvaderen de profeten. LUK 6:24 Wee u, rijken. Maar wee u, rijken, want wat u vertroost, hebt ge al ontvangen. LUK 6:25 Wee u, die nu verzadigd zijt, want ge zult honger lijden. Wee u, die nu lacht, want ge zult klagen en wenen. LUK 6:26 Wee u, wanneer alle mensen met lof over u spreken, want hun voorvaderen deden hetzelfde met de valse profeten. LUK 6:27 Bemint uw vijanden. Tot u die naar Mij luistert zeg Ik: Bemint uw vijanden, doet wel aan die u haten, LUK 6:28 zegent hen die u vervloeken en bidt voor hen die u mishandelen. LUK 6:29 Als iemand u op de ene wang slaat, keert hem ook de andere toe; en als iemand uw bovenkleed van u afneemt, belet hem niet ook uw onderkleed te nemen. LUK 6:30 Geeft aan ieder die u iets vraagt, en als iemand wegneemt wat u toebehoort, eist het niet terug. LUK 6:31 Zoals gij wilt dat de mensen u behandelen, moet gij het hun doen. LUK 6:32 Als gij bemint wie u beminnen wat voor recht op dank hebt ge dan? Ook de zondaars beminnen wie hen liefhebben. LUK 6:33 Als gij weldoet aan wie u weldaden bewijzen, wat voor recht op dank hebt ge dan? Dat doen de zondaars ook. LUK 6:34 Als gij leent aan hen van wie ge hoopt terug te krijgen, wat voor recht op dank hebt ge dan? Ook de zondaars lenen aan zondaars met de bedoeling evenveel terug te krijgen. LUK 6:35 Neen, bemint uw vijanden, doet goed en leent uit zonder er op te rekenen iets terug te krijgen. Dan zal uw loon groot zijn, dan zult ge kinderen zijn van de Allerhoogste, die immers ook goed is voor de ondankbaren en slechten. LUK 6:36 Weest barmhartig. Weest barmhartig, zoals uw Vader barmhartig is. LUK 6:37 Oordeelt niet, dan zult ge niet geoordeeld worden; veroordeeld niet, dat zult ge niet veroordeeld worden; spreekt vrij en ge zult vrijgesproken worden. LUK 6:38 Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, gestampte, geschudde en overlopende maat zal men u in de schoot storten. De maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken.' LUK 6:39 Oordeelt niet. Hij hield hun ook een gelijkenis voor: 'Kan soms de ene blinde de andere leiden? Vallen dan niet beiden in de kuil? LUK 6:40 De leerling staat niet boven zijn meester; maar zal hij ten volle gevormd zijn als hij gelijk is zijn meester. LUK 6:41 Waarom kijkt ge naar de splinter in het oog van uw broeder en slaat ge geen acht op de balk in uw eigen oog? LUK 6:42 Hoe kunt ge tot uw broeder zeggen: Broeder, laat mij de splinter uit uw oog halen, terwijl ge de balk in uw eigen oog niet opmerkt? Huichelaar, haal eerst die balk uit uw eigen oog, en dan zult ge scherp genoeg zien om de splinter te kunnen verwijderen die in het oog van uw broeder zit. LUK 6:43 Er bestaat geen goede boom die zieke vruchten voortbrengt en evenmin een zieke boom die goede vruchten voortbrengt. LUK 6:44 Iedere boom immers wordt gekend aan zijn vruchten; men plukt geen vijgen van dorens, men oogst geen druiven van een braamstruik. LUK 6:45 Een goed mens brengt uit de schat van goedheid in zijn hart het goede te voorschijn, maar een slechte uit zijn schat van slechtheid het slechte; want zijn mond spreekt waar zijn hart van overloopt. LUK 6:46 Waarom toch noemt gij Mij: Heer, Heer! als ge niet doet wat Ik zeg? LUK 6:47 Het huis op de rots. Ieder die tot Mij komt, naar mijn woorden luistert en er naar handelt, Ik zal u duidelijk maken op wie hij gelijkt. LUK 6:48 Hij gelijkt op de man die bij het bouwen van zijn huis diep had gegraven en het fundament had gelegd op de rotsgrond. Toen de stortvloed kwam, beukte de storm op dat huis, maar had niet de kracht om het te doen wankelen, omdat het zo goed gebouwd was. LUK 6:49 Wie luistert maar niet doet, gelijkt op de man die zijn huis op de grond bouwde zonder fundering, de storm beukte erop en ogenblikkelijk stortte het is en de verwoesting van dat huis was volkomen.' LUK 7:1 Genezing van de knecht van de officier. Na afloop van zijn onderricht aan het luisterende volk, ging Hij naar Kafarnaüm. LUK 7:2 Daar was een honderdman die een knecht had aan wie hem veel gelegen was; deze was ziek en lag op sterven. LUK 7:3 Omdat de honderdman van Jezus hoorde, zond hij enkele oudsten van de Joden naar Hem toe met het verzoek zijn knecht te komen genezen. LUK 7:4 Bij Jezus gekomen riepen zij met aandrang zijn hulp in. Ze zeiden: 'Hij verdient, dat Gij hem deze gunst bewijst, LUK 7:5 want hij houdt van ons volk en heeft op eigen kosten de synagoge voor ons gebouwd.' LUK 7:6 Daarop ging Jezus met hen mee. Maar toen Hij niet ver meer van het huis was, liet de honderdman Hem door vrienden zeggen: 'Heer, doe gen verdere moeite; ik ben niet waard dat Gij onder mijn dak komt. LUK 7:7 Daarom meende ik ook er geen aanspraak op te mogen maken persoonlijk naar U toe te komen. Maar een woord van U is voldoende om mijn knecht te doen genezen. LUK 7:8 Want al ben ik zelf een ondergeschikte, ik heb weer manschappen onder mij; en tot de een zeg ik: ga, en hij gaat; en tot een ander: kom, en hij komt; en aan mijn knecht: doe dit, en hij doet het.' LUK 7:9 Toen Jezus dit hoorde, stond Hij verwonderd over hem. Hij keerde zich om en zei tot het volk dat Hem volgde: 'Ik zeg u: zelfs in Israël heb Ik zo'n groot geloof niet gevonden.' LUK 7:10 Toen de mensen die gestuurd waren, in het huis terugkeerden, vonden zij de knecht weer gezond. LUK 7:11 Opwekking van de jongeman uit Naïn. Vervolgens begaf Jezus zich naar een stad die Naïn heette; zijn leerlingen en een grote groep mensen gingen met Hem mee. LUK 7:12 Hij was juist in de nabijheid van de stadspoort gekomen, toen daar een dode werd uitgedragen, de enige zoon van zijn moeder, en deze was weduwe. Een groot aantal mensen uit de stad vergezelde haar. LUK 7:13 Toen de Heer haar zag, voelde Hij medelijden met haar en sprak: 'Schrei maar niet.' LUK 7:14 Daarop trad Hij op de lijkbaar toe en raakte die aan. De dragers bleven staan en Hij sprak: 'Jongeman, Ik zeg je: sta op!' LUK 7:15 De dode kwam overeind zitten en begon te spreken, en Jezus gaf hem aan zijn moeder terug. LUK 7:16 Allen werden door ontzag bevangen en zij verheerlijkten God zeggende: 'Een groot profeet is onder ons opgestaan,' en: 'God heeft genadig neergezien op zijn volk.' LUK 7:17 En dit verhaal over Hem deed de ronde door heel het joodse land en de wijde omtrek. LUK 7:18 Getuigenis over Johannes de Doper. De leerlingen van Johannes brachten dit alles aan hem over. Daarop ontbood Johannes een tweetal van zijn leerlingen LUK 7:19 en stuurde ze naar de Heer om te vragen: 'Zijt Gij de Komende, of hebben wij een ander te verwachten?' LUK 7:20 Bij Jezus gekomen, zeiden de mannen tot Hem: 'Johannes de Doper heeft ons naar U gestuurd om te vragen: Zijt Gij de Komende, of hebben wij een ander te verwachten?' LUK 7:21 Op dat ogenblik genas Jezus veel mensen van ziekten, kwalen en boze geesten en schonk een groot aantal blinden het gezicht terug. LUK 7:22 Hij gaf hun dit antwoord: 'Gaat aan Johannes zeggen wat gij gezien en gehoord hebt: blinden zien en lammen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd. LUK 7:23 Gelukkig hij die aan Mij aanstoot neemt.' LUK 7:24 Toen de afgezanten van Johannes vertrokken waren, begon Hij tot de menigte te spreken over Johannes: 'Waar zijt gij in de woestijn naar gaan zien? Naar een riethalm door de wind bewogen? LUK 7:25 Waar zijt gij dan wel naar gaan zien? Naar iemand in verfijnde kleding? Die prachtig gekleed gaan en in weelde leven zijn te vinden in paleizen. LUK 7:26 Wat zijt ge dan gaan zien? Een profeet? Inderdaad, zeg ik u, zelfs meer dan een profeet! LUK 7:27 Hij is het over wie geschreven staat: Zie, Ik zend mijn bode voor u uit, die de weg voor uw komst zal bereiden. LUK 7:28 Ik zeg u: Onder wie uit vrouwen geboren zijn, is niemand groter dan Johannes. Niettemin is de kleinste in het Rijk Gods groter dan hij. LUK 7:29 Het was het gewone volk dat naar hem luisterde; zelfs de tollenaars erkenden Gods beschikking door zich te laten dopen met het doopsel van Johannes. LUK 7:30 Maar de Farizeeën en wetgeleerden hebben, wat hen betreft, het plan van God verijdeld door zich niet door hem te laten dopen. LUK 7:31 Waarmee zal Ik de mensen van dit geslacht vergelijken? Waar lijken ze op? LUK 7:32 Ze gelijken op kinderen die op het marktplein zitten en elkaar toeroepen: Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld en jullie hebt niet gedanst; wij hebben een treurlied gezongen en jullie hebt niet gehuild. LUK 7:33 Immers: Johannes de Doper is gekomen, eet geen brood en drinkt geen wijn en gij zegt: Hij is van de duivel bezeten! LUK 7:34 De Mensenzoon is gekomen, eet en drinkt wel, en gij zegt: Kijk die gulzigaard en wijndrinker, die vriend van tollenaars en zondaars! LUK 7:35 Maar de Wijsheid vindt rechtvaardiging bij al haar kinderen.' LUK 7:36 Vergiffenis aan de boetvaardige zondares. Een van de Farizeeën vroeg Hem eens bij zich te eten. Hij trad het huis van de Farizeeër binnen en ging aanliggen. LUK 7:37 Een vrouw nu die in de stad als een zondares bekend stond, was te weten gekomen, dat Jezus in het huis van de Farizeeër te gast was. Zij nam een albasten vaasje met balsem mee LUK 7:38 en ging schreiend achter Hem, bij zijn voeten, staan. Haar tranen maakten zijn voeten nat, die ze met haar hoofdhaar afdroogde. Zij kuste ze keer op keer en zalfde ze met de balsem. LUK 7:39 Toen de Farizeeër die Hem uitgenodigd had dit zag, zei hij bij zichzelf: 'Als dit een profeet was zou Hij weten wie en wat voor een vrouw het is die Hem aanraakt; het is immers een zondares.' LUK 7:40 Jezus gaf hem ten antwoord: 'Simon, Ik heb u iets te zeggen,' waarop deze zei: 'Zeg het, Meester.' LUK 7:41 'Een geldschieter had twee schuldenaars, de een was hem vijfhonderd, de ander vijftig denariën schuldig. LUK 7:42 Omdat zij die niet konden teruggeven, schold hij ze aan allebei kwijt. Wie van hen zal nu het meest van hem houden?' LUK 7:43 'Ik veronderstel', antwoordde Simon,' diegene aan wie hij het meeste heeft kwijtgescholden.' Jezus zei tot hem: 'Uw oordeel is juist.' LUK 7:44 Daarop keerde Hij zich tot de vrouw en zei tot Simon: 'Ge ziet die vrouw daar? Ik kwam uw huis binnen; gij hebt niet eens water over mijn voeten gegoten, maar mijn voeten zijn nat geworden door haar tranen en zij heeft ze met haar haren afgedroogd. LUK 7:45 Gij hebt Mij niet eens een kus gegeven, maar zij hield, sinds Ik binnenkwam, niet op mijn voeten te kussen. LUK 7:46 Gij hebt mijn hoofd niet met olie gezalfd, maar zij heeft mijn voeten gezalfd met balsem. LUK 7:47 Daarom zeg Ik u: haar zonden zijn haar vergeven, al waren ze vele, want zij heeft veel liefde betoond. Aan wie weinig wordt vergeven, hij betoont weinig liefde.' LUK 7:48 Daarop sprak Hij tot haar: 'Uw zonden zijn vergeven.' LUK 7:49 De medeaanliggenden vroegen zich af: 'Wie is deze man, die zelfs zonden vergeeft?' LUK 7:50 Jezus zei tot de vrouw: 'Uw geloof heeft u gered: ga in vrede.' LUK 8:1 Vrouwen helpen Jezus. Er volgde nu een tijd, waarin Hij predikend rondtrok door stad en dorp en de Blijde Boodschap van het Rijk Gods verkondigde. De twaalf vergezelden Hem, LUK 8:2 en ook enkele vrouwen die van boze geesten en ziekten verlost waren: Maria die Magdalena wordt genoemd, uit wie zeven duivels waren weggegaan, LUK 8:3 Johanna, de vrouw van Herodes' rentmeester Chuzas, Susanna en vele anderen, die uit eigen middelen voor hen zorgden. LUK 8:4 De parabel van de zaaier. Toen zich een grote menigte verzamelde, en uit de steden de mensen naar Jezus toestroomden, sprak Hij in een gelijkenis: LUK 8:5 'De zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien. En bij het zaaien viel een gedeelte op de weg en het werd vertrapt en de vogels uit de lucht aten het op. LUK 8:6 Een ander gedeelte viel op de rotsgrond; het schoot wel op maar droogde uit, omdat het geen vocht had. LUK 8:7 Weer een ander gedeelte viel tussen de distels, maar tegelijkertijd schoten de distels op en verstikten het. LUK 8:8 Nog een ander gedeelte viel op goede grond; het schoot op en bracht honderdvoudige vrucht voort.' En met luider stem voegde Hij er aan toe: 'Wie oren heeft om te horen, hij luistere.' LUK 8:9 Zijn leerlingen vroegen Hem, wat die gelijkenis wel betekende. LUK 8:10 Hij antwoordde: 'Aan u is het gegeven de geheimen van het Rijk Gods te kennen, maar de overigen ontvangen ze in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en horende niet begrijpen. LUK 8:11 Welnu, de betekenis van de gelijkenis is deze: Het zaad is het woord van God. LUK 8:12 Die op de weg, zijn zij die geluisterd hebben. Maar dan komt de duivel en rooft het woord uit hun hart weg, opdat ze niet door te geloven gered worden. LUK 8:13 Die op de rots, zijn zij die het woord met blijdschap ontvangen wanneer zij het horen, maar zij hebben geen wortel, zij geloven voor een ogenblik, maar ten tijde van de beproeving vallen zij af. LUK 8:14 Wat onder de distels viel, zijn zij die wel geluisterd hebben, maar gaandeweg door de zorgen, de rijkdom en de genoegens van het leven verstrikt raken en niet tot rijpheid komen. LUK 8:15 Het zaad in de goede aarde zijn zij, die het woord dat Zij hoorden in een goed en edel hart bewaren en vrucht voortbrengen door hun standvastigheid. LUK 8:16 De lamp. Niemand steekt een lamp aan om die onder een schaal te verbergen of onder een rustbank te zetten, maar hij plaatst ze op een standaard, opdat al wie binnenkomt het licht kan zien. LUK 8:17 Niets is verborgen dat niet openbaar gemaakt, niets geheim dat niet bekend zal worden en aan het licht zal komen. LUK 8:18 Let dus op, hoe gij luistert. Aan wie heeft zal gegeven worden; maar wie niet heeft: zelfs wat hij meent te hebben zal hem nog ontnomen worden.' LUK 8:19 De wil van God boven alles. Zijn moeder kwam met zijn broeders bij Hem, maar vanwege de menigte konden zij Hem niet bereiken. LUK 8:20 Men liet Hem dus weten: 'Uw moeder en uw broeders staan buiten en willen u spreken.' LUK 8:21 Maar Hij gaf hun ten antwoord: 'Mijn moeder en mijn broeders zijn zij, die het woord van God horen en er naar handelen.' LUK 8:22 Zee en wind gehoorzamen. Op zekere dag stapte Hij met zijn leerlingen in een boot en zei tot hen: 'Laten we het meer oversteken.' Ze staken van wal LUK 8:23 en onder het varen viel Hij in slaap. Toen een hevige stormbui op het meer losbarstte, maakte het schip water en ze verkeerden in nood. LUK 8:24 Ze liepen dan ook naar Hem toe en maakten Hem wakker met de uitroep: 'Meester, Meester, wij vergaan!' Hij stond op, richtte zich met een dwingend woord tot de wind en het woeste water, ze bedaarden en het werd stil. LUK 8:25 En Hij sprak tot hen: 'Waar is uw geloof?' Ze werden door vrees bevangen en vol verbazing zeiden ze tot elkaar: 'Wie is Hij toch, dat Hij zelfs aan de winden en het water bevelen geeft en dat ze Hem gehoorzamen?' LUK 8:26 Legioen van duivels. Zij landden nu in de streek van de Gerasenen, die tegenover Galilea ligt. LUK 8:27 Zodra Hij aan land was gegaan, liep Hem uit de stad een man tegemoet, die door duivels bezeten was. Sinds geruime tijd droeg hij geen kleren meer en verbleef niet in een huis, maar in de grafspelonken. LUK 8:28 Toen hij Jezus zag, viel hij Hem schreeuwend te voet en riep met luider stem: 'Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van de Allerhoogste God? Ik bid u, kwel mij niet!' LUK 8:29 Want Jezus had aan de onreine geest bevel gegeven uit de man weg te gaan. Menigmaal had die hem al meegesleept en om hem vast te houden werd hij dan in hand - en voetboeien geketend, maar hij trok de boeien stuk en werd door de duivel de eenzaamheid ingejaagd. LUK 8:30 Jezus vroeg hem nu: 'Hoe heet je?' Hij antwoorde: 'Legioen.' Want er waren vele duivels in hem gevaren. LUK 8:31 Ze smeekten Hem hun niet te gelasten naar de afgrond terug te keren. LUK 8:32 Nu was men daar in het gebergte een grote troep zwijnen aan het hoeden. Zij smeekten Hem, dat Hij hun zou toestaan daarin te gaan; Jezus stond het hun toe. LUK 8:33 De duivels gingen uit de man weg en voeren in de zwijnen, waarop de troep zich van de steile oever in het meer stortte en verdronk. LUK 8:34 Toen de zwijnenhoeders zagen wat er gebeurd was, namen zij de vlucht en vertelden het in de stad en op het land. LUK 8:35 Daarop kwamen de mensen kijken naar wat er gebeurd was. Zij gingen naar Jezus toe en vonden de man uit wie de duivels waren weggegaan aan zijn voeten zitten, gekleed en goed bij zijn verstand; en ze werden door vrees bevangen. LUK 8:36 Die het gezien hadden verhaalden hun, hoe de bezetene genezen was. LUK 8:37 Heel de bevolking van het gebied der Gerasenen vroeg Hem nu bij hen weg te gaan, want zij waren van grote vrees bevangen. Hij stapte dus in de boot en keerde terug. LUK 8:38 De man uit wie de duivels waren weggegaan, vroeg bij Hem te mogen blijven. LUK 8:39 Maar Jezus stuurde hem weg en zei: 'Ga naar uw huis terug en vertel alles wat God aan u gedaan heeft.' Hij ging heen en verkondigde in heel de stad wat Jezus aan hem gedaan had. LUK 8:40 Opwekking van Ja rus' dochtertje. Genezing van een vrouw. Toen Jezus bij zijn terugkeer door het volk werd ontvangen, omdat iedereen Hem verwachtte, LUK 8:41 trad er een man naar voren, die Ja rus heette en overste van de synagoge was. Hij viel Jezus te voet en smeekte Hem naar zijn huis te komen, LUK 8:42 want hij had maar een dochter, een kind van een jaar of twaalf, en deze lag op sterven. Terwijl Hij er heen ging, raakte Hij door de opdringende menigte bekneld. LUK 8:43 Er was een vrouw bij die sinds twaalf jaar aan bloedvloeiing leed. Haar hele vermogen had zij aan dokters uitgegeven, maar bij niemand genezing kunnen vinden. LUK 8:44 Zij naderde Hem van achteren, raakte de zoom van zijn mantel aan en op hetzelfde ogenblik hield haar bloedvloeiing op. LUK 8:45 Jezus vroeg nu: 'Wie heeft mij aangeraakt?' Allen ontkenden het en Petrus merkte op: 'Meester, de samengepakte menigte dringt van alle kanten tegen U op.' LUK 8:46 Maar Jezus zei: 'Iemand heeft Mij aangeraakt, want Ik heb een kracht van Mij voelen uitgaan.' LUK 8:47 Toen de vrouw zag, dat zij niet onopgemerkt was gebleven, kwam zij bevend naar voren, viel Hem te voet en verhaalde ten aanhoren van al het volk, waarom zij Hem had aangeraakt en hoe zij op hetzelfde ogenblik genezen was. LUK 8:48 Hij sprak tot haar: 'Dochter, uw geloof heeft u genezen; ga in vrede.' LUK 8:49 Nog was Hij niet uitgesproken, of daar kwam iemand uit het huis van de overste van de synagoge met de boodschap: 'Uw dochter is gestorven; val de Meester niet langer lastig.' LUK 8:50 Maar Jezus die het hoorde, zei tot Ja rus: 'Wees niet bang, maar heb geloof, dan zal zij gered worden.' LUK 8:51 Toen Hij aan het huis kwam, liet Hij niemand mee binnengaan, behalve Petrus, Johannes en Jakobus, en de vader en moeder van het kind. LUK 8:52 Allen waren luid aan het wenen als rouwklacht over haar. Maar Hij sprak: 'Weent niet; ze is niet gestorven, maar slaapt.' LUK 8:53 Ze lachten Hem uit, omdat ze wisten, dat ze gestorven was. LUK 8:54 Hij pakte haar bij de hand en roep: 'Meisje, sta op!' LUK 8:55 Haar levensgeesten keerden terug en onmiddellijk stond ze op. Hij gaf opdracht haar te eten te geven. LUK 8:56 Haar ouders stonden verbaasd, maar Hij verbood hun aan iemand te vertellen wat er gebeurd was. LUK 9:1 Uitzending van de twaalf. Hij riep de twaalf bijeen en gaf hun macht en gezag over alle boze geesten en de kracht om ziekten te genezen. LUK 9:2 Daarop zond Hij hen uit om het Rijk Gods te verkondigen en genezingen te verrichten. LUK 9:3 En Hij vermaande hen: 'Neemt niets mee voor onderweg: geen stok, geen reiszak, geen voedsel en geen geld; niemand van u mag dubbele kleding hebben. LUK 9:4 Als ge een huis binnengaat, moet ge daar blijven en vandaar weer afreizen. LUK 9:5 Als men u ergens niet ontvangt, verlaat dan die stad en schudt het stof van uw voeten, als een getuigenis tegen hen.' LUK 9:6 Toen gingen ze op weg en trokken van dorp tot dorp, terwijl zij overal de Blijde Boodschap verkondigden en genezingen verrichtten. LUK 9:7 Onzekerheid van Herodes. Intussen hoorde de viervorst Herodes alles wat er gebeurde en wist niet wat hij ervan denken moest. Sommigen immers zeiden: 'Johannes is verrezen uit de doden'; LUK 9:8 anderen: 'Elia is verschenen'; en weer anderen: 'een van de oude profeten is opgestaan.' LUK 9:9 Maar Herodes zei: 'Johannes heb ik onthoofd. Wie kan dat zijn over wie ik dergelijke verhalen hoor?' Hij wilde Hem daarom te zien krijgen. LUK 9:10 Wonderbare spijziging. Bij hun terugkeer brachten de apostelen aan Jezus verslag uit over alles wat zij gedaan hadden. Hij nam hen mee en trok zich terug in de richting van een stad die Betsa da heette, om met hen alleen te zijn. LUK 9:11 Maar het volk kwam het te weten en ging Hem achterna. Hij liet hen tot zich komen en sprak hun over het Rijk Gods; wie genezing nodig hadden, genas Hij. LUK 9:12 Toen de dag ten einde begon te lopen, kwamen de twaalf naar Hem toe en zeiden: 'Stuur de mensen weg, dan kunnen ze naar de dorpen en gehuchten in de omtrek gaan om daar onderdak en voedsel te vinden, want hier zijn we op een eenzame plek.' LUK 9:13 Maar Hij antwoordde: 'Geeft gij hun maar te eten.''Wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen', zeiden ze;'of wijzelf zouden voor al dat volk eten moeten gaan kopen.' LUK 9:14 Er waren naar schatting wel vijfduizend mannen. Hij gelastte nu zijn leerlingen: 'Laat ze gaan zitten in groepen van ongeveer vijftig.' LUK 9:15 Dat deden ze en ze lieten allen plaatsnemen. LUK 9:16 Daarop nam Hij de vijf broden en de twee vissen, sloeg de ogen ten hemel, sprak er de zegen over uit, brak ze en gaf ze aan zijn leerlingen om ze aan de menigte voor te zetten. LUK 9:17 Allen aten tot ze verzadigd waren en wat zij overhielden haalde men op, twaalf korven met brokken. LUK 9:18 De belijdenis van Petrus. Eerste lijdensvoorspelling. Toen Hij eens alleen aan het bidden was en zijn leerlingen bij Hem kwamen, stelde Hij hun de vraag: 'Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?' LUK 9:19 Zij antwoordden: 'Johannes de Doper; anderen zeggen: Elia, en weer anderen: Een van de oude profeten is opgestaan.' LUK 9:20 Hierop zeide Hij tot hen: 'Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?' Nu antwoordde Petrus: 'De Gezalfde van God.' LUK 9:21 Maar Hij verbood hun nadrukkelijk dit aan iemand te zeggen. LUK 9:22 'De Mensenzoon', zo sprak Hij,' moet veel lijden en door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden verworpen worden, maar na ter dood te zijn gebracht, zal Hij op de derde dag verrijzen.' LUK 9:23 Noodzakelijkheid van het lijden. Maar tot allen sprak Hij: 'Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen. LUK 9:24 Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, die zal het redden. LUK 9:25 Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als hij zichzelf hierdoor zijn ondergang en dood berokkent? LUK 9:26 Als iemand zich schaamt over Mij en mijn woorden, zal de Mensenzoon zich over hem schamen, wanneer Hij komt in zijn heerlijkheid en die van zijn Vader en de heilige engelen. LUK 9:27 Waarlijk, Ik zeg u: er zijn er onder de hier aanwezigen die de dood niet zullen ervaren, voordat zij het Rijk Gods zien.' LUK 9:28 De gedaanteverandering. Ongeveer acht dagen na deze woorden nam Hij Petrus, Johannes en Jakobus met zich mee en besteeg de berg om er te bidden. LUK 9:29 Terwijl Hij in gebed was, veranderde zijn gelaat van aanblik en werden zijn kleren verblindend wit. LUK 9:30 En zie, twee mannen waren met Hem in gesprek; het waren Mozes en Elia LUK 9:31 die in heerlijkheid verschenen waren en spraken over zijn heengaan, dat Hij in Jeruzalem zou voltrekken. LUK 9:32 Petrus en zijn metgezellen waren intussen door slaap overmand. Klaar wakker geworden zagen zij zijn heerlijkheid en de twee mannen die bij Hem stonden. LUK 9:33 Toen dezen van Hem heen wilden gaan, zei Petrus tot Jezus: 'Meester, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie tenten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.' Maar hij wist niet wat hij zei. LUK 9:34 Terwijl hij zo sprak, kwam er een wolk die hen overschaduwde. Toen de wolk hen omhulde, werden zij door vrees bewogen. LUK 9:35 Uit de wolk klonk een stem die sprak: 'Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene, luistert naar Hem!' LUK 9:36 Terwijl de stem weerklonk, bevonden zij dat Jezus alleen was. Zij zwegen er over en verhaalden in die tijd aan niemand iets van wat zij gezien hadden. LUK 9:37 Genezing van een bezeten jongen. Toen zij de volgende dag de berg waren afgedaald, kwam Hem een grote menigte tegemoet. LUK 9:38 Opeens riep een man uit de menigte: Meester, wil U toch om mijn zoon bekommeren, hij is mijn enig kind. LUK 9:39 Hij wordt door een geest overweldigd, die hem onverhoeds onder rauwe kreten doet stuiptrekken tot het schuim hem op de mond staat. Slechts noodgedwongen gaat hij van hem weg, terwijl hij hem daarbij nog verschrikkelijk pijnigt. LUK 9:40 Ik heb uw leerlingen gesmeekt hem uit te drijven, maar zij konden het niet.' LUK 9:41 Jezus gaf ten antwoord: 'O, ongelovig en verworden geslacht, hoelang moet Ik nog bij u zijn en u verdragen? Breng u zoon hier.' LUK 9:42 Terwijl hij naderbij kwam, wierp de duivel hem tegen de grond in hevige stuiptrekkingen. Maar Jezus gaf een streng bevel aan de onreine geest, genas de jongen en gaf hem aan zijn vader terug. LUK 9:43 En allen stonden verbaasd over de grootheid van God. Tweede lijdensvoorspelling. Maar terwijl iedereen zich verbaasde over alles wat Hij deed, sprak Hij tot zijn leerlingen: LUK 9:44 'Hebt een open oor voor wat Ik u zeg. De Mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen der mensen.' LUK 9:45 Ofschoon zij die woorden niet begrepen - ze bleven voor hen omsluierd, zodat zij het niet konden vatten - schrokken zij ervoor terug Hem hierover te ondervragen. LUK 9:46 Wordt als kinderen. Zij kregen woorden over de vraag, wie van hen wel de grootste was. LUK 9:47 Maar Jezus die wist wat zij dachten, nam een kind, zette het naast zich LUK 9:48 en sprak tot hen: 'Wie dit kind opneemt in mijn Naam, neemt Mij op, en wie Mij opneemt, neemt Hem op die Mij gezonden heeft. Wie dus de kleinste is onder u allen, die is de grootste.' LUK 9:49 Nu nam Johannes het woord en zei: 'Meester, we hebben iemand in uw Naam duivels zien uitdrijven en we hebben getracht het hem te beletten, omdat hij niet een van uw volgelingen is, zoals wij.' LUK 9:50 Maar Jezus zei tot hem: 'Belet het hem niet; want wie niet tegen u is, is voor u.' LUK 9:51 Werkzaamheid van Jezus op weg naar Jeruzalem. Jezus en de Samaritanen. Toen de dagen van zijn verheffing hun vervulling tegemoet gingen, aanvaardde Hij vastberaden de reis naar Jeruzalem en zond boden voor zich uit. LUK 9:52 Dezen kwamen op hun tocht in een Samaritaans dorp om er zijn verblijf voor te bereiden. LUK 9:53 Maar de Samaritanen ontvingen Hem niet, omdat Jeruzalem het doel van zijn reis was. LUK 9:54 Toen de leerlingen Jakobus en Johannes dit gewaar werden, vroegen ze: 'Heer, wilt Gij, dat wij vuur van de hemel afroepen om hen te verdelgen?' LUK 9:55 Maar Hij keerde zich om en wees hen op strenge toon terecht. LUK 9:56 Daarop vertrokken zij naar een ander dorp. LUK 9:57 Onthechting, voorwaarde om Jezus te volgen. Terwijl zij onderweg waren, zei iemand tot Hem: 'Ik zal U volgen, waar Gij ook heen gaat.' LUK 9:58 Jezus sprak tot hem: 'De vossen hebben holen en de vogels hun nesten, maar de Mensenzoon heeft niets waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten.' LUK 9:59 Tot een ander sprak Hij: 'Volg Mij.' Deze vroeg: 'Heer, laat mij eerst teruggaan om mijn vader te begraven.' LUK 9:60 Jezus zei tot hem: 'Laat de doden hun doden begraven; maar gij, ga heen en verkondig het Rijk Gods.' LUK 9:61 Weer een ander zeide: 'Ik zal U volgen, Heer, maar laat mij eerst afscheid nemen van mijn huisgenoten.' LUK 9:62 Tot hem sprak Jezus: 'Wie de hand aan de ploeg slaat, maar omziet naar wat achter hem ligt, is ongeschikt voor het Rijk Gods.' LUK 10:1 Zending van de 72 leerlingen. Hierna wees de Heer (twee en) zeventig anderen aan en zond hen twee voor twee voor zich uit naar alle steden en plaatsen, waarheen Hijzelf van plan was te gaan. LUK 10:2 Hij sprak tot hen: 'De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten. LUK 10:3 Gaat dan, maar zie, Ik zend u als lammeren tussen wolven. LUK 10:4 Neemt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoeisel; en groet niemand onderweg. LUK 10:5 Laat in welk huis gij ook binnengaat uw eerste woord zijn: Vrede aan dit huis! LUK 10:6 Woont daar een vredelievend mens, dan zal uw vrede op hem rusten; zo niet, dan zal hij op u terugkeren. LUK 10:7 Blijft in dat huis en eet en drinkt wat zij u aanbieden; want de arbeider is zijn loon waard. Gaat niet van het ene huis naar het andere. LUK 10:8 In elke stad waar ge binnengaat en ontvangen wordt, eet wat u wordt voortgezet, LUK 10:9 geneest de zieken die er zijn en zegt tot hen: Het Rijk Gods is u nabij. LUK 10:10 In elke stad waar ge binnengaat en niet ontvangen wordt, trekt daar door de straten en zegt: LUK 10:11 Zelfs het stof uit uw stad dat aan onze voeten kleeft, schudden wij tegen u af. Maar weet dit wel: Het Rijk Gods is nabij. LUK 10:12 Ik zeg u: Op die dag zal het voor de mensen van Sodom draaglijker zijn dan voor die stad. LUK 10:13 Wee u, Chorazim, wee u, Betsa da! Tyrus en Sidon zouden reeds lang neerzittend in zak en as, zich bekeerd hebben, indien bij hen de wonderen waren gebeurd, die bij u hebben plaats gevonden. LUK 10:14 Ja, het lot van Tyrus en Sidon zal bij het oordeel beter te dragen zijn dan dat van u. LUK 10:15 En gij, Kafarnaüm, zult ge soms tot de hemel toe verheven worden? Tot in de onderwereld zult ge neerzinken. LUK 10:16 Wie naar u luistert, luistert naar Mij; en wie u verstoot, verstoot Mij. Wie Mij verstoot, verstoot Hem die Mij gezonden heeft.' LUK 10:17 De (twee en) zeventig keerden vol blijdschap terug en zeiden: 'Heer, zelfs de duivels onderwerpen zich aan ons door uw Naam.' LUK 10:18 Hij zeide tot hen: 'Ik zag de satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen. LUK 10:19 Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden, te heersen over heel de kracht van de vijand; en niets zal u kunnen schaden. LUK 10:20 Toch moet ge u niet verheugen over het feit dat de duivels aan u onderworpen zijn, maar verheugt u omdat uw namen staan opgetekend in de hemel.' LUK 10:21 Aan kleinen geopenbaard. Op dat uur jubelde Hij het uit, vervuld van de heilige Geest, en sprak: 'Ik prijs U Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kleinen. Ja, Vader, zo heeft het U behaagd. LUK 10:22 Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven. Niemand weet wie de Zoon is tenzij de Vader; en wie de Vader is tenzij de Zoon en hij aan wie de Zoon het wil openbaren.' LUK 10:23 Daarop keerde Hij zich naar zijn leerlingen afzonderlijk en zei tot hen: 'Gelukkig de ogen die zien wat gij ziet. LUK 10:24 Ik zeg u: Vele profeten en koningen verlangden te zien wat gij ziet, maar zij hebben het niet gezien; en te horen, wat gij hoort, maar zij hebben het niet gehoord.' LUK 10:25 Het voornaamste gebod. Daar trad een wetgeleerde naar voren om Hem op de proef te stellen. Hij zeide: 'Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?' LUK 10:26 Hij sprak tot hem: 'Wat staat er geschreven in de Wet? Wat leest ge daar?' LUK 10:27 Hij gaf ten antwoord: 'Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart en geheel uw ziel, met al uw krachten en geheel uw verstand; en uw naaste gelijk uzelf.' LUK 10:28 Jezus zeide: 'Uw antwoord is juist, doe dat en ge zult leven.' LUK 10:29 Maar omdat hij zijn vraag wilde verantwoorden, sprak hij tot Jezus: 'En wie is dan mijn naaste?' LUK 10:30 Nu nam Jezus weer het woord en zei: 'Eens viel iemand, die op weg was van Jeruzalem naar Jericho, in de handen van rovers. Ze plunderden en mishandelden hem en toen ze aftrokken, lieten ze hem half dood liggen. LUK 10:31 Bij toeval kwam er juist een priester langs die weg; hij zag hem wel, maar liep in een boog om hem heen. LUK 10:32 Zo deed ook een leviet; hij kwam daar langs, zag hem, maar liep in een boog om hem heen. LUK 10:33 Toen kwam een Samaritaan die op reis was, bij hem; hij zag hem en kreeg medelijden; LUK 10:34 hij trad op hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze; daarna tilde hij hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem. LUK 10:35 De volgende morgen haalde hij twee denariën te voorschijn, gaf ze aan de waard en zei: Zorg goed voor hem, en wat ge meer mocht besteden, zal ik u bij mijn terugkomst vergoeden. LUK 10:36 Wie van deze drie lijkt u de naaste van de man die in handen van de rovers gevallen is?' LUK 10:37 Hij antwoordde: 'Die hem barmhartigheid betoond heeft.' En Jezus sprak: 'Ga dan en doet gij evenzo.' LUK 10:38 Maria en Marta. Op hun tocht kwam Hij in een dorp, waar een vrouw die Marta heette, Hem in haar woning ontving. LUK 10:39 Ze had een zuster, Maria, die gezeten aan de voeten van de Heer, luisterde naar zijn woorden. LUK 10:40 Marta werd in beslag genomen door de drukte van het bedienen, maar ze kwam er een ogenblik bij staan en zei: 'Heer, laat het U onverschillig, dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dan dat ze mij moet helpen.' LUK 10:41 De Heer gaf haar ten antwoord: 'Marta, Marta, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen. LUK 10:42 Slechts een ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen, en het zal haar niet ontnomen worden.' LUK 11:1 De kracht van het gebed. Op een keer was Hij ergens aan het bidden. Toen Hij ophield, zei een van zijn leerlingen tot Hem: 'Heer, leer ons bidden, zoals Johannes het ook aan zijn leerlingen geleerd heeft.' LUK 11:2 Hij sprak tot hen: 'Wanneer ge bidt, zegt dan: Vader, Uw Naam worde geheiligd, Uw Rijk kome. LUK 11:3 Geef ons iedere dag ons dagelijks brood, LUK 11:4 en vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven aan ieder die ons iets schuldig is, En leid ons niet in bekoring.' LUK 11:5 Hij vervolgde: 'Stel, iemand van u heeft een vriend. Midden in de nacht gaat hij naar hem toe en zegt: Vriend, leen mij drie broden, LUK 11:6 want een vriend van mij is van een reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten. LUK 11:7 Zou die ander van binnen uit dan antwoorden: 'Val me niet lastig, de deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in bed; ik kan niet opstaan om het je te geven? LUK 11:8 Ik zeg u: als hij al niet opstaat en het hem geeft omdat hij zijn vriend is, zal hij toch opstaan en hem geven al wat hij nodig heeft, om zijn onbescheiden aandringen. LUK 11:9 Tot u zeg Ik hetzelfde: Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan. LUK 11:10 Want al wie vraagt, verkrijgt; wie zoekt, vindt; en voor wie klopt, wordt opengedaan. LUK 11:11 Is er soms onder u een vader die aan zijn zoon een steen zal geven, als deze hem om brood vraagt? Of als hij om vis vraagt, zal hij hem toch in plaats van vis geen slang geven? LUK 11:12 Of als hij een ei vraagt, zal hij hem toch geen schorpioen geven? LUK 11:13 Als gij dus, ofschoon ge slecht zijt, goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen.' LUK 11:14 Jezus' zelfverdediging. Toen Hij eens een duivel uitdreef die stom was, kon de stomme, zodra de duivel was uitgevaren, weer spreken. De mensen stonden er verbaasd van. LUK 11:15 Maar enkelen van hen zeiden: 'Door Beëlzebul, de vorst der duivels, drijft Hij de duivels uit.' LUK 11:16 Anderen, om Hem op de proef te stellen, verlangen van Hem een teken uit de hemel. LUK 11:17 Maar Hij kende hun gedachten en sprak tot hen: 'Elk rijk dat innerlijk verdeeld is, vervalt tot een woestenij, het ene huis valt op het andere. LUK 11:18 Als nu ook de satan met zichzelf in strijd is, hoe kan zijn rijk dan standhouden? Ge zegt immers, dat ik door Beëlzebul de duivels uitdrijf. LUK 11:19 Als Ik door Beëlzebul de duivels uitdrijf, door wie drijven uw zonen ze dan uit? Daarom zullen zij uw rechters zijn. LUK 11:20 Maar als ik door de vinger Gods de duivels uitdrijf, dan is inderdaad het Rijk Gods tot u gekomen. LUK 11:21 Wanneer een sterke, welbewapend, zijn huis en hof bewaakt, is zijn bezit veilig. LUK 11:22 Komt er echter iemand die sterker is dan hij en die hem overwint, dan rooft deze zijn volle uitrusting, waarop hij zijn vertrouwen stelde, en verdeelt wat hij bezit als buit. LUK 11:23 Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij bijeenbrengt, drijft uiteen. LUK 11:24 Van kwaad tot erger. Wanneer de onreine geest een mens verlaat, gaat hij rondzwerven in dorre streken op zoek naar rust. Vindt hij die niet, dan zegt hij: Ik keer terug naar mijn huis, dat ik verlaten heb. LUK 11:25 Bij zijn komst vind hij het schoongemaakt en op orde. LUK 11:26 Dan gaat hij zeven andere geesten erbij halen, nog slechter dan hijzelf; ze trekken erin en gaan daar wonen. Het laatste is voor die mens nog erger dan het eerste.' LUK 11:27 Het ware geluk. Terwijl Hij zo aan het spreken was, verhief een vrouw uit de menigte haar stem en riep Hem toe: 'Gelukkig de schoot die U gedragen heeft en de borsten die U hebben gevoed.' LUK 11:28 Maar Hij sprak: 'Veeleer gelukkig die naar het woord van God luisteren en het onderhouden.' LUK 11:29 Het teken van Jona. Toen het volk samenstroomde, begon Hij te spreken: 'Dit geslacht is een verdorven geslacht; het verlangt een teken, maar geen ander teken zal het gegeven worden dan het teken van Jona. LUK 11:30 Zoals namelijk Jona een teken werd voor de Ninevieten, zo zal ook de Mensenzoon het zijn voor dit geslacht. LUK 11:31 De koningin van het Zuiden zal bij het oordeel opstaan samen met de mensen van dit geslacht en hen veroordelen, want zij kwam van het uiteinde der aarde om te luisteren naar de wijsheid van Salomo; welnu hier is meer dan Salomo. LUK 11:32 De mensen van Nineve zullen bij het oordeel opstaan samen met dit geslacht en het veroordelen, want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona: welnu, hier is meer dan Jona. LUK 11:33 De lamp onder de korenmaat. Niemand die een lamp aansteekt, zet die in een verscholen hoek of onder de korenmaat, maar op de standaard, opdat wie binnenkomt de lichtglans kan zien. LUK 11:34 De lamp van het lichaam is uw oog. Wanneer uw oog helder is, is ook heel uw lichaam verlicht. Is het echter slecht, dan is ook uw lichaam duister. LUK 11:35 Zie dus toe, of het licht in u geen duisternis is. LUK 11:36 Als nu heel uw lichaam verlicht is, geen plekje donker meer heeft, dan zal het in zijn geheel zo verlicht zijn als wanneer de lamp u met haar helle stralen verlicht.' LUK 11:37 Wee u, Farizeeën. Bij gelegenheid van deze toespraak nodigde een Farizeeër Hem uit de maaltijd bij hem te gebruiken. Hij trad dus binnen en ging aanliggen. LUK 11:38 Toen de Farizeeër dat zag, stond hij er verwonderd over, dat Jezus niet eerst voor de maaltijd de wassingen verricht had. LUK 11:39 Maar de Heer sprak tot hem: 'En gij dan, Farizeeër, gij maakt wel de buitenkant van beker en schotel schoon, maar van binnen zijt ge vol van roof en slechtheid. LUK 11:40 Dwazen! Heeft Hij die de buitenkant maakte ook niet de binnenkant gemaakt? LUK 11:41 Geeft liever wat erin is als aalmoes; dan is voor u alles rein. LUK 11:42 Maar wee u, Farizeeër! Gij betaalt wel tienden van munt en wijnruit en allerlei kruiken, maar bekommert u niet om rechtvaardigheid en liefde tot God. Het ene moet men doen en het andere niet verwaarlozen. LUK 11:43 Wee u, Farizeeën! Gij zijt belust op de voornaamste zetel in de synagoge en de begroetingen op de markt. LUK 11:44 Wee u! Gij zijt gelijk aan onzichtbare graven, waar de mensen overheen wandelen zonder het te weten.' LUK 11:45 Hier nam een van de wetgeleerden het woord en zei tot Hem: 'Meester, door zo te spreken beledigt Ge ook ons.' LUK 11:46 Hij antwoordde echter: 'Wee ook u, wetgeleerden! Gij legt de mensen haast ondraaglijke lasten op en raakt zelf die lasten niet met een van uw vingers aan. LUK 11:47 Wee u! Gij bouwt de graven van de profeten, maar uw vaderen hebben hen gedood. LUK 11:48 Hiermee legt gij getuigenis af dat gij instemt met de werken van uw vaderen, want zij doodden hen en gij bouwt hun graven. LUK 11:49 Daarom ook heeft Gods wijsheid gezegd: Ik zal profeten en afgezanten tot hen zenden, maar sommigen van hen zullen zij doden en vervolgen, LUK 11:50 zodat dit geslacht verantwoordelijk gesteld zal worden voor het bloed van alle profeten, dat vergoten is vanaf de grondvesting der wereld, LUK 11:51 vanaf het bloed van Abel tot het bloed van Zacharia, die gedood werd tussen het altaar en het tempelgebouw. Ja, Ik zeg u, dit geslacht zal verantwoordelijk zijn! LUK 11:52 Gij hebt de sleutel van de kennis weggenomen. Zelf zijt ge niet binnengegaan, en hun die het wilden, hebt ge het belet.' LUK 11:53 Toen Hij naar buiten kwam, begonnen de schriftgeleerden en de Farizeeën, hevig op Hem gebeten, Hem allerlei netelige vragen te stellen LUK 11:54 met de heimelijke bedoeling Hem op grond van de een of andere uitlating te kunnen vangen. LUK 12:1 Weest niet bang. In die tijd toen duizenden mensen waren samengestroomd, zodat men elkaar haast onder de voet liep, richtte Hij zich eerst tot zijn leerlingen: 'Wacht u voor het zuurdeeg, dat wil zeggen, de huichelarij van de Farizeeën. LUK 12:2 Niets is bedekt of het zal onthuld en niets verborgen of het zal geweten worden. LUK 12:3 Want alles wat gij in het donker gezegd hebt, zal gehoord worden in het licht, en wat gij binnenskamers in het oor gefluisterd hebt, zal van de daken verkondigd worden. LUK 12:4 Tot u, die mijn vrienden zijt, zeg Ik: 'Vreest niet hen die het lichaam doden, maar daarna niets ergers kunnen doen. LUK 12:5 Ik zal u zeggen wie gij moet vrezen: vreest Hem die, nadat Hij gedood heeft, macht bezit om in de hel te werpen. Ja, Ik zeg u, vreest Hem! LUK 12:6 Kan men niet vijf mussen kopen voor twee stuivers? Toch vergeet God niet een van hen. LUK 12:7 Ja, zelfs de haren op uw hoofd zijn alle geteld. Weest dus niet bevreesd: gij zult meer waard zijn dan een zwerm mussen. LUK 12:8 Ik zeg u: ieder die Mij bij de mensen belijdt, hem zal de Mensenzoon als de zijne erkennen bij Gods engelen. LUK 12:9 Maar wie Mij tegenover de mensen verloochend heeft, zal verloochend worden tegenover Gods engelen. LUK 12:10 Aan ieder die zich zal kanten tegen de Mensenzoon zal het vergeven worden, maar hem die de heilige Geest heeft gelasterd, zal het niet vergeven worden. LUK 12:11 Wanneer men u brengt voor de synagogen, overheden en machthebbers, maakt u dan niet bezorgd over het hoe of wat van uw antwoord ter verdediging; LUK 12:12 op dat ogenblik zal de heilige Geest u leren wat gij moet zeggen.' LUK 12:13 Rijkdom en dwaasheid. Uit het volk zei iemand tegen Hem: 'Meester, zeg aan mijn broer, dat hij de erfenis met mij deelt.' LUK 12:14 Maar Jezus antwoordde hem: 'Man, wie heeft Mij over u beiden tot rechter of bemiddelaar aangesteld?' LUK 12:15 En Hij sprak tot hem: 'Pas op en wacht u voor alle hebzucht! Want geen enkel bezit, al is dit nog zo overvloedig, kan uw leven veilig stellen.' LUK 12:16 Hij vertelde hun de volgende gelijkenis: 'Het land van een rijk man had een grote oogst op geleverd. LUK 12:17 Daarom overlegde deze bij zichzelf: Wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte om mijn oogst te bergen. LUK 12:18 En hij zei: Dit ga ik doen: ik breek mijn schuren af en bouw grotere: daarin zal ik dan heel mijn rijkdom aan koren bergen. LUK 12:19 Dan zal ik tot mij zelf zeggen: Man, je hebt een grote rijkdom liggen, voor lange jaren, rust nu uit eet en drink en geniet ervan! LUK 12:20 Maar God sprak tot hem: Dwaas! Nog deze nacht komt men je leven van je opeisen; en al die voorzieningen die je getroffen hebt, voor wie zijn die dan? LUK 12:21 Zo gaat het met iemand die schatten vergaart voor zichzelf, maar niet rijk is bij God.' LUK 12:22 Weest niet bezorgd. Hij sprak nu tot zijn leerlingen: 'Daarom zeg Ik u: weest niet bezorgd voor uw leven, wat ge zult eten en ook niet voor uw lichaam, wat ge zult aantrekken. LUK 12:23 Het leven is meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding. LUK 12:24 Let eens op de raven; ze zaaien niet en maaien niet, ze hebben geen voorraadkamer of schuur, maar God voedt ze. Hoeveel meer zijt gij dan de vogels! LUK 12:25 Trouwens, wie van U is in staat met al zijn tobben aan zijn levensweg een el toe te voegen? LUK 12:26 Als ge dus zelfs machteloos staat tegenover zoiets gerings, wat tobt ge dan over de rest? LUK 12:27 Let eens op de bloemen, hoe zij groeien; zij spinnen noch weven. Toch zeg Ik u: zelfs Salomo in al zijn pracht was niet gekleed als een van hen. LUK 12:28 Als God nu het veldkruid, dat er vandaag nog staat en morgen in de oven wordt geworpen, zo kleedt, hoeveel te meer dan u, kleingelovigen? LUK 12:29 Vraagt dus ook gij niet, wat ge zult eten en wat ge zult drinken, en weest niet ongerust. LUK 12:30 Want dat alles jagen de heidenen in de wereld na. Uw vader weet wel, dat gij dat alles nodig hebt. LUK 12:31 Maar zoekt dan zijn Rijk, dan zullen die dingen u erbij gegeven worden. LUK 12:32 Weest niet bevreesd, kleine kudde: het heeft Uw Vader behaagd u het Koninkrijk te schenken. LUK 12:33 Verkoopt uw bezittingen en geeft aalmoezen; verschaft u beurzen die niet verslijten, en verwerft een onuitputtelijke schat in de hemel, waar geen dief bij komt en geen mot hem bederft. LUK 12:34 Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.' LUK 12:35 Weest waakzaam. Houdt uw lenden omgord en de lampen brandend! LUK 12:36 Gedraagt u als mensen die wachten op de terugkomst van hun heer, die naar de bruiloft is, om als hij aankomt en klopt, hem aanstonds open te doen. LUK 12:37 Gelukkig de dienaars, die de heer bij zijn komst wakende zal vinden. Voorwaar, Ik zeg u: Hij zal zich omgorden, hen aan tafel nodigen en langs hen gaan om te bedienen. LUK 12:38 Al komt hij ook in de tweede of in de derde nachtwake, gelukkig zijn de dienaars die hij zo aantreft. LUK 12:39 Begrijpt dit wel: Als de eigenaar van het huis wist op welk uur de dief zou komen, zou hij in zijn huis niet laten inbreken. LUK 12:40 Weest ook gij bereid, omdat de Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht.' LUK 12:41 Petrus vroeg Hem nu: 'Heer, bedoelt Gij deze gelijkenis voor ons of voor iedereen?' LUK 12:42 De Heer sprak: 'Wie zou die trouwe en verstandige beheerder wel zijn, die de heer over zijn dienstvolk zal aanstellen om hun op de gestelde tijd hun rantsoen koren te geven? LUK 12:43 Gelukkig de knecht, die de heer bij zijn aankomst daarmee bezig vindt. LUK 12:44 Waarlijk, Ik zeg u: hij zal hem aanstellen over alles wat hij bezit. LUK 12:45 Maar zegt die knecht bij zichzelf: Mijn heer blijft nog wel een poosje weg, en begint hij de knechten en dienstmeisjes te slaan, en gaat hij zich ook te buiten aan spijs en drank, LUK 12:46 dan zal de heer van die knecht komen op een dag dat hij hem niet verwacht en op een uur dat hij niet kent; hij zal hem met het zwaard straffen en hem zo het lot doen ondergaan van de ontrouwen. LUK 12:47 De knecht die de wil van zijn heer kende, maar geen beschikkingen trof noch handelde volgens diens wil, zal zwaar getuchtigd worden. LUK 12:48 Wie echter in onwetendheid dingen heeft gedaan die tuchtiging verdienen, zal slechts licht gestraft worden. Van ieder aan wie veel is gegeven, zal veel worden geëist, en wie veel is toevertrouwd, ven hem zal des te meer worden gevraagd. LUK 12:49 Strijd en vrede. Vuur ben Ik op aarde komen brengen, en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait! LUK 12:50 Ik moet een doopsel ondergaan, en hoe beklemd voel Ik Mij totdat het volbracht is. LUK 12:51 Meent gij, dat Ik op aarde vrede ben komen brengen? Neen, zeg Ik u, juist verdeeldheid. LUK 12:52 Want van nu af zullen er vijf in een huis verdeeld zijn; drie zullen er staan tegenover twee en twee tegenover drie; LUK 12:53 de vader tegenover de zoon en de zoon tegenover de vader; de moeder tegenover de dochter en de dochter tegenover de moeder, de schoonmoeder tegenover haar schoondochter en de schoondochter tegenover de schoonmoeder.' LUK 12:54 Denkt aan het oordeel. En tot het volk zei Hij: 'Wanneer gij een wolk ziet opkomen uit het westen, zegt ge terstond: er komt regen; en zo gebeurt het ook. LUK 12:55 En wanneer ge ziet dat er een zuidenwind waait, zegt ge: het wordt gloeiend heet; en het gebeurt. LUK 12:56 Huichelaars! Van het beeld van land en lucht weet ge de juiste betekenis te bepalen, maar waarom dan niet van deze tijd? LUK 12:57 Hoe komt het dat ge niet uit uzelf de juiste gevolgtrekking maakt? LUK 12:58 Wanneer gij met uw tegenpartij naar de overheid gaat, doe dan onderweg nog moeite u van hem te bevrijden; anders zou hij u wel eens voor de rechter kunnen slepen, de rechter zal u aan de gerechtsdienaar overleveren, en de gerechtsdienaar zal u in de gevangenis werpen. LUK 12:59 Ik zeg u: Ge zult er niet uitkomen, voordat ge tot de laatste cent betaald hebt.' LUK 13:1 Schuld en lijden. Juist in die tijd waren er bij Jezus enkele mensen die Hem vertelden van de Galileeërs, wier bloed Pilatus met dat van hun offerdieren vermengd had. LUK 13:2 Daarop zei Hij: Denkt ge, dat onder alle Galileeërs alleen dezen zondaars waren, omdat zij dat lot ondergaan hebben? LUK 13:3 Volstrekt niet, zeg Ik u. Maar als gij u niet bekeert, zult ge allen op een dergelijke manier omkomen. LUK 13:4 Of die achttien die gedood werden, doordat de toren bij de Siloam op hen viel: denkt ge dat die alleen schuldig waren onder alle mensen die in Jeruzalem woonden? LUK 13:5 Volstrekt niet, zeg Ik u. Maar als gij niet tot bekering komt, zult ge allen op eenzelfde wijze omkomen.' LUK 13:6 De onvruchtbare vijgeboom. Hij vertelde nu deze gelijkenis: 'Iemand had een vijgeboom die in zijn wijngaard geplant stond; hij kwam zoeken of er vrucht aan zat, maar vond niets. LUK 13:7 Toen zei hij tot de wijngaardenier: Al sinds drie jaar kom ik aan deze vijgeboom vruchten zoeken, maar ik vind er geen. Hak hem om: waartoe put hij nog de grond uit? LUK 13:8 Maar de man gaf hem ten antwoord: Heer, laat hem dit jaar nog staan; laat mij eerst de grond er omheen omspitten en er mest op brengen. LUK 13:9 Misschien draagt hij het volgend jaar vrucht; zo niet, dan kunt ge hem omhakken.' LUK 13:10 Genezing op sabbat van een vrouw. Eens onderrichtte Hij op sabbat in een van de synagogen, LUK 13:11 toen er plotseling een vrouw kwam die bezeten door een geest, achttien jaar lang ziek was; zij was kromgebogen en kon zich in het geheel niet oprichten. LUK 13:12 Toen Jezus haar zag, riep Hij haar bij zich en sprak: 'Vrouw, ge zijt van uw ziekte verlost.' LUK 13:13 Hij legde haar de handen op en op hetzelfde ogenblik richtte zij zich op en verheerlijkte God. LUK 13:14 Geërgerd, omdat Jezus op sabbat genas, nam nu de overste van de synagoge het woord en sprak tot het volk: 'Zes dagen zijn er waarop gewerkt moet worden. Komt u dus op die dagen laten genezen en niet op de sabbatdag.' LUK 13:15 Jezus gaf hem ten antwoord: 'Huichelaars! Maakt niet ieder van u op sabbat zijn os of ezel van de voederbak los, om hem naar de drinkplaats te voeren? LUK 13:16 En behoorde dan deze vrouw, nog wel de dochter van Abraham, die niet minder dan achttien jaar lang door de duivel is kromgesloten, niet van die boeien bevrijd te worden op de sabbatdag?' LUK 13:17 Toen Hij dit zei, stonden al zijn tegenstanders beschaamd. Maar heel de menigte verheugde zich over al de heerlijke daden die Hij verrichtte. LUK 13:18 Het mosterdzaadje en de gist. Hij zeide: 'Waarop gelijkt het Koninkrijk Gods, waarmee zal Ik het vergelijken? LUK 13:19 Het gelijkt op een mosterdzaadje, dat iemand in zijn tuin zaaide, het groeide en werd een grote boom en de vogels uit de lucht nestelde in zijn takken.' LUK 13:20 Hij zei ook nog: 'Waarmee zal Ik het Rijk Gods vergelijken? LUK 13:21 Het gelijkt op gist, die een vrouw in drie maten bloem verwerkte, totdat deze in hun geheel gegist waren.' LUK 13:22 Waarschuwing aan de ongelovige Joden: roeping van de heidenen. Hij trok rond door steden en dorpen, gaf er onderricht en zette zijn reis voort naar Jeruzalem. LUK 13:23 Iemand vroeg Hem: 'Heer, zijn er weinig die gered worden?' Maar Hij sprak tot hen: LUK 13:24 'Spant u tot het uiterste in om door de nauwe deur binnen te komen, want, Ik zeg u, velen zullen het proberen, maar er niet in slagen binnen te komen. LUK 13:25 Als eenmaal de huisvader is opgestaan en de deur gesloten heeft en gij dan buiten op de stoep begint te kloppen en te roepen: Heer, doe open! zal Hij u antwoorden: Ik weet niet waar gij vandaan komt. LUK 13:26 Dan zult ge opwerpen: In uw tegenwoordigheid hebben wij gegeten en gedronken, en in onze straten hebt Gij onderricht gegeven. Maar weer zal zijn antwoord zijn: Ik weet niet waar gij vandaan komt. LUK 13:27 Gaat weg van Mij, gij allen, bedrijvers van ongerechtigheid. LUK 13:28 Daar zal geween zijn en tandengeknars, wanneer gij Abraham, Isaak en Jakob en al de profeten zult zien in het Rijk Gods, terwijl ge zelf buiten geworpen zult zijn. LUK 13:29 Zij zullen komen uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden, en aanzitten in het Koninkrijk Gods. LUK 13:30 Denkt eraan: er zijn laatsten die eersten en eersten die laatsten zullen zijn.' LUK 13:31 Jezus door Herodes bedreigd. In diezelfde tijd kwamen enige Farizeeën Hem zeggen: 'Vlucht, ga hier vandaan, want Herodes wil U vermoorden.' LUK 13:32 Hij sprak tot hen: 'Gaat aan die vos zeggen: Zie, Ik drijf duivels uit en Ik bewerk genezingen vandaag en morgen; en op de derde dag komt voor Mij de voltooiing. LUK 13:33 Maar vandaag, morgen en overmorgen moet Ik voorttrekken, want het past niet, dat een profeet buiten Jeruzalem omkomt. LUK 13:34 Bezorgdheid over Jeruzalem. Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt die tot u zijn gezonden! Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen verzamelen, zoals een kloek haar kuikens verzamelt onder haar vleugels, maar gij hebt niet gewild. LUK 13:35 Zie, uw huis zal onbewoond achtergelaten worden. Ik zeg u: Gij zult Mij niet meer zien, totdat de tijd komt waarop gij zult zeggen: Gezegend de Komende in de naam des Heren.' LUK 14:1 Genezing op sabbat van een waterzuchtige. Toen Hij op een sabbat het huis van een van de voornaamste Farizeeën binnenging om de maaltijd te gebruiken, hielden zij Hem voortdurend in het oog. LUK 14:2 Op een gegeven ogenblik werd Hij een man gewaar, die aan waterzucht leed. LUK 14:3 Daarop richtte Jezus zich tot de wetgeleerden en Farizeeën met de vraag: 'Mag men op sabbat iemand genezen of niet?' LUK 14:4 Maar zij zeiden niets. Daarop legde Hij zijn hand op hem, genas hem en liet hem heengaan. LUK 14:5 Vervolgens keerde Hij zich tot hem met de woorden: 'Wie van u zal niet terstond als zijn zoon of zijn os in een put valt, hen eruit trekken, ook al is het sabbat?' LUK 14:6 Ze waren niet in staat er iets tegen in te brengen. LUK 14:7 De voornaamste plaats aan tafel. Daar Hij opmerkte, hoe de genodigden de voornaamste plaatsen aan tafel uitzochten, hield Hij hun de volgende gelijkenis voor: LUK 14:8 Wanneer gij door iemand op een bruiloft wordt genodigd, ga dan niet aanliggen op de voornaamste plaats. Het zou kunnen zijn, dat er door hem iemand is uitgenodigd die voornamer is dan gij, LUK 14:9 en dat degene die u en hem genodigd heeft u komt zeggen: Sta uw plaats aan hem af. Dan zoudt ge vol schaamte de minste plaats moeten innemen. LUK 14:10 Maar ga, wanneer ge ergens genodigd wordt, op de minste plaats aanliggen. Als degene die u heeft uitgenodigd dan komt, zal hij u zeggen: Vriend, ga wat hoger op. Zo zal u een eer te beurt vallen in het oog van allen die met u aanliggen. LUK 14:11 Want al wie zichzelf verheft zal vernederd, en wie zichzelf vernedert, zal verheven worden.' LUK 14:12 Hij zei ook nog, nu tot zijn gastheer: 'Wanneer gij een middag - of een avondmaal geeft, nodig dan niet uw vrienden, broers en bloedverwanten uit en ook geen rijke buren. Het zou kunnen zijn, dat zij op hun beurt u uitnodigen en gij het dus terugkrijgt. LUK 14:13 Maar als ge een gastmaal geeft, nodig armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit. LUK 14:14 Gelukkig zult ge zijn, omdat zij het u niet kunnen vergelden. Het zal u vergolden worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.' LUK 14:15 De onwillige genodigden. Een der tafelgenoten die dit hoorde, zei tot Hem: 'Gelukkig al wie zijn maaltijd zal houden in het Rijk Gods.' LUK 14:16 Hij antwoordde hem: 'Zeker iemand gaf een groot maal en nodigde veel gasten. LUK 14:17 Op het uur van de maaltijd zond hij zijn dienaar om aan de genodigden te zeggen: Komt, alles is gereed. LUK 14:18 Maar zij begonnen zich allen opeens te verontschuldigen. De eerste liet hem zeggen: Ik heb een akker gekocht en moet die noodzakelijk gaan bekijken; ik verzoek u mij wel te willen verontschuldigen. LUK 14:19 Een tweede zei: Ik heb vijf span ossen gekocht en moet ze gaan proberen; ik verzoek u mij te willen verontschuldigen. LUK 14:20 Weer een ander: Ik ben zo pas getrouwd; daarom kan ik niet komen. LUK 14:21 Bij zijn thuiskomst bracht die dienaar dat alles aan zijn meester over. Nu ontstak de heer des huizes in toorn en beval aan zijn dienaar: Haast je naar de straten en stegen van de stad en breng de armen, gebrekkigen, blinden en kreupelen hier binnen. LUK 14:22 Toen de dienaar hem zei: Heer, wat gij bevolen hebt is gebeurd, en nog is er plaats, LUK 14:23 droeg de heer zijn dienaar op: Ga naar de wegen en de binnenpaden en nodig de mensen dringend uit binnen te komen, want mijn huis moet vol worden. LUK 14:24 Ik zeg u: Geen enkel van de mannen die het eerst genodigd waren, zal van mijn feestmaal proeven.' LUK 14:25 Onthechting. Toen talloze mensen met Hem meetrokken, keerde Hij zich om en zei tot hen: LUK 14:26 'Als iemand naar Mij toekomt, die zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij mijn leerling niet zijn. LUK 14:27 Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt, kan hij mijn leerling niet zijn. LUK 14:28 Als iemand van u een toren wil bouwen, zal hij er dan niet eerst voor gaan zitten om een begroting te maken, of hij wel genoeg bezit om hem te voltooien? LUK 14:29 Anders zou het hem kunnen overkomen, als hij de fundering heeft gelegd en niet in staat is het werk tot een einde te brengen, dat allen die het zien hem gaan bespotten LUK 14:30 en zeggen: Die man begon te bouwen maar hij was niet in staat het einde te halen. LUK 14:31 Of welke koning zal, als hij tegen een andere koning ten oorlog wil trekken, niet eerst overleggen of hij sterk genoeg is om met tienduizend man het hoofd te bieden aan iemand die met twintigduizend man tegen hem optrekt? LUK 14:32 Zo niet, dan stuurt hij, als de tegenstander nog ver weg is, een gezantschap en vraagt om de vredesvoorwaarden. LUK 14:33 Zo kan niemand van u mijn leerling zijn, als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit. LUK 14:34 Het zout is iets goeds; maar als ook het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het dan weer bruikbaar gemaakt worden? LUK 14:35 Dan deugt het noch voor het land noch voor de mest, maar men gooit het weg. Wie oren heeft om te horen, hij luistere.' LUK 15:1 Redden wat verloren ging. Telkens kwamen de tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Hem om naar Hem te luisteren. LUK 15:2 De Farizeeën en de schriftgeleerden morden daarover en zeiden: 'Die man ontvangt zondaars en eet met hen.' LUK 15:3 Hij hield hen deze gelijkenis voor: LUK 15:4 'Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft en er een van verliest, laat hij dan niet de negenennegentig in de wildernis achter om op zoek te gaan naar het verlorene, totdat hij het vindt? LUK 15:5 En als hij het vindt legt hij het vol vreugde op zijn schouders, LUK 15:6 gaat naar huis; roept zijn vrienden en buren bij elkaar en zegt hun: Deelt in mijn vreugde, want mijn schaap dat verloren was geraakt, heb ik gevonden. LUK 15:7 Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over een zondaar die zich bekeert, dan over negenennegentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben. LUK 15:8 Of welke vrouw die tien drachmen bezit en een drachme verliest, steekt niet een lamp aan, veegt het huis en zoekt zorgvuldig totdat ze het vindt? LUK 15:9 En als ze die gevonden heeft, roept ze haar vriendinnen en buurvrouwen bij elkaar en zegt: Deelt in mijn vreugde, want de drachme die ik had verloren, heb ik gevonden. LUK 15:10 Zo, zeg ik u, is er vreugde bij de engelen van God over een zondaar die zich bekeert.' LUK 15:11 De verloren zoon. Hij sprak: 'Een man had twee zoons. LUK 15:12 Nu zei de jongste van hen tot zijn vader: Vader, geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb. En hij verdeelde zijn vermogen onder hen. LUK 15:13 Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar en vertrok naar een ver land. Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven. LUK 15:14 Toen hij alles opgemaakt had, kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden. LUK 15:15 Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van dat land, die hem het veld in stuurde om varkens te hoeden. LUK 15:16 En al had hij graag zijn buik willen vullen met de schillen die de varkens aten, niemand gaf ze hem. LUK 15:17 Toen kwam hij tot nadenken en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik verga hier van de honger. LUK 15:18 Ik ga weer naar mijn vader en ik zal hem zeggen: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; LUK 15:19 ik ben niet meer waard uw zoon te heten, maar neem mij aan als een van uw dagloners. LUK 15:20 Hij ging dus op weg naar zijn vader. Zijn vader zag hem al in de verte aankomen, en hij werd door medelijden bewogen; hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk. LUK 15:21 Maar de zoon zei tot hem: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten. LUK 15:22 Doch de vader gelastte zijn knechts: Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan, steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan. LUK 15:23 Haalt het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feestvieren, LUK 15:24 want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden. Ze begonnen dus feest te vieren. LUK 15:25 Intussen was zijn oudste zoon op het land. Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde, hoorde hij muziek en dans. LUK 15:26 Hij riep een van de knechts en vroeg wat dat te betekenen had. LUK 15:27 Deze antwoordde: Uw broer is thuisgekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen. LUK 15:28 Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen. Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong, LUK 15:29 gaf hij zijn vader ten antwoord: Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden, toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven om eens met mijn vrienden feest te vieren. LUK 15:30 En nu die zoon van u is gekomen die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen, hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten. LUK 15:31 Toen antwoordde de vader: Jongen, jij bent altijd bij me en alles wat van mij is, is ook van jou. LUK 15:32 Maar er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was en is teruggevonden.' LUK 16:1 De onrechtvaardige rentmeester. Verder sprak Hij tot zijn leerlingen: 'Er was eens een rijk man die een rentmeester had, die bij hem werd aangeklaagd, dat hij zijn bezit verkwistte. LUK 16:2 Hij riep hem dus en vroeg: Wat hoor ik daar van u? Geef rekenschap van uw beheer, want gij kunt niet langer rentmeester blijven. LUK 16:3 Toen redeneerde de rentmeester bij zichzelf: Wat zal ik doen, nu mijn heer mij het rentmeesterschap afneemt? Spitten kan ik niet, en te bedelen daarvoor schaam ik mij. LUK 16:4 Ik weet al wat ik ga doen, opdat zij mij na mijn ontslag als rentmeester in hun huis opnemen. LUK 16:5 Hij ontbood de schuldenaars van zijn heer, een voor een, en zei tot de eerste: Hoeveel zijt ge aan mijn meester schuldig? LUK 16:6 Deze antwoordde: Honderd vaten olie. Maar hij zei: Hier hebt ge uw schuldbekentenis; ga gauw zitten en schrijf: vijftig. LUK 16:7 Daarop vroeg hij nog aan een tweede: En hoeveel zijt gij schuldig? Deze antwoordde: Honderd maten tarwe. Hij zei hem: Hier hebt ge uw schuldbekentenis; schrijf: tachtig. LUK 16:8 De heer prees het in de onrechtvaardige rentmeester dat hij met overleg had gehandeld, want de kinderen van deze wereld handelen onderling met meer overleg dan de kinderen van het licht. LUK 16:9 Zo zeg Ik u ook: Maakt u vrienden door middel van de onrechtvaardige mammon, opdat, wanneer die u komt te ontvallen, zij u in de eeuwige tenten opnemen. LUK 16:10 Wie betrouwbaar is in het kleinste, is ook betrouwbaar in het grote; en wie onrechtvaardig is in het kleinste, is ook onrechtvaardig in het grote. LUK 16:11 Zijt ge dus niet betrouwbaar geweest in de onrechtvaardige mammon, wie zal u dan het waarachtige goed toevertrouwen? LUK 16:12 Als ge niet betrouwbaar zijt geweest in het beheren van andermans goed, wie zal u dan geven wat gij het uwe kunt noemen? LUK 16:13 Geen knecht kan twee heren dienen, want hij zal de een haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten. Gij kunt niet God dienen en de mammon.' LUK 16:14 De Farizeeën, belust op geld als zij waren, hoorden dit alles aan en lachten Hem uit. LUK 16:15 Hij sprak tot hen: 'Bij de mensen doet gij uzelf als rechtvaardigen voor, maar God kent uw hart. Waar de mensen naar opzien, is in Gods ogen een gruwel. LUK 16:16 Wet en Profeten. De Wet en de profeten golden tot Johannes; sindsdien wordt de Blijde Boodschap van het Rijk Gods verkondigd en iedereen tracht er met geweld binnen te komen. LUK 16:17 Gemakkelijker vergaan hemel en aarde dan dat een haaltje van de Wet wegvalt. LUK 16:18 Wie zijn vrouw verstoot en een ander huwt, pleegt echtbreuk; en wie een door haar man verstoten vrouw huwt, pleegt echtbreuk. LUK 16:19 Lazarus en de rijke. Er was eens een rijk man die in purper en fijn linnen gekleed ging en iedere dag uitbundig feest vierde, LUK 16:20 terwijl een arme, die Lazarus heette, met zweren overdekt voor de poort lag. LUK 16:21 Hij verlangde er naar zijn honger te stillen met wat bij de rijkaard van de tafel viel. Ja, zelfs kwamen honden zijn zweren likken. LUK 16:22 Nu gebeurde het dat de arme stierf en door de engelen in de schoot van Abraham werd gedragen. De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis. LUK 16:23 In de onderwereld, ten prooi aan vele pijnen, sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham, en Lazarus in diens schoot. LUK 16:24 Toen riep hij uit: Vader Abraham, ontferm u over mij en geef Lazarus opdracht de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong daarmee te komen verfrissen, want ik word door de vlammen hier gefolterd. LUK 16:25 Maar Abraham antwoordde: Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw leven uw deel van het goede hebt gekregen en op gelijke manier Lazarus het kwade; daarom ondervindt hij nu hier de vertroosting, maar wordt gij gefolterd. LUK 16:26 Daarenboven gaapt er tussen ons en u voorgoed een wijde kloof, zodat er geen mogelijkheid bestaat, zelfs als men het zou willen, van hier naar u te gaan noch van daar naar ons te komen. LUK 16:27 De rijke zei: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen, LUK 16:28 want ik heb nog vijf broers; laat hij hen waarschuwen, opdat zij niet eveneens in deze plaats van pijniging terecht komen. LUK 16:29 Maar Abraham sprak: Zij hebben Mozes en de profeten; laat ze naar hen luisteren. LUK 16:30 Maar hij zei: Och neen, vader Abraham! Maar als er een uit de doden naar hen toegaat, zullen ze zich bekeren. LUK 16:31 Hij echter sprak tot hem: Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen ze zich ook niet laten overreden, als er iemand uit de doden opstaat.' LUK 17:1 Enkele vermaningen. Hij sprak tot zijn leerlingen: 'Dat er ergernissen komen is onvermijdelijk, maar wee de mens door wiens toedoen ze komen. LUK 17:2 Het zou beter voor hem zijn als men hem een molensteen om de hals deed en in zee wierp, dan dat hij aan een van deze kleinen aanstoot geeft. LUK 17:3 Wacht u daarvoor. Als uw broeder gezondigd heeft, geef hem een berisping; toont hij dan spijt, vergeef het hem. LUK 17:4 Al misdoet hij zevenmaal per dag tegen u, maar zevenmaal ook wendt hij zich tot u met de woorden: Het spijt me, dan moet ge hem vergeven.' LUK 17:5 De apostelen zeiden nu tot de Heer: 'Geef ons meer geloof.' LUK 17:6 De Heer antwoordde: 'Als ge een geloof had als een mosterdzaadje, zoudt ge tot die moerbeiboom zeggen: Maak uw wortels los uit de grond en plant u in de zee, en hij zou u gehoorzamen. LUK 17:7 Onnutte knechten. Wie van u zal tot de knecht die hij in dienst heeft als ploeger of veehoeder bij diens thuiskomst van het land zeggen: Kom meteen aan tafel en tast toe? LUK 17:8 Zal hij niet eerder zeggen: Maak mijn maaltijd klaar, omgord je en bedien mij terwijl ik eet en drink; daarna kun je zelf eten en drinken? LUK 17:9 Moet hij die knecht soms dankbaar zijn, omdat hij heeft uitgevoerd wat hem is opgedragen? LUK 17:10 Zo is het ook met u: wanneer ge alles hebt gedaan wat u opgedragen werd, zegt dan: Wij zijn onnutte knechten; wij hebben alleen maar onze plicht gedaan.' LUK 17:11 De tien melaatsen. Op zijn reis naar Jeruzalem trok Hij door het grensgebied van Samaria en Galilea. LUK 17:12 Toen Hij een dorp binnenging, kwamen Hem tien melaatsen tegemoet; zij bleven op een grote afstand staan LUK 17:13 en riepen luidkeels: 'Jezus, Meester, ontferm U over ons!' LUK 17:14 Hij zag hen en sprak: 'Gaat u laten zien aan de priesters.' En onderweg werden ze gereinigd. LUK 17:15 Een van hen keerde terug, toen hij zag dat hij genezen was, en verheerlijkte God met luider stem. LUK 17:16 Vol dankbaarheid wierp hij zich voor Jezus' voeten neer, en deze man was een Samaritaan. LUK 17:17 Hierop vroeg Jezus: 'Zijn niet alle tien gereinigd? Waar zijn dan de negen anderen? LUK 17:18 Is er niemand teruggekeerd om aan God eer te brengen dan alleen deze vreemdeling? LUK 17:19 En Hij sprak tot hem: 'Sta op en ga heen; uw geloof heeft u gered.' LUK 17:20 De komst van het Rijk Gods. Toen Hem door de Farizeeën de vraag werd gesteld, wanneer het Rijk Gods zou komen, gaf Hij hun ten antwoord: 'De komst van het Rijk Gods kunt ge niet waarnemen. LUK 17:21 Men kan niet zeggen: Kijk, hier is het, of daar is het. Want het Rijk Gods is midden onder u.' LUK 17:22 De komst van de Mensenzoon. Hij zei tot zijn leerlingen: 'Er zal een tijd komen dat gij zult wensen een dag van de Mensenzoon te zien, maar gij zult de Mensenzoon niet zien. LUK 17:23 Als men u zal zeggen: Zie, Hij is daar of: Zie, Hij is hier, gaat er dan niet naar toe en volgt ze niet. LUK 17:24 Want wanneer zijn dag komt, zal de Mensenzoon zijn als de opflitsende bliksem, die schittert van het ene einde van de hemel tot het andere. LUK 17:25 Maar eerst moet Hij veel lijden en door dit geslacht verworpen worden. LUK 17:26 En zoals het was in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Mensenzoon. LUK 17:27 Zij aten en dronken, huwden en werden ten huwelijk gegeven tot op de dag waarop Noach de ark binnenging en de zondvloed kwam, die allen verdelgde. LUK 17:28 Of zoals het was in de dagen van Lot; zij aten en dronken, kochten en verkochten, plantten en bouwden, LUK 17:29 maar op de dag dat Lot uit Sodom vertrok, regende het uit de hemel brandende zwavel, die allen verdelgde, LUK 17:30 zo zal het ook zijn op de dag waarop de Mensenzoon zich openbaart. LUK 17:31 Wie die dag zich op het dak bevindt, terwijl zijn bezittingen binnenshuis zijn, moet niet naar beneden komen om ze te halen, en zo moet wie op het land is, niet terugkeren. LUK 17:32 Denkt aan de vrouw van Lot. LUK 17:33 Wie zijn leven tracht te redden, zal het verliezen en wie het verliest, zal het behouden. LUK 17:34 Ik zeg u: als er in die nacht twee in een bed liggen, zal de een worden meegenomen en de ander achtergelaten. LUK 17:35 Als twee vrouwen samen bezig zijn met malen, zal de een worden meegenomen en de ander achtergelaten.' LUK 17:36 Toen de leerlingen Hem daarop vroegen: 'Waar, Heer?' antwoorde Hij hun: 'Waar het lijk ligt, daar zullen zich de gieren verzamelen.' LUK 18:1 Het volhardend gebed. Hij leerde hun in een gelijkenis dat zij steeds moesten bidden en daarin niet versagen. LUK 18:2 Hij zei: 'Er was eens in een zekere stad een rechter, die zich om God noch gebod bekommerde. LUK 18:3 Er was ook een weduwe in die stad die herhaaldelijk bij hem kwam met het verzoek: Verschaf mij recht ten opzichte van mijn tegenstander. LUK 18:4 Een tijdlang wilde hij niet, maar daarna zei hij bij zichzelf: Al bekommer ik mij om God noch gebod, LUK 18:5 toch zal ik die weduwe recht verschaffen om niet langer geplaagd te worden door haar eindeloze bezoeken.' LUK 18:6 En de Heer sprak: 'Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt! LUK 18:7 Zou God dan geen recht verschaffen aan zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen en naar wie Hij genadig luistert? LUK 18:8 Ik zeg u: Hij zal hun spoedig recht verschaffen. Maar: zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?' LUK 18:9 De Farizeeër en de tollenaar. Met het oog op sommigen, die overtuigd van eigen gerechtigheid, de anderen minachtten, vertelde Hij de volgende gelijkenis. LUK 18:10 'Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de een was een Farizeeër en de andere een tollenaar. LUK 18:11 De Farizeeër stond met opgeheven hoofd en bad bij zichzelf als volgt: God, ik dank u dat ik niet zo ben als de rest van de mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als die tollenaar daar. LUK 18:12 Ik vast tweemaal per week en geef tienden van al mijn inkomsten. LUK 18:13 Maar de tollenaar bleef op een afstand en wilde zelfs niet zijn ogen opheffen naar de hemel; maar hij klopte zich op de borst, en zei: God wees mij, zondaar, genadig. LUK 18:14 Ik zeg u: deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere, want alwie zich verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert zal verheven worden.' LUK 18:15 Laat de kinderen tot mij komen. De mensen brachten ook de kindertjes bij Hem met de bedoeling, dat Hij ze zou aanraken. Bars wezen de leerlingen ze echter af, toen ze dit zagen. LUK 18:16 Maar Jezus riep ze bij zich, terwijl Hij zei: 'Laat die kinderen toch bij Mij komen en houdt ze niet tegen, want aan hen die zijn zoals zij, behoort het Koninkrijk Gods. LUK 18:17 Voorwaar, Ik zeg u: wie het Koninkrijk Gods niet aanneemt als een kind, zal er zeker niet binnengaan. LUK 18:18 De rijke jongeman. Een aanzienlijk man stelde Hem deze vraag: 'Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?' LUK 18:19 Jezus antwoordde: 'Waarom, noemt ge Mij goed? Niemand is goed dan God alleen. LUK 18:20 Ge kent de geboden: Gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet doden, gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen, eer uw vader en uw moeder.' LUK 18:21 Hij gaf Hem ten antwoord: 'Dat alles heb ik onderhouden van mijn jeugd af.' LUK 18:22 Toen Jezus dit hoorde, zei Hij tot hem: 'Toch ontbreekt u een ding: verkoop alles wat ge bezit en deel het uit aan de armen; daarna zult ge een schat bezitten in de hemel. En komt dan terug om Mij te volgen.' LUK 18:23 Maar toen hij dat hoorde, was hij zeer ontdaan, want hij was heel rijk. LUK 18:24 Toen Jezus dit zag, zei Hij: 'Hoe moeilijk is het voor degenen die geld hebben het Koninkrijk Gods binnen te gaan! LUK 18:25 Voor een kameel is het gemakkelijker door het oog van een naald te gaan, dan voor een rijke in het Koninkrijk Gods te komen.' LUK 18:26 De mensen die dit hoorden vroegen: 'Wie kan dan nog gered worden?' LUK 18:27 Hij sprak: 'Wat niet in de macht der mensen ligt, ligt wel in die van God.' LUK 18:28 Daarop zei Petrus: 'Zie, wij hebben ons eigendom prijsgegeven om U te volgen.' LUK 18:29 Jezus antwoordde: 'Voorwaar Ik zeg u: er is niemand die huis of vrouw, broers, ouders of kinderen omwille van het Rijk Gods heeft prijsgegeven, LUK 18:30 of hij ontvangt het in deze tijd dubbel en dwars terug en in de toekomstige wereld het eeuwig leven.' LUK 18:31 Jezus' optreden in Judea. Derde lijdensvoorspelling. Hij nam de twaalf terzijde en sprak tot hen: 'Wij trekken nu op naar Jeruzalem. Daar zal aan de Mensenzoon alles vervuld worden, wat door de profeten geschreven is. LUK 18:32 Hij zal aan de heidenen worden overgeleverd en bespot, mishandeld en bespuwd worden. LUK 18:33 Zij zullen Hem geselen en ter dood brengen, maar op de derde dag zal Hij verrijzen.' LUK 18:34 Zij begrepen er niets van; die uitspraak bleef hun duister, en wat Hij zei konden zij niet volgen. LUK 18:35 Genezing van de blinde te Jericho. Toen Jezus Jericho naderde, zat er langs de weg een blinde te bedelen. LUK 18:36 Hij hoorde veel volk voorbijtrekken en vroeg wat er te doen was. LUK 18:37 Men vertelde hem dat Jezus de Nazoreeër voorbijging. LUK 18:38 Nu begon hij te roepen: 'Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!' LUK 18:39 Die voorop liepen snauwden hem toe te zwijgen; maar hij riep nog veel harder: 'Zoon van David, heb medelijden met mij!' LUK 18:40 Jezus bleef staan en gebood dat hij bij Hem gebracht zou worden. Toen de blinde naderbij gekomen was, vroeg Jezus hem: LUK 18:41 'Wat wilt ge dat Ik voor u doe?' Hij antwoordde: 'Heer, maak dat ik zien kan!' LUK 18:42 Jezus sprak tot hem: 'Word ziende! Uw geloof heeft u genezen.' LUK 18:43 En terstond kon hij zien en volgde Hem, terwijl hij God verheerlijkte. Toen heel het volk dat zag, bracht het eer aan God. LUK 19:1 Zacheüs. Hij ging nu Jericho binnen. Terwijl Hij er doorheen trok, LUK 19:2 poogde een zekere Zacheüs, hoofdambtenaar bij het tolwezen en een rijk man, LUK 19:3 te zien wie Jezus was. Maar hij slaagde daarin niet vanwege de menigte, want hij was klein van gestalte. LUK 19:4 Om Hem toch te zien liep hij hard vooruit en klom in een wilde vijgeboom, omdat Jezus daar langs zou komen. LUK 19:5 Toen Jezus bij de plaats kwam, keek Hij omhoog en zei tot hem: 'Zacheüs, klim vlug naar beneden, want vandaag moet ik in Uw huis te gast zijn.' LUK 19:6 Zacheüs kwam snel naar beneden en ontving Hem vol blijdschap. LUK 19:7 Allen zagen dat en merkten morrend op: 'Hij is bij een zondaar zijn intrek gaan nemen!' LUK 19:8 Maar Zacheüs trad op de Heer toe en sprak: 'Heer. bij deze schenk ik de helft van mijn bezit aan de armen; en als ik iemand iets afgeperst heb, geef ik het hem vierdubbel terug.' LUK 19:9 Jezus sprak tot hem: Vandaag is dit huis heil ten deel gevallen, want ook deze man is een zoon van Abraham. LUK 19:10 De mensenzoon is immers gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.' LUK 19:11 De tien ponden. Toen men dit hoorde, voegde Hij er nog een gelijkenis aan toe, daar Hij dichtbij Jeruzalem was en men meende, dat het Rijk Gods onmiddellijk ging verschijnen. LUK 19:12 Hij zei dus: 'Een man van hoge geboorte ging op reis naar een ver land om het koningschap te verkrijgen en dan terug te keren. LUK 19:13 Hij riep tien van zijn dienaars, gaf hun tien pond en sprak tot hen: Doet daar tijdens mijn afwezigheid zaken mee. LUK 19:14 Zijn landgenoten evenwel haatten hem en stuurden hem een gezantschap achterna om te zeggen: Wij willen niet, dat deze man koning over ons wordt. LUK 19:15 Toen hij, na het koningschap toch verkregen te hebben, was teruggekeerd, liet hij die dienaars roepen aan wie hij zijn geld gegeven had; hij wilde weten, wat ieder voor zaken gedaan had. LUK 19:16 De eerste kwam en zei: Heer, uw pond heeft er tien opgeleverd. LUK 19:17 Hij antwoorde: Uitstekend, goede dienaar! Omdat gij in iets kleins trouw zijt geweest, zult gij gezag hebben over tien steden. LUK 19:18 Daarop kwam de tweede en sprak: Heer, uw pond heeft er vijf opgebracht. LUK 19:19 Ook hem antwoordde hij: En gij, gij zult macht hebben over vijf steden. LUK 19:20 Toen kwam de derde en zei: Heer, hier is uw pond; ik heb dit weggestopt in een doek en zo bewaard; LUK 19:21 ik had angst voor u, omdat ge een streng man zijt, die terugeist wat ge niet hebt uitgezet en oogst wat ge niet hebt gezaaid. LUK 19:22 Aan hem antwoordde hij: Met je eigen woorden zal ik je veroordelen, slechte knecht. Je wist, dat ik een streng man ben, die terugeist wat ik niet uitgezet en oogst wat ik niet gezaaid heb. LUK 19:23 Waarom heb je dan mijn geld niet naar de bank gebracht? Dan had ik het bij mijn terugkomst met rente kunnen opvragen. LUK 19:24 En aan degenen die er bij stonden, beval hij: Neemt hem dat pond af en geeft het aan hem die de tien ponden heeft. LUK 19:25 Ze wierpen op: Heer, die heeft al tien ponden. LUK 19:26 Ik zeg u: Aan ieder die heeft, zal gegeven worden; maar aan wie niet heeft, zal nog ontnomen worden, zelfs wat hij heeft. LUK 19:27 En die vijanden van mij, die mensen die niet wilden dat ik koning over hen werd: brengt ze hier en steekt ze voor mijn ogen neer.' LUK 19:28 De intocht in Jeruzalem. Nadat Jezus deze woorden gesproken had, trok Hij verder en ging op naar Jeruzalem. LUK 19:29 Toen Hij Betfage en Betanië naderde, zond Hij twee van zijn leerlingen LUK 19:30 met de opdracht: 'Gaat naar het dorp daar voor u. Bij uw binnenkomst zult ge een veulen vinden dat vastgebonden staat en waarop nog nooit iemand gezeten heeft; maakt het los en brengt het hier. LUK 19:31 Mocht iemand u vragen: Waarom maakt ge het los? Dan moet ge zeggen: De Heer heeft het nodig.' LUK 19:32 Zij die gestuurd waren, gingen weg en bevonden het zoals Hij hun gezegd had. LUK 19:33 Toen ze het veulen losmaakten, vroegen hun de eigenaars: 'Waarom maakt ge het veulen los?' LUK 19:34 Zij antwoordden: 'De Heer heeft het nodig.' LUK 19:35 Ze brachten het veulen bij Jezus, wierpen er hun mantels over heen en hielpen Jezus erop. LUK 19:36 Terwijl Hij voorttrok, spreidden ze hun mantels op de weg uit. LUK 19:37 Toen Hij (de stad) naderde, begon heel de menigte van zijn leerlingen, reeds op de helling van de Olijfberg, opgetogen en met luider stem God te prijzen wegens alle wonderen die zij gezien hadden, LUK 19:38 zij riepen: 'Gezegend de Koning, die komt in de Naam des Heren! Vrede in de hemel en eer in den hoge!' LUK 19:39 Enige Farizeeën onder het volk zeiden tot Hem.' Meester geef uw leerlingen een terechtwijzing.' LUK 19:40 Hij antwoordde: 'Ik zeg u: Als zij zwijgen zullen de stenen roepen.' LUK 19:41 Weeklacht over Jeruzalem. En toen Hij naderbij kwam, liet Hij zijn blik over de stad gaan en weende over haar, LUK 19:42 terwijl Hij zei: 'Mocht ook gij op deze dag inzien wat u tot vrede strekt! Maar nu is dat voor uw ogen verborgen. LUK 19:43 Er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een wal tegen u opwerpen, u omsingelen en u van alle kanten insluiten; LUK 19:44 zij zullen u met uw kinderen die in u wonen, neersmakken en zij zullen in u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd, waarin barmhartig op u werd neergezien, niet hebt erkend. LUK 19:45 Tempelreiniging. Toen Hij de tempel binnenging, begon Hij de verkopers er uit te jagen, LUK 19:46 terwijl Hij tot hen zei: 'Er staat geschreven: Mijn huis moet een huis van gebed zijn, maar gij hebt er een rovershol van gemaakt.' LUK 19:47 Dagelijks gaf Hij in de tempel onderricht. De hogepriesters, de schriftgeleerden en de vooraanstaanden van het volk zochten een gelegenheid om Hem ter dood te brengen, LUK 19:48 maar zij zagen geen kans om wat dan ook te doen, want al het volk hing aan zijn lippen. LUK 20:1 Vraag naar Jezus' bevoegdheid. Toen Hij op een van deze dagen weer in de tempel onderricht gaf aan het volk en de Blijde Boodschap verkondigde, kwamen de hogepriesters en de schriftgeleerden vergezeld van de oudsten op Hem af, LUK 20:2 en stelden Hem de vraag: 'Zeg ons welke bevoegdheid Gij hebt om dit alles te doen? En wie heeft U die bevoegdheid dan gegeven?' LUK 20:3 Hij gaf hun ten antwoord: 'Ik zal u ook een vraag stellen; zegt Mij: LUK 20:4 Het doopsel van Johannes, kwam dat van de hemel of van de mensen?' LUK 20:5 Zij beraadslaagden onder elkaar: 'Als we zeggen: van de hemel, zal Hij antwoorden: Waarom hebt gij hem dan geen geloof geschonken? LUK 20:6 Maar zeggen we: van de mensen, dan zal heel het volk ons stenigen, want het is er van overtuigd dat Johannes een profeet is.' LUK 20:7 Zij antwoordden dus, dat zij niet wisten waar het vandaan kwam. LUK 20:8 Toen zei Jezus tot hen: 'Dan zeg Ik u evenmin, krachtens welke bevoegdheid Ik zo handel.' LUK 20:9 De misdadige wijnbouwers. Hij wendden zich nu tot het volk met deze gelijkenis: 'Er was eens een man die een wijngaard aanlegde, hem verpachtte aan wijnbouwers en vervolgens voor lange tijd naar den vreemde vertrok. LUK 20:10 Op de vastgestelde tijd zond hij een dienaar naar de wijnbouwers, opdat zij hem zijn deel in de opbrengst van de wijngaard zouden geven. Maar de wijnbouwers mishandelden hem en stuurden hem met lege handen weg. LUK 20:11 Daarop zond hij nog een andere dienaar, maar ook die mishandelden en beledigden ze en ze stuurden hem met lege handen weg. LUK 20:12 Toen zond hij nog een derde, maar ze wierpen ook hem deerlijk gewond buiten de wijngaard. LUK 20:13 Nu zei de eigenaar van de wijngaard: Wat kan ik nu nog doen? Ik zal mijn geliefde zoon sturen; hem zullen ze toch wel ontzien. LUK 20:14 Maar toen de wijnbouwers die zagen overlegden ze onder elkaar en zeiden: Dat is de erfgenaam; laten we hem vermoorden, dan zal de erfenis voor ons zijn. LUK 20:15 En ze wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem. Wat zal nu de eigenaar van de wijngaard met hen doen? LUK 20:16 Hij zal komen, de wijnbouwers ter dood brengen en de wijngaard aan anderen geven. Toen ze dat hoorden, zeiden ze: 'Dat nooit!' LUK 20:17 Maar Hij keek hen aan en zei: 'Wat betekent dan dit Schriftwoord: De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, is juist de hoeksteen geworden? LUK 20:18 Iedereen die op deze steen valt, valt te pletter; en op wie hij valt, hem zal hij verbrijzelen.' LUK 20:19 De schriftgeleerden en de hogepriesters zochten op dat ogenblik de hand op Hem te leggen, want ze begrepen dat de gelijkenis die Hij vertelde op hen zelf sloeg, maar ze waren bang voor het volk. LUK 20:20 Belasting aan de keizer. Om Hem in het oog te houden zonden zij spionnen die zich vroom moesten voordoen om Hem op een of ander woord te betrappen, waar door ze Hem konden uitleveren aan het oppergezag van de landvoogd. LUK 20:21 Ze stelden Hem de vraag: 'Meester, wij weten dat Gij onomwonden de waarheid spreekt en onderwijst, en de weg van God zonder aanzien des persoons in oprechtheid leert. LUK 20:22 Is het ons geoorloofd aan de keizer belasting te betalen of niet?' LUK 20:23 Maar Hij doorzag hun arglistigheid en zei tot hen: LUK 20:24 'Laat Mij eerst een denarie zien. Van wie draagt hij de beeldenaar en het opschrift?' Zij antwoordden: 'Van de keizer.' LUK 20:25 Daarop sprak Hij tot hen: 'Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt.' LUK 20:26 Zo waren zij niet in staat Hem in het openbaar in zijn woorden te vangen. Verbaasd over zijn antwoord deden zij er het zwijgen toe. LUK 20:27 Vraag over de verrijzenis. Van de Sadduceeën, die de verrijzenis loochenen, kwamen er enige bij Hem met de vraag: LUK 20:28 'Meester, wij zien bij Mozes geschreven staan: Als iemand een getrouwe broer heeft die kinderloos sterft, dan moet zijn broer diens vrouw nemen om aan zijn broer een nageslacht te geven. LUK 20:29 Nu waren er eens zeven broers. De eerste trouwde en stierf kinderloos. LUK 20:30 De tweede LUK 20:31 en de derde namen de vrouw en op dezelfde manier stierven alle zeven zonder kinderen na te laten. LUK 20:32 Het laatste stierf ook de vrouw. LUK 20:33 Van wie van hen is zij nu bij de verrijzenis de vrouw? Alle zeven toch hebben haar tot vrouw gehad.' LUK 20:34 Jezus sprak tot hen: 'De kinderen van deze wereld huwen en worden ten huwelijk gegeven, LUK 20:35 maar die waardig zijn gekeurd deel te krijgen aan de andere wereld en aan de verrijzenis uit de doden, huwen niet en worden niet ten huwelijk gegeven. LUK 20:36 Zij kunnen immers niet meer sterven, omdat zij gelijk engelen zijn; en als kinderen van de verrijzenis zijn zij de kinderen van God. LUK 20:37 Dat de doden verrijzen, heeft ook Mozes aangeduid waar het gaat over de braamstruik, doordat hij de Heer noemt de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. LUK 20:38 Hij is toch geen God van doden, maar van levenden, want voor Hem zijn allen levend.' LUK 20:39 Sommige van de schriftgeleerden merkten op: 'Meester, dat hebt Gij goed gezegd.' LUK 20:40 Zij waagden het dan ook niet meer Hem nog maar iets te vragen. LUK 20:41 Zoon en Heer van David. Hij vroeg hun nu: 'Hoe kan men zeggen, dat de Messias Zoon van David is? LUK 20:42 David zegt toch zelf in het boek van de psalmen: De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: LUK 20:43 Zit aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden onder uw voeten heb gelegd. LUK 20:44 David noemt Hem dus Heer; hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?' LUK 20:45 Wee u, schriftgeleerden. Ten aanhoren van heel het volk zei Hij tot zijn leerlingen: LUK 20:46 'Wacht u voor de schriftgeleerden, die graag in lange gewaden rondlopen, er van houden zich op de markt te laten groeten en belust zijn op voornaamste zetels in de synagogen en op de ereplaatsen bij de maaltijden, LUK 20:47 maar de huizen van de weduwen opslokken, en voor de schijn lange gebeden verrichten; over deze mensen zal een strenger vonnis worden uitgesproken!' LUK 21:1 De arme weduwe. Toen Hij opkeek, zag Hij de rijken hun gaven in de offerkist werpen, LUK 21:2 maar Hij zag ook een behoeftige weduwe die er twee penningen inwierp. LUK 21:3 En Hij sprak: 'Waarlijk, Ik zeg u: die arme weduwe heeft er het meeste van allen ingeworpen. LUK 21:4 Die mensen hebben allen iets van hun overvloed bij de gaven voor God geworpen, maar zij offerde van haar armoe alles waar ze van leven moest.' LUK 21:5 Ondergang van tempel en stad; einde van de wereld. Toen sommigen opmerkten, hoe de tempel daar prijkte met zijn fraaie stenen en wijgeschenken, zei Hij: LUK 21:6 'Wat ge daar ziet: er zal een tijd komen, dat er geen steen op de andere gelaten zal worden, alles zal verwoest worden.' LUK 21:7 Ze vroegen Hem nu: 'Meester, wanneer zal dat dan plaats vinden? En wat zal het teken zijn dat dit gaat gebeuren?' LUK 21:8 Maar Hij zei: 'Weest op uw hoede, dat gij niet in dwaling gebracht wordt. Want velen zullen optreden in mijn Naam en zeggen: Ik ben het, en: Het ogenblik is nabij. Loopt niet achter hen aan. LUK 21:9 En wanneer gij hoort van oorlogen en onlusten, laat u dan niet uit het veld slaan. Dat alles moet wel eerst gebeuren, maar het einde volgt niet terstond.' LUK 21:10 Toen sprak Hij tot hen: 'Er zal strijd zijn van volk tegen volk en van koninkrijk tegen koninkrijk; LUK 21:11 er zullen hevige aardbevingen zijn, en hongersnood en pest, nu hier en dan daar, schrikwekkende dingen en aan de hemel geweldige tekenen. LUK 21:12 Maar nog voor dit alles geschiedt, zullen zij u vastgrijpen en vervolgen; zij zullen u overleveren aan de synagogen en gevangen zetten, u voor koningen en stadhouders voeren omwille van mijn Naam. LUK 21:13 Het zal voor u uitlopen op een getuigenis. LUK 21:14 Welnu, prent het u in, dat gij dan uw verdediging niet moet voorbereiden. LUK 21:15 Want Ik zal u een taal en een wijsheid geven, die geen van uw tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken. LUK 21:16 Ge zult zelfs door ouders en broers, door bloedverwanten en vrienden overgeleverd worden en sommigen van u zullen ze ter dood doen brengen. LUK 21:17 Ge zult een voorwerp van haat zijn voor allen omwille van mijn Naam; LUK 21:18 geen haar van uw hoofd zal verloren gaan. LUK 21:19 Door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen. LUK 21:20 Wanneer gij Jeruzalem door legers omsingeld ziet, weet dan dat zijn verwoesting nabij is. LUK 21:21 Laten dan de mensen in Judea naar de bergen vluchten; die in de stad zijn eruit trekken, en die op het land vertoeven daar niet binnengaan: LUK 21:22 dagen van wraak zijn het, waarop alles wat geschreven staat vervuld wordt. LUK 21:23 Wee de zwangeren en zogenden in die dagen. Want er zal grote nood komen over het land en strafgericht over dit volk. LUK 21:24 Sommigen zullen vallen door het scherp van zijn zwaard, anderen als gevangenen onder alle volkeren worden verstrooid. Jeruzalem zal door de heidenen vertrapt worden, totdat de tijd van de heidenen vervuld is. LUK 21:25 Er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren en op de aarde zullen volkeren in angst verkeren, radeloos door het gebulder van de onstuimige zee. LUK 21:26 De mensen zullen het besterven van schrik, in spanning om wat de wereld gaat overkomen, want de hemelse heerscharen zullen in verwarring geraken. LUK 21:27 Dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op een wolk, met macht en grote heerlijkheid. LUK 21:28 Wanneer zich dit alles begint te voltrekken, richt u dan op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing komt naderbij.' LUK 21:29 Vergelijking met de vijgeboom. Hij maakte een vergelijking en zei: 'Kijkt naar de vijgeboom en naar alle andere bomen; LUK 21:30 zodra ze uitlopen weet ge, als ge dat ziet, dat de zomer in aantocht is. LUK 21:31 Zo ook, wanneer ge al deze dingen ziet, weet dan dat het Rijk Gods nabij is. LUK 21:32 Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal niet voorbijgaan, voor dit alles geschied is. LUK 21:33 Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan. LUK 21:34 Zorgt er voor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen des levens; laat die dag u niet als een strik onverhoeds grijpen, LUK 21:35 want hij zal komen over allen waar ook ter wereld. LUK 21:36 Weest dus te allen tijde waakzaam en bidt, dat ge in staat moogt zijn te ontkomen aan al die dingen die zich gaan voltrekken, en stand moogt houden voor het aangericht van de Mensenzoon.' LUK 21:37 Overdag gaf Hij onderricht in de tempel, maar de nachten ging Hij buiten doorbrengen op de Olijfberg. LUK 21:38 En elke ochtend kwam al het volk in de vroegte naar Hem toe om in de tempel naar Hem te luisteren. LUK 22:1 Het verraad. Het feest van het ongedesemde brood, Pasen geheten, naderde. LUK 22:2 De hogepriesters en de schriftgeleerden, bang als ze waren voor het volk, zochten naar een manier om Hem uit de weg te ruimen. LUK 22:3 Toen voer de satan in Judas, die Iskariot heette, en tot het getal van de twaalf behoorde. LUK 22:4 Hij begaf zich naar de hogepriesters en bevelhebbers om met hen te bespreken, hoe hij hun Jezus zou uitleveren. LUK 22:5 In hun blijdschap hierover spraken zij met hem af, hem een som gelds te geven. LUK 22:6 Hij nam hun voorstel aan en zag uit naar een goede gelegenheid om Hem zonder volksoploop aan hen uit te leveren LUK 22:7 Paasmaal. Toen de dag van het ongedesemde brood gekomen was, waarop men het paaslam moest slachten, LUK 22:8 stuurde Hij Petrus en Johannes uit met de opdracht: 'Gaat voor ons voorbereidselen treffen opdat wij het paasmaal kunnen eten.' LUK 22:9 Toen zij Hem vroegen: 'Waar wilt Gij dat wij het gereedmaken?' LUK 22:10 antwoordde Hij: 'Als ge de stad zijt binnengegaan, zult ge een man tegenkomen die een kruik water draagt; volgt hem tot in het huis waar hij binnengaat. LUK 22:11 Daar moet ge aan de eigenaar van het huis zeggen: De Meester laat u vragen: Waar is de zaal, waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden? LUK 22:12 Hij zal u een grote bovenzaal laten zien met rustbedden; maakt daar alles klaar.' LUK 22:13 Zij vertrokken nu, bevonden alles zoals Hij het hun gezegd had en maakten het paasmaal gereed. LUK 22:14 Toen de tijd aangebroken was, ging Hij met de apostelen aan tafel aanliggen. LUK 22:15 Instelling van de H.Eucharistie. Hij sprak nu tot hen: 'Vurig heb ik verlangd, eer Ik ga lijden, dit paasmaal met u te eten. LUK 22:16 Want Ik zeg u: Ik zal het niet meer eten, totdat het zijn vervulling vindt in het Rijk Gods.' LUK 22:17 Daarop nam Hij een beker, sprak een dankgebed uit en zei: 'Neemt die beker en deelt hem samen. LUK 22:18 Want Ik zeg u: Van dit ogenblik af drink Ik niet meer van wat de wijnstok voortbrengt, totdat het Rijk Gods is gekomen.' LUK 22:19 Daarop nam Hij het brood, sprak een dankgebed uit, brak het en gaf het hun met de woorden: 'Dit is mijn Lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot een gedachtenis aan Mij.' LUK 22:20 Evenzo gaf Hij de beker, na de maaltijd, terwijl Hij sprak: 'Deze beker is het Nieuwe Verbond in mijn Bloed, dat voor u wordt vergoten. LUK 22:21 Maar zie, degene door wiens hand Ik zal worden overgeleverd is met Mij aan tafel. LUK 22:22 Want de Mensenzoon gaat heen zoals het is vastgesteld; maar toch, wee die mens door wie Hij wordt overgeleverd.' LUK 22:23 Nu begonnen zij onder elkaar te vragen, wie van hen het toch was, die dat zou doen. LUK 22:24 Groot naar Jezus' maat. Er ontstond twist onder hen wie van hen wel de voornaamste mocht zijn. LUK 22:25 Maar Jezus sprak tot hen: 'De koningen van de volkeren oefenen heerschappij over hen uit en hun machthebbers laten zich weldoeners noemen. LUK 22:26 Zo moet gij niet doen, maar wie onder u de voornaamste is, moet als de jongste wezen, en wie bevelen geeft als iemand die dient. LUK 22:27 Wie is immers de grootste: die aanligt of bedient? Niet hij die aanligt? Welnu, Ik ben onder u als degene die bedient. LUK 22:28 Gij zijt het die trouw zijt gebleven in mijn beproevingen. LUK 22:29 En Ik verleen u het koninkrijk, zoals mijn Vader het Mij heeft verleend, LUK 22:30 om in mijn koninkrijk aan mijn tafel te eten en te drinken en op tronen te zetelen en de twaalf stammen van Israël te oordelen. LUK 22:31 Voorspelling van Petrus' verloochening. Simon, Simon, weet dat de satan heeft geëist u allen te ziften als tarwe. LUK 22:32 Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken. Wanneer ge eenmaal tot inkeer gekomen zijt, versterk dan op uw beurt uw broeders.' LUK 22:33 Maar hij antwoordde: 'Heer, ik ben bereid met U zelfs gevangenis en dood in te gaan!' LUK 22:34 Daarop sprak Jezus: 'Ik zeg u, Petrus: De haan zal vandaag niet kraaien, voordat ge driemaal geloochend hebt Mij te kennen.' LUK 22:35 De strijd op komst. Hij sprak tot hen: 'Toen Ik u uitzond zonder beurs, reiszak of schoeisel, hebt ge toen aan iets gebrek gehad?' Ze antwoordden: 'Aan niets.' LUK 22:36 Hij hernam: 'Maar nu moet wie een beurs heeft, die meenemen, en eveneens een reiszak: en wie die niet bezit, verkope zijn mantel en schaffe zich een zwaard aan. LUK 22:37 Ik zeg u: in Mij moet dit Schriftwoord vervuld worden: Hij is tot de booswichten gerekend. Wat over Mij werd beschikt, gaat nu vervuld worden.' LUK 22:38 Ze zeiden Hem: 'Zie, Heer, hier zijn twee zwaarden.' Hij antwoordde: 'Het is genoeg.' LUK 22:39 In de hof van Olijven. Hij ging nu naar buiten en begaf zich volgens zijn gewoonte naar de Olijfberg. Ook de leerlingen gingen met Hem mee. LUK 22:40 Ter plaatse aangekomen sprak Hij tot hen: 'Bidt, dat gij niet op de bekoring ingaat.' LUK 22:41 Hij verwijderde zich van hen, ging ongeveer een steenworp verder, wierp zich op de knieën en bad: LUK 22:42 'Vader, als Gij wilt, laat dan deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet mijn wil, maar uw wil geschiede.' LUK 22:43 Nu verscheen Hem een engel uit de hemel om Hem te sterken. LUK 22:44 Aan doodsangst ten prooi bad Hij met nog meer aandrang. Zijn zweet werd tot dikke druppels bloed, die op de grond neervielen. LUK 22:45 Toen stond Hij op uit zijn gebed en ging naar zijn leerlingen, maar vond hen van droefheid in slaap. LUK 22:46 Hij zei tot hen: 'Hoe kunt ge slapen? Staat op en bidt, dat ge niet op de bekoring ingaat.' LUK 22:47 De verrader. Hij was nog niet uitgesproken, of daar kwam een troep, voorafgegaan door een van de twaalf, Judas. Deze trad op Jezus toe om Hem te kussen. LUK 22:48 Maar Jezus zei tot hem: 'Judas, verraadt ge de Mensenzoon met een kus?' LUK 22:49 Toen zij die om Hem heen stonden, bemerkten wat er ging gebeuren, vroegen ze: 'Heer, zullen we met het zwaard erop in slaan?' LUK 22:50 En een van hen gaf de knecht van de hogepriester een slag en hieuw hem het rechteroor af. LUK 22:51 Maar Jezus greep in en zei: 'Laat het hierbij.' En Hij raakte het oor aan en genas hem. LUK 22:52 Nu sprak Jezus tot de hogepriesters, tot de bevelhebbers van de tempelwacht en de oudsten die op Hem afgekomen waren: 'Als tegen een rover zijt ge uitgetrokken met zwaarden en knuppels. LUK 22:53 Dagelijks was Ik bij u in de tempel en ge hebt geen hand naar Mij uitgestoken. Maar dit is uw uur en uw macht is die der duisternis. LUK 22:54 Door Petrus verloochend. Zij grepen Hem nu vast, voeden Hem weg en brachten Hem in het huis van de hogepriester, terwijl Petrus Hem op een afstand volgde. LUK 22:55 Op de binnenplaats legden zij een vuur aan en gingen bij elkaar zitten; Petrus zat tussen hen in. LUK 22:56 Toen een dienstmeisje hem bij het schijnsel van het vuur zag zitten, zei ze, na hem scherp opgenomen te hebben: 'Die was ook bij Hem.' LUK 22:57 Maar hij ontkende het zeggende: 'Vrouw, ik ken Hem niet.' LUK 22:58 Even later zag iemand anders hem en zei: 'Jij bent ook een van hen.' Maar Petrus antwoordde: 'Man, dat is niet waar.' LUK 22:59 Na verloop van ongeveer een uur verklaarde een ander met stelligheid: 'Waarachtig, die man behoorde ook bij Hem, hij is immers ook een Galileeër. LUK 22:60 Petrus antwoordde: 'Man, ik weet niet wat je bedoelt.' Hij had het nog niet gezegd of meteen kraaide een haan. LUK 22:61 Toen keerde de Heer zich om en keek Petrus aan; het schoot Petrus te binnen, hoe de Heer hem gezegd had: eer vandaag een haan kraait, zult ge Mij driemaal verloochenen. LUK 22:62 En hij ging naar buiten en begon bitter te wenen. LUK 22:63 Jezus bespot. De mannen die Jezus bewaakten, bespotten en sloegen Hem. LUK 22:64 Ze wierpen een doek over zijn hoofd en vroegen Hem: 'Wees nu eens profeet; wie is het die U geslagen heeft?' LUK 22:65 Nog vele andere beschimpingen voegden ze Hem toe. LUK 22:66 Voor het Sanhedrin. Toen het dag geworden was, vergaderde de raad van oudsten van het volk, hogepriesters en schriftgeleerden en zij lieten Hem voor hun rechtbank leiden. LUK 22:67 Ze zeiden: 'Als Gij de Christus zijt, zeg het ons dan.' Maar Hij sprak tot hen: 'Als Ik het u zeg, zult ge er toch geen geloof aan hechten, LUK 22:68 en als Ik u vragen stel, zult ge toch geen antwoord geven. LUK 22:69 Maar van nu af zal de Mensenzoon zitten aan de rechterhand van de Macht van God.' LUK 22:70 Toen vroegen ze allen: 'Gij zijt dus de Zoon van God?' Hij antwoordde hun: 'Gij hebt het gezegd, dat ben Ik.' LUK 22:71 Zij riepen: 'Waartoe hebben wij nog een getuigenis nodig? Wij hebben het toch zelf uit zijn eigen mond gehoord.' LUK 23:1 Jezus voor Pilatus. Toen stond de gehele vergadering op en men bracht Hem voor Pilatus. LUK 23:2 Daar begonnen ze Hem te beschuldigen en zeiden: 'Wij hebben vastgesteld, dat die man ons volk tot opstand aanspoort, het er van afhoudt aan de keizer belasting te betalen en zich uitgeeft voor de Messias, de Koning.' LUK 23:3 Pilatus vroeg Hem: 'Zijt Gij de koning der Joden?' Hij gaf hem ten antwoord: 'Gij zegt het.' LUK 23:4 Pilatus zeide nu tot de hogepriesters en de volksmenigte: 'Ik kan in deze man geen enkele schuld ontdekken.' LUK 23:5 Maar zij hielden aan en riepen: 'Door zijn prediking in heel het joodse land, waar Hij in Galilea mee begonnen is en die Hij tot hier heeft voortgezet, zaait Hij onrust onder het volk.' LUK 23:6 Jezus voor Herodes. Toen Pilatus dat hoorde, vroeg hij of de man een Galileeër was. LUK 23:7 Zodra hij vernam, dat Hij uit het machtsgebied van Herodes kwam, stuurde hij Hem naar Herodes, die in die dagen eveneens in Jeruzalem verbleef. LUK 23:8 Herodes toonde zich zeer verheugd toen hij Jezus te zien kreeg. De verhalen over Hem hadden hem sinds geruime tijd daar naar doen verlangen en hij hoopte Hem nu een of ander wonder te zien verrichten. LUK 23:9 Hij stelde Hem allerlei vragen, maar Jezus gaf in het geheel geen antwoord. LUK 23:10 De hogepriesters en de schriftgeleerden stonden er bij en putten zich uit in beschuldigingen tegen Hem. LUK 23:11 Samen met zijn soldaten, hoonde en bespotte Herodes Hem. Hij hing Hem een schitterend gewaad om en zond Hem terug naar Pilatus. LUK 23:12 Op diezelfde dag werden Herodes en Pilatus elkaars vrienden; tevoren namelijk leefden zij in onderlinge vijandschap. LUK 23:13 Jezus of Barabbas. Daarop riep Petrus de hogepriesters, de overheidspersonen en het volk bijeen LUK 23:14 en zei tot hen: 'Gij hebt deze man voor mij gebracht als iemand die het volk tot opstand aanzet; welnu: ik heb Hem in uw bijzijn verhoord maar ik heb in deze man niets kunnen ontdekken van al datgene waar gij Hem van beschuldigt. LUK 23:15 Herodes evenmin, want hij heeft Hem naar ons teruggezonden. Het is duidelijk, dat Hij niets heeft bedreven wat de doodstraf zou rechtvaardigen. LUK 23:16 Ik zal Hem daarom een tuchtiging laten toedienen en dan vrijlaten.' LUK 23:17 Ze begonnen allen tegelijk te schreeuwen: LUK 23:18 'Weg met Hem! Laat ons Barabbas vrij.' LUK 23:19 Deze Barabbas was wegens een oproer in de stad en wegens moord in de gevangenis geworpen. LUK 23:20 Opnieuw sprak Pilatus hen toe, omdat hij Jezus wenste vrij te laten. LUK 23:21 Maar zij riepen daartegen in: 'Kruisig Hem, kruisig Hem!' LUK 23:22 Voor de derde maal vroeg Pilatus hun: 'Wat voor kwaad heeft die man dan toch gedaan?' Ik heb in Hem niets gevonden, dat de doodstraf rechtvaardigt. Ik zal Hem daarom een tuchtiging laten toedienen en dan vrijlaten.' LUK 23:23 Luid schreeuwend bleven zij echter zijn kruisiging eisen; en hun geschreeuw gaf de doorslag. LUK 23:24 Pilatus besliste, dat gebeuren zou wat zij eisten; LUK 23:25 hij liet de man die zij opvorderden los, al zat hij wegens oproer en moord in de gevangenis, maar Jezus leverde hij over aan hun willekeur. LUK 23:26 Kruisweg en kruisiging. Toen zij Hem wegvoerden, hielden zij een zekere Simon aan, een man uit Cyrene, die van het veld kwam: hem belaadden ze met het kruis om achter Jezus aan te dragen. LUK 23:27 Een grote volksmenigte volgde Hem, ook vrouwen die zich op de borst sloegen en over Hem weeklaagden. LUK 23:28 Jezus keerde zich tot hen en sprak: 'Dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij, maar weent over uzelf en over uw kinderen. LUK 23:29 Weet dat er een tijd zal komen waarop men zeggen zal: Gelukkig de onvruchtbaren, wier schoot niet heeft gebaard en wier borst geen kind heeft gevoed. LUK 23:30 Dan zal men tot de bergen zeggen: Valt op ons, en tot de heuvels: Bedekt ons. LUK 23:31 Want als men zo doet met het groene hout, wat zal er dan met het dorre gebeuren?' LUK 23:32 Er werden nog twee anderen weggevoerd, twee misdadigers, om samen met Hem ter dood te worden gebracht. LUK 23:33 Toen zij op de plaats kwamen die Schedel heet, sloegen zij Hem daar aan het kruis, en zo ook de misdadigers, de een rechts, de ander links. LUK 23:34 En Jezus zeide: 'Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.' Ze verdeelden zijn kleren onder elkaar, door er om te dobbelen. LUK 23:35 Het volk stond toe te kijken, maar de overheidspersonen lachten Hem uit en zeiden: 'Anderen heeft Hij gered; laat Hij zichzelf eens redden, als Hij de Messias van God is, de uitverkorene!' LUK 23:36 De soldaten brachten Hem zure wijn, en ook zij voegden Hem spottend toe: LUK 23:37 'Als Gij de koning der Joden zijt, red dan uzelf.' LUK 23:38 Boven Hem stond als opschrift in Griekse, Romeinse en Hebreeuwse letters: 'Dit is de koning der Joden.' LUK 23:39 Ook een van de misdadigers die daar hingen, hoonde Hem: 'Zijt Gij niet de Messias? Red dan uzelf en ons.' LUK 23:40 Maar de andere strafte hem af en zei: 'Heb zelfs jij geen vrees voor God, terwijl je toch hetzelfde vonnis ondergaat? LUK 23:41 En wij terecht, want wij krijgen wat we door onze daden verdiend hebben; maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.' LUK 23:42 Daarop zei hij: 'Jezus, denk aan mij, wanneer Gij in uw Koninkrijk gekomen zijt.' LUK 23:43 En Jezus sprak tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: Vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs.' LUK 23:44 Dood en begrafenis. Het was nu omtrent het zesde uur; er viel duisternis over heel de streek tot aan het negende uur toe, LUK 23:45 doordat de zon geen licht meer gaf. Het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor. LUK 23:46 Toen riep Jezus met luider stem: 'Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.' Nadat Hij dit gezegd had, gaf Hij de geest. LUK 23:47 Op het zien van wat er gebeurd was, loofde de honderdman God en zei: 'Deze mens was waarlijk een rechtvaardige.' LUK 23:48 Al het volk dat voor dat schouwspel samengestroomd was, keerde terug toen zij aanschouwd hadden wat er gebeurd was, en sloegen zich op de borst. LUK 23:49 Al zijn bekenden, ook de vrouwen, die Hem van Galilea gevolgd waren, stonden op een afstand toe te zien. LUK 23:50 Nu was er een zekere Jozef, lid van de Hoge Raad, een welmenend en rechtschapen man. LUK 23:51 die dan ook niet had ingestemd met hun plannen en handelwijze. Hij was afkomstig uit de Joodse stad Arimatea en leefde in de verwachting van het Rijk Gods. LUK 23:52 Deze ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. LUK 23:53 Na het van het kruis genomen te hebben, wikkelde hij het in een lijkwade. Vervolgens legde hij Hem in een graf, dat in een steen was uitgehouwen en waarin nog nooit iemand was neergelegd. LUK 23:54 Het was Voorbereidingsdag en de sabbat brak aan. LUK 23:55 De vrouwen, die uit Galilea met Hem meegekomen waren, volgden en bekeken het graf en zagen toe hoe zijn lichaam werd neergelegd. LUK 23:56 Teruggekeerd maakten ze welriekende kruiden en balsem klaar, maar op de sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht. LUK 24:1 Hij is verrezen. Op de eerste dag van de week echter gingen zij zeer vroeg in de morgen naar het graf, met de welriekende kruiden die zij klaar gemaakt hadden. LUK 24:2 Zij vonden de steen weggerold van het graf, LUK 24:3 gingen binnen, maar vonden er het lichaam van de Heer Jezus niet. LUK 24:4 Terwijl zij niet wisten wat daarvan te denken, stonden er plotseling twee mannen voor hen in een stralend wit kleed. LUK 24:5 Toen zij van schrik bevangen het hoofd naar de grond bogen, vroegen de mannen haar: 'Wat zoekt ge de levende bij de doden? LUK 24:6 Hij is niet hier, Hij is verrezen. Herinnert u, hoe Hij nog in Galilea tot u gezegd heeft: LUK 24:7 De Mensenzoon moet overgeleverd worden in zondige mensenhanden en aan het kruis geslagen, maar op de derde dag verrijzen.' LUK 24:8 Zij herinnerden zich zijn woorden, LUK 24:9 keerden van het graf terug en brachten dit alles over aan de elf en aan al de anderen. LUK 24:10 Het waren Maria Magdalena, Johanna en Maria, de moeder van Jakobus; de andere vrouwen die met hen waren vertelden aan de apostelen hetzelfde. LUK 24:11 Maar dat verhaal leek hun beuzelpraat en zij geloofden het niet. LUK 24:12 Toch liep Petrus ijlings naar het graf, bukte zich voorover, maar zag alleen de zwachtels. Daarop ging hij terug, verbaasd nadenkend over hetgeen er gebeurd was. LUK 24:13 De leerlingen van Emmaüs. Juist die dag waren er twee van hen op weg naar een dorp, dat Emmaüs heette en zestig stadiën van Jeruzalem lag. LUK 24:14 Zij spraken met elkaar over alles wat was voorgevallen. LUK 24:15 Terwijl zij zo aan het praten waren en van gedachten wisselden, kwam Jezus zelf op hen toe en liep met hen mee. LUK 24:16 Maar hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen. LUK 24:17 Hij vroeg hun: 'Wat is dat voor een gesprek dat gij onderweg met elkaar voert?' Met een bedrukt gezicht bleven ze staan. LUK 24:18 Een van hen, die Kleopas heette, nam het woord en sprak tot Hem: 'Zijt Gij dan de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat Gij niet weet wat daar dezer dagen gebeurd is? LUK 24:19 Hij vroeg hun: 'Wat dan?' Ze antwoordden hem: 'Dat met Jezus de Nazarener, een man die profeet was, machtig in daad en woord in het oog van God en heel het volk; LUK 24:20 hoe onze hogepriesters en overheidspersonen Hem hebben overgeleverd om ter dood te worden veroordeeld en Hem aan het kruis hebben geslagen. LUK 24:21 En wij leefden in de hoop, dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen! Maar met dit al is het reeds de derde dag sinds die dingen gebeurd zijn. LUK 24:22 Zelfs hebben een paar vrouwen uit ons midden ons in de war gebracht; ze waren in de vroegte naar het graf geweest, LUK 24:23 maar hadden zijn lichaam niet gevonden en kwamen zeggen, dat zij ook nog een verschijning van engelen hadden gehad, die verklaarden dat Hij weer leefde. LUK 24:24 Daarop zijn enkelen van de onzen naar het graf gegaan en bevonden het zoals de vrouwen gezegd hadden, maar Hem zagen ze niet.' LUK 24:25 Nu sprak Hij tot hen: 'O onverstandigen, die zo traag van hart zijt in het geloof aan alles wat de profeten gezegd hebben! LUK 24:26 Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?' LUK 24:27 Beginnend met Mozes verklaarde Hij hun uit al de profeten wat in al de Schriften op Hem betrekking had. LUK 24:28 Zo kwamen ze bij het dorp waar ze heen gingen, maar Hij deed alsof Hij verder moest gaan. LUK 24:29 Zij drongen bij Hem aan: 'Blijf bij ons, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde.' Toen ging Hij binnen om bij hen te blijven. LUK 24:30 Terwijl Hij met hen aanlag nam Hij het brood, sprak de zegen uit, brak het en reikte het hun toe. LUK 24:31 Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem, maar Hij verdween uit hun gezicht. LUK 24:32 Toen zeiden ze tot elkaar: 'Brandde ons hart niet in ons, terwijl Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?' LUK 24:33 Ze stonden onmiddellijk op en keerden naar Jeruzalem terug. Daar vonden ze de elf met de mensen van hun groep bijeen. LUK 24:34 Deze verklaarden: De Heer is werkelijk verrezen, Hij is aan Simon verschenen.' LUK 24:35 En zij van hun kant vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe Hij door hen herkend werd aan het breken van het brood. LUK 24:36 Jezus verschijnt. Terwijl ze daarover spraken, stond Hijzelf plotseling in hun midden en zei: 'Vrede zij u.' LUK 24:37 In hun verbijstering en schrik meenden ze een geest te zien. LUK 24:38 Maar Hij sprak tot hen: 'Waarom zijt ge ontsteld en waarom komt er twijfel op in uw hart? LUK 24:39 Kijkt naar mijn handen en voeten: Ik ben het zelf. Betast Mij en kijkt: een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals ge ziet dat Ik heb.' LUK 24:40 En na zo gesproken te hebben toonde Hij hun zijn handen en voeten. LUK 24:41 Toen ze het van vreugde en verbazing niet konden geloven, zei Hij tot hen: 'Hebt ge hier iets te eten?' LUK 24:42 Zij reikten Hem een stuk geroosterde vis aan; LUK 24:43 Hij nam het en at het voor hun ogen op. LUK 24:44 Gij zijt de getuigen. Hij sprak tot hen: 'Dit zijn mijn woorden, die Ik tot u sprak, toen Ik nog bij u was: Alles wat over Mij geschreven staat in de Wet van Mozes, in de profeten en psalmen moet vervuld worden.' LUK 24:45 Toen maakte Hij hun geest toegankelijk voor het begrijpen van de Schriften. LUK 24:46 Hij zei hun: 'Zo staat er geschreven: dat de Christus moest lijden en op de derde dag verrijzen uit de doden LUK 24:47 en dat in zijn naam bekering tot vergiffenis van de zonden gepredikt moet worden onder alle volken, te beginnen met Jeruzalem. LUK 24:48 Gij zijt getuigen hiervan LUK 24:49 Daarom zend Ik tot u wat door mijn Vader beloofd is; blijft dus in de stad, totdat gij uit den hoge met kracht zult zijn toegerust. LUK 24:50 Jezus' hemelvaart. Nu leidde Hij hen naar buiten tot bij Betanië, hief de handen omhoog en zegende hen. LUK 24:51 En terwijl Hij hen zegende, verwijderde Hij zich van hen en werd ten hemel opgenomen. LUK 24:52 Zij aanbaden Hem en keerden met grote blijdschap naar Jeruzalem terug. LUK 24:53 Zij hielden zich voortdurend op in de tempel en verheerlijkten God. JOHANNES JOH 1:1 In het begin. In het begin was het Woord en het woord was bij God en het Woord was God. JOH 1:2 Dit was in het begin bij God. JOH 1:3 Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is. JOH 1:4 In Hem was leven, en dat leven was het licht der mensen. JOH 1:5 En het licht schijnt in de duisternis maar de duisternis nam het niet aan. JOH 1:6 Er trad een mens op, een gezondene van God; zijn naam was Johannes. JOH 1:7 Deze kwam tot getuigenis, om te getuigen van het Licht, opdat allen door hem tot geloof zouden komen. JOH 1:8 Niet hij was het Licht, maar hij moest getuigen van het Licht. JOH 1:9 Het ware Licht, dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld. JOH 1:10 Hij was in de wereld; de wereld was door Hem geworden, en toch erkende de wereld Hem niet. JOH 1:11 Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet. JOH 1:12 Aan allen echter die Hem wel aanvaardden, aan hen die in zijn Naam geloven, gaf Hij het vermogen om kinderen van God te worden; JOH 1:13 Zij zijn niet uit bloed noch uit begeerte van het vlees of de wil van een man, maar uit God geboren. JOH 1:14 Het woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, zulk een heerlijkheid als de Eniggeborene van de Vader ontvangt, vol van genade en waarheid. JOH 1:15 Wij hebben Johannes' getuigenis over Hem toen hij uitriep: 'Deze was het van wie ik zei: Hij die achter mij komt, is mij voor, want Hij was eerder dan ik.' JOH 1:16 Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen: genade op genade. JOH 1:17 Werd de Wet door Mozes gegeven, de genade en de waarheid kwamen door Jezus Christus. JOH 1:18 Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die in de schoot des Vaders is, Hij heeft Hem doen kennen. JOH 1:19 Het getuigenis van Johannes de Doper. Dit dan is het getuigenis van Johannes, toen de Joden uit Jeruzalem priesters en levieten naar hem toezonden om hem te vragen: 'Wie zijt gij?' JOH 1:20 Daarop verklaarde hij zonder enig voorbehoud en met grote stelligheid: 'Ik ben de Messias niet.' JOH 1:21 Zij vroegen hem: 'Wat dan? Zijt gij Elia?' Hij zei: 'Dat ben ik niet.'' Zijt gij de profeet?' Hij antwoordde: 'Neen.' JOH 1:22 Toen zeiden zij hem: 'Wie zijt gij dan?' Wij moeten toch een antwoord geven aan degenen die ons gestuurd hebben. Wat zegt gij over uzelf?' JOH 1:23 Hij sprak: 'Ik ben, zoals de profeet Jesaja het uitdrukt, de stem van iemand die roept in de woestijn: Maakt de weg recht voor de Heer!' JOH 1:24 De afgezanten waren uit de kring van de Farizeeën. Zij vroegen hem: JOH 1:25 Wat doopt gij dan, als gij de Messias niet zijt, noch Elia, noch de profeet?' JOH 1:26 Johannes antwoordde hun: 'Ik doop met water, maar onder u staat Hij die gij niet kent, JOH 1:27 Hij die na mijn komt; ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken.' JOH 1:28 Dit gebeurde te Betanië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes aan het dopen was. JOH 1:29 De volgende dag zag hij Jezus naar zich toekomen en zei: 'Zie, het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt. JOH 1:30 Deze is het van wie ik zei: Achter mij komt een man die voor mij is, want Hij was eerder dan ik. JOH 1:31 Ook ik kende Hem niet, maar opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden, daarom kwam ik met water dopen.' JOH 1:32 Verder getuigde Johannes: 'Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen en Hij bleef op Hem rusten. JOH 1:33 Ook ik kende Hem niet, maar die mij gezonden had om met water te dopen, Hij had tot mij gesproken: Op wie gij de Geest zult zien neerdalen en blijven rusten, Hij is het die doopt met de heilige Geest. JOH 1:34 Ik heb het zelf gezien en ik heb getuigd: Deze is de Zoon van God.' JOH 1:35 Roeping van de eerste leerlingen. De volgende dag stond Johannes daar weer, nu met twee van zijn leerlingen. JOH 1:36 Hij richtte het oog op Jezus die voorbijging en sprak: 'Zie, het Lam Gods.' JOH 1:37 De twee leerlingen hoorden hem dat zeggen en gingen Jezus achterna. JOH 1:38 Jezus keerde zich om en toen Hij zag dat zij Hem volgden, vroeg Hij hun: 'Wat verlangt gij?' Ze zeiden tot Hem: 'Rabbi' vertaald betekent dit: 'Meester waar verblijft ge?' JOH 1:39 Hij zei hun: 'Gaat mee om het te zien'. Daarop gingen zij mee en zagen waar Hij zich op hield. Die dag bleven zij bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur. JOH 1:40 Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van die twee die het gezegde van Johannes hadden gehoord en Jezus achterna waren gegaan. JOH 1:41 De eerste die hij ontmoette was zijn broer Simon tot wie hij zei: 'Wij hebben de Messias: vertaald betekent dat: de Gezalfde ' gevonden,' JOH 1:42 en hij bracht hem bij Jezus. Jezus zag hem aan en zeide: 'Gij zijt Simon, de zoon van Johannes; gij zult Kefas dat betekent: Rots genoemd worden.' JOH 1:43 Toen Jezus de volgende dag naar Galilea wilde vertrekken, trof Hij Filippus aan en zei tot hem: 'Volg Mij.' JOH 1:44 Deze Filippus was van Betsa da, de stad van Andreas en Petrus. JOH 1:45 Filippus ontmoette Natanaël en zei hem: 'Degene over wie Mozes in de Wet geschreven heeft en ook de profeten, Hem hebben wij gevonden: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret.' JOH 1:46 Natanaël smaalde: 'Uit Nazaret, kan daar iets goeds vandaan komen?' Waarop Filippus antwoorde: 'Kom dan kijken.' JOH 1:47 Jezus zag Natanaël naar zich toekomen en zei, doelend op hem: 'Dat is waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is!' JOH 1:48 Natanaël zei toe Hem: 'Hoe kent Gij mij?' Jezus gaf hem ten antwoord: 'Voordat Filippus u riep, zag ik u onder de vijgeboom zitten.' JOH 1:49 Toen zei Natanaël tot Hem: 'Rabbi, Gij zijt de Zoon Gods, Gij zijt de Koning van Israël.' JOH 1:50 Jezus antwoordde: 'Omdat Ik u zei dat ik u onder de vijgeboom zag, gelooft ge? Gij zult grotere dingen zien dan deze.' JOH 1:51 En hij voegde er aan toe: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: gij zult de hemel open zien en de engelen Gods zien opstijgen en neerdalen in dienst van de Mensenzoon.' JOH 2:1 De bruiloft te Kana. Op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Galilea, waarbij de moeder van Jezus aanwezig was. JOH 2:2 Jezus en zijn leerlingen waren eveneens op die bruiloft uitgenodigd. JOH 2:3 Toen de wijn opraakte, zei de moeder van Jezus tot Hem: 'Ze hebben geen wijn meer.' JOH 2:4 Jezus zei tot haar: 'Vrouw, is dat soms uw zaak? Nog is mijn uur niet gekomen.' JOH 2:5 Zijn moeder sprak tot de bedienden: 'Doet maar wat Hij u zeggen zal.' JOH 2:6 Nu stonden daar volgens het reinigingsgebruik der Joden zes stenen kruiken, elk met een inhoud van twee of drie metreten. JOH 2:7 Jezus zei hun: 'Doet die kruiken vol water. Zij vulden ze tot bovenaan toe.' JOH 2:8 Daarop zei Hij hun: 'Schept er nu wat uit en brengt dat aan de tafelmeester.' Dat deden ze, JOH 2:9 en zodra de tafelmeester het water proefde dat in wijn veranderd was (hij wist niet waar die wijn vandaan kwam, maar de bedienden die het water geschept hadden, wisten het wel), riep hij de bruidegom en zei hem: JOH 2:10 Iedereen zet eerst de goede wijn voor en wanneer men eenmaal goed gedronken heeft de mindere. U hebt de goede wijn tot nu toe bewaard.' JOH 2:11 Zo maakte Jezus te Kana in Galilea een begin met de tekenen en openbaarde zijn heerlijkheid. En zijn leerlingen geloofden in Hem. JOH 2:12 Daarna daalde Hij af naar Kafarnaüm. Hijzelf en zijn moeder, de broeders en zijn leerlingen; maar zij bleven daar slechts enkele dagen. JOH 2:13 Tempelreiniging. Toen het paasfeest der Joden nabij was, ging Jezus op naar Jeruzalem. JOH 2:14 In de tempel trof Hij de verkopers van runderen, schapen en duiven aan en ook de geldwisselaars, die daar zaten. JOH 2:15 Hij maakte een gesel, dreef ze allemaal uit de tempel, ook de schapen en de runderen; het kleingeld van de wisselaar veegde Hij van de tafels en wierp die omver. JOH 2:16 En tot de duivenhandelaars zei Hij: 'Weg met dit alles! Maakt van het huis van mijn Vader geen markthal! JOH 2:17 Zijn leerlingen herinnerden zich dat er geschreven staat: De ijver voor Uw huis zal mij verteren. JOH 2:18 De Joden richtten zich tot Hem met de woorden: 'Wat voor teken kunt Gij ons laten zien, dat Gij dit doen moogt?' JOH 2:19 Waarop Jezus hun antwoordde: 'Breekt deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.' JOH 2:20 Maar de Joden merkten op: 'Zesenveertig jaar is aan deze tempel gebouwd; zult Gij hem dan in drie dagen doen herrijzen?' JOH 2:21 Jezus echter sprak over de tempel van zijn lichaam. JOH 2:22 Toen Hij dan ook verrezen was uit de doden, herinnerden zijn leerlingen zich dat Hij dit gezegd had, en geloof den in de Schrift en in het woord dat Jezus gesproken had. JOH 2:23 Terwijl Hij bij gelegenheid van het paasfeest in Jeruzalem was, begonnen er velen zijn in Naam te geloven bij het zien van de tekenen die Hij deed. JOH 2:24 Maar Jezus van zijn kant had geen vertrouwen in hen, omdat Hij allen kende. JOH 2:25 Hij wist wat er in de mens stak en daarom was het niet nodig dat iemand Hem over de mens inlichtte. JOH 3:1 Gesprek met Nikodemus. Er was onder de Farizeeën iemand die Nikodemus heette. Hij behoorde tot de voornaamsten van de Joden. JOH 3:2 Eens kwam deze in de nacht bij Hem en zei: 'Rabbi, wij weten dat Gij van Godswege als leraar gekomen zijt, want niemand kan die tekenen doen die Gij verricht, als God niet met hem is.' JOH 3:3 Jezus gaf hem ten antwoord: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als iemand niet wedergeboren wordt kan hij het Rijk Gods niet zien.' JOH 3:4 Nikodemus zei tot Hem: 'Hoe kan een mens geboren worden als hij al oud is? Kan hij soms in de schoot van zijn moeder terugkeren en opnieuw geboren worden?' JOH 3:5 Jezus antwoordde: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg U; als iemand niet geboren wordt uit water en geest, kan hij het Rijk Gods niet binnengaan. JOH 3:6 Wat geboren is uit het vlees is vlees, en wat geboren is uit de Geest is geest. JOH 3:7 Verwonder u niet dat Ik u zei: gij moet opnieuw geboren worden. JOH 3:8 De wind blaast waarheen hij wil; gij hoort wel zijn gesuis, maar weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat; zo is het met ieder die geboren is uit de Geest.' JOH 3:9 Nikodemus gaf Hem ten antwoord: 'Hoe kan dat geschieden?' JOH 3:10 Daarop zei Jezus weer: 'Gij zijt een leraar van Israël en weet dat niet eens? JOH 3:11 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wij spreken over wat Wij weten en Wij getuigen van wat Wij gezien hebben, maar onze getuigenis aanvaardt gij niet. JOH 3:12 Wanneer ge zelfs niet gelooft als Ik u spreek over aardse dingen, hoe zult gij dan geloven, als Ik spreek over hemelse dingen? JOH 3:13 Nooit is er iemand naar de hemel geklommen, tenzij Hij die uit de hemel is neergedaald, de Zoon des Mensen. JOH 3:14 En deze Mensenzoon moet omhoog worden geheven, zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn, JOH 3:15 opdat eenieder die gelooft in Hem eeuwig leven zal hebben. JOH 3:16 Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben. JOH 3:17 God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered. JOH 3:18 Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren zoon van God. JOH 3:19 Hierin bestaat het oordeel: het licht is in de wereld gekomen, maar de mensen beminden de duisternis meer dan het licht, omdat hun daden slecht waren. JOH 3:20 Ieder die slecht handelt, heeft een afschuw van het licht en gaat niet naar het licht toe uit vrees dat zijn werken openbaar gemaakt worden. JOH 3:21 Maar wie de waarheid doet, gaat naar het licht, opdat van zijn daden moge blijken dat zij in God zijn gedaan.' JOH 3:22 Laatste getuigenis van Johannes. Daarna ging Jezus met zijn leerlingen het land van Judea in, bleef daar enige tijd met hen en doopte er. JOH 3:23 Maar ook Johannes diende het doopsel toe, te Enom bij Salim, omdat daar veel water was; men ging daarheen om zich te laten dopen. JOH 3:24 Johannes was namelijk nog niet in de gevangenis geworpen. JOH 3:25 Enige leerlingen uit de kring van Johannes geraakten in een twistgesprek met een Jood over reinigingskwesties. JOH 3:26 Zij gingen naar Johannes en zeiden hem: 'Rabbi, de man die met u was aan de overkant van de Jordaan en over wie gij een getuigenis hebt gegeven: nu Hij aan het dopen is, lopen ze allemaal naar Haam toe.' JOH 3:27 Johannes gaf hun ten antwoord: 'Een mens kan zich niets toeëigenen, tenzij het hem vanuit de hemel gegeven is. JOH 3:28 Gij zijt zelf mijn getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Messias niet, maar een gezondene om voor Hem uit te gaan. JOH 3:29 De bruidegom is hij die de bruid heeft, maar de vriend van de bruidegom, die staat te luisteren of hij hem hoort, is al vol blijdschap wanneer hij de stem van de bruidegom verneemt. Zo nu is mijn vreugde en ze is volkomen. JOH 3:30 Hij moet groter worden ik kleiner. JOH 3:31 Wie van boven komt, staat boven allen. Wie van de aarde is, behoort tot de aarde en spreekt de taal van de aarde. Wie uit de hemel komt, staat boven allen. JOH 3:32 Hij legt getuigenis af van wat Hij zag en hoorde, maar toch aanvaardt niemand zijn getuigenis. JOH 3:33 Wie zijn getuigenis wel aanvaardt, bezegelt daarmee dat God waarachtig is. JOH 3:34 Want Hij, die door God gezonden is, spreekt Gods eigen woorden: zo mateloos schenkt God zijn Geest. JOH 3:35 De Vader heeft de Zoon lief en heeft Hem alles in handen gegeven. JOH 3:36 Wie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwig leven. Wie weigert in de Zoon te geloven zal het leven niet zien; integendeel, de toorn Gods blijft op hem. JOH 4:1 Gesprek met de Samaritaanse. Zodra de Heer te weten kwam dat de Farizeeën vernomen hadden dat Hij meer leerlingen maakte en doopte dan Johannes, JOH 4:2 - hoewel Jezus niet zelf doopte, maar zijn leerlingen, JOH 4:3 verliet Hij Judea en ging weer naar Galilea. JOH 4:4 Hij moest door Samaria en JOH 4:5 kwam zo aan een stad van Samaria, Sichar genaamd, dichtbij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven. JOH 4:6 Daar bevond zich de bron van Jakob en vermoeid van de tocht ging Jezus zomaar bij deze bron zitten. Het was ongeveer het zesde uur. JOH 4:7 Toen een vrouw uit Samaria water kwam putten zei Jezus tot haar: 'Geef Mij te drinken.' JOH 4:8 De leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om levensmiddelen te kopen. JOH 4:9 De Samaritaanse vrouw zei tot Hem: 'Hoe kunt Gij als Jood nu te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?' Joden onderhouden namelijk geen betrekkingen met de Samaritanen. JOH 4:10 Jezus gaf haar ten antwoord: 'Als ge enig begrip had van de gave Gods en wist wie het is, die u zegt: Geef Mij te drinken, zoudt ge het aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven.' JOH 4:11 Daarop zei de vrouw tot Hem: 'Heer, Ge hebt niet eens een emmer en de put is diep; waar haalt Ge dan dat levende water vandaan? JOH 4:12 Zijt ge soms groter dan onze vader Jakob die ons de put gaf en er met zijn zonen en zijn vee uit dronk?' JOH 4:13 Jezus antwoordde haar: 'Iedereen die van dit water drinkt krijgt weer dorst, JOH 4:14 maar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel, het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een water bron worden, opborrelend tot eeuwig leven.' JOH 4:15 Hierop zei de vrouw tot Hem: 'Heer geef mij van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg en niet meer hier behoef te komen om te putten.' JOH 4:16 Jezus zei haar: 'Ga uw man roepen en kom dan hier terug.' JOH 4:17 Ik heb geen man,' antwoordde de vrouw. Jezus zei haar: 'Dat zegt ge terecht: ik heb geen man; JOH 4:18 want vijf mannen hebt ge gehad, en die ge nu hebt is uw man niet. Wat dit betreft hebt ge de waarheid gesproken.' JOH 4:19 Heer, zei de vrouw, ik zie dat Gij een profeet zijt. JOH 4:20 Onze vaderen aanbaden op die berg daar, en gij, Joden, zegt dat in Jeruzalem de plaats is waar men aanbidden moet.' JOH 4:21 Geloof Mij, vrouw,' zei Jezus haar,' er komt een uur dat gij noch op die berg noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. JOH 4:22 Gij aanbidt wat gij niet kent; wij aanbidden wat wij kennen, omdat het heil uit de Joden komt. JOH 4:23 Maar er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid. De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbidden. JOH 4:24 God is geest, en wie Hem aanbidden moeten Hem in geest en waarheid aanbidden.' JOH 4:25 De vrouw zei Hem: 'Ik weet dat de Messias (dat wil zeggen: de Gezalfde) komt, en wanneer Die komt zal Hij ons alles verkondigen.' JOH 4:26 Jezus zei haar: 'Dat ben Ik, die met u spreek.' JOH 4:27 Juist op dat ogenblik kwamen zijn leerlingen terug en stonden verwonderd dat Hij in gesprek was met een vrouw. Geen van hen echter vroeg: 'Wat wilt Ge van haar?' of' Waarom praat Gij met haar?' JOH 4:28 De vrouw liet haar waterkruik in de steek, liep naar de stad terug en zei tot de mensen: JOH 4:29 Komt eens kijken naar een man, die mij alles heeft verteld wat ik gedaan heb! Zou Hij soms de Messias zijn?' JOH 4:30 Toen verlieten zij de stad om naar Hem toe te gaan. JOH 4:31 Ondertussen drongen de leerlingen bij Hem aan met de woorden: 'Eet toch iets, Rabbi.' JOH 4:32 Maar Hij zei hun: 'Ik heb een spijs te eten die gij niet kent.' JOH 4:33 De leerlingen zeiden tot elkaar: 'Zou iemand Hem soms te eten gebracht hebben?' JOH 4:34 Daarop zei Jezus hun: 'Mijn spijs is, de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen. JOH 4:35 Zegt gij niet: Nog vier maanden en dan komt de oogst? Welnu, Ik zeg u: slaat uw ogen op en kijkt naar de velden; ze staan wit, rijp voor de oogst. JOH 4:36 Reeds krijgt de maaier zijn loon en verzamelt vrucht tot eeuwig leven, zodat zaaier en maaier zich samen verheugen. JOH 4:37 Zo is het gezegde waar: de een zaait, de ander maait. JOH 4:38 Ik stuurde u uit om te maaien waarvoor gij niet hebt gezwoegd; anderen hebben gezwoegd en gij plukt van hun zwoegende vruchten.' JOH 4:39 Vele Samaritanen uit die stad geloofden in Hem om het woord van de vrouw die getuigde: 'Hij heeft mij alles verteld wat ik gedaan heb.' JOH 4:40 Toen dus de Samaritanen bij Hem gekomen waren, verzochten zij Hem bij hen te blijven. Hij bleef er dan ook twee dagen JOH 4:41 en door zijn woord kwamen er nog veel meer tot het geloof. JOH 4:42 Tot de vrouw zeiden ze: 'Niet langer geloven wij om wat gij gezegd hebt, want wij hebben Hem zelf gehoord en wij weten, dat Deze werkelijk de redder van de wereld is.' JOH 4:43 Terugkeer naar Galilea. Na die twee dagen ging Hij vandaar naar Galilea. JOH 4:44 Jezus zelf had verklaard, dat een profeet in zijn eigen vaderstad niet in aanzien is. JOH 4:45 Toen Hij nu in Galilea kwam, ontvingen de Galileeërs Hem welwillend, omdat zij alles hadden gezien, wat Hij te Jeruzalem op het feest had gedaan. Zij waren immers zelf ook op het feest geweest. JOH 4:46 Genezing van de zoon van een hofbeambte. Zo kwam Hij dan wederom te Kana in Galilea, waar Hij van het water wijn had gemaakt. Daar bevond zich een koninklijke beambte, wiens zoon te Kafarnaüm ziek lag. JOH 4:47 Toen hij hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe en verzocht Hem, dat Hij mee zou komen om zijn zoon te genezen, want deze lag op sterven. JOH 4:48 Als gij geen wondertekenen ziet,' zei Jezus tot hem,' dan gelooft gij niet.' JOH 4:49 Daarop zei die hofbeambte: 'Heer, kom toch eer mijn kind sterft!' JOH 4:50 Jezus antwoordde: 'Ga maar, uw zoon leeft.' De man geloofde wat Jezus hem zei en ging heen. JOH 4:51 Zijn dienaars kwamen hem onderweg reeds tegemoet met de boodschap dat zijn kind leefde. JOH 4:52 Hij vroeg hun naar het uur waarop de beterschap was ingetreden, en zij zeiden hem: 'Gisteren op het zevende uur is de koorts van hem geweken.' JOH 4:53 Toen besefte de vader, dat het gebeurd was juist op het uur waarop Jezus gezegd had: 'Uw zoon leeft.' Hij zelf en heel zijn gezin geloofden. JOH 4:54 Dit tweede teken deed Jezus ook weer toen Hij uit Judea naar Galilea gekomen was. JOH 5:1 Genezing van de lamme van Betsa da. Daarna ging Jezus, omdat er een feest van de Joden was, op naar Jeruzalem. JOH 5:2 Nu is er in Jeruzalem bij de Schaapspoort een badinrichting, in het Hebreeuws Betesda geheten, met vijf zuilengangen. JOH 5:3 In die gangen lag altijd een groot aantal gebrekkigen: blinden, lammen en mensen met verschrompelde ledematen (te wachten op het in beweging komen van het water, JOH 5:4 Van tijd tot tijd daalde namelijk een engel in het bad neer en bracht het water in beroering. Wie dan het eerst na de beweging van het water er inging, werd genezen, wat voor kwaal hij ook had). JOH 5:5 Nu was daar een man die al achtendertig jaar lang gebrekkig was. JOH 5:6 Jezus zag hem liggen en omdat Hij wist dat hij reeds lang zo lag, zei Hij tot hem: 'Wil je gezond worden?' JOH 5:7 De zieke gaf Hem ten antwoord: 'Heer, ik heb niemand om mij, wanneer het water bewogen wordt, in het bad te brengen en terwijl ik ga, daalt een ander voor mij er in af.' JOH 5:8 Daarop zei Jezus hem: 'Sta op, neem je bed op en loop.' JOH 5:9 Op slag werd de man gezond. Hij nam zijn bed op en liep. Twist over de sabbat. Die dag was het echter sabbat JOH 5:10 en daarom zeiden de Joden tot de genezene: 'Het is sabbat, je mag je bed niet dragen.' JOH 5:11 Hierop antwoordde hij hun: 'Die mij gezond heeft gemaakt, Die heeft gezegd: Neem je bed op en loop! JOH 5:12 Daarom vroegen zij hem: 'Wie is die man die je zei: Neem je bed op en loop?' JOH 5:13 De genezene wist niet wie het was, want Jezus had zich ongemerkt teruggetrokken, omdat er veel volk ter plaatse was. JOH 5:14 Later trof Jezus hem in de tempel en sprak tot hem: 'Zie, je bent nu genezen! Zondig niet meer, opdat je niets ergers overkomt.' JOH 5:15 De man ging heen en vertelde aan de Joden, dat het Jezus was die hem genezen had. JOH 5:16 Omdat Jezus dergelijke dingen op sabbat deed, begonnen de Joden Hem te vervolgen. JOH 5:17 Jezus verdedigde zich echter met de woorden: 'Mijn Vader is tot op de dag van vandaag voortdurend aan het werk, en ook Ik houd niet op met werken.' JOH 5:18 Om die reden waren de Joden er nog meer op uit om Hem te doden. Hij tastte immers niet slechts de sabbat aan, maar Hij noemde zelfs God zijn eigen Vader en maakte daardoor zichzelf aan God gelijk. JOH 5:19 Hierop nam Jezus opnieuw het woord en sprak: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: de Zoon kan niets uit zichzelf, maar alleen datgene wat Hij de Vader ziet doen. En alles wat Deze doet, doet de Zoon insgelijks. JOH 5:20 De Vader toch heeft de Zoon lief en laat Hem alles zien wat Hij doet. Nog grotere werken dan deze zal Hij Hem tonen, zodat gij verbaasd zult staan. JOH 5:21 Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil. JOH 5:22 De Vader oordeelt niemand, maar heeft het oordeel geheel en al in handen van de Zoon gelegd, JOH 5:23 opdat allen de Zoon zouden eren zoals zij de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert evenmin de Vader die Hem zond. JOH 5:24 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie luistert naar mijn woord en gelooft in Hem die Mij zond, heeft eeuwig leven en is aan geen oordeel onderworpen, hij is immers reeds uit die dood naar het leven overgegaan. JOH 5:25 Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: er zal een uur komen, ja het is er al, waarop de doden de stem van Gods Zoon zullen horen en die haar horen, zullen leven. JOH 5:26 Zoals de Vader leven heeft in zichzelf, zo gaf Hij ook aan de Zoon leven in zichzelf te hebben. JOH 5:27 Hij heeft Hem macht gegeven om oordeel te vellen; Hij is immers de Mensenzoon. JOH 5:28 Verwondert u niet hierover: er zal een uur komen, waarop allen die in de graven zijn, zijn stem zullen horen. JOH 5:29 Dan zullen zij die het goede deden, er uit te voorschijn komen tot de opstanding ten leven, maar die het kwade deden tot de opstanding ten oordeel. JOH 5:30 Ik kan niets uit Mijzelf: Ik oordeel naar wat Ik hoor en mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik niet mijn eigen wil zoek, maar de wil van Hem die Mij zond. JOH 5:31 Als Ik over Mijzelf getuig, dan heeft mijn getuigenis geen waarde. JOH 5:32 Er is een ander de over mij getuigt, en Ik weet dat de getuigenis die Hij over Mij aflegt, geloofwaardig is. JOH 5:33 Gij hebt een gezantschap naar Johannes gestuurd en deze heeft getuigd voor de waarheid. JOH 5:34 Weliswaar behoef Ik de getuigenis van een mens niet, maar Ik zeg dit opdat gij gered zult worden. JOH 5:35 Hij was de lamp, ontstoken om te verlichten, en een korte tijd hebt gij u in zijn licht willen verheugen. JOH 5:36 De getuigenis echter die Ik bezit, is waardevoller dan die van Johannes, want het zijn juist de werken die de Vader Mij gegeven heeft om te volbrengen en die Ik ook volbreng, die van Mij getuigen, dat Ik door de Vader gezonden ben. JOH 5:37 Ook de Vader zelf die Mij zond, heeft getuigenis over Mij afgelegd. Zijn stem hebt gij nimmer gehoord noch zijn gestalte gezien, en JOH 5:38 zijn woord hebt gij niet blijvend in u, omdat gij Degene die Hij zond niet gelooft. JOH 5:39 Gij onderzoekt de Schriften in de mening daarin eeuwig leven te vinden, maar juist dezen getuigen over Mij. JOH 5:40 En toch wilt gij niet tot Mij komen om het leven te vinden. JOH 5:41 Ik zoek niet door de mensen geëerd te worden, JOH 5:42 maar Ik weet dat gij in uw hart geen liefde tot God hebt. JOH 5:43 Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader en toch aanvaardt Gij Mij niet. Komt een ander in zijn eigen naam, dan zult gij hem wel aanvaarden. JOH 5:44 Maar hoe zoudt gij ook kunnen geloven als gij van elkaar eer tracht te verwerven, terwijl gij de eer die van de enige God komt, niet zoekt? JOH 5:45 Meent niet, dat Ik u bij de Vader zal aanklagen. Er is al iemand die u aanklaagt: Mozes, op wie gij uw hoop hebt gesteld. JOH 5:46 Want als ge Mozes zoudt geloven, zoudt ge ook Mij geloven, want juist over Mij heeft hij geschreven. JOH 5:47 Als ge niet gelooft wat hij schreef, hoe zoudt ge dan geloven wat Ik spreek?' JOH 6:1 Wonderbare spijziging. Daarna begaf Jezus zich naar de overkant van het meer van Galilea, bij Tiberias. JOH 6:2 Een grote menigte volgde Hem, omdat zij de tekenen zagen die Hij aan de zieken deed. JOH 6:3 Jezus ging de berg op en zette zich daar met zijn leerlingen neer. JOH 6:4 Het was kort voor Pasen, het feest van de Joden. JOH 6:5 Toen Jezus zijn ogen opsloeg en zag dat er een grote menigte naar Hem toekwam, vroeg Hij aan Filippus: 'Hoe moeten wij brood kopen om deze mensen te laten eten?' JOH 6:6 Dit zeide Hij om hem op de proef te stellen, want zelf wist Hij wel wat Hij ging doen. JOH 6:7 Filippus antwoordde Hem: 'Wil ieder ook maar een klein stukje krijgen, dan is voor tweehonderd denariën brood nog te weinig.' JOH 6:8 Een van zijn leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, merkte op: JOH 6:9 Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen, maar wat betekent dat voor zo'n aantal?' JOH 6:10 Jezus echter zei: 'Laat de mensen gaan zitten.' Er was daar namelijk veel gras. Zij gingen dan zitten; het aantal mannen bedroeg ongeveer vijfduizend. JOH 6:11 Toen nam Jezus de broden en na het dankgebed gesproken te hebben, liet Hij ze uitdelen onder de mensen die daar zaten, alsmede de vissen, zoveel men maar wilde. JOH 6:12 Toen ze verzadigd waren zei Hij tot zijn leerlingen: 'Haalt nu de overgebleven brokken op om niets verloren te laten gaan.' JOH 6:13 Zij haalden ze op en vulden van de vijf gerstebroden twaalf manden met brokken, welke door de mensen na het eten overgelaten waren. JOH 6:14 Toen de mensen het teken zagen dat Hij gedaan had, zeiden ze: 'Dit is stellig de profeet die in de wereld moet komen.' JOH 6:15 Daar Jezus begreep, dat zij zich van Hem meester wilden maken om Hem mee te voeren en tot koning uit te roepen, trok Hij zich weer in het gebergte terug, geheel alleen. JOH 6:16 Jezus gaat te voet over het water. Toen het avond werd, daalden zijn leerlingen naar het meer af. JOH 6:17 Zij gingen scheep en zetten koers naar de overkant van het meer, in de richting van Kafarnaüm. Toen de duisternis reeds was ingevallen, was Jezus nog niet bij hen gekomen. JOH 6:18 Het meer werd woelig, want er stond veel wind. JOH 6:19 Na ongeveer vijfentwintig of dertig stadiën geroeid te hebben zagen zij Jezus te voet over het meer tot vlak bij de boot komen en zij werden bevreesd. JOH 6:20 Maar Jezus sprak tot hen: 'Ik ben het, weest niet bang.' JOH 6:21 Zij wilden Hem aan boord nemen, maar vlak daarop bereikte de boot de kust, waarheen zij op weg waren. JOH 6:22 Het brood uit de hemel. Het volk dat aan de ene kant van het meer was gebleven, had gezien dat daar maar een bootje gelegen had en Jezus niet met zijn leerlingen was scheep gegaan, maar zijn leerlingen alleen waren vertrokken. De volgende dag JOH 6:23 echter kwamen er bootjes uit Tiberius dicht bij de plaats waar men het brood had gegeten na het dankgebed van de Heer. JOH 6:24 Toen de mensen bemerkten dat noch Jezus noch zijn leerlingen daar waren, gingen zij in de boten en voeren in de richting van Kafarnaüm op zoek naar Jezus. JOH 6:25 Zij vonden Hem aan de overkant van het meer en zeiden: 'Rabbi, wanneer bent U hier gekomen?' JOH 6:26 Jezus nam het woord en zeide: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Niet omdat gij tekenen gezien hebt, zoekt ge Mij, maar omdat gij van de broden hebt gegeten tot uw honger was gestild. JOH 6:27 Werkt niet voor het voedsel dat vergaat, maar voor het voedsel dat blijft om eeuwig te leven en dat de Mensenzoon u zal geven. Op Hem immers heeft de Vader, God zelf, zijn zegen gedrukt. JOH 6:28 Daarop zeiden zij tot Hem: 'Welke werken moeten wij voor God verrichten?' JOH 6:29 Jezus gaf hun ten antwoord: 'Dit is het werk dat God van u vraagt: te geloven in Degene, die Hij gezonden heeft.' JOH 6:30 Zij zeiden tot Hem: 'Wat voor teken doet Gij dan wel, waardoor wij kunnen zien dat wij in U moeten geloven?' Wat doet Gij eigenlijk? JOH 6:31 Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, zoals geschreven staat: Brood uit de hemel gaf hij hun te eten.' JOH 6:32 Jezus hernam: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wat Mozes u gaf was niet het brood uit de hemel; het echte brood uit de hemel wordt u door mijn Vader gegeven; JOH 6:33 want het brood van God daalt uit de hemel neer en geeft leven aan de wereld.' JOH 6:34 Zij zeiden tot Hem: 'Heer, geef ons altijd dat brood.' JOH 6:35 Jezus sprak tot hen: 'Ik ben het brood des levens: wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst krijgen. JOH 6:36 Maar Ik zei u reeds, dat, hoewel gij Mij hebt gezien, gij toch niet gelooft. JOH 6:37 Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik niet buitenwerpen. JOH 6:38 Ik ben immers uit de hemel neergedaald, niet om mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem die Mij gezonden heeft; JOH 6:39 en dit is de wil van Hem die Mij gezonden heeft, dat Ik niets van wat Hij Mij gegeven heeft verloren laat gaan, maar het doe opstaan op de laatste dag. JOH 6:40 Dit is de wil van mijn Vader, dat ieder die de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven bezit; en ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.' JOH 6:41 De Joden morden over Hem, omdat Hij gezegd had: 'Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald,' JOH 6:42 en zij zeiden: 'Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef, en kennen wij zijn vader en moeder niet? Hoe kan Hij dan zeggen: Ik ben uit de hemel neergedaald?' JOH 6:43 Maar Jezus sprak tot hen: 'Mort toch niet onder elkaar. JOH 6:44 Niemand kan tot Mij komen, als de Vader die Mij zond, hem niet trekt; en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. JOH 6:45 Er staat geschreven bij de profeten: En allen zullen door God onderricht worden. Al wie naar de leer van de Vader geluisterd heeft, komt tot Mij. JOH 6:46 Niet dat iemand de Vader gezien heeft, alleen Degene die uit God is, heeft de Vader gezien. JOH 6:47 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie gelooft, heeft eeuwig leven. JOH 6:48 Het levende brood. Ik ben het brood des levens. JOH 6:49 Uw vaderen, die het manna gegeten hebben in de woestijn, zijn niettemin gestorven; JOH 6:50 maar dit brood daalt uit de hemel neer, opdat wie er van eet niet sterft. JOH 6:51 Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld.' JOH 6:52 De Joden geraakten daarover met elkaar in twist en zeiden: 'Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven?' JOH 6:53 Jezus sprak daarop tot hen: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u. JOH 6:54 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. JOH 6:55 Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank. JOH 6:56 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. JOH 6:57 Zoals Ik door de Vader die leeft, gezonden ben en leef door de Vader, zo zal ook hij die Mij eet, leven door Mij. JOH 6:58 Dit is het brood, dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet zoals bij de vaderen, die gegeten hebben en niettemin gestorven zijn: wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven.' JOH 6:59 Dit zij Jezus bij zijn onderricht in de synagoge van Kafarnaüm. JOH 6:60 Ongeloof en geloof. Toen zij dit hoorden, zeiden velen van zijn leerlingen: 'Deze taal stuit iemand tegen de borst. Wie kan daar naar luisteren?' JOH 6:61 Maar Jezus, die uit zichzelf wist dat zijn leerlingen daarover morden, vroeg hun: 'Neemt gij daar aanstoot aan? JOH 6:62 Als gij dan de Mensenzoon ziet opstijgen naar waar Hij vroeger was...? JOH 6:63 Het is de geest die levend maakt, het vlees is van geen nut. De woorden die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven. JOH 6:64 Maar er zijn er onder u, die geen geloof hebben.' Jezus wist inderdaad van het begin af aan wie het waren die niet geloofden en wie Hem zouden overleveren . JOH 6:65 Hij voegde er een toe: 'Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij kan komen, als het hem niet door de Vader gegeven is.' JOH 6:66 Tengevolge hiervan trokken velen van zijn leerlingen zich terug en verlieten zijn gezelschap. JOH 6:67 Waarop Jezus aan de twaalf vroeg: 'Wilt ook gij soms weggaan?' JOH 6:68 Simon Petrus antwoordde Hem: 'Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven JOH 6:69 en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.' JOH 6:70 Jezus gaf hun ten antwoord: 'Heb Ik u niet uitgekozen, twaalf in getal? En toch is een van u een duivel.' JOH 6:71 Hiermede doelde Hij op Judas, de zoon van Simon Iskariot, want deze zou Hem overleveren: een van de twaalf. JOH 7:1 Jezus vertrekt in stilte naar Jeruzalem. Daarna trok Jezus rond in Galilea, want Hij wilde dat niet in Judea doen, omdat de Joden er op uit waren Hem te doden. JOH 7:2 Toen het echter tegen een van de Joodse feesten, het Loofhuttenfeest liep, JOH 7:3 zeiden zijn broeders tot Hem: 'Verlaat deze streek en trek naar Judea; dan kunnen ook uw leerlingen de werken zien die Gij verricht. JOH 7:4 Niemand doet iets in het verborgen, als hijzelf de openbaarheid zoekt. Nu Gij eenmaal dergelijke dingen doet, moet Gij U ook aan de wereld vertonen.' JOH 7:5 Ook zijn broeders immers geloofden niet in Hem. JOH 7:6 Maar Jezus sprak tot hen: 'Mijn tijd is nog niet aangebroken, terwijl voor u de tijd steeds gunstig is. JOH 7:7 De wereld kan u niet haten, maar Mij haat zij wel, omdat Ik van haar getuig dat haar werken slecht zijn. JOH 7:8 Gaat gij maar naar het feest; Ik ga nog niet naar dat feest, want voor Mij is de tijd nog niet rijp.' JOH 7:9 Zo sprak Hij tot hen en Hij bleef in Galilea. JOH 7:10 Toen echter zijn broeders naar het feest waren gegaan, vertrok Hij ook, niet openlijk maar onopvallend. JOH 7:11 Gedurende het feest zochten de Joden Hem en zeiden: 'Waar is Hij toch?' JOH 7:12 En onder het volk werd heimelijk veel over Hem gesproken. Sommigen noemden Hem een goed mens, anderen daarentegen een volksmisleider. JOH 7:13 Maar niemand durfde vrijuit over Hem spreken uit vrees voor de Joden. JOH 7:14 Jezus op het Loofhuttenfeest. Toen het feest reeds halverwege was, begaf Jezus zich naar de tempel en trad daar als leraar op. JOH 7:15 De Joden stonden hierover verbaasd en zeiden: 'Hoe komt die man aan zoveel kennis zonder onderricht te hebben ontvangen?' JOH 7:16 Daarop richt te Jezus zich tot hen en zei: 'Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem die Mij gezonden heft. JOH 7:17 Als iemand bereid is zijn wil te doen, zal hij van deze leer weten of zij uit God voorkomt of dat Ik haar uit Mijzelf verkondig. JOH 7:18 Wie uit zichzelf spreekt, zoekt eigen eer. Wie daarentegen de eer zoekt van Degene die Hem zond, hij is geloofwaardig en er is geen bedrog in hem. JOH 7:19 Heeft niet Mozes u de Wet gegeven? En niemand van u onderhoudt die Wet. Waarom zoekt gij Mij te doden?' JOH 7:20 Het volk antwoordde: 'Gij zijt van de duivel bezeten! Wie zoekt U te doden?' JOH 7:21 Jezus hernam: 'Een enkel werk heb Ik verricht en allen staat gij verbaasd. JOH 7:22 Welnu, Mozes gaf u de besnijdenis niet dat ze van Mozes afkomstig is, want ze komt van de aartsvaders en zelfs op sabbat past gij de besnijdenis op iemand toe. JOH 7:23 Als nu iemand op sabbat de besnijdenis moet ontvangen, opdat de Wet van Mozes niet geschonden wordt, hoe kunt ge dan vertoornd zijn op Mij, omdat Ik op sabbat een hele mens gezond maakte? JOH 7:24 Oordeelt niet naar het uiterlijke, maar velt een rechtvaardig oordeel.' JOH 7:25 Enkele Jeruzalemmers zeiden: JOH 7:26 Is dit niet de man die ze zoeken te doden? En nu zie eens. Hij staat in het openbaar te spreken en men zegt Hem niets! Zou de overheid nu werkelijk erkend hebben, dat Hij de Messias is? JOH 7:27 Maar van deze man weten wij waar Hij vandaan is, wanneer echter de Messias komt, weet geen mens waar Hij vandaan komt.' JOH 7:28 Terwijl Jezus in de tempel leerde, riep Hij met luider stem: 'Gij kent mij en gij weet waar Ik vandaan ben; toch ben Ik niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij die waarachtig is, heeft Mij gezonden, Hem kent gij niet. JOH 7:29 Ik ken Hem, omdat Ik uit Hem ben en Hij Mij heeft gezonden.' JOH 7:30 Ze wilden zich van Hem meester maken, maar niemand sloeg de hand aan Hem, want zijn uur was nog niet gekomen. JOH 7:31 Onder het gewone volk echter begonnen er velen in Hem te geloven en zeiden: 'Wanneer de Messias komt, zal Hij dan soms meer tekenen doen dan Deze?' JOH 7:32 Eerste poging om Jezus gevangen te nemen. Toen de Farizeeën hoorden dat het volk heimelijk zo over Hem sprak, stuurden de hogepriesters en de Farizeeën dienaars uit om Hem in hechtenis te nemen. JOH 7:33 Toen zei Jezus: 'Nog een korte tijd ben Ik bij u en dan ga Ik heen naar Hem die Mij gezonden heeft. JOH 7:34 Gij zult Mij zoeken, maar niet vinden, want waar Ik ben kunt gij niet komen.' JOH 7:35 De Joden zeiden tot elkaar: 'Waar zou Hij heen willen gaan, zodat wij Hem niet kunnen vinden? Hij zal toch niet naar de Verstrooiing onder de heidenen gaan en de heidenen gaan onderrichten? JOH 7:36 Wat zou dat gezegde van Hem betekenen. Gij zult Mij zoeken, maar niet vinden, want waar Ik ben, kunt gij niet komen?' JOH 7:37 Jezus bron van levend water. Op de laatste en grootste dag van het feest stond Jezus daar en riep met luider stem: 'Als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij; JOH 7:38 wie in Mij gelooft, hij drinke! Zoals de Schrift zegt: 'Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.' JOH 7:39 Hiermee doelde Hij op de Geest, die zij, die in Hem geloofden, zouden ontvangen, want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was. JOH 7:40 Verdeelde meningen over Jezus. Op het horen van deze woorden zeiden sommigen van het volk: 'Dit is inderdaad de profeet.' JOH 7:41 Anderen zeiden: 'Het is de Messias.' Weer anderen wierpen op: 'Komt de Messias soms uit Galilea? JOH 7:42 Heeft de Schrift niet gezegd, dat de Messias komen zal uit het geslacht van David en uit Betlehem, het dorp waar David woonde?' JOH 7:43 Zo ontstond er dus om Hem verdeeldheid onder het volk. JOH 7:44 Sommigen hunner wilden Hem gevangennemen, maar niemand sloeg de hand aan Hem. JOH 7:45 Toen dan ook de dienaars bij de hogepriesters en Farizeeën terugkwamen, vroegen dezen hun: 'Waarom hebt gij Hem niet meegebracht?' JOH 7:46 De dienaars antwoordden: 'Nooit heeft iemand zo gesproken als die man.' JOH 7:47 Waarop de Farizeeën zeiden: 'Hebt gij u soms ook laten bedriegen? JOH 7:48 Heeft dan een van de overheden of van de Farizeeën in Hem geloofd? JOH 7:49 Dat volk, ja, dat de Wet niet kent; vervloekt zijn ze!' JOH 7:50 Maar een uit hun kring, Nikodemus, die vroeger bij Jezus gekomen was, merkte op: JOH 7:51 Veroordeelt onze Wet iemand zonder hem eerst te horen en te vernemen wat hij doet?' JOH 7:52 Zij gaven hem ten antwoord: 'Zijt gij soms ook uit Galilea? Zoek maar na en gij zult zien dat de profeet niet uit Galilea opstaat.' JOH 7:53 [Toen ging ieder naar huis.] JOH 8:1 De overspelige vrouw. Jezus echter begaf zich naar de Olijfberg. JOH 8:2 s Morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel en al het volk kwam naar Hem toe. Hij ging zitten en onderrichtte hen. JOH 8:3 Toen brachten schriftgeleerden en Farizeeën Hem een vrouw die op overspel was betrapt. Zij plaatsten haar in het midden en JOH 8:4 zeiden tot Hem: 'Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt, terwijl ze overspel bedreef. JOH 8:5 Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen zulke vrouwen te stenigen. Maar Gij, wat zegt Gij ervan?' JOH 8:6 Dit bedoelden ze als een strikvraag in de hoop Hem ergens van de te kunnen beschuldigen. Jezus echter boog zich voorover en schreef met zijn vinger op de grond. JOH 8:7 Toen ze bij Hem aanhielden met vragen, richtte Hij zich op en zei tot hen: 'Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerst een steen op haar werpen.' JOH 8:8 Weer boog Hij zich voorover en schreef op de grond. JOH 8:9 Toen zij dit hoorden, dropen zij een voor een af, de oudsten het eerst, totdat Jezus alleen achterbleef met de vrouw, die nog midden in de kring stond. JOH 8:10 Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar: 'Vrouw, waar zijn ze? Heeft niemand u veroordeeld? JOH 8:11 Zij antwoordde: 'Niemand, Heer.' Toen zei Jezus tot haar: 'Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig van nu af niet meer.' JOH 8:12 Jezus het licht van de wereld. Opnieuw richtte Jezus het woord tot hen en sprak: 'Ik ben het licht van de wereld. Wie Mij volgt, dwaalt niet rond in de duisternis, maar zal het licht van het leven bezitten.' JOH 8:13 De Farizeeën wierpen Hem tegen: 'Gij getuigt over Uzelf; uw getuigenis heeft geen waarde.' JOH 8:14 Jezus antwoordde hun: 'Ook al getuig Ik over Mijzelf, toch heeft mijn getuigenis waarde, omdat ik weet vanwaar Ik gekomen ben en waarheen Ik ga. Gij echter weet niet vanwaar Ik kom of waarheen Ik ga. JOH 8:15 Ge oordeelt naar het aardse, ik oordeel niemand. JOH 8:16 En zelfs als Ik zou oordelen, dan is mijn oordeel toch rechtsgeldig, omdat Ik niet alleen ben, maar de Vader die Mij gezonden heeft met Mij is. JOH 8:17 Ook in uw Wet staat geschreven, dat het getuigenis van twee mensen geldig is. JOH 8:18 Ik ben het die getuig over Mijzelf en ook de Vader die Mij gezonden heeft, getuigt over Mij.' JOH 8:19 Zij vroegen Hem dan: 'Waar is uw Vader?' Jezus antwoordde: 'Gij kent Mij evenmin als gij mijn Vader kent; zoudt Gij Mij kennen, dat zoudt gij ook mijn Vader kennen.' JOH 8:20 Deze woorden sprak Hij bij de schatkamer, toen Hij onderricht gaf in de tempel. En niemand greep Hem, want zijn uur was nog niet gekomen. JOH 8:21 Men moet Jezus geloven. Andermaal sprak Hij tot hen: 'Ik ga heen en gij zult Mij zoeken, maar in uw zonden zult ge sterven. Waar Ik heenga kunt gij niet komen.' JOH 8:22 De Joden zeiden daarop: 'Hij zal toch geen zelfmoord plegen, dat Hij zegt: Waar Ik heenga kunt gij niet komen?' JOH 8:23 Maar Hij hernam: 'Gij zijt van beneden. Ik ben van boven. Gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld. JOH 8:24 Daarom zei Ik u, dat gij in uw zonden zult sterven, want als gij niet gelooft dat Ik ben, zult gij in uw zonden sterven.' JOH 8:25 Zij vroegen Hem toen: 'Wie zijt Gij dan?' Jezus antwoordde: 'Waarom zou Ik daar eigenlijk nog met u over spreken? JOH 8:26 Veel zou Ik over u kunnen zeggen tot uw veroordeling. Maar Hij die Mij gezonden heeft, is waarachtig, en wat ik van Hem heb gehoord, dat zeg Ik tot de wereld.' JOH 8:27 Zij begrepen niet dat Hij hun van de Vader sprak. JOH 8:28 Daarop zei Jezus: 'Wanneer gij de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, dan zult gij inzien dat Ik ben en Ik uit Mijzelf niets doe, maar dit alles zeg zoals de Vader het Mij heeft geleerd. JOH 8:29 En Hij die Mij gezonden heeft, is met Mij; Hij heeft Mij niet alleen gelaten, omdat ik altijd doe wat Hem behaagt.' JOH 8:30 Toen Hij aldus sprak, gingen er velen in Hem geloven. JOH 8:31 Tot de Joden dan die in Hem geloofden, zei Jezus: 'Indien gij trouw blijft aan mijn woord, zijt gij waarlijk mijn leerlingen. JOH 8:32 Dan zult ge de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken. JOH 8:33 Men wierp op: 'Wij zijn van Abrahams geslacht en nooit iemands slaaf geweest. Hoe kunt Gij dan zeggen: gij zult vrij worden?' JOH 8:34 Jezus antwoordde hun: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: alwie zonde doet, is slaaf van de zonde, JOH 8:35 en de slaaf blijft niet voor eeuwig in het huis. De Zoon blijft voor eeuwig. JOH 8:36 Als de Zoon u vrijmaakt, zult gij werkelijk vrij zijn. JOH 8:37 Ik weet dat gij van Abrahams geslacht zijt; niettemin zoekt gij Mij te doden, omdat mijn woord bij u geen ingang vindt. JOH 8:38 Ik verkondig wat Ik bij de Vader heb gezien, maar gij doet wat gij van uw vader gehoord hebt.' JOH 8:39 Zij antwoordden Hem: 'Onze vader is Abraham!' Daarop zei Jezus hun: 'Als gij kinderen van Abraham zijt, doet dan ook de werken van Abraham. JOH 8:40 Thans echter zoekt gij Mij, een mens te doden, terwijl Ik u de waarheid heb gezegd, die Ik van God heb gehoord. Zoiets deed Abraham niet. JOH 8:41 Gij doet de werken van uw vader.' Zij zeiden Hem: 'Wij zijn niet uit ontucht geboren; een vader hebben wij en dat is God.' JOH 8:42 Jezus zeide hun: 'Als God uw vader was, zoudt gij Mij beminnen, want van God ben Ik uitgegaan en van Godswege ben Ik hier. Neen, Ik ben niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden. JOH 8:43 Waarom verstaat gij mijn taal niet? Omdat gij niet in staat zijt mijn woord te aanhoren. JOH 8:44 De vader uit wie gij zijt is de duivel, en gij verkiest te volbrengen wat uw vader verlangt. Hij was een moordenaar van begin af aan en hij bevindt zich niet in de waarheid, omdat er in hem geen waarheid is. Wanneer hij leugentaal spreekt, spreekt hij uit zijn eigen wezen, want een leugenaar is hij, ja, de aartsleugenaar. JOH 8:45 Mij gelooft gij niet, omdat Ik de waarheid spreek. JOH 8:46 Wie van u kan aantonen dat Ik zonde gedaan heb? Als Ik waarheid spreek, waarom gelooft gij Mij dan niet? JOH 8:47 Wie uit God is, luistert naar Gods woorden. Daarom luistert gij niet, omdat gij niet uit God zijt.' JOH 8:48 De Joden gaven Hem ten antwoord: 'Zeggen wij niet met recht dat Gij een Samaritaan zijt en van de duivel bezeten?' JOH 8:49 Jezus antwoordde: 'Ik ben niet van de duivel bezeten, maar Ik eer mijn Vader, terwijl gij Mij aantast in mijn eer, JOH 8:50 Ik zoek mijn eigen eer niet. Er is iemand die ze zoekt en die oordeelt. JOH 8:51 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als iemand mijn woord onderhoudt, zal hij in eeuwigheid de dood niet zien.' JOH 8:52 Toen zeiden de Joden Hem: 'Nu weten wij zeker dat Gij van de duivel bezeten zijt. Want Abraham en de profeten zijn gestorven, terwijl Gij beweert: Als iemand mijn woord onderhoudt, zal hij in eeuwigheid de dood niet smaken. JOH 8:53 Zijt Gij soms groter dan onze vader Abraham, die wel gestorven is. Zelfs de profeten zijn gestorven. Voor wie houdt Gij uzelf wel?' JOH 8:54 Jezus antwoordde: 'Als Ik Mijzelf verheerlijk dan is mijn glorie niets; maar mijn Vader is het die Mij verheerlijkt, van wie gij zegt: Hij is onze God. JOH 8:55 Toch kent gij Hem niet. Ik daarentegen ken Hem en als Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken, zou Ik aan u gelijk zijn: een leugenaar. Maar Ik ken Hem en onderhoud zijn woord. JOH 8:56 Abraham, uw vader, juichte van vreugde bij de gedachte dat hij mijn dag zou zien; hij heeft hem gezien en zich verheugd.' JOH 8:57 Toen zeiden de Joden tot Hem: 'Gij zijt nog geen vijftig jaar en Gij hebt Abraham gezien?' JOH 8:58 Jezus antwoordde hun: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: voor Abraham werd, ben Ik.' JOH 8:59 Toen raapten zij stenen op om Hem te stenigen, maar Jezus trok zich terug en verliet de tempel. JOH 9:1 Genezing van een blindgeborene. In het voorbijgaan zag Hij een man die blind was van zijn geboorte af. JOH 9:2 Zijn leerlingen vroegen Hem: 'Rabbi, wie heeft gezondigd, hijzelf of zijn ouders, dat hij blind geboren werd?' JOH 9:3 Jezus antwoordde: 'Noch hij noch zijn ouders hebben gezondigd, maar de werken Gods moeten in hem openbaar worden. JOH 9:4 Wij moeten de werken van Hem die Mij gezonden heeft, verrichten zolang het dag is. Er komt een nacht en dan kan niemand werken. JOH 9:5 Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld.' JOH 9:6 Toen Hij dit gezegd had, spuwde Hij op de grond, maakte met het speeksel slijk, bestreek daarmee de ogen van de man JOH 9:7 en zei tot hem: 'Ga u wassen in de vijver van de Siloam,' wat betekent: gezondene . Hij ging er naar toe, waste zich en kwam er ziende vandaan. JOH 9:8 Zijn buren nu en degenen die hem vroeger hadden zien bedelen, zeiden: 'Is dat niet de man, die zat te bedelen?' JOH 9:9 Sommigen zeiden: 'Inderdaad, hij is het.' Anderen: 'Neen, hij lijkt alleen maar op hem.' Hijzelf zei: 'Ik ben het.' JOH 9:10 Toen vroegen ze hem: 'Hoe zijn dan uw ogen geopend?' JOH 9:11 Hij antwoordde: 'De man die Jezus heet, maakte slijk, bestreek daarmee mijn ogen en zei tot mij: Ga naar de Siloam en was u. Ik ben dus gegaan, waste mij en kon zien.' JOH 9:12 Ze vroegen hem toen: 'Waar is die man?' Hij zei: 'Ik weet het niet.' JOH 9:13 Men bracht nu de man die blind geweest was bij de Farizeeën; JOH 9:14 de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen geopend waren, was namelijk een sabbat. JOH 9:15 Ook de Farizeeën vroegen hem dus, hoe hij het gezicht herkregen had. Hij zei hun: 'Hij deed slijk op mijn ogen, ik waste mij en ik zie.' JOH 9:16 Toen zeiden sommige Farizeeën: 'Die man komt niet van God, want Hij onderhoudt de sabbat niet.' Anderen zeiden: 'Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen?' Zo was er verdeeldheid onder hen. JOH 9:17 Zij richtten zich opnieuw tot de blinde en vroegen: 'Wat zegt gijzelf van Hem, daar Hij u toch de ogen geopend heeft?' Hij antwoordde: 'Het is een profeet.' JOH 9:18 De Joden wilden niet van hem aannemen, dat hij blind was geweest en het gezicht herkregen had, eer zij de ouders van de genezene hadden laten komen. JOH 9:19 Zij stelden hun toen de vraag: 'Is dit uw zoon, die volgens uw zeggen blind geboren is? Hoe kan hij dan nu zien?' JOH 9:20 Zijn ouders antwoordden: 'Wij weten, dat dit onze zoon is en dat hij blind is geboren, JOH 9:21 maar hoe hij nu zien kan, weten wij niet; of wie zijn ogen geopend heeft, wij weten het niet. Vraagt het hemzelf, hij is oud genoeg en zal zelf zijn woord wel doen.' JOH 9:22 Zijn ouders zeiden dit omdat zij bang waren voor de Joden, want de Joden hadden reeds afgesproken dat alwie Hem als Messias beleed uit de synagoge gebannen zou worden. JOH 9:23 Daarom zeiden zijn ouders: 'Hij is oud genoeg, vraagt het hemzelf.' JOH 9:24 Voor de tweede maal riepen zij nu de man die blind was geweest bij zich en zeiden hem: 'Geef eer aan God. Wij weten dat die man een zondaar is.' JOH 9:25 Hij echter antwoordde: 'Of Hij een zondaar is, weet ik niet, Een ding weet ik wel: dat ik blind was en nu zie.' JOH 9:26 Daarop vroegen zij hem wederom: 'Wat heeft Hij met u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?' JOH 9:27 Hij antwoordde: 'Dat heb ik al verteld, maar gij hebt niet geluisterd. Waarom wilt gij het opnieuw horen. Wilt gij ook soms leerlingen van Hem worden? JOH 9:28 Toen zeiden zij smalend tot hem: 'Jij bent een leerling van die man, wij zijn leerlingen van Mozes. JOH 9:29 Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft maar van deze weten wij niet waar Hij vandaan is.' JOH 9:30 De man gaf hun ten antwoord: 'Dit is toch wel wonderlijk, dat gij niet weet vanwaar Hij is; en Hij heeft mij nog wel de ogen geopend. JOH 9:31 Wij weten dat God niet naar zondaars luistert, maar als iemand godvrezend is en zijn wil doet, dan luistert Hij naar zo iemand. JOH 9:32 Nooit in der eeuwigheid heeft men gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend. JOH 9:33 Als deze man niet van God kwam, had Hij zo iets nooit kunnen doen.' JOH 9:34 Zij voegden hem toe: 'In zonden ben je geboren, zo groot als je bent, en jij wilt ons de les lezen?' Toen wierpen ze hem buiten. JOH 9:35 Jezus vernam dat men hem buiten geworpen had en toen Hij hem aantrof, zei Hij: 'Gelooft ge in de Mensenzoon?' JOH 9:36 Hij antwoordde: 'Wie is dat, Heer? Dan zal ik in Hem geloven.' JOH 9:37 Jezus zei hem: 'Gij ziet Hem, het is Degene, die met u spreekt.' JOH 9:38 Toen zei hij: 'Ik geloof, Heer.' En hij wierp zich voor Hem neer. JOH 9:39 En Jezus sprak: 'Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat de niet zienden zouden zien en de zienden blind worden.' JOH 9:40 Enkele Farizeeën die bij Hem stonden, hoorden dit en zeiden tot Hem: 'Zijn ook wij soms blind?' JOH 9:41 Jezus antwoordde: 'Als gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben, maar nu gij zegt: wij zijn blind, blijft uw zonde.' JOH 10:1 De goede herder en de schapen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie niet door de deur, maar langs een andere weg de schaapskooi binnengaat, hij is een dief en een rover. JOH 10:2 Maar wie door de deur binnengaat, is de herder van de schapen. JOH 10:3 Hem doet de deurwachter open. De schapen luisteren naar zijn stem; hij roept zijn schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. JOH 10:4 En als hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht, trekt hij voor hen uit, terwijl zij hem volgen, omdat zij zijn stem kennen. JOH 10:5 Een vreemde echter zullen ze niet volgen; integendeel, zij zullen van hem wegvluchten, omdat ze de stem van vreemden niet kennen.' JOH 10:6 Deze gelijkenis vertelde Jezus hun, maar zij begrepen niet wat Hij hun wilde zeggen. JOH 10:7 Een andere keer zei Jezus tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen. JOH 10:8 Allen die voor Mij zijn gekomen, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd. JOH 10:9 Ik ben de deur. Als iemand door Mij binnengaat, zal hij worden gered; hij zal in) en uitgaan en weide vinden. JOH 10:10 De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en te vernietigen; Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten en wel in overvloed. JOH 10:11 Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. JOH 10:12 Maar de huurling, die geen herder is en geen eigenaar van de schapen, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht weg; de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen. JOH 10:13 Hij is dan ook maar een huurling en heeft geen hart voor de schapen. JOH 10:14 Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, JOH 10:15 zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen. JOH 10:16 Ik heb nog andere schepen, die niet uit deze schaapsstal zijn. Ook die moet ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: een kudde, een herder. JOH 10:17 Hierom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven geef, om het later weer terug te nemen. JOH 10:18 Niemand neemt het Mij af, maar Ik geef het uit Mijzelf. Macht heb Ik om het te geven en macht om het terug te nemen: dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb ontvangen.' JOH 10:19 Om deze woorden ontstond er opnieuw onenigheid onder de Joden. JOH 10:20 Velen van hen zeiden: 'Hij is van de duivel bezeten en raaskalt. Waarom luistert gij naar Hem?' JOH 10:21 Anderen zeiden: 'Dat is geen taal van een bezetene. En kan een duivel soms de ogen van blinden openen?' JOH 10:22 Messias en Zoon Gods. In die tijd werd te Jeruzalem het feest van de tempelwijding gevierd. Het was winter, JOH 10:23 en Jezus hield zich op in de tempel in de Zuilengang van Salomo. JOH 10:24 De Joden kwamen in een kring om Hem heen staan en zeiden tot Hem: 'Hoelang houdt Gij ons nog in spanning? Als Gij de Messias zijt, zegt het ons dan ronduit.' JOH 10:25 Jezus gaf hun ten antwoord: 'Ik heb het u gezegd, maar gij gelooft het niet. De werken die Ik in naam van mijn Vader doe, zij leggen getuigenis over Mij af. JOH 10:26 Maar gij gelooft niet, omdat gij niet tot mijn schapen behoort. JOH 10:27 Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. JOH 10:28 Ik geef hun eeuwig leven; zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan en niemand zal ze van Mij wegroven. JOH 10:29 Mijn Vader immers, die ze Mij gegeven heeft, is groter dan allen; en niemand kan iets uit de hand van mijn Vader roven. JOH 10:30 Ik en de Vader, Wij zijn een.' JOH 10:31 Weer raapten de Joden stenen op om Hem te stenigen. JOH 10:32 Maar Jezus zei hun: 'Ik heb voor uw ogen veel goede werken verricht, die uit de Vader voortkomen; om welk van die werken wilt gij Mij stenigen? JOH 10:33 De Joden gaven Hem ten antwoord: 'Niet om een goed werk stenigen wij U, maar om een godslastering: dat Gij, een mens, Uzelf tot God maakt.' JOH 10:34 Jezus antwoordde hun: 'Staat er niet in uw Wet geschreven: Ik heb gezegd: gij zijt goden? JOH 10:35 Zij heeft hen tot wie het woord Gods gericht werd, goden genoemd, en de Schrift heeft bindende kracht. JOH 10:36 Maar waarom dan beschuldigt ge Mij, die door de Vader geheiligd en in de wereld gezonden werd, van godslastering als Ik Mijzelf Gods Zoon noem? JOH 10:37 Als Ik de werken van mijn Vader niet doe, behoeft gij Mij niet te geloven, JOH 10:38 maar zo Ik ze wel doe, gelooft dan die werken, als ge Mij niet wilt geloven. Dan zult gij inzien en erkennen, dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader ben.' JOH 10:39 Toen probeerden zij opnieuw Hem te grijpen, maar Hij stelde zich buiten hun bereik. JOH 10:40 Jezus gaat naar Judea en Perea. Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes aanvankelijk gedoopt had, en bleef daar. JOH 10:41 Velen kwamen tot Hem, want ze zeiden: 'Johannes heeft weliswaar geen enkel teken gedaan, maar alles wat hij over deze man zei, was waar.' JOH 10:42 En velen begonnen daar in Hem te geloven. JOH 11:1 De opwekking van Lazarus. Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp van Maria en haar zuster Marta. JOH 11:2 Maria was de vrouw die de Heer met geurige olie had gezalfd en zijn voeten met haar haren had afgedroogd. De zieke Lazarus was haar broer. JOH 11:3 De zusters stuurden Hem nu de boodschap: 'Heer hij die Gij liefhebt, is ziek.' JOH 11:4 Toen Jezus dit hoorde, zei Hij: 'Deze ziekte voert niet tot de dood, maar is om Gods glorie, opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt moge worden.' JOH 11:5 Jezus hield veel van Marta, haar zuster en Lazarus. JOH 11:6 Toen Hij dan ook hoorde dat hij ziek was, bleef Hij weliswaar nog twee dagen ter plaatse, JOH 11:7 maar daarna zei Hij tot zijn leerlingen: 'Laat ons weer naar Judea gaan.' JOH 11:8 De leerlingen zeiden: 'Rabbi, nog pas probeerden de Joden U te stenigen en gaat Gij er nu weer heen? JOH 11:9 Jezus antwoordde: 'Heeft de dag geen twaalf uren? Overdag kan iemand gaan zonder zich te stoten, omdat hij het licht van deze wereld ziet. JOH 11:10 Maar gaat iemand' s nachts dan stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is.' JOH 11:11 Zo sprak Hij. En Hij voegde er aan toe: 'Onze vriend Lazarus is ingeslapen, maar Ik ga er heen om hem te wekken.' JOH 11:12 Zijn leerlingen merkten op: 'Heer, als hij slaapt, zal hij beter worden.' JOH 11:13 Jezus had echter van zijn dood gesproken, terwijl zij meenden dat Hij over de rust van de slaap sprak. JOH 11:14 Daarom zei Jezus hun toen ronduit: 'Lazarus is gestorven, JOH 11:15 en omwille van u verheug ik Mij dat ik er niet was, opdat gij moogt geloven. Maar laat ons naar hem toegaan.' JOH 11:16 Toen zei Tomas, bijgenaamd Didymus, tot zijn medeleerlingen: 'Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.' JOH 11:17 Bij zijn aankomst bevond Jezus dat hij al vier dagen in het graf lag. JOH 11:18 Betanië nu was dichtbij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën. JOH 11:19 Vele Joden waren dan ook naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten over het verlies van hun broer. JOH 11:20 Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was, ging zij Hem tegemoet; Maria echter bleef thuis. JOH 11:21 Marta zei tot Jezus: 'Heer, als Gij hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. JOH 11:22 Maar zelfs nu weet ik, dat wat Gij ook aan God vraagt, God het U zal geven.' JOH 11:23 Jezus zei tot haar: 'Uw broer zal verrijzen.' JOH 11:24 Marta antwoordde: 'Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.' JOH 11:25 Jezus zei haar: 'Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, JOH 11:26 en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?' JOH 11:27 Zij zei tot Hem: 'Ja, Heer ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods, die in de wereld komt.' JOH 11:28 Na deze woorden ging zij haar zuster Maria roepen en zei zachtjes: 'De Meester is er en vraagt naar je.' JOH 11:29 Zodra zij dit hoorde, stond zij vlug op en ging naar Hem toe. JOH 11:30 Jezus was nog niet in het dorp aangekomen, maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had. JOH 11:31 Toen de Joden die met Maria in huis waren om haar te troosten, haar plotseling zagen opstaan en weggaan, volgden zij haar in de mening dat zij naar het graf ging om daar te wenen. JOH 11:32 Toen Maria op de plaats kwam waar Jezus zich bevond, viel zij Hem te voet zodra zij Hem zag en zei: 'Heer, als Gij hier was geweest zou mijn broer niet gestorven zijn.' JOH 11:33 Toen Jezus haar zag wenen, en eveneens de Joden die met haar waren meegekomen, doorliep Hem een huivering en diep ontroerd JOH 11:34 sprak Hij: 'Waar hebt gij hem neergelegd?' Zij zeiden Hem: 'Kom en zie, Heer.' JOH 11:35 Jezus begon te wenen, JOH 11:36 zodat de Joden zeiden: 'Zie eens hoe Hij van hem hield.' JOH 11:37 Maar sommigen onder hen zeiden: 'Kon Hij, die de ogen van een blinde opende, ook niet maken dat deze niet stierf?' JOH 11:38 Bij het graf gekomen overviel Jezus opnieuw een huivering. Het was een rotsgraf en er lag een steen voor. JOH 11:39 Jezus zei: 'Neem de steen weg.' Marta, de zuster van de gestorvene, zei Hem: 'Hij riekt al, want het is al de vierde dag.' JOH 11:40 Jezus gaf haar ten antwoord: 'Zei Ik u niet, dat gij Gods heerlijkheid zult zien als gij gelooft?' JOH 11:41 Toen namen zij de steen weg. Jezus sloeg de ogen ten hem en sprak: 'Vader, Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt. JOH 11:42 Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort, maar om wille van het volk rondom Mij heb Ik dit gezegd, opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.' JOH 11:43 Na deze woorden riep Hij met luider stem: 'Lazarus, kom naar buiten!' JOH 11:44 De gestorvene kwam naar buiten, voeten en handen met zwachtels omwonden en met een zweetdoek om zijn gezicht. Jezus beval hun: 'Maakt hem los en laat hem gaan.' JOH 11:45 Jezus' vijanden besluiten Hem te doden. Vele Joden, die naar Maria waren gekomen en zagen wat Hij gedaan had, geloofden in Hem. JOH 11:46 Enigen van hen gingen echter naar de Farizeeën om hun te vertellen wat Jezus gedaan had. JOH 11:47 De hogepriesters en Farizeeën belegden daarop een zitting van het Sanhedrin en zeiden: 'Wat doen we?' Want die man verricht veel wonderen. JOH 11:48 Als wij Hem zijn gang laten gaan, zullen ze allemaal in Hem geloven. Dan zullen de Romeinen komen en met de heilige plaats ook ons volk wegvagen.' JOH 11:49 Maar een van hen, Kajafas, die in dat jaar hogepriester was, zei hun: 'Gij begrijpt er niets van; JOH 11:50 ge denkt er niet aan, dat het beter voor u is, dat er een mens voor het volk sterft dan dat het hele volk ten onder gaat.' JOH 11:51 Dat zei hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester in dat jaar profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk, JOH 11:52 en niet voor het volk alleen, maar ook om de verstrooide kinderen van God samen te brengen. JOH 11:53 Van die dag af waren ze besloten Hem te doden. JOH 11:54 Jezus bewoog zich daarom niet meer openlijk onder de Joden, maar vertrok vandaar naar de streek bij de woestijn, en wel naar de stad Efra m, waar Hij met zijn leerlingen verbleef. JOH 11:55 Toen echter het paasfeest van de Joden op handen was, gingen velen uit die streek voor Pasen naar Jeruzalem om zich te reinigen. JOH 11:56 Ze zochten naar Jezus en zeiden tot elkaar, terwijl ze in de tempel stonden: 'Wat dunkt u? Zou Hij niet naar het feest komen?' JOH 11:57 De hogepriesters en Farizeeën hadden namelijk bevel gegeven, dat ieder die wist waar Hij was, het zou melden; dan konden zij de hand op Hem leggen. JOH 12:1 Zalving te Betanië. Zes dagen voor Pasen kwam Jezus te Betanië, waar Lazarus woonde, die Hij uit de doden had opgewekt. JOH 12:2 Men gaf daar ter ere van Hem een maaltijd. Maria bediende en Lazarus was een van degenen die met Hem aanlagen. JOH 12:3 Maria nu nam een pond nardusbalsem, echte en heel kostbare, zalfde daarmee Jezus' voeten en droogde ze met haar haren af. Het huis hing vol balsemgeur. JOH 12:4 Daarop zei Judas Iskariot, een van zijn leerlingen, dezelfde die Hem zou uitleveren: JOH 12:5 Waarom is die balsem niet voor driehonderd denaries verkocht en het geld aan de armen gegeven?' JOH 12:6 Hij zei dat, niet omdat hij bezorgd was voor armen, maar omdat hij een dief was en uit de beurs die hij bewaarde, wegnam wat erin kwam. JOH 12:7 Jezus echter zei: 'Laat haar begaan. Zij heeft dit gebruik onderhouden, vooruitlopend op de dag van mijn begrafenis. JOH 12:8 Want de armen houdt gij altijd bij u. Mij echter niet altijd.' JOH 12:9 Intussen waren heel veel Joden te weten gekomen dat Jezus daar was, en kwamen erheen niet alleen omwille van Jezus, maar ook om Lazarus te zien die Hij uit de doden had opgewekt. JOH 12:10 De hogepriesters besloten toen ook Lazarus uit de weg te ruimen, JOH 12:11 omdat om hem veel Joden wegliepen en in Jezus geloofden. JOH 12:12 De intocht in Jeruzalem. De volgende dag hoorde het talrijke volk dat naar het feest was gekomen: 'Jezus komt naar Jeruzalem.' JOH 12:13 Zij trokken takken van de palmbomen, gingen Hem tegemoet en riepen: 'Hosanna, Gezegend de Komende in de naam des heren, de koning van Israël! JOH 12:14 Jezus vond een ezeltje en ging erop zitten, zoals geschreven staat: JOH 12:15 Vrees niet, dochter van Sion. Zie, uw koning komt, gezeten op een ezelsveulen. JOH 12:16 Zijn leerlingen begrepen dit aanvankelijk niet; eerst na Jezus' verheerlijking herinnerden zij zich, dat dit over Hem geschreven stond en dat men dit ter ere van Hem had gedaan. JOH 12:17 De menigte die bij Hem geweest was toen Hij Lazarus uit het graf riep en uit de doden opwekte, betuigde Hem haar bijval. JOH 12:18 Daarom ook kwam het volk Hem tegemoet; omdat zij gehoord hadden, dat Hij dit teken gedaan had. JOH 12:19 De Farizeeën zeiden echter tot elkaar: 'Ge ziet dat ge niets verder komt. Kijk maar, de hele wereld is Hem achterna gelopen.' JOH 12:20 Jezus en de Grieken. Onder degenen die bij gelegenheid van het feest optrokken ter aanbidding waren ook enige Grieken. JOH 12:21 Dezen nu klampten Filippus van Betsa da in Galilea aan en vroegen hem: 'Heer, wij zouden Jezus graag spreken.' JOH 12:22 Filippus ging het aan Andreas vertellen en tenslotte brachten Andreas en Filippus de boodschap aan Jezus over. JOH 12:23 Jezus antwoordde hun: 'Het uur is gekomen, dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt. JOH 12:24 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen: maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort. JOH 12:25 Wie zijn leven bemint, verliest het, maar wie zijn leven in deze wereld haat, zal het ten eeuwigen leven bewaren. JOH 12:26 Wil iemand Mij dienen, dan moet hij Mij volgen; waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Als iemand Mij dient, zal de Vader hem eren. JOH 12:27 Nu is mijn ziel ontroerd. Wat moet ik zeggen? Vader, red Mij uit dit uur? Maar daarom juist ben Ik tot aan dit uur gekomen. JOH 12:28 Vader, verheerlijk uw Naam!' Toen kwam er een stem vanuit de hemel: 'Ik heb Hem verheerlijkt en zal Hem wederom verheerlijken.' JOH 12:29 Het volk dat er bij stond te luisteren zei dat het gedonderd had. Anderen zeiden: 'Een engel heeft tot Hem gesproken.' JOH 12:30 Maar Jezus sprak: 'Niet om Mij was die stem, maar om u. JOH 12:31 Nu heeft er een oordeel over deze wereld plaats, nu zal de vorst dezer wereld worden buitengeworpen; JOH 12:32 en wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven, zal ik allen tot Mij trekken.' JOH 12:33 Hiermee duidde Hij aan, welke dood Hij zou sterven. JOH 12:34 Het volk antwoordde Hem: 'Wij hebben in de Wet gehoord, dat de Messias in eeuwigheid blijft; hoe kunt Gij dan zeggen dat de Mensenzoon omhooggeheven moet worden? Wie is die Mensenzoon?' JOH 12:35 Daarop zei Jezus hun: 'Nog een korte tijd is het licht onder u. Gaat uw weg zolang gij dat licht hebt, opdat het duister u niet moge overvallen, want wie in de duisternis loopt, weet niet waar hij heen gaat. JOH 12:36 Zolang gij het licht hebt, gelooft in het licht, opdat gij kinderen van het licht moogt zijn.' Toen Jezus dit gezegd had, ging Hij heen en verborg zich voor hen. JOH 12:37 Ongeloof. Ofschoon Jezus zulke grote tekenen in hun tegenwoordigheid had verricht, geloofden zij toch niet in Hem, JOH 12:38 opdat het woord in vervulling zou gaan, dat de profeet Jesaja gesproken had: Heer, wie heeft onze prediking geloofd? En de kracht van de Heer, aan wie werd zij geopenbaard? JOH 12:39 Daarom konden zij niet geloven, omdat Jesaja bovendien gezegd had: JOH 12:40 Verblind heeft Hij hun ogen, en versteend hun hart, opdat zij niet zouden zien met hun ogen en niet verstaan met hun hart en zich zouden bekeren en Ik hen zou genezen. JOH 12:41 Dit zei Jesaja, omdat hij zijn glorie had gezien; en hij sprak over Hem. JOH 12:42 Toch geloofden ook velen van de aanzienlijken in Hem, maar vanwege die Farizeeën durfden zij er niet voor uitkomen omdat zij bang waren uit de synagoge gestoten te worden. JOH 12:43 Hun was meer gelegen aan de eer van de mensen dan aan de eer van God. JOH 12:44 Samenvatting van Jezus' prediking. Jezus verklaarde met luider stem: 'Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem die Mij gezonden heeft; JOH 12:45 en wie Mij ziet, ziet Hem die Mij gezonden heeft. JOH 12:46 Als een licht ben Ik in de wereld gekomen, opdat al wie in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft. JOH 12:47 Indien iemand mijn woorden hoort zonder ze te onderhouden, dan veroordeel Ik hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te veroordelen, maar om de wereld te redden. JOH 12:48 Want wie Mij verwerpt en mijn woorden niet aanvaardt, heeft reeds iemand die hem veroordeelt: het woord dat Ik gesproken heb, dat zal hem veroordelen op de laatste dag. JOH 12:49 Ik heb immers niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader die Mij gezonden heeft. Hij heeft Mij opgedragen wat Ik moet zeggen en verkondigen. JOH 12:50 Ik weet dat zijn opdracht eeuwig leven betekent. Wat Ik dus verkondig, verkondig Ik zoals de Vader het Mij gezegd heeft.' JOH 13:1 Het paasfeest was op handen. Jezus, die wist dat zijn uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan naar de Vader en die de zijnen in de wereld bemind had, gaf hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe. JOH 13:2 Het avondmaal was begonnen. De duivel had reeds aan Judas Iskariot, de zoon van Simon, het plan ingegeven om Hem over te leveren. JOH 13:3 In het bewustzijn dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en naar God terugkeerde, JOH 13:4 stond hij van tafel op, legde zijn bovenkleren af, nam een linnen doek en omgordde zich daarmee. JOH 13:5 Daarop goot Hij water in het wasbekken en begon de voeten van de leerlingen te wassen en ze met de doek waarmee Hij omgord was af te drogen. JOH 13:6 Zo kwam Hij bij Simon Petrus, die echter tot Hem zei: 'Heer wilt Gij mij de voeten wassen?' JOH 13:7 Jezus gaf hem ten antwoord: 'Wat Ik doe begrijpt ge nu nog niet, maar later zult gij het inzien.' JOH 13:8 Toen zei Petrus tot Hem: 'Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen!' Jezus antwoordde hem: 'Als gij u niet door Mij laat wassen, kunt gij mijn deelgenoot niet zijn.' JOH 13:9 Daarop zei Simon Petrus tot Hem: 'Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en hoofd.' JOH 13:10 Maar Jezus antwoordde: 'Wie een bad heeft genomen, behoeft zich niet meer te wassen (tenzij de voeten), hij is immers helemaal rein. Ook gij zijt rein, ofschoon niet allen.' JOH 13:11 Hij wist immers wie Hem zou overleveren. Daarom zei Hij: 'Niet allen zijt gij rein.' JOH 13:12 Toen Hij dan hun voeten had gewassen, zijn bovenkleren had aangetrokken en weer aan tafel was gegaan, sprak Hij tot hen: 'Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb? JOH 13:13 Gij spreekt Mij aan als Leraar en Heer, en dat doet gij terecht, want dat ben Ik. JOH 13:14 Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen. JOH 13:15 Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb. JOH 13:16 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: een dienaar staat niet boven zijn heer en een gezant niet boven degene die hem gezonden heeft. JOH 13:17 Wanneer gij dit beseft: zalig gij als gij er naar handelt. JOH 13:18 Ik kan dit niet van u allen zeggen. Ik weet wie Ik heb uitgekozen, maar het Schriftwoord moet vervuld worden: Die mijn brood eet, heft zijn hiel tegen Mij op. JOH 13:19 Nu reeds zeg Ik het u, voordat het gebeurt, opdat gij wanneer het gebeurt, zult geloven dat Ik het ben. JOH 13:20 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie hem aanvaardt, die Ik zal zenden, aanvaardt Mij, en wie Mij aanvaardt, aanvaardt Hem, die Mij gezonden heeft.' JOH 13:21 De verrader. Toen Jezus dit gezegd had, werd hij ontroerd en verklaarde: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: een van u zal mij overleveren.' JOH 13:22 De leerlingen keken elkaar aan, in het onzekere wie Hij bedoelde. JOH 13:23 Een van de leerlingen, degene die door Jezus bemind werd, lag dicht tegen Jezus aan. JOH 13:24 Simon Petrus gaf hem een teken en vroeg hem: 'Wie bedoelt Hij?' JOH 13:25 Toen leunde deze tegen Jezus' borst en zei tot Hem: 'Heer, wie is het?' JOH 13:26 Jezus antwoordde: 'Hij is het aan wie Ik het stuk brood zal geven dat Ik ga indopen.' Na het stuk brood te hebben ingedoopt, reikte Hij het toe aan Judas Iskariot. JOH 13:27 En toen hij dit had aangenomen, voer de satan in hem. Jezus zei hem: 'Wat gij te doen hebt, doe dat spoedig.' JOH 13:28 Maar niemand van de aanliggenden begreep waarom Hij dit tot hem zei. JOH 13:29 Omdat Judas de beurs hield, meenden sommigen dat Jezus hem opdroeg: 'Koop wat wij voor het feest nodig hebben', of dat hij iets aan de armen moest geven. JOH 13:30 Toen hij het stuk brood had aangenomen, ging hij terstond weg. Het was nacht. JOH 13:31 Het nieuwe gebod. Na diens vertrek zeide Jezus: 'Nu is de Mensenzoon verheerlijkt en God is verheerlijkt in Hem. JOH 13:32 Als God in Hem verheerlijkt is, zal God ook Hem in zichzelf verheerlijken, ja, Hij zal Hem spoedig verheerlijken. JOH 13:33 Kindertjes, nog maar kort zal Ik bij u zijn. Gij zult Mij zoeken, en zoals Ik tot de Joden gezegd heb: Waar Ik heenga, kunt gij niet komen, zo zeg Ik het thans tot u. JOH 13:34 Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad, zo moet ook gij elkaar liefhebben. JOH 13:35 Hieruit zullen allen kunnen opmaken, dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart.' JOH 13:36 Jezus voorspelt Petrus' verloochening. Simon Petrus zei Hem: 'Heer, waar gaat Gij naar toe?' Jezus gaf hem ten antwoord: 'Waar Ik heenga, kunt gij Mij nu niet volgen, later wel.' JOH 13:37 Petrus vroeg Hem: 'Heer, waarom kan ik U niet terstond volgen? Mijn leven zal ik voor U geven.' JOH 13:38 Jezus antwoordde: Uw leven zult gij voor Mij geven? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Nog eer de haan kraait, zult ge Mij driemaal verloochend hebben.' JOH 14:1 Hereniging bij de Vader. Laat uw hart niet verontrust worden. Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. JOH 14:2 In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen. Ware dit niet zo dan zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden. JOH 14:3 En als Ik ben heengegaan en een plaats voor u heb bereid, kom Ik terug om u op te nemen bij Mij, opdat ook gij zult zijn waar Ik ben. JOH 14:4 Gij weet waar Ik heenga en ook de weg daarheen is u bekend.' JOH 14:5 Tomas zei tot Hem: 'Heer, wij weten niet waar Gij heengaat: hoe moeten wij dan de weg kennen?' JOH 14:6 Jezus antwoordde hem: 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij. JOH 14:7 Als gij Mij zoudt kennen, zoudt gij ook mijn Vader kennen. Nu reeds kent gij Hem en ziet gij Hem.' JOH 14:8 Hierop zei Filippus: 'Heer, toon ons de Vader; dat is ons genoeg.' JOH 14:9 En Jezus weer: 'Ik ben al zo lang bij u en gij kent Mij nog niet, Filippus? Wie Mij ziet, ziet de Vader. Hoe kunt ge dan zeggen: Toon ons de Vader? JOH 14:10 Gelooft ge niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik u zeg, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar het is de Vader die, blijvend in Mij, zijn werk verricht. JOH 14:11 Gelooft Mij: Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij. Of gelooft het anders omwille van de werken. JOH 14:12 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie in Mij gelooft, zal ook zelf de werken doen die Ik doe. Ja, grotere dan die zal hij doen, omdat Ik naar de Vader ga. JOH 14:13 En wat gij ook zult vragen in mijn Naam, Ik zal het doen, opdat de Vader moge verheerlijkt worden in de Zoon. JOH 14:14 Als gij Mij iets zult vragen in mijn Naam, zal Ik het doen. JOH 14:15 Liefde en geboden. Als gij Mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden. JOH 14:16 Dan zal de Vader op mijn gebed u een andere Helper geven om voor altijd bij u te blijven: JOH 14:17 de Geest van de waarheid, voor wie de wereld niet ontvankelijk is, omdat zij Hem niet ziet en niet kent. Gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. JOH 14:18 Ik zal u niet verweesd achterlaten: Ik keer tot u terug. JOH 14:19 Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer; gij echter zult Mij zien, want Ik leef en ook gij zult leven. JOH 14:20 Op die dag zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u. JOH 14:21 Wie mijn geboden onderhoudt, die hij heeft ontvangen, hij is het die Mij liefheeft. En wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader bemind worden; ook Ik zal hem beminnen en Ik zal Mij aan hem openbaren. JOH 14:22 Judas niet de Iskariot zei tot Hem: 'Heer, hoe komt het dat Gij Uzelf aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?' JOH 14:23 Jezus gaf hem ten antwoord: 'Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden, mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen. JOH 14:24 Wie Mij niet liefheeft, onderhoudt mijn woorden niet; het woord dat gij hoort, is niet van Mij, maar van de Vader die Mij gezonden heeft. JOH 14:25 De heilige Geest zal u bijstaan. Dit zeg Ik u, terwijl Ik nog bij u ben, JOH 14:26 maar de Helper, de heilige Geest, die de Vader in mijn Naam zal zenden, Hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb. JOH 14:27 Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u. Laat uw hart niet verontrust of kleinmoedig worden. JOH 14:28 Gij heb Mij horen zeggen: Ik ga heen, maar Ik keer tot u terug. Als gij Mij zoudt liefhebben, zoudt gij er blij om zijn dat Ik naar de Vader ga, want de Vader is groter dan Ik. JOH 14:29 Nu, eer het gebeurt, zeg Ik het u, opdat gij, wanneer het gebeurt zult geloven. JOH 14:30 Veel zal Ik niet meer met u spreken, want de vorst van de wereld is op komst. Weliswaar vermag hij niets tegen Mij, JOH 14:31 maar de wereld moet weten dat Ik de Vader liefheb en dat Ik handel zoals Hij Mij bevolen heeft. Staat op, laten we hier vandaan gaan. JOH 15:1 Ik ben de ware wijnstok. Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijnbouwer. JOH 15:2 Elke rank aan Mij die geen vrucht draagt, snijdt Hij af; en elke rank die wel vrucht draagt zuivert Hij, opdat zij meer vrucht mag dragen. JOH 15:3 Gij zijt al rein dank zij het woord dat Ik tot u gesproken heb. JOH 15:4 Blijft in Mij, zoals Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, maar alleen als zij blijft aan de wijnstok, zo gij evenmin, als gij niet blijft in Mij. JOH 15:5 Ik ben de wijnstok, gij de ranken. Wie in Mij blijft, zoals Ik in hem, die draagt veel vrucht, want los van Mij kunt gij niets. JOH 15:6 Als iemand niet in Mij blijft, wordt hij weggeworpen als de rank en verdort; men brengt ze bij elkaar, gooit ze in het vuur, en ze verbranden. JOH 15:7 Als gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt dan wat gij wilt en gij zult het krijgen. JOH 15:8 Hierdoor wordt mijn Vader verheerlijkt, dat gij rijke vruchten draagt; zo zult gij mijn leerlingen zijn. JOH 15:9 Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, zo heb ook Ik u liefgehad. Blijft in mijn liefde. JOH 15:10 Als gij mijn geboden onderhoudt, zult gij in mijn liefde blijven, gelijk Ik, die de geboden van mijn Vader heb onderhouden, in zijn liefde blijf. JOH 15:11 Dit zeg Ik u, opdat mijn vreugde in u moge zijn en uw vreugde volkomen moge worden. JOH 15:12 Onderlinge liefde. Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad. JOH 15:13 Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden. JOH 15:14 Gij zijt mijn vrienden, als gij doet wat Ik u gebied. JOH 15:15 Ik noem u geen dienaars meer, want de dienaar weet niet wat zijn heer doet, maar u heb Ik vrienden genoemd, want Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord. JOH 15:16 Niet gij hebt Mij uitgekozen, maar Ik u en Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan en vruchten voort te brengen, die blijvend mogen zijn. Dan zal de Vader u geven al wat gij Hem in mijn Naam vraagt. JOH 15:17 Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt. JOH 15:18 De wereld zal u haten. Als de wereld u haat, bedenkt dan dat zij Mij eerder heeft gehaat dan u. JOH 15:19 Als gij van de wereld zoudt zijn, zou de wereld liefhebben wat haar toebehoort. Daar gij echter niet van de wereld zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitgekozen, daarom haat de wereld u. JOH 15:20 Herinnert u wat Ik gezegd heb: een dienaar staat niet boven zijn heer. Als ze Mij vervolgd hebben, zullen ze ook u vervolgen. Als ze mijn woord onderhouden hebben, zullen ze ook het uwe onderhouden. JOH 15:21 Maar dit alles zullen zij u vanwege mijn Naam aandoen, want Hem die Mij gezonden heeft, kennen zij niet. JOH 15:22 Was Ik niet gekomen en had Ik niet tot hen gesproken, zij zouden geen schuld hebben. Nu echter hebben zij voor hun zonde geen verontschuldiging. JOH 15:23 Wie Mij haat, haat ook mijn Vader. JOH 15:24 Had Ik onder hen geen werken verricht die niemand anders verricht heeft, zij zouden geen schuld hebben. Maar nu hebben zij deze gezien en toch zowel Mij als mijn Vader gehaat. JOH 15:25 Maar het woord moest vervuld worden dat in hun Wet geschreven staat: Zij hebben Mij gehaat zonder reden. JOH 15:26 Wanneer de Helper komt, die Ik u van de Vader zal zenden, de Geest der waarheid die van de Vader uitgaat, zal Hij over Mij getuigenis afleggen. JOH 15:27 Maar ook gij moet getuigen, want vanaf het begin zijt gij bij Mij. JOH 16:1 Dit heb Ik u gezegd, opdat gij niet ten val komt. JOH 16:2 Zij zullen u uit de synagoge bannen. Ja, er komt een tijd dat ieder die u doodt, zal menen een daad van godsverering te stellen. JOH 16:3 Zij zullen dat doen, omdat zij noch de Vader noch Mij erkend hebben. JOH 16:4 Dit heb Ik u gezegd, opdat wanneer de tijd hiervan aanbreekt, gij u zoudt herinneren dat Ik het u gezegd heb. Over deze dingen heb Ik aanvankelijk niet gesproken, omdat Ik bij U was. JOH 16:5 Het oordeel over de wereld. Thans ga Ik naar Hem die Mij gezonden heeft, en toch vraagt niemand van u Mij: Waar gaat Gij heen? JOH 16:6 Omdat ik u dit gezegd hebt, is uw hart vol droefheid. JOH 16:7 Toch zeg Ik u de waarheid: het is goed voor u dat Ik heenga; want als Ik niet heenga, zal de Helper niet tot u komen. Nu Ik wel ga, zal Ik Hem tot u zenden. JOH 16:8 Eenmaal gekomen zal Hij de wereld het overtuigend bewijs leveren van wat zonde, gerechtigheid en oordeel is: JOH 16:9 van wat zonde is, omdat zij niet in Mij geloven; JOH 16:10 van wat gerechtigheid is, omdat Ik naar de Vader ga, zodat gij Mij niet meer ziet; JOH 16:11 van wat oordeel is, omdat de vorst dezer wereld geoordeeld is. JOH 16:12 Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu niet verdragen. JOH 16:13 Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen; Hij zal niet uit zichzelf spreken, maar spreken al wat Hij hoort en u de komende dingen aankondigen. JOH 16:14 Hij zal Mij verheerlijken, omdat Hij aan u zal verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft. JOH 16:15 Ik zei dat Hij aan u zal verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft, omdat al wat de Vader heeft het mijne is. JOH 16:16 Het einde is nabij. Nog een korte tijd en gij aanschouwt Mij niet meer; wederom een korte tijd en gij zult Mij zien.' JOH 16:17 Enige van zijn leerlingen zeiden daarop tot elkaar: 'Wat bedoelt Hij met dat: Nog een korte tijd en gij aanschouwt Mij niet meer, en wederom een korte tijd en gij zult Mij zien? en: Ik ga heen naar de Vader? JOH 16:18 Zij vroegen dus: 'Wat betekent die korte tijd, waarvan Hij spreekt? Wij begrijpen niet wat Hij zegt.' JOH 16:19 Jezus, wetend dat zij Hem wilden ondervragen, zei tot hen: 'Zoekt gij onder elkaar naar de betekenis van mijn woorden: een korte tijd en gij aanschouwt Mij niet meer, en wederom een korte tijd en gij zult Mij zien? JOH 16:20 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: gij zult wenen en weeklagen, terwijl de wereld zich zal verheugen. Gij zult bedroefd zijn, maar uw droefenis zal in vreugde verkeren. JOH 16:21 Wanneer de vrouw gaat baren is zij bedroefd omdat haar uur gekomen is; maar wanneer zij het kindje ter wereld heeft gebracht, denkt zij niet meer aan de pijn, van blijdschap dat er een mens ter wereld is gekomen. JOH 16:22 Zo zijt ook gij nu wel bedroefd, maar wanneer Ik u zal weerzien, zal uw hart zich verheugen en uw vreugde zal niemand u kunnen ontnemen. JOH 16:23 Op die dag zult gij Mij over niets ondervragen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wat gij de Vader ook zult vragen, Hij zal het u geven in mijn Naam. JOH 16:24 Tot nu toe hebt gij niets gevraagd in mijn Naam. Vraagt en gij zult verkrijgen, opdat uw vreugde volkomen zij. JOH 16:25 In beelden heb Ik hierover tot u gesproken; er komt een uur, dat Ik niet meer in beelden tot u zal spreken, maar Mij onomwonden tegenover u zal uiten omtrent de Vader. JOH 16:26 Op die dag zult gij bidden in mijn Naam; het is niet nodig te zeggen dat Ik bij de Vader uw voorspreker zal zijn, JOH 16:27 want de Vader zelf heeft u lief omdat gij Mij liefhebt en gelooft dat Ik van God ben uitgegaan. JOH 16:28 Ik ben van de Vader uitgegaan en in de wereld gekomen; weer verlaat Ik de wereld en ga naar de Vader.' JOH 16:29 Toen zeiden zijn leerlingen: 'Kijkt, nu spreekt Gij onomwonden en gebruikt geen enkel beeld. JOH 16:30 Nu zien wij dat Gij alles weet. Het is voor U niet nodig dat iemand U ondervraagt. Wij geloven daarom dat Gij van God zijn uitgegaan.' JOH 16:31 Jezus antwoordde hun: 'Gelooft ge nu? JOH 16:32 Zie, er komt een uur, ja het is er al, dat gij naar alle kanten verstrooid wordt en Mij alleen laat. Toch ben Ik niet alleen, want de Vader is met Mij. JOH 16:33 Dit heb Ik u gezegd, opdat gij vrede zoudt bezitten in Mij. Weliswaar leeft gij in de wereld in verdrukking, maar hebt goede moed: Ik heb de wereld overwonnen.' JOH 17:1 Jezus bidt voor zichzelf. Zo sprak Jezus. Toen sloeg Hij zijn ogen ten hemel en zei: 'Vader, het uur is gekomen. Verheerlijk uw Zoon, opdat de Zoon U verheerlijke. JOH 17:2 Gij hebt Hem immers macht gegeven over alle mensen om eeuwig leven te schenken aan allen die Gij Hem gegeven hebt. JOH 17:3 En dit is het eeuwig leven, dat zij U kennen, de enige ware God en Hem die Gij hebt gezonden, Jezus Christus. JOH 17:4 Ik heb U op aarde verheerlijkt door het werk te volbrengen dat Gij Mij hebt opgedragen te doen. JOH 17:5 Gij, Vader, verheerlijk Mij thans bij Uzelf en geeft Mij de heerlijkheid, die Ik bij U had eer de wereld bestond. JOH 17:6 Jezus bidt voor zijn leerlingen. Ik heb uw Naam geopenbaard aan de mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. U behoorden ze toe; Mij hebt Gij ze gegeven en zij hebben uw woord onderhouden. JOH 17:7 Nu weten zij dat al wat Gij Mij gegeven hebt van U komt. JOH 17:8 Want de boodschap die Gij Mij hebt meegedeeld, heb Ik hun meegedeeld, en zij hebben ze aangenomen en naar waarheid erkend dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd dat Gij Mij hebt gezonden. JOH 17:9 Ik bid voor hen. Niet voor de wereld bid Ik, maar voor hen die Gij Mij gegeven hebt, omdat zij U toebehoren. JOH 17:10 Al het mijne is van U en het uwe is van Mij. Zo ben Ik in hen verheerlijkt. JOH 17:11 Ik blijf niet langer in de wereld, zij echter blijven in de wereld, terwijl Ik naar U toe kom. Heilige Vader, bewaar in uw Naam hen die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij een mogen zijn zoals Wij. JOH 17:12 Toen Ik bij hen was, bewaarde Ik in uw Naam hen die Gij Mij hebt gegeven. Ik heb over hen gewaakt en niemand van hen is verloren gegaan, behalve de man des verderfs, want de Schrift moest vervuld worden. JOH 17:13 Maar nu kom Ik naar U toe en nog in de wereld zeg Ik dit, opdat zij mijn vreugde ten volle in zich zouden bezitten. JOH 17:14 Ik heb hen uw woord meegedeeld, maar de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet van de wereld zijn, zoals Ik niet van de wereld ben. JOH 17:15 Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor het kwaad. JOH 17:16 Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben. JOH 17:17 Wijd hen U toe in de waarheid. Uw woord is waarheid. JOH 17:18 Zoals Gij Mij in de wereld gezonden hebt, zo zend Ik hen in de wereld, JOH 17:19 en omwille van hen wijd Ik Mij aan U, opdat ook zij in waarheid aan U toegewijd mogen zijn. JOH 17:20 Jezus bidt voor alle gelovigen. Niet voor hen alleen bid Ik, maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven, JOH 17:21 opdat zij allen een mogen zijn zoals Gij, Vader, in Mij en Ik in U: dat ook zij in Ons mogen zijn opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt. JOH 17:22 Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij geschonken hebt, opdat zij een zijn zoals Wij een zijn: JOH 17:23 Ik in hen en Gij in Mij, opdat zij volmaakt een zijn en de wereld zal erkennen, dat Gij Mij hebt gezonden en hen hebt liefgehad, zoals Gij Mij hebt liefgehad. JOH 17:24 Vader, Ik wil dat zij die Gij Mij gegeven hebt met Mij mogen zijn waar Ik ben, opdat zij mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, daar Gij Mij lief hebt gehad voor de grondvesting van de wereld. JOH 17:25 Rechtvaardige Vader, al heeft de wereld U niet erkend, Ik heb U erkend, en dezen hier hebben erkend dat Gij Mij gezonden hebt. JOH 17:26 Uw naam heb Ik hun geopenbaard en Ik zal dit blijven doen, opdat de liefde waarmee Gij Mij hebt liefgehad, in hen moge zijn en Ik in hen.' JOH 18:1 In de hof van Olijven. Nadat Hij aldus had gesproken, ging Jezus met zijn leerlingen naar buiten, naar de overkant van de beek Kedron. Daar was een boomgaard die Hij met zijn leerlingen binnenging. JOH 18:2 Maar ook Judas die Hem zou overleveren, kende deze plaats, omdat Jezus er dikwijls met zijn leerlingen was samengekomen. JOH 18:3 Zo kwam Judas daarheen met de afdeling soldaten en met dienaars van de hogepriesters en Farizeeën, voorzien van lantaarns, fakkels en wapens. JOH 18:4 Jezus, die alles wist wat over Hem ging komen, trad naar voren en zei tot hen: 'Wie zoekt gij?' JOH 18:5 Zij antwoordden Hem: 'Jezus, de Nazoreeër.' Jezus zei hun: 'Dat ben Ik.' Ook Judas, zijn verrader, bevond zich bij hen. JOH 18:6 Nauwelijks had Jezus hun gezegd: 'Dat ben Ik,' of zij weken achteruit en vielen op de grond. JOH 18:7 Nog eens vroeg Hij hun: 'Wie zoekt gij?' Zij zeiden: 'Jezus de Nazoreeër.' JOH 18:8 Jezus antwoordde: 'Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Als gij Mij zoekt, laat deze mensen dan gaan.' JOH 18:9 Vervuld moest worden, wat Hij gezegd had: 'Niemand van hen, die Gij Mij gegeven hebt, liet Ik verloren gaan.' JOH 18:10 Maar Simon Petrus had een zwaard bij zich. Hij trok het en verwondde daarmee de knecht van de hogepriester door hem het rechteroor af te slaan. De naam van die knecht was Malchus. JOH 18:11 Jezus echter sprak tot Petrus: 'Steek dat zwaard in de schede; zou Ik de beker die mijn Vader Mij gegeven heeft, niet drinken?' JOH 18:12 Jezus voor Annas en Kájafas. De afdeling met de bevelhebber en de dienaars van de Joden grepen toen Jezus vast, boeiden Hem en JOH 18:13 brachten Hem eerst naar Annas. Deze was namelijk de schoonvader van Kajafas, die in dat jaar hogepriester was, JOH 18:14 dezelfde Kajafas, die aan de Joden de raad had gegeven: 'Het is beter, dat er een mens sterft voor het volk.' JOH 18:15 Simon Petrus en nog een andere leerling volgden Jezus. Die leerling nu was een bekende van de hogepriester en zo ging hij tegelijk met Jezus het paleis van de hogepriester binnen, JOH 18:16 terwijl Petrus buiten de poort bleef staan. Die andere leerling, de bekende van de hogepriester, kwam naar buiten, sprak met de portierster en bracht Petrus naar binnen. JOH 18:17 Het meisje dat aan de poort stond, vroeg Petrus: 'Ben je ook niet een van de leerlingen van die man?' Hij zei: 'Welneen.' JOH 18:18 Omdat het koud was, hadden de knechten en dienaars een houtskoolvuur aangelegd en stonden zich te warmen. Ook Petrus stond bij hen en warmde zich. JOH 18:19 De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en zijn leer. JOH 18:20 Jezus antwoordde hem: 'Ik heb openlijk tot de wereld gesproken. Ik heb altijd onderricht gegeven in een synagoge of in de tempel, waar alle Joden bijeenkomen, en er is niets wat Ik in het geheim heb gesproken. JOH 18:21 Waarom ondervraagt gij Mij? Ondervraag de mensen die gehoord hebben wat Ik hun heb verkondigd. Die weten goed wat Ik heb gezegd.' JOH 18:22 Op dit woord gaf een van de dienaars die naast Hem stond, Jezus een klap in het gezicht en voegde Hem toe: 'Antwoordt Gij zo de hogepriester?' JOH 18:23 Jezus antwoordde hem: 'Indien Ik iets verkeerds gezegd hebt, verklaar dan wat er verkeerd in was, maar indien het goed was, waarom slaat gij Mij?' JOH 18:24 Daarop zond Annas Hem geboeid naar de hogepriester Kajafas. JOH 18:25 Simon Petrus stond zich te warmen toen iemand Hem vroeg: 'Ben ook jij niet een van zijn leerlingen?' Hij ontkende het en zei: 'Welneen.' JOH 18:26 Maar een van de knechten van de hogepriester, een bloedverwant van de man wie Petrus het oor had afgeslagen, zei: 'Heb ik je niet in de boomgaard bij Hem gezien?' JOH 18:27 Petrus ontkende het opnieuw en meteen begon er een haan te kraaien. JOH 18:28 Jezus voor Pilatus. Toen brachten zij Jezus van het huis van Kajafas naar het pretorium. Het was vroeg in de morgen. Zelf gingen zij het pretorium niet binnen want ze moesten het paasmaal kunnen eten en mochten zich daarom niet verontreinigen. JOH 18:29 Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg hun: 'Welke beschuldiging brengt gij tegen deze man in?' JOH 18:30 Zij gaven hem ten antwoord: 'Als dit geen misdadiger was, zouden wij Hem niet aan u hebben overgeleverd.' JOH 18:31 Daarop zei Pilatus: 'Neemt Hem dan zelf en vonnis Hem volgens uw Wet!' De Joden antwoordden hem: 'Wij missen het recht om iemand ter dood te brengen.' JOH 18:32 Zo zou Jezus' woord in vervulling gaan, waarmee Hij had aangeduid welke dood Hij zou sterven. JOH 18:33 Nu ging Pilatus het pretorium weer binnen, riep Jezus bij zich en zei tot Hem: 'Zijt Gij de koning der Joden?' JOH 18:34 Jezus antwoordde hem: 'Zegt gij dit uit uzelf, of hebben anderen u over Mij gesproken?' JOH 18:35 Pilatus gaf ten antwoord: 'Ben ik soms een Jood? Uw eigen volk en de hogepriesters hebben U aan mij overgeleverd. Wat hebt Gij gedaan?' JOH 18:36 Jezus antwoordde: 'Mijn koningschap is niet van deze wereld. Zou mijn koningschap van deze wereld zijn, dan zouden mijn dienaars er wel voor gestreden hebben, dat Ik niet aan de Joden werd uitgeleverd. Mijn koningschap is evenwel niet van hier.' JOH 18:37 Pilatus hernam: 'Gij zijt dus toch koning?' Jezus antwoordde: 'Ja, koning ben Ik. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid. Alwie uit de waarheid is, luistert naar mijn stem.' JOH 18:38 Pilatus zei tot Hem: 'Wat is waarheid?' Na die woorden ging hij weer naar buiten tot de Joden en zei: 'Ik vind hoegenaamd geen schuld in Hem. JOH 18:39 Maar er bestaat onder u de gewoonte dat ik met Pasen iemand vrijlaat. Wilt gij dus dat ik u de koning der Joden vrijlaat?' JOH 18:40 Toen begonnen ze opnieuw te schreeuwen: 'Neen. Die niet, maar Barabbas!' Barabbas was een rover. JOH 19:1 Geseling en bespotting. Toen liet Pilatus Jezus geselen. JOH 19:2 De soldaten vlochten een kroon van doorntakken, zetten Hem die op het hoofd en wierpen Hem een purperen mantel om. JOH 19:3 Ze traden op Hem toe en zeiden: 'Gegroet, koning der Joden!' En zij sloegen Hem in het gezicht. JOH 19:4 Door Pilatus veroordeeld. Pilatus ging weer naar buiten en zei tot hen: 'Ziehier, ik breng Hem naar buiten om u te doen weten, dat ik volstrekt geen schuld in Hem vind.' JOH 19:5 Jezus kwam dus naar buiten, terwijl Hij nog de doornenkroon en de purperen mantel droeg. Pilatus zei tot hen: 'Ziehier de mens.' JOH 19:6 Maar toen de hogepriesters en hun dienaars Hem zagen, schreeuwden ze: 'Kruisigen, kruisigen!' Pilatus zei hun: 'Neemt gij Hem dan en kruisigt Hem, want ik vind geen schuld in Hem.' JOH 19:7 De Joden antwoordden hem: 'Wij hebben een Wet en volgens die Wet moet Hij sterven, omdat Hij zich voor Gods Zoon heeft uitgegeven.' JOH 19:8 Toen Pilatus dit hoorde, werd hij nog meer bevreesd. JOH 19:9 Hij ging het pretorium weer binnen en sprak tot Jezus: 'Waar zijt Gij vandaan?' Jezus gaf hem echter geen antwoord. JOH 19:10 Daarom zei Pilatus: 'Ge spreekt niet tegen mij? Weet ge dan niet dat ik de macht heb om U vrij te spreken, maar ook de macht heb om U te kruisigen?' JOH 19:11 Jezus antwoordde: 'Ge zoudt volstrekt geen macht over Mij hebben, als u die niet van boven gegeven was. Daarom is de zonde van hem die Mij aan u heeft overgeleverd groter.' JOH 19:12 Van dit ogenblik af wilde Pilatus ertoe overgaan Hem vrij te laten. Maar de Joden schreeuwden: 'Als ge die man vrijlaat, zijt ge geen vriend van de keizer. Wie zich voor koning uitgeeft, komt in verzet tegen de keizer.' JOH 19:13 Toen Pilatus hen dat hoorde roepen, liet hij Jezus naar buiten brengen en ging op de rechterstoel zitten op de plaats die Litostrotos heet, in het Hebreeuws Gabbata. JOH 19:14 Het was de voorbereidingsdag voor Pasen, ongeveer het zesde uur. Hij zei tot de Joden: 'Hier is uw koning.' JOH 19:15 Maar zij schreeuwden: 'Weg, weg met Hem! Kruisig Hem!' Pilatus vroeg: 'Zal ik dan uw koning kruisigen?' De hogepriesters antwoordden: 'Wij hebben geen andere koning dan de keizer!' JOH 19:16 Toen leverde hij Hem aan hen uit om de kruisdood te ondergaan, en zij namen Hem over. JOH 19:17 Kruisweg en kruisiging. Zelf zijn kruis dragend trok Jezus de stad uit naar wat de Schedelplaats heet, in het Hebreeuws Golgota. JOH 19:18 Daar sloegen zij Hem aan het kruis, en met Hem nog twee anderen, aan elke kant een en Jezus in het midden. JOH 19:19 Pilatus had ook een opschrift laten maken en op het kruis doen aanbrengen. Het luidde: 'Jezus, de Nazoreeër, de koning van de Joden.' JOH 19:20 Vele Joden lazen dit opschrift, want de plaats waar Jezus gekruisigd werd, lag dicht bij de stad. Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks. JOH 19:21 De hogepriesters van de Joden nu zeiden tot Pilatus: 'Ge moest er niet op zetten: 'de koning van de Joden', maar: 'Hij heeft gezegd: Ik ben de koning van de Joden' JOH 19:22 Pilatus antwoordde: 'Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.' JOH 19:23 Toen de soldaten Jezus gekruisigd hadden, namen ze zijn kleren en deelden ze in vieren, voor iedere soldaat een deel. Ze namen ook de lijfrok, die echter zonder naad was, een een stuk geweven van bovenaf. JOH 19:24 Daarom zeiden ze tot elkaar: 'Laten we die niet scheuren, maar er om loten wie hem krijgt.' Aldus moest de Schrift vervuld worden: Zij verdeelden mijn kleren onder elkaar en dobbelden om mijn gewaad. Jezus sterft aan het kruis. Terwijl de soldaten hiermee bezig waren, JOH 19:25 stonden bij Jezus' kruis zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria de vrouw van Klopas en Maria Magdalena. JOH 19:26 Toen Jezus zijn moeder zag en naast haar de leerling die Hij liefhad, zei Hij tot zijn moeder: 'Vrouw, zie daar uw zoon.' JOH 19:27 Vervolgens zei Hij tot de leerling: 'Zie daar uw moeder.' En van dat ogenblik af nam de leerling haar bij zich in huis. JOH 19:28 Hierna, wetend dat nu alles was volbracht, zei Jezus, opdat de Schrift vervuld zou worden: 'Ik heb dorst.' JOH 19:29 Er stond daar een kruik vol zure wijn. Ze doopten er een spons in, staken die op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond. JOH 19:30 Toen Jezus van de zure wijn genomen had, zei Hij: 'Het is volbracht.' Daarop boog Hij het hoofd en gaf de geest. JOH 19:31 Aangezien het voorbereidingsdag was en de Joden niet wilden dat de lichamen op sabbat aan het kruis bleven het was bovendien een grote sabbat vroegen zij aan Pilatus verlof de benen van de gekruisigden te breken en hen weg te nemen. JOH 19:32 Daarom kwamen de soldaten en sloegen zowel bij de ene als bij de andere die met Hem was gekruisigd, de benen stuk. JOH 19:33 Toen zij echter bij Jezus kwamen en zagen dat Hij reeds dood was, sloegen zij Hem de benen niet stuk, JOH 19:34 maar een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans; terstond kwam er bloed en water uit. JOH 19:35 Die het gezien heeft getuigt hiervan; zijn getuigenis is waar en hij weet, dat hij de waarheid zegt, opdat ook gij zoudt geloven. JOH 19:36 Dit is gebeurd opdat de Schrift zou vervuld worden: Van zijn gebeente zal niets worden verbrijzeld, JOH 19:37 terwijl nog een ander Schriftwoord zegt: Zij zullen opzien naar Hem die zij hebben doorstoken. JOH 19:38 De begrafenis van Jezus. Daarna vroeg Jozef van Arimatea, die een leerling was van Jezus, maar in het geheim uit vrees voor de Joden, aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen. Toen Pilatus dit had toegestaan, ging hij dus heen en nam het lichaam weg. JOH 19:39 Nikodemus, die Hem vroeger' s nachts bezocht had, kwam ook en bracht een mengsel van mirre en aloë mee, ongeveer honderd pond. JOH 19:40 Zij namen het lichaam van Jezus en wikkelden het met de welriekende kruiden in zwachtels, zoals bij een joodse begrafenis gebruikelijk is. JOH 19:41 Op de plaats waar Hij gekruisigd werd, lag een tuin en in die tuin een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was neergelegd. JOH 19:42 Vanwege de voorbereidingsdag van de Joden en omdat het graf dichtbij was, legden zij Jezus daarin neer. JOH 20:1 Het lege graf. Op de eerste dag van de week kwam Maria Magdalena, vroeg in de morgen het was nog donker bij het graf en zag dat de steen van het graf was weggerold. JOH 20:2 Zij liep snel naar Simon Petrus en naar de andere, de door Jezus beminde leerling, en zei tot hen: 'Ze hebben de Heer uit het graf genomen en wij weten niet waar ze Hem hebben neergelegd.' JOH 20:3 Daarop gingen Petrus en de andere leerling op weg naar het graf. JOH 20:4 Ze liepen samen vlug voort, maar die andere leerling snelde Petrus vooruit en kwam het eerst bij het graf aan. JOH 20:5 Vooroverbukkend zag hij de zwachtels liggen, maar hij ging niet naar binnen. JOH 20:6 Simon Petrus die hem volgde, kwam ook bij het graf en trad wel binnen. Hij zag dat de zwachtels er lagen, JOH 20:7 maar dat de zweetdoek die zijn hoofd had bedekt, niet bij de zwachtels lag, maar ergens afzonderlijk opgerold op een andere plaats. JOH 20:8 Toen pas ging ook de andere leerling die het eerst bij het graf was aangekomen, naar binnen; hij zag en geloofde, JOH 20:9 want zij hadden nog niet begrepen hetgeen er geschreven stond, dat Hij namelijk uit de doden moest opstaan. JOH 20:10 Daarna keerden de leerlingen naar huis terug. JOH 20:11 Verschijning aan Maria Magdalena. Maria stond buiten bij het graf te schreien. En al schreiend boog zij zich naar het graf toe JOH 20:12 en zag op de plaats waar Jezus' lichaam gelegen had, twee in het wit geklede engelen zitten, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde. JOH 20:13 Zij spraken haar aan: 'Vrouwe, waarom schreit ge?' Zij antwoordde: 'Zij hebben mijn Heer weggenomen en ik weet niet waar zij Hem hebben neergelegd.' JOH 20:14 Toen zij dit gezegd had, keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zonder te weten dat het Jezus was. JOH 20:15 Jezus zei tot haar: 'Vrouw, waarom schreit ge? Wie zoekt ge?' In de mening dat het de tuinman was, vroeg zij: 'Heer, mocht gij Hem hebben weggenomen, zeg mij dan waar ge Hem hebt neergelegd, zodat ik Hem kan weghalen.' JOH 20:16 Daarop zei Jezus tot haar: 'Maria!' Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws: 'Rabboeni!' wat leraar betekent. JOH 20:17 Toen sprak Jezus: 'Houd mij niet vast, want Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader, maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God.' JOH 20:18 Maria Magdalena ging aan de leerlingen berichten dat zij de Heer gezien had, en wat Hij haar gezegd had. JOH 20:19 Verschijning aan de apostelen. In de avond van die eerste dag van de week, toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: JOH 20:20 Vrede zij u.' Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen. JOH 20:21 Nogmaals zei Jezus tot hen: 'Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.' JOH 20:22 Na deze woorden blies Hij over hen en zei: 'Ontvang de heilige Geest. JOH 20:23 Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven.' JOH 20:24 Jezus en Tomas. Tomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd, was echter niet bij hen, toen Jezus kwam. JOH 20:25 De andere leerlingen vertelden hem: 'Wij hebben de Heer gezien.' Maar hij antwoordde: 'Als ik niet in zijn handen het teken van de nagelen zie en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik het niet geloven.' JOH 20:26 Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen, en nu was Tomas er bij. Hoewel de deuren gesloten waren, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: 'Vrede zij u.' JOH 20:27 Vervolgens zij Hij tot Tomas: 'Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen. Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde, en wees niet langer ongelovig, maar gelovig.' JOH 20:28 Toen riep Tomas uit: 'Mijn Heer en mijn God!' JOH 20:29 Toen zei Jezus tot hem: 'Omdat ge Mij gezien hebt, gelooft ge? Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.' JOH 20:30 Nog vele andere tekenen heeft Jezus gedaan in het bijzijn van zijn leerlingen, welke niet in dit boek zijn opgetekend, JOH 20:31 maar deze hier zijn opgetekend, opdat gij moogt geloven, dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven leven moogt bezitten in zijn Naam. JOH 21:1 Jezus verschijnt in Galilea. Daarna verscheen Jezus aan de leerlingen bij het meer van Tiberias. De verschijning verliep op deze wijze: JOH 21:2 Er waren bijeen: Simon Petrus, Tomas, die ook Didymus genoemd wordt, Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee van zijn leerlingen. JOH 21:3 Simon Petrus zei tot hen: 'Ik ga vissen.' Zij antwoordden: 'Dan gaan wij mee.' Zij gingen dus op weg en klommen in de boot, maar ze vingen die nacht niets. JOH 21:4 Toen het reeds morgen begon te worden, stond Jezus aan het strand, maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was. JOH 21:5 Jezus sprak hen aan: 'Vrienden, hebben jullie soms wat vis?'' Neen', antwoordden ze. JOH 21:6 Toen zei Hij hun: 'Werpt het net uit rechts van de boot, daar zult ge iets vangen.' Nadat ze dit gedaan hadden, waren ze niet meer bij machte het net op te halen vanwege de grote hoeveelheid vissen. JOH 21:7 Daarop zei de leerling van wie Jezus veel hield tot Petrus: 'Het is de Heer!' Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was, trok hij zijn bovenkleed aan want hij droeg slechts een onderkleed en sprong in het meer. JOH 21:8 De andere leerlingen kwamen met de boot, want zij waren niet ver uit de kust, slechts tweehonderd el, en sleepten het net met de vissen achter zich aan. JOH 21:9 Toen zij aan land waren gestapt, zagen zij dat er een houtskoolvuur was aangelegd met vis er op en brood. JOH 21:10 Jezus sprak tot hen: 'Haalt wat van de vis, die gij juist gevangen hebt.' JOH 21:11 Simon Petrus ging weer aan boord en sleepte het net aan land. Het was vol grote vissen, honderddrieënvijftig stuks, en ofschoon het er zoveel waren, scheurde het net niet. JOH 21:12 Jezus zei hun: 'Komt ontbijten.' Wetend dat het de Heer was, durfde geen van de leerlingen Hem vragen: 'Wie zijt Gij?' JOH 21:13 Jezus trad dichterbij, nam het brood, en gaf het hun, en zo ook de vis. JOH 21:14 Dit nu was de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen sinds Hij uit de doden was opgestaan. JOH 21:15 Petrus, de herder van de kudde. Na het ontbijt zei Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij meer lief dan dezen?' Hij antwoordde: 'Ja Heer, Gij weet, dat ik U bemin.' Jezus zei hem: 'Weid mijn lammeren.' JOH 21:16 Nog een tweede maal zei Hij tot hem: 'Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?', waarop deze antwoordde: 'Ja Heer, Gij weet dat ik U bemin.' Jezus hernam: 'Hoed mijn schapen.' JOH 21:17 Voor de derde maal vroeg Hij: 'Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?' Nu werd Petrus bedroefd, omdat Hij hem voor de derde maal vroeg: 'Hebt ge Mij lief?' en hij zeide Hem: 'Heer, Gij weet alles: Gij weet dat ik U liefheb.' Daarna zei Jezus hem: 'Weid mijn schapen. JOH 21:18 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: toen ge jong waart, deed ge zelf uw gordel om en ging waarheen ge wilde, maar wanneer ge oud zult zijn, zult ge uw handen uitstrekken, een ander zal u omgorden en u brengen waarheen ge niet wilt.' JOH 21:19 Hiermee zinspeelde Hij op de dood waardoor hij God zou verheerlijken. En na deze woorden zei Hij hem: 'Volg Mij.' JOH 21:20 Toen Petrus zich omkeerde, zag hij, dat de leerling van wie Jezus veel hield, hen volgde; dezelfde die ook bij de maaltijd tegen Jezus' borst had geleund en gezegd: 'Heer, wie is het die U zal overleveren.' JOH 21:21 Toen Petrus hem nu zag, vroeg hij aan Jezus: 'Wat dan met hem?' JOH 21:22 Waarop Jezus hem zei: 'Als ik hem wil laten blijven tot Ik kom, is dat uw zaak? Gij moet Mij volgen!' JOH 21:23 Zo ontstond onder de broeders het gerucht, dat die leerling niet zou sterven. Doch Jezus had hem niet gezegd, dat hij niet zou sterven, maar: 'Als Ik hem wil laten blijven tot Ik kom, is dat uw zaak?' JOH 21:24 Dit is de leerling, die van deze dingen getuigt en dit geschreven heeft, en wij weten dat zijn getuigenis waar is. JOH 21:25 Er zijn nog vele andere dingen die Jezus gedaan heeft. Maar als ze een voor een beschreven werden, dan zou naar mijn mening zelfs de hele wereld te klein zijn voor de boeken die men dan zou moeten schrijven. HANDELINGEN Proloog Het eerste boek, dat ik geschreven heb, Teofilus, ging over alles wat Jezus gedaan en geleerd heeft HAN 1:2 tot aan de dag waarop Hij zijn opdracht gaf aan de apostelen die Hij door de heilige Geest had uitgekozen, en ten hemel werd opgenomen. HAN 1:3 Na zijn sterven toonde Hij hun met vele bewijzen dat Hij in leven was. Hij verscheen hun gedurende veertig dagen en sprak met hen over het Rijk Gods. HAN 1:4 Laatste samenkomst: Hemelvaart. Terwijl Hij met hen at, beval Hij hun Jeruzalem niet te verlaten maar de belofte van de Vader af te wachten,' die gij van Mij vernomen hebt: HAN 1:5 Johannes doopte met water, maar gij zult over enkele dagen gedoopt worden met de heilige Geest.' HAN 1:6 Toen zij eens bijeengekomen waren stelden zij Hem de vraag: 'Heer, gaat Gij in deze tijd voor Israël het koninkrijk herstellen?' HAN 1:7 Maar hij gaf hun ten antwoord: 'Het komt u niet toe dag en uur te kennen, die de Vader in zijn macht heeft vastgesteld. HAN 1:8 Maar gij zult kracht ontvangen van de heilige Geest die over u komt, om mijn getuigen te zijn in Jeruzalem, in geheel Judea en Samaria en tot het uiteinde der aarde.' HAN 1:9 Na deze woorden werd Hij ten aanschouwen van hen omhooggeheven en een wolk onttrok Hem aan hun ogen. HAN 1:10 Terwijl zij Hem bij zijn hemelvaart gespannen nastaarden, stonden opeens twee mannen in witte gewaden bij hen, HAN 1:11 die zeiden: 'Mannen van Galilea, wat staat ge naar de hemel te kijken? Deze Jezus die van u is weggenomen naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkeren als gij Hem naar de hemel hebt zien gaan.' HAN 1:12 Mattias tot apostel gekozen. Toen keerden zij van de berg, die de Olijfberg heet, naar Jeruzalem terug. Deze ligt dichtbij Jeruzalem op sabbatsafstand. HAN 1:13 Daar aangekomen gingen zij naar de bovenzaal waar ze verblijf hielden: Petrus en Johannes, Jakobus en Andreas, Filippus en Tomas, Bartolomeüs en Matteüs, Jakobus, zoon van Alfeüs, Simon de IJveraar en Judas, de broer van Jakobus. HAN 1:14 Zij allen bleven eensgezind volharden in gebed samen met de vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broeders. HAN 1:15 In die dagen stond Petrus op te midden van de broeders er was een groep van ongeveer honderdtwintig personen bijeen en sprak: HAN 1:16 'Mannen broeders, het Schriftwoord moest in vervulling gaan, dat de heilige Geest door de mond van David tevoren gesproken heeft over Judas, die de gids is geworden van hen die Jezus gevangen namen. HAN 1:17 Hij behoorde tot ons getal en had aan dit dienstwerk zijn deel gekregen. HAN 1:18 Deze nu heeft zich met het loon van zijn misdaad een stuk grond verworven; hij stortte voorover, barstte open en al zijn ingewanden kwamen eruit. HAN 1:19 Dit werd bekend aan alle inwoners van Jeruzalem, zodat die akker in hun taal Akeldama, dat is bloedakker heet. HAN 1:20 Er staat immers geschreven in het boek der psalmen: Zijn woonplaats worde een woestenij en niemand wone er meer en ook: Een ander neme zijn ambt over. HAN 1:21 Dus moet een van de mannen die tot ons gezelschap behoorden gedurende de tijd dat de Heer Jezus onder ons verkeerde, HAN 1:22 vanaf het doopsel van Johannes tot de dag, waarop Hij van ons werd weggenomen, met ons een getuige worden van zijn verrijzenis.' HAN 1:23 Men stelde er twee voor: Jozef ook Barsabbas geheten, bijgenaamd Justus, en Mattias. HAN 1:24 Toen baden zij als volgt: 'Gij Heer, die aller harten kent, wijs degene aan die Gij van deze twee hebt uitverkoren HAN 1:25 om de plaats te bezetten in dit dienstwerk en apostelambt, waaraan Judas ontrouw werd om heen te gaan naar zijn eigen plaats.' HAN 1:26 Toen liet men hen loten en het lot viel op Mattias. Hij werd toegevoegd aan de groep van de elf apostelen. HAN 2:1 Nederdaling van de heilige Geest. Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren allen bijeen op dezelfde plaats. HAN 2:2 Plotseling kwam uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak en heel het huis waar zij gezeten waren, was er vol van. HAN 2:3 Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette. HAN 2:4 Zij werden allen vervuld van de heilige Geest en begonnen in vreemde talen te spreken, naargelang de Geest hun te vertolken gaf. HAN 2:5 Nu woonden er in Jeruzalem Joden, vrome mannen, die afkomstig waren uit alle volkeren onder de hemel. HAN 2:6 Toen dat geluid ontstond, liep het volk te hoop en tot zijn verbazing hoorde iedereen hen spreken in zijn eigen taal. HAN 2:7 Zij waren buiten zichzelf en zeiden vol verwondering: 'Maar zijn al die daar spreken dan geen Galileeërs? HAN 2:8 Hoe komt het dan dat ieder van ons hen hoort spreken in zijn eigen moedertaal? HAN 2:9 Parten, Meden en Elamieten, bewoners van Mesopotamië, van Judea en Kappadocië, van Pontus en Asia, HAN 2:10 van Frygië en Pamfylië, Egypte en het gebied van Libië bij Cyrene, de Romeinen die hier verblijven, HAN 2:11 Joden zowel als proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal spreken van Gods grote daden.' HAN 2:12 Allen waren buiten zichzelf, wisten niet wat ervan te denken en zeiden tot elkaar: 'Wat zou dit betekenen?' HAN 2:13 Maar anderen zeiden spottend: 'Ze zijn zich aan zoete wijn te buiten gegaan.' HAN 2:14 Redevoering van Petrus. Petrus trad naar voren met de elf en verhief zijn stem om het woord tot hen te richten: 'Gij allen, joodse mannen en bewoners van Jeruzalem, weet dit wel en luistert aandachtig naar mijn woorden. HAN 2:15 Deze mensen zijn niet dronken zoals gij veronderstelt, het is immers pas het derde uur van de dag. HAN 2:16 Maar hier gebeurt wat door de profeet Joel gezegd is: HAN 2:17 Het zal geschieden in de laatste dagen, zegt God, dat Ik mijn Geest zal uitstorten over alle mensen: Uw zonen en dochters zullen profeteren, uw jonge mannen visioenen zien, de ouderen onder u zullen droomgezichten ontvangen, HAN 2:18 ja zelfs over mijn dienaars en dienaressen zal Ik in die dagen mijn Geest uitstorten en ze zullen profeteren. HAN 2:19 Wondere dingen zal Ik laten zien aan de hemel boven en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur en walmende rook; HAN 2:20 de zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat de dag des Heren komt, groot en heerlijk. HAN 2:21 Dan zal het geschieden, dat ieder die de naam des Heren aanroept, gered zal worden. HAN 2:22 Mannen van Israël, luistert naar deze woorden: Jezus de Nazoreeër was een man wiens zending tot u van Godswege bekrachtigd is. Gij kent immers zelf de machtige daden, wonderen en tekenen, die God door Hem onder u heeft verricht. HAN 2:23 Hem, die volgens Gods vastgestelde raadsbesluit en voorkennis is uitgeleverd, hebt gij door de hand van goddelozen aan het kruis genageld en gedood. HAN 2:24 Maar God heeft Hem ten leven opgewekt na de smarten van de dood te hebben ontbonden; want het was onmogelijk dat Hij daardoor werd vastgehouden. HAN 2:25 Doelend op Hem toch zegt David: De Heer had ik voor ogen, altijd door, Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet zou wankelen; HAN 2:26 daarom is er blijdschap in mijn hart en jubelt mijn mond van vreugde; ja, ook mijn lichaam zal rust vinden in hoop, HAN 2:27 omdat Gij mijn ziel niet over zult laten aan het dodenrijk en uw heilige geen bederf zult laten zien. HAN 2:28 Wegen ten leven hebt Gij mij doen kennen, Gij zult mij met vreugde vervullen voor uw aanschijn. HAN 2:29 Mannen broeders, ik mag wel vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij gestorven en begraven is; we hebben immers zijn graf bij ons tot op deze dag. HAN 2:30 Welnu, omdat hij een profeet was en wist, dat God hem een eed gezworen had, dat Hij een van zijn nakomelingen op zijn troon zou doen zetelen, HAN 2:31 zei hij met een blik in de toekomst over de verrijzenis van Christus, dat Hij niet is overgelaten aan het dodenrijk en dat zijn lichaam het bederf niet heeft gezien. HAN 2:32 Deze Jezus heeft God doen verrijzen en daarvan zijn wij allen getuigen. HAN 2:33 Verheven aan Gods rechterhand heeft Hij de beloofde heilige Geest van de Vader ontvangen en Deze uitgestort, zoals gij ziet en gij hoort. HAN 2:34 David immers is niet ten hemel opgestegen, maar toch zegt hij zelf: De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: Zit aan mijn rechterhand, HAN 2:35 totdat Ik uw vijanden als een voetbank voor uw voeten heb gelegd. HAN 2:36 Voor heel het huis van Israël moet dus onomstotelijk vaststaan, dat God Hem en Heer en Christus heeft gemaakt, die Jezus, die gij gekruisigd hebt.' HAN 2:37 Toen zij dit hoorden, waren zij diep getroffen en zeiden tot Petrus en de overige apostelen: 'Wat moeten we doen, mannen broeders?' HAN 2:38 Petrus gaf hun ten antwoord: 'Bekeert u en ieder van u late zich dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden. Dan zult gij als gave de heilige Geest ontvangen. HAN 2:39 Want die belofte geldt u, uw kinderen en allen die verre zijn, zovelen de Heer onze God roepen zal,' HAN 2:40 Met nog vele andere woorden legde hij getuigenis af, en hij vermaande hen: 'Redt u uit dit ontaarde geslacht.' HAN 2:41 Die zijn woord aannamen lieten zich dopen, zodat op die dag ongeveer drieduizend mensen zich aansloten. HAN 2:42 Het leven der gelovigen. Zij legden zich ernstig toe op de leer der apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en in het gebed. HAN 2:43 Ontzag beving eenieder, want door de apostelen werden vele wonderbare tekenen verricht. HAN 2:44 Allen die het geloof hadden aangenomen, waren eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk; HAN 2:45 ze waren gewoon hun bezittingen en goederen te verkopen en die onder allen te verdelen naar ieders behoefte. HAN 2:46 Dagelijks bezochten ze trouw en eensgezind de tempel, braken het brood in een of ander huis, genoten samen hun voedsel in blijdschap en eenvoud van het hart, HAN 2:47 loofden God en stonden bij het hele volk in de gunst. En elke dag bracht de Heer er meer bijeen, die gered zouden worden. HAN 3:1 Genezing van een lamme. Petrus en Johannes gingen eens naar de tempel op het uur van gebed, het negende uur. HAN 3:2 Daar was een man die vanaf zijn geboorte lam was en iedere dag naar de tempelpoort gedragen werd, die de Schone genoemd wordt, om daar aalmoezen te vragen aan de mensen die de tempel binnengingen. HAN 3:3 Toen hij Petrus en Johannes zag, die juist de tempel wilden binnengaan, vroeg hij om een aalmoes. HAN 3:4 Petrus, evenals Johannes, zag hem strak aan en zei: 'Kijk ons eens aan.' HAN 3:5 Hij richtte zijn blik op hen in de verwachting iets van hen te krijgen. HAN 3:6 Doch Petrus sprak: 'Zilver of goud heb ik niet; maar wat ik heb geef ik u. In de naam van Jezus Christus de Nazoreeër: gebruik uw voeten!' HAN 3:7 Hij pakte hem bij zijn rechterhand en hielp hem overeind. Op hetzelfde ogenblik kwam er kracht in zijn voeten en enkels, HAN 3:8 met een sprong stond hij overeind, begon te lopen en ging lopend en springend met hen de tempel binnen, terwijl hij God verheerlijkte. HAN 3:9 Heel het volk zag dat hij liep en God verheerlijkte. HAN 3:10 Zij herkenden hem als de man die altijd bij de Schone Poort van de tempel zat te bedelen, en waren buiten zichzelf van verbazing over hetgeen met hem gebeurd was. HAN 3:11 Toespraak van Petrus. Terwijl hij zich aan Petrus en Johannes vastklampte, liep al het volk verbaasd rond hen te hoop in de Zuilengang van Salomo. HAN 3:12 Toen Petrus dit zag, richtte hij het woord tot het volk: 'Mannen van Israël, waarom verwondert gij u toch hierover en waarom staart ge ons aan, als hadden wij uit eigen kracht of vroomheid bewerkt dat deze man loopt? HAN 3:13 De God van Abraham, Isaak en Jakob, de God van onze vaderen, heeft zijn dienaar Jezus verheerlijkt, die gij hebt overgeleverd, en voor Pilatus verloochend, ofschoon deze van oordeel was Hem in vrijheid te moeten stellen. HAN 3:14 Maar gij hebt de Heilige en Gerechte verloochend en als gunst de vrijlating van een moordenaar gevraagd. HAN 3:15 De leidsman ten leven daarentegen hebt gij gedood. God heeft Hem evenwel uit de doden doen opstaan; daarvan zijn wij getuigen. HAN 3:16 Omwille van het geloof in zijn Naam heeft zijn Naam deze man, die ge ziet en kent, weer kracht gegeven. Het geloof door Hem verleend, heeft de man deze gaafheid van leden geschonken ten aanschouwe van u allen. HAN 3:17 Maar ik weet, broeders, dat gij in onwetendheid gehandeld hebt, evenals uw overheden. HAN 3:18 Maar wat God tevoren had aangekondigd bij monde van alle profeten, dat zijn Messias zou sterven, heeft Hij zo in vervulling doen gaan. HAN 3:19 Bekeert u dus en hebt berouw, opdat uw zonden worden uitgewist HAN 3:20 en er van de Heer uit tijden van verkwikking mogen komen en Hij u Jezus zende, die voor u als Messias was voorbestemd. HAN 3:21 De hemel moest Hem opnemen tot de tijd van het herstel van alle dingen, waarover God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten sinds oude tijden. HAN 3:22 Mozes toch heeft gezegd: Een profeet zoals ik zal de Heer onze God voor u doen opstaan uit uw broeders. Naar Hem moet ge luisteren in alles wat Hij tot u zeggen zal, HAN 3:23 en ieder die niet naar die profeet luistert, zal uit het volk worden uitgeroeid. HAN 3:24 En alle profeten, allen die vanaf Samuël en zijn opvolgers gesproken hebben, hebben ook deze dagen voorspeld. HAN 3:25 Gij zijt de zonen van de profeten en van het verbond dat God met uw vaderen gesloten heeft, toen Hij tot Abraham zei: In uw zaad zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. HAN 3:26 Voor u in de eerste plaats heeft God zijn dienaar doen opstaan en Hem gezonden die u zegen schenkt als ieder van u zich van zijn boosheid bekeert.' HAN 4:1 Vervolging door de joodse overheid. Terwijl zij nog tot het volk spraken, kwamen de priesters, de bevelhebber van de tempel en de Sadduceeën op hen af. HAN 4:2 Verontwaardigd dat zij het volk onderricht gaven en in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden, HAN 4:3 legden ze de hand op hen en namen hen in verzekerde bewaring tot de volgende dag, omdat het al avond was. HAN 4:4 Velen echter van hen die de toespraak gehoord hadden, namen het geloof aan en het aantal mannen steeg tot ongeveer vijfduizend. HAN 4:5 De volgende dag kwamen hun overheden, oudsten en schriftgeleerden in Jeruzalem bijeen, HAN 4:6 tezamen met de hogepriester Annas en met Kajafas, Johannes, Alexander en allen die tot het hogepriesterlijk geslacht behoorden. HAN 4:7 Zij lieten hen voorleiden en vroegen: 'Door welke kracht of in welke naam hebt ge dat gedaan?' HAN 4:8 Toen sprak Petrus, vervuld van de heilige Geest, tot hen: 'Overheden van het volk en oudsten! HAN 4:9 Indien wij vandaag ter verantwoording geroepen worden voor een weldaad aan een gebrekkige bewezen, waardoor deze genezen is, HAN 4:10 dan moet gij allen en het gehele volk van Israël weten, dat door de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër, die gij gekruisigd hebt maar die God uit de doden heeft doen opstaan: dat door die Naam deze man hier gezond voor u staat. HAN 4:11 Hij is de steen die door u, de bouwlieden, niets waard werd geacht en toch tot hoeksteen geworden is. HAN 4:12 Bij niemand anders is dan ook de redding te vinden en geen andere Naam onder de hemel is aan de mensen gegeven waarin wij gered moeten worden.' HAN 4:13 Bemerkend dat het ongeletterde en eenvoudige mensen waren, stonden zij verbaasd toen zij de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen. Zij herkenden hen als gezellen van Jezus. HAN 4:14 Omdat zij bovendien de genezen man bij hen zagen staan, wisten zij er niets tegen in te brengen. HAN 4:15 Nadat zij hun gelast hadden het Sanhedrin te verlaten, pleegden zij met elkaar overleg HAN 4:16 en zeiden: 'Wat moeten wij met die mensen doen? Het is duidelijk voor alle inwoners van Jeruzalem dat een onmiskenbaar wonderteken door hen is verricht. We kunnen dat niet loochenen. HAN 4:17 Maar om te verhinderen dat het gerucht daarvan nog verder onder het volk verbreid wordt, zouden we hen met dreigementen moeten verbieden nog ooit met een beroep op die Naam tot enig mens te spreken.' HAN 4:18 Toen riepen zij hen binnen en verboden hun nog ooit iets te zeggen of te leren met een beroep op Jezus' Naam. HAN 4:19 Petrus en Johannes gaven hun echter ten antwoord: 'Oordeelt zelf, of het voor God te rechtvaardigen zou zijn als wij meer naar u luisterden dan naar God. HAN 4:20 Het is voor ons onmogelijk niet te spreken over hetgeen wij gezien en gehoord hebben.' HAN 4:21 Na hen nogmaals gedreigd te hebben, stelden zij hen in vrijheid, omdat ze, met het oog op het volk, niet wisten hoe ze hen moesten straffen, want allen verheerlijkten God om hetgeen er gebeurd was. HAN 4:22 De man die door dit wonderteken was genezen, was meer dan veertig jaar oud. HAN 4:23 Dankgebed van de Kerk. Na hun vrijlating gingen ze naar hun eigen mensen en brachten verslag uit over alles wat de hogepriesters en oudsten tot hen gezegd hadden. HAN 4:24 Toen zij dit hoorden, verhieven zij eensgezind hun stem tot God en baden: Heer, Gij zijt het, die hemel en aarde, de zee en alles wat daarin is, gemaakt hebt, HAN 4:25 die door de heilige Geest bij monde van David, uw dienaar, gezegd hebt: Waarom tieren de volken en zinnen de naties op ijdele plannen? HAN 4:26 De koningen der aarde stellen zich op en de vorsten spannen samen tegen de Heer en tegen de Gezalfde. HAN 4:27 Inderdaad, ze hebben in deze stad samengespannen tegen uw heilige dienaar Jezus, die Gij gezalfd hebt: zowel Herodes als Pontius Pilatus, tezamen met de heidenen en de stammen van Israël, HAN 4:28 om alles te doen wat uw hand en raadsbesluit tevoren bepaald had dat geschieden moest. HAN 4:29 Maar nu, Heer, schenk aandacht aan hun bedreigingen en geef uw dienaren dat zij in alle vrijmoedigheid uw woord mogen verkondigen, HAN 4:30 en laat door het uitstrekken van uw hand genezingen en wondertekenen geschieden door de naam van uw heilige dienaar Jezus.' HAN 4:31 Na hun gebed beefde de plaats waar ze bijeen waren. Allen werden vervuld van de heilige Geest en verkondigden vrijmoedig het woord Gods. HAN 4:32 Het gemeenschappelijk leven. De menigte die het geloof had aangenomen, was een van hart en een van ziel en er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde; integendeel zij bezaten alles gemeenschappelijk. HAN 4:33 Met kracht en klem legden de apostelen getuigenis af van de verrijzenis van de Heer Jezus en rijke genade rustte op hen allen. HAN 4:34 Er was geen enkele noodlijdende onder hen, omdat allen die landerijen of huizen bezaten, deze verkochten en de opbrengst ervan meebrachten HAN 4:35 om aan de voeten van de apostelen neer te leggen. Aan ieder werd daarvan uitgedeeld naar zijn behoefte. HAN 4:36 Zo bezat Jozef, een leviet uit Cyprus, die van de apostelen de bijnaam Barnabas dit betekent: zoon van vertroosting had gekregen, een akker die hij verkocht en waarvan hij het geld meebracht om het aan de voeten van de apostelen neer te leggen. HAN 5:1 Ananias en Saffira. Nu was er een man, Ananias genaamd, die in overleg met zijn vrouw Saffira een stuk grond verkocht. HAN 5:2 Met haar medeweten hield hij echter iets van de opbrengst achter en bracht dus slechts een gedeelte mee om het aan de voeten der apostelen neer te leggen. HAN 5:3 Daarop zei Petrus: 'Ananias, waarom heeft de satan bezit genomen van uw hart, zodat ge de heilige Geest bedriegt en van de opbrengst van uw land iets achterhoudt? HAN 5:4 Bleef het soms niet uw eigendom zolang het onverkocht was, en stond ook daarna nog de opbrengst niet tot uw beschikking? Hoe is zoiets bij u opgekomen? Ge hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God.' HAN 5:5 Bij het horen van de ze woorden viel Ananias neer en stierf. Een grote vrees maakte zich meester van allen die dit vernamen. HAN 5:6 De jonge mannen stonden op en wikkelden hem in doeken. Zij droegen hem naar buiten en begroeven hem. HAN 5:7 Een uur of drie later kwam zijn vrouw binnen, zonder iets van het gebeurde te weten. HAN 5:8 Petrus richtte zich tot haar met de vraag: 'Zeg me of ge het land voor zoveel verkocht hebt?' Zij antwoordde: 'Ja, voor zoveel.' HAN 5:9 Toen sprak Petrus tot haar: 'Hoe hebt ge met elkaar kunnen afspreken de Geest des Heren op de proef te stellen? Ik hoor de voetstappen van hen die uw man begraven hebben al bij de deur en nu zullen zij ook u wegdragen.' HAN 5:10 Terstond viel zij aan zijn voeten neer en stierf. Toen de jonge mannen binnenkwamen, vonden zij haar dood. Ze droegen haar naar buiten en begroeven haar bij haar man. HAN 5:11 Een grote vrees maakte zich van de hele Kerk meester en van allen die het vernamen. HAN 5:12 Opbloei van de gemeente. Door de handen van de apostelen geschiedden er vele wondertekenen onder het volk. Allen waren eensgezind en kwamen te zamen in de Zuilengang van Salomo. HAN 5:13 Van de overigen durfde niemand zich bij hen te voegen, hoezeer het volk hen ook prees. HAN 5:14 Steeds meer gelovigen sloten zich aan bij de Heer; grote groepen mannen, zowel als vrouwen. HAN 5:15 Men bracht zelfs de zieken op straat en legde ze neer op bedden en draagbaren in de hoop dat, als Petrus voorbijging, tenminste zijn schaduw op een van hen zou vallen. HAN 5:16 Zelfs uit de steden rondom Jeruzalem stroomden de mensen toe. Zij brachten zieken mee en mensen die van onreine geesten te lijden hadden en allen werden genezen. HAN 5:17 Nieuwe vervolging. Maar nu werden de hogepriester en heel zijn aanhang, die de partij der Sadduceeën vormden, met hevige afgunst vervuld. HAN 5:18 Zij grepen de apostelen en zetten hen in de stadsgevangenis. HAN 5:19 Maar in de nacht ontsloot een engel des Heren de deuren van de gevangenis, leidde hen naar buiten en zei: HAN 5:20 'Gaat, treedt weer op in de tempel en predikt aan het volk al deze woorden des Levens.' HAN 5:21 Zij gaven hieraan gehoor, gingen tegen de morgen naar de tempel en gaven er onderricht. De apostelen voor de Hoge RaadToen nu de hogepriester kwam met de zijnen, riepen zij het Sanhedrin, de raad der oudsten van het volk van Israël bijeen en stuurden dienaren naar de gevangenis om hen te halen. HAN 5:22 Maar bij aankomst vonden de dienaren hen niet meer in de kerker. Zij keerden terug met het bericht: HAN 5:23 'Wij vonden de gevangenis stevig op slot en de wachten voor de deuren op hun post, maar toen wij opendeden troffen wij niemand aan.' HAN 5:24 Toen zij dit vernamen, werden de tempelcommandant en de hogepriesters ongerust en vroegen zich af wat voor gevolgen dit zou kunnen hebben. HAN 5:25 Maar iemand kwam hun melden: 'De mannen die gij in de kerker hebt gezet, bevinden zich in de tempel en onderrichten het volk.' HAN 5:26 Daarop ging de bevelhebber met zijn dienaren hen halen, maar zonder geweld te gebruiken, uit angst door het volk gestenigd te worden. HAN 5:27 Zij namen hen mee en brachten hen voor het Sanhedrin. De hogepriester begon hen te ondervragen: HAN 5:28 'Hebben wij u niet uitdrukkelijk verboden onderricht te geven in die Naam? Door uw toedoen is heel Jeruzalem vol van uw leer. Bovendien wilt gij ons het bloed van die man aanrekenen.' HAN 5:29 Maar Petrus en de andere apostelen gaven ten antwoord: 'Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen. HAN 5:30 De God van onze vaderen heeft Jezus ten leven gewekt, aan wie gij u vergrepen hebt door Hem aan het kruis te slaan. HAN 5:31 Hem heeft God als Leidsman en Verlosser verheven aan zijn rechterhand om aan Israël bekering en kwijtschelding van zonden te schenken. HAN 5:32 Van dit alles zijn wij getuigen, maar ook de heilige Geest, die God geschonken heeft aan wie Hem gehoorzamen.' HAN 5:33 Toen zij dit hoorden, ontstaken zij in woede en besloten hen te doden. HAN 5:34 Nu was er echter in het Sanhedrin een Farizeeër, Gamaliël, een wetgeleerde, die bij het gehele volk in aanzien stond. Deze liet de mannen een ogenblik naar buiten brengen. HAN 5:35 Daarop zei hij: 'Mannen van Israël, bedenkt wel wat gij met deze mannen gaat doen. HAN 5:36 Voor onze tijd immers trad Teudas op, die beweerde dat hij heel wat was en bij wie zich een groep aansloot van ongeveer vierhonderd man. Hij werd gedood en allen die op hem vertrouwden, werden uiteengejaagd. HAN 5:37 Na hem, in de dagen van de volkstelling, trad Judas de Galileeër op en sleepte veel volk mee. Ook hij ging te gronde en allen die op hem vertrouwden, werden verstrooid. HAN 5:38 Wat ons geval betreft, zeg ik u: Bemoeit u niet met deze mensen, maar laat ze hun gang gaan. Gaat deze opzet of dit werk van mensen uit, dan zal het op niets uitlopen. HAN 5:39 Gaat het echter van God uit, dan zult gij hen niet uiteen kunnen slaan; anders zou misschien blijken dat gij tegen God in verzet zijt.' Zij lieten zich door hem overreden. HAN 5:40 Zij riepen de apostelen, lieten hen geselen, verboden hun te spreken in de naam van Jezus en stelden hen in vrijheid. HAN 5:41 Zij verlieten het Sanhedrin, verheugd dat ze waardig bevonden waren smaad te lijden omwille van de Naam. HAN 5:42 Zij gingen door met dagelijks in de tempel en in de huizen onderricht te geven en de blijde Boodschap te verkondigen, dat Jezus de Messias is. HAN 6:1 Keuze van diakens. In die tijd, toen het aantal leerlingen steeds toenam, begonnen de Hellenisten tegen de Hebreeën te morren, omdat bij de dagelijkse ondersteuning hun weduwen achtergesteld werden. HAN 6:2 De twaalf riepen nu de leerlingen in vergadering bijeen en zeiden: 'Het past niet dat wij het woord Gods verwaarlozen door de zorg voor de ondersteuning. HAN 6:3 Ziet dus uit, broeders, naar zeven mannen uit uw midden, van goede faam, vol van geest en wijsheid. Hen zullen wij dan met dit ambt bekleden, HAN 6:4 terwijl wij onszelf blijven wijden aan het gebed en de bediening van het woord.' HAN 6:5 Dit voorstel vond instemming bij de gehele vergadering en zij kozen Stefanus, een man vol geloof en heilige geest, Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een proseliet uit Antiochië. HAN 6:6 Dezen werden aan de apostelen voorgedragen, die na gebed hun de handen oplegden. HAN 6:7 Het woord Gods breidde zich uit en het aantal leerlingen in Jeruzalem vermeerderde sterk; ook een groot aantal priesters gaf zich gewonnen aan het geloof. HAN 6:8 Stefanus nu, vol genade en kracht, deed grote wondertekenen onder het volk. HAN 6:9 Sommige leden echter van de zogenaamde synagoge der Vrijgelatenen, Cyreneeërs en Alexandrijnen en sommige mensen uit Cilicië en Asia begonnen met Stefanus te redetwisten, HAN 6:10 maar zij konden niet op tegen de wijsheid en de geest waarmee hij sprak. HAN 6:11 Toen stookten zij heimelijk mannen op om te verklaren: 'Wij hebben hem lastertaal horen spreken tegen Mozes en tegen God.' HAN 6:12 Tegelijkertijd ruiden zij zowel het volk als de oudsten en schriftgeleerden op. Onverhoeds maakten zij zich van hem meester en brachten hem voor het Sanhedrin, HAN 6:13 waar men valse getuigen liet optreden die beweerden' Die man houdt niet op te spreken tegen de heilige plaats en tegen de Wet. HAN 6:14 Want wij hebben hem horen zeggen, dat die Nazoreeër Jezus deze plaats zal afbreken en de voorschriften veranderen, die Mozes ons heeft overgeleverd.' HAN 6:15 Alle leden van het Sanhedrin vestigden hun blik op hem en zagen dat zijn gelaat leek op dat van een engel. HAN 7:1 Redevoering van Stefanus. De hogepriester vroeg nu: 'Is dat werkelijk zo?' HAN 7:2 Hierop nam Stefanus het woord: 'Mannen, broeders en vaders luistert! De God der heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham, toen deze in Mesopotamië woonde voor zijn komst naar Haran, HAN 7:3 en zei tot hem: Verlaat uw land en uw familie en kom naar het land dat Ik u tonen zal. HAN 7:4 Toen verliet hij het land der Chaldeeën en vestigde zich in Haran. Van daar deed God hem na de dood van zijn vader verhuizen naar dit land, waarin gij nu woont. HAN 7:5 Wel gaf Hij hem daarvan geen deel in eigendom, zelfs geen voetbreed, maar beloofde het in bezit te zullen geven aan hem en aan zijn nageslacht, hoewel hij geen kinderen had. HAN 7:6 God zei immers dat zijn geslacht als vreemdeling zou wonen in een vreemd land en dat men het in slavernij zou brengen en mishandelen, vierhonderd jaar lang. HAN 7:7 Maar Ik aldus sprak God zal over het volk, waarvan zij slaven zullen zijn, mijn vonnis vellen en daarna zullen zij wegtrekken en Mij eren op deze plaats. HAN 7:8 En Hij schonk aan Abraham het verbond der besnijdenis. Zo kreeg hij dan een zoon Isaak en besneed hem op de achtste dag; Isaak werd de vader van Jakob en Jakob van de twaalf aartsvaders. HAN 7:9 Uit afgunst verkochten de aartsvaders Jozef naar Egypte; maar God was met hem, HAN 7:10 verloste hem uit al zijn ellende en maakte dat hij welgevallig en wijs was in de ogen van de Farao, de koning van Egypte. Deze stelde hem aan tot bestuurder over Egypte en over heel zijn huis. HAN 7:11 Er kwam een hongersnood over heel Egypte en Kanaän, een grote ellende, zodat onze vaderen geen voedsel meer vonden. HAN 7:12 Toen Jakob vernam, dat er in Egypte nog graanvoorraden waren, zond hij onze vaderen daarheen, dat was de eerste keer. HAN 7:13 Bij de tweede keer maakte Jozef zich aan zijn broers bekend en werd Farao ingelicht over de afkomst van Jozef. HAN 7:14 Nu liet Jozef zijn vader Jakob overkomen met heel zijn familie, vijfenzeventig personen. HAN 7:15 Jakob kwam naar Egypte en daar is hij gestorven, evenals onze vaderen. HAN 7:16 Zij werden overgebracht naar Sichem en bijgezet in het graf dat Abraham voor zilver gekocht had van de zonen van Hemor in Sichem. HAN 7:17 Naargelang de tijd van de belofte naderde, die God aan Abraham had gedaan, groeide in Egypte het volk aan en nam sterk toe, HAN 7:18 totdat een andere koning die Jozef niet meer kende in Egypte aan de regering kwam. HAN 7:19 Met list onderdrukte deze ons volk, behandelde onze vaderen slecht en dwong hen zelfs zich van hun pasgeborenen te ontdoen, opdat ze niet in leven zouden blijven. HAN 7:20 In die tijd werd Mozes geboren, een bijzonder mooi kind. Drie maanden werd hij verzorgd in het huis van zijn vader. HAN 7:21 Nadat zijn ouders zich van hem ontdaan hadden, nam de dochter van de Farao hem op en liet hem grootbrengen als haar eigen zoon. HAN 7:22 Zo werd Mozes onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren en was machtig in woord en daad. HAN 7:23 Tegen de tijd dat hij veertig jaar werd, kwam het verlangen in hem op zich omtrent de toestand van zijn broeders, de Israëlieten, op de hoogte te stellen. HAN 7:24 Ziende dat iemand onrechtvaardig behandeld werd, nam hij het voor hem op en wreekte de afgebeulde man door de Egyptenaar neer te slaan. HAN 7:25 Hij meende dat zijn broeders zouden inzien, dat God hen door zijn bemiddeling zou verlossen. Maar zij begrepen het niet. HAN 7:26 De volgende dag stond hij ineens voor hen, terwijl zij met elkaar aan het vechten waren. Hij trachtte hen te verzoenen met vredelievende woorden: Mannen, ge zijt toch broeders. Waarom doet ge elkaar dan kwaad? HAN 7:27 Maar de man die zijn makker mishandelde, wees hem ruw af en zei: Wie heeft u tot leider en rechter over ons aangesteld? HAN 7:28 Wilt ge mij soms doden, zoals ge gisteren die Egyptenaar hebt gedaan? HAN 7:29 Om dat gezegde nam Mozes de vlucht en ging als vreemdeling leven in het land Midjan. Daar kreeg hij twee zonen. HAN 7:30 Na verloop van veertig jaar verscheen hem in de woestijn van het Sina gebergte een engel in de vuurgloed van een brandende doornstruik. HAN 7:31 Bij het zien van dit schouwspel stond Mozes verbaasd. Maar toen hij er naar toe ging om het te onderzoeken, klonk de stem des Heren: HAN 7:32 Ik ben de God van uw vaderen, de God van Abraham, Isaak en Jakob. Bevend van schrik durfde Mozes het niet nader te onderzoeken. HAN 7:33 Toen sprak de Heer tot hem: Ontdoe u van uw schoeisel, want de plaats waar ge staat is heilige grond. HAN 7:34 Waarachtig, Ik heb de mishandeling van mijn volk in Egypte gezien en hun zuchten gehoord. Daarom ben Ik afgedaald om hen te bevrijden. Welnu dan, Ik wil u naar Egypte zenden. HAN 7:35 Die Mozes, die ze verloochend hadden met de woorden: Wie heeft u aangesteld tot leider en rechter, hem heeft God als leider en verlosser tot hen gezonden met de macht van de engel die hem in de doornstruik verschenen was. HAN 7:36 Hij was het die hen wegleidde onder het verrichten van wondertekenen in Egypte, in de Rode Zee en in de woestijn, veertig jaar lang. HAN 7:37 Die Mozes is het, die tot de Israëlieten gezegd heeft: Een profeet zoals ik zal God voor u uit uw broeders doen opstaan. HAN 7:38 Hij is het die voor de gemeente in de woestijn de middelaar was tussen de engel die tot hem sprak op de berg Sina , en onze vaderen; hij ontving woorden ten leven om ze aan u over te brengen. HAN 7:39 Maar onze vaderen wilden niet naar hem luisteren; neen, ze hebben hem afgewezen en hun verlangen ging uit naar Egypte. HAN 7:40 Ze zeiden tot Aäron: Maak ons goden, die voor ons uit zullen gaan. Die Mozes immers, die ons uit Egypte heeft weggeleid wij weten niet wat er met hem gebeurd is. HAN 7:41 Toen maakten zij een kalf, brachten een offer aan dat afgodsbeeld en verlustigden zich in hun eigen maaksel. HAN 7:42 Nu keerde God zich af en gaf hen prijs aan de eredienst van het hemels heir, zoals geschreven staat in het boek der profeten: Hebt gij Mij soms slachtoffers en brandoffers gebracht gedurende de veertig jaren in de woestijn, huis van Israël? HAN 7:43 Ja, hebt gij niet de tent van Moloch op de schouders gedragen, en de ster van de god Romfa, de beelden die gij gemaakt hebt om er voor neer te knielen? Daarom zal Ik u verbannen nog verder dan Babylon. HAN 7:44 Onze vaderen bezaten in de woestijn de tent der getuigenis. Degene die tot Mozes sprak, had hem het bevel gegeven deze te maken naar het voorbeeld dat hem getoond was. HAN 7:45 Onze vaderen namen deze over en voerden ze onder Jozua in het land, bezet door de heidenen, die God voor onze vaderen uitdreef, zo bleef het tot aan David. HAN 7:46 Deze vond genade in Gods ogen en vroeg dat hij voor de God van Jakob een woontent zou mogen verkrijgen. HAN 7:47 Maar het was Salomo die Hem een huis bouwde. HAN 7:48 Toch woont de Allerhoogste niet in wat door mensenhanden gemaakt is, zoals de profeet zegt: HAN 7:49 De hemel is mij een troon, de aarde een voetbank voor mijn voeten. Wat voor een huis zult gij dan voor Mij bouwen, zegt de Heer, of wat zal mijn rustplaats zijn HAN 7:50 Heeft mijn hand dat alles niet gemaakt? HAN 7:51 Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oor, nog altijd weerstreeft gij de heilige Geest, juist zoals uw vaderen deden. HAN 7:52 Wie van de profeten zijn door uw vaderen niet vervolgd? Gedood hebben ze hen die de komst aankondigden van de Rechtvaardige, wiens verraders en moordenaars gij nu geworden zijt, HAN 7:53 gij nog wel die de Wet hebt ontvangen door bemiddeling van de engelen; maar ge hebt ze niet onderhouden!' HAN 7:54 Marteldood van Stefanus. Toen ze dit hoorden, werden ze woedend en knarsetandden tegen hem. HAN 7:55 Maar hij, vervuld van de heilige Geest, staarde naar de hemel en zag Gods heerlijkheid en Jezus staande aan Gods rechterhand; HAN 7:56 en hij riep uit: 'Ik zie de hemel open en de Mensenzoon staande aan Gods rechterhand.' HAN 7:57 Maar zij begonnen luidkeels te schreeuwen, stopten hun oren toe en stormden als een man op hem af. HAN 7:58 Zij sleepten hem buiten de poort en stenigden hem. De getuigen legden hun mantels neer aan de voeten van een jongeman die Saulus heette. HAN 7:59 Terwijl zij Stefanus stenigden, bad hij: 'Heer Jezus, ontvang mijn geest.' HAN 7:60 Toen viel hij op zijn knieën en riep met luider stem: 'Heer, reken hun deze zonde niet aan.' Na deze woorden ontsliep hij. Saulus stemde in met de moord op deze man. HAN 8:1 Nieuwe vervolging. Verspreiding der gelovigen. Op die dag brak een hevige vervolging los tegen de Kerk in Jeruzalem. Allen verspreidden zich over het platteland van Judea en Samaria, uitgezonderd de apostelen. HAN 8:2 Vrome mannen begroeven Stefanus en hielden een grote rouwklacht over hem. HAN 8:3 Saulus echter woedde tegen de Kerk, waarbij hij het ene huis na het andere binnendrong, mannen en vrouwen wegsleepte en overleverde om gevangen gezet te worden. HAN 8:4 Zij nu, die zich verspreid hadden, trokken rond en verkondig den het woord van de Blijde Boodschap. HAN 8:5 Zo kwam Filippus in de stad van Samaria en predikte daar de Messias. HAN 8:6 Filippus' woorden oogstten algemene instemming toen de mensen hoorden wat hij zei en de tekenen zagen die hij verrichtte. HAN 8:7 Uit vele bezetenen gingen de onreine geesten onder luid geschreeuw weg en vele lammen en kreupelen werden genezen. HAN 8:8 Daarover ontstond grote vreugde in die stad. HAN 8:9 Reeds voor die tijd trad er in die stad een zekere Simon als tovenaar op; hij deed het volk van Samaria in verbazing staan en gaf zich uit voor een heel bijzonder iemand. HAN 8:10 Allen, van klein tot groot, hingen hem aan en zeiden: 'Hij is de Kracht Gods, de Grote'; HAN 8:11 zij hingen hem aan, omdat hij ze geruime tijd door zijn toverkunsten verbaasd had. HAN 8:12 Maar nu zij geloof geschonken hadden aan de prediking van Filippus over het Rijk Gods en de naam van Jezus Christus, lieten mannen zowel als vrouwen zich dopen. HAN 8:13 Ook Simon zelf nam het geloof aan en na zijn doopsel bleef hij voortdurend bij Filippus, vol verbazing over de tekenen en grote wonderen die hij zag gebeuren. HAN 8:14 Toen de apostelen in Jeruzalem vernamen dat Samaria het woord Gods had aangenomen, vaardigden zij Petrus en Johannes naar hen af, HAN 8:15 die na hun aankomst een gebed over hen uitspraken, opdat zij de heilige Geest zouden ontvangen. HAN 8:16 Deze was namelijk nog over niemand van hen neergedaald; ze waren alleen gedoopt in de naam van de Heer Jezus. HAN 8:17 Zij legden hun dus de handen op en ze ontvingen de heilige Geest. HAN 8:18 Simon, die zag dat door de handoplegging van de apostelen de Geest geschonken werd, bood hun geld aan HAN 8:19 en zei: 'Geeft ook mij die macht, dat ieder aan wie ik de handen opleg de heilige Geest ontvangt.' HAN 8:20 Maar Petrus gaf ten antwoord: 'Wees ten ondergang gedoemd, jij met je geld, omdat je gemeend hebt de gave Gods voor geld te kunnen krijgen. HAN 8:21 Je hebt part noch deel aan deze leer, want je hart is niet oprecht tegenover God. HAN 8:22 Leg die slechte gezindheid van je af en bid de Heer, dat die slechte gedachte je vergeven mag worden. HAN 8:23 Ik zie dat je bitter bent als gal en in boosheid verstrikt.' HAN 8:24 Simon antwoordde: 'Bidt gij voor mij tot de Heer, dat mij niets mag overkomen van wat gij gezegd hebt.' HAN 8:25 Nadat zij door de verkondiging van het woord des Heren getuigenis hadden afgelegd, keerden zij naar Jeruzalem terug, terwijl zij nog in vele dorpen der Samaritanen de Blijde Boodschap predikten. HAN 8:26 Bekering van een Ethiopiër. Een engel van de Heer sprak tot Filippus: 'Begeef u op reis naar het zuiden en ga de weg op die van Jeruzalem naar Gaza loopt. Deze is eenzaam.' HAN 8:27 Hij begaf zich op reis. Terzelfder tijd bevond een Ethiopiër zich op de terugweg van een pelgrimstocht naar Jeruzalem; hij was een eunuch, een hoveling van Kandake, de koningin van de Ethiopiërs, en haar opperschatmeester. HAN 8:28 Gezeten in zijn reiskoets was hij de profeet Jesaja aan het lezen. HAN 8:29 De Geest sprak tot Filippus: 'Ga naar die reiskoets en blijf in de nabijheid.' HAN 8:30 Toen Filippus er naar toe gegaan was, hoorde hij hem de profeet Jesaja lezen. Hij vroeg hem: 'Begrijpt ge wat ge leest?' HAN 8:31 Maar de Ethiopiër antwoordde: 'Hoe zou ik dat kunnen, als niemand mij daarin behulpzaam is?' Hij nodigde Filippus uit in te stappen en bij hem te komen zitten. HAN 8:32 De schriftuurplaats die hij juist las was de volgende: Als een schaap werd Hij ter slachtbank geleid; en evenals een lam, stom tegen zijn scheerder, opende Hij zijn mond niet. HAN 8:33 Door zijn vernedering is zijn vonnis voltrokken. Wie zal zijn geslacht kunnen beschrijven? Want zijn leven wordt weggenomen van de aarde. HAN 8:34 Nu richtte de eunuch het woord tot Filippus: 'Mag ik u vragen van wie de profeet dit zegt? Van zichzelf of van iemand anders?' HAN 8:35 Filippus begon te spreken en uitgaande van deze tekst verkondigde hij hem Jezus. HAN 8:36 Al voortreizende kwamen ze bij een water en de hoveling zei: 'Hier is water. Wat is er op tegen, dat ik gedoopt word?' HAN 8:37 Hij liet de koets stil houden en beiden, HAN 8:38 Filippus en de eunuch, daalden af in het water en hij doopte hem. HAN 8:39 Toen zij in het water gekomen waren, rukte de Geest des Heren Filippus weg; de eunuch zag hem niet meer en zette vol blijdschap zijn reis voort. HAN 8:40 Filippus echter werd aangetroffen in Azotus. Daar trok hij rond en predikte de Blijde Boodschap in alle steden totdat hij in Caesarea kwam. HAN 9:1 Saulus op reis naar Damascus. Intussen ging Saulus, wiens ziedende woede nog steeds de leerlingen van de Heer met de dood bedreigde, naar de hogepriester HAN 9:2 aan wie hij brieven vroeg voor de synagogen in Damascus, om alle aanhangers van de Weg die hij zou vinden, mannen zowel als vrouwen, gevangen naar Jeruzalem te mogen voeren. HAN 9:3 Toen hij op zijn tocht Damascus naderde, omstraalde hem plotseling een licht uit de hemel. HAN 9:4 Hij viel ter aarde en hoorde een stem die hem zei: 'Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?' HAN 9:5 Hij sprak: 'Wie zijt gij, Heer?' Hij antwoordde: 'Ik ben Jezus, die gij vervolgt. HAN 9:6 Maar sta op en ga de stad in; daar zal iemand u zeggen wat ge doen moet.' HAN 9:7 Zijn reisgezellen stonden sprakeloos, want zij hoorden wel de stem, maar zagen niemand. HAN 9:8 Saulus stond van de grond op, maar hoewel zijn ogen open waren, zag hij niets. Zij namen hem dus bij de hand en brachten hem Damascus binnen. HAN 9:9 Drie dagen lang kon hij niet zien en at of dronk niet. HAN 9:10 Nu woonde er in Damascus een leerling die Ananias heette, en tot hem sprak de Heer in een visioen: 'Ananias.' Hij antwoordde: 'Hier ben ik, Heer.' HAN 9:11 De Heer vervolgde: 'Begeef u naar de Rechte Straat en vraag in het huis van Judas naar Saulus van Tarsus; hij is juist in gebed. HAN 9:12 - Deze zag reeds in een visioen een man, Ananias, binnenkomen en hem de handen opleggen, opdat hij weer zo u zien. HAN 9:13 Maar Ananias wierp tegen: 'Heer, ik heb van velen gehoord hoeveel kwaad die man uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan. HAN 9:14 Ook hier heeft hij van de hogepriester volmacht om allen die uw Naam aanroepen in boeien te slaan.' HAN 9:15 De Heer beval hem: 'Ga, want die man is mijn uitverkoren werktuig om mijn Naam uit te dragen onder heidenen en koningen en onder de zonen van Israël. HAN 9:16 Ik zal hem laten zien, hoeveel hij om mijn Naam moet lijden.' HAN 9:17 Toen begaf Ananias zich naar het huis, trad binnen en legde hem de handen op met de woorden: 'Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, Jezus die u op de weg hierheen verschenen is, opdat ge weer zien moogt en vervuld worden van de heilige Geest.' HAN 9:18 Op hetzelfde ogenblik vielen hem als het ware de schellen van de ogen. Hij zag weer en terstond liet hij zich dopen. HAN 9:19 Hij nam voedsel tot zich en kwam weer op krachten. HAN 9:20 Prediking van Paulus in Damascus en Jeruzalem. Enige tijd bleef hij bij de leerlingen in Damascus. Terstond begon hij in de synagoge Jezus te prediken en zei: 'Deze is de Zoon Gods.' HAN 9:21 Alle toehoorders stonden verbaasd en zeiden: 'Is dat niet de man, die in Jeruzalem de belijders van deze Naam uitroeide, en is hij niet hier gekomen om hen geboeid naar de hogepriesters te voeren?' HAN 9:22 Maar Saulus werd met steeds groter kracht bezield en bracht de Joden die in Damascus woonden in verwarring door te bewijzen: Deze is de Messias. HAN 9:23 Na verloop van tijd beraamden de Joden een plan om hem uit de weg te ruimen, HAN 9:24 maar hun toeleg werd aan Saulus bekend. Terwijl ze dus dag en nacht de stadspoorten bewaakten met het oog op hun plan hem te vermoorden, HAN 9:25 namen zijn leerlingen hem 's nachts mee en lieten hem door de stadsmuur in een mand naar beneden zakken. HAN 9:26 In Jeruzalem aangekomen deed hij pogingen zich bij de leerlingen aan te sluiten, maar allen waren bang van hem, omdat zij niet konden geloven, dat hij een leerling was. HAN 9:27 Barnabas trok zich zijn lot aan, bracht hem bij de apostelen en verhaalde hun, hoe hij onderweg de Heer gezien had en dat Deze tot hem had gesproken en hoe hij in Damascus vrijmoedig opgetreden was in de naam van Jezus. HAN 9:28 Voortaan ging hij in Jeruzalem geregeld met hen om, terwijl hij onverschrokken optrad in de naam van de Heer. HAN 9:29 Hij sprak en disputeerde met de Hellenisten. Deze probeerden hem te vermoorden. HAN 9:30 Toen de broeders dit te weten kwamen, brachten zij hem weg naar Caesarea en lieten hem naar Tarsus vertrekken. HAN 9:31 Nu genoot de Kerk in heel Judea, Galilea en Samaria vrede; zij werd steeds meer bevestigd in de vreze des Heren en nam gestadig in aantal toe door de vertroosting van de heilige Geest. HAN 9:32 Wonderen van Petrus. Eens kwam Petrus op een grote rondreis ook bij de leerlingen die in Lydda woonden, HAN 9:33 en trof daar een zekere Eneas aan, die reeds acht jaar wegens verlamming het bed moest houden. HAN 9:34 Petrus sprak tot hem: 'Eneas, Jezus Christus geneest u, sta op en maak zelf uw bed in orde.' Onmiddellijk stond hij op. HAN 9:35 Alle inwoners van Lydda en van de Saronvlakte zagen hem en bekeerden zich tot de Heer. HAN 9:36 Er leefde destijds in Joppe een leerlinge met name Tabita, wat in vertaling Dorkas, Gazelle, betekent. Zij was onuitputtelijk in het doen van goede werken en het geven van aalmoezen. HAN 9:37 Juist in die dagen was zij echter na een ziekte gestorven. Men waste haar en legde haar in een bovenvertrek. HAN 9:38 Omdat Lydda dicht bij Joppe ligt, stuurden de leerlingen, die gehoord hadden dat Petrus daar verbleef, twee mannen naar hem toe met het verzoek: 'Kom zonder uitstel naar ons toe.' HAN 9:39 Petrus ging aanstonds met hen mee. Bij zijn aankomst brachten ze hem in het bovenvertrek, waar alle weduwen wenend hem omringden en al de kleren en mantels lieten zien die Dorkas gemaakt had toen ze nog in hun midden was. HAN 9:40 Petrus deed allen naar buiten gaan, knielde neer en bad. Toen sprak hij, zich kerend naar het lijk: 'Tabita, sta op.' Zij opende de ogen, zag Petrus en ging overeind zitten. HAN 9:41 Hij reikte haar de hand en hielp haar opstaan. Vervolgens riep hij de heiligen en de weduwen en gaf haar levend aan hen terug. HAN 9:42 Dit werd bekend in heel Joppe, zodat velen het geloof in de Heer aannamen. HAN 9:43 Verscheidene dagen verbleef hij nog in Joppe bij een zekere Simon, een leerlooier. HAN 10:1 Bekering van de heiden Cornelius. Er woonde in Caesarea een zekere Cornelius, een honderdman van de Italische kohort. HAN 10:2 Hij en al zijn huisgenoten waren vroom en godvrezend. Hij gaf veel aalmoezen aan het volk en bad voortdurend tot God. HAN 10:3 Eens, omtrent het negende uur van de dag, zag hij duidelijk in een visioen een engel Gods binnenkomen, die hem aansprak: 'Cornelius!' HAN 10:4 Deze staarde hem aan en zei door vrees bevangen: 'Wat is er, heer?' Hij antwoordde: 'Uw gebeden en aalmoezen zijn omhoog gestegen en zijn voortdurend in Gods gedachte. HAN 10:5 Zend daarom dadelijk mannen naar Joppe en laat vragen of een zekere Simon wil komen, die de bijnaam Petrus draagt. HAN 10:6 Hij is de gast van de leerlooier, Simon, wiens huis aan de zee staat.' HAN 10:7 Zodra de engel die tot hem sprak was weggegaan, riep hij twee van zijn knechten en een vroom soldaat, een van zijn getrouwen, HAN 10:8 legde hun alles uit en zond ze naar Joppe. HAN 10:9 De volgende dag, terwijl dezen nog onderweg waren maar de stad reeds naderden, ging Petrus naar het dak om te bidden. Het was omstreeks het zesde uur. HAN 10:10 Toen hij honger kreeg, wilde hij iets eten. Terwijl men het klaarmaakte, overviel hem een geestverrukking. HAN 10:11 Hij zag de hemel geopend en een voorwerp naar beneden komen in de vorm van een groot laken, dat aan vier punten op aarde neergelaten werd. HAN 10:12 Daarin bevonden zich allerlei viervoetige en kruipende dieren en allerlei soorten vogels. HAN 10:13 Een stem sprak tot hem: 'Komaan Petrus, slacht en eet.' HAN 10:14 Maar Petrus zei: 'Dat in geen geval, Heer, want nog nooit heb ik iets gegeten dat onheilig of onrein was.' HAN 10:15 Weer klonk de stem tot hem, voor de tweede maal: 'Beschouw niet als onheilig wat God rein heeft verklaard.' HAN 10:16 Dit gebeurde tot drie keer toe, waarna het voorwerp weer naar de hemel werd opgehaald. HAN 10:17 Terwijl Petrus nog niet bij zichzelf kon uitmaken wat wel de betekenis mocht zijn van het visioen dat hij gezien had, stonden opeens de mannen aan de poort, die door Cornelius gezonden waren en navraag hadden gedaan naar het huis van Simon. HAN 10:18 Zij riepen of Simon, die ook Petrus genoemd werd, daar verbleef. HAN 10:19 Petrus dacht nog na over het visioen, toen de Geest tot hem sprak: 'Daar zijn twee mannen die naar u vragen. HAN 10:20 Ga terstond naar beneden en reis zonder bedenken met hen mee, want Ik heb hen gezonden.' HAN 10:21 Petrus ging naar beneden en zei tot de mannen: 'Ik ben degene die gij zoekt; wat is de reden van uw komst?' HAN 10:22 Zij antwoordden: 'De honderdman Cornelius, een rechtschapen en godvrezend man, die te goeder naam en faam bekend staat bij heel de Joodse bevolking, heeft door een heilige engel het bevel gekregen u bij zich aan huis te ontbieden om te horen wat gij te zeggen hebt.' HAN 10:23 Hierop verzocht Petrus hun binnen te komen en verleende hun gastvrijheid. De volgende dag begaf hij zich met hen op weg en enige van de broeders uit Joppe vergezelden hem. HAN 10:24 De dag daarna kwam hij in Caesarea aan. Cornelius verwachtte hen al en had zijn verwanten en beste vrienden bijeengroepen. HAN 10:25 Toen Petrus binnentrad kwam Cornelius hem tegemoet en eerde hem met een voetval. HAN 10:26 Maar Petrus deed hem opstaan en zei: 'Sta op, ik ben ook maar een mens.' HAN 10:27 Zich met hem onderhoudend ging hij naar binnen en vond er een groot gezelschap bijeen. Hij sprak hun aldus toe: HAN 10:28 'Gij weet dat het voor een Jood tegen de wet is omgang te hebben met iemand van een ander volk of bij hem aan huis te komen; maar mij heeft God duidelijk gemaakt, dat men geen enkel mens onheilig of onrein mag noemen. HAN 10:29 Daarom ben ik dan ook zonder enig bezwaar op uw uitnodiging hierheen gekomen. Nu vraag ik u dus: Waarom hebt ge mij ontboden?' HAN 10:30 Cornelius zei daarop: 'Het is precies vier dagen geleden dat ik op het negende uur in mijn huis aan het bidden was, toen opeens een man voor mij stond in een schitterend gewaad HAN 10:31 en zei: Cornelius, uw gebed is verhoord en uw aalmoezen zijn voortdurend in Gods gedachte. HAN 10:32 Stuur dus iemand naar Joppe om Simon, bijgenaamd Petrus, te halen. Hij verblijft als gast in het huis van Simon de leerlooier, aan zee. HAN 10:33 Terstond zond ik toen mensen naar u toe en gij hebt goed gedaan om mee te komen. Nu zijn we dus allen onder Gods ogen bijeen om alles te vernemen wat u door de Heer is opgedragen.' HAN 10:34 Petrus nam het woord en sprak: 'Nu besef ik pas goed, dat er bij God geen aanzien des persoons bestaat, HAN 10:35 maar dat uit welk volk ook ieder die Hem vreest en het goede doet, Hem welgevallig is. HAN 10:36 Het woord heeft Hij tot de zonen van Israël gezonden, toen Hij door Jezus Christus de blijde boodschap van vrede verkondigde: Deze is de Heer van allen. HAN 10:37 Gij weet wat er overal in het joodse land gebeurd is; hoe Jezus van Nazaret zijn optreden begon in Galilea na het doopsel dat Johannes predikte, HAN 10:38 en hoe God Hem gezalfd heeft met de heilige Geest en met kracht. Hij ging weldoende rond en genas allen, die onder de dwingelandij van de duivel stonden, want God was met Hem. HAN 10:39 En wij zijn getuigen van alles wat Hij in het land van de Joden en in Jeruzalem gedaan heeft. Hem hebben ze aan het kruishout geslagen en vermoord. HAN 10:40 God heeft Hem echter op de derde dag doen opstaan en laten verschijnen, HAN 10:41 niet aan het hele volk, maar aan de getuigen die door God tevoren waren uitgekozen, aan ons, die met Hem gegeten en gedronken hebben nadat Hij uit de doden was opgestaan. HAN 10:42 Hij gaf ons de opdracht aan het volk te prediken, en te getuigen dat Hij de door God aangestelde rechter is over de levenden en de doden. HAN 10:43 Van Hem leggen alle profeten het getuigenis af, dat ieder die in Hem gelooft, door zijn Naam vergiffenis van zonden verkrijgt.' HAN 10:44 Terwijl Petrus nog zo aan het spreken was, kwam de heilige Geest plotseling neer op allen die naar de toespraak luisterden. HAN 10:45 De gelovigen uit de besnijdenis, die met Petrus meegekomen waren, stonden verbaasd dat ook over de heidenen de gave van de heilige Geest was uitgestort; HAN 10:46 want zij hoorden hen talen spreken en God verheerlijken. Toen zei Petrus: HAN 10:47 'Kan iemand nog het water weigeren, zodat deze mensen, die juist als wij de heilige Geest ontvangen hebben, niet gedoopt zouden worden?' HAN 10:48 En hij beval hen te dopen in de naam van Jezus Christus. Daarop verzochten zij hem nog enige dagen te blijven. HAN 11:1 Petrus verdedigt zijn optreden. De apostelen en de broeders in Judea hoorden dat ook de heidenen het woord van God hadden aangenomen. HAN 11:2 Toen Petrus dan in Jeruzalem kwam, maakten de gelovigen uit de besnijdenis hem het verwijt: HAN 11:3 'Gij hebt het huis van onbesnedenen betreden en met hen gegeten.' HAN 11:4 Nu begon Petrus hun een geregeld verslag te geven: HAN 11:5 'Ik was, zo zei hij, in de stad Joppe aan het bidden, toen ik in een geestverrukking een visioen zag: een voorwerp, in de vorm van een groot laken, dat aan vier punten uit de hemel werd neergelaten, daalde uit de hemel en kwam tot vlak bij mij. HAN 11:6 Ik keek er naar met gespannen aandacht en zag viervoetige dieren, wilde beesten, kruipende dieren en vogels. HAN 11:7 Bovendien hoorde ik een stem die tot mij zei: Komaan Petrus, slacht en eet. HAN 11:8 Maar ik zei: Dat in geen geval Heer, want nooit kwam er iets onheiligs of onreins in mijn mond. HAN 11:9 Maar de stem uit de hemel liet zich ten tweeden male horen en gaf mij ten antwoord: Beschouw niet als onheilig wat God rein heeft verklaard. HAN 11:10 Dit gebeurde tot drie keer toe en toen werd alles weer naar de hemel opgetrokken. HAN 11:11 Terstond daarop vervoegden zich drie mannen bij het huis, waar we verbleven; ze waren uit Caesarea naar mij toegezonden. HAN 11:12 De Geest beval mij zonder bedenken met hen mee te gaan. Ook deze zes broeders gingen met mij mee en wij traden het huis van die man binnen. HAN 11:13 Hij vertelde ons, hoe hij een engel in zijn huis had zien staan die zei: Zend iemand naar Joppe om Simon, bijgenaamd Petrus, te halen. HAN 11:14 Die zal u zeggen op welke wijze gij en heel uw huis redding kunt vinden. HAN 11:15 Juist was ik begonnen te spreken, toen de heilige Geest op hen neerkwam, zoals in het begin ook op ons. HAN 11:16 Toen dacht ik terug aan het woord van de Heer, hoe Hij gezegd had: Johannes doopte met water, maar gij zult gedoopt worden met de heilige Geest. HAN 11:17 Indien God hun nu dezelfde gave gegeven heeft als aan ons, die reeds geloofden in de Heer Jezus Christus, hoe zou ik dan in staat geweest zijn God tegen te houden?' HAN 11:18 Toen zij dat gehoord hadden, waren zij gerustgesteld en verheerlijkten God met de woorden: 'Zo heeft God dan ook de heidenen de bekering ten leven geschonken.' HAN 11:19 Prediking te Antiochië. Naar aanleiding van Stefanus was er, zoals gezegd, een vervolging losgebroken. Zij die hierdoor verspreid waren, trokken verder tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe, terwijl zij het woord alleen maar aan de Joden predikten. HAN 11:20 Maar er waren onder hen mannen uit Cyprus en Cyrene, die na hun komst in Antiochië zich ook tot de Grieken richtten en hun de Heer Jezus verkondigden. HAN 11:21 De hand des Heren was met hen, zodat een groot aantal het geloof aannam en zich tot de Heer bekeerde. HAN 11:22 Het gerucht over hun optreden kwam ook de Kerk van Jeruzalem ter ore en men vaardigde Barnabas af naar Antiochië. HAN 11:23 Toen deze daar aankwam en Gods genade zag, verheugde hij zich en wekte allen op met hart en ziel de Heer trouw te blijven. HAN 11:24 Hij was een goed man, vol van heilige Geest en geloof. Veel mensen werden voor de Heer gewonnen. HAN 11:25 Daarop vertrok hij naar Tarsus om Saulus te gaan zoeken. HAN 11:26 Toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië. Een vol jaar namen zij deel aan de bijeenkomsten in die gemeente en gaven onderricht aan een grote menigte. Het was in Antiochië dat de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd. HAN 11:27 De profeet Agabus un Antiochië. In die tijd kwamen er van Jeruzalem profeten naar Antiochië. HAN 11:28 Een van hen, Agabus, maakte door de Geest bekend dat er over heel de wereld een grote hongersnood zou uitbreken, wat onder Claudius inderdaad gebeurde. HAN 11:29 De leerlingen bepaalden daarom dat ieder van hen naar draagkracht een ondersteuning zou zenden voor de broeders in Judea. HAN 11:30 Hieraan gevolg gevend deden zij die door bemiddeling van Barnabas en Saulus aan de oudsten toekomen. HAN 12:1 Omstreeks die tijd legde koning Herodes de hand op enkele leden van de Kerk om hen te mishandelen. HAN 12:2 Jakobus, de broer van Johannes, liet hij met het zwaard ter dood brengen. HAN 12:3 Omdat hij bemerkte dat dit de Joden aangenaam was, liet hij ook nog Petrus gevangen nemen. Het was juist in de dagen van het ongedesemde brood. HAN 12:4 Toen hij hem in handen had gekregen, wierp hij hem in de gevangenis en liet hem bewaken door vier groepen soldaten, elk van vier man. Het was zijn bedoeling Petrus na het paasfeest voor het volk te leiden. HAN 12:5 Terwijl Petrus in de gevangenis zat, werd door de Kerk vurig voor hem tot God gebeden. HAN 12:6 In de nacht voordat Herodes hem wilde laten voorleiden, lag Petrus met twee kettingen vastgebonden te slapen tussen twee soldaten, terwijl ook voor de poort van de gevangenis wacht werd gehouden. HAN 12:7 Opeens stond een engel des Heren bij hem en was de cel hel verlicht. Hij stootte Petrus in de zij, wekte hem en sprak: 'Sta vlug op.' Meteen vielen de kettingen van zijn handen. HAN 12:8 Vervolgens zei de engel: 'Doe uw gordel om en bind uw sandalen onder.' Petrus deed het. De engel hernam: 'Sla uw mantel om en volg mij.' HAN 12:9 Hij ging mee naar buiten zonder nog te beseffen dat het werkelijkheid was wat de engel deed; hij meende een visioen te zien. HAN 12:10 Zij passeerden de eerste en de tweede wacht en kwamen aan de ijzeren poort die toegang gaf tot de stad; deze ging vanzelf voor hen open. Zij traden naar buiten, liepen een straat ver en eensklaps was de engel verdwenen. HAN 12:11 Toen kwam Petrus tot zichzelf en zei: 'Nu weet ik zeker, dat de Heer zijn engel heeft gezonden en mij heeft ontrukt aan de macht van Herodes en alles wat het volk der Joden verwachtte.' HAN 12:12 Toen hem dit duidelijk was geworden, begaf hij zich naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, ook Marcus genoemd, waar velen in gebed verenigd waren. HAN 12:13 Nadat hij op de buitenpoort geklopt had, kwam Roosje, het dienstmeisje, horen wie er was. HAN 12:14 Zij herkende Petrus' stem, maar van blijdschap verzuimde ze open te doen. Zij liep vlug naar binnen om te vertellen dat Petrus voor de poort stond. Men antwoordde haar: 'Je bent niet goed wijs.' HAN 12:15 Maar zij bleef volhouden dat het werkelijk zo was. Toen zeiden ze: 'Dan is het zijn engel.' HAN 12:16 Intussen bleef Petrus maar kloppen. Toen ze eindelijk opendeden, waren zij verbaasd hem te zien. HAN 12:17 Hij gaf met de hand een teken dat zij stil moesten zijn, vertelde hun, hoe de Heer hem buiten de gevangenis had gebracht en voegde er aan toe: 'Meldt dit aan Jakobus en de broeders.' Daarna verliet hij het huis en ging ergens anders heen. HAN 12:18 Toen het dag geworden was, heerste er onder de soldaten grote verwarring over wat er wel met Petrus gebeurd kon zijn. HAN 12:19 Herodes liet naar hem zoeken en toen hij hem niet kon vinden, nam hij de wachters in verhoor en liet hen gevangen zetten. Zelf vertrok hij van Judea naar Caesarea, waar hij enige tijd verbleef. HAN 12:20 Dood van koning Herodes. Herodes was zeer verbitterd op de inwoners van Tyrus en Sidon. Dezen kwamen gezamenlijk naar hem toe, wisten Blastus, de kamerheer van de koning, op hun hand te krijgen en vroeg en om vrede. Hun gebied was namelijk voor de voedselvoorziening afhankelijk van dat van de koning. HAN 12:21 Op een vastgestelde dag hield Herodes, gekleed in koninklijk ornaat en gezeten op zijn troon, een redevoering tot hen. HAN 12:22 Het volk juichte hem toe en riep: 'Dat is de taal van een god en niet van een mens.' HAN 12:23 Terstond sloeg hem een engel van de Heer, omdat hij aan God niet de verschuldigde eer had gegeven; en door wormen verteerd stierf hij. HAN 12:24 Het woord des Heren gedijde en breidde zich uit. HAN 12:25 Barnabas en Saulus keerden terug na hun dienstwerk in Jeruzalem volbracht te hebben en namen Johannes, die ook Marcus genoemd werd, mee. HAN 13:1 Uitzending van Barnabas en Paulus. In de gemeente van Antiochië waren er profeten en leraren: Barnabas, Simon die Niger genoemd werd, Lucius uit Cyrene, Manaën, jeugdvriend van viervorst Herodes, en Saulus. HAN 13:2 Terwijl ze eens voor de Heer de heilige dienst verrichtten en vastten, sprak de heilige Geest: 'Zonder Mij Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen heb geroepen.' HAN 13:3 Na vasten en gebed legden ze hun toen de handen op en lieten hen vertrekken. HAN 13:4 Op het eiland Cyprus. Aldus door de heilige Geest uitgezonden, gingen zij naar Seleucië en voeren vandaar naar Cyprus. HAN 13:5 Zij kwamen aan in Salamis en predikten er het woord Gods in de synagogen van de Joden. Ze hadden ook Johannes bij zich om hen te helpen. HAN 13:6 Toen ze het hele eiland tot Pafos waren doorgetrokken, troffen ze daar een joodse tovenaar aan, een valse profeet, een zekere Barjezus, HAN 13:7 die tot het gevolg behoorde van de proconsul Sergius Paulus, een weldenkend man. Deze ontbood Barnabas en Saulus en gaf het verlangen te kennen het woord Gods te horen. HAN 13:8 Maar Elymas de tovenaar zo wordt zijn naam vertaald werkte hen tegen en probeerde de proconsul van het geloof af te houden. HAN 13:9 Saulus echter die ook Paulus heette vervuld van de heilige Geest, keek hem strak aan en HAN 13:10 voegde hem toe: 'Duivelskind, vol listigheden en bedrog, vijand van alle gerechtigheid! Zult ge dan nooit ophouden de rechte wegen van de Heer krom te trekken? HAN 13:11 Nu op dit ogenblik treft u de hand des Heren: ge zult blind zijn en een tijdlang de zon niet zien.' Terstond viel er een dikke duisternis over hem en rondtastend zocht hij iemand om hem bij de hand te leiden. HAN 13:12 Op het zien van het gebeurde nam de proconsul het geloof aan, diep getroffen door de leer des Heren. HAN 13:13 Te Antiochië in Pisidië. Het gezelschap van Paulus voer nu weg uit Pafos en begaf zich naar Perge in Pamfylië; daar scheidde Johannes zich van hen af en keerde naar Jeruzalem terug. HAN 13:14 Van Perge reisden ze verder en bereikten Antiochië in Pisidië, waar zij op de sabbat de synagoge binnengingen en plaats namen. HAN 13:15 Na de voorlezing van de Wet en de Profeten lieten de oversten van de synagoge hun zeggen: 'Mannen, broeders, indien ge een opwekkend woord tot het volk te zeggen hebt, spreekt dan.' HAN 13:16 Paulus stond op, wenkte met de hand en zei: 'Mannen van Israël en godvrezenden, luistert. HAN 13:17 De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren en het volk groot gemaakt tijdens het verblijf in Egypte en het met machtige hand daarvan weg gevoerd. HAN 13:18 Ongeveer veertig jaar heeft Hij hen in de woestijn met zorgen omringd, HAN 13:19 waarna Hij zeven volkeren in Kanaän vernietigde, en hun het land in bezit gaf. HAN 13:20 Dit omvatte ongeveer vierhonderdvijftig jaren. Daarna gaf Hij hun rechters; dit duurde tot aan de profeet Samuël. HAN 13:21 Hierna vroegen zij om een koning en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam Benjamin: veertig jaar lang. HAN 13:22 Nadat Hij hem verworpen had, verhief Hij David tot hun koning. Van deze gaf Hij het getuigenis: Ik heb David gevonden, de zoon van Isa , een man naar mijn hart, die mijn wil in alles zal volbrengen. HAN 13:23 Uit diens nakomelingschap heeft God volgens belofte voor Israël een Verlosser doen voortkomen, Jezus, HAN 13:24 nadat reeds Johannes voor zijn optreden een doopsel van bekering aan heel het volk van Israël had gepredikt. HAN 13:25 Toen Johannes aan het einde van zijn loopbaan was, zei hij: Wat ge meent dat ik ben, ben ik niet; maar na mij komt iemand, wiens schoeisel ik niet waard ben los te maken. HAN 13:26 Mannen, broeders, zonen uit Abrahams geslacht en godvrezenden onder u: tot ons is dit woord van verlossing gezonden. HAN 13:27 Want doordat de inwoners van Jeruzalem en hun overheden Hem niet erkend maar veroordeeld hebben, deden zij de uitspraken van de profeten, die elke sabbat worden voorgelezen, in vervulling gaan. HAN 13:28 Ofschoon ze geen enkele rechtsgrond voor de doodstraf konden vinden, hebben ze van Pilatus geëist dat Hij ter dood gebracht werd. HAN 13:29 Toen ze alles hadden voltrokken wat over Hem geschreven staat, namen ze Hem van het kruishout en legden Hem in een graf. HAN 13:30 Maar God wekte Hem uit de doden op HAN 13:31 en gedurende vele dagen verscheen Hij aan degenen die Hem van Galilea naar Jeruzalem hadden vergezeld. Dezen zijn nu getuigen van Hem voor het volk. HAN 13:32 Wij dan verkondigen u de blijde boodschap, dat God de belofte aan de vaderen gedaan, HAN 13:33 voor ons, hun kinderen, vervuld heeft door Jezus te doen verrijzen, zoals ook geschreven staat in de tweede psalm: Gij zijt mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt. HAN 13:34 En dat Hij Hem uit de doden heeft doen verrijzen om niet meer tot het bederf terug te keren, heeft Hij aldus uitgedrukt: Ik zal voor u vervullen de heilige en betrouwbare beloften die Ik aan David gedaan heb. HAN 13:35 Daarom zegt Hij nog op een andere plaats: Gij zult uw Heilige het bederf niet laten zien. HAN 13:36 Nu dan: nadat David tijdens zijn leven aan Gods beschikking onderworpen was geweest, is hij ontslapen. Hij is bij zijn vaderen bijgezet en hij heeft het bederf gezien; HAN 13:37 maar Hij die God deed verrijzen, heeft het bederf niet gezien. HAN 13:38 Weet dan, mannen broeders, dat aan u wordt verkondigd dat ge door Hem vergiffenis van zonden kunt verkrijgen; de volledige rechtvaardiging die ge in de Wet van Mozes niet hebt kunnen vinden, HAN 13:39 zal ieder die gelooft verwerven in Hem. HAN 13:40 Zorgt er dus voor, dat op u niet van toepassing wordt wat in de profeten gezegd is: HAN 13:41 Ziet toe, hooghartigen, weest verbaasd en gaat te gronde, want in die dagen verricht Ik een werk, dat gij niet zoudt geloven als iemand het u vertelde' HAN 13:42 Toen ze naar buiten gingen, nodigde men hen uit om de volgende sabbat over hetzelfde onderwerp tot hen te komen spreken. HAN 13:43 Na afloop van de dienst in de synagoge liepen vele Joden en godvrezende proselieten met Paulus en Barnabas mee; deze spraken hen toe en drongen er bij hen op aan in de genade van God te volharden. HAN 13:44 De volgende sabbat kwam bijna de hele stad bijeen om naar het woord van God te luisteren. HAN 13:45 Bij het zien van die grote menigte werden de Joden zeer afgunstig en beantwoordden de uiteenzetting van Paulus met beschimpingen. HAN 13:46 Toen verklaarden Paulus en Barnabas in alle vrijmoedigheid: 'Tot u moest wel het eerst het woord van God gesproken worden, maar omdat gij het afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig keurt, daarom richten wij ons voortaan tot de heidenen. HAN 13:47 Want aldus luidt de opdracht van de Heer tot ons: Ik heb u geplaatst als een licht voor de heidenen, opdat gij tot redding zou strekken tot aan het uiteinde van de aarde.' HAN 13:48 Toen de heidenen dit hoorden, waren zij verheugd en verheerlijkten het woord van God, en allen die tot het eeuwig leven waren voorbestemd namen het geloof aan. HAN 13:49 Het woord des Heren verbreidde zich door heel die streek, HAN 13:50 maar de Joden hitsten de godvrezenden vrouwen uit de toonaangevende kringen op en ook de voornaamste burgers uit de stad; zij veroorzaakten een vervolging tegen Paulus en Barnabas en verjoegen hen uit hun gebied. HAN 13:51 Dezen schudden het stof van hun voeten, ten teken dat zij met hen gebroken hadden en gingen naar Ikonium. HAN 13:52 De leerlingen echter waren vervuld van vreugde en van de heilige Geest. HAN 14:1 Te Ikonium. In Ikonium gingen zij eveneens de synagoge der Joden binnen en spraken zo, dat een groot aantal Joden zowel als Grieken het geloof aannamen. HAN 14:2 Maar de Joden die zich niet hadden laten overtuigen, hitsten de heidenen op tot vijandigheid tegen de broeders. HAN 14:3 Wel bleven zij daar geruime tijd en spraken vrijmoedig in vertrouwen op de Heer, die getuigenis gaf voor het woord van zijn genade en door hun handen wondertekenen deed geschieden. HAN 14:4 Maar tenslotte ontstond er verdeeldheid onder de bevolking van de stad: sommigen hielden het met de Joden, anderen met de apostelen. HAN 14:5 Toen de heidenen en de Joden samen met hun overheden aanstalten maakten om hen te mishandelen en te stenigen, HAN 14:6 namen zij, zodra zij dit bemerkten, de wijk naar de Lykaonische steden Lystra, Derbe en hun omstreken. HAN 14:7 Ook daar predikten zij het Evangelie. HAN 14:8 Te Lystra. Er was in Lystra een man die geen kracht in zijn voeten had en moest blijven zitten. Hij was van zijn geboorte af lam en had nooit kunnen lopen. HAN 14:9 Terwijl die man naar Paulus' toespraak luisterde, keek deze hem onderzoekend aan en zag dat hij het geloof bezat om gered te worden. HAN 14:10 Daarom sprak hij met stemverheffing: 'Ga op uw voeten staan, recht op!' De man sprong op en liep rond. HAN 14:11 Toen de mensen zagen wat Paulus gedaan had, begonnen ze te schreeuwen en riepen in het Lykaonisch: 'De goden zijn in mensengedaante tot ons neergedaald.' HAN 14:12 Barnabas noemden ze Zeus, en Paulus, omdat hij de woordvoerder was, Hermes. HAN 14:13 De priester van de tempel Zeus buiten de stad bracht bekranste stieren naar de poorten en wilde samen met het volk een offer gaan opdragen. HAN 14:14 Toen de apostelen Barnabas en Paulus dit vernamen, scheurden ze hun kleren en stortten zich tussen het volk, luid roepend: HAN 14:15 'Mannen, wat gaat ge nu beginnen? Ook wij zijn mensen, juist als gij. Wij brengen u de Blijde Boodschap dat gij u af moet keren van deze waardeloze goden en u wenden tot de levende God, die de hemel en de aarde gemaakt heeft en de zee en alles wat daarin is. HAN 14:16 In voorbije tijden liet Hij alle volken hun gang gaan, HAN 14:17 maar Hij heeft niet nagelaten getuigenis van zichzelf te geven door het schenken van weldaden: vanuit de hemel schonk Hij u immers zegen en vruchtbare jaargetijden en verblijdde u met overvloed van voedsel.' HAN 14:18 Maar zelfs deze woorden konden het volk er maar nauwelijks van weerhouden hun een offer op te dragen. HAN 14:19 Er kwamen echter Joden van Antiochië en Ikonium die het volk ompraatten. Daarom stenigden zij Paulus en sleepten hem buiten de stad in de mening dat hij dood was. HAN 14:20 Maar toen de leerlingen om hem heen waren gaan staan richtte hij zich op en ging weer de stad binnen. De volgende dag vertrok hij met Barnabas naar Derbe. HAN 14:21 Terug naar Antiochië. Verslag van de missietocht. Nadat zij in die stad het Evangelie hadden verkondigd en vele leerlingen hadden gewonnen, keerden zij naar Lystra, Ikonium en Antiochië terug. HAN 14:22 Daar bevestigden zij de leerlingen in hun goede gesteldheid, spoorden hen aan in het geloof te volharden en zeiden dat wij door vele kwellingen het Rijk Gods moeten binnengaan. HAN 14:23 In elke gemeente stelden zij na gebed en vasten oudsten voor hen aan en vertrouwden hen toe aan de Heer, in wie zij nu geloofden. HAN 14:24 Zij reisden door Pisidië naar Pamfylië, HAN 14:25 predikten het woord in Perge en bereikten Attalia. HAN 14:26 Daar gingen ze scheep naar Antiochië, vanwaar zij, aan Gods genade aanbevolen, waren uitgegaan naar het werk dat zij volbracht hadden. HAN 14:27 Na hun aankomst riepen zij de gemeente bijeen en vertelden alles wat God met hun medewerking tot stand had gebracht en hoe Hij voor de heidenen de poort van het geloof had geopend. HAN 14:28 Geruime tijd brachten ze daar bij de leerlingen door. HAN 15:1 Onenigheid over de besnijdenis. Enige mensen die van Judea waren gekomen, verkondigden aan de broeders de leer: 'Indien ge u niet naar Mozaisch gebruik laat besnijden, kunt ge niet gered worden.' HAN 15:2 Toen hierover strijd ontstond en Paulus en Barnabas in een felle woordenwisseling met hen raakten, droeg men Paulus en Barnabas en enkele andere leden van de gemeente op met deze strijdvraag naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem te gaan. HAN 15:3 Nadat hun door de gemeente uitgeleide was gedaan, reisden zij door Fenicië en Samaria, waar ze alle broeders grote vreugde bereiden door te vertellen van de bekering der heidenen. HAN 15:4 Bij hun aankomst te Jeruzalem werden zij ontvangen door de gemeente, de apostelen en de oudsten en zij verhaalden alles wat God met hun medewerking tot stand had gebracht. HAN 15:5 Maar enige gelovigen, afkomstig uit de partij der Farizeeën, stonden op en verklaarden, dat men hen moest besnijden en hun opleggen de Wet van Mozes te onderhouden. HAN 15:6 Het geschil voor de Kerkvergadering. De apostelen en de oudsten kwamen dus bijeen om deze zaak te bezien. HAN 15:7 Na veel heen en weer gepraat nam Petrus het woord en sprak tot hen: 'Mannen broeders, gij weet dat God reeds lang geleden mij onder u heeft uitgekozen, opdat de heidenen door mijn mond het evangeliewoord zouden horen en het geloof aannemen. HAN 15:8 Welnu, God die de harten kent, heeft zich voor hen uitgesproken door hun de heilige Geest mee te delen, juist als aan ons HAN 15:9 en Hij heeft in geen enkel opzicht onderscheid gemaakt tussen ons en hen, maar hun harten door het geloof gereinigd. HAN 15:10 Waarom wilt gij God dan nu tarten door de leerlingen een juk op de hals te leggen, dat noch onze vaderen noch wij in staat geweest zijn te dragen? HAN 15:11 Integendeel, juist zoals zij, geloven ook wij door de genade van de Heer Jezus gered te worden.' HAN 15:12 De hele vergadering zweeg en men luisterde naar Barnabas en Paulus, die van grote wondertekenen verhaalden die God door hen onder de heidenen gedaan had. HAN 15:13 Toen zij waren uitgesproken, nam Jakobus het woord en sprak:; Mannen broeders, luistert naar mij. HAN 15:14 Simeon heeft ons uiteengezet, hoe God eertijds genadig heeft neergezien en uit de heidenen zich een volk heeft gekozen. HAN 15:15 Hiermee stemmen de woorden der profeten overeen, zoals geschreven staat: HAN 15:16 Daarna zal Ik terugkeren en het vervallen huis van David weer opbouwen. Ja, zijn ruinen zal Ik weer opbouwen en volledig herstellen, HAN 15:17 opdat de rest van de mensen de Heer zullen zoeken samen met alle heidenen, over wie mijn Naam is uitgeroepen. HAN 15:18 Zo spreekt de Heer die deze dingen doet, van eeuwigheid zijn ze bekend. HAN 15:19 Daarom ben ik voor mij van oordeel, dat men hun die zich uit het heidendom tot God bekeren, geen onnodige lasten moet opleggen, HAN 15:20 maar hun wel voorschrijven zich te onthouden van wat door de afgoden besmet is, van ontucht, van wat verstikt is en van bloed. HAN 15:21 Want van oudsher heeft Mozes in elke stad mensen die hem op sabbat in de synagoge voorlezen en prediken.' HAN 15:22 Toen besloten de apostelen en de oudsten samen met de hele gemeente enige mannen uit hun midden te kiezen en met Paulus en Barnabas naar Antiochië te sturen: Judas, bijgenaamd Barsabbas, en Silas, mannen van aanzien onder de broeders, HAN 15:23 en hun het volgende schrijven mee te geven: 'De apostelen en de oudsten zenden aan de broeders uit de heidenen in Antiochië, Syrië en Cilicië hun broederlijke groet. HAN 15:24 Daar wij gehoord hebben dat sommigen van ons u door woorden in verwarring hebben gebracht en uw gemoederen verontrust, zonder dat ze van ons enige opdracht hadden gekregen, HAN 15:25 hebben wij eenstemmig besloten enige mannen uit te kiezen en naar u toe te sturen in gezelschap van onze dierbare Barnabas en Paulus, HAN 15:26 mensen die zich geheel en al hebben ingezet voor de naam van onze Heer Jezus Christus. HAN 15:27 Wij hebben dus Judas en Silas afgevaardigd, die ook mondeling hetzelfde zullen overbrengen. HAN 15:28 De heilige Geest en wij hebben namelijk besloten u geen zwaardere last op te leggen dan de onvermijdelijke: HAN 15:29 u te onthouden van spijzen die aan afgoden geofferd zijn, van bloed, van wat verstikt is en van ontucht. Als gij uzelf daarvoor in acht neemt zal het u goed gaan. Vaarwel!' HAN 15:30 Terugkeer van Paulus naar Antiochië. Na afscheid genomen te hebben reisden zij naar Antiochië. Daar riepen zij de gemeente bijeen en overhandigden de brief. HAN 15:31 Zij lazen hem en waren blij over de troostvolle inhoud. HAN 15:32 Judas en Silas, die zelf ook profeten waren, sterkten de broeders met vele bemoedigende woorden. HAN 15:33 Na enige tijd daar te hebben doorgebracht namen zij in vrede afscheid van de broeders en keerden terug naar die hen gezonden hadden. HAN 15:34 Paulus en Barnabas bleven in Antiochië HAN 15:35 en met nog vele anderen gaven zij daar onderricht en verkondigden het woord des Heren. HAN 15:36 Na enige dagen zei Paulus tot Barnabas: 'Laten we nog eens de broeders gaan bezoeken in alle steden waar we het woord des Heren verkondigd hebben, om te zien hoe het hun gaat. HAN 15:37 Nu wilde Barnabas ook Johannes, bijgenaamd Marcus, meenemen, HAN 15:38 maar Paulus vond het beter iemand die hen in Pamfylië in de steek had gelaten en zich niet met hen aan het werk gewijd had, niet meer mee te nemen. HAN 15:39 Het meningsverschil liep zo hoog, dat ze uit elkaar gingen en Barnabas samen met Marcus scheepging naar Cyprus. HAN 15:40 Door Syrië en Cilicië. Paulus daarentegen liet zijn keus vallen op Silas en vertrok, door de broeders aan de genade van de Heer aanbevolen. HAN 15:41 Hij reisde Syrië en Cilicië door en sterkte de gemeenten. HAN 16:1 In Derbe en Lystra. Vervolgens bezocht hij Derbe en Lystra. Er was daar een leerling, Timoteüs genaamd, de zoon van een gelovig geworden joodse vrouw, maar van een Griekse vader. HAN 16:2 Omdat hij een goede naam had bij de broeders van Lystra en Ikonium, HAN 16:3 wenste Paulus hem als reisgezel. Omwille van de Joden die in die streek woonden, liet hij hem besnijden, want iedereen wist dat zijn vader een Griek was. HAN 16:4 In de steden waar zij doorkwamen, kondigden zij voor de gelovigen de besluiten af, die genomen waren door de apostelen en oudsten in Jeruzalem. HAN 16:5 Zo werden de gemeenten versterkt in het geloof en ze namen met de dag in omvang toe. HAN 16:6 Naar Macedonië. Daarna trokken ze door Frygië en de landstreek Galatië, omdat zij door de heilige Geest ervan weerhouden waren het woord te verkondigen in Asia. HAN 16:7 In Mysië gekomen maakten zij aanstalten om naar Bitynië te reizen, maar de Geest van Jezus stond hun dit niet toe. HAN 16:8 Zij trokken dus door Mysië en gingen naar Troas. HAN 16:9 Daar had Paulus 's nachts een visioen; er stond een Macedoniër voor hem die hem smeekte: 'Steek over naar Macedonië en kom ons te hulp.' HAN 16:10 Na zijn visioen zochten wij onmiddellijk een gelegenheid om naar Macedonië te vertrekken, want we maakten er uit op, dat God ons geroepen had om hun het Evangelie te verkondigen. HAN 16:11 Te Filippi. Wij voeren dus af van Troas en koersten eerst naar Samotrake, de volgende dag naar Neapolis HAN 16:12 en vandaar naar Filippi, een stad in het eerste district van Macedonië en een kolonie. In die stad bleven we enkele dagen. HAN 16:13 Op de sabbat begaven we ons buiten de poort naar de rivieroever, waar we dachten dat een bedehuis was. Wij zetten ons neer en spraken de vrouwen toe, die er bijeengekomen waren. HAN 16:14 Ook een zekere Lydia uit de stad Tyatira, die purperen stoffen verkocht zij was een godvrezende , hoorde toe en de Heer maakte haar hart ontvankelijk voor wat door Paulus gezegd werd. HAN 16:15 Nadat zij en haar huisgenoten gedoopt waren, nodigde ze ons uit en zei: 'Als ge van oordeel zijt dat ik werkelijk in de Heer geloof, komt dan in mijn huis en neemt daar uw intrek.' En zij drong er bij ons sterk op aan. HAN 16:16 Toen we eens onderweg waren naar het bedehuis, kwam ons een slavin tegemoet, die een waarzeggende geest had en met haar waarzeggerij haar meesters veel opbracht. HAN 16:17 Ze kwam Paulus en ons achterna en riep luidkeels: 'Deze mensen zijn dienaren van de allerhoogste God; zij verkondigen u de weg tot redding.' HAN 16:18 Dat deed ze vele dagen achtereen. Toen dit Paulus begon te vervelen, keerde hij zich om en zei tot de geest: 'In de Naam van Jezus Christus gelast ik u uit haar weg te gaan.' Op hetzelfde ogenblik ging hij weg. HAN 16:19 Maar toen haar meesters zagen dat hun hoop op winst vervlogen was, grepen zij Paulus en Silas vast en sleurden hen naar de overheid op de markt. HAN 16:20 Zij brachten hen voor de magistraten en zeiden: 'Deze mannen brengen onze stad in rep en roer. HAN 16:21 Het zijn Joden en zij verkondigen zeden en gebruiken die wij als Romeinen niet mogen overnemen of volgen.' HAN 16:22 Ook het volk liep tegen hen te hoop, waarop de magistraten bevel gaven hun de kleren van het lijf te rukken en hen met roeden te geselen. HAN 16:23 Nadat men hun een flink aantal slagen had toegediend, wierp men hen in de gevangenis en gaf opdracht aan de gevangenbewaarder ze streng te bewaken. HAN 16:24 Op dit nadrukkelijk bevel zette deze hen in de binnenste kerker en sloot hun voeten in het blok. HAN 16:25 Rond middernacht waren Paulus en Silas in gebed en zongen Gods lof, terwijl de gevangenen naar hen luisteren. HAN 16:26 Plotseling kwam er een zo hevige schok, dat de gevangenis beefde op haar fundamenten. Meteen vlogen alle deuren open en sprongen de boeien van alle gevangenen los. HAN 16:27 De gevangenbewaarder schrok wakker, en toen hij zag dat de deuren van de gevangenis open stonden, trok hij zijn zwaard en wilde zelfmoord plegen, omdat hij dacht dat de gevangenen ontsnapt waren. HAN 16:28 Maar Paulus riep met luider stem: 'Doe uzelf geen kwaad, we zijn allen nog hier.' HAN 16:29 De man vroeg nu om licht, snelde naar binnen en viel sidderend Paulus en Silas te voet. HAN 16:30 Hij leidde hen naar buiten en zei: 'Heren, wat moet ik doen om goed te worden?' HAN 16:31 Zij antwoordden: 'Geloof in de Heer Jezus, dan zult gij en uw huis gered worden.' HAN 16:32 Daarop verkondigden zij het woord des Heren aan hem en al zijn huisgenoten. HAN 16:33 Nog in dit nachtelijk uur nam hij hen mee en waste hun wonden. Terstond daarna werd hij met al de zijnen gedoopt. HAN 16:34 Hij bracht ze naar zijn woning en zette hun een maaltijd voor, verheugd omdat hij met heel zijn gezin nu in God geloofde. HAN 16:35 Na het aanbreken van de dag stuurden de magistraten de lictoren met het bevel: 'Stel die mensen in vrijheid.' HAN 16:36 De gevangenbewaarder bracht die boodschap aan Paulus over: 'De magistraten hebben laten weten, dat gij vrijgelaten moet worden. Komt dus naar buiten en gaat in vrede heen.' HAN 16:37 Maar Paulus zei: 'Men heeft ons, ofschoon we Romeinse burgers zijn, zonder vorm van proces in het openbaar laten geselen en toen in de gevangenis geworpen en nu willen ze ons heimelijk doen heengaan? Geen denken aan! Laten ze zelf maar komen om ons uitgeleide te doen.' HAN 16:38 De lictoren brachten deze woorden aan de magistraten over. Dezen werden bang toen ze hoorden dat het Romeinse burgers waren. HAN 16:39 Zij kwamen dus zelf, deden hun uitgeleide en verzochten hun met vriendelijke woorden de stad te verlaten. HAN 16:40 Uit de gevangenis gekomen gingen ze naar het huis van Lydia. Nadat zij de broeders gezien en bemoedigend toegesproken hadden, verlieten ze de stad. HAN 17:1 In Tessalonica. Over Amfipolis en Apollonia kwamen zij in Tessalonica, waar een synagoge van de Joden was. HAN 17:2 Als naar gewoonte zocht Paulus hen daar op en uitgaande van de Schriften hield hij op drie sabbatdagen een betoog, HAN 17:3 waarin hij uitlegde en bewees, dat de Messias moest sterven en uit de doden opstaan.' Jezus, die ik u verkondig', zo zei hij,' Hij is de Messias.' HAN 17:4 Sommigen van hen lieten zich overtuigen en sloten zich aan bij Paulus en Silas, evenals een talrijke groep uit de godvrezende Grieken en niet weinige aanzienlijke vrouwen. HAN 17:5 Maar de Joden werden afgunstig en met de hulp van een paar vlegels uit het grauw verwekten ze een volksoploop en brachten de stad in rep en roer. Ze drongen op naar het huis van Jason en wilden hen voor de volksvergadering brengen. HAN 17:6 Toen ze hen niet vonden, sleurden ze Jason met enkele broeders naar de stedelijke overheid, terwijl ze schreeuwden: 'Die mensen, die de hele wereld in onrust gebracht hebben, zijn nu ook hier HAN 17:7 en Jason heeft hen in zijn huis opgenomen. Al die mensen handelen in strijd met de decreten van de keizer door te beweren, dat er een andere koning is: Jezus.' HAN 17:8 Zo zweepten zij het volk op en ook de stedelijke overheid die dit hoorde. HAN 17:9 Deze liet Jason en de overigen pas vrij, nadat ze van hen een borgtocht hadden geëist. HAN 17:10 Te Berea. De broeders deden nog die nacht Paulus en Silas naar Berea vertrekken, waar zij zich na aankomst naar de synagoge van de Joden begaven. HAN 17:11 Dezen waren gunstiger gestemd dan die in Tessalonica. Ze luisterden met alle bereidwilligheid naar het woord en bestudeerden dag aan dag de Schriften of het inderdaad zo was. HAN 17:12 Velen van hen kwamen dan ook tot het geloof, evenals talrijke voorname heidense vrouwen en niet weinige mannen. HAN 17:13 Zodra echter de Joden van Tessalonica vernamen, dat het woord Gods door Paulus ook in Berea verkondigd werd, kwamen ze daar eveneens het volk verontrusten en ophitsen. HAN 17:14 Toen deden de broeders Paulus terstond afreizen naar de kust; Silas en Timoteüs bleven achter. HAN 17:15 Paulus' begeleiders brachten hem weg tot Athene en vertrokken met de boodschap voor Silas en Timoteüs om zich zo snel mogelijk weer bij hem te voegen. HAN 17:16 In Athene. Terwijl Paulus in Athene op hen wachtte, werd hij pijnlijk getroffen door de vele afgodsbeelden die hij in de stad zag. HAN 17:17 Hij ging nu disputeren niet alleen in de synagoge met de Joden en de godvrezenden, maar ook dagelijks op de markt met de mensen die daar toevallig waren. HAN 17:18 Ook enige Epicurische en Sto sche wijsgeren kwamen met hem in aanraking. Er waren er die zeiden: 'Wat wil die kletser eigenlijk beweren?' En anderen: 'Hij lijkt een prediker van hogere wezens die hier onbekend zijn.' Dit kwam omdat hij Jezus en de verrijzenis verkondigde. HAN 17:19 Zij klampten hem aan, brachten hem naar de Areopagus en vroegen: 'Mogen we weten wat dit voor een nieuwe leer is, die door u voorgedragen wordt?' HAN 17:20 Gij vertelt dingen die ons vreemd in de oren klinken en we zouden dus graag vernemen wat die betekenen.' HAN 17:21 Want alle Atheners en de vreemdelingen die in hun stad woonden, verdreven het liefst hun tijd met het vertellen en het aanhoren van de laatste nieuwtjes. HAN 17:22 Redevoering van Paulus op de Areopagus. Paulus ging midden op de Areopagus staan en nam het woord.: 'Mannen van Athene, ik zie aan alles hoe diep godsdienstig gij zijt. HAN 17:23 Want toen ik rondliep en bekeek wat gij zoal vereert, ontdekte ik zelfs een altaar met het opschrift: Aan een onbekende god. Welnu, wat gij vereert zonder het te kennen, dat kom ik u verkondigen. HAN 17:24 De God die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is. Hij die de Heer is van hemel en aarde, woont niet in door handen gemaakte tempels. HAN 17:25 Ook wordt Hij niet door mensenhanden verzorgd, alsof Hij iemand nodig heeft, want Zelf geeft Hij aan ieder leven en adem, ja alles. HAN 17:26 Heel het mensengeslacht deed Hij uit een ontstaan, om de gehele oppervlakte van de aarde te bewonen, waarbij Hij de seizoenen vaststelde, en de grenzen van hun woongebied, HAN 17:27 opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem misschien al tastende zouden vinden; Hij is immers niet ver van ieder van ons. HAN 17:28 Want door Hem hebben wij het leven, het bewegen en het zijn; zoals sommige van uw eigen dichters hebben gezegd: Want wij zijn van zijn geslacht. HAN 17:29 Als wij dus tot Gods geslacht behoren, moet en we niet menen dat het goddelijke gelijken zou op goud of zilver of steen, op een voortbrengsel van menselijke kunde en vernuft. HAN 17:30 Zonder acht te slaan op die tijden van onwetendheid laat God thans aan de mensen de boodschap brengen, dat zij zich allen en overal moeten bekeren. HAN 17:31 Hij heeft immers een dag vastgesteld, waarop Hij de wereld naar rechtvaardigheid gaat oordelen door een man die Hij daartoe heeft bestemd. Aan allen gaf Hij het bewijs daarvan door Hem uit de doden te doen opstaan.' HAN 17:32 Maar toen zij van de opstanding der doden hoorden, spotten sommigen daarmee, terwijl anderen zeiden: 'Daarover zullen wij u bij gelegenheid nog wel eens horen.' HAN 17:33 Zo ging Paulus van hen weg. HAN 17:34 Toch sloten sommigen zich bij hem aan en kwamen tot het geloof, onder wie Dionysius en Areopagiet en een vrouw die Damaris heette, en nog anderen. HAN 18:1 Te Korinte. Hierna vertrok Paulus uit Athene en kwam in Korinte. HAN 18:2 Daar trof hij een Jood aan, een zekere Aquila, die in Pontus geboren was en met zijn vrouw Priscilla uit Italië was gekomen. Claudius had namelijk verordend, dat alle Joden Rome moesten verlaten. Paulus bezocht hen aan huis, HAN 18:3 en omdat zij hetzelfde vak uitoefenden zij waren van beroep tentenmakers bleef hij bij hen wonen en was er werkzaam. HAN 18:4 Iedere sabbat disputeerde hij in de synagoge en trachtte Joden en Grieken te overtuigen. HAN 18:5 Toen Silas en Timoteüs uit Macedonië waren aangekomen, wijdde Paulus zich voortaan geheel aan de prediking en legde voor de Joden getuigenis af, dat Jezus de Messias was. HAN 18:6 Maar toen dezen zich smalend bleven verzetten, schudde hij het stof van zijn kleren en voegde hun toe: 'Uw bloed kome neer op uw eigen hoofd. Ik ga vrijuit en wend mij van nu af aan tot de heidenen.' HAN 18:7 Hij trok daar weg en ging naar het huis van een zekere Titius Justus, een godvrezende, die naast de synagoge woonde. HAN 18:8 Crispus, de overste van de synagoge, nam met heel zijn huis het geloof in de Heer aan, en ook vele Korintiërs die naar hem luisterden, geloofden en lieten zich dopen. HAN 18:9 Eens sprak de Heer in een nachtelijk visioen tot Paulus: 'Wees niet bevreesd, maar spreek, en zwijg niet. HAN 18:10 Ik ben met u en niemand zal u aanraken om u kwaad te doen, want in deze stad behoren veel mensen Mij toe.' HAN 18:11 Anderhalf jaar bleef hij daar wonen, terwijl hij bij hen het woord Gods onderwees. HAN 18:12 Onder het proconsulaat echter van Gallio in Achaia keerden de Joden zich als een man tegen Paulus en brachten hem voor de rechtbank. HAN 18:13 Zij verklaarden: 'Deze man tracht de mensen over te halen tot onwettige godsverering.' HAN 18:14 Paulus wilde juist iets zeggen, toen Gallio de Joden antwoordde: 'Als het ging over een of ander onrecht of ernstig misdrijf, Joden, zou ik u vanzelfsprekend geduldig aanhoren. HAN 18:15 Maar zijn het twisten over een woord, over namen en over die Wet van u, dan moet gij zelf maar zien. Daarover wil ik geen rechter zijn.' HAN 18:16 Hij joeg ze van zijn rechterstoel weg. HAN 18:17 Nu wierpen allen zich op Sostenes, de overste van de synagoge, en gaven hem voor de rechterstoel een pak slaag. Gallio trok er zich niets van aan. HAN 18:18 Paulus bleef daar nog vele dagen, nam toen afscheid van de broeders en ging in gezelschap van Priscilla en Aquila scheep naar Syrië. Eerst had hij in Kenchreeën zijn hoofdhaar laten afknippen, want hij stond onder gelofte. HAN 18:19 Zij kwamen te Efeze en daar verliet hij hen. Zelf ging hij naar de synagoge om er te disputeren met de Joden. HAN 18:20 Toen zij hem vroegen wat langer te blijven, ging hij daar niet op in, HAN 18:21 maar bij het afscheid zei hij: 'Als God het wil, kom ik nog eens bij u terug.' Hij voer weg van Efeze HAN 18:22 en kwam in Caesarea, ging naar de stad, begroette de gemeente en begaf zich op weg naar Antiochië. HAN 18:23 Apollos te Éfeze en Korinte. Hij verbleef daar enige tijd, vertrok toen weer en maakte een rondreis achtereenvolgens door de landstreek Galatië en door Frygië om er alle leerlingen te sterken. HAN 18:24 Intussen was in Efeze een Jood aangekomen, Apollos, een Alexandrijn van afkomst en een welsprekend man, die doorkneed was in de Schriften. HAN 18:25 Hij had onderricht ontvangen in de weg des Heren, sprak vol geestdrift en gaf in bijzonderheden onderricht over alles wat Jezus betrof, hoewel hij alleen het doopsel van Johannes kende. HAN 18:26 Ook begon hij vrijmoedig in de synagoge op te treden. Nadat Priscilla en Aquila hem gehoord hadden, namen ze hem mee en legden hem de weg van God nauwkeuriger uit. HAN 18:27 Toen hij wilde doorreizen naar Achaia, zonden de broeders aan de leerlingen een brief met het verzoek hem goed te ontvangen. Daar aangekomen was hij door zijn genadegave van veel nut voor de gelovigen, HAN 18:28 want krachtig weerlegde hij in het openbaar de Joden door aan de hand van de Schriften te bewijzen, dat Jezus de Messias was. HAN 19:1 Paulus in Éfeze. Terwijl Apollos in Korinte was, kwam Paulus na zijn reis door het binnenland in Efeze. Daar ontmoette hij enige leerlingen, HAN 19:2 aan wie hij vroeg: 'Hebt gij de heilige Geest ontvangen toen ge het geloof hebt aangenomen?' Zij antwoordden: 'Wij hebben niet eens gehoord dat er een heilige Geest bestaat.' HAN 19:3 Toen zei hij: 'Hoe zijt ge dan gedoopt?' Ze antwoordden: 'Met het doopsel van Johannes.' HAN 19:4 Paulus hernam: 'Johannes diende een doopsel toe ten teken van bekering, maar zei aan het volk, dat ze moesten geloven in Wie na hem kwam, dat is Jezus.' HAN 19:5 Toen zij dit gehoord hadden, lieten zij zich dopen in de naam van de Heer Jezus. HAN 19:6 Nadat Paulus hun de handen had opgelegd, kwam de heilige Geest over hen; ze spraken in talen en profeteerden. HAN 19:7 Bij elkaar waren het een man of twaalf. HAN 19:8 Hij ging naar de synagoge, waar hij gedurende drie maanden vrijmoedig optrad en hen door zijn uiteenzettingen over het Koninkrijk Gods trachtte te overtuigen. HAN 19:9 Daar sommigen hardnekkig weigerden te geloven en ten overstaan van het volk de Weg belasterden, brak hij met hen en scheidde zich met zijn leerlingen af. Voortaan hield hij dagelijks zijn toespraken in de school van een zekere Tyrannus. HAN 19:10 Dit duurde twee jaar, zodat alle bewoners van Asia, Joden en Grieken, het woord des Heren hoorden. HAN 19:11 God deed door Paulus ook buitengewone wonderen HAN 19:12 en men nam zelfs de hoofddoeken en het lijfgoed dat hij gedragen had mee naar de zieken, waardoor de kwalen van hen werden weggenomen en de boze geesten hen verlieten. HAN 19:13 Ook een paar rondtrekkende joodse duivelbezweerders probeerden over hen die door boze geesten bezeten waren, de naam van de Heer Jezus uit te spreken door te zeggen: 'Ik bezweer u bij de Jezus, die Paulus predikt.' HAN 19:14 Het waren de zeven zonen van een zekere Skevas, een joodse hogepriester, die dit deden. HAN 19:15 Maar de boze geest gaf hun ten antwoord: 'Jezus ken ik, wie Paulus is weet ik ook; maar gij, wie zijt gij?' HAN 19:16 Toen sprong de man waarin de boze geest huisde, op hen toe, overweldigde hen allen en zijn kracht was zo groot, dat ze naakt en overdekt met wonden uit dat huis moesten wegvluchten. HAN 19:17 Dit werd bekend aan alle Joden en Grieken die in Efeze woonden; vrees overviel hen allen en de naam van de Heer Jezus werd hoog geprezen. HAN 19:18 Ook velen van de gelovigen kwamen openlijk hun toverpraktijken belijden. HAN 19:19 Verscheidenen die zich hadden afgegeven met toverij, brachten hun boeken bijeen en verbrandden ze voor aller ogen. Men berekende de waarde ervan en kwam tot een bedrag van vijftigduizend zilverstukken. HAN 19:20 Zo nam het woord des Heren onweerstaanbaar toe in kracht. HAN 19:21 Na al deze gebeurtenissen vatte Paulus het plan op om over Macedonië en Achaia naar Jeruzalem te reizen.' Wanneer ik daar geweest ben' zei hij,' moet ik ook Rome bezoeken.' HAN 19:22 Hij zond twee van zijn medehelpers, Timoteüs en Erastus, vooruit naar Macedonië en bleef zelf nog een tijd in Asia. HAN 19:23 In die tijd werd de Weg aanleiding tot grote opschudding. HAN 19:24 Een zekere Demetrius namelijk, een zilversmid die zilveren Artemistempeltjes maakte, verschafte daarmee aan de vaklui ruime verdiensten. HAN 19:25 Hij riep dezen en al wie verder in dat bedrijf werkzaam waren, bijeen en zei: 'Mannen, gij weet dat onze welvaart van dit bedrijf afhangt, HAN 19:26 maar gij ziet en hoort, dat die Paulus niet alleen in Efeze, maar in bijna heel Asia veel mensen heeft weten om te praten door te zeggen: Goden die door mensenhanden gemaakt worden, zijn geen goden. HAN 19:27 Daardoor dreigt niet alleen het gevaar, dat ons bedrijf gaat verlopen, maar ook de tempel van de grote godin Artemis alle achting verliest en zij door heel Asia, ja door heel de wereld vereerd wordt, van haar grootheid wordt beroofd.' HAN 19:28 Toen zij dit hoorden, werden zij woedend en schreeuwden: 'Groot is de Artemis van de Efeziërs!' HAN 19:29 Heel de stad kwam in beroering en ze stormden als een man naar het theater, waarbij ze de Macedoniërs Gajus en Aristarchus, Paulus' reisgezellen, meesleurden. HAN 19:30 Toen Paulus zich naar de volksvergadering wilde begeven, lieten de leerlingen hem niet gaan. HAN 19:31 Ook enige Asiarchen die met hem bevriend waren, zonden hem een waarschuwing zich niet in het theater te wagen. HAN 19:32 Ondertussen verkeerde de vergadering in volslagen wanorde. Allen stonden door elkaar te schreeuwen, want de meesten wisten niet eens waarom ze bijeengekomen waren. HAN 19:33 Maar sommige Joden uit de menigte vertelden Alexander wat er gaande was en duwden hem naar voren. Alexander gaf met de hand een teken, dat hij voor het volk een pleidooi wilde houden. HAN 19:34 Maar toen ze merkten dat het een Jood was, steeg uit aller mond een kreet op en ze schreeuwden bijna twee uur lang: 'Groot is de Artemis van de Efeziërs!' HAN 19:35 De stadsschrijver bracht het volk tot bedaren en zei toen: 'Mannen van Efeze, wie ter wereld weet niet dat de stad Efeze de behoedster is van de tempel van de grote Artemis en van haar uit de hemel gevallen beeld? HAN 19:36 Omdat dit niet te bestrijden valt, moet ge u rustig houden en niets voorbarigs ondernemen. HAN 19:37 Ge hebt deze mannen hier gebracht, ofschoon ze geen tempelschenners zijn en evenmin onze godin gelasterd hebben. HAN 19:38 Als Demetrius en zijn vakgenoten dus een aanklacht tegen iemand hebben, welnu: er worden rechtzittingen gehouden en er zijn proconsuls; laten beide partijen daar hun aanklacht indienen. HAN 19:39 Gaat uw eis nog verder, dan zal daarover in de wettige volksvergadering worden beslist. HAN 19:40 Wij lopen toch al gevaar van oproer beschuldigd te worden wegens die oploop van vandaag, waarvoor geen enkele reden bestond en die wij niet kunnen verantwoorden.' Na deze woorden ontbond hij de volksvergadering. HAN 20:1 In Macedonië en Achaïa. Toen de opschudding voorbij was, ontbood Paulus de leerlingen en sprak een opwekkend woord. Daarna nam hij afscheid en ging op reis naar Macedonië. HAN 20:2 Hij trok die streek door, hield er vele bemoedigende toespraken tot de gelovigen en kwam zo in Griekenland. HAN 20:3 Toen hij na een verblijf van drie maanden op het punt stond vandaar scheep te gaan naar Syrië, werd er door de Joden een aanslag op hem beraamd en daarom besloot hij over Macedonië terug te keren. HAN 20:4 Tot Asia vergezelden hem Pyrrus' zoon Sopater uit Berea, Aristarchus en Secundus uit Tessalonica, Gajus uit Derbe, Timoteüs en bovendien Tychicus en Trofimus uit Asia. HAN 20:5 Dezen reisden vooruit en bleven in Troas op ons wachten. HAN 20:6 Zelf zeilden wij na de dagen van de ongedesemde broden weg uit Filippi en binnen vijf dagen voegden wij ons bij hen in Troas, waar we zeven dagen bleven. HAN 20:7 Te Troas. Toen we op de eerste dag der week bijeengekomen waren voor het breken van het brood, voerde Paulus, die van plan was de volgende dag te vertrekken, tot diep in de nacht tot hen het woord. HAN 20:8 Er brandden talrijke lampen in de bovenzaal waar wij vergaderd waren. HAN 20:9 Een jonge man, Eutychus, zat in het venster en werd tijdens Paulus' langdurige toespraak door een onweerstaanbare slaap bevangen. Overmand door de slaap stortte hij van de derde verdieping naar beneden en werd dood opgenomen. HAN 20:10 Maar Paulus kwam naar beneden, strekte zich over hem uit, sloeg zijn armen om hem heen en zei: 'Weest niet ongerust, want er is leven in hem.' HAN 20:11 Hij ging weer naar boven, brak het brood, at ervan en na nog geruime tijd het woord gevoerd te hebben ging hij heen. HAN 20:12 De jongen bracht men levend binnen, waardoor ze niet weinig getroost werden. HAN 20:13 Wij echter waren al eerder scheep gegaan en naar Assus afgezeild, waar we Paulus aan boord zouden nemen; want zo was zijn plan omdat hijzelf te voet wilde gaan. HAN 20:14 Zodra hij zich in Assus bij ons gevoegd had, namen we hem aan boord en gingen naar Mitylene. HAN 20:15 We zeilden vandaar weer weg en bevonden ons de volgende dag ter hoogte van Chios. Daags daarna hielden we aan op Samos en nog een dag later bereikten we Milete. HAN 20:16 Want Paulus had besloten Efeze voorbij te varen om geen tijd in Asia te verliezen. Hij haastte zich namelijk om zo mogelijk met Pinksteren in Jeruzalem te zijn. HAN 20:17 Afscheidsrede van Paulus te Milete. Van Milete uit zond hij een bode naar Efeze om de oudsten van die Kerk te ontbieden. HAN 20:18 Toen zij bij hem aangekomen waren, sprak hij hen aldus toe: 'Gij weet hoe ik vanaf de eerste dag dat ik in Asia kwam, al die tijd onder u heb geleefd; HAN 20:19 hoe ik de Heer in alle nederigheid heb gediend, onder tranen en in beproevingen die mij overkwamen door de aanslagen der Joden; HAN 20:20 hoe ik niets wat nuttig kon zijn heb nagelaten u te verkondigen en te leren in het openbaar en bij u thuis, HAN 20:21 terwijl ik Joden en Grieken bezwoer zich te bekeren tot God en te geloven in onze Heer Jezus. HAN 20:22 En nu bevind ik mij, gebonden door de Geest als ik ben, op weg naar Jeruzalem, zonder dat ik weet wat mij daar zal overkomen; HAN 20:23 alleen verzekert mij de heilige Geest van stad tot stad, dat boeien en kwellingen mij wachten. HAN 20:24 Maar aan mijn leven hecht ik voor mijzelf niet de minste waarde, als ik mijn loopbaan maar ten einde breng en de taak die ik van de Heer Jezus ontvangen heb om getuigenis af te leggen van het Evangelie van Gods genade. HAN 20:25 En nu weet ik, dat gij mijn gelaat niet meer zult zien, gij allen bij wie ik rondgegaan ben om het Koninkrijk te prediken. HAN 20:26 Daarom verzeker ik u op de dag van heden, dat ik onschuldig ben aan het bloed van wie ook, HAN 20:27 want ik heb niet nagelaten om u Gods raadsbesluit in zijn volle omvang te verkondigen. HAN 20:28 Geeft acht op uzelf en op heel de kudde, waarover de heilige Geest u tot leiders heeft aangesteld om Gods Kerk te hoeden, die Hij zich verwierf door het bloed van zijn eigen Zoon. HAN 20:29 Ik weet dat er na mijn vertrek grimmige wolven bij u zullen binnendringen, die de kudde niet zullen sparen, HAN 20:30 en dat ook uit uw eigen midden mannen zullen opstaan, die verkeerde dingen zullen verkondigen om de leerlingen mee te krijgen. HAN 20:31 Weest daarom waakzaam en vergeet niet, dat ik onophoudelijk drie jaar lang dag en nacht ieder van u onder tranen het goede heb voorgehouden. HAN 20:32 En thans vertrouw ik u toe aan God en aan het woord van zijn genade, dat de macht bezit op te bouwen en u het erfdeel te verlenen met alle geheiligden. HAN 20:33 Zilver, goud of kleding heb ik van niemand verlangd. HAN 20:34 Gij weet zelf, dat deze handen voorzien hebben in mijn eigen behoeften en in die van mijn gezellen. HAN 20:35 In alles heb ik u getoond, dat men door zo te arbeiden de zwakken te hulp moet komen en dat gij de woorden van de Heer Jezus indachtig moet zijn. Hij heeft immers gezegd: Het is zaliger te geven dan te ontvangen.' HAN 20:36 Na deze woorden knielden hij met allen neer en bad. HAN 20:37 Allen begonnen luid te wenen, vielen Paulus om de hals en kusten hem, HAN 20:38 vooral bedroefd omdat hij gezegd had, dat ze hem niet meer zouden terugzien. Daarna deden ze hem uitgeleide naar het schip. HAN 21:1 Terugreis naar Jeruzalem. Nadat wij ons van hen hadden losgerukt en waren weggevaren, koersten we rechtstreeks naar Kos, de volgende dag naar Rodos en vandaar naar Patara. HAN 21:2 Nadat we hier een schip gevonden hadden dat zou oversteken naar Fenicië, gingen we aan boord en kozen zee. HAN 21:3 We kregen Cyprus in zicht, maar lieten het links liggen, voeren door naar Syrië en liepen de haven van Tyrus binnen, want daar moest het schip zijn lading lossen. HAN 21:4 We zochten de leerlingen op en bleven daar zeven dagen. Door de Geest gedreven waarschuwden zij Paulus niet naar Jeruzalem scheep te gaan. HAN 21:5 Maar toen onze dagen verstreken waren, reisden wij verder, terwijl allen met vrouwen en kinderen, ons wegbrachten tot buiten de stad. Op het strand knielden wij neer, baden HAN 21:6 en namen afscheid van elkaar. Toen wij aan boord gegaan waren, keerden zij naar huis terug. HAN 21:7 Na Tyrus legden wij het laatste stuk van onze zeereis af en liepen Ptolema s binnen. Wij gingen daar de broeders begroeten en bleven een dag bij hen. HAN 21:8 's Anderendaags verlieten we de stad en kwamen in Caesarea aan. Hier gingen we naar het huis van de evangelist Filippus, een van de zeven en namen bij hem onze intrek. HAN 21:9 Hij had vier ongehuwde dochters, die de gave van profetie bezaten. HAN 21:10 Tijdens ons verblijf aldaar, dat verscheidene dagen duurde, kwam er een profeet uit Judea, een zekere Agabus. HAN 21:11 Hij trad op ons toe, pakte de gordel van Paulus, bond zich daarmee de handen en voeten en sprak: 'Dit zegt de heilige Geest: Zo zullen de Joden in Jeruzalem de man aan wie deze toebehoort, binden en overleveren in de handen der heidenen.' HAN 21:12 Toen we dit hoorden, verzochten wij en ook de gelovigen die daar woonden hem dringend niet naar Jeruzalem te gaan. HAN 21:13 Daarop antwoordde Paulus: 'Waarom tracht ge met uw tranen mijn hart te vermurwen? Ik ben immers bereid mij te Jeruzalem niet allen te laten boeien, maar er zelfs te sterven voor de naam van de Heer Jezus.' HAN 21:14 Daar hij zich niet liet overreden, berustten we er in en zeiden: 'De wil des Heren geschiede.' HAN 21:15 Toen de dagen van ons verblijf verstreken waren, maakten wij ons reisvaardig en gingen naar Jeruzalem. HAN 21:16 Ook enkele leerlingen van Caesarea trokken met ons mee en brachten ons bij een zekere Mnason uit Cyprus, een leerling uit de eerste tijd, bij wie wij te gast zouden zijn. HAN 21:17 Te Jeruzalem. Toen wij in Jeruzalem aankwamen, ontvingen de broeders ons met vreugde. HAN 21:18 De volgende dag ging Paulus met ons naar Jakobus, bij wie ook alle oudsten samengekomen waren. HAN 21:19 Hij begroette hen en verhaalde in bijzonderheden wat God door zijn dienstwerk onder de heidenen had tot stand gebracht. HAN 21:20 Toen zij dat vernamen, verheerlijkten zij God, maar ook zeiden ze tot hem: 'Gij ziet, broeders, hoe geweldig groot het getal is van de Joden die gelovig zijn geworden en allen zijn ijveraars voor de Wet. HAN 21:21 Nu heeft men over u horen zeggen, dat gij aan alle Joden die onder de heidenen leven afval van Mozes leert door te verklaren, dat ze hun kinderen niet moeten besnijden en niet moeten leven volgens de gebruiken. HAN 21:22 Wat nu te doen? In ieder geval zal men horen, dat ge hier aangekomen zijt. HAN 21:23 Doe daarom wat wij u zeggen. Wij hebben hier vier mannen die onder gelofte staan; HAN 21:24 neem dezen mee, laat u met hen reinigen en betaal voor hen de kosten om zich het hoofd te laten scheren. Dan zullen allen inzien, dat er niets waar is van wat ze over u hebben horen vertellen, maar dat gij ook zelf trouw de Wet blijft onderhouden. HAN 21:25 Wat echter de gelovig geworden heidenen aangaat: hen hebben wij schriftelijk van onze beslissing op de hoogte gebracht, dat zij zich moeten onthouden van spijzen die aan afgoden geofferd zijn, van bloed, van wat verstikt is en van ontucht. HAN 21:26 Toen nam Paulus de volgende dag die mannen met zich mee, liet zich met hen reinigen, ging de tempel binnen en kondigde het tijdstip aan, waarop de reinigingstijd voltooid zou zijn, namelijk wanneer voor ieder van hen het offer gebracht zou zijn. HAN 21:27 Gevangenneming van Paulus. Toen de zeven dagen bijna om waren, zagen de Joden uit Asia hem in de tempel. Zij ruiden heel de menigte op en maakten zich van hem meester, HAN 21:28 terwijl ze schreeuwden: 'Israëlieten te hulp! Dit is die man, die overal en voor allen een leer verkondigt die gericht is tegen het volk, tegen de Wet en tegen deze plaats en die nu zelfs heidenen in de tempel heeft gebracht en daardoor deze heilige plaats heeft ontwijd.' HAN 21:29 Zij hadden namelijk tevoren in de stad Trofimus uit Efeze in zijn gezelschap gezien en dachten dat Paulus hem in de tempel had gebracht. HAN 21:30 Heel de stad raakte in opschudding en er ontstond een volksoploop. Ze grepen Paulus vast, sleurden hem de tempel uit en onmiddellijk werden de poorten daarvan gesloten. HAN 21:31 Terwijl ze hem trachten te doden, werd de bevelhebber van de kohort gemeld, dat heel Jeruzalem in rep en roer was. HAN 21:32 Hij snelde terstond met soldaten en officieren op hen af. Bij het zien van de bevelhebber en de soldaten hielden ze op Paulus te slaan. HAN 21:33 De bevelhebber kwam naderbij, nam hem gevangen en gaf order hem met twee ketenen te boeien. Vervolgens vroeg hij, wie dat was en wat hij gedaan had. HAN 21:34 Maar het volk schreeuwde van alles door elkaar. Door het tumult kon hij de juiste toedracht niet achterhalen en daarom gaf hij bevel hem naar de kazerne te brengen. HAN 21:35 Toen Paulus bij de trappen gekomen was, moest hij vanwege het opdringende volk door de soldaten gedragen worden. HAN 21:36 Want de mensenmassa liep mee, luid schreeuwend: 'Weg met hem!' HAN 21:37 Op het punt de kazerne binnengebracht te worden zei Paulus tot de bevelhebber: 'Mag ik u misschien iets zeggen?' Hij antwoordde: 'Kent ge Grieks?' HAN 21:38 Ge zijt dus niet de Egyptenaar, die een tijd geleden oproer gewekt heeft en met vierduizend Sicariërs de woestijn is ingetrokken?' HAN 21:39 Maar Paulus zei: 'Ik ben een Jood uit Tarsus in Cilicië, burger van een niet onaanzienlijke stad. En ik verzoek u: Sta mij toe het woord tot het volk te richten.' HAN 21:40 Nadat hem dit toegestaan was, ging Paulus op de trappen staan en gaf met de hand een teken aan het volk. Er viel een diepe stilte en hij sprak hen als volgt in het Hebreeuws toe: HAN 22:1 Redevoering tot het volk. 'Mannen, broeders en vaders, luistert naar wat ik u thans tot mijn verdediging ga zeggen.' HAN 22:2 Toen ze hoorden, dat hij hun in het Hebreeuws toesprak, werden ze nog stiller. En hij zeide: HAN 22:3 'Ik ben een Jood, geboren te Tarsus in Cilicië, maar hier in deze stad grootgebracht en aan de voeten van Gamaliël opgevoed volgens de strenge opvoeding van de voorvaderlijke Wet. Ik was een ijveraar voor God, zoals gij allen heden zijt, HAN 22:4 en heb deze Weg vervolgd ten dode toe, mannen en vrouwen in boeien geslagen en in de gevangenis geworpen, HAN 22:5 zoals trouwens de hogepriester en de hele raad der oudsten van mij kunnen getuigen. Met brieven van hen trok ik naar de broeders in Damascus om ook de mensen daar geboeid naar Jeruzalem te voeren en te laten bestraffen. HAN 22:6 Maar onderweg, toen ik al dicht bij Damascus was, omstraalde mij rond het middaguur plotseling een fel licht uit de hemel. HAN 22:7 Ik viel ter aarde en hoorde een stem tot mij zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? HAN 22:8 Ik antwoordde: Wie zijt gij, Heer? Hij hernam: Ik ben Jezus van Nazaret die gij vervolgt. HAN 22:9 Mijn metgezellen zagen wel het licht, maar hoorden niet de stem van Hem die mij toesprak. HAN 22:10 Ik zei: Wat moet ik doen, Heer? En de Heer weer tot mij: Sta op en vervolg uw reis naar Damascus; daar zal men u alles zeggen wat gij te doen hebt. HAN 22:11 Omdat ik echter tengevolge van de schittering van het licht niet zien kon, werd ik door mijn gezellen bij de hand geleid en zo kwam ik in Damascus aan. HAN 22:12 Een zekere Ananias, een wetgetrouw man, die te goeder naam en faam bekend staat bij alle joodse ingezetenen, HAN 22:13 kwam mij bezoeken, ging voor mij staan en sprak: Saul, broeder, word weer ziende! Op hetzelfde ogenblik zag ik hem staan. HAN 22:14 Toen zei hij: De God van onze vaderen heeft u voorbestemd om zijn wil te leren kennen, de Rechtvaardige te zien en een stem uit diens mond te horen, HAN 22:15 omdat gij voor Hem bij alle mensen zult moeten getuigen van wat ge gezien en gehoord hebt. HAN 22:16 Wat aarzelt gij dan nog? Sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen onder aanroeping van zijn Naam. HAN 22:17 Na mijn terugkeer in Jeruzalem, toen ik eens in de tempel aan het bidden was, geraakte ik in geestverrukking HAN 22:18 en zag Hem staan, terwijl Hij tot mij sprak: Haast u om uit Jeruzalem te vertrekken, want ze zullen geen getuigenis van u over Mij aannemen. HAN 22:19 Hierop zei ik: Heer, ze weten heel goed, dat ik het was die overal in de synagogen degenen die in U geloofden liet gevangennemen en geselen. HAN 22:20 Ja, toen het bloed van uw getuige Stefanus vergoten werd, stond ik er ook bij, stemde er mee in en nam de kleren van zijn moordenaars in bewaring. HAN 22:21 Maar Hij zei mij: Ga, want Ik zal u zenden, ver weg, naar de heidenen.' HAN 22:22 Tot zover hadden ze naar hem geluisterd, maar toen begonnen ze luid te roepen: 'Sla hem dood, die man! Hij verdient niet langer te leven.' HAN 22:23 Terwijl ze zo krijsten, hun mantels afwierpen en stof in de lucht gooiden, HAN 22:24 gaf de bevelhebber opdracht hem de kazerne binnen te brengen om hem onder het toedienen van geselslagen een verhoor af te nemen teneinde te weten te komen om welke reden ze zo tegen hem raasden. HAN 22:25 Maar toen ze hem hadden uitgestrekt voor de geseling, zei Paulus tot de dienstdoende honderdman: 'Moogt gij een Romein geselen en dat nog wel zonder veroordeling.' HAN 22:26 Toen de honderdman dit hoorde, ging hij naar de bevelhebber en meldde hem dit met de woorden: 'Weet ge wel wat ge gaat beginnen? Die man is een Romein!' HAN 22:27 Daarop kwam de bevelhebber naar hem toe en sprak tot hem: 'Zeg eens, zijt gij Romein?' Hij antwoordde: 'Ja.' HAN 22:28 De bevelhebber hernam: 'Dat burgerrecht heeft mij een kapitaal gekost.' Waarop Paulus zei: 'Maar ik heb het krachtens geboorte.' HAN 22:29 Terstond lieten degenen die op het punt stonden hem te verhoren hem met rust. Ook de bevelhebber werd bang nu hij wist dat het een Romein was die hij had laten boeien. HAN 22:30 Paulus voor het Sanhedrin. Omdat hij nauwkeurig wilde weten waarvan hij door de Joden beschuldigd werd, liet hij hem daags daarna uit de gevangenis halen en gaf bevel, dat de hogepriesters en heel het Sanhedrin zouden bijeenkomen. Daarna liet hij Paulus erheen brengen en voor hen plaats nemen. HAN 23:1 Paulus liet zijn blik over het Sanhedrin gaan en begon te spreken: 'Mannen broeders, met een volkomen zuiver geweten heb ik tot op de dag van vandaag voor God geleefd.' HAN 23:2 Maar de hogepriester Ananias gaf aan die naast Paulus stonden opdracht hem op de mond te slaan. HAN 23:3 Toen voegde Paulus hem toe: 'God zal u slaan, witgekalkte muur! Gij zit daar om recht over mij te spreken volgens de Wet, en beveelt in strijd met de Wet mij te slaan?' HAN 23:4 De omstanders zeiden: 'Durft gij de hogepriester Gods te beschimpen?' HAN 23:5 Paulus antwoordde: 'Ik wist niet dat hij de hogepriester is, broeders. Want er staat geschreven: De overste van uw volk zult ge niet verwensen.' HAN 23:6 Wetend dat het Sanhedrin ten dele uit Sadduceeën en ten dele uit Farizeeën bestond, riep Paulus, nu in het Sanhedrin uit: 'Mannen broeders, ik ben een Farizeeër en een zoon van Farizeeën. Om de verwachting en de opstanding der doden sta ik terecht.' HAN 23:7 Toen hij dit gezegd had ontstond er twist tussen de Farizeeën en Sadduceeën en de vergadering raakte verdeeld. HAN 23:8 De Sadduceeën houden immers dat er geen opstanding is en dat er geen engelen of geesten bestaan, terwijl de Farizeeën beide aannemen. HAN 23:9 Zo ontstond er groot tumult en enige schriftgeleerden van de partij der Farizeeën verzekerden met grote heftigheid: 'We vinden niets verkeerds in deze man! Als er eens een geest of een engel tot hem gesproken heeft?' HAN 23:10 Daar de onenigheid nog erger werd en de bevelhebber begon te vrezen dat zij Paulus zouden verscheuren, gelastte hij de soldaten naar beneden te komen om hem haastig uit hun midden weg te halen en naar de kazerne te brengen. HAN 23:11 In de volgende nacht stond de Heer voor hem en sprak: 'Houd goede moed; want zoals gij voor mijn zaak getuigd hebt in Jeruzalem, zo zult ge het ook in Rome moeten doen.' HAN 23:12 Toen het dag geworden was, staken de Joden de hoofden bij elkaar en zwoeren een dure eed niet te eten of te drinken totdat ze Paulus hadden gedood. HAN 23:13 Het waren er meer dan veertig die aan deze samenzwering deelnamen. HAN 23:14 Ze gingen naar de hogepriester en oudsten en zeiden: 'We hebben een dure eed gezworen niets meer te gebruiken totdat we Paulus gedood hebben. HAN 23:15 Geeft dus nu aan de bevelhebber en het Sanhedrin te verstaan, dat hij hem bij u moet laten brengen, alsof gij zijn zaak nauwkeuriger wilt onderzoeken. Wij staan dan klaar om hem te doden voordat hij er is.' HAN 23:16 De zoon van Paulus' zuster hoorde van de hinderlaag, ging de kazerne binnen en bracht Paulus op de hoogte. HAN 23:17 Hierop riep Paulus een van de officieren en zei: 'Breng deze jongen naar de bevelhebber, want hij heeft hem iets te melden.' HAN 23:18 Deze nam hem mee, bracht hem naar de bevelhebber met de boodschap: 'De gevangene Paulus riep me bij zich en vroeg mij deze jongen naar u toe te brengen, omdat hij u iets te zeggen heeft.' HAN 23:19 De bevelhebber pakte hem bij de hand, nam hem terzijde en vroeg: 'Wat heb je mij te melden?' HAN 23:20 Hij antwoordde: 'De Joden hebben afgesproken u te vragen morgen Paulus naar het Sanhedrin te brengen, onder voorwendsel hem nauwkeuriger te ondervragen. HAN 23:21 Maar geloof hen niet, want meer dan veertig van hen bereiden hem een hinderlaag en hebben zich onder ede verbonden niet te eten of te drinken, totdat zij hem gedood hebben: en nu staan ze klaar in afwachting van uw toezegging.' HAN 23:22 De bevelhebber liet de jongen heengaan na hem bevolen te hebben aan niemand te vertellen, dat hij hem hiervan in kennis had gesteld. HAN 23:23 Hij ontbood daarop twee officieren en zei: 'Houdt tweehonderd soldaten klaar om naar Caesarea te gaan en ook zeventig ruiters en tweehonderd slingeraars, op het derde uur van de nacht; HAN 23:24 en zorg voor rijdieren om Paulus daarop veilig bij de landvoogd Felix te brengen.' HAN 23:25 Ook schreef hij een brief van de volgende inhoud: HAN 23:26 'Claudius, Lysias aan de hoogedele landvoogd Felix: heil! HAN 23:27 Deze man was door de Joden gegrepen en werd al bijna door hen vermoord, toen ik met mijn troepen ter plaatse kwam en hem ontzette, omdat ik hoorde dat hij een Romein was. HAN 23:28 Daar ik te weten wilde komen, waarvan zij hem beschuldigden, heb ik hem voor hun Sanhedrin gebracht. HAN 23:29 Ik kwam tot de bevinding dat de aanklacht tegen hem over twistpunten van hun Wet ging en dat hem niets ten laste werd gelegd waarop doodstraf of gevangenschap staat. HAN 23:30 Omdat er bij mij aangifte gedaan is, dat er een aanslag op de man gepleegd zal worden, zend ik hem onverwijld naar u toe, en ook zijn aanklagers verwijs ik naar u voor wat zij tegen hem in te brengen hebben Vaarwel! HAN 23:31 Paulus wordt naar Caesarea gebracht. De soldaten haalden dus Paulus volgens ontvangen order op en brachten hem in de nacht naar Antipatris. HAN 23:32 De volgende dag lieten ze de ruiters met hem verder gaan en keerden naar de kazerne terug. HAN 23:33 Toen die in Caesarea waren aangekomen en de brief aan de landvoogd hadden overhandigd, leverden ze ook Paulus aan hem af. HAN 23:34 De landvoogd las de brief en vroeg uit welke provincie hij was. Toen hij vernam dat hij van Cilicië kwam, zei hij: HAN 23:35 'Ik zal u verhoren, zodra uw aanklagers zijn aangekomen.' Hij gaf order hem in het pretorium van Herodes gevangen te houden. HAN 24:1 Paulus voor Felix. Vijf dagen later kwam de hogepriester Ananias met enkele oudsten en de advocaat Tertullus aan en dienden bij de landvoogd hun aanklacht tegen Paulus in. HAN 24:2 Deze werd voorgeroepen en Tertullus begon zijn beschuldiging met de volgende woorden: 'Dat wij door uw toedoen grote vrede genieten en dat door uw vooruitziende blik vele verbeteringen voor dit volk tot stand komen, HAN 24:3 dat erkennen we altijd en overal, hoogedele Felix, met diepe dankbaarheid. HAN 24:4 Maar om u niet te lang op te houden, verzoek ik u met uw gewone welwillendheid naar onze korte uiteenzetting te luisteren. HAN 24:5 Wij hebben namelijk bevonden, dat deze man een pest is en oproer verwekt onder alle Joden in de hele wereld; verder, dat hij een van de kopstukken is van de sekte der Nazoreeën, HAN 24:6 en zelfs getracht heeft de tempel te ontheiligen. We hebben hem dan ook gegrepen. HAN 24:7 Door hem over dit alles te ondervragen HAN 24:8 kunt gij uzelf een oordeel vormen over de juistheid van onze aanklacht.' HAN 24:9 De Joden vielen hem bij en verzekerde, dat het inderdaad zo was. HAN 24:10 Op een wenk van de landvoogd om te spreken nam Paulus het woord: 'Wetend dat gij sinds vele jaren rechter zijt over dit volk, verdedig ik mijn zaak met goed vertrouwen. HAN 24:11 Gij kunt u ervan vergewissen, dat er niet meer dan twaalf dagen verlopen zijn sinds ik naar Jeruzalem opging om te aanbidden. HAN 24:12 Niemand zag mij in de tempel redetwisten of een volksoproer veroorzaken, evenmin in de synagoge of waar dan ook in de stad. HAN 24:13 Ook kunnen ze u geen enkel bewijs leveren van wat zij mij hier ten laste leggen. HAN 24:14 Wel wil ik u dit bekennen, dat ik de God van onze vaderen dien volgens de Weg die zij een sekte noemen, terwijl ik blijf geloven aan alles wat in de Weg en de Profeten geschreven staat. HAN 24:15 Op God heb ik mijn hoop gesteld, zoals ook zij die koesteren, dat er een opstanding zal zijn van rechtvaardigen en onrechtvaardigen. HAN 24:16 En daarom beijver ik mijzelf altijd een zuiver geweten te hebben voor God en de mensen. HAN 24:17 Zo ben ik na vele jaren teruggekomen om aalmoezen voor mijn volk te brengen of offers op te dragen. HAN 24:18 Enkele Joden uit Asia vonden mij na mijn reiniging hiermee bezig in de tempel zonder dat er sprake wat van volksoploop of ongeregeldheden. HAN 24:19 Dezen moesten dus eigenlijk voor u staan en een aanklacht indienen, als ze iets tegen mij zouden hebben. HAN 24:20 Of laten anders deze mannen zelf hier zeggen welke misdaad ze hebben ontdekt toen ik voor het Sanhedrin stond, HAN 24:21 tenzij het gaat om dat ene woord dat ik uitriep toen ik in hun midden stond: Om de opstanding uit de doden sta ik heden voor u terecht.' HAN 24:22 Toen zond Felix, die volkomen op de hoogte was van alles wat de Weg betrof, hen voorlopig heen en zei: 'Wanneer de bevelhebber Lysias hier komt, zal ik een beslissing nemen in uw aangelegenheid.' HAN 24:23 Aan de honderdman gaf hij opdracht hem in arrest te houden, maar hem enige vrijheid te laten en niemand van zijn vrienden te verhinderen hem van dienst te zijn. HAN 24:24 Enige dagen later kwam Felix met zijn vrouw Drusilla, die een jodin was, en ontbood Paulus. Hij luisterde naar zijn uiteenzetting over het geloof in Christus Jezus, HAN 24:25 maar toen Paulus sprak over rechtvaardigheid, zelfbeheersing en het komende oordeel, werd Felix bang en zei: 'Ga nu maar heen; zodra ik tijd heb, zal ik u weer laten roepen.' HAN 24:26 Hij hoopte intussen dat hij geld van Paulus zou krijgen, daarom liet hij hem herhaaldelijk komen en onderhield zich met hem. HAN 24:27 Na verloop van twee jaar werd Felix door Porcius Festus opgevolgd. Omdat hij zich van de dankbaarheid van de Joden wilde verzekeren, liet Felix Paulus is gevangenschap achter. HAN 25:1 Paulus voor Festus. Na aankomst in zijn provincie reisde Festus drie dagen later van Caesarea naar Jeruzalem HAN 25:2 waar de hogepriester en de voornaamsten van de Joden hun aanklacht tegen Paulus bij hem indienden. Zij verzochten hem HAN 25:3 bij wijze van gunst, die ten nadele van Paulus bedoeld was, dat hij hem naar Jeruzalem zou laten komen. Zij beraamden alvast een hinderlaag om hem onderweg te vermoorden. HAN 25:4 Festus antwoordde echter, dat Paulus in Caesarea gevangen bleef, maar dat hij zelf van plan was spoedig te vertrekken. HAN 25:5 'Laten dus de aanzienlijksten onder u,' zo zei hij,' met mij mee gaan, en als er iets verkeerds met die man is, een aanklacht tegen hem indienen.' HAN 25:6 Nadat hij hoogstens acht of tien dagen in hun midden vertoefd had, ging hij naar Caesarea, waar hij de volgende dag rechtszitting hield en Paulus liet voorleiden. HAN 25:7 Zodra deze aanwezig was, gingen de Joden die van Jeruzalem waren gekomen, om hem heen staan en brachten vele en zware beschuldigingen tegen hem in, die ze echter niet konden bewijzen. HAN 25:8 Paulus hield vol, dat hij noch tegen de Joodse Wet noch tegen de tempel noch tegen de keizer iets misdreven had. HAN 25:9 Festus echter, die de Joden een gunst wilde bewijzen, richtte het woord tot Paulus en zei: 'Zijt ge genegen naar Jeruzalem te gaan om daar in deze zaak in mijn tegenwoordigheid terecht te staan?' HAN 25:10 Maar Paulus antwoordde: 'Ik sta hier voor de rechtbank van de keizer en hier moet over mij geoordeeld worden. Tegen de Joden heb ik niets misdreven, zoals ook gij zelf heel goed weet. HAN 25:11 Indien ik werkelijk schuldig ben en iets gedaan heb waar de doodstraf op staat, weiger ik niet te sterven, maar als van hun beschuldigingen niets waar is, dan heeft niemand het recht mij bij wijze van gunst aan hen uit te leveren. Ik beroep mij op de keizer.' HAN 25:12 Na overleg met zijn Raad verklaarde Festus: 'Op de keizer hebt ge u beroepen, naar de keizer zult ge gaan.' HAN 25:13 Enkele dagen later kwamen koning Agrippa en Bernice in Caesarea en maakten hun opwachting bij Festus. HAN 25:14 Tijdens hun verblijf aldaar, dat verscheidene dagen duurde, legde Festus het geval van Paulus aan de koning voor met de woorden: 'Felix heeft hier een gevangene achtergelaten HAN 25:15 tegen wie de hogepriesters en de oudsten van de Joden, toen ik in Jeruzalem was, een aanklacht hebben ingediend, met het verzoek hem te veroordelen. HAN 25:16 Ik heb hun te verstaan gegeven, dat de Romeinen niet gewoon zijn iemand bij wijze van gunst uit te leveren, voordat de beklaagde tegenover zijn beschuldigers heeft gestaan en gelegenheid heeft zich tegen de aanklacht te verdedigen. HAN 25:17 Zij kwamen dus hier heen en zonder uitstel heb ik de volgende dag rechtszitting gehouden en de man laten voorleiden. HAN 25:18 Toen de aanklagers om hem heen stonden, brachten zij geen enkele beschuldiging in van misdaden waar ik op gerekend had. HAN 25:19 Wel hadden zij bepaalde kwesties tegen hem op het gebied van hun eigen godsdienst en over een zekere Jezus die dood is, maar van wie Paulus beweerde, dat Hij leeft. HAN 25:20 Omdat ik met het onderzoek van die dingen geen weg wist, heb ik gevraagd of hij naar Jeruzalem wilde gaan om daar in deze zaak terecht te staan. HAN 25:21 Maar Paulus is in hoge beroep gegaan en wilde daarom tot de uitspraak van Zijne Majesteit in bewaring gehouden worden. Daarom heb ik bevel gegeven hem in hechtenis te houden, totdat ik hem naar de keizer kan zenden.' HAN 25:22 Agrippa zei tot Festus: 'Ik zou zelf die man wel eens willen horen.''Morgen,' antwoordde deze,' zult ge hem horen.' HAN 25:23 De volgende dag verschenen Agrippa en Bernice met grote praal en gingen, begeleid door de bevelhebbers en de aanzienlijkste mannen van de stad, de audiëntiezaal binnen. Festus liet Paulus voorleiden HAN 25:24 en sprak als volgt: 'Koning Agrippa en gij allen hier met ons aanwezig, daar ziet ge nu de man over wie heel het volk van de Joden zich in Jeruzalem en hier tot mij gewend heeft, schreeuwend dat hij niet langer in leven mocht blijven. HAN 25:25 Ik kwam echter tot de bevinding dat hij niets gedaan heeft wat de doodstraf verdiende, maar omdat hij zich op Zijne Majesteit beriep, heb ik besloten hem door te zenden. HAN 25:26 Iets bepaalds kan ik de Heer niet over hem schrijven. Daarom heb ik hem nu voor u doen brengen, in het bijzonder voor u, koning Agrippa, in de hoop na het onderzoek iets te kunnen schrijven. HAN 25:27 Het heeft, dunkt me, geen zin een gevangene door te zenden zonder tevens de beschuldigingen te vermelden die tegen hem zijn ingebracht. HAN 26:1 Redevoering van Paulus tot Agrippa. Nu zei Agrippa tot Paulus: 'Het wordt u toegestaan uzelf te verdedigen.' Toen stak Paulus zijn hand op en sprak het volgende tot zijn verdediging: HAN 26:2 'Ik acht mij gelukkig, koning Agrippa, mij heden in uw tegenwoordigheid te mogen verdedigen tegen alles waarvan ik door de Joden beschuldigd word, HAN 26:3 vooral omdat gij op de hoogte zijt van alle joodse gebruiken en strijdvragen. Daarom vraag ik u mij genadig te aanhoren. HAN 26:4 Welnu, elke Jood kent mijn leven, vanaf mijn jeugd, want dit heeft zich van het begin af aan afgespeeld te midden van mijn volk en in Jeruzalem. HAN 26:5 Zij weten van vroeger, als zij hun getuigenis maar willen geven, dat ik naar de strengste richting van onze godsdienst als Farizeeër geleefd hebt. HAN 26:6 En nu sta ik terecht om de hoop op de belofte die door God aan onze vaderen is gedaan; HAN 26:7 daarvan hopen onze twaalf stammen de vervulling te beleven door nacht en dag ijverig te volharden in de eredienst. Om die hoop, o koning, word ik door de Joden aangeklaagd! HAN 26:8 Wat ongeloofwaardigs wordt er naar uw oordeel in gevonden, dat God doden opwekt? HAN 26:9 Ik voor mij meende dan, dat het mijn plicht was zeer vijandig tegen de naam van Jezus van Nazaret op te treden. HAN 26:10 Dit deed ik ook in Jeruzalem; met machtiging van de hogepriesters wierp ik vele heiligen in de gevangenis en als ze ter dood gebracht werden, had ik ook mijn stem daarvoor uitgebracht. HAN 26:11 In alle synagogen heb ik ze herhaaldelijk door tuchtiging tot godslastering gedwongen, ja, in grote grenzeloze woede heb ik hen zelfs tot in de steden buiten ons land vervolgd. HAN 26:12 Daarvoor reisde ik ook naar Damascus met volmacht en in opdracht van de hogepriesters. HAN 26:13 Het was midden op de dag, o koning, toen ik onderweg een licht uit de hemel mij en mijn reisgezellen zag omstralen, feller dan de schittering van de zon. HAN 26:14 Wij vielen allen ter aarde en ik hoorde een stem in het Hebreeuws tot mij zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt ge Mij? Gij treft uzelf hard door achteruit tegen de prikkel te slaan. HAN 26:15 Ik zei: Wie zijt ge, Heer? De Heer antwoordde: Ik ben Jezus, die gij vervolgt. HAN 26:16 Maar richt u op en sta op uw voeten. Daartoe ben Ik u verschenen, om u aan te stellen tot dienaar en tot getuige van het feit, dat ge Mij gezien hebt en dat Ik u nog verschijnen zal. HAN 26:17 Ik heb u weggenomen uit uw volk en uit de heidenen en tot hen zend ik u HAN 26:18 om hun de ogen te openen, opdat zij zich van de duisternis keren tot het licht en van de macht van satan tot God en opdat zij door in Mij te geloven vergiffenis krijgen van hun zonden en een erfdeel met de geheiligden. HAN 26:19 En vandaar, o koning Agrippa, ben ik nooit ongehoorzaam geweest aan dit hemels visioen, HAN 26:20 maar ik heb eerst aan de mensen in Damascus en Jeruzalem en vervolgens in heel het gebied van Judea en ook aan de heidenen gepredikt, dat zij tot inkeer moesten komen en zich bekeren tot God en daden stellen, die bij de bekering passen. HAN 26:21 Om die reden grepen mij de Joden in de tempel en trachtten mij te vermoorden. HAN 26:22 Met Gods hulp houd ik stand tot op deze dag en leg getuigenis af voor klein en groot. Ik zeg niets anders dan wat ook de profeten en Mozes hebben verklaard dat gebeuren zou, HAN 26:23 namelijk dat de Christus moest sterven en dat Hij als eerste uit de opstanding der doden het licht zou verkondigen aan het volk en aan de heidenen.' HAN 26:24 Terwijl hij zich zo aan het verdedigen was, riep Festus met luider stem uit: 'Ge zijt krankzinnig, Paulus, uw grote geleerdheid brengt uw hoofd op hol.' HAN 26:25 Paulus antwoordde: 'Ik ben niet krankzinnig, hoogedele Festus: nee, ik spreek ware en verstandige taal. HAN 26:26 De koning is ongetwijfeld van deze dingen op de hoogte en tot hem spreek ik dan ook zonder terughouding. Dat iets van deze dingen voor hem verborgen is kunnen blijven, geloof ik niet; het is immers niet in een uithoek gebeurd. HAN 26:27 Koning Agrippa gelooft gij aan de profeten? Ik weet dat gij aan hen gelooft.' HAN 26:28 Maar Agrippa zei tot Paulus: 'Bijna zoudt gij mij door uw overtuigende woorden christen maken.' HAN 26:29 Daarop sprak Paulus: 'Ik zou God willen bidden, dat vroeg of laat niet alleen gij, maar allen die mij heden aanhoren, zouden worden als ik ben, afgezien dan van deze boeien.' HAN 26:30 Nu stond de koning op en eveneens de landvoogd met Bernice en het hele gezelschap. HAN 26:31 Bij het heengaan zeiden ze tot elkander: 'Die man doet niets wat dood of gevangenis verdient.' HAN 26:32 En Agrippa zei tot Festus: 'Die man had al vrij kunnen zijn, als hij zich niet had beroepen op de keizer.' HAN 27:1 Als gevangene naar Rome. Toen onze afvaart naar Italië bepaald was, stelde men Paulus en enige andere gevangenen in handen van Julius, een honderdman van de kohort Augusta. HAN 27:2 We gingen aan boord van een schip uit Adramyttium, dat de kustplaatsen van Asia zou aandoen, en staken in zee. Aristarchus, een Macedoniër uit Tessalonica, vergezelde ons. HAN 27:3 De volgende dag liepen we Sidon binnen, waar Julius, die Paulus menslievend behandelde, hem toestond zijn vrienden op te zoeken om zich te laten verzorgen. HAN 27:4 Vandaar weer uitgevaren zeilden we, omdat de wind tegen zat, dicht langs Cyprus, HAN 27:5 voeren langs de kust van Cilicië en Pamfylië en landden te Myra in Lycië. HAN 27:6 Daar vond de honderdman een schip uit Alexandrië, dat op weg was naar Italië, en bracht ons daarop over. HAN 27:7 Toen we verscheidene dagen slechts langzaam vooruit kwamen en met moeite ter hoogte van Knidus geraakte, omdat we de wind niet mee hadden, HAN 27:8 zeilden we onder Kreta door langs Salmone, waar we ternauwernood omheen kwamen, en bereikten een punt dat Goede Rede heette, waarbij de stad Lasea lag. HAN 27:9 Omdat er veel tijd verstreken was en de vaart al niet zonder gevaar werd de vasten was immers al voorbij waarschuwde Paulus HAN 27:10 hen met de woorden: 'Mannen, ik zie dat verder zeilen niet zonder gevaar zal zijn en grote schade zal toebrengen niet alleen aan lading en schip, maar ook aan ons.' HAN 27:11 De honderdman had echter meer vertrouwen in de stuurman en de kapitein dan in Paulus' woorden. HAN 27:12 Omdat de haven niet erg geschikt was om er te overwinteren, gaven de meesten dan ook de raad weg te varen om zo mogelijk Fenix te bereiken, een haven op Kreta, die openligt naar het zuidwesten en noordwesten, en daar te overwinteren. HAN 27:13 Toen er een zuidenwind opstak, meenden ze van het slagen van hun plan verzekerd te zijn, lichtten het anker en voeren vlak onder de kust van Kreta. HAN 27:14 Het duurde echter niet lang of er sloeg van het eiland een stormwind neer, de zogenaamde Eurakylon. HAN 27:15 Daar het schip werd meegesleurd en de kop niet op de wind kon houden, moesten we het opgeven en lieten ons meedrijven. HAN 27:16 Toen we onder de beschutting voeren van een eilandje, Klauda geheten, slaagden we er met moeite in de sloep te bemachtigen, HAN 27:17 en omhoog te halen. Toen troffen ze noodvoorzieningen door kabels om het schip vast te sjorren. Uit vrees op de Syrte geworpen te worden, haalden ze de takelage neer en lieten zich zo drijven. HAN 27:18 De storm teisterde ons geweldig en daarom zette men de volgende dag het een en ander over boord HAN 27:19 en de derde dag gaf men eigenhandig het scheepstuig prijs. HAN 27:20 Verscheidene dagen waren zon noch sterren te zien; er bleef een hevige stormwind staan en zo vervloog voor ons elke verdere hoop op redding. HAN 27:21 Daar ze reeds lang niet meer aten, trad Paulus op hen toe en zei: 'Mannen, men had naar mij moeten luisteren, en niet van Kreta moeten wegvaren; dan zou men zich deze overlast en dit verlies hebben bespaard. HAN 27:22 Maar zelfs in deze omstandigheden spoor ik u aan moed te houden. Het leven van geen uwer zal verloren gaan, maar alleen het schip. HAN 27:23 Vannacht verscheen mij een engel van de God aan wie ik toebehoor en die ik dien, HAN 27:24 en deze zei: Wees niet bevreesd, Paulus; gij moet voor de keizer verschijnen en daarom heeft God u het leven van allen die met u op het schip zijn, genadig in handen gegeven. HAN 27:25 Houdt dus goede moed, mannen, want ik heb vertrouwen op God, dat het zo zal gebeuren als mij gezegd is. HAN 27:26 We moeten echter op een of ander eiland stranden.' HAN 27:27 Toen dan de veertiende nacht aanbrak van ons rondzwalken op de Adriatische Zee, meenden de matrozen tegen middernacht dat er land in de buurt kwam. HAN 27:28 Met het dieplood peilden zij twintig vadem; iets verder wierpen ze opnieuw het dieplood uit en peilden vijftien vadem. HAN 27:29 Uit vrees dat we ergens op de riffen zouden lopen, lieten ze van de achtersteven vier ankers vallen, in spanning wachtend op het aanbreken van de dag. HAN 27:30 De matrozen probeerden van het schip weg te komen en zetten de sloep uit onder voorwendsel, dat ze van de voorsteven ankers wilden uitbrengen. HAN 27:31 Maar Paulus zei tegen de honderdman en de soldaten: 'Als dezen niet aan boord blijven, kunt gij niet gered worden.' HAN 27:32 Daarop kapten de soldaten de kabels van de sloep en lieten deze in zee vallen. HAN 27:33 In afwachting van de dageraad spoorde Paulus allen aan iets te eten en zei: 'Vandaag is het al veertien dagen, dat ge maar steeds in afwachting zijt zonder te eten of iets te gebruiken. HAN 27:34 Daarom raad ik u aan wat te eten, want dat komt de redding ten goede. Niemand van u zal een haar op het hoofd gekrenkt worden.' HAN 27:35 Na deze woorden nam hij brood, dankte God in tegenwoordigheid van allen, brak het en begon te eten. HAN 27:36 Toen vatten allen weer moed en namen ook voedsel. HAN 27:37 We waren aan boord, allen meegerekend, met tweehonderd zesenzeventig man. HAN 27:38 Nadat ze voldoende gegeten hadden, maakten ze het schip lichter door het koren in zee te werpen. HAN 27:39 Toen het dag werd, herkenden ze het land niet, maar bespeurden een inham met een strand en beraadslaagden op ze het schip daar op konden laten lopen. HAN 27:40 Ze kapten de ankers en gaven ze prijs aan de zee; tegelijk maakten ze de handen van de stuurriemen los, hesen de fok voor de wind en hielden op het strand aan. HAN 27:41 Zij kwamen terecht op een zandbank en lieten het schip daarop vast lopen. De voorsteven stootte op de grond en bleef onbeweeglijk zitten, terwijl de achtersteven afbrak door de kracht van de golven. HAN 27:42 De soldaten besloten de gevangenen te doden, opdat niemand zou wegzwemmen en ontsnappen. HAN 27:43 Maar de honderdman, die Paulus wilde redden, verhinderde hun toeleg. Hij beval allen die konden zwemmen het eerst over boord te springen om aan land te komen, HAN 27:44 terwijl de overigen op planken of ander scheepstuig zouden volgen. Zo bereikten allen veilig en wel vaste grond. HAN 28:1 Op Malta. Eerst na onze redding vernamen wij dat het eiland Malta heette. HAN 28:2 De bevolking betoonde zich jegens ons buitengewoon vriendelijk. Omdat het begon te regenen en het koud was, legden zij een groot vuur aan en lieten ons allen daaromheen plaats nemen. HAN 28:3 Toen Paulus een hoop dor hout had bijeen geraapt en op het vuur wierp, kwam er tengevolge van de hitte een adder uit te voorschijn, die zich in zijn hand vastbeet. HAN 28:4 Toen de eilandbewoners het beest aan zijn hand zagen hangen, zeiden ze tot elkaar: 'Die man is vast en zeker een moordenaar, want zelfs na zijn redding uit de zee wil de Gerechtigheid hem niet in leven laten.' HAN 28:5 Maar hij schudde het beest in het vuur en ondervond geen nadelige gevolgen. HAN 28:6 Zij verwachtten dat hij zou opzwellen of plotseling dood neervallen. Toen ze echter na lang wachten zagen dat hem niets bijzonders overkwam, sloeg hun mening om en zeiden ze dat hij een god was. HAN 28:7 In de nabijheid van die plaats bezat de Eerste van het eiland, Publius geheten, een landgoed, waar hij ons opnam en gedurende drie dagen liefdevol gastvrijheid verleende. HAN 28:8 De vader van Publius lag juist met koorts en dysenterie te bed. Paulus ging naar hem toe, sprak een gebed, legde hem de handen op en genas hem. HAN 28:9 Toen dit gebeurd was, kwamen ook de overige zieken van het eiland en werden genezen. HAN 28:10 Zij bewezen ons dan ook veel eer en bij onze afvaart voorzagen ze ons van al het nodige. HAN 28:11 Na drie maanden voeren wij weer weg op een schip uit Alexandrië, dat op het eiland overwinterd had. Het droeg de Dioskuren als schegbeeld. HAN 28:12 Wij legden aan in Syracuse en bleven daar drie dagen. HAN 28:13 Vandaar voeren we langs de kust en kwamen in Regium. Doordat er 's anderendaags een zuidenwind opstak, waren we de volgende dag al in Puteoli. HAN 28:14 Daar troffen wij broeders aan en werden uitgenodigd zeven dagen bij hen te blijven. Tenslotte gingen we dan op Rome aan. HAN 28:15 Ook vandaar kwamen de broeders, die al van ons gehoord hadden, ons tegemoet tot aan Forum Appii en Tres Tabernae. Toen Paulus hen zag, dankte hij God en schepte nieuwe moed. HAN 28:16 Na onze aankomst in Rome kreeg Paulus verlof op zichzelf te wonen met de soldaat die hem bewaakte. HAN 28:17 Paulus in Rome. Drie dagen later ontbood hij de voornaamste Joden bij zich. Toen zij bijeengekomen waren, zei hij tot hen: 'Mannen broeders, ofschoon ik niets gedaan heb tegen ons volk of de voorvaderlijke gebruiken, ben ik vanuit Jeruzalem als gevangene uitgeleverd aan de Romeinen. HAN 28:18 Dezen wilden mij na verhoor in vrijheid stellen, omdat ik niets had bedreven waarop de doodstraf stond. HAN 28:19 Maar omdat de Joden zich hiertegen verzetten, zag ik me gedwongen mij op de keizer te beroepen, dit echter niet als had ik enige klacht in te brengen tegen mijn volk. HAN 28:20 Dat is dus de reden, waarom ik verzocht u te mogen zien en u toe te spreken. Het is om de verwachting van Israël, dat ik deze ketenen draag.' HAN 28:21 Zij zeiden daarop tot hem: 'Wij hebben geen brieven uit Judea over u gekregen en evenmin heeft iemand van de broeders die hier aankwam, iets slechts over u beticht of verteld. HAN 28:22 Wel wensen wij van u te vernemen wat uw denkbeelden zijn; want van die sekte is ons bekend dat ze overal tegenspraak ondervindt.' HAN 28:23 Nadat ze een dag met hem hadden afgesproken, kwamen zij in nog groter aantal bij hem in zijn verblijf bijeen. Van de vroege morgen tot de late avond getuigde hij in zijn uiteenzettingen van het Koninkrijk Gods en trachtte hij hen voor Jezus te winnen, uitgaande van de Wet van Mozes en de profeten. HAN 28:24 Sommigen lieten zich overtuigen, maar anderen bleven ongelovig. HAN 28:25 Zonder dat zij het met elkaar eens konden worden gingen zij weg, maar niet dan nadat Paulus nog dat ene woord gezegd had: 'Terecht heeft de heilige Geest door de profeet Jesaja tot uw vaderen gesproken: HAN 28:26 Ga tot dit volk en zeg: Met uw oren zult gij luisteren en toch niet verstaan, met uw ogen zult gij kijken en toch niet zien. HAN 28:27 Want verhard is het hart van dit volk, en hun ogen doen zij dicht uit vrees dat zij zouden zien met hun ogen, met hun oren zouden horen, met hun hart zouden verstaan, zich zouden bekeren en Ik hen zou genezen. HAN 28:28 Het zij dus aan u bekend, dat aan de heidenen dit heil van God is gezonden. Zij zullen wel luisteren.' HAN 28:29 Volle twee jaar vertoefde hij in een eigen huurwoning HAN 28:30 en ontving allen die bij hem kwamen. HAN 28:31 Hij predikte het Rijk Gods en gaf onderricht in de leer over de Heer Jezus Christus in alle vrijmoedigheid, zonder enige belemmering. DE BRIEF AAN DE CHRISTENEN VAN ROME ROM 1:1 Schrijver. Lezers. Groet. Van Paulus, dienstknecht van Christus Jezus door Gods roeping apostel, bestemd voor de dienst van het evangelie, ROM 1:2 dat God eertijds door zijn profeten in de heilige schriften heeft aangekondigd. ROM 1:3 Het is de boodschap over zijn Zoon, die naar het vlees is geboren uit het geslacht van David, ROM 1:4 die naar de heilige Geest is aangewezen als Zoon van God door Gods machtige daad, door zijn opstanding uit de doden, Jezus Christus onze Heer. ROM 1:5 Door Hem heb ik de genade van het apostelschap ontvangen, om ter ere van zijn naam onder alle volken mensen te brengen tot de gehoorzaamheid van het geloof. ROM 1:6 Ook gij hoort bij hen, geroepen als gij zijt door God tot de gemeenschap van Jezus Christus. ROM 1:7 Ik zend mijn groeten aan u allen in Rome: God heeft u lief en riep u tot zijn heilige gemeente. Genade en vrede voor u vanwege God onze Vader en de Heer Jezus Christus! ROM 1:8 Dankzegging en gebed. In de eerste plaats breng ik door Jezus Christus dank aan mijn God voor u allen, want in de hele wereld spreekt men van uw geloof. ROM 1:9 God, die ik van harte dien door het evangelie van zijn Zoon te verkondigen, is mijn getuige, dat ik u zonder ophouden gedenk. ROM 1:10 Telkens weer smeek ik Hem in mijn gebeden, dat zijn wil het mij eindelijk mogelijk mag maken bij u te komen. ROM 1:11 Want ik verlang er vurig naar u te leren kennen, in de hoop u enige geestelijke gave te kunnen meedelen tot bevestiging van uw geloof, ROM 1:12 of eigenlijk, om bij u en met u de vertroosting te smaken van ons gemeenschappelijk geloof, het uwe zowel als het mijne. ROM 1:13 Gij moet weten, broeders, dat ik dikwijls van plan ben geweest u te bezoeken, om ook onder u, evenals onder de overige heidenvolken, enige vrucht te oogsten; maar tot nu toe was ik telkens verhinderd. ROM 1:14 Ik sta in de schuld bij Griek en niet griek, bij ontwikkelden en ongeletterden; ROM 1:15 vandaar mijn bereidwilligheid om ook u, Romeinen, het evangelie te brengen. ROM 1:16 Het onderwerp van de brief. Voor dit evangelie schaam ik mij niet. Het is een goddelijke kracht tot heil van ieder die erin gelooft, allereerst de Jood, maar ook de heiden. ROM 1:17 Want daarin openbaart zich Gods gerechtigheid, die de mens rechtvaardigt door het geloof en het geloof alleen, volgens het woord der schrift: Die gerechtvaardigd is door het geloof zal leven. 1,18-3,20 A. HEIDENDOM NOCH JODENDOM SCHENKEN DE GERECHTIGHEID ROM 1:18 I. De zonden van het heidendom. Afgoderij. Maar de toorn van God openbaart zich en daalt uit de hemel neer over de goddeloosheid en ongerechtigheid van allen die door hun ongerechtigheid de waarheid onderdrukken. ROM 1:19 Want wat een mens van God kan weten, is in feite onder hen bekend; God zelf heeft het hun geopenbaard. ROM 1:20 Van de schepping der wereld af wordt zijn onzichtbaar wezen door de rede in zijn werken aanschouwd, zijn eeuwige macht namelijk en zijn godheid. Daarom zijn zij niet te verontschuldigen. ROM 1:21 Want ofschoon zij God kennen, hebben zij God niet de hem toekomende eer en dank gebracht. Al hun denken is op niets uitgelopen en hun geest die het inzicht verwierp werd verduisterd. ROM 1:22 Zij beweerden wijzen te zijn maar werden dwazen. ROM 1:23 De majesteit van de onvergankelijke God hebben zij verruild voor de afbeelding van de gestalte van een sterfelijk mens en van vogels en van viervoetige en kruipende dieren. ROM 1:24 Zedeloosheid. Daarom heeft God hen prijsgegeven aan hun onreine begeerten, zodat zij hun eigen lichaam onteren. ROM 1:25 Zij hebben de goddelijke waarheid verruild voor de leugen, en de schepping geëerd en aanbeden in plaats van de Schepper; Hij is gezegend in eeuwigheid! Amen. ROM 1:26 Daarom heeft God hen overgeleverd aan onterende hartstochten. Hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang verruild voor de tegennatuurlijke. ROM 1:27 Eveneens hebben de mannen de natuurlijke gemeenschap met vrouwen opgegeven en zijn in lust voor elkaar ontbrand: mannen plegen ontucht met mannen. Zo ontvangen zij aan den lijve het verdiende loon voor hun afdwaling. ROM 1:28 En daar zij het niet de moeite waard hebben geacht God te erkennen, heeft God hen prijsgegeven aan hun nietswaardige gezindheid zodat zij alles doen wat niet te pas komt. ROM 1:29 Vervuld zijn zij van allerlei ongerechtigheid, boosheid, hebzucht en slechtheid; vol nijd, bloeddorst, tweespalt, bedrog en kwaadaardigheid. Roddelaars zijn het, ROM 1:30 lasteraars, haters van God, vermetel, verwaand, protserig, vindingrijk in het kwaad, ongehoorzaam aan hun ouders, ROM 1:31 onverstandig, onbestendig, zonder liefde en zonder mededogen. ROM 1:32 En ofschoon zij Gods vonnis kennen, dat zij die zulke dingen doen de dood verdienen, bedrijven zij deze misdaden niet alleen, maar juichen ze ook toe bij anderen. II. De onmacht van het Jodendom ROM 2:1 Ook de jood valt onder het oordeel. Maar dan zijt gij evenmin vrij te pleiten, zedenmeester, wie gij ook zijn moogt. Want met uw oordeel over anderen veroordeelt gij uzelf. Gij die u tot rechter opwerpt, doet immers precies hetzelfde. ROM 2:2 Wij zijn het erover eens dat God terecht hen veroordeelt die zulke dingen doen. ROM 2:3 En gij die een oordeel velt over hen die zulke dingen doen en ze zelf evenzeer doet, rekent gij erop dat gij aan Gods oordeel zult ontsnappen? ROM 2:4 Of miskent gij zijn rijkdom aan goedertierenheid en geduld en lankmoedigheid, en beseft ge niet dat Gods goedheid u tot inkeer wil brengen? ROM 2:5 Met uw botte en onboetvaardige gezindheid stapelt gij voor uzelf een kapitaal van toorn op tegen de dag van de toorn, wanneer Gods rechtvaardig oordeel openbaar zal worden. ROM 2:6 Hij zal eenieder vergelden naar zijn werken, ROM 2:7 met het eeuwige leven hen die door standvastig het goede te doen streven naar onvergankelijke heerlijkheid en eer, ROM 2:8 met straf en toorn hen die weerspannig de waarheid verwerpen en de ongerechtigheid omhelzen. ROM 2:9 Kwelling en benauwdheid wacht elke mens die het kwade bedrijft, de Jood in de eerste plaats, maar ook de heiden; ROM 2:10 heerlijkheid, eer en vrede eenieder die het goede doet, de Jood in de eerste plaats, maar ook de heiden. ROM 2:11 God kent geen partijdigheid. ROM 2:12 Die zonder de wet hebben gezondigd, zullen ook zonder de wet omkomen; en die met de wet hebben gezondigd, zullen door de wet worden veroordeeld. ROM 2:13 Niet de hoorders van de wet zijn rechtvaardig in Gods oog; alleen de onderhouders van de wet zullen worden gerechtvaardigd. ROM 2:14 Wanneer heidenen, die de wet niet hebben, uit zichzelf doen wat de wet verlangt, zijn zij zichzelf tot wet, al bezitten zij de wet dan niet. ROM 2:15 Door hun daden tonen zij, dat de wet in hun hart geschreven staat, waarbij komt het getuigenis van hun geweten, terwijl hun gedachten hen over en weer beschuldigen of ook wel vrijspreken, ROM 2:16 in afwachting van de dag waarop God volgens mijn evangelie over de verborgen daden van de mens zal oordelen, door Christus Jezus: ROM 2:17 De wet wordt niet onderhouden. Gij die u Jood noemt en steunt op de wet en roemt op God, ROM 2:18 zijn wil kent en onderwezen door de wet de dingen onderscheidt waar het op aan komt, ROM 2:19 gij die u opwerpt als gids van de blinden, als licht voor hen die in het duister zijn, ROM 2:20 als opvoeder van de onverstandigen en leraar van de onmondigen, gij die in uw wet de belichaming bezit van kennis en waarheid ROM 2:21 gij, leraar van anderen, zijt niet in staat uzelf te leren? Gij verkondigt dat men niet mag stelen, terwijl gij zelf steelt? ROM 2:22 Gij verbiedt echtbreuk en pleegt zelf overspel? Gij verafschuwt afgodsbeelden en plundert zelf tempels? ROM 2:23 Gij zijt trots op uw wet, maar onteert God door diezelfde wet te overtreden. ROM 2:24 Daarom staat er geschreven: Door uw toedoen wordt Gods naam gelasterd onder de heidenen. ROM 2:25 Dan baat ook de besnijdenis niet. De besnijdenis heeft zeker waarde, maar alleen als gij de wet onderhoud; zijt gij echter een overtreder van de wet, dan is uw besnijdenis zonder zin. ROM 2:26 En omgekeerd, als een heiden de voorschriften van de wet onderhoudt, zal die heiden voor God gelden als was hij besneden. ROM 2:27 En hij die zonder lichamelijk besneden te zijn de wet volbrengt, zal eenmaal het oordeel uitspreken over u die met wetboek en besnijdenis de wet overtreedt. ROM 2:28 Want Jood zijn is niet iets uiterlijks, en de besnijdenis is eigenlijk niet iets uiterlijks en lichamelijks. ROM 2:29 Jood zijn is iets inwendigs, en de werkelijke besnijdenis is er een van het hart, een geestelijke en niet een naar de wet. Zo iemand wordt geprezen, niet door de mensen maar door God. ROM 3:1 Weerlegging van enkele moeilijkheden. Wat heeft de Jood dan voor op de anderen? Wat voor nut heeft het besneden te zijn? ROM 3:2 Velerlei, in ieder opzicht. En wel in de eerste plaats dit, dat hun de godsspraken werden toevertrouwd. ROM 3:3 Gij zegt dat sommigen van hen ontrouw zijn geworden? Dan vraag ik u: kan hun ontrouw Gods trouw tenietdoen? ROM 3:4 Dat nooit! Ook al is elke mens een leugenaar, God is waarachtig, want er staat geschreven: Gij wordt gerechtvaardigd in uw uitspraken en overwint, als men U wil oordelen. ROM 3:5 Indien echter onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid in het licht stelt, volgt daaruit dan niet - ik spreek nu erg menselijk - dat God onrechtvaardig is, als Hij zijn straf oplegt? ROM 3:6 Volstrekt niet! Hoe zou God anders de wereld kunnen oordelen? ROM 3:7 En als het waar was dat menselijke leugens de waarachtigheid van God deden toenemen en zijn glorie vermeerderen, waarom zou dan nog iemand als zondaar veroordeeld worden? ROM 3:8 Of geldt soms het woord, dat sommige lieden mij lasterlijk toeschrijven: `Laat ons het kwade doen om het goed dat eruit volgt?' Dezen hebben hun vonnis wel verdiend. ROM 3:9 Besluit: jood en heiden beiden zondig. Hoe dan? Hebben wij, Joden, iets voor op de anderen? Helemaal niets. Ik heb immers reeds vastgesteld, dat allen, Joden zowel als heidenen, zich in de macht der zonde bevinden. ROM 3:10 Of met de woorden van de Schrift: Er is geen rechtvaardige, zelfs niet een, ROM 3:11 niemand die verstandig is, niemand die God zoekt. ROM 3:12 Allen zijn afgedwaald, allen verdorven; niemand is er die het goede doet, zelfs niet een. ROM 3:13 Een open graf is hun keel, met hun tong plegen zij bedrog, addergif schuilt achter hun lippen. ROM 3:14 Hun mond is vol vervloeking en bitterheid, ROM 3:15 gezwind zijn hun voeten om bloed te vergieten. ROM 3:16 Vernietiging en onheil tekenen hun weg, ROM 3:17 maar de weg van de vrede kennen zij niet. ROM 3:18 De vreze Gods staat hun niet voor ogen. ROM 3:19 Welnu, wij weten, dat de wet al wat zij zegt, zegt tot hen die onder de wet staan. Zo wordt ieders mond gesnoerd en staat de hele wereld schuldig voor God. ROM 3:20 Want geen mens zal in zijn ogen als rechtvaardig gelden, omdat hij de wet onderhield; de wet doet alleen maar de zonde kennen. 3,21-4,25 B. HET GELOOF SCHENKT GERECHTIGHEID ROM 3:21 De stelling van de rechtvaardiging door het geloof. Thans is echter, buiten de wet om, Gods gerechtigheid openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigenis afleggen. ROM 3:22 Gods gerechtigheid, die zich door het geloof in Jezus Christus meedeelt aan allen die geloven, zonder enig onderscheid. ROM 3:23 Want allen hebben gezondigd en allen zijn verstoken van de goddelijke heerlijkheid. ROM 3:24 En allen worden zij om niet door zijn genade gerechtvaardigd, krachtens de verlossing die in Christus Jezus is. ROM 3:25 Hem heeft God voor wie gelooft aangewezen als zoenoffer door zijn bloed. God wilde zo zijn gerechtigheid tonen, want Hij had in zijn verdraagzaamheid de zonden van het verleden laten passeren. ROM 3:26 Hij heeft zijn gerechtigheid willen tonen nu, in deze tijd, opdat zou blijken dat Hijzelf rechtvaardig is en rechtvaardig maakt ieder die leeft uit het geloof. ROM 3:27 Waar blijft dan de eigen roem? Die is onmogelijk geworden! Door welke wet? Door die van de werken? Neen, door de wet van het geloof. ROM 3:28 Ik beweer juist, dat de mens gerechtvaardigd wordt door te geloven, niet door de wet te onderhouden. ROM 3:29 Is God soms allen de God van de Joden en niet van de heidenen? Neen, ook van de heidenen, ROM 3:30 want er is slechts een God, die zowel besnedenen als onbesnedenen zal rechtvaardigen door het geloof. ROM 3:31 Betekent dit dat ik mij van het geloof bedien om de wet buiten werking te stellen? Integendeel, ik laat de wet juist tot haar recht komen. ROM 4:1 Abraham de gelovige. Wat moeten wij bijvoorbeeld denken van Abraham, onze stamvader? Wat heeft hij bereikt? ROM 4:2 Als hij op grond van zijn goede werken gerechtvaardigd is, heeft hij reden zich te beroemen; maar voor God heeft hij die niet! ROM 4:3 Immers, wat zegt de Schrift? Abraham heeft God geloofd en dat geloof is hem aangerekend als gerechtigheid. ROM 4:4 Welnu, hij die werkt, krijgt zijn loon niet toegekend bij wijze van gunst, maar als zijn verschuldigd recht. ROM 4:5 Aan degene echter die niet werkt, maar gelooft in Hem die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof als gerechtigheid aangerekend. ROM 4:6 Hetzelfde geldt van de mens die door David wordt zalig geprezen en aan wie God de gerechtigheid toerekent, zonder dat er sprake is van goede werken: ROM 4:7 Zalig zij wier ongerechtigheden zijn vergeven en wier zonden zijn toegedekt. ROM 4:8 Zalig de man wiens zonde de Heer niet in rekening brengt. ROM 4:9 Heeft deze zaligspreking nu enkel betrekking op de besnedenen of ook op de onbesnedenen? Wij zagen, dat Abrahams geloof hem als gerechtigheid werd toegekend. ROM 4:10 In welke omstandigheden gebeurde dit? Was hij al besneden of nog niet? Hij was toen nog niet besneden. ROM 4:11 Het teken der besnijdenis heeft hij juist ontvangen als bezegeling van de geloofsgerechtigheid, die hij reeds als onbesnedene bezat. Zo kon hij de vader worden van alle heidenen die geloven, zodat hun de gerechtigheid wordt toegekend, ROM 4:12 alsook de vader van de Joden, van hen namelijk die niet enkel steunen op de besnijdenis, maar ook in de voetstappen treden van het geloof dat onze vader Abraham reeds had, toen hij nog niet was besneden. ROM 4:13 Ook de belofte aan Abraham en zijn nakomelingen, dat zij de wereld zouden erven, steunt niet op de wet, maar op de gerechtigheid van het geloof. ROM 4:14 Als zij die zich op de wet verlaten de erfgenamen zijn, heeft het geloof geen zin en blijft de belofte zonder uitwerking. ROM 4:15 Want het resultaat van de wet is alleen maar straf, en waar geen wet is, is ook geen overtreding. ROM 4:16 Daarom hangt het af van het geloof en dus van de genade, en is de belofte verzekerd voor heel het nageslacht, niet alleen voor hen die de wet hebben ontvangen, maar voor allen die het geloof navolgen van ons aller vader Abraham. ROM 4:17 Van hem staat immers geschreven: Ik heb u vader gemaakt van vele volken. Hij is dit voor het aanschijn van God in wie hij heeft geloofd, die de doden levens maakt en wat niet bestaat in het aanzijn roept. ROM 4:18 Tegen alle hoop in heeft hij gehoopt, en geloofd dat hij vader zou worden van vele volken, gelijk hem gezegd was: Zo talrijk zal uw nageslacht zijn. ROM 4:19 Zijn geloof verflauwde niet, toen hij, de honderdjarige, dacht aan zijn eigen afgeleefd lichaam en aan de dorre schoot van Sara. ROM 4:20 Hij twijfelde geen ogenblik aan Gods belofte. Integendeel, hij heeft God Geëerd door de kracht van zijn geloof, ROM 4:21 door zijn vaste overtuiging dat Hij bij machte is te volvoeren wat Hij heeft toegezegd. ROM 4:22 Daarom werd het hem als gerechtigheid aangerekend. ROM 4:23 Deze woorden werden niet alleen neergeschreven om zijnentwil. ROM 4:24 maar ook om ons, wie het geloven eveneens zal worden aangerekend, daar wij geloven in Hem die Jezus onze Heer van de doden heeft opgewekt: ROM 4:25 Jezus die is overgeleverd om onze misslagen en opgewekt om onze rechtvaardiging. 5,1-8,39 C. BESCHRIJVING VAN HET CHRISTELIJK BESTAAN Bevrijd van de toorn ROM 5:1 Rechtvaardiging: vrede met God. Gerechtvaardigd door het geloof, leven wij in vrede met God door Jezus Christus onze Heer. ROM 5:2 Hij is het, die ons door het geloof de toegang heeft ontsloten tot die genade waarin wij staan; door Hem ook mogen wij ons beroemen op onze hoop op de heerlijkheid Gods. ROM 5:3 Meer nog, wij zijn zelfs trots op onze beproevingen, in het besef dat verdrukking leidt tot volharding, ROM 5:4 volharding tot beproefde deugd en deze weer tot hoop. ROM 5:5 En de hoop wordt niet teleurgesteld, want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken. ROM 5:6 Want Christus is voor goddelozen gestorven op de gestelde tijd, toen wij zelf nog geheel hulpeloos waren. ROM 5:7 Niet licht zal iemand zijn leven geven voor een rechtvaardige, al zou misschien iemand de moed hebben te sterven voor een goed mens. ROM 5:8 God echter bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor, dat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren. ROM 5:9 Des te zekerder zullen wij, nu wij eenmaal gerechtvaardigd zijn door zijn bloed, dank zij Hem ontkomen aan de toorn. ROM 5:10 Toen wij vijanden waren, zijn wij met Goed verzoend door de dood van zijn Zoon; des te zekerder zullen wij, eenmaal verzoend, gered worden door zijn leven. ROM 5:11 En dat niet alleen: nu reeds juichen wij in God door Jezus Christus onze Heer, door wie wij de verzoening hebben ontvangen. ROM 5:12 Zonde en genade: Adam en Christus. Door een mens is de zonde in de wereld gekomen en met de zonde de dood en zo is de dood over alle mensen gekomen, aangezien allen gezondigd hebben. ROM 5:13 Er was immers reeds zonde in de wereld, voor de wet er was; maar zonde wordt niet aangerekend, waar geen wet is. ROM 5:14 Toch heeft de dood als koning geheerst in de tijd van Adam tot Mozes, dus ook over hen die zich niet op de wijze van Adam schuldig hadden gemaakt aan de overtreding van een gebod. Adam nu is het beeld van de Mens die komen moest. ROM 5:15 Maar de genade van God laat zich niet afmeten naar de misstap van Adam. De fout van een mens bracht allen de dood, maar allen schonk Gods genade rijke vergoeding door de grote gave van zijn genade, de ene mens Jezus Christus. ROM 5:16 Zijn gave is sterker dan die ene zonde. Het oordeel dat volgde op de ene misstap liep uit op een veroordeling, maar de gratie die na zoveel overtredingen verleend werd betekende volledige kwijtschelding. ROM 5:17 Door toedoen van een mens begon de dood te heersen, als gevolg van de val van die mens. Zoveel heerlijker zullen zij die de overvloed der genade en de gave der gerechtigheid ontvangen, leven en heersen, dank zij de ene mens Jezus Christus. ROM 5:18 Dit betekent: een fout leidde tot veroordeling van allen, maar een goede daad leidde tot vrijspraak en leven voor allen. ROM 5:19 En zoals door de ongehoorzaamheid van een mens allen zondaars werden, zo zullen door de gehoorzaamheid van Een allen worden gerechtvaardigd. ROM 5:20 Weliswaar is de wet er bijgekomen, waardoor de overtredingen zich hebben vermeerderd. Maar waar de zonde heeft gewoekerd, werd de genade mateloos. ROM 5:21 Zo heeft de zonde haar heerschappij uitgeoefend door de dood, maar de genade zal heersen door de gerechtigheid, en leiden tot eeuwig leven, dank zij Jezus Christus onze Heer. Bevrijd van de zonde door de doop ROM 6:1 Door de doop. Volgt hieruit, dat wij moeten blijven zondigen om de genade te doen toenemen? ROM 6:2 Natuurlijk niet! Hoe zouden wij nog in zonde leven, wij die dood zijn voor de zonde? ROM 6:3 Gij weet toch,, dat de doop, waardoor wij een zijn geworden met Christus Jezus, ons heeft doen delen in zijn dood? ROM 6:4 Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij, zoals Christus door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt, een nieuw leven zouden leiden. ROM 6:5 Zijn wij een met Hem geworden door het beeld van zijn dood, dan moeten wij Hem ook volgen in zijn opstanding, ROM 6:6 in de overtuiging dat onze oude mens met Hem gekruisigd is; daardoor is aan het bestaan in de zonde een einde gekomen, zodat wij niet langer aan de zonde dienstbaar zijn. ROM 6:7 Want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde. ROM 6:8 Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven: ROM 6:9 want wij weten dat Christus, eenmaal van de doden verrezen, niet meer sterft: de dood heeft geen macht meer over Hem. ROM 6:10 Door de dood die Hij is gestorven, heeft Hij eens voor al afgerekend met de zonde; het leven dat Hij leeft, heeft alleen met God van doen. ROM 6:11 Zo moet ook gij uzelf beschouwen: als dood voor de zonde en levend voor God in Christus Jezus. ROM 6:12 Door een christelijke levenshouding als konsekwentie van de doop. Laat dus de zonde niet heersen in uw sterfelijk lichaam, gehoorzaamt haar niet, ROM 6:13 stelt uw ledematen niet in haar dienst als werktuigen van ongerechtigheid. Biedt uzelf God aan als mensen die uit de dood ten leven zijt opgestaan. Offert Hem uw ledematen als werktuigen in dienst der gerechtigheid. ROM 6:14 De zonde mag niet over u heersen, want gij staat niet onder de wet, maar onder de genade. ROM 6:15 Betekent dit, dat het ons vrij staat te zondigen, omdat wij niet meer onder de wet leven, maar onder de genade? Dat verhoede God! ROM 6:16 Het is immers duidelijk dat gij die meester als slaven moet gehoorzamen in wiens dienst gij u als slaven stelt: ofwel gij dient de zonde en dit loopt uit op de dood ofwel God, en Hem gehoorzamen leidt tot gerechtigheid. ROM 6:17 Maar gij zijt, God zij gedankt, geen slaven meer van de zonde: van harte hebt gij u onderworpen aan de beginselen van de leer die u is overgeleverd. ROM 6:18 Gij zijt bevrijd van de heerschappij der zonde en dienaars geworden van de gerechtigheid. ROM 6:19 Sprekend tot zwakke mensen, druk ik mij erg menselijk uit. Zoals gij eertijds uw ledematen in dienst hebt gesteld van onreinheid en steeds grotere bandeloosheid, zo moet gij ze nu in dienst stellen van de gerechtigheid tot uw heiliging. ROM 6:20 Toen gij slaven waart van de zonde, stond gij vrij ten opzichte van de gerechtigheid. ROM 6:21 Welk voordeel hadt gij toen van daden waarover gij u thans schaamt? Want het einde daarvan is de dood. ROM 6:22 Maar nu, bevrijd van de zonde en dienstknechten geworden van God, oogst gij heiligheid en tenslotte eeuwig leven. ROM 6:23 Want het loon van de zonde is de dood, maar de gave van God is het eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer. ROM 7:1 Vrij van de wet door de kruisdood van Christus. Broeders, gij weet ik richt mij immers tot mensen die de wet kennen dat de wet over een mens slechts zolang gezag heeft als hij in leven is. ROM 7:2 Zo is een getrouwde vrouw door de wet aan haar man gebonden, zolang deze leeft; sterft hij, dan is zij ontslagen van de wet die haar bond aan haar man. ROM 7:3 Men zal haar met recht als een overspelige beschouwen, als zij bij het leven van haar man de vrouw wordt van een ander; is haar man echter gestorven, dan is zij van die band ontslagen en pleegt zij geen echtbreuk als zij zich aan een ander geeft. ROM 7:4 Broeders, zo zijt ook gij door het lichaam van Christus gestorven ten aanzien van de wet, en gij behoort nu aan een ander, aan Hem die van de doden is opgewekt, opdat wij vrucht dragen voor God. ROM 7:5 Toen het vlees ons bestaan nog bepaalde, werden onze daden beheerst door zondige begeerten, die de wet in ons opwekte en die slechts winst afwierpen voor de dood. ROM 7:6 Nu echter zijn wij dood voor de wet en ontslagen van haar boeien, zodat wij niet langer onderworpen zijn aan een verouderd wetboek, maar God dienen in het nieuwe leven van de Geest. ROM 7:7 Uitweiding over de onmacht van de wet. Betekent dit dat wet en zonde een en hetzelfde zijn? Volstrekt niet! Maar wel is het waar, dat ik de zonde niet heb leren kennen tenzij door de wet. Ik zou van de begeerte geen weet hebben, als de wet niet zei: Gij moogt niet begeren. ROM 7:8 Het is de zonde die gebruik heeft gemaakt van het gebod om de begeerte in mij op te wekken. Zonder de wet is de zonde dood. ROM 7:9 En eertijds, toen de wet er niet was, was ik het die leefde. Maar toen het gebod kwam, begon de zonde te leven ROM 7:10 en ik, ik stierf. Zo bleek het gebod, dat bedoeld was ten leven, mij juist de dood te bezorgen. ROM 7:11 De zonde heeft van het gebod gebruik gemaakt om mij te verleiden en ter dood te brengen. ROM 7:12 Wel is de wet heilig, en het gebod is heilig, rechtvaardig en goed. ROM 7:13 Heeft dan iets wat goed is mij de dood gebracht? Dat niet, maar de zonde heeft, om haar ware aard te tonen, door iets goeds mijn dood bewerkt! Zo blijkt door het gebod, hoe bovenmate zondig de zonde is! ROM 7:14 Wij moeten zelfs zeggen dat de wet geestelijk is. Maar ik, ik ben vleselijk, een slaaf verkocht aan de zonde. ROM 7:15 Ik begrijp mijn eigen daden niet. Ik doe immers niet wat ik wil, maar wat ik verafschuw. ROM 7:16 Maar als ik doe wat ik eigenlijk niet wil, betekent dit dat ik met de wet instem en haar goed acht. ROM 7:17 In feite echter ben wik niet meer die handelt, maar de zonde, die in mij woont. ROM 7:18 Ik ben mij bewust, dat er in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, niets goeds woont. De goede willigt binnen mijn bereik, maar niet de goede daad. ROM 7:19 Ik doe niet het goede dat ik wil, maar het kwade dat ik niet wil. ROM 7:20 Als ik doe wat ik eigenlijk niet wil, ben ik niet meer de handelende persoon, maar de zonde, die in mij woont. ROM 7:21 Ik ontdek in mij dus deze `wet': als ik het goede wil doen, dringt het kwade zich aan mij op. ROM 7:22 Mijn innerlijk schept behagen in Gods wet, ROM 7:23 maar in mijn handelen ontwaar ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn rede, en mij gevankelijk uitlevert aan de heerschappij van de zonde over mijn daden. ROM 7:24 Rampzalige mens, die ik ben! Wie zal mij redden van dit bestaan ten dode? ROM 7:25 God zij gedankt door Jezus Christus onze Heer! Aan mijzelf overgelaten dien ik dus met mijn rede de wet van God, maar met de daad de wet van de zonde. ROM 8:1 De gave van de Geest. Voor hen dus die in Christus Jezus zijn, bestaat er thans geen vonnis meer. ROM 8:2 De `wet' van de Geest die in Christus Jezus het leven schenkt, heeft u vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood. ROM 8:3 Wat de wet niet vermocht, machteloos als ze was door het vlees, dat heeft God bewerkt door zijn Zoon te zenden in de gestalte van het vlees der zonde en terwille van de zonde: Hij heeft in het vlees zelf de zonde gevonnist, ROM 8:4 opdat de eis van de wet vervuld zou worden door ons, die niet leven volgens het vlees maar volgens de Geest. ROM 8:5 Zij die leven volgens het vlees, zinnen op wat het vlees wil. Die geleid worden door de Geest, zinnen op de dingen van de Geest. ROM 8:6 Het streven van het vlees loopt uit op de dood, het streven van de Geest op leven en vrede. ROM 8:7 Want het verlangen van het vlees staat vijandig tegenover God. Het onderwerpt zich niet aan Gods wet, het kan dit niet eens; ROM 8:8 en zij die volgens het vlees leven, kunnen God niet behagen. ROM 8:9 Maar uw bestaan wordt niet beheerst door het vlees, doch door de Geest, omdat de Geest van God in u woont. Zou iemand de Geest van Christus niet hebben, dan behoort hij Hem niet toe. ROM 8:10 Als Christus in u is, blijft uw lichaam wel door de zonde de dood gewijd, maar uw geest leeft, dank zij de gerechtigheid. ROM 8:11 En als de Geest van Hem die Jezus van de doden heeft opgewekt, in u woont, zal Hij die Christus Jezus van de doden heeft doen opstaan, ook uw sterfelijk lichaam eenmaal levend maken door de kracht van zijn Geest, die in u verblijft. ROM 8:12 Broeders, wij zijn dus schuldenaars, maar niet van het vlees, om naar het vlees te leven. ROM 8:13 Als gij volgens het vlees leeft, zult gij zeker sterven. Maar als gij door de Geest de praktijken van de zelfzucht doodt, zult gij leven. ROM 8:14 Allen die zich laten leiden door de Geest van God, zijn kinderen van God. ROM 8:15 De geest die gij ontvangen hebt, is er niet een van slaafsheid, die u opnieuw vrees zou aanjagen. Gij hebt een geest van kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen: Abba, Vader! ROM 8:16 De Geest zelf bevestigt het getuigenis van onze geest, dat wij kinderen zijn van God. ROM 8:17 Maar als wij kinderen zijn, dan ook erfgenamen, en wel erfgenamen van God tezamen met Christus, daar wij delen in zijn lijden, om ook te delen in zijn verheerlijking. ROM 8:18 De verwachting der heerlijkheid. Ik ben er zelfs van overtuigd, dat het lijden van deze tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid waarvan ons de openbaring te wachten staat. ROM 8:19 Ook de schepping verlangt vurig naar de openbaring van Gods kinderen. ROM 8:20 Want zij is onderworpen aan een zinloos bestaan, niet omdat zij het zelf wil, maar door de wil van Hem die haar daaraan onderworpen heeft. Maar zij is niet zonder hoop, ROM 8:21 want ook de schepping zal verlost worden uit de slavernij der vergankelijkheid en delen in de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods. ROM 8:22 Wij weten immers, dat de hele natuur kreunt en barensweeën lijdt, altijd door. ROM 8:23 En niet alleen zij, ook wij zelf, die toch reeds de eerstelingen van de Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten over ons eigen lot, zolang wij nog wachten op de verlossing van ons lichaam. ROM 8:24 In deze hoop zijn wij gered. Maar men spreekt niet van hopen, als men het voorwerp van zijn hoop reeds aanschouwt: wie verwacht nog wat hij al ziet? ROM 8:25 Daar onze hoop gericht is op het onzichtbare, moet onze verwachting gepaard gaan met standvastigheid. ROM 8:26 Evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp. Want wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. ROM 8:27 En Hij die de harten doorgrondt, weet waar de Geest op zint, want Hij pleit voor de heiligen naar Gods bedoeling. ROM 8:28 Zegevierend door Gods liefde. Intussen weten wij, dat God in alles het heil bevordert van die Hem liefhebben, van hen die volgens zijn raadsbesluit geroepen zijn. ROM 8:29 Want die Hij te voren heeft gekend, heeft Hij ook te voren bestemd tot gelijkvormigheid met het beeld van zijn Zoon, opdat Deze de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders. ROM 8:30 Die Hij heeft voorbestemd, heeft Hij ook geroepen. Die Hij riep, heeft Hij gerechtvaardigd, en die Hij rechtvaardigde, heeft Hij verheerlijkt. ROM 8:31 Wat moeten wij hieraan nog toevoegen? Indien God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? ROM 8:32 Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons na zulk een gave ook niet al het andere schenken? ROM 8:33 Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? God die rechtvaardigt? ROM 8:34 Wie zal hen veroordelen? Christus Jezus misschien, die gestorven is, meer nog, die is opgewekt en die, gezeten aan Gods rechterhand, onze zaak bepleit? ROM 8:35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking wellicht of nood, vervolging, honger, naaktheid, levensgevaar of het zwaard? ROM 8:36 Er staat immers geschreven: Om Uwentwil bedreigt ons de dood de gehele dag; wij worden behandeld als slachtvee. ROM 8:37 Maar over dit alles zegevieren wij glansrijk, dank zij Hem die ons heeft liefgehad. ROM 8:38 Ik ben ervan overtuigd, dat noch de dood noch het leven, noch engelen noch boze geesten, noch wat is noch wat zijn zal, en geen macht ROM 8:39 in den hoge of in de diepte, noch enig wezen in het heelal ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer. 9,1-11,36 ISRAËL EN DE VOLKEN ROM 9:1 Inleiding. Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet, mijn geweten waarborgt het mij in de heilige Geest: ROM 9:2 in mijn hart is grote droefheid en een pijn die niet ophoudt. ROM 9:3 Waarlijk, ik zou wensen zelf vervloekt en van Christus gescheiden te zijn, als ik mijn broeders en stamverwanten daarmee kon helpen. ROM 9:4 Immers, zij zijn Israëlieten, hun behoort de aanneming tot zonen, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de eredienst en de beloften; ROM 9:5 van hen zijn de aartsvaders en uit hen komt de Christus voort naar het vlees. God, die boven alles verheven is, zij gezegend tot in eeuwigheid! Amen. ROM 9:6 Gods keuze wordt niet bepaald door menselijke factoren. Toch is het niet zo alsof Gods woord gefaald zou hebben. Want niet allen die uit Israël stammen, behoren tot Israël, ROM 9:7 en niet allen zijn kinderen van Abraham, omdat zij nazaten zijn van Abraham. Alleen die van Isaak afstammen, zullen als uw nageslacht gelden; ROM 9:8 dat betekent: niet de kinderen naar het vlees zijn kinderen van God, maar de kinderen der belofte worden als nageslacht beschouwd. ROM 9:9 Want dit woord: Het volgende jaar zal Ik wederkomen en dan zal Sara een zoon hebben, was een belofte. ROM 9:10 Nog sterker: Rebekka droeg in haar schoot kinderen van een en dezelfde man, onze vader Isaak. ROM 9:11 En reeds voor zij waren geboren en iets goeds of kwaads hadden gedaan, werd haar aangekondigd: ROM 9:12 De oudste zal dienstbaar zijn aan de jongste. Daaruit blijkt, dat alleen het besluit van Gods uitverkiezing geldt, onafhankelijk van menselijke daden, slechts afhankelijk van Hem die roept. ROM 9:13 Er staat dan ook geschreven: Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat. ROM 9:14 Gods roeping is een ondoorgrondelijk geheim. Moeten wij hieruit besluiten, dat God onrechtvaardig handelt? Volstrekt niet. ROM 9:15 Tot Mozes zegt Hij: Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij wil ontfermen, en Ik zal barmhartigheid bewijzen aan wie Ik wil. ROM 9:16 Het hangt dus niet af van de wil of de inspanning van de mens, maar van Gods ontferming. ROM 9:17 En tot Farao zegt de schrift: Daarom juist heb Ik u doen opstaan, om aan u mijn macht te tonen en om mijn naam te verbreiden over de gehele aarde. ROM 9:18 Hij ontfermt zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. ROM 9:19 Nu zult gij mij zeggen: `Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Wie immers kan zijn wil weerstaan?' ROM 9:20 O mens, wie zijt gij, dat gij God wilt weerspreken? Zegt het beeld soms tot zijn boetseerder: Waarom hebt gij mij zo gemaakt?' ROM 9:21 Staat het de pottenbakker niet vrij van dezelfde klomp leem zowel iets kostbaars te maken als een voorwerp voor alledaags gebruik? ROM 9:22 En als God nu, om zijn toorn te tonen en zijn macht te doen kennen, de voorwerpen van die toorn, gereed voor de ondergang, met grote lankmoedigheid heeft verdragen, ROM 9:23 juist met de bedoeling de rijkdom van zijn heerlijkheid te openbaren voor hen die het voorwerp zijn van zijn erbarming, die Hij tot heerlijkheid heeft bestemd? ROM 9:24 De roeping van de heidenen. Het voorwerp van zijn erbarming zijn wij, die Hij heeft geroepen niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenvolken. ROM 9:25 Zoals Hij het zegt bij Hosea: Wat mijn volk niet was, zal Ik noemen `mijn volk', en haar die niet geliefd was, `mijn welbeminde'. ROM 9:26 En op dezelfde plaats waar hun was gezegd: Gij zijt mijn volk niet, zullen zij heten `zonen van de levende God'. ROM 9:27 En omtrent Israël roept Jesaja uit: Al was het getal van Israëls zonen als het zand der zee, slechts het overschot zal gered worden. ROM 9:28 Want de Heer zal zijn woord op aarde gestand doen, volledig en snel. ROM 9:29 Reeds eerder had Jesaja gezegd: Als de Heer der heerscharen ons niet wat zaaikoren had gelaten, waren wij gelijk geworden aan Sodom en Gomorra. ROM 9:30 Israël is gestruikeld over zijn eigen fundering. Hieruit volgt, dat heidenen, die de gerechtigheid niet nastreefden, haar toch hebben verworven, de gerechtigheid namelijk door het geloof, ROM 9:31 maar dat Israël met al zijn ijver voor de wet der gerechtigheid het doel van de wet niet heeft bereikt. ROM 9:32 En waarom niet? Omdat zij meenden te kunnen steunen op het geloof. Zij hebben zich gesloten aan `de Steen waaraan men zich stoot', ROM 9:33 volgens het woord van de Schrift: Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots, een struikelblok. Wie in Hem gelooft zal niet worden teleurgesteld. ROM 10:1 Broeders, het is mijn vurige wens en ik bid tot God, dat zij gered worden. ROM 10:2 Ik moet erkennen dat zij godsdienstige ijver hebben, maar die ijver is zonder inzicht. ROM 10:3 Met hun miskenning van de gerechtigheid Gods en hun pogen een eigen gerechtigheid op te richten hebben zij geweigerd zich aan het heil van God te onderwerpen. ROM 10:4 Want Christus betekent het einde van de wet en gerechtigheid voor ieder die gelooft. ROM 10:5 Over het geloof dat redt. Over de gerechtigheid door de wet schrijft Mozes: De mens die haar volbrengt, zal door haar tot het leven komen. ROM 10:6 Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: Zeg niet bij uzelf: Wie zal ten hemel stijgen? alsof het nodig was Christus te doen afdalen; ROM 10:7 of: Wie zal neerdalen in de onderwereld? alsof het nodig was Christus uit het dodenrijk te doen opstijgen. ROM 10:8 Neen, zegt de Schrift, het woord is vlak bij, het is in uw mond, het is in uw hart, het woord namelijk van het geloof, dat wij verkondigen. ROM 10:9 Want als uw mond belijdt, dat Jezus de Heer is, en uw hart gelooft, dat God Hem van de doden heeft opgewekt, zult gij gered worden. ROM 10:10 Het geloof van uw hart brengt de gerechtigheid en de belijdenis van uw mond het heil. ROM 10:11 Zo zegt het de Schrift: Niemand die in Hem gelooft zal worden teleurgesteld. ROM 10:12 Er bestaat geen verschil tussen Jood en heiden. Zij hebben allen dezelfde Heer, rijk aan gaven voor allen die Hem aanroepen. ROM 10:13 Want alwie de naam van de Heer aanroept zal gered worden. ROM 10:14 Maar hoe kan men Hem aanroepen zonder in Hem te geloven? Hoe in Hem geloven zonder van Hem te hebben gehoord? Hoe kan men van Hem horen, als niemand Hem verkondigt? ROM 10:15 En hoe zullen zij Hem verkondigen, als zij niet zijn gezonden? Gelijk er geschreven staat: Hoe lieflijk zijn de voeten van hen die het goede nieuws brengen. ROM 10:16 Maar niet allen hebben aan het goede nieuws gehoor gegeven. Jesaja zegt het reeds: Heer, wie heeft geloof geschonken aan onze prediking? ROM 10:17 Zo ontstaat dan het geloof door de prediking, en de prediking geschiedt in opdracht van Christus. ROM 10:18 Israël heeft niet gehoorzaamd. Maar, zo vraag ik, hebben zij haar misschien niet gehoord? Toch wel: Hun geluid heeft zich over de gehele aarde verspreid en hun woorden weerklonken tot aan de uiteinden der wereld. ROM 10:19 Maar, vraag ik weer, heeft Israël het misschien niet begrepen? Vooreerst is er Mozes, die zegt: Ik zal u naijverig maken op een volk dat geen volk is, en toornig op een volk zonder inzicht. ROM 10:20 En Jesaja zegt het onvervaard: Ik liet Mij vinden door wie Mij niet zochten. Ik heb Mij vertoond aan mensen die niet naar mij gevraagd hebben. ROM 10:21 Maar Israël bedoelt hij, als hij zegt: De hele dag heb Ik mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en weerspannig volk. ROM 11:1 Israëls ongehoorzaamheid heeft een diepe zin. Heeft God dan zijn volk verstoten? Volstrekt niet. Ik ben zelf een Israëliet, van het geslacht van Abraham, uit de stam Benjamin. ROM 11:2 Nee, God heeft zijn uitverkoren volk niet verstoten. Gij weet toch wat de Schrift zegt in het verhaal van Elia, hoe hij Israël aanklaagt bij God: ROM 11:3 Heer, zij hebben uw profeten gedood en uw altaren omvergeworpen. Ik ben alleen overgebleven, en mij staan ze naar het leven. ROM 11:4 Maar wat geeft de godsspraak hem ten antwoord? Zevenduizend man heb Ik overgehouden, die de knie niet hebben gebogen voor Baal. ROM 11:5 Zo is het ook in deze tijd. Een rest is overgebleven, dank zij een genadige uitverkiezing. ROM 11:6 Is het echter uit genade, dan niet om verdienstelijke werken; anders zou de genade geen genade meer zijn. ROM 11:7 Bijgevolg, wat Israël nastreeft, heeft het niet bereikt. Alleen het uitverkoren deel heeft het bereikt en de overigen zijn verstokt, ROM 11:8 volgens het woord van de Schrift: God heeft hun geest verdoofd, Hij gaf hun ogen die niet zien en oren die niet horen, tot op de dag van vandaag. ROM 11:9 En David zegt: Laat hun tafel voor hen een valstrik worden, een struikelblok, een bestraffing. ROM 11:10 Mogen hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien. Krom hun ruggen zonder ophouden. ROM 11:11 Hebben zij zich dan zo gestoten, dat zij ten val zijn gekomen? Dat niet, maar als gevolg van hun misstap ging het heil naar de heidenen, opdat zij zelf jaloers zouden worden. ROM 11:12 Als hun misstap de wereld verrijkt heeft en hun falen voor de heidenen overvloed betekent, wat mogen wij dan niet verwachten, als zij hun tekort zullen aanvullen! ROM 11:13 De christenen uit het heidendom past bescheidenheid. Nu richt ik mij tot u die uit het heidendom gekomen zijt. Ik ben weliswaar apostel van de heidenen, maar ik schat dit ambt juist hierom zo hoog, ROM 11:14 omdat ik hoop mijn eigen volk tot naijver te prikkelen en er althans enigen van te redden. ROM 11:15 Want als hun verwerping de wereld verzoening heeft gebracht, wat kan dan hun aanneming anders betekenen dan leven uit de doden? ROM 11:16 Is het eerste deel van het deeg geheiligd, dan ook de rest. Is de wortel van de boom heilig, dan ook de takken. ROM 11:17 Als nu sommige van die takken zijn weggebroken, en gij, wilde loot, daartussen zijt geënt en deel hebt gekregen aan het sap van de olijf, verheft u dan niet boven de takken. ROM 11:18 Wilt gij snoeven, bedenkt, dat de wortel u draagt en niet gij de wortel. ROM 11:19 Gij zult zeggen: `Er zijn dan toch maar takken weggebroken, opdat ik zou worden geënt.' ROM 11:20 Heel juist, zij zijn weggekapt om hun ongeloof, en gij dankt uw plaats aan het geloof. Maar neemt u in acht, weest niet overmoedig. ROM 11:21 Als God de takken die aan de boom thuishoorden, niet heeft ontzien, zal Hij ook u niet sparen. ROM 11:22 Houdt daarom Gods goedertierenheid voor ogen, maar ook zijn gestrengheid: zijn gestrengheid voor de takken die zijn afgevallen en zijn goedertierenheid jegens u, indien gij tenminste zijn goedheid trouw blijft. Anders wordt ook gij weggekapt. ROM 11:23 En wat hen betreft, als zij niet in hun ongeloof volharden, zullen ook zij weer worden geënt. Want God is bij machte hen opnieuw te enten. ROM 11:24 Gij zijt van de wilde olijfboom, waartoe gij krachtens uw oorsprong behoort, afgebroken, en tegen uw aard in geënt op de edele olijf. Hoeveel gemakkelijker zullen zij die er van nature bij horen weer op hun eigen stam worden geënt! ROM 11:25 Gods genade voor Israël en alle volken. Overschat uzelf niet, broeders. Ik moet u een geheim openbaren: de verharding die over een deel van Israël gekomen is, duurt slechts totdat de massa van de heidenvolken is binnengegaan. ROM 11:26 En zo zal ten slotte heel Israël gered worden, volgens de woorden van de Schrift: Uit Sion zal de Redder komen en Hij zal de goddeloosheid uit Jakob verwijderen. ROM 11:27 En dit is het verbond dat Ik met hen zal sluiten, wanneer Ik hun zonden heb weggenomen. ROM 11:28 Al staan zij vijandig tegenover het evangelie maar dat is uw winst toch blijven wij Gods vrienden krachtens zijn uitverkiezing, omwille van de aartsvaders. ROM 11:29 Want God kent geen berouw over zijn genadegaven noch over zijn roeping. ROM 11:30 Zoals gij eertijds aan God ongehoorzaam zijt geweest, thans echter, dank zij hun ongehoorzaamheid, ontferming hebt gevonden, ROM 11:31 zo zijn zij op hun beurt thans ongehoorzaam geworden, opdat nu ook zij, ten gevolge van de u betoonde ontferming, erbarming zouden vinden. ROM 11:32 Zo heeft God allen in ongehoorzaamheid opgesloten om allen in te sluiten in zijn ontferming. ROM 11:33 Lofprijzing Gods als besluit. O onpeilbare rijkdom van Gods wijsheid en kennis! Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beslissingen, hoe onnaspeurlijk zijn wegen! ROM 11:34 Wie kent de gedachte des Heren? Wie is zijn raadsman geweest? ROM 11:35 Wie kan vergoeding eisen voor wat hij God heeft gegeven? ROM 11:36 Want uit Hem en door Hem en voor Hem zijn alle dingen. Hem zij de glorie in eeuwigheid! Amen. 12,1-15,13 VERMANEND DEEL ROM 12:1 Toewijding aan God. En nu, broeders, smeek ik u bij Gods erbarming: wijdt uzelf aan Hem toe als een levende, heilige offergave, die Hij kan aanvaarden. Dat is de geestelijke eredienst die u past. ROM 12:2 Stemt uw gedrag niet af op deze wereld. Wordt andere mensen, met een nieuwe visie. Dan zijt ge in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, wat zeer goed is en volmaakt. ROM 12:3 Individuele gaven in dienst van de gemeenschap. Uit kracht van de genade die God mij gegeven heeft zeg ik tot ieder van u: acht uzelf niet hoger dan ge kunt verantwoorden, denkt over uzelf met bedachtzaamheid, neemt als norm het geloof maar houdt rekening met de voor ieder verschillende maat van Gods gave. ROM 12:4 Want zoals het menselijk lichaam vele organen heeft met allerlei verschillende functies, ROM 12:5 zo vormen wij allen tezamen in Christus een lichaam, en ieder afzonderlijk, zijn wij, evenals de ledematen van het lichaam, aangewezen op elkaar. ROM 12:6 De geestelijke gaven die wij bezitten verschillen naar de bijzondere genade die ieder van ons is geschonken. Hebt gij de gave van de profetie ontvangen, gebruik die in overeenstemming met het geloof. ROM 12:7 Hebt gij de gave van dienst of van lering ontvangen, legt u dan toe op dienstbetoon of onderricht. ROM 12:8 Wie een opwekkend woord heeft, moet anderen bemoedigen. Wie iets heeft uit te delen, schenke het weg met mildheid. Als ge leiding geeft, doet het met ijver, als ge barmhartigheid bewijst, doe het met blijmoedigheid. ROM 12:9 Liefde onder elkaar jegens allen. Uw liefde moet ongeveinsd zijn. Haat het kwaad, houdt vast wat goed is. ROM 12:10 Bemint elkander hartelijk met broederlijke genegenheid. Acht anderen hoger dan uzelf. ROM 12:11 Laat uw ijver niet verflauwen, weest vurig van geest, dient de Heer. ROM 12:12 Laat de hoop u blij maken, houdt stand in de verdrukking, volhardt in het gebed. ROM 12:13 Draagt bij voor de noden van de heiligen, beoefent de gastvrijheid. ROM 12:14 Zegent hen die u vervolgen; ge moet ze zegenen in plaats van ze te vervloeken. ROM 12:15 Verblijdt u met de blijden en weent met hen die wenen. ROM 12:16 Weest eensgezind. Schikt u zonder hooghartigheid in de omgang met gewone mensen. Weest niet eigenwijs. ROM 12:17 Vergeldt niemand kwaad met kwaad. Hebt het goede voor met alle mensen. ROM 12:18 Leeft voor zover het van u afhangt met alle mensen in vrede. ROM 12:19 Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat het over aan Gods gerechtigheid; er staat immers geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal vergelden, zegt de Heer. ROM 12:20 Als uw vijand honger heeft, geeft hem te eten. Als hij dorst heeft, geeft hem te drinken. Zodoende zult gij vurige kolen op zijn hoofd stapelen. ROM 12:21 Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwint het kwade door het goede. ROM 13:1 Onderwerping aan de overheid. Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagdragers die boven hem staan. Want er is geen gezag dan van God. Ook het bestaande gezag is door God ingesteld. ROM 13:2 Wie zich dus tegen het gezag verzet, verzet zich tegen Gods verordening, en wie dit doen, roepen een vonnis over zich af. ROM 13:3 De overheden zijn niet te duchten bij een goede, wel bij een slechte daad. Wilt gij zonder vrees voor het gezag leven, doet het goede, en het gezag zal u prijzen. ROM 13:4 Want de overheid staat in dienst van God voor uw welzijn. Doet gij echter het kwade, dan moet gij vrezen; zij draagt het zwaard niet voor niets. Zij is een werktuig van God om aan de boosdoener de rechtvaardige straf te voltrekken. ROM 13:5 Daarom is het nodig dat gij u onderwerpt, niet alleen uit vrees voor straf, maar ook ter wille van een goed geweten. ROM 13:6 Om dezelfde reden betaalt gij ook belasting; de beambten staan in dienst van God, en wijden daaraan al hun aandacht. ROM 13:7 Geeft ieder wat hem toekomt: belasting en rechten aan wie gij belasting en rechten verschuldigd zijt, ontzag en eerbied aan wie ontzag en eerbied toekomen. ROM 13:8 De liefde vervult de wet. Zorgt dat gij niemand iets schuldig zijt. Uw enige schuld blijve de onderlinge liefde. Wie zijn naaste bemint, heeft de wet vervuld. ROM 13:9 Want de geboden: gij zult niet echtbreken, niet doden, niet stelen, niet begeren, en alle andere kan men samenvatten in dit ene woord: Bemin uw naaste als uzelf. ROM 13:10 De liefde berokkent de naaste geen enkel kwaad. Liefde vervult de gehele wet. ROM 13:11 Waakzaamheid. Bovendien, gij kent de tijd waarin wij leven, gij weet dat het uur om uit de slaap te ontwaken reeds is aangebroken. Thans is ons heil dichterbij dan toen wij tot het geloof kwamen. ROM 13:12 De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan. Laten wij ons dus ontdoen van de werken der duisternis en ons wapenen met het licht. ROM 13:13 Laten wij ons behoorlijk gedragen, als op klaarlichte dag, en ons onthouden van braspartijen en drinkgelagen, van ontucht en losbandigheid, van twist en nijd. ROM 13:14 Bekleedt u met de Heer Jezus Christus, en koestert geen zondige begeerten meer. ROM 14:1 Verdraagzaamheid. Stoot de zwakke in het geloof niet af door zijn meningen te betwisten. ROM 14:2 De een is ervan overtuigd dat hij alles mag eten, terwijl de ander zich angstvallig beperkt tot plantaardig voedsel. ROM 14:3 Laat hem die gewoon eet de ander niet geringschatten, en laat hem die niet eet de ander niet veroordelen; want God zelf heeft die ander als de zijne aangenomen. ROM 14:4 Wie zijt gij wel, dat gij u een oordeel aanmatigt over de knecht van een ander? Of hij staat of valt, gaat alleen zijn meester aan. Hij zal trouwens staande blijven, want zijn Heer is bij machte hem staande te houden. ROM 14:5 De een maakt onderscheid tussen de dagen, voor de ander zijn ze alle gelijk. Gun ieder zijn eigen overtuiging. ROM 14:6 Wie aan een bepaalde dag waarde hecht, doet het ter ere van de Heer, en wie eet, eet ter ere van de Heer, want hij dankt God; wie niet eet, laat het ter ere van de Heer, en ook hij dankt God. ROM 14:7 Niemand van ons leeft voor zichzelf alleen, niemand sterft voor zichzelf alleen. ROM 14:8 Zolang wij leven, leven wij voor de Heer, en sterven wij, dan sterven wij voor de Heer: of wij leven of sterven, Hem behoren wij toe. ROM 14:9 Daarvoor is Christus gestorven en weer levend geworden: om Heer te zijn over doden en levenden. ROM 14:10 Met welk recht veroordeelt gij uw broeder? En gij, waarom kleineert gij uw broeder? Allen zullen wij verschijnen voor de rechterstoel van God. ROM 14:11 Want er staat geschreven: Zowaar Ik leef, zegt de Heer, voor Mij zal elke knie zich buigen en elke tong zal God lofprijzen. ROM 14:12 Zo zal dan ieder van ons rekenschap moeten afleggen voor zichzelf. ROM 14:13 Geef geen aanstoot. Laten wij dus voortaan elkander niet veroordelen, maakt liever het voornemen uw broeder geen aanstoot of ergernis te geven. ROM 14:14 Ik ben er vast van overtuigd, voor het aanschijn van onze Heer Jezus, dat geen enkel ding onrein is uit zichzelf. Iets wordt alleen onrein voor hem die het als zodanig beschouwt. ROM 14:15 Maar als gij uw broeder grieft door een bepaalde spijs te gebruiken, handelt gij niet meer volgens de liefde. Christus is voor hem gestorven, breng zijn heil niet in gevaar met uw eten. ROM 14:16 Bezorgt uw goede zaak geen slechte naam. ROM 14:17 Het koninkrijk van God is geen kwestie van spijs en drank, maar is gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest. ROM 14:18 Wie op deze wijze Christus dient, is door God aanvaard en geacht bij de mensen. ROM 14:19 Wij streven dus naar dat wat de vrede en de opbouw van onze gemeenschap bevordert. ROM 14:20 Breekt Gods werk niet af ter wille van spijs. Zeker, alles is rein, maar voor hem die het niet kan eten zonder aanstoot te nemen wordt het slecht. ROM 14:21 Het is goed geen vlees te gebruiken, geen wijn of wat ook, wanneer uw broeder daardoor geërgerd wordt. ROM 14:22 Behoud gij intussen uw eigen overtuiging voor het aanschijn van God. Gelukkig is hij die zich bij zijn beslissing niets heeft te verwijten. ROM 14:23 Wie twijfelt en toch eet, is al veroordeeld, omdat hij niet volgens zijn overtuiging handelt. Alles wat strijdt met de overtuiging van het geweten is zondig. ROM 15:1 Wij die bij de sterken horen, hebben de plicht de gevoeligheid van de zwakken te ontzien, zonder rekening te houden met onszelf. ROM 15:2 Laat ieder van ons bedacht zijn op het welzijn en de stichting van zijn naaste. ROM 15:3 Ook Christus heeft geen rekening gehouden met zichzelf. Hij heeft het woord van de Schrift vervuld: De smaad van hen die U smaden is op Mij neergekomen. ROM 15:4 Want alles wat eertijds is opgeschreven, werd opgetekend tot onze lering, opdat wij door de volharding en de vertroosting die wij putten uit de Schrift in hoop zouden leven. ROM 15:5 God, die de volharding en de vertroosting schenkt, verlene u ook eensgezindheid in de geest van Christus Jezus, ROM 15:6 opdat gij een van hart en uit een mond de God en Vader van onze Heer Jezus Christus moogt verheerlijken. ROM 15:7 De eenheid van de gemeente. Aanvaardt daarom elkander als leden van een gemeenschap, zoals ook Christus ons in zijn gemeenschap heeft opgenomen, ter ere Gods. ROM 15:8 Ik bedoel dit: ter wille van Gods trouw is Christus dienaar geweest van het Joodse volk, om de beloften aan de aartsvaders waar te maken; ROM 15:9 maar de heidenen moeten God verheerlijken om zijn erbarming, volgens het woord van de Schrift: Daarom zal ik U loven onder de heidenen en uw naam met psalmen prijzen. ROM 15:10 En nog eens zegt zij: Verheugt u, heidenen, tezamen met zijn volk. ROM 15:11 En elders: Prijst de Heer, alle heidenen; looft Hem, alle volken. ROM 15:12 En ten slotte zegt Jesaja: De Wortel van Isa zal verschijnen, Hij die opstaat om te heersen over de heidenen. Op Hem zullen de heidenvolken hun hoop vestigen. 15,14-16,27 BESLUIT VAN DE BRIEF ROM 15:13 Paulus' apostolaat. Moge de God van de hoop u vervullen met alle vreugde en vrede in het geloven, zodat gij overvloeit van hoop, door de kracht van de heilige Geest. ROM 15:14 Broeders, ik voor mij twijfel er niet aan of gij zijt best in staat zelf elkaar van advies te dienen; ge zijt immers bezield met de beste bedoelingen en toegerust met alle mogelijke kennis. ROM 15:15 Toch heb ik u hier en daar met een zekere vrijmoedigheid geschreven, om u een en ander in herinnering te brengen, uit kracht van de genade die mij van Godswege is geschonken. ROM 15:16 Hij heeft mij bestemd voor de heilige dienst van Christus Jezus onder de heidenen, om het evangelie van God te bedienen, om Hem de volken aan te bieden als een welkome gave, geheiligd door de Heilige Geest. ROM 15:17 Hierop mag ik mij in Christus Jezus bij God beroemen. ROM 15:18 Want ik verstout mij niet over iets anders te spreken dan over hetgeen Christus door mij tot stand heeft gebracht voor de bekering van de heidenen, door woord en daad, ROM 15:19 door machtige wondertekenen, in de kracht van de Geest. Zo heb ik van Jeruzalem en omgeving tot de kust van Dalmatië de prediking van het evangelie van Christus voltooid. ROM 15:20 Alleen was het mij een erezaak het nergens te verkondigen waar de naam van Christus reeds genoemd was. Ik wil niet bouwen op een fundament dat door anderen is gelegd. ROM 15:21 maar houd mij aan het woord van de Schrift: Zij zullen aanschouwen, die geen boodschap over Hem hebben vernomen. Zij moeten tot inzicht komen, die nog niet van Hem hebben gehoord. ROM 15:22 Reisplannen. Dit is dan ook de reden waarom ik telkens verhinderd was bij u te komen. ROM 15:23 Maar nu heb ik in deze streken geen arbeidsveld meer, en al jaren verlang ik vurig u te bezoeken, ROM 15:24 als ik naar Spanje ga. Ik hoop namelijk u op doorreis te zien en met uw steun mijn tocht naar Spanje voort te zetten, nadat ik eerst enige tijd van uw gezelschap genoten heb. ROM 15:25 Op het ogenblik sta ik op het punt naar Jeruzalem te vertrekken ter ondersteuning van de heiligen. ROM 15:26 Want de gemeenten van Macedonië en Acha a hebben besloten een collecte te houden voor de armen onder de heiligen te Jeruzalem. ROM 15:27 Een mooi besluit, maar zij staan ook bij hen in de schuld; daar de heidenen deel hebben gekregen aan hun geestelijke gaven, zijn zij van hun kant verplicht hen materieel bij te staan. ROM 15:28 Wanneer ik dan deze taak volbracht en hun de opbrengst veilig ter hand gesteld heb, zal ik over Rome naar Spanje reizen. ROM 15:29 Ik weet zeker, dat als ik u bezoek, ik zal komen met een volle zegen van Christus. ROM 15:30 Maar ik doe een beroep op u, broeders, bij onze Heer Jezus Christus en de liefde van de Geest: staat mij bij in de strijd; bidt God voor mij, ROM 15:31 dat ik mag ontkomen aan de aanslagen van de weerspanningen in Judea, en dat mijn hulpactie voor Jeruzalem bij de heiligen aldaar in goede aarde mag vallen. ROM 15:32 Dan zal ik, als God het wil, vol vreugde bij u komen en rust vinden in uw midden. ROM 15:33 De God van de vrede zij met u allen! Amen. ROM 16:1 Groeten. Ik beveel u onze zuster Febe aan, diakones van de gemeente te Kenchreae. ROM 16:2 Ontvangt haar hartelijk zoals christenen past en staat haar bij in alle zaken waarin zij uw hulp nodig heeft. Zelf is zij voor velen, en met name ook voor mij, een echte beschermengel geweest. ROM 16:3 Groet Prisca en Aquila, mijn medearbeiders in Christus Jezus, ROM 16:4 die hun leven voor mij op het spel hebben gezet; niet alleen ik ben hun dank verschuldigd, maar ook al de heidengemeenten. ROM 16:5 Groet insgelijks de gemeente Epenetus, Asia's eersteling voor Christus. ROM 16:6 Groet Maria, die zich zoveel moeite voor u heeft gegeven. ROM 16:7 Groet Andronikus en Junias, mijn landgenoten en medegevangenen, mannen van aanzien onder de apostelen, die al eerder christen waren dan ik. ROM 16:8 Groet Ampliatus, mijn dierbare vriend in de Heer. ROM 16:9 Groet Urbanus, onze medewerker in de zaak van Christus, en mijn geliefde Stachys. ROM 16:10 Groet Apelles, die echte christen. Groet hen die tot het huis van Aristobulus behoren. ROM 16:11 Groet mijn landgenoot Herodion. Groet de christenen die behoren tot het huis van Narcissus. ROM 16:12 Groet Tryfena en Tryfosa, die arbeiden in de dienst des Heren. Groet mijn dierbare Persis, die zich veel moeite heeft gegeven voor de Heer. ROM 16:13 Groet Rufus, die voortreffelijke christen, en haar die zijn moeder is en evenzeer de mijne. ROM 16:14 Groet Asynkritus, Flegon, Hermes, Patrobas, Hermas en de broeders die bij hen zijn. ROM 16:15 Groet Filologus en Julia, Nereus met zijn zuster, en Olympas, en al de heiligen die bij hen zijn. ROM 16:16 Groet elkander met de heilige kus. U groeten al de gemeenten van Christus. ROM 16:17 Broeders, ik vermaan u hen in het oog te houden die oorzaak zijn van allerlei tweedracht en ergernis, hetgeen strijdt met de leer die gij hebt ontvangen. Vermijdt hen. ROM 16:18 Zulke lieden dienen niet onze Heer Christus, maar hun eigen lusten, en argeloze mensen laten zich misleiden door hun fraaie en vroomklinkende woorden. ROM 16:19 Ik ben gelukkig met uw gehoorzaamheid aan het evangelie, die algemeen bekend is; en ik wens u toe, dat gij, volleerd in het goede, door geen kwaad wordt aangetast. ROM 16:20 Dan zal de God van de vrede weldra de satan onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heer Jezus zij met u. ROM 16:21 Mijn medewerker Timoteüs en mijn landgenoten Lucius, Jason en Sospater laten u groeten. ROM 16:22 Ik, Tertius, die deze brief heb opgenomen, groet u in de Heer. ROM 16:23 Gajus, gastheer van mij en van de hele christengemeente, ROM 16:24 Erastus, de beheerder van de stedelijke financiën, en onze broeder Quartus laten u groeten. ROM 16:25 Lofprijzing. Aan Hem die de macht heeft u sterk te maken volgens het evangelie van Jezus Christus, dat ik verkondig, volgens de openbaring van het mysterie, dat eeuwenlang verzwegen bleef ROM 16:26 maar nu is onthuld, en dat krachtens de opdracht van de eeuwige God aan de hand van profetische geschriften is meegedeeld aan alle heidenvolken om hen te brengen tot de gehoorzaamheid van het geloof ROM 16:27 aan Hem, de enige, alwijze God, zij de heerlijkheid door Jezus Christus in de eeuwen der eeuwen! Amen. 1KORINTIERS 1KOR 1:1 Schrijver. Lezers. Groet. Van Paulus, door Gods wil geroepen tot apostel van Christus Jezus, en onze broeder Sostenes 1KOR 1:2 aan de kerk Gods te Korinte, aan hen die, geheiligd in Christus Jezus, tot een heilig leven zijn bestemd, samen met allen die allerwegen de naam aanroepen van Jezus Christus, hun Heer en de onze. 1KOR 1:3 Genade en vrede voor u vanwege God onze Vader en de Heer Jezus Christus! 1KOR 1:4 Dankzegging. Steeds weer zeg ik God dank voor zijn genade, die u in Christus Jezus is gegeven. 1KOR 1:5 Want in Christus zijt ge, naarmate zijn getuigenis bij u ingang vond, 1KOR 1:6 in ieder opzicht rijk begiftigd met alle gaven van woord en kennis. 1KOR 1:7 Op dit punt komt gij niets te kort, terwijl gij vol verwachting uitziet naar de openbaring van onze Heer Jezus Christus. 1KOR 1:8 Hij zal u ook doen standhouden tot het einde, zodat u geen blaam treft op de dag van onze Heer Jezus. 1KOR 1:9 God is getrouw, die u geroepen heeft tot gemeenschap met zijn Zoon, onze Heer Jezus Christus. 1,10-6,20 A. MISSTANDEN IN DE GEMEENTE 1KOR 1:10 De vier partijen. Broeders, ik doe een beroep op u in de naam van onze Heer Jezus Christus: weest allen eensgestemd, laat er geen verdeeldheid onder u zijn; weest volkomen een van zin en een van gevoelen. 1KOR 1:11 Er is mij namelijk door de huisgenoten van Chloë over u verteld, broeders, dat er onenigheid onder u heerst, 1KOR 1:12 Ieder van u schijnt zijn eigen leus te hebben: `Ik ben van Paulus.' `Ik van Apollos.' Ik van Kefas.' Ik van Christus.' 1KOR 1:13 Is Christus dan in stukken verdeeld? Is Paulus voor u gekruisigd? Of zijt gij gedoopt in de naam van Paulus? 1KOR 1:14 God zij dank, dat ik niemand van u gedoopt heb, behalve dan Crispus en Gajus. 1KOR 1:15 Dus niemand kan zeggen, dat gij in mijn naam gedoopt zijt. 1KOR 1:16 O ja, ik heb ook nog het gezin van Stefanas gedoopt; verder zou ik niet weten dat ik iemand gedoopt heb. 1KOR 1:17 Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen. Hij heeft mij gezonden om het evangelie te verkondigen, en dat niet met wijsheid van woorden; anders zou het kruis van Christus zijn kracht verliezen. 1KOR 1:18 De dwaasheid van het kruis. Want de prediking van het kruis is dwaasheid voor hen die verloren gaan, maar voor hen die gered worden, voor ons, is zij Gods kracht. 1KOR 1:19 Er staat immers geschreven: Verdelgen zal Ik de wijsheid der wijzen en het verstand der verstandigen zal Ik tenietdoen. 1KOR 1:20 De wijze, de geleerde, de redetwister van deze tijd, waar zijn zij? Heeft God de wijsheid van de wereld niet tot dwaasheid gemaakt? 1KOR 1:21 In Gods wijsheid heeft de wereld met al haar wijsheid God niet gevonden; daarom heeft God besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid van de verkondiging. 1KOR 1:22 Want Joden eisen wonderen, heidenen verlangen wijsheid. 1KOR 1:23 Maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor de Joden een aanstoot, voor de heidenen een dwaasheid, 1KOR 1:24 maar voor hen die geroepen zijn, joden zowel als heidenen, is Hij Gods kracht en Gods wijsheid. 1KOR 1:25 Want de dwaasheid van God is wijzer dan de mensen, en de zwakheid van God is sterker dan de mensen. 1KOR 1:26 Denkt maar aan uw eigen roeping, broeders. Naar menselijke maatstaf waren er niet velen geleerd, niet velen machtig, niet velen van hoge afkomst. 1KOR 1:27 Nee, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren, om de wijzen te beschamen; wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren, om het sterke te beschamen; 1KOR 1:28 wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitverkoren; wat niets is om teniet te doen wat iets is, 1KOR 1:29 opdat tegenover God geen mens zou roemen op zichzelf. 1KOR 1:30 Dank zij Hem zijt gij in Christus Jezus, die van Godswege heel onze wijsheid is geworden, onze gerechtigheid, heiliging en verlossing. 1KOR 1:31 Daarom, zoals er geschreven staat, als iemand wil roemen laat hem roemen op de Heer. 1KOR 2:1 En wat mijzelf betreft, broeders, toen ik u het getuigenis van God kwam verkondigen, deed ik dat niet met vertoon van welsprekendheid of geleerdheid. 1KOR 2:2 Ik had mij voorgenomen u geen enkele wetenschap te brengen dan die van Jezus Christus en zijn kruis. 1KOR 2:3 Bovendien voelde ik mij toen zwak, nerveus en angstig. 1KOR 2:4 Het woord dat ik u verkondigde, had niets te danken aan de overredingskracht van de `wijsheid', maar het getuigde van de kracht van de Geest: 1KOR 2:5 uw geloof moest niet steunen op menselijke wijsheid, maar op de kracht van God. 1KOR 2:6 Christelijke wijsheid. Toch spreken wij onder de volmaakten over wijsheid, maar dat is niet de wijsheid van deze wereld of van de machten die deze wereld beheersen, wier ondergang op handen is. 1KOR 2:7 Wij verkondigen Gods wijsheid, die verborgen was, het geheime plan, door God van alle eeuwigheid ontworpen en bestemd voor onze verheerlijking. 1KOR 2:8 Geen van de machthebbers van deze wereld heeft ervan geweten. Als zij ervan geweten hadden, zouden zij de Heer der heerlijkheid niet gekruisigd hebben. 1KOR 2:9 Dit zijn de dingen waarvan de Schrift zegt: Geen oog heeft ze gezien, geen oor heeft ze gehoord, geen mens kan het zich voorstellen, al wat God bereid heeft voor die Hem liefhebben. 1KOR 2:10 Maar aan ons heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest van God doorgrondt alles, zelfs de diepste geheimen van God. 1KOR 2:11 Ook onder ons mensen wordt iemands wezen alleen gekend door zijn eigen geest. Zo kent alleen de Geest van God het wezen van God. 1KOR 2:12 Wij hebben echter niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest die van God komt. Hij doet ons inzien al wat God ons in zijn genade gegeven heeft. 1KOR 2:13 En daarover spreken wij, niet met woorden ontleend aan menselijke wijsheid, maar onderricht door de Geest, geestelijke gaven uitleggend aan geestelijke mensen. 1KOR 2:14 Een ongeestelijk mens aanvaardt niet wat komt van de Geest van God; het is dwaasheid voor hem, hij is niet in staat deze dingen te vatten, want ze kunnen alleen beoordeeld worden in het licht van de Geest. 1KOR 2:15 Een geestelijk mens kan alles beoordelen, maar niemand oordeelt over hem. 1KOR 2:16 Wie kent de gedachte van de Heer? Wie kan Hem raad geven? Maar onze gedachte is de gedachte van Christus. 1KOR 3:1 Maar het was mij destijds niet mogelijk, broeders, tot u te spreken als waart gij reeds geestelijk en niet langer ego stisch. In Christus waart gij nog zo jong! 1KOR 3:2 Melk moest ik u geven, geen vaste spijs; die kondt gij nog niet verdragen. 1KOR 3:3 Zelfs nu kunt gij het niet, want gij laat u nog altijd leiden door zelfzucht. Of is het geen uiting van ego sme en kleinmenselijk gedrag, dat er onder u naijver en twist voorkomt? 1KOR 3:4 Als de een zegt: `Ik ben voor Paulus', en de ander: `Ik voor Apollos,' zijt gij dan niet al te menselijk? 1KOR 3:5 De juiste opvatting over persoon en werk van de predikers. Wat zijn Apollos en Paulus eigenlijk? Niet meer dan ondergeschikten, die behulpzaam waren bij uw bekering, en wel ieder van ons op zijn eigen manier, zoals de Heer het ons vergund heeft: 1KOR 3:6 ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de groei. 1KOR 3:7 Noch hij die plant betekent iets, noch hij die begiet, maar alleen God, die de wasdom geeft. 1KOR 3:8 Die plant en die begiet staan op een lijn, al ontvangt wel ieder loon naar eigen arbeid. 1KOR 3:9 Wij zijn Gods medewerkers, gij zijt Gods akker, Gods bouwwerk. 1KOR 3:10 Naar de mij gegeven genade heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd waarop een ander voortbouwt. Maar laat iedereen toezien hoe hij daarop bouwt. 1KOR 3:11 Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat er reeds ligt, namelijk Jezus Christus. 1KOR 3:12 Of men nu op deze grondslag verder gaat met goud, zilver, kostbare stenen, of hout, hooi en stro, 1KOR 3:13 van ieders werk zal de kwaliteit aan het licht komen. De grote dag zal het aantonen, want deze verschijnt met vuur, en het vuur zal uitwijzen wat ieders werk waard is. 1KOR 3:14 Houdt het bouwwerk dat iemand optrok stand, dan zal hij loon ontvangen. 1KOR 3:15 Verbrandt het, dan zal hij schade lijden; hijzelf zal gered worden, maar, om zo te zeggen, door het vuur heen. 1KOR 3:16 Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest van God in u woont? 1KOR 3:17 Als iemand de tempel van God te gronde richt, zal God hem te gronde richten. Want de tempel van God is heilig, en die tempel zijt gij. 1KOR 3:18 Laat niemand zichzelf iets wijs maken. Als iemand onder u wijs meent te zijn wijs volgens de opvattingen van deze wereld dan moet hij dwaas worden om de ware wijsheid te leren. 1KOR 3:19 De wijsheid van deze wereld is dwaasheid voor God. Er staat immers geschreven: Hij vangt de wijzen in hun eigen sluwheid, 1KOR 3:20 en elders: De Heer kent de gedachten van de wijzen, Hij weet hoe waardeloos ze zijn. 1KOR 3:21 Laat daarom niemand zijn heil zoeken bij mensen. Want alles is het uwe, 1KOR 3:22 of het nu Paulus is of Apollos of Kefas, wereld, leven of dood, heden of toekomst, alles is van u, 1KOR 3:23 maar gij zijt van Christus en Christus is van God. 1KOR 4:1 Men moet ons dus beschouwen als helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen. 1KOR 4:2 Welnu, van een beheerder wordt geëist, dat hij betrouwbaar blijkt. 1KOR 4:3 Mij is echter niets gelegen aan uw oordeel of dat van enige menselijke instantie. Ik oordeel niet eens over mijzelf. 1KOR 4:4 Want al ben ik mij van niets bewust, daarom ga ik nog niet vrijuit. De Heer is het die over mij oordeelt. 1KOR 4:5 Oordeelt dus niet voorbarig, voordat de Heer gekomen is. Hij zal wat in het duister verborgen is aan het licht brengen, en openbaar maken wat er in de harten omgaat. Dan zal ieder van God de lof ontvangen die hem toekomt. 1KOR 4:6 Gevolgtrekkingen voor de lezers. Broeders, deze uiteenzetting over mij en Apollos is bedoeld als een les voor u. Van ons moet gij leren `niet uit te gaan boven hetgeen geschreven staat;' dan zal niemand van u zich nog opwinden om de ene persoon te verheerlijken ten koste van de andere. 1KOR 4:7 Trouwens, vriend, wie vindt jou zo belangrijk? Wat heb je dat je niet gekregen hebt? En als je alles cadeau gekregen hebt, waarom die drukte alsof alles van jezelf kwam? 1KOR 4:8 Gij zijt blijkbaar al verzadigd, gij zijt al rijk, gij regeert reeds zonder ons! Ach, was het maar waar, dan mochten wij misschien wel delen in uw koningschap! 1KOR 4:9 Want ons, apostelen, heeft God, dunkt mij, de minste plaats aangewezen, die van ter dood veroordeelden. Wij zijn een schouwspel geworden voor heel de wereld, voor engelen en voor mensen: 1KOR 4:10 wij zijn dwaas ter wille van Christus, gij zijt zo verstandig in Christus: wij zijn zwak, gij sterk; gij geëerd, wij geminacht. 1KOR 4:11 Tot op dit eigen ogenblik lijden wij honger en dorst, zijn wij naakt en krijgen wij slagen, zijn wij dakloos 1KOR 4:12 en matten ons af met handenarbeid. Worden wij beschimpt, wij zegenen; worden wij vervolgd, wij dulden het; 1KOR 4:13 smaad beantwoorden wij met minzaamheid. Tot nu toe worden wij behandeld als het schuim der aarde, als het uitvaagsel van de maatschappij. 1KOR 4:14 Dit schrijf ik niet om u beschaamd te maken, maar om u terecht te wijzen als mijn dierbare kinderen. 1KOR 4:15 Want al hadt gij in Christus duizend opvoeders, gij hebt maar een vader. Ik ben het die u door het evangelie in Christus Jezus heb verwekt. 1KOR 4:16 Ik mag u dus aansporen: volgt mij na. 1KOR 4:17 Daarom ook heb ik Timoteüs naar u toegestuurd. Hij is mijn geliefd en trouw kind in de Heer, en hij zal u mijn christelijke levensleer in herinnering brengen, zoals ik die overal, in elke gemeente, verkondig. 1KOR 4:18 In de veronderstelling dat ik toch niet bij u kom, hebben sommigen een grote mond opgezet, 1KOR 4:19 maar binnenkort kom ik, als de Heer het wil; en dan zal ik wel merken wat deze opgeblazen lieden werkelijk waard zijn, afgezien van hun woorden. 1KOR 4:20 Het koninkrijk Gods bestaat nu eenmaal niet in woorden, maar in kracht. 1KOR 4:21 Wat verkiest gij? Moet ik bij u komen met strengheid of met liefde en in een geest van zachtmoedigheid? 1KOR 5:1 De verantwoordelijkheid der gemeente. Men hoort algemeen spreken van ontucht onder u, en wel van de soort die zelfs bij de heidenen niet voorkomt: dat iemand leeft met de vrouw van zijn vader. 1KOR 5:2 En gij verheft u nog boven anderen? Waarom zijt gij niet in de rouw gegaan? Dan zou de man die zo iets heeft bedreven uit uw midden verwijderd zijn. 1KOR 5:3 Ik voor mij, hoewel lichamelijk afwezig, maar in de geest aanwezig, heb reeds, als was ik bij u, het vonnis geveld over hem die dat heeft durven doen. 1KOR 5:4 En het luidt: in de naam van de Heer Jezus moeten wij bijeenkomen, gij en ik in de geest, samen met de kracht van onze Heer Jezus, 1KOR 5:5 en die man uitleveren aan de satan, tot ondergang van zijn lichaam, maar tot redding van zijn geest op de dag des Heren. 1KOR 5:6 Uw zelfvoldaanheid staat u niet fraai. Ge weet toch dat een beetje zuurdeeg genoeg is om het hele deeg zuur te maken? 1KOR 5:7 Doet het oude zuurdeeg weg, om vers deeg te worden, ge moet immers zijn als ongezuurde paasbroden, want ook ons paaslam is geslacht: Christus zelf. 1KOR 5:8 Wij moeten ons feest niet vieren met het oude zuurdeeg, met het bederf van slechtheid en boosheid, maar met het zuivere brood van reinheid en waarheid. 1KOR 5:9 In mijn vorige brief schreef ik u dat gij niet moest omgaan met immorele mensen. 1KOR 5:10 Natuurlijk bedoelde ik niet alle ontuchtigen ter wereld, of uitbuiters, oplichters en afgodendienaars in het algemeen. Dan zoudt gij de wereld moeten verlaten. 1KOR 5:11 Ik verbood u om te gaan met elke zogenaamde christen die er op los leeft of hebzuchtig is of afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of oplichter. Met zo iemand moet gij zelfs niet eten. 1KOR 5:12 Ik heb toch niet te oordelen over de buitenstaanders? Gij oordeelt zelf immers ook alleen over hen die tot de gemeente behoren? 1KOR 5:13 Over de anderen zal God wel oordelen. Verwijdert de boosdoener uit uw midden. 1KOR 6:1 De gemeente in de wereld. Blijkbaar zijn er onder u die, als zij een kwestie hebben met hun naaste, hun recht gaan zoeken bij de ongerechtigen en niet bij de heiligen. 1KOR 6:2 Weet gij niet dat de heiligen de wereld zullen oordelen? En als het oordeel over de wereld bij u berust, zoudt gij dan niet bevoegd zijn voor de meest onbeduidende rechtszaken? 1KOR 6:3 Weet gij niet dat wij over engelen zullen oordelen? Hoeveel te meer dan over alle daagse dingen. 1KOR 6:4 Voor dit soort geschillen moest gij hen die in de gemeente niet in tel zijn, zitting laten houden. 1KOR 6:5 Dit zeg ik om u te beschamen. Er is onder u toch wel een verstandig man, die tussen broeders uitspraak kan doen? 1KOR 6:6 In plaats daarvan procedeert de ene broeder tegen de andere, en dat nog wel ten overstaan van ongelovigen. 1KOR 6:7 Dat gij tegen elkaar processen voert is al treurig genoeg. Waarom lijdt gij niet liever onrecht? Waarom laat gij u niet benaderen? 1KOR 6:8 Maar gij pleegt zelf onrecht, zelf berokkent gij schade, en nog wel aan broeders. 1KOR 6:9 Weet gij niet dat zij die onrecht plegen het koninkrijk Gods niet zullen erven? Maakt uzelf niets wijs! Hoerenlopers, afgodendienaars, echtbrekers, schandknapen, knapenschenders, 1KOR 6:10 dieven, uitbuiters, dronkaards, lasteraars, oplichters, zij zullen het koninkrijk Gods niet erven. 1KOR 6:11 En sommigen van u zijn dat wel geweest, maar nu zijt gij rein gewassen, gij zijt geheiligd, gij zijt gerechtvaardigd in de naam van de Heer Jezus Christus en door de Geest van onze God. 1KOR 6:12 Vrijheid en sexualiteit. Alles is mij geoorloofd.' Ja, maar niet alles is goed voor mij. `Alles staat mij vrij.' Ja, maar ik moet mij door niets laten knechten. 1KOR 6:13 Het voedsel voor de buik en de buik voor het voedsel! Goed, en God zal aan allebei een eind maken. Maar het lichaam is er niet voor de ontucht, maar voor de Heer, en de Heer voor het lichaam. 1KOR 6:14 God heeft niet alleen de Heer opgewekt uit de dood, Hij zal ook ons doen opstaan door zijn kracht. 1KOR 6:15 Gij weet toch dat uw lichamen ledematen zijn van Christus? Zou ik dan wat aan Christus toebehoort wegnemen en aan een deerne geven? Dat nooit! 1KOR 6:16 Of weet gij niet dat hij die met een deerne omgang heeft, een lichaam met haar wordt? De Schift zegt immers: De twee worden een vlees. 1KOR 6:17 Maar wie zich met de Heer verenigt, is met Hem een geest. 1KOR 6:18 Onthoudt u van hoererij. Elke andere zonde die een mens bedrijft, gaat buiten het lichaam om, maar de ontuchtige zondigt tegen zijn eigen lichaam. 1KOR 6:19 Gij weet het, uw lichaam is een tempel van de heilige Geest, die in u woont, die gij van God hebt ontvangen. Gij zijt niet van uzelf. 1KOR 6:20 Gij zijt gekocht en de prijs is betaald. Eert dan God met uw lichaam. 7,1- 11,1 B. ANTWOORD OP SCHRIFTELIJK GESTELDE VRAGEN 7,1- 40 I. Gehuwden en ongehuwden 1KOR 7:1 Het huwelijk in de situatie van de Korintische gemeente. Nu kom ik aan de punten waarover gij geschreven hebt. Het is goed voor een man geen omgang te hebben met een vrouw.' 1KOR 7:2 Ja, maar met het oog op de vele gevallen van ontucht is het beter, dat iedere man zijn eigen vrouw heeft en iedere vrouw haar eigen man. 1KOR 7:3 Man en vrouw moeten elkaar datgene geven waarop zij recht hebben. 1KOR 7:4 Niet de vrouw heeft de beschikking over haar eigen lichaam, maar haar man; evenmin heeft de man te beschikken over zijn eigen lichaam, maar zijn vrouw. 1KOR 7:5 Weigert elkaar de gemeenschap niet, tenzij met onderling goedvinden en voor een bepaalde tijd om u aan het gebed te wijden; en komt daarna weer samen. Anders zou de satan van uw gebrek aan zelfbeheersing gebruik kunnen maken om u te verleiden. 1KOR 7:6 Dit is bedoeld als tegemoetkoming niet als bevel. 1KOR 7:7 Ik zou wel willen dat alle mensen waren zoals ikzelf, maar ieder heeft nu eenmaal van God zijn eigen gave ontvangen, de een deze, de ander die. 1KOR 7:8 Tot de ongehuwden en weduwen zeg ik: het is goed voor ze, als zij blijven zoals ik. 1KOR 7:9 Maar als zij zich niet kunnen beheersen, laten zij dan trouwen. Het is beter te trouwen dan van begeerte te branden. 1KOR 7:10 De gehuwden beveel ik, of liever niet ik, maar de Heer: de vrouw mag niet scheiden van haar man. 1KOR 7:11 Is dit toch gebeurd, dan moet zij ongehuwd blijven of zich met haar man verzoenen. Evenmin mag de man zijn vrouw verstoten. 1KOR 7:12 Tot de overigen zeg ik, niet de Heer: wanneer een broeder een nietgelovige vrouw heeft en deze stemt erin toe bij hem te blijven, mag hij haar niet verstoten. 1KOR 7:13 En wanneer een vrouw een niet gelovige man heeft en deze stemt erin toe bij haar te blijven, mag zij haar man niet verstoten. 1KOR 7:14 Met de vrouw is de niet gelovige man geheiligd en met de man de niet gelovige vrouw; anders waren ook uw kinderen onrein, terwijl zij in werkelijkheid heilig zijn. 1KOR 7:15 Wil echter de niet gelovige partij scheiden, laat zij scheiden; de broeder of zuster is in zo'n geval niet gebonden; God heeft ons geroepen tot vrede. 1KOR 7:16 Trouwens, hoe weet gij, vrouw, of gij uw man zult redden, en gij, man, hoe weet gij of gij uw vrouw zult redden? 1KOR 7:17 Voor het overige moet ieder blijven leven zo als de Heer het voor hem beschikt heeft en zo als God hem heeft geroepen. Zo schrijf ik het in alle gemeenten voor. 1KOR 7:18 Was iemand besneden, toen hij christen werd, dan moet hij het niet laten verhelpen; was iemand onbesneden, dan moet hij zich niet laten besnijden. 1KOR 7:19 Het gaat er niet om of iemand besneden is of onbesneden, het gaat alleen om het onderhouden van Gods geboden. 1KOR 7:20 Laat iedereen in de staat blijven waarin hij geroepen werd. 1KOR 7:21 Zijt gij als slaaf geroepen, laat het u niet verdrieten; en zelfs als gij vrij kunt worden, blijf dan toch liever slaaf. 1KOR 7:22 Want de christenslaaf is een vrijgelatene van de Heer; en hij die als vrij man geroepen werd, is een slaaf van Christus. 1KOR 7:23 Gij zijt allen gekocht en de prijs is betaald. Wordt geen slaven van mensen. 1KOR 7:24 Broeders laat dus iedereen voor God blijven in die staat waarin hij tot het geloof werd geroepen. 1KOR 7:25 De ongehuwden. Voor de ongehuwden heb ik geen gebod van de Heer, maar ik geef mijn mening als iemand die door de ontferming des Heren betrouwbaar is. 1KOR 7:26 Ik meen dan dat dit in onze zware tijden het beste is, dat het voor een mens het beste is zo te leven. 1KOR 7:27 Hebt gij een vrouw getrouwd? Zoekt geen scheiding. Hebt gij uw vrouw verloren? Zoekt geen andere. 1KOR 7:28 Maar als gij wel trouwt, zondigt gij niet, en ook het ongehuwde meisje doet geen zonde, als zij wil trouwen. Alleen, zulke mensen halen zich kommer en zorg op de hals, en dat zou ik u willen besparen. 1KOR 7:29 Ik bedoeld dit, broeders: de tijd is kort geworden. Laten daarom zij die een vrouw hebben, zijn als hadden zij ze niet; 1KOR 7:30 zij die wenen, als weenden zij niet; zij die zich verheugen, als waren zij niet verheugd; zij die kopen, als werden zij geen eigenaar. 1KOR 7:31 Kortom, zij die met het aardse omgaan, moeten er niet in opgaan; want de wereld die wij zien gaat voorbij. 1KOR 7:32 Ik zou willen dat gij zonder zorgen waart. Wie niet getrouwd is, heeft zorg voor de zaak des Heren, hoe hij de Heer kan behagen. 1KOR 7:33 Maar de getrouwde heeft zorg voor aardse zaken, en wil zijn vrouw behagen, 1KOR 7:34 en zijn aandacht is verdeeld. De ongetrouwde vrouw en de maagd hebben zorg voor de dingen van de Heer, om heilig te zijn naar lichaam en geest. De getrouwde vrouw wijdt haar zorgen aan aardse dingen en wil haar man behagen. 1KOR 7:35 Dit alles zeg ik tot uw eigen bestwil, niet om uw vrijheid aan banden te leggen; het gaat mij alleen om de eerbaarheid en een onverdeelde toewijding aan de Heer. 1KOR 7:36 Als een man de zorg heeft voor een ongehuwd meisje en meent, in het geval dat zij al wat ouder wordt, niet passend jegens haar te handelen en er iets gedaan moet worden, laat hem dan doen wat hij wil: laten zij trouwen, daar steekt geen kwaad in. 1KOR 7:37 Maar als hij innerlijk vast staat en, vrij van dwang, meester is van zijn eigen keus en als hij voor zichzelf besloten heeft haar maagdelijkheid te respecteren, zal hij uitstekend handelen. 1KOR 7:38 Met andere woorden, wie haar laat trouwen doet goed, wie haar niet laat trouwen doet beter. 1KOR 7:39 Een vrouw is aan haar man gebonden, zolang hij leeft. Is haar man ontslapen, dan is zij vrij te trouwen met wie zij wil, maar alleen met een christen. 1KOR 7:40 Toch is zij gelukkiger te prijzen, als zij ongehuwd blijft; althans zo denk ik erover, en ik meen ook wel de Geest Gods te bezitten. 8,1- 11,1 II. Het eten van offervlees 1KOR 8:1 Het beginsel. Wat het offervlees betreft: `wij allen bezitten de gave van de kennis'; zeker, maar kennis alleen leidt tot eigenwaan, het is de liefde die opbouwt. 1KOR 8:2 Als iemand kennis meent te bezitten, kent hij nog niet op de juiste wijze. 1KOR 8:3 Maar wie liefheeft, die is gekend. 1KOR 8:4 Wat nu het eten van offervlees betreft, wij weten dat er in de hele wereld geen afgod bestaat en dat er geen God is behalve een. 1KOR 8:5 Want al zijn er ook zogenaamde goden, hetzij in de hemel hetzij op aarde en in deze zin zijn er ongetwijfeld goden en heren in menigte 1KOR 8:6 toch is er voor ons maar een God, de Vader, uit wie het al voortkomt en voor wie wij bestemd zijn, en een Heer, Jezus Christus, door wie het al bestaat en wij in het bijzonder. 1KOR 8:7 De praktijk te regelen door de liefde. Ondertussen bezitten niet allen die kennis. Sommigen, nog altijd niet innerlijk vrij ten aanzien van de afgoden, kunnen het vlees dat aan de goden geofferd is, alleen maar als zodanig beschouwen, en hun geweten, zwak als het is, wordt besmet, als zij het eten. 1KOR 8:8 Voedsel brengt ons niet dichter bij God; wij verliezen er niets bij, als wij het niet eten, en als wij het wel eten, worden wij er niet beter van. 1KOR 8:9 Maar zorgt ervoor, dat uw vrijheid van handelen de zwakken geen aanstoot geeft. 1KOR 8:10 Als zo iemand u, met uw `kennis,' in een afgodstempel aan een maaltijd ziet deelnemen, zal dan die zwakke geen offervlees gaan eten en zijn geweten geweld aandoen? 1KOR 8:11 Dan gaat ten gevolge van uw `kennis' de zwakke verloren, de broeder voor wie Christus is gestorven. 1KOR 8:12 Door te zondigen tegen de broeders en hun angstvallig geweten te kwetsen, zondigt gij tegen Christus. 1KOR 8:13 Daarom, als mijn eten aanstoot geeft aan mijn broeder zal ik in eeuwigheid geen vlees meer gebruiken, om mijn broeder geen aanstoot te geven. 1KOR 9:1 Het voorbeeld van Paulus. Ben ik geen vrij man? Ben ik geen apostel? Heb ik Jezus, onze Heer, niet gezien? Zijt gij niet mijn werk in de Heer? 1KOR 9:2 Al ben ik voor anderen geen apostel, voor u toch zeker wel; want gij zijt in de Heer het zegel op mijn apostelschap. 1KOR 9:3 Dit is mijn antwoord aan mijn critici. 1KOR 9:4 Hebben wij geen recht om te eten en te drinken? 1KOR 9:5 Hebben wij geen recht een christenvrouw mee te nemen zoals de andere apostelen en de broeders des Heren en Kefas? 1KOR 9:6 Of zijn Barnabas en ik de enigen die verplicht zijn te werken voor hun levensonderhoud? 1KOR 9:7 Wie heeft ooit gehoord van een soldaat die zijn eigen soldij betaalt? Wie plant een wijngaard en eet niet van zijn vruchten? Of wie weidt een kudde zonder de melk van de kudde te gebruiken? 1KOR 9:8 Ik steun niet alleen op menselijke overwegingen; de wet zegt precies hetzelfde. 1KOR 9:9 Waar immers geschreven staat: Gij zult een dorsende os niet muilbanden, is het duidelijk, dat het God eigenlijk niet te doen is om de dieren 1KOR 9:10 maar om de mens. Om onzentwil staat het geboekstaafd, dat de ploeger moet ploegen en de dorser dorsen in de hoop zijn deel te ontvangen. 1KOR 9:11 Als wij voor u een geestelijk gewas gezaaid hebben, is het dan te veel gevraagd dat wij van u stoffelijke steun oogsten? 1KOR 9:12 En als anderen zulke aanspraken op u hebben, dan wij toch zeker! Maar wij hebben van dit recht geen gebruik gemaakt. Ik wil liever alles verduren dan de prediking van Christus' evangelie belemmeren. 1KOR 9:13 Weet gij niet dat zij die de tempeldienst verrichten, van de tempel leven, en dat zij die het altaar bedienen, hun deel ontvangen van het altaar? 1KOR 9:14 Zo heeft ook de Heer voor de verkondigers van het evangelie bepaald, dat zij van het evangelie moeten leven. 1KOR 9:15 Maar ik voor mij heb hiervan geen gebruik gemaakt, en ik schrijf u dit alles waarachtig niet met de bedoeling, dat hierin verandering zou komen: ik zou liever sterven dan mij die roem laten ontnemen! 1KOR 9:16 Dat ik het evangelie predik, is voor mij geen reden om te roemen: ik kan niet anders. Wee mij, als ik het evangelie niet verkondig! 1KOR 9:17 Deed ik het uit eigen beweging, dan had ik recht op loon; maar zo is het niet, het is een taak die mij is toevertrouwd. 1KOR 9:18 Wat is dan mijn verdienste? Dat ik het evangelie kosteloos verkondig en geen gebruik maak van het recht, aan de prediking verbonden. 1KOR 9:19 Van allen onafhankelijk, heb ik mij de slaaf van allen gemaakt, om er zoveel mogelijk voor Christus te winnen. 1KOR 9:20 Met de Joden ben ik Jood geworden, om de Joden te winnen; met hen die onder de wet staan heb ik mij aan de wet onderworpen, om de mannen van de wet te winnen, ofschoon de wet over mij geen gezag heeft; 1KOR 9:21 met de wettelozen werd ik wetteloos hoewel niet zonder wet van God en onderworpen aan de wet van Christus om de wettelozen te winnen. 1KOR 9:22 Met de zwakken ben ik zwak geworden, om de zwakken te winnen. Alles ben ik voor allen, om er tot elke prijs enkelen te redden. 1KOR 9:23 En ik doe alles voor het evangelie om er ook zelf deel aan te krijgen. 1KOR 9:24 Gij weet het: de hardlopers in het stadion lopen allen, maar slechts een wint de race. Loop zo dat ge wint! 1KOR 9:25 En de atleten ontzeggen zich bij de training allerlei dingen. Zij doen dat om een vergankelijke krans, wij om een onvergankelijke. 1KOR 9:26 Ik loop dan ook niet in den blinde, ik boks niet als een die in de lucht slaat. 1KOR 9:27 Ik beuk mijn lichaam en houd het in bedwang, om niet, na anderen gepredikt te hebben, zelf te worden verworpen. 1KOR 10:1 Israël als waarschuwend voorbeeld. Gij moet goed weten, broeders, dat onze vaderen wel allen onder de wolk zijn geweest en allen door de Zee zijn getrokken; 1KOR 10:2 en allen zijn zij door wolk en zee in Mozes gedoopt, 1KOR 10:3 en allen aten zij hetzelfde geestelijk voedsel 1KOR 10:4 en allen dronken dezelfde geestelijke drank want zij dronken uit een geestelijke rots die met hen meeging, en die rots was de Christus 1KOR 10:5 maar in de meesten van hen heeft God geen welbehagen gehad; immers, zij werden neergeveld in de woestijn. 1KOR 10:6 Deze gebeurtenissen zijn een les voor ons, opdat wij niet, zoals zij, slechte dingen zouden begeren. 1KOR 10:7 Dient geen valse goden, zoals sommigen van hen gedaan hebben, van wie geschreven staat: Het volk ging zitten om te eten en te drinken, en stond op om te spelen. 1KOR 10:8 Laten wij geen ontucht bedrijven zoals sommigen van hen: op een dag vielen er drieëntwintigduizend. 1KOR 10:9 Laten wij Christus niet tarten, zoals sommigen van hen gedaan hebben: zij kwamen om door de slangen. 1KOR 10:10 Mort ook niet tegen God zoals sommigen van hen gemord hebben: zij zijn gedood door de verderver. 1KOR 10:11 Wat hun overkwam had een diepe zin en het werd te boek gesteld als een waarschuwing voor ons, tot wie het einde der tijden gekomen is. 1KOR 10:12 Daarom, wie meent te staan, moet oppassen dat hij niet valt. 1KOR 10:13 Gij hebt nog geen enkele beproeving doorstaan die de menselijke maat overschrijdt. Maar God is getrouw: Hij zal niet toelaten dat gij boven uw krachten beproefd wordt. Met de beproeving bepaalt Hij al het einde, zodat gij ze kunt doorstaan. 1KOR 10:14 De heidense offermaaltijden zijn onder alle omstandigheden ongeoorloofd. Houdt u dus ver, geliefden, van alle afgoderij. 1KOR 10:15 Ik spreek toch tot verstandige mensen; vormt uw eigen oordeel over wat ik ga zeggen. 1KOR 10:16 Geeft niet de beker der zegening die wij zegenen, gemeenschap met het bloed van Christus? Geeft niet het brood dat wij breken, gemeenschap met het lichaam van Christus? 1KOR 10:17 Omdat het brood een is, vormen wij allen tezamen een lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene brood. 1KOR 10:18 Kijkt ook naar het Joodse volk: treden zij die de offers nuttigen, niet in gemeenschap met het altaar? 1KOR 10:19 Ik beweer niet, dat het aan de afgoden geofferde vlees als zodanig iets bijzonders is of dat er afgoden bestaan. 1KOR 10:20 Maar wat de heidenen offeren, offeren zij aan boze geesten en niet aan God, en ik wil niet dat gij gemeenschap aangaat met de boze geesten. 1KOR 10:21 Gij kunt niet de beker des Heren drinken en de beker der demonen; gij kunt niet deel hebben aan de tafel des Heren en aan de tafel der demonen. 1KOR 10:22 Of willen wij de Heer tot naijver prikkelen? Zijn wij sterker dan Hij? 1KOR 10:23 Praktische regels. Alles is geoorloofd.' Ja, maar niet alles is heilzaam. `Alles is geoorloofd.' Ja, maar niet alles is dienstig. 1KOR 10:24 Niemand zoeke zijn eigen voordeel, maar dat van zijn naaste. 1KOR 10:25 Alles wat in de vleeshal wordt verkocht, moogt gij eten, zonder uit gewetensbezwaar navraag te doen. 1KOR 10:26 Want de aarde en al wat zij bevat behoort aan de Heer. 1KOR 10:27 Wanneer een ongelovige u uitnodigt en gij besluit te gaan, eet gerust al wat u wordt voorgezet, zonder met bezwaard geweten navraag te doen. 1KOR 10:28 Maar als iemand u zegt: `Dit is gewijd vlees,' eet er dan niet van, ter wille van degene die er u opmerkzaam op maakte en om gewetenswil. 1KOR 10:29 Ik bedoel nu niet uw eigen geweten, maar dat van die ander. Want er is geen enkele reden mijn vrijheid te onderwerpen aan het oordeel van andermans geweten. 1KOR 10:30 Als ik na dankzegging iets gebruik, heeft niemand het recht kwaad van mij te spreken om iets waarvoor ik God dank zeg. 1KOR 10:31 Of gij dus eet of drinkt, of wat gij ook doet, doet alles ter ere Gods. 1KOR 10:32 Geeft geen aanstoot, noch aan Joden noch aan heidenen noch aan Gods kerk; 1KOR 10:33 ook ik tracht allen zoveel mogelijk ter wille te zijn, en zoek niet mijn eigen voordeel maar dat van de gemeenschap, opdat allen gered worden. 1KOR 11:1 Weest mijn navolgers, zoals ik het ben van Christus. 11,2- 14,40 C. REGELS VOOR DE BIJEENKOMSTEN DER GEMEENTE 1KOR 11:2 De vrouw in de eredienst. Ik moet u prijzen dat gij bij alles aan mij blijft denken en u houdt aan de overleveringen die ik u heb doorgegeven. 1KOR 11:3 Maar gij dient dit te bedenken. Christus is het hoofd van iedere man, de man is het hoofd van de vrouw, en God is weer het hoofd van Christus. 1KOR 11:4 Iedere man die onder het bidden of profeteren het hoofd gedekt houdt, doet zijn hoofd schande aan. 1KOR 11:5 Iedere vrouw daarentegen brengt schande over haar hoofd, wanneer zij blootshoofds bidt of profeteert; ik vind dat even erg als wanneer haar hoofd kaalgeschoren was. 1KOR 11:6 Als een vrouw geen sluier hoeft te dragen, kan ze net zo goed haar haar laten afknippen. Maar als het voor haar een schande is kaalgeknipt of geschoren te zijn, dan moet ze ook een sluier dragen. 1KOR 11:7 Een man hoeft zijn hoofd niet te bedekken, want hij is Gods evenbeeld en een afstraling van zijn heerlijkheid, terwijl de vrouw weer de glorie is van haar man. 1KOR 11:8 De man is niet genomen uit de vrouw, maar de vrouw uit de man, 1KOR 11:9 en de man is niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. 1KOR 11:10 Daarom moet de vrouw een sluier op het hoofd dragen ter wille van de engelen. 1KOR 11:11 Overigens geldt voor de Heer, dat noch de vrouw iets is zonder de man, noch de man zonder de vrouw: 1KOR 11:12 zoals de vrouw uit de man is, zo is de man door de vrouw, en alles is uit God. 1KOR 11:13 Oordeelt zelf: is het passend dat een vrouw met ongedekt hoofd tot God bidt? 1KOR 11:14 Leert de natuur zelf u niet, dat het voor een man een oneer is het haar lang te dragen, 1KOR 11:15 terwijl dit voor de vrouw juist een sieraad is? Want het haar is de vrouw gegeven bij wijze van omhulling. 1KOR 11:16 En als iemand meent dit te moeten betwisten: wij kennen zulk een gewoonte niet en de gemeenten Gods evenmin. 1KOR 11:17 De maaltijd des Heren. Nu ik bezig ben voorschriften te geven. moet ik er tevens mijn afkeuring over uitspreken, dat gij uw bijeenkomsten houdt op een wijze die u meer kwaad dan goed doet. 1KOR 11:18 Om te beginnen hoor ik dat zich op de samenkomsten van uw gemeente partijschappen manifesteren en ik ben geneigd het te geloven: 1KOR 11:19 onenigheden zijn nu eenmaal onvermijdelijk, als moet blijken wie van uw leden betrouwbaar zijn. 1KOR 11:20 Zoals gij nu samenkomt, kan er geen sprake zijn van `de maaltijd des Heren,' 1KOR 11:21 Want ieder nuttigt bij het eten zijn eigen maaltijd, met het gevolg dat sommigen honger lijden en anderen dronken zijn. 1KOR 11:22 Gij hebt toch huizen om te eten en te drinken? Of minacht gij de gemeente Gods en wilt gij hen die niets hebben beschaamd maken? Wat moet ik hierop zeggen? Kan ik u prijzen? Op dit punt zeker niet. 1KOR 11:23 Zelf heb ik immers van de Heer de overlevering ontvangen die ik u op mijn beurt heb doorgegeven, dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij werd overgeleverd, brood nam, 1KOR 11:24 en na gedankt te hebben, het brak en zeide: `Dit is mijn lichaam voor u. Doet dit tot mijn gedachtenis.' 1KOR 11:25 Zo ook na de maaltijd de beker, met de woorden: `Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed. Doet dit, elke keer dat gij hem drinkt, tot mijn gedachtenis.' 1KOR 11:26 Telkens als gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt. 1KOR 11:27 Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker van de Heer drinkt, bezondigt zich aan het lichaam en bloed des Heren. 1KOR 11:28 Wij moeten onszelf onderzoeken, voor we van het brood eten en uit de beker drinken. 1KOR 11:29 Wie eet en drinkt zonder het lichaam te onderkennen, eet en drinkt zijn eigen vonnis. 1KOR 11:30 Daarom zijn er onder u zo velen ziek en zwak en zijn er een aantal gestorven. 1KOR 11:31 Als wij onszelf beoordelen, zouden wij niet onder dit oordeel vallen. 1KOR 11:32 Maar als het oordeel van de Heer ons tuchtigt, is het uiteindelijk om ons niet met de wereld te hoeven veroordelen. 1KOR 11:33 Daarom, broeders, wanneer gij samenkomt voor de maaltijd, wacht op elkaar. 1KOR 11:34 Als iemand honger heeft, laat hij thuis eten; anders strekt uw bijeenkomst tot uw veroordeling. Het overige zal ik regelen wanneer ik kom. 1KOR 12:1 De Geest en zijn gaven in de gemeente. Ook omtrent de geestelijke gaven, broeders, mag ik u niet in onwetendheid laten. 1KOR 12:2 Ge weet nog wel uit uw heidense tijd, hoe ge telkens opnieuw tot de stomme afgoden werd aangetrokken en meegesleept. 1KOR 12:3 Daarom verklaar ik u: niemand die zegt: `Jezus is vervloekt,' staat onder invloed van de Geest van God; en niemand kan zeggen: `Jezus is de Heer,' tenzij door de heilige Geest. 1KOR 12:4 Er zijn verschillende gaven, maar slechts een Geest. 1KOR 12:5 Er zijn vele vormen van dienstverlening, maar slechts een Heer. 1KOR 12:6 Er zijn allerlei soorten werk, maar er is slechts een God, die alles in allen tot stand brengt. 1KOR 12:7 Maar aan ieder van ons wordt de openbaring van de Geest meegedeeld tot welzijn van allen. 1KOR 12:8 Aan de een wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven, aan een ander een woord van kennis krachtens dezelfde Geest, 1KOR 12:9 aan een derde door dezelfde Geest het geloof, aan weer anderen schenkt de ene Geest gaven om ziekten te genezen, 1KOR 12:10 om wonderen te doen, de gave van de profetie, de onderscheiding van geesten, velerlei taal of de vertolking ervan. 1KOR 12:11 Maar alles is het werk van een en dezelfde Geest, die aan ieder zijn gaven uitdeelt zoals Hij het wil 1KOR 12:12 De vergelijking met het lichaam. Het menselijke lichaam vormt met zijn vele ledematen een geheel; alle ledematen, hoe vele ook, maken tezamen een lichaam uit. Zo is het ook met de Christus. 1KOR 12:13 Wij allen, Joden en heidenen, slaven en vrijen, zijn immers in de kracht van een en dezelfde Geest door de doop een enkel lichaam geworden en allen werden wij gedrenkt met een Geest. 1KOR 12:14 Een lichaam bestaat nu eenmaal niet uit een lid, maar uit vele leden. 1KOR 12:15 Veronderstel dat de voet zegt: `omdat ik geen hand ben, behoor ik niet tot het lichaam,' behoort hij daarom niet tot het lichaam? 1KOR 12:16 En veronderstel dat het oor zegt: omdat ik geen oog ben, behoor ik niet tot het lichaam,' behoort het daarom niet tot het lichaam? 1KOR 12:17 Als het hele lichaam oog was, waar bleef dan het gehoor? Als het helemaal gehoor was, waar bleef de reuk? 1KOR 12:18 In werkelijkheid echter heeft God de ledematen en organen elk afzonderlijk hun plaats in het lichaam aangewezen, zoals Hij het gewild heeft. 1KOR 12:19 Als zij alle samen een lid vormden, waar bleef dan het lichaam? 1KOR 12:20 In feite echter zijn er vele ledematen, maar slechts een lichaam. 1KOR 12:21 Het oog kan niet tot de hand zeggen: ik heb je niet nodig,' en evenmin het hoofd tot de voeten: `ik heb je niet nodig.' 1KOR 12:22 Nog sterker, juist die delen van het lichaam die het zwakst schijnen te zijn, zijn onmisbaar. 1KOR 12:23 En die wij beschouwen als minder eerbaar, omgeven wij met groter eer. Onze minder edele ledematen worden met groter kiesheid behandeld; 1KOR 12:24 de andere hebben dat niet nodig. God heeft het lichaam zo samengesteld, dat Hij aan het mindere meer eer gaf, 1KOR 12:25 opdat er in het lichaam geen verdeeldheid zou zijn en de ledematen eendrachtig voor elkaar zouden zorgen. 1KOR 12:26 Wanneer een lid lijdt, delen alle ledematen in het lijden; wordt een lid geëerd, alle delen in de vreugde. 1KOR 12:27 Welnu, gij zijt het lichaam van Christus, en ieder van u is een lid van dit lichaam. 1KOR 12:28 Nu heeft God in de kerk allerlei mensen aangesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars; voorts zijn er wonderkrachten, dan gaven van genezing, hulpbetoon, bestuur en velerlei taal. 1KOR 12:29 Zijn soms allen apostelen, allen profeten, allen leraars, allen wonderdoeners? 1KOR 12:30 Hebben allen gaven van genezing? Spreken allen in vervoering? Kunnen allen uitleg geven? 1KOR 12:31 Gij moet naar de hoogste gaven streven. Maar eerst wijs ik u een weg die verheven is boven alles. 1KOR 13:1 Het hooglied van de liefde. Al spreek ik met de tongen van engelen en mensen: als ik de liefde niet heb, ben ik een galmend bekken of een schelle cimbaal. 1KOR 13:2 Al heb ik de gave der profetie, al ken ik alle geheimen en alle wetenschap, al heb ik het volmaakte geloof dat bergen verzet: als ik de liefde niet heb, ben ik niets. 1KOR 13:3 Al deel ik heel mijn bezit uit, al geef ik mijn lichaam prijs aan de vuurdood: als ik de liefde niet heb, baat het mij niets. 1KOR 13:4 De liefde is lankmoedig en goedertieren; de liefde is niet afgunstig, zij praalt niet, zij beeldt zich niets in. 1KOR 13:5 Zij geeft niet om de schone schijn, zij zoekt zichzelf niet, zij laat zich niet kwaad maken en rekent het kwade niet aan. 1KOR 13:6 Zij verheugt zich niet over onrecht, maar vindt haar vreugde in de waarheid. 1KOR 13:7 Alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles duldt zij. 1KOR 13:8 De liefde vergaat nimmer. De gave der profetie zal verdwijnen, tongen zullen verstommen, de kennis zal een einde nemen. 1KOR 13:9 Want ons kennen is stukwerk en stukwerk ons profeteren. 1KOR 13:10 Maar wanneer het volmaakte komt, heeft het onvolmaakte afgedaan. 1KOR 13:11 Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, dacht ik als een kind; nu ik man geworden ben, heb ik het kinderlijke afgelegd. 1KOR 13:12 Thans zien wij in een spiegel, onduidelijk, maar dan van aangezicht tot aangezicht. Thans ken ik slechts ten dele, maar dan zal ik ten volle kennen zoals ik zelf gekend ben. 1KOR 13:13 Nu echter blijven geloof, hoop en liefde, de grote drie; maar de liefde is de grootste. 1KOR 14:1 Profetie boven glossolalie. Zet uw hart op de liefde. Maar streeft ook naar geestelijke gaven, vooral naar de profetie. 1KOR 14:2 Wie in vervoering spreekt, spreekt niet voor de mensen, maar voor God; hij uit in geestverrukking geheimzinnige klanken en niemand begrijpt hem. 1KOR 14:3 Maar wie profeteert, spreekt tot nut van anderen woorden van stichting, vermaning en troost. 1KOR 14:4 Wie in extase spreekt, sticht zichzelf; wie profeteert, sticht de hele gemeente. 1KOR 14:5 Ik gun u allen van harte het spreken in vervoering, maar ik heb liever dat gij profeteert. Een profeet is meer waard dan een extatische spreker, behalve wanneer deze laatste ook uitleg geeft, zodat de gemeente ermee gebaat is. 1KOR 14:6 Stel, broeders, dat ik bij u in geestverrukking kom spreken, wat hebt gij daaraan, als ik mij niet tevens tot u richt met een openbaring of met de gave der kennis, met profetie of onderrichting? 1KOR 14:7 Het is er mee als met muziekinstrumenten: als bijvoorbeeld een fluit of een citer geen duidelijk onderscheiden tonen doet horen, kan men onmogelijk weten wat erop gespeeld wordt. 1KOR 14:8 En niemand zal zich gereed maken voor de strijd, als de trompet een onherkenbaar signaal geeft. 1KOR 14:9 Zo is het ook met u: als gij met uw tong onverstaanbare taal uit, hoe kan men dan begrijpen wat gij zegt? Dan kunt gij even goed in de lucht praten. 1KOR 14:10 Er zijn in de wereld ik weet niet hoeveel soorten van talen, en geen is zonder zijn eigen stem. 1KOR 14:11 Als ik nu de betekenis van een taal niet ken, ben ik voor de spreker een vreemdeling en hij voor mij. 1KOR 14:12 Gij moet dus, daar gij zo op geestelijke gaven gesteld zijt, hierin boven alles het nut van de gemeente nastreven. 1KOR 14:13 Daarom moet hij die in vervoering spreekt, bidden om de gave van de vertolking. 1KOR 14:14 Want in zulk een toestand bidt mijn geest wel, maar mijn verstand heeft er geen deel aan. 1KOR 14:15 Het is dus zaak te bidden met mijn geest maar ook met mijn verstand, Gods lof te zingen met mijn geest maar ook met mijn verstand. 1KOR 14:16 Als gij God prijst in geestverrukking, hoe kunnen dan de toehoorders, die aanwezig zijn, amen antwoorden op uw dankzegging? Zij weten niet eens wat gij zegt. 1KOR 14:17 Zeker, gij spreekt een mooi gebed uit, maar de ander is er niet mee gebaat. 1KOR 14:18 Ik spreek, God zij dank, de taal van de Geest niet minder dan wie ook van u, 1KOR 14:19 maar ik wil in de bijeenkomst van de gemeente liever vijf woorden spreken in verstaanbare taal om anderen te onderrichten dan duizend in de taal van de Geest. 1KOR 14:20 Broeders, weest kinderen in de boosheid, maar niet in uw oordeel. Weest in uw denken volwassen mensen. 1KOR 14:21 In de wet staat geschreven: Door lieden met een onverstaanbare taal en in een vreemde tongval zal Ik spreken tot dit volk en zelfs dan zullen zij niet naar Mij luisteren, zegt de Heer. 1KOR 14:22 De glossolalie is dus een teken bestemd niet voor de gelovigen, maar voor de ongelovigen; de profetie daarentegen is bestemd niet voor de ongelovigen, maar voor de gelovigen. 1KOR 14:23 Wat zal er dus gebeuren, als buitenstaanders of ongelovigen binnenkomen, terwijl heel de gemeente bijeen is en allen in vervoering spreken? Zullen zij niet zeggen dat gij waanzinnig zijt? 1KOR 14:24 Maar als allen profeteren en er komt een ongelovige of buitenstaander binnen, dan wordt hij door allen terechtgewezen, door allen beoordeeld 1KOR 14:25 en zijn verborgen gedachten worden blootgelegd; dan zal hij zich ter aarde werpen, hij zal God aanbidden en belijden dat God werkelijk in uw midden is. 1KOR 14:26 Regels voor de bijeenkomsten. Hoe moet het dan, broeders? Telkens wanneer gij bijeen zijt, komt de een met een psalm, de ander met een onderrichting, weer een ander met een openbaring of geestestaal of vertolking. Zorgt dat alles dient tot opbouw van uw gemeente. 1KOR 14:27 Wat het spreken in geestverrukking betreft, dit geschiede door twee of hoogstens drie, en ieder wachte zijn beurt af; en er moet iemand zijn om uitleg te geven. 1KOR 14:28 Is er niemand om het uit te leggen, dan moeten zij in de bijeenkomst zwijgen en maar spreken voor zichzelf en voor God. 1KOR 14:29 Wat de profeten betreft: twee of drie mogen het woord voeren en de overigen moeten het beoordelen. 1KOR 14:30 Wanneer een ander, die nog gezeten is, een openbaring krijgt, moet de eerste zwijgen. 1KOR 14:31 Gij kunt ieder op uw beurt profeteren, zodat allen lering en troost ontvangen. 1KOR 14:32 De geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen, 1KOR 14:33 want God is geen God van wanorde, maar van vrede. Zoals in alle gemeenten der heiligen, 1KOR 14:34 moeten de vrouwen in uw bijeenkomsten zwijgen. Het is hun niet toegestaan het woord te nemen; zij moeten ondergeschikt blijven, zoals trouwens de wet het voorschrijft. 1KOR 14:35 Willen zij iets uitgelegd hebben, dan moeten zij het thuis aan hun man vragen; het past nu eenmaal niet voor een vrouw in de gemeente het woord te voeren. 1KOR 14:36 Is Gods woord soms van u uitgegaan? Is het alleen tot u doorgedrongen? 1KOR 14:37 Als iemand profetische of andere gaven meent te bezitten, moet hij ook inzien, dat wat ik u schrijf een gebod des Heren is. 1KOR 14:38 Wie dit verwerpt wordt zelf verworpen. 1KOR 14:39 Dus, broeders: streeft ijverig naar de profetie, zonder het spreken in geestverrukking te beletten. 1KOR 14:40 Maar laat alles betamelijk en in goede orde geschieden. 15,1- 58 D. DE OPSTANDING DER DODEN 1KOR 15:1 De verrijzenis van Christus. Broeders, ik vestig uw aandacht op het evangelie dat ik u heb verkondigd, dat gij hebt ontvangen, waarop gij gegrondvest zijt 1KOR 15:2 en waardoor gij ook gered wordt: in welke bewoordingen heb ik het u verkondigd? Ik neem aan dat gij die onthouden hebt; anders zoudt gij het geloof zonder nadenken hebben aanvaard. 1KOR 15:3 In de eerste plaats dan heb ik u overgeleverd wat ik ook zelf als overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften, 1KOR 15:4 en dat Hij begraven is, en dat Hij is opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften, 1KOR 15:5 en dat Hij is verschenen aan Kefas en daarna aan de Twaalf. 1KOR 15:6 Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten nog in leven zijn, hoewel sommigen zijn gestorven. 1KOR 15:7 Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen. 1KOR 15:8 En het laatst van allen is Hij ook verschenen aan mij, de misgeboorte. 1KOR 15:9 Ja, ik ben de minste van de apostelen, niet waard apostel te heten, want ik heb Gods kerk vervolgd. 1KOR 15:10 Maar door de genade van God ben ik wat ik ben, en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest. Ik heb harder gewerkt dan alle anderen, niet ik, maar de genade van God met mij. 1KOR 15:11 Maar of zij het nu zijn of ik, dat verkondigen wij en dat hebt gij geloofd. 1KOR 15:12 De zekerheid van onze verrijzenis. En als wij verkondigen dat Christus uit de doden is opgestaan, hoe kunnen dan sommigen onder u beweren, dat er geen opstanding van de doden bestaat? 1KOR 15:13 Als er geen opstanding van de doden bestaat, is ook Christus niet verrezen. 1KOR 15:14 En wanneer Christus niet is verrezen, is onze prediking zonder inhoud en uw geloof eveneens. 1KOR 15:15 Dan volgt zelfs dat wij over God een vals getuigenis hebben afgelegd; want dan hebben wij tegen God in getuigd dat Hij Christus ten leven heeft gewekt, wat Hij niet gedaan heeft, indien, zoals zij beweren, de doden niet verrijzen. 1KOR 15:16 Want als de doden niet verrijzen, is ook Christus niet verrezen, 1KOR 15:17 en als Christus niet is verrezen, is uw geloof waardeloos en zijt gij nog in uw zonden. 1KOR 15:18 Dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn verloren. 1KOR 15:19 Indien wij enkel voor dit leven onze hoop op Christus hebben gevestigd, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen. 1KOR 15:20 Maar zo is het niet! Christus is opgestaan uit de doden, als eersteling van hen die ontslapen zijn. 1KOR 15:21 Want omdat door een mens de dood is gekomen, komt door een mens ook de opstanding der doden. 1KOR 15:22 Zoals allen sterven in Adam, zo zullen ook allen in Christus herleven. 1KOR 15:23 Maar ieder in zijn eigen rangorde: als eerste en voornaamste Christus, vervolgens bij zijn komst, zij die Christus toebehoren; 1KOR 15:24 daarna komt het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader zal overdragen, na alle heerschappijen en alle machten en krachten te hebben onttroond. 1KOR 15:25 Want het is vastgesteld dat Hij het koningschap zal uitoefenen, tot Hij al zijn vijanden onder zijn voeten heeft gelegd. 1KOR 15:26 En de laatste vijand die vernietigd wordt, is de dood. 1KOR 15:27 Immers, alles heeft Hij aan zijn macht onderworpen. Maar wanneer Hij zegt: Alles is onderworpen,' dan natuurlijk met uitzondering van Hem dien alles aan Hem onderworpen heeft. 1KOR 15:28 En wanneer alles aan Hem onderworpen is, dan zal ook de Zoon zelf zich onderwerpen aan Degene die het al aan Hem onderwierp, opdat God zij alles in alles. 1KOR 15:29 Verder, wat hebben zij die zich voor de doden laten dopen, hieraan, als er in het geheel geen doden worden opgewekt? Waarom laten zij zich nog voor hen dopen? 1KOR 15:30 En wijzelf, waarom zouden wij ons elk ogenblik aan gevaren blootstellen? 1KOR 15:31 Dagelijks sterf ik, broeders, zo waar als ik roem draag op u in Christus Jezus onze Heer. 1KOR 15:32 Wat baat het mij dat ik in Efeze om zo te zeggen met de wilde beesten gevochten heb, als de doden niet verrijzen? Laat ons dan maar eten en drinken, want morgen gaan we dood. 1KOR 15:33 Maak uzelf niets wijs: `slechte omgang bederft goede zeden.' 1KOR 15:34 Wordt weer nuchter en bezonnen, en zondigt niet meer. Sommigen hebben blijkbaar geen besef van God. Het spijt me dat ik het moet zeggen. 1KOR 15:35 De wijze van onze opstanding. Maar, zal iemand vragen, hoe verrijzen de doden? Met wat voor lichaam? 1KOR 15:36 Een dwaze vraag! Ook wat gij zelf zaait moet eerst sterven voor het tot leven komt, 1KOR 15:37 en wat gij zaait is slechts een graankorrel of iets dergelijks, en heeft nog niet de vorm die het zal krijgen. 1KOR 15:38 God geeft er een lichaam aan zoals Hij dat gewild heeft, en wel aan elk zaad zijn eigen lichaam. 1KOR 15:39 Ook is niet alle vlees hetzelfde, er is verschil tussen het vlees van mensen en dat van dieren en dat van vogels en van vissen. 1KOR 15:40 En er zijn hemelse lichamen en aardse lichamen, maar de glans der hemelse is anders dan die van de aardse. 1KOR 15:41 De luister van de zon is anders dan die van de maan, en die van de sterren is weer anders; zelfs de ene ster verschilt van de andere in schittering. 1KOR 15:42 Zo is het ook met de opstanding van de doden; wat gezaaid wordt in vergankelijkheid, verrijst in onvergankelijkheid; 1KOR 15:43 wat gezaaid wordt in geringheid en zwakte, verrijst in heerlijkheid en kracht. 1KOR 15:44 Een natuurlijk lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam verrijst. Zoals er een natuurlijk lichaam bestaat, bestaat er ook een geestelijk lichaam. 1KOR 15:45 In deze zin staat er geschreven: De eerste mens, Adam, werd een levens wezen. De laatste Adam werd een levendmakende Geest. 1KOR 15:46 Maar het geestelijke komt niet het eerst; het natuurlijke gaat vooraf, daarna komt het geestelijke. 1KOR 15:47 De eerste mens, uit de aarde genomen, is aards; de tweede is uit de hemel. 1KOR 15:48 Zoals die eerste mens van aarde zijn alle aardse mensen, zoals de hemelse mens zullen alle hemelsen zijn. 1KOR 15:49 En gelijk wij het beeld van de aardse hebben gedragen, zo zullen wij ook het beeld dragen van de hemelse mens. 1KOR 15:50 Ik bedoel dit, broeders: vlees en bloed kunnen niet delen in het koninkrijk van God en het vergankelijke heeft geen aandeel in de onvergankelijkheid. 1KOR 15:51 En nu deel ik u een mysterie mee: wij zullen niet allen sterven, maar wel allen van gedaante veranderen, 1KOR 15:52 opeens, in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal weerklinken en de doden zullen verrijzen in onvergankelijkheid, en wij, wij zullen van gedaante veranderen. 1KOR 15:53 Want dit vergankelijke moet met onvergankelijkheid worden bekleed en dit sterfelijke met onsterfelijkheid. 1KOR 15:54 En wanneer dit vergankelijke met onvergankelijkheid is bekleed en dit sterfelijke met onsterfelijkheid, dan zal het woord van de Schrift in vervulling gaan: De dood is verslonden, de zege is behaald! 1KOR 15:55 Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw angel? 1KOR 15:56 De angel van de dood is de zonde, en de kracht van de zonde is de wet. 1KOR 15:57 Maar God zij gedankt, die ons de overwinning geeft door Jezus Christus, onze Heer. 1KOR 15:58 Daarom, geliefde broeders, weest standvastig en onwankelbaar, en gaat altijd voort met het werk des Heren; gij weet toch dat uw inspanning, dank zij Hem, niet vergeefs is. 16,1- 24 BESLUIT VAN DE BRIEF 1KOR 16:1 Collecte en reisplannen. Wat de collecte voor de heiligen betreft: volgt de regel die ik voor de kerken van Galatië heb vastgesteld. 1KOR 16:2 Laat ieder van u elke zondag naar vermogen iets op zij leggen en bewaren; anders beginnen de inzamelingen pas wanneer ik kom. 1KOR 16:3 Ik zal dan, als ik bij u ben, de mannen die gij daarvoor geschikt acht, met brieven naar Jeruzalem zenden om uw gaven over te brengen. 1KOR 16:4 En als het de moeite waard is dat ik zelf ook ga, kunnen zij met mij meereizen. 1KOR 16:5 Ik kom bij u, wanneer ik in Macedonië geweest ben, want ik ga over Macedonië. 1KOR 16:6 Bij u zal ik, als het kan, langer blijven en misschien wel de winter doorbrengen; gij kunt mij dan voorthelpen, wanneer ik verder reis. 1KOR 16:7 Het is niet mijn bedoeling u ditmaal vluchtig te bezoeken; ik hoop enige tijd bij u te blijven, als de Heer het toelaat. 1KOR 16:8 Tot Pinksteren blijf ik nog in Efeze, 1KOR 16:9 want de deur staat hier wijd open voor mijn werk, en er zijn veel tegenstanders. 1KOR 16:10 Aanbevelingen. Wanneer Timoteüs komt, zorgt ervoor dat hij zich bij u thuis voelt; hij doet het werk des Heren evenals ik; 1KOR 16:11 niemand mag hem minachten. Bezorgt hem een veilige terugreis hierheen, want de broeders en ik wachten op hem. 1KOR 16:12 Wat onze broeder Apollos betreft, ik heb hem dringend verzocht met de broeders mee te gaan naar u, maar hij weigerde absoluut nu al te vertrekken; hij zal gaan zodra het hem gelegen komt. 1KOR 16:13 Blijft waakzaam, staat vast in het geloof, weest moedig en sterk. 1KOR 16:14 Laat alles bij u gebeuren met liefde. 1KOR 16:15 Ik heb nog een verzoek aan u, broeders: gij weet dat stefanas en zijn gezin de eerste bekeerlingen van Achaje zijn en dat zij zich in dienst hebben gesteld van de heiligen. 1KOR 16:16 Aanvaardt dan ook van uw kant de leiding van zulke mensen en van allen die hun werk en moeite delen. 1KOR 16:17 Ik verheug mij over de aanwezigheid hier van Stefanas, Fortunatus en Achaicus; zij hebben mij het gemis van u vergoed, 1KOR 16:18 zij hebben mijn zorgen verlicht, en daarmee ook de uwe. Houdt zulke mensen in ere. 1KOR 16:19 Groeten. De gemeenten van Asia laten u groeten. Veel groeten in de Heer van Aquila en Prisca en van de gemeente bij hen aan huis. 1KOR 16:20 Al de broeders groeten u. Groet elkander met de heilige kus. 1KOR 16:21 Deze groet is van mijn eigen hand: Paulus. 1KOR 16:22 Als iemand de Heer niet liefheeft, hij zij vervloekt. Maranatha! 1KOR 16:23 De genade van de Heer Jezus zij met u. 1KOR 16:24 Mijn liefde is met u allen in Christus Jezus. DE TWEEDE BRIEF AAN DE CHRISTENEN VAN KORINTE 2KOR 1:1 Schrijver. Lezers. Groet. Van Paulus, door Gods wil apostel van Christus Jezus, en Timoteüs, onze broeder, aan de kerk Gods in Korinte en aan alle heiligen in geheel Acha a. 2KOR 1:2 Genade en vrede voor u vanwege God onze Vader en de Heer Jezus Christus! 2KOR 1:3 Dankzegging. Gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader vol ontferming en de God van alle vertroosting. 2KOR 1:4 Hij troost ons in al onze tegenspoed, zodat wij in staat zijn anderen te troosten in al hun noden, dank zij de troost die wij van God ontvangen. 2KOR 1:5 Want wij delen volop in het lijden van Christus; maar door Christus gewordt ons ook overvloedige vertroosting. 2KOR 1:6 Worden wij verdrukt, het is voor uw troost en heil. Worden wij bemoedigd, het is om u moed en kracht te geven om standvastig hetzelfde lijden te verdragen als wij verdragen. 2KOR 1:7 Onze hoop voor u staat vast: wij weten dat gij, delend in onze smarten, ook zult delen in onze vertroosting. 2KOR 1:8 Gij moet namelijk weten, broeders, dat ons hier in Asia ernstige moeilijkheden overkomen zijn. Het was meer dan we konden dragen, een al te zware last, zodat we zelfs wanhoopten aan ons leven. 2KOR 1:9 Werkelijk, wij beschouwden ons reeds als ten dode opgeschreven. Wij moesten leren niet op onszelf te vertrouwen, maar alleen op God, die de doden ten leven wekt. 2KOR 1:10 Hij is het die ons gered heeft uit dat dodelijk gevaar. En Hij op wie onze hoop gevestigd is, zal ons ook in de toekomst redden, 2KOR 1:11 mede dank zij de hulp van uw voorbede. Dan zullen om ons velen Hem danken voor de gunst die zovelen voor ons hebben verkregen. 1,12-7,16 I.PAULUS' MOEIZAME BETREKKINGEN MET DE KORINTISCHE GEMEENTE 2KOR 1:12 Waarom het beloofde bezoek achterwege bleef. Een ding geeft ons moed: het getuigenis van ons geweten, dat wij ons in het algemeen, en heel bijzonder met betrekking tot u, gedragen hebben niet volgens de wijsheid van de wereld, maar met die eenvoud en oprechtheid die een gave zijn van Gods genade. 2KOR 1:13 Wij schrijven u in onze brieven niet iets anders dan wat er staat en wat gij ook best verstaat! Ik hoop alleen dat gij eens helemaal begrijpt 2KOR 1:14 wat ge nu nog maar half begrijpt: dat gij evenveel reden hebt om trots te zijn op ons als wij op u, wanneer de dag van onze Heer Jezus komt. 2KOR 1:15 Hierop vertrouwend had ik, met de bedoeling u tweemaal te verblijden, mij voorgenomen eerst uw gemeente te bezoeken, 2KOR 1:16 van u door te reizen naar Macedonië en van Macedonië weer bij u terug te komen, om dan door u te worden uitgerust voor de reis naar Judea. 2KOR 1:17 En nu vindt gij, dat dat besluit niet ernstig gemeend was en dat ik mijn plannen naar believen verander, zodat mijn `ja' tegelijkertijd neen' is? 2KOR 1:18 God staat er borg voor: het woord dat wij tot u spreken, is niet tegelijk ja en neen. 2KOR 1:19 De Zoon Gods, Christus Jezus, die door ons onder u is verkondigd, door mij en Silvanus en Timoteüs, Hij was niet `Ja en Neen'; in Hem was slechts `Ja', 2KOR 1:20 Want alle beloften van God zijn in Hem waar gemaakt. Daarom spreken wij door Hem ook ons `Amen, Ja, zo is het', God ter ere. 2KOR 1:21 En God zelf is het die ons samen met u in Christus bevestigt en die ons heeft gezalfd. 2KOR 1:22 Hij is het die op ons zijn zegel heeft gedrukt en ons de Geest als onderpand heeft gegeven. 2KOR 1:23 Ik roep God aan als mijn getuige: alleen om u te sparen ben ik niet naar Korinte gekomen. 2KOR 1:24 Niet alsof wij heer en meester zijn van uw geloof; in het geloof staat gij vast genoeg. Wij willen slechts bijdragen tot uw vreugde. 2KOR 2:1 Want een ding had ik mij voorgenomen: mijn eerstvolgend bezoek aan u mocht onder geen beding weer een bezoek in droefheid zijn. 2KOR 2:2 Als ik u leed doe, wie moet mij dan gelukkig maken? Wie anders dan de mensen die ik bedroefd heb gemaakt? 2KOR 2:3 Daarom had ik ook geschreven, om bij mijn komst, een leed te hoeven ondervinden van u die mij juist gelukkig moest maken. Want ik ben er zeker van dat mijn geluk ook uw aller geluk is. 2KOR 2:4 Toen ik schreef, was het dan ook met een bedrukt en beklemd gemoed en onder veel tranen. Ik wilde u niet verdrietig maken, maar u een blijk geven van de innige liefde die ik u toedraag. 2KOR 2:5 Als iemand leed veroorzaakt heeft, dan heeft hij niet mij beledigd, dan heeft hij tot op zekere hoogte - want ik wil niet overdrijven - u allen beledigd. 2KOR 2:6 Met de berisping die gij hem in meerderheid hebt toegediend, is de bedoelde persoon voldoende gestraft. 2KOR 2:7 Nu moet ge hem vergiffenis schenken en bemoedigen; anders wordt hij nog door al te grote droefheid overmand. 2KOR 2:8 Ik verzoek u dus: neemt het besluit hem liefde te betonen. 2KOR 2:9 Het doel van mijn schrijven was ook u op de proef te stellen en te zien of gij in alles gehoorzaam zijt. 2KOR 2:10 Als gij hem vergiffenis schenkt, doe ik het ook. Voor zover ik persoonlijk iets te vergeven had, is het al gebeurd om uwentwil, voor het aanschijn van Christus. 2KOR 2:11 Wij moeten de satan geen kans geven ons de baas te worden; wij kennen zijn streken maar al te goed. 2KOR 2:12 Ik ging dus naar Troas om het evangelie van Christus te verkondigen en de kansen voor het werk des Heren waren gunstig. 2KOR 2:13 Maar mijn geest kwam niet tot rust, omdat ik er mijn broeder Titus niet aantrof. Daarom nam ik afscheid van hen en vertrok naar Macedonië 2KOR 2:14 De dienst van het nieuwe verbond. God zij gedankt, die ons te allen tijde in Christus' triomftocht meevoert en allerwegen door ons de kennis van zijn naam als een welriekende geur verspreidt! 2KOR 2:15 Ja, voor God zijn wij een reukwerk van Christus, zowel onder hen die gered worden als onder hen die verloren gaan, 2KOR 2:16 voor dezen een dodelijke walm, voor genen een levenwekkend aroom. Wie is bekwaam voor zulk een taak? 2KOR 2:17 Wij zijn tenminste niet als zovelen, die handel drijven met Gods woord; wij verkondigen het met zuivere bedoelingen, op gezag van God, voor het aanschijn van God, in vereniging met Christus. 2KOR 3:1 Beginnen wij onszelf weer aan te prijzen? Hebben wij behoefte aan getuigschriften voor u of van u zoals anderen? 2KOR 3:2 Gij zelf zijt onze aanbeveling, geschreven in ons hart, maar voor allen te zien en te lezen, 2KOR 3:3 een open brief van Christus, met onze hulp opgesteld, niet met inkt geschreven maar met de Geest van de levende God, niet op stenen tafelen maar in de harten van levende mensen. 2KOR 3:4 Zo groot is ons Godsvertrouwen, dank zij Christus. 2KOR 3:5 Nogmaals, dit betekent niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn, zodat wij ons enige verdienste kunnen toeschrijven. Heel onze bekwaamheid komt van God. 2KOR 3:6 Hij is het die ons bekwaam heeft gemaakt dienaars te zijn van een nieuw verbond, niet van de letter maar van de Geest. Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. 2KOR 3:7 Welnu, de dienst van de dood, waarvan de oorkonde met letters op stenen gegrift stond, ging reeds met zulk een heerlijkheid gepaard, dat de Israëlieten niet konden opzien naar het gelaat van Mozes wegens de luister die ervan uitstraalde; en toch zou deze weldra weer verdwijnen. 2KOR 3:8 Hoeveel te heerlijker moet dan de dienst van de Geest zijn! 2KOR 3:9 En als het ambt dat in dienst stond van de veroordeling eervol was, hoeveel te meer dan het ambt dat de vrijspraak verkondigt. 2KOR 3:10 Wat eens heerlijkheid scheen, is eigenlijk geen heerlijkheid, vergeleken bij deze allesovertreffende heerlijkheid. 2KOR 3:11 Als het vergankelijke zich met glorie openbaarde, hoeveel te meer zal dit gelden van het blijvende. 2KOR 3:12 Toegerust met zulk een hoop, treden wij met grote vrijmoedigheid op, 2KOR 3:13 geheel anders dan Mozes, die zijn gelaat met een sluier bedekte, want de Israëlieten mochten het verdwijnen van de vergankelijke glans niet bemerken. 2KOR 3:14 En hun denken raakte verstard. Ja, tot op de huidige dag is diezelfde sluier gebleven, als zij lezen in de boeken van het Oude Testament. Hij wordt niet weggenomen, want alleen Christus doet hem verdwijnen. 2KOR 3:15 Tot heden toe ligt een sluier over hun geest, telkens wanneer Mozes wordt voorgelezen. 2KOR 3:16 Maar telkens als iemand zich bekeert tot de Heer, wordt de sluier verwijderd. 2KOR 3:17 De Heer nu is de Geest, en waar de Geest des Heren is, daar is vrijheid. 2KOR 3:18 Ons allen is het gegeven met onverhuld gelaat de glorie van de Heer te aanschouwen en herschapen te worden tot steeds heerlijker gelijkenis met Hem; zo werkt de Heer die Geest is. 2KOR 4:1 Daarom verliezen wij nooit de moed, nu wij door Gods ontferming met deze dienst zijn belast. 2KOR 4:2 Wij hebben heimelijkheid en schaamte afgelegd, wij gaan niet met sluwheid te werk, wij vervalsen Gods woord niet. De openlijke verkondiging van de waarheid is onze aanbeveling bij alle mensen die ons voor het aanschijn van God willen beoordelen. 2KOR 4:3 En als er nog een sluier ligt over de boodschap die wij verkondigen, dan alleen voor hen die verloren gaan, 2KOR 4:4 voor de ongelovigen, wier geest door de god van deze wereld zozeer is verblind, dat zij de glans niet ontwaren van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld is van God. 2KOR 4:5 Wij verkondigen immers niet onszelf, maar Christus Jezus, de Heer; onszelf beschouwen wij slechts als uw dienaars om Jezus' wil. 2KOR 4:6 Dezelfde God die gezegd heeft: `Licht moet schijnen uit het duister', is als een licht in onze harten opgegaan, om de kennis te doen stralen van zijn heerlijkheid, die ligt over het gelaat van Christus. 2KOR 4:7 Vertrouwen bij alle wederwaardigheden. Maar wij dragen deze schat in aarden potten; duidelijk blijkt dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons. 2KOR 4:8 Wij worden aan alle kanten bestookt, maar raken toch niet klem; wij zien geen uitweg meer, maar wij zijn nooit ten einde raad; 2KOR 4:9 wij worden opgejaagd maar niet in de steek gelaten; wij worden neergeveld maar gaan er niet aan dood. 2KOR 4:10 Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee, want ook het leven van Jezus moet in ons lichaam openbaar worden. 2KOR 4:11 Voortdurend wordt ons leven aan de dood uitgeleverd om Jezus' wil, opdat ook het leven van Jezus zich zou openbaren in ons sterfelijk bestaan. 2KOR 4:12 Zo verricht de dood zijn werk in ons en het leven in u. 2KOR 4:13 Maar wij bezitten die geest van geloof waarvan de Schrift zegt: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Ook wij geloven en daarom spreken wij. 2KOR 4:14 Want wij weten, dat Hij die de Heer Jezus van de doden heeft opgewekt, ook ons evenals Jezus ten leven zal wekken, om ons tot zich te voeren, samen met u. 2KOR 4:15 Want alles gebeurt voor u: de genade moet zich in velen vermenigvuldigen, zodat steeds meer mensen dank brengen aan God, tot eer van zijn naam. 2KOR 4:16 Neen, wij geven de moed niet op. Al gaan wij ook ten onder naar de uitwendige mens, ons innerlijk leven vernieuwt zich van dag tot dag. 2KOR 4:17 De lichte kwelling van een ogenblik bezorgt ons een alles overtreffende, altijddurende volheid van glorie. 2KOR 4:18 Wij houden het oog gericht niet op het zichtbare maar op het onzichtbare; wat wij zien gaat voorbij, de onzichtbare dingen duren eeuwig. 2KOR 5:1 Wij weten het immers: als de tent die onze aardse woning is, wordt neergehaald, heeft God voor ons een gebouw gereed in de hemel, een onvergankelijk, niet door mensenhand vervaardigd huis. 2KOR 5:2 Zolang wij in dit lichaam zijn, zuchten wij dan ook, vol verlangen naar de beschutting van onze hemelse woning, 2KOR 5:3 daar wij, eenmaal hiermee bekleed, niet naakt zullen staan. 2KOR 5:4 Wij die nog in deze tent wonen, zuchten en voelen ons bezwaard, omdat wij het nieuwe kleed zouden willen aantrekken zonder het oude af te leggen; dan zou dit sterfelijke meteen worden opgeslokt door onsterfelijk leven. 2KOR 5:5 God zelf heeft ons hiervoor gereedgemaakt, toen Hij ons de Geest gaf als onderpand. 2KOR 5:6 Daarom houden wij altijd goede moed. Wij zijn ons bewust dat wij, zolang wij thuis zijn in het lichaam, ver zijn van de Heer. 2KOR 5:7 Wij leven in geloof, wij zien Hem niet. 2KOR 5:8 Maar wij houden moed en zouden liever uit dit lichaam verhuizen om onze intrek te nemen bij de Heer. 2KOR 5:9 Daarom is onze enige eerzucht, hetzij thuis hetzij in den vreemde, Hem te behagen. 2KOR 5:10 Want allen moeten wij voor Christus' rechterstoel verschijnen, opdat ieder het loon ontvangt voor wat hij in dit leven heeft gedaan, goed of kwaad. 2KOR 5:11 Apostolaat in dienst van de verzoening. Met deze vreze des Heren voor ogen trachten wij de mensen te winnen. Voor God zijn wij een open boek, en ook, naar ik hoop, voor u, als gij ons eerlijk wilt beoordelen. 2KOR 5:12 Wij gaan ons niet opnieuw bij u aanprijzen, wij willen u alleen de kans geven onze eer hoog te houden en hen van antwoord te dienen die hun roem zoeken in de schijn en niet in het wezen. 2KOR 5:13 Zijn wij ooit van zinnen geweest, dan was het voor God; zijn wij verstandig, dan is het voor u. 2KOR 5:14 De liefde van Christus laat ons geen rust, sinds wij hebben ingezien, dat Een is gestorven voor allen. Maar dan zijn allen gestorven! 2KOR 5:15 En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem die ter wille van hen is gestorven en verrezen. 2KOR 5:16 Daarom beoordelen wij voortaan niemand meer naar de oude maatstaven. En al hebben wij Christus ooit op zulke wijze beoordeeld, dan nu toch niet meer. 2KOR 5:17 Zo is dus wie in Christus is, een nieuwe schepping: het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen. 2KOR 5:18 En dit alles komt van God. Hij heeft ons door Christus met zich verzoend en het (apostelen) de dienst van die verzoening toevertrouwd. 2KOR 5:19 Ja, God was het die in Christus de wereld met zich verzoende: Hij telde de fouten van de mensen niet en ons gaf Hij de boodschap van de verzoening mee. 2KOR 5:20 Wij zijn dus gezanten van Christus, God roept u op door ons woord. Wij smeken u in Christus' naam: laat u met God verzoenen! 2KOR 5:21 Hem die geen zonde heeft gekend, heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods eigen heiligheid zouden worden. 2KOR 6:1 Werk en lijden van de apostel. Als Gods medewerkers sporen wij u aan: zorg dat ge zijn genade niet tevergeefs ontvangt. 2KOR 6:2 Hij zegt immers: Op de gunstige tijd heb Ik u verhoord, op de dag van het heil ben Ik u te hulp gekomen. Nu is er die gunstige tijd, vandaag is het de dag van het heil. 2KOR 6:3 Wij geven niemand enige aanstoot, om ons ambt niet in opspraak te brengen. 2KOR 6:4 In alle omstandigheden proberen wij ons te gedragen als dienaars van God door het standvastig verduren van ontberingen, nood en ellende: 2KOR 6:5 slagen, gevangenschap, oproer, oververmoeidheid, gebrek aan slaap, te weinig eten. 2KOR 6:6 Onze aanbeveling is: zuiverheid, inzicht, geduld, goedheid, en geest van heiligheid en ongeveinsde liefde, 2KOR 6:7 het woord van de waarheid, de kracht van God zelf. Wij strijden en verweren ons met geestelijke wapens. 2KOR 6:8 Eer en smaad, lof en laster zijn ons deel; wij zijn de bedriegers die de waarheid spreken, 2KOR 6:9 de onbekenden die iedereen kent; wij sterven maar blijven leven, wij worden getuchtigd maar niet terechtgesteld; 2KOR 6:10 wij treuren maar zijn altijd blij; wij zijn berooid en maken velen rijk, haveloos en de wereld is van ons. 2KOR 6:11 Paulus en de Korintiërs, Titus' bemiddeling. Wij spreken ronduit met u, Korintiërs, ons hart staat wijd voor u open. 2KOR 6:12 Het is niet onze schuld dat gij u beklemd voelt; zelf zijt gij niet ruimhartig genoeg. 2KOR 6:13 Ik mag u toch als kinderen aanspreken? Laten wij dan gelijk oversteken, zet ook gij uw hart open voor ons... 2KOR 6:14 Vormt geen ongelijk span met de ongelovigen. Wat heeft heiligheid te maken met slechtheid? Wat heeft het licht uit te staan met de duisternis? 2KOR 6:15 Is er overeenstemming mogelijk tussen Christus en Belial? Wat heeft de gelovige gemeen met de ongelovige? 2KOR 6:16 Kan de tempel van God een verbond aangaan met de afgoden? Maar de tempel van de levende God, dat zijn wij. God heeft het zelf gezegd: Ik zal onder hen wonen en met hen omgaan. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. 2KOR 6:17 Daarom, gaat weg en verlaat hen, houdt u ver van hen, zegt de Heer, raakt niets aan wat onrein is. Dan zal Ik u genadig aannemen. 2KOR 6:18 Ik zal voor u een vader zijn en gij zult voor Mij zonen en dochters zijn, zegt de Heer, de Albeheerser. 2KOR 7:1 Geliefden, zulke beloften zijn ons gedaan; laten wij ons dan zuiveren van elke smet van vlees en geest, en vol ontzag voor God het werk van onze heiliging voltooien. 2KOR 7:2 Gunt ons een ruime plaats in uw hart. Wij hebben niemand verongelijkt, niemand geru neerd, niemand uitgebuit. 2KOR 7:3 Ik zeg dit niet om anderen te veroordelen. Al eerder heb ik het gezegd: ik heb u in mijn hart gesloten, wij horen bij elkaar in leven en dood. 2KOR 7:4 Hoe ongedwongen kan ik met u omgaan, wat ben ik trots op u! Dit vervult mij met troost en doet mij overvloeien van blijdschap bij al mijn wederwaardigheden. 2KOR 7:5 Toen wij dan in Macedonië kwamen, hadden wij rust noch duur; narigheid overal, ruzies om ons heen, angsten in ons hart. 2KOR 7:6 Maar God die de neerslachtigen opbeurt, heeft ook ons getroost door de komst van Titus. 2KOR 7:7 Natuurlijk niet alleen door zijn komst, maar vooral door de troost die hijzelf van u had ondervonden. Hij vertelde ons van uw vurig verlangen, uw verdriet en uw ijver voor mij. Mijn vreugde werd er nog groter door. 2KOR 7:8 Ja, al heb ik u ook met mijn brief verdriet gedaan, ik heb er geen spijt van. En al had ik er spijt van, toen ik merkte, dat die brief aan u, al was het maar even, pijn gedaan heeft, 2KOR 7:9 dan nu toch niet meer. Integendeel, ik ben blij, niet om uw droefheid, maar om het berouw dat op uw droefheid gevolgd is. Uw verdriet was God welgevallig. Wij hebben u dus in geen enkel opzicht benadeeld! 2KOR 7:10 Want God welgevallige droefheid leidt tot heilzaam berouw, dat men nooit berouwt, maar de droefheid van de wereld brengt de dood. 2KOR 7:11 Ziet eens wat die droefheid naar Gods hart bij u heeft uitgewerkt: wat een bezorgdheid, maar ook wat voor verontschuldigingen, verontwaardiging zelfs en ontzag en vurig verlangen en gloeiende ijver en bestraffing. Op allerlei manieren hebt gij bewezen in deze zaak zuiver te staan. 2KOR 7:12 Als ik u geschreven heb, was het dus niet zozeer om hem die het onrecht had begaan of om hem die het onrecht had geleden; veeleer was het mijn bedoeling, dat uw ijver voor ons duidelijk bij u aan de dag zou treden voor het aanschijn van God. 2KOR 7:13 Dat is gebeurd en daarom zijn wij getroost. Bij die troost kwam de nog veel groter vreugde om de vreugde van Titus; gij hebt hem helemaal gerustgesteld. 2KOR 7:14 Ik had me bij hem een beetje op u laten voorstaan en ik ben niet bedrogen uitgekomen! Zoals alles wat wij u gezegd hebben op waarheid berustte, zo is ook ons roemen over u bij Titus waarheid gebleken. 2KOR 7:15 Met warme genegenheid blijft hij aan u allen denken, aan uw gehoorzaamheid en aan de grote eerbied waarmee gij hem hebt ontvangen. 2KOR 7:16 En ik ben blij, dat ik volkomen op u kan vertrouwen. 8,1-9,15 II. DE COLLECTE VOOR JERUZALEM 2KOR 8:1 Broeders, wij willen u meedelen, welk een gunst God aan de kerken van Macedonië heeft bewezen. 2KOR 8:2 Door verdrukkingen zwaar beproefd verheugden zij zich bovenmate en hun bittere armoede werd overrijk in mildheid. 2KOR 8:3 Want zij hebben naar vermogen gegeven; ik moest eigenlijk zeggen, boven hun vermogen. 2KOR 8:4 eigen beweging en met grote aandrang smeekten zij ons om de gunst, deel te mogen nemen aan de ondersteuning van de heiligen. 2KOR 8:5 Zij gaven meer dan wij durfden hopen; zij gaven zichzelf, in de eerste plaats aan de Heer, maar dan ook, door Gods wil, aan ons. 2KOR 8:6 Hierdoor bemoedigd hebben wij er bij Titus op aangedrongen, ook dit liefdewerk, waarmee hij al eerder begonnen was, bij u tot een goed einde te brengen. 2KOR 8:7 Welnu, gij munt reeds in zoveel opzichten uit, in geloof, welsprekendheid, kennis, in ijver op alle gebied, in uw liefde voor ons; laat dan ook dit liefdewerk uitmuntend slagen! 2KOR 8:8 Ik zeg dit niet bij wijze van bevel, maar ik wil de echtheid van uw liefde toetsen aan de toewijding van anderen. 2KOR 8:9 Want de liefdedaad van onze Heer Jezus Christus hoef ik u niet in herinnering te brengen: hoe Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij rijk zoudt worden door zijn armoede. 2KOR 8:10 Toch geef ik u in deze een raad, die u van pas kan komen. Het vorig jaar zijt gij al begonnen met het plan en de uitvoering ervan. 2KOR 8:11 Voltooit nu uw werk en laat het resultaat beantwoorden aan uw edelmoedigheid, naar de middelen waarover gij beschikt. 2KOR 8:12 Liefdadigheid naar vermogen is welkom, er wordt niet verwacht dat iemand geeft wat hij niet heeft. 2KOR 8:13 Het is niet de bedoeling dat gij door anderen te ondersteunen uzelf in verlegenheid brengt. Er moet een zeker evenwicht tot stand komen. 2KOR 8:14 Voor het ogenblik vult uw overvloed hun gebrek aan, een ander maal zal hun overvloed uw gebrek verhelpen. Zo ontstaat het evenwicht 2KOR 8:15 waarvan de Schrift spreekt: Hij die veel had verzameld, had niet te veel, en hij die weinig had verzameld, kwam toch niet te kort. 2KOR 8:16 Ik dank God dat Hij Titus met dezelfde toewijding voor u heeft bezield! 2KOR 8:17 Mijn verzoek viel bij hem in goede aarde en in zijn grote ijver is hij spontaan naar u vertrokken. 2KOR 8:18 Met hem zenden wij de broeder die in alle gemeenten om zijn arbeid voor het evangelie wordt geprezen. 2KOR 8:19 Hij is bovendien door de kerken aangewezen als onze reisgezel bij dit liefdewerk, dat wij op ons hebben genomen ter ere van de Heer en als bewijs van onze goede wil. 2KOR 8:20 Wij hopen hierdoor elke verdachtmaking die bij het beheer van zulke aanzienlijke bedragen zou kunnen ontstaan, te voorkomen. 2KOR 8:21 Wij dienen immers bedacht te zijn op wat betamelijk is, niet alleen voor God maar ook voor de mensen. 2KOR 8:22 In hun gezelschap zenden wij nog een van onze broeders, wiens beproefde ijver ons menigmaal en in allerlei omstandigheden is gebleken; nu is zijn ijver groter dan ooit, zo vast vertrouwt hij op u. 2KOR 8:23 Wat Titus betreft, hij is mijn medestander en medewerker onder u. En onze andere broeders: zij zijn gezanten van de gemeenten en de roem van Christus. 2KOR 8:24 Bewijst hun dus uw liefde, rechtvaardigt onze trots op u, zodat de andere christengemeenten ervan horen. 2KOR 9:1 U te schrijven over de hulpverlening aan de heiligen lijkt mij overbodig. 2KOR 9:2 Uw bereidwilligheid is mij bekend. Ik poch op u bij de Macedoniërs: `Acha a staat al sinds verleden jaar gereed.' En uw ijver heeft de anderen aangestoken. 2KOR 9:3 Als ik onze broeders stuur, is het alleen uit vrees dat onze lofrede op dit punt ongerechtvaardigd zou blijken. Ik wil dat gij inderdaad, zoals ik beweerd heb, gereed zijt. 2KOR 9:4 Anders zouden wij - om van u maar te zwijgen - als de Macedoniërs die met mij meekomen, zien dat gij nog niet klaar zijt, ons over deze onderneming moeten schamen. 2KOR 9:5 Ik achtte het daarom nodig de broeders te vragen u te voren te bezoeken en ervoor te zorgen, dat de milde gave die gij reeds eerder had toegezegd, tijdig wordt gereed gemaakt en klaar ligt. Maar dan moet gij ook rijkelijk geven, niet bekrompen. 2KOR 9:6 Bedenkt: wie karig zaait, zal karig oogsten; wie overvloedig zaait, zal overvloedig oogsten. 2KOR 9:7 Laat ieder wat hij in zijn hart besloten heeft, ten uitvoer brengen, zonder pijn en zonder dwang, want God houdt van een blijmoedige gever. 2KOR 9:8 En God heeft de macht u met alle gaven te overstelpen, zodat gij altijd in alle opzichten van al het nodige voorzien, nog ruimschoots overhoudt voor elk goed werk. 2KOR 9:9 Zo staat er ook geschreven: Hij heeft overvloedig gegeven aan de armen, zijn milddadigheid zal immer blijven. 2KOR 9:10 Hij die de zaaier zaad verschaft en voedsel om te eten, zal ook u zaaigoed verschaffen en het vermenigvuldigen en de oogst van uw milddadigheid doen gedijen. 2KOR 9:11 Zo wordt gij in ieder opzicht verrijkt en kunt gij alle soort vrijgevigheid beoefenen. En deze is op haar beurt, door onze bemiddeling, oorzaak van dankbetuiging aan God. 2KOR 9:12 Zulk een spontane dienst voorziet niet alleen in de noden van de heiligen, hij wordt ook een overvloedige bron van dankzegging aan God. 2KOR 9:13 Door dit bewijs van hulpvaardigheid zullen zij God gaan verheerlijken om uw gehoorzame belijdenis van het evangelie van Christus en uw gulle gemeenschap met hen en alle anderen. 2KOR 9:14 Bovendien zullen zij God voor u bidden, wel genegen als zij u zijn om de overvloedige genade die Hij u bewezen heeft. 2KOR 9:15 God zij gedankt voor zijn onuitsprekelijke gave! 10,1-13,10 III.PAULUS' ZELFVERDEDIGING 2KOR 10:1 Verweer tegen de beschuldiging van zwakheid. Ik, Paulus, volgens u zo schuchter dichtbij, zo moedig op afstand, ik doe een beroep op u bij de zachtmoedigheid en de mildheid van Christus. 2KOR 10:2 Ik moet u echter wel verzoeken: dwing mij niet mijn moed te tonen van dichtbij, met dat zelfvertrouwen waarmee ik van zins ben krachtdadig op te treden tegen de lieden die denken, dat wij handelen uit zelfzuchtige beweegredenen. 2KOR 10:3 Al zijn wij zwakke mensen, onze strijd is geen uiting van zwakheid. 2KOR 10:4 De wapens waarmee wij strijden zijn niet zwak, ze zijn geladen met Gods kracht, in staat elke sterkte te breken. Wij werpen redeneringen omver, 2KOR 10:5 elke verschansing door de hoogmoed opgeworpen tegen de kennis van God. Wij nemen elke gedachte gevangen om haar te onderwerpen aan Christus, 2KOR 10:6 en wij staan klaar om elke ongehoorzaamheid te straffen, zodra uw gehoorzaamheid volmaakt is. 2KOR 10:7 Wat volgt spreekt eigenlijk vanzelf. Is iemand er van overtuigd dat hij aan Christus toebehoort? Bij enig nadenken zal hij moeten erkennen dat wij ook aan Christus toebehoren, even goed als hij. 2KOR 10:8 Ja, als ik me wat te veel laat voorstaan op de autoriteit die de Heer ons gegeven heeft - overigens niet om af te breken maar om op te bouwen ik zal mijn roemen waar maken! 2KOR 10:9 Ik wil niet de schijn op mij laden dat ik u per brief tracht te intimideren. 2KOR 10:10 Want zijn brieven', zegt men, `zijn streng en bars, maar zijn persoonlijk optreden maakt geen indruk en hij is een armzalig spreker'. 2KOR 10:11 Mensen die zo praten mogen dit bedenken: als wij bij u zijn zullen onze daden volledig overeenstemmen met de woorden die wij schreven toen we ver van u waren. 2KOR 10:12 Verweer tegen de beschuldiging van eerzucht. Het is waar, wij hebben niet de euvele moed onszelf op een lijn te stellen of ook maar te vergelijken met bepaalde lieden die zichzelf aanprijzen. Wij willen ons liever onze eigen maat aanleggen en ons houden aan ons eigen richtsnoer. 2KOR 10:13 Dan zullen wij ons niet overmatig beroemen, maar binnen de perken blijven van het gebied dat God voor ons heeft afgepaald; en ook gij valt daarbinnen. 2KOR 10:14 Niemand kan beweren dat wij onze grenzen overschrijden en dat ons gebied niet zo ver zou reiken. Ook bij u zijn wij immers de eersten geweest met de heilsprediking van Christus. 2KOR 10:15 Wij pochen niet op de arbeid door anderen verricht op een terrein dat ons niet is toegemeten. Maar ik hoop wel dat de groei van uw geloof ons zal toestaan de omvang van het ons toegewezen gebied te vergroten 2KOR 10:16 en het evangelie te verkondigen in nog verder gelegen streken, in plaats van te bogen op resultaten, door anderen bereikt op hun terrein. 2KOR 10:17 Als iemand wil roemen, moet hij roemen op de Heer. 2KOR 10:18 Niet hij die zichzelf aanprijst, heeft de proef doorstaan, maar hij die geprezen wordt door de Heer. 2KOR 11:1 Paulus ziet zich gedwongen tot de dwaasheid van de eigenlof. Als gij maar een weinig dwaasheid van mij zoudt willen verdragen! Maar dat wilt gij wel. 2KOR 11:2 Gij weet toch dat mijn naijver voor u de naijver van God zelf is. Met uw enige bruidegom Christus heb ik u verloofd om u als een ongerepte maagd tot Hem te voeren. 2KOR 11:3 Maar soms vrees ik dat gij u laat verleiden, zoals eertijds Eva door de sluwe slang werd bedrogen, en dat uw gedachten afdwalen van de trouw aan Christus. 2KOR 11:4 Als de eerste de beste een andere Jezus predikt dan wij gepredikt hebben, of u een andere geest of een ander evangelie brengt dan gij van ons hebt aanvaard, laat gij het u rustig aanleunen. 2KOR 11:5 Toch meen ik niet achter te staan bij die aartsapostelen! 2KOR 11:6 Al ben ik dan onbedreven in het spreken, kennis der waarheid heb ik genoeg, zoals ik u allen op allerlei wijzen heb getoond. 2KOR 11:7 Of heb ik er verkeerd aan gedaan, dat ik om u te verheffen mijzelf vernederde? Was het een zonde u het evangelie van God om niet te verkondigen? 2KOR 11:8 Andere gemeenten heb ik gebrandschat en van hen ondersteuning aangenomen, om u van dienst te kunnen zijn. 2KOR 11:9 En toen ik bij u was en gebrek kreeg, ben ik niemand lastig gevallen. De broeders die uit Macedonië kwamen hebben in al mijn behoeften voorzien. In elk opzicht heb ik mij ervoor gewacht u tot last te zijn. En dat zal ook zo blijven. 2KOR 11:10 Zo zeker als de waarheid van Christus in mij is: ik zal mij die roem niet laten ontnemen in heel het land van Acha a. 2KOR 11:11 Waarom? Omdat ik u niet liefheb? God weet wel beter. 2KOR 11:12 En ik zal dit volhouden om elke kans te ontnemen aan hen die elke kans willen aangrijpen om zich op een lijn te stellen met ons in dat zo begeerde apostelschap. 2KOR 11:13 Schijnapostelen zijn het, oneerlijke werkers, die paraderen als afgezanten van Christus. 2KOR 11:14 En geen wonder: de satan zelf vermomt zich als een engel van het licht. 2KOR 11:15 Het is dus niets bijzonders als zijn dienaars zich voordoen als dienaars van heiligheid. Maar hun einde zal beantwoorden aan hun daden. 2KOR 11:16 Nogmaals, laat niemand mij beschouwen als een dwaas. Doet gij het toch, dan moet gij mij ook het voorrecht van de nar gunnen en mij toestaan een weinig te roemen. 2KOR 11:17 Wat ik op dit stuk ga zeggen, is in dwaasheid gezegd, niet volgens de geest des Heren. 2KOR 11:18 Als zovelen zich laten voorstaan op wereldse voorrechten, mag ik het ook. 2KOR 11:19 Gij die zo verstandig zijt duldt gaarne de dwaasheid van anderen. 2KOR 11:20 Gij verdraagt het immers, dat men u tiranniseert, dat men u uitzuigt en uitbuit, dat men u hooghartig behandelt en in het gezicht slaat. 2KOR 11:21 Tot mijn schande moet ik bekennen: wij zijn hiervoor te zwak geweest. Maar als anderen het durven nu komt de dwaasheid aan het woord waag ik het ook. 2KOR 11:22 Zijn zij Hebreeën? Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij kinderen van Abraham? Ik ook. 2KOR 11:23 Zijn zij dienaren van Christus? Het lijkt waanzin, ik nog meer! Ik heb harder gezwoegd, ik heb langer gevangen gezeten, ik had veel meer slagen te verduren en doodsgevaren zonder tal. 2KOR 11:24 vijfmaal kreeg ik van de Joden de veertig-min-een. 2KOR 11:25 Driemaal ben ik met stokken geslagen, eenmaal gestenigd. Driemaal heb ik schipbreuk geleden, eens een heel etmaal doorgebracht in volle zee. 2KOR 11:26 Altijd op reis, gevaren van rivieren en gevaren van rovers, gevaren van de kant van mijn eigen volk en van de heidenen, gevaren in steden en in de woestijn, gevaren op zee, gevaren te midden van valse broeders, 2KOR 11:27 met zwoegen en tobben, veel slapeloze nachten, honger en dorst, vaak zonder eten, in koude en naaktheid. 2KOR 11:28 En afgezien van al het overige: dag in dag uit drukt mij de zorg voor al de gemeenten. 2KOR 11:29 Niemand is zwak of ik ben het ook. Niemand komt ten val of het grijpt me in de ziel. 2KOR 11:30 Als er toch geroemd moet worden, zal ik roemen op mijn zwakheid. 2KOR 11:31 God, de Vader van onze Heer Jezus gezegend is Hij in eeuwigheid! weet dat ik niet lieg. 2KOR 11:32 Toen ik in Damascus was, liet de stadhouder van koning Aretas de stad bewaken om mij te vangen; 2KOR 11:33 en om aan zijn greep te ontsnappen moest ik in een mand worden neergelaten door een venster in de stadsmuur. 2KOR 12:1 Moet er geroemd worden? Het dient wel nergens toe, maar dan kom ik nu tot visioenen van openbaringen van de Heer. 2KOR 12:2 Ik ken een mens in Christus, die veertien jaar geleden, in het lichaam of buiten het lichaam, ik weet het niet, God weet het... die mens werd weggerukt naar de derde hemel. 2KOR 12:3 Van die mens weet ik dat hij met het lichaam of zonder het lichaam, ik weet het niet, God weet het, 2KOR 12:4 dat hij werd weggerukt naar het paradijs en onzegbare woorden vernam, die geen mens mag uitspreken. 2KOR 12:5 Op zo iemand wil ik roemen. Voor mijzelf wil ik alleen roemen op mijn zwakheden. 2KOR 12:6 Zou ik werkelijk willen roemen, dan was ik geen dwaas; ik zou immers de waarheid zeggen. Maar daar zie ik van af; ik wil niet dat iemand mij meer toeschrijft dan wat hij van mij kan zien of horen. 2KOR 12:7 Ook is er want anders zouden de buitengewone openbaringen mij verwaand kunnen maken ook is er een doren in mijn vlees gestoken, als een bode van de satan die mij moet afranselen. 2KOR 12:8 Tot driemaal toe heb ik de Heer aangeroepen, dat hij van mij zou weggaan. 2KOR 12:9 Maar Hij antwoordde mij: `Je hebt genoeg aan mijn genade. Kracht wordt juist in zwakheid volkomen.' Dus zal ik het liefst van alles roemen op mijn zwakheden. Dan zalfde kracht van Christus in mij wonen. 2KOR 12:10 Daarom lijd ik om Christus' wil gaarne zwakheid, smaad, nood, vervolging en benauwdheid. Want als ik zwak ben, dan ben ik sterk. 2KOR 12:11 Ik heb mij aangesteld als een dwaas, Gij hebt er mij toe gedwongen. Gij hadt mij moeten prijzen! Al ben ik dan niets waard, in geen enkel opzicht ben ik achtergebleven bij die aartsapostelen. 2KOR 12:12 De waarmerken van de apostel hebben zich onder u vertoond in alles wat ik heb verduurd en door wondertekenen en machtige daden. 2KOR 12:13 Waarin zijt gij achtergesteld bij de andere gemeenten? Alleen dit: ik heb niet op uw kosten willen leven. Vergeef me dit onrecht maar! 2KOR 12:14 Voorbereiding van het bezoek en laatste discussies met de gemeente. Nu sta ik klaar om voor de derde keer naar u toe te komen, en ik zal u niet tot last zijn. Het gaat mij niet om uw geld maar om uzelf: ouders moeten zorgen voor hun kinderen, niet de kinderen voor hun ouders. 2KOR 12:15 Wat mij betreft, gaarne wil ik voor u alles uitgeven wat ik heb en mezelf erbij. Krijg ik voor mijn gulle liefde zo'n zuinige wederliefde? 2KOR 12:16 Goed, zegt gij, hij is ons niet persoonlijk tot last geweest, maar, sluw als hij is, heeft hij ons met slinkse middelen beetgenomen. 2KOR 12:17 Heb ik u dan uitgebuit door middel van mijn afgezanten? 2KOR 12:18 Het is waar, ik heb Titus gevraagd te gaan en die andere broeder met hem meegestuurd. Heeft Titus zich soms op uw kosten bevoordeeld? Hebben wij niet allen in dezelfde geest gehandeld en dezelfde koers gevolgd? 2KOR 12:19 Gij hebt natuurlijk al lang de indruk, dat wij bezig zijn onszelf bij u te verdedigen. Maar wij spreken voor het aanschijn van God en in vereniging met Christus. En alles, dierbare vrienden, is ook bedoeld voor uw bestwil. 2KOR 12:20 Want ik vrees dat ik u bij mijn komst misschien niet zo zal aantreffen als ik u zou wensen aan te treffen, en dat gij in mij een ander aantreft dan gij zoudt wensen. Ik vrees voor twist, naijver, opvliegendheid, ruzie, laster, achterklap, verwaandheid, wanordelijkheid. 2KOR 12:21 Ik vrees dat mijn God mij opnieuw zal vernederen als ik bij u ben, en dat ik zal moeten treuren om velen die al lang in zonde leven en nog steeds geen berouw tonen over de onzedelijkheid, hoererij en losbandigheid die zij bedreven hebben. 2KOR 13:1 Dit is de derde keer dat ik tot u kom. Op het woord van twee of drie getuigen krijgt iedere zaak haar beslag. 2KOR 13:2 Hen die gezondigd hebben en ook alle anderen heb ik reeds gewaarschuwd bij mijn tweede bezoek en ik waarschuw ze nu opnieuw voor ik er ben: als ik weer kom, zal ik niemand sparen. 2KOR 13:3 Gij verlangt immers het bewijs dat Christus spreekt door mij? Welnu, Hij is niet zwak, Hij toont zijn kracht onder u. 2KOR 13:4 Al werd Hij in zwakheid gekruisigd. Hij leeft thans door Gods kracht. En al zijn wij zwak zoals Hij het was, toch zult gij ervaren dat wij met Hem leven door Gods kracht. 2KOR 13:5 Onderzoekt en toetst uzelf: staat gij in het geloof? Gij kunt toch van uzelf getuigen dat Jezus Christus in u is? Zo niet, dan hebt gij de proef niet doorstaan. 2KOR 13:6 Ik hoop dat gij zult inzien dat wij de proef hebben doorstaan. 2KOR 13:7 Wij bidden God dat gij geen kwaad doet, niet om te bewijzen dat wij succes hebben, maar om te bereiken dat gij het goede doet; dan mogen wij wel mislukken. 2KOR 13:8 Want tegen de waarheid vermogen wij niets, die kunnen wij slechts steunen. 2KOR 13:9 Wij willen gaarne zwak zijn, als gij sterk zijt. Onze enige wens is dat alles goed gaat met u. 2KOR 13:10 Daarom schrijf ik u dit alles, terwijl ik nog afwezig ben. Dan hoef ik, eenmaal bij u, niet met gestrengheid op te treden krachtens de volmacht die de Heer mij heeft gegeven niet om af te breken, maar om op te bouwen. 2KOR 13:11 Slot en heilwens. En nu, broeders, vaarwel! Laat alles weer goed komen, neemt mijn vermaning ter harte, weest eensgezind, bewaart de vrede, en de God van liefde en vrede zal met u zijn. 2KOR 13:12 Groet elkander met de heilige kus. U groeten al de heiligen. 2KOR 13:13 De genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de heilige Geest zij met u allen. DE BRIEF AAN DE GALATEN GAL 1:1 Schrijver. Lezers. Groet. Ik, Paulus, apostel, niet vanwege mensen noch door een mens, maar door Jezus Christus en God de Vader die Hem tot de dood heeft opgewekt, GAL 1:2 en alle broeders die bij mij zijn, aan de gemeenten van Galatië: GAL 1:3 genade voor u en vrede vanwege God de Vader en onze Heer Jezus Christus. GAL 1:4 die zich heeft gegeven voor onze zonden om ons te ontrukken aan de tegenwoordige slechte wereld, volgens de wil van God en Vader, GAL 1:5 aan wie is de heerlijkheid in de eeuwen der eeuwen. Amen. GAL 1:6 Er bestaat slechts één evangelie. Ik sta verbaasd dat gij zo spoedig afvalt van Hem die u riep tot de genade naar een ander evangelie; GAL 1:7 maar er is geen ander, er zijn alleen maar lieden die u verontrusten en het evangelie van Christus willen perverteren. GAL 1:8 Maar al zouden wijzelf of een engel uit de hemel een ander evangelie verkondigen dan wij u verkondigd hebben: hij zij vervloekt! GAL 1:9 Wat ik vroeger heb gezegd zeg ik nu opnieuw: als iemand u een ander evangelie verkondigt dan gij ontvangen hebt: hij zij vervloekt! GAL 1:10 Tracht ik nu de mensen te winnen of God? Zoek is soms de gunst van de mensen? Als ik nog de gunst van mensen zocht, zou ik geen dienaar van Christus zijn. GAL 1:11 Ik verzeker u, broeders; het evangelie dat door mij is verkondigd is geen produkt van mensen. GAL 1:12 Want ook ik heb het niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door een openbaring van Jezus Christus. 1,13-2,21 I.APOLOGETISCH DEEL GAL 1:13 Paulus' evangelie komt van God, niet van de mensen. Gij hebt toch gehoord hoe ik vroeger als Jood geleefd heb: hoe ik de kerk van God fel heb vervolgd en haar trachtte uit te roeien; GAL 1:14 en hoe ver ik het bracht in de Joodse godsdienst, vele leeftijdgenoten onder mijn volk overtreffend in mijn grenzeloze ijver voor de overleveringen van mijn voorouders. GAL 1:15 Maar toen Hij die mij vanaf mijn geboorte had uitgekozen en mij riep door zijn genade, GAL 1:16 besloot zijn Zoon aan mij te openbaren, opdat ik Hem onder de heidenvolken zou verkondigen, toen ben ik aanstonds, zonder een mens te raadplegen, GAL 1:17 zonder naar Jeruzalem te gaan, naar hen die eerder apostel waren dan ik, vertrokken naar Arabië en vandaar weer teruggekeerd naar Damascus. GAL 1:18 Pas drie jaar later ging ik naar Jeruzalem om met Kefas kennis te maken en ik ben maar veertien dagen bij hem gebleven. GAL 1:19 Van de andere apostelen heb ik niemand gezien, behalve Jakobus, de broeder des Heren. GAL 1:20 Wat ik u schrijf is de zuivere waarheid. God is mijn getuige. GAL 1:21 Daarna ging ik naar het gebied van Syrië en Cilicië; GAL 1:22 maar ik was persoonlijk onbekend bij de christengemeenten van Judea. GAL 1:23 Zij wisten alleen van horen zeggen: `Hij die ons vroeger vervolgde verkondigt nu het geloof dat hij vroeger wilde uitroeien'. GAL 1:24 En zij verheerlijkten God om mij. GAL 2:1 Paulus' evangelie door Jeruzalem erkend. Daarna, na verloop van veertien jaar, ben ik weer naar Jeruzalem gegaan, samen met Barnabas, en ik nam ook Titus mee. GAL 2:2 ging op grond van een openbaring. En ik legde hun het evangelie voor dat ik aan de heidenvolken verkondig, hun, dat wil zeggen, de mannen van aanzien afzonderlijk; ik wilde er zeker van zijn dat ik niet voor niets had gewerkt of zou werken. GAL 2:3 Maar zelfs mijn metgezel Titus, hoewel een Griek, werd niet gedwongen zich te laten besnijden. GAL 2:4 Dit wegens de binnengedrongen valse broeders, die waren binnengeslopen om onze vrijheid te bespieden die wij hebben in Christus Jezus, met het doel ons in slavernij te brengen. GAL 2:5 Maar wij zijn geen moment voor hun druk geweken, opdat de waarheid van het evangelie voor u behouden zou blijven. GAL 2:6 Maar alle mannen van importantie hoe belangrijk zij precies waren interesseert mij niet, voor God telt menselijk aanzien niet hoe dan ook, mij hebben de mannen van aanzien niets opgelegd. GAL 2:7 Integendeel, daar zij hadden ingezien dat aan mij het evangelie voor de onbesnedenen was toevertrouwd, juist zoals aan Petrus dat voor de besnedenen GAL 2:8 want Hij die Petrus kracht had gegeven voor het apostelschap onder de besnedenen had mij kracht gegeven voor de heidenvolken GAL 2:9 en daar zij de mij gegeven genade hadden erkend, hebben zij, Jakobus en Kefas en Johannes, die voor steunpilaren golden, mij en Barnabas de hand der gemeenschap gereikt: wij zouden naar de heidenen gaan en zij naar de besnedenen. GAL 2:10 Alleen moesten wij hun armen gedenken, wat ik dan ook juist van harte gedaan heb. GAL 2:11 Petrus en Paulus te Antiochië. Maar toen Kefas in Antiochië gekomen was, heb ik hem in zijn gezicht weerstaan, want hij stond onder het oordeel. GAL 2:12 Immers, voordat sommige mensen van Jakobus gekomen waren, at hij gewoon met de heidenen mee, maar toen zij gekomen waren, begon hij zich terug te trekken en afzijdig te houden uit vrees voor de mannen van de besnijdenis. GAL 2:13 En de overige Joden veinsden met hen mee, zodat zelfs Barnabas zich door hun veinzerij liet meeslepen. GAL 2:14 Maar toen ik zag dat hun gedrag niet strookte met de waarheid van het evangelie, zei ik tegen Kefas waar allen bij waren: `Als jij, een geboren Jood, leeft als een heiden en niet als een Jood, hoe kun je dan de heidenen dwingen om te leven als Joden?' GAL 2:15 Het evangelie van Paulus. Wij zelf zijn van geboorte Joden, geen zondaars uit de heidenen. GAL 2:16 Maar daar wij weten dat de mens niet gerechtvaardigd wordt door de werken van de wet, maar alleen door het geloof in Jezus Christus, zijn ook wij in Jezus Christus gaan geloven, om gerechtvaardigd te worden door het geloof in Christus en niet door de werken van de wet zal geen mens gerechtvaardigd worden. GAL 2:17 Als wij nu door onze gerechtigheid te zoeken bij Christus ook zelf zondaars bleken te zijn, betekent dit dan dat Christus handlanger is van de zonde? Dat nooit! GAL 2:18 Maar als ik weer opbouw wat ik heb afgebroken, maak ik mezelf tot overtreder. GAL 2:19 Want door de wet ben ik gestorven voor de wet, om te leven voor God. Met Christus ben ik gekruisigd. GAL 2:20 Ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij. Voor zover ik nu leef in het vlees, leef ik in het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zichzelf heeft overgeleverd voor mij. GAL 2:21 Ik doe de genade van God niet teniet: als de wet ons kon rechtvaardigen, dan was Christus voor niets gestorven. 3,1-5,12 II.LEERSTELLIG DEEL: DE WET EN HET GELOOF GAL 3:1 Het geloof, niet de wet schenkt de Geest. O domme Galaten, wie heeft jullie behekst? Jezus Christus was u toch openlijk en duidelijk verkondigd als gekruisigd! GAL 3:2 Dit wil ik alleen maar van u horen: hebt ge de Geest ontvangen door de wet te volbrengen of door gelovig te luisteren? GAL 3:3 Hoe kunt ge zo dom zijn! Ge zijt begonnen met de Geest, wilt ge nu eindigen met het vlees? GAL 3:4 Hebt ge zoveel meegemaakt voor niets? Dat kan ik niet aannemen. GAL 3:5 Nogmaals: Hij die u de Geest verleent en onder u wonderen werkt, doet Hij dat omdat ge de wet onderhoudt of omdat ge luistert en gelooft? GAL 3:6 Het geloof, niet de wet geeft deel aan de zegen van Abraham. Zoals er geschreven staat: Abraham heeft God geloofd en het werd hem als gerechtigheid aangerekend. GAL 3:7 Ge ziet het: de mensen van geloof, dat zijn de kinderen van Abraham. GAL 3:8 En daar de Schrift voorzag, dat God de heidenvolken zou rechtvaardigen door het geloof, heeft zij aan Abraham bij voorbaat het evangelie verkondigd: In u zullen alle volken worden gezegend. GAL 3:9 De mensen van geloof worden dus gezegend, samen met Abraham, de gelovige. GAL 3:10 Maar de mensen van de wetswerken liggen onder een vloek. Er staat immers geschreven: Vervloekt is ieder die zich niet metterdaad houdt aan alle voorschriften in het boek der wet, GAL 3:11 Trouwens, dat niemand door een wet bij God gerechtvaardigd wordt, is evident, want: Hij die door het geloof gerechtvaardigd is zal leven. GAL 3:12 Welnu, de wet heeft niet met geloven te maken, maar: Hij die deze dingen doet zal daardoor tot het leven komen. GAL 3:13 Christus heeft ons bevrijd van de vloek der wet door zelf voor ons een vloek te worden, want er staat geschreven: Vervloekt alwie hangt aan het hout, GAL 3:14 - opdat in Jezus Christus de zegen van Abraham zou komen over de heidenvolken, opdat wij de belofte van de Geest zouden ontvangen door middel van het geloof. GAL 3:15 Het geloof, niet de wet geeft het beloofde erfdeel. Broeders, een voorbeeld uit het gewone leven: ook onder de mensen kan niemand een rechtsgeldig testament tenietdoen of wijzigen. GAL 3:16 Nu zijn de beloften aan Abraham aangezegd en aan zijn nageslacht. (Het woord staat niet in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw nageslacht en dat nageslacht is Christus). GAL 3:17 Ik bedoel dit: een door God bekrachtigde wilsbeschikking wordt niet ongedaan gemaakt door een wet die vierhonderddertig jaar later is gekomen, zodat de belofte zou komen te vervallen. GAL 3:18 Was immers de erfenis afhankelijk van de wet, dan niet van de belofte. Maar God heeft juist door een belofte Abraham zijn genade betoond. GAL 3:19 Waartoe dient dan de wet? Die is er bij gekomen met het oog op de overtredingen, tot aan de komst van het nageslacht, op wie de belofte betrekking heeft. Ze is uitgevaardigd door engelen door tussenkomst van een middelaar. GAL 3:20 Maar een middelaar vertegenwoordigt meer dan een persoon, God echter is een. GAL 3:21 Is de wet dan in strijd met de beloften? Geen sprake van! Was er een wet gegeven die het leven kon schenken, dan zou de gerechtigheid inderdaad voortvloeien uit de wet. GAL 3:22 Maar de Schrift heeft alles opgesloten in de macht der zonde, zodat de belofte gegeven wordt aan hen die geloven, en wel op grond van het geloof in Jezus Christus. GAL 3:23 Voordat het geloof kwam, stonden wij onder bewaking van de wet, opgesloten tot het geloof zou worden geopenbaard. GAL 3:24 De wet is dus voor ons een oppasser geweest tot de komst van Christus, opdat wij gerechtvaardigd zouden worden door het geloof. GAL 3:25 Maar nu het geloof is gekomen, staan wij niet langer onder de oppasser. GAL 3:26 Want gij zijt allen kinderen van God door het geloof in Christus Jezus. GAL 3:27 Want gij allen die in Christus zijt gedoopt, zijt met Christus bekleed. GAL 3:28 Er is geen Jood of heiden meer, er is geen slaaf of vrije, er is geen man en vrouw: allen tezamen zijt gij een persoon in Christus Jezus. GAL 3:29 Maar als gij bij Christus hoort, dan zijt ge ook Abraham, `nageslacht', erfgenamen krachtens de belofte. GAL 4:1 Het geloof maakt allen kinderen van God. Ik bedoel dit: zolang de erfgenaam onmondig is, verschilt hij, hoewel heer van alles, in niets van een slaaf: GAL 4:2 hij staat onder voogden en beheerders tot het tijdstip dat door zijn vader is bepaald. GAL 4:3 Zo waren ook wij, zolang we onmondig waren, slaven, onderworpen aan de machten van de kosmos. GAL 4:4 Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, GAL 4:5 opdat Hij hen die onder de wet stonden zou bevrijden, opdat wij de rang van zonen zouden verkrijgen. GAL 4:6 En het bewijs dat ge zonen zijt: Hij heeft de Geest van zijn Zoon in ons hart gezonden, die roept: Abba, Vader! GAL 4:7 Je bent dus niet langer slaaf maar zoon; en als je zoon bent, dan ook erfgenaam, door toedoen van God. GAL 4:8 Indertijd, toen ge God niet kende, hebt ge goden gediend die niet werkelijk goden zijn. GAL 4:9 Maar nu, nu ge God hebt leren kennen, of liever, door God zijt gekend, hoe kunt ge nu opnieuw keren tot die zwakke en armzalige krachten? Wilt ge weer van voren af aan hun slaven worden? GAL 4:10 Ge houdt u aan bepaalde dagen en maanden, tijden en jaren... GAL 4:11 Ik ben bang dat ik me vergeefs voor u heb afgetobd. GAL 4:12 Herinner u onze vroegere verhouding. Wordt zoals ik, broeders, want ik ben aan u gelijk geworden; ik smeek er u om. Gij hebt mij niets tekort gedaan. GAL 4:13 Gij weet toch: ziekte was de aanleiding dat ik u eertijds het evangelie verkondigd heb, GAL 4:14 en hoewel mijn toestand een beproeving voor u was, hebt ge geen spoor van minachting of afkeer getoond. Integendeel, ge hebt me opgenomen als een bode van God, als Christus Jezus zelf. GAL 4:15 Waar is uw zaligheid gebleven? Want het is een feit: als het mogelijk was geweest, hadt ge uw ogen uitgerukt om ze mij te geven. GAL 4:16 En nu ben ik uw vijand geworden omdat ik u de waarheid zei? GAL 4:17 Zij dingen ijverig naar uw gunst, maar niet met zuivere bedoeling. Zij willen u van mij vervreemden opdat ge ijvert voor hen. GAL 4:18 Het is mooi altijd met heilige ijver omringd te worden, maar dan ook altijd en niet enkel als ik bij u ben. GAL 4:19 Ach kinderen, ik moet opnieuw weeën om u doorstaan, totdat ge de gestalte van Christus hebt aangenomen. GAL 4:20 Hoe graag zou ik op dit ogenblik bij u zijn en op een andere toon tot u spreken, want ik ben ten einde raad met u. GAL 4:21 Een voorafbeelding van de christelijke vrijheid. Zeg me, gij die zo graag onder de wet wilt, luistert ge wel naar de wet? GAL 4:22 er staat immers geschreven dat Abraham twee zonen kreeg, een van de slavin en een van de vrije vrouw. GAL 4:23 maar de zoon van de slavin werd geboren naar het vlees, die van de vrije vrouw uit kracht van de belofte. GAL 4:24 Deze dingen zijn allegorisch bedoeld. De twee vrouwen zijn twee verbonden: het ene, dat van de berg Sina , brengt slaven voort en dat is Hagar; GAL 4:25 (De Sinaï nu is een berg in Arabië.) zij beantwoordt aan het tegenwoordige Jeruzalem, dat met zijn kinderen in slavernij ligt. GAL 4:26 Maar het Jeruzalem van omhoog is vrij en dat is onze moeder. GAL 4:27 Want er staat geschreven: Verheug u, onvruchtbare, gij die niet baart, breek los in gejuich, gij die geen weeën kent. Want de kinderen der eenzame zullen talrijker zijn dan de kinderen van haar die de man heeft. GAL 4:28 Welnu, broeders, gij zijt evenals Isaak kinderen van belofte. GAL 4:29 Maar zoals indertijd de geborene naar het vlees de naar de geest geborene vervolgde, zo gaat het ook nu. GAL 4:30 Maar wat zegt de Schrift? Verjaag de slavin met haar zoon, want de zoon van de slavin hoort de erfenis niet te delen met de zoon van de vrijgeborene. GAL 4:31 Broeders, wij zijn dus geen kinderen van een slavin, maar van de vrije vrouw. GAL 5:1 De christelijke vrijheid. Voor die vrijheid heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet opnieuw het slavenjuk opleggen. GAL 5:2 Let op mijn woorden. Ik, Paulus, zeg u: als ge u laat besnijden, zal Christus u niets baten. GAL 5:3 Nogmaals verzeker ik ieder die zich laat besnijden, dat hij verplicht is de hele wet te onderhouden. GAL 5:4 Als ge uw heil in de wet zoekt, hebt gij met Christus gebroken, hebt gij de genade verbeurd. GAL 5:5 Want wij, wij verwachten door de Geest de verhoopte gerechtigheid van het geloof. GAL 5:6 Want in Christus Jezus heeft besnijdenis noch onbesnedenheid enig belang, maar alleen geloof zich uitend in liefde, GAL 5:7 Ge waart zo goed op weg. Wie heeft u verhinderd de waarheid te blijven volgen? GAL 5:8 Die ingeving kwam niet van Hem die u roept. GAL 5:9 Denk eraan: `Een weinig zuurdeeg maakt het hele deeg zuur'. GAL 5:10 Ik vertrouw op u in de Heer, dat gij er niet anders over zult denken. Maar hij die u in verwarring brengt zal zijn vonnis moeten dragen, wie hij ook is. GAL 5:11 Wat mij betreft, broeders, als ik nog de besnijdenis zou verkondigen, waarom word ik dan nog vervolgd? Dan was het immers afgelopen met de ergernis van het kruis. GAL 5:12 Zij moesten zich meteen maar ontmannen, die opruiers! 5,13-6,10 III.HOE TE LEVEN VOLGENS DE VRIJHEID VAN DE CHRISTEN GAL 5:13 Vrijheid en liefde. Broeders, gij werd geroepen tot vrijheid. Alleen, misbruik de vrijheid niet als voorwendsel voor de zelfzucht. Integendeel, dient elkander door de liefde. GAL 5:14 Want de hele wet is vervat in dit ene woord: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. GAL 5:15 Maar als ge elkaar blijft bijten en klauwen, vrees ik dat ge elkaar in het eind zult verslinden. GAL 5:16 Ik bedoel dit: leef naar de Geest, dan zult ge de begeerte van de zelfzucht niet volvoeren. GAL 5:17 Want de zelfzucht begeert tegen de Geest en de Geest tegen de zelfzucht, want ze zijn elkaars tegenstanders, zodat ge niet doet wat ge zoudt willen doen. GAL 5:18 Maar als ge u door de Geest laat leiden, staat ge niet onder de wet. GAL 5:19 De uitingen van zelfzucht zijn bekend, zoals ontucht, onreinheid, losbandigheid; GAL 5:20 afgodendienst, toverij, vijandschap, twist, afgunst, uitbarstingen van woede, intriges, ruzies, partijschappen, jaloersheden; GAL 5:21 drinkgelagen, orgieën en dergelijke. Ik waarschuw u zoals ik u al eerder gewaarschuwd heb: wie zich zo misdragen, zullen het koninkrijk van God niet erven. GAL 5:22 Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid. GAL 5:23 Tegen zulke dingen bestaat geen wet. GAL 5:24 Zij die Christus Jezus toebehoren hebben het vlees gekruisigd met zijn hartstochten en begeerten. GAL 5:25 Allerlei suggesties. Daar wij leven door de Geest, willen we ook leven volgens de Geest. GAL 5:26 Wij moeten niet verwaand zijn, elkaar niet voortdurend tarten en benijden. GAL 6:1 Broeders, als iemand op een misstap betrapt wordt, moet gij, geestelijke mensen, zo iemand in een geest van zachtmoedigheid oprichten; let tegelijk op jezelf, jij kunt ook in verzoeking komen. GAL 6:2 Helpt elkaar zulke lasten te dragen; op die manier zult ge de wet van Christus vervullen. GAL 6:3 Want wie meent iets te betekenen, terwijl hij niets is, bedriegt zichzelf. GAL 6:4 Laat ieder zijn eigen gedrag onderzoeken, dan zal hij zijn roem wel voor zich houden en niet uitspelen tegen zijn naaste; GAL 6:5 want ieder heeft zijn eigen vracht te dragen. GAL 6:6 Wie onderricht ontvangt in het woord van God, moet zijn leermeester laten delen in alle goeds dat hij bezit. GAL 6:7 Maak u niets wijs: God laat niet met zich spotten. Wat een mens zaait zal hij ook oogsten. GAL 6:8 Wie zaait op de akker van zijn zelfzucht, zal verderf oogsten; wie zaait op de akker van de Geest, zal van de Geest eeuwig leven oogsten. GAL 6:9 Laten we niet moede worden goed te doen; als we de moed niet verliezen, zullen we te zijner tijd de oogst binnenhalen. GAL 6:10 Laten we dus, zolang we tijd hebben, goed doen aan allen, maar vooral aan onze geloofsgenoten. 6,11- 18 EEN EIGENHANDIG POSTSCRIPTUM GAL 6:11 Zie met hoe grote letters ik u nu eigenhandig schrijf. GAL 6:12 Het zijn lieden die in de wereld een goed figuur willen slaan, die u de besnijdenis trachten op te dringen, alleen maar om niet vervolgd te worden om het kruis van Christus. GAL 6:13 Want die mensen van de besnijdenis onderhouden zelf niet eens de wet, maar ze willen we dat gij u laat besnijden, om zich daarop te kunnen beroemen. GAL 6:14 Mij moge God er voor bewaren op iets anders te roemen dan op het kruis van onze Heer Jezus Christus, waardoor de wereld voor mij gekruisigd is en ik voor de wereld. GAL 6:15 Het komt niet aan op besnijdenis of onbesnedenheid maar op de nieuwe schepping. GAL 6:16 Vrede en barmhartigheid kome over allen die naar dit beginsel leven en over het Israël van God! GAL 6:17 Laat voortaan niemand het mij lastig maken, want ik draag de merktekens van Jezus in mijn lichaam. GAL 6:18 Broeders, de genade van onze Heer Jezus Christus zij met uw geest. Amen. DE BRIEF AAN DE CHRISTENEN VAN EFEZE 1,3-2,1 I.HET GEHEIM VAN DE ROEPING DER HEIDENVOLKEN TOT HET LICHAAM VAN CHRISTUS EF 1:1 Schrijver. Lezers. Groet. Van Paulus, door Gods wil apostel van Christus Jezus, aan de heiligen en gelovigen in Christus Jezus. EF 1:2 Genade en vrede voor u vanwege God onze Vader en de Heer Jezus Christus! EF 1:3 Hymne. Gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in de hemelen in Christus heeft gezegend met elke geestelijke zegen. EF 1:4 In Hem heeft Hij ons uitverkoren voor de grondlegging der wereld, om heilig en vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht. EF 1:5 In liefde heeft Hij ons voorbestemd zijn kinderen te worden door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, EF 1:6 tot lof van de heerlijkheid van zijn genade. Hiermee heeft Hij ons begiftigd in de Geliefde, EF 1:7 in wie wij de verlossing hebben door zijn bloed, de vergeving van de zonden, dank zij de rijkdom van zijn genade. EF 1:8 Die heeft Hij ons meegedeeld als een overvloed van wijsheid en inzicht. EF 1:9 Want Hij heeft ons zijn geheim raadsbesluit doen kennen, de beslissing die Hij in Christus had genomen. EF 1:10 ter verwezenlijking van de volheid der tijden: het heelal in Christus onder een hoofd te brengen, alle wezens in de hemelen en alle wezens op aarde, in Hem. EF 1:11 In Christus hebben wij ook ons erfdeel ontvangen, daartoe voorbestemd door de beschikking van Hem die alles tot stand brengt naar het besluit van zijn wil, EF 1:12 opdat wij verbreiden de lof van zijn heerlijkheid wij die reeds te voren onze hoop op de Christus hadden gebouwd. EF 1:13 In Christus zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie van uw heil, hebt aanhoord, in Hem zijt ook gij tot het geloof gekomen, verzegeld met de heilige Geest der belofte, EF 1:14 die het onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van Gods eigen volk, en tot lof van zijn heerlijkheid. EF 1:15 Dankzegging en gebed. Daarom zeg ook ik onophoudelijk dank, want ik heb gehoord van uw geloof in de Heer Jezus en uw liefde voor alle heiligen. EF 1:16 Steeds gedenk ik u in mijn gebeden. EF 1:17 Ik smeek de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u de Geest te geven van wijsheid en openbaring om Hem waarachtig te kennen. EF 1:18 Moge Hij uw innerlijk oog verlichten om te zien, hoe groot de hoop is waartoe Hij u roept, hoe rijk de heerlijkheid van zijn erfdeel temidden der heiligen EF 1:19 en hoe overgroot zijn macht in ons die geloven. Dezelfde sterkte en kracht EF 1:20 heeft Hij betoond in Christus, toen Hij Hem opwekte uit de doden en zette aan zijn rechterhand in de hemelen, EF 1:21 hoog boven alle heerschappijen, machten, krachten en hoogheden, en boven elke naam die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomstige tijd. EF 1:22 Alles heeft God onder zijn voeten gelegd, en Hemzelf, verheven boven alles, heeft Hij als Hoofd gegeven aan de kerk, EF 1:23 die zijn lichaam is, de volheid van Hem die het al in alles vervult. EF 2:1 De doden zijn in Christus levend geworden. En gij die dood waart door uw afdwalingen en uw zonden, EF 2:2 waarin gij eertijds hebt geleefd volgens de god van deze wereld, de heerser over het machtsgebied van de lucht, de geest die nog altijd aan het werk is onder de weerspannigen... EF 2:3 Trouwens, ook wij allen, zonder uitzondering, hebben vroeger tot hen behoord, toen wij ons leven lieten beheersen door zondige begeerten en deden wat onze zelfzucht en onze boze neigingen van ons wilden. Uit onszelf waren wij een voorwerp van Gods toorn, evenzeer als de anderen. EF 2:4 Maar God, die rijk is aan erbarming, heeft wegens de grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad, EF 2:5 ons met Christus ten leven gewekt, hoewel wij dood waren door onze zonden; aan zijn genade dankt gij uw redding. EF 2:6 En Hij heeft ons samen met Hem doen opstaan en zetelen in de hemelen, in Christus Jezus, EF 2:7 om de naderbij komende eeuwen de overgrote rijkdom van zijn genade te tonen door zijn goedheid jegens ons in Christus Jezus. EF 2:8 Ja, aan die genade dankt gij uw heil, door het geloof; niet aan uzelf, Gods gave is het; EF 2:9 niet aan uw prestaties, niemand mag zich verhovaardigen. EF 2:10 Gods werk zijn wij, geschapen in Christus Jezus, om in ons leven de goede daden te realiseren die God voor ons al bereid heeft. EF 2:11 De heidenwereld in de kerk opgenomen. Beseft dus goed, dat gij, vroeger `de heidenen' geheten, `de onbesnedenen', zo genoemd door hen die zich vanwege een lichamelijke ingreep `de besnedenen' noemen, EF 2:12 bedenkt dat gij indertijd van Christus gescheiden waart, uitgesloten van de gemeenschap van Israël en van de verbonden waaraan de belofte verbonden was, zonder hoop en zonder God in de wereld. EF 2:13 Thans echter zijt gij die eertijds veraf waart, in Christus Jezus dichtbij gekomen, door het bloed van Christus. EF 2:14 Want Hij is onze vrede, Hij die de twee werelden een gemaakt heeft, en de scheidsmuur heeft neergehaald, door in zijn vlees de vijandschap, EF 2:15 de wet der geboden met haar verordeningen, te vernietigen. Hij heeft vrede gesticht door in zijn persoon uit de twee een nieuwe mens te scheppen, EF 2:16 en die beiden in een lichaam met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap heeft gedood. EF 2:17 En Hij is gekomen en Hij heeft vrede verkondigd aan u die veraf waart en vrede aan hen die dichtbij waren. EF 2:18 Want door Hem hebben wij beiden in een Geest de toegang tot de Vader. EF 2:19 Zo zijt gij dus geen vreemdelingen en ontheemden meer, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God, EF 2:20 gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl de sluitsteen Christus Jezus zelf is, EF 2:21 die het hele bouwwerk in zijn voegen houdt. In Hem groeit het uit tot een heilige tempel in de Heer. EF 2:22 In Hem wordt ook gij mee opgebouwd tot een woonstede van God, in de Geest. EF 3:1 De apostel als dienaar van het mysterie van Christus en de kerk. Daarom is het dat ik, Paulus, de gevangene van Christus Jezus ter wille van u, de heidenvolken... EF 3:2 Gij hebt toch vernomen hoe de genade Gods die mij met het oog op u gegeven is, zich heeft verwerkelijkt: EF 3:3 dat mij door openbaring de kennis van het geheim is meegedeeld zoals ik het reeds in het kort heb beschreven. EF 3:4 Wanneer gij dit leest, kunt gij u op grond daarvan een begrip vormen van mijn inzicht in het Christusmysterie. EF 3:5 Nooit is het onder vroegere geslachten aan de kinderen der mensen bekend gemaakt, zoals het nu door de Geest is geopenbaard aan zijn heilige apostelen en profeten: EF 3:6 dat de heidenen in Christus Jezus medeërfgenamen zijn, medeleden en mededeelgenoten van de belofte door middel van het evangelie, EF 3:7 waarvan ik bedienaar geworden ben krachtens de gave van Gods genade, mij geschonken door de werking van zijn macht. EF 3:8 Aan mij, de allerminste van alle heiligen, is de genade gegeven de heidenen de ondoorgrondelijke rijkdom van de Christus te verkondigen, EF 3:9 en de volvoering van het geheim in het licht te stellen. Het was van eeuwigheid verborgen in God, de schepper van het heelal, EF 3:10 opdat thans aan de heerschappijen en de machten in de hemelen door middel van de kerk de veelvoudige wijsheid Gods bekend zou worden. EF 3:11 Zo was zijn eeuwig voornemen dat Hij uitgevoerd heeft in Christus Jezus, onze Heer. EF 3:12 In Hem hebben wij, door het geloof in Hem, vol vertrouwen de vrije toegang tot God. EF 3:13 Ik bid u dus de moed niet te verliezen bij de verdrukkingen die ik voor u doorsta: die zijn voor u een eer. EF 3:14 Gebed om de volmaakte gnosis. Daarom buig ik mijn knieën voor de Vader, EF 3:15 naar wie alle vaderschap. in de hemel en op aarde genoemd wordt: EF 3:16 moge Hij u in zijn onmetelijke heerlijkheid geven dat uw diepste wezen machtig door zijn Geest wordt gesterkt, EF 3:17 dat Christus door het geloof woont in uw hart en dat gij in de liefde geworteld en gegrondvest blijft. EF 3:18 Moogt gij in staat zijn met alle heiligen te vatten, wat de breedte en lengte en diepte is, EF 3:19 en te kennen de liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat. Moogt gij de volheid bereikten die de volheid van God zelf is. EF 3:20 Aan Hem die door de kracht welke in ons werkt' bij machte is oneindig meer te volbrengen dan al wat wij kunnen vragen of bevroeden, EF 3:21 aan Hem zij de heerlijkheid in de kerk en in Christus Jezus, tot in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen. 4,1-6,20 II.HET LEVEN OVEREENKOMSTIG DE ROEPING EF 4:1 Vermaning tot eenheid. Ik, de gevangene in de Heer, vraag u met aandrang: leidt een leven dat beantwoordt aan de roeping die gij van God ontvangen hebt, EF 4:2 in alle deemoed en zachtheid, in lankmoedigheid, liefdevol elkaar verdragend. EF 4:3 Beijvert u de eenheid des Geestes te behouden door de band van de vrede: EF 4:4 een lichaam en een Geest, zoals gij ook geroepen zijt tot een en dezelfde hoop waarvoor Gods roeping borg staat. EF 4:5 Een Heer, een geloof, een doop. EF 4:6 Een God en Vader van allen, die is boven allen en met allen en in allen. EF 4:7 Verscheidenheid van Christus' gaven in de kerk. Maar aan ieder van ons afzonderlijk is de genade verleend naar de maat van Christus' gave. EF 4:8 Daarom zegt de Schrift: Hij is opgevaren naar den hoge, Hij heeft gevangenen meegevoerd, Hij heeft gaven gegeven aan de mensen. EF 4:9 Hij is opgestegen: dit betekent dat Hij eerst in de diepte is afgedaald tot op de aarde. EF 4:10 Hij die is neergedaald, is dezelfde die ook is opgestegen hoog boven alle hemelen, om het heelal te vervullen. EF 4:11 Hij heeft ook gaven gegeven: sommigen maakte Hij apostelen, anderen profeten, anderen evangelisten, weer anderen herders en leraars, EF 4:12 om de heiligen toe te rusten voor het werk der bediening, tot opbouw van het lichaam van Christus, EF 4:13 totdat wij allen tezamen komen tot de eenheid in het geloof en de kennis van Gods Zoon, tot de volmaakte Man, tot de gehele omvang van de volheid van de Christus. EF 4:14 Dan zullen wij niet langer onmondig zijn, heen en weer geslingerd en meegesleurd door elke windvlaag, ik bedoel, elke leer die door het valse spel van sluwe mensen wordt uitgedacht om tot dwaling te verleiden. EF 4:15 Neen, laten wij de waarheid spreken in liefde en zo geheel naar Christus toegroeien. Hij is het hoofd EF 4:16 waaruit het hele lichaam kracht put. Als een welsluitend geheel bijeengehouden door de steun van al zijn gewrichten bereikt het zijn volle wasdom door de werkzaamheid die ieder deel is toegemeten en bouwt het zichzelf op in liefde. EF 4:17 De oude en de nieuwe mens. Daarom doe ik een beroep op u bij de Heer: leeft niet langer zoals de heidenen in hun waanwijsheid, EF 4:18 verduisterd als zij zijn in hun verstand en vervreemd van Gods leven door de onwetendheid die in hen heerst en de verstoktheid van hun hart. EF 4:19 Zedelijk afgestompt, hebben zij zich overgegeven aan losbandigheid, om gretig winst te slaan uit allerlei immorele praktijken. EF 4:20 Maar gij hebt de Christus zo niet leren kennen! EF 4:21 Want gij hebt van Hem gehoord en zijt in Hem onderricht naar de waarheid die in Jezus is: EF 4:22 dat gij de oude mens van uw vroegere levenswandel, die te gronde gaat aan zijn bedrieglijke begeerten, moet afleggen EF 4:23 en dat geheel uw denken zich moet vernieuwen. EF 4:24 Bekleedt u met de nieuwe mens, die naar Gods beeld is geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid. EF 4:25 Daarom, doet de leugen weg en laat ieder met zijn naaste de waarheid spreken, want wij zijn elkanders ledematen. EF 4:26 Wordt toornig maar zondigt niet. De zon mag over uw toorn niet ondergaan, EF 4:27 geeft de duivel geen kans. EF 4:28 Wie een dief was moet niet meer stelen, maar zich inspannen met eerlijke arbeid; dan kan hij de behoeftige iets geven. EF 4:29 Laat geen slecht woord over uw lippen komen, maar spreekt een goed woord, opbouwend, als het nodig is, tot zegen voor de hoorders. EF 4:30 Wilt Gods heilige Geest niet bedroeven: gij zijt met zijn zegel gewaarmerkt voor de dag der verlossing. EF 4:31 Wrok, gramschap, toorn, geschreeuw en gevloek, kortom alle boosaardigheid moet bij u verdwijnen. EF 4:32 Weest goed voor elkaar en hartelijk. Vergeeft elkaar zoals God u vergeven heeft in Christus. EF 5:1 Weest navolgers van God, zoals geliefde kinderen past. EF 5:2 Leidt een leven van liefde naar het voorbeeld van Christus, die ons heeft bemind en zich voor ons heeft overgeleverd als offergave en slachtoffer, God tot een lieflijke geur. EF 5:3 Leven in het licht. Ontucht en onzedelijkheid, in welke vorm dan ook, of hebzucht mag onder u zelfs niet ter sprake komen. Heiligen betaamt dit niet. EF 5:4 Evenmin past u schandelijke, grove of dubbelzinnige taal, maar veeleer dankzegging. EF 5:5 Beseft het goed: geen ontuchtige of onreine of gierige wat hetzelfde is als een afgodendienaar heeft enig erfdeel in het koninkrijk van Christus en van God. EF 5:6 Laat niemand u met loze woorden misleiden: om zulke dingen komt Gods toorn over de ongehoorzamen. EF 5:7 Doet niet met hen mee. EF 5:8 Eens waart gij duisternis, nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de Heer. Leeft dan ook als kinderen van het licht, EF 5:9 en de vrucht van het licht kan alleen maar zijn: goedheid, gerechtigheid, waarheid. EF 5:10 Tracht te ontdekken wat de Heer behaagt. EF 5:11 Neemt geen deel aan hun duistere en onvruchtbare praktijken, brengt ze liever aan het licht. EF 5:12 Wat deze lieden in het geheim doen is te schandelijk om ook maar over te spreken. EF 5:13 Alles echter wat aan het licht wordt gebracht, komt in het licht tot helderheid. EF 5:14 En alles wat verhelderd wordt is zelf `licht' geworden. Zo zegt ook de hymne: Ontwaak, slaper, sta op uit de dood, en Christus' licht zal over u stralen.' EF 5:15 Let dus nauwkeurig op hoe ge u gedraagt: als verstandige mensen, niet als dwazen. EF 5:16 Benut de gunstige gelegenheid, want de tijden zijn slecht. EF 5:17 Daarom, weest niet onverstandig, maar tracht te begrijpen wat de Heer wil. EF 5:18 Bedwelmt u niet met wijn, wat tot losbandigheid leidt, maar laat u bezielen door de Geest. EF 5:19 Spreekt elkander toe in psalmen en hymnen en liederen, ingegeven door de Geest. Zingt en speelt voor de Heer van ganser harte. EF 5:20 Zegt altijd voor alles dank aan God de Vader in de naam van onze Heer Jezus Christus. EF 5:21 Het christelijk gezin. Weest elkander onderdanig uit ontzag voor Christus. EF 5:22 Vrouwen, weest onderdanig aan uw man als aan de Heer. EF 5:23 Want de man is het hoofd van de vrouw, zoals Christus het hoofd is van de kerk. Hij is ook de verlosser van zijn lichaam, EF 5:24 maar zoals de kerk onderdanig is aan Christus, zo moet ook de vrouw haar man in alles onderdanig zijn. EF 5:25 Mannen, hebt uw vrouw lief, zoals Christus de kerk heeft liefgehad: Hij heeft zich voor haar overgeleverd EF 5:26 om haar te heiligen, haar reinigend door het waterbad met het woord. EF 5:27 Hij heeft de kerk tot zich gevoerd als een heerlijke bruid, zonder vlek of rimpel of fout, heilig en onbesmet. EF 5:28 Zo moeten ook de mannen hun vrouwen liefhebben, zoals ze hun eigen lichaam liefhebben. Wie zijn vrouw bemint, bemint zichzelf. EF 5:29 Niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat; integendeel, hij voedt en koestert het. En zo doet Christus met de kerk, EF 5:30 omdat wij ledematen zijn van zijn lichaam. EF 5:31 Daarom zal de man vader en moeder verlaten om zich te hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen een vlees zijn. EF 5:32 Dit geheim heeft een diepe zin. Ik voor mij betrek het op Christus en de kerk. EF 5:33 Hoe dit ook zij, ieder van u moet zijn vrouw beminnen als zichzelf en de vrouw moet ontzag hebben voor haar man. EF 6:1 Kinderen, gehoorzaamt uw ouders; zo hoort het. EF 6:2 Eer uw vader en uw moeder, zo luidt het eerste gebod waaraan een belofte is verbonden, EF 6:3 opdat het u welga en gij lang moogt leven op aarde. EF 6:4 En gij, vaders, verbittert uw kinderen niet, maar voedt ze op met christelijke tucht en vermaning. EF 6:5 Slaven, weest uw aardse meesters gehoorzaam met eerbied en in eenvoud des harten, als gold uw onderdanigheid Christus zelf, EF 6:6 niet als ogendienaars om mensen te behagen, maar als knechten van Christus, die Gods wil van harte volbrengen. EF 6:7 Dient welgemoed in de mensen de Heer, EF 6:8 wetend dat ieder, hij moge slaaf zijn of vrije, het goede dat hij gedaan heeft, van de Heer zal terugontvangen. EF 6:9 En gij meesters, behandelt hen in dezelfde geest. Laat dreigementen achterwege. Denkt eraan dat gij dezelfde meester in de hemel hebt als zij; Hij heeft geen gunstelingen. EF 6:10 Geestlijke wapens. Ten slotte, zoekt uw kracht bij de Heer en zijn almacht. EF 6:11 Legt de wapenrusting Gods aan om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel. EF 6:12 Want onze strijd gaat niet tegen vlees en bloed maar tegen de heerschappijen, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelen, EF 6:13 Grijpt daarom naar de wapenrusting Gods; dan kunt ge weerstand bieden op de dag der verschrikking en staande blijven, strijdend tot het einde. EF 6:14 Staat dan, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het harnas der gerechtigheid, EF 6:15 de voeten geschoeid met ijver voor het evangelie van de vrede. EF 6:16 Hanteert daarbij het grote schild van het geloof, waarmee gij alle brandende pijlen van de boze kunt doven. EF 6:17 Neemt ook de helm van het heil en het zwaard van de Geest, dat is, het woord Gods. EF 6:18 Bidt en smeekt in de Geest bij elke gelegenheid en op allerlei wijze. Houdt daartoe nachtwaken, waarbij gij met volharding God smeekt voor alle heiligen. EF 6:19 Bidt ook voor mij, dat mij het woord gegeven mag worden als ik mijn mond open om vrijmoedig het mysterie openbaar te maken, EF 6:20 waarvoor ik een gezant ben in boeien. Bidt dat ik het vrijmoedig mag verkondigen, zoals het mijn plicht is. EF 6:21 Sot: mededeling en zegenwens. Tychikus, de geliefde broeder en trouwe dienaar in de Heer, zal u alles vertellen, zodat ook gij te weten komt hoe ik het maak. EF 6:22 Juist daarom zend ik hem naar u toe, dat gij zoudt vernemen hoe het ons gaat en hij uw hart moge vertroosten. EF 6:23 God de Vader en de Heer Jezus Christus mogen de broeders vrede geven en liefde met geloof. EF 6:24 De genade zij met allen die onze Heer Jezus Christus liefhebben, in onvergankelijkheid! DE BRIEF AAN DE CHRISTENEN VAN FILIPPI Schrijver. Lezers. Groet. Van Paulus en Timoteüs, dienstknechten van Christus Jezus, aan alle heiligen in Christus Jezus te Filippi met hun episkopen en diakens. FIL 1:2 Genade voor u en vrede vanwege God onze Vader en de Heer Jezus Christus! FIL 1:3 Dankzegging en gebed. Ik dank God telkens als ik u gedenk, FIL 1:4 altijd, bij al mijn gebeden voor u allen. FIL 1:5 En ik verricht mijn gebed met blijdschap, omdat gij van de eerste dat tot nu toe uw deel hebt bijgedragen tot de prediking van het evangelie. FIL 1:6 Ik ben er zeker van dat Hij die het goede werk in u begonnen is het zal voltooien tegen de dag van Christus Jezus. FIL 1:7 Het spreekt ook vanzelf dat ik zo over u allen denk, want ik draag u in mijn hart, u allen die in mijn gevangenschap bij de verdediging en bekrachtiging van het evangelie deelt in de genade die mij gegeven wordt. FIL 1:8 God weet hoe vurig ik naar u allen verlang, met de innigheid van Christus Jezus zelf. FIL 1:9 En dit is mijn bede: moge uw liefde steeds rijker worden aan inzicht en fijngevoeligheid, FIL 1:10 om te kunnen onderscheiden waar het op aankomt. Dan zult gij op de dag van Christus ongerept en onberispelijk zijn, FIL 1:11 verzadigd met de vrucht der gerechtigheid, die komt van Jezus Christus, tot eer en lof van God. FIL 1:12 Paulus in boeien getuigt voor het evangelie. Gij moet weten, broeders, dat mijn zaak veel heeft bijgedragen tot de voortgang van het evangelie. FIL 1:13 In heel het praetorium en ook voor alle anderen is het duidelijk geworden, dat ik mijn boeien draag ter wille van Christus; FIL 1:14 en het merendeel van de broeders heeft uit mijn gevangenschap kracht geput om, in vertrouwen op de Heer en met groter moed dan eerst, onbevreesd het woord te verkondigen. FIL 1:15 Weliswaar doen sommigen het uit nijd en strijd, maar anderen prediken de Christus met goede bedoelingen. FIL 1:16 Dezen doen het uit liefde; zij weten dat ik sta voor de verdediging van het evangelie. FIL 1:17 Genen verkondigen de Christus met zelfzuchtige en onzuivere bedoelingen, in de waan mijn boeien daardoor te verzwaren. FIL 1:18 Wat dan nog? Hoe dan ook, Christus wordt verkondigd, met of zonder bijbedoeling. En daarover verheug ik mij. En ik zal mij ook blijven verheugen. FIL 1:19 Want ik weet dat dit zal uitlopen op mijn redding, dank zij uw gebed en de bijstand van de Geest van Jezus Christus. FIL 1:20 Dit is mijn vurig verlangen en mijn vaste hoop: dat ik in niets beschaamd zal staan, en dat Christus in volle openbaarheid zoals steeds ook nu zal worden verheerlijkt in mijn persoon, of ik leven moet of sterven. FIL 1:21 Want voor mij is leven Christus en sterven winst. FIL 1:22 Maar blijf ik leven, dan wacht mij vruchtbare arbeid. Daarom weet ik niet wat ik moet kiezen. FIL 1:23 Ik word naar twee kanten getrokken: ik verlang heen te gaan om met Christus te zijn, want dat is verreweg het beste. FIL 1:24 Maar voor u is het nuttiger dat ik nog hier blijf. FIL 1:25 En omdat ik hiervan overtuigd ben, weet ik ook dat ik zal blijven leven en gespaard zal blijven voor u allen, tot uw vooruitgang en de vreugde van uw geloof. FIL 1:26 Dan zult gij, wanneer ik weer bij u kom, een nieuwe reden hebben om op mij te roemen in Christus Jezus. FIL 1:27 Eensgezinde strijd voor het evangelie. Alleen, gij moet een leven leiden dat het evangelie van Christus waardig is. Dan zal ik, als ik u kom bezoeken, met eigen ogen zien of anders over u horen, dat gij vast staat in een en dezelfde geest, eensgezind strijdend voor het geloof in het evangelie, FIL 1:28 zonder dat gij u ook maar in het minst door de tegenstander laat intimideren. Voor hen is dit een aanwijzing van hun ondergang en voor u een teken van heil, en wel van Godswege. FIL 1:29 Want u is de genade verleend, niet alleen in Christus te geloven, maar ook voor Hem te lijden. FIL 1:30 Uw worsteling is de mijne; gij hebt gezien hoe ik vroeger heb gestreden en gij weet hoe ik nog steeds te strijden heb. FIL 2:1 Deemoedige liefde naar Christus' voorbeeld. Als dan vermaning in Christus en liefdevolle bemoediging iets vermogen, als gemeenschap van Geest, als hartelijkheid en mededogen u iets zeggen, FIL 2:2 maakt dan mijn vreugde volkomen door uw eenheid van denken, uw eenheid in de liefde, uw saamhorigheid en eensgezindheid. FIL 2:3 Geeft niet toe aan partijzucht en ijdelheid, maar acht in ootmoed de ander hoger dan uzelf. FIL 2:4 Laat niemand zijn eigen belangen behartigen maar liever die van zijn naasten. FIL 2:5 Die gezindheid moet onder u heersen welke ook Christus Jezus bezielde: FIL 2:6 Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God: FIL 2:7 Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en het bestaan van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen FIL 2:8 heeft Hij zich vernederd, Hij werd gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan een kruis. FIL 2:9 Daarom heeft God hem hoog verhevenen Hem de naam verleend die boven alle namen is, FIL 2:10 opdat bij het noemen van zijn naam zich ieder een knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde, FIL 2:11 en iedere tong zou belijden tot eer van God, de Vader: Jezus Christus is de Heer. FIL 2:12 Op weg naar het einde. Dierbare vrienden, gij hebt altijd naar mij geluisterd; maakt dus nu, in mijn afwezigheid, met niet minder ernst werk van uw heil dan toen ik bij u was. FIL 2:13 God is het immers die zowel het willen als het doen bij u tot stand brengt, om zijn heilsplan te verwezenlijken. FIL 2:14 Doet al wat ge te doen hebt, zonder, te morren of tegen te spreken. FIL 2:15 Zorgt dat ge onberispelijk en ongerept zijt, als onbesproken kinderen van God onder een slinks en ontaard geslacht, waarin gij schittert als sterren in het heelal. FIL 2:16 Houdt vast aan het woord des levens. Dan kan ik, als de dag van Christus komt, er trots op zijn dat mijn werk en mijn inspanning niet vergeefs zijn geweest. FIL 2:17 Maar ook al wordt mijn bloed geplengd bij de offerdienst van uw geloof, dan nog wens ik mijzelf en u allen geluk. FIL 2:18 En gij moet evengoed blij zijn en delen in mijn vreugde. FIL 2:19 Aanbeveling van Timóteüs en Epafroditus. In vertrouwen op de Heer Jezus hoop ik Timoteüs spoedig naar u toe te sturen; het zal mij goed doen nieuws van u te horen. FIL 2:20 Ik ken niemand die u zo welgezind is en zo trouw uw belangen zal behartigen als hij. FIL 2:21 Allen zoeken hun eigen belang, niet dat van Christus Jezus. FIL 2:22 Maar hij is, zoals gij weet, van beproefde trouw, want samen met mij heeft hij, als een kind aan de zijde van zijn vader, de zaak van het evangelie gediend. FIL 2:23 Ik hoop hem dus te zenden, zodra ik kan overzien hoe mijn zaken ervoor staan. FIL 2:24 Maar ik vertrouw in de Heer, dat ik spoedig zelf zal komen. FIL 2:25 Ik vind het wel nodig onze broeder Epafroditus, mijn medewerker en strijdmakker, uw afgezant en uw helper in mijn nood, naar u te zenden. FIL 2:26 Hij heeft heimwee naar u allen, en hij lijdt eronder dat gij van zijn ziekte gehoord hebt. FIL 2:27 Hij is inderdaad doodziek geweest. Maar God heeft zich over hem ontfermd, en niet alleen over hem maar ook over mij, opdat ik niet het ene verdriet na het andere zou hebben. FIL 2:28 Daarom haast ik mij hem terug te zenden; gij zult hem met vreugde weerzien en ik heb een zorg minder. FIL 2:29 Heet hem dus van harte in uw midden welkom. Mannen zoals hij moet gij in ere houden. FIL 2:30 Om het werk van Christus is hij de dood nabij geweest. Hij heeft zijn leven op het spel gezet om mij te helpen, waar gij in gebreke moest blijven. FIL 3:1 Ten slotte, broeders, verheugt u in de Heer... De weg van de christen. U nogmaals hetzelfde te schrijven is voor mij een kleine moeite en u geeft het zekerheid. FIL 3:2 Wacht u voor de honden, de saboteurs, de versnedenen! FIL 3:3 Want wij die God aanbidden in de Geest, wij zijn de ware besnedenen. Wij zoeken onze roem in Christus Jezus, niet in onszelf. FIL 3:4 Ik zou me overigens met recht en reden op menselijke voorrechten kunnen beroepen. Als anderen menen daarop te kunnen vertrouwen, dan ik zeker: FIL 3:5 ik ben besneden op de achtste dag, van Israëls geslacht, van de stam Benjamin, een geboren en getogen Hebreeër; op het stuk van de tora een farizeeër, FIL 3:6 wat ijver aangaat een vervolger van de kerk, in wettische heiligheid volmaakt. FIL 3:7 Maar wat winst voor mij was ben ik om Christus gaan beschouwen als verlies. FIL 3:8 Sterker nog, ik beschouw alles als verlies, want mijn Heer Christus Jezus kennen gaat alles te boven. Om Hem heb ik. alles prijsgegeven. Om Christus houd ik alles zelfs voor vuilnis, als het erom gaat Hem te winnen FIL 3:9 en een te zijn met Hem, niet met mijn eigen gerechtigheid op grond van de wet, maar met de gerechtigheid die verkregen wordt door het geloof in Christus de gerechtigheid die van God komt en steunt op het geloof. FIL 3:10 Ik wil Christus kennen, ik wil de kracht van zijn opstanding gewaarworden en de gemeenschap met zijn lijden, ik wil steeds meer op Hem lijken in zijn sterven FIL 3:11 om eens te mogen komen tot de wederopstanding uit de doden. FIL 3:12 Niet dat ik het al bereikt heb. Ik ben nog niet volmaakt! Maar ik streef er vurig naar het te grijpen, gegrepen als ik ben door Christus Jezus. FIL 3:13 Nee, broeders, ik beeld mij niet in er al te zijn. Alleen dit: vergetend wat achter me ligt, mij uitstrekkend naar wat voor me ligt, FIL 3:14 storm ik af op het doel: de prijs van Gods hemelse roeping. FIL 3:15 Laten wij, 'volmaakten', er zo over denken; en als gij op een of ander punt anders denkt, zal God u ook daarin zijn licht geven. FIL 3:16 Laten wij in ieder geval op de ingeslagen weg voortgaan. FIL 3:17 Op weg naar het einde. Broeders, volgt mij na en houdt hen voor ogen die zich gedragen naar het voorbeeld dat ik u gegeven heb. FIL 3:18 Want velen leiden een leven... ik heb u vaak op hen gewezen, maar nu kan ik er niet dan met tranen over spreken; de vijanden van Christus' kruis. FIL 3:19 Zij zijn op weg naar de ondergang, hun buik is hun god, in hun schande stellen zij hun eer, zij hebben hun zinnen gezet op het aardse. FIL 3:20 Maar ons vaderland is in de hemel, en uit de hemel verwachten wij onze verlosser, de Heer Jezus Christus. FIL 3:21 Hij zal ons armzalig lichaam herscheppen en het gelijkvormig maken aan zijn verheerlijkt lichaam, met dezelfde kracht die Hem in staat stelt het heelal aan zich te onderwerpen. FIL 4:1 Laatste vermaningen. Daarom, mijn beminde broeders, naar wie ik zo verlang, mijn vreugde en mijn kroon, houdt aldus stand in de Heer, mijn geliefden. FIL 4:2 Evodia en Syntyche verzoek ik beiden: weest eensgezind in de Heer. FIL 4:3 Ook u, mijn trouwe kameraad, vraag ik: wees haar behulpzaam. Want zij hebben mij bijgestaan in de strijd voor het evangelie, evenals Clemens en mijn overige medewerkers, wier namen staan in het boek des levens. FIL 4:4 Verheugt u in de Heer te allen tijde. Nog eens: verheugt u! FIL 4:5 Uw vriendelijkheid moet bij alle mensen bekend zijn. De Heer is nabij. FIL 4:6 Weest onbezorgd. Laat al uw wensen bij God bekend worden in gebed en smeking, en nooit zonder dankzegging. FIL 4:7 En de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus. FIL 4:8 Tenslotte, broeders, houdt uw aandacht gevestigd op al wat waar is, al wat edel is, wat rechtvaardig is en rein, beminnelijk en aantrekkelijk, op al wat deugd heet en lof verdient. FIL 4:9 En brengt in praktijk wat u geleerd is en overgeleverd, en wat gij van mij hebt gehoord en gezien. Dan zal de God van vrede met u zijn. FIL 4:10 Dank voor de gaven. Ik heb er mij in de Heer bijzonder over verheugd dat uw genegenheid voor mij eindelijk de kans heeft gekregen zich te uiten; het ontbrak u niet aan de goede wil maar aan de gunstige gelegenheid. FIL 4:11 Ik zeg dit niet omdat ik tekort kom, want ik heb geleerd in alle omstandigheden mijzelf genoeg te zijn. FIL 4:12 Ik weet wat armoede is, ik weet wat overvloed is. Ik ben volledig ingewijd. Ik kan volop eten en ik kan honger lijden, ik ben vertrouwd met overvloed en met gebrek. FIL 4:13 Alles vermag ik in Hem die mij kracht geeft. FIL 4:14 Toch hebt gij er goed aan gedaan mij te helpen in mijn moeilijkheden: FIL 4:15 Gij weet het zelf ook wel, Filippiërs: bij mijn vertrek uit Macedonië in het begin van mijn evangelieprediking heeft geen enkele gemeente met mij een lopende rekening geopend behalve de uwe. FIL 4:16 Reeds in Tessalonica hebt gij mij tot tweemaal toe gestuurd wat ik nodig had. FIL 4:17 Niet dat het mij om uw giften te doen is; wat is zoek is uw eigen voordeel, het steeds aangroeiend tegoed op uw rekening! FIL 4:18 Al wat mij toekwam heb ik al ontvangen, en meer dan dat. Ik heb volop, dank zij Epafroditus, die mij uw gaven heeft overgebracht. Die zijn voor God een welriekende geur, een aangename en welgevallige offerande. FIL 4:19 En mijn God zal met goddelijke rijkdom in al uw noden voorzien door u de heerlijkheid in Christus Jezus. FIL 4:20 Aan onze God en Vader zij de eer in de eeuwen der eeuwen! Amen. FIL 4:21 Groeten en zegenwens. Groet iedere heilige in Christus Jezus. U groeten de broeders die bij mij zijn, FIL 4:22 en alle christenen hier groeten u, vooral die van het huis van de keizer. FIL 4:23 De genade van de Heer Jezus Christus zij met uw geest. DE BRIEF AAN DE CHRISTENEN VAN KOLOSSE Schrijver. Lezers. Groet. Van Paulus, door Gods wil apostel van Christus Jezus, en onze broeder Timoteüs, KOL 1:2 aan de gemeente van Kolosse, onze broeders in het geloof en in Christus. Genade voor u en vrede vanwege God onze Vader! KOL 1:3 Dankzegging en gebed. Wij zeggen God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, dank, telkens als wij u in onze gebeden gedenken. KOL 1:4 Wij hebben immers gehoord van uw geloof in Christus Jezus en van de liefde die gij alle heiligen toedraagt, KOL 1:5 omwille van de hoop die voor u in de hemel is weggelegd. Gij hebt daarvan vernomen, toen het evangelie, het woord van de waarheid, KOL 1:6 tot u kwam. In heel de wereld is het bezig vrucht te dragen en te gedijen, evenals bij u, sinds de dag dat gij gehoord hebt van Gods genade en haar in waarheid hebt erkend. KOL 1:7 Zo hebt gij het geleerd van Epafras, onze dierbare medewerker, een trouwe dienaar van Christus in onze plaats. KOL 1:8 Van hem hebben wij vernomen welke liefde door de Geest in u gewekt is. KOL 1:9 Vanaf het ogenblik dat wij dit hebben gehoord, houden wij dan ook niet op voor u te bidden. Wij smeken God u alle wijsheid en geestelijk inzicht te schenken, zodat gij zijn wil volledig verstaat KOL 1:10 en een leven leidt dat de Heer waardig is en Hem in alles behaagt. Moogt gij vruchten voortbrengen van actieve goedheid op allerlei gebied en tevens toenemen in de waarachtige kennis van God. KOL 1:11 Moge Hij u in zijn heerlijke kracht machtig sterken om alles uit te houden en alles te verdragen. KOL 1:12 Zegt met blijdschap dank aan de Vader, die u in staat stelde te delen in de erfenis van de heiligen in het licht. KOL 1:13 Hij heeft ons ontrukt aan het domein van de duisternis en overgebracht naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon, KOL 1:14 in wie onze bevrijding verzekerd is en onze zonden vergeven zijn. KOL 1:15 Christus-hymne. Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van heel de schepping. KOL 1:16 Want in Hem is alles geschapen, in de hemelen en op de aarde, het zichtbare en het onzichtbare, tronen en hoogheden, heerschappijen en machten. Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem. KOL 1:17 Hij bestaat voor alles en alles bestaat in Hem. KOL 1:18 Hij is ook het hoofd van het lichaam dat de kerk is. Hij is de oorsprong, de eerste die van de dood is opgestaan, om in alles de eerste te zijn, Hij alleen. KOL 1:19 Want in Hem heeft God willen wonen in heel zijn volheid, KOL 1:20 om door Hem het heelal met zich te verzoenen. en vrede te stichten door het bloed aan het kruis vergoten, om alles in de hemelen en op de aarde te verzoenen, door Hem alleen. KOL 1:21 Ook de lezers delen het heil. Ook gij waart eertijds van God vervreemd en Hem vijandig gezind en uw daden waren slecht. KOL 1:22 Maar thans heeft God u met zich verzoend in Christus' sterfelijk lichaam, door zijn dood, want Hij wil dat gij als heilige mensen voor Hem zult verschijnen, zonder smet of blaam. KOL 1:23 Maar dan moet gij ook vast en onwrikbaar blijven in het geloof en u niet laten afbrengen van de hoop die u in het evangelie is aangezegd. Dit is de boodschap die aan alle schepselen onder de hemel verkondigd is en waarvan ik, Paulus, de dienaar ben geworden. KOL 1:24 Lijden en ambt van de apostel. Op het ogenblik verheug ik mij dat ik voor u mag lijden en in mijn lichaam aanvullen wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van de Christus, ten bate van zijn lichaam, dat is de kerk. KOL 1:25 Haar dienaar ben ik geworden krachtens het goddelijk ambt, dat mij met het oog op u is verleend, om namelijk het woord van God te brengen in heel zijn volheid: KOL 1:26 om het geheim te verkondigen dat verborgen was voor alle eeuwen en alle generaties, maar dat nu is geopenbaard aan zijn heiligen. KOL 1:27 Hun heeft God bekend willen maken hoe machtig en hoe wonderbaar dit geheim is onder de heidenvolken. En het luidt: Christus is in u', en ook: `de hoop op een eeuwige heerlijkheid.' KOL 1:28 Hem verkondigen wij, wanneer wij allen zonder onderscheid vermanen en onderrichten met alle wijsheid die ons gegeven is, om ook allen zonder onderscheid in Christus tot volmaaktheid te brengen. KOL 1:29 Daarvoor span ik mij in, zwoegend met zijn kracht, die machtig in mij werkt. KOL 2:1 Want gij moet weten welk een zware strijd ik te voeren heb voor u en voor de gelovigen in Laodicea en voor zovelen. die mij nooit hebben gezien. KOL 2:2 Al mijn moeite is erop gericht dat zij goede moed houden en innig in liefde verbonden blijven, en zo komen tot de volle rijkdom van het inzicht in Gods geheim, Christus namelijk, KOL 2:3 in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen liggen. KOL 2:4 Ik zeg u dit om te voorkomen dat men u met schijnschone redeneringen van de wijs brengt. KOL 2:5 Al ben ik naar het lichaam afwezig, in de geest ben ik bij u, en ik zie met vreugde dat gij eendrachtig steunt op uw geloof in Christus. KOL 2:6 Waarschuwingen tegen dwalingen omtrent Christus. Daar gij Christus Jezus hebt aanvaard als uw Heer, moet gij ook leven in gemeenschap met Hem, KOL 2:7 in Hem geworteld, op Hem gebouwd, steunend op het geloof dat men u geleerd heeft, terwijl uw hart overvloeit van dankbaarheid. KOL 2:8 Weest op uw hoede, zorgt dat ge u niet laat meeslepen door waardeloze, bedrieglijke theorieën, puur menselijke bedenksels, die de machten van de kosmos verheerlijken maar Christus bestrijden. KOL 2:9 Want in Christus is de Godheid in heel haar volheid lijfelijk aanwezig, KOL 2:10 en in Hem hebt gij deel aan die volheid. Hij is het hoofd waaraan alle heerschappijen en machten onderworpen zijn. KOL 2:11 In Hem zijt gij ook besneden, niet in een fysieke zin, door een lichamelijke ingreep, maar met de Christus besnijdenis: KOL 2:12 de doop. In de doop zijt gij met Hem begraven, maar ook met Hem verrezen, door uw geloof in de kracht van God die Hem uit de dood deed opstaan. KOL 2:13 Ook u die dood waart ten gevolge van uw zonden en uw morele onbehouwenheid heeft God weer levend gemaakt met Hem. Hij heeft ons al onze zonden vergeven. KOL 2:14 Hij heeft de oorkonde met haar bezwarende bepalingen, die tegen ons getuigde, verscheurd. Hij heeft haar vernietigd en aan het kruis genageld. KOL 2:15 Hij heeft de heerschappijen en de machten ontwapend en publiek ten toon gesteld. Hij heeft over hen getriomfeerd door het kruis. KOL 2:16 Waarschuwing tegen een valse ascese. Duldt dus niet dat iemand aanmerkingen op u maakt in zake eten en drinken of het vieren van feestdagen, nieuwe maan of sabbat. KOL 2:17 Dit alles is slechts een schaduw van de werkelijkheid die nog moest komen; de werkelijkheid zelf wordt gevonden in Christus. KOL 2:18 Laat u niet de prijs ontnemen door mensen die voldoening vinden in zelfkastijding en engelenverering en het doorvorsen van hun visioenen, waarbij zij zich in hun ongeestelijke gezindheid van alles inbeelden. KOL 2:19 Zo iemand houdt zich niet aan Christus, die het hoofd is van wie het hele lichaam, door gewrichten en banden gesteund en bijeengehouden, zijn goddelijke wasdom ontvangt. KOL 2:20 Als gij door uw sterven met Christus bevrijd zijt van de machten van de kosmos, waarom laat gij u dan verordeningen opleggen, louter menselijke voorschriften en leringen, als zoudt gij nog in die wereld leven? KOL 2:21 Raak niet aan, proef niet, blijf eraf! KOL 2:22 En dit alles betreft dingen die uit hun aard bestemd zijn om gebruikt te worden en te vergaan. KOL 2:23 Ofschoon zulk een geforceerde godsvrucht met haar zelfkastijding en lichamelijke hardheid voor wijsheid moet doorgaan, verdient zij even weinig waardering als zinnelijke bevrediging. KOL 3:1 Het nieuwe leven. Als gij dan met Christus ten leven zijt gewekt, zoekt wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand Gods. KOL 3:2 Zint op het hemelse, niet op het aardse. KOL 3:3 Gij zijt immers gestorven en uw leven is nu met Christus verborgen in God. KOL 3:4 Christus is uw leven, en wanneer Hij verschijnt zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid. KOL 3:5 Maakt dus radicaal een einde aan immorele praktijken, ontucht, onzedelijkheid, hartstocht, begeerlijkheid en de hebzucht die gelijk staat met afgoderij. KOL 3:6 Deze dingen roepen Gods toorn af. KOL 3:7 Ook gij hebt u indertijd hieraan overgegeven en in deze zonden geleefd. KOL 3:8 Maar nu moet ge dit alles vaarwelzeggen. Weg met de toorn, gramschap, kwaadaardigheid, laster en beschimping! KOL 3:9 En beliegt elkaar niet meer. Legt de oude mens met zijn gedragingen af, KOL 3:10 bekleedt u met de nieuwe mens, die op weg is naar het ware inzicht, zich vernieuwend naar het beeld van zijn schepper. KOL 3:11 Dan is er geen sprake meer van heiden of Jood, besnedene of onbesnedene, barbaar en onbeschaafde, van slaaf of vrije mens. Daar is alleen Christus, alles in allen. KOL 3:12 Doet dat aan, als Gods heilige en geliefde uitverkorenen, tedere ontferming, goedheid, deemoed, zachtheid en geduld. KOL 3:13 Verdraagt elkander en vergeeft elkander, als de een tegen de ander een groef heeft. Zoals de Heer u vergeven heeft, zo moet ook gij vergeven. KOL 3:14 Voegt bij dit alles de liefde als de band der volmaaktheid. KOL 3:15 En laat de vrede van Christus heersen in uw hart; daartoe zijt gij immers geroepen als leden van een lichaam. En weest dankbaar. KOL 3:16 Het woord van Christus moge in volle rijkdom onder u wonen. Leert en vermaant elkander met alle wijsheid.' Zingt voor God met een dankbaar hart psalmen hymnen en liederen, ingegeven door de Geest. KOL 3:17 En al wat gij doet in woord of werk, doet alles in de naam van Jezus de Heer, God de Vader dankend door Hem. KOL 3:18 Het christelijk gezin. Vrouwen, weest uw man onderdanig, zoals het christenen betaamt. KOL 3:19 Mannen, hebt uw vrouw lief en weest niet humeurig tegen haar. KOL 3:20 Kinderen, gehoorzaamt uw ouders in alles, want dit is de Heer welgevallig. KOL 3:21 Vaders, tergt uw kinderen niet, opdat zij de moed niet verliezen. KOL 3:22 Slaven, gehoorzaamt uw aardse meesters in alles, niet als ogendienaars, uit zucht om te behagen, maar in eenvoud van hart, met ontzag voor de Heer. KOL 3:23 Verricht uw werk welgemoed voor de Heer, niet door de mensen, KOL 3:24 in de overtuiging dat gij van de Heer als beloning het erfdeel zult ontvangen. De Heer die gij dient is Christus. KOL 3:25 Wie onrecht doet, krijgt zijn onrecht terug; Hij kent geen gunstelingen. KOL 4:1 Meesters, betracht jegens uw slaven recht en billijkheid, in het besef dat ook gij een meester hebt: in de hemel. KOL 4:2 Gebed en maatschappelijke omgang. Volhardt in het gebed en de dankzegging en blijft waakzaam. KOL 4:3 Bidt tevens voor ons, dat God een deur moge openen voor onze prediking, om het geheim van Christus, waarvoor ik de boeien draag, te verkondigen; KOL 4:4 moge ik het juiste woord vinden om het kenbaar te maken. KOL 4:5 Gedraagt u verstandig jegens de buitenstaanders. Benut de gunstige gelegenheid. KOL 4:6 Uw spreken zij steeds innemend, met een vleugje zout erbij, zodat gij iedereen het juiste antwoord weet te geven. KOL 4:7 Slot. Mededelingen, groeten, heilwens. Tychikus, onze geliefde broeder, mijn trouwe helper en gezel in de dienst des Heren, zal u volledig inlichten over mijn omstandigheden. KOL 4:8 Juist daarom zend ik hem naar u toe, dat gij zoudt vernemen hoe het ons gaat en hij uw hart moge vertroosten. KOL 4:9 Met hem zend ik Onesimus, onze trouwe en geliefde broeder, die een der uwen is. Zij zullen u op de hoogte brengen van al wat hier gebeurd is. KOL 4:10 De groeten van Aristarchus, mijn medegevangene, en Marcus, de neef van Barnabas, over wie gij reeds aanwijzingen hebt gekregen; ontvangt hem goed, als hij bij u komt. KOL 4:11 Eveneens groet u Jezus, ook Justus genaamd. Van de Joodse christenen zijn zij de enigen die met mij werken voor het koninkrijk van God; ze zijn voor mij dan ook een grote troost geweest. KOL 4:12 U groet Epafras, uw stadgenoot, een dienstknecht van Christus Jezus, die steeds vurig voor u bidt, opdat gij moogt volharden in de volmaakte vervulling van al wat God wil. KOL 4:13 Ik kan van hem getuigen, dat hij zich veel moeite geeft voor u, en ook voor de gelovigen in Laodicea en Hiërapolis. KOL 4:14 U groet mijn vriend Lucas, de arts, en Demas. KOL 4:15 Groet de broeders te Laodicea, en Nymfa en de gemeente die in haar huis samenkomt. KOL 4:16 En wanneer deze brief bij u is voorgelezen, zorgt dan dat hij ook in de gemeente van Laodicea wordt voorgelezen, en dat gij de brief uit Laodicea te lezen krijgt. KOL 4:17 Zegt aan Archippus: `Denk eraan de taak die gij om de Heer op u genomen hebt, goed te vervullen. KOL 4:18 Eigenhandige groet van mij, Paulus. Gedenkt mijn boeien! De genade zij met u. DE EERSTE BRIEF AAN DE CHRISTENEN VAN TESSALONICA 1TH 1:1 Schrijver. Lezers. Groet. Van Paulus, Silvanus en Timoteüs aan de christengemeente van Tessalonica, die is in God de Vader en de Heer Jezus Christus. Genade voor u en vrede! 1TH 1:2 Dank aan God voor het succes van Paulus' prediking. Wij zeggen God dank voor u allen, telkens wanneer wij uw naam noemen in onze gebeden. 1TH 1:3 Onophoudelijk gedenken wij voor het aanschijn van God, onze Vader, uw werkdadig geloof, uw onvermoeibare liefde en uw standvastige hoop op onze Heer Jezus Christus. 1TH 1:4 Wij weten, broeders, dat God u liefheeft en dat gij door Hem zijt uitverkoren, 1TH 1:5 want wij hebben u het evangelie verkondigd niet alleen met woorden maar met kracht en heilige Geest en volle overtuiging. Gij weet trouwens zelf wel hoe ons optreden bij u is geweest: het was gericht op uw heil. 1TH 1:6 En gij van uw kant zijt navolgers geworden van ons en van de Heer, toen gij het woord hebt aangenomen onder allerlei beproevingen en toch met vreugde van de heilige Geest. 1TH 1:7 Gij zijt een voorbeeld geworden voor alle gelovigen in Macedonië en in Acha a. 1TH 1:8 Van Tessalonica uit heeft het woord van de Heer weerklonken, en niet enkel in Macedonië en Acha a; allerwegen is uw geloof in God bekend geworden. Wij hoeven niets meer te zeggen. 1TH 1:9 Zij vertellen zelf hoe wij bij u zijn gekomen en hoe wij door u zijn ontvangen: hoe gij u van de afgoden tot God hebt bekeerd, om de levende en waarachtige God te dienen, 1TH 1:10 en uit de hemel zijn Zoon te verwachten, die Hij uit de dood heeft opgewekt, Jezus, die ons redt van de komende toorn. 1TH 2:1 Motieven en methoden van Paulus' prediking. Gij weet zelf, broeders, dat ons optreden onder u niet vergeefs is geweest. 1TH 2:2 Na de mishandelingen en beledigingen die wij, zoals ge weet, in Filippi hadden moeten verduren, hebben wij met de hulp van onze God de moed gevonden om ondanks heftige tegenstand zijn boodschap bij u openlijk te verkondigen. 1TH 2:3 Want onze prediking komt niet voort uit dwaling of onzuivere bedoelingen en wil niemand bedriegen. 1TH 2:4 God zelf heeft ons geschikt bevonden en ons het evangelie toevertrouwd; daarom spreken wij ook niet om bij mensen in de gunst te komen, maar alleen om te behagen aan God, die ons hart toetst. 1TH 2:5 Wij hebben ons nooit afgegeven met vleierij, gij weet het, noch met bedekte hebzucht, God is onze getuige. 1TH 2:6 Wij hebben geen eerbewijzen van mensen gezocht, van u noch van anderen. 1TH 2:7 ofschoon wij als apostelen van Christus ons hadden kunnen laten gelden. Wij zijn met zachtheid onder u opgetreden, zoals een voedster die haar kinderen koestert. 1TH 2:8 We waren u zo innig genegen, dat wij graag met het evangelie van God ons eigen leven hadden geschonken; zo lief waart gij ons geworden. 1TH 2:9 Gij herinnert u toch, broeders, onze moeite en inspanning. Terwijl wij u het evangelie van God verkondigden, hebben wij dag en nacht gewerkt om maar niemand van u tot last te zijn. 1TH 2:10 Met God kunt gij getuigen, hoe vroom en rechtschapen en onberispelijk wij ons tegenover u, gelovigen, hebben gedragen. 1TH 2:11 Gij weet het, als een vader hebben wij ieder van u 1TH 2:12 vermaand en aangemoedigd; wij hebben u bezworen een leven te leiden, God waardig, die u roept tot de heerlijkheid van zijn koninkrijk. 1TH 2:13 Het geloof en de lijdensmoed der gemeente. En daarom danken wij God zonder ophouden, dat gij het goddelijk woord der prediking van ons hebt ontvangen en aanvaard, niet als een woord van mensen, maar als wat het inderdaad is: het woord van God zelf. En het blijft ook werkzaam in u die gelooft. 1TH 2:14 Broeders, gij hebt het voorbeeld nagevolgd van de christengemeenten Gods in Judea, want van uw eigen landslieden hebt gij hetzelfde moeten verduren als zij van de Joden, 1TH 2:15 die de Heer Jezus en de profeten hebben gedood, en ons hebben vervolgd, die God niet behagen en tegen alle mensen ingaan, 1TH 2:16 daar zij ons willen beletten de heidenen het heil te verkondigen, waardoor zij voortdurend bezig zijn de maat van hun zonden vol te maken. Maar de toorn van God is dan ook in volle mate over hen gekomen. 1TH 2:17 De zending van Timóteüs. En wij, broeders, een tijdlang beroofd van uw gezelschap, maar niet van uw liefde, hebben veel moeite gedaan om u weer te zien; zo vurig was ons verlangen. 1TH 2:18 Wij maakten plannen om u te bezoeken, ikzelf, Paulus, tot tweemaal toe, maar de satan heeft het ons belet. 1TH 2:19 Op wat voor hoop of vreugde of zegekrans zullen we ons beroemen, wanneer wij staan voor onze Heer Jezus bij zijn komst? Toch alleen op u? 1TH 2:20 Ja, gij zijt werkelijk onze roem en onze vreugde. 1TH 3:1 Ten slotte hielden wij het niet langer uit. Wij besloten alleen in Athene te blijven 1TH 3:2 en Timoteüs, onze broeder en Gods medewerker bij de prediking van Christus ' evangelie, tot u te zenden. Hij moest u sterken en bemoedigen in uw geloof; 1TH 3:3 niemand van u mocht zich door die beproevingen laten verontrusten; want gij weet dat zulk een lot voor ons bestemd is. 1TH 3:4 Toen wij bij u waren, hebben wij u reeds voorzegd, dat ons verdrukkingen te wachten stonden; en zo is het ook uitgekomen, gelijk gij nu zelf merkt. 1TH 3:5 Daarom heb ik hem, toen ik het hier langer kon uithouden, naar u toegestuurd om mij te vergewissen van uw geloof, of de verzoeker u misschien had verleid en onze arbeid op niets was uitgelopen. 1TH 3:6 Zo juist is Timoteüs hier aangekomen: hij heeft ons goed nieuws gebracht van uw geloof en uw liefde, en dat gij nog altijd een goede herinnering aan ons bewaart en even vurig verlangt ons weer te zien als wij u. 1TH 3:7 Daarom zijn wij nu, broeders, om u, om uw geloof, met troost vervuld bij alle dwang en druk die wij moeten verduren. 1TH 3:8 Wij leven weer op, nu blijkt dat gij stand houdt in de Heer. 1TH 3:9 Hoe kunnen wij Hem naar waarde danken voor u, voor al de blijdschap die gij ons bezorgt voor het aanschijn van onze God? 1TH 3:10 Dag en nacht bidden wij Hem met de grootste vurigheid, dat wij u mogen weerzien en aanvullen wat aan uw geloof nog ontbreekt. 1TH 3:11 Moge Hij, God, onze Vader, en onze Heer Jezus ons de weg naar u banen. 1TH 3:12 En u moge de Heer overvloedig doen toenemen in de liefde voor elkaar en voor allen, zoals ook onze liefde uitgaat naar u. 1TH 3:13 Hij sterke uw hart, zodat gij onberispelijk zijt in heiligheid voor het aanschijn van God onze Vader, bij de komst van onze Heer Jezus met al zijn heiligen. 1TH 4:1 Aansporing tot kuisheid en naastenliefde. Voor het overige, broeders, vragen en vermanen wij u in de Heer Jezus, dat gij de overlevering die gij van ons hebt ontvangen omtrent een aan God welgevallige levenswandel nog trouwer naleeft dan gij al doet. 1TH 4:2 Gij kent de voorschriften die wij u op gezag van de Heer Jezus gegeven hebben. 1TH 4:3 In de eerste plaats wil God dat gij u heiligt door u te onthouden van ontucht. 1TH 4:4 Ieder van u moet met zijn vrouw leven in heilige tucht en eerbaarheid, 1TH 4:5 zonder zich door hartstocht te laten meeslepen zoals de heidenen, die God niet kennen. 1TH 4:6 Laat niemand zich te buiten gaan en zijn broeder in deze aangelegenheid tekortdoen, want de Heer straft dit alles, zoals wij u vroeger al met nadruk verklaard hebben. 1TH 4:7 God heeft ons niet geroepen tot onkuisheid maar tot heiliging. 1TH 4:8 Derhalve, wie deze vermaningen in de wind slaat, veracht niet een mens maar God, Hem die u zijn heilige Geest schenkt. 1TH 4:9 Over de broederliefde is het niet nodig u te schrijven. Zelf hebt gij van God geleerd elkander te beminnen, 1TH 4:10 en gij beoefent de liefde dan ook jegens alle broeders in heel Macedonië. Wij sporen u alleen aan, broeders, dit nog veel meer te doen. 1TH 4:11 Stelt er een eer in rustig uw eigen zaken te behartigen en met eerlijke arbeid in uw onderhoud te voorzien, zoals wij u bevolen hebben. 1TH 4:12 Dan zal uw gedrag een waardige indruk maken op de buitenstaanders en zijt gij van niemand afhankelijk. 1TH 4:13 Afgestorvenen en levenden bij de wederkomst. Broeders, wij willen u niet in onwetendheid laten over het lot van hen die ontslapen zijn; gij moogt niet bedroefd zijn zoals de andere mensen, die geen hoop hebben. 1TH 4:14 Wij geloven immers dat Jezus is gestorven en weer opgestaan; evenzo zal God hen die in Jezus zijn ontslapen levend met Hem meevoeren. 1TH 4:15 En dit kunnen wij u meedelen volgens een woord van de Heer: wij die in leven blijven tot de komst van de Heer, wij zullen de doden in geen geval voorgaan. 1TH 4:16 Want wanneer het bevel gegeven wordt, als de stem van de aartsengel weerklinkt en de bazuin van God, dan zal de Heer zelf van de hemel neerdalen, en eerst zullen de doden die in Christus zijn verrijzen; 1TH 4:17 daarna zullen wij die nog in leven zijn tegelijk met hen in een oogwenk op de wolken in de lucht worden weggevoerd, de Heer tegemoet. En zo zullen wij voor altijd samen zijn met de Heer. 1TH 4:18 Troost elkander dan met deze woorden. 1TH 5:1 Waakzaamheid. Het heeft geen zin, broeders, u te schrijven over tijd en uur. 1TH 5:2 Gij weet zelf heel goed dat de dag des Heren komt als een dief in de nacht. 1TH 5:3 Terwijl zij zeggen: ` Er heerst vrede en veiligheid ', juist dan overvalt hen plotseling het verderf zoals weeën een zwangere vrouw, en zij zullen niet ontsnappen. 1TH 5:4 Maar gij, broeders, gij leeft niet in de duisternis, zodat de dag u als een dief zou verrassen. 1TH 5:5 Gij zijt allen kinderen van het licht, kinderen van de dag. Wij behoren niet aan nacht en duisternis. 1TH 5:6 Laten wij dan ook niet slapen als de anderen, maar waken en nuchter zijn. 1TH 5:7 Zij die slapen, slapen des nachts; en die zich bedrinken, bedrinken zich des nachts. 1TH 5:8 Laten wij die behoren aan de dag, nuchter zijn, toegerust met het pantser van geloof en liefde en met de helm der heilsverwachting 1TH 5:9 Want God heeft ons niet bestemd om zijn toorn te ondergaan, maar om het heil te verwerven door onze Heer Jezus Christus, 1TH 5:10 die voor ons gestorven is, opdat wij, wakend of reeds ontslapen, met Hem verenigd zouden leven. 1TH 5:11 Blijft daarom elkander bemoedigen en steunen, zoals gij trouwens al doet. 1TH 5:12 Allerlei korte aansporingen. Wij verzoeken u, broeders, hen die onder u arbeiden, die u leiden in de Heer en u terechtwijzen. te waarderen, 1TH 5:13 en hen om hun werk meer dan gewone liefde waardig te keuren. Bewaart de onderlinge vrede. 1TH 5:14 Wij vermanen u, broeders, wijst de leeglopers terecht, beurt de kleinmoedigen op, ondersteunt de zwakken, hebt geduld met allen. 1TH 5:15 Zorgt dat niemand kwaad met kwaad vergeldt. Streeft steeds naar wat goed is voor elkaar en voor alle mensen. 1TH 5:16 Weest altijd blij. 1TH 5:17 Bidt zonder ophouden. 1TH 5:18 Dankt God voor alles. Dit is het wat God van u verlangt in Christus Jezus. 1TH 5:19 Blust de Geest niet uit, 1TH 5:20 kleineert de profetische gaven niet, 1TH 5:21 keurt alles, behoudt het goede. 1TH 5:22 Houdt u verre van alle soort kwaad. 1TH 5:23 De God van de vrede, Hij moge u heiligen, geheel en al. Heel uw wezen, geest, ziel en lichaam, moge ongerept bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus. 1TH 5:24 Die u roept is getrouw: Hij zal zijn woord gestand doen. 1TH 5:25 Slot. Broeders, bidt ook voor ons. 1TH 5:26 Groet al de broeders met een heilige kus. 1TH 5:27 Ik bezweer u bij de Heer, dat gij deze brief aan al de broeders laat voorlezen. 1TH 5:28 De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u. DE TWEEDE BRIEF AAN DE CHRISTENEN VAN TESSALONICA Schrijver. Lezers. Groet. Van Paulus, Silvanus en Timoteüs aan de christengemeente van Tessalonica, die is in God onze Vader en de Heer Jezus Christus. 2TH 1:2 Genade voor u en vrede vanwege God onze Vader en de Heer Jezus Christus! 2TH 1:3 Dankzegging en gebed. Broeders, wij voelen ons verplicht God telkens opnieuw voor u te danken. En niet zonder reden: uw geloof groeit krachtig, steeds groter wordt onder u de liefde van allen voor allen. 2TH 1:4 Wij roemen dan ook over u in de gemeenten van God, omdat uw geloof stand houdt onder al de vervolgingen en verdrukkingen die gij moet verduren: 2TH 1:5 een bewijs dat Gods rechtvaardig oordeel u zijn koninkrijk, waarvoor ge nu lijdt, zal waardig keuren. 2TH 1:6 Want zijn rechtvaardigheid eist dat Hij hen die u verdrukken verdrukking uitbetaalt, 2TH 1:7 en u die verdrukt wordt rust en verkwikking, samen met ons, wanneer de Heer Jezus zal verschijnen en met zijn machtige engelen in laaiend vuur van de hemel zal neerdalen. 2TH 1:8 Dan zal Hij straffen hen die God weigeren te erkennen en hen die geen gehoor willen geven aan het evangelie van onze Heer Jezus. 2TH 1:9 Een eeuwig verderf zal hun straf zijn, ver van het aanschijn des Heren en de glans van zijn majesteit, 2TH 1:10 wanneer Hij komt op de grote dag om verheerlijkt te worden onder zijn heiligen en gevierd onder al de gelovigen (want bij u heeft ons getuigenis inderdaad geloof gevonden). 2TH 1:11 Met het oog hierop bidden wij onze God telkens opnieuw, dat Hij u zijn roeping waardig maakt en al uw goede voornemens en elke daad van uw geloof met macht tot volkomenheid brengt. 2TH 1:12 Dan zal de naam van onze Heer Jezus in u verheerlijkt worden en gij in Hem door de genade van onze God en de Heer Jezus Christus. 2TH 2:1 De wederkomst en haar voortekenen. Wij moeten u echter verzoeken, broeders, in verband met de komst van onze Heer Jezus Christus en onze hereniging met Hem, 2TH 2:2 niet zo gauw uw bezinning te verliezen en u niet te laten opschrikken door profetieën, uitspraken of brieven die van ons afkomstig zouden zijn, en die beweren dat de dag van de Heer is aangebroken. 2TH 2:3 Laat u door niemand iets wijsmaken! Eerst moet de grote afval komen en de goddeloze mens zich openbaren, de zoon des verderfs, 2TH 2:4 de tegenstander, die zich verheft boven al wat God heet of verering ontvangt, zo zelfs dat hij zich neerzet in Gods tempel en zich voor God uitgeeft. 2TH 2:5 Herinnert gij u niet, dat ik u dit meermalen heb gezegd, toen ik nog bij u was? 2TH 2:6 Wat hem thans tegenhoudt, weet ge; hij zal zich niet openbaren voor zijn tijd. 2TH 2:7 Het geheim der goddeloosheid doet zijn werking al gevoelen; alleen moet degene die hem nu tegenhoudt nog van het toneel verdwijnen. 2TH 2:8 Dan zal de goddeloze zich openbaren; en de Heer Jezus zal hem doden met de adem van zijn mond en hem vernietigen door de luister van zijn aankomst. 2TH 2:9 De komst van de goddeloze zal steunen op de kracht van de satan, en vergezeld gaan van allerlei wonderen, tekenen en goochelkunsten, 2TH 2:10 en van alle mogelijke misdadige verleiding, bestemd voor hen die verloren gaan, omdat zij zich hebben afgesloten voor de liefde tot de waarheid, die hen had kunnen redden. 2TH 2:11 En daarom zendt God hun een geest van dwaling, zodat zij geloof hechten aan de leugen, 2TH 2:12 en allen veroordeeld worden die de waarheid geweigerd hebben en de ongerechtigheid gekozen. 2TH 2:13 Aansporing tot volharding. Wij echter moeten God altijd danken voor u, broeders, vrienden van de Heer. want vanaf het begin heeft God u uitgekozen om door de Geest die heilig maakt en door uw geloof in de waarheid gered te worden. 2TH 2:14 Daartoe heeft Hij u geroepen door onze verkondiging van het evangelie, opdat gij de heerlijkheid van onze Heer Jezus Christus zoudt verwerven. 2TH 2:15 Dus, broeders, staat vast en houdt u aan de overleveringen waarin gij door ons, hetzij mondeling hetzij schriftelijk, zijt onderwezen. 2TH 2:16 Moge onze Heer Jezus Christus zelf, moge God, onze Vader, die ons zijn liefde heeft betoond en ons in zijn genade eeuwige troost en blijde hoop heeft geschonken, 2TH 2:17 uw harten bemoedigen en sterken met alle goeds in woord en daad. 2TH 3:1 Voorts, broeders, bidt voor ons, opdat het woord des Heren, overal zoals bij u, zijn luisterrijke loop mag volbrengen, 2TH 3:2 en wij verlost worden van die kwaadaardige en boze lieden; want het geloof is niet aller deel. 2TH 3:3 Maar de Heer is getrouw, Hij zal u sterken en behoeden voor de boze. 2TH 3:4 In de Heer vertrouwen wij op u, dat gij doet wat wij bevelen, en dit ook zult blijven doen. 2TH 3:5 Moge de Heer uw harten neigen tot de liefde Gods en de standvastigheid van Christus. 2TH 3:6 Arbeid is christenplicht. Wij bevelen u, broeders, in de naam van de Heer Jezus Christus, iedere broeder te mijden die arbeid schuwt en niet leeft volgens de overlevering die gij van ons hebt ontvangen. 2TH 3:7 Hoe gij ons moet navolgen, is u bekend; wij hebben bij u geen werk geschuwd 2TH 3:8 en niemands brood om niets gegeten. dag en nacht hebben wij gearbeid, met veel inspanning en moeite, om niemand van u tot last te zijn. 2TH 3:9 Niet dat wij er geen recht toe hebben, maar wij wilden een voorbeeld geven ter navolging. 2TH 3:10 Ook toen wij bij u waren, hielden wij u telkens deze regel voor: als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten. 2TH 3:11 Wij hebben namelijk gehoord, dat sommigen bij u werkeloos rondhangen, alle moeite schuwen, maar wel zich met alles bemoeien. 2TH 3:12 In de naam van de Heer Jezus Christus gebieden en vermanen wij zulke mensen, dat zij regelmatig moeten werken en hun eigen kost verdienen. 2TH 3:13 En gij, broeders, wordt niet moede het goede te doen. 2TH 3:14 Volgt iemand ons bevel, in deze brief gegeven, niet op, noteert hem dan en gaat niet meer met hem om; dan zal hij zich schamen. 2TH 3:15 Gij moet hem echter niet behandelen als een vijand, maar terechtwijzen als een broeder. 2TH 3:16 Slot. De Heer van de vrede, Hij geve u de vrede, altijd en op allerlei wijzen. De Heer zij met u allen. 2TH 3:17 Deze groet schrijf ik, Paulus met eigen hand. Dit is een waarmerk in elke brief. Zo is mijn handschrift. 2TH 3:18 De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u allen. DE EERSTE BRIEF AAN TIMOTEÜS 1TIM 1:1 Schrijver. Lezers. Groet. Van Paulus, apostel van Christus Jezus krachtens de opdracht van God onze Heiland en van Christus Jezus onze hoop, 1TIM 1:2 aan Timoteüs, zijn wettig kind door het geloof. Genade, barmhartigheid en vrede voor u vanwege God onze Vader en Christus Jezus onze Heer! 1TIM 1:3 Afwijzing van de dwaalleer. De wet. Bij mijn vertrek naar Macedonië heb ik u verzocht in Efeze te blijven; gij zoudt bepaalde mensen verbieden afwijkende leerstukken te verkondigen 1TIM 1:4 en zich bezig te houden met eindeloze mythen en genealogieën, zaken die alleen maar leiden tot haarkloverijen en niets bijdragen tot het geloof waarop Gods leiding berust. 1TIM 1:5 Het doel van het gebod is de liefde, die voortkomt uit een rein hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof. 1TIM 1:6 Maar sommigen zijn afgeweken van deze weg en vervallen tot zinloos gepraat. 1TIM 1:7 Zij willen leraars zijn van de wet, maar begrijpen niet eens wat zij zeggen noch datgene waarover zij zulke stellige uitspraken ten beste geven. 1TIM 1:8 De wet is voortreffelijk, daarover zijn wij het eens, maar men moet haar op de juiste wijze hanteren 1TIM 1:9 en bedenken, dat zij er niet is voor de rechtvaardigen, maar voor de mensen die zich aan God noch gebod storen, voor weerspannigen en zondaars, voor verachters en bespotters van al wat heilig is, vadermoorders en moedermoorders, doodslagers, 1TIM 1:10 hoerenlopers, knapenschenders, ronselaars, leugenaars, meinedigen en al het andere dat strijdt met de gezonde leer, 1TIM 1:11 die steunt op het roemrijk evangelie van de gelukzalige God, dat mij is toevertrouwd. 1TIM 1:12 Gods barmhartige genade jegens Paulus. Ik zeg dank aan Hem die mij sterkt, Christus onze Heer, dat Hij mij vertrouwen heeft geschonken door mij in zijn dienst te nemen, 1TIM 1:13 hoewel ik eertijds een godslasteraar was, een vervolger en geweldenaar. Maar mij is barmhartigheid bewezen, omdat ik, nog ongelovig, handelde in onwetendheid. 1TIM 1:14 En ik werd in rijke overvloed de genade van onze Heer deelachtig en daarmee het geloof en de liefde die in Christus Jezus zijn. 1TIM 1:15 Dit woord is betrouwbaar en volkomen geloofwaardig: Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaars te redden.' En de eerste van hen ben ik. 1TIM 1:16 Daarom juist is mij barmhartigheid bewezen: Jezus Christus wilde aan mij als eerste heel zijn lankmoedigheid demonstreren, als een model voor allen die in de toekomst op Hem zouden vertrouwen en eeuwig leven winnen. 1TIM 1:17 Aan de koning der eeuwen, aan de onvergankelijke, onzichtbare, enige God zij eer en roem in de eeuwen der eeuwen! Amen. 1TIM 1:18 Deze opdracht vertrouw ik u toe, Timoteüs, mijn kind, overeenkomstig de profetieën die eertijds over u zijn uitgesproken. Strijd daardoor gesteund de goede strijd, 1TIM 1:19 gewapend met geloof en een goed geweten. Omdat sommigen dit hebben prijsgegeven, heeft hun geloof schipbreuk geleden. 1TIM 1:20 Tot hen behoren Hymeneüs en Alexander, die ik aan de satan heb overgeleverd, opdat zij het lasteren zouden afleren. 1TIM 2:1 Hoe de gemeente behoort te bidden. Allereerst vraag ik u gebeden, smekingen, voorbeden en dankzeggingen te verrichten voor alle mensen, 1TIM 2:2 voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij, ongestoord en rustig, een in alle opzichten godvruchtig en waardig leven kunnen leiden. 1TIM 2:3 Dit is goed en welgevallig in het oog van God, onze heiland, 1TIM 2:4 die wil dat alle mensen gered worden en tot de kennis van de waarheid komen. 1TIM 2:5 Want God is een, een is ook de middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus, 1TIM 2:6 die zichzelf gegeven heeft als losprijs voor allen: op de vastgestelde tijd legde Hij zijn getuigenis af. 1TIM 2:7 En ik ben daarvoor aangesteld als heraut en apostel ik spreek de waarheid, ik liet niet om de volken te onderrichten in het ware geloof. 1TIM 2:8 Ik wil dus dat op elke plaats waar de gemeente samenkomt om te bidden, de mannen hun handen opheffen in een geest van godsvrucht, die haat en ruzie uitsluit. 1TIM 2:9 Eveneens dat de vrouwen daarbij op passende wijze gekleed zijn en zich liever sieren met bescheidenheid en ingetogenheid dan met ingewikkelde kapsels, met goud, parels of dure kleren; 1TIM 2:10 voor haar die godvruchtig wil zijn blijven goede daden het fraaiste sieraad. 1TIM 2:11 Zij moet rustig en met gepaste onderdanigheid profiteren van het onderricht. 1TIM 2:12 Ik sta haar niet toe zelf onderricht te geven of de man te overheersen; zij moet rustig toehoren. 1TIM 2:13 Want Adam werd het eerst geschapen en daarna Eva. 1TIM 2:14 En Adam werd niet misleid, maar het was de vrouw die zich liet bedriegen en daardoor tot overtreding kwam. 1TIM 2:15 Maar zij zal gered worden door haar moederschap, als zij volhardt in geloof en liefde en heiligheid met bezonnenheid. 1TIM 3:1 Episkopen en diakens. Dit woord is betrouwbaar: streeft iemand naar het leidersambt, dan begeert hij een voortreffelijke taak. 1TIM 3:2 Een leider in de gemeente moet onberispelijk zijn, de man van een vrouw, matig, verstandig, beschaafd, gastvrij, bekwaam om te onderwijzen, 1TIM 3:3 niet aan de wijn verslaafd, niet opvliegend, maar inschikkelijk, niet strijdlustig, niet geldzuchtig, 1TIM 3:4 iemand die zijn eigen huis goed bestuurt en met ernst en waardigheid gezag oefent over zijn kinderen. 1TIM 3:5 Als iemand zijn eigen huisgezin niet weet te besturen, hoe zal hij dan zorg kunnen dragen voor de gemeente Gods? 1TIM 3:6 Hij mag geen pas bekeerde zijn, opdat hij niet verwaand wordt en hem het vonnis van de duivel treft. 1TIM 3:7 Hij moet ook goed aangeschreven staan bij hen die niet tot de gemeente behoren; anders komt hij in opspraak en valt misschien in de strikken van de duivel. 1TIM 3:8 Evenzo moeten de diakens mannen van eer zijn, mannen van hun woord, niet aan de wijn verslaafd of belust op winstbejag, 1TIM 3:9 trouw aan het geheim van het geloof met een zuiver geweten. 1TIM 3:10 Ook zij moeten eerst een onderzoek ondergaan; daarna kunnen zij, als er geen klachten zijn, hun dienst vervullen. 1TIM 3:11 Ook moeten hun vrouwen waardig zijn, geen kwaadspreeksters, matig en in alle opzichten betrouwbaar. 1TIM 3:12 Diakens moeten mannen van een vrouw zijn, en hun kinderen en hun huisgezin goed weten te leiden. 1TIM 3:13 Zij die hun dienst goed vervullen, verwerven zich een eervolle positie en het recht om vrijuit te spreken in zake het christelijk geloof. 1TIM 3:14 Ik schrijf u dit in de hoop vrij spoedig bij u te komen. 1TIM 3:15 Mocht ik worden opgehouden, dan weet gij, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, dat is, de kerk van de levende God, pijler en grondslag van de waarheid. 1TIM 3:16 En groot is ongetwijfeld het geheim van onze godsdienst: Hij is geopenbaard in het vlees, gerechtvaardigd in de Geest, verschenen aan de engelen, verkondigd onder de volken, geloofd in heel de werelden opgenomen in heerlijkheid. 1TIM 4:1 Timóteüs moet waken voor de zuiverheid van de leer. De Geest zegt nadrukkelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, omdat zij gehoor geven aan dwaalgeesten en demonische leringen, 1TIM 4:2 verleid door huichelachtige leugensprekers, wier geweten met een brandijzer is toegeschroeid. 1TIM 4:3 Deze lieden verwerpen het huwelijk en het gebruik van bepaalde spijzen, ofschoon God ze heeft geschapen om met dankzegging te worden gebruikt door de gelovigen, die de waarheid erkend hebben. 1TIM 4:4 Want al wat God geschapen heeft is goed, en niets is verwerpelijk dat in dank wordt aanvaard: 1TIM 4:5 het wordt geheiligd door het woord van God en het gebed. 1TIM 4:6 Als gij de broeders deze gedachten voorhoudt, zult gij een goed dienaar van Christus Jezus zijn, gevormd door de beginselen van het geloof en de goede leer, waarvan gij een trouw aanhanger zijt. 1TIM 4:7 Houd u niet op met die goddeloze en zinneloze mythen. Oefen u in de vroomheid. 1TIM 4:8 Oefening van het lichaam heeft beperkte waarde, maar de voordelen van de godsvrucht zijn onbeperkt, want zij houdt beloften in zowel voor dit leven als het toekomstige.' 1TIM 4:9 Een waar woord, dat alle instemming verdient! 1TIM 4:10 Dit is het doel van al ons zwoegen en strijden, want wij hebben onze hoop gesteld op de levende God, die een Heiland is voor alle mensen, inzonderheid voor de gelovigen. 1TIM 4:11 Dit moet gij hun bijbrengen en hierin moet gij hen onderrichten. 1TIM 4:12 Niemand mag uw jeugd minachten. Wees een voorbeeld voor de gelovigen door woord en gedrag, in liefde, in geloof en in zuiverheid. 1TIM 4:13 In afwachting van mijn komst moet gij u toeleggen op de voorlezing, de vermaning en het onderricht. 1TIM 4:14 Verwaarloos de genadegave niet die in u is en die u krachtens een profetenwoord werd geschonken onder handopleggen van de gezamenlijke presbyters. 1TIM 4:15 Neem dit alles ter harte, ga er geheel in op, dan zullen uw vorderingen voor allen zichtbaar zijn. 1TIM 4:16 Blijf voortdurend zorg besteden aan uzelf en aan uw onderricht. Zodoende redt gij uzelf en hen die naar u luisteren. 1TIM 5:1 De gelovigen in het algemeen. Tegen een oudere man moogt hij niet uitvaren; spreek tot hem als was gij uw vader. Spoor jonge mannen aan als broeders, 1TIM 5:2 bejaarde vrouwen als moeders, jonge vrouwen als zusters, in alle reinheid. 1TIM 5:3 De weduwen. Houd de weduwen in ere die werkelijk weduwen zijn. 1TIM 5:4 Heeft een weduwe kinderen of kleinkinderen, dan moeten die allereerst leren hun eigen familie piëteit te betonen en hun ouders het goede te vergelden dat zij van hen ontvingen, want dit is welgevallig aan God. 1TIM 5:5 De echte weduwe, die geheel alleen staat, heeft haar hoop op God gevestigd, en volhardt in smekingen en gebeden, dag en nacht; 1TIM 5:6 maar die in weelde en overdaad leeft, is levend dood. 1TIM 5:7 Ook dit moet gij hun met nadruk voorhouden, opdat zij zich onberispelijk gedragen. 1TIM 5:8 Wie niet zorgt voor eigen familie en zelfs niet voor het eigen gezin, heeft het geloof verloochend en is erger dan een ongelovige. 1TIM 5:9 Een vrouw kan als weduwe worden ingeschreven, als zij niet jonger is dan zestig jaar en slechts een maal gehuwd is geweest. 1TIM 5:10 Zij moet in de roep staan van goede werken, kinderen hebben grootgebracht, gastvrijheid bewezen, heiligen de voeten gewassen, verdrukten ondersteund, in een woord, zich aan allerlei goed werk hebben gewijd. 1TIM 5:11 Jonge weduwen moet gij niet op de lijst plaatsen. Want hun zinnen trekken hen licht af van de dienst van Christus, dan willen zij opnieuw trouwen 1TIM 5:12 en halen zich de blaam op de hals dat zij hun eerste trouw gebroken hebben. 1TIM 5:13 Bovendien maken zij er een gewoonte van overal binnen te lopen doordat zij niets om handen hebben; en dat niet alleen, zij praten zonder einde, bemoeien zich met alles en zeggen dingen die geen pas geven. 1TIM 5:14 Ik wil daarom dat jonge weduwen hertrouwen, kinderen krijgen, hun huishouden verzorgen en de tegenpartij geen enkele aanleiding geven kwaad van ons te spreken. 1TIM 5:15 Want sommigen zijn al van de goede weg afgeweken en de satan achterna gegaan. 1TIM 5:16 Als een gelovige vrouw weduwen onder haar verwanten heeft, moet zij die bijstaan, opdat zij niet ten laste komen van de gemeente, dan kan deze de weduwen ondersteunen die helemaal alleen staan. 1TIM 5:17 De presbyters. De presbyters die zich goede bestuurders tonen, verdienen dubbele eer, vooral zij die zich belasten met prediking en onderricht. 1TIM 5:18 De Schrift zegt immers: Gij zult een dorsende os niet muilbanden, en: De arbeider is zijn loon waard. 1TIM 5:19 Aanvaard geen beschuldiging tegen een presbyter tenzij op het woord van twee of drie getuigen. 1TIM 5:20 Berisp openlijk wie zich misdragen, opdat de overigen worden afgeschrikt. 1TIM 5:21 Ik bezweer u voor God en voor Christus Jezus en zijn uitverkoren engelen: onderhoud deze regels zonder vooroordeel en zonder enige partijdigheid. 1TIM 5:22 Leg niemand overijld de handen op en maak u niet medeplichtig aan andermans zonden; houd u rein. 1TIM 5:23 Drink niet langer uitsluitend water, gebruik wat wijn voor uw maag en met het oog op uw veelvuldige kwalen. 1TIM 5:24 Van sommige mensen zijn de zonden zo duidelijk, dat ze hen voorgaan naar het gerecht; bij anderen komen ze achteraan. 1TIM 5:25 Zo ook de goede daden: sommige zijn algemeen bekend, andere niet, maar deze kunnen evenmin verborgen blijven. 1TIM 6:1 De slaven. Zij die als slaven hun juk te dragen hebben, moeten hun meesters alle eer waardig achten; anders zal men kwaadspreken van onze God en van de christelijke leer. 1TIM 6:2 Zij die gelovige meesters hebben, mogen hen niet minder achten omdat zij hun broeders zijn. Zij moeten hen integendeel des te trouwer dienen, omdat zij die van hun diensten profiteren, een zijn met hen in geloof en liefde. Zo moet gij leren en vermanen. 1TIM 6:3 Dwaalleer en geldzucht. Wie een afwijkende leer verkondigt en zich niet houdt aan de gezonde beginselen van onze Heer Jezus Christus en de leer van onze godsdienst, 1TIM 6:4 is een verwaand mens, zonder werkelijke wetenschap maar met een ziekelijke belangstelling voor twistvragen en woordenstrijd. Hieruit kan niets anders voortkomen dan afgunst, onenigheid, gelaster, achterdocht 1TIM 6:5 en eindeloze discussies, het werk van mensen wier geest verward is en van de waarheid verstoken. Zij zien in de godsvrucht een bron van inkomsten. 1TIM 6:6 Nu brengt de godsvrucht ongetwijfeld grote winst, maar alleen voor hem die tevreden is met wat hij heeft. 1TIM 6:7 Want wij hebben in deze wereld niets meegebracht en kunnen er ook niets uit meenemen. 1TIM 6:8 Als wij voedsel en kleding hebben, moet ons dat genoeg zijn. 1TIM 6:9 Zij die zich willen verrijken vallen in verzoeking en in de strik van allerlei dwaze en kwalijke begeerten, die een mens in verderf en ondergang storten. 1TIM 6:10 Want de geldzucht is de wortel van alle kwaad. Door deze hartstocht zijn sommigen al van het geloof afgedwaald en hebben zich afgemarteld met kwellingen zonder tal. 1TIM 6:11 Plechtige aansporing van Timóteüs. Gij echter, man Gods, moet dit alles mijden. Streef naar gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid. 1TIM 6:12 Strijd de goede strijd van het geloof, grijp het eeuwige leven. Daartoe zijt gij geroepen, daartoe hebt gij de goede belijdenis afgelegd ten overstaan van vele getuigen. 1TIM 6:13 Ik beveel u voor het aanschijn van God die alles ten leven wekt, en van Christus Jezus die door Pontius Pilatus de goede belijdenis heeft afgelegd: 1TIM 6:14 bewaar dit gebod onbevlekt en ongerept tot de verschijning van onze Heer Jezus Christus, 1TIM 6:15 die God ons te rechter tijd zal doen aanschouwen, Hij, de gelukzalige, de enige heerser, de grote koning en de opperste heer, 1TIM 6:16 die alleen onsterfelijkheid bezit en woont in ongenaakbaar licht. Geen mens heeft Hem gezien of is in staat Hem te zien. Hem zij eer en eeuwige macht! Amen. 1TIM 6:17 Ware en valse rijkdom. Vermaan de rijken van deze wereld dringen niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet te stellen op de ongewisse rijkdom, maar op God die ons alles rijkelijk te genieten geeft. 1TIM 6:18 Zeg hun dat zij wel doen, zich verrijken door goede daden, en vrijgevig zijn en milddadig. 1TIM 6:19 Zo bezorgen zij zich een goede belegging voor de toekomst, om eenmaal het leven te verwerven dat waarlijk leven is. 1TIM 6:20 Laatste vermaning en groet. Timoteüs, bewaar wat u is toevertrouwd, en keer u af van het profaan en leeg geredeneer en de opwerpingen van de zogenaamde gnosis; 1TIM 6:21 sommigen die haar verkondingen, zij het spoor van het geloof reeds bijster geraakt. De genade zij met u allen. DE TWEEDE BRIEF AAN TIMÓTEÜS Schrijver. Lezers. Groet. Van Paulus, apostel van Christus Jezus door de wil van God, volgens de belofte van het leven dat in Christus Jezus is, 2TIM 1:2 aan Timoteüs, zijn geliefd kind. Genade, barmhartigheid en vrede voor u vanwege God de Vader en onze Heer Christus Jezus! 2TIM 1:3 Dank voor ontvangen genaden en aansporing tot volharding. Het is met dankbaarheid jegens God, die ik, evenals mijn voorouders, met een zuiver geweten tracht te dienen, dat ik uw naam noem in mijn gebeden, zonder ophouden, dag en nacht. 2TIM 1:4 Als ik denk aan uw tranen, verlang ik vurig u weer te zien, om weer helemaal gelukkig te zijn. 2TIM 1:5 En uw ongeveinsd geloof komt mij voor de geest, dat geloof dat eerst uw grootmoeder Loïs en uw moeder Eunike bezield heeft en nu ook, daarvan ben ik zeker, leeft in u. 2TIM 1:6 Vergeet dus niet het vuur aan te wakkeren van Gods genade die in u is door de oplegging van mijn handen. 2TIM 1:7 Want God heeft ons niet een geest geschonken van vreesachtigheid, maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid. 2TIM 1:8 Schaam u dus niet van onze Heer te getuigen. Schaam u evenmin voor mij, zijn gevangene. Draag uw deel in het lijden voor het evangelie, door de kracht van God, 2TIM 1:9 die ons gered heeft en geroepen met een heilige roeping, niet op grond van onze verdiensten, maar volgens het vrije besluit van zijn genade. Van alle eeuwigheid ons verleend in Christus Jezus, 2TIM 1:10 is zijn genade nu openbaar geworden door de verschijning van onze Heiland, Christus Jezus, die de dood heeft vernietigd en onvergankelijk leven deed aanlichten door het evangelie. 2TIM 1:11 Van dit evangelie ben ik aangesteld als heraut en apostel en leraar. 2TIM 1:12 Daarom moet ik ook deze nieuwe beproeving ondergaan, maar ik schaam er mij niet voor, want ik weet Wie ik mijn vertrouwen heb beschonken, en ik ben ervan overtuigd, dat Hij bij machte is ongerept te bewaren wat mij is toevertrouwd, tot aan de grote dag. 2TIM 1:13 Neem als richtsnoer de gezonde beginselen die gij uit mijn mond hebt vernomen, en houd ze vast in het geloof en de liefde van Christus Jezus. 2TIM 1:14 Bewaar de u toevertrouwde schat met de hulp van de heilige Geest die in ons woont. 2TIM 1:15 Gij weet dat allen in Asia mij in de steek hebben gelaten, ook Fygelus en Hermogenes. 2TIM 1:16 Moge de Heer barmhartigheid bewijzen aan het huisgezin van Onesiforus, want hij heeft zich niet geschaamd voor mijn boeien en zijn bezoeken hebben mij veel goed gedaan. 2TIM 1:17 Toen hij in Rome kwam, heeft hij ijverig naar mij gezocht en mij ook gevonden. 2TIM 1:18 De Heer verlene hem, dat hij barmhartigheid vindt bij zijn Heer op die dag. En hoeveel diensten hij te Efeze bewezen heeft, weet gijzelf het best. 2TIM 2:1 En gij, mijn kind, wees sterk door de genade van Christus Jezus. 2TIM 2:2 De leer die gij in het bijzijn van vele getuigen van mij hebt gehoord, geef die door aan betrouwbare mannen, bekwaam om op hun beurt anderen te onderrichten. 2TIM 2:3 Draag uw deel van de last, als een goed soldaat van Christus Jezus. 2TIM 2:4 Een militair in actieve dienst laat zich niet in met de zaken van het burgerlijk leven, als hij tenminste zijn meerderen tevreden wil stellen. 2TIM 2:5 Een atleet zal geen prijs winnen, als hij zich niet houdt aan de regels van de wedstrijd. 2TIM 2:6 De boer die het zware werk verricht, heeft het eerst recht op de opbrengst van zijn arbeid. 2TIM 2:7 Let goed op wat ik zeg; de Heer zal u in alles inzicht geven. 2TIM 2:8 Houd Jezus Christus in gedachten, Davids nazaat, die uit de dood is opgestaan. Zo luidt de boodschap die ik verkondig 2TIM 2:9 en waarvoor ik zelfs als een misdadiger gevangenschap heb te lijden. Maar het woord van God laat zich niet in boeien slaan. 2TIM 2:10 Daarom ben ik bereid alles te verdragen ter wille van de uitverkorenen, opdat ook zij het heil verwerven in Christus Jezus en eeuwige heerlijkheid. 2TIM 2:11 Hoe waar is dit woord: ` Als wij met Hem gestorven zijn, zullen wij met Hem leven. 2TIM 2:12 Als wij volharden, zullen wij met Hem heersen. Als wij Hem verloochenen, zal Hij ons verloochenen. 2TIM 2:13 Als wij ontrouw zijn, blijft Hij trouw: zichzelf verloochenen kan Hij niet. ' 2TIM 2:14 Waarschuwing tegen dwaling en dwaalleraars. Houd niet op de gelovigen dit alles in herinnering te brengen en bezweer hen bij God woordentwisten te vermijden die nergens toe dienen dan tot verderf van de hoorders. 2TIM 2:15 Doe uw best uzelf deugdelijk te betonen voor God, als een arbeider die zich niet hoef te schamen; spreek het woord van de waarheid rechtuit. 2TIM 2:16 Mijd het profaan en hol geredeneer; zij zullen de goddeloosheid nog verder drijven 2TIM 2:17 en hun leer zal voortwoekeren als een kankergezwel. Tot hen behoren Hymeneüs en Filetus, 2TIM 2:18 die van het spoor der waarheid zijn afgeweken met hun bewering dat de opstanding reeds heeft plaats gehad; zo ondermijnen zij het geloof van anderen. 2TIM 2:19 Maar de grondsteen, door God gelegd, ligt vast, en hij draagt het opschrift: De Heer kent de zijnen, en: Laat ieder die de naam des Heren noemt, ver blijven van ongerechtigheid. 2TIM 2:20 Nu zijn er in een groot huis niet alleen voorwerpen van goud en zilver, maar ook van hout en aardewerk, de eerste bestemd voor feestelijk, de andere voor alledaags gebruik. 2TIM 2:21 Wie zich van ongerechtigheid gereinigd heeft, zal dus in het huis van zijn meester zulk een edel gebruiksvoorwerp zijn, geheiligd, nuttig, voor elk goed doel geschikt. 2TIM 2:22 Vermijd de fouten van de jeugd. Streef naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede, samen met allen die de Heer in oprechtheid aanroepen. 2TIM 2:23 Laat u niet in met die dwaze en domme twistvragen. Gij weet dat ze niets opleveren dan strijd; 2TIM 2:24 en een dienstknecht van de Heer moet niet twisten, maar vriendelijk zijn voor allen, bekwaam om te onderrichten en verdraagzaam. 2TIM 2:25 De koppigen moet hij terechtwijzen met zachtheid; misschien brengt God hen tot inkeer en tot erkenning van de waarheid, 2TIM 2:26 zodat dat tot bezinning komen en zich losmaken uit de strikken waarin de duivel hen als zijn slaven gevangen houdt. 2TIM 3:1 Moeilijke tijden zijn op komst. Houd rekening met het feit dat er moeilijke tijden voor de deur staan, zoals te verwachten is in dit laatste, beslissende tijdperk. 2TIM 3:2 De mensen zullen zelfzuchtig zijn en geldzuchtig, arrogant en hovaardig, lasteraars, ongehoorzaam aan hun ouders, ondankbaar, onverschillig, 2TIM 3:3 liefdeloos, onverzoenlijk, kwaadsprekend, onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede, 2TIM 3:4 verraderlijk, vermetel, verwaand, meer aan genot dan aan God gehecht; 2TIM 3:5 de schijn van vroomheid zullen zij ophouden, maar haar wezen verloochenen. Houd zulke mensen op een afstand. 2TIM 3:6 Want van dit slag zijn zij die zich in de huizen indringen en onverstandige vrouwen inpalmen, die met zonden beladen en door allerlei begeerten gedreven, 2TIM 3:7 U aldoor willen leren, maar er nooit in slagen de kennis van de waarheid te bereiken. 2TIM 3:8 Zoals Jannes en Jambres eertijds tegen Mozes opstonden, zo verzetten deze mannen zich tegen de waarheid; hun geest is verward, hun geloof is van slechte kwaliteit. 2TIM 3:9 Maar zij zullen weinig succes hebben, want iedereen zal hun dwaasheid doorzien, gelijk dat ook bij die twee het geval was. 2TIM 3:10 Gij echter zijt mij trouw gevolgd: in mijn leer, mijn manier van leven, mijn plannen, in geloof, geduld, liefde en volharding, 2TIM 3:11 ook in de vervolgingen en het lijden, zoals die mij zijn overkomen in Antiochië, Ikonium en Lystra. Wat voor vervolgingen heb ik al niet moeten verduren! Maar de Heer heeft mij uit alle gered. 2TIM 3:12 Trouwens, allen die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden, 2TIM 3:13 terwijl deugnieten en charlatans van kwaad tot erger komen, anderen misleidend en zichzelf. 2TIM 3:14 Blijf gij echter bij de leer die gij gelovig hebt aanvaard. Bedenk wie het waren die u onderricht hebben 2TIM 3:15 en hoe gij van kindsbeen af vertrouwd zijt met de heilige geschriften; daaruit kunt gij de wijsheid putten die u leidt tot het heil, door het geloof in Christus Jezus. 2TIM 3:16 Elk door God geïnspireerd geschrift dient ook om te onderrichten in de waarheid en dwalingen te weerleggen, om de zeden te verbeteren en de mensen op te voeden tot een rechtschapen leven, 2TIM 3:17 zodat de man Gods voor zijn taak berekend is en toegerust voor elk goed werk. 2TIM 4:1 Plechtige aansporing van Timóteüs. Ik bezweer u voor het aanschijn van God en van Christus Jezus die levenden en doden zal oordelen, bij zijn verschijning en bij zijn koningschap: 2TIM 4:2 verkondig het woord, dring aan te past en te onpas, weerleg, berisp, bemoedig, in een woord, geef uw onderricht met groot geduld. 2TIM 4:3 Want er komt een tijd dat de mensen de gezonde leer niet meer zullen verdragen. Zij zullen zich een menigte leraars aanschaffen naar eigen smaak, die hun naar de mond praten. 2TIM 4:4 En zij zullen hun oren sluiten voor de waarheid om te luisteren naar allerlei mythen. 2TIM 4:5 Maar gij, blijf nuchter bij dit alles, aanvaard uw lijden, doe het werk van een evangelist, wijd u geheel aan uw dienst. 2TIM 4:6 Paulus' laatste woorden. Want wat mij betreft, mijn bloed wordt weldra geplengd, het uur van mijn heengaan is nabij. 2TIM 4:7 Ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop voleind, het geloof bewaard. 2TIM 4:8 Nu wacht mij de krans der gerechtigheid, waarmee de Heer, de rechtvaardige rechter, mij zal belonen op de grote dag, en niet alleen mij, maar allen die met liefde uitzien naar zijn komst. 2TIM 4:9 Persoonlijke mededelingen. Doe uw best om spoedig bij mij te Komen. 2TIM 4:10 Demas gaf de voorkeur aan de wereld en heeft mij in de steek gelaten. Hij is naar Tessalonica vertrokken. Crescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië. 2TIM 4:11 Alleen Lucas is bij me. Ga Marcus halen en breng hem met u mee; ik kan hem goed gebruiken voor het werk. 2TIM 4:12 Tychikus heb ik naar Efeze gezonden. 2TIM 4:13 Als gij komt, breng dan de mantel mee die ik in Troas bij Karpus, heb laten liggen, en ook de boeken, vooral de perkamenten. 2TIM 4:14 Alexander, de koperslager, heeft mij veel kwaad berokkend. De Heer zal hem vergelden naar zijn werken. 2TIM 4:15 Neem ook bij u voor hem in acht, want hij heeft onze woorden heftig bestreden. 2TIM 4:16 Bij mijn eerste verdediging heeft niemand mij bijgestaan, allen hebben mij in de steek gelaten. Moge het hun niet worden aangerekend. 2TIM 4:17 Maar de Heer heeft mij ter zijde gestaan en mij kracht gegeven om mijn ambt als prediker van het evangelie ten einde toe te vervullen, zodat alle volken ervan horen. En ik werd verlost uit de muil van de leeuw. 2TIM 4:18 En de Heer zal mij blijven beschermen tegen alle boze aanslagen en mij behouden overbrengen naar zijn hemels koninkrijk. Hem zij de heerlijkheid in de eeuwen der eeuwen! Amen. 2TIM 4:19 Groeten en zegenbede. Groet Prisca en Aquila en het huisgezin van Onesiforus. 2TIM 4:20 Erastus is in Korinte gebleven. Trofimus heb ik ziek in Milete achtergelaten. 2TIM 4:21 Doe uw best nog voor de winter te komen. Eubulus, Pudens, Linus, Claudia en alle broeders groeten u. 2TIM 4:22 De Heer zij met uw geest. De genade zij met u allen. DE BRIEF AAN TITUS TIT 1:1 Schrijver. Lezers. Groet. Van Paulus, dienstknecht van God en apostel van Jezus Christus om Gods uitverkorenen te brengen tot het geloof en de kennis van de ware godsdienst TIT 1:2 in de hoop op het eeuwige leven. Reeds lang geleden heeft God, die niet liegt, eeuwig leven beloofd TIT 1:3 en nu, te zijner tijd, heeft Hij zijn woord openbaar gemaakt in de verkondiging die mij is toevertrouwd door een opdracht van God onze heiland... TIT 1:4 Paulus aan Titus, zijn wettig kind in het gemeenschappelijk geloof. Genade en vrede voor u vanwege God onze Vader en Christus Jezus onze Heiland! TIT 1:5 De aanstelling van presbyters. Ik heb u op Kreta achtergelaten met de bedoeling dat gij de organisatie (van de kerk) zoudt voltooien door in elke stad presbyters aan te stellen volgens de richtlijnen die ik u heb gegeven: TIT 1:6 onberispelijke mannen, trouwe echtgenoten, wier kinderen gelovigen zijn en niet in opspraak wegens losbandigheid of tuchteloosheid. TIT 1:7 Want de leider van de gemeente moet als beheerder van Gods huis onberispelijk zijn, niet aanmatigend, niet driftig, niet aan de wijn verslaafd, niet vechtlustig, niet geldgierig, TIT 1:8 maar gastvrij, deugdzaam, bezonnen, rechtvaardig, vroom, ingetogen, TIT 1:9 met zorg voor de overgeleverde, rechtzinnige leer en in staat om volgens de gezonde beginselen te vermanen en tegensprekers te weerleggen. TIT 1:10 Strijd tegen de dwaalleraars. Er zijn helaas heel wat onhandelbare lieden, praatjesmakers die anderen het hoofd op hol brengen; ge vindt ze vooral onder de besnedenen. TIT 1:11 Men moet hun de mond snoeren: zij richten hele gezinnen te gronde door uit winstbejag dingen te leren die geen pas geven. TIT 1:12 Heeft niet een van hen, nog wel hun eigen profeet, gezegd: `Kretenzers zijn onverbeterlijke leugenaars, boze beesten, vadsige buiken'? TIT 1:13 Dit is een waar woord. Ge moet hun daarom duidelijk zeggen waar het op staat. Hun geloof moet gezond worden. TIT 1:14 Zij moeten zich niet bezighouden met Joodse fabels en allerlei voorschriften, uitgedacht door mensen die de waarheid de rug toekeren. TIT 1:15 'Alles is rein voor de reinen'. Zonder twijfel, maar voor hen die besmet en onbetrouwbaar zijn, is niets rein, want hun eigen zedelijk oordeel is bedorven. TIT 1:16 Zij beweren God te kennen en belijden Hem met de mond, maar verloochenen Hem met de daad; afschuwelijke mensen zijn het, onhandelbaar, tot niets goeds in staat. TIT 2:1 Vermaningen voor verschillende groepen in de gemeente. Uw taak is het te verkondigen wat strookt met de gezonde leer. TIT 2:2 Bejaarde mannen moeten matig zijn, ernstig, bezonnen, gezond in geloof, liefde en volharding. TIT 2:3 Zo moeten ook oudere vrouwen zich waardig gedragen, geen kwaad spreken en niet verslaafd zijn aan de wijn. Zij moeten goede adviezen geven TIT 2:4 en de jongere vrouwen leren hun man en kinderen lief te hebben, TIT 2:5 verstandig te zijn, kuis, huishoudelijk, vriendelijk, onderdanig aan hun man; dan komt het woord van God niet in opspraak. TIT 2:6 Spoor ook de jonge mannen aan om altijd verstandig te zijn. TIT 2:7 Geef hun zelf een goed voorbeeld. Laat uw onderricht eerlijk en ernstig zijn', TIT 2:8 uw prediking heilzaam en onaanvechtbaar. Dan weet de tegenstander niets kwaads van ons te zeggen en komt hij misschien tot andere gedachten. TIT 2:9 De slaven moeten hun meesters in alles onderdanig zijn, hun eisen inwilligen, niet tegenspreken, TIT 2:10 niet stelen, maar zich strikt betrouwbaar tonen; dan zullen zij allerwegen het aanzien verhogen van de leer van God onze Heiland. TIT 2:11 Genade en heiligheid. Want de genade van God, bron van heil voor alle mensen, is op aarde verschenen. TIT 2:12 Zij leert ons goddeloosheid en wereldse begeerten te verzaken en bezonnen, rechtvaardig en vroom te leven in deze tijd, TIT 2:13 terwijl wij uitzien naar de zalige vervulling van onze hoop, de openbaring van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland Christus Jezus. TIT 2:14 Hij heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle ongerechtigheid te verlossen en ons te maken tot zijn eigen volk, gereinigd van zonde, vol ijver voor alle goeds. TIT 2:15 Hierover moet gij spreken en hierop aandringen. Zet deze dingen uiteen met gezag. Laat niemand u minachten. TIT 3:1 Plicht en genade. Herinner allen aan de plicht van onderwerping aan overheid en gezag. Zij moeten hun gehoorzamen en bereid zijn alles te doen wat goed is. TIT 3:2 Zij mogen niemand belasteren en geen ruzie zoeken, zij behoren veeleer vriendelijk te zijn en uiterst zachtmoedig in de omgang met alle mensen zonder uitzondering. TIT 3:3 Want ook wij waren eertijds zonder inzicht, ongehoorzaam aan God en onderworpen aan dwaling, slaven van allerlei begeerten en lusten; wij vulden ons leven met boosaardigheid en afgunst, haat vergeldend met haat. TIT 3:4 Maar de goedheid en mensenliefde van God onze Heiland is op aarde verschenen, TIT 3:5 en hij heeft ons gered, niet omdat wij iets goeds gedaan zouden hebben, maar alleen omdat Hij barmhartig is. Hij heeft ons gered door het bad van wedergeboorte en vernieuwing door de heilige Geest. TIT 3:6 Want Hij heeft de Geest overvloedig over ons uitgestort door Jezus Christus onze Heiland. TIT 3:7 Zo zijn wij door zijn genade gerechtvaardigd en erfgenamen geworden van het eeuwige leven waar onze hoop op gericht is. TIT 3:8 Op dit woord kunt ge bouwen, en ik wil dat me moedig voor uw overtuiging uitkomt. Zij die in God geloven, moeten zij beijveren de eersten te zijn bij elk goed werk. Dat is voor hen een ereplicht en de wereld zal er wel bij varen. TIT 3:9 Maar houd u niet op met onzinnige kwesties, genealogieën, discussies en twistpunten aangaande de wet; deze dingen zijn nutteloos en hebben geen zin. TIT 3:10 Een ketter moet ge na een eerste en een tweede waarschuwing afwijzen. TIT 3:11 Ge kunt er zeker van zijn dat zo iemand op de verkeerde weg is en met zijn zonde zichzelf veroordeelt. TIT 3:12 Mededelingen en groeten. Kom, als ik Artemas of Tychikus naar u gezonden heb, zo spoedig mogelijk bij mij in Nikopolis, want ik heb besloten daar de winter door te brengen. TIT 3:13 Neem alle maatregelen voor de reis van Zenas, de rechtsgeleerde, en Apollos; het mag hun aan niets ontbreken. TIT 3:14 Ook de onzen moeten leren zich met eerlijke arbeid bezig te houden en het hunne bij te dragen ter voorziening in allerlei behoeften; dan maken zij zich nuttig. TIT 3:15 Allen die bij mij zijn, groeten u. Groet alle vrienden in het geloof. De genade zij met u allen. DE BRIEF AAN FILÉMON PHM 1:1 Schrijver. Lezers. Groet. Van Paulus, gevangene van Christus Jezus, en onze broeder Timoteüs, aan onze beminde medewerker Filemon, PHM 1:2 Appia, onze zuster, Archippus, onze wapenbroeder, en de gemeente die bij u aan huis samenkomt. PHM 1:3 Genade voor u en vrede vanwege God onze Vader en de Heer Jezus Christus! PHM 1:4 Dankzegging en gebed. Ik dank mijn God altijd, telkens als ik u in mijn gebeden gedenk, PHM 1:5 want ik hoor van de liefde en de trouw die gij de Heer Jezus en alle heiligen betoont. PHM 1:6 Moge het geloof waaraan gij deel hebt werkzaam worden door het inzicht in alle goeds dat wij voor Christus kunnen doen. PHM 1:7 Veel vreugde en troost, broeder, heb ik al ondervonden van de liefde waarmee gij het hart van de christenen verkwikt hebt. PHM 1:8 Pleidooi voor Onésimus. Daarom, al heb ik ook in Christus alle recht u op uw plicht te wijzen, PHM 1:9 toch geef ik de voorkeur aan een verzoek en aan een beroep op uw liefde. Paulus is het die u schrijft, een oud man, nu bovendien een gevangene van Christus Jezus, PHM 1:10 en mijn verzoek geldt het kind dat ik hier in de gevangenis heb verwekt. Ik bedoel Onesimus, PHM 1:11 die u in het verleden bijzonder weinig voordeel heeft opgeleverd, maar die nu terdege nuttig is, zowel voor u als voor mij. PHM 1:12 Ik stuur hem terug naar u en met hem heel mijn liefde. PHM 1:13 Gaarne had ik hem hier gehouden, als uw plaatsvervanger, om voor mij te zorgen in mijn gevangenschap voor het evangelie. PHM 1:14 Maar ik wil niets doen zonder uw instemming, ik wil niets afdwingen, uw goedheid moet zich spontaan kunnen uiten! PHM 1:15 Misschien was dat wel de reden waarom hij een tijd lang bij u is weg geweest: dat ge hem voorgoed terug zoudt krijgen, PHM 1:16 nu niet meer als slaaf, maar als veel meer dan een slaaf, als een geliefde broeder. Dat is hij voor mij al helemaal, hoeveel meer dan voor u, als mens en als christen. PHM 1:17 Als gij u dus met mij verbonden voelt, heet hem dan welkom zoals ge het mij zoudt doen. PHM 1:18 En mocht hij u schade hebben berokkend of iets schuldig zijn, zet het maar op mijn rekening. PHM 1:19 Hier is mijn handtekening: Paulus, ik zal betalen... Of zullen we zeggen: zet het op uw eigen rekening? Ge zijt me toch al uzelf schuldig! PHM 1:20 Kom broeder, laat me een beetje van u profiteren, ter wille van de Heer. Stel om Christus ' wil mijn hart gerust. PHM 1:21 Slot. Groeten. Zegenwens. Ik schrijf met alle vertrouwen op uw bereidwilligheid; ik weet zeker dat gij nog meer zult doen dan ik vraag. PHM 1:22 Maak meteen ook voor mij logies klaar, want ik heb goede hoop dat ik dank zij u aller gebeden aan u zal worden teruggegeven. PHM 1:23 U groet Epafras, mijn medegevangene in Christus Jezus, PHM 1:24 en Marcus, Aristarchus, Demas en Lucas, allen medewerkers van mij. PHM 1:25 De genade van de Heer Jezus Christus zij met uw geest. DE BRIEF AAN DE HEBREEËN HEB 1:1 Aanhef. Nadat God eertijds vele malen en op velerlei wijzen tot onze vaderen gesproken had door de profeten, HEB 1:2 heeft Hij nu, op het einde der tijden, tot ons gesproken door de Zoon, die Hij erfgenaam gemaakt heeft van al wat bestaat en door wie Hij het heelal heeft geschapen. HEB 1:3 Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen en Hij houdt alles in stand door zijn machtig woord. En na de reiniging der zonden te hebben voltrokken, heeft Hij zich neergezet ter rechterzijde van de majesteit in den hoge, HEB 1:4 ver verheven boven de engelen, zoals Hij hen ook overtreft in de waardigheid die zijn deel is geworden. HEB 1:5 Christus verheven boven de engelen. Heeft God ooit tot een engel gezegd Gij zijt mijn zoon. Ik heb u heden verwekt? Of: ik zal een vader voor hem zijn en hij zal mijn zoon zijn? HEB 1:6 Wanneer Hij evenwel de eerstgeborene opnieuw de wereld binnenleidt, zegt Hij: Alle engelen Gods moeten Hem hulde brengen. HEB 1:7 Terwijl Hij van de engelen zegt: Die zijn engelen tot stormwinden maakt en zijn dienaars tot laaiend vuur, HEB 1:8 spreekt Hij over de Zoon aldus: Uw troon, o God, is voor altijd en eeuwig, en de scepter van het recht is de scepter van zijn koningschap. HEB 1:9 Rechtvaardigheid hebt Gij liefgehad en onrecht gehaat; daarom, o God, heeft uw God U gezalfd met de olie der vreugde en U geplaatst boven uw gelijken. HEB 1:10 En elders: In het begin, o Heer, hebt Gij de aarde gegrondvest en de hemel is het werk van uw handen. HEB 1:11 Zij zullen vergaan, Gij echter blijft. Zij zullen verslijten als kleren, HEB 1:12 Gij zult ze opvouwen als een mantel, gelijk een kledingstuk zullen zij verwisseld worden. Gij echter zijt dezelfde en uw jaren nemen geen einde. HEB 1:13 Heeft Hij ooit tot een van de engelen gezegd: Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten? HEB 1:14 Wat zijn zij anders dan dienende geesten, uitgezonden ten behoeve van hen voor wie het heil is weggelegd? HEB 2:1 Trouw aan het verkondigde heil. Daarom moeten wij des te meer aandacht schenken aan wat ons verkondigd is, om niet uit de koers te raken. HEB 2:2 Want als het door engelen gesproken woord zulk een gezag had dat elke overtreding of ongehoorzaamheid naar rechtmatige vergelding ontving, HEB 2:3 hoe zullen wij dan ontkomen, wanneer wij een zo groot heil verwaarlozen? Van dit heil is het eerst gesproken door de Heer zelf; zij die Hem hoorden hebben ons de boodschap getrouw doorgegeven, HEB 2:4 en God voegde er zijn getuigenis aan toe in de vorm van tekenen, wonderen en velerlei machtige daden en door de gaven van de heilige Geest uit te delen naar zijn welbehagen. HEB 2:5 Christus is middelaar, niet de engelen. Het is zeker dat God niet aan engelen de heerschappij heeft gegeven over die wereld der toekomst, die ons eigenlijk onderwerp is. HEB 2:6 Hier is de uitspraak van kracht die we lezen in de Schrift: Wat is de mens dat Gij hem gedenkt en het mensenkind dat Gij naar hem ontziet? HEB 2:7 Gij hebt hem een korte tijd beneden de engelen gesteld, Gij hebt hem met luister en eer gekroond, HEB 2:8 Gij hebt alles aan hem onderworpen en aan zijn voeten gelegd. Dat God alle dingen aan de mens onderworpen heeft, betekent natuurlijk dat niets hiervan is uitgezonderd. In feite echter zien wij nog niet dat alle dingen aan Hem onderworpen zijn. HEB 2:9 Maar wel zien wij hoe Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen was gesteld, nu met luister en eer gekroond is, omdat Hij de dood heeft verduurd. Door Gods genade kwam zijn sterven aan allen ten goede. HEB 2:10 Het was passend dat God, einde en oorsprong van alles, wilde Hij vele kinderen de hemelse heerlijkheid binnenleiden, ook de aanvoerder die hen redt door lijden tot de voleinding bracht. HEB 2:11 Want Hij die heiligt en zij die geheiligd worden hebben een en dezelfde oorsprong; daarom schrikt Hij er ook niet voor terug hen zijn broeders te noemen, wanneer Hij zegt: HEB 2:12 Ik zal uw naam verkondigen aan mijn broeders en uw lof zingen midden in de gemeente; HEB 2:13 en opnieuw: Ik zal Mij geheel op Hem verlaten; en nog eens: Hier ben ik met de kinderen die God mij gegeven heeft. HEB 2:14 De kinderen van een familie hebben deel aan hetzelfde vlees en bloed; daarom heeft Hij ons bestaan willen delen, om door zijn dood de vorst van de dood, de duivel, te onttronen, HEB 2:15 en te bevrijden hen die door de vrees voor de dood heel hun leven aan onvrijheid onderworpen waren. HEB 2:16 Want het zijn niet de engelen wier lot hij zich aantrekt, maar de nakomelingen van Abraham. HEB 2:17 Vandaar dat Hij in alles aan zijn broeders gelijk moest worden, om als een barmhartig en getrouw hogepriester hun belangen bij God te behartigen en de zonden van het volk uit te boeten. HEB 2:18 Omdat Hij zelf de proef van het lijden doorstaan heeft, kan Hij allen helpen die beproefd worden. HEB 3:1 Christus groter dan Mozes. Daarom, mijn broeders, gij die door een hemelse roeping geheiligd zijt, richt uw ogen op Jezus, de apostel en hogepriester van het geloof dat wij belijden. HEB 3:2 Hij was trouw aan God die Hem heeft aangesteld, zoals ook Mozes trouw was in heel zijn huis. HEB 3:3 Hij is groter eer waardig gekeurd dan Mozes, voor zover namelijk de bouwer meer waard is dan het huis dat hij bouwt. HEB 3:4 Ieder huis wordt door iemand gebouwd en de bouwheer van alles is God. HEB 3:5 Mozes was inderdaad getrouw in heel Gods huis, maar als dienaar, om te getuigen van de woorden die God zou spreken. HEB 3:6 Christus echter is getrouw als zoon, aangesteld over het huis van God. En dat huis zijn wijzelf, als wij tenminste ons vertrouwen en de hoop die onze trots is ongeschokt bewaren tot het einde. HEB 3:7 Rust voor het volk van God. Luistert dus naar wat de heilige Geest zegt: Heden, als gij zijn stem hoort, HEB 3:8 weest dan niet halsstarrig, zoals eertijds bij het oproer, op de dag van de uitdaging in de woestijn HEB 3:9 waar uw vaderen Mij hebben uitgedaagd en op de proef gesteld, ofschoon zij mijn werk gezien hadden, veertig jaar lang. HEB 3:10 Daarom werd Ik toornig op dat geslacht en Ik zei: Altijd door dwaalt hun hart, mijn wegen hebben zij niet willen kennen. HEB 3:11 En Ik heb gezworen in mijn gramschap: ooit zullen zij ingaan in mijn rust HEB 3:12 Zorgt ervoor, broeders, dat onder u niemand zo'n slechte en trouweloze gezindheid heeft, die leidt tot afval van de levende God. HEB 3:13 Spreekt elkaar moed in, elke dag, zolang dat `heden' duurt, zodat niemand zich door de zonde tot zulk een halsstarrigheid laat verleiden. HEB 3:14 Want wij zijn Christus' deelgenoten geworden, mits we ons aanvankelijk vertrouwen ongeschokt bewaren tot het einde. HEB 3:15 De Schrift zegt: Heden, als gij zijn stem hoort, weest dan niet halsstarrig, zoals eertijds bij het oproer. HEB 3:16 Wie waren dat die zijn stem hoorden en rebelleerden? Allen die onder Mozes uit Egypte waren getrokken. HEB 3:17 En op wie was God toornig, veertig jaar lang? Op hen die gezondigd hadden, wier lijken lagen in de woestijn. HEB 3:18 En aan wie anders heeft Hij onder ede de toegang tot zijn rustplaats ontzegd dan aan hen die weigerden te geloven? HEB 3:19 Het is duidelijk dat ongeloof hen belet heeft zijn rust in te gaan. HEB 4:1 Daarom, zolang de goddelijke belofte van de rust nog geldt, moeten wij ervoor zorgen dat niemand van u zou menen dat het te laat is. HEB 4:2 Want ook wij hebben het goede nieuws gehoord, juist als zij. Maar het woord van de verkondiging dat zij hoorden heeft hun niet gebaat, omdat het niet gepaard ging met geloof bij de hoorders. HEB 4:3 Wie die geloofd hebben, wij gaan die rust binnen, waarvan Hij gezegd heeft: En Ik heb gezworen in mijn gramschap: Nooit zullen zij ingaan in mijn rust. Toch was Gods werk al klaar vanaf de schepping van de wereld. HEB 4:4 Dat volgt uit wat wij lezen over de zevende dag: En God rustte op de zevende dag van al zijn werk. HEB 4:5 En hier lezen we: Nooit zullen zij ingaan in mijn rust. HEB 4:6 Het staat dus vast dat er een rust is waarin mensen mogen binnengaan, maar zij die het eerst het goede nieuws hebben gehoord, zijn er niet binnengegaan, omdat zij weigerden te geloven. HEB 4:7 Daarom stelt God na zoveel jaren opnieuw een heden vast met de woorden van David: Heden, als gij zijn stem hoort, weest dan niet halsstarrig. HEB 4:8 Als Jozua hen werkelijk in die rust had binnengeleid, zou God later niet meer over een andere dag gesproken hebben. HEB 4:9 Hieruit volgt dat het volk van God nog een sabbatsrust te wachten staat. HEB 4:10 En wie Gods rust mag binnengaan rust uit van al zijn werk, zoals God uitrust van het zijne. HEB 4:11 Laten we ons dus inspannen die rust binnen te gaan. Laat niemand ten val komen door het slechte voorbeeld van hun ongeloof na te volgen. HEB 4:12 Want het woord van God is levend en krachtig. Het is scherper dan een tweesnijdend zwaard en dringt door tot het raakpunt van ziel en geest, van gewrichten en merg. Het ontleedt de bedoelingen en gedachten van de mens. HEB 4:13 Geen schepsel is voor Hem verborgen, alles ligt open en bloot voor zijn ogen. Aan Hem hebben wij rekenschap af te leggen. HEB 4:14 De barmhartige hogepriester. Nu wij een verheven hogepriester hebben, een die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten wij vasthouden aan onze belijdenis. HEB 4:15 Want wij hebben een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden; Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde. HEB 4:16 Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade, om barmhartigheid en genade te verkrijgen en tijdige hulp. HEB 5:1 Want elke hogepriester wordt genomen uit de mensen en aangesteld voor de mensen, om hen te vertegenwoordigen bij God en om gaven en offers op te dragen voor de zonden. HEB 5:2 Hij is in staat onwetenden en dwalenden geduldig te verdragen, daar hij ook zelf aan zwakheid onderhevig is; HEB 5:3 daarom moet hij, als hij offers voor de zonden opdraagt, even goed aan zijn eigen zonden denken als aan die van het hele volk. HEB 5:4 En niemand kan zich die waardigheid aanmatigen, men moet evenals Aäron door God geroepen worden. HEB 5:5 Ook Christus heeft zichzelf niet de eer van het hogepriesterschap toegekend; dat heeft God gedaan, die Hem zei: Gij zijt mijn zoon, Ik heb U heden verwekt. HEB 5:6 En elders zegt Hij: Gij zijt priester voor eeuwig, op de wijze van Melchisedek. HEB 5:7 In de dagen van zijn sterfelijk leven heeft Hij onder luid geroep en geween gebeden en smekingen opgedragen aan God die Hem uit de dood kon redden. Om zijn vroomheid is Hij verhoord: HEB 5:8 hoewel Hij Gods Zoon was, heeft Hij in de school van het lijden gehoorzaamheid geleerd; HEB 5:9 en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen oorzaak geworden van eeuwige heil, HEB 5:10 door God uitgeroepen tot hogepriester op de wijze van Melchisedek. HEB 5:11 Volhardt in uw geloof. Over dit onderwerp hebben wij veel te zeggen, dat moeilijk uit te leggen is, nu gij zo traag van begrip geworden zijt. HEB 5:12 Na zoveel tijd hadt gij reeds leermeesters moeten zijn, terwijl gij in werkelijkheid weer iemand nodig hebt om u te onderrichten in de eerste beginselen van de leer die God heeft geopenbaard. Het is zover gekomen dat gij melk nodig hebt in plaats van vaste spijs. HEB 5:13 Wie van melk leeft is een zuigeling; die heeft nog geen weet van de rechte leer. HEB 5:14 Maar volwassenen gebruiken vast voedsel, hun zinnen zijn door ervaring en oefening gescherpt om onderscheid te maken tussen goed en kwaad. HEB 6:1 Laten we daarom niet meer terugkomen op de elementaire christelijke leer. We willen niet opnieuw het fundament leggen van geloof in God en van berouw over daden die ons de dood brachten. HEB 6:2 We willen niet opnieuw spreken over reinigingsriten en handoplegging, over de opstanding der doden en het onherroepelijke oordeel. Laten we liever op weg gaan naar volwassenheid. HEB 6:3 En met Gods hulp zullen we haar bereiken. HEB 6:4 Want wanneer mensen eenmaal het licht hebben gezien en van de hemelse gave hebben geproefd en deelgenoot werden van de heilige Geest, HEB 6:5 wanneer zij de voortreffelijkheid van Gods woord en de krachten van de toekomstige wereld hebben ervaren HEB 6:6 en na dit alles afvallen, kunnen zij onmogelijk weer tot bekering worden gebracht; want op hun manier hebben zij de Zoon van God opnieuw gekruisigd en aan bespotting prijsgegeven. HEB 6:7 Wanneer de grond de telkens neervallende regen indrinkt en voor die hem bewerken bruikbaar was voortbrengt, deelt hij in de goddelijke zegen. HEB 6:8 Maar als hij distels en dorens voortbrengt, is het duidelijk dat hij niet deugt; de vervloeking is nabij en het einde is verbranding. HEB 6:9 Maar ook al spreken wij zo streng: in uw geval, vrienden, zijn wij overtuigd van iets beters: gij zijt op weg naar het heil. HEB 6:10 God is rechtvaardig; Hij kan niet vergeten wat gij uit liefde voor zijn naam hebt gedaan, al de diensten die gij de heiligen hebt bewezen en nog bewijst. HEB 6:11 Maar ik wensen dat ieder van u dezelfde vurige ijver blijft tonen, totdat uw hoop geheel in vervulling is gegaan. HEB 6:12 Ge moogt niet lui worden, maar moet een voorbeeld nemen aan hen die door geloof en geduld deel krijgen aan de beloften. HEB 6:13 God is trouw aan zijn belofte. Toen God aan Abraham zijn belofte deed, zwoer Hij bij zichzelf, daar Hij niemand boven zich had om bij te zweren: HEB 6:14 Ik beloof dat Ik u zal zegenen en uw nageslacht talrijk zal maken. HEB 6:15 Abraham heeft dan ook, na lang en geduldig wachten, gekregen wat hem beloofd was. HEB 6:16 Mensen zweren bij een hogere macht, en de eed is voor hen de hoogste vorm van bevestiging, die alle tegenspraak moet uitsluiten. HEB 6:17 En zo heeft God met een eed voor zijn belofte willen instaan, om de erfgenamen van de belofte nog duidelijker te tonen hoe onwrikbaar vast zijn besluit was. HEB 6:18 God heeft dus twee onherroepelijke daden gesteld die het Hem onmogelijk maken ons te bedriegen; en ons, vluchtelingen, sporen ze krachtig aan ons vast te klampen aan de hoop op het heil. HEB 6:19 De hoop is het veilige en vaste anker van onze ziel. Zij dringt door binnen het heiligdom, HEB 6:20 waar Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan, nu Hij voor eeuwig hogepriester is geworden op de wijze van Melchisedek. HEB 7:1 De volmaakte hogepriester. Deze Melchisedek, koning van Salem, priester van God de Allerhoogste, kwam Abraham tegemoet, toen hij de koningen verslagen had, en hij zegende hem; HEB 7:2 en Abraham gaf hem van alles een tiende deel. De naam; van Melchisedek betekent vooreerst `koning van gerechtigheid'; vervolgens is hij koning van Salem, dat is, vredevorst'. HEB 7:3 Hij heeft geen vader, geen moeder, geen stamboom; zijn leven heeft begin noch einde. Hij lijkt op de Zoon van God: hij blijft voor altijd priester. HEB 7:4 Hoe groot moet hij wel zijn, dat Abraham, de aartsvader, hem een tiende gaf van het beste van de buit! HEB 7:5 De nakomelingen van Levi die het priesterambt ontvangen, moeten volgens het voorschrift van de wet tienden heffen van het volk, dat wil zeggen, van hun eigen broeders, die toch ook van Abraham afstammen. HEB 7:6 Maar hij die niet tot hun geslacht behoorde, heeft tienden genomen van Abraham zelf en een zegen gegeven aan de drager van de beloften; HEB 7:7 en niemand kan ontkennen dat de mindere altijd gezegend wordt door de meerdere. HEB 7:8 Bovendien zijn het in het ene geval sterfelijke mensen die tienden krijgen, in het andere is het iemand van wie de Schrift getuigt dat hij leeft. HEB 7:9 Men zou zelfs kunnen zeggen dat Levi, die het recht heeft tienden te heffen, zelf tienden heeft betaald in de persoon van Abraham: HEB 7:10 want hij was nog in de lendenen van zijn voorvader, toen deze door Melchisedek begroet werd. HEB 7:11 Wanneer nu het levitische priesterschap en op deze basis heeft het volk toch de wet ontvangen het volmaakte had kunnen brengen, waarom was het dan nog nodig geweest om te spreken van een andere priester die zou komen, een priester `op de wijze van Melchisedek' en niet op de wijze van Aäron? HEB 7:12 Want uit een verandering van priesterschap volgt onvermijdelijk een verandering van wet. HEB 7:13 Degene van wie hier sprake is behoort tot een andere stam, waarvan nog nooit iemand met het altaar van doen had; HEB 7:14 het is algemeen bekend dat onze Heer is voortgekomen uit Juda, een stam, die door Mozes in zijn bepalingen over de priesters helemaal niet is vermeld. HEB 7:15 Dit wordt nog veel duidelijker, wanneer wij bedenken dat als; evenbeeld van Melchisedek een nieuwe priester opstaat, HEB 7:16 die priester is geworden niet op grond van een wettelijk vereiste afstamming, maar uit kracht van een onvergankelijk leven. HEB 7:17 Want op Hem slaat het getuigenis. Gij zijt voor eeuwig priester op de wijze van Melchisedek. HEB 7:18 Het bestaande voorschrift wordt als onmachtig en nutteloos afgeschaft HEB 7:19 de wet heeft trouwens in geen enkel opzicht het volmaakte gebracht en een nieuwe en betere hoop wordt gewekt, die ons dichter bij God brengt. HEB 7:20 En dit gaat gepaard met een plechtige eed. Er is geen eed gezworen, toen die anderen priester werden, HEB 7:21 maar Hij is priester geworden met een eed die God Hem gezworen heeft, toen Hij sprak: De Heer heeft het gezworen en zal het niet herroepen: Gij zijt priester voor eeuwig. HEB 7:22 Hoeveel voortreffelijker moet dan het verbond zijn waarvoor Jezus borg staat! HEB 7:23 Bovendien moesten die anderen met meerderen: priester worden, omdat de dood hen belet in functie te blijven; HEB 7:24 maar zijn priesterschap is onvervreemdbaar, omdat Hij in eeuwigheid blijft. HEB 7:25 Daarom is Hij ook in staat hen die door zijn tussenkomst God naderen voor altijd te redden, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten. HEB 7:26 Zulk een hogepriester hadden wij ook nodig: een die heilig is, schuldeloos, onbesmet, afgescheiden van de zondaars, hoog verheven boven de hemelen; HEB 7:27 Hij hoeft ook niet, zoals de hogepriesters, elke dag opnieuw eerst voor zijn eigen zonden offers op te dragen en daarna voor die van het volk, want dit heeft Hij eens voor al gedaan, toen Hij zichzelf ten offer bracht. HEB 7:28 De wet stelt als hogepriester mensen aan, met zwakheid behept; maar de eed, die; uitgesproken is na de wetgeving, wijst de Zoon aan, die volmaakt is in eeuwigheid. HEB 8:1 De hogepriester van een nieuw verbond. De kern van ons betoog is nu, dat wij zulk een hogepriester hebben. Gezeten ter rechterzijde van de troon der majesteit in de hemel, HEB 8:2 bedient Hij het waarachtige heiligdom, de tent die is opgeslagen door de Heer en niet door een mens. HEB 8:3 Iedere hogepriester heeft tot taak gaven en offers op te dragen; daarom moet ook Deze iets hebben om te offeren. HEB 8:4 Verbleef Hij op aarde, dan was Hij niet eens priester, daar er al priesters aanwezig zijn, die de door de wet voorgeschreven gaven offeren, HEB 8:5 hoewel dezen dienst verrichten in een heiligdom dat slechts een kopie en een schaduw is van de hemelse werkelijkheid. Toen Mozes de tent ging vervaardigen, werd hem dan ook van Godswege gezegd: Zorg dat gij alles maakt volgens het model dat u op de berg is getoond. HEB 8:6 In feite echter is de bediening die Jezus is ten deel gevallen, veel verhevener, evenals het verbond waarvan Hij de middelaar is en de beloften waarop het berust. HEB 8:7 Was dat eerste verbond zonder fout geweest, dan had men niet omgezien naar een tweede. HEB 8:8 Maar God laakt hun fouten met deze woorden: Er komen dagen, zegt de Heer, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten. HEB 8:9 Het zal anders zijn dan het verbond dat Ik met hun vaderen sloot, toen Ik hen bij de hand vatte om ze uit Egypte te leiden, want zij hebben zich niet aan mijn verbond gehouden en Ik heb Mij niet meer om hen bekommerd, zegt de Heer. HEB 8:10 En zo zal het verbond zijn dat Ik met het huis van Israël zal sluiten, zegt de Heer: Mijn wetten prent Ik in hun geest en Ik grif ze in hun hart: Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. HEB 8:11 Dan zal niemand meer zijn medeburger onderrichten noch zeggen tot zijn broeder: Ken uw Heer. Allen zullen ze Mij kennen, van de kleinste tot de grootste. HEB 8:12 Want Ik zal hun ongerechtigheden vergeven en hun zonden niet langer gedenken. HEB 8:13 Door te spreken van een nieuw verbond heeft Hij het eerst voor verouderd verklaard, en alles wat oud en bejaard wordt, staat op het punt te verdwijnen. HEB 9:1 De volmaakte eredienst. Toch had ook het eerste verbond liturgische voorschriften en zijn eigen, aardse heiligdom. HEB 9:2 Er was een tabernakel, een tentheiligdom, ingericht, waarvan het voorste deel de kandelaar en de tafel met de toonbroden bevatte; dit noemde men het heilige. HEB 9:3 Achter het tweede voorhangsel was een gedeelte dat het allerheiligste werd genoemd. HEB 9:4 Daar stonden een gouden reukofferaltaar en de ark des verbonds, geheel met goud overtrokken, waarin zich bevonden een gouden vaas met het manna, de staf van Aäron die gebloeid had, en de tafelen van het verbond. HEB 9:5 Boven de ark waren de kerubs der heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwden. Wij kunnen hier nu niet verder op ingaan. HEB 9:6 In het aldus ingerichte heiligdom gaan de priesters bij de uitoefening van de eredienst geregeld de eerste ruimte binnen, HEB 9:7 maar de tweede wordt alleen door de hogepriesters betreden, slechts eenmaal in het jaar, en niet zonder het bloed dat hij opdraagt voor zichzelf en voor de tekortkomingen van het volk. HEB 9:8 De heilige Geest geeft hiermee te kennen, dat de toegang tot het heiligdom nog niet open staat zolang de eerste tabernakel, HEB 9:9 die een zinnebeeld is van de tegenwoordige tijd, nog dienst doet. Er worden daar immers gaven en offers gebracht, die de offeraar de inwendige volkomenheid niet kunnen geven; HEB 9:10 het betreft hier spijzen, dranken en allerlei reinigingsriten, in een woord uiterlijke voorschriften, die slechts van kracht blijven tot de tijd van het betere bestel is aangebroken. HEB 9:11 Maar nu is Christus gekomen, de hogepriester van het waarachtige heil. De tent van zijn priesterschap is groter en volmaakter dan de vorige; ze is niet gemaakt door mensenhand, dat wil zeggen, ze behoort niet tot onze geschapen wereld. HEB 9:12 Het bloed van zijn offer is zijn eigen bloed, niet dat van bokken en kalveren. Zo is Hij het heiligdom binnengegaan, eens voor altijd, en Hij heeft een eeuwige verlossing verworven. HEB 9:13 Want als het bloed van bokken en stieren en de gesprenkelde as van een vaars de verontreinigden kan heiligen zodat zij wettelijk rein worden, HEB 9:14 hoeveel groter is de kracht van Christus' bloed! Door de eeuwige Geest heeft Hij zichzelf aan God geofferd als een smetteloos offer, dat onze ziel zuivert van dode werken om de levende God te eren. HEB 9:15 En daarom is Hij middelaar van een nieuw verbond: er heeft een sterven plaats gehad dat bevrijding brengt van de zonden die onder het eerste verbond zijn bedreven; nu kunnen zij die door God geroepen zijn het eeuwig erfdeel ontvangen dat hun is toegezegd. HEB 9:16 Waar een testament is, moet de dood van de erflater worden aangetoond. HEB 9:17 Een testament is immers pas bindend na overlijden; zolang de erflater nog leeft, wordt het niet van kracht. HEB 9:18 Daarom is ook het eerste verbond niet ingewijd zonder bloed. HEB 9:19 Nadat Mozes alle geboden van de wet voor het verzamelde volk had voorgelezen, nam hij het bloed van de kalveren en bokken en ook water, scharlaken wol en hysop, en besprenkelde het wetboek zelf en heel het volk, HEB 9:20 terwijl hij zei: Dit is het bloed van de bond die God met u gesloten heeft. HEB 9:21 De tent en al het benodigde voor de eredienst besprenkelde hij eveneens met het bloed. HEB 9:22 Volgens de wet wordt nagenoeg alles met bloed gereinigd en zonder het vergieten van bloed is er geen vergeving. HEB 9:23 Het ene volmaakte offer. Als dus de kopieën van de hemelse dingen door zulke riten gereinigd moesten worden, dan vereist het hemelse origineel ongetwijfeld een voortreffelijker offer. HEB 9:24 Want Christus is niet het heiligdom binnengegaan dat, door mensenhanden gemaakt, slechts een symbool is van het waarachtige heiligdom; Hij is de hemel zelf binnengegaan om er nu, voor onze zaak, bij God present te zijn. HEB 9:25 Ook hoeft Hij zich daar niet telkens opnieuw te offeren, terwijl de hogepriester jaar in jaar uit het allerheiligste binnengaat, met bloed dat niet het zijne is. HEB 9:26 Anders had Christus meerdere malen moeten lijden, vanaf het begin van de wereld; maar in feite is Hij slechts eenmaal verschenen, op het hoogtepunt van de geschiedenis, om door zijn offer de zonden te delgen. HEB 9:27 Het is het lot van de mens eenmaal te sterven, en daarna komt het oordeel; HEB 9:28 zo is ook Christus eenmaal geofferd, omdat Hij de zonden van allen op zich had genomen; als Hij een tweede maal verschijnt, zal het zijn los van de zonde, om heil te brengen aan allen die naar Hem uitzien. HEB 10:1 De wet laat slechts een schaduw zien van de goede dingen die komen moesten, niet hun ware gedaante. Daarom kan zij onmogelijk door het jaarlijks opdragen van steeds weer dezelfde offers de deelnemers aan haar cultus tot volmaaktheid brengen. HEB 10:2 Anders had men die offerdienst wel gestaakt; men zou zich immers eens voor al gereinigd weten en bevrijd van schuldgevoel. HEB 10:3 Maar deze offers moeten juist ieder jaar opnieuw de gedachte aan de zonden levendig houden; HEB 10:4 het is ook uitgesloten dat het bloed van stieren en bokken zonden zou wegnemen. HEB 10:5 Daarom zegt Hij dan ook, als Hij in de wereld komt: Slachtoffers en gaven hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt voor Mij een lichaam bereid. HEB 10:6 Brandoffers en zoenoffers konden U niet behagen. HEB 10:7 Toen zei Ik: Hier ben Ik. Zoals er in de boekrol over Mij geschreven staat, Ik ben gekomen, o God om uw wil te doen. HEB 10:8 Eerst zegt Hij: `Slachtoffers en gaven, brandoffers en zoenoffers hebt Gij niet gewild, die konden U niet behagen', hoewel de wet voorschrijft dat ze gebracht moeten worden. HEB 10:9 En dan zegt Hij: `Hier ben Ik, Ik ben gekomen om uw wil te doen'. Hij schaft dus het eerste af om het tweede te laten gelden. HEB 10:10 Door die wil zijn wij geheiligd, eens voor al, door het offer van het lichaam van Jezus Christus. HEB 10:11 Verder, iedere priester verricht dagelijks staande de dienst en draagt telkens weer dezelfde offers op, die nooit de zonden kunnen wegnemen. HEB 10:12 Hij daarentegen is voor altijd gezeten aan de rechterhand van God, na een enkel offer voor de zonden te hebben gebracht, HEB 10:13 nog slechts wachtend op het ogenblik dat zijn vijanden worden gemaakt tot een voetbank voor zijn voeten. HEB 10:14 Want door een offer heeft Hij voor altijd hen die zich laten heiligen tot volmaaktheid gebracht. HEB 10:15 We hebben hiervoor ook het getuigenis van de heilige Geest. Eerst zegt Hij: HEB 10:16 Dit is het verbond dat Ik met hen zal sluiten na die dagen, zegt de Heer: Ik zal mijn wetten in hun hart leggen, Ik grif ze in hun geest. HEB 10:17 En hieraan voegt Hij toe: Ik zal hun zonden en ongerechtigheden niet langer gedenken. HEB 10:18 En waar deze vergeven zijn, is geen zoenoffer meer nodig. HEB 10:19 Aansporing en waarschuwing. Broeders, door het bloed van Jezus hebben wij vrije toegang gekregen tot het heiligdom. HEB 10:20 In zijn eigen lichaam heeft Hij voor ons de nieuwe, levende weg gebaand, dwars door het voorhangsel heen. HEB 10:21 We hebben nu `die grote priester die over het huis van God is aangesteld.' HEB 10:22 Laten we dan dichterbij komen, maar met een oprecht hart en in de volle overtuiging van ons geloof, ons hart rein gesprenkeld van alle schuldbesef, ons lichaam gewassen met zuiver water, HEB 10:23 Laten wij onwrikbaar vasthouden aan de belijdenis van onze hoop, want Hij die de beloften deed is betrouwbaar. HEB 10:24 Laten we elkaar in het oog houden om met elkaar te wedijveren in liefde en daden van liefde. HEB 10:25 Wij moeten niet wegblijven van onze bijeenkomsten, zoals sommigen gewoon zijn te doen; laten we elkaar moed inspreken, en dit te meer naarmate gij de grote dag dichterbij ziet komen. HEB 10:26 Want als wij, na de kennis van de waarheid ontvangen te hebben, moedwillig zondigen, blijft er geen offer voor de zonden meer over, HEB 10:27 maar alleen een schrikwekkend uitzicht op een oordeel en een begerig vuur, dat de vijanden van God wil verteren. HEB 10:28 Wie zich niet stoort aan de wet van Mozes, wordt op het getuigenis van twee of drie personen zonder pardon ter dood gebracht. HEB 10:29 Moet dan hij die de Zoon van God veracht, die het bloed van het verbond waardoor hij geheiligd is profaneert, die de Geest van Gods genade durft honen moet zo iemand niet veel strenger gestraft worden? HEB 10:30 We weten toch wie gezegd heeft: Mij komt het toe te straffen, Ik zal vergelden, en ook: De Heer zal rechtspreken over zijn volk? HEB 10:31 Het moet iets vreselijks zijn om in de handen van de levende God te vallen. HEB 10:32 Herinner u de dagen van vroeger, toen gij het licht hebt ontvangen en aanstonds een zware proef van lijden moest doorstaan. HEB 10:33 Sommigen van u werden openlijk gehoond en vervolgd, terwijl anderen hen trouw in hun nood hebben bijgestaan. HEB 10:34 Want ge zijt solidair gebleven met hen die gearresteerd waren. Gij hebt zelfs blijmoedig verdragen, dat men uw bezittingen in beslag nam. Ge waart u immers bewust iets te bezitten dat meer waard is en nooit verloren gaat. HEB 10:35 Gooi dat vertrouwen nu niet overboord, het wordt zo rijk beloond! HEB 10:36 Wat ge nodig hebt is volharding, om Gods wil te doen en de belofte binnen te halen. HEB 10:37 Want, zegt de Schrift, nog een heel korte tijd, en Hij die komen moet zal komen, zonder uitstel. HEB 10:38 Mijn rechtvaardige zal door trouw geloof zijn leven redden, maar wie terugdeinst kan Mij niet behagen. HEB 10:39 Maar wij behoren niet tot hen die terugdeinzen en verloren gaan; wij hebben geloof, en winnen door geloof het leven. HEB 11:1 Een zwerm geloofsgetuigen. En wat is het geloof? Het geloof is een vaste grond van wat hij hopen, het overtuigt ons van de werkelijkheid van onzichtbare dingen. HEB 11:2 Om hun geloof zijn de ouden met ere vermeld. HEB 11:3 Geloof doet ons zien, dat het heelal tot stand is gekomen door Gods woord, zodat het zichtbare ontstaan is uit het onzichtbare. HEB 11:4 Door het geloof was Abels offer zoveel beter dan dat van Kan; door het geloof ontving hij het getuigenis van zijn rechtvaardigheid, want God zelf aanvaardde zijn gaven; door het geloof blijft hij spreken, ook na zijn dood. HEB 11:5 Door het geloof werd Henoch, zonder te sterven, naar een ander leven overgebracht; hij was er niet meer, want God had hem opgenomen. Want de Schrift getuigt dat hij, voor hij werd weggenomen, aan God had behaagd; HEB 11:6 en zonder het geloof is het onmogelijk aan God te behagen; wie bij God wil komen, moet geloven dat Hij bestaat en dat Hij beloont allen die Hem zoeken. HEB 11:7 Door het geloof heeft Noach, na door God te zijn gewaarschuwd voor wat nog niet te zien was, met grote zorg de ark gebouwd, om zijn huisgezin te redden. Door zijn geloof heeft hij de wereld veroordeeld en zelf de gerechtigheid van het geloof verworven. HEB 11:8 Door het geloof heeft Abraham gehoor gegeven aan de roepstem van God, en ging hij op weg naar een land dat bestemd was voor hem en zijn erfgenamen; hij vertrok zonder te weten waarheen. HEB 11:9 Door het geloof heeft hij als vreemdeling vertoefd in het land dat hem beloofd was; hij woonde er in tenten, evenals Isaak en Jakob, die dezelfde belofte erfden; HEB 11:10 want hij zag uit naar de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwer is. HEB 11:11 Door het geloof heeft ook Sara, ofschoon haar tijd al lang voorbij was, de kracht tot vruchtbaarheid ontvangen, want zij wist dat Hij die de belofte had gedaan, zijn woord zou houden. HEB 11:12 Daarom is dan ook aan een man, en nog wel in zijn hoge ouderdom, een nageslacht ontsproten, talrijk als de sterren aan de hemel, ontelbaar als de zandkorrels aan het strand van de zee. HEB 11:13 In geloof zijn zij allen gestorven, zonder te hebben ontvangen wat hun beloofd was. Zij hebben het heil alleen uit de verte gezien en begroet. Zij hebben zichzelf vreemdelingen en passanten op aarde genoemd. HEB 11:14 Wie zo spreken geven duidelijk te kennen, dat zij op zoek zijn naar een vaderland. HEB 11:15 Hadden zij heimwee gehad naar het land van hun herkomst, dan hadden zij gemakkelijk kunnen terugkeren, HEB 11:16 maar hun verlangen ging uit naar een beter vaderland, het hemelse. Daarom schaamt God zich niet hun God genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad gebouwd. HEB 11:17 Door het geloof heeft Abraham, toen hij op de proef gesteld werd, Isaak ten offer gebracht. Hij die de beloften had ontvangen, stond op het punt zijn enige zoon te offeren, HEB 11:18 van wie hem gezegd was: Alleen zij die van Isaak afstammen, zullen gelden als uw nageslacht. HEB 11:19 Want hij was ervan overtuigd, dat God zelfs de macht heeft om doden ten leven te wekken; en uit de dood heeft hij, om zo te zeggen, zijn zoon ook teruggekregen. HEB 11:20 Door het geloof sprak Isaak over Jakob en Esau een zegen uit die ook op de toekomst betrekking had. HEB 11:21 Door het geloof zegende Jakob op zijn sterfbed de beide zonen van Jozef, en leunend op de knop van zijn staf, aanbad hij God. HEB 11:22 Door het geloof heeft Jozef op het eind van zijn leven al gesproken over de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, en bevolen dan zijn gebeente mee te nemen. HEB 11:23 Door het geloof hebben de ouders van Mozes hem terstond na zijn geboorte drie maanden lang verborgen gehouden, omdat zij zagen wat een mooi kind het was; zij waren niet bang voor de verordening van de koning. HEB 11:24 Door het geloof heeft Mozes zelf, toen hij groot geworden was, geweigerd door te gaan voor een zoon van Farao's dochter. HEB 11:25 Hij wilde liever mishandeld worden met het volk van God dan voor een korte tijd profiteren van de zonde. HEB 11:26 Voor hem was de smaad, Gods Gezalfde aangedaan, kostbaarder dan al de schatten van Egypte, want hij hield het oog gericht op de komende beloning. HEB 11:27 Door het geloof verliet hij Egypte zonder de woede van de koning te duchten, want de onzichtbare koning had hij als het ware voortdurend voor ogen. HEB 11:28 Door het geloof heeft hij pesach gehouden en het bloed gesprenkeld, opdat de verderver de eerstgeborenen van Israël niet zou aanraken. HEB 11:29 Door het geloof trokken zij door de Rode Zee als over droog land; toen de Egyptenaren het probeerden, verdronken ze. HEB 11:30 Door het geloof zijn de muren van Jericho ingestort, nadat zij er op zeven achtereenvolgende dagen omheen getrokken waren. HEB 11:31 Door het geloof is de hoer Rachab ontkomen aan het lot van de ongelovigen, omdat zij de spionnen vriendelijk had ontvangen. HEB 11:32 En wat nog meer? De tijd ontbreekt me om te verhalen van Gideon, Barak, Simson en Jefta, van David en Samuël en de profeten. HEB 11:33 Door het geloof hebben zij koninkrijken omvergeworpen, gerechtigheid uitgeoefend, de vervulling van beloften afgedwongen. Zij hebben leeuwen de muil gesloten, HEB 11:34 de gloed van vuur gedoofd, ze ontsnapten aan het scherp van het zwaard. Hun zwakheid werd kracht, ze werden machtig in de oorlog, en dreven vijandelijke legers op de vlucht. HEB 11:35 Vrouwen kregen hun doden terug door opstanding uit de dood. Anderen werden ten dode gefolterd en wezen hun vrijlating af, om een betere opstanding te verwerven. HEB 11:36 Weer anderen hadden spot en slagen te verduren, en boeien en opsluiting. HEB 11:37 Zij werden gestenigd, doormidden gezaagd, terechtgesteld met het zwaard. Zij zwierven rond in schapevachten en geitevellen, ten prooi aan ontbering, vervolging, mishandeling. HEB 11:38 Zij waren te goed voor deze wereld. Ze vluchtten in woestijnen en op de bergen, ze verborgen zich in spelonken en holen in de grond. HEB 11:39 Ook dezen hebben zich allen een naam verworven door hun geloof. Toch heeft geen van hen de belofte in vervulling zien gaan. HEB 11:40 God had met ons iets beters voor en wilde niet, dat zij hun voleinding zouden bereiken zonder ons. HEB 12:1 Geloof eist trouw. Laten wij ons dan aansluiten bij die menigte getuigen van het geloof, en elke last en belemmering van de zonde van ons afschudden, om vastberaden de wedstrijd te lopen waarvoor we hebben ingeschreven. HEB 12:2 Zie naar Jezus, de aanvoerder en voltooier van ons geloof. In plaats van de vreugde die Hem toekwam, heeft Hij een kruis op zich genomen en de schande niet geteld: nu zit Hij aan de rechterzijde van Gods troon. HEB 12:3 Denk aan Hem die zulk een tegenstand van zondaars te verduren had; dat zal u helpen om niet uit te vallen en de moed niet op te geven. HEB 12:4 Uw strijd tegen de zonde heeft u nog geen bloed gekost. HEB 12:5 Zijt ge al het Schriftwoord vergeten dat u als kinderen aanspreekt en aanmoedigt: Kind, minacht de tucht van de Heer niet, laat u door zijn straf niet ontmoedigen. HEB 12:6 Want de Heer tuchtigt hen die Hij liefheeft, Hij straft ieder die Hij als zijn kind erkent. HEB 12:7 Het lijden dient om u te verbeteren en op te voeden; God behandelt u als kinderen. Ieder kind wordt wel eens door zijn vader gestraft. HEB 12:8 Tucht is het deel van allen; zou u elke kastijding bespaard blijven, dan waart gij bastaards, geen echte kinderen. HEB 12:9 We hadden trouwens in onze jeugd ontzag voor onze aardse vaders, als ze ons straften; dan moeten we ons des te gereder onderwerpen aan de Vader van de hemelse geesten, die ons doet leven. HEB 12:10 Zij hebben ons opgevoed voor dit kort leven, volgens hun eigen ideeën; Hij voedt ons op voor ons welzijn, om ons deel te geven aan zijn eigen, eeuwige heiligheid. HEB 12:11 Tucht is nooit prettig, op het moment zelf is er meer verdriet dan blijdschap; maar op de lange termijn levert ze voor degenen die zich door haar lieten vormen, de heilzame vrucht op van een heilig leven. HEB 12:12 Daarom, heft op de slappe handen, strekt de wankele knieën, HEB 12:13 laat uw voeten rechte wegen gaan; het kreupele lid mag niet ontwricht worden, maar moet genezen. HEB 12:14 Streeft naar vrede met alle mensen, en naar een heilig leven, want zonder dat zal niemand de Heer zien. HEB 12:15 Past op dat niemand van u de genade van God verspeelt. Laat geen bitter, schadelijk onkruid opkomen dat uw hele gemeente vergiftigt. HEB 12:16 Laat er geen ontuchtige zijn of verachter van het heilige, zoals Esau, die voor één enkele maaltijd zijn geboorterecht verkocht. HEB 12:17 Gij weet dat hij later, toen hij toch de zegen wilde bemachtigen, werd afgewezen. Hij zag geen kans zijn vader tot andere gedachten te brengen, hoewel hij het onder luid geween probeerde. HEB 12:18 Bedenkt waar gij staat: gij zijt niet genaderd tot een tastbare berg en een laaiend vuur, met duisternis, donderwolken en stormwind, HEB 12:19 waar de trompet klonk en de stem de woorden sprak, en die haar hoorden smeekten dat zij niet langer tot hen zou spreken. HEB 12:20 Want ze konden het bevel niet verdragen: Zelfs een dier dat de berg aanraakt, moet gestenigd worden. HEB 12:21 En wat ze zagen was zo verschrikkelijk, dat Mozes uitriep: `Ik sidder van angst.' HEB 12:22 Neen, gij zijt genaderd tot de berg Sion en de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem en de duizendtallen engelen, de feestelijke HEB 12:23 en plechtige vergadering van de eerstgeborenen die in de hemel zijn ingeschreven, tot God, de rechter van allen, en de geesten der rechtvaardigen die de voleinding bereikt hebben, HEB 12:24 tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, wiens vergoten bloed iets beters afroept dan het bloed van Abel. HEB 12:25 Weigert niet naar zijn stem te luisteren! Zij die weigerden te luisteren naar de godsspraak die op aarde sprak, slaagden er niet in te ontsnappen; hoe zouden wij dan ontsnappen, als wij ons zouden afwenden van Hem die uit de hemel spreekt? HEB 12:26 Toen heeft zijn stem de aarde doen beven, nu geldt zijn belofte: Nog eenmaal zal Ik de aarde doen beven, en niet alleen de aarde, ook de hemel. HEB 12:27 De uitdrukking nog eenmaal en dan niet meer wijst op een verandering van de geschapen dingen die aan het wankelen worden gebracht; wat niet wankelt zal blijven. HEB 12:28 Ons is een koninkrijk gegeven dat niet wankelt. Laten wij daarom God danken en Hem aanbidden zoals Hij het verlangt: met eerbied en ontzag. HEB 12:29 Want onze God is een verterend vuur. HEB 13:1 Laatste vermaningen. De broederlijke liefde hoort bij de dingen die altijd moeten blijven. HEB 13:2 En vergeet de gastvrijheid niet; door haar hebben sommigen zonder het te weten engelen onthaald. HEB 13:3 Denkt aan hen die gevangen zijn als waart ge met hen in de gevangenis, en aan hen die mishandeld worden, want ook gij hebt een lichaam. HEB 13:4 Het huwelijk is iets kostbaars; laten we het allen in ere houden en de trouw respecteren. Gods oordeel zal komen over ontuchtigen en echtbrekers. HEB 13:5 Leeft niet alleen voor geld, weest tevreden met wat ge hebt. God zelf heeft gezegd. Ik laat u niet alleen, Ik zal u nooit in de steek laten. HEB 13:6 Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: De Heer is mijn helper, ik heb niets te vrezen. Wat kan een mens mij aandoen? HEB 13:7 Gedenkt uw leiders, die u het eerst het woord van God verkondigt hebben. Haalt u weer hun leven en de afloop van hun leven voor de geest; neemt een voorbeeld aan hun geloof. HEB 13:8 Jezus Christus is dezelfde gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid. HEB 13:9 Laat u niet van de wijs brengen door allerlei vreemde theorieën. Wij steunen terecht op Gods genade, niet op spijzen; zij die het daarin zochten, hebben er geen baat bij gevonden. HEB 13:10 Wij hebben een altaar waarvan de priesters van de tabernakel niet mogen eten. HEB 13:11 Zoals ge weet, verbrandt men buiten de legerplaats de lichamen van de dieren, waarvan het bloed door de hogepriester in het heiligdom wordt gebracht. HEB 13:12 Daarom heeft ook Jezus buiten de stadspoort geleden, om het volk te heiligen door zijn eigen bloed. HEB 13:13 Laten wij ons dan bij hem voegen, buiten de legerplaats, en zijn versmading dragen, HEB 13:14 want wij hebben hier geen blijvende stad, maar zijn op zoek naar de stad van de toekomst. HEB 13:15 En door Jezus willen wij God voortdurend een lofoffer brengen, de hulde namelijk van lippen die zijn naam prijzen. HEB 13:16 Vergeet ook nooit elkaar goed te doen en te helpen, want dat zijn de offers die God behagen. HEB 13:17 Gehoorzaamt uw leiders en voegt u naar hen; zij zijn dagen nacht in de weer voor het heil, want zij zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheid. Zorgt ervoor dat zij hun taak met voldoening kunnen vervullen. Als zij steeds moeten zuchten en klagen, zou dat voor u niet voordelig zijn. HEB 13:18 Bidt voor ons. Wij vertrouwen dat ons geweten zuiver is, daar we ons in alle opzichten goed trachten te gedragen. HEB 13:19 Ik vraag uw gebed vooral in de hoop, dat ik dan des te eerder aan u zal worden teruggegeven. HEB 13:20 Slot. Moge de God van de vrede, die onze Heer Jezus, de grote herder der schapen, door het bloed van een eeuwig verbond heeft teruggebracht uit de dood, HEB 13:21 u bevestigen in alle goeds om zijn wil te doen. Moge Hij in ons uitwerken wat Hem behaagt door Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwen der eeuwen! Amen. HEB 13:22 Ik bid u, broeders, neemt mijn woord van aansporing goed op, want ik heb u maar kort geschreven. HEB 13:23 Weet dat onze broeder Timoteüs in vrijheid is gesteld. Als hij tijdig komt, zal hij mij vergezellen als ik u bezoek. HEB 13:24 Groet al uw leiders en alle heiligen. De broeders uit Italië laten u groeten. HEB 13:25 De genade zij met u allen! DE BRIEF VAN JAKOBUS JAK 1:1 Schrijver. Lezers. Groet. Jakobus, dienstknecht van God, en de Heer Jezus Christus, groet de twaalf stammen in de Verstrooiing. JAK 1:2 De waarde van de beproeving. Broeders, acht uzelf heel gelukkig, wanneer u allerlei beproevingen overkomen, JAK 1:3 want gij weet dat de beproeving van uw geloof standvastigheid voortbrengt. JAK 1:4 En de standvastigheid moet zich ten volle verwerkelijken, zodat gij volmaakt en onberispelijk zijt en in niets te kort schiet. JAK 1:5 Schiet iemand van u te kort in wijsheid, dan moet hij haar vragen aan God, en zij zal hem gegeven worden, want God geeft aan allen zonder voorbehoud en zonder verwijt. JAK 1:6 Maar hij moet wel bidden met vertrouwen, zonder te weifelen. Wie weifelt lijkt op de golven van de zee, die door de wind heen en weer geslingerd worden. JAK 1:7 Zo iemand, innerlijk verdeeld als hij is en ongestadig in heel zijn gedrag, JAK 1:8 moet niet menen dat hij iets van de Heer zal verkrijgen. JAK 1:9 De arme christen moet trots zijn op zijn hoge stand, JAK 1:10 en de rijke op zijn geringheid! Want de rijke zal vergaan als een bloem in het gras. JAK 1:11 De zon komt op met haar verzengende hitte; zij doet het gras verdorren, de bloem valt af, en heel haar luister is verdwenen. Zo vergaat het ook de rijke: midden in zijn ondernemingen zal hij verwelken. JAK 1:12 Zalig de mens die standhoudt in de beproeving. Heeft hij de toets doorstaan, dan zal hij de zegekrans van het leven ontvangen, die God beloofd heeft aan wie Hem liefhebben. JAK 1:13 Niemand mag zeggen, als hij bekoord wordt: Ik word door Gods toedoen bekoord. God brengt niemand in verzoeking, zo min als Hijzelf door het kwade kan worden bekoord. JAK 1:14 Wordt iemand bekoord, dan is het altijd door het trekken en lokken van zijn eigen begeerte. JAK 1:15 Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart zij de zonde; en de zonde, eenmaal volgroeid, baart de dood. JAK 1:16 Geliefde broeders, laat u niet misleiden: JAK 1:17 elke goede gave, elk volmaakt geschenk daalt neer van boven, van de Vader der hemellichten, bij wie geen verandering is of verduistering door omwenteling. JAK 1:18 Uit vrije wil heeft Hij ons het leven geschonken door het woord der waarheid, zodat wij in zekere zin de eerstelingen onder zijn schepselen zijn. JAK 1:19 Gods woord horen en het volbrengen. Weet dit wel, geliefde broeders: ieder mens moet vlug zijn om te luisteren, maar langzaam om te spreken, langzaam ook om toornig te worden; JAK 1:20 want de toorn van een man leidt niet tot gerechtigheid voor God. JAK 1:21 Verwijdert daarom elke smet, elk restant van slechtheid, en neemt met zachtmoedigheid het woord van God aan, dat in u werd geplant en de kracht bezit uw zielen te redden. JAK 1:22 Weest uitvoerders van het woord, en niet alleen toehoorders; dan zoudt gij uzelf bedriegen. JAK 1:23 Wie het woord hoort maar niet volbrengt, lijkt op iemand die het gelaat waarmee hij geboren is, in een spiegel beschouwt. JAK 1:24 Nauwelijks heeft hij zich bekeken, of hij gaat heen en is vergeten hoe hij er uitzag. JAK 1:25 Maar wie zich verdiept in de volmaakte wet, de wet van de vrijheid, en daarbij blijft, niet als een vergeetachtig toehoorder, maar als een uitvoerder metterdaad, die zal zalig zijn door zijn doen. JAK 1:26 Als iemand meent vroom te zijn, terwijl hij zijn tong niet beteugelt en zijn hart misleidt, diens vroomheid is waardeloos. JAK 1:27 Zuivere en onbevlekte vroomheid in de ogen van onze God en Vader is dit: wezen en weduwen opzoeken in hun nood, en zichzelf vrijwaren voor de besmetting van de wereld. JAK 2:1 Eerbied voor de armen. Broeders, gij die gelooft in onze Heer Jezus Christus, de Heer der heerlijkheid, verbindt dit geloof toch niet met partijdigheid en vleierij. JAK 2:2 Ik bedoel dit: veronderstel, er treedt in uw samenkomst een man binnen, keurig gekleed en met gouden ringen aan zijn vingers, en tegelijkertijd komt er ook een arme aan in schamele kleren; JAK 2:3 als gij nu opziet tegen de rijkgeklede man en hem een ereplaats aanbiedt, terwijl gij tegen de arme zegt: `Blijf daar maar staan,' of: `Ga hier op de grond zitten, bij mijn voetbank' JAK 2:4 maakt ge u dan niet schuldig aan een kwaadaardig soort discriminatie? JAK 2:5 Luistert, lieve broeders: God heeft de armen naar de wereld uitverkoren om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen van het koninkrijk dat Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben. JAK 2:6 Maar gij hebt de arme veracht. Zijn het niet de rijken die u onderdrukken en u voor de rechtbank slepen? JAK 2:7 Zijn zij het niet die de schone naam lasteren welke over u is aangeroepen? JAK 2:8 Als gij evenwel de koninklijke wet vervult volgens het woord van de Schrift: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf, is alles in orde. JAK 2:9 Maar als gij partijdig handelt, doet gij zonde, en veroordeelt de wet u als overtreders. JAK 2:10 Wie de hele wet onderhoudt maar op een punt struikelt, die staat schuldig ten opzichte van het geheel. JAK 2:11 Want Hij die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen, heeft ook gezegd: Gij zult niet doodslaan. Wanneer gij dus geen echtbreuk pleegt maar wel doodslag begaat, zijt gij toch een overtreder van de wet. JAK 2:12 Spreekt en handelt als mensen die door de wet der vrijheid geoordeeld zullen worden. JAK 2:13 Want onbarmhartig zal het oordeel zijn voor hem die geen barmhartigheid heeft bewezen, maar de barmhartigheid triomfeert over het oordeel. JAK 2:14 Geloof zonder daden is waardeloos. Broeders, wat baat het een mens te beweren dat hij geloof heeft, als hij geen daden kan laten zien? Kan zo'n geloof hem soms redden. JAK 2:15 Stel dat een broeder of zuster geen kleren heeft en niets om te eten, JAK 2:16 en iemand van u zou zeggen: Geluk ermee! Houd u warm en eet maar goed,' en hij zou niets doen om in hun stoffelijke nood te voorzien wat heeft dat voor zin? JAK 2:17 Zo is ook het geloof, op zichzelf genomen, zonder zich in daden te uiten, dood. JAK 2:18 Misschien zal iemand zeggen: `Gij hebt de daad en ik heb het geloof.' Dan antwoord ik: `Bewijs me eerst dat ge geloof hebt, als ge geen daden kunt tonen; dan zal ik u uit mijn daden mijn geloof bewijzen.' JAK 2:19 Gij gelooft dat er slechts een God is? Uitstekend; ook de boze geesten geloven dat, en sidderen! JAK 2:20 Gij dwaas, wilt ge het bewijs dat het geloof zonder de daad waardeloos is? JAK 2:21 Is onze vader Abraham niet gerechtvaardigd om zijn daden, omdat hij zijn zoon Isaak op het altaar ten offer bracht? JAK 2:22 Het is duidelijk dat zijn geloof zich in daden uitte en eerst door zijn daden volkomen werd. JAK 2:23 Zo ging het woord van de Schrift in vervulling, dat luidt: Abraham geloofde God en het werd hem als gerechtigheid aangerekend; en hij werd Gods vriend genoemd. JAK 2:24 Het is duidelijk dat een mens wordt gerechtvaardigd door daden en niet alleen door geloof. JAK 2:25 Ook de hoer Rachab werd gerechtvaardigd om haar daden, omdat zij de boden in haar huis opnam en langs een andere weg liet vertrekken. JAK 2:26 Zoals het lichaam dood is zonder de ziel, zo is het geloof dood zonder de daad. JAK 3:1 De zonden van de tong. Broeders, laat niet zovelen onder u leraars zijn. Gij weet toch, dat wij er alleen maar strenger om geoordeeld zullen worden. JAK 3:2 Want wij allen struikelen vele malen. Wie in zijn spreken nooit misdoet is een volmaakt mens, in staat zichzelf geheel in toom te houden. JAK 3:3 Wij hoeven een paard slechts een toom in de mond te leggen om het hele dier te besturen en in de hand te hebben. JAK 3:4 Of denkt aan een schip: hoe groot het ook is en al wordt het door hevige winden voortgedreven, toch wordt het door een heel klein roer gewend naar believen van de stuurman. JAK 3:5 Ook de tong is maar een klein deel van ons lichaam, toch voert zij een hoge toon. Bedenkt hoe weinig vuur er nodig is om een groot bos in brand te steken. JAK 3:6 Ook de tong is een vuur, een wereld van ongerechtigheid; onder onze ledematen is het de tong die het geheel kan bezoedelen en ons levensrad in vlam zetten, zelf in vlam gezet door de hel. JAK 3:7 Wilde beesten, vogels, reptielen, vissen, elke diersoort wordt getemd of is al getemd door het menselijk geslacht. JAK 3:8 Maar de tong kan geen mens temmen: dat bandeloos euvel vol dodelijk venijn. JAK 3:9 Met haar zegenen wij onze Heer en Vader, en met haar vervloeken wij de mensen, die naar Gods gelijkenis zijn geschapen. JAK 3:10 Uit een en dezelfde mond komt zegen voort en vloek. Dit mag niet zo zijn, broeders! JAK 3:11 Laat een bron soms uit dezelfde ader zoet en brak water opwellen? JAK 3:12 Draagt een vijgeboom olijven of een wijnstok vijgen? Zo min als een zilte bron zoet water geeft. JAK 3:13 De ware wijsheid is vredelievend. Als iemand onder u voor wijs en verstandig wil doorgaan, moet hij zulk een pretentie waar maken door een voortreffelijke levenswandel, door daden van wijsheid en zachtmoedigheid. JAK 3:14 Maar als ge in uw hart bittere naijver en eerzucht koestert, laat dan die grootspraak die in strijd is met de waarheid achterwege. JAK 3:15 Die wijsheid komt niet van boven, ze is aards, ongeestelijk, ja duivels. JAK 3:16 Want waar naijver en eerzucht heersen, daar treft men ook onrust aan en allerlei minderwaardige praktijken. JAK 3:17 De wijsheid van omhoog is voor alles rein, maar ook vredelievend, vriendelijk, altijd voor rede vatbaar, rijk aan barmhartigheid en vruchten van goede daden, onpartijdig en oprecht. JAK 3:18 Gerechtigheid is een vrucht van de vrede en slechts wie de vrede nastreven zullen haar oogsten. JAK 4:1 Waar komen bij u die vechtpartijen en ruzies vandaan? Toch alleen van uw eigen hartstochten, die u niet met rust laten? JAK 4:2 Gij begeert dingen die gij niet kunt krijgen. Gij moordt en benijdt en kunt uw doel niet bereiken. Dan gaat gij vechten en strijden. Gij hebt niets, omdat gij niet bidt. JAK 4:3 En als gij bidt, krijgt ge het niet, omdat gij verkeerd bidt, met de bedoeling namelijk om wat ge krijgt uit te geven voor uw boze lusten. JAK 4:4 Trouwelozen, weet ge niet dat vriendschap met de wereld vijandschap met God betekent? Wie met de wereld bevriend wil zijn, maakt zich tot vijand van God. JAK 4:5 Of meent ge dat de Schrift zonder reden zegt: `De geest die Hij in ons deed wonen, begeert Hij met jaloersheid?' JAK 4:6 Des te rijker is dan ook de genade die Hij ons geeft, volgens het woord van de Schrift: God weerstaat de hovaardigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade. JAK 4:7 Onderwerpt u dus aan God. Biedt weerstand aan de duivel en hij zal voor u vluchten. JAK 4:8 Nadert tot God en Hij zal tot u naderen. Reinigt uw handen, zondaars; gij, wankelmoedigen, zuivert uw hart. JAK 4:9 Erkent uw ellende, treurt en weent. Laat uw lachen in rouw en uw vreugde in droefheid verkeren. JAK 4:10 Vernedert u voor de Heer en Hij zal u verheffen. JAK 4:11 Broeders, spreekt geen kwaad van elkander. Wie van zijn broeder kwaad spreekt of hem veroordeelt, spreekt kwaad van de wet en veroordeelt de wet. En wie dit doet overtreedt de wet en werpt zich op als haar rechter. JAK 4:12 Er is maar een wetgever en rechter: Hij die de macht heeft te redden en in het verderf te storten. Maar gij, wie zijt gij, dat gij over uw naaste oordeelt? JAK 4:13 De gevaren van de rijkdom: overmoed en hardvochtigheid. En nu gij daar die zegt: `Vandaag of morgen gaan zij naar die en die stad, wij zullen er een jaar doorbrengen en handel drijven en geld verdienen...,' JAK 4:14 gij weet niet eens wat de dag van morgen zal brengen! Wat is uw leven? Een nevel die een ogenblik verschijnt om weldra te verdwijnen. JAK 4:15 Gij zoudt moeten zeggen: `Als de Heer het wil, zullen wij in leven zijn en dit of dat doe...'. JAK 4:16 In plaats daarvan bluft en snoeft ge vol overmoed; al die grootspraak is verkeerd. JAK 4:17 Wie goed zou kunnen doen maar het nalaat, doet zonde. JAK 5:1 En nu gij die rijk zijt: weent en jammert om de rampen die over u komen. JAK 5:2 Uw rijkdom is verrot, uw mooie kleren zijn door motten aangetast, JAK 5:3 uw goud en zilver is verroest. Die roest zal tegen u getuigen en als een vuur uw vlees verteren. Schatten hebt gij verzameld, terwijl het de laatste dagen zijn. JAK 5:4 Hoort, het loon dat gij hebt onthouden aan de arbeiders die uw velden hebben gemaaid, roept luid, en de kreten van uw oogsters zijn doorgedrongen tot de oren van de Heer der heerscharen.. JAK 5:5 Gij hebt op aarde gezwelgd en gebrast, gij hebt u vetgemest voor de dag van de slachting. JAK 5:6 Gij hebt de rechtvaardige gevonnist en vermoord; hij heeft geen verweer tegen u. JAK 5:7 Geduld. De kracht van het gebed. Laatste vermaningen. Hebt dus geduld, broeders, tot de komst van de Heer. De boer die uitziet naar de kostelijke vrucht van zijn land, kan alleen maar geduldig wachten, totdat de winter en voorjaarsregens gevallen zijn. JAK 5:8 Gij moet ook geduldig zijn, en moedig, want de komst van de Heer is nabij. JAK 5:9 Broeders, klaagt elkaar niet aan; dan valt ge zelf onder het oordeel. Denkt eraan: de rechter staat al voor de deur. JAK 5:10 Broeders, neemt een voorbeeld aan de lijdzaamheid en het geduld van de profeten, die gesproken hebben in de naam van de Heer; JAK 5:11 wij prijzen hen gelukkig, omdat ze hebben standgehouden. Ge hebt ook gehoord van de standvastigheid van Job en ge weet hoe de Heer hem in het eind behandeld heeft, want Hij is rijk aan barmhartigheid en ontferming. JAK 5:12 Voor alles, broeders, legt geen eden af; zweert niet bij de hemel of bij de aarde of waarbij dan ook. Zegt eenvoudig ja of nee, dan zult gij niet onder Gods oordeel vallen. JAK 5:13 Heeft iemand van u te lijden? Laat hij bidden. Is iemand welgemoed? Laat hij een loflied zingen. JAK 5:14 Is iemand onder u ziek? Laat hij de presbyters van de gemeente roepen; zij moeten een gebed over hem uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren. JAK 5:15 En het gelovige gebed zal de zieke redden en de Heer zal hem oprichten. En als hij zonden heeft begaan, zal het hem vergeven worden. JAK 5:16 Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkaar, opdat gij genezing moogt vinden. Het vurig gebed van een rechtvaardige vermag veel. JAK 5:17 Elia was een mens van gelijke aard als wij. Hij bad met aandrang dat het niet zou regenen, en er viel geen regen op het land, drie jaar en zes maanden lang. JAK 5:18 Hij bad opnieuw, en de hemel gaf regen en het land bracht zijn vrucht voort. JAK 5:19 Broeders, als iemand onder u van de waarheid afdwaalt en een ander brengt hem tot inkeer, JAK 5:20 weet dan dat hij die een zondaar van zijn dwaalweg bekeert, zijn ziel zal redden van de dood en tal van zonden zal bedekken. DE EERSTE BRIEF VAN PETRUS 1PET 1:1 Schrijver. Lezers. Groet. Van Petrus, apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen in de Verstrooiing van Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bitynië, die zijn uitverkoren 1PET 1:2 krachtens de voorbeschikking van God de Vader in de heiliging van de Geest tot gehoorzaamheid en besprenkeling met het bloed van Jezus Christus. Genade voor u en vrede in rijke overvloed! 1PET 1:3 Lof van het christelijk heil. Gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in zijn grote barmhartigheid deed herboren worden tot een leven van hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de dood. 1PET 1:4 Een onvergankelijke, onbederfelijke, onaantastbare erfenis is voor u weggelegd in de hemel. 1PET 1:5 In Gods kracht geborgen door het geloof, wacht gij op het heil, dat al gereed ligt om op het eind van de tijd geopenbaard te worden. 1PET 1:6 Dan zult gij juichen, ook al hebt gij nu, als het zo moet zijn, voor een korte tijd te lijden onder allerlei beproevingen. 1PET 1:7 Die dienen om de deugdelijkheid van uw geloof te bewijzen, dat zoveel kostbaarder is dan vergankelijk goud, dat toch ook door het vuur gelouterd wordt. Dan zal, wanneer Jezus Christus zich openbaart, lof, heerlijkheid en eer uw deel zijn. 1PET 1:8 Hem hebt gij lief zonder Hem ooit gezien te hebben. In Hem gelooft gij, ofschoon gij Hem ook nu niet ziet. Hoe onuitsprekelijk, hoe hemels zal uw vreugde zijn, 1PET 1:9 als gij het einddoel van uw geloof, de redding van uw ziel, bereikt. 1PET 1:10 Naar dat heil hebben reeds profeten gezocht en gevorst, toen zij profeteerden over de genade die voor u bestemd was. 1PET 1:11 Zij vroegen zich af op welk tijdstip en welke omstandigheden de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij voorspelde al het lijden dat over Christus zou komen, en de daarop volgende verheerlijking. 1PET 1:12 Maar hun werd geopenbaard, dat zij deze boodschap moesten beheren voor u, niet voor zichzelf. En nu is die boodschap bij monde van de evangeliepredikers openlijk aan u verkondigd, in de kracht van de heilige Geest, die van de hemel is neergezonden. Dit zijn geheimen waarin zelfs engelen verlangen door te dringen. 1PET 1:13 Heilig leven en naastenliefde. Weest daarom wakker en actief, weest nuchter, vestigt heel uw hoop op de genade die uw deel wordt, wanneer Jezus Christus zich zal openbaren. 1PET 1:14 Geeft gehoor aan de waarheid, geeft niet langer toe aan de lusten die uw leven beheersten in de tijd van uw onwetendheid. 1PET 1:15 Hij die u geroepen heeft, is heilig. Weest heilig zoals Hij, in heel uw gedrag; 1PET 1:16 want er staat geschreven: Weest heilig, want Ik ben heilig. 1PET 1:17 Hij die gij aanroept als Vader, is ook de onpartijdige rechter over al onze daden; koestert daarom ontzag voor Hem, zolang gij hier in ballingschap leeft. 1PET 1:18 Gij weet dat gij niet met vergankelijke dingen, zoals goud en zilver, zijt verlost uit het zinloze bestaan dat gij van uw vaderen had geërfd. 1PET 1:19 Gij zijt verlost door het kostbaar bloed van Christus, het lam zonder vlek of gebrek, 1PET 1:20 dat uitverkoren was voor de grondlegging der wereld, maar eerst op het einde der tijden is verschenen, om uwentwil. 1PET 1:21 Door Hem gelooft gij in God, die Hem van de doden opgewekt en Hem de heerlijkheid gegeven heeft; daarom is uw geloof in God tevens hoop op God. 1PET 1:22 Nu gij uw ziel gereinigd hebt door de waarheid gehoorzaam te aanvaarden, moet gij elkander beminnen met oprechte broederliefde, met hart en vurigheid, 1PET 1:23 als mensen die opnieuw geboren zijn, niet uit een vergankelijk zaad, maar door het onvergankelijke woord van de levende en eeuwige God. 1PET 1:24 Want alle vlees is als gras en heel zijn luister als een veldbloem. Het gras ver-dort, de bloem valt af, 1PET 1:25 maar het woord des Heren blijft in eeuwigheid. En dit woord is de boodschap die u in het evangelie is verkondigd. 1PET 2:1 Het priesterschap van Gods volk. Weg dus met alle boosheid en bedrog, maakt een einde aan intriges, jaloezie en laster! 1PET 2:2 Weest als pasgeboren kinderen begerig naar de geestelijke, onvervalste melk, die u wasdom zal schenken ter zaligheid. 1PET 2:3 Gij hebt immers al geproefd van de zoetheid des Heren. 1PET 2:4 Treedt toe tot Hem, de levende steen, door de mensen verworpen maar uitverkoren en kostbaar in het oog van God. 1PET 2:5 Laat ook uzelf als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel. Draagt als een heilige priesterschap geestelijke offers op, die welgevallig zijn aan God door Jezus Christus. 1PET 2:6 Daarom staat er in de Schrift: Ik leg in Sion een steen, een uitverkoren, kostbare hoeksteen. En wie op Hem vertrouwt, zal niet worden teleurgesteld. 1PET 2:7 Kostbaar, dat geldt voor u die gelooft. Maar voor de ongelovigen geldt: De steen die de bouwers hebben afgekeurd, die is de hoeksteen geworden, 1PET 2:8 maar ook een steen waaraan zij zich stoten, een rots waarover zij struikelen. Zij sloten zich, omdat zij het woord weigeren te gehoorzamen; en daartoe waren zij ook bestemd. 1PET 2:9 Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk, bestemd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht: 1PET 2:10 gij, vroeger geen volk, nu Gods volk; vroeger van genade verstoken, nu begenadigd. 1PET 2:11 Plichten tegenover de heidenen en de overheid. Dierbare vrienden, ik vraag u als vreemdelingen en ballingen u te onthouden van zondige lusten die strijd voeren tegen de ziel. 1PET 2:12 Leidt onder de heidenen een voorbeeldig leven; dan zullen zij die u nu als boosdoeners belasteren, bij nader toezien God om uw goede daden verheerlijken, op de dag dat Hij komt rechtspreken. 1PET 2:13 Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen ter wille van de Heer: aan de keizer als het hoogste gezag, 1PET 2:14 en aan de stadhouders, omdat zij door Hem zijn aangesteld om boosdoeners te straffen en hen die het goede doen te eren. 1PET 2:15 Het is de wil van God, dat gij door een goed gedrag de onwetendheid van onverstandige lieden tot zwijgen brengt. 1PET 2:16 Leeft als vrije mensen, maar maakt als dienstknechten van God van de vrijheid geen voorwendsel voor de ondeugd. 1PET 2:17 Betoont eer aan allen, bemint de broeders, vreest God, eert de keizer. 1PET 2:18 De slaven. Het voorbeeld van Christus. Slaven, aanvaardt met gepaste onderwerping het gezag van uw meesters, niet alleen als zij goed en vriendelijk, ook als zij lastig zijn. 1PET 2:19 Want met God in gedachten onverdiend leed verdragen is iets moois. 1PET 2:20 Slagen verduren die men verdiend heeft is niets bijzonders. Maar geduldig verdragen dat gij te lijden hebt om uw goede daden, dat is het wat God behaagt. 1PET 2:21 En het is ook uw roeping, want Christus heeft voor u geleden en u een voorbeeld nagelaten; gij moet in zijn voetstappen treden. 1PET 2:22 Hij heeft geen zonde gedaan en in zijn mond is geen bedrog gevonden. 1PET 2:23 Als Hij gescholden werd, schold Hij niet terug. Als men Hem leed aandeed, uitte Hij geen dreigementen. Hij liet zijn zaak over aan Hem die rechtvaardig oordeelt. 1PET 2:24 In zijn eigen lichaam heeft Hij onze zonden op het kruishout gedragen, opdat wij aan de zonden zouden afsterven en gaan leven voor gerechtigheid. Door zijn striemen zijt gij genezen. 1PET 2:25 Want gij waart verdwaald als schapen, maar nu zijt ge bekeerd tot de herder en behoeder van uw zielen. 1PET 3:1 Het huwelijk. Eveneens moet gij, vrouwen, het gezag van uw mannen aanvaarden; dan worden ook zij die nog gehoorzaamheid weigeren aan het woord, zonder woorden gewonnen door het gedrag van hun vrouwen, 1PET 3:2 als zij getuigen zijn van uw reine en godvruchtige levenswijze. 1PET 3:3 Zoekt uw schoonheid niet in uiterlijke dingen, zoals kunstige kapsels, gouden sieraden en mooie kleren, 1PET 3:4 maar veeleer in de innerlijke hoedanigheden van het hart, in het onvergankelijke sieraad van een zacht en gelijkmatig gemoed, dat kostbaar is in het oog van God. 1PET 3:5 Zo tooiden zich eertijds de heilige vrouwen die hun hoop hadden gesteld op God en aan hun man onderdanig waren, 1PET 3:6 zoals Sara, die gehoorzaam was aan Abraham en hem haar heer noemde. Gij toont u haar dochters, als gij deugdzaam leeft en geen verschrikking vreest. 1PET 3:7 Eveneens gij, mannen, toont in het huwelijk begrip voor uw vrouwen; bewijst hun de eer die het zwakkere geslacht toekomt, want met u zijn zij erfgenamen van de genade des levens; dan zullen uw gebeden geen belemmering ondervinden. 1PET 3:8 Onderlinge liefde. Ten slotte, weest allen eensgezind in meegevoel, broederliefde, barmhartigheid en ootmoed. 1PET 3:9 Vergeldt geen kwaad met kwaad; als men u uitscheldt, scheldt dan niet terug. Integendeel, zegent elkander, opdat gij de zegen verwerft waartoe gij geroepen zijt. 1PET 3:10 Want Wie het leven liefheeft en gelukkige dagen wil genieten, weerhoude zijn tong van het kwade en zijn lippen van het spreken van bedrog. 1PET 3:11 Laat hij het kwade mijden en het goede doen, vrede zoeken en die nastreven. 1PET 3:12 Want de ogen van de Heer zijn gericht op de rechtvaardigen en zijn oren gewend naar hun smeken. Maar zijn gelaat keert zich tegen hen die kwaad doen. 1PET 3:13 Lijden om de gerechtigheid naar het voorbeeld van de Heer. En wie zal u kwaad doen, als gij ijvert voor het goede? 1PET 3:14 Maar ook al moet gij lijden om de gerechtigheid, toch zijt gij zalig. Vreest hun bedreigingen niet en laat u niet verontrusten, 1PET 3:15 heiligt in uw hart Christus als de Heer. Weest altijd bereid tot verantwoording aan alwie u rekenschap vraagt van de hoop die in u leeft. 1PET 3:16 Maar verdedigt u met zachtmoedigheid en gepaste eerbied, en zorgt dat uw geweten zuiver is. Dan zullen die beschimpers van uw goede christelijke levenswandel beschaamd staan met hun laster. 1PET 3:17 Hoeveel beter is het, zo God het wil, te lijden voor het goede dat men doet dan straf te ondergaan voor misdrijven. 1PET 3:18 Ook Christus heeft eens voor al geleden voor de zonden, de rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, om u tot God te brengen. Gedood naar het vlees, werd Hij ten leven gewekt naar de Geest. 1PET 3:19 Zo ging Hij heen en predikte voor de geesten in de kerker, 1PET 3:20 die eertijds, in de dagen dat Noach de ark bouwde, weerspannig waren geweest, terwijl God in zijn lankmoedigheid geduld oefende. In de ark bleven slechts enkelen, niet meer dan acht personen, behouden te midden van het water. 1PET 3:21 Dit was een voorafbeelding van het doopwater, waardoor gij nu gered wordt. De doop beoogt niet de verwijdering van lichamelijke onreinheid, maar de verbintenis met God van een goed geweten, krachtens de opstanding van Jezus Christus, 1PET 3:22 die ten hemel gevaren zetelt aan Gods rechterhand, nadat engelen en machten en krachten aan Hem onderworpen zijn. 1PET 4:1 Heeft Christus dan geleden naar het lichaam, zo wapent ook gij u met diezelfde gedachte, namelijk dat hij die naar het lichaam heeft geleden, met de zonde heeft afgerekend; 1PET 4:2 zo iemand moet de rest van zijn aardse leven doorbrengen volgens Gods wil en niet langer volgens menselijke begeerten. 1PET 4:3 Tijd genoeg is reeds voorbijgegaan met te doen wat de heidenen willen: gij hebt een leven geleid van losbandigheid, wellust, dronkenschap, feesten, drinkgelagen en de verwerpelijke dienst der afgoden. 1PET 4:4 Nu het hen bevreemdt dat gij niet meer aan die buitensporigheden meedoet, weten zij niet beter te doen dan u te belasteren. 1PET 4:5 Maar zij zullen daarvan rekenschap moeten afleggen aan Hem die gereed staat levenden en doden te oordelen. 1PET 4:6 Daarom is ook aan gestorvenen het evangelie verkondigd, opdat zij, hoewel als mensen naar het vlees veroordeeld, voor God zouden leven door de Geest. 1PET 4:7 In afwachting van het einde. Het einde van alle dingen is nabij. Weest dus bezonnen en nuchter opdat gij kunt bidden. 1PET 4:8 Beoefent vooral de onderlinge liefde met volharding, want de liefde bedekt tal van zonden. 1PET 4:9 Betoont elkander gastvrijheid zonder morren. 1PET 4:10 Dient elkaar, als goede beheerders van Gods veelsoortige genade, met de gaven, zoals ieder die heeft ontvangen: 1PET 4:11 wie spreekt, moet beseffen dat hij Gods woorden spreekt; wie een dienst verricht, wete dat God het is die hem kracht verleent. Dan zal God in alles worden verheerlijkt door Jezus Christus, aan wie de heerlijkheid is en de macht in de eeuwen der eeuwen. Amen. 1PET 4:12 Lijden om de christennaam. Dierbare vrienden, verwondert u niet over de brand die in uw midden woedt om u te louteren, alsof u iets ongewoons overkomt. 1PET 4:13 Verheug u veeleer, juist in de mate dat gij deel hebt aan het lijden van Christus; dan zult gij juichen van blijdschap, wanneer zijn heerlijkheid zich openbaart. 1PET 4:14 Prijst u gelukkig, als men u hoont om de naam van Christus: het is een teken dat de Geest der heerlijkheid, die de Geest van God is, op u rust. 1PET 4:15 Zorgt dat niemand van u te lijden heeft als moordenaar of dief of boosdoener of aanbrenger. 1PET 4:16 Maar wie als christen lijdt, moet zich niet schamen, maar God eren met de naam. 1PET 4:17 Want de tijd van het oordeel is aangebroken, en het begint met het huisgezin van God. Als het met ons begint, hoe zal het dan eindigen voor hen die het evangelie van God weigeren te gehoorzamen? 1PET 4:18 En als de rechtvaardige ternauwernood gered wordt, waar blijft dan de goddeloze en de zondaar? 1PET 4:19 Daarom moeten ook zij die onschuldig te lijden hebben, omdat God het zo toelaat, hun ziel aan hun Schepper toevertrouwen door te doen wat goed is: Hij zal hen niet in de steek laten. 1PET 5:1 Laatste vermaningen. De oudsten onder u vermaan ik, oudste evenals zij en getuige van het lijden van Christus, tevens deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden: 1PET 5:2 weidt de kudden van God waarvan gij de herders zijt; hoedt haar zoals God het wil: van harte en niet uit dwang, met toewijding en niet uit winstbejag. 1PET 5:3 Speelt niet de baas over hen die aan uw zorgen zijn toevertrouwd, maar toont u een voorbeeld voor de kudde. 1PET 5:4 Dan zult ge, als de opperherder verschijnt, de nooit verwelkende krans van de heerlijkheid ontvangen. 1PET 5:5 Evenzo, gij, jongeren, onderwerpt u aan de oudsten. Trouwens, allen moeten zich in de omgang met elkaar laten leiden door nederigheid, want God weerstaat de hovaardigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade. 1PET 5:6 Houdt u dan klein onder de sterke hand van God: Hij zal u te zijner tijd omhoogheffen. 1PET 5:7 Schuift al uw zorgen op Hem af, want Hij heeft zorg voor u. 1PET 5:8 Weest nuchter, wordt wakker! Uw vijand de duivel zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi om te verslinden. 1PET 5:9 Weerstaat hem, sterk door het geloof. Ge weet dat soortgelijk lijden het deel is van uw broeders over heel de wereld. 1PET 5:10 De God van alle genade, die u in Christus tot zijn eeuwige heerlijkheid heeft geroepen, Hijzelf zal u na een korte tijd van lijden herstellen en bevestigen en stevig zetten op hechte grondslagen. 1PET 5:11 Hem is de kracht in eeuwigheid. Amen. 1PET 5:12 Slot. Ik beschouw Silvanus als een betrouwbaar medebroeder; met zijn hulp heb ik u dit kort woord van bemoediging geschreven. Het is mijn vaste overtuiging dat dit de ware genade van God is: houdt daarin stand! 1PET 5:13 U groet de zustergemeente in Babylon, evenals mijn zoon Marcus. 1PET 5:14 Groet elkaar met de kus van de liefde. Vrede voor allen die in Christus zijt! DE TWEEDE BRIEF VAN PETRUS Schrijver. Lezers. Groet. Simeon Petrus, dienstknecht en apostel van Jezus Christus, aan hen die door de goedheid van onze God en Heiland Jezus Christus met ons het voorrecht delen van hetzelfde geloof. 2PET 1:2 Genade voor u en vrede in rijke overvloed door de kennis van God en van Jezus, onze Heer! 2PET 1:3 Gods gave en de taak van de christenen. Want al wat voor leven en vroomheid nodig is, heeft zijn goddelijke kracht ons geschonken met de kennis van Hem die ons geroepen heeft door eigen heerlijkheid en wondermacht. 2PET 1:4 Door die heerlijkheid en macht heeft Hij verheven, onschatbare beloften voor ons gerealiseerd, opdat gij zoudt ontkomen aan het bederf van de zelfzucht dat de wereld heeft aangetast, en deel krijgen aan Gods eigen wezen. 2PET 1:5 Doet daarom uw uiterste best om uw geloof te voeden met deugd, de deugd met kennis, 2PET 1:6 de kennis met zelfbeheersing, de zelfbeheersing met standvastigheid, de standvastigheid met godsvrucht, 2PET 1:7 de godsvrucht met broederliefde, en de broederlijke genegenheid met liefde voor allen. 2PET 1:8 Als gij deze gaven in overvloed bezit, zullen zij uw kennis van onze Heer Jezus Christus werkzaam en vruchtbaar maken. 2PET 1:9 Wie ze niet bezit, is een kortzichtige, een blinde; hij vergeet dat hij van zijn vroegere zonden gereinigd is. 2PET 1:10 Daarom, broeders, doet uw best om steeds meer aan Gods roeping en uitverkiezing te beantwoorden. Als ge zo handelt, zult ge nooit ten val komen, 2PET 1:11 en wordt u royaal toegang verleend tot het eeuwige koninkrijk van onze Heer en Heiland Jezus Christus. Het getuigenis van apostelen en profeten 2PET 1:12 Het getuigenis van apostelen en profeten. Ik zal dan ook niet ophouden u deze dingen in herinnering te brengen, ofschoon gij ze weet en vast staat in de waarheid die gij hebt aanvaard. 2PET 1:13 Maar zolang ik nog in dit lichaam woon, voel ik me verplicht uw geheugen op te frissen. 2PET 1:14 Ik weet dat ik dit lichaam weldra zal verlaten; onze Heer Jezus Christus heeft het mij gezegd. 2PET 1:15 Maar ik zal ervoor zorgen, dat gij ook na mijn heengaan u telkens opnieuw dit alles voor de geest kunt brengen. 2PET 1:16 Toen wij u de macht en de komst van onze Heer Jezus Christus verkondigden, beriepen wij ons niet op vernuftig bedachte mythen, maar wij spraken als ooggetuigen van zijn luister. 2PET 1:17 Want Hij heeft van God de Vader eer en verheerlijking ontvangen, toen door de verheven Majesteit dit woord tot Hem gericht werd: ` Deze is mijn geliefde Zoon in wie Ik mijn welbehagen heb '. 2PET 1:18 En deze stem hebben wijzelf uit de hemel horen klinken, toen wij met Hem waren op de heilige berg. 2PET 1:19 Hierdoor kreeg voor ons het woord van de profeten nog meer gezag. Ook gij doet er wel aan daarop acht te geven: het is de lamp die licht verspreidt in een donkere ruimte tot het ogenblik dat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart. 2PET 1:20 Bedenkt daarbij wel, dat geen profetie van de Schrift eigenmachtige uitleg toelaat. 2PET 1:21 Want profetie is nooit voortgekomen uit menselijke aandrift; door de heilige Geest gedreven hebben mensen gesproken van Godswege. 2PET 2:1 Tegen dwaalleraars. Toch zijn er onder het volk ook valse profeten geweest. En zo zullen er onder u valse leraars komen, die heimelijk verderfelijke ketterijen invoeren. Zij zullen zich niet ontzien tot hun eigen schielijke ondergang de Heerser te verloochenen die hen heeft vrijgekocht. 2PET 2:2 Velen zullen hun losbandigheid navolgen en de weg van de waarheid zal door hun toedoen in discrediet raken. 2PET 2:3 In hun hebzucht zullen zij u met verzonnen verhalen geld uit de zak kloppen. Maar hun vonnis is al lang geveld, hun ondergang zal niet op zich laten wachten. 2PET 2:4 Want ook de engelen die zondigden heeft God niet gespaard, maar naar de onderwereld verwezen en in duistere holen opgesloten, in afwachting van het Gericht. 2PET 2:5 Evenmin heeft Hij de wereld van de voortijd gespaard; Hij heeft alleen Noach, de heraut der gerechtigheid, met zeven anderen behoed, toen Hij de zondvloed bracht over die wereld van goddelozen. 2PET 2:6 Ook de steden Sodom en Gomorra heeft Hij ten ondergang gedoemd en met as overdekt als een afschrikwekkend voorbeeld voor de goddelozen van latere tijden. 2PET 2:7 Maar Hij heeft Lot gered, de rechtvaardige, die zwaar te lijden had onder het schandelijk gedrag van die onverlaten. 2PET 2:8 Wonend in hun midden, dag aan dag zulke misdaden te moeten aanschouwen en aanhoren, was een foltering voor zijn rechtschapen gemoed. 2PET 2:9 De Heer weet dus zowel de vromen uit de beproeving te redden alsook de boosdoeners ter kastijding te bewaren voor de dag van het oordeel, 2PET 2:10 vooral hen die, door schandelijke begeerte gedreven, zich overgeven aan wellust en de Heerschappij verachten. Vermetel en verwaand schromen zij niet de hemelse machten te beschimpen. 2PET 2:11 terwijl engelen, hun meerderen in sterkte en kracht, geen smadelijk oordeel tegen deze bij de Heer durven inbrengen. 2PET 2:12 Maar zij, gelijkend op redeloze dieren, van nature bestemd om gevangen en gedood te worden, zij beschimpen wat zij niet kennen; en als dieren zullen zij ook omkomen, 2PET 2:13 beroofd van hun oneerlijke winst. Het is hun lust op klaarlichte dag te zwelgen; eerloze, geschandvlekte mensen zijn het, die bandeloos feesten en zich te goed doen in uw gezelschap. 2PET 2:14 Hun ogen zijn vol overspel en onverzadigbaar van zonde. Zij verlokken onstandvastige zielen. Dit vervloekt geslacht, volleerd in hebzucht, 2PET 2:15 heeft de rechte weg verlaten; zij zijn afgedwaald en het pad opgegaan van Bileam, de zoon van Beor, die het loon der ongerechtigheid liefhad, 2PET 2:16 maar dan ook voor zijn misdrijf een terechtwijzing ontving; en de waanzin van de profeet moest worden gestuit door een stom lastdier dat begon te spreken als een mens! 2PET 2:17 Zij zijn bronnen zonder water, wolken door de storm voortgejaagd; de diepste duisternis is voor hen weggelegd. 2PET 2:18 Met hun holle grootspraak en bandeloze wellust verlokken zij hen die nauwelijks begonnen zijn zich af te keren van de levenswijze der verdoolden. 2PET 2:19 Zij spiegelen hun vrijheid voor, maar zijn zelf slaven van het bederf. Want een mens is slaaf van wat hem overmeestert: 2PET 2:20 toen zij de Heer en Heiland Jezus Christus leerden kennen, hebben zij zich afgewend van de schanddaden der wereld; maar als zij zich nu opnieuw daardoor laten verstrikken en overmeesteren, is hun laatste toestand erger dan de eerste. 2PET 2:21 Het was beter voor hen geweest de weg der gerechtigheid nooit te hebben gekend dan na hem gekend te hebben de rug toe te keren aan het heilige, overgeleverde gebod. 2PET 2:22 In hen is het spreekwoord bewaarheid: Een hond keert terug naar zijn eigen braaksel en een schoongewassen zeug naar de modderpoel. ' 2PET 3:1 De wederkomst. Vrienden, dit is reeds de tweede brief die ik u schrijf. In mijn brieven probeer ik bij u een zuivere gezindheid levendig te houden 2PET 3:2 door u te herinneren aan de voorspellingen van de heilige profeten en aan het gebod van onze Heer en Heiland, dat u door uw apostelen is overgeleverd. 2PET 3:3 Gij moet vooral weten dat er in de laatste dagen spotters zullen komen, mensen die leven volgens hun eigen begeerten, 2PET 3:4 en die honend vragen: ` Waar blijft nu de wederkomst die Hij heeft toegezegd? Onze vaderen zijn al gestorven, maar alles blijft zoals het van het begin der schepping geweest is. ' 2PET 3:5 Zij gaan met opzet voorbij aan het feit dat er lang geleden een hemel en een aarde bestonden, door Gods woord gevormd uit water en door middel van water, 2PET 3:6 en dat die toenmalige wereld vergaan is, verzwolgen door het water. 2PET 3:7 Maar de hemel en de aarde van nu zijn door hetzelfde woord opgespaard voor het vuur en bewaard voor de dag van het oordeel en de ondergang der goddelozen. 2PET 3:8 Een ding echter, vrienden, mag u niet ontgaan: Voor de Heer is een dag als duizend jaren en duizend jaren als een dag. 2PET 3:9 De Heer talmt niet met zijn belofte, zoals sommigen menen, maar Hij heeft geduld met u, daar Hij wil dat allen tot inkeer komen en niemand verloren gaat. 2PET 3:10 Maar de dag des Heren zal komen als een dief. Dan zullen de hemelen dreunend vergaan en de elementen door vuur worden verteerd; en de aarde en de daden op aarde verricht zullen zich bevinden (voor Gods oordeel). 2PET 3:11 Wanneer alles zo vergaat, hoe moet gij dan uitmunten door een heilig leven en innige vroomheid, 2PET 3:12 de komst verwachtend en verhaastend van de dag Gods, waardoor de hemelen in vlammen zullen opgaan en de elementen wegsmelten in de vuurgloed. 2PET 3:13 Maar volgens zijn belofte verwachten wij nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid zal wonen. 2PET 3:14 In deze verwachting, geliefden, moet gij u beijveren onbevlekt en onberispelijk voor Hem te verschijnen, in vrede met God. 2PET 3:15 En beschouwt het uitstel dat de Heer u in zijn lankmoedigheid gunt, als een genade ten heil. In deze geest heeft ook onze geliefde broeder Paulus u geschreven met de hem verleende wijsheid, 2PET 3:16 evenals in alle brieven, wanneer hij over deze dingen spreekt. Daarin komt het een en ander voor dat moeilijk is, en waarvan de betekenis door onwetende en onstandvastige lieden tot hun eigen verderf wordt verdraaid; hetzelfde doen zij trouwens met de overige geschriften. 2PET 3:17 Slot. Vrienden, gij zijt dus gewaarschuwd. Past op dat gij u niet laat meeslepen op de dwaalwegen van die goddelozen; geeft uw standpunt niet prijs. 2PET 3:18 Neemt toe in de genade en de kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus. Hem zij de eer, nu en in eeuwigheid! DE EERSTE BRIEF VAN JOHANNES 1JOH 1:1 Proloog Het bestond vanaf het begin we hebben het gehoord en met eigen ogen gezien; we hebben het aanschouwd en onze handen hebben het aangeraakt daarover spreken wij, over het woord dat leven is. 1JOH 1:2 Want het leven is verschenen; het eeuwige leven dat bij de Vader was, heeft zich aan ons geopenbaard, wij hebben het gezien, wij getuigen er van, wij maken het u bekend. 1JOH 1:3 Wat wij gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij ook aan u, opdat gij gemeenschap moogt hebben met ons. En onze gemeenschap is er een met de Vader en met Jezus Christus, zijn Zoon. 1JOH 1:4 En wij schrijven dit om ons aller vreugde volkomen te maken. 1JOH 1:5 De zonde scheidt van God Dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en aan u doorgeven: God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis. 1JOH 1:6 Als wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben, terwijl onze wegen duister zijn, liegen wij met woord en met daad. 1JOH 1:7 Maar als wij wandelen in het licht zoals Hij zelf is in het licht dan hebben wij gemeenschap met elkaar en het bloed van zijn Zoon Jezus reinigt ons van elke zonde. 1JOH 1:8 Als wij beweren zonder zonde te zijn, bedriegen wij onszelf en woont de waarheid niet in ons. 1JOH 1:9 Als wij onze zonden belijden, is Hij zo getrouw en genadig, dat Hij onze zonden vergeeft en ons reinigt van alle kwaad. 1JOH 1:10 Maar als wij zeggen dat wij geen zonde bedreven hebben, maken wij Hem tot leugenaar; dan woont zijn woord niet in ons. Hoofdstuk 2 1JOH 2:1 Kinderen, ik schrijf u met de bedoeling dat gij niet zoudt zondigen. Maar ook al zou iemand zonde bedrijven: we hebben een voorspreker bij de Vader, Jezus Christus, die geheel zondeloos is, 1JOH 2:2 die al onze zonden goedmaakt, en niet alleen die van ons maar die van de hele wereld. 1JOH 2:3 De liefde voert tot God Hoe weten wij dat wij God kennen? Er is maar een bewijs: dat we ons houden aan zijn geboden. 1JOH 2:4 Wie zegt dat hij Hem kent, maar zich niet houdt aan zijn geboden, is een leugenaar; in zo iemand woont de waarheid niet. 1JOH 2:5 Maar in een mens die Gods woord bewaart, heeft zijn liefde werkelijk haar volmaaktheid bereikt; dan weten we zeker dat we `in Hem' zijn. 1JOH 2:6 Wie aanspraak maakt op verbondenheid met God, moet leven juist zoals Christus geleefd heeft. 1JOH 2:7 Vrienden, ik leg u geen nieuw gebod op. Het is het oude gebod dat gij altijd gehad hebt; het is de boodschap die gij vanaf het begin hebt gehoord. 1JOH 2:8 Toch is het ook weer een nieuw gebod, en dat geldt van Christus maar ook van u, want de duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt reeds. 1JOH 2:9 Wie zegt in het licht te zijn, maar zijn broeder haat, die is nog steeds in duisternis. 1JOH 2:10 Wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht en hij komt niet ten val. 1JOH 2:11 Maar wie zijn broeder haat is in duisternis. Hij tast in het donker en weet niet waarheen zijn weg hem voert, want de duisternis heeft hem blind gemaakt. 1JOH 2:12 Geruststelling Ik schrijf u, kinderen, dat uw zonden vergeven zijn ter wille van zijn naam. 1JOH 2:13 Ik schrijf u, vaders, dat gij Hem kent die er was vanaf het begin. Ik schrijf u, jonge mannen, dat gij de boze overwonnen hebt. 1JOH 2:14 Nogmaals, kinderen, ik schrijf u, dat gij de Vader kent. Ik schrijf u, dat gij Hem kent die er was vanaf het begin. Ik schrijf u, jonge mannen, dat gij sterk zijt. Gods woord woont in u en gij hebt de boze overwonnen. 1JOH 2:15 De wereld zonder God Verliest uw hart niet aan de wereld of aan de dingen in de wereld! Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem. 1JOH 2:16 Want al wat in de wereld is het begeren van de lust en het begeren der ogen en de hovaardij van het geld het komt niet van de Vader maar van de wereld. 1JOH 2:17 En die wereld gaat voorbij met heel haar begeerlijkheid, maar wie de wil doet van God blijft in eeuwigheid. 1JOH 2:18 De grote leugen Kinderen, het is `het laatste uur'. Gij hebt gehoord dat de antichrist' moet komen. Inderdaad, er zijn nu al vele antichristen opgestaan, en daarom weten wij dat het laatste uur is aangebroken. 1JOH 2:19 Zij zijn uit ons midden voortgekomen, maar zij behoorden niet werkelijk tot ons. Hadden zij tot ons gehoord, dan waren zij bij ons gebleven; maar het moest duidelijk worden dat zij geen van allen bij ons horen. 1JOH 2:20 Maar ook gij hebt van de Heilige de inwijding ontvangen, ook gij bezit allen `kennis'. 1JOH 2:21 En ik schrijf u niet, omdat gij de waarheid niet zoudt kennen, maar juist omdat gij haar kent en omdat de leugen onverenigbaar is met de waarheid. 1JOH 2:22 Wie is de leugenaar? Wie anders dan hij die ontkent dat Jezus de verlosser is? Dat is de `antichrist': de loochenaar van de Vader en van de Zoon. 1JOH 2:23 Wie de Zoon loochent heeft ook de Vader niet; wie de Zoon belijdt heeft ook de Vader. 1JOH 2:24 Wat u betreft, zorgt er voor dat in u levend blijft wat gij vanaf het begin gehoord hebt; dan zult gij zelf blijven in de Zoon en ook in de Vader. 1JOH 2:25 En gij kent de belofte die Hij ons zelf gedaan heeft: de belofte van eeuwig leven. 1JOH 2:26 Dit met het oog op hen die u willen misleiden. 1JOH 2:27 Wat uzelf aangaat, de inwijding die gij van Hem ontvangen hebt blijft u bij, gij hebt geen andere leraar nodig. Zijn wijding onderricht u in alles; ze is waarachtig en zonder bedrog. Blijft in Hem zoals zij het leert. 1JOH 2:28 De grote verwachting En nu, kinderen, blijft in Hem. Dan zij wij vol vertrouwden als Hij zal verschijnen, en hoeven wij bij zijn komst niet beschaamd te zijn. 1JOH 2:29 Daar gij weet dat Hij geheel zonder zonde is, moet gij inzien dat ieder die het goede doet ook kind van God is. Hoofdstuk 3 1JOH 3:1 Hoe groot is de liefde die de Vader ons betoond heeft! Wij worden kinderen van God genoemd, en we zijn het ook. De wereld begrijpt ons niet, en ze kent ons niet, omdat zij Hem niet heeft erkend. 1JOH 3:2 Vrienden, nu reeds zijn wij kinderen van God, en wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard; maar wij weten dat wanneer het geopenbaard wordt, wij Hem zullen zien zoals Hij is. 1JOH 3:3 Wie zulk een heil van God verwacht, maakt zich rein, zoals Christus rein is. 1JOH 3:4 De kinderen van God zondigen niet Wie zonde doet bedrijft boosheid, want de zonde is de boosheid. 1JOH 3:5 En gij weet dat Christus verschenen is om de zonden weg te nemen, en er is in Hem geen zonde. 1JOH 3:6 Wie in Hem blijft zondigt niet; de zondaar heeft Hem niet gezien en kent Hem niet. 1JOH 3:7 Kinderen, laat u niet misleiden: wie het goede doet is heilig zoals Hij; 1JOH 3:8 wie zondigt is een kind van de duivel, want de duivel zondigt vanaf het begin, en de Zoon van God is juist gekomen om het werk van de duivel ongedaan te maken. 1JOH 3:9 Een kind van God zondigt niet, want de goddelijke levenskiem blijft werkzaam in hem; hij kan zelfs niet zondigen, want hij is uit God geboren. 1JOH 3:10 Hieraan ken men de kinderen van God en de kinderen van de duivel onderscheiden: wie het goede niet doet is Gods kind niet, allerminst hij die zijn broeder niet liefheeft. 1JOH 3:11 Het gebod van de liefde Want dit is de boodschap die gij vanaf het begin gehoord hebt: dat wij elkaar moeten beminnen. 1JOH 3:12 Wij mogen niet zijn zoals Kan, die een kind van de boze was en zijn broeder vermoordde. En waarom vermoordde hij hem? Omdat zijn eigen daden slecht waren en die van zijn broeder goed. 1JOH 3:13 Broeders, weest niet verwonderd als de wereld u haat. 1JOH 3:14 Wij zijn overgegaan van de dood naar het leven; wij weten het, omdat wij onze broeders liefhebben. De mens zonder liefde is nog in het gebied van de dood. 1JOH 3:15 Ieder die zijn broeder haat is een moordenaar, en gij weet dat geen moordenaar eeuwig leven in zich heeft. 1JOH 3:16 Wat liefde is hebben wij geleerd van Christus: Hij heeft zijn leven voor ons gegeven. Dus zijn ook wij verplicht ons leven te geven voor onze broeders. 1JOH 3:17 Hoe kan de goddelijke liefde blijven in een mens die geld genoeg heeft, en toch zijn hart sluit voor de nood van zijn broeder? 1JOH 3:18 Kinderen, wij moeten niet liefhebben met woorden en leuzen maar met concrete daden. 1JOH 3:19 Dat is onze maatstaf; daardoor krijgen wij de zekerheid dat wij thuishoren bij de waarachtige God. Dan mogen wij ook voor zijn aanschijn ons geweten geruststellen, ook als het ons veroordeelt, 1JOH 3:20 want God is groter dan ons hart en Hij weet alles. 1JOH 3:21 Dierbare vrienden, daar ons geweten ons niet hoeft te veroordelen, mogen wij vrijmoedig met God omgaan; 1JOH 3:22 wij krijgen van Hem alles wat wij vragen, omdat wij zijn geboden onderhouden en doen wat Hem aangenaam is. 1JOH 3:23 En dit is zijn gebod: van harte geloven in zijn Zoon Jezus Christus en elkaar liefhebben zoals Hij ons bevolen heeft. 1JOH 3:24 Wie zijn geboden onderhoudt blijft in God, en God blijft in hem. En dat Hij in ons woont weten we door de Geest die Hij ons gegeven heeft. Hoofdstuk 4 1JOH 4:1 Hier scheiden zich de geesten Vrienden, vertrouwt niet elke geest. Onderzoekt de geesten, of ze wel van God komen, want onder hen die tot de wereld zijn uitgegaan zijn veel valse profeten. 1JOH 4:2 Hieraan onderkent gij de Geest van God: iedere geest die belijdt dat Jezus Christus werkelijk mens is geworden, is van God; 1JOH 4:3 maar iedere geest, die Jezus neerhaalt, is niet van God, en dat is de eigenlijke `antichrist'. Men heeft u gezegd dat hij komen zou, maar hij is reeds in de wereld, nu al. 1JOH 4:4 Kinderen, gij hoort bij God, en gij zijt sterker dan de leugenprofeten, want Hij die u bezielt is machtiger dan hij die de wereld beheert. 1JOH 4:5 Zij horen bij de wereld, daarom ontlenen zij hun leer ook aan de wereld en luistert de wereld naar hen. 1JOH 4:6 Maar wij horen bij God, en wie God werkelijk kent luistert naar ons. Wie niet van God is weigert naar ons te luisteren. Zo onderscheiden wij de geest der waarheid van de geest der dwaling. 1JOH 4:7 Nogmaals de liefde Vrienden, laten wij elkander liefhebben, want de liefde komt van God. Iedereen die liefheeft is een kind van God, en kent God. 1JOH 4:8 De mens zonder liefde kent God niet, want God is liefde. 1JOH 4:9 En de liefde die God is, heeft zich onder ons geopenbaard doordat Hij zijn enige Zoon in de wereld gezonden heeft, om ons het leven te brengen. 1JOH 4:10 Hierin bestaat de liefde: niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad, en Hij heeft zijn Zoon gezonden om door het offer van zijn leven onze zonden uit te wissen. 1JOH 4:11 Vrienden, als God ons zozeer heeft liefgehad, moeten ook wij elkander liefhebben. 1JOH 4:12 Nooit heeft iemand God gezien, maar als wij elkaar liefhebben, woont God in ons, en is zijn liefde in ons volmaakt geworden. 1JOH 4:13 Dit is het bewijs dat wij in Hem verblijven (zoals Hij verblijft in ons), dat Hij ons deel heeft gegeven aan zijn Geest. 1JOH 4:14 En wij, wij hebben gezien en wij getuigen, dat de Vader zijn Zoon heeft gezonden om de Heiland van de wereld te zijn. 1JOH 4:15 Als iemand erkent dat Jezus de Zoon van God is, woont God in hem en woont hij in God. 1JOH 4:16 Zo hebben wij de liefde leren kennen die God voor ons heeft, en wij geloven in haar. God is liefde: wie in de liefde woont, woont in God en God is met hem. 1JOH 4:17 Onze liefde is volmaakt, als wij vertrouwvol uitzien naar de dag van het oordeel, omdat wij in deze wereld leven volgens het voorbeeld van Christus. Liefde laat geen ruimte voor vrees. 1JOH 4:18 De volmaakte liefde drijft de vrees uit, want vrees duidt op straf en wie vreest is niet volgroeid in de liefde. 1JOH 4:19 Wij hebben lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad. 1JOH 4:20 Maar als iemand zegt dat hij God liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat, is hij een leugenaar. Want als hij zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit heeft gezien. 1JOH 4:21 Dit gebod hebben wij dan ook van Hem gekregen: wie God liefheeft moet ook zijn broeder liefhebben. Hoofdstuk 5 1JOH 5:1 Iedereen die gelooft dat Jezus de verlosser is, is een kind van God. Welnu, wie de vader liefheeft bemint ook het kind. 1JOH 5:2 Willen wij God liefhebben en zijn geboden onderhouden, dan moeten wij ook Gods kinderen liefhebben. Dat is onze maatstaf. 1JOH 5:3 God beminnen wil zeggen zijn geboden onderhouden, en zijn geboden zijn niet moeilijk te onderhouden, 1JOH 5:4 want ieder die uit God geboren is overwint de wereld. En het wapen waarmee wij de wereld overwinnen is geen ander dan ons geloof. 1JOH 5:5 In Jezus geloven is leven Niemand kan de wereld overwinnen dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is. 1JOH 5:6 Hij is het die gekomen is met water en bloed, Jezus Christus. Hij is gekomen niet door water alleen, maar door water en door bloed. De Geest betuigt het, omdat de Geest de waarheid is. 1JOH 5:7 Want er zijn drie getuigen, 1JOH 5:8 de Geest, het water en het bloed, en deze drie stemmen overeen. 1JOH 5:9 Als wij het getuigenis van mensen aannemen, dan zeker dat van God, dat zoveel groter gezag heeft; God zelf waarborgt het getuigenis, dat Hij heeft afgelegd aangaande zijn Zoon. 1JOH 5:10 Wie in de Zoon van God gelooft, draagt Gods getuigenis in zijn hart. Wie God geen geloof schenkt, maakt Hem tot een leugenaar, want hij weigert Gods eigen getuigenis over zijn Zoon te aanvaarden. 1JOH 5:11 En dit is de zin van het getuigenis: God heeft ons eeuwig leven gegeven en dat leven is in zijn Zoon. 1JOH 5:12 Wie de Zoon heeft, heeft leven gevonden; wie de Zoon van God niet heeft, heeft ook het leven niet. 1JOH 5:13 Besluit Ik heb u deze brief geschreven om u er van te overtuigen dat gij eeuwig leven hebt, gij allen die waarachtig gelooft in de Zoon van God. 1JOH 5:14 Ons vertrouwen op God geeft ons de zekerheid dat Hij naar ons luistert, als wij Hem iets vragen overeenkomstig zijn wil. 1JOH 5:15 En als wij weten dat Hij naar al ons vragen luistert, mogen wij er ook zeker van zijn dat onze gebeden al zijn verhoord. 1JOH 5:16 Als iemand zijn broeder een zonde ziet bedrijven die niet voert tot de dood, moet hij voor zijn broeder bidden, en God zal hem in leven houden, dat wil zeggen, als zijn zonde hem niet doodt. Want er is een zonde die voert tot de dood; hiervoor geldt mijn aansporing om te bidden niet. 1JOH 5:17 Maar hoewel elke verkeerde daad zonde is, brengt niet elke zonde de dood. 1JOH 5:18 Wij weten dat een kind van God niet zondigt; de Zoon van God behoedt hem, en de boze heeft geen vat op hem. 1JOH 5:19 Wij weten dat wij bij God horen, terwijl de hele boze wereld in de macht van de boze ligt. 1JOH 5:20 Wij weten dat de Zoon van God gekomen is, en ons inzicht gegeven heeft om de waarachtige God te kennen, en wij zijn in de waarachtige God, want wij zijn in Jezus Christus, zijn Zoon. Dit is de ware God, dit is eeuwig leven! 1JOH 5:21 Kinderen, wacht u voor valse goden. DE TWEEDE BRIEF VAN JOHANNES 2JOH 1:1 Schrijver. Lezers. Groet. De oudste aan de uitverkoren Vrouwe en haar kinderen, die ik waarachtig liefheb en niet alleen ik, maar allen die de waarheid hebben erkend 2JOH 1:2 ter wille van de waarheid die in ons blijft en met ons zijn zal tot in eeuwigheid. 2JOH 1:3 Genade, barmhartigheid en vrede zal met ons zijn, vanwege God de Vader en Jezus Christus, de Zoon van de Vader, in waarheid en liefde. 2JOH 1:4 Het gebod van de liefde. Het heeft mij zeer verblijd, enige van uw kinderen te hebben ontmoet, die in waarheid leven volgens het gebod dat wij van de Vader hebben ontvangen. 2JOH 1:5 En nu bid ik u, Vrouwe, en het is geen nieuw gebod waarover ik u schrijf, maar het gebod dat wij van het begin af hebben gehad: laten wij elkaar liefhebben. 2JOH 1:6 En hierin bestaat de liefde, dat wij een leven leiden naar zijn geboden. En dit is het gebod, dat gij van het begin af hebt vernomen: dat gij leeft in de liefde. 2JOH 1:7 Waarschuwing tegen dwaalleraars. Want veel verleiders zijn tot de wereld uitgegaan; zij loochenen de komst van Jezus Christus in het vlees. Dat is het kenmerk van de verleider en de antichrist. 2JOH 1:8 Neemt u in acht, anders zult gij, in plaats van het volle loon te ontvangen, de vruchten van onze arbeid verliezen. 2JOH 1:9 Alwie te ver wil gaan en niet blijft bij de leer van Christus, heeft God niet. Wie bij die leer blijft, hij heeft zowel de Vader als de Zoon. 2JOH 1:10 Als iemand bij u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis en heet hem niet welkom. 2JOH 1:11 Want wie hem welkom heet, deelt in zijn boze werken. 2JOH 1:12 Slot. Hoewel ik u nog veel te zeggen heb, doe ik het liever niet met pen en inkt. Ik hoop bij u te komen en mij mondeling met u te onderhouden; dan zal onze vreugde volkomen zijn. 2JOH 1:13 U groeten de kinderen van uw uitverkoren Zuster. DE DERDE BRIEF VAN JOHANNES Opschrift. De oudste aan zijn geliefde Gajus, die hij oprecht liefheeft. 3JOH 1:2 Gajus. Dierbare vriend, in alle opzichten wens ik u welzijn en gezondheid; dat het uw ziel wel gaat, weet ik. 3JOH 1:3 Het heeft mij zeer verheugd, dat de broeders die hier kwamen een goed getuigenis gaven van uw leven in de waarheid, zoals het ook in werkelijkheid is. 3JOH 1:4 Ik ken geen grotere vreugde dan te horen dat mijn kinderen in de waarheid leven. 3JOH 1:5 Gij bewijst de broeders trouwe dienst, ook al zijn het vreemden voor u. 3JOH 1:6 Zij hebben dan ook ten overstaan van de gemeente van uw liefde getuigd. Gij doet er goed aan hen ook voor de verdere reis uit te rusten op een wijze die God waardig is. 3JOH 1:7 Want ter wille van de Naam hebben zij zich op weg begeven, zonder iets van de heidenen aan te nemen. 3JOH 1:8 Het is onze plicht de zaak van de waarheid te steunen door zulke mannen gastvrij te ontvangen. 3JOH 1:9 Diótrefes. Ik heb de gemeente een brief geschreven, maar Diotrefes, die er gaarne de eerste plaats wil innemen, erkent ons gezag niet. 3JOH 1:10 Als ik kom, zal ik zonder twijfel zijn gedrag ter sprake brengen: niet tevreden kwaadaardige taal tegen ons uit te slaan, weigert hij ook de broeders te ontvangen, weerhoudt hen die het wel willen en stoot ze zelfs uit de gemeente. 3JOH 1:11 Dierbare vriend, volg niet het kwade na maar het goede. Wie goed doet, is uit God; wie kwaad doet, heeft God nooit gezien. 3JOH 1:12 Demétrius. Van Demetrius is door allen een goed getuigenis gegeven en ook door de Waarheid zelf. Ook wij geven hem een goed getuigenis en gij weet dat ons getuigenis waar is. 3JOH 1:13 Slot. Veel heb ik u nog te zeggen, maar ik wil het niet doen met pen en inkt. 3JOH 1:14 Ik hoop u spoedig te zien; dan kunnen wij samen spreken, van mond tot mond. 3JOH 1:15 Vrede zij u. De vrienden groeten u. Groet de vrienden ieder persoonlijk. DE BRIEF VAN JUDAS Schrijver. Lezers. Groet. Van Judas, dienstknecht van Jezus Christus en broeder van Jakobus, aan de geroepenen, die leven in de liefde van God de Vader en onder de bescherming van Jezus Christus. JUD 1:2 Barmhartigheid, vrede en liefde zij u in rijke overvloed. JUD 1:3 De dwaalleraars. Beste vrienden, terwijl ik volop bezig was u te schrijven over ons gemeenschappelijk heil, zag ik mij genoodzaakt u deze brief te sturen met de aansporing, het geloof dat eens voor al aan de heiligen werd overgeleverd, krachtig te verdedigen. JUD 1:4 Want sommige lieden, wier vonnis al lang in de Schrift beschreven staat, zijn erin geslaagd heimelijk uw gemeente binnen te dringen; goddeloze mensen zijn het, die de genade van onze God misbruiken als voorwendsel voor losbandigheid, en Jezus Christus, onze enige Meester en Heer, verloochenen. JUD 1:5 Ofschoon gij alles reeds weet, wil ik u er toch aan herinneren, dat de Heer weliswaar het volk uit het land Egypte heeft verlost, maar later hen die weigerden te geloven toch heeft verdelgd. JUD 1:6 Ook de engelen die hun waardigheid niet bewaard hebben en hun hemels verblijf verlieten, houdt God met onverbrekelijke boeien gevangen in het duister van de onderwereld, in afwachting van het oordeel op de grote Dag. JUD 1:7 Denk ook aan Sodom en Gomorra en de naburige steden: evenals die engelen bedreven zij ontucht en gaven zich over aan onnatuurlijke lusten; nu liggen zij daar voor aller oog als een afschrikwekkend voorbeeld, gestraft met een eeuwig vuur. JUD 1:8 Maar dit alles belet onze dromers van ingebeelde visioenen niet om precies hetzelfde te doen: zij bevlekken het lichaam, verachten de heerschappij en beschimpen hemelse machten. JUD 1:9 Zelfs de aartsengel Michaël heeft het niet gewaagd een smadelijk oordeel tegen de duivel uit te spreken, toen hij met hem een woordentwist had en streed om het lichaam van Mozes; hij zei slechts: ` De Heer moge u bestraffen. ' JUD 1:10 Maar deze mensen beschimpen wat zij niet begrijpen, en wat zij met het instinct van redeloze dieren wel begrijpen, wordt hun ondergang. JUD 1:11 Wee hun! Ze zijn de weg van Kaïn opgegaan, voor geld hebben zij zich hals over kop gestort in het bedrog van Bileam, zij hebben gerebelleerd zoals Korach, en zullen evenzeer omkomen. JUD 1:12 Die mensen zijn een schandvlek op uw liefdemaaltijden, waar zij zich schaamteloos te goed doen en alleen voor zichzelf zorgen. Wolken zijn het, door de wind voorbijgejaagd, die geen regen geven; bomen zonder vruchten in de herfst, tweemaal gestorven, ontworteld; JUD 1:13 wilde baren van de zee, die hun eigen schande opschuimen; dwaalsterren, voor wie het diepste duister is weggelegd voor eeuwig. JUD 1:14 Over hen ook heeft Henoch, de zevende na Adam, geprofeteerd, toen hij zei: ` Zie, de Heer is gekomen met zijn heilige tienduizendtallen, JUD 1:15 om over allen gericht te houden en alle goddelozen te straffen voor al hun goddeloze daden die zij in hun goddeloosheid bedreven hebben, en voor al de drieste woorden die de goddeloze zondaars tegen Hem hebben gesproken. ' JUD 1:16 Zij zijn het die morren en mokken om hun lot; zij leven naar hun lusten; hun mond is vol grootspraak, terwijl zij de machtigen vleien om voordeel te behalen. JUD 1:17 Vermaningen voor de gelovigen. Gij echter, vrienden, herinnert u wat door de apostelen van onze Heer Jezus Christus voorspeld is, JUD 1:18 toen zij u zeiden: ` Op het einde van de tijd zullen er spotters zijn, die leven naar hun eigen goddeloze begeerten. ' JUD 1:19 Dat zijn de mensen die scheuring veroorzaken, profanen, die de Geest niet bezitten. JUD 1:20 Maar gij, dierbare vrienden, bouwt uw leven op uw hoogheilig geloof, bidt in de kracht van de heilige Geest, JUD 1:21 bewaart uzelf in Gods liefde, in afwachting van de barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus, die u het eeuwige leven zal schenken. JUD 1:22 En hebt medelijden met sommigen die twijfelen JUD 1:23 en tracht ze te redden door hen aan het vuur te ontrukken. Bij anderen evenwel moet uw medelijden gemengd zijn met vrees, en met afschuw zelfs voor hun door de zonde bezoedeld kleed. JUD 1:24 Aan Hem die bij machte is u voor struikelen te behoeden en onberispelijk en vreugdevol voor zijn heerlijkheid te doen verschijnen, JUD 1:25 aan de enige God, die ons redt door Jezus Christus onze Heer, zij heerlijkheid, majesteit, kracht en macht, voor alle eeuwigheid en nu en in alle eeuwigheid! Amen. DE APOKALYPS OF OPENBARING VAN JOHANNES INLEIDING APO 1:1 Opschrift. Openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft, om aan zijn dienstknechten te tonen (wat) spoedig moet gebeuren. Hij heeft zijn engel gezonden om haar mee te delen aan zijn dienstknecht Johannes. APO 1:2 Deze getuigt van het woord Gods en het getuigenis van Jezus Christus van al wat hij gezien heeft. APO 1:3 Zalig de voorlezer en zalig de hoorders van de woorden van deze profetie, als zij in acht nemen wat daarin geschreven staat; want de tijd is nabij. APO 1:4 Briefopschrift. Lofprijzing. Motto's. Johannes aan de zeven kerken in Asia. Genade zij u en vrede van Hem `die is en die was en die komt,' en van de zeven geesten voor zijn troon, APO 1:5 en van Jezus Christus, de getrouwe getuige, de eerstgeborene van de doden en de vorst van de koningen der aarde. Aan Hem die ons liefheeft en van de zonden heeft verlost door zijn bloed, APO 1:6 die ons gemaakt heeft tot een koninklijk geslacht van priesters voor zijn God en Vader, Hem zij de heerlijkheid en de macht in de eeuwen der eeuwen! Amen. APO 1:7 Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem aanschouwen, ook zij die Hem doorstoken hebben; en alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, Amen! APO 1:8 Ik ben de Alfa en de Omega, zegt God de Heer, Hij `die is en die was en die komt,' de Albeheerser. APO 1:9 Inleidend visioen. De roeping op Patmos. Ik, Johannes, uw broeder en uw deelgenoot in de verdrukking en het koninkrijk en de verwachting van Jezus, ik bevond mij op het eiland Patmos om wille van het woord Gods en het getuigenis over Jezus. APO 1:10 Ik raakte in geestvervoering op de dag des Heren, en ik hoorde achter mij een stem, luid als een trompet, APO 1:11 die riep: `Schrijf op wat ge ziet in een boek, en stuur het aan de zeven kerken: Efeze, Smyrna, Pergamum, Tyatra, Sardes, Filadelfia en Loadicea.' APO 1:12 Ik keerde mij om om te zien wie mij had aangesproken. En toen ik mij omkeerde, zag ik zeven gouden luchters, APO 1:13 en tussen de luchters iemand als een mensenzoon, gekleed in een gewaad dat tot de voeten reikte, het middel omgord met een gouden gordel. APO 1:14 Zijn hoofd en haren waren wit als sneeuwwitte wol, en zijn ogen vlamden als vuur. APO 1:15 Zijn voeten waren als koperbrons dat in de oven is gegloeid, en zijn stem klonk als het gedruis van vele wateren. APO 1:16 In zijn rechterhand had Hij zeven sterren, en uit zijn mond kwam een scherp, tweesnijdend zwaard. En zijn gelaat schitterde als de zon in haar kracht. APO 1:17 Toen ik Hem zag, viel ik als dood voor zijn voeten. Maar Hij legde zijn rechterhand op mij en sprak: `Vrees niet. Ik ben het, de eerste en de laatste, APO 1:18 de levende. Ik was dood, en zie, Ik leef in de eeuwen der eeuwen. En Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk. APO 1:19 Schrijf dan op wat gij gezien hebt, en wat nu is en wat geschieden zal na dezen. APO 1:20 Dit is het geheim van de zeven sterren die gij in mijn rechterhand gezien hebt, en van de zeven gouden luchters: de zeven sterren zijn de engelen van de kerken, en de zeven luchters zijn de zeven kerken.' DE BRIEVEN AAN DE ZEVEN KERKEN APO 2:1 Efeze. Schrijf aan de engel van de kerk te Efeze. Zo spreekt Hij die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt en wandelt tussen de zeven gouden luchters: APO 2:2 Ik ken uw daden, uw inspanning en uw standvastigheid. Ik weet dat gij slechte mensen niet kunt verdragen. Hen die zich apostelen noemen maar het niet zijn, hebt gij op de proef gesteld en leugenaars bevonden. APO 2:3 Ook hebt gij standvastigheid; gij hebt om Mijnentwil zware lasten gedragen, zonder te bezwijken. APO 2:4 Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt opgegeven. APO 2:5 Bedenk van hoe hoog gij gevallen zijt. Bekeer u, gedraag u weer zoals vroeger. Zo niet, dan kom Ik naar u toe, en neem uw luchter van zijn plaats, tenzij gij u bekeert. APO 2:6 Maar dit hebt gij, dat gij de praktijken van de Nikolaïeten haat, die Ik ook haat. APO 2:7 Wie oren heeft, hore wat de Geest tot de kerken zegt: Wie overwint, hem zal Ik te eten geven van de boom des levens, die staat in de tuin van God. APO 2:8 Smyrna. En schrijf aan de engel van de kerk te Smyrna: Zo spreekt de eerste en de laatste, die dood was en weer levend werd: APO 2:9 Ik ken uw verdrukking en uw armoede maar gij zijt rijk en Ik ken de laster van hen die zich joden noemen en het niet zijn; ze zijn een synagoge van de Satan. APO 2:10 Vrees niet het lijden dat u wacht. De Duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen om u te beproeven, en gij zult hevig lijden, tien dagen lang. Wees getrouw tot de dood en Ik zal u de kroon des levens geven. APO 2:11 Wie oren heeft, hore wat de Geest tot de kerken zegt: Wie overwint, zal van de tweede dood geen schade lijden. APO 2:12 Pérgamum. En schrijf aan de engel van de kerk te Pergamum: Zo spreekt Hij die het zwaard voert, het scherpe en tweesnijdende: APO 2:13 Ik weet waar gij woont: daar waar de troon van de Satan staat. Toch houdt gij mijn naam hoog, gij hebt het geloof in Mij niet verloochend, ook niet in de dagen van Antipas, mijn trouwe getuige, die gedood werd bij u, daar waar de Satan woont. APO 2:14 Maar Ik heb enkele dingen tegen u: gij hebt er daar die vasthouden aan de leer van Bileam, die Balak leerde de kinderen van Israël een strik te spannen, dat zij afgodenoffers zouden eten en ontucht bedrijven. APO 2:15 Zo zijn er ook bij u die vasthouden aan de leer van de Nikolaïeten. APO 2:16 Bekeer u toch! Zo niet, dan kom Ik spoedig bij u, om tegen hen te strijden met het zwaard van mijn mond. APO 2:17 Wie oren heeft, hore wat de Geest tot de kerken zegt: Wie overwint, hem zal Ik geven van het verborgen manna; en Ik zal hem een wit steentje geven en daarop gegrift een nieuwe naam, die niemand kent dan hij die hem ontvangt. APO 2:18 Tyatira. En schrijf aan de engel van de kerk te Tyatira: Zo spreekt de Zoon Gods, wiens ogen vlammen als vuur en wiens voeten zijn als koperbrons: APO 2:19 Ik ken uw daden: liefde, trouw en dienstbetoon, en ook uw standvastigheid, want gij doet nu nog meer goed dan in het begin. APO 2:20 Maar Ik heb tegen u dat gij de vrouw Izebel laat begaan, die zich profetes noemt, maar door haar leer mijn dienstknechten verleidt om ontucht te bedrijven en afgodenoffers te eten. APO 2:21 En Ik heb haar tijd gegeven om zich te bekeren, maar zij wil zich niet bekeren van haar ontucht. APO 2:22 Daarom zal Ik haar op het ziekbed werpen, en over haar minnaars breng Ik grote ellende, als zij zich niet van haar werken bekeren. APO 2:23 En haar kinderen zal Ik slaan met de dood. Dan zullen alle kerken weten dat Ik het ben die nieren en harten doorgrond, en ieder van u zal vergelden naar zijn daden. APO 2:24 Maar gij allen in Tyatira die deze leer niet houdt en de `diepten van de Satan,' zoals zij het noemen, niet hebt leren kennen, u zeg Ik: Ik zal u geen andere last opleggen: APO 2:25 houdt slechts vast wat gij hebt, totdat Ik kom. APO 2:26 En wie overwint, wie tot het einde mijn wil blijft doen, hem zal Ik macht geven over de heidenen APO 2:27 en hij zal hen weiden met een ijzeren staf en als aardewerk worden zij verbrijzeld APO 2:28 gelijk ook Ik die macht van mijn Vader heb ontvangen. En Ik zal hem de morgenster geven. APO 2:29 Wie oren heeft, hore wat de Geest tot de kerken zegt. APO 3:1 Sardes. En schrijf aan de engel van de kerk te Sardes: Zo spreekt Hij die de zeven geesten Gods en de zeven sterren heeft: Ik ken uw daden: gij hebt de naam dat gij leeft, maar gij zijt dood. APO 3:2 Word wakker, herstel wat u rest aan leven en dreigt te sterven. Geen van uw daden heb Ik volwaardig bevonden voor het oog van mijn God. APO 3:3 Denk aan het woord dat gij ontvangen en gehoord hebt; bewaar het en kom tot inkeer. Als gij niet ontwaakt, zal Ik komen als een dief, en gij weet niet op welk uur Ik u zal verrassen. APO 3:4 Maar gij hebt er enkelen in Sardes die hun kleren niet hebben bezoedeld. Die zullen Mij begeleiden in witte gewaden, want zij hebben het verdiend. APO 3:5 Wie overwint, zal aldus in het wit gekleed gaan.. En Ik zal zijn naam niet uitwissen uit het boek des levens, maar zijn naam belijden voor mijn Vader en voor zijn engelen. APO 3:6 Wie oren heeft, hore wat de Geest tot de kerken zegt. APO 3:7 Filadélfia. En schrijf aan de engel van de kerk te Filadélfia: Zo spreekt de heilige, de waarachtige, die de sleutel van David heeft, die opent en niemand sluit, die sluit en niemand opent: APO 3:8 Ik ken uw daden. Zie, Ik heb voor u een deur opengezet die niemand kan sluiten. Al is uw kracht gering, gij hebt mijn woord bewaard en mijn naam niet verloochend. APO 3:9 Ik zal zorgen dat zij die behoren tot de synagoge van de Satan, die zeggen dat zij Joden zijn en zij zijn het niet maar liegen, ja, Ik zal maken dat zij komen en zich voor uw voeten neerwerpen, en erkennen dat Ik u heb liefgehad. APO 3:10 Omdat gij mijn woord standvastig hebt bewaard, zal Ik u bewaren in het uur der beproeving, dat over heel de wereld zal komen, om de bewoners der aarde op de proef te stellen. APO 3:11 Ik kom spoedig! Houd vast wat gij hebt, laat niemand u de kroon ontroven. APO 3:12 Wie overwint, hem zal Ik maken tot een zuil in de tempel van mijn God; die zal hij nimmer meer verlaten. En ik grif op hem de naam van mijn God en de naam van de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem, dat van mijn God uit de hemel neerdaalt, en de nieuwe naar die Ik draag. APO 3:13 Wie oren heeft, hore wat de Geest tot de kerken zegt. APO 3:14 Laodicéa. En schrijf aan de engel van de kerk te Laodicéa: Zo spreekt 'Amen', de getrouwe en waarachtige getuige, de oorsprong van de schepping Gods: APO 3:15 Ik ken uw daden: gij zijt noch koud noch heet. Waart gij maar koud of heet! APO 3:16 Omdat gij lauw zijt en noch heet noch koud, daarom zal Ik u uitbraken uit mijn mond. APO 3:17 Gij zegt: Ik ben rijk, want ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek en beseft niet dat gij meer dan allen ellendig zijt en erbarmelijk, een blinde en naakte bedelaar. APO 3:18 Volg mijn raad en koop van Mij goud, in vuur gelouterd, om rijk te worden, en witte kleren om u te bekleden en de schande van uw naaktheid te bedekken, en zalf om op uw ogen te strijken, zodat gij weer ziet. APO 3:19 Wie Ik liefheb, die bestraf en tuchtig Ik. Welaan, wees edelmoedig, kom tot inkeer! APO 3:20 Ik sta voor de deur en Ik klop. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij. APO 3:21 Wie overwint, hem zal Ik naast Mij plaatsen op mijn troon, zoals Ik zelf heb overwonnen en met mijn Vader zetel op zijn troon. APO 3:22 Wie oren heeft, hore wat de Geest tot de kerken zegt.' DE PROFETISCHE VISIOENEN APO 4:1 Het hemelse hof en de hemelse liturgie. Daarna had ik een visioen: Ik zag een deur in de hemel die open stond, en de stem, luid als een trompet, die ik al eerder tot mij had horen spreken, riep: `Kom hier omhoog, dan zal ik u tonen wat geschieden moet na dezen.' APO 4:2 Aanstonds raakte ik in geestvervoering. En zie: er stond een troon in de hemel en op de troon was iemand gezeten. APO 4:3 En die erop gezeten was, was van aanzien gelijk jaspissteen en karneool. En rond de troon was een regenboog, helder als smaragd. APO 4:4 Vierentwintig tronen omringden de troon en op die tronen waren vierentwintig oudsten gezeten, gekleed in witte gewaden, met gouden kronen op het hoofd. APO 4:5 Van de troon gingen bliksemstralen uit en dreunende donderslagen. En zeven vurige fakkels brandden voor de troon; dit zijn de zeven geesten Gods. APO 4:6 En voor de troon was als een glazen zee, kristal gelijk. En rondom de troon waren vier dieren, bezaaid met ogen voor en achter. APO 4:7 En het eerste dier geleek op een leeuw en het tweede op een jonge stier, en het derde dier had een gelaat als van een mens en het vierde dier geleek op een adelaar in zijn vlucht. APO 4:8 En de vier dieren hadden elk zes vleugels; rondom en van binnen zijn zij met ogen bezet. En zij roepen zonder rusten dag en nacht: Heilig, heilig, heilig, Heer, God, Albeheerser, die was en die is en die komt.' APO 4:9 En telkens als de dieren heerlijkheid, eer en dank brengen aan Hem die op de troon is gezeten en die leeft in de eeuwen der eeuwen, APO 4:10 vallen de vierentwintig oudsten neer voor Hem die op de troon is gezeten en die leeft te aanbidden die leeft in de eeuwen der eeuwen. En zij werpen hun kronen neer voor de troon, zeggend: APO 4:11 Waardig zijt Gij, onze Heer en onze God, te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de macht; want Gij hebt het heelal geschapen: door uw wil ontstond het en werd het geschapen.' APO 5:1 De verzegelde boekrol en het Lam. De aanbidding van het Lam. Toen zag ik in de rechterhand van Hem die op de troon is gezeten, een boekrol, beschreven van binnen en van buiten, en verzegeld met zeven zegels. APO 5:2 En ik zag een machtige engel, die riep met luide stem: `Wie is waardig het boek te openen en zijn zegels te verbreken?' APO 5:3 Maar niemand in de hemel of op aarde of onder de aarde was bij machte het boek te openen en te lezen. APO 5:4 En ik weende zeer, omdat niemand waardig werd bevonden het boek te openen en te lezen. APO 5:5 Toen zei een van de oudsten tot mij: `Ween niet. De Leeuw uit de stam Juda, de Wortel van David, Hij heeft overwonnen: Hij mag het boek openen en de zeven zegels verbreken.' APO 5:6 Toen zag ik tussen de troon met de vier dieren en de kring van de oudsten een Lam staan, als geslacht, met zeven horens en zeven ogen dit zijn de zeven geesten Gods, uitgezonden over heel de aarde. APO 5:7 En Hij kwam naderbij en nam het boek uit de rechterhand van Hem die op de troon is gezeten. APO 5:8 En toen Hij het boek genomen had, vielen de vier dieren neer voor het Lam; en ook de vierentwintig oudsten, elk met een citer in de hand en met gouden schalen vol reukwerk dat zijn de gebeden van de heiligen. APO 5:9 En zij zongen een nieuw lied: Waardig zijt Gij het boek te nemen en zijn zegels te openen; want Gij zijt geslacht en Gij hebt hen gekocht voor God met uw bloed uit elke stam en taal en volk en natie. APO 5:10 En Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninklijk geslacht van priesters, en zij zullen heersen op de aarde.' APO 5:11 En terwijl ik keek, hoorde ik de stem van talloze engelen rondom de troon en de dieren en de oudsten; en hun getal was tienduizenden tienduizenden en duizenden duizendtallen; APO 5:12 en zij riepen luid: `Waardig is het Lam dat geslacht werd, te ontvangen de macht en de rijkdom, de wijsheid en de kracht, en eer en heerlijkheid en lof.' APO 5:13 En elk schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde en in de zee, het ganse heelal hoorde ik roepen: `Aan Hem die gezeten is op de troon en aan het Lam zij de lof en de eer en de roem en de kracht in de eeuwen der eeuwen!' APO 5:14 En de vier dieren zeiden: `Amen'. En de oudsten vielen in aanbidding neer. APO 6:1 Het Lam verbreekt zes zegels: de vier ruiters, de gedoden onder het altaar, kosmische rampen. Toen zag ik, dat het Lam het eerste van de zeven zegels verbrak, en ik hoorde het eerste van de vier dieren roepen als met de stem van de donder: `Kom!' APO 6:2 En daar verscheen voor mijn ogen een wit paard, en die erop zat droeg een boog en hem werd een kroon gegeven, en hij reed weg, zegevierend en om zege te behalen. APO 6:3 Toen Hij het tweede zegel verbrak, hoorde ik het tweede dier roepen: `Kom!' APO 6:4 En er kwam een ander paard te voorschijn, vuurrood. En hem die erop zat werd macht gegeven de vrede van de aarde te nemen, zodat zij elkander zouden uitmoorden. En hem werd een groot zwaard gegeven. APO 6:5 Toen Hij het derde zegel verbrak, hoorde ik het derde dier roepen: `Kom!' En ik zag een zwart paard verschijnen, en die erop zat hield een weegschaal in de hand. APO 6:6 En ik meende daar waar de vier dieren waren een stem te horen, die zei: `Een maat tarwe voor een tienling en drie maten gerst voor een tienling, maar doe geen schade aan olijfboom en wijnstok.' APO 6:7 Toen Hij het vierde zegel verbrak, hoorde ik de kreet van het vierde dier: `Kom!' APO 6:8 En daar verscheen een vaalgroen paard. En die erop zat, zijn naam was de Dood, en Hades kwam achter hem aan. En hem werd macht gegeven over het vierde deel van de aarde, om te doden met het zwaard en met hongersnood en met de pest en door de wilde dieren der aarde. APO 6:9 Toen Hij het vijfde zegel verbrak, zag ik onder het altaar de zielen van hen die vermoord waren om het woord van God en het getuigenis dat zij hadden afgelegd. APO 6:10 En zij begonnen luid te roepen: `Hoelang nog, heilige en waarachtige Heerser, zult Gij het oordeel uitstellen en ons bloed niet wreken op de bewoners der aarde?' APO 6:11 Toen werd aan ieder van hen een wit gewaad gegeven en hun werd aangezegd, dat zij nog een korte tijd moesten wachten, totdat het getal volledig zou zijn van hun broeders, die evenals zij in dienst van God gedood zouden worden. APO 6:12 En ik bleef kijken, toen Hij het zesde zegel verbrak: en er ontstond een hevige aardbeving. En de zon werd zwart als een haren zak en de maan werd helemaal rood als bloed. APO 6:13 En de sterren van de hemel vielen op aarde als late vijgen, door een stormvlaag van de boom geschud. APO 6:14 En het uitspansel kromp ineen als een boekrol die wordt opgerold, en alle bergen en eilanden werden van hun plaats gerukt. APO 6:15 En de koningen der aarde en hun edelen en de oversten over duizend en de rijken en de machtigen, allen, slaven en vrijen, kropen weg in de spelonken en rotsspleten van de bergen. APO 6:16 En zij riepen tot de bergen en tot de rotsen: `Valt op ons en verbergt ons voor het aanschijn van Hem die gezeten is op de troon, en voor de toorn van het Lam.' APO 6:17 Want gekomen is de grote dag van hun toorn. Wie kan dan standhouden? APO 7:1 Tussenspel: De getekenden en uitverkorenen voor Gods troon. Daarna zag ik vier engelen staan aan de vier hoeken der aarde, die de vier winden der aarde in bedwang hielden, opdat er geen wind zou waaien over land of zee of enig geboomte. APO 7:2 En ik zag een andere engel opstijgen van de opgang der zon met het zegel van de levende God. En hij riep met luide stem tot de vier engelen aan wie macht gegeven was schade toe te brengen aan de aarde en de zee: APO 7:3 Brengt geen schade toe aan de aarde noch aan de zee noch aan de bomen, voordat wij de dienstknechten van onze God met het zegel op hun voorhoofd getekend hebben.' APO 7:4 En ik vernam het aantal getekenden: honderdvierenveertigduizend waren er uit alle stammen van de kinderen van Israël: APO 7:5 twaalfduizend getekenden uit de stam Juda, twaalfduizend uit de stam Ruben, twaalfduizend uit de stam Gad, APO 7:6 twaalfduizend uit de stam Aser, twaalfduizend uit de stam Naftali, twaalfduizend uit de stam Manasse, APO 7:7 twaalfduizend uit de stam Simeon, twaalfduizend uit de stam Levi, twaalfduizend uit de stam Issakar, APO 7:8 twaalfduizend uit de stam Zebulon, twaalfduizend uit de stam Jozef, twaalfduizend uit de stam Benjamin. APO 7:9 Daarna zag ik een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle rassen en stammen en volken en talen. Zij stonden voor de troon en voor het Lam gekleed in witte gewaden en met palmtakken in de hand. APO 7:10 En zij riepen allen luid: `Aan onze God die op de troon is gezeten en aan het Lam behoort de overwinning!' APO 7:11 En al de engelen stonden rondom de troon, de oudsten en de vier dieren, en zij wierpen zich op hun aangezicht voor de troon en aanbaden God, APO 7:12 zeggend: Amen! Lof en heerlijkheid en wijsheid en dank, eer en macht en sterkte aan onze God in de eeuwen der eeuwen, Amen!' APO 7:13 Toen richtte zich een van de oudsten tot mij en zei: `Wie zijn dat in die witte gewaden en waar komen zij vandaan? APO 7:14 Ik antwoordde hem: `Heer, dat weet gij'. Toen zei hij: `Dat zijn degenen die komen uit de grote verdrukking, die hun gewaden hebben wit gewassen in het bloed van het Lam. APO 7:15 Daarom staan zij voor de troon van God, en dienen Hem dag en nacht in zijn tempel, en Hij die op de troon is gezeten zal zijn tent over hen uitspreiden. APO 7:16 Zij zullen nooit meer honger of dorst lijden, geen zonnesteek of woestijngloed zal hen treffen, APO 7:17 want het Lam in het midden van de troon zal hen weiden en voeren naar de waterbronnen van het leven, en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.' APO 8:1 Het zevende zegel. En toen het Lam het zevende zegel verbrak, werd het stil in de hemel, wel een half uur lang... APO 8:2 De eerste vier trompetten. Toen zag ik de zeven engelen die voor Gods aangezicht staan, en hun werden zeven trompetten gegeven. APO 8:3 En er kwam een andere engel, die met een gouden wierookvat bij het altaar ging staan. Hem werd veel reukwerk gegeven, om het met de gebeden van al de heiligen te offeren op het gouden altaar voor de troon. APO 8:4 En de rook van het reukwerk steeg met de gebeden der heiligen uit de hand van de engel omhoog voor het aanschijn van God. APO 8:5 Daarna nam de engel het wierookvat, vulde het met vurige kolen van het altaar en wierp ze op de aarde. Toen dreunden er donderslagen, vergezeld van bliksem en aardbeving. APO 8:6 En de zeven engelen met de zeven trompetten maakten zich op om de trompet te steken. APO 8:7 En de eerste stak de trompet. En er kwam hagel en vuur, met bloed vermengd; en het werd op de aarde geworpen; en een derde deel van de aarde verbrandde en al het groene gras verbrandde. APO 8:8 En de tweede engel stak de trompet. En het was alsof een grote berg, laaiend van vuur, in de zee geslingerd werd. En een derde deel van de zee werd bloed, APO 8:9 en een derde van de schepselen die in de zee leven, kwam om, en een derde van de schepen verging. APO 8:10 En de derde engel stak de trompet. En er viel een grote ster uit de hemel, brandend als een fakkel. En zij viel op een derde deel van de rivieren en op de waterbronnen. APO 8:11 De naam van de ster is Alsem. En een derde deel van de wateren werd alsem, en vele mensen stierven van het water, omdat het bitter was geworden. APO 8:12 En de vierde engel stak de trompet. En een derde deel van de zon werd getroffen, en een derde deel van de maan en een derde deel van de sterren, zodat een derde daarvan verduisterd werd, en de dag voor een derde deel geen licht gaf en zo ook de nacht.' APO 8:13 De vijfde trompet (het eerste 'wee'). Toen hoorde ik in mijn geestvervoering een adelaar die in het zenit vloog roepen met machtige stem: `Wee, wee, wee de bewoners der aarde, wanneer de trompetten zullen klinken van de drie engelen die nog komen!' APO 9:1 En de vijfde engel stak de trompet. En ik zag een ster die uit de hemel op de aarde was neergestort. En haar werd de sleutel gegeven van de put van de afgrond. APO 9:2 En zij opende de put van de afgrond. En rook steeg op uit de put, als de rook van een geweldige oven de zon en de lucht werden erdoor verduisterd APO 9:3 en uit de rook streken sprinkhanen op de aarde neer, en hun werd macht gegeven zoals de schorpioenen der aarde macht hebben. APO 9:4 En hun werd aangezegd geen schade toe te brengen aan het gras van de aarde of aan gewassen en bomen, maar alleen aan de mensen die het zegel van God niet op hun voorhoofd droegen. APO 9:5 Men stond hun niet toe hen te doden, maar wel hen te pijnigen, vijf maanden lang; en de pijn was als de pijn veroorzaakt door de steek van een schorpioen. APO 9:6 En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken, en hem niet vinden, en zij zullen begeren te sterven, maar de dood vlucht van hen weg. APO 9:7 En de sprinkhanen zagen er uit als paarden, ten oorlog toegerust. Het leek of zij op hun koppen gouden kronen droegen; hun gezichten deden denken aan die van de mensen; APO 9:8 zij hadden haar als vrouwenhaar en tanden als die van leeuwen. APO 9:9 Hun borstschilden geleken ijzeren harnassen, en het gedruis van hun vleugels was als het dreunen van wagens met veel paarden, die ten strijde snellen. APO 9:10 En zij hadden staarten als schorpioenen, en ook angels; en in hun staart was hun macht om de mensen kwaad te doen, vijf maanden lang. APO 9:11 Tot koning over zich hadden zij de engel van de afgrond; zijn naam is in het Hebreeuws Abaddon, in het Grieks Apollyon. APO 9:12 Het eerste Wee is voorbij, maar nog twee weeroepen komen hierna. APO 9:13 De zesde trompet (het tweede 'wee'). En de zesde engel stak de trompet, en ik hoorde een stem komen uit de vier horens van het gouden altaar dat staat voor het aanschijn van God. APO 9:14 En zij sprak tot de zesde engel die de trompet had: `Maak de vier engelen los die zijn vastgebonden bij de grote Eufraatstroom.' APO 9:15 Toen werden de vier engelen losgelaten, die voor het uur en de dag en de maand en het jaar gereed waren gehouden, om een derde deel van de mensen te doden. APO 9:16 En het getal van de ruiterscharen was twintigduizendmaal tienduizend: ik hoorde hun aantal noemen. APO 9:17 En aldus zag ik in mijn visioen de paarden en hun berijders: de ruiters hadden vuurrode, grijsblauwe en zwavelgele harnassen, en de koppen van de paarden waren als leeuwekoppen, en uit hun bek kwam vuur en rook en zwavel. APO 9:18 Door deze drie plagen werd een derde deel van de mensen gedood, door het vuur en de rook en de zwavel die uit hun bek kwamen. APO 9:19 Want de macht van de paarden zit in hun bek, en ook in hun staart: want hun staarten zijn als slangen, voorzien van slangekoppen, waarmee zij letsel toebrengen. APO 9:20 Maar de andere mensen, die niet gedood werden door deze plagen, bekeerden zich toch niet van de werken hunner handen; zij hielden niet op de demonen te aanbidden en de afgoden van goud en zilver en koper en steen en hout, die niet kunnen zien noch horen noch gaan. APO 9:21 En zij bekeerden zich niet van hun moorden en toverkunsten, van hun ontucht en dieverij. APO 10:1 Eerste tussenspel: de sterke engel en het boekje. Toen zag ik een andere sterke engel neerdalen van de hemel, gehuld in een wolk, de regenboog boven zijn hoofd. Zijn gelaat was als de zon en zijn benen als zuilen van vuur. APO 10:2 Hij hield een klein boekje open in zijn hand. Zijn rechtervoet zette hij op de zee en de linker op de aarde. APO 10:3 En hij gaf een geweldige schreeuw, als leeuwegebrul. En daarna weerklonken de zeven donderslagen. APO 10:4 En toen de zeven donderslagen gesproken hadden, wilde ik gaan schrijven, maar ik hoorde een stem uit de hemel zeggen: `Verzegel hetgeen de zeven donderslagen gesproken hebben en schrijf het niet op.' APO 10:5 Toen hief de engel die ik op de zee en het land zag staan, zijn rechterhand ten hemel, APO 10:6 en hij zwoer bij Hem die leeft in de eeuwen der eeuwen, die de hemel geschapen heeft en wat daarin is en de aarde en wat daarop is en de zee en wat daarin is, en hij riep: `Er zal geen uitstel meer zijn! APO 10:7 Als de tijd is aangebroken voor de zevende engel om de trompet te steken, dan zal het geheime raadsbesluit van God in vervulling gaan, zoals Hij het heeft geopenbaard aan zijn dienstknechten, de profeten.' APO 10:8 Toen sprak de stem die ik uit de hemel gehoord had, opnieuw tot mij en zei: `Ga, neem het geopende boek dat ligt in de hand van de engel die op de zee en op het land staat.' APO 10:9 En ik ging naar de engel en vroeg hem mij het boekje te geven. En hij zei: `Neem het en eet het op. Het zal bitter zijn in uw lijf, maar in uw mond zoet als honing.' APO 10:10 En ik nam het boekje uit de hand van de engel en at het op. En het smaakte in mijn mond zoet als honing, maar toen ik het had doorgeslikt, vulde bitterheid mijn lijf. APO 10:11 Toen werd mij gezegd: `Gij moet opnieuw profeteren over vele volken en naties en talen en koningen.' APO 11:1 Tweede tussenspel: de twee getuigen. Daarna werd mij als meetstok een rietstengel gegeven, met de woorden: `Sta op en meet de tempel van God en het altaar en hen die daar aanbidden. APO 11:2 Maar blijf af van de voorhof die buiten de tempel is en meet hem niet, want hij is aan de heidenen gegeven, en zij zullen de heilige stad vertreden, tweeënveertig maanden lang. APO 11:3 En Ik zal mijn twee getuigen bevelen om te profeteren, in zakken gekleed, twaalfhonderdzestig dagen lang.' APO 11:4 Dit zijn de twee olijfbomen Ven de twee luchters, die voor de Heer der aarde staan. APO 11:5 Als iemand hun kwaad wil doen, komt er vuur uit hun mond om hun vijanden te verteren; ja, wie hun kwaad wil doen, moet aldus sterven. APO 11:6 Zij hebben de macht de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt in de tijd dat zij profeteren, en zij hebben macht over de wateren om ze in bloed te veranderen, en macht om de aarde te slaan met allerlei plagen, zo dikwijls zij willen. APO 11:7 Maar als zij hun getuigenis hebben voleindigd, zal het Beest dat uit de afgrond opstijgt, oorlog met hen voeren en hen overwinnen en doden. APO 11:8 En op het plein van de grote stad, die zinnebeeldig Sodom en Egypte heet, alwaar ook hun Heer werd gekruisigd, zullen hun lijken liggen, APO 11:9 voor de ogen van de volken en stammen en talen en naties, drieëneenhalve dag lang; en men duldt niet dat zij begraven worden. APO 11:10 En de bewoners der aarde maken zich vrolijk over hen en vieren feest en zij sturen elkaar geschenken, want deze twee profeten waren voor hen een kwelling. APO 11:11 Maar na die drieëneenhalve dag voer in hen een levensgeest uit God en zij kwamen overeind, en grote vrees overviel allen die hen zagen. APO 11:12 En zij hoorden een stem uit de hemel tot hen zeggen: `Stijgt op hierheen,' en ten aanschouwen van hun vijanden stegen zij in een wolk ten hemel. APO 11:13 En op hetzelfde ogenblik ontstond er een hevige aardbeving, en een tiende deel van de stad stortte in, en zevenduizend mensen kwamen om bij die aardbeving, terwijl de overlevenden door vrees bevangen, eer brachten aan de God des hemels. APO 11:14 Het tweede Wee is voorbij; het derde Wee komt snel. APO 11:15 De zevende trompet (het derde 'wee'). En de zevende engel stak de trompet. En in de hemel klonken luide stemmen, die riepen: `Nu is de heerschappij over de wereld gekomen aan onze Heer en zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen in de eeuwen der eeuwen.' APO 11:16 En de vierentwintig oudsten, die op hun tronen zetelen voor het aanschijn van God, wierpen zich op hun aangezicht en aanbaden God, APO 11:17 zeggend: Wij danken u, Heer, God, Albeheerser, die zijt en die waart, dat Gij uw grote macht gegrepen en uw koningschap aanvaard hebt. APO 11:18 De volkeren waren in toorn ontstoken, maar uw toorn is gekomen en de tijd om de doden te oordelen en om het loon te geven aan uw dienstknechten, de profeten, en de heiligen en hun die uw naam vrezen, kleinen en groten, en om te verderven die de aarde verderven.' APO 11:19 Toen ging de tempel van God in de hemel open, en de ark van zijn verbond werd zichtbaar in zijn tempel, en er dreunden donderslagen, vergezeld van bliksemstralen en aardbeving en zware hagel. APO 12:1 De Vrouw en de Draak. En er verscheen een groot teken aan de hemel: een vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. APO 12:2 Zij was zwanger en kreet in haar weeën en barensnood. APO 12:3 Toen verscheen aan de hemel een ander teken: een grote, vuurrode draak. Hij had zeven koppen en tien horens, en op elke kop een diadeem. APO 12:4 En zijn staart vaagde een derde deel van de sterren des hemels weg en wierp ze op de aarde. En de draak stond voor de vrouw die zou baren, om zodra? zij gebaard had, haar kind te verslinden. APO 12:5 En zij baarde een kind, een zoon, die alle volken zal weiden met een ijzeren staf. En haar kind werd ijlings weggevoerd naar God en zijn troon. APO 12:6 En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft van godswege bereid, om daar gespijzigd te worden twaalfhonderdenzestig dagen. APO 12:7 Toen brak er in de hemel een oorlog uit. Michaël en zijn engelen moesten oorlogen tegen de draak. Ook de draak streed en zijn engelen. APO 12:8 Maar zij hielden geen stand en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. APO 12:9 En de grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die Duivel en Satan heet, die de hele wereld verleidt; neergeworpen werd hij op de aarde en zijn engelen met hem. APO 12:10 En ik hoorde een stem in de hemel roepen: Nu is gekomen het heil en de macht en het koningschap van onze God en de heerschappij van zijn Gezalfde, want de aanklager van onze broeders is neergeworpen, die hen aanklaagde bij onze God, dag en nacht. APO 12:11 Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, want zij hebben hun leven geminacht ten dode toe. APO 12:12 Daarom juicht, hemelen, en gij die daar woont. Wee u, aarde en zee: de Duivel is ziedend van woede bij u neergekomen, want hij weet dat zijn dagen geteld zijn.' APO 12:13 En zodra de draak zich op aarde zag neergeworpen, begon hij de vrouw die het mannelijk kind had gebaard, te vervolgen. APO 12:14 Maar aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote adelaar gegeven, om naar de woestijn te vliegen, naar de plaats voor haar bestemd, waar zij buiten het bereik van de slang wordt gespijzigd een tijd en twee tijden en een halve tijd. APO 12:15 Toen spuwde de slang uit zijn muil de vrouw water na, een stroom gelijk, opdat die stroom haar zou meesleuren. APO 12:16 Maar de aarde kwam de vrouw te hulp; zij opende haar mond en verzwolg de stroom die de draak uit zijn muil had gespuwd. APO 12:17 Toen, om zijn woede op de vrouw te koelen, ging de draak heen, om de overige van haar? kinderen te beoorlogen, hen namelijk die de geboden van God en het getuigenis van Jezus trouw bewaren. APO 12:18 En hij bleef staan op het strand van de zee. APO 13:1 De twee Beesten. En ik zag uit de zee een beest opstijgen. Het had tien horens en zeven koppen, en op zijn horens tien diademen, en op zijn koppen stonden godslasterlijke namen. APO 13:2 En het beest dat ik zag, geleek een luipaard, en zijn poten waren als die van een beer en zijn muil was als een leeuwemuil. En de draak droeg hem zijn macht over en zijn troon, en groot gezag. APO 13:3 Een van zijn koppen leek dodelijk gewond, maar zijn doodwonde genas. Toen liep de hele wereld het beest vol bewondering achterna, APO 13:4 en zij aanbaden de draak, omdat hij aan het beest de heerschappij had gegeven. En zij aanbaden het beest en zeiden: `Wie is gelijk aan het beest? Wie kan de strijd met hem aanbinden?' APO 13:5 En hem werd een mond vol grootspraak en godslastering gegeven en hem werd vergund macht uit te oefenen tweeënveertig maanden lang. APO 13:6 Toen opende hij zijn mond om God te lasteren, om zijn naam te lasteren en zijn woontent en hen die in de hemel wonen. APO 13:7 En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen. Hem werd heerschappij gegeven over elke stam en natie en taal en volk. APO 13:8 En alle bewoners der aarde zullen hem aanbidden, ieder wiens naam niet van de grondlegging der wereld af geschreven staat in het boek des levens van het Lam dat geslacht is. APO 13:9 Wie oren heeft, hore! APO 13:10 Wie bestemd is voor gevangenschap, hij gaat in gevangenschap; wie bestemd is voor de dood door het zwaard, hij zal omkomen door het zwaard. Nu komt het aan op de standvastigheid en de trouw van de heiligen. APO 13:11 Toen zag ik een ander beest. Dit rees op uit de aarde. Het had twee horens als een lam, maar het sprak als een draak. APO 13:12 En heel de macht van het eerste beest oefent het uit voor diens ogen. Het bewerkt dat de aarde en haar bewoners het eerste beest aanbidden, welks doodwonde genezen was. APO 13:13 En het doet grote tekenen; het doet zelfs vuur uit de hemel op aarde neerdalen ten aanschouwen van allen APO 13:14 En het misleidt de bewoners der aarde door de wonderen die het in staat is te doen in dienst van het beest. Het overreedt hen een beeld op te richten ter ere van het beest dat door het zwaard werd gewond maar in leven bleef. APO 13:15 Hem werd zelfs toegestaan levensadem te geven aan het beeld van het beest, zodat het begon te spreken. En het bewerkte dat allen die het beeld van het beest niet aanbaden, ter dood werden gebracht. APO 13:16 En het maakt dat allen, kleinen en groten, rijken en armen, vrijen en slaven, een merkteken ontvangen op hun rechterhand of op hun voorhoofd; APO 13:17 en niemand kan kopen of verkopen, als hij dat teken, de naam van het beest of het getal van zijn naam, niet draagt. APO 13:18 Nu komt het aan op scherpzinnigheid! Wie doorzicht heeft, kan het getal van het beest berekenen. Het duidt een mens aan, en het getal van die mens is zeshonderdzesenzestig. APO 14:1 Het Lam en de zijnen. Weer keek ik, en zie, daar stond het Lam op de berg Sion, en met Hem honderdvierenveertigduizend. Die droegen zijn naam en de naam van zijn Vader op hun voorhoofd geschreven. APO 14:2 En ik hoorde uit de hemel een geluid als het gedruis van vele wateren en het dreunen van de donder. En het geluid dat ik hoorde, was de klank van citerspelers die op hun citers speelden. APO 14:3 En zij zongen een nieuw lied, staande voor de troon en voor de vier dieren en de oudsten. En niemand kon het lied leren dan alleen de honderdvierenveertigduizend vrijgekochten van de aarde. APO 14:4 Dezen zijn het die zich niet met vrouwen hebben bevlekt; maagden zijn het en zij volgen het Lam waarheen het ook gaat. Zij zijn vrijgekocht als de eerstelingen van de mensheid, voor God en het Lam. APO 14:5 En in hun mond is geen leugen gevonden: zij zijn zonder smet. APO 14:6 De aankondiging van het oordeel en van Babels val. Toen zag ik een engel die in het zenit vloog. Hij had een eeuwig evangelie, te verkondigen aan de bewoners der aarde, aan alle volken en stammen en talen en rassen. APO 14:7 En hij riep met luide stem: `Vreest God en geeft Hem eer, want het uur van zijn oordeel is gekomen. Aanbidt Hem die de hemel en de aarde en de zee, en de waterbronnen gemaakt heeft.' APO 14:8 En een andere engel, een tweede, volgde hem en riep: Gevallen, gevallen is Babylon, de grote stad, die alle volken heeft bedwelmd met de wijn van haar ontucht.' APO 14:9 En nog een engel, een derde, volgde hen, en riep met machtige stem: `Alwie het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd of zijn hand laat aanbrengen, APO 14:10 die zal drinken de wijn van Gods toorn, onverdund geschonken in de beker van zijn gramschap; en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel ten aanschouwen van de heilige engelen en van het Lam. APO 14:11 En de rook van hun pijniging stijgt op in de eeuwen der eeuwen. Dag noch nacht hebben zij rust, die het beest en zijn beeld aanbidden en alwie het merkteken van zijn naam aanneemt.' APO 14:12 Nu komt het aan op de volharding der heiligen, van hen die de geboden van God en het geloof in Jezus trouw bewaren. APO 14:13 En ik hoorde een stem uit de hemel die zei: `Schrijf op: Zalig de doden die in de Heer sterven, van nu af aan.' `Ja waarlijk,' zegt de Geest, `Laat hen uitrusten van hun moeiten, want hun daden vergezellen hen.' APO 14:14 Het oordeel als oogst van koren en wijn. Ik keek toe, en ik zag een witte wolk; en op de wolk zat iemand, een mensenzoon gelijk, met een gouden kroon op zijn hoofd en een scherpe sikkel in zijn hand. APO 14:15 En een andere engel kwam uit de tempel en riep met luide stem tot Hem die op de wolk gezeten was: `Sla uw sikkel erin en maai, want het uur om te maaien is gekomen; overrijp werd de oogst van de aarde.' APO 14:16 Toen wierp Hij die op de wolk was gezeten, zijn sikkel op aarde, en de aarde werd afgemaaid. APO 14:17 En weer kwam een engel uit de tempel in de hemel te voorschijn, en ook hij droeg een scherpe sikkel. APO 14:18 En een andere engel, aangesteld over het vuur, kwam van het altaar, en hij riep met luide stem tot hem die de scherpe sikkel droeg: Sla uw scherpe sikkel erin en oogst de trossen van de wijngaard der aarde, want zijn druiven zijn rijp.' APO 14:19 Toen wierp de engel zijn sikkel op de aarde en oogstte de wijngaard der aarde. En hij wierp de trossen in de grote perskuip van Gods toorn. APO 14:20 En de perskuip werd getreden buiten de stad, en bloed stroomde eruit tot aan de tomen der paarden, over een afstand van zestienhonderd stadien. APO 15:1 Het lied van de overwinning. Toen zag ik een ander teken in de hemel, groot en wonderbaar: zeven engelen met zeven plagen, die de laatste zijn, want hiermee bereikt Gods toorn zijn einde. APO 15:2 Ook zag ik een zee als van glas met vuur gemengd, en hen die over het beest en zijn beeld en het getal van zijn naam hadden gezegevierd, zag ik staan aan die zee. Zij bespeelden de harpen Gods APO 15:3 en zij zongen het lied van Mozes, de dienstknecht van God, en het lied van het Lam: Groot en wonderbaar zijn uw daden, Heer, God Albeheerser. Rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen, o Koning der eeuwen. APO 15:4 Wie zou, o Heer, niet vrezen en uw naam niet verheerlijken? Want Gij alleen zijt heilig. En alle volken zullen komen en U aanbidden, omdat uw gerechte oordelen openbaar zijn geworden.' APO 15:5 De zeven engelen met de schalen van Gods gramschap. Daarna zag ik hoe de tempel, de tent der getuigenis, in de hemel geopend werd. APO 15:6 En de zeven engelen met de zeven plagen traden uit de tempel, gekleed in zuiver, glanzend linnen, het middel omgord met gouden gordels. APO 15:7 En een van de vier dieren gaf aan de zeven engelen zeven gouden schalen, vol van de gramschap Gods die leeft in de eeuwen der eeuwen. APO 15:8 Toen vulde zich de tempel met rook vanwege de heerlijkheid Gods, en vanwege zijn macht, en niemand kon de tempel binnengaan, voor de zeven plagen van de zeven engelen voleindigd waren. APO 16:1 De zeven plagen voor de onboetvaardigen. En ik hoorde een luide stem die vanuit de tempel de zeven engelen toeriep: `Gaat heen, giet uit op de aarde de zeven schalen van de toorn Gods!' APO 16:2 En de eerste ging heen en goot zijn schaal uit op de aarde, en er kwam een boos en kwaadaardig gezwel bij de mensen die het merkteken droegen van het beest en zijn beeld aanbaden. APO 16:3 En de tweede goot zijn schaal uit op de zee, en er kwam bloed als was er gemoord, en elk levend wezen in de zee stierf. APO 16:4 En de derde goot zijn schaal uit op de rivieren en de waterbronnen, en er kwam bloed. APO 16:5 Toen hoorde ik de engel van de wateren zeggen: `Rechtvaardig zijt Gij die zijt en die waart, Gij de Heilige, dat Gij dit vonnis hebt geveld. APO 16:6 Bloed hebben zij vergoten, het bloed van de heiligen en profeten, en bloed hebt Gij hun te drinken gegeven. Zij hebben het verdiend.' APO 16:7 En ik hoorde de stem van het altaar: `Ja, Heer, God, Albeheerser, waarachtig en rechtvaardig zijn uw oordelen.' APO 16:8 En de vierde goot zijn schaal uit op de zon, en haar werd gegeven de mensen te verzengen met vuur, APO 16:9 en de mensen werden verzengd door de grote hitte. Maar zij lasterden de naam van God, die macht heeft over deze plagen, en zij weigerden zich te bekeren en Hem eer te geven. APO 16:10 En de vijfde goot zijn schaal uit op de troon van het beest, en zijn koninkrijk werd verduisterd en zij beten zich de tong stuk van de pijn. APO 16:11 Maar zij lasterden de God des hemels om hun pijnen en hun zweren, en zij bekeerden zich niet van hun daden. APO 16:12 En de zesde goot zijn schaal uit op de grote Eufraatstroom, en zijn water droogde op, zodat de weg open lag voor de koningen uit het oosten. APO 16:13 Toen zag ik uit de muil van de draak en uit de muil van het beest en uit de muil van de valse profeet drie onreine geesten te voorschijn komen in de gedaante van kikvorsen. APO 16:14 Duivelsgeesten zijn het, die wonderen doen en uitgaan naar de koningen van de gehele wereld, om hen te verzamelen voor de strijd op de grote dag van God, de Albeheerser. APO 16:15 Pas op, Ik kom als een dief! Gelukkig de mens die wakker blijft en zijn kleren aanhoudt, zodat hij niet naakt hoeft te gaan en allen zijn schaamte zien'. APO 16:16 En zij verzamelden hen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet. APO 16:17 En de zevende engel goot zijn schaal uit in de lucht. Toen riep uit de tempel, vanaf de troon, een machtige stem: `Het is gebeurd!' APO 16:18 En er kwamen bliksemstralen en dreunende donderslagen. En er ontstond een hevige aardbeving, zoals er nooit een geweest is sedert er mensen op aarde zijn; zo ontzettend was die aardbeving. APO 16:19 En de grote stad viel in drie stukken uiteen en de steden van de volken stortten in. En God herinnerde zich Babylon, de grote stad, en Hij gaf haar de beker met de wijn van zijn grimmige toorn te drinken. APO 16:20 En alle eilanden verdwenen en er waren geen bergen meer te zien. APO 16:21 En ontzaglijke hagelstenen, wel honderd pond zwaar, vielen uit de hemel op de mensen neer. En de mensen lasterden God om de plaag van de hagel; want die plaag was bovenmate zwaar. APO 17:1 Beschrijving van het grote Babylon. Toen kwam een van de engelen met de zeven schalen en sprak tot mij: `Kom, ik zal u het oordeel laten zien over de grote hoer, die zit aan de vele wateren. APO 17:2 Met haar hebben de koningen der aarde gehoereerd, en de bewoners der aarde hebben zich bedronken aan de wijn van haar ontucht.' APO 17:3 En hij voerde mij in de geest naar de woestijn. En ik zag een vrouw, gezeten op een scharlakenrood beest, dat overdekt was met godslasterlijke namen; en het had zeven koppen en tien horens. APO 17:4 De vrouw was gekleed in purper en scharlaken, en getooid met goud en juwelen en parels. In haar hand hield zij een gouden beker, boordevol met de walgelijke onreinheden van haar hoererij. APO 17:5 En op haar voorhoofd stond een naam geschreven, een geheimzinnige naam: `Babylon, de grote stad, de moeder van de hoeren en de gruwelen der gehele aarde.' APO 17:6 En de vrouw was dronken van het bloed der heiligen en het bloed van Jezus' martelaren. Toen ik haar zag, was ik zeer verbaasd. APO 17:7 Maar de engel zei: Waarom verbaast gij u? Ik zal u het geheim verklaren van de vrouw en van het beest met de zeven koppen en de tien horens, waarop zij rijdt. APO 17:8 Het beest dat gij gezien hebt, was, en is niet meer; het zal weer opstijgen uit de afgrond, maar gaat ten onder. En de bewoners der aarde, zij wier namen niet geschreven staan in het boek des levens van de grondlegging der wereld af, zij zullen zich verbazen bij het zien van het beest, want het was en is niet en zal komen'. APO 17:9 Hier komt het weer aan op scherpzinnigheid! `De zeven koppen zijn zeven heuvels, waarop de vrouw gezeten is. APO 17:10 Het zijn ook zeven koningen: vijf van hen zijn gevallen, een is er, de laatste is nog niet gekomen; en als hij komt, is het om slechts een korte tijd te blijven. APO 17:11 En het beest dat was en niet is, is zelf de achtste en toch een van de zeven, en het gaat ten onder. APO 17:12 De tien horens die gij gezien hebt, zijn tien koningen; zij regeren nog niet, maar voor een uur zullen zij koninklijke macht ontvangen, samen met het beest. APO 17:13 Zij zijn een van zin, en hun macht en gezag geven zij aan het beest. APO 17:14 Zij zullen oorlog voeren tegen het Lam, maar het Lam zal hen overwinnen, want Hij is de Heer der heren en de Koning der koningen, en zij die met Hem zijn, de geroepenen, uitverkorenen, getrouwen, zullen delen in zijn overwinning. APO 17:15 Nog zei hij tot mij: `De wateren die gij gezien hebt en waaraan de hoer is gezeten, dat zijn volken en menigten en rassen en talen. APO 17:16 Maar de tien horens en het beest, zij zullen de hoer gaan haten en haar vereenzaamd maken en naakt, zij zullen haar vlees verslinden en haar levend verbranden. APO 17:17 Want God heeft hun ingegeven zijn plan uit te voeren en eensgezind hun koningschap zo lang ter beschikking te stellen van het beest, tot Gods woorden in vervulling zijn gegaan. APO 17:18 De vrouw die gij gezien hebt, is de grote stad, die heerst over de koningen der aarde.' APO 18:1 De ondergang van Babylon. Daarna zag ik een andere engel van de hemel neerdalen. Hij had groot gezag en de aarde straalde van zijn heerlijkheid. APO 18:2 En hij riep met krachtige stem: `Gevallen, gevallen is Babylon, de grote stad! Zij werd een woonoord voor demonen, een schuilplaats voor allerlei onreine geesten en voor alle soort van onrein en verfoeilijk gevogelte. APO 18:3 Want alle volken hebben de wijn van haar ontucht gedronken, en de koningen der aarde hebben ontucht met haar bedreven, en de kooplieden der aarde zijn rijk geworden van haar mateloze weelde.' APO 18:4 Toen hoorde ik een andere stem uit de hemel, die zei: Vertrek, mijn volk, verlaat de stad, opdat gij niet deelt in haar zonden en geen deel krijgt aan haar plagen. APO 18:5 Want haar zonden hebben zich opgestapeld tot aan de hemel, en God heeft zich haar ongerechtigheden herinnerd. APO 18:6 Betaalt haar met gelijke munt. Vergeldt haar dubbel wat zij heeft misdaan, schenkt haar een dubbele maat in de beker die zij voor anderen gemengd heeft. APO 18:7 Geeft haar zoveel pijn en rouw als zij zichzelf luister en weelde gunde. Want zij zegt bij zichzelf: `Ik ben een koningin op mijn troon; voor mij geen weduwschap, voor mij geen rouw!' APO 18:8 Daarom zullen op een dag haar plagen komen, pest en rouw en hongersnood en zij zal door het vuur worden verteerd. Want sterk is God, de Heer, die haar heeft gevonnist.' APO 18:9 Klaagliederen over Babylon. Over haar zullen wenen en weeklagen de koningen der aarde, haar gezellen in ontucht en weelde, als zij de rook zien opstijgen van haar brand. APO 18:10 Zij blijven op een afstand uit afschuw voor haar foltering, en zij roepen: `Wee, wee, Babylon, grote stad, sterke stad! In een uur is uw vonnis voltrokken.' APO 18:11 En de kooplieden der aarde wenen en rouwen om haar, want niemand koopt nog hun waren, APO 18:12 hun ladingen van goud en zilver, juwelen en parels, fijn linnen, purper, zijde en scharlaken, citrushout, voorwerpen van ivoor, van het kostbaarste hout, van koper, ijzer en marmer, APO 18:13 kaneel en amomum, reukwerk, mirre en wierook, wijn en olie, bloem en tarwe, runderen en schapen, paarden en wagens, slaven en lijfeigenen. APO 18:14 Verdwenen zijn de rijpe vruchten die uw hart begeerde, vergaan is de glans en de glorie van het leven, nooit meer vindt gij ze terug. APO 18:15 De kooplieden die zich aan haar verrijkt hebben, blijven op een afstand, uit afschuw voor haar foltering, terwijl zij wenen en luid klagen: APO 18:16 Wee, wee de grote stad, die gekleed was in fijn linnen, purper en scharlaken, en getooid met goud en juwelen en parels! APO 18:17 In een uur ging al die rijkdom te niet.' En iedere stuurman en elke kustvaarder en het scheepsvolk en alwie zee bouwt, zij bleven ver weg, APO 18:18 toen zij de rook zagen van haar brand, en riepen uit: `Welke stad was gelijk aan de grote stad?' APO 18:19 En zij strooiden stof op hun hoofd en onder tranen ge geklaag riepen zij: `Wee, wee de grote stad! Door haar schatten werden rijk allen die schepen hadden op zee. In een uur is zij verwoest.' APO 18:20 Verheug u over haar, gij hemel, en gij, heiligen, apostelen en profeten, want God heeft uw rechtsgeding tegen haar berecht. APO 18:21 Toen hief een sterke engel een steen als een grote molensteen op en wierp hem in de zee en zei: `Zo zal Babylon, de grote stad, worden weggeslingerd en nooit meer worden teruggevonden... APO 18:22 En de klank van harpenaars en zangers, van fluitspelers en trompetters zal nooit meer in u worden gehoord, en geen beoefenaar van enig ambacht wordt in u nog gevonden. En het geluid van de molen wordt in u niet meer gehoord, APO 18:23 en het licht van de lamp zal in u niet meer schijnen, en de stem van bruidegom en bruid zal niemand meer in u horen. Want uw kooplieden waren de vorsten der aarde en door uw toverkunsten werden alle volken verleid. APO 18:24 In u werd het bloed gevonden van de profeten en de heiligen, en van allen die vermoord zijn op aarde'. APO 19:1 Zegeliederen in de hemel. Wat ik daarna hoorde, was als de machtige stem van een grote menigte uit de hemel. En zij riepen: Alleluja! Het heil en de eer en de macht zijn van onze God, APO 19:2 want waarachtig en rechtvaardig zijn zijn oordelen. Hij sprak het oordeel over de grote hoer, die met haar hoererij de aarde ten verderve voerde. Hij heeft het bloed van zijn dienstknechten aan haar gewroken'. APO 19:3 En andermaal riepen zij: Alleluja! Haar rook stijgt op in de eeuwen der eeuwen'. APO 19:4 En de vierentwintig oudsten en de vier dieren wierpen zich neer en aanbaden God, die op de troon is gezeten en zeiden: `Amen, Alleluja!' APO 19:5 En een stem ging uit van de troon en sprak: Looft onze God, al zijn dienstknechten, gij die Hem vreest, gij kleinen en groten.'! APO 19:6 Toen hoorde ik een geluid als van een grote menigte en als het gedruis van vele wateren en als het dreunen van zware donderslagen, en zij riepen: Alleluja! De Heer, onze God, de Albeheerser heeft zijn koningschap aanvaard. APO 19:7 Laat ons blij zijn en juichen en Hem de eer geven: de tijd is gekomen voor de bruiloft van het Lam en zijn bruid heeft zich al klaargemaakt.' ( APO 19:8 Voor haar bruidskleed kreeg ze smetteloos, blinkend lijnwaad; zinnebeeld van de goede daden van de heiligen.) APO 19:9 En de engel zei tot mij: Schrijf op: zalig zijn die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam'. En hij voegde eraan toe: `Dit zijn de eigen woorden van God.' APO 19:10 Toen viel ik voor zijn voeten neer om hem te aanbidden, maar hij zei: `Dat nooit! Aanbid God alleen. Ik ben slechts een dienstknecht zoals gij en uw broeders die het getuigenis van Jezus bezitten.' Het getuigenis van Jezus immers is het dat de profeten bezielt. APO 19:11 Christus de overwinnaar. De ondergang van de beide beesten. Toen zag ik de hemel open, en daar was een wit paard, en zijn berijder heet `Getrouw en Waarachtig', en Hij oordeelt en voert oorlog met gerechtigheid. APO 19:12 Zijn ogen vlammen als vuur; op zijn hoofd draagt Hij vele diademen, daarin een naam gegrift die niemand kent dan Hij alleen. APO 19:13 Hij is gehuld in een mantel gedoopt in bloed. En zijn naam luidt: `Het Woord Gods'. APO 19:14 Op witte paarden volgen Hem de hemelse machten, gekleed in smetteloos, wit lijnwaad. APO 19:15 Uit zijn mond komt een scherp zwaard dat de volken zal slaan. Hij zal ze weiden met een ijzeren staf. Hijzelf treedt de perskuip van de wijn van de grimmige toorn van God, de Albeheerser. APO 19:16 En op zijn mantel en op zijn dij staat een naam geschreven: Koning der koningen en Heer der heren'. APO 19:17 Daarna zag ik een engel die stond op de zon. Met machtige stem riep hij tot alle vogels die vliegen in het zenit: Komt, verzamelt u aan de grote maaltijd van God, APO 19:18 om te eten het vlees van koningen en krijgsoversten en het vlees van helden en het vlees van paarden en ruiters, het vlees van allen, vrijen en slaven, kleinen en groten.' APO 19:19 Toen zag ik het beest en de koningen der aarde met hun legers, die zich hadden verzameld om oorlog te voeren tegen de Ruiter op het witte paard en zijn legermacht. APO 19:20 Maar het beest werd gegrepen, en met hem de valse profeet die voor hem de wonderen had gedaan waardoor de mensen verleid werden het teken van het beest aan te nemen en zijn beeld te aanbidden. Levend werden beide geworpen in de vuurpoel die gloeit van zwavel. APO 19:21 En de overigen werden gedood door het zwaard uit de mond van de Ruiter, en alle vogels verzadigden zich aan het vlees van de gevallenen. APO 20:1 Het duizendjarige rijk. Toen zag ik een engel uit de hemel neerdalen met de sleutel van de afgrond en een grote ketting in zijn hand. APO 20:2 En hij greep de draak, de oude slang dat is de Duivel, de Satan en hij boeide hem voor duizend jaren, APO 20:3 en wierp hem in de afgrond, die hij grendelde en verzegelde boven zijn hoofd, opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden voordat de duizend jaren voorbij waren. Daarna moet hij voor een korte tijd worden losgelaten. APO 20:4 En ik zag tronen en zij namen daarop plaats en hun werd het oordeel gegeven. Ik zag de zielen van hen die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en het woord van God, die het beest en zijn beeld niet hadden aanbeden en het merkteken niet hadden aangenomen op hun voorhoofd en hun hand. En zij werden weer levend en heersten met Christus, duizend jaren lang. APO 20:5 De overige doden werden niet levend voordat de duizend jaren voorbij waren. Dit is de eerste opstanding. APO 20:6 Zalig en heilig die deel hebben aan de eerste opstanding! Over hen heeft de tweede dood geen macht. Zij zullen priesters zijn van God en Christus, en met Hem als koningen heersen, duizend jaren lang. APO 20:7 De ondergang van Satan met Gog en Magog. En als de duizend jaren voorbij zijn, zal de Satan uit zijn kerker worden vrijgelaten. APO 20:8 Hij zal heengaan om de volken te verleiden die aan de vier hoeken der aarde wonen, Gog en Magog, talrijk als het zand van de zee, om hen voor de strijd te verzamelen. APO 20:9 En zij stegen op naar de hoogvlakte der aarde, en zij omsingelden de legerplaats der heiligen en de geliefde stad. Maar vuur viel neer uit de hemel en verteerde hen. APO 20:10 En de Duivel die hen verleid had, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel, waarin ook het beest is en de valse profeet. En zij zullen gepijnigd worden dag en nacht, in de eeuwen der eeuwen. APO 20:11 Het laatste oordeel. Toen zag ik een grote, witte troon, en Hem die daarop gezeten is. De aarde en de hemel vluchtten weg van zijn aanschijn en hun plaats werd niet meer gevonden. APO 20:12 En ik kon de doden, groot en klein, voor de troon zien staan. En de boeken werden geopend. Nog een ander boek werd geopend, het boek des levens. En de doden werden geoordeeld naar hun daden, zoals die in de boeken beschreven stonden. APO 20:13 En de zee gaf haar doden terug, en de dood en de onderwereld gaven hun doden terug, en zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn daden. APO 20:14 Toen werden dood en onderwereld in de vuurpoel geworpen. Dit is de tweede dood, de poel van vuur. APO 20:15 En ieder wiens naam niet stond in het boek des levens, werd geworpen in de poel van vuur. APO 21:1 De nieuwe hemel en de nieuwe aarde. En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; de eerste hemel en de eerste aarde waren verdwenen en de zee bestond niet meer. APO 21:2 En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, van God uit de hemel neerdalen, gereed als een bruid die zich voor haar man heeft getooid. APO 21:3 Toen hoorde ik een machtige stem die riep van de troon: `Zie hier Gods woning onder de mensen! Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn, en Hij, God met hen, zal hun God zijn. APO 21:4 En Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij.' APO 21:5 En Hij die op de troon is gezeten, sprak: `Zie, Ik maak alles nieuw.' En ik hoorde zeggen: `Schrijf deze woorden op, ze zijn onfeilbaar waar.' APO 21:6 Nog zei Hij tot mij: `Het is gebeurd! Ik ben de Alfa en de Omega, de oorsprong en het einde. Wie dorst heeft zal Ik te drinken geven uit de bron van het water des levens, om niet. APO 21:7 Wie overwint zal dit alles krijgen, en Ik zal zijn God zijn en hij mijn zoon. APO 21:8 Maar de lafhartigen, de trouwelozen, de verdorvenen, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars en alle leugenaars, hun deel is in de poel die brandt van vuur en zwavel. Dit is de tweede dood.' APO 21:9 Het nieuwe Jeruzalem. Toen kwam een van de engelen met de zeven schalen die gevuld waren met de zeven laatste plagen, naar mij toe en zei: Kom! Ik zal u de bruid, de vrouw van het Lam tonen.' APO 21:10 En hij bracht mij in de geest op een zeer hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, terwijl zij van God uit de hemel neerdaalde, APO 21:11 stralend van de heerlijkheid Gods: zij schitterde als het kostbaarste gesteente, als kristalklare jaspis. APO 21:12 De stad was omringd door een grote hoge muur met twaalf poorten en aan de poorten stonden twaalf engelen; namen waren daarop gegrift, de namen van de twaalf stammen van Israël. APO 21:13 Er waren drie poorten op het oosten, drie op het noorden, drie op het zuiden en drie op het westen. APO 21:14 En de stadsmuur had twaalf grondstenen en daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam. APO 21:15 En hij die met mij sprak, had een gouden meetstok om de stad op te meten en haar poorten en haar muur. APO 21:16 De stad was gebouwd als een vierkant, even lang als breed. Hij mat met zijn meetstok haar zijden: twaalfduizend stadien; lengte, breedte en ook hoogte waren gelijk. APO 21:17 De muur van de stad was honderdvierenveertig el hoog, gemeten naar onze maat, die de engel ook gebruikte. APO 21:18 De muur was gebouwd van jaspis, de stad zelf was van zuiver goud, dat fonkelde als kristal. APO 21:19 De grondstenen van de stadsmuur waren vervaardigd van alle soorten edelgesteente: de eerste van jaspis, de tweede van saffier, de derde van chalcedon, de vierde van smaragd, APO 21:20 de vijfde van onyx, de zesde van karneool, de zevende van chrysoliet, de achtste van beryl, de negende van topaas, de tiende van chrysopraas, de elfde van hyacint, en de twaalfde van ametist. APO 21:21 En de twaalf poorten waren twaalf parels: elke poort bestond uit een enkele parel. En de straten van de stad waren van zuiver goud, doorzichtig als glas. APO 21:22 Maar een tempel zag ik er niet, want God, de Heer, de Albeheerser, is haar tempel, evenals het Lam. APO 21:23 En de stad heeft het licht van zon en maan niet nodig, want de luister van God verlicht haar en haar lamp is het Lam. APO 21:24 En de volken wandelen bij haar licht, en de koningen der aarde brengen haar hun rijkdom. APO 21:25 Haar poorten zullen overdag nooit worden gesloten, en er zal geen nacht meer zijn, APO 21:26 en zij zullen daar de pracht en de schatten der volken brengen. APO 21:27 Niets onreins zal er binnenkomen, en niemand die plichtig is aan de onnoembare leugen, maar alleen zij wier namen geschreven staan in het boek des levens van het Lam. APO 22:1 Toen toonde mij de engel de rivier met het water des levens, helder als kristal, die ontwelde aan de troon van God en van het Lam. APO 22:2 Zij liep midden door de straat van de stad, en op haar oevers, aan weerszijden, stond het geboomte des levens, dat twaalfmaal vrucht draagt, elke maand eens; en zijn loof brengt de volken genezing. APO 22:3 En er zal geen banvloek meer zijn. En de troon van God en van het Lam zal daar staan en zijn dienstknechten zullen Hem vereren. APO 22:4 Zij zullen zijn gelaat aanschouwen en zijn naam zal op hun voorhoofd zijn. APO 22:5 Er zal geen nacht meer zijn en zij behoeven geen licht meer van lamp of zon, want God de Heer zal over hen lichten, en zij zullen heersen in de eeuwen der eeuwen. SLOT APO 22:6 De engel der openbaring: En hij sprak tot mij: `Deze woorden zijn onfeilbaar waar. God de Heer, die de profeten inspireert, heeft zijn engel gezonden om aan zijn dienstknechten te tonen wat spoedig moet gebeuren. APO 22:7 Christus: Zie, Ik kom spoedig. Zalig hij die de profetische woorden van dit boek bewaart.' APO 22:8 De ziener en de engel der openbaring: Ik, Johannes, ben het die dit alles hoorde en zag. En toen ik het gehoord en gezien had, viel ik neer voor de voeten van de engel die het mij had getoond, om hem te aanbidden. APO 22:9 Maar hij zei: `Dat nooit! Ik ben slechts een dienstknecht zoals gij en uw broeders, de profeten, en zij die de woorden van dit boek bewaren. Aanbid God alleen.' APO 22:10 Hij zei nog: `Verzegel de profetieën van dit boek niet, want de tijd is nabij. APO 22:11 Laat de zondaar nog meer zondigen en de onreine zich nog meer verontreinigen; laat de vrome volharden in zijn deugd en de heilige nog heiliger worden.' APO 22:12 Christus: Zie, Ik kom spoedig, en mijn loon breng Ik mee, om ieder te vergelden naar zijn werk. APO 22:13 Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste, de oorsprong en het einde. APO 22:14 Zalig zij die hun kleren rein wassen. Zij zullen recht krijgen op de boom des levens en door de poorten mogen ingaan in de stad. APO 22:15 Buiten blijven de honden, de tovenaars, de hoereerders, de moordenaars, de afgodendienaars: eenieder die de leugen liefheeft en doet. APO 22:16 Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden om u deze openbaringen aangaande de kerken bekend te maken. Ik ben de Wortel uit het geslacht van David, de stralende morgenster. APO 22:17 De kerk: De Geest en de bruid zeggen: `Kom!' Laat wie het hoort, zeggen: `Kom!' Wie dorst heeft kome. Wie wil, neme het water des levens, om niet. APO 22:18 De ziener: Ik verklaar aan ieder die de profetieën van dit boek hoort voorlezen: `Als iemand er iets aan toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek beschreven staan. APO 22:19 En als iemand iets afneemt van de woorden van deze profetie, zal God hem zijn deel afnemen van de boom des levens en van de heilige stad, die in dit boek beschreven zijn.' APO 22:20 Hij die dit alles waarborgt, spreekt: `Ja, Ik kom spoedig.' Amen. Kom, Heer Jezus! APO 22:21 De genade van de Heer Jezus zij met allen.